Naar inhoud
Raad van State

Ontwerp-uitvoeringsbesluit Wwft 2018.

Jaar: 2019 Documenten: 1
Ontwerpbesluit houdende nadere regels met betrekking tot uiteindelijk belanghebbenden en politiek prominente personen, het vaststellen van indicatoren voor het melden van ongebruikelijke transacties en tot wijziging van enige andere besluiten in verband met de vierde anti-witwasrichtlijn en de verordening betreffende bij geldovermakingen te voegen informatie (Uitvoeringsbesluit Wwft 2018), met nota van toelichting.Bij Kabinetsmissive van 4 juni 2018, no.2018000978, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Financiën, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende nadere regels met betrekking tot uiteindelijk belanghebbenden en politiek prominente personen, het vaststellen van indicatoren voor het melden van ongebruikelijke transacties en tot wijziging van enige andere besluiten in verband met de vierde anti-witwasrichtlijn en de verordening betreffende bij geldovermakingen te voegen informatie (Uitvoeringsbesluit Wwft 2018), met nota van toelichting.Het ontwerpbesluit strekt samen met de Implementatiewet vierde anti-witwasrichtlijn (zie noot 1) tot implementatie van de vierde anti-witwasrichtlijn en verordening 1781/2006 over geldovermakingen. (zie noot 2) Met de vierde anti-witwasrichtlijn wordt op Europees niveau beoogd de dreiging van witwassen en financieren van terrorisme aan te pakken; de richtlijn is de opvolger van de derde anti-witwasrichtlijn. (zie noot 3)De Afdeling advisering van de Raad van State adviseert het besluit vast te stellen, maar heeft opmerkingen over de met het begrip politiek prominente personen samenhangende bepalingen over middelbare of lagere functionarissen en familieleden.Politiek prominente personenIn de Europese Unie is vastgesteld dat politiek prominente personen (politically exposed persons, PEPs) verhoogde reputatie- en juridische risico’s meebrengen, en de inspanning ter bestrijding van corruptie ook overigens rechtvaardigt dat bijzondere maatregelen worden getroffen. (zie noot 4) Daarom waren reeds in de derde anti-witwasrichtlijn bepalingen opgenomen over de PEP, die er op zagen dat instellingen die te maken krijgen met PEPs, of hun familieleden, verscherpt cliëntenonderzoek verrichten. Onder de derde anti-witwasrichtlijn betroffen de regels de PEPs "die in een andere lidstaat of in een derde land wonen"; met de vierde anti-witwasrichtlijn vallen binnenlandse PEPs ook onder de regels. De vierde anti-witwasrichtlijn noemt publieke functies die als PEP worden aangemerkt; (zie noot 5) die publieke functies worden ook in het ontwerpbesluit als PEP aangemerkt. (zie noot 6) PEP-functies zijn functies zoals staatshoofden, parlementsleden of leden van rechterlijke instanties die arresten wijzen waartegen geen beroep openstaat.Het verscherpt onderzoek dat instellingen moeten verrichten naar de PEPs brengt administratieve lasten mee voor deze cliënten. Het is daarom van wezenlijk belang dat de instellingen de bedoelde groep cliënten zo nauwkeurig mogelijk kunnen identificeren, zodat overige cliënten door die instellingen niet onnodig als PEP worden aangemerkt. Het ontwerpbesluit en de toelichting dienen daarom zo duidelijk mogelijk aan te geven welke personen onder het begrip vallen. De Afdeling maakt in dat verband de volgende opmerkingen.a.Middelbare of lagere functionarissenDe richtlijn bepaalt dat middelbare of lagere functionarissen niet als PEP worden aangemerkt. (zie noot 7) Dit wordt ook in het ontwerpbesluit geregeld. (zie noot 8) In de toelichting op het ontwerpbesluit wordt echter aangegeven dat in voorkomende gevallen toch hogere risico’s aan dergelijke functies kunnen kleven. Een verscherpt onderzoek zou, aldus de toelichting, niet in alle gevallen voor dit soort functionarissen noodzakelijk zijn; (zie noot 9) maar in voorkomende gevallen soms dus wel. Aan deze toelichting kan ten onrechte de conclusie worden verbonden dat middelbare of lagere functionarissen alsnog als bekleders van PEP-functies zouden kunnen worden aangemerkt, om op grond daarvan verscherpt onderzoek te verrichten. Op grond van de richtlijn mag dat echter niet. Dergelijk verscherpt onderzoek naar middelbare of lagere functionarissen kan enkel noodzakelijk zijn op grond van met die specifieke cliënt samenhangende risicofactoren.De Afdeling adviseert het voorgaande in de toelichting te verduidelijken.b.Familieleden van PEPsDe richtlijn bepaalt dat de maatregelen die instellingen ten aanzien van PEPs dienen te treffen ook getroffen dienen te worden ten aanzien van familieleden. (zie noot 10) Een familielid is volgens de richtlijn een echtgenoot of een persoon die als gelijkwaardig met de echtgenoot wordt aangemerkt; kinderen en de echtgenoten van die kinderen, inclusief degene die als gelijkwaardig met de echtgenoot wordt aangemerkt; en ouders van PEPs. (zie noot 11) In het ontwerpbesluit wordt deze bepaling overgenomen. (zie noot 12) In de toelichting op het besluit wordt niet verduidelijkt hoe deze begrippen in het Nederlands recht dienen te worden uitgelegd. Zo blijft onduidelijk wat wordt verstaan onder persoon die als gelijkwaardig wordt aangemerkt; dat zouden in Nederland de geregistreerde partners kunnen betreffen, maar het zou ook naderen kunnen betreffen. Bij het begrip kinderen is evenmin duidelijk hoe ver dat begrip strekt, en of dat bijvoorbeeld ook stiefkinderen, pleegkinderen en adoptiekinderen omvat.De Afdeling adviseert de toelichting in het licht van het voorgaande aan te vullen.De Afdeling advisering van de Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat aan het vorenstaande aandacht zal zijn geschonken.De vice-president van de Raad van State
Documenten (1)