Naar inhoud
Raad van State

Voorstel van wet met memorie van toelichting tot wijziging van de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met de invoering van een regeling voor de bekostiging van het leerwegondersteunend onderwijs en het praktijkonderwijs en een regionaal zorgbudget.

Jaar: 2019 Documenten: 1
Voorstel van wet met memorie van toelichting tot wijziging van de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met de invoering van een regeling voor de bekostiging van het leerwegondersteunend onderwijs en het praktijkonderwijs en een regionaal zorgbudget.Bij Kabinetsmissive van 25 juli 2001, no.01.003631, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, mede namens de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet met memorie van toelichting tot wijziging van de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met de invoering van een regeling voor de bekostiging van het leerwegondersteunend onderwijs en het praktijkonderwijs en een regionaal zorgbudget.Het voorstel van wet strekt tot invoering dan wel wijziging in de Wet op het voortgezet onderwijs (WVO) van bepalingen betreffende de inrichting, de uitvoering en de bekostiging van het zogenaamde zorgbudget voor het leerwegondersteunend onderwijs en het praktijkonderwijs binnen het voortgezet onderwijs. De Raad van State maakt naar aanleiding van het wetsvoorstel naast een aantal opmerkingen van technische aard een opmerking over het geven van voorschriften omtrent de vaststelling en uitkering van het budget als bedoeld in artikel 77, vierde lid, WVO bij ministeriële regeling zoals in het overgangsartikel II is voorgesteld. De Raad heeft daar gelet op de aard van de te regelen materie bezwaar tegen. Voorts wordt aanpassing van het wetsvoorstel geadviseerd in verband met de te verwachten inwerkingtreding van de Tijdelijke referendumwet (Trw) met ingang van 1 januari 2002. Bovendien wordt een opmerking gemaakt over de in het wetsvoorstel opgenomen wachttijd die zal gelden voor vreemdelingen als bedoeld in artikel 27, lid 1a, onder b en c, WVO die praktijkonderwijs willen gaan volgen. Het college is van oordeel dat in verband met de genoemde punten aanpassing van het voorstel wenselijk is.1. In het overgangsartikel III wordt voorgesteld de voorschriften omtrent de vaststelling en uitkering van het budget als bedoeld in het nog niet in werking getreden artikel 77, vierde lid, WVO(zie noot 1) voor het eerste schooljaar van het leerwegondersteunend- en het praktijkonderwijs, dat aanvangt op 1 augustus 2002, te regelen bij ministeriële regeling indien het niet meer mogelijk is dit te doen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur. De reden daarvoor is volgens de toelichting op het overgangsartikel dat het wellicht niet meer voor het eerste schooljaar mogelijk is de in artikel 77, vierde lid, WVO voorgeschreven algemene maatregel van bestuur die het zorgbudget vaststelt vanwege de daaraan verbonden voorgeschreven voorhangprocedure tijdig in het Staatsblad te plaatsen. Daarbij wordt nog opgemerkt dat van het overgangsartikel alleen gebruik wordt gemaakt indien die tijdige plaatsing niet haalbaar is. Nog daargelaten dat een algemene maatregel van bestuur, ook al is daar een voorhangprocedure aan gekoppeld, snel tot stand kan worden gebracht, heeft het college er ernstig bezwaar tegen dat bekostigingsregels voorzover het de basisregels betreft bij ministeriële regeling worden vastgesteld. Daarbij wijst de Raad erop dat, mede gelet op aanwijzing 26 van de Aanwijzingen voor de regelgeving (Ar), delegatie aan de minister op grond van de aard van de te regelen materie te ver gaat. In verband hiermee adviseert de Raad artikel III in het voorstel van wet achterwege te laten.2. In artikel VI, de inwerkingtredingsbepaling, wordt voorzover het betreft de onderdelen I en II geen rekening gehouden met de Trw. In het eerste lid wordt bepaald dat de artikelen II en III in werking treden met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst. In het tweede lid wordt bepaald dat de daar opgesomde bepalingen in werking treden met ingang van 1 augustus 2002. In verband met de inwerkingtreding van de Trw op 1 januari 2002, dient overwogen te worden, de tekst van artikel VI, eerst en tweede lid, te wijzigen in die zin dat de daarin opgesomde bepalingen in werking treden op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip (aanwijzing 178, model C, Ar) dan wel op de eerste dag van de derde maand na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij worden geplaatst (aanwijzing 178, aangepast model A, Ar).Voorzover dat voor wat betreft de in het eerste lid opgesomde bepalingen vanwege de spoedeisendheid van de invoering tot onoverkomelijke problemen stuit, geeft de Raad in overweging dat lid te wijzigen in die zin dat de daarin opgesomde bepalingen onder toepassing van artikel 16 Trw inwerking treden met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst.3. In artikel I, onder E, wordt voor een vreemdeling als bedoeld in artikel 27, lid 1a, onder b of c, WVO een wachttijd van een jaar na de toelating tot het voortgezet onderwijs voorgesteld alvorens die met het praktijkonderwijs mag beginnen. De wachttijd wordt volgens de toelichting op artikel I, onder E, ingevoerd om te voorkomen dat vreemdelingen die geen leerproblemen maar wel taalproblemen hebben in het praktijkonderwijs worden geplaatst. De Raad heeft hiervoor begrip indien die zin zo moet worden verstaan dat de wachttijd niet geldt voor vreemdelingen met een leerprobleem die geen taalprobleem hebben. Verondersteld mag immers worden dat er vreemdelingen zijn die geen taalproblemen hebben, maar die vanwege leerproblemen wel in aanmerking komen voor het volgen van praktijkonderwijs. Of aan de toelichting de evengenoemde uitleg mag worden gegeven, is het college niet duidelijk. Op grond van het vorenstaande wordt geadviseerd de toelichting met inachtneming van hetgeen hiervoor is opgemerkt te verduidelijken en zo nodig de in geding zijnde bepaling daarmee in overeenstemming te brengen.4. In paragraaf 1.6. Financiële gevolgen van het Algemeen deel van de toelichting wordt de verwachting uitgesproken dat het wetsvoorstel niet leidt tot verhoging van de kosten van de regionale verwijzingscommissies en dat voor wat betreft de overige uit de uitvoering voortvloeiende kosten een structureel budget van 88 miljoen, naar mag worden aangenomen guldens, beschikbaar zal zijn. Aangezien het gedeeltelijk om een leerlinggebonden open-einde bekostiging gaat, waar de Raad zich mee kan verenigen omdat het op leveren van kwaliteit en om leerlinggebonden maatwerk gaat en ook omdat er na verloop van tijd toch een evaluatie met bijsturingsmogelijkheid zal plaatsvinden, kan, vooral ook omdat berekeningsnormen en bedragen per leerling ter vaststelling van de middelen nog ontbreken, niet worden overzien waarop de uitgesproken verwachtingen zijn gebaseerd. Mede met het oog op een goed uit te voeren evaluatie over de verschillende jaren beveelt het college aan in de toelichting in ieder geval een indicatie op te nemen van de gedurende de komende jaren op te nemen aantallen te indiceren leerlingen per onderwijsvorm, die extra zorg behoeven. Daarnaast is het gewenst de argumenten waarop de verwachtingen en het berekende structurele budget op zijn gebaseerd sterker te motiveren.Overigens merkt het college op dat het in verband met de vermoedelijke invoeringsdatum van het wetsvoorstel de voorkeur verdient bedragen in euro's op te nemen.5. Het wetsvoorstel is een logisch gevolg op de veranderingen in onder meer het voortgezet onderwijs waarbij de afschaffing van het voortgezet speciaal onderwijs centraal staat. Leerlingen uit het voormalige individueel voorbereidend beroepsonderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs zullen nu met een speciale zorgindicatie met bijbehorende middelen opvang vinden in het leerwegondersteunend onderwijs en het praktijkonderwijs verbonden aan scholen voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, scholen voor voorbereidend beroepsonderwijs en scholengemeenschappen waarvan die onderwijsvormen deel uitmaken. Hoewel in de considerans van de Wet van 25 mei 1998 van onder meer de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met de invoering van leerwegen in de hogere leerjaren van het middelbaar algemeen voortgezet onderwijs en het voorbereidend beroepsonderwijs, alsmede van leerwegondersteunend en praktijkonderwijs (Regeling leerwegen mavo en vbo; invoering leerwegondersteunend en praktijkonderwijs, Stb.1998, 337) al sprake is van de consequenties van de afloop van de geldigheidsduur van de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs in relatie tot de zorg voor de vorenbedoelde leerlingen, is pas in het voorgelegde wetsvoorstel sprake van afschaffing van het voortgezet speciaal onderwijs en de daarmee gepaard gaande schrapping van de daarover handelende bepalingen in de WVO. In de bij het wetsvoorstel behorende toelichting wordt de reden van de afschaffing van het voortgezet speciaal onderwijs en de relatie met het wetsvoorstel niet meer belicht. De Raad beveelt met het oog op de duidelijkheid en vooral de inzichtelijkheid van het wetsvoorstel aan alsnog in de toelichting aandacht aan de opgeworpen materie te besteden.6. Voor een redactionele kanttekening verwijst het college naar de bij het advies behorende bijlage.De Raad van State geeft U in overweging het voorstel van wet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.De Vice-President van de Raad van State
Documenten (1)