Raad van State
Voorstel van wet houdende wijziging van het Wetboek van Strafvordering met betrekking tot het hoger beroep in strafzaken, het aanwenden van gewone rechtsmiddelen en het wijzigen van de telastelegging (stroomlijnen hoger beroep), met memorie van toelichting.
Jaar: 2019
Documenten: 1
Voorstel van wet houdende wijziging van het Wetboek van Strafvordering met betrekking tot het hoger beroep in strafzaken, het aanwenden van gewone rechtsmiddelen en het wijzigen van de telastelegging (stroomlijnen hoger beroep), met memorie van toelichting.Bij Kabinetsmissive van 21 maart 2005, no.05.000997, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Justitie, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet houdende wijziging van het Wetboek van Strafvordering met betrekking tot het hoger beroep in strafzaken, het aanwenden van gewone rechtsmiddelen en het wijzigen van de telastelegging (stroomlijnen hoger beroep), met memorie van toelichting. De kern van het wetsvoorstel is het hoger beroep in strafzaken de vorm te geven van een voortbouwend appèl. Daarnaast worden voorstellen gedaan met betrekking tot uiteenlopende zaken waaronder het invoeren van een verlofstelsel. De Raad van State onderschrijft de strekking van het wetsvoorstel, maar maakt daarbij de volgende kanttekeningen met betrekking tot het verlofstelsel. Het wetsvoorstel voorziet in de invoering van een verlofstelsel voor het instellen van hoger beroep in zaken waarin een boete van ten hoogste 500 euro is opgelegd. Het kan zowel overtredingen als misdrijven betreffen waarbij voor misdrijven de bijkomende eis geldt dat het moet gaan om feiten waarop een gevangenisstraf van 4 jaar of minder is gesteld. Het verlofstelsel houdt in dat de voorzitter van het gerechtshof naar aanleiding van een schriftuur van de verdachte en/of de officier van justitie en op grond van de stukken bepaalt of behandeling in hoger beroep in het belang van een goede rechtsbedeling is. Indien dat niet het geval is wordt beroep niet toegestaan en cassatie evenmin. a. Artikel 14, vijfde lid, Internationaal Verdrag voor Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBPR) bepaalt dat een ieder die wegens een strafbaar feit is veroordeeld het recht heeft de schuldigverklaring en veroordeling opnieuw te doen beoordelen door een hoger rechtscollege overeenkomstig de wet. De general comment op artikel 14, vijfde lid, stelt dat het recht op berechting in twee feitelijke instanties niet alleen geldt voor de meest ernstige feiten.(zie noot 1) Hieruit kan worden geconcludeerd dat ook lichtere delicten daaronder vallen. Wel wordt algemeen aangenomen dat er geen sprake is van strijd met artikel 14, vijfde lid, IVBPR indien er bij bagatelzaken geen recht op hoger beroep bestaat.(zie noot 2) Het voorgestelde verlofstelsel betreft feiten waar vier jaar of minder op staat en waarvoor een boete van maximaal 500 euro is opgelegd. In de memorie van toelichting wordt gesteld dat het hier slechts bagatelzaken betreft. Het kan echter om ernstige feiten gaan zoals mishandeling, het bezit van kinderporno en diefstal. De enkele veroordeling voor een dergelijk feit kan door de betrokkene als ernstig worden ervaren, ook indien is volstaan met een betrekkelijk lage geldboete.(zie noot 3) Nog daargelaten dat voor menigeen het betalen van een boete van 500 euro een zware last betekent, kan door de veroordeling immers een smet worden geworpen op het blazoen van betrokkene terwijl aan de veroordeling ook andere consequenties kunnen zijn verbonden. In de memorie van toelichting bij de wet belastingrechtspraak in twee feitelijke instanties wordt gesteld dat over de verenigbaarheid van het Nederlandse stelsel van belastingrechtspraak met het IVBPR zelfs geen twijfel mag bestaan. De Raad meent dat in dit verband moet worden ingegaan op de vraag of het verlofstelsel zoals voorgesteld, met voldoende waarborgen is omkleed om als zodanig te kunnen dienen als tweede instantie in de zin van artikel 14, vijfde lid IVBPR, zodat met een dergelijk stelsel nog aan die verdragsverplichtingen is voldaan. Hierbij dient in te worden gegaan op vergelijkbare stelsels in andere lidstaten van de Raad van Europa. Gewezen zij in dit verband op het Explanatory Report bij het zevende protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.(zie noot 4) Voorts mist de Raad een beschouwing van de regering waarin gemotiveerd wordt aangegeven dat alle zaken waarop het verlofstelsel van toepassing is, ook al gaat het daarbij om zaken waarin een boete van ten hoogste 500 euro is opgelegd, wegens ernstige bijkomende effecten die een veroordeling kan hebben, als louter bagatelzaken kunnen worden aangemerkt. De Raad adviseert hierop in de toelichting nader in te gaan. b. Het doel van het invoeren van het verlofstelsel is de besparing van zittingscapaciteit. De Raad is er niet van overtuigd dat het verlofstelsel wezenlijke capaciteitswinst zal opleveren. Ook in de diverse adviezen worden hier vraagtekens bij gezet.(zie noot 5) De voorzitter van het gerechtshof zal de zaak gedegen moeten bestuderen alvorens tot een oordeel te kunnen komen over het al dan niet toelaten van hoger beroep. Indien de voorzitter beslist hoger beroep niet toe te laten dient hij deze beslissing met redenen te omkleden. Indien de voorzitter tot het oordeel komt dat hoger beroep moet worden toegelaten is het mogelijk dat hij, in verband met de schijn van partijdigheid, het hoger beroep niet zelf zal kunnen behandelen.(zie noot 6) Dan zal de zaak tevens door een andere rechter dienen te worden bestudeerd. De bedenkingen bij de te verwachten capaciteitswinst klemmen temeer nu het verlofstelsel een wezenlijke verandering van het stelsel van hoger beroep in strafzaken met zich meebrengt.(zie noot 7) Overigens wordt reeds voorzien in capaciteitswinst door het voorgestelde voortbouwend appèl en de sinds 1 januari 2005 toegenomen mogelijkheden voor de alleensprekende rechter in hoger beroep.(zie noot 8) De Raad adviseert de noodzaak van het verlofstelsel in de toelichting nader te motiveren. De Raad van State geeft U in overweging het voorstel van wet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, nadat aan het vorenstaande aandacht zal zijn geschonken. De Vice-President van de Raad van State
Bron:
raadvanstate.nl
Documenten (1)
-
raadvanstate.nl6 pagina's, pdf Tekst