Naar inhoud
Raad van State

Voorstel van wet met memorie van toelichting tot wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek i.v.m. de kenniscirculatie tussen hogescholen en de beroepspraktijk.

Jaar: 2019 Documenten: 1
Voorstel van wet met memorie van toelichting tot wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek i.v.m. de kenniscirculatie tussen hogescholen en de beroepspraktijk.Bij Kabinetsmissive van 27 februari 2003, no.03.000912, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, A.D.S.M. Nijs, MBA, mede namens de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet met memorie van toelichting tot wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek i.v.m. de kenniscirculatie tussen hogescholen en de beroepspraktijk. Het voorstel behelst een wijziging van de taakomschrijving van hogescholen in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek teneinde de uitwisseling van kennis tussen het hoger beroepsonderwijs en de praktijk te bevorderen. Op grond van de huidige wet mogen hogescholen onderzoek verrichten, voorzover dit verband houdt met het onderwijs aan de instelling. In tegenstelling tot universiteiten ontvangen hogescholen hiervoor geen afzonderlijk budget. In augustus 2001 is een door de Onderwijsraad en de Adviesraad voor het Wetenschaps- en Technologiebeleid (AWT) een onderzoek gepubliceerd naar de kennisuitwisseling tussen hogescholen en de praktijk.(zie noot 1) Bij brief van 30 november 2001 verzocht de HBO-raad vervolgens om een afzonderlijke wettelijke taak op het gebied van ontwerp en ontwikkeling, en om een afzonderlijk fonds hiervoor. De vorige Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen heeft niet ingestemd met dit fonds, maar wel met een meer stimulerende formulering in de wet zonder de wettelijke taak van de hogescholen te veranderen. Thans wordt als voorwaarde opgenomen dat de resultaten van het onderzoek later maatschappelijk kunnen worden toegepast. De voorgestelde wijziging heeft geen gevolgen voor de wettelijke taak van hogescholen en heeft evenmin financiële consequenties. De Raad van State maakt opmerkingen over de gekozen formulering en over de noodzaak van het voorstel. Gelet hierop kan over het voorstel niet positief worden geadviseerd. 1. Formulering van de wijziging Het wetsvoorstel heeft een uitermate beperkte inhoud. Aan de wettelijke omschrijving van de onderzoekstaak van hogescholen wordt toegevoegd “en waarvan de resultaten later maatschappelijk kunnen worden toegepast”. Ervan uitgaande dat het woord “later” gevoeglijk kan worden gemist – onderzoeksresultaten kunnen immers niet eerder worden toegepast dan nadat het onderzoek is uitgevoerd - rijst de vraag of de bedoeling van de toe te voegen woorden is (1) een beperking aan te brengen op hetgeen volgens het bestaande criterium aan onderzoek mag worden gedaan, dan wel (2) naast het bestaande criterium een alternatief criterium te introduceren voor onderzoek dat door hogescholen mag worden verricht. De Raad leidt echter uit tekst en toelichting af dat noch het een, noch het ander de bedoeling is. In het eerste geval zou de bepaling grammaticaal correct, zij het niet geheel duidelijk zijn geformuleerd: de beperkende bijzin omvat twee elementen waaraan zou moeten worden voldaan. Uit de toelichting blijkt echter niets van het oogmerk, laat staan van de redengeving voor een inperking van de onderzoekstaak van hogescholen. In het tweede geval had de toevoeging niet met “en” maar met “of” moeten worden ingeleid. Uitdrukkelijk wordt echter in paragraaf 2 van de toelichting gesteld dat de wetswijziging geen financiële gevolgen heeft omdat de wettelijke taakstelling “inhoudelijk” gelijk blijft. Ook het “maatschappelijk” toe te passen onderzoek moet behoren tot de onderzoeksactiviteiten die aan de kwaliteit van het onderwijs bijdragen, aldus dit onderdeel van de toelichting. De Raad wijst erop dat zulk onderzoek geheel past binnen de huidige wettelijke taak, nu deze geen zwaardere eis stelt dan een “verband” met het onderwijs aan de instelling. Onjuist is dan ook de in paragraaf 1 van de toelichting uitgesproken veronderstelling dat “de huidige formulering van de wettelijke taakstelling” zou eisen “dat onderzoeksactiviteiten uitsluitend voortvloeien uit het onderwijs aan de instelling”. Nu het niet de bedoeling blijkt te zijn het verband met het onderwijs los te laten, is de veronderstelling onjuist dat de tekst van de geldende wet aan de beoogde verbreding van onderzoeksinspanningen in de weg staat. 2. Noodzaak van de wijziging De juiste omschrijving van het doel van het wetsvoorstel lijkt dan ook gevonden te moeten worden in de derde paragraaf van de toelichting. Daar wordt gesteld dat de wetswijziging het resultaat is van het “zoeken naar een meer stimulerende formulering in de wet, zonder dat daarbij de wettelijke taak van hogescholen verandert”. Hiervoor is evenwel geen wetswijziging nodig. De stimulerende beschouwingen kunnen in plaats van in de toelichting bij een wetsvoorstel ook in een brief of nota ter bespreking in de kamers van de Staten-Generaal worden neergelegd. Nu aan het wetsvoorstel geen andere betekenis kan worden ontleend dan het geven van een stimulans zonder dat de wettelijke taak van hogescholen verandert, kan de Raad niet positief over het wetsvoorstel adviseren. Het moet onjuist worden geacht, de procedure van wetgeving in formele zin te gebruiken voor een wetswijziging zonder reële normatieve betekenis die in feite slechts dient ter bezegeling van een in “uitvoerig overleg met betrokken actoren” - aldus paragraaf 3 van de toelichting - bereikt compromis nadat een voorstel voor de inrichting van een afzonderlijk ontwerp- en ontwikkelingsfonds voor het hoger beroeps onderwijs was afgewezen. 3. Voor redactionele kanttekeningen verwijst het college naar de bij het advies behorende bijlage. De Raad van State heeft mitsdien bezwaar tegen het voorstel van wet en geeft U in overweging dit niet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal. De Vice-President van de Raad van State
Documenten (1)