Naar inhoud
Raad van State

Voorstel van wet met memorie van toelichting tot het alsnog toekennen van rechtskracht aan de planologische kernbeslissing Structuurschema groene ruimte (Wet rechtskracht Structuurschema groene ruimte).

Jaar: 2019 Documenten: 1
Voorstel van wet met memorie van toelichting tot het alsnog toekennen van rechtskracht aan de planologische kernbeslissing Structuurschema groene ruimte (Wet rechtskracht Structuurschema groene ruimte).Bij Kabinetsmissive van 3 januari 2003, no.02.005940, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet met memorie van toelichting tot het alsnog toekennen van rechtskracht aan de planologische kernbeslissing Structuurschema groene ruimte (Wet rechtskracht Structuurschema groene ruimte).De geldigheidsduur van het Structuurschema groene ruimte (hierna: SGR), een planologische kernbeslissing (pkb) als bedoeld in artikel 2a van de Wet op de ruimtelijke ordening (WRO), is op 3 oktober 2000 verstreken. De regering heeft niet voor die datum een nieuwe pkb vastgesteld; het SGR 2 is op dit moment nog in procedure, en het is nog onduidelijk wanneer dit van kracht zal kunnen worden.(zie noot 1) Ook is het (eerste) SGR niet opnieuw vastgesteld volgens de procedure van artikel 2a (en artikel 2b) WRO. Dat betekent dat er op dit moment geen geldende pkb is die de inrichting van de groene ruimte regelt. Om deze leemte te dichten merkt dit wetsvoorstel het SGR alsnog aan als "geldend plan" in de zin van artikel 2a WRO, en wel met terugwerkende kracht tot 3 oktober 2000.Het wetsvoorstel volgt, aldus de memorie van toelichting, het systeem van de Wet rechtskracht diverse planologische kernbeslissingen.(zie noot 2) Aansluitend bij opmerkingen die de Raad van State maakte in zijn advies over deze wet,(zie noot 3) stelde de regering destijds in het nader rapport dat de bevoegdheid van de wetgever om pkb’s met terugwerkende kracht vast te stellen slechts met grote zorgvuldigheid en terug-houdendheid dient te worden aangewend.(zie noot 4) Niettemin moet de Raad constateren dat thans, in een situatie die vrijwel identiek is aan die welke aanleiding gaf tot de Wet rechtskracht diverse planologische kernbeslissingen, wederom deze weg is gekozen. Het gegeven dat opnieuw de gelding van een reeds enige jaren verlopen pkb bij wet wordt verlengd (met voorbijgaan aan de procedures die de WRO voorschrijft) én het feit dat aan die vaststelling opnieuw terugwerkende kracht wordt verleend voor een niet onaanzienlijke periode brengen mee dat aan demotivering van het voorliggende wetsvoorstel bijzondere eisen moeten worden gesteld.Gesteld tegen die achtergrond geven het wetsvoorstel en de memorie van toelichting de Raad aanleiding tot het maken van de volgende opmerkingen.1. De Raad mist in de memorie van toelichting een sluitende motivering van de noodzaak van terugwerkende kracht. Hij wijst erop dat het verlenen van terugwerkende kracht aan het SGR slechts een beperkte toegevoegde waarde heeft vergeleken met de situatie dat het, na opnieuw (bij wet) te zijn vastgesteld, alleen voor de toekomst zou gelden. Het feit dat de geldigheidsduur van het SGR vervallen is betekent immers niet zonder meer dat het daarin opgenomen beleid met ingang van de datum van vervallen niet langer als rijksbeleid kan worden aangemerkt (in deze zin ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 13 november 2002, nr.200200050/1, inzake de A73). Tegelijkertijd brengt de verlening van terugwerkende kracht wel complicaties met zich mee voor belanghebbende burgers, zoals hierna wordt uiteengezet.De Raad adviseert dan ook in de memorie van toelichting nader uiteen te zetten waarom terugwerkende kracht van het SGR noodzakelijk wordt geacht.2. Artikel 3 bepaalt dat het wetsvoorstel (eenmaal tot wet verheven) in werking treedt op de eerste dag van de derde kalendermaand na publicatie in het Staatsblad. Om, indien terugwerkende kracht toch noodzakelijk wordt geoordeeld, de periode van terugwerkende kracht zo kort mogelijk te houden, is het aan te bevelen inwerkingtreding zo snel mogelijk te laten plaatsvinden. Daarmee zou ook beter worden aangesloten bij de systematiek van de Wet rechtskracht diverse planologische kernbeslissingen, wat de regering, blijkens de memorie van toelichting, ook had beoogd.Eventueel kan toepassing worden gegeven aan artikel 16 van de Tijdelijke referendumwet, wat inwerkingtreding met ingang van de dag na plaatsing in het Staatsblad mogelijk zou maken.De Raad beveelt aan artikel 3 aan te passen in de hiervoor bedoelde zin, dan wel toe te lichten waarom de regering de voorkeur geeft aan de gekozen wijze van inwerkingtreding.De Raad van State geeft U in overweging het voorstel van wet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.De Vice-President van de Raad van State
Documenten (1)