Raad van State
Ontwerpbesluit houdende regels inzake diervoerders (Besluit diervoeders), met nota van toelichting.
Jaar: 2019
Documenten: 1
Ontwerpbesluit houdende regels inzake diervoerders (Besluit diervoeders), met nota van toelichting.Bij Kabinetsmissive van 28 mei 2004, no.04.002103, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, in overeenstemming met de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende regels inzake diervoerders (Besluit diervoeders), met nota van toelichting.Het ontwerpbesluit is gebaseerd op de Kaderwet diervoeders en strekt ter implementatie van enkele Europese richtlijnen. Daaraan werd in het verleden uitvoering gegeven in verordeningen van het Productschap Diervoeder en in ministeriële regelingen op grond van de Landbouwwet. De regels in het ontwerpbesluit zijn materieel dezelfde als de regels die tot nu toe waren neergelegd in die verordeningen en regelingen.De Raad van State maakt naar aanleiding van het ontwerpbesluit opmerkingen met betrekking tot enkele delegatiebepalingen en de implementatie. Hij is van oordeel dat het ontwerpbesluit in verband daarmee deels nader dient te worden overwogen.1. Delegatiebepalingena. In het ontwerpbesluit is een drietal ruime delegatiebepalingen opgenomen. Het betreft ten eerste artikel 24, op grond waarvan ter uitvoering van communautaire maatregelen terzake van toevoegingsmiddelen, vervangende voederproteïnen, voormengsels of diervoeders bij ministeriële regeling regels kunnen worden gesteld met betrekking tot een aantal in dat artikel genoemde onderwerpen. Deze onderwerpen zijn dezelfde als genoemd in artikel 4 en artikel 8 van de Kaderwet diervoeders, op grond waarvan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld met betrekking tot die onderwerpen. Volgens de toelichting zal het voorgestelde artikel 24 gebruikt worden om uitvoering te geven aan een aantal verordeningen, waarbij het enkel zal gaan om het stellen van uitvoeringsregels, zoals de strafbaarstelling van overtreding van voorschriften uit de verordeningen en het aanwijzen van autoriteiten die bevoegd zijn om bepaalde taken uit te voeren die in een verordening kunnen worden genoemd.(zie noot 1)De tweede ruime delegatiebepaling is vervat in artikel 27, op grond waarvan op ministerieel niveau eisen als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de Kaderwet diervoerders worden gesteld ter uitvoering van communautaire maatregelen. Deze bevoegdheid zal worden gebruikt om de minimumeisen voor het bereiden, be- of verwerken, opslaan, verpakken en afleveren van diverse aangewezen toevoegingsmiddelen, vervangende voederproteïnen, en van voormengsels en mengvoeders waarin die toevoegingsmiddelen aanwezig zijn, uit richtlijn nr. 95/69/EG(zie noot 2) te implementeren.(zie noot 3)Ten slotte regelt artikel 28 dat er ministeriële regels kunnen worden gesteld voor bepaalde voedingsmiddelen, waarvoor geen vergunning is verleend en die zich in een proefstadium bevinden of die voor onderzoeksdoeleinden worden gebruikt. De grondslag hiervoor is artikel 36 van de Kaderwet diervoeders.De Raad merkt op dat bij de implementatie van Europese richtlijnen in beginsel moet worden vastgehouden aan de normale regels die gelden voor het antwoord op de vraag of regeling bij wet, bij algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling dient te geschieden.De Raad is van oordeel dat de voorgestelde artikelen 24, 27 en 28 van het ontwerpbesluit niet aan vorengenoemde voorwaarden voldoen, omdat de artikelen geen nadere uitwerking van de bepalingen uit de Kaderwet diervoeders geven, maar de onderwerpen slechts delegeren naar ministeriële regeling. Hierdoor zijn deze artikelen lege bepalingen.Daarnaast wordt opgemerkt dat het niet is uitgesloten dat bij implementatie van toekomstige regelgeving de bepalingen niet louter technisch en specifiek zijn en ruimte laten voor keuzen van beleidsinhoudelijke aard.Naar het oordeel van de Raad dienen de hoofdregels ter uitwerking van de artikelen 4, 8, 11 en 36 van de Kaderwet diervoerders in het ontwerpbesluit te worden opgenomen.b. De toelichting bij artikel 28 van het ontwerpbesluit sluit niet aan bij de tekst van dat artikel. Volgens de toelichting wordt als eis gesteld aan het gebruik van bepaalde voedingsmiddelen, waarvoor geen vergunning is verleend en die zich in een proefstadium bevinden of die voor onderzoeksdoeleinden worden gebruikt, dat een vergunning door de minister is verleend.(zie noot 4) Op grond van artikel 28 worden nadere regels gesteld aan dat gebruik.Indien een vergunningstelsel is beoogd, dienen, mede gelet op het gestelde onder a, de nader te omschrijven gedragingen waarvoor een vergunningplicht wordt ingesteld, in een algemene maatregel van bestuur te worden opgenomen.De Raad adviseert, met inachtneming van het gestelde onder a, artikel 28 van het ontwerpbesluit aan te passen en de toelichting op dat artikel daarmee in overeenstemming te brengen.2. DefinitieIn artikel 15 wordt het begrip “volledig diervoeder” gebruikt. Dit begrip is niet in de Kaderwet diervoeders noch in het ontwerpbesluit gedefinieerd. Het begrip is wel omschreven in een aantal richtlijnen.(zie noot 5) De Raad adviseert in het ontwerpbesluit een definitie van “volledig diervoeder” overeenkomstig de tekst van de richtlijnen op te nemen.3. Voor redactionele kanttekeningen verwijst de Raad naar de bij het advies behorende bijlage.De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.De waarnemend Vice-President van de Raad van State
Bron:
raadvanstate.nl
Documenten (1)
-
raadvanstate.nl5 pagina's, pdf Tekst