Naar inhoud
Raad van State

Ontwerpbesluit houdende de vaststelling van de landelijke doelstellingen van stedelijke vernieuwing en van nadere regels omtrent het ontwikkelingsprogramma voor het investeringstijdvak stedelijke vernieuwing 2005 tot en met 2009 (Besluit beleidskader stedelijke vernieuwing 2005), met nota van toelichting.

Jaar: 2019 Documenten: 1
Ontwerpbesluit houdende de vaststelling van de landelijke doelstellingen van stedelijke vernieuwing en van nadere regels omtrent het ontwikkelingsprogramma voor het investeringstijdvak stedelijke vernieuwing 2005 tot en met 2009 (Besluit beleidskader stedelijke vernieuwing 2005), met nota van toelichting.Bij Kabinetsmissive van 14 maart 2005, no.05.000894, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende de vaststelling van de landelijke doelstellingen van stedelijke vernieuwing en van nadere regels omtrent het ontwikkelingsprogramma voor het investeringstijdvak stedelijke vernieuwing 2005 tot en met 2009 (Besluit beleidskader stedelijke vernieuwing 2005), met nota van toelichting. Het ontwerpbesluit is het vervolg op het eerste Besluit beleidskader stedelijke vernieuwing van 22 november 2000. De Raad van State maakt enkele opmerkingen, die naar zijn oordeel aanleiding geven tot aanpassing van het ontwerpbesluit. 1. Consultatie De Raad staat allereerst stil bij de consultatieregeling van artikel 114 van de Gemeentewet. a. Volgens het eerste lid van deze bepaling stelt de Minister wie het aangaat de betrokken colleges van burgemeester en wethouders of een instantie die voor deze representatief kan worden geacht, in de gelegenheid hun oordeel te geven over ontwerpen van algemene maatregelen van bestuur waarbij van de gemeentebesturen regeling of bestuur wordt gevorderd of in betekenende mate wijziging wordt gebracht in hun taken of bevoegdheden. Uit de toelichting op het ontwerpbesluit blijkt niet dat een dergelijke consultatie heeft plaatsgehad. De Raad adviseert de toelichting aan te vullen met een beschouwing over de resultaten van de consultatie. b. Volgens het tweede lid behoort de toelichting tevens een weergave te bevatten van de gevolgen van de voorgenomen maatregel voor de betrokken gemeentebesturen. De aan de Raad voorgelegde toelichting is in dit opzicht beperkt tot de twee slotzinnen van punt 1.6 van het algemene deel: "Het besluit is (…) oetst op handhaafbaarheid en uitvoerbaarheid door de daartoe ingestelde interne VROM/DGW-toetsgroep. Op basis van de door die groep uitgevoerde standaardtoets worden geen problemen voorzien bij de handhaafbaarheid en uitvoerbaarheid van het besluit." De Raad adviseert de gevolgen voor de gemeentebesturen serieus in kaart te brengen en te bezien op hun evenredigheid. Daarbij dient in elk geval aandacht te worden besteed aan de nu volgende punten 2 en 3. 2. Artikel 3 Artikel 3 van het ontwerpbesluit stelt aan het gemeentelijke ontwikkelingsprogramma onder meer de eis dat het een "analyse" geeft van de "kansen en bedreigingen voor de gemeente" (leden 1 en 2). De toelichting op deze eis, die vaag en ambitieus is, zegt niet veel meer dan dat een goed uitgevoerde analyse belangrijk is: "De kwaliteit van het ontwikkelingsprogramma is daarvan afhankelijk." De Raad adviseert de analyseverplichting - die nieuw is vergeleken bij het vorige Besluit - te preciseren. 3. Artikel 4 Het vorige Besluit stelde in artikel 3 reeds een groot aantal eisen aan de inhoud van de ontwikkelingsprogramma's. Vergeleken met dat besluit stelt artikel 4 van het onderhavige ontwerpbesluit meer gedetailleerde eisen. Dat geldt in het bijzonder voor het tweede lid, onderdeel a, onder 1 (koopwoningen en huurwoningen, uitgesplitst in goedkopere en duurdere, en onderverdeeld over drie typen "locaties"), onderdeel d ("borging" van een aantal kwaliteiten in het gemeentelijk beleid) en onderdeel e, onder 1. De Raad wijst erop dat het ontwerpbesluit dient ter uitvoering van de Wet stedelijke vernieuwing, die beoogt het gemeentelijke vernieuwingsbeleid te stimuleren. In het programma "Andere Overheid" en in de onlangs met VNG end IPO overeengekomen Code Interbestuurlijke Verhoudingen heeft het kabinet nog eens onderstreept dat aan de decentrale overheden geen verplichtingen en administratieve lasten zullen worden opgelegd die niet strikt nodig zijn. Dat artikel 4 in die lijn past, is niet aanstonds evident. De Raad adviseert het belang en de evenredigheid van de gestelde eisen kritisch te herbezien en de eisen tot het hoogst noodzakelijke te beperken. 4. Artikel 5 Het tweede lid van artikel 5, de overgangsbepaling, bepaalt dat een ontwikkelingsprogramma dat reeds was ingediend(zie noot 1) voor het investeringstijdvak 2005-2009 en dat alle volgens het ontwerpbesluit vereiste gegevens bevat, gelijk staat aan een ontwikkelingsprogramma als bedoeld in dit besluit. De betekenis van deze overgangsbepaling is niet zonder meer duidelijk. Voorzover bedoeld is te bepalen dat aanvragen om een investeringsbudget waarbij een ontwikkelingsprogramma is overgelegd dat in feite alle volgens het nieuwe Besluit noodzakelijke gegevens bevat, niet opnieuw hoeft te worden ingediend, lijkt dat niet nodig; volstaan kan worden met een opmerking van die strekking in de toelichting. De Raad adviseert de overgangsbepaling te verduidelijken en haar slechts op te nemen als ze nodig is. 5. Artikel 6 De inwerkingtreding geeft aanleiding tot twee opmerkingen. a. Het Besluit moet terugwerkende kracht krijgen tot en met 1 januari 2005. Dit is onvermijdelijk, nu de wetswijziging waarvan het ontwerpbesluit mede een uitvloeisel is, nog bij de Eerste Kamer aanhangig is.(zie noot 2) Uit de toelichting blijkt niet welke consequenties dit heeft voor de betrokken gemeentebesturen; met name wordt niet uiteengezet of zij tijdig aan alle nieuwe eisen zullen kunnen voldoen. De Raad adviseert tot aanvulling van de toelichting. b. Het Besluit zal niet eerder in werking kunnen treden dan nadat het onder a genoemde wetsvoorstel kracht van wet heeft gekregen en in werking is getreden. De Raad adviseert in de toelichting uiteen te zetten hoe deze volgorde van inwerkingtreding zal worden verzekerd. 6. Periode Het opschrift suggereert dat de in het ontwerpbesluit gestelde eisen betrekking hebben op het investeringstijdvak 2005/2009. Dat blijkt echter niet uit het lichaam van de regeling. De Raad geeft in overweging het ontwerpbesluit aan te vullen. 7. Voor redactionele kanttekeningen verwijst de Raad naar de bij het advies behorende bijlage. De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden. De Vice-President van de Raad van State
Documenten (1)