Naar inhoud
Raad van State

Ontwerpbesluit met nota van toelichting houdende wijziging van het Besluit gebruik dierlijke meststoffen 1998 en het Besluit kwaliteit en gebruik overige organische meststoffen.

Jaar: 2019 Documenten: 1
Ontwerpbesluit met nota van toelichting houdende wijziging van het Besluit gebruik dierlijke meststoffen 1998 en het Besluit kwaliteit en gebruik overige organische meststoffen.Bij Kabinetsmissive van 27 juli 2000, no.00.004427, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, mede namens de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit met nota van toelichting, houdende wijziging van het Besluit gebruik dierlijke meststoffen 1998 en het Besluit kwaliteit en gebruik overige organische meststoffen.Met het ontwerpbesluit worden wijzigingen aangebracht in het Besluit gebruik dierlijke meststoffen 1998 (Bgdm 1998) en het Besluit kwaliteit en gebruik overige organische meststoffen (Bgom). Deze strekken ertoe om ter nadere uitvoering van de Nitraatrichtlijn(zie noot 1) de belasting van de bodem en het water door stikstofverbindingen afkomstig uit dierlijke meststoffen, overige organische meststoffen en stikstofkunstmest verder terug te dringen. Daartoe worden voorschriften gegeven ter (nadere) regulering van het gebruik van meststoffen overeenkomstig de goede landbouwpraktijk, waarbij rekening wordt gehouden met onder meer de bodemgesteldheid, grondsoort, klimaatomstandigheden, neerslag en irrigatie, en voorzien in voorschriften inzake het gebruik van meststoffen op steile hellingen en op drassig, bevroren of met sneeuw bedekt land. Het ontwerpbesluit geeft de Raad van State aanleiding tot het maken van opmerkingen over de wijze waarop de Nitraatrichtlijn op enkele onderdelen wordt geïmplementeerd. Voorts plaatst hij kanttekeningen van wetstechnische aard.1. De implementatie van de Nitraatrichtlijna. In paragraaf 2 van de nota van toelichting wordt aan de hand van de brief waarin de Commissie van de Europese Gemeenschappen (hierna: de Commissie) Nederland terzake van de uitvoering van de Nitraatrichtlijn in gebreke heeft gesteld, uiteengezet op welke punten in het ontwerpbesluit nadere uitvoering aan die richtlijn wordt gegeven. Daarbij wordt niet ingegaan op het oordeel van de Commissie dat de keuze van een periode van vijf maanden waarin het niet geschikt is om meststoffen op of in de bodem te brengen gelet op de klimatologische omstandigheden in Nederland onvoldoende is.(zie noot 2) Aangezien het ontwerpbesluit op dit punt geen wijziging inhoudt, zal in de nota van toelichting moeten wordenuiteengezet op welke wijze de door de Commissie bedoelde problemen worden ondervangen.b. De Commissie heeft het verbod om dierlijke meststoffen op bevroren of met sneeuw bedekt land te brengen eerder(zie noot 3) (impliciet) geaccepteerd als voldoende maatregel met betrekking tot het op of in de bodem brengen van meststoffen waarbij rekening wordt gehouden met klimaatomstandigheden. In het Nederlandse antwoord op de eerdere schriftelijke aanmaning van de Commissie werd kennelijk van hetzelfde standpunt uitgegaan. Toch wordt nu in artikel 3, tweede lid (artikel I, onderdeel E), een uitzondering op deze maatregel gemaakt die "niet rechtstreeks verband houdt met de Nitraatrichtlijn".(zie noot 4) Verwacht had mogen worden dat de toelichting op deze "omslag" zou ingaan en dat daarin duidelijk zou worden uiteengezet dat de implementatie van de Nitraatrichtlijn hierdoor niet in gevaar komt. De Raad meent dat de artikelsgewijze toelichting op artikel I, onderdeel E, daartoe te summier is en adviseert de toelichting op dit punt aan te vullen.c. De regeling van het gebruik van meststoffen op hellingen is blijkens paragraaf 5 van de nota van toelichting vooral ingegeven door de noodzaak (verdere) erosie van hellingen en daarmee samenhangende overbemesting van lager gelegen gronden te voorkomen. Daarbij wordt ook het risico van afspoeling naar het oppervlaktewater vermeld (slot derde en vijfde tekstblok). Het college wijst erop dat afspoeling naar plaatselijk aanwezig oppervlaktewater ook aan de orde kan zijn in gevallen waarin (nog) geen sprake is van erosie van de bodem of gevaar daarvoor, zoals bijvoorbeeld bij bemesting van grasland op steile hellingen of op minder steile hellingen met afwateringsgeultjes - ook wanneer die minder dan 30 centimeter diep zijn - naar sloten. Mede gelet op het commentaar van de Technische commissie bodembescherming(zie noot 5) zal de implementatie van de Nitraatrichtlijn op dit punt nader moeten worden bezien.2. Wettelijke grondslag en verhouding tot Lozingenbesluit open teelt en veehouderijNu het ontwerpbesluit blijkens paragraaf 5 van de nota van toelichting en de toelichting op artikel I, onderdeel E, er mede toe strekt afspoeling van meststoffen van hellingen en drassig land naar oppervlaktewater te voorkomen, zal het niet uitsluitend op de Wet bodembescherming kunnen worden gebaseerd maar zal de grondslag daarvoor tevens moeten worden gevonden in de Wet verontreiniging oppervlaktewateren. De aanhef van het ontwerpbesluit zal daarom moeten worden aangevuld.Inmiddels zijn reeds algemene regels ter voorkoming van afspoeling van meststoffen naar oppervlaktewater opgenomen in het Lozingenbesluit open teelt en veehouderij (zie bijvoorbeeld artikel 18 van dat besluit). Ten onrechte gaat de toelichting niet in op de samenhang en de raakvlakken tussen de betrokken besluiten. Uit een oogpunt van toegankelijkheid van regelgeving zou dit alsnog moeten gebeuren.Overige opmerkingen3. In de voorgestelde definitiebepalingen voor "gebruiken" (van meststoffen) (de artikelen I, onderdeel A, en II, onderdeel A) wordt volstaan met de omschrijving "op of in de bodem brengen" (ook het aanleggen van een mestvaalt valt hieronder), terwijl wordt bedoeld de verspreiding van meststoffen op of in de bodem te regelen. In artikel 2, onder h, van de Nitraatrichtlijn wordt ook van verspreiding, injectie, onderwerken of vermenging met de oppervlaktelagen uitgegaan. Teneinde ook misverstanden met betrekking tot de verhouding tot de regeling van afvalstoffen te vermijden, adviseert het college de tekst van de Nitraatrichtlijn te volgen.4. Met het ontwerpbesluit worden aan de te wijzigen besluiten nieuwe verbodsbepalingen toegevoegd. Daardoor ontstaat een geheel van verbodsbepalingen waarvan de onderlinge verhouding niet op voorhand duidelijk is. Als voorbeeld verwijst de Raad naar de uitzondering van het verbod in het gewijzigde artikel 3, tweede lid, Bgdm 1998 (artikel I, onderdeel E). Ingevolge dat artikel is het verbod om dierlijke meststoffen of stikstofkunstmest te gebruiken indien de bodem geheel of gedeeltelijk bevroren is of geheel of gedeeltelijk bedekt met sneeuw, niet van toepassing op het gebruik van vaste dierlijke meststoffen op grasland. Dezelfde uitzondering is geregeld voor het gebruik van compost en zwarte grond (wijziging van artikel 28 Bgom; artikel II, onderdeel D). Omdat deze uitzondering betrekking heeft op situaties die zich voordoen binnen gebruiksperioden die elders in de genoemde besluiten worden geregeld, lijkt zij ook een beperking van de reikwijdte van de daarvoor gestelde verboden in te houden. De Raad adviseert de onderlinge verhouding van de in de besluiten gestelde verboden duidelijker aan te geven, bijvoorbeeld door gebruik te maken van de toevoeging "onverminderd" (aanwijzing 85 van de Aanwijzingen voor de regelgeving).5. Uit het samenstel van de artikelen 6b Bgdm 1998 en 34b Bgom en bijlage A bij het ontwerpbesluit kan niet worden opgemaakt met welke nauwkeurigheidsgraad hellingen moeten worden vastgelegd, dus welke de minimumschaal is en van welke begrenzingen moet worden uitgegaan. In de genoemde bijlage lijken slechts voorbeelden te worden gegeven. Zo is bijvoorbeeld niet duidelijk wanneer in een bepaald geval sprake is van een weg te middelen kuil of van twee afzonderlijk in aanmerking te nemen hellingen. Het ontwerpbesluit zal op dit punt moeten worden verduidelijkt.6. Uit de toelichting blijkt dat het ontwerpbesluit ingevolge artikel 8, eerste lid, van richtlijn 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van de EU van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften en regels betreffende diensten van de informatiemaatschappij (PbEG L 204)(zie noot 6) is genotificeerd aan de Europese Commissie van de EG. Het ontwerpbesluit is tevens ingevolge artikel 2, negende lid, van het op 15 april 1994 te Marrakech totstandgekomen verdrag inzake technische handelsbelemmeringen genotificeerd aan het Secretariaat van de Wereldhandelsorganisatie (Trb.1994, 235). De Raad gaat ervan uit dat het ontwerpbesluit nogmaals aan hem voor advies zal worden voorgelegd, indien het oordeel van de Europese Commissie, van de lidstaten dan wel van (de leden van) de Wereldhandelsorganisatie aanleiding geeft tot verandering van meer dan bijkomstige aard, en dat de reacties aan hem zullen worden toegezonden.De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.De waarnemend Vice-President van de Raad van State
Documenten (1)