Raad van State
Voorstel van wet houdende wijziging van de wet tot wijziging van de Vleeskeuringswet en de Warenwet inzake de heffing van retributies, de Vleeskeuringswet en de Wet op de economische delicten, met memorie van toelichting.
Jaar: 2019
Documenten: 1
Voorstel van wet houdende wijziging van de wet tot wijziging van de Vleeskeuringswet en de Warenwet inzake de heffing van retributies, de Vleeskeuringswet en de Wet op de economische delicten, met memorie van toelichting.Bij Kabinetsmissive van 10 februari 2004, no.04.000487, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, mede namens de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet houdende wijziging van de wet tot wijziging van de Vleeskeuringswet en de Warenwet inzake de heffing van retributies, de Vleeskeuringswet en de Wet op de economische delicten, met memorie van toelichting. Dit voorstel houdt in dat de overgangstermijn met betrekking tot het gewijzigde artikel 30a van de Vleeskeuringswet in de wet tot wijziging van de Vleeskeuringswet en de Warenwet inzake de heffing van retributies (hierna: de wijzigingswet) wordt verlengd, een wijziging in de Wet op de economische delicten (Wed) wordt aangebracht, en enkele verouderde artikelen in de Vleeskeuringswet worden verwijderd. De Raad van State maakt naar aanleiding van het wetsvoorstel een aantal opmerkingen over de noodzaak en wenselijkheid van de verlenging van de overgangstermijn en over enkele andere voorgestelde wijzigingen. Hij is van oordeel dat het voorstel in verband daarmee dient te worden aangepast. 1. In de wijzigingswet is artikel 30a van de Vleeskeuringswet gewijzigd.(zie noot 1) Het artikel luidde voordien als volgt: “Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen met het oog op nakoming van internationale overeenkomsten regelen worden gesteld waarbij van de voorgaande bepalingen kan worden afgeweken.” In artikel III van de wijzigingswet is een overgangsbepaling opgenomen die inhoudt dat artikel 30a zoals dat luidde vóór de inwerkingtreding van de wijzigingswet nog gedurende vier jaar na de inwerkingtreding van de wijzigingswet van toepassing is op algemene maatregelen van bestuur die reeds van kracht waren bij de inwerkingtreding van de wijzigingswet. In deze vier jaar zouden de noodzakelijke wijzigingen in de wet zelf moeten worden aangebracht.(zie noot 2) In artikel I wordt voorgesteld deze termijn uit de wijzigingswet te verlengen van vier jaar naar acht jaar. De toelichting geeft daarvoor als reden dat naar verwachting met ingang van 1 januari 2006 een EG-verordening inzake officiële controles van voor menselijke consumptie bestemde producten van dierlijke oorsprong van kracht zal worden, die naar verwachting grote wijzingen in de Vleeskeuringswet met zich meebrengt. Het zou daarom te veel werk zijn en weinig zin hebben om de vereiste wijzigingen voor die tijd alsnog in de wet aan te brengen. De Raad acht het noodzakelijk dat in de toelichting inzichtelijk wordt gemaakt in hoeverre de in 2006 verwachte EG-verordening van invloed is op de noodzakelijke wijzigingen ten gevolge van de wijzigingswet. Als de verordening deze wijzigingen onverlet laat, valt niet in te zien waarom hiervoor nogmaals een termijn van vier jaar noodzakelijk is, nu hiervoor al een overgangstermijn van vier jaar is gesteld. Als door de verordening deze wijzigingen niet of slechts ten dele hoeven te worden doorgevoerd valt nog minder in te zien waarom de overgangsperiode met vier jaar dient te worden verlengd. Daarnaast merkt de Raad op dat het oude artikel 30a het mogelijk maakt dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur van bepalingen in de Vleeskeuringswet kan worden afgeweken. In de wijzigingswet is dit artikel vervangen door de nieuwe artikelen 30a en 46a, waarbij geregeld is in welke gevallen bij algemene maatregel van bestuur (artikel 30a) en bij ministeriële regeling (artikel 46a) van bepalingen in de Vleeskeuringswet kan worden afgeweken. In beide gevallen heeft de regeling een tijdelijk karakter (van een jaar, met verlenging van ten hoogste een jaar), en dienen binnen dat jaar of die twee jaar de noodzakelijke wijzigingen in de Vleeskeuringswet zelf te zijn aangebracht. De Raad adviseert de noodzaak van de verlenging van de overgangsperiode in de wijzigingswet met vier jaar aan te tonen, dan wel het voorstel op dit punt aan te passen. 2. Artikel 11, tweede lid, van de Vleeskeuringswet wordt, volgens de toelichting, gelet op onderdeel 25 onder Hoofdstuk VI (Keuring voor het slachten) van Bijlage I bij het Besluit produktie en handel vers vlees (hierna: Bijlage), aangepast aan de hedendaagse eisen. De Raad wijst er op dat in het aangehaalde onderdeel van de Bijlage niet is geregeld dat de termijn van 24 uren tweemaal telkens met ten hoogste 24 uren kan worden verlengd. De toelichting besteed geen aandacht aan dit verschil. De Raad adviseert de toelichting op dit punt aan te vullen, dan wel het voorstel op dit punt aan te passen. 3a. De artikelen 26a, eerste lid, 26b, eerste lid, en 30a, eerste lid, van de Vleeskeuringswet worden zodanig gewijzigd dat “bij algemene maatregel van bestuur” telkens vervangen wordt door: bij of krachtens algemene maatregel van bestuur. De toelichting merkt in dit verband op dat deze voorgestelde wijzigingen de mogelijkheid bieden om bepaalde in de desbetreffende algemene maatregel van bestuur in hoofdzaak geregelde zaken nader uit te werken. De voorgestelde formule maakt subdelegatie van de regelgevende bevoegdheid door de regering mogelijk.(zie noot 3) De toelichting maakt niet duidelijk waarom deze subdelegatie van bevoegdheid noodzakelijk is. De Raad adviseert de toelichting op dit punt aan te vullen. b. Voorts merkt de Raad op dat artikel 30a, eerste lid, van de Vleeskeuringswet bepaalt dat bij algemene maatregel van bestuur regels kunnen worden gesteld ter uitvoering van een bindend besluit inzake slachtdieren, vlees, vleeswaren of andere producten van dierlijke oorsprong, genomen door de Raad van de Europese Unie, het Europees Parlement en de Raad gezamenlijk of door de Commissie van de Europese Gemeenschappen, dat betreft: a. de bescherming van de volksgezondheid; of b. het heffen van een retributie voor de kosten die verbonden zijn aan krachtens het desbetreffende besluit voorgeschreven keuringen. Het tweede lid bepaalt vervolgens dat bij de in het eerste lid bedoelde algemene maatregel van bestuur een of meer van de voorgaande bepalingen buiten werking kunnen worden gesteld, voorzover het desbetreffende bindend besluit binnen 12 maanden na bekendmaking uitgevoerd dient te zijn. Het betreft hier een spoedprocedure voor implementatie van bindende EU-besluiten. De Raad beveelt aan te bepalen dat een derogerende algemene maatregel van bestuur binnen een jaar moet worden gevolgd door een wetsvoorstel waarin deze materie geregeld wordt. Daarbij verwijst de Raad naar zijn advies over tijdige implementatie van Europese richtlijnen.(zie noot 4) 4. In het voorgestelde artikel 27 van de Vleeskeuringswet wordt de term “eerste kantoren” vervangen door: grensinspectieposten, overeenkomstig de terminologie van artikel 2, tweede lid, onder g, van richtlijn nr.97/78/EG van de Raad. Anders dan het thans geldende artikel 27 is niet meer bepaald dat aanwijzing van deze grensinspectieposten geschiedt in overleg met Onze Minister van Financiën. De Raad adviseert dit verschil toe te lichten, dan wel het voorstel op dit punt aan te passen. 5. Voor redactionele kanttekeningen verwijst de Raad naar de bij het advies behorende bijlage. De Raad van State geeft U in overweging het voorstel van wet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden. De Vice-President van de Raad van State
Bron:
raadvanstate.nl
Documenten (1)
-
raadvanstate.nl4 pagina's, pdf Tekst