Raad van State
Voorstel van wet met memorie van toelichting tot wijziging van de regeling van het DNA-onderzoek in strafzaken in verband met het vaststellen van uiterlijk waarneembare persoonskenmerken uit celmateriaal.
Jaar: 2019
Documenten: 1
Voorstel van wet met memorie van toelichting tot wijziging van de regeling van het DNA-onderzoek in strafzaken in verband met het vaststellen van uiterlijk waarneembare persoonskenmerken uit celmateriaal.Bij Kabinetsmissive van 30 juli 2001, no.01.003691, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Justitie, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet met memorie van toelichting tot wijziging van de regeling van het DNA-onderzoek in strafzaken in verband met het vaststellen van uiterlijk waarneembare persoonskenmerken uit celmateriaal. Het wetsvoorstel strekt ertoe een wettelijke basis te leggen voor DNA-onderzoek naar uiterlijk waarneembare persoonskenmerken. Het voorziet daarmee in een uitbreiding van de bestaande strafrechtelijke onderzoeksmogelijkheden. De huidige wettelijke regeling voor DNA-onderzoek in strafzaken(zie noot 1) staat slechts vergelijking van DNA-profielen toe: een DNA-profiel vervaardigd op basis van celmateriaal (doorgaans) gevonden op de plaats van het delict (sporenmateriaal) wordt vergeleken met een DNA-profiel vervaardigd op basis van celmateriaal verkregen van een persoon wiens identiteit bekend is. In het huidige artikel 138a van het Wetboek van Strafvordering (WvSv) is vastgelegd dat DNA-onderzoek uitsluitend gericht is op het vervaardigen en vergelijken van DNA-profielen die een zodanige vorm hebben dat daaruit geen informatie omtrent erfelijke eigenschappen of andere persoonskenmerken kan worden afgeleid. In technisch opzicht is het op dit moment mogelijk om enkele uiterlijke persoonskenmerken af te leiden uit celmateriaal. De verwachting is dat het aantal persoonskenmerken dat door DNA-onderzoek kan worden vastgesteld, in de toekomst zal toenemen. Het onderhavige wetsvoorstel beoogt enerzijds DNA-onderzoek naar twee uiterlijke persoonskenmerken die op dit moment al uit celmateriaal kunnen worden afgeleid mogelijk te maken, en anderzijds de mogelijkheid te creëren het aantal uiterlijk waarneembare persoonskenmerken waarnaar gezocht mag worden in het kader van een strafvorderlijk onderzoek uit te breiden, indien en voorzover toekomstige technische ontwikkelingen het mogelijk maken die persoonskenmerken af te leiden uit celmateriaal. De Raad van State onderschrijft de strekking van het wetsvoorstel, maar maakt daarbij de volgende opmerkingen. Hij is van oordeel dat in verband daarmee enige aanpassing van het voorstel wenselijk is. 1. Het begrip "uiterlijk waarneembare persoonskenmerken" wordt in het wetsvoorstel niet gedefinieerd. Uit de memorie van toelichting blijkt dat het begrip niet eenvoudig te omschrijven is, te minder daar onderkend wordt dat erfelijke aandoeningen of ziekten die bij een persoon zichtbaar zijn, (in beginsel) geen voorwerp mogen zijn van een DNA-onderzoek.(zie noot 2) Voorgesteld wordt de uiterlijk waarneembare persoonskenmerken waarop het onderzoek gericht mag zijn, aan te wijzen bij algemene maatregel van bestuur. Als voorbeeld van uiterlijk waarneembare persoonskenmerken die niet zullen worden aangewezen, wordt genoemd de uiterlijke persoonskenmerken aanwezig bij personen met het Syndroom van Down. Uit het advies van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) blijkt dat ook bepaalde (uiterlijke) gedragingen zijn af te leiden uit erfelijk materiaal.(zie noot 3) De regering lijkt, met het NFI, van mening te zijn dat hiernaar geen onderzoek mag worden gedaan, ook niet indien dit technisch mogelijk is of zou worden. Daarnaast blijkt uit het advies van het NFI dat over het uiterlijk waarneembare persoonskenmerk "ras" of "etnische afkomst" geen of nauwelijks duidelijke uitspraken kunnen worden gedaan. Noch in dit advies noch in de memorie van toelichting wordt ingegaan op de vraag welk uiterlijk persoonskenmerk het hier betreft: vorm van de ogen, haar, huidskleur dan wel postuur. Gezien het voorgaande en het rechtsgevolg van de aanwijzing, adviseert de Raad de uiterlijk waarneembare persoonskenmerken niet bij algemene maatregel van bestuur, maar bij wet aan te wijzen, en het tweede lid van de voorgestelde artikelen 151d en 195f op dit punt aan te passen. 2. De memorie van toelichting gaat niet in op de vraag of het (technisch) mogelijk is dat uit het voorgestelde onderzoek naar (aangewezen) uiterlijk waarneembare persoonskenmerken, eveneens andere, niet aangewezen, genetische gegevens "tevoorschijn" komen. Indien dat mogelijk is, zou uitdrukkelijk bepaald moeten worden dat deze gegevens niet worden vermeld in het verslag van de deskundige, en dat deze evenmin op andere wijze aan de opsporende of vervolgende instantie kenbaar mogen worden gemaakt.(zie noot 4) De Raad adviseert hieraan in de memorie van toelichting aandacht te besteden, en zo nodig het wetsvoorstel aan te passen. 3. Voor redactionele kanttekeningen verwijst het college naar de bij het advies behorende bijlage. De Raad van State geeft U in overweging het voorstel van wet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden. De Vice-President van de Raad van State
Bron:
raadvanstate.nl
Documenten (1)
-
raadvanstate.nl5 pagina's, pdf Tekst