Raad van State
Voorstel van wet met memorie van toelichting tot wijziging van de Zaaizaad- en Plantgoedwet in verband met een flexibele implementatie van internationale en Europese regelgeving.
Jaar: 2019
Documenten: 1
Voorstel van wet met memorie van toelichting tot wijziging van de Zaaizaad- en Plantgoedwet in verband met een flexibele implementatie van internationale en Europese regelgeving.Bij Kabinetsmissive van 30 mei 2001, no.01.002642, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet met memorie van toelichting tot wijziging van de Zaaizaad- en Plantgoedwet in verband met een flexibele implementatie van internationale en Europese regelgeving.Het wetsvoorstel strekt ertoe in de Zaaizaad- en Plantgoedwet (ZPW) een algemene basis op te nemen om in het belang van een goede uitvoering van de wet bij algemene maatregel van bestuur nadere regels te kunnen stellen over de in de wet geregelde onderwerpen. Voorts wordt voorgesteld voorzover uit hoofde van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie een regeling van de in de wet geregelde onderwerpen noodzakelijk is, deze bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te doen plaatsvinden.De Raad van State maakt daarover de volgende opmerkingen en is van oordeel dat de memorie van toelichting aanvulling behoeft.1. Ingevolge het nieuwe artikel 94, eerste lid, wordt voorzien in de algemene bevoegdheid om bij algemene maatregel van bestuur in het belang van een goede uitvoering van de wet nadere regels te stellen over de in de wet geregelde onderwerpen.Hoewel een bepaling van deze strekking een enkele keer vaker voorkomt,(zie noot 1) wordt in de toelichting niet aangegeven om welke reden hiertoe is besloten. Problemen vanuit de praktijk worden niet gemeld. Temeer nu de ZPW reeds een vrij groot aantal delegatiebepalingen(zie noot 2) bevat, is bij de Raad de vraag gerezen of hiermee niet kan worden volstaan en zo niet, aan welke situatie(s) dan moet worden gedacht.In ieder geval dient de memorie van toelichting van een dragende motivering te worden voorzien.2. De aanleiding voor de wetswijziging vormt de noodzaak om uiterlijk vóór 1 januari 2003 regels vast te stellen ter implementatie van richtlijn nr.1999/105/EG van de Raad van de Europese Unie van 22 december 1999 betreffende het in de handel brengen van bosbouwkundig teeltmateriaal (PbEG 2000 L11).In plaats van een specifieke aanpassing van de ZPW die alleen voor de implementatie van deze richtlijn een oplossing biedt, wordt in artikel 94, tweede lid, niet gekozen voor het opnemen van een algemene basis voor implementatie, waarmee een tijdige en adequate uitvoering van verdragen en besluiten van volkenrechtelijke organisaties structureel kan worden gewaarborgd.Als motivering wordt gewezen op de overeenstemming met het kabinetsstandpunt Versnelde implementatie van EG- en andere internationale besluiten.(zie noot 3) In conclusie 2 daarvan wordt het volgende gesteld:Het kabinet is voornemens aanwijzing 339 van de Aanwijzingen voor de regelgeving (Ar) zodanig aan te passen dat duidelijker tot uitdrukking wordt gebracht dat:- bij noodzakelijk gebleken delegatie van wetgevende bevoegdheden waarbij sprake is van weinig of geen nationale beleidsruimte, bij voorkeur gedelegeerd wordt naar het niveau van de ministeriële regeling;- ook bij een grotere mate van nationale beleidsruimte delegatie naar het niveau van de algemene maatregel van bestuur aanvaardbaar is.Daarnaast wordt gewezen op een aantal vergelijkbare bepalingen in reeds bestaande regelingen.De gebezigde argumentatie geeft aanleiding tot de volgende opmerkingen.a. Uitgaande van de te implementeren richtlijn nr.1999/105/EG is niet aangegeven dat voldaan is aan het vereiste van geen of van geringe nationale beleidsruimte, ingeval het delegatie naar het niveau van de ministeriële regeling betreft en van de grotere mate van nationale beleidsruimte bij delegatie naar het niveau van de algemene maatregel van bestuur. Dit vereist een nadere analyse van genoemde richtlijn, en deze ontbreekt in de toelichting.Dit klemt temeer nu de bepaling niet facultatief geformuleerd is ("geschiedt" bij of krachtens algemene maatregel van bestuur) en voorts dermate algemeen geformuleerd is dat daarmee een basis wordt geschapen voor alle nog te implementeren richtlijnen betreffende de in de wet geregelde onderwerpen.b. Voorts kan daarbij de vraag gesteld worden of de aangekondigde wijziging van aanwijzing 339 Ar op deze manier moet worden uitgelegd dat implementatie wordt mogelijk gemaakt ongeacht het onderwerp of dat bedoeld is implementatie binnen het kader van nader afgebakende artikelen en onderdelen van een wet mogelijk te maken, hetgeen op dit moment nog onduidelijk is omdat nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden en een toelichting bij conclusie 2 van het kabinetsstandpunt ontbreekt.c. Tenslotte dient ook de vraag beantwoord te worden of een zodanig algemene delegatie zich verdraagt met de reeds door de wetgever in de ZPW gemaakte keuze voor de onderscheiden niveaus van regelgeving. In ieder geval dient verzekerd te zijn dat voor een ministeriële regeling alleen zal worden geopteerd, indien de richtlijn geen keuzevrijheid laat.De Raad geeft in overweging de memorie van toelichting aan te vullen met een nadere motivering met betrekking tot de genoemde aspecten en het wetsvoorstel zo nodig aan te passen.3. Voor redactionele kanttekeningen verwijst het college naar de bij het advies behorende bijlage.De Raad van State geeft U in overweging het voorstel van wet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.De waarnemend Vice-President van de Raad van State
Bron:
raadvanstate.nl
Documenten (1)
-
raadvanstate.nl5 pagina's, pdf Tekst