Raad van State
Voorstel van wet houdende wijziging van enkele belastingwetten (Belastingplan 2006), met memorie van toelichting.
Jaar: 2019
Documenten: 1
Voorstel van wet houdende wijziging van enkele belastingwetten (Belastingplan 2006), met memorie van toelichting.Bij Kabinetsmissive van 30 augustus 2005, no.05.003101, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Financiën, mede namens de Minister van Financiën, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet houdende wijziging van enkele belastingwetten (Belastingplan 2006), met memorie van toelichting. Het voorstel omvat het Belastingplan 2006. De Raad van State onderschrijft de strekking van het wetsvoorstel, maar plaatst kanttekeningen bij de voorgestelde inwerkingtreding van de tonnageregeling, de regelingen voor filmstimulering en de woningcorporaties, alsmede de herijking van de dividendbelastingheffing en de codificering van enkele besluiten in de loonbelastingsfeer. De Raad is van oordeel dat in verband daarmee aanpassing van het voorstel wenselijk is. 1. Belastingplan Zoals de Raad meermalen heeft opgemerkt, dienen in een belastingplan alleen die maatregelen te worden opgenomen die direct betrekking hebben op het budgettaire en koopkrachtbeeld van het komende jaar. Daarnaast kunnen in een wetsvoorstel de maatregelen worden opgenomen die niet direct betrekking hebben op het budgettaire en koopkrachtbeeld van het komende jaar maar waarvan de inwerkingtreding per begin van het volgende kalenderjaar nodig of gewenst is. In de afgelopen jaren zijn de fiscale maatregelen op deze wijze in wetsvoorstellen opgenomen. De Raad stelt vast dat in het Belastingplan 2006 deze splitsing niet is gemaakt en dat ook wijzigingsvoorstellen die eerder passen in een technische herstelwet, zijn opgenomen. Het bijeenbrengen van maatregelen van uiteenlopende aard in een wetsvoorstel legt druk op de besluitvorming. Deze druk is alleen aanvaardbaar indien de samenhang van de verschillende maatregelen mede het karakter van het wetsvoorstel bepaalt, zoals bij een belastingplan in bovengenoemde zin het geval is. De Raad adviseert opnieuw er strikt de hand aan te houden alleen de maatregelen die direct betrekking hebben op het budgettaire en koopkrachtbeeld van het komende jaar in een belastingplan op te nemen. 2. Tonnageregeling De in de Overige fiscale maatregelen 2005 (Wet van 16 december 2004, Stb. 654) opgenomen wijzigingen in de tonnageregeling zijn nog niet in werking getreden in afwachting van de goedkeuring van de Europese Commissie. Voorgesteld wordt nu in navolging van Denemarken deze wijzigingen te versoepelen ten aanzien van het vlagvereiste, dat wordt beperkt tot schepen die de belastingplichtige in eigendom of mede-eigendom heeft of door hem in rompbevrachting worden gehouden, en uit te breiden met scheepsmanagement-activiteiten; daarentegen vervalt de uitbreiding van de tonnageregeling ten aanzien van kabelleggers, onderzoekschepen en kraanschepen. Tevens wordt aangekondigd, dat de aangepaste wijzigingen van de tonnageregeling ook zonder uitdrukkelijke toestemming van de Europese Commissie op 1 januari 2006 in werking zullen treden. De Nederlandse regering heeft de Europese Commissie meermalen verzocht een beslissing inzake de voorgestelde tonnageregeling te geven, maar die is uitgebleven. In de toelichting wordt opgemerkt, dat Nederland zich nu genoodzaakt ziet de wijzigingen van de tonnageregeling op 1 januari 2006 in werking te laten treden. De Raad ziet die noodzaak niet in. De afweging tussen het met terugwerkende kracht invoeren van een regeling en het moeten terugvorderen van ongeoorloofde staatssteun dient door te slaan naar de eerstgenoemde mogelijkheid. Het afgaan op de faciliteiten die de tonnageregeling biedt, is voor de sector in beide varianten onzeker zolang de Europese Commissie geen uitsluitsel heeft gegeven, maar eerstgenoemde mogelijkheid lijkt het minst belastend. De Raad adviseert eerst na de beslissing van de Europese Commissie de gewijzigde tonnageregeling in werking te laten treden. 3. Filmstimulering In de toelichting wordt opgemerkt dat besloten is naar aanleiding van de motie-Verhagen het filmstimuleringsbeleid structureel voort te zetten. De Raad heeft eerder negatief geadviseerd over de wijze waarop aan dit stimuleringsbeleid vorm is gegeven. In het advies inzake het Belastingplan 2002 II - Economische infrastructuur (Kamerstukken II 2001/02, 28 034, A) merkte de Raad het volgende op: "21. De Raad heeft bij de invoering van de faciliteit voor de Nederlandse filmindustrie opgemerkt dat zou moeten worden toegelicht waarom deze maatregel van toepassing zal zijn voor de filmindustrie en niet voor andere vergelijkbare activiteiten. In het nader rapport is erop gewezen dat Nederland goede mogelijkheden biedt voor een in de economische en culturele infrastructuur verweven bedrijfstak film. Om de filmindustrie een duw in de goede richting te geven, zijn maatregelen voorgesteld die zijn gericht op het verbeteren van de financiële en economische infrastructuur, waardoor de investeringsbereidheid en het productievolume kan worden vergroot. De voorgenomen maatregelen betreffen niet zozeer een steunprogramma als wel het geven van een impuls aan de filmindustrie (Kamerstukken II 1997/98, 25 688, B, blz. 3). In de brief van 11 juni 2001 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer is de evaluatie van de stimuleringsmaatregelen opgenomen. Uit deze evaluatie blijkt onder meer, dat vooral sprake is geweest van fiscale oriëntatie in plaats van marktoriëntatie en dat serieuze toetsing van commerciële perspectieven van een film in bepaalde gevallen achterwege blijft. De verbetering van de financiële en economische infrastructuur is niet aan te wijzen. Het is de investeerders veeleer om de fiscale aftrekpost te doen geweest. Doordat financiële instellingen zeer actief inspeelden op de mogelijkheden van de fiscale stimuleringsmaatregelen, heeft daarenboven de FINE niet de voortrekkersrol kunnen vervullen die haar bij de opzet van het pakket filmstimuleringsmaatregelen was toebedacht (Kamerstukken II 2000/01, 25 434, nr. 5). Naar het oordeel van de Raad rechtvaardigt deze evaluatie niet dat voortgegaan moet worden op de weg de filmindustrie fiscaal sterker te stimuleren dan andere culturele beleggingen. De beleggingen in durfkapitaal, waartoe de culturele beleggingen behoren, zijn aanmerkelijk fiscaal gefaciliëerd door de vrijstelling van de vermogensrendementsheffing, de extra heffingskorting en de mogelijkheid verliezen ten laste van het box I-inkomen af te trekken. Tot de culturele beleggingen zullen onder meer projecten die in het belang zijn van de Nederlandse film gerekend worden (het voorgestelde artikel 5.18a van de Wet inkomstenbelasting 2001) (Wet IB 2001). Deze faciliteiten stellen investeerders reeds een redelijk rendement in het vooruitzicht dat nodig is om durfkapitaal te genereren. Voorzover gevreesd zou moeten worden dat met behulp van deze fiscale faciliteiten onvoldoende durfkapitaal uit de markt aan te trekken is, zou de voorgenomen maatregel in de vorm van publiek-private samenwerking sterker kunnen worden ingezet. De Raad mist in de toelichting een deugdelijke vergelijking van het te bereiken rendement bij toepassing van de faciliteiten voor durfkapitaal en de filminvesteringsaftrek, nu in figuur 3 geabstraheerd is van vrijstellingen in box III. De keuze voor filminvesteringsaftrek en tegen durfkapitaal is daardoor niet onderbouwd. Deze keuze is temeer opvallend omdat bij de uitwerking van hetgeen tot de culturele beleggingen dient te worden gerekend, in het voorstel van Wet wijziging van enkele belastingwetten (herstel van onjuistheden) (Kamerstukken II 2000/01, 27 746) de projecten die in het belang zijn van de Nederlandse film als culturele projecten zijn aangewezen. De Raad adviseert niet de weg op te gaan van de invoering van een filminvesteringsaftrek. Het verlenen van deze investeringsaftrek staat haaks op de opzet van de Wet IB 2001 alleen aan «echte» ondernemers ondernemersfaciliteiten te verlenen. Daarenboven wordt deze filminvesteringsaftrek niet aan «echte» ondernemers maar alleen aan pseudo-ondernemers verleend, en vindt in afwijking van de gebruikelijke regeling slechts een beperkte desinvesteringsbijtelling plaats. Deze inbreuken op het systeem maken de «systeemfout» nog groter. Voor een tijdelijke en gebudgetteerde regeling moet zo'n systeemfout niet gemaakt worden. De Raad adviseert niet over te gaan tot de invoering van een filminvesteringsaftrek en de faciliëring van Nederlandse films ondergebracht te houden bij de regeling voor durfkapitaal." Nu wordt voorgesteld een nagenoeg gelijke regeling structureel in de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) op te nemen, herhaalt de Raad zijn bedenkingen. Deze bedenkingen worden vergroot nu de voorgestelde wijziging ertoe leidt dat de regeling gecompliceerder wordt in systematiek en uitvoering; in het bijzonder speelt dit doordat, met het loslaten van het fiscale winstbegrip, fiscaal aftrekbare verliezen van een film-cv tot 130% van de inleg van de participanten kunnen belopen en een nieuwe objectieve vrijstelling wordt ingevoerd. De staatssecretaris onderkent dit eveneens en heeft al een onderzoek aangekondigd naar een eenvoudiger variant die gebaseerd is op belastingheffing in Box III.(zie noot 1) Daarnaast wijst de Raad er op dat uit de in bijlage 1 opgenomen voorbeelden is af te leiden dat een substantieel gedeelte van dit uit de markt aangetrokken kapitaal als belastinguitgave vervolgens ten laste van 's Rijksschatkist wordt gebracht. Het per saldo door de investeerders bijgedragen "echt eigen" kapitaal aan de filmindustrie is zo gering ten opzichte van het totaal benodigde kapitaal, dat dit het invoeren van de belastinguitgave met al zijn gecompliceerde regelingen en administratieve lasten niet rechtvaardigt, nog afgezien van het risico dat een deel van met de faciliteit gemoeide gelden weglekt naar het buitenland. Dit alles wijst in de richting dat een volledig rechtstreekse subsidiëring in deze situatie meer voor de hand ligt dan de voorgestelde regeling. Een volledige subsidiëring zou in afwachting van de resultaten van het aangekondigde onderzoek ook een overbrugging kunnen vormen, zodat niet nu mogelijk tijdelijk de voorgestelde complexe regeling behoeft te worden ingevoerd. Tenslotte wijst de Raad er op dat, ingeval het echt alleen maar gaat om een fiscale aftrekpost, de regeling ook vorm zou kunnen krijgen in het als aftrekbare gift in aanmerking nemen van gerealiseerde verliezen op door SenterNovem geaccordeerde filmprojecten. De Raad adviseert de invoering van een structurele regeling voor filmstimulering te heroverwegen. 4. Woningcorporaties De in artikel 5, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb 1969) opgenomen vrijstelling voor lichamen toegelaten om op de voet van de Woningwet (Stb. 1991, 439) werkzaam te zijn in het belang van de volkshuisvesting is omstreden. In de brief van 18 februari 2002, nr. AFP2002/00014, heeft de staatssecretaris aangegeven dat het kabinet voornemens was om, in lijn met het kabinetsstreven naar afschaffing van subjectieve belastingvrijstellingen, met ingang van 1 januari 2003 de subjectieve vrijstelling van vennootschapsbelasting voor woningcorporaties te laten vervallen, en dat deze daardoor belastingplichtig zouden worden. Bij brief van 23 december 2002 is echter nader aangegeven dat het streven (geworden) was om de woningcorporaties niet voor al hun activiteiten te belasten. In het Belastingplan 2004 is vervolgens een voorstel opgenomen dat de vrijstelling voor woningcorporaties beperkt tot hun kernactiviteiten, waardoor de commerciële activiteiten, zoals de bouw van koopwoningen en de makelaardij, buiten de vrijstelling vallen (Kamerstukken II 2003/04, 29 210). De uitwerking van het voorstel waarbij een koppeling werd aangebracht met het Besluit beheer sociale-huursector, bleek niet realiseerbaar. Voorgesteld wordt nu de vrijstelling te beperken tot de in de Wet Vpb 1969 zelfstandig omschreven kernactiviteiten van de sociale woningcorporaties. De Raad merkt op dat de rechtvaardiging van de vrijstelling van de woningcorporaties is gevonden in de eisen die de overheid stelt om de status van toegelaten instelling te verkrijgen en te behouden (Aanhangsel Handelingen I 1992/93, nr. 17). Deze eisen zijn neergelegd in de artikelen 70 en volgende van de Woningwet. Hierin wordt onder meer bepaald dat stichtingen, die zich ten doel stellen uitsluitend op het gebied van de volkshuisvesting werkzaam te zijn en niet beogen uitkeringen te doen anders dan in het belang van de volkshuisvesting, kunnen worden toegelaten als instellingen, uitsluitend in het belang van de volkshuisvesting werkzaam. De toegelaten instellingen dienen bij voorrang personen die door hun inkomen of door andere omstandigheden moeilijkheden ondervinden bij het vinden van hun passende huisvesting, te huisvesten. Bij het in gebruik geven van door hen beheerde woningen met een verhoudingsgewijs lage huurprijs dienen zij zo veel mogelijk voorrang te geven aan woningzoekenden die, gelet op hun inkomen, in het bijzonder op die woningen zijn aangewezen. Zij moeten daarbij voldoen aan voorschriften betreffende het verwerven, bouwen, bezwaren en vervreemden van onroerende zaken, het treffen van voorzieningen aan woningen, het verhuren van woningen, de wijze van beheer van woningen, de exploitatie van woningen, de bestemming van batige saldi, het financiële beleid en beheer, de verslaglegging, de inrichting van de administratie en overleg met en verplichtingen ten opzichte van huurders. Tussen deze eisen en de voorgestelde omschrijving van de kernactiviteiten zit licht, zoals in de toelichting ook is gesteld, waardoor de rechtvaardiging voor de vrijstelling zwakker wordt. Tevens is in aanmerking te nemen dat een vrijstelling minder betekenis heeft naarmate het (fiscale) resultaat geringer is; bij verlieslatende activiteiten is een vrijstelling zelfs een belastende regeling. Sociale woningbouw is veelal zwak tot niet renderend. Daarbij komt dat de corporaties zich sterker zijn gaan manifesteren op het terrein buiten de sociale woningbouw. Belastingvrijstelling voor woningcorporaties is dan ook niet meer vanzelfsprekend, mede gelet op de Europese regels inzake staatssteun. De Raad wijst in dit kader ook op het voorstel om een bestemmingsheffing te leggen op verhuurders van woningen met een huur beneden de maximale huur voor toekenning van de huurtoeslag, waardoor met name de woningcorporaties getroffen worden, en op artikel 20, derde lid, van het Besluit locatiegebonden subsidies 2005. waarbij de legesvrijstelling voor sociale verhuurders, die was opgenomen in artikel 34 van het besluit Woninggebonden Subsidies 1995, is komen te vervallen. Het voorstel zal tot administratieve lasten en geschillen leiden in verband met de scheiding tussen de vrijgestelde en niet-vrijgestelde activiteiten, in het bijzonder ten aanzien van werkzaamheden die voor beide activiteiten gemeenschappelijk worden uitgevoerd. Alles overziende adviseert de Raad de in artikel 5, eerste lid, onderdeel d, Wet Vpb 1969 opgenomen vrijstelling voor de woningcorporaties opnieuw te bezien. 5. Dividendbelasting Voorgesteld wordt de voorwaarden voor een onbelaste inkoop van eigen aandelen te versoepelen. Dit voorstel staat niet op zich. In het recente voorstel inzake Versterking fiscale rechtshandhaving is de codificering van de zogenoemde opstapresolutie opgenomen. Naast de invoering van de Wet IB 2001 wijzen ook deze voortdurende (kleine) aanpassingen van de Wet op de dividendbelasting 1965 (Wet div.bel. 1965) er op, dat de dividendbelastingheffing aan herijking toe is. De nauwe verbinding tussen de inkomstenbelastingheffing en de dividendbelastinginhouding als voorheffing is verbroken bij de invoering van de Wet IB 2001. Het object van heffing van de dividendbelasting is niet meer gelijk aan het object van de in box III van de Wet IB 2001 opgenomen vermogensrendementsheffing. Daarmee ligt de tijd achter ons dat voor de binnenlandse verhouding het object en het tijdstip van de dividendbelastingheffing nauwkeurig moesten aansluiten bij de in de inkomstenbelasting te betrekken opbrengst van aandelen. Dit schept ruimte om de dividendbelasting robuust op te zetten in een bronheffing die het internationaal aanvaarde heffingsrecht op uitgaande dividenden verzekert en zodanig hoog is dat bij de onderhandelingen over verdragen ter voorkoming van dubbele belasting de mogelijkheid blijft bestaan voor een adequate wederzijdse vermindering van de bronheffing. Zoals de Raad in het advies inzake de Versterking fiscale rechtshandhaving reeds opmerkte, behoeft met betrekking tot het object van de dividendbelastingheffing niet gemillimeterd te worden aangezien die heffing alleen nog in de buitenlandse verhouding betekenis heeft. Niet alle uitkeringen waarin op grond van de voor de Wet op de inkomstenbelasting 1964 ontwikkelde basisconceptie een winstelement is te onderkennen, behoeven in de buitenlandse verhouding in de heffing te worden betrokken. Aangesloten kan worden bij de omstandigheid dat in buitenlandse stelsels andere criteria gelden en bijvoorbeeld de inkoop van eigen aandelen als een vervreemding en niet (deels) als een winstuitkering wordt aangemerkt. Overwogen dient te worden teneinde een robuuste en transparante heffing te krijgen de dividendbelastingheffing te beperken tot de contante winstuitkeringen. De Raad adviseert in de toelichting op dit perspectief in te gaan. Eindheffing loonbelasting 6. Voorgesteld wordt een tweetal goedkeurende beleidsbesluiten te codificeren. Deze besluiten hebben betrekking op het verstrekken van spaarpunten en geschenken en maken het mogelijk dat de verstrekker de fiscale gevolgen voor zijn rekening neemt. Het Besluit van 26 april 2001, CPP2001/91M, ziet op de fiscale behandeling van spaarsystemen in de zakelijke sfeer. Exploitanten van zulke systemen bieden ondernemers de mogelijkheid om bij bepaalde zakelijke transacties aan hun afnemers of werknemers van hun afnemers een bonus te verstrekken in de vorm van spaarpunten waarmee artikelen of diensten, al dan niet met bijbetaling in geld, kunnen worden gekocht, alsmede op de fiscale behandeling van de door ondernemers rechtstreeks aan hun zakelijke afnemers of werknemers van afnemers verstrekte goederen of diensten in de promotionele sfeer. De ondernemers die in de uitoefening van hun onderneming een bonus in de vorm van spaarpunten ontvangen of goederen of diensten in de promotionele sfeer verkrijgen, moeten dit voordeel tot hun winst uit onderneming rekenen. Bij werknemers die in het kader van de uitoefening van hun dienstbetrekking dergelijke voordelen ontvangen, behoort het voordeel tot het inkomen. De voordelen zijn belast op het moment waarop ze worden verstrekt tegen de op dat moment geldende waarde in het economische verkeer. In verband met de praktische problemen om de hier bedoelde voordelen op individuele basis en per verstrekking in de belasting- en premieheffing te betrekken is goedgekeurd dat de loon-, inkomsten- en vennootschapsbelasting en de premie volksverzekeringen, die door de ontvangende ondernemers en werknemers verschuldigd zouden zijn, op lumpsumbasis worden afgedragen door de organisatie die het spaarsysteem exploiteert of door de verstrekker van de goederen of diensten in de promotionele sfeer. Het Besluit van 16 december 2004,CPP2004/2765M, ziet op de geschenken die bedrijven of instellingen verstrekken aan ondernemers, resultaatgenieters en werknemers van derden die werkzaamheden voor de verstrekker (hebben) verricht(en) en die doorgaans gelijktijdig plaatsvinden met overeenkomstige verstrekkingen aan de eigen werknemers, zoals kerstpakketten. Het betreft hier relatief geringe verstrekkingen waarmee de verstrekker van de geschenken niet primair beoogt om de reguliere inkomsten te vervangen door andersoortige inkomsten. Ook in deze gevallen is onder bepaalde voorwaarden goedgekeurd dat de verstrekker van de hiervoor bedoelde geschenken de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen, die door de ontvangende ondernemers, resultaatgenieters en werknemers verschuldigd zouden zijn, afdraagt op lumpsumbasis. Voorgesteld wordt de door de beleidsbesluiten bestreken gevallen op te nemen in de eindheffingsregeling (Hoofdstuk V van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB 1964)). Hoewel de Raad dit effectief en passend acht voorzover de bonussen en geschenken worden toegekend aan natuurlijke personen, omdat in deze gevallen sprake is van een bate die anders ook in box I van de Wet IB 2001 belast zou worden, heeft de Raad aanmerkelijke bezwaren om de regeling ook toe te passen in de gevallen waarin de bonussen of geschenken opkomen aan vennootschapsbelastingplichtige lichamen. De loonbelastingheffing vormt een voorheffing of een vervangende heffing voor de inkomensbelastingheffing over de opbrengst van dienstbetrekking. Heffing over baten die opkomen in de vennootschapsbelastingsfeer doet zozeer afbreuk aan dit karakter van de heffing dat daarvan moet worden afgezien; het gebruiken van een op zich reeds een inbreuk op de loonbelastingheffing vormende eindheffingsregeling als ‘vergaarbak’ voor ‘praktische’ oplossingen van heffingsproblemen van andere belastingen is een stap te ver. Deze ‘oplossing’ is ook niet nodig, omdat door het niet in aftrek toestaan van de waarde in het economisch verkeer van de bonussen en de geschenken bij de winstbepaling van de verstrekker en het onbelast laten van die waarde bij de genieter, de vennootschapsbelastingheffing kan worden verlegd van de genieter naar de verstrekker. Deze weg is ook begaanbaar omdat een van de voorgestelde voorwaarden voor het aanmerken als eindheffingsbestanddeel is, dat aannemelijk gemaakt kan worden wie de ontvanger is van de verstrekking. De Raad adviseert de eindheffingsregeling niet mogelijk te maken voor baten die opkomen aan vennootschapsbelastingplichtige lichamen en daartoe de artikelen 1 en 32ab Wet LB 1964 en artikel 8, eerste lid, Wet Vpb 1969 te heroverwegen. 7. Voorgesteld wordt op grond van artikel 3.13, eerste lid, onderdeel i, Wet IB 2001 de in punt 6 genoemde eindheffingsbestanddelen vrij te stellen mits de belastingplichtige de schriftelijke mededeling van de verstrekker dat de regeling toepassing heeft gevonden in zijn administratie bewaart en ervan mag uitgaan dat de verstrekker de eindheffing heeft voldaan. Aangezien volgens de artikelsgewijze toelichting op artikel 32ab Wet LB 1964 de mededeling ook opgenomen mag zijn in de algemene voorwaarden van de verstrekker, lijkt eerstgenoemde voorwaarde niet steeds praktisch uitvoerbaar. De Raad adviseert deze voorwaarde zodanig aan te passen dat hij steeds uitvoerbaar blijft. De tweede voorwaarde roept een nagenoeg niet op te lossen bewijsprobleem op omdat de belastingplichtige geen kennis draagt van het betaalgedrag van de verstrekker en de wijze waarop hij de lijst van de ontvangers van de verstrekkingen bijhoudt. De Raad adviseert deze voorwaarde te schrappen mede omdat in het algemeen het niet voldoen aan de afdrachtplicht door de inhoudingsplichtige niet aan de belastingplichtige kan worden tegengeworpen. 8. Het tarief over het eindheffingsbestanddeel wordt in artikel 32ab, derde lid, Wet LB 1964 gesteld op 45% voor verstrekkingen tot een waarde in het economisch verkeer van € 136 en op 75% voor verstrekkingen boven een waarde in het economisch verkeer van € 136. Rond het bedrag van € 136 wordt het tarief zeer scherp zonder een ‘glijdend’ overgangstarief of een tariefstelling waarbij steeds over de waarde in het economisch verkeer tot € 136 45% en over het gedeelte daarboven 75% wordt geheven. In de toelichting is niet op deze ‘scherpte’ ingegaan. Tevens wordt anders dan in het Besluit van 26 april 2001, CPP2001/91M, niet de mogelijkheid geboden van de waarde van de verkregen goederen of diensten uit te gaan; zonder uitdrukkelijke delegatiebepaling lijkt dit ook niet mogelijk. In de toelichting is niet op dit verschil met het Besluit ingegaan. De Raad adviseert in de toelichting alsnog nader op deze aspecten in te gaan. 9. Levensloopregeling Voorgesteld wordt dat ook beheerders van beleggingsinstellingen aan wie een vergunning is verleend ingevolge de Wet toezicht beleggingsinstellingen en die in Nederland gevestigd zijn, de levensloopregeling kunnen uitvoeren (artikel 19g Wet LB 1964). In de toelichting is geen aandacht gegeven aan de vestigingsplaatseis, hoewel deze eis spanning kan oproepen met de Europese regelgeving inzake het vrije verkeer van goederen en diensten. De Raad adviseert in de toelichting alsnog in te gaan op dit aspect. 10. Vrijwilligersregeling In het voorgestelde artikel 2, zesde lid, Wet LB 1964 is als voorwaarde voor de toepassing van de vrijwilligersregeling opgenomen dat niet bij wijze van beroep arbeid wordt verricht. Gelet op de geringe bedragen waar het bij de vrijwilligersregeling om gaat lijkt deze voorwaarde overbodig. Indien meerdere "vrijwilligersbaantjes" tegelijkertijd worden uitgeoefend voorkomt artikel 3.96 Wet IB 2001 al cumulatie van de vrijstelling. Omdat deze voorwaarde moet worden beoordeeld en voor zoveel nodig moet worden vastgelegd, vormt de voorwaarde een administratieve last die zonder groot fiscaal risico vermeden kan worden. De Raad adviseert de voorwaarde te schrappen. De vrijwilligersregeling vindt onder meer toepassing bij sportverenigingen of sportstichtingen, ook indien deze aan de vennootschapsbelastingheffing zijn onderworpen maar niet ingeval de sportactiviteiten in een N.V. of B.V. zijn ondergebracht. In de toelichting wordt dit verschil gemotiveerd met een beroep op het commerciële karakter van de rechtsvorm. Deze motivering overtuigt de Raad niet, omdat niet de rechtsvorm maar alleen het commerciële karakter van de activiteit dragend voor het uitsluiten van de regeling zou kunnen zijn. Daarbij komt, dat bij de voetbalsport het beroepsvoetbal is ondergebracht in N.V.’s of B.V.’s en deze vennootschappen sterk verweven zijn met de amateurorganisaties; splitsing van de werkzaamheden van de vrijwilligers zal tot aanmerkelijke administratieve lasten leiden. De Raad adviseert de vraag of de vrijwilligersregeling bij activiteiten met een commercieel karakter ook ten aanzien van N.V.’s en B.V.’s toepassing kan vinden, opnieuw onder ogen te zien. Samenhangende groep inhoudingsplichtigen 11. Voorgesteld wordt aan een samenhangende groep inhoudingsplichtigen toe te staan op verzoek tegelijkertijd aangiften loonbelasting te doen en de loonbelasting af te dragen. Het begrip "samenhangende groep inhoudingsplichtigen" wordt in de Wet LB 1964 niet gedefinieerd, maar indien een beroep op de samenhang wordt gedaan ligt de bewijslast bij de inhoudingsplichtigen. De Raad merkt op, dat in de toelichting de samenhangende groep inhoudingsplichtigen ook wordt aangeduid als concern. In de sfeer van de directe belastingen is op meerdere plaatsen een concernbegrip ingevoerd, zij het niet steeds met dezelfde omschrijving. De Raad adviseert te bezien of het niet mogelijk is een voor alle directe belastingen geldende omschrijving van een concern te formuleren. 12. Indien een aantal inhoudingsplichtigen op verzoek door de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking als een samenhangende groep inhoudings-plichtigen wordt aangewezen heeft dit onder meer gevolgen voor de loonbelastingheffing van de werknemers. Deels zijn deze gevolgen in het voorstel opgenomen, zoals de toepassing van de spaarloonregeling, maar deels zullen deze gevolgen in de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 worden uitgewerkt of opgenomen, zoals de toepassing van het tarieftabel bijzondere beloningen en de identiteitsvaststelling. Laatstgenoemde gevolgen zijn niet aan te merken als voorschriften van administratieve aard, uitwerking van details van een regeling, voorschriften die dikwijls wijziging behoeven of voorschriften waarvan te voorzien is dat zij mogelijk met grote spoed moeten worden vastgesteld (aanwijzing 26 van de aanwijzingen voor de regelgeving). De Raad adviseert alle gevolgen van de aanwijzing als een samenwerkende groep inhoudingsplichtigen voor de werknemers bij wet of bij algemene maatregel van bestuur te regelen. 13. Artikel III, onderdeel P, van het voorstel treedt op 1 januari 2006 in werking. In de artikelsgewijze toelichting op artikel 27e Wet LB 1964 wordt echter opgemerkt dat in 2006 de toepassing van het regime slechts mogelijk is voor concerns die reeds onder het oude regime waren aangewezen. Met ingang van 1 januari 2007 zal de mogelijkheid van aanwijzing worden uitgebreid tot andere samenhangende groepen inhoudingsplichtigen. Het voorstel en de toelichting zijn aldus niet met elkaar in overeenstemming. De Raad adviseert de toelichting op dit punt aan te passen. 14. Commerciële intramurale zorg In artikel 11, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB 1968) is bepaald, dat van de belasting is vrijgesteld het verzorgen en het verplegen van in een inrichting opgenomen personen, alsmede het verstrekken van spijzen en dranken, geneesmiddelen en verbandmiddelen aan die personen (intramurale zorg). Deze vrijstelling is slechts van toepassing indien met de bedoelde prestaties geen winst wordt beoogd (artikel 11, tweede lid, Wet OB 1968). Instellingen die met winstoogmerk zorg verlenen (commerciële verzorgingstehuizen en verpleegtehuizen) zijn thans derhalve omzetbelastingplichtig. In paragraaf 3.4.4., Algemeen deel, van de toelichting wordt opgemerkt dat in het wetsvoorstel Toegelaten Zorginstellingen (WTZi), dat thans bij de Eerste Kamer der Staten-Generaal aanhangig is (Kamerstukken I 2004/05, 27 659) wordt voorgesteld dat bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen categorieën instellingen een winstoogmerk kan worden toegestaan. Vooruitlopend op deze mogelijkheid wordt voorgesteld alle zorginstellingen vrij te stellen van omzetbelasting teneinde concurrentieverstoring tussen wel en niet winst beogende ziekenhuizen en een tweeledig omzetbelastingregime binnen een instelling te voorkomen. De Raad merkt op, dat uit het reeds voorgehangen ontwerp Uitvoeringsbesluit WTZi is af te leiden, dat de op grond van de WTZi toegelaten ziekenhuizen en de daarmee gelijkgestelde verzorgingstehuizen en verpleegtehuizen niet zullen gaan behoren tot de instellingen waarvoor winstoogmerk is toegestaan (artikel 1.2 iuncto 3.1 van het ontwerpbesluit). De aan de voorgestelde vrijstelling ten grondslag liggende motivering gaat hieraan voorbij. De Raad adviseert het van omzetbelasting vrijstellen van de commerciële intramurale zorg in het licht van de voorgenomen regelingen inzake de WTZi opnieuw te bezien. 15. Giftenregeling vennootschapsbelasting De verhoging van het maximum percentage van de giftenaftrek voor de vennootschapsbelastingheffing tot 10 is in de toelichting gemotiveerd door te verwijzen naar het rapport "Geven voor weten: de vierde route; particuliere middelen voor de wetenschap". Het voorstel kent echter geen beperking tot giften voor wetenschappelijke doeleinden. De Raad adviseert in de toelichting in te gaan op het niet stellen van nadere voorwaarden bij de verhoging van het percentage van de giftenaftrek. 16. Vrijstelling kabelnetten In het voorstel tot wijziging van de Telecommunicatiewet wordt voorgesteld aan artikel 20 van Boek 5 BW toe te voegen dat de eigendom van een net, bestaande uit een of meer kabels of leidingen, bestemd voor transport van vaste, vloeibare of gasvormige stoffen, van energie of van informatie, dat in, op of boven de grond van anderen is of wordt aangelegd, toekomt aan de bevoegde aanlegger van dat net dan wel aan diens rechtsopvolger. Deze omschrijving van een kabelnet wijkt af van de voorgestelde omschrijving van een net in artikel 15, eerste lid, onderdeel y, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer. De Raad adviseert in de toelichting op deze verschillen in te gaan en nader te motiveren waarom voor de omschrijving van een net geen aansluiting is gezocht bij het burgerlijk recht. 17. Antimisbruikregelingen (Wet op belastingen van rechtsverkeer) Artikel 15, vierde lid, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (Wet BRV) is thans niet toereikend om in alle gevallen overdrachtsbelasting te heffen in de situatie waarin de vergoeding is vastgesteld beneden de waarde in het economisch verkeer en de verkrijger die omzetbelasting niet of niet nagenoeg geheel in aftrek kan brengen (Hof Amsterdam 24 november 2003, Vakstudie Nieuws 2004/31.21). Voorgesteld wordt de regeling aan te vullen overeenkomstig artikel 3, eerste lid, onderdeel c, Wet BRV. De antimisbruikregelingen in de Wet BRV en de Wet OB 1968 lijken elkaar gedeeltelijk te overlappen. De Raad wijst in dit kader naast oudere 'reparatievoorstellen' onder meer ook op het recente voorstel tot Wijziging van de Wet op de omzetbelasting 1968 in verband met de aanpak van constructies met betrekking tot (on)roerende zaken alsmede in verband met een aanpassing op enkele onderdelen (Kamerstukken II 2004/2005, 30 061). De Raad adviseert de antimisbruikregelingen die zijn opgenomen in de Wet BRV en de Wet OB 1968 op het raakvlak tussen beide wettelijke regelingen, in kaart te brengen en te onderzoeken in hoeverre er sprake is van overlappende regelingen, alsmede aan te geven welke maatregelen kunnen worden genomen om deze overlapping weg te nemen. 18. Voor redactionele kanttekeningen verwijst de Raad naar de bij het advies behorende bijlage. De Raad van State geeft U in overweging het voorstel van wet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden. De Vice-President van de Raad van State
Bron:
raadvanstate.nl
Documenten (1)
-
raadvanstate.nl18 pagina's, pdf Tekst