Raad van State
Voorstel van wet van het lid Noorman-den Uyl, houdende vaststelling van een wet inzake ondersteuning van alleenstaande ouders bij arbeid en zorg (Wet voorzieningen arbeid en zorg alleenstaande ouders), met memorie van toelichting.
Jaar: 2019
Documenten: 1
Voorstel van wet van het lid Noorman-den Uyl, houdende vaststelling van een wet inzake ondersteuning van alleenstaande ouders bij arbeid en zorg (Wet voorzieningen arbeid en zorg alleenstaande ouders), met memorie van toelichting.Bij brief van de Waarnemend Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 4 januari 2005 heeft de Tweede Kamer, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet van het lid Noorman-den Uyl, houdende vaststelling van een wet inzake ondersteuning van alleenstaande ouders bij arbeid en zorg (Wet voorzieningen arbeid en zorg alleenstaande ouders), met memorie van toelichting. Het wetsvoorstel introduceert de zogenoemde Voorzieningen arbeid en zorg alleenstaande ouders (Vazalo)-toeslag, en beoogt: - alleenstaande ouders de kans te bieden én hen te prikkelen arbeid en zorg te combineren door de introductie van de Vazalo-toeslag, een fiscale maatregel, waarbij meer werken meer loont; - een erkenning te verschaffen dat van alleenstaande ouders slechts arbeid in deeltijd kan worden gevraagd;(zie noot 1) en - een "substantiële inkomensverbetering voor eenouderhuishoudens met een inkomen rond het minimum en een gerichte versterking van de kansen van kinderen in eenoudergezinnen" te bewerkstelligen.(zie noot 2) Tevens wordt een intensivering van het zogenoemde flankerend beleid (kinderopvang, scholing en tijdelijk gesubsidieerd werk) voorgesteld. De Raad van State maakt opmerkingen over de noodzaak om hiervoor een fiscale maatregel sui generis te introduceren en over de doeltreffendheid en doelmatigheid van deze Vazalo-toeslag. 1. Noodzaak fiscale toeslag De introductie van de Vazalo-toeslag betreft een wijziging van de systematiek van zowel de Wet werk en bijstand (Wwb) als de Wet inkomstenbelasting 2001. De Raad maakt in dit verband de volgende twee opmerkingen. a. Op grond van artikel 7 van de Wwb is het college van burgemeester en wethouders (hierna: het college) verantwoordelijk voor de reïntegratie van alleenstaande ouders met een bijstandsuitkering. Op grond van artikel 9 van de Wwb zijn deze ouders verplicht aan deze reïntegratie mee te werken, zij het dat het college hiervoor een tijdelijke ontheffing kan verlenen, waarbij het het belang van reïntegratie tegen dat van de zorg moet afwegen. Tevens hebben deze ouders op grond van artikel 10 van de Wwb een aanspraak op ondersteuning bij reïntegratie. Met de inwerkingtreding van de Wwb, op 1 januari 2004, hebben de gemeentebesturen verder meer verantwoordelijkheid en vrijheid gekregen voor de bijstand en de reïntegratie, zowel beleidsmatig als financieel. Dit roept bij de Raad de vraag op of de doelstelling van het wetsvoorstel niet ook binnen de huidige Wwb kan worden bereikt en, mocht dat niet het geval zijn, of er geen mogelijkheden zijn om het doel van het voorstel te realiseren op een wijze, die de systematiek van deze wet niet doorkruist. De Raad wijst er in verband met dit laatste bijvoorbeeld op dat het college verantwoordelijk blijft - via de overbruggingsregeling(zie noot 3) en het reïntegratiebeleid - voor een persoon aan wie het, anders dan in het geval van personen die bijstand ontvangen, in beginsel geen plichten meer kan opleggen.(zie noot 4) Ook moet het gemeentebestuur een deel van zijn reïntegratiebudget inzetten voor het flankerende beleid voor alleenstaande ouders en kan het daar in zoverre niet meer zijn eigen beleidskeuzes in maken. b. De Vazalo-toeslag betreft feitelijk de verzilvering van de in de Wet inkomstenbelasting 2001 reeds bestaande heffingskortingen voor alleenstaande ouders door deze, na bundeling en verhoging ervan, als toeslag uit te betalen. Veel van deze ouders kunnen die kortingen nu niet verzilveren, omdat ze daarvoor onvoldoende belasting en premies betalen. Deze omstandigheid betekent op zichzelf echter niet dat zij zonder deze toeslag ten onrechte iets mislopen.(zie noot 5) Zij worden via de bijstand daarvoor gecompenseerd.(zie noot 6) Naar het oordeel van de Raad is er voor de Vazalo-toeslag als zodanig dan ook geen zelfstandige aanleiding. Onverminderd deze opmerking wijst de Raad er overigens op dat een dergelijke toeslag eerder in het wetsvoorstel Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen(zie noot 7) past dan in de Wet inkomstenbelasting 2001. De Raad adviseert in de toelichting nader op het bovenstaande in te gaan en daarbij vooral een rechtvaardiging te geven voor de noodzaak met deze maatregel de systematiek van zowel de Wwb als de Wet inkomstenbelasting 2001 te doorkruisen. 2. Doeltreffendheid en doelmatigheid van de Vazalo-toeslag De Vazalo-toeslag betreft in feite een financiële prikkel om eerder in deeltijd te gaan werken. Het is de vraag of deze prikkel effect zal hebben. a. De eerste vraag is of de personen uit de doelgroep door een dergelijke fiscale maatregel eerder en meer zullen gaan werken. Net als subsidies zal ook bij deze maatregel de toeslag voor een deel terecht komen bij personen die al aan het werk zijn en zelfs - in het geval van degenen die al 90% van het netto minimumloon verdienen - geen recht op bijstand meer hebben. Daar komt bij dat veel alleenstaande ouders, vanwege hun afstand tot de arbeidsmarkt of hun onregelmatige arbeidspatroon, eerder gebaat lijken bij maatwerk van de gemeente dan bij een generieke toeslag die wordt uitbetaald door de belastingdienst. b. De tweede doeltreffendheidsvraag is in hoeverre werken met een Vazalo-toeslag voor alleenstaande ouders in de praktijk lonender of aantrekkelijker zal zijn dan werken met een gedeeltelijke Wwb-uitkering. Het voorgestelde toeslagsysteem maakt werken voor een alleenstaande ouder die gedurende een heel kalenderjaar een stabiele deeltijdbaan heeft, geen andere uitkeringen ontvangt én kinderalimentatie ontvangt, inderdaad lonender. Er zijn echter ook de nodige situaties waar het voorgestelde systeem niet zonder meer goed op aansluit, met name wanneer geen stabiel werk gevonden wordt en wanneer geen kinderalimentatie wordt ontvangen. Door de geringe scholing van veel alleenstaande ouders en hun afstand tot de arbeidsmarkt kan dit in de praktijk vaak voorkomen. Van kinderalimentatie is niet steeds sprake. Hierdoor lopen alleenstaande ouders het risico dat hun maandelijkse inkomen met een Vazalo-toeslag niet alleen minder is dan verwacht, maar soms zelfs lager is dan de Wwb-uitkering. c. Bij frequente wisselingen tussen een situatie van werk en een situatie van bijstand zal de afwisselend werkende en niet-werkende alleenstaande ouder van de belastingdienst weer terug moeten naar de gemeente en van de gemeente weer naar de belastingdienst. De Raad vraagt zich af of dit geen afbreuk doet aan de doelmatigheid van de voorgestelde regeling. De Raad adviseert in de toelichting op het bovenstaande in te gaan. 3. Overige opmerkingen a. Een specifieke fiscale maatregel voor alleenstaande ouders roept, uit een oogpunt van gelijkheid, de vraag op of andere groepen die hun heffingskortingen niet kunnen verzilveren, niet eveneens voor een dergelijke toeslag in aanmerking zouden moeten komen. Verder moet er met betrekking tot het alleen voor alleenstaande ouders bestemde flankerend beleid rekening mee worden gehouden dat dit gefinancierd moet worden uit het algemene reïntegratiebudget van de gemeenten, wat ten koste kan gaan van andere doelgroepen in de gemeente. De Raad adviseert hierop in de toelichting in te gaan. b. Zoals hierboven, onder 2.c, werd aangegeven, zal er regelmatig een afwisselend beroep op de bijstand/overbruggingsregeling en de Vazalo-toeslag moeten worden gedaan. Dit heeft extra administratieve lasten voor zowel de gemeenten en de belastingdienst als de alleenstaande ouders tot gevolg. De Raad adviseert hierop in de toelichting in te gaan. c. In het in artikel 5, onderdeel D, van het wetsvoorstel voorgestelde artikel 8.21, eerste lid, aanhef en onderdelen a en b, van de Wet inkomstenbelasting 2001 wordt bepaald dat de Vazalo-toeslag geldt voor de belastingplichtige, indien hij in het kalenderjaar gedurende meer dan zes maanden geen partner heeft en een huishouding voert met een kind jonger dan zestien jaar. In dit verband rijst de vraag waarom een belastingplichtige in voorkomende gevallen indien hij de rest van het betreffende jaar een aantal maanden feitelijk geen alleenstaande ouder is (omdat hij in die periode een partner heeft of geen kind jonger dan zestien heeft), over die maanden toch recht zou moeten hebben op die toeslag. De Raad adviseert hierop in de toelichting in te gaan. d. In hoofdstuk 4 van de memorie van toelichting wordt ingegaan op (het belang van) het flankerend beleid. In het in artikel 6, onderdeel B, van het wetsvoorstel voorgestelde artikel 10, derde lid, van de Wwb wordt geregeld dat een alleenstaande ouder recht heeft op scholing tot MBO-niveau of een gesubsidieerde baan. Met betrekking tot de kinderopvang wordt echter niets geregeld. De Raad adviseert hierop in de toelichting in te gaan en zo nodig het voorstel aan te passen. 4. Voor redactionele kanttekeningen verwijst de Raad naar de bij het advies behorende bijlage. De Vice-President van de Raad van State
Bron:
raadvanstate.nl
Documenten (1)
-
raadvanstate.nl10 pagina's, pdf Tekst