Raad van State
Voorstel van wet houdende intrekking van de Veewet, met memorie van toelichting.
Jaar: 2019
Documenten: 1
Voorstel van wet houdende intrekking van de Veewet, met memorie van toelichting.Bij Kabinetsmissive van 19 september 2005, no.05.003514, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet houdende intrekking van de Veewet, met memorie van toelichting. Het wetsvoorstel voorziet in het intrekken van de Veewet. Het voorstel is onderdeel van een project tot vereenvoudiging van de regelgeving van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV). In het kader hiervan wordt de verantwoordelijkheid voor de vleeskeuring, die thans deels ressorteert onder de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, geheel belegd bij de Minister van LNV. Een andere belangrijke aanleiding is de inwerkingtreding, per 1 januari 2006, van nieuwe Europese regelgeving inzake voedselhygiëne. Deze, zogenoemde hygiëneverordeningen(zie noot 1) voorzien onder meer in een geïntegreerd stelsel van regels over de vleeskeuring. De uitvoering daarvan maakt het wenselijk het nationale wettelijke kader overzichtelijker te maken. Daarom zullen zowel de Vleeskeuringswet(zie noot 2) als de Veewet worden ingetrokken. Voor zover nog nationale regels nodig zijn zullen deze moeten worden gebaseerd op hetzij de Landbouwwet (vleeskeuring) hetzij de Warenwet (bereiding van vers vlees en vleesproducten). De Raad van State onderschrijft de strekking van het wetsvoorstel maar maakt een aantal opmerkingen over de toekomstige grondslag van bepalingen. Hij is van oordeel dat in verband daarmee enige aanpassing van de Landbouwwet wenselijk is. 1. Grondslag voor nieuwe regels in de Landbouwwet Als gevolg van met name de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren(zie noot 3), is het merendeel van de bepalingen van de Veewet al eerder vervallen. De intrekking van de resterende bepalingen die thans aan de orde is betreft in hoofdzaak de Titels V en VA. Titel V (Uitvoer van vlees en vleesproducten) bevat regels over de keuring van vlees en vleesproducten met het oog op de uitvoer. Titel VA (Financiële bepalingen) bevat onder meer regels over de vergoedingen die kunnen worden gevraagd voor erkenningen. Een precieze aanduiding van de vervallen bepalingen en een motivering waarom deze kunnen vervallen ontbreekt in de toelichting. Wel wordt in algemene zin opgemerkt dat "de artikelen 66 en verder van die wet (…) immers betrekking (hebben) op het stellen van materiele normen, wat zich niet verhoudt met de wijze waarop verordeningen behoren te worden uitgevoerd"(zie noot 4). Dit geldt echter niet voor alle voorschriften, aangezien ook de uitvoering van verordeningen in beperkte mate noopt tot nationale regels, bijvoorbeeld betreffende de strafbaarstelling(zie noot 5). Ook in de toelichting wordt ervan uitgegaan dat enige uitvoeringsregelgeving noodzakelijk blijft. Vermeld wordt dat "met het oog op tijdige uitvoering van de verordeningen, ervoor is gekozen de regels ter uitvoering van de verordeningen met betrekking tot de vleeskeuring, te baseren op de Landbouwwet".(zie noot 6) Zo zal onder meer de Regeling uitvoer vers vlees en vleesbereidingen 1985(zie noot 7) vervallen; een nieuwe Regeling vleeskeuring zal - aldus de toelichting - uitvoering geven aan de hygiëneverordeningen met betrekking tot vlees(zie noot 8). Bij de Raad is de vraag gerezen of de vooronderstelling juist is dat de Landbouwwet in de huidige vorm een voldoende grondslag vormt voor regelingen ter uitvoering van de hygiëneverordeningen. In dit verband vestigt de Raad de aandacht op artikel 19 van de Landbouwwet, dat op het eerste gezicht een grondslag zou kunnen bieden. De Minister van LNV kan op basis van dat artikel regels vaststellen ten aanzien van bepaalde gedragingen betreffende de hygiëne van vlees. Deze regels moeten echter strekken ter verwezenlijking van bepaalde, in artikel 13, eerste lid, van de wet omschreven doeleinden. In onderdeel a van het eerste lid van artikel 13 worden de volgende doeleinden genoemd: "de bevordering van de voortbrenging, de afzet en een redelijke prijsvorming van voortbrengselen van de landbouw en de visserij en in verband daarmede ten behoeve van de afnemers van produkten". Deze bevoegdheid wordt beperkt door artikel 19, tweede lid, waarin wordt bepaald dat deze regels slechts mogen worden vastgesteld "indien zulks naar het oordeel van Onze Minister noodzakelijk is in verband met een aan artikel 13, 14, 15 of 17 gegeven toepassing of een krachtens artikel 2 of 7 van de In- en uitvoerwet vastgestelde heffing ter zake van de invoer of de uitvoer van produkten". Naar het oordeel van de Raad valt de uitvoering van de hygiëneverordeningen niet onder de hiervoor genoemde grondslag en nadere criteria. Ook onderdeel b van artikel 13, eerste lid, in samenhang met artikel 19, biedt geen grondslag voor dergelijke regels, aangezien deze moeten strekken: "ter uitvoering van verordeningen, richtlijnen, beschikkingen (…) van de Europese Economische Gemeenschap, voorzover deze betrekking hebben op het gemeenschappelijk landbouwbeleid, voorzien in de tweede titel van het tweede deel van het verdrag tot oprichting van die Gemeenschap".(zie noot 9) De hygiëneverordeningen zijn echter uitsluitend gebaseerd op artikel 152, lid 4, onder b, EG en hebben derhalve een andere grondslag dan het gemeenschappelijk landbouwbeleid, namelijk de bescherming van de volksgezondheid. Hieruit volgt dat artikel 19 Landbouwwet geen deugdelijke grondslag kan vormen voor regels ter uitvoering van deze verordeningen. Ook bij eventueel opnieuw vast te stellen voorschriften uit Titel VA (Financiële bepalingen) is het de vraag of de bestaande grondslag volstaat. De Raad wijst erop dat dit zou kunnen spelen bij de vervallen artikelen 73, 75a, 75b, en 75c die de grondslag bevatten voor financiële vergoedingen die kunnen worden gevraagd voor aanvragen, erkenningen e.d. De Landbouwwet bevat in de artikelen 22a en 22b weliswaar soortgelijke bepalingen, maar ontbeert een grondslag voor een veterinair onderzoek genoemd in artikel 75a, eerste lid, onder c, en 75b, eerste lid, Veewet, naar dieren en producten die "dragers van smetstof kunnen zijn". De Raad is van oordeel dat de Landbouwwet onvoldoende grondslag biedt voor voorschriften ter uitvoering van de hygiëneverordeningen en adviseert deze wet op dit punt aan te passen. 2. Strafbaarstelling De bepalingen van Titel VI bevatten strafbaarstellingen. Ook onder de nieuwe hygiëneverordeningen zullen strafbaarstellingen in de nationale wetgeving moeten worden opgenomen(zie noot 10). Overtredingen van onder meer artikel 19 van de Landbouwwet zijn momenteel strafbaar gesteld op grond van de Wet economische delicten. De Raad adviseert, mede in het licht van het gestelde onder punt 1, in de memorie van toelichting nader in te gaan op de strafbaarstelling van overtreding van de hygiëneverordeningen. De Raad van State geeft U in overweging het voorstel van wet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden. De Vice-President van de Raad van State
Bron:
raadvanstate.nl
Documenten (1)
-
raadvanstate.nl5 pagina's, pdf Tekst