Raad van State
Voorstel van wet met memorie van toelichting tot wijziging van de Wet tot behoud van cultuurbezit in verband met een evaluatie van die wet.
Jaar: 2019
Documenten: 1
Voorstel van wet met memorie van toelichting tot wijziging van de Wet tot behoud van cultuurbezit in verband met een evaluatie van die wet.Bij Kabinetsmissive van 22 december 2000, no.00.006938, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, F. van der Ploeg, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet met memorie van toelichting tot wijziging van de Wet tot behoud van cultuurbezit in verband met een evaluatie van die wet. Met het wetsvoorstel wordt beoogd de Wet tot behoud van cultuurbezit (WBC) te wijzigen. Deze wijzigingen behelzen deels de uitwerking van een evaluatie van de WBC en deels redactionele verbeteringen. De belangrijkste wijziging is dat een roerende zaak niet meer onder het beschermingsregime valt door plaatsing daarvan op een lijst, maar door het als beschermd voorwerp aan te wijzen. De Raad van State maakt naar aanleiding van het wetsvoorstel een aantal opmerkingen. Hij is van oordeel dat in verband daarmee enige aanpassing van het voorstel wenselijk is. 1. Het recht van voorkoop In de toelichting wordt een uiteenzetting gegeven van de redenen waarom in de wetswijziging niet gekozen is voor het opnemen van een recht van voorkoop door de staat. De Raad is van mening dat de argumentatie onvoldoende is. Het recht van voorkoop van de staat is onder andere in de Franse wetgeving geregeld.(zie noot 1) Het houdt in dat tijdens een veiling de staat na de laatste hamerslag een geveild voorwerp tegen de vastgestelde prijs mag aankopen in weerwil van de totstandgekomen overeenkomst. De regering ziet af van opname van een dergelijk recht in de WBC. Als eerste argument wordt aangevoerd dat het recht van voorkoop zich tevens uitstrekt tot niet-beschermde cultuurgoederen. Dit zou een te vergaande inbreuk op het uitgangspunt van de vrije markt van cultuurgoederen vormen. Dit argument komt niet overtuigend over want ook in Nederland heeft de minister de mogelijkheid een voorwerp dat ter veiling wordt aangeboden als beschermd voorwerp te kwalificeren. Vanaf dat moment geldt de kwalificatie als een aanbod tot aankoop door de staat. Het voorwerp moet dan van de veiling worden teruggetrokken en zal dus niet bij de openbare bieding worden aangeboden. Nadeel van dit systeem is dat de koopprijs nog moet worden overeengekomen wat nog een langdurig proces kan zijn. In het Franse systeem staat de prijs meteen vast na de laatste hamerslag. Als tweede argument wordt aangevoerd dat de prijs in Nederland totstandkomt door middel van overleg. Zoals gezegd zal in het Franse systeem onmiddellijk de prijs van het voorwerp vaststaan, wat juist in het Nederlandse systeem niet het geval is. De staat biedt niet mee maar maakt pas achteraf bekend dat zij gebruikmaakt van haar recht van voorkoop. De prijs is in dat geval geheel vrij totstandgekomen. In Nederland kan de procedure, ondanks de verbetering die de wetswijzigingen thans voorstellen, onevenredig lange tijd in beslag nemen, terwijl de uitkomst onzeker is. De Raad beveelt in het licht van het vorenstaande aan in ieder geval in de toelichting een meer overtuigende argumentatie op te nemen. 2. Museaal aankoopfonds Op 20 november 1998 werd besloten 100 miljoen gulden beschikbaar te stellen voor onder andere aankopen in het kader van de WBC. Een deel van de renteopbrengst van dat bedrag wordt jaarlijks aan de Mondriaanstichting uitgekeerd die dit aanwendt voor de aankoop van voorwerpen. Dit aankoopfonds samen met de ter beschikking gestelde 8 miljoen gulden, lijkt een omvangrijk bedrag maar het biedt geen mogelijkheid tot aankoop van werkelijk belangrijke kunstwerken of meerdere grote aankopen in één jaar. De Raad adviseert dit aspect, gelet op de doelstelling van de wet, uitdrukkelijk in de toelichting te behandelen. 3. UNESCO-verdrag 1970 In artikel I, onderdeel G, wordt artikel 6 WBC gewijzigd. In dit artikel is thans bepaald dat een plaatsing op de lijst tevens geldt als aanwijzing in de zin van artikel 1 van de op 17 november 1970 te Parijs totstandgekomen overeenkomst (Trb.1972, nr.50) inzake de middelen om de onrechtmatige invoer, uitvoer of eigendomsoverdracht van culturele goederen te verbieden. Nederland is geen partij bij dit verdrag en heeft het evenmin ondertekend. De vraag rijst waarom deze bepaling gehandhaafd blijft. Het zou in de rede liggen het verdrag te ratificeren, zodat de verwijzing betekenis heeft, of artikel 6 WBC te schrappen. De Raad beveelt aan de regeling op dit punt te heroverwegen. 4. Hoogte verkoopprijs Artikel 11 van de WBC vervalt in het wetsvoorstel. Deze bepaling stelt eisen aan het bedrag dat de minister moet bieden voor het beschermde voorwerp als de minister bedenkingen heeft geuit ten aanzien van de verkoop daarvan. Op grond van artikel 11 WBC kan overdracht van het beschermde voorwerp slechts geschieden tegen "hetzelfde geldbedrag" en onder dezelfde betalingsbedingen als in de aangemelde ontwerpkoopovereenkomst, mits de Raad voor cultuur in zijn ingevolge het geldende artikel 7, vijfde lid, uitgebrachte advies dit eenstemmig heeft voorgesteld. In de toelichting wordt uiteengezet waarom het advies van de Raad voor cultuur alsmede het aanmelden van de ontwerpkoopovereenkomst niet meer gewenst is. Er wordt echter geen aandacht besteed aan het vervallen van het criterium "hetzelfde geldbedrag". Daarmee vervalt de enige bepaling in de WBC waarin de eigenaar van het beschermde voorwerp verzekerd wordt van een behoorlijke prijs voor zijn of haar beschermde voorwerp als dit door de staat zal worden aangekocht. Een bepaling in de WBC die de totstandkoming van een reële prijs waarborgt, acht de Raad wenselijk. De Raad beveelt aan de regeling op dit punt aan te passen. 5. Schriftelijke mededeling Het voornemen tot het verrichten van bepaalde rechtshandelingen, zoals verkoop, moet ingevolge het gewijzigde artikel 7 schriftelijk aan de inspecteur worden gemeld. Maar voor de wijziging van de verblijfplaats van een beschermd voorwerp is een schriftelijke melding vooraf niet voorgeschreven. Een verplaatsing kan echter, evenals het verlenen van een zakelijk recht op het voorwerp, grote gevolgen hebben. De Raad beveelt aan de verplichting om de verplaatsing van het voorwerp schriftelijk te melden aan de inspecteur, in de bepaling op te nemen. 6. Spoedprocedure De verwijzing in artikel I, onderdeel H, derde lid, lijkt onjuist. Deze bepaling wijzigt artikel 7, tweede lid, tweede volzin. Thans luidt die zin: Tenzij na melding van het ter veiling brengen van een beschermd voorwerp door Onze Minister daartegen geen bedenkingen zijn aangevoerd of naar aanleiding van het ter veiling brengen van een voorwerp artikel 2, eerste lid, tweede volzin, toepassing heeft gevonden, kan Onze Minister deze termijn met ten hoogste drie maanden verlengen. Voorgesteld wordt de zinsnede "van een voorwerp artikel 2, eerste lid, tweede volzin, toepassing heeft gevonden" te vervangen door: van een roerende zaak artikel 3b toepassing heeft gevonden. Artikel 3b heeft echter alleen betrekking op verzamelingen en niet op andere roerende zaken. Deze voorwerpen vallen thans wel onder de werking van artikel 7, tweede lid, tweede volzin, WBC. Wanneer het een omissie betreft zou het artikel moeten worden aangepast. De Raad adviseert dit onderscheid te motiveren dan wel het artikel aan te passen. 7. Lijst met beschermde voorwerpen De lijst waarop de beschermde voorwerpen staan beschreven zal op grond van het voorgestelde artikel 3c, vierde lid, slechts in te zien zijn op het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Eveneens is het op grond van dezelfde bepaling mogelijk een afschrift van de lijst te krijgen tegen vergoeding van de kosten. Eén van de doelen van het bijhouden van een lijst is om personen de mogelijkheid te bieden de status van een voorwerp te kennen alvorens dit aan te kopen of een ander zakelijk recht daarop te verwerven. De Raad geeft in overweging de lijst ook op de internetsite van het Ministerie van Onderwijs Cultuur en Wetenschappen te plaatsen. 8. Gegevens van feitelijke aard In het in te voegen artikel 3d wordt voorgesteld om de Minister van Onderwijs Cultuur en Wetenschappen de bevoegdheid toe te kennen ambtshalve of op verzoek van de eigenaar wijzigingen aan te brengen in de beschrijving van een beschermd voorwerp dan wel in de algemene omschrijving of de opsomming van een beschermde verzameling, voorzover het verbetering van gegevens van feitelijke aard betreft.(zie noot 2) De Raad wijst erop dat gegevens van feitelijke aard soms van cruciaal belang zijn bij de beoordeling of een voorwerp niet of niet meer als beschermd voorwerp moet worden gekwalificeerd. De vaststelling bijvoorbeeld dat een bepaald werk aan Rembrandt moet worden toegeschreven, kan een gegeven van feitelijke aard zijn maar heeft eventueel tot gevolg dat het werk niet meer van de lijst zal worden geschrapt en kan dus gevolgen hebben voor de beschikkingsmacht van de eigenaar. De Raad adviseert hierop in de toelichting in te gaan. 9. Voor een redactionele kanttekening verwijst het college naar de bij het advies behorende bijlage. De Raad van State geeft U in overweging het voorstel van wet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden. De Vice-President van de Raad van State
Bron:
raadvanstate.nl
Documenten (1)
-
raadvanstate.nl6 pagina's, pdf Tekst