Raad van State
Voorstel van wet van het lid Van Nispen tot wijziging van de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet primair onderwijs BES ter invoering van regels over de kwalificatie van docenten en het vaststellen van een minimum aantal uren voor wat betreft het bewegingsonderwijs, met memorie van toelichting.
Jaar: 2019
Documenten: 1
Voorstel van wet van het lid Van Nispen tot wijziging van de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet primair onderwijs BES ter invoering van regels over de kwalificatie van docenten en het vaststellen van een minimum aantal uren voor wat betreft het bewegingsonderwijs, met memorie van toelichting.Bij brief van de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 25 februari 2016 heeft de Tweede Kamer, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet van het lid Van Nispen tot wijziging van de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet primair onderwijs BES ter invoering van regels over de kwalificatie van docenten en het vaststellen van een minimum aantal uren voor wat betreft het bewegingsonderwijs, met memorie van toelichting.Het wetsvoorstel heeft als doel dat ieder kind op de basisschool gemiddeld ten minste drie klokuren bewegingsonderwijs per week krijgt van een vakleerkracht. In verband hiermee voorziet het wetsvoorstel in de introductie van een 3-urennorm voor het bewegingsonderwijs.De bevoegdheid om het bewegingsonderwijs te laten verzorgen door een groepsleerkracht (groepen 1-2) of door een groepsleerkracht die in het bezit is van het getuigschrift van de Leergang bewegingsonderwijs PO (groepen 3-8) vervalt. Het wetsvoorstel voorziet niet in een uitbreiding van de reguliere onderwijstijd noch in aanvullende bekostiging.De Afdeling advisering van de Raad van State merkt op dat het wetsvoorstel inbreuk maakt op de ruimte die scholen nodig hebben om naar eigen inzicht het wettelijke minimum aan onderwijsuren over de verschillende vakken te verdelen. Deze ruimte is bijvoorbeeld nodig om op evenwichtige wijze aan de gestelde variatie binnen de kerndoelen tegemoet te komen en om activiteiten ter voorkoming en bestrijding van onderwijsachterstanden te ontplooien. Daarom adviseert zij het wetsvoorstel te heroverwegen. De Afdeling is evenmin overtuigd van de opportuniteit van het wetsvoorstel. Zij adviseert deze te bezien in het licht van lopende onderzoeken naar de door scholen ervaren obstakels rond het bewegingsonderwijs. Ten slotte biedt het wetsvoorstel geen duidelijkheid over de personele en financiële consequenties van het wetsvoorstel en ontbreekt overgangsrecht voor de docenten.1.Ontwikkelingen rond bewegingsonderwijsOp 10 juli 2014 heeft de staatssecretaris van Onderwijs met de sectororganisatie voor het primair onderwijs (PO-raad) een bestuursakkoord voor het primair onderwijs gesloten en een plan van aanpak bewegingsonderwijs opgesteld. Met de ondertekening hebben schoolbesturen de doelstelling over het bewegingsonderwijs onderschreven.In het bestuursakkoord is afgesproken dat scholen vanaf 2017 minimaal twee, waar mogelijk drie lesuren bewegingsonderwijs per week aanbieden, gegeven door een bevoegde leerkracht. Een bevoegde leerkracht is een vakleerkracht (ALO) of een groepsdocent die de Leergang bewegingsonderwijs PO heeft behaald (pabo met LO-bevoegdheid). Om groepsdocenten met een pabo-diploma in de gelegenheid te stellen de LO-bevoegdheid te behalen worden er beurzen ter beschikking gesteld. Omdat uit een inventarisatie uit 2013 bleek dat veel scholen wel willen maar niet kunnen veranderen, zal door de regering onderzoek worden gedaan naar eventuele belemmeringen die aan de uitvoering van het akkoord in de weg kunnen staan, zoals onvoldoende financiële middelen, onvoldoende accommodatie en te weinig bevoegde leerkrachten.2.Vastlegging urennormVolgens de initiatiefnemer is de wettelijke vastlegging van een minimum aantal uren bewegingsonderwijs nodig om kwaliteit te kunnen behalen. Ook wijst hij erop dat de kerndoelen voor bewegingsonderwijs in tegenstelling tot andere vakken een hoge graad van abstractie hebben, zodat het niet eenvoudig is vast te stellen of de kinderen voldoende bewegen. De initiatiefnemer plaatst zijn voorstel in het kader van een recht van het kind om zich te leren bewegen en zich te ontwikkelen, het belang van een gezonde en sportieve samenleving en het positieve effect op de leerprestaties.In het primair onderwijs is het bewegingsonderwijs een vast onderdeel van het wettelijk verplichte onderwijsprogramma. Voor iedere onderwijsactiviteit worden bij algemene maatregel van bestuur kerndoelen vastgesteld. Kerndoelen geven een beschrijving van kwaliteiten van leerlingen op het gebied van kennis, inzicht en vaardigheden. Zij zijn richtinggevend voor de inhoud van de onderwijsactiviteit, maar geven geen regels over de duur of frequentie ervan.In Nederland wordt derhalve traditioneel aan het onderwijs een hoge mate van vrijheid gelaten om op basis van eigen overwegingen keuzes te maken over de manier waarop schoolbesturen willen voldoen aan de kerndoelen en zij de kwaliteit van het onderwijs op hun scholen kunnen blijven garanderen. In de kerndoelen voor het basisonderwijs is vastgesteld wat alle leerlingen tussen groep 1 en 8 moeten leren. De kerndoelen zijn zo omschreven dat scholen ruimte hebben om het onderwijs zelf in te invullen en eigen accenten te leggen. Met tussendoelen en leerlijnen worden scholen handvatten geboden bij de uitwerking van de kerndoelen. Zij geven een beeld van wat er onder de kerndoelen verstaan kan worden en maken de doorgaande ontwikkeling van de inhoud van het onderwijsaanbod zichtbaar en hanteerbaar. Dat geldt voor het bewegingsonderwijs even goed als voor de andere vakken.De wettelijke vastlegging van een urennorm maakt inbreuk op de vrijheid van scholen om eigen professionele en schoolspecifieke keuzes te maken, gericht op het bieden van maatwerk aan hun leerlingen. Voorts kan het bewegingsonderwijs niet los worden gezien van de verhouding met andere vakken, de beschikbaarheid van leraren, accommodaties en financiën. De optimale mix is afhankelijk van de lokale situatie en daarom bij uitstek een terrein van de scholen zelf. Het is aan de scholen zelf om aan een vak zoveel aandacht te geven dat het vak niet meer inspanningen vergt dan het aandeel van het onderwijs in dat vak binnen het totaal aan onderwijsactiviteiten rechtvaardigt. De wetgever dient hierbij slechts kaders te bepalen waarbinnen de deugdelijkheid van het onderwijs kan worden gegarandeerd. De Afdeling wijst erop dat scholen ook andere oplossingen kunnen kiezen om hun leerlingen voldoende te laten bewegen. Daarbij zijn onder meer van belang de leeftijd van de kinderen en andere prioriteiten die de school wil stellen, zoals het bestrijden van taalachterstanden, het bevorderen van culturele vorming, etc. Ten slotte merkt de Afdeling op dat voor geen enkel vak in het primair onderwijs het aantal lesuren wettelijk is bepaald.Wat betreft de parallel die de initiatiefnemer trekt met de wettelijke vastlegging van de hoeveelheid onderwijstijd voor lichamelijke opvoeding in het voortgezet onderwijs, wijst de Afdeling erop dat dit op een misverstand berust. De norm in de Wet op het voortgezet onderwijs (WVO) waarop de initiatiefnemer doelt, heeft betrekking op de onderwijslast. De kerndoelen VO Bewegen en sport vermelden niet meer dan "dat onderwijs in lichamelijke opvoeding, voornamelijk bestaande uit praktische bewegingsactiviteiten, plaatsvindt gespreid over het gehele schooljaar en in zodanige omvang dat wordt voldaan aan de inhoudelijke eisen op het gebied van kwaliteit en variëteit zoals neergelegd in de kerndoelen." In de WVO noch in de kerndoelen wordt derhalve de hoeveelheid onderwijstijd of de spreiding per week concreet vastgelegd.Ten slotte wijst de Afdeling erop dat, anders dan de toelichting stelt, een kind in juridische zin geen recht heeft om te leren bewegen. Een dergelijk recht bestaat niet en kan daarom ook niet door het kind jegens de overheid of de ouders worden ingeroepen. Dat neemt niet weg dat een kind groot belang heeft bij een gezonde ontwikkeling, ook wat betreft beweging. Dat belang wordt echter al in artikel 247 van Boek I van het Burgerlijk Wetboek tot uitdrukking gebracht in de verantwoordelijkheden van ouders ten opzichte van het kind.Gelet op het voorgaande adviseert de Afdeling de wettelijke vastlegging van een minimum aantal uren bewegingsonderwijs te heroverwegen.3.Opportuniteit wetsvoorstelVolgens de initiatiefnemer laten de vrijheid van onderwijs en de beleidsvrijheid van scholen ruimte voor een sterk verschillende aanpak van het bewegingsonderwijs door scholen. Hij wijst er daarbij op dat 400.000 kinderen maar één lesuur bewegingsonderwijs per week krijgen, dat bijna de helft van de scholen geen vakleerkrachten heeft voor het bewegingsonderwijs, en dat op sommige scholen zelfs onbevoegde docenten worden ingezet. Het werken met groepsleerkrachten met LO-bevoegdheid die alleen aan hun eigen groep les geven acht hij uit een oogpunt van kwaliteit discutabel, omdat dit een te smalle basis is om hun bekwaamheid te onderhouden en verder te ontwikkelen.De Afdeling merkt hierover het volgende op.a.UrennormDe regering hanteert sinds de kabinetsnota Tijd voor Sport de zogenaamde combinorm. (zie noot 1) Uit de nulmeting waar de toelichting naar verwijst, blijkt dat basisscholen gemiddeld gezien zich nog steeds aan de richtlijn van 90 minuten lichamelijke opvoeding per week houden.Een klein deel van de basisscholen (ca. 3-5%) realiseert drie lessen per week in de groepen 3 t/m 8. Voorts staan er bij 58% van de basisscholen ook andere sport- en bewegingsactiviteiten in het rooster die onder begeleiding van een bevoegde docent plaatsvinden. Overigens is er op 60% van de (veelal kleinere) scholen in verband met een gebrek aan accommodatie meer tijd nodig voor een gymles dan de tijd die het lesrooster aangeeft. Ook beschikt een op de vijf basisscholen niet over voldoende geschikte accommodatie voor het geven van dit vakonderwijs. Uit de nulmeting blijkt voorts dat een ruime meerderheid van de basisscholen de huidige lesfrequentie en effectieve lestijd als voldoende of goed beoordeelt.b.KwaliteitUit de nulmeting en de tweede evaluatie van de Leergang Vakbekwaamheid Bewegingsonderwijs (juli 2012) blijkt dat de kwaliteit van het bewegingsonderwijs bij de meeste basisscholen als voldoende of goed wordt beschouwd. Ruim 70% van de scholen is naar eigen zeggen goed in staat de kerndoelen en eindtermen voor het vak te realiseren. Bijna twee derde vindt dat de bekwaamheden van de leerkrachten op school voor het vak daarbij goed aansluiten, bij 13% is dit echter niet het geval. Scholen die vakleerkrachten en LO-afgestudeerden inzetten zijn iets meer tevreden over de onderwijskwaliteit voor bewegingsonderwijs dan scholen die alleen met groepsleerkrachten werken. De verschillen zijn echter klein. Om meer definitieve conclusies te kunnen trekken, bevelen de onderzoekers uitvoeriger onderzoek aan.c.BevoegdheidWat betreft de bevoegdheid van de leraar voor bewegingsonderwijs blijkt uit de nulmeting dat in de groepen 1 en 2 doorgaans alleen groepsleerkrachten worden ingezet. Voor de groepen 3 t/m 8 zet bijna de helft van de basisscholen alleen groepsleerkrachten in, 25% kiest voor alleen vakleerkrachten, en 29% voor een mix van beide. Kleine basisscholen zetten vaker alleen groepsleerkrachten in, in zeer kleine scholen (<100 leerlingen) zijn veel minder vaak groepsleerkrachten met LO-bevoegdheid werkzaam. Van de basisscholen die met groepsleerkrachten werken ondervindt ruim twee derde problemen om de gymles door een bevoegde leerkracht te laten verzorgen. In de drie grote steden en randgemeenten worden op 80% van de scholen uitsluitend vakleerkrachten ingezet, die in verreweg de meeste gevallen extern worden gefinancierd.Deze gegevens relativeren de stelling in de toelichting dat de kwaliteit en kwantiteit van het bewegingsonderwijs niet slechts kunnen worden overgelaten aan het belang dat schoolbesturen hieraan aan hechten. Er zijn weliswaar grote (regionale) verschillen tussen de scholen, maar die verschillen hebben veelal een uiteenlopende achtergrond, waardoor het moeilijk is hieraan generieke conclusies te verbinden. Zo blijkt uit de nulmeting dat bijna driekwart van de scholen iets zou willen veranderen, maar dat 97% van hen problemen verwacht bij de invoering van een extra lesuur bewegingsonderwijs per week. (zie noot 2) Wat betreft het voorstel om de LO-bevoegdheid te schrappen merkt de Afdeling op dat in de (tweede) evaluatie wordt geconcludeerd dat de Leergang bewegingsonderwijs PO een positieve bijdrage kan leveren aan de kwaliteit van het bewegingsonderwijs, maar dat de mogelijkheden hiertoe (nog) niet optimaal worden benut, omdat de leraar met LO-akte om organisatorische redenen meestal alleen voor de eigen groep wordt ingezet. Ook geven scholen om pedagogische redenen soms de voorkeur aan een groepsleerkracht boven een vakdocent, die vaak een eenling is binnen de school. Het onderzoek sluit af met een aantal aanbevelingen om het effect van de leergang te vergroten.In 2017 komen resultaten beschikbaar van het onderzoek naar de mate waarin scholen obstakels ervaren bij hun streven naar meer en beter bewegingsonderwijs. Voorts zal op korte termijn een begin gemaakt worden met de (derde) evaluatie van de Leergang Vakbekwaamheid Bewegingsonderwijs, waarin naar verwachting nader zal worden ingegaan op de eerder gedane aanbevelingen tot verbetering en op het effect van de leergang op de kwaliteit van het bewegingsonderwijs.d.ConclusieGelet op het voorgaande adviseert de Afdeling de resultaten van deze onderzoeken af te wachten, en in het licht daarvan te bezien of een verdere verbetering van het bewegingsonderwijs noodzakelijk is.Indien zelfs de scholen die meer bevoegde leerkrachten of lesuren willen, daar niet in slagen door een gebrek aan bevoegde leraren, middelen of accommodatie, dan zal een uitbreiding van de lestijd, gekoppeld aan een onbevoegdverklaring van de bestaande bevoegde leraren, weinig effectief zijn.Onverminderd het voorgaande merkt de Afdeling het volgende op.4. FinanciënVolgens de toelichting zijn er, behalve de kosten voor omscholing en het aanstellen van vakleerkrachten, voor de scholen geen kosten aan dit wetsvoorstel verbonden. Indien zij ervoor kiezen het extra uur naast de huidige onderwijstijd te organiseren, dan worden de kosten op € 150 miljoen geschat. Tegelijkertijd is de initiatiefnemer van mening dat extra investeringen in het onderwijs nodig zijn, mede als gevolg van dit wetsvoorstel. Voor gemeenten voorziet hij geen extra kosten indien meer gebruik zou worden gemaakt van multifunctionele accommodaties en van openbare (buiten)ruimten.De Afdeling wijst er allereerst op dat het bedrag van € 150 miljoen niet wordt verantwoord. Evenmin wordt duidelijk of scholen in staat zijn om dit bedrag zelf te financieren. Weliswaar dwingt het voorstel scholen niet tot extra uitgaven voor het bewegingsonderwijs, maar deze kostenneutraliteit kan alleen kan worden bereikt door het laten vallen van andere lessen of door groepen te vergroten en zittende leerkrachten ontslag aan te zeggen. Een dubbele personeelsbezetting zal echter niet altijd kunnen worden vermeden, alleen al omdat 20% van de scholen geen eigen gymnastieklokaal heeft en daarom tijd kwijt is aan verplaatsing van de leerlingen. Voorts komt uit de nulmeting naar voren dat 63% van de scholen onvoldoende middelen zou hebben om meer te doen aan bewegingsonderwijs.De toelichting gaat evenmin in op de kosten voor omscholing van vakleerkrachten, daaronder begrepen de kosten die verbonden zijn aan het volgen van de studie onder schooltijd. Het verdient aanbeveling te onderzoeken of het mogelijk is tijdelijk extra middelen ter beschikking te stellen voor de bijscholing van docenten tot vakleerkracht, zoals thans ook het geval is met de bijscholing van leraren basisonderwijs tot leraren met aanvullende bevoegdheid LO.Met betrekking tot de kosten voor huisvestingsvoorzieningen wijst de Afdeling erop dat scholen per groep leerlingen thans voor 90 minuten rechten kunnen doen gelden op gemeentelijke voorzieningen of op bekostiging van eigen gymlokalen. (zie noot 3) Een verdubbeling van het aantal uren voor bewegingsonderwijs zonder te voorzien in (bekostiging van) passende huisvesting is daarom niet reëel.De Afdeling adviseert op de genoemde punten te voorzien in concreet inzicht in de financiële gevolgen van het voorstel.5.Inwerkingtreding en overgangsrechtHet wetsvoorstel voorziet niet in overgangsrecht. Vanaf de datum van inwerkingtreding zal het onderwijs in zintuiglijke en lichamelijke oefening daarom uitsluitend kunnen worden verzorgd door vakleerkrachten.a. Onmiddellijke inwerkingtreding veronderstelt dat er per datum van inwerkingtreding voldoende vakleerkrachten (en vakleerkrachten in opleiding) zijn om te voldoen aan de 3-urennorm bewegingsonderwijs per week. Het is de vraag of dat realistisch is. Uit de nulmeting blijkt dat minder dan 5% van de scholen drie uur gymles per week verzorgt en dat bijna de helft van de basisscholen geen vakleerkrachten heeft. Hoewel de toelichting geen gegevens bevat over het beschikbare aantal vakleerkrachten, acht de Afdeling het niet aannemelijk dat er per datum van inwerkingtreding voldoende vakleerkrachten bewegingsonderwijs zullen zijn om aan de (aangescherpte) urennorm te voldoen. Het wetsvoorstel kan daardoor op de korte en middellange leiden tot een stijging van het onbevoegd lesgeven of de uitval van lessen.b. De toelichting merkt voorts op dat het niet redelijk is om leerkrachten die in het bezit zijn van een aanvullende LO-bevoegdheid of daarvoor studeren per datum van inwerkingtreding hun bevoegdheid tot het geven van bewegingsonderwijs te ontnemen. Een ruime overgangstermijn van een aantal jaren zou daarom passend zijn, aldus de toelichting. De Afdeling wijst er evenwel op dat het wetsvoorstel voor geen van deze beide categorieën leerkrachten voorziet in eerbiedigende of uitgestelde werking. Overigens zou een vergelijkbare redenering kunnen worden gevolgd voor leraren die thans, zonder aanvullende LO-bevoegdheid, bevoegd zijn om bewegingsonderwijs te geven, en voor zij-instromers in het beroep van leraar. Het lijkt redelijk dat zij - mede gelet op de te verwachten invoeringsproblemen - hun volledige lesbevoegdheid behouden of ten minste in staat moeten worden gesteld om de ALO-bevoegdheid te behalen.Gelet hierop adviseert de Afdeling te voorzien in een ruime periode van inwerkingtreding en in overgangsrecht voor de verschillende categorieën bevoegde leerkrachten. (zie noot 4) Indien nodig, kan het overgangsrecht worden beperkt tot een bepaalde termijn na inwerkingtreding van het wetsvoorstel, of tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.c. Volgens de toelichting moet op termijn de situatie worden bereikt dat het bewegingsonderwijs wordt verzorgd door ALO-opgeleide docenten. Omdat het nodig is een overgangstermijn te hanteren, bestaat het risico dat de vakleerkracht nog geruime tijd aan de eigen groep les geeft. Gelet daarop zal in lagere regels worden bepaald dat de vakleerkracht voor minimaal 0,2 fte wordt ingezet en wordt ingeschreven in het lerarenregister als leraar bewegingsonderwijs.Het is de Afdeling niet duidelijk waarop deze passage doelt. Is het de bedoeling dat aan elke school ten minste 0,2fte aan vakleerkrachten is verbonden, ongeacht de formatieve ruimte? Of gaat het erom dat van elke voltijdse vacature 0,2 fte wordt gereserveerd voor een vakleerkracht? Het eerste kan een school voor grote problemen stellen, het tweede betekent dat voltijds benoemingen onmogelijk worden.De Afdeling adviseert de toelichting aan te passen.De Afdeling wijst er voorts op dat het overgangsrecht, afhankelijk van de werking die daaraan gegeven wordt, betekent dat het vereiste van het bezit van een ALO-bevoegdheid alleen van toepassing is op nieuwe gevallen (pabo-studenten die na inwerkingtreding van het wetsvoorstel met hun studie beginnen), of door tijdsverloop ook gaat gelden voor zittende leerkrachten. Zolang echter het overgangsrecht van kracht is, is het wettelijk toegestaan docenten zonder ALO-bevoegdheid in dienst te nemen. Een lagere regeling kan daaraan niet afdoen. Indien het derhalve nodig wordt geacht om ALO-docenten een minimale betrekkingsomvang te garanderen, dan zal dat op wetsniveau moeten worden geregeld. De bestaande wetgeving, noch het wetsvoorstel voorzien echter in de mogelijkheid om een dergelijke eis te stellen.Gelet hierop adviseert de Afdeling het wetsvoorstel aan te vullen.6.Werking van het voorstel in Bonaire, Sint Eustatius en SabaHet wetsvoorstel zal ook gelden in Bonaire, Sint Eustatius en Saba. De toelichting motiveert dit echter niet. Indien het bewegingsonderwijs ook op de eilanden verbetering behoeft, dient dit zelfstandig gemotiveerd te worden, waarbij rekening dient te worden gehouden met de plaatselijke situatie en omstandigheden. Daarbij adviseert de Afdeling te betrekken dat er ter plaatse nauwelijks vakleerkrachten werkzaam zijn, dat de scholen in het algemeen niet over adequate accommodatie beschikken en dat de Inspectie voor het onderwijs de effectieve lestijd thans reeds als onvoldoende beschouwt, vanwege onder meer de taalachterstanden en de problematiek rondom de meertaligheid.Gelet hierop adviseert de Afdeling in de toelichting een motivering op te nemen die rekening houdt met de specifieke situatie in Bonaire, Sint Eustatius en Saba en het wetsvoorstel zo nodig aan te passen.7.Consultatiea. Het wetsvoorstel is niet voorgelegd aan de besturenorganisaties in het onderwijs, noch aan de VNG. Om te kunnen beoordelen of uitbreiding van het aantal uren bewegingsonderwijs mogelijk is binnen de bestaande onderwijstijd en financiering en voorts uit de nulmeting blijkt dat 45% van de scholen aanloopt tegen onvoldoende (gemeentelijke) accommodaties, adviseert de Afdeling deze instanties alsnog te consulteren.b. In de artikelen 207 en 208 van de Wet openbare lichamen BES is een plicht van de regering tot consultatie van de bestuurscolleges van de BES opgenomen. Indien een wetsvoorstel de onderwijswetgeving van de eilandsbesturen niet direct raakt en de verantwoordelijkheid van het openbaar lichaam ten opzichte van de scholen niet wijzigt, worden onderwijswetsvoorstellen door de regering in de praktijk ter consultatie naar de schoolbesturen gestuurd. Ook met dit wetsvoorstel is dit het geval. Hoewel de consultatieplicht zich niet richt tot Kamerleden, acht de Afdeling het wenselijk dat de initiatiefnemer, conform de bestendige praktijk, de schoolbesturen van Bonaire, Sint Eustatius en Saba consulteert.8.Erkenning van EU-beroepskwalificatiesVolgens het initiatiefwetsvoorstel wordt artikel 3, tweede lid, van de WPO, respectievelijk de Wet expertisecentra en de Wet PO BES gewijzigd, in die zin dat het bewegingsonderwijs uitsluitend wordt gegeven door degene "die voldoet aan de in het eerste lid bedoelde eisen en in het bezit is van een bij ministeriële regeling aangewezen getuigschrift". Uit de artikelsgewijze toelichting blijkt dat daarmee gedoeld wordt op de ALO-opleiding.Het beroep van leraar is een gereglementeerd beroep als bedoeld in Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties. Het uitgangspunt van deze richtlijn is dat docenten die beschikken over een vergelijkbaar getuigschrift dat in een andere EU-lidstaat is behaald, ook in Nederland toegang hebben tot het beroep van leraar. Artikel 3, eerste lid, onderdeel b sub 2 geeft daarvoor een voorziening, maar deze geldt blijkens het voorgestelde tweede lid niet voor het getuigschrift voor bewegingsonderwijs. De Afdeling adviseert hierin alsnog te voorzien.9. De Afdeling verwijst naar de bij dit advies behorende redactionele bijlage.De vice-president van de Raad van State
Bron:
raadvanstate.nl
Documenten (1)
-
raadvanstate.nl15 pagina's, pdf Tekst