Naar inhoud
Raad van State

Ontwerpbesluit met nota van toelichting houdende regels ten aanzien van de jacht (Jachtbesluit).

Jaar: 2019 Documenten: 1
Ontwerpbesluit met nota van toelichting houdende regels ten aanzien van de jacht (Jachtbesluit).Bij Kabinetsmissive van 24 februari 2000, no.00.000876, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit met nota van toelichting, houdende regels ten aanzien van de jacht (Jachtbesluit).Het ontwerp-Jachtbesluit (hierna: het ontwerpbesluit) is gebaseerd op de nog niet in werking getreden titel II van hoofdstuk V van de Flora- en faunawet (hierna: de wet), waarin de jacht wordt gereguleerd. Het vervangt een aantal regelingen van verschillend niveau die onder de Jachtwet tot stand zijn gekomen.De Raad van State maakt naar aanleiding van het ontwerpbesluit een aantal opmerkingen over het niveau van regelgeving en over enkele meer technische aspecten. Hij is van oordeel dat in verband daarmee enige aanpassing van het ontwerpbesluit en de nota van toelichting wenselijk is.1. Artikel 6 van het ontwerpbesluit vermeldt een aantal onderwerpen waarvoor het jachtexamen een toets bevat. Onderscheid wordt daarbij gemaakt tussen het theoretische gedeelte en het praktische gedeelte. Vervolgens bepaalt artikel 7 dat bij ministeriële regeling nadere eisen worden gesteld met betrekking tot de jachtexamens, waaronder ingevolge het derde lid van dat artikel eisen betreffende de inhoud van die examens. De nota van toelichting maakt niet duidelijk waarom het aangewezen is nadere eisen bij ministeriële regeling te stellen, terwijl, gelet op de materie in kwestie, regeling door middel van het Jachtbesluit zelf veeleer de geëigende weg lijkt te zijn. Niet zonder meer valt in te zien waarom de lijn van het huidige regime - neergelegd in artikel 4 van het Besluit eisen jachtexamen, welk artikel de bevoegdheid tot subdelegatie beperkt tot onderwerpen van technisch-uitvoerende aard - niet wordt voortgezet. De Raad adviseert, mede in het licht van aanwijzing 26, eerste lid, van de Aanwijzingen voor de regelgeving (Ar), de exameneisen in het Jachtbesluit op te nemen.2. Artikel 8, derde lid, aanhef en onder c, geeft de mogelijkheid bij ministeriële regeling regels te stellen ten aanzien van de voor de jacht-, valkeniers- en kooikersakten verschuldigde bedragen. De Raad meent dat vanuit een oogpunt van rechtszekerheid de grondslagen voor de voor de akten te betalen geldsom in het besluit zelf thuishoren; de uitwerking kan op een lager niveau plaatsvinden. Een voorbeeld van een dergelijke regeling is die van artikel 10, vijfde lid, van de Visserijwet 1963 met betrekking tot de visakten. Het college wijst erop dat het huidige regime geen subdelegatie kent, omdat in de wet zelf de voor de akten verschuldigde bedragen zijn vermeld.(zie noot 1) De Raad adviseert artikel 8 in het licht hiervan aan te passen.3. Artikel 11, eerste lid, aanhef en onder c, bepaalt dat bij de berekening van de oppervlakte van een jachtveld niet worden meegerekend openbare, verharde verkeerswegen, niet zijnde grindwegen. Onder het geldende recht wordt geen onderscheid gemaakt en zijn zij deel van het jachtveld. Blijkens de toelichting wordt dit veranderd, omdat het veld tegenwoordig meer dan vroeger kan bestaan uit verharde wegen die geen deel uitmaken van het leefgebied van het wild. Het gevolg van de nieuwe berekeningswijze is dat een aantal kleine jachtvelden die nu nog net wel aan de limiet voldoen, dat na inwerkingtreding van het ontwerpbesluit niet meer doen.De Raad vraagt zich af of deze strengere norm wel een vereenvoudiging inhoudt zoals blijkens de toelichting is beoogd. Het bepalen van het veld kan hierdoor allerlei ingewikkelde berekeningen vergen. Ook is de reden om verharde wegen van het jachtveld uit te sluiten, namelijk dat de wegen geen deel uitmaken van het leefgebied van het wild, niet zonder meer overtuigend. Wild begeeft zich immers als gevolg van de structuur van het buitengebied ook op verharde wegen. Het maken van een onderscheid tussen bermen en wegen is in zoverre oneigenlijk.De Raad beveelt aan te overwegen artikel 11, eerste lid, onder c, achterwege te laten, dan wel een vorm van overgangsrecht.4. In artikel 23 wordt bepaald dat het besluit in werking treedt op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen verschillend kan worden vastgesteld. Waarom het noodzakelijk is te kiezen voor deze bijzondere vorm van inwerkingtreding, waarbij niet het geheel tegelijkertijd in werking treedt, wordt niet gemotiveerd in de toelichting.Uit een oogpunt van kenbaarheid en inzichtelijkheid van regelgeving is het van belang om inwerkingtredingsbepalingen zo eenvoudig mogelijk te houden. Mede gelet op aanwijzing 180 Ar acht de Raad het noodzakelijk te motiveren waarom deze bijzondere vorm van inwerkingtreding voor alle artikelen en onderdelen van het besluit mogelijk moet worden gemaakt.5. Voor redactionele kanttekeningen verwijst het college naar de bij het advies behorende bijlage.De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.De Vice-President van de Raad van State
Documenten (1)