Raad van State
Ontwerpbesluit strekkende tot gedeeltelijke goedkeuring van het besluit van de raad van Echteld van 9 maart 2000 tot onteigening als bedoeld in Titel IV van de onteigeningswet.
Jaar: 2019
Documenten: 1
Ontwerpbesluit strekkende tot gedeeltelijke goedkeuring van het besluit van de raad van Echteld van 9 maart 2000 tot onteigening als bedoeld in Titel IV van de onteigeningswet.Krachtens Koninklijke machtiging heeft de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, met een schrijven van 19 september 2000, no.MJZ2000108295, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt een voordracht met ontwerpbesluit, strekkende tot gedeeltelijke goedkeuring van het besluit van de raad van Echteld van 9 maart 2000 tot onteigening als bedoeld in Titel IV van de onteigeningswet. Reclamant sub c voert aan dat de noodzaak tot onteigening ontbreekt. Hij is van mening dat het huidige gebruik van zijn perceel, behoudens de woonfunctie, in overeenstemming is met de daarop geprojecteerde bestemming. Verder stelt reclamant bereid te zijn zich inspanningen te getroosten om zijn bedrijf aan te passen aan de eisen van beeldkwaliteit die in de beschrijving van hoofdlijnen van het bestemmingsplan worden omschreven. In het kader van een nadere toelichting op zijn bedenkingen heeft reclamant gesteld dat hij bereid is elders in het bedrijvenpark grond te accepteren mits dit voor hem financieel haalbaar is en indien dit niet haalbaar is, hij zijn huidige bedrijf wil aanpassen aan de eisen die de gemeente in het kader van het bestemmingsplan stelt. Ten aanzien van de bedenkingen van reclamant wordt in het ontwerpbesluit het volgende overwogen. De gemeente Echteld heeft ten aanzien van enkele gedeelten van het plangebied, waaronder de locatie van reclamant, een beeldkwaliteitsplan opgesteld ter uitvoering van hetgeen met betrekking tot de visueel-ruimtelijke kwaliteit is beoogd in het bestemmingsplan, zoals in het bijzonder in de zogenoemde beschrijving in hoofdlijnen is aangegeven. Weliswaar kan het huidige gebruik van het onderhavige perceel, behoudens de woonfunctie, in overeenstemming worden geacht met de bestemming "Bedrijfsterrein", maar dit gebruik is echter niet in overeenstemming met de vorm van planuitvoering die de gemeente voorstaat en die is vastgelegd in het beeldkwaliteitsplan. Gelet hierop wordt in het ontwerpbesluit overwogen dat er, in het bijzonder gelet op de aard van het bedrijf (een transportbedrijf), geenszins zekerheid bestaat dat de bestemming ter plaatse daadwerkelijk kan worden gerealiseerd in de door de gemeente gewenste vorm. De Raad maakt de volgende opmerkingen bij dit deel van het ontwerpbesluit. b) In artikel 04 (Beschrijving in hoofdlijnen) van de planvoorschriften worden weliswaar enkele zeer algemeen geformuleerde aspecten en voorwaarden genoemd met betrekking tot de beoogde beeldkwaliteit, maar het bestemmingsplan bevat op dit punt geen uitwerkingsverplichting als bedoeld in artikel 11 van de Wet op de ruimtelijke ordening, zodat het naderhand door de gemeente vastgestelde beeldkwaliteitsplan geen grondslag vindt in het bestemmingsplan. Het beeldkwaliteitsplan was niet onderworpen aan een met rechtswaarborgen omklede planologische procedure. Op grond van artikel 77 van de onteigeningswet kan worden onteigend ter uitvoering van een bestemmingsplan. De Raad is mening dat het naderhand vastgestelde beeldkwaliteitsplan niet als een zodanige grondslag kan dienen. Het college wijst er daarbij op dat ook volgens de overwegingen van het ontwerpbesluit het huidige gebruik van het perceel, met uitzondering van de bedrijfswoning, in overeenstemming is met de geprojecteerde bestemming. c) Reclamant heeft bovendien aangevoerd dat hij bereid is zijn bedrijf aan te passen aan de door de gemeente gestelde beeldkwaliteitseisen, wanneer bedrijfsverplaatsing niet mogelijk is. In het ontwerpbesluit wordt niet duidelijk gemaakt waaruit blijkt dat reclamant niet aan de beeldkwaliteit zou kunnen voldoen. In dit verband wordt slechts overwogen dat het blijkens het beeldkwaliteitsplan moet gaan om slanke, relatief hoge gebouwen die met hun markante silhouet als bakens in de ruimte staan. Deze overwegingen zijn onvoldoende concreet om bij voorbaat reeds aan te nemen dat reclamant niet aan de gestelde eisen zou kunnen voldoen. Op grond van het vorenstaande adviseert de Raad goedkeuring te onthouden aan dit onderdeel van het onteigeningsbesluit. De Vice-President van de Raad van State
Bron:
raadvanstate.nl
Documenten (1)
-
raadvanstate.nl4 pagina's, pdf Tekst