Naar inhoud
Raad van State

Voorstel van wet houdende bepalingen over de medezeggenschap van werknemers, met memorie van toelichting.

Jaar: 2019 Documenten: 1
Voorstel van wet houdende bepalingen over de medezeggenschap van werknemers, met memorie van toelichting.Bij Kabinetsmissive van 10 juni 2004, no.04.002270, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet houdende bepalingen over de medezeggenschap van werknemers, met memorie van toelichting. Het wetsvoorstel vervangt de Wet op de ondernemingsraden (hierna: WOR). Het voorstel biedt meer mogelijkheden dan de WOR voor het realiseren van een op een individuele onderneming afgestemde medezeggenschap. Uitgangspunt daarbij is het mogelijk maken van maatwerk en het bieden van voldoende flexibiliteit voor de ondernemer en de ondernemingsraad (hierna: OR). Aan dit uitgangspunt wordt gevolg gegeven met het opnemen van nieuwe bepalingen over onder meer het afspreken van een afwijkende medezeggenschapsstructuur bij CAO en de mogelijkheid om op basis van een overeenkomst tussen de ondernemer en de OR afspraken te maken over het niet uitoefenen van bepaalde bevoegdheden en over het wijzigen van een instemmingsrecht in een adviesrecht. Verder zijn inmiddels verouderde en overbodig geworden bepalingen uit de WOR geschrapt of met het doel de regelgeving minder dwingend te maken, gewijzigd. Ten slotte zijn veel bepalingen uit de WOR ongewijzigd overgenomen. Deze zijn ter vergroting van de toegankelijkheid van de wet in een duidelijker structuur ondergebracht. De Raad van State onderschrijft de strekking van het wetsvoorstel. Hij acht evenwel wijziging van het voorstel en de bijbehorende memorie van toelichting op twee onderdelen noodzakelijk. Het eerste onderdeel betreft de in het voorgestelde artikel 6:6, tweede lid, aanhef en onderdeel c, opgenomen ministeriële aanwijzingsbevoegdheid. Het tweede onderdeel betreft de in artikel 6:31, eerste en tweede lid, vastgelegde mogelijkheden tot inperking dan wel tot wijziging van de in de artikelen 6:18 of 6:25 bedoelde bevoegdheden van de OR. 1. De ministeriële aanwijzingsbevoegdheid. In artikel 6:6, tweede lid, aanhef en onderdeel c, van het wetsvoorstel wordt de minister de bevoegdheid verleend ondernemingen of categorieën van ondernemingen met een publieke hoofdtaak en waarin in de regel meer dan 100 of meer personen werkzaam zijn, aan te wijzen waarop het eerste lid van die bepaling van toepassing is. Dat eerste lid betreft de verplichting voor de ondernemer om de OR, kort gezegd, ten minste eenmaal per jaar gegevens te verstrekken over de beloningsverhoudingen tussen het bestuur van de onderneming, de toezichthouder en groepen werknemers. Het gaat in de eerstgenoemde bepaling om ondernemingen als bijvoorbeeld zelfstandige bestuursorganen als UWV en CWI. De Raad vraagt zich af waarom niet is gekozen voor aanwijzing van de hier bedoelde ondernemingen van rechtswege, met de bevoegdheid van de Kroon of eventueel de minister om ondernemingen uit te zonderen van deze algemene regel. Daarbij stelt het college voorop dat, wanneer deze verplichting wordt opgelegd voor private ondernemingen, deze toch zeker zou moeten gelden voor ondernemingen met een publieke hoofdtaak. De motivering dat een sluitende afbakening tussen privaatrechtelijke rechtspersonen en ondernemingen in de (semi-) overheidssfeer ontbreekt, acht de Raad niet overtuigend.(zie noot 1) De Raad adviseert de toelichting op artikel 6:6 aan te vullen en indien nodig het wetsvoorstel aan te passen in de bovenbedoelde zin. 2. Inperking en wijziging van de bevoegdheden van de OR. Ingevolge artikel 6:31, eerste lid, van het wetsvoorstel kunnen bij schriftelijke overeenkomst tussen de ondernemer en de OR aan de OR niet alleen verdere bevoegdheden worden toegekend dan in de WMW en de daarop rustende bepalingen genoemd, maar kunnen ook de in de artikelen 6:18 en 6:25 bedoelde bevoegdheden en rechten voor minder dan de in die artikelen genoemde aangelegenheden worden toegekend. Het laatste betekent dat het advies- en instemmingsrecht van de OR bij schriftelijke overeenkomst tussen de ondernemer en de OR kan worden ingeperkt. Bovendien kan op grond van het tweede lid van artikel 6:31 het instemmingsrecht voor een in artikel 6:25 bedoelde aangelegenheid worden omgezet in het minder zware adviesrecht. In artikel 6:31, eerste lid, wordt wat de beperking van bevoegdheden en rechten betreft gesproken van "rechten voor minder dan de in die artikelen genoemde aangelegenheden" (bedoeld zijn: de artikelen 6:18 en 6:25). De bepaling stelt geen grenzen aan de mogelijkheden tot inperking dan wel omzetting van de in geding zijnde bevoegdheden en rechten van de OR. Ook in de bij het voorstel behorende memorie van toelichting wordt hierover niets vermeld. Uit artikel 6:31, tweede lid, maakt de Raad op dat het niet de bedoeling van het bepaalde in het eerste lid is om bij schriftelijke overeenkomst tussen de ondernemer en de OR alle in de artikelen 6:18 en 6:25 bedoelde bevoegdheden en rechten te laten vervallen. Een zo ver gaande inperking zou naar de mening van het college niet alleen onwenselijk zijn, maar bovendien op gespannen voet staan met de in artikel 19, tweede lid, van de Grondwet opgenomen verplichting voor de regering om regels te stellen op grond waarvan een reële medezeggenschap mogelijk is. Het vorenstaande brengt de Raad er toe te adviseren in paragraaf 3.1, onderdeel 3, van de memorie van toelichting, mede bezien in het licht van artikel 19, tweede lid, Grondwet, te verduidelijken tot hoever de in de artikelen 6:18 en 6:25 bedoelde bevoegdheden en rechten van de OR bij overeenkomst mogen worden ingeperkt om nog te kunnen spreken van een reële medezeggenschap van werknemers. Hierbij wordt aanbevolen de in artikel 6:31, eerste lid, gebruikte onduidelijke formulering "voor minder dan" te vervangen door een duidelijker terminologie. Ten slotte adviseert het college de toelichting op artikel 6:31 in zoverre te wijzigen dat in de eerste zin betreffende artikel 6:31, eerste lid, tot uitdrukking wordt gebracht dat alleen de daarin opgenomen mogelijkheden tot uitbreiding van de bevoegdheden en rechten van de OR aan artikel 32, tweede lid, WOR zijn ontleend en dat de mogelijkheid tot beperking nieuw is. 3. Voor redactionele kanttekeningen verwijst de Raad naar de bij het advies behorende bijlage. De Raad van State geeft U in overweging het voorstel van wet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden. De Vice-President van de Raad van State
Documenten (1)