Raad van State
Voorstel van wet van het lid Luchtenveld tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met de invoering van de mogelijkheid van beëindiging van het huwelijk zonder rechterlijke tussenkomst alsmede van een gewijzigde vaststelling en effectieve handhaving van de afspraken en rechterlijke beslissingen die in verband met de ontbinding van het huwelijk of nadien tot stand zijn gekomen over de wijze waarop door beide ouders vorm wordt gegeven aan het voortgezet ouderschap (beëindiging huwelijk zonder rechterlijke tussenkomst en vormgeving voortgezet ouderschap), met memorie van toelichting.
Jaar: 2019
Documenten: 1
Voorstel van wet van het lid Luchtenveld tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met de invoering van de mogelijkheid van beëindiging van het huwelijk zonder rechterlijke tussenkomst alsmede van een gewijzigde vaststelling en effectieve handhaving van de afspraken en rechterlijke beslissingen die in verband met de ontbinding van het huwelijk of nadien tot stand zijn gekomen over de wijze waarop door beide ouders vorm wordt gegeven aan het voortgezet ouderschap (beëindiging huwelijk zonder rechterlijke tussenkomst en vormgeving voortgezet ouderschap), met memorie van toelichting.Bij brief van de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 7 juli 2004 heeft de Tweede Kamer bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet van het lid Luchtenveld tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met de invoering van de mogelijkheid van beëindiging van het huwelijk zonder rechterlijke tussenkomst alsmede van een gewijzigde vaststelling en effectieve handhaving van de afspraken en rechterlijke beslissingen die in verband met de ontbinding van het huwelijk of nadien tot stand zijn gekomen over de wijze waarop door beide ouders vorm wordt gegeven aan het voortgezet ouderschap (beëindiging huwelijk zonder rechterlijke tussenkomst en vormgeving voortgezet ouderschap), met memorie van toelichting. Het wetsvoorstel voorziet in de mogelijkheid van beëindiging van het huwelijk met wederzijds goedvinden zonder tussenkomst van de rechter door inschrijving in de registers van de burgerlijke stand van een overeenkomst, die met het oog op deze beëindiging door de echtgenoten is aangegaan en die op straffe van nietigheid een aantal regelingen dient te bevatten. Ook een bij een gemeenschappelijk verzoek tot echtscheiding gevoegd echtscheidingsconvenant zal op straffe van nietigheid deze regelingen dienen te bevatten. In verband met de invoering van de zogenoemde administratieve scheiding wordt voorgesteld de omzetting van het huwelijk in een geregistreerd partnerschap te laten vervallen. Daardoor komt een einde aan de mogelijkheid van de zogenoemde flitsscheiding, waarbij het huwelijk eerst wordt omgezet in een geregistreerd partnerschap en vervolgens dat geregistreerd partnerschap met wederzijds goedvinden zonder tussenkomst van de rechter wordt ontbonden. Voorts voorziet het wetsvoorstel in een aangescherpte geschillenregeling voor het geval een ouder de afspraken schendt over de verzorging en opvoeding van de kinderen en over de omgang na beëindiging van het huwelijk anders dan door de dood of na scheiding van tafel en bed. Ten slotte voorziet het wetsvoorstel in een standaard-minimumomgangsregeling. Het omgangsrecht zal alleen dan nog een rol spelen als slechts een der ouders het gezag over de kinderen heeft. De Raad merkt in algemene zin op dat de memorie van toelichting lijkt te suggereren dat de beëindiging van het huwelijk vooral de beëindiging van een relatie betekent(zie noot 1). De Raad heeft het voorstel vooral bezien vanuit de onmiskenbaar belangrijke juridische, ook internationaalrechtelijke aspecten die de ontbinding van het huwelijk heeft. Dit geeft de Raad aanleiding tot de volgende opmerkingen. 1. Het doel en de voordelen van het wetsvoorstel Het voorstel van wet beoogt de verantwoordelijkheid voor een echtscheiding en voor de zorg voor de kinderen bij de echtgenoten te laten. In de kern, zo stelt de toelichting, gaat het om een zekere dejuridisering van de echtscheiding. De toelichting noemt de volgende voordelen van invoering van het wetsvoorstel: a. de scheiding wordt in beginsel door de echtgenoten zelf afgewikkeld en dit leidt tot het afnemen van “vechtscheidingen”, omdat de echtgenoten niet meer tegenover elkaar worden gepositioneerd; b. de kwaliteit van de door de echtgenoten zelf gemaakte afspraken is blijvend veel groter; c. de rechter wordt niet meer belast met zaken waarin hij vrijwel geen toegevoegde waarde heeft, hetgeen leidt tot vermindering van werkdruk en derhalve tot kostenbesparing. De Raad merkt hierover het volgende op. a. De voordelen genoemd onder a en b kunnen in de huidige praktijk van het gemeenschappelijk verzoek tot echtscheiding, waarbij een echtscheidingsconvenant wordt overgelegd en die van de verstekscheiding reeds bereikt worden. Voorts worden in het wetsvoorstel geen voorstellen gedaan die het bereiken van overeenstemming over de gevolgen van de beëindiging van het huwelijk stimuleren. Aandacht verdient verder dat de eisen die gesteld worden aan de voorgestelde beëindiging van het huwelijk buiten de rechter om, alsmede de invoering van een minimumomgangsregeling, zoals in het vervolg van dit advies nog zal blijken, een belemmering kunnen vormen voor toepassing van de voorgestelde administratieve scheiding. Gelet op het vorenstaande adviseert de Raad het wetsvoorstel nader te motiveren. b. Een voordeel van de invoering van de scheiding zonder tussenkomst van de rechter zou kunnen zijn dat aan de thans gevolgde weg van de zogenoemde flitsscheiding een einde komt. Nadeel van de flitsscheiding is vooral dat zij in het buitenland niet steeds erkenning krijgt. Daartegenover staat dat nieuwe internationaal-privaatrechtelijke problemen kunnen rijzen, nu de mogelijkheid van scheiden zonder tussenkomst van de rechter niet is beperkt tot bijvoorbeeld die gevallen waarin de echtgenoten beiden of een van beiden de Nederlandse nationaliteit hebben. Ook in de gevallen dat een of beide echtgenoten de Nederlandse nationaliteit niet bezitten en zij overeenstemming hebben over de beëindiging van hun huwelijk en de gevolgen daarvan is er geen oordeel meer van de rechter over onder andere vragen van het toepasselijke recht ten aanzien van de beëindiging van het huwelijk zelf en van de gevolgen ervan.(zie noot 2) Daardoor kunnen opnieuw problemen van bijvoorbeeld erkenning in het buitenland van deze vormen van beëindiging rijzen. De Raad merkt hierbij op dat het niet de taak van de ambtenaar van de burgerlijke stand is om in deze gevallen ter gelegenheid van de inschrijving van de verklaring, bedoeld in artikel 149, onder c, de controle die de rechter niet meer uitoefent, te verrichten. De Raad adviseert de beëindiging van het huwelijk in zaken waarin internationaal-privaatrechtelijke aspecten spelen die de beëindiging zelf of de gevolgen daarvan betreffen, nader te bezien. De overeenkomst tot beëindiging van het huwelijk 2. Anders dan het huidige artikel 80d van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), waaraan het voorgestelde artikel 150 deels is ontleend, bepaalt artikel 150 dat de bij de beëindiging van een huwelijk te maken afspraken op straffe van nietigheid in de beëindigingsovereenkomst moeten worden overeengekomen. Indien de echtgenoten bijvoorbeeld de beslissingen omtrent de verdeling van de gemeenschap waarin zij zijn gehuwd op goede gronden willen uitstellen (de echtelijke woning moet bijvoorbeeld eerst verkocht worden) tot een later tijdstip en daarover geen regeling in de overeenkomst opnemen, heeft dit een (partieel) nietige overeenkomst tot gevolg. De door de ambtenaar van de burgerlijke stand ingevolge artikel 149, onder c, in te schrijven verklaring dat en op welk tijdstip een beëindigingsovereenkomst is gesloten, dient mede ondertekend te zijn door een of meer notarissen, advocaten of scheidingsbemiddelaars die voldoen aan de vereisten voor benoeming tot rechterlijk ambtenaar. Deze als waarborg bedoelde medeondertekening zal er in het gegeven geval toe leiden dat op grond van de in acht te nemen zorgvuldigheid de desbetreffende overeenkomst niet door hen wordt getekend en dat de scheiding zonder tussenkomst van de rechter niet kan plaatsvinden. De echtgenoten zullen in dit geval ook niet langs de weg van een gemeenschappelijk verzoek kunnen scheiden, aangezien ingevolge het voorgestelde artikel 154, tweede lid, aan het bij het gemeenschappelijk verzoek over te leggen echtscheidingsconvenant dezelfde eisen op straffe van nietigheid worden gesteld. Er rest de echtgenoten niets anders dan dat een van beiden een verzoek tot echtscheiding doet waartegen de ander zich niet verzet. De sanctie van nietigheid is blijkens de toelichting gesteld omdat er geen reden is voor vrijblijvendheid op dit terrein.(zie noot 3) De Raad acht deze motivering ontoereikend om een dergelijk zware sanctie als zodanig, maar ook voor elke van de genoemde onderdelen van de overeenkomst te rechtvaardigen. Daarenboven levert een dergelijke sanctie nogal wat technisch-juridische problemen op, waardoor deze sanctie eerder leidt tot juridisering dan tot de beoogde dejuridisering van de echtscheiding. De Raad adviseert dit punt nader te bezien. 3. De beëindiging van het huwelijk zonder tussenkomst van de rechter is door de voorgestelde wijziging van artikel 1:149 BW een nieuwe wijze waarop het huwelijk eindigt, naast de andere vier wijzen, waaronder de echtscheiding en de ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed. Beoogd is dat zij dezelfde gevolgen heeft als een echtscheiding. Omdat het een nieuwe wijze van beëindiging van het huwelijk betreft naast de echtscheiding, gelden wettelijke voorschriften waarin aan een echtscheiding of in verband daarmee gevolgen worden verbonden, niet. Zo kunnen bijvoorbeeld geen voorlopige maatregelen worden getroffen (artikel 821 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, hierna: Rv), die alleen met het oog op een echtscheiding of scheiding van tafel en bed mogelijk zijn. Ook al gaat de beëindiging van het huwelijk met wederzijds goedvinden uit van overeenstemming tussen de echtgenoten, toch kan het aanvankelijk nodig zijn om voorlopige maatregelen te treffen, die op zeker moment weer kunnen vervallen. Zo heeft in internationale gevallen de Nederlandse rechter geen rechtsmacht meer tot het treffen van voorlopige en bewarende maatregelen . Deze rechtsmacht heeft hij alleen, als hij die ook heeft ten aanzien van de echtscheiding (artikel 4, eerste lid, Rv). Het gaat hier niet om een echtscheiding. Ook de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding zal bijvoorbeeld aanpassing behoeven. De Raad adviseert daarom te inventariseren in welke bepalingen in de Nederlandse wetgeving gevolgen worden verbonden aan de echtscheiding en het wetsvoorstel aan te passen, indien die gevolgen ook verbonden dienen te worden aan de nieuwe wijze van beëindiging van het huwelijk door overeenkomst zonder tussenkomst van de rechter, dan wel duidelijk te maken dat in invoeringswetgeving dient te worden voorzien. 4. In artikel 150, eerste lid, aanhef en onder a, aanhef en ten eerste wordt voorgesteld dat het ouderschapsplan afspraken omvat over de wijze van uitoefening van het gezamenlijk ouderlijk gezag over de tot het gezin behorende kinderen. Onder de “tot het gezin behorende kinderen” worden in Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek niet alleen de eigen kinderen van de echtgenoten begrepen, maar ook de stiefkinderen en de pleegkinderen (zie bijv. artikel 1:82 BW). Op de twee laatstgenoemde categorieën van kinderen zien de hier bedoelde afspraken in het algemeen niet, omdat over pleegkinderen geen gezag wordt uitgeoefend door pleegouders en over stiefkinderen de eigen ouder het gezag uitoefent en de stiefouder veelal het medegezag niet heeft. Verder is de stiefouder na beëindiging van het huwelijk niet langer alimentatieplichtig jegens het stiefkind. Voor zover de echtgenoten een afspraak willen maken bijvoorbeeld over de omgang met een stief- of pleegkind, staat de voorgestelde regeling daaraan niet in de weg. De Raad adviseert daarom de “tot het gezin behorende kinderen” te vervangen door: hun kinderen, en dat ook te doen in artikel 150, eerste lid, onder a, ten vierde. 5. De scheiding van tafel en bed, alsmede de ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed kunnen niet anders dan door tussenkomst van de rechter plaatsvinden, omdat het wetsvoorstel niet in een andere wijze van uiteengaan voorziet. Nu de ontbinding van het huwelijk door overeenkomst mogelijk wordt gemaakt, is nadere motivering vereist voor het achterwege laten van deze mogelijkheid bij scheiding van tafel en bed en bij de ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed. De Raad adviseert in die motivering te voorzien dan wel het wetsvoorstel aan te passen. 6.Hoofdverblijfplaats van het kind Volgens de memorie van toelichting beoogt het wetsvoorstel tevens een einde te maken aan de thans bestaande praktijk om het ouderlijk gezag verregaand te marginaliseren door gebruikmaking van het begrip “gewone verblijfplaats” van het kind. Deze door onwillige ouders gevolgde sluiproute staat volgens de toelichting op zeer gespannen voet met het belang van het kind, aangezien het in wezen gaat om een voortzetting van de partnerstrijd tussen de ouders met andere middelen.(zie noot 4) Op grond van rechtspraak van de Hoge Raad(zie noot 5) en de nadere invulling ervan in de rechtspraktijk blijven ouders thans in het gros van de gevallen het gezamenlijk gezag na scheiding houden. Dikwijls wordt de rechter in die gevallen verzocht de hoofdverblijfplaats van het kind bij een der ouders te bepalen. Een dergelijk verzoek kan als nevenvoorziening bij een verzoek om echtscheiding worden gedaan,(zie noot 6) ook al betreft dit niet een van de in artikel 827 Rv genoemde nevenvoorzieningen. Er is geen reden om te veronderstellen dat een dergelijk verzoek, indien het huidige wetsvoorstel tot wet zou zijn verheven, niet meer gedaan zou kunnen worden. Evenmin belemmert het wetsvoorstel dat van de overeenkomst tot beëindiging van het huwelijk dan wel van een echtscheidingsconvenant een regeling omtrent de hoofdverblijfplaats van het kind deel uitmaakt. Voorts maakt de toelichting niet duidelijk waarom een regeling omtrent de hoofdverblijfplaats van het kind na scheiding in wezen een sluiproute zou zijn die op zeer gespannen voet staat met het belang van het kind. Naar het oordeel van de Raad kan het belang van het kind zeer wel gediend zijn met bepaling van de hoofdverblijfplaats van het kind bij de verzorgende ouder, terwijl de andere ouder regelmatige contacten met het kind kan hebben. De Raad adviseert daarom de toelichting aan te passen. 7. Nadere eisen voor het ouderschapsplan De wijziging van artikel 251 beoogt nadere eisen te stellen aan het bij een overeenkomst tot beëindiging van het huwelijk op te stellen ouderschapsplan. De Raad merkt het volgende op: a. In het vierde lid van artikel 251 wordt voorgesteld dat ouders bij het maken van afspraken over de zorg- en opvoedingsrelatie na beëindiging van het huwelijk rekening kunnen houden met praktische belemmeringen als gevolg van de beëindiging van het huwelijk, voor zover en zolang de desbetreffende belemmeringen bestaan. In de memorie van toelichting ontbreekt een uiteenzetting over de aard van de belemmeringen waaraan hier moet worden gedacht. De Raad adviseert daarin te voorzien. b. Indien gezamenlijke uitoefening van het gezag niet in het belang van het kind is, kan een ouder de rechtbank verzoeken om de andere ouder alleen met het gezag te belasten, aldus wordt in artikel 251, vijfde lid, voorgesteld. Nu artikel 1:253n BW al voorziet in de verzoeken als hier bedoeld, alsmede in het in het voorgestelde artikel 251, vijfde lid, niet geregelde verzoek van een ouder om hem- of haarzelf alleen met het gezag te belasten, adviseert de Raad dit vijfde lid te schrappen. 8. De verklaring omtrent de beëindiging van het huwelijk De door een ambtenaar van de burgerlijke stand in te schrijven verklaring dat en op welk tijdstip de echtgenoten omtrent de beëindiging van hun huwelijk een overeenkomst hebben gesloten, dient mede-ondertekend te zijn door een of meer notarissen, advocaten of scheidingsbemiddelaars die voldoen aan de vereisten tot benoembaarheid tot rechterlijk ambtenaar, gesteld in artikel 1d van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren. De Raad merkt het volgende op. a. Anders dan advocaten en notarissen zijn scheidingsbemiddelaars niet als zodanig aan tuchtrecht onderworpen. Nu de rechterlijke tussenkomst bij de hier bedoelde beëindiging van het huwelijk vervalt en daarvoor in de plaats onder andere de waarborg van de medeondertekening van de verklaring omtrent de beëindiging van het huwelijk treedt, is de Raad van oordeel dat alleen de op dit terrein deskundige beroepsbeoefenaren wier handelen of nalaten door de tuchtrechter kan worden getoetst, de hier bedoelde verklaring mede mogen ondertekenen. Dat neemt niet weg dat scheidingsbemiddelaars bij de totstandkoming van beëindigingovereenkomsten een nuttige rol kunnen vervullen. De Raad adviseert de medeondertekening door scheidingsbemiddelaars uit het voorgestelde artikel 149, onderdeel c, te schrappen. b. Volgens de memorie van toelichting(zie noot 7) dienen al deze deskundigen ook te voldoen aan alle vakbekwaamheidseisen die door beroepsverenigingen worden gesteld aan een scheidingsbemiddelaar. Deze eis blijkt niet uit de wettelijke regeling. Het kan wenselijk zijn dat aan nadere eisen van beroepsverenigingen door deskundigen op bepaalde terreinen wordt voldaan, maar een verplichting daartoe is in de ogen van de Raad onwenselijk, nu advocaten en notarissen reeds aan zodanige eisen moeten voldoen dat zij redelijkerwijs in staat moeten worden geacht een overeenkomst tot beëindiging van het huwelijk te beoordelen. De Raad adviseert dan ook deze eis niet alsnog in het wetsvoorstel op te nemen, maar de toelichting af te stemmen op de huidige tekst van het wetsvoorstel. 9. Het echtscheidingsconvenant In het samenvattend overzicht van de memorie van toelichting(zie noot 8) worden twee routes onderscheiden, waarlangs echtscheiding mogelijk is. De ene route betreft de beëindiging van het huwelijk zonder tussenkomst van de rechter met als variant het gemeenschappelijk verzoek tot echtscheiding. De andere betreft de echtscheiding op tegenspraak; daaraan ligt ten grondslag een eenzijdig verzoek tot echtscheiding. a. Het gemeenschappelijk verzoek tot echtscheiding wordt beschouwd als een variant op de beëindiging van het huwelijk zonder tussenkomst van de rechter. In de memorie van toelichting wordt niet toegelicht waarom het gemeenschappelijk verzoek tot echtscheiding wordt gehandhaafd. Een reden om deze variant te handhaven naast de nieuwe wijze van beëindiging van het huwelijk zou kunnen zijn dat de afspraken in het echtscheidingsconvenant die daarvoor in aanmerking komen in de echtscheidingsbeschikking kunnen worden opgenomen. De grosse van de beschikking levert een executoriale titel op. Een andere reden zou kunnen zijn om in zaken met internationaal-privaatrectelijke aspecten de tussenkomst van de rechter open te houden. De Raad adviseert de redenen voor handhaving van het gemeenschappelijke verzoek tot echtscheiding toe te lichten. b. Afgezien van het gestelde onder a blijkt niet van een noodzaak om op straffe van nietigheid nadere eisen te stellen aan het echtscheidingsconvenant bij een gemeenschappelijk verzoek tot echtscheiding. De Raad adviseert deze sanctie, mede in licht van het onder punt 2 gestelde van dit advies, nader te bezien. 10. Regels voor geschillen over de zorg- en opvoedingsrelatie en over de omgang In de nieuwe artikelleden 253a, eerste lid, en 377e, eerste lid, wordt voorgesteld dat bij schending van de regeling over de zorg- en opvoedingsrelatie met de kinderen na beëindiging van het huwelijk dan wel bij schending van de omgangsregeling een ouder zonder tussenkomst van een procureur zich tot de rechter kan wenden die terstond een comparitie gelast, welke binnen veertien dagen dient plaats te vinden, om een vergelijk te beproeven. Lukt dat niet dan kan de rechter uit eigen beweging de regelingen wijzigen en daaraan ook een dwangmiddel verbinden. Naast deze voorstellen blijven de huidige geschillenregeling inzake het gezamenlijk gezag van artikel 1:253a BW en de huidige mogelijkheid tot wijziging van een omgangsregeling van artikel 1:377 e BW bestaan. De Raad merkt hierover het volgende op. a. De verhouding tussen de nieuwe en bestaande geschillenregeling over de gezamenlijke gezagsuitoefening en tussen de nieuwe en bestaande regeling inzake wijziging van de omgang is niet duidelijk. Het spreekt niet voor zich dat in de nieuwe regeling zonder tussenkomst van een procureur het geschil aan de rechter voorgelegd kan worden, maar in de bestaande, te handhaven regeling niet. Evenmin is duidelijk waarom in de nieuwe regeling aan de rechter stringente termijnen gesteld worden, maar in de bestaande, te handhaven regeling niet. De Raad adviseert zowel in het voorgestelde artikel 1:253a als in artikel 1:377 e de nieuwe en de bestaande regels op elkaar af te stemmen en afwijkingen van de bestaande regelingen van een dragende motivering te voorzien. b. Gelet op het uitgangspunt van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dat de dwangmiddelen waarom het hier gaat, te weten lijfsdwang en dwangsom, slechts op verlangen van een der partijen kunnen worden opgelegd,(zie noot 9) acht de Raad het niet aangewezen dat de rechter in deze gevallen ambtshalve aan zijn beslissing een dwangmiddel verbindt. De Raad adviseert zowel in het voorgestelde artikel 1:253a, eerste lid, als in artikel 1:377 e, eerste lid, daarvan af te zien. c. De toelichting bevat geen gegevens over de haalbaarheid van de stringente aan de rechter gestelde termijnen. De Raad adviseert hieromtrent het advies van de Raad voor de Rechtspraak in te winnen en het voorstel zo nodig aan te passen. d. In de toelichting wordt terzake van de naleving van het ouderschapsplan opgemerkt dat het uitdrukkelijk niet de bedoeling is dat de rechter de raad voor de kinderbescherming om advies vraagt. Tevens stelt de toelichting dat het wetsvoorstel een nieuwe taak voor de raad voor de kinderbescherming beoogt.(zie noot 10) De Raad merkt op dat het wetsvoorstel niet voorziet in de beëindiging van de advisering door de raad voor de kinderbescherming en evenmin in een regeling van de nieuwe taak van de raad voor de kinderbescherming. De Raad acht het ook ongewenst dat de adviserende taak van de raad voor de kinderbescherming wordt beëindigd. In zaken als hier aan de orde dient de rechter in het belang van het kind een beslissing te nemen. In deze gevallen kan deskundige advisering nodig zijn. De raad voor de kinderbescherming beschikt over deze deskundigheid. De Raad beveelt aan de toelichting aan te passen. Terzake van de uitbreiding van de taak van de raad voor de kinderbescherming tot de handhaving van (zorg- en) omgangsregelingen is het de Raad niet duidelijk waarop wordt gedoeld. De Raad adviseert dit nader toe te lichten. 11. Minimumomgangsnorm In artikel 377a, eerste lid, wordt voorgesteld dat het kind en de niet met het gezag belaste ouder recht op omgang met elkaar hebben gedurende ten minste twee etmalen per veertien dagen. Deze standaardnorm geldt alleen als het gezamenlijk gezag na beëindiging van het huwelijk anders dan door de dood of na scheiding van tafel en bed niet in stand blijft. Het gezag wordt in dat geval aan een van beide ouders opgedragen. De Raad merkt hierover het volgende op. a. De Minister van Justitie heeft over een wettelijke standaardisering van de omgang aan een aantal organisaties advies gevraagd en tevens vragen hieromtrent gesteld aan het Comité voor het familierecht van de Raad van Europa. De geconsulteerde organisaties waren unaniem in het afwijzen van een norm voor omgang. De norm zou niet alleen werken als een “keurslijf”, maar zou ook polariserend werken. Ook uit de via de Raad van Europa ontvangen antwoorden bleek dat geen enkel land een dergelijke norm in zijn wetgeving heeft opgenomen en dat ook geen land dat overweegt te doen. Als reden wordt in hoofdzaak aangegeven dat een minimumnorm in de praktijk teveel als standaard zal gaan fungeren, waardoor de ruimte voor de rechter, maar ook voor partijen zelf om een flexibele invulling te kiezen, zou worden beperkt.(zie noot 11) De Raad onderschrijft deze argumenten en adviseert in dit licht de wettelijke minimumnorm voor de omgang te heroverwegen. b. Artikel 150, eerste lid, aanhef en onder a, aanhef en ten tweede, houdt in dat het ouderschapsplan omvat de wijze waarop de ouders de zorg- en opvoedingsrelatie ten aanzien van de tot het gezin behorende kinderen vormgeven of, als het gezag door een van de ouders wordt uitgeoefend, de wijze waarop de ouders de omgangsregeling vormgeven. Artikel 1:377h BW, dat de regels van titel 15 over de omgang van overeenkomstige toepassing verklaart voor het geval de ouders gezamenlijk het gezag hebben na beëindiging van hun huwelijk, vervalt. Indien de minimumnorm voor omgang gehandhaafd blijft, ziet de Raad niet in waarom ouders die gezamenlijk het gezag over hun kinderen blijven uitoefenen, vrij zijn om bijvoorbeeld af te spreken dat er geen omgang zal zijn of om een beperktere regeling af te spreken dan de minimumnorm, terwijl in het geval een der ouders het gezag uitoefent een vrij zware minimumnorm geldt. De Raad adviseert voor het geval de minimumnorm voor de omgang gehandhaafd blijft, artikel 150, eerste lid, onder a, ten tweede, aan te vullen in die zin dat ouders aan de zorg- en opvoedingsrelatie in ieder geval een invulling geven overeenkomstig de gekozen minimumnorm voor de omgang. 12. Wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering In artikel 807 Rv is voor een zeer beperkt aantal beschikkingen op grond van Boek 1 BW bepaald dat daarvan geen hoger beroep en cassatie, anders dan cassatie in het belang der wet, openstaat. Het gaat in het algemeen om beschikkingen van tijdelijke aard, die zo spoedig mogelijk door beslissingen met een definitief karakter vervangen worden. Voorzover dat niet gebeurt, vervallen de beschikkingen na beperkte tijd. Voorgesteld wordt daaraan toe te voegen beschikkingen tot wijziging van de regeling over de zorg- en opvoedingsrelatie van de ouders met hun kind (artikel 1:253a, eerste lid) en beschikkingen tot wijziging van de omgangsregeling (artikel 1:377 e, eerste lid). Aan die beschikkingen kan een dwangmiddel (bijvoorbeeld een dwangsom) verbonden zijn. Is het daaraan verbonden dwangmiddel lijfsdwang, dan staan hoger beroep en cassatie wel open. De uitsluiting van hoger beroep en cassatie voor deze beschikkingen wordt gemotiveerd met het lik-op-stuk-karakter dat deze rechterlijke beslissingen dienen te hebben.(zie noot 12) Hoger beroep en cassatie zouden zich volgens de indiener daarmee niet verdragen. Het lik-op-stuk karakter van deze beschikkingen is naar het oordeel van de Raad gelegen in de daaraan verbonden dwangmiddelen, maar niet in de uitsluiting van hoger beroep en cassatie. Beschikkingen als deze kunnen uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. Dit betekent dat zij werking hebben, niettegenstaande hoger beroep en cassatie. De Raad ziet daarom niet in, mede gelet op het ingrijpende karakter die de daaraan verbonden dwangmiddelen kunnen hebben, dat voor deze beschikkingen hoger beroep en cassatie worden uitgesloten. De Raad adviseert de wijziging van artikel 807 Rv te heroverwegen. 13. Inwerkingtreding Blijkens de memorie van toelichting(zie noot 13) is de beoogde datum van inwerkingtreding van het wetsvoorstel 1 maart 2005, omdat dan de Verordening Brussel II bis in werking treedt op grond waarvan binnen de Europese Unie de administratieve scheiding zal worden erkend. Wellicht is de veronderstelling dat de erkenning van de administratieve scheiding impliceert dat in Nederland (en veel andere EU-landen die de administratieve scheiding niet kennen) de administratieve scheiding dient te worden ingevoerd. De genoemde Verordening heeft echter niet die betekenis. Zij houdt niet meer in dan dat in een EU-land een in een ander EU-land tot stand gekomen administratieve scheiding erkend dient te worden. Gedacht kan daarbij bijvoorbeeld worden aan in Denemarken tot stand gekomen administratieve scheidingen. De Raad adviseert de toelichting aan te passen. 14. Voor redactionele kanttekeningen verwijst de Raad naar de bij het advies behorende bijlage. De Vice-President van de Raad van State
Bron:
raadvanstate.nl
Documenten (1)
-
raadvanstate.nl18 pagina's, pdf Tekst