Naar inhoud
Raad van State

Voorstel van wet houdende regels inzake de inrichting van het landelijk gebied (Wet inrichting landelijk gebied), met memorie van toelichting.

Jaar: 2019 Documenten: 1
Voorstel van wet houdende regels inzake de inrichting van het landelijk gebied (Wet inrichting landelijk gebied), met memorie van toelichting.Bij Kabinetsmissive van 16 november 2005, no. 05.004250, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit mede namens de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet houdende regels inzake de inrichting van het landelijk gebied (Wet inrichting landelijk gebied), met memorie van toelichting.Het wetsvoorstel geeft regels voor de inrichting en het beheer van het landelijk gebied. Een belangrijke rol is weggelegd voor de provinciebesturen. Deze krijgen de beschikking over een 'ontschot' budget (het Investeringsbudget landelijk gebied of ILG), dat kan worden ingezet ter verwezenlijking van diverse doelen van gebiedsgericht beleid. Welke doelen dat zullen zijn, welke prestaties per provincie moeten worden geleverd en wat de omvang is van het investeringsbudget dat het Rijk aan gedeputeerde staten ter beschikking stelt, wordt aan het begin van elk investeringstijdvak vastgelegd in een bestuursovereenkomst tussen de betrokken ministers en het provinciebestuur. Sturing door het Rijk blijft in de opzet van het wetsvoorstel beperkt tot hoofdzaken.Verder bevat het wetsvoorstel een herziening van het instrument van de landinrichting. De procedures die thans nog zijn vastgelegd in de Landinrichtingswet zijn ingewikkeld en tijdrovend, en gaan uit van een aanzienlijke mate van landelijke sturing. Het voorstel beoogt een aanmerkelijke vereenvoudiging van de landinrichting, verkorting van de procedures en versterking van de rol van de provinciebesturen.De Raad van State onderschrijft de strekking van het wetsvoorstel, maar maakt daarover enkele opmerkingen. Hij is van oordeel dat enige aanpassing van het voorstel wenselijk is.1. Meerjarenprogramma's en bestuursovereenkomstZowel de minister als de colleges van gedeputeerde staten van elk van de provincies stellen voorafgaand aan elk investeringstijdvak een meerjarenprogramma vast voor het gebiedsgericht beleid (artikelen 3 en 4 van het wetsvoorstel). Het meerjarenprogramma van het Rijk wordt vastgesteld op basis van rijksbeleid als vervat in plannen (pkb's) als bedoeld in artikel 2a van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) dan wel in beleidsnota's die in de Tweede Kamer zijn behandeld, aldus artikel 3, eerste lid; onder het wetsvoorstel Wet ruimtelijke ordening (Wro), dat thans in behandeling is bij de Staten-Generaal,(zie noot 1) zal het programma worden vastgesteld op basis van structuurvisies van het Rijk (artikel 92). Het programma bevat onder meer de te bereiken doelen van gebiedsgericht beleid in concrete, meetbare termen (artikel 3, tweede lid). Het provinciaal meerjarenprogramma wordt ingevolge artikel 4 door gedeputeerde staten vastgesteld met inachtneming van het rijksbeleid bedoeld in artikel 3, van het streekplan bedoeld in artikel 4a WRO(zie noot 2), en van het provinciaal beleid met betrekking tot de ontwikkeling van het landelijk gebied. Het programma bevat onder meer de bijdrage die de provincie kan leveren aan het bereiken van de doelen van het gebiedsgericht beleid van het Rijk in concrete, meetbare termen. Daarnaast bevat het een zo nauwkeurig mogelijke raming van onder andere de voor de uitvoering van het programma door de Europese Unie, gemeenten, waterschappen of private partijen ter beschikking gestelde middelen (artikel 4, derde lid). Op basis van het rijks- en het provinciaal meerjarenprogramma wordt uiteindelijk een bestuursovereenkomst gesloten tussen de minister en gedeputeerde staten van ieder van de provincies (artikel 7). In die overeenkomst wordt vastgelegd hoe hoog het budget is dat de minister ter beschikking zal stellen, en welke bijdrage aan de door het Rijk gestelde doelen in de provincie worden gerealiseerd.Naar aanleiding van het voorgaande merkt de Raad het volgende op.a. Het stelsel zoals geschetst brengt met zich dat het provinciaal meerjarenprogramma een enigszins onduidelijk karakter krijgt. Enerzijds moet het programma het eigen (ruimtelijk) beleid van het provinciebestuur en de daarin gestelde prioriteiten voor het voetlicht brengen; dat blijkt uit de verwijzingen in artikel 4, eerste lid, naar het in acht nemen van het streekplan respectievelijk structuurvisies en het provinciaal beleid met betrekking tot het landelijk gebied. Het programma vormt dan ook de inzet van het provinciaal bestuur in de onderhandelingen met het Rijk die moeten leiden tot een bestuursovereenkomst. De memorie van toelichting spreekt in dit verband over de 'beleidsambities' van de provincies, en vermeldt dat pas bij de onderhandelingen over een bestuursovereenkomst de beleidsambities van het Rijk en de provincies tot elkaar moeten worden gebracht.(zie noot 3) Anderzijds zal echter het rijksbeleid al grotendeels bepalend zijn voor de inhoud van het provinciale meerjarenprogramma. Dat komt doordat gedeputeerde staten op grond van artikel 4, eerste lid, ook het rijksbeleid zoals dat is vastgelegd in pkb's en nota's in acht moet nemen bij het opstellen van het programma, doordat in het programma en het in artikel 6 bedoelde voorstel bij de doelen van het Rijk (die moeten worden gesteld in 'concrete, meetbare termen') wordt aangesloten, en doordat het investeringsbudget op grond van artikel 11, eerste lid, alleen kan worden besteed aan activiteiten ter realisering van de doelstellingen van het Rijk.Uit het voorgaande volgt dat de mate waarin de provinciebesturen daadwerkelijk ruimte hebben voor het voeren van eigen beleid uiteindelijk afhangt van de manier waarop de doeleinden van het Rijk zijn geformuleerd: hoe concreter en gedetailleerder dat gebeurd is, des te beperkter is de rol van de provincie. In het meerjarenprogramma bij de Agenda vitaal platteland, die volgens de toelichting kan gelden als voorloper van de meerjarenprogramma's van het Rijk onder de WILG, worden op rijksniveau de thema's bepaald en gekwantificeerd (soms tot op de hectare nauwkeurig). In aanmerking genomen dat voor veel van de daar genoemde functies maar een beperkt aantal geschikte lokaties voorhanden is (bijvoorbeeld ruimte voor weidevogels of wintergasten), bestaat het risico dat de ruimte die het provinciebestuur op papier krijgt feitelijk in veel gevallen beperkt zal zijn tot de uitvoering en het invullen van details, en dat er relatief weinig mogelijkheden zijn voor eigen, aanvullend beleid. Overigens kan er aanmerkelijke ruimte zitten tussen de ambities van het provinciebestuur zoals die in het meerjarenprogramma zijn opgenomen, en de activiteiten die uiteindelijk in de bestuursovereenkomst worden vastgelegd en dus zullen worden uitgevoerd. Dat brengt het gevaar mee dat het provinciaal meerjarenprogramma niet veel meer blijkt te zijn dan een soort 'wensenlijstje', dat maar beperkt inzicht geeft in het beleid dat voor het volgende tijdvak kan worden verwacht.In aanmerking nemend dat één van de centrale doeleinden van het wetsvoorstel het vastleggen van de regierol van het provinciebestuur voor het gebiedsgericht beleid is, adviseert de Raad om in de memorie van toelichting de positie van het provinciaal meerjarenprogramma te verduidelijken, en nader in te gaan op de ruimte die de provinciebesturen onder het nieuwe stelsel zullen hebben voor het voeren van eigen beleid.b. De bepaling in artikel 4, eerste lid, dat het provinciaal meerjarenprogramma wordt vastgesteld "met inachtneming van het rijksbeleid, bedoeld in artikel 3, eerste lid" (kort gezegd: pkb's respectievelijk structuurvisies), betekent dat laatstgenoemde stukken rechtstreeks doorwerken in het provinciale beleid. Dat stemt niet overeen met het uitgangspunt dat beleid dat wordt vastgesteld op een bepaald overheidsniveau alleen voor dat niveau bindend is, een uitgangspunt dat al ten grondslag lag aan de (huidige) WRO en dat ook in het wetsvoorstel Wro consequent wordt gehanteerd. Binding van andere overheden wordt in het stelsel van de Wro bereikt door middel van algemene regels en aanwijzingen (dan wel door het vaststellen van een bestemmingsplan door Rijk of provincie), niet door structuurvisies: de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Wro vermeldt dan ook expliciet dat bij structuurvisies alleen sprake is van zelfbinding voor de vaststellende overheid.(zie noot 4) Veel (onderdelen van) structuurvisies zullen zich ook niet lenen voor 'inachtneming', doordat ze indicatief en globaal van aard zijn.Het ligt voor de hand dat het rijksbeleid een belangrijke rol zal spelen bij de onderhandelingen over de bestuursovereenkomsten, bedoeld in artikel 7. De Ministers zullen daar wel op toezien en gedeputeerde staten zullen er ongetwijfeld op anticiperen bij het vaststellen van het meerjarenprogramma.De Raad adviseert de zinsnede "het rijksbeleid, bedoeld in artikel 3, eerste lid," te schrappen.c. In het algemeen valt op dat de memorie van toelichting uitgaat van de WRO in haar huidige vorm en zich nauwelijks rekenschap geeft van de aanhangige fundamentele herziening van deze wet. Dat roept de vraag op of de Wro in haar voorgestelde, herziene vorm een toereikend juridisch-ruimtelijk kader zal bieden om de doelstellingen van het onderhavige wetsvoorstel te kunnen verwezenlijken.De Raad adviseert in de toelichting nader aandacht te besteden aan de verhouding van het wetsvoorstel met de herziene Wro.d. Bestuursovereenkomsten worden gesloten tussen de betrokken ministers en het provinciebestuur. Niettemin wordt in de bestuursovereenkomst een aanduiding opgenomen van de door de Europese Unie, gemeenten, waterschappen en private partijen ter beschikking gestelde middelen (artikel 7, eerste lid). De memorie van toelichting merkt hierover op dat dit niet afdoet aan de primaire verantwoordelijkheid jegens de betrokken ministers van gedeputeerde staten voor het realiseren van die prestaties, maar wel 'helder de positie van gedeputeerde staten markeert' in de richting van derden. Het is niet duidelijk wat daarmee wordt bedoeld, aangezien andere partijen dan het Rijk en het provinciebestuur door de overeenkomst niet worden gebonden. De verhouding tussen gedeputeerde staten respectievelijk de provincie aan de ene kant en (publieke of private) derde partijen aan de andere wordt uitsluitend bepaald door afspraken die tussen die beide actoren zijn gemaakt.De Raad adviseert de toelichting op dit punt te verduidelijken.e. Een zo nauwkeurig mogelijke raming van de middelen die door de Europese Unie, gemeenten, waterschappen en private partijen voor de uitvoering van het gebiedsgericht beleid ter beschikking zijn gesteld moet ook al in het provinciaal meerjarenprogramma worden opgenomen (artikel 4, derde lid, onder b). Het gaat in dit programma echter om beleidsambities van het provinciebestuur, waarvan op dat moment nog allerminst zeker is of ze daadwerkelijk zullen worden uitgevoerd en, zo ja, op welke manier. Dat betekent dat het primair zal gaan om toegezegde bedragen; men zal niet snel geld ter beschikking stellen voor ambities waarvan nog onduidelijk is of ze worden gerealiseerd. Het betekent echter ook dat afspraken met publieke en private derde partijen moeten worden gemaakt en vastgelegd en bijvoorbeeld aanvragen voor fondsen moeten worden ingediend op een moment dat nog onzeker is of de activiteiten waarop ze betrekking hebben in de bestuursovereenkomst zullen worden opgenomen, en dat, mocht de overeenkomst anders uitvallen dan door de provincie voorzien, die afspraken en aanvragen moeten worden aangepast. De toelichting gaat niet in op de lasten en onduidelijkheden die dit voor de provincie (en derden) kan meebrengen. De Raad adviseert hieraan aandacht te besteden.2. Verhouding inrichtingsplan-bestemmingsplanIn veel gevallen zal voor de realisering van een door gedeputeerde staten vastgesteld inrichtingsplan medewerking nodig zijn van de gemeentebesturen, onder meer in de vorm van aanpassing van bestemmingsplannen. In de memorie van toelichting wordt daarover alleen opgemerkt dat het gemeentebestuur eerder medewerking zal willen verlenen aan de uitvoering van een inrichtingsproject als het actief bij de besluitvorming daarover is betrokken.(zie noot 5) Ook als dat gebeurt is er evenwel nog geen zekerheid dat er overeenstemming wordt bereikt. Uiteindelijk staan het provinciebestuur op grond van de huidige en de toekomstige ruimtelijke-ordeningswetgeving middelen ten dienste om medewerking af te dwingen, maar de toepassing daarvan is een tijdrovende, complexe en kostbare aangelegenheid.De kern van het voorgestelde stelsel is dat het provinciebestuur voor de realisering van de in de bestuursovereenkomst vastgelegde doelen eindverantwoordelijk wordt: het provinciebestuur kan daarop door de minister worden aangesproken, en te maken krijgen met sancties als die doelen niet worden gehaald. Daarbij past dat de provincie ook de instrumenten krijgt om realisering van die doelstellingen af te dwingen, ook als gemeenten daaraan geen medewerking verlenen. Dit sluit aan bij de opmerking van het kabinet in het nader rapport inzake de Wro dat '[e]en overheidsniveau dat door de samenleving verantwoordelijk wordt gehouden voor de oplossing van een ruimtelijk vraagstuk ook de toereikende bevoegdheden [dient] te hebben om die verantwoordelijkheid waar te maken'.(zie noot 6)In de Reconstructiewet concentratiegebieden is met betrekking tot het reconstructieplan een voorziening opgenomen die de doorwerking van besluiten van andere overheden dan de gemeente in het bestemmingsplan regelt(zie noot 7). Provinciale staten kunnen delen van het reconstructieplan aanwijzen die gelden als voorbereidingsbesluit in de zin van artikel 21 WRO, zodat ontwikkelingen die strijdig zijn met het reconstructieplan kunnen worden tegengegaan; voor de aangewezen delen van het plan geldt dit ook als vrijstelling in de zin van artikel 19 WRO, zodat activiteiten die passen in het reconstructieplan maar die in strijd zijn met het geldende bestemmingsplan toch doorgang kunnen vinden. Verder geldt de aanhoudingsplicht van artikel 50 Woningwet niet voor aanvragen om een bouwvergunning ter uitvoering van het reconstructieplan, zijn geen aanlegvergunningen nodig en blijft de leefmilieuverordening buiten beschouwing. Net als in het wetsvoorstel is ook bij de Reconstructiewet het uitgangspunt dat afstemming plaatsvindt door bestuurlijk overleg. Niettemin heeft de wetgever, voor het geval dat afstemming langs die weg niet mogelijk blijkt, deze regeling kennelijk nodig geoordeeld als sluitstuk.De Raad adviseert in de toelichting uiteen te zetten op welke gronden is afgezien van het opnemen in het wetsvoorstel van een specifieke regeling omtrent doorwerking van het meerjarenprogramma, voor zover "gedekt" door de bestuursovereenkomst in de ruimtelijke ordening.3. Wijziging van de bestuursovereenkomst (artikelen 7, 8 en 9)a. Artikel 7, derde lid, bepaalt dat in het vierde jaar van het investeringstijdvak wordt overlegd over de vraag of wijziging van de overeenkomst wenselijk is. Dat geschiedt aan de hand van de voortgang van de realisatie van de prestaties en de tot dan toe gerealiseerde besteding van het budget, en mede met het oog op wijzigingen in het gebiedsgerichte beleid. Het vierde lid van artikel 7 bepaalt dat een wijziging als bedoeld in het derde lid uitsluitend mogelijk is in het vierde jaar van het investeringstijdvak; een bepaling waarvan de noodzaak niet aanstonds duidelijk is. Uit artikel 9 vloeit echter voort dat de betrokken ministers en gedeputeerde staten ook buiten het kader van artikel 7, vierde lid, overeenstemming kunnen bereiken over wijziging van de overeenkomst. Onduidelijk is hoe de genoemde bepalingen zich tot elkaar verhouden.De Raad adviseert het wetsvoorstel op dit punt te verduidelijken.b. Het vierde lid van artikel 8 bevat een regeling voor het geval dat de financiële toestand van het Rijk noopt tot een verlaging van de uitgaven. Op grond van dit lid kunnen de betrokken ministers besluiten het verleende budget te spreiden over een langere periode dan de zeven jaar van het investeringstijdvak; er is dus sprake van uitgestelde betaling, niet van verlaging van het budget. Deze bepaling is bedoeld om een bepaalde mate van zekerheid te creëren voor het college van gedeputeerde staten, en tegelijkertijd rekening te houden met het gegeven dat het budget wordt verleend ten laste van toekomstige begrotingsjaren. Indien aan het vierde lid toepassing wordt gegeven, bepalen de partijen bij de bestuursovereenkomst in hoeverre de overeenkomst als gevolg daarvan dient te worden aangepast, aldus het zevende lid van artikel 8. De woorden 'als gevolg daarvan' impliceren dat de aanpassing van de bestuursovereenkomst niet kan leiden tot een verlaging van het verleende investeringsbudget; uit het systeem van artikel 8 vloeit voort dat de regeling van het vierde lid van dat artikel uitputtend is. Dat systeem wordt echter ondergraven als artikel 9 de mogelijkheid zou bieden om, los van artikel 8, vierde en zevende lid, de overeenkomst te wijzigen zodanig dat een verlaging van het budget plaatsvindt die verder gaat dan volgens dat laatstgenoemde lid mogelijk zou zijn.De Raad adviseert in het wetsvoorstel de verhouding tussen artikelen 8 en 9 te verduidelijken.c. Bij de toepassing van artikel 8, vierde lid, kunnen de ministers bepalen dat de looptijd van het meerjarenprogramma dienovereenkomstig wordt verlengd. Dat leidt van rechtswege tot verlenging van het investeringstijdvak met dezelfde periode, aldus het vijfde lid. Een dergelijke verlenging heeft echter tot gevolg dat voortaan de investeringstijdvakken niet meer synchroon lopen met de tijdvakken waarvoor plattelandsontwikkelingsplannen op grond van Verordening (EG) nr. 1698/2005 inzake de steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (zie noot 8)(hierna: de Kaderverordening) worden vastgesteld. Aannemelijk is dat het aansluiten bij de tijdvakken van de genoemde verordening één van de redenen is geweest om voor het ILG te kiezen voor een tijdvak van zeven jaar.De Raad adviseert in de toelichting aan dit punt aandacht te besteden, en zo nodig het voorstel van wet te wijzigen.4. Uitvoering van steunmaatregelen (artikel 11)Artikel 11, derde lid, bepaalt dat provinciale staten een verordening vaststellen met betrekking tot steunmaatregelen die ten laste van het budget worden uitgevoerd, waaronder in elk geval steunmaatregelen die in aanmerking worden gebracht voor cofinanciering op grond van de Kaderverordening. De door provinciale staten vast te stellen verordening betreft de inhoud van de steunmaatregelen en de daaraan te verbinden voorschriften, en behoeft de goedkeuring van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.a. De term 'steunmaatregelen' wordt niet in het wetsvoorstel gedefinieerd. In de memorie van toelichting wordt gesproken over 'staatssteun in de zin van artikel 87 EG'.(zie noot 9) Daarmee lijkt het erop dat met 'steunmaatregelen' in artikel 11, derde lid, ook wordt gedoeld op maatregelen die niet mede op grond van de Kaderverordening worden gefinancierd. De verplichting tot vaststellen van een verordening door provinciale staten en goedkeuring door de minister is echter primair bedoeld om deze laatste de mogelijkheid te geven zijn verantwoordelijkheid op grond van de Kaderverordening te kunnen effectueren (de term 'staatssteun' wordt in de Kaderverordening gebruikt). Voor maatregelen die onder de Kaderverordening vallen en die als staatssteun kunnen worden aangemerkt bevatten de artikelen 88 en 89 van die verordening bepalingen omtrent de verhouding met de artikelen 87, 88 en 89 EG. Voor de rechtmatigheid van steunmaatregelen die niet mede volgens de Kaderverordening worden gefinancierd zijn primair de provincies verantwoordelijk, aldus de toelichting.De tekst van het derde lid ('in ieder geval') maakt niet duidelijk in hoeverre de verplichting tot het opstellen van een provinciale verordening ook betrekking heeft op uitgaven die wel als steunmaatregel zijn aan te merken, maar waarvoor geen cofinanciering plaatsvindt op grond van de Kaderverordening. Tevens blijft onduidelijk waarop wordt gedoeld met de 'inhoud' van de steunmaatregelen en 'de daaraan te verbinden voorwaarden'.De Raad adviseert artikel 11, derde lid, te verduidelijken. Voorts beveelt hij aan in de memorie van toelichting nader in te gaan op de verhouding tussen de genoemde artikelen van de Kaderverordening en in het EG-Verdrag.b. In paragraaf 7.1 van de memorie van toelichting wordt, onder verwijzing naar artikel 11, derde lid, vermeld dat, waar ten laste van het ILG door gedeputeerde staten subsidies worden verleend, de voorwaarden daarvoor worden vastgelegd bij ministeriële regeling. In het derde lid van artikel 11 is echter geen sprake van het stellen van voorwaarden bij ministeriële regeling, en de bepaling heeft betrekking op steunmaatregelen in algemene zin, niet slechts op subsidies. De Raad beveelt aan de toelichting aan te passen.5. Aanwijzing te onteigenen percelen (artikel 17)Artikel 17, tweede lid, aanhef en onderdeel e, bepaalt dat het inrichtingsplan in voorkomend geval de aanwijzing bevat van te onteigenen percelen of opstallen.Het is onduidelijk wat hiervan de betekenis is. In de memorie van toelichting wordt de aanduiding van te onteigenen percelen in het plan aangemerkt als een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht.(zie noot 10) Onteigening ten behoeve van landinrichting vindt evenwel plaats bij koninklijk besluit, niet bij besluit van gedeputeerde staten; het wetsvoorstel laat de regeling van artikel 122, derde lid, van de onteigeningswet op dit punt intact. Aangezien verder het laatstgenoemde artikel niet bepaalt dat enkel percelen of opstallen kunnen worden onteigend die in het inrichtingsplan zijn aangewezen maar slechts eist dat het gaat om de verwezenlijking van een inrichtingsplan, is onduidelijk wat het rechtsgevolg is van de vermelding van te onteigenen percelen of opstallen in dat plan. Bovendien lijkt de voorgestelde procedure te leiden tot doublures, doordat aspecten die bij vaststelling of wijziging van het inrichtingsplan aan de orde komen (nut en noodzaak van de onteigening) in de procedure ingevolge de onteigeningswet opnieuw worden beoordeeld.Verder blijkt uit de toelichting dat over het algemeen de te onteigenen zaken pas later, nadat de uitvoering van het inrichtingsplan is begonnen, door middel van een wijziging in dat plan zullen worden opgenomen.(zie noot 11) De reden daarvoor is dat, gelet op het ultimum-remediumkarakter van onteigening, eerst zal moeten vaststaan dat verwerving langs minnelijke weg niet mogelijk is. Dat laatste is juist, maar het roept de vraag op in hoeverre opneming in het inrichtingsplan op dat moment nog zinvol is.De Raad adviseert in de toelichting aandacht te besteden aan de verhouding tussen artikel 17, tweede lid, onderdeel e, van het wetsvoorstel en artikel 122 onteigeningswet, en zo nodig het voorstel van wet aan te passen.6. Beroep tegen toewijzing eigendom (artikel 34)Tegen een besluit tot vaststelling of wijziging van een inrichtingsplan kan beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (artikel 19). Het derde lid van artikel 34 bepaalt dat, indien beroep is ingesteld betreffende de toewijzing van eigendom van voorzieningen van openbaar nut, gedeputeerde staten de uitspraak in beroep ter inschrijving toezenden aan de Dienst voor het kadaster indien door de uitspraak de eigendom aan een ander wordt toegewezen dan in de toewijzingsakte is vermeld, en indien de ruilakte is ingeschreven in de openbare registers en door de uitspraak de eigendom wordt toegewezen aan een ander dan in de ruilakte is vermeld. Door de inschrijving van de uitspraak in de registers verkrijgen de in de uitspraak genoemde openbare lichamen of andere rechtspersonen de in die uitspraak omschreven eigendom (artikel 34, vierde lid).Deze beide leden van artikel 34 lijken ervan uit te gaan dat de uitspraak in beroep altijd een aanduiding zal bevatten van degene aan wie de eigendom van de betrokken voorziening wordt toegewezen. Het is evenwel ook denkbaar dat de uitspraak zich beperkt tot vernietiging van (het desbetreffende deel van) het inrichtingsplan, zonder dat een nieuwe rechthebbende wordt aangewezen.De Raad beveelt aan voor die gevallen in het wetsvoorstel een voorziening te treffen.7. Voor redactionele kanttekeningen verwijst de Raad naar de bij het advies behorende bijlage.De Raad van State geeft U in overweging het voorstel van wet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.De Vice-President van de Raad van State
Documenten (1)