Naar inhoud
Raad van State

Voorstel van wet met memorie van toelichting tot wijziging van de titels 7 en 8 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (aanpassing wettelijke gemeenschap van goederen).

Jaar: 2019 Documenten: 1
Voorstel van wet met memorie van toelichting tot wijziging van de titels 7 en 8 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (aanpassing wettelijke gemeenschap van goederen).Bij Kabinetsmissive van 18 december 2002, no.02.005813, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Justitie, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet met memorie van toelichting tot wijziging van de titels 7 en 8 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (aanpassing wettelijke gemeenschap van goederen). Het voorliggende wetsvoorstel is het derde wetsvoorstel op het terrein van het huwelijksvermogensrecht. In dit wetsvoorstel staat het wettelijk stelsel van gemeenschap van goederen centraal. Met de voorgestelde aanpassing van dit stelsel wordt beoogd aan te sluiten bij maatschappelijke ontwikkelingen, zoals de emancipatie van de vrouw, het feit dat veel vrouwen tijdens hun huwelijk blijven werken en het aantal echtscheidingen. Voorts wordt met het wetsvoorstel beoogd het wettelijk stelsel van huwelijksvermogensrecht aan te passen aan nieuwe juridische ontwikkelingen, zoals het nieuwe erfrecht. De Raad van State kan de strekking van het wetsvoorstel onderschrijven. De Raad maakt echter opmerkingen over enkele bepalingen in het wetsvoorstel die het naar zijn oordeel nodig maken het voorstel op een aantal punten aan te passen en de memorie van toelichting aan te vullen. 1. Artikel 87, de vergoedingsregeling tussen echtgenoten voor gebruik van privé-vermogen In artikel 87, dat zowel geldt indien de echtgenoten buiten gemeenschap van goederen zijn gehuwd als indien zij in gemeenschap zijn gehuwd, is een regeling opgenomen omtrent de omvang van de vergoedingsvordering die ontstaat wanneer één van de echtgenoten met privé-vermogen van de andere echtgenoot een buiten enige gemeenschap vallend goed verkrijgt of wanneer met behulp van het privé-vermogen van de andere echtgenoot verbeteringen aan het goed worden aangebracht, die kennelijk tot waardevermeerdering daarvan hebben geleid. Artikel 87 ziet ook op het geval dat met behulp van privé-vermogen van de andere echtgenoot door een echtgenoot een schuld terzake van een tot zijn vermogen behorend goed wordt voldaan of afgelost. Volgens het tweede lid van artikel 87 wordt de omvang van de vergoeding gekoppeld aan de waarde die het goed heeft op het tijdstip van voldoening of aflossing uit het vermogen van de andere echtgenoot. De andere echtgenoot ontvangt een vergoeding die een evenredig deel bedraagt van de waarde op het tijdstip van de voldoening ervan. Onder het huidige stelsel, dat ook de hoofdregel is van het vermogensrecht, heeft de andere echtgenoot alleen een vordering tot het nominale bedrag van het verschafte deel van zijn privé-vermogen. In de praktijk zal het in de meeste gevallen pas tot een afrekening komen bij ontbinding van het huwelijk. Er kunnen inmiddels vele jaren zijn verlopen, zodat de waarde van het goed aanmerkelijk kan zijn gestegen, maar de waarde kan ook aanmerkelijk zijn gedaald. Eveneens is het mogelijk dat het goed inmiddels is verbruikt, zodat geen vergoeding hoeft te worden betaald. De Raad onderschrijft de regeling voorzover zij voorziet in een hogere vergoeding bij waardestijging van het goed. Dit was ook aan de orde in de casus die leidde tot het arrest van de Hoge Raad van 12 juni 1987 (NJ 1988, 150), dat kennelijk in belangrijke mate ten grondslag heeft gelegen aan de voorgestelde regeling. De Hoge Raad stelde destijds dat bij waardevermeerdering een beroep kan worden gedaan op de corrigerende werking van de goede trouw. Het college is er echter niet van overtuigd dat de andere echtgenoot die recht heeft op de vergoeding ook zou moeten participeren in het risico van waardedaling van een goed dat behoort of heeft behoord tot het privé-vermogen van de echtgenoot. De andere echtgenoot heeft geen bestuursbevoegdheid ten aanzien van het goed en heeft dus geen zeggenschap op het moment waarop het goed van de hand zal worden gedaan. Dit moment kan wel van belang zijn voor de hoogte van de vergoedingsvordering. In zoverre betekent de nieuwe regeling een benadeling van de andere echtgenoot. Daaraan doet niet af dat in de laatste volzin van het tweede lid van artikel 87 is bepaald dat de vergoeding ten minste het beloop van de nominale waarde heeft indien het vermogen van de desbetreffende echtgenoot is aangewend zonder diens toestemming. Het wetsvoorstel gaat er kennelijk van uit dat de andere echtgenoot de toestemming heeft gegeven. In de praktijk zal de terbeschikkingstelling van middelen niet schriftelijk zijn vastgelegd en zal het bij ontkenning na vele jaren moeilijk zijn aan te tonen dat de toestemming niet is gegeven. De Raad adviseert de vergoedingsregeling zodanig te wijzigen dat slechts bij waardevermeerdering wordt afgeweken van een nominale vergoeding hetgeen onverlet laat dat ook in een dergelijk stelsel de corrigerende werking van de redelijkheid en billijkheid in bijzondere gevallen kan worden toegepast. Daarnaast adviseert het college in de memorie van toelichting de formulering "met behulp van vermogen" te verduidelijken. 2. Artikel 95, de zaaksvervangingsregeling bij wettelijke gemeenschap van goederen Het eerste lid van dit artikel bepaalt dat een goed dat door een echtgenoot wordt aangeschaft buiten de gemeenschap blijft, indien het bij de verkrijging voor meer dan de helft van de tegenprestatie ten laste van zijn eigen vermogen komt. In dat geval is hij gehouden tot vergoeding aan de gemeenschap. De vergoeding wordt berekend overeenkomstig artikel 87, eerste lid. Indien het goed wel tot de gemeenschap gaat behoren en een echtgenoot uit eigen vermogen aan de tegenprestatie heeft bijgedragen, heeft hij op grond van het tweede lid een vergoedingsvordering die op overeenkomstige wijze wordt bepaald. De Raad verwijst in de eerste plaats naar de opmerkingen die hij heeft gemaakt bij artikel 87. Verder merkt hij op dat, anders dan in het derde lid van artikel 87 is bepaald, aan echtgenoten niet de wettelijke mogelijkheid is geboden bij overeenkomst van artikel 95 af te wijken. Echtgenoten kunnen derhalve niet onderling afspreken dat de voorgestelde berekening alleen bij waardevermeerdering van het goed zal gelden. Het college acht dit niet redelijk. De Raad adviseert artikel 95 in vorenbedoelde zin aan te vullen. 3. Eis van dagtekening van de onderhandse akte In artikel 94, derde lid, wordt aan de onderhandse geregistreerde akte onder meer de eis gesteld dat de akte gedagtekend is. Willen de in de akte vermelde ten huwelijk aangebrachte goederen en schulden buiten de huwelijksgoederengemeenschap vallen dan dient de akte voorafgaand aan het huwelijk te zijn opgemaakt. Aangezien bij de registratie het tijdstip van de registratie wordt vastgelegd en daarmee ook het feit dat de akte dateert van vóór de huwelijkssluiting, is het vereiste van dagtekening overbodig. Daarbij wijst de Raad er tevens op dat ook artikel 156 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering slechts bepaalt dat een onderhandse akte ondertekend moet zijn om als bewijs te dienen en niet de eis van dagtekening stelt. De Raad is van mening dat het vereiste van dagtekening kan worden geschrapt. 4. Publicatie van de akten; artikel 94, derde lid De Raad maakt over de publicatie van de akten als bedoeld in artikel 94, derde lid, de volgende opmerkingen: a. In deze bepaling wordt aan de onderhandse akte waarin de ten huwelijk aangebrachte goederen en schulden worden vermeld die buiten de gemeenschap vallen de eis gesteld dat de akte wordt geregistreerd. In de memorie van toelichting wordt aan de registratie geen verdere aandacht besteed. De Raad adviseert een nadere toelichting op de registratie te geven en in het bijzonder te vermelden waar de registratie plaats moet vinden. b. Volgens artikel 94, derde lid, vallen ten huwelijk aangebrachte goederen en schulden niet in de gemeenschap, voorzover zij voorafgaand aan het huwelijk zijn vermeld in een notariële akte, in een door de aanstaande echtgenoten en de notaris ondertekende, aan de notariële akte gehechte beschrijving of in een onderhandse gedagtekende, ondertekende en geregistreerde akte. In de memorie van toelichting (paragraaf 11, artikelsgewijze toelichting op artikel 94) wordt opgemerkt dat publicatie van de in het derde lid, genoemde akten in het huwelijksgoederenregister geen noodzakelijk vereiste is, nu ook de van de huwelijksgoederengemeenschap uitgesloten erfrechtelijke verkrijgingen daarin niet worden gepubliceerd. De Raad merkt op dat uit het in artikel I, onderdeel G, gewijzigde artikel 130 kan worden afgeleid dat het de bedoeling is dat de in artikel 94, derde lid, genoemde akten derdenwerking hebben. Naar de mening van de Raad is derdenwerking van deze akten niet gewenst, wanneer zij niet in het huwelijksgoederenregister worden gepubliceerd. Het argument dat van de huwelijksgemeenschap uitgesloten erfrechtelijke verkrijgingen niet worden gepubliceerd in het huwelijksgoederenregister overtuigt naar de mening van het college niet, nu ook na het huwelijk verkregen erfenissen niet worden geregistreerd in dit register. De Raad adviseert deze bepaling te heroverwegen, waarbij ook de voorgestelde wijziging van artikel 130 dient te worden betrokken. Verder ware in de toelichting nader in te gaan op de privacyaspecten van het huwelijksgoederenregister. De Raad verwijst in dit verband naar de nota van toelichting bij de algemene maatregel van bestuur houdende regelen betreffende de inrichting en raadpleging van het boedelregister, bedoeld in artikel 186 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek (besluit boedelregister). 5. Fraudegevoeligheid van onderhandse akten Indien bij de registratie van onderhandse akten door de Inspectie geen kopie van de akte zelf wordt bewaard, wordt, zoals de Koninklijke Notariële Broederschap heeft opgemerkt, de fraudegevoeligheid van de akte vergroot. In de memorie van toelichting (paragraaf 11, artikelsgewijze toelichting op artikel 94) wordt daaromtrent opgemerkt dat in dit geval extra eisen zijn gesteld aan de onderhandse akte, waaraan alle moet zijn voldaan, wil de aanbrengst uitgesloten zijn van de gemeenschap. Die extra eisen zien echter niet op de inhoud van de aanbrenglijst zelf. Het is niet ondenkbaar dat later op de lijst nog goederen worden bijgeschreven. Daarom geeft de Raad in overweging voor een vorm van registratie te kiezen die ook waarborgt dat de inhoud van de aanbrengstenlijst wordt geregistreerd. 6. Vruchten van de goederen In artikel 94, tweede lid, onderdeel a, en vierde lid worden naast de krachtens erfopvolging, making, lastbevoordeling of gift verkregen goederen ook de vruchten van die goederen genoemd. Niet duidelijk is of ten aanzien van andere goederen die buiten de gemeenschap blijven ook de vruchten van die goederen niet in de gemeenschap zullen vallen. De Raad adviseert hierover duidelijkheid te verschaffen. 7. Verzoening nadat gemeenschap van goederen aanvankelijk ontbonden was Volgens artikel 99, eerste lid, onder b en c, wordt de gemeenschap van rechtswege ontbonden op het tijdstip van het indienen van een verzoek tot echtscheiding, respectievelijk van een verzoek tot scheiding van tafel en bed. In de toelichting op artikel 99 wordt naar aanleiding van een vraag van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak opgemerkt dat de situatie waarin een verzoening plaatsvindt nadat een verzoek tot echtscheiding is ingediend, enigszins lijkt op die van een verzoening na scheiding van tafel en bed en dat daarom artikel 1:176 BW analoog kan worden toegepast. Het komt de Raad voor dat het uit een oogpunt van rechtszekerheid gewenst is met betrekking tot echtscheiding een uitdrukkelijke regeling in de wet op te nemen. 8. De verplichting van echtgenoten tot het elkaar verschaffen van inlichtingen De artikelen 83 en 98 bevatten bijna identieke bepalingen betreffende de verplichting van de echtgenoten om elkaar desgevraagd inlichtingen te verschaffen over het door hen gevoerde bestuur alsmede over de stand van hun goederen. Artikel 83 is opgenomen in titel 6 dat zowel van toepassing is op de situatie dat de echtelieden in gemeenschap van goederen zijn gehuwd, als op de situatie dat huwelijkse voorwaarden zijn opgemaakt. Artikel 98, dat in titel 7 (de wettelijke gemeenschap van goederen) staat, is gehandhaafd, maar niet duidelijk is waarom. Weliswaar slaat het artikel uitsluitend op de goederen en schulden van de gemeenschap, maar uit de tekst van artikel 83 blijkt niet dat dat artikel niet van toepassing zou kunnen zijn op de gemeenschap. De Raad adviseert om in ieder geval de verhouding tussen beide artikelen in de toelichting nader uit te leggen. 9. Voor redactionele kanttekeningen verwijst het college naar de bij het advies behorende bijlage. De Raad van State geeft U in overweging het voorstel van wet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden. De Vice-President van de Raad van State
Documenten (1)