Raad van State
Ontwerpbesluit houdende nadere regels over de bedrijfsvergunning en het veiligheidsattest voor spoorwegondernemingen die gebruikmaken van hoofdspoorwegen (Besluit bedrijfsvergunning en veiligheidsattest hoofdspoorwegen), met nota van toelichting.
Jaar: 2019
Documenten: 1
Ontwerpbesluit houdende nadere regels over de bedrijfsvergunning en het veiligheidsattest voor spoorwegondernemingen die gebruikmaken van hoofdspoorwegen (Besluit bedrijfsvergunning en veiligheidsattest hoofdspoorwegen), met nota van toelichting.Bij Kabinetsmissive van 24 september 2003, no.03.003897, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende nadere regels over de bedrijfsvergunning en het veiligheidsattest voor spoorwegondernemingen die gebruikmaken van hoofdspoorwegen (Besluit bedrijfsvergunning en veiligheidsattest hoofdspoorwegen), met nota van toelichting. Het ontwerpbesluit bevat nadere regels ten aanzien van de bedrijfsvergunning en het veiligheidsattest. Het vergunningstelsel is gebaseerd op Europese regelgeving en is opgezet om, voordat begonnen wordt met de activiteiten op de hoofdspoorwegen, te kunnen beoordelen of een spoorwegonderneming naar behoren kan functioneren en kan voldoen aan de verplichtingen die zijn verbonden aan het verrichten van deze activiteiten. De Raad van State onderschrijft de strekking van het ontwerpbesluit, maar maakt enkele opmerkingen over de tekst van het ontwerpbesluit. Hij is van oordeel dat het ontwerpbesluit in verband daarmee enige aanpassing behoeft. 1. Vergoeding bij aanvragen bedrijfsvergunning Artikel 91, eerste lid, van de Spoorwegwet (hierna: de wet) geeft de Minister van Verkeer en Waterstaat de bevoegdheid leges vast te stellen terzake van het overeenkomstig de wet aanvragen of verstrekken van een bij of krachtens de wet te nemen besluit, te verstrekken certificaat of ander document. Het voorgestelde artikel 2 eist dat de vergoeding wegens het aanvragen van een bedrijfsvergunning, bedoeld in artikel 91 van de wet, wordt betaald bij indiening van de aanvraag. Aangezien in de wet op dit punt is gekozen voor rechtstreekse delegatie aan de minister en artikel 31 van de wet niet zonder meer een grondslag biedt voor deze bepaling, is de Raad van mening dat ook de regeling van het tijdstip waarop de betaling van die vergoeding dient plaats te vinden zal moeten worden opgenomen in de ministeriële regeling op basis van artikel 91 van de wet. In verband daarmee adviseert de Raad artikel 2 te laten vervallen. 2. Bedrijfsvergunning: overzicht deelnemende (rechts)personen Volgens de nota van toelichting is het doel van artikel 3 te garanderen dat steeds duidelijk is aan wie de bedrijfsvergunning wordt verleend. Deze bepaling is in zoverre duidelijk dat de bedrijfsvergunning wordt gesteld op naam van spoorwegonderneming. Onduidelijk is echter of de aanvragende spoorwegonderneming in alle gevallen een overzicht dient te verstrekken van de deelnemende natuurlijke dan wel rechtspersonen of dat het alleen dient te geschieden ingeval de spoor- wegonderneming een vennootschap onder firma (vof) is, waar de nota van toelichting van spreekt. Zodra eenmaal melding van de namen heeft plaatsgevonden moet op grond van artikel 11, tweede lid, ook van latere mutaties op dat punt melding worden gemaakt. Indien bedoeld is de vermelding van deelnemende natuurlijke en rechtspersonen alleen te laten plaatsvinden ingeval de spoorwegonderneming een vof is dan dient dat expliciet tot uitdrukking te worden gebracht. De Raad adviseert zulks dan op te nemen in het voorgestelde artikel 10 waarin is geregeld welke overige gegevens een aanvraag tot verlening van een bedrijfsvergunning dient te bevatten. In dat geval kan het voorgestelde artikel 3 zich beperken tot de tenaamstelling van de bedrijfsvergunning. 3. Het vereiste van een goede naam Artikel 4 regelt in welke gevallen een spoorwegonderneming niet meer voldoet aan het vereiste van een goede naam. Doet die situatie zich voor dan kan de verleende bedrijfsvergunning worden ingetrokken volgens de daartoe strekkende regels die worden opgenomen in de ministeriele regeling gebaseerd op artikel 13 van het ontwerpbesluit. a. De uitleg in de nota van toelichting dat eerst door het herhaaldelijk niet nakomen van verplichtingen een ernstige mate van niet-nakomen ontstaat die aanleiding kan zijn de goede naam te laten ontvallen, strookt niet met de bewoordingen van artikel 6 van richtlijn nr.95/18/EG(zie noot 1) waar wordt gesproken over “ernstige of herhaalde” inbreuken. Volgens richtlijn 95/18/EG kan de goede naam ook al ontvallen wegens één “ernstige” inbreuk en niet alleen na een reeks inbreuken die tezamen een ernstige mate van niet-nakomen vormen. De Raad adviseert de nota van toelichting op dit punt aan te passen. b. De Raad mist in de opsomming van artikel 4 inbreuken op fiscale bepalingen en op bepalingen strekkende tot afdracht van (sociale) premies en adviseert na te gaan of de opsomming daarmee dient te worden uitgebreid. 4. Omvang dekkingsgebied De Raad adviseert toe te lichten waarom een spoorwegonderneming die beschikt over een bedrijfsvergunning in de zin van richtlijn 95/18/EG die geldig is voor heel Europa haar uit de wettelijke aansprakelijkheid voortvloeiende financiële risico’s dient te dekken door middel van “een verzekering die Nederland als dekkingsgebied heeft” (artikel 8), terwijl een spoorwegonderneming met een beperkte bedrijfsvergunning dient te beschikken over “een (dergelijke) verzekering die ten minste Nederland” als dekkingsgebied heeft (artikel 9, derde lid). 5. Voor een redactionele kanttekening verwijst het college naar de bij het advies behorende bijlage. De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden. De Vice-President van de Raad van State
Bron:
raadvanstate.nl
Documenten (1)
-
raadvanstate.nl4 pagina's, pdf Tekst