Naar inhoud
Raad van State

Ontwerpbesluit met nota van toelichting houdende wijziging van het Besluit beheer en schadebestrijding dieren in verband met plaatsing van de zwarte kraai, de kauw en de vos op de landelijke vrijstellingslijst en de hernieuwde vaststelling van artikel 2 en 3 van het Besluit beheer en schadebestrijding dieren.

Jaar: 2019 Documenten: 1
Ontwerpbesluit met nota van toelichting houdende wijziging van het Besluit beheer en schadebestrijding dieren in verband met plaatsing van de zwarte kraai, de kauw en de vos op de landelijke vrijstellingslijst en de hernieuwde vaststelling van artikel 2 en 3 van het Besluit beheer en schadebestrijding dieren.Bij Kabinetsmissive van 11 juli 2003, no.03.002919, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit met nota van toelichting houdende wijziging van het Besluit beheer en schadebestrijding dieren in verband met plaatsing van de zwarte kraai, de kauw en de vos op de landelijke vrijstellingslijst en de hernieuwde vaststelling van artikel 2 en 3 van het Besluit beheer en schadebestrijding dieren. Het ontwerpbesluit strekt ertoe de zwarte kraai, de kauw en de vos op te nemen in de landelijke vrijstellingslijst bij het Besluit beheer en schadebestrijding dieren (Bbsd). Plaatsing op deze lijst betekent dat het de grondgebruiker (eigenaar of pachter) van een terrein wordt toegestaan om handelingen te verrichten in afwijking van de algemene verboden vervat in de artikelen 9 tot en met 12 van de Flora- en faunawet (Ffw), voorzover dit bij ministeriële regeling is bepaald. Dit houdt onder meer in dat deze dieren mogen worden gedood of gevangen en dat hun nesten of holen mogen worden vernield. Voorts worden de artikelen 2 en 3 Bbsd, waarop respectievelijk de landelijke en de provinciale vrijstellingslijst zijn gebaseerd, opnieuw vastgesteld, omdat ze anders per 1 april 2004 zouden vervallen. Ten slotte wordt "populatiebeheer" aangewezen als belang met het oog waarop gedeputeerde staten ontheffing kunnen verlenen van de belangrijkste verbodsbepalingen uit de Ffw. De Raad van State maakt naar aanleiding van het ontwerpbesluit opmerkingen met betrekking tot de regeling van de inwerkingtreding, de plaatsing van de vos op de landelijke vrijstellingslijst, de invoering van de ontheffingsgrond "populatiebeheer" en de geldingsduur van de aanwijzingen op de landelijke en provinciale vrijstellingslijst. Hij is van oordeel dat het ontwerpbesluit in verband daarmee deels nader dient te worden overwogen. 1 Ingevolge artikel 65, eerste lid, onder a, Ffw worden op de landelijke vrijstellingslijst alleen dieren geplaatst die in het gehele land veelvuldig belangrijke schade aanrichten. Volgens artikel 65, tweede lid, kan plaatsing op de landelijke vrijstellingslijst alleen geschieden ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, bedrijfsmatige visserij en wateren. In de nota van toelichting wordt medegedeeld dat op dit moment een wijziging in voorbereiding is van artikel 65 Ffw, die plaatsing op de lijst ook mogelijk maakt ter voorkoming van belangrijke schade aan de fauna. Anders dan de zwarte kraai en de kauw, die nu nog voorkomen op de provinciale vrijstellingslijst en die ook schade toebrengen aan gewassen, wordt de vos uitsluitend op de landelijke lijst geplaatst vanwege de schade die hij toebrengt aan de stand van weidevogels. Omdat daarvoor de wettelijke grondslag ontbreekt, wordt de inwerkingtreding van dit onderdeel van het ontwerpbesluit afhankelijk gesteld van vorenbedoelde wetswijziging, aldus de nota van toelichting. De Raad begrijpt dat het de bedoeling is dat die afstemming zal worden verzekerd door de artikelen I, onderdeel B, en II onderdeel C, bij koninklijk besluit op grond van artikel IV niet eerder in werking te laten treden dan die van de wijziging van artikel 65 Ffw. Uit een oogpunt van rechtszekerheid acht het college deze constructie onjuist. Hij adviseert dit onderdeel van het ontwerpbesluit niet vast te stellen dan in samenhang met een bepaling die het tijdstip van de inwerkingtreding daarvan koppelt aan die van de inwerkingtreding van de desbetreffende wijziging van de Ffw, dan wel de bepaling daarvan over te laten aan een koninklijk besluit dat geen eerder tijdstip kan aanwijzen dan de inwerkingtredingdatum van die wetswijziging. 2. Wanneer de Raad de voorgestelde plaatsing van de vos op de landelijke lijst inhoudelijk beziet, wijst hij op het volgende. De nota van toelichting vermeldt weliswaar dat predatie door de vos bijdraagt aan het teruglopen van de stand van weidevogels, maar stelt vervolgens dat er verschillende andere oorzaken voor deze terugloop zijn aan te wijzen, en dat niet bekend is hoe de verschillende oorzaken zich tot elkaar verhouden. Daarnaar wordt onderzoek verricht, maar de resultaten daarvan zijn nog niet bekend.(zie noot 1) In zijn advies over het ontwerpbesluit wijst ook het Faunafonds(zie noot 2) erop dat het maar de vraag is in hoeverre de vos verantwoordelijk is voor de teruggang van de weidevogelstand, aangezien er geen concrete cijfers voorhanden zijn.(zie noot 3) Hiermee is naar de mening van de Raad onvoldoende onderbouwd dat de vossen "in het hele land veelvuldig belangrijke schade" toebrengen aan de stand van deze vogels. Voorts blijkt uit de toelichting dat het onder de huidige regels al mogelijk is de vos te bestrijden ter voorkoming van schade aan de fauna.(zie noot 4) Bestrijding kan plaatsvinden op basis van artikel 67 Ffw (dat, kort gezegd, gedeputeerde staten de mogelijkheid geeft aan bepaalde personen of categorieën personen toe te staan de populatie van bepaalde soorten te beperken), of op basis van artikel 68 Ffw (dat voor gedeputeerde staten een ontheffingsmogelijkheid bevat van onder andere het verbod om beschermde dieren te vangen of te doden). Ten slotte bepaalt artikel 65, tweede lid, Ffw dat een plaatsing op de vrijstellingslijst slechts plaatsvindt wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat. Tijdens de parlementaire behandeling van de Ffw verklaarde de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij desgevraagd dat dit ook betekent dat een soort pas op de vrijstellingslijst mag worden geplaatst wanneer de ontheffing geen bevredigende oplossing vormt.(zie noot 5) In dit verband is van belang dat de mogelijkheid tot planmatige bestrijding van de vos via artikel 67 pas bestaat sinds 22 december 2002,(zie noot 6) zodat daarmee nog geen of weinig ervaring is opgedaan. Van enig overleg daarover met de provincies blijkt niet uit de toelichting. Daar komt bij dat zowel het Faunafonds in zijn advies als de regering in de nota van toelichting een voorkeur uitspreken voor een meer planmatige aanpak van de bescherming van weidevogels, waarbij het Faunafonds ervoor pleit die bescherming te laten plaatsvinden door een faunabeheereenheid, en op basis van een faunabeheerplan.(zie noot 7) Op grond van het vorenstaande adviseert de Raad de plaatsing van de vos op dit moment op de landelijke vrijstellingslijst te heroverwegen. 3. In paragraaf 3 van de nota van toelichting wordt opgemerkt dat er in de praktijk onduidelijkheid blijkt te bestaan of artikel 68 Ffw gedeputeerde staten voldoende mogelijkheid biedt om ontheffing te verlenen op grond van het belang van populatiebeheer. Het ontwerpbesluit beoogt deze onduidelijkheid weg te nemen door op grond van artikel 68, eerste lid, onderdeel e, "populatiebeheer" als belang - en daarmee als grond voor een ontheffing - aan te wijzen. De Raad adviseert om het begrip "populatiebeheer" in het ontwerpbesluit te definiëren en deze ontheffingsgrond in verband met het belang dat daaraan in de context van de flora- en faunawetgeving moet worden toegekend bij gelegenheid van de komende wetswijziging in artikel 68 Ffw op te nemen. 4. Gelet op artikel 65, achtste lid, Ffw adviseert de Raad de wijzigingen van de artikelen 2 en 3 met daarbijbehorende bijlagen in artikel II en het opnieuw vaststellen daarvan voor het geval deze niet voor 1 april 2004 in werking zouden treden in artikel III te koppelen aan een geldingsduur van twee jaren. Hij verwijst naar artikel 13, tweede lid, van het geldende besluit. De Raad van State geeft U in overweging in dezen geen besluit te nemen dan nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden. De Vice-President van de Raad van State
Documenten (1)