Raad van State
Aanpassingswet Wet inkomstenbelasting 2001, met memorie van toelichting.
Jaar: 2019
Documenten: 1
Aanpassingswet Wet inkomstenbelasting 2001, met memorie van toelichting.Bij Kabinetsmissive van 12 november 1999, no. 99.005273, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Financiën en de Minister van Financiën, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt de Aanpassingswet Wet inkomstenbelasting 2001 met memorie van toelichting. Het voorstel voor de Aanpassingswet Wet inkomstenbelasting 2001 heeft betrekking op de wijzigingen in niet-fiscale wetten waarin wordt verwezen naar bepalingen of begrippen opgenomen in de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (Wet IB’64) of de Wet op de vermogensbelasting 1964 (Wet VB’64). De invoering van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) en het intrekken van de Wet VB’64 maken aanpassing van deze wetten noodzakelijk. De Raad van State heeft de advisering over dit wetsvoorstel eerst afgerond nadat de Tweede Kamer der Staten-Generaal de teksten van het voorstel Wet IB 2001 (kamerstukken II 1998/99, 26 727) en van het voorstel Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001 (kamerstukken II 1998/99, 26 728) op 3 februari 2000 heeft vastgesteld. De Raad stelt vast dat de in deze voorstellen aangebrachte wijzigingen, in het bijzonder de uitbreiding van het stelsel van heffingskortingen en het vervallen van kostenaftrekken, tot nadere aanpassing van het wetsvoorstel zullen leiden. Daarnaast zal ook de wijziging van de Wet IB 2001 als gevolg van de deels nog in behandeling zijnde wijzigingen van Wet IB’64 sedert medio 1999, tot aanpassing van het wetsvoorstel leiden. Het voorstel geeft de Raad aanleiding tot het maken van een aantal opmerkingen. 1. Inkomensgevolgen In onderdeel 6. Budgettaire aspecten, inkomensgevolgen en uitvoeringsaspecten, van de toelichting wordt gesteld dat de gevolgen van de eventuele afzonderlijke aanpassing van de inkomens- en vermogensafhankelijke regelingen zoveel mogelijk budgettair neutraal zullen plaatsvinden, alsmede dat ook wat betreft de inkomensgevolgen zal worden gestreefd naar neutrale effecten. Naar het oordeel van de Raad kan met deze algemene stellingen niet worden volstaan. De belastingherziening is een veel omvattende operatie die gepaard gaat met een aanmerkelijke belastingverlaging. Ten aanzien van de aanpassing van de inkomensafhankelijke regelingen dient ten minste in de toelichting op het voorstel per regeling meer uitgebreid te worden beschreven op welke wijze vermeden gaat worden dat de beoogde koopkrachtverbetering niet door de aanpassing van de - soms cumulatief werkende - inkomensafhankelijke regelingen teniet wordt gedaan. 2. Winst uit onderneming Onder meer wordt bij de wijziging van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen voor het begrip «winst uit onderneming» verwezen naar hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1, Wet IB 2001. De Raad wijst erop, dat het begrip «belastbare winst uit onderneming» in de loop van de parlementaire behandeling van de Wet IB 2001 is verruimd. Voor de bepaling van de kring van de verzekerden wordt onder meer aangeknoopt bij het genieten van winst uit onderneming. Gelet op de aard van de verzekering dient de kring van de verzekerden beperkt te blijven tot de groep niet in dienstbetrekking werkenden. De Raad adviseert de verwijzing opnieuw te bezien. 3. Terugval in inkomen Onder meer bij de Wet op de studiefinanciering (WSF) wordt een overgangsbepaling voorgesteld in verband met peildata voor en na de invoering van de Wet IB 2001. Deze overgangsbepaling heeft mede betrekking op de zogenoemde terugval van inkomen (artikel 44 WSF). Onder terugval van inkomen wordt in het algemeen verstaan een vermindering van het belastbare inkomen van de debiteur van ten minste 15% ten opzichte van een vorig jaar. Door met ingang van 2001 voor «belastbaar inkomen» «verzamelinkomen» te lezen, worden verschillend opgebouwde inkomens met elkaar vergeleken. De Raad adviseert in de toelichting meer uitgebreid in te gaan op de mogelijke effecten van deze gelijkstelling voor de toepassing van de bepalingen die betrekking hebben op de terugval van inkomen. 4. Vermogenstoets De intrekking van de Wet VB’64 brengt mee dat voor de vermogenstoets die in de Huursubsidiewet is opgenomen, niet meer naar die wet verwezen kan worden. Voorgesteld wordt in artikel 4 van de Huursubsidiewet een eigen vermogensbegrip op te nemen. De Raad merkt op, dat de uitvoering van de vermogenstoets door de Belastingdienst plaatsvindt. Het aanknopen bij de bedragen van de vermogensbestanddelen die bepaald inkomen genereren, maakt de uitvoering niet wezenlijk eenvoudiger, aangezien de waarde van die vermogensbestanddelen niet een gegeven is waarover de Belastingdienst reeds beschikt. Het voorstel dient uit dien hoofde te worden aangevuld met bepalingen omtrent de waardering van de desbetreffende vermogensbestanddelen. De Raad adviseert het begrip «vermogen» zelfstandig te omschrijven, los van een verwijzing naar de Wet IB 2001, zoals onder meer in artikel 51, eerste lid, onderdeel a, en artikel 53 van de Algemene bijstandswet is geschied. Aansluiting kan hierbij worden gehouden met de omschrijving zoals die thans in de Wet VB’64 is opgenomen. 5. Overgangsregelingen Onder meer wordt in artikel 3c van de Ziekenfondswet een overgangsregeling opgenomen, waarbij ten aanzien van in aanmerking te nemen tijdvakken die liggen vóór 1 januari 2001 bij ministeriële regeling afwijkende regelingen kunnen worden gesteld. Naar het oordeel van de Raad dient vermeden te worden, behoudens bijzondere omstandigheden, dat een wettelijke regeling bij ministeriële regeling gewijzigd wordt. Deze bijzondere omstandigheden ziet de Raad niet. Daarenboven wijkt deze overgangsregeling af van onder meer de overgangsregeling in de WSF en is er geen reden met verschillende overgangsregimes te werken. De Raad adviseert de overgangsregelingen met elkaar in overeenstemming te brengen. 6. Voor redactionele kanttekeningen verwijst het college naar de bij het advies behorende bijlage. De Raad van State geeft U in overweging het voorstel van wet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden. De waarnemend Vice-President van de Raad van State
Bron:
raadvanstate.nl
Documenten (1)
-
raadvanstate.nl6 pagina's, pdf Tekst