Naar inhoud
Raad van State

Ontwerpbesluit met nota van toelichting houdende regels inzake de verstrekking van subsidies aan provincies in het kader van de tender investeringsprogramma's provincies 2000 (Besluit tender investeringsprogramma's provincies 2000).

Jaar: 2019 Documenten: 1
Ontwerpbesluit met nota van toelichting houdende regels inzake de verstrekking van subsidies aan provincies in het kader van de tender investeringsprogramma's provincies 2000 (Besluit tender investeringsprogramma's provincies 2000).Bij Kabinetsmissive van 23 augustus 2000, no.00.004723, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Economische Zaken, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit met nota van toelichting, houdende regels inzake de verstrekking van subsidies aan provincies in het kader van de tender investeringsprogramma's provincies 2000 (Besluit tender investeringsprogramma's provincies 2000). Het ontwerpbesluit is de opvolger van het Besluit stimulering ruimte voor economische activiteiten. Deze tijdelijke regeling komt ingevolge artikel 37 daarvan op 1 januari 2010 te vervallen. Op grond van dat besluit konden gemeenten tot en met 1999 subsidies aanvragen om dreigende knelpunten met betrekking tot de tijdige beschikbaarheid van voldoende bedrijventerrein van de juiste kwaliteit op te lossen. Het ontwerpbesluit is bedoeld om een financiële stimulans te geven aan provincies en via deze ook aan gemeenten, om een zo goed mogelijke invulling te geven aan hun gezamenlijke rol bij de ruimtelijk economische beleidsontwikkeling en -uitvoering in de provincies en regio's. De nieuwe procedure is vergelijkbaar met die van het oude besluit: alleen de beste aanvragen worden gehonoreerd (de zogenaamde tenderprocedure). De Raad van State maakt naar aanleiding van het ontwerpbesluit een aantal opmerkingen. Hij is van oordeel dat in verband daarmee enige aanpassing van het ontwerp wenselijk is. 1. Staatssteun In het ontwerpbesluit wordt kort aandacht besteed aan staatssteun. In artikel 2, tweede lid, aanhef en onder d, staat dat geen subsidie zal worden verstrekt voorzover bij de vaststelling van de subsidie blijkt dat deze in strijd is met artikel 87 van het EG-Verdrag. In de toelichting wordt onder Toets Europese steunkader, uiteengezet waarom aan het ontwerpbesluit geen aspecten kleven van staatssteun. Onder meer wordt genoemd dat het een uitkering aan andere overheden betreft, dat niet meer dan 50 procent van het bedrijfseconomisch tekort van een project gesubsidieerd zal worden en dat de mededeling van de Europese Commissie inzake de wijze van verkopen van grond in acht zal worden genomen. Voorts wordt gesteld dat slechts de algemene infrastructuur(zie noot 1) van projecten voor subsidie in aanmerking komt. Ten aanzien hiervan plaatst de Raad twee kanttekeningen. a. Hoewel aan het onderhavige besluit op zich inderdaad geen aspecten van staatssteun lijken te kleven, kan niet worden uitgesloten dat het toch staatssteun zou kunnen inhouden. Het is immers mogelijk dat (individuele) bedrijven een reductie kunnen krijgen op kosten die normaal gesproken geheel voor hun rekening zouden blijven, als gevolg van een subsidie waarvoor het onderhavige besluit de eerste "stap" vormt. In dit verband merkt de Raad op dat het Hof van Justitie heeft overwogen dat het begrip (staats)steun niet alleen positieve prestaties zoals subsidies betreft. Het gaat ook om maatregelen die, in verschillende vormen, de lasten verlichten, die normaliter op het budget van een onderneming drukken en daardoor - zonder nog subsidies in de strikte zin van het woord te zijn - van gelijke aard zijn en tot identieke gevolgen leiden.(zie noot 2) Relevant zijn, met andere woorden, de gevolgen die verbonden kunnen worden aan de financiering door de overheid van de algemene infrastructuur; die gevolgen zijn afhankelijk van de uitvoering van het project. De Raad beveelt aan in de nota van toelichting hierop in te gaan. b. Het is het college voorts opgevallen dat in de periode tussen verlening van de subsidie en de vaststelling daarvan, de verantwoordelijkheid om te voorkomen dat de desbetreffende subsidiegelden als staatssteun moeten worden aangemerkt geheel bij de gemeenten, openbare lichamen en de samenwerkingsverbanden ligt. De Minister van Economische Zaken heeft alleen een controlerende rol ten tijde van de vaststelling van de subsidie.(zie noot 3) Dit is, gelet op het uitgangspunt van de regeling, te begrijpen, maar wellicht had gekozen kunnen worden voor het opnemen van een regeling waarin de projecten vanaf het moment van subsidieverlening tot de daadwerkelijke uitvoering daarvan door de minister beoordeeld worden op staatssteunaspecten. Op die manier zou immers kunnen worden voorkomen dat in bepaalde gevallen achteraf geconstateerd moet worden dat toch van staatssteun sprake is en de subsidie zou moeten worden terugbetaald. Ook de Raad voor de financiële verhoudingen stelt in zijn advies(zie noot 4) dat de kans op ongewenste terugbetaling na zeseneenhalf jaar geminimaliseerd zou moeten worden. De terughoudendheid van de regering op dit punt blijkt ook uit het feit dat is afgezien van het opnemen in het ontwerpbesluit van duidelijke criteria die gelden voor de besteding van de toegekende subsidie. In het advies van de Raad voor de financiële verhoudingen is aangegeven dat dergelijke criteria essentieel zijn. Het zou volgens het advies duidelijk moeten zijn waaraan geld besteed mag worden, zodat de kans op een met de regels strijdige besteding (bijvoorbeeld steun aan private partijen) geminimaliseerd wordt. Het college adviseert in de toelichting meer aandacht te besteden aan de potentiële risico’s die bestaan in verband met de staatssteunaspecten en de rol die de minister ter voorkoming daarvan toekomt en zo nodig het besluit aan te melden bij de Europese Commissie. 2. Criteria In artikel 1, aanhef en onder b, wordt de term investeringsprogramma gedefinieerd door middel van het opsommen van de onderwerpen die in een dergelijk programma vermeld moeten staan. Als één van deze onderwerpen ontbreekt zal een subsidieaanvraag op grond daarvan worden afgewezen. Artikel 8 bepaalt namelijk dat de minister in elk geval afwijzend op een aanvraag beslist indien de aanvraag niet voldoet aan het ontwerpbesluit en de daarop berustende bepalingen. In de toelichting op dit artikel wordt ook specifiek naar artikel 1 verwezen. Daarmee bevat de definitie normen, die daarom niet in het genoemde artikel 1 thuishoren. Eenzelfde opmerking maakt de Raad ten aanzien van de begripsomschrijving van "provinciale visie", nu daarin eveneens sprake lijkt te zijn van inhoudelijke eisen. De Raad adviseert om de normatieve elementen uit artikel 1 te lichten en elders in het besluit onder te brengen. 3. Puntensysteem In artikel 9, achtste lid, is bepaald dat de (advies)commissie de aanvragen rangschikt naar gelang van de eindscore. In de algemene toelichting wordt onder "Specifieke aandachtspunten" gesproken over extra punten die toegekend kunnen worden aan bepaalde projecten. Uit de toelichting op artikel 9 onder "Haalbaarheid" blijkt dat ook voor de fasen waarin een project zich bevindt, punten worden toegekend. De punten die daarbij in een hogere fase worden gehaald wegen meer dan die behaald in een lagere fase. Ten slotte staat in de algemene toelichting onder "Omvang provinciale taakstelling" dat onafhankelijk van de subsidieaanvraag een aantal basispunten aan provincies worden toegekend. Kennelijk bestaat er een puntenlijst die correspondeert met onder andere de criteria zoals genoemd in artikel 9 van het ontwerpbesluit. Hoe deze punten verdiend kunnen worden en hoeveel punten per onderdeel maximaal te verkrijgen zijn, staat niet vermeld in het ontwerpbesluit, terwijl het kennelijk gaat om voor de beoordeling van de subsidieaanvragen essentiële elementen die, althans deels, reeds bekend zijn.(zie noot 5) Gelet hierop adviseert de Raad het puntensysteem onderdeel te laten uitmaken van het ontwerpbesluit zelf. 4. Overlapping Artikel 1, tweede lid, bepaalt dat in een investeringsprogramma dat nodig is om subsidie aan te vragen, geen projecten of beleidsvoornemens opgenomen zijn die reeds opgenomen zijn geweest in een investeringsprogramma dat als bijlage behoorde bij een aanvraag waarop door de minister eerder een beschikking tot subsidieverlening is gegeven. In artikel 2, tweede lid, aanhef en onder b, staat dat geen subsidie wordt verleend als bij de vaststelling van de subsidie blijkt dat terzake van een project reeds eerder door de minister subsidie is verstrekt op grond van het Besluit stimulering ruimte voor economische activiteit of het Besluit uitkering bedrijfsomgeving stedelijke knooppunten. Het lijkt alsof deze artikelen elkaar (deels) overlappen. De verhouding tussen deze artikelen zou daarom in de toelichting uiteengezet moeten worden. De Raad beveelt aan de toelichting aldus aan te vullen. Mocht er inderdaad van overlapping sprake zijn, dan adviseert de Raad die op te heffen. De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden. De Vice-President van de Raad van State
Documenten (1)