Naar inhoud
Raad van State

Ontwerpbesluit houdende wijziging van het Vreemdelingenbesluit 2000 in verband met de uitvoering van de Dublinverordening, met nota van toelichting.

Jaar: 2019 Documenten: 1
Ontwerpbesluit houdende wijziging van het Vreemdelingenbesluit 2000 in verband met de uitvoering van de Dublinverordening, met nota van toelichting.Bij Kabinetsmissive van 26 november 2013, no.2013002427, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende wijziging van het Vreemdelingenbesluit 2000 in verband met de uitvoering van de Dublinverordening, met nota van toelichting.Het ontwerpbesluit strekt ertoe regels te stellen in verband met de uitvoering van de Dublinverordening. (zie noot 1) De Afdeling advisering van de Raad van State onderschrijft de strekking van het ontwerpbesluit, maar maakt een opmerking over de wijze waarop een significant risico op onderduiken als bedoeld in artikel 28 van de Dublinverordening wordt vastgesteld. Zij is van oordeel dat in verband daarmee enige aanpassing van het ontwerpbesluit wenselijk is.1. Significant risico op onderduikenArtikel 28 van de Dublinverordening (EU) 604/2013 geeft de mogelijkheid om Dublinclaimanten in bewaring te nemen met het oog op overdracht, wanneer een significant risico bestaat op onderduiken. (zie noot 2) Voor de bewaring is, op grond van artikel 28, tweede lid, van de Verordening een individuele beoordeling vereist. Het eerste lid van artikel 28 verbiedt bewaring ‘om de enkele reden’ dat de vreemdeling aan een overdracht of terugkeerprocedure is onderworpen.De Afdeling merkt hierover het volgende op.a. In het voorgestelde artikel 5.1a, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 wordt bepaald dat de vreemdeling in bewaring kan worden gesteld of een vrijheidsontnemende maatregel worden opgelegd omdat het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert indien ‘een significant risico bestaat dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken’ (onderdeel b). Deze formulering komt niet overeen met artikel 28, tweede lid, van de Dublinverordening dat, zoals hiervoor vermeld, spreekt over ‘een significant risico op onderduiken’. De Afdeling adviseert de bovengenoemde formulering aan te passen en in artikel 5.1a, tweede lid, onderdeel b, te bepalen dat de vreemdeling onder de gestelde voorwaarden in bewaring kan worden gesteld indien een significant risico op onderduiken bestaat als bedoeld in artikel 28, tweede lid, van de Dublinverordening.b. Het ontwerpbesluit formuleert in artikel 5.1b, tweede lid, dat aan de voorwaarden voor inbewaringstelling slechts wordt voldaan indien ten minste een zware grond uit het derde lid en een lichte grond uit het vierde lid zich voordoen. (zie noot 3) In de toelichting wordt terecht opgemerkt dat bewaring op grond van artikel 28, tweede lid, van de Dublinverordening alleen kan plaatsvinden na een individuele beoordeling. (zie noot 4) De tekst van het voorgestelde artikel 5.1b, tweede lid, sluit hier onvoldoende op aan. Deze kan immers gemakkelijk zo worden gelezen dat reeds wanneer twee gronden aan de orde zijn, dit op zichzelf gezien, nog los van de individuele omstandigheden, voldoende is om de vreemdeling in bewaring te nemen. (zie noot 5) In dit licht bezien adviseert de Afdeling om in overeenstemming met artikel 28, tweede lid, van de Dublinverordening in de tekst van artikel 5.1b tot uitdrukking te brengen dat in elk individueel geval dient te worden beoordeeld in hoeverre de feitelijke situatie die zich voordoet zodanig zwaar is dat daadwerkelijk sprake is van een significant risico op onderduiken.2. De Afdeling verwijst naar de bij dit advies behorende redactionele bijlage.De Afdeling advisering van de Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.De vice-president van de Raad van State
Documenten (1)