Naar inhoud
Raad van State

Voorstel van wet met memorie van toelichting houdende tijdelijke regels inzake het raadgevend correctief referendum (Tijdelijke referendumwet).

Jaar: 2019 Documenten: 1
Voorstel van wet met memorie van toelichting houdende tijdelijke regels inzake het raadgevend correctief referendum (Tijdelijke referendumwet).Bij Kabinetsmissive van 16 december 1999, no. 99.006108, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet met memorie van toelichting, houdende tijdelijke regels inzake het raadgevend correctief referendum (Tijdelijke referendumwet). Inleiding Het wetsvoorstel, de Tijdelijke referendumwet (hierna: Trw), vormt een onderdeel van het akkoord van juni 1999 dat heeft geleid tot de intrekking van de ontslagaanvraag van het kabinet. Daarin werden enkele afspraken gemaakt over de invoering van het referendum.(zie noot 1) In afwachting van een regeling van een correctief, bindend wetgevingsreferendum, waarvoor een wijziging van de Grondwet vereist is, wordt in dit wetsvoorstel voorzien in een raadgevend referendum, dat zonder grondwetswijziging tot stand kan worden gebracht. Gekozen is voor een tijdelijke wet, die met ingang van 1 januari 2005 vervalt. Het wetsvoorstel bouwt voort op het advies dat de Raad van State op 11 oktober 1999 heeft uitgebracht en waarin antwoord werd gegeven op de vraag wat de meest wenselijke fase van de wetgevingsprocedure is waarin de mogelijkheid van een referendum kan worden geboden.(zie noot 2) Dat advies zal gelijktijdig met het onderhavige openbaar worden gemaakt. De Raad van State kan zich in hoofdlijnen met het voorstel verenigen maar plaatst bij de uitwerking van het raadgevend referendum een aantal opmerkingen, evenals bij enkele punten uit de memorie van toelichting. In het bijzonder vragen de verhouding van de Trw tot latere wetten, alsmede de provinciale en de gemeentelijke referenda nog bijzondere aandacht. 1. Betekenis van het raadgevend referendum Indien de meerderheid die heeft tegengestemd ten minste dertig procent van de kiesgerechtigden omvat, geldt de uitslag van een referendum als een raadgevende uitspraak tot afwijzing (artikel 5). In de toelichting wordt gesteld dat van een dergelijke uitslag een werking uitgaat die vrijwel even bindend zal zijn als de formele binding bij een correctief referendum.(zie noot 3) Aan deze stelling wordt vervolgens toegevoegd dat er in juridische zin verschil bestaat. Naar het oordeel van de Raad van State gaat de stelling echter voorbij aan de belangrijke consequenties van de juridische verschillen tussen de twee referendumvormen. Ook al zal de regelgever het waarschijnlijk in veel gevallen prudent achten om gevolg te geven aan de raadgevende uitspraak, dat neemt niet weg dat hij onder alle omstandigheden de bevoegdheid houdt gemotiveerd zijn eigen, van het kiezersoordeel afwijkende keuze te maken. Juist de mogelijkheid om zo te handelen (en daarvoor dan ook de verantwoordelijkheid te dragen) en het ontbreken van het beslissende kiezersoordeel is kenmerkend voor deze vorm van referendum. Ware de stelling in de toelichting juist dan zou het onderhavige voorstel herziening van de Grondwet vereisen. Zolang het bindende correctieve referendum niet bestaat, draagt de Grondwet de verantwoordelijkheid voor de wetgeving bij uitsluiting op aan de wetgever. De Raad beveelt aan geen suggesties te wekken met betrekking tot de mogelijke werking van de voorgestelde referendumvorm en de verschillen met een bindend referendum duidelijk aan te geven. 2. Wetgevingsreferendum In zijn advies van 11 oktober 1999 over enkele aspecten van een raadgevend correctief referendum heeft de Raad van State gewezen op de mogelijkheden om bij algemene wet te bepalen dat wetten vóór hun inwerkingtreding aan een referendum kunnen worden onderworpen, tenzij het gaat om een wet die behoort tot een uitgesloten categorie. De Raad merkte in dat verband tevens op dat daarbij geldt dat een afzonderlijke wet die volgens de «referendumwet» referendabel zou zijn, zich daaraan kan onttrekken door hetzij uitdrukkelijk te bepalen dat zij niet voor referendum vatbaar is, hetzij een inwerkingtredingsbepaling te bevatten die zich niet verdraagt met toepassing van een referendum. Hij voegde daaraan toe dat het in het laatste geval vanzelf spreekt dat in de memorie van toelichting uitdrukkelijk op die consequentie wordt gewezen. Tegen die achtergrond moet het stelsel van de artikelen 12 en volgende van het wetsvoorstel worden gelezen. Dat betekent dat de bijzondere inwerkingtredingsbepalingen van de artikelen 11 tot en met 14 gelden tenzij in een latere wet ten aanzien van de inwerkingtreding daarvan uitdrukkelijk anders is bepaald, dat wil zeggen dat daarin een formule voorkomt in de trant van «In afwijking van (de) artikel(en) (11 en) 12 van de Tijdelijke referendumwet geldt voor de inwerkingtreding van deze wet het volgende». In de memorie van toelichting behoort de afwijking van het Trw-stelsel vervolgens te worden gemotiveerd. Artikel 15 van het wetsvoorstel bepaalt dat in de afwijkingsformule zal moeten worden verwezen naar dat artikel, en dat de afwijkende inwerkingtredingsregeling niet afdoet aan de mogelijkheid een referendum te houden. Deze bepaling ontmoet op zichzelf bij de Raad geen bezwaar. De Raad wijst er echter op dat het artikel meer suggereert dan het, strikt genomen, kan waarmaken. Het gezag van de Trw ten opzichte van latere wetten is het gezag van een algemene wet ten opzichte van een bijzondere wet. Nu de algemene wet naar positief recht van dezelfde rang is als de bijzondere wet - ons staatsrecht kent niet de figuur van de organieke wet die boven de gewone wet staat - kan de algemene wet de latere, bijzondere wetgever niet ten principale binden. Hieruit volgt dat als in een latere wet uitdrukkelijk een van (de) artikel(en) (11 en) 12 Trw afwijkende regeling voor de inwerkingtreding wordt gegeven doch zonder dat daarbij wordt verwezen naar artikel 15, die regeling toch voorgaat boven die van de Trw. Is in een bepaald geval onmiddellijke inwerkingtreding nodig (de situatie waarop artikel 15 ziet), dan verdient het natuurlijk de voorkeur dat de weg van artikel 15 wordt gevolgd. Doch als het erop aankomt heeft het eerste lid van dat artikel slechts adhortatieve betekenis. Ook artikel 12 is in dit licht bezien - trouwens ook tegen de achtergrond van het eerste lid van artikel 15 - al te stellig; aan de bepaling zou het voorbehoud moeten worden toegevoegd dat ze geldt tenzij in de betrokken wet uitdrukkelijk anders is bepaald. De Raad wijst er nog op dat uit het voorgaande ook volgt dat het juridisch mogelijk is dat in een wet die volgens de regels van de Trw referendabel zou zijn, bepaald wordt dat zij niet aan een referendum kan worden onderworpen. De Raad adviseert in de memorie van toelichting een beschouwing over de verhouding tussen de Trw en latere wetten op te nemen in de lijn van het vorenstaande, en artikel 12 aan te vullen. 3. Provinciale en gemeentelijke referenda Het wetsvoorstel bevat ook een regeling voor provinciale en gemeentelijke raadgevende referenda. De Raad zal hierna eerst ingaan op de vraag hoe opportuun een dergelijke regeling is. Vervolgens bespreekt hij de betekenis van de voorgelegde wettelijke regeling voor bestaande en eventueel nieuw vast te stellen referendumverordeningen. Daarna volgt een beschouwing over de vraag wat de strekking van de eventuele regeling in deze wet zou kunnen zijn. a. Op het eerste gezicht lijkt het niet onlogisch dat het wetsvoorstel een regeling wil geven voor provinciale en gemeentelijke raadplegende referenda, nu het voorstel tot wijziging van de Grondwet waarop het onderhavige wetsvoorstel is geënt ook een bepaling over referenda betreffende provinciale en gemeentelijke referenda bevatte. Bij nadere beschouwing is het echter minder vanzelfsprekend. De grondwetswijziging was in het bijzonder nodig om een bindend wetgevingsreferendum te kunnen invoeren. Nu dit vooreerst niet kon worden verwezenlijkt, is teruggevallen op een tijdelijke optie: de mogelijkheid van een raadplegend referendum over wetten (alsmede over de goedkeuring van verdragen); een dergelijke mogelijkheid bestaat tot dusverre niet. Op provinciaal en gemeentelijk niveau ligt dat echter anders. Sedert enkele jaren bestaan er verschillende gemeentelijke referendumverordeningen; provinciale referendumverordeningen kunnen evenzeer worden vastgesteld zodra dat gewenst wordt geacht. De Trw is, met andere woorden, niet nodig als grondslag om op provinciaal of gemeentelijk niveau referendummogelijkheden te kunnen scheppen. Daarmee rijst de vraag wat het belang is van de voorgestelde regeling,(zie noot 4) indien men zich realiseert dat de achterkant van de medaille is dat wordt ingegrepen in bestaande referendumverordeningen. Een denkbare optie is dan ook, de provinciale en gemeentelijke besluiten in het onderhavige wetsvoorstel buiten beschouwing te laten en die pas in een regeling bij wet te betrekken zodra de Grondwet het mogelijk zal maken verschillende vormen van bindende referenda in te voeren. Op grond van het vorenstaande geeft de Raad in overweging, de Trw te beperken tot nationale referenda. Voor het geval wordt vastgehouden aan een regeling van provinciale en gemeentelijke referenda, wijst de Raad op het volgende. b. De memorie van toelichting wijdt in paragraaf 15 met reden aandacht aan de verhouding van de Trw tot bestaande en eventueel nog tot stand te brengen provinciale en gemeentelijke verordeningen. Het betoog is echter nogal lang, weinig systematisch, niet altijd juist en op een enkel punt met zichzelf in tegenspraak. Naar het oordeel van de Raad dient allereerst de vraag te worden behandeld welke bestaande referendumverordeningen krachtens de artikelen 119 van de Provinciewet en 122 van de Gemeentewet van rechtswege vervallen bij het in werking treden van de Trw. Dat zijn de verordeningen «in wier onderwerp wordt voorzien» door die wet. De gebruikelijke uitleg van de genoemde bepalingen brengt mee dat «onderwerp» nogal strikt moet worden opgevat en «voorzien» tamelijk ruim. Met inachtneming van de in de toelichting genoemde motief- of belangenleer kan ervan worden uitgegaan dat het onderwerp van de Trw is: raadgevende referenda (betreffende wetten en sommige besluiten); de wet gaat dus niet over bindende referenda, en evenmin over raadplegende, dat wil zeggen op initiatief van het bevoegd gezag te houden referenda. Anderzijds moet «voorzien» ruim worden opgevat, wat hier meebrengt dat alle (bepalingen van) provinciale en gemeentelijke verordeningen die een regeling bevatten voor raadgevende referenda van rechtswege komen te vervallen, ook al betreffen ze (eventueel: mede) andere besluiten of beslissingen dan die welke onder de Trw referendabel zullen zijn. Alle overige referendumverordeningen daarentegen worden door de inwerkingtreding van de Trw niet beroerd. Vervolgens moet worden bezien welke aanvullingsbevoegdheid voor de provincie- en gemeentebesturen overblijft krachtens de artikelen 118 van de Provinciewet en 121 van de Gemeentewet. In dat kader is beslissend in hoeverre de Trw een uitputtende regeling geeft voor haar onderwerp, het raadgevende referendum inzake (sommige) wetten en (sommige) besluiten. Eveneens krachtens gebruikelijke interpretatie van de betrokken bepalingen mag uitputtendheid in deze zin niet spoedig worden aangenomen. Aanvullingsbevoegdheid bestaat in elk geval voorzover bepalingen van verordeningen, als ze reeds hadden bestaan, niet ingevolge artikel 119 van de Provinciewet of 122 van de Gemeentewet zouden zijn vervallen. Er hoeft dus alleen nog te worden bezien of er een aanvullingsbevoegdheid bestaat met betrekking tot raadgevende referenda betreffende andere besluiten of beslissingen dan die welke onder de Trw vallen. Er is geen reden om aan te nemen dat die bevoegdheid er op enig punt niet zou zijn. Naar het oordeel van de Raad kunnen alleen voorbereidingsbeslissingen met betrekking tot volgens de Trw referendabele besluiten (zoals beleidsvoornemens en ontwerpbesluiten) niet bij verordening aan de mogelijkheid van een raadgevend referendum worden onderworpen: dat zou in strijd komen met het stelsel van de Trw. In paragraaf 15.3 behandelt de memorie van toelichting, onder het kopje «Raadgevende referenda over datgene wat buiten dit voorstel valt», de samenhang van het wetsvoorstel met de voorstellen tot grondwetsherziening. Daarin wil men een argument ontlenen om geen raadplegende referenda mogelijk te achten welke niet in de wet - dat wil zeggen in de Trw - zijn voorzien. Dat betoog kan niet overtuigen. Niet alleen houdt het geen rekening met het verschil tussen bindende en niet-bindende referenda (bij het eerste type past eerder een terughoudende opvatting over de aanvullingsbevoegdheid dan bij het tweede type), ook wordt over het hoofd gezien dat het grondwetsherzieningsvoorstel een uitdrukkelijke bepaling kende in de vorm van artikel 128a van de Grondwet, die de materie regelde.(zie noot 5) Het voorliggende wetsvoorstel bevat een dergelijke bepaling echter niet, en reeds dat maakt een wezenlijk verschil. De Raad beveelt overigens niet aan een bepaling in dit wetsvoorstel op te nemen die aanvullingsbevoegdheid met betrekking tot raadgevende referenda uitsluit, nu niet valt in te zien wat er op tegen is bij verordening te bepalen dat méér provinciale of gemeentelijke beslissingen aan een raadgevend referendum zouden kunnen worden onderworpen dan het geval zal zijn op grond van de Trw.(zie noot 6) De Raad adviseert paragraaf 15 van de memorie van toelichting te vervangen door een beschouwing in de geest van het vorenstaande. Dan kan het schema aan het slot van paragraaf 15.3 worden gemist. Dat is nauwelijks te doorgronden - ook al doordat de betekenis van de plussen en de minnen niet wordt verklaard - en maakt geen duidelijk verschil tussen de vragen (1°.) wat van rechtswege vervalt bij de inwerkingtreding van de Trw, en (2°.) welke aanvullingsbevoegdheid overblijft voor provincie- en gemeentebesturen. c. Uit het vorenstaande kan worden geconcludeerd dat de materiële betekenis van de Trw voor provinciale en gemeentelijke besluiten ligt in de aanwijzing van de besluiten waarvan de wetgever meent dat ze in elk geval in alle provincies en gemeenten referendabel horen te zijn(zie noot 7); de provincie- en de gemeentebesturen behouden ruime bevoegdheid om andere beslissingen op enigerlei wijze referendabel te maken. De bestaande referendumverordeningen kennen uiteenlopende typen regelingen voor referendumprocedures, de bepaling wanneer een uitslag «geldig» is, en dergelijke. Naar het oordeel van de Raad verdient het overweging, van de gelegenheid die de Trw biedt gebruik te maken om hier de nodige harmonisatie - en daarmee grotere duidelijkheid - te brengen. Daartoe zou in de Trw uitdrukkelijk kunnen worden bepaald dat alle bestaande provinciale en gemeentelijke referendumverordeningen komen te vervallen, en dat - nu de colleges van provinciale staten en de gemeenteraden vervolgens van hun aanvullingsbevoegdheid gebruik kunnen maken tegen de achtergrond van artikel 8 Trw - hoofdstuk 3, de paragrafen 3 en 4, alsmede de hoofdstukken 4 tot en met 11 van de wet zoveel mogelijk van (overeenkomstige) toepassing zijn op andere provinciale en gemeentelijke referenda dan de in de wet voorziene.(zie noot 8) De Raad adviseert het wetsvoorstel in deze zin aan te vullen. 4. Bestemmingsplannen Ingevolge artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b, van het wetsvoorstel kan een referendum worden gehouden over een besluit van de gemeenteraad tot vaststelling, herziening of intrekking van een bestemmingsplan, voorzover het niet strekt tot uitvoering van in de bijlage bij het wetsvoorstel genoemde besluiten of wettelijke voorschriften. In de toelichting wordt met betrekking tot het referendabel maken van het bestemmingsplan opgemerkt dat hierover bij de behandeling in de Eerste Kamer der Staten-Generaal van het wetsvoorstel tot wijziging van de Grondwet inzake het correctief referendum in tweede lezing al richtinggevende uitspraken zijn gedaan.(zie noot 9) De inhoud van deze «richtinggevende uitspraken» wordt echter niet uiteengezet. Ook overigens geeft de memorie van toelichting, die een volledige en dragende motivering behoort te bevatten, niet een zelfstandige inhoudelijke motivering voor het voorstel om het bestemmingsplan referendabel te maken. Dit gemis klemt temeer nu op grond van het wetsvoorstel bestemmingsplannen wel aan een referendum kunnen worden onderworpen, terwijl belangrijke provinciale en nationale ruimtelijke plannen, zoals streekplannen, tracébesluiten en planologische kernbeslissingen niet referendabel zijn. Op basis van het nieuwe artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening(zie noot 10), zal binnenkort de zelfstandige projectprocedure in vele gevallen een alternatief voor een bestemmingsplan vormen. Ook besluiten op grond van die procedure zullen op grond van dit voorstel niet referendabel zijn. De Raad acht dit zonder nadere motivering een nogal willekeurige keuze. Hij wijst erop dat het in de lijn der verwachting ligt dat, mede als gevolg van het toenemend aantal projectwetten, de bovenlokale ruimtelijke plannen steeds vaker (groepen) burgers in betekenende mate rechtstreeks zullen raken. Bovendien zullen dergelijke bovenlokale ruimtelijke plannen in toenemende mate bestemmingsplannen beïnvloeden. Voorzover er sprake is van doorwerking van bovengemeentelijk beleid zijn ook bestemmingsplannen geheel dan wel gedeeltelijk van een referendum uitgezonderd. Het betreft dan bestemmingsplannen die strekken tot uitvoering van één van de in de bijlage bij artikel 8, tweede lid, onder b, Trw genoemde besluiten en wettelijke voorschriften. Dit kan leiden tot lastige en omstreden afbakeningsproblemen, en daarmee reeds het al of niet referendabel zijn van (onderdelen van) raadsbesluiten tot voorwerp van discussie maken. De Raad mist ook aandacht voor de relatie tussen het bestemmingsplan en de zelfstandige projectprocedure en de mogelijk daaruit voortvloeiende problemen. Met gebruikmaking van de zelfstandige projectprocedure kan een college van burgemeester en wethouders ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van een geldend bestemmingsplan zonder dat het langer noodzakelijk is dat wordt vooruitgelopen op een herziening daarvan. De zelfstandige projectprocedure wordt in dit wetsvoorstel echter niet aangewezen als referendabel besluit. Daardoor ontstaat het risico dat gemeentebesturen al te gemakkelijk gebruik zullen maken van de zelfstandige projectprocedure teneinde te voorkomen dat een ruimtelijk besluit aan een referendum kan worden onderworpen. Ten slotte wijst de Raad erop dat de referendummogelijkheid de toch al zo complexe besluitvormingsprocedure bij bestemmingsplannen - inspraak krachtens de gemeentelijke inspraakverordening, toepassing van de openbare voorbereidingsprocedure met de mogelijkheid voor eenieder om zienswijzen kenbaar te maken, vaststelling door de gemeenteraad, goedkeuring door gedeputeerde staten na een bedenkingenprocedure, alsmede de mogelijkheid van beroep bij de administratieve rechter - met nog een extra element dreigt te verzwaren.(zie noot 11) De Raad beveelt naar aanleiding van het voorgaande aan, de mogelijkheid om bestemmingsplannen aan een raadgevend referendum te onderwerpen geheel te schrappen. 5. Procedure bij stilzwijgende goedkeuring Als een raadgevend referendum is gehouden over de stilzwijgende goedkeuring van een verdrag dat in het nadeel van die stilzwijgende goedkeuring is uitgevallen, beslist de regering zo spoedig mogelijk over de indiening van een wetsvoorstel dat strekt tot intrekking van de eerder stilzwijgend verleende goedkeuring (artikel 18, tweede lid). Er kan een probleem ontstaan in gevallen waarin de regering heeft besloten geen voorstel van wet tot intrekking van de goedkeuring in te dienen. Aannemelijk is dat dan, in ieder geval in de Tweede Kamer en eventueel ook in de Eerste, een debat zal worden gehouden naar aanleiding van dit regeringsbesluit. Zo’n debat zal doorgaans worden afgesloten met een stemming en politieke conclusies. Er kan echter een onduidelijkheid ontstaan indien de Tweede en de Eerste Kamer tot verschillende conclusies komen. Die onduidelijkheid vormt op zichzelf geen probleem: binnen het politieke krachtenspel zal wel een oplossing worden bereikt. De slotzin van artikel 18 wekt echter met de woorden «nadat definitief is beslist» een schijn van exactheid die er dus niet altijd zal zijn. Wordt de slotzin weggelaten, dan is de regering formeel bevoegd het verdrag te bekrachtigen vanaf het moment dat de referendumuitslag onherroepelijk is vastgesteld (artikel 18, eerste lid). Of zij deze bevoegdheid ook zal uitoefenen zal echter worden bepaald binnen de politieke verantwoordingsrelatie van de regering ten opzichte van de Staten-Generaal. Het verdient daarom aanbeveling de slotzin van artikel 18 te schrappen. 6. Samenvattingen Artikel 117 regelt de voorlichting over de wet of het besluit dat voorwerp van een referendum zal zijn. In de eerste plaats wordt voorzien in verkrijgbaarstelling van wet of besluit waarover een referendum zal plaatsvinden. In de tweede plaats bepaalt artikel 117 dat de betrokken minister, de commissaris van de Koning of de burgemeester een samenvatting van de betrokken wet of het besluit vaststellen. De Raad ziet weinig heil in de voorgeschreven samenvatting. Er zal licht discussie ontstaan over de objectiviteit daarvan, een discussie die afbreuk zal doen aan het publieke debat over wet of besluit waarop het referendum betrekking heeft. Het is naar de mening van de Raad beter voorlichting als aanvulling op het algemeen beschikbaar stellen van wet of besluit over te laten aan het publieke debat tussen voor- en tegenstanders ervan. De Raad adviseert daarom het tweede, derde en vierde lid van artikel 117 te schrappen en het vijfde lid dienovereenkomstig aan te passen. 7. Van overeenkomstige toepassing verklaring De Raad wijst erop dat het noodzakelijk is in de voorgestelde artikelen 121, 122 en 123 Trw ten aanzien van de hoofdstukken K, L en M van de Kieswet - evenals dat is gedaan ten aanzien van de andere hoofdstukken van de Kieswet die van overeenkomstige toepassing zijn verklaard - specifiek aan te geven welke artikelen van overeenkomstige toepassing worden verklaard. Zo komen in de bijlage bij de memorie van toelichting in de hoofdstukken K, L en M bijvoorbeeld veelvuldig de woorden «dag van de kandidaatstelling» voor. In het voorgestelde artikel 120, dat betrekking heeft op artikelen van hoofdstuk J, wordt voorgesteld in plaats van de aangehaalde woorden te lezen: datum van het in artikel 113 bedoelde koninklijk besluit. De Raad adviseert deze wijziging alsmede eventuele andere noodzakelijke aanpassingen ook door te voeren in de artikelen 121 tot en met 123. 8. Financiële gevolgen Wat de financiële gevolgen van het wetsvoorstel betreft, wordt in de toelichting een onderscheid gemaakt tussen de uitvoering door de gemeentebesturen van een nationaal of provinciaal referendum en de uitvoering door de gemeentebesturen of provincies van een gemeentelijk respectievelijk provinciaal referendum.(zie noot 12) Met betrekking tot deze laatste categorie wordt opgemerkt dat het niet in het voornemen ligt voor de kosten van dergelijke referenda compensatie te bieden. Gesteld wordt dat het referendum uit hoofde van het onderhavige voorstel een algemeen instrument is dat waar nodig een aanvulling kan zijn op het vertegenwoordigend stelsel. De daaruit voortvloeiende kosten worden aangemerkt als algemene bestuurskosten waar de algemene uitkeringen van Gemeente- en Provinciefonds reeds in voorzien. Het voorgaande neemt niet weg dat geen enkel inzicht bestaat in de kosten die uit de toepassing van de wet kunnen voortvloeien, kosten die met name voor sommige gemeenten onevenredig hoog zouden kunnen uitvallen vergeleken met andere gemeenten. Dat inzicht valt op dit ogenblik ook niet te verwerven. Tegen die achtergrond adviseert de Raad in de toelichting een passage op te nemen waarin wordt toegezegd dat de ontwikkelingen zullen worden gevolgd en dat nader beraad nodig is indien mocht blijken dat gemeenten met hoge uitvoeringskosten worden geconfronteerd. 9. Voor redactionele kanttekeningen verwijst het college naar de bij het advies behorende bijlage. De Raad van State geeft U in overweging het voorstel van wet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden. De Vice-President van de Raad van State
Documenten (1)