Naar inhoud
Raad van State

Voorstel van wet houdende het creëren van een wettelijke basis in de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren voor de implementatie van Europese regelgeving inzake de bescherming van dieren tijdens vervoer en aanverwante activiteiten, met memorie van toelichting.

Jaar: 2019 Documenten: 1
Voorstel van wet houdende het creëren van een wettelijke basis in de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren voor de implementatie van Europese regelgeving inzake de bescherming van dieren tijdens vervoer en aanverwante activiteiten, met memorie van toelichting.Bij Kabinetsmissive van 21 september 2005, no.05.003520, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet houdende het creëren van een wettelijke basis in de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren voor de implementatie van Europese regelgeving inzake de bescherming van dieren tijdens vervoer en aanverwante activiteiten, met memorie van toelichting.Het wetsvoorstel strekt er in de eerste plaats toe in de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (Gwwd) een deugdelijke basis te bieden voor de implementatie en uitvoering van Europese voorschriften inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten. Het wetsvoorstel bevat de grondslag voor het stellen van regels ter uitvoering van bestaande en toekomstige EG-besluiten op het gebied van het vervoer van dieren.Voorzien wordt in verschillende niveaus van regelgeving: algemene maatregelen van bestuur voor de implementatie van richtlijnen(zie noot 1) en ministeriele regels waar het gaat om verordeningen.(zie noot 2)De onderwerpen waarop de regels betrekking kunnen hebben worden limitatief opgesomd en hebben het karakter van administratieve uitvoeringsmaatregelen.Er wordt niet voorzien in een bevoegdheid tot afwijking van de wet.Met betrekking tot de algemene maatregelen van bestuur is voorzien in voorwaardelijke delegatie(zie noot 3).Tenslotte worden bepalingen die strijdig zijn met Europese voorschriften, ingetrokken.De Raad van State onderschrijft de strekking van het wetsvoorstel maar maakt enkele opmerkingen. Hij is van oordeel dat in verband daarmee aanpassing van het wetsvoorstel wenselijk is.1. In artikel 58, eerste lid, onderdeel c, wordt een definitie gegeven van "gedelegeerde EG-verordening, gedelegeerde EG-richtlijn of EG-beschikking".Deze rechtsfiguren worden niet als zodanig genoemd in artikel 249 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, waarin de rechtsinstrumenten van de instellingen van de Europese Unie worden opgesomd.Deze termen kunnen verwarring wekken en hebben geen toegevoegde waarde.De Raad adviseert daarom deze termen achterwege te laten.2. In artikel I, onder G, wordt voorgesteld artikel 117 van de Gwwd te laten vervallen.Deze bepaling bevat de bevoegdheid van de Minister van Landbouw Natuur en Voedselkwaliteit om "bestuursdwang toe te passen ter handhaving van de bij of krachtens deze wet gestelde verplichtingen indien de toestand van de dieren tijdens het vervoer onmiddellijk ingrijpen noodzakelijk maakt".In de memorie van toelichting(zie noot 4) wordt gesteld dat artikel 117 Gwwd moet vervallen omdat de artikelen 23 en 26 van Verordening 1/2005 deze bevoegdheid reeds bevatten.Elders in de toelichting(zie noot 5) wordt met betrekking tot deze bepaling opgemerkt dat de "bevoegde autoriteit" kan worden aangewezen op grond van artikel 59a, vijfde lid, onderdeel a, van het wetsvoorstel. Vervolgens wordt duidelijk dat de toelichting ervan uitgaat dat op grond van die bepaling (aanwijzing van de bevoegde autoriteit) de bestuursdwangbevoegdheden uit Verordening 1/2005 aan de aangewezen autoriteit automatisch worden toegekend.(zie noot 6) Uit de verwijzing naar uitsluitend de hiervoor genoemde bepaling en het ontbreken van enige andere grondslag blijkt dat wordt verondersteld dat met de aanwijzing van de bevoegde autoriteit kan worden volstaan.De Raad merkt hierbij op dat deze veronderstelling onjuist is.De autoriteit die in een lid-staat is aangewezen als "bevoegde autoriteit" kan zijn bevoegdheid niet rechtstreeks ontlenen aan de verordening in het kader waarvan hij is aangewezen. Voor deze bevoegdheid is een grondslag in de nationale regelgeving vereist.De Raad adviseert daarom artikel 117 Gwwd te handhaven en daarbij voor wat betreft de maatregelen die kunnen worden genomen, naar de verordening te verwijzen.3. In artikel 59a, vijfde lid, worden de onderwerpen genoemd waarop de regels die ter uitvoering van de EG-besluiten kunnen worden gesteld, betrekking kunnen hebben.Onderdeel f luidt: "bescherming van dieren tijdens vervoer en daarmee samenhangende activiteiten". Blijkens de toelichting beoogt dit artikelonderdeel een basis te bieden "voor de implementatie van toekomstige Europese regels die anderszins betrekking hebben op de bescherming van dieren tijdens het vervoer en aanverwante activiteiten". Met "anderszins" lijkt te worden gedoeld op andere onderwerpen, dan welke reeds door de onderdelen a tot en met e worden bestreken.De Raad merkt op dat de regeling van deze andere onderwerpen uiteraard binnen het kader van de EG-regels moet blijven en dat overigens niet duidelijk is om welke onderdelen dit dan zou kunnen gaan. Indien er evenwel onderwerpen zijn waarvoor het noodzakelijk en mogelijk is om nadere regels te stellen, dan zou dat in de redactie van onderdeel f tot uitdrukking moeten worden gebracht.De Raad adviseert de toelichting en zo nodig het wetsvoorstel met inachtneming van het voorgaande aan te passen.4. Voor redactionele kanttekeningen verwijst de Raad naar de bij het advies behorende bijlage.De Raad van State geeft U in overweging het voorstel van wet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.De Vice-President van de Raad van State
Documenten (1)