Raad van State
Nota van wijziging op het voorstel van wet tot wijziging van de Wet inkomstenbelasting 2001, de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001 en enige andere belastingwetten c.a. (Veegwet Wet inkomstenbelasting 2001), met toelichting.
Jaar: 2019
Documenten: 1
Nota van wijziging op het voorstel van wet tot wijziging van de Wet inkomstenbelasting 2001, de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001 en enige andere belastingwetten c.a. (Veegwet Wet inkomstenbelasting 2001), met toelichting.Bij Kabinetsmissive van 26 oktober 2000, no.00.005871, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de de Staatssecretaris van Financiën, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt de nota van wijziging op het voorstel van wet tot wijziging van de Wet inkomstenbelasting 2001, de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001 en enige andere belastingwetten c.a. (Veegwet Wet inkomstenbelasting 2001), met toelichting. De nota van wijziging op het wetsvoorstel Veegwet Wet inkomstenbelasting 2001 geeft uitwerking aan het zogenaamde dieselakkoord in verband met de hoge brandstofprijzen. Het betreft de volgende maatregelen op het gebied van de brandstofaccijns en de motorrijtuigenbelasting (MRB): a. verhoging teruggaaf voor zware vrachtauto’s (verhoging regeling paarse diesel); b. uitbreiding regeling paarse diesel tot kleine vrachtauto’s, bussen en bestelauto’s; c. uitbreiding regeling paarse diesel tot taxi’s; d. invoering stimuleringsregeling laagzwavelige diesel; e. differentiatie in de MRB voor zware vrachtauto’s naar aantal assen en luchtvering; f. voor het jaar 2000 laten vervallen van het jaarlijkse maximum en vanaf 2001 van het minimum per tankbeurt voor de toepassing van de teruggaafregeling. De Raad van State maakt naar aanleiding van de nota van wijziging een aantal opmerkingen. Hij is van oordeel dat in verband daarmee aanpassing van de inhoud en opneming daarvan in een afzonderlijk wetsvoorstel wenselijk is. Algemeen. 1. De in deze nota van wijziging opgenomen maatregelen vertonen inhoudelijk geen samenhang met het wetsvoorstel dat wordt gewijzigd. In verband daarmee adviseert de Raad om de voorgestelde bepalingen op te nemen in een afzonderlijk wetsvoorstel. 2. De in de nota van wijziging opgenomen maatregelen strekken tot compensatie van de hoge brandstofprijzen voor - kort gezegd - de transportsector en de taxibranche. Andere sectoren die evenzeer te lijden hebben onder de hoge brandstofprijzen zullen niet of nauwelijks kunnen meeprofiteren van de voorgestelde maatregelen. De Raad acht het noodzakelijk toe te lichten waarom de regering van mening is dat deze vorm van ongelijke behandeling toelaatbaar is. De Raad adviseert de toelichting aan te vullen. 3. De Raad heeft meermalen het instrumentele gebruik van de belastingwetgeving en fiscale subsidies in zijn advisering betrokken. De Raad wijst het instrument als zodanig niet zonder meer af, maar kan niet voorbijgaan aan de spanning die het opnemen van fiscale subsidies in een heffingswet, waarin de budgettaire functie op de eerste plaats staat, oproept. De Raad constateert dat de voorgestelde teruggaaf van accijnzen inbreuk maakt op het fiscale stelsel aangezien ondernemers dergelijke belastingen gewoonlijk doorberekenen in de prijzen, hetgeen tot de vraag leidt naar het uiteindelijke effect van de maatregelen. De Raad is van mening dat mede om deze reden het invoeren van een directe subsidieregeling meer in de rede zou liggen. De Raad adviseert aan dit aspect aandacht te besteden. 4. Blijkens berichten in de pers heeft de Commissie in het kader van het staatssteuntoezicht aan verschillende lidstaten vragen gesteld over de door hen getroffen compensatiemaatregelen.(zie noot 1) Ook aan Nederland zijn kennelijk vragen gesteld. Hierbij is van belang dat elk voornemen tot het treffen van een steunmaatregel moet worden aangemeld bij de Europese Commissie en dat een dergelijke maatregel pas ten uitvoer kan worden gelegd nadat goedkeuring is verkregen. De Raad adviseert met de staatssteunaspecten rekening te houden en hierop in de toelichting nader in te gaan. Paarse diesel. 5. Met betrekking tot de intensivering van de regeling inzake paarse diesel voor zware vrachtauto’s is van belang artikel 3, vijfde lid, van de derogatiebeschikking(zie noot 2), waarin is bepaald dat Nederland verlaging van de accijnstarieven op diesel voor bedrijfsvoertuigen mag toepassen op voorwaarde dat dergelijke tarieven niet onder de in de gemeenschapswetgeving vastgestelde minimumtarieven liggen. De Raad adviseert om in de toelichting op dit aspect in te gaan. 6. De uitbreiding regeling paarse diesel tot kleine vrachtauto’s, bussen en bestelauto’s is beperkt van opzet. De regeling zal alleen gelden met betrekking tot in het jaar 2000 getankte diesel. Verder is met betrekking tot bussen en bestelauto’s de beperking aangebracht dat de houder in het bezit moet zijn van een vergunning voor het verrichten van openbaar of besloten busvervoer, onderscheidenlijk een vergunning voor beroepsvervoer dan wel dat er sprake is van een inschrijving in het Handelsregister waaruit blijkt dat het vervoer van goederen tot de hoofdtaken van het bedrijf behoort. De eenmalige teruggaafregeling 2000 voor lichte vrachtauto’s, bussen en bestelauto’s is gekoppeld aan de vergunning voor personen-, onderscheidenlijk goederenvervoer. Voor bestelauto’s is een inschrijving in het Handelsregister noodzakelijk. De achtergrond voor deze extra voorwaarden zal zijn dat bij deze categorieën allerlei vormen van niet-bedrijfsmatig gebruik voorkomen, in het bijzonder (op grote schaal) waar het bestelauto’s betreft. Het Handelsregister biedt daarvoor echter een ongeschikt aanknopingspunt. Niet in alle gevallen is immers inschrijving in het Handelsregister verplicht. Voorts zullen buitenlandse ondernemers niet gemakkelijk aan de voorwaarden voor toepassing van de regeling kunnen voldoen. Zo zal niet snel aan de voorwaarde van een inschrijving in het Nederlandse Handelsregister worden voldaan. Daarmee kan de regeling een belemmering van het vrije verkeer in de Europese Unie vormen. In verband daarmee adviseert de Raad om te voorzien in een regeling die ook voor buitenlandse ondernemers een reële mogelijkheid biedt om in aanmerking te komen voor de teruggaafregeling. De Raad adviseert de regeling aan te passen. Laagzwavelige diesel. 7. De voorgestelde stimuleringsmaatregel voor laagzwavelige diesel geeft de Raad aanleiding tot een tweetal opmerkingen. a. De stimuleringsregeling inzake laagzwavelige diesel stimuleert het gebruik van bepaalde producten en bepaalde productieprocessen, en is voorts beperkt tot het gebruik in zware vrachtauto’s en autobussen. De gekozen opzet brengt naar het oordeel van de Raad verschillende doelstellingen samen die moeilijk met elkaar te verenigen zijn. De stimuleringsmaatregel is erop gericht het milieu te ontzien en zou uit dien hoofde moeten gelden voor eenieder die deze diesel gebruikt. De maatregel is echter beperkt tot zware vrachtauto’s en autobussen. Dit maakt de regeling kwetsbaar uit het oogpunt van het gelijkheidsbeginsel. Ook kan dit in het kader van de staatssteuntoets problemen opleveren. Het in de toelichting gegeven argument dat laagzwavelige diesel nog slechts beperkt verkrijgbaar is, rechtvaardigt nog niet dat slechts een bepaalde groep van deze regeling zal kunnen profiteren. Overigens kan ook de in de toelichting (algemeen deel) vermelde overcompensatie van 5,2 cent per liter bij een generieke verlaging van de accijns, zoals voorzien in artikel XIIIF, in het kader van het staatssteuntoezicht problematisch zijn. In verband met het voorgaande adviseert de Raad de stimuleringsmaatregel voor laagzwavelige diesel opnieuw te bezien. b. Ten aanzien van de stimuleringsregeling voor laagzwavelige diesel is een derogatieverzoek ingediend. De inwerkingtreding geschiedt in verband daarmee bij koninklijk besluit. Daarbij wordt echter vermeld dat de maatregel terugwerkende kracht heeft tot 1 januari 2001. Niet kan worden uitgesloten dat in de uiteindelijke beschikking op het derogatieverzoek van een andere datum wordt uitgegaan. De Raad adviseert daarom bij de desbetreffende bepaling met deze mogelijkheid rekening te houden. Motorrijtuigenbelasting. 8. Voorgesteld wordt een tariefdifferentiatie in de MRB. Deze geeft aanleiding tot twee opmerkingen. a. In de algemene toelichting wordt wel opgemerkt dat bij deze tariefdifferentiatie zoveel mogelijk wordt aangesloten bij de systematiek inzake minimumtarieven in de toepasselijke richtlijn, maar wordt niet duidelijk gemaakt of de voorgestelde differentiatie blijft binnen de kaders van de in dat verband geldende minimumtarieven. De Raad adviseert de toelichting te verduidelijken. b. In het algemeen deel van de toelichting wordt gemeld dat de differentiatie voor vrijwel alle zware vrachtauto’s een verlaging inhoudt. In de artikelsgewijze toelichting staat "Door de differentiatie zullen voor alle vrachtauto’s lagere tarieven gelden". De Raad adviseert de toelichting gelijkluidend te maken. 9. Artikel XIIII voorziet in een teruggaafregeling voor MRB over tijdvakken na 1 augustus 2001 indien de desbetreffende belasting eerder wordt betaald. In de toelichting (artikelsgewijs) wordt vermeld dat belastingbetalers een ambtshalve teruggaaf krijgen. Tegen een ambtshalve teruggaaf staan in het belastingrecht geen rechtsmiddelen open. Gezien het karakter van deze teruggaaf verdient het volgens de Raad aanbeveling dat deze geschiedt bij een voor bezwaar vatbare beschikking. Gezien de systematiek van het belastingrecht dient dat dan in de wet uitdrukkelijk te worden bepaald. De Raad adviseert de bepaling in voornoemde zin aan te vullen. De Raad van State geeft in overweging de nota van wijziging aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden. De Vice-President van de Raad van State
Bron:
raadvanstate.nl
Documenten (1)
-
raadvanstate.nl7 pagina's, pdf Tekst