Naar inhoud
Raad van State

Voorstel van wet houdende regels inzake de verwerking van politiegegevens (Wet politiegegevens), met memorie van toelichting.

Jaar: 2019 Documenten: 1
Voorstel van wet houdende regels inzake de verwerking van politiegegevens (Wet politiegegevens), met memorie van toelichting.Bij Kabinetsmissive van 25 januari 2005, no.05.000202, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Justitie, mede namens de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Minister van Defensie, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet houdende regels inzake de verwerking van politiegegevens (Wet politiegegevens), met memorie van toelichting. Het wetsvoorstel vervangt de Wet politieregisters. Het wetsvoorstel geeft enerzijds meer armslag voor het gebruik van persoonsgegevens, voorziet in mogelijkheden om gegevens die voor een bepaald doel zijn verwerkt te gebruiken voor andere doelen, en biedt meer mogelijkheden voor verstrekking van politiegegevens aan personen en instanties buiten de politiesector. Anderzijds voorziet het voorstel in waarborgen voor de burger tegen ongerechtvaardigde inbreuken op diens persoonlijke levenssfeer. De Raad van State kan zich verenigen met de doelen van het wetsvoorstel en onderschrijft het belang van een goede taakuitoefening door de politie, die alleen mogelijk is als de voor die taakuitoefening noodzakelijke gegevens efficiënt en effectief kunnen worden verwerkt. Het wetsvoorstel betekent een duidelijke verbetering ten opzichte van de huidige regeling. De Raad maakt enige opmerkingen, onder andere met betrekking tot de doelbinding van gegevensverwerking, het toezicht op waarborgen tegen ongerechtvaardigde inbreuken op de persoonlijke levenssfeer, het recht op kennisneming en verbetering en een mogelijke ruime uitzondering op de geheimhoudingsplicht. Hij is van oordeel dat in verband daarmee enige aanpassing van het voorstel wenselijk is. 1. Doelbinding van gegevensverwerking Het wetsvoorstel hanteert als algemeen uitgangspunt dat politiegegevens alleen mogen worden verwerkt voor een bepaald doel; gebruik voor een ander doel dan het oorspronkelijke is alleen mogelijk voorzover daarin uitdrukkelijk is voorzien.(zie noot 1) Het voorstel maakt in de artikelen 8, 9 en 10 een driedeling in verwerking van gegevens: verwerking met het oog op de uitvoering van de dagelijkse politietaak (artikel 8), gerichte verwerking ten behoeve van onderzoek met het oog op de handhaving van de rechtsorde in een bepaald geval (artikel 9) en gerichte verwerking met het oog op inzicht in de betrokkenheid van personen bij bepaalde ernstige bedreigingen van de rechtsorde (artikel 10). Een bijzondere categorie betreft gegevens over (het runnen van) informanten (artikel 12, vierde lid). Het voorstel bepaalt dat bij deze verschillende wijzen van gegevensverwerking in oplopende gradatie waarborgen worden geboden met het oog op de bescherming van de burger tegen ongerechtvaardigde inbreuken op diens persoonlijke levenssfeer (bijvoorbeeld ten aanzien van de bewaartermijn en de bevoegdheid om geautomatiseerd te vergelijken). Het is daarom van groot belang dat duidelijkheid bestaat over de noemer waaronder informatie wordt verwerkt. Het voorstel biedt mogelijkheden om gegevens die met het oog op één van de in de wet omschreven doelen zijn verwerkt, te gebruiken ("verder verwerken") voor één van de andere doelen binnen de politietaak.(zie noot 2) De Raad merkt op dat met deze mogelijkheden tot verdere verwerking duidelijk wordt dat er geen waterdichte schotten bestaan tussen de verschillende vormen van gegevensverwerking, maar dat onder omstandigheden gegevens die zijn verwerkt op basis van artikel 8 verder kunnen verwerkt op basis van de artikelen 9, 10 of mogelijk zelfs 12. In de toelichting wordt onderkend dat in de praktijk niet altijd scherp valt af te bakenen tot welk moment de gegevensverwerking op basis van artikel 8 kan plaatsvinden en op welk moment alleen kan worden gewerkt met bijvoorbeeld een artikel 9-onderzoek.(zie noot 3) Mede naar aanleiding van het advies van het College van procureurs-generaal(zie noot 4) adviseert de Raad om de toelichting te verduidelijken met enkele voorbeelden van concrete situaties die vallen onder de diverse categorieën van gegevensverwerking, en bovendien met voorbeelden van situaties waarin sprake is van een overgang van gegevensverwerking op basis van artikel 8 naar artikel 9, 10 of mogelijk zelfs 12. 2. Toezicht op waarborgen tegen ongerechtvaardigde inbreuken op de persoonlijke levenssfeer (artikel 10) Artikel 10 betreft de verwerking van gegevens met het oog op het verkrijgen van inzicht in de betrokkenheid van bepaalde personen bij bepaalde ernstige strafbare feiten, bij handelingen die kunnen wijzen op het beramen van bepaalde categorieën van misdrijven die een ernstige inbreuk op de rechtsorde kunnen opleveren, of bij handelingen die een ernstige schending van de openbare orde opleveren. Dit artikel ziet volgens de toelichting op meer permanente vormen van gegevensverwerking die nodig zijn in verband met de aard van de misdrijven of handelingen die in het geding zijn. Het gaat volgens de toelichting om de opbouw van een goede informatiepositie die ertoe kan leiden dat besloten wordt tot een operationeel opsporingsonderzoek op basis van artikel 9 dan wel tot operationele maatregelen in de sfeer van de openbare orde.(zie noot 5) Het wetsvoorstel maakt het mogelijk gegevens te verwerken over drie verschillende groepen personen. De eerste groep kent drie categorieën. De eerste categorie betreft personen die verdacht worden van bepaalde misdrijven en personen ten aanzien waarvan een redelijk vermoeden bestaat dat zij betrokken zijn bij het beramen of plegen van deze misdrijven (artikel 10, tweede lid). De tweede categorie betreft personen die betrokken zijn bij de in het voorstel nader aangeduide handelingen die een ernstige inbreuk op de rechtsorde opleveren (artikel 10, derde lid). De derde categorie betreft personen over wie een redelijk vermoeden bestaat dat zij betrokken zijn bij een ernstige schending van de openbare orde (artikel 10, vierde lid). De tweede groep van personen betreft personen die in een bepaalde relatie staan tot de hiervoor genoemde (drie categorieën van) personen. Volgens de toelichting kunnen er aanwijzingen zijn dat iemand betrokken is bij het plegen van een bepaalde handeling als hij lid is van een bepaalde vereniging, bijvoorbeeld een schietvereniging, verkeert in een groep die voor de overheid minder toegankelijk is of bepaalde websites bezoekt. Hierbij zou ook kunnen worden gedacht aan familieleden, buren, vrienden, huisgenoten en vele anderen. Ten slotte betreft de derde groep ambtenaren van politie of buitengewone opsporingsambtenaren die zich bezighouden met de personen uit de eerste groep. Het wetsvoorstel creëert derhalve een bevoegdheid om gedurende lange tijd grote aantallen gegevens te verwerken over een groot aantal personen, dat op meer of minder grote afstand kan staan tot het eigenlijke object van onderzoek. De terecht in het wetsvoorstel opgenomen waarborgen tegen ongerechtvaardigde inbreuken op de persoonlijke levenssfeer, welke ook beogen te voorkomen dat de toepassing van het wetsvoorstel in concrete gevallen resulteert in schending van artikel 8 van het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), moeten een tegenwicht bieden tegen de nieuwe en verstrekkende mogelijkheden die het wetsvoorstel biedt voor een ruimere opslag, gebruik en verstrekking van persoonsgegevens. De feitelijke mogelijkheid van een betrokkene om te vernemen dat er over hem gegevens worden of zijn verwerkt, is echter beperkt. Het recht op kennisneming, geregeld in artikel 25 van het wetsvoorstel, heeft alleen praktische betekenis als de betrokkene weet, of redenen heeft om te vermoeden, dat gegevens over hem worden of zijn verwerkt. Zonder de wetenschap van informatieverwerking kan een geregistreerde niet zelf in actie komen wanneer hij meent dat zijn persoonlijke levenssfeer disproportioneel wordt aangetast. Ook wanneer niet bij voorbaat vaststaat dat van een aantasting van de bescherming van het privé-leven in de zin van artikel 8 EVRM sprake is, komt aan betrokkenen bescherming ingevolge artikel 13 EVRM toe. Zoals het Hof in zijn arrest van 26 maart 1987 in de zaak Leander tegen Zweden heeft overwogen, "the requirements of Article 13 will be satisfied if there exists domestic machinery whereby, subject tot the inherent limitations of the context, the individual can secure compliance with the relevant laws" (overweging 79). In dit licht is derhalve van het grootste belang hoe is voorzien in toezicht op de naleving van de wet. In artikel 35 wordt het College bescherming persoonsgegevens (CBP) belast met het toezicht op de verwerking van politiegegevens. In de toelichting wordt deze taak echter slechts summier toegelicht(zie noot 6), zodat onvoldoende duidelijk is in hoeverre hier van een daadwerkelijk rechtsmiddel - welke in een context als hier aan de orde, ook kan bestaan uit algemeen onafhankelijk toezicht - in de zin van artikel 13 EVRM kan worden gesproken. De Raad adviseert in de toelichting nader in te gaan op de wijze waarop het CBP aan het toezicht gestalte kan geven, en daarbij uitdrukkelijk in te gaan op de vraag of het CBP in voldoende mate voor een effectief toezicht op de naleving van de wet is toegerust, dan wel of daartoe aanvullende voorzieningen bestaan of zo nodig worden getroffen. 3. Recht op kennisneming en verbetering In artikel 25 van het wetsvoorstel regelt het recht van de burger om kennis te nemen van politiegegevens die hem betreffen. a. De termijn waarbinnen op het verzoek moet worden beslist wordt verlengd van vier naar zes weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens vier weken.(zie noot 7) Deze beperking is volgens de toelichting op het artikel ingegeven door de sterke stijging van het aantal verzoeken om kennisneming; van de politie kan "geen uitputtend onderzoek naar de verwerking van politiegegevens worden verwacht in die gevallen waarin het verzoek tot kennisneming daartoe geen aanknopingspunten biedt". De Wet politieregisters kent een beslistermijn van vier weken; datzelfde geldt voor de Wet bescherming persoonsgegevens (WBP).(zie noot 8) De Wet openbaarheid van bestuur hanteert zelfs een beslistermijn van in beginsel twee weken; verstrekking moet in beginsel plaatsvinden binnen vier weken.(zie noot 9) De Raad adviseert de termijn van zes weken nader te motiveren dan wel ook hier een termijn van vier weken te stellen. b. Volgens de toelichting wordt de verantwoordelijke in het tweede lid van het artikel de keuze gelaten om mondeling of schriftelijk te reageren op een verzoek om kennisneming.(zie noot 10) Bedoeld zal zijn het eerste lid: daarin wordt artikel 37, eerste lid, WBP van overeenkomstige toepassing verklaard. Dat artikel laat echter geen vrije keus, maar stelt de schriftelijke vorm voorop. Wel wordt bepaald dat, indien een gewichtig belang van de verzoeker dit eist, de verantwoordelijke aan een verzoek om kennisneming voldoet in een andere dan schriftelijke vorm, die aan dat belang is aangepast. De Raad beveelt aan de toelichting aan te passen. c. Als naar aanleiding van een verzoek politiegegevens zijn verbeterd, aangevuld, verwijderd of afgeschermd, doet de verantwoordelijke daarvan mededeling aan de personen of instanties aan wie de gegevens eerder zijn verstrekt.(zie noot 11) De bepaling is, zoals ook in de toelichting op het artikel wordt gesteld, ontleend aan artikel 38 WBP. De mededelingsplicht is echter, anders dan in de WBP en in het huidige artikel 24 van de Wet politieregisters, beperkt: zij geldt slechts voor een deel van de verwerkingen van politiegegevens door de politie en geldt niet voor verstrekkingen aan het openbaar ministerie en de inlichtingen- en veiligheidsdiensten.(zie noot 12) In veel gevallen - in ieder geval waar het wetsvoorstel voorziet in het ter beschikking stellen of verstrekken van politiegegevens(zie noot 13) - zal de verwerking van politiegegevens inhouden dat gegevens zich op meer plaatsen bevinden, zodat verbetering op de ene plaats niet inhoudt dat de gegevens ook op andere plaatsen worden verbeterd. De landelijke informatiehuishouding voor de politie kan hier op termijn verandering in brengen, maar die is nog niet totstandgekomen. Het recht op verbetering van persoonsgegevens wordt door deze beperking onvolledig uitgewerkt. Het is bovendien in het belang van een goede taakuitoefening door de politie en andere instanties dat zij over juiste gegevens beschikken. De Raad adviseert de tekst van artikel 30, eerste lid, in overeenstemming te brengen met de bij deze bepaling gegeven toelichting. 4. Geheimhoudingsplicht Een politieambtenaar die over politiegegevens beschikt is ingevolge artikel 7, eerste lid, van het wetsvoorstel verplicht tot geheimhouding daarvan, behoudens voorzover hij bij wettelijk voorschrift tot verstrekking verplicht is, of de politietaak tot verstrekking noodzaakt. De tweede uitzondering is zeer ruim geformuleerd. Deze uitzondering is volgens de toelichting alleen bedoeld voor de bijzondere gevallen waarin het wetsvoorstel niet voorziet en waarin zich toch een - uit de politietaak voortvloeiende - dringende noodzaak tot verstrekking voordoet.(zie noot 14) In de toelichting wordt ook geconstateerd dat de geheimhoudingsbepaling in de Wet politieregisters, die grotendeels overeenkomt met de voorgestelde bepaling, in de praktijk een "ruime ‘ventielfunctie’ " vervulde, welke echter door het in het wetsvoorstel geregelde ruimere verstrekkingsregime een meer uitzonderlijk karakter zal krijgen.(zie noot 15) Dat deze ventielfunctie volgens de toelichting slechts noodzakelijk is voor bijzondere gevallen waarin een dringende noodzaak tot verstrekking bestaat, is niet in de tekst van de wet tot uitdrukking gebracht. De Raad adviseert de tekst van het wetsvoorstel in overeenstemming te brengen met de tekst van de toelichting. 5. Toepassing van de informantenregeling op andere personen Het wetsvoorstel geeft een regeling voor de verwerking van gegevens over controle op en beheer van informanten: personen die heimelijk informatie verstrekken aan opsporingsambtenaren over strafbare feiten en ernstige schendingen van de openbare orde en daardoor gevaar lopen.(zie noot 16) Deze regeling kan ook worden toegepast op bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen andere categorieën personen. Het wetsvoorstel omschrijft niet om wat voor personen het kan gaan; de enige clausulering is dat het alleen kan in bijzondere gevallen, ter bescherming van bepaalde categorieën personen.(zie noot 17) Uit de toelichting op het artikellid blijkt dat het in ieder geval gaat om infiltranten en getuigen die in een getuigenbeschermingsprogramma zijn opgenomen. De Raad is van oordeel dat de aanwijzing van bepaalde categorieën personen zoveel mogelijk in de wet zelf zou moeten worden opgenomen. Het betreft een belangrijk onderdeel van de wettelijke regeling. Bovendien zijn de aan te wijzen categorieën personen overzienbaar, omdat die direct verband houden met de beperkte categorie bijzondere opsporingsbevoegdheden: naast de infiltrant en de beschermde getuige kan het bijvoorbeeld gaan om de (burger)pseudokoper of -dienstverlener en de burger-infiltrant. Indien de categorieën personen om wie het gaat volledig bekend zijn, adviseert de Raad, die categorieën volledig uit te schrijven. Is dat niet mogelijk, dan dient in ieder geval een meer toegespitste omschrijving in het wetsvoorstel te worden opgenomen. 6. Bijzondere opsporingsdiensten Bij algemene maatregel van bestuur kan het bepaalde bij of krachtens deze wet geheel of ten dele van overeenkomstige toepassing worden verklaard op de verwerking van persoonsgegevens door "een dienst van een publiekrechtelijk lichaam die is belast met de opsporing van strafbare feiten".(zie noot 18) Uit de toelichting op het artikel blijkt dat met deze algemeen omschreven bepaling wordt gedoeld op de zogeheten bijzondere opsporingsdiensten, zoals de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst. Het verdient aanbeveling de verwerking van persoonsgegevens door de bijzondere opsporingsdiensten zoveel mogelijk bij wet te regelen, omdat de reikwijdte van een wet een wezenlijk onderdeel van die wet is. Nu bekend is om welke diensten het gaat, is dat ook mogelijk. De Raad adviseert het wetsvoorstel aan te vullen. 7. Verwijzing naar een lagere regeling In artikel 16, eerste lid, onderdeel e, onder 2°, wordt verwezen naar artikel 76 van het Besluit algemene rechtspositie politie. Verwijzing naar een regeling van lagere rang kan ertoe leiden dat de lagere regeling niet kan worden gewijzigd als niet ook de hogere regeling (technisch) wordt gewijzigd. Het is daarom beter om, als dat mogelijk is, te verwijzen naar de grondslagbepaling. De Raad meent dat dit in dit geval ook mogelijk is. Hij adviseert te verwijzen naar artikel 50 van de Politiewet 1993. 8. Toepasselijkheid op het meldpunt ongebruikelijke transacties Het register van het meldpunt ongebruikelijke transacties valt onder de werking van de Wet politieregisters; technisch is dit aldus vormgegeven dat in de Wet melding ongebruikelijke transacties wordt bepaald dat het register een register is in de zin van de Wet politieregisters. Deze wetstechnische constructie is met de vervanging van de Wet politieregisters door het voorliggende wetsvoorstel niet toepasbaar, omdat het begrip register niet meer voorkomt. Daarom wordt nu bepaald dat op de verwerking van persoonsgegevens door het meldpunt een reeks bepalingen van de Wet politiegegevens van overeenkomstige toepassing zijn.(zie noot 19) Deze constructie is omslachtig; eenvoudiger is het om te bepalen dat persoonsgegevens die door het meldpunt worden verwerkt politiegegevens zijn in de zin van artikel 1, onderdeel a, van de Wet politiegegevens. Artikel 2 van het wetsvoorstel bewerkstelligt dan dat die wet op die gegevens van toepassing is. De Raad adviseert het wetsvoorstel aldus aan te passen. 9. Bewaartermijn protocolplicht Het wetsvoorstel voorziet in een protocolplicht; die houdt in dat de verantwoordelijke een aantal gegevens (de doelen van de onderzoeken bedoeld in artikel 9, de autorisaties, verstrekking van gegevens aan derden, vermoedens van onrechtmatige verwerking) schriftelijk vastlegt.(zie noot 20) Volgens de toelichting op het artikel dient de protocolplicht om zowel het intern als het extern toezicht mogelijk te maken; vastlegging van verstrekkingen aan derden dient tevens om die derden naderhand te kunnen informeren in geval van correctie van gegevens.(zie noot 21) De gegevens die op grond van de protocolplicht zijn vastgelegd kunnen worden vernietigd na een periodieke audit.(zie noot 22) Het is denkbaar dat die gegevens op een later moment nodig zijn om, overeenkomstig artikel 30, correcties door te geven aan personen of instanties die nog beschikken over de ongecorrigeerde gegevens. De Raad adviseert de bewaartermijn daarop af te stemmen. 10. Terminologie "verstrekken" en "ter beschikking stellen" Het wetsvoorstel hanteert naast elkaar twee begrippen: verstrekken van politiegegevens, en ter beschikking stellen van politiegegevens. Verstrekken is het algemene begrip, omschreven als het bekend maken van politiegegevens; ter beschikking stellen is het bekend maken van politiegegevens aan personen die overeenkomstig de Wet politiegegevens zijn geautoriseerd voor het verwerken van politiegegevens. Het onderscheid tussen verstrekken en ter beschikking stellen vloeit niet voort uit het gewone spraakgebruik en maakt het hanteren van de wet dus minder eenvoudig.(zie noot 23) De termen wijken bovendien af van de manier waarop ze zijn gedefinieerd in de WBP; daarin wordt "verstrekken van persoonsgegevens" omschreven als: het bekend maken of ter beschikking stellen van persoonsgegevens.(zie noot 24) De Raad adviseert de twee termen zoals nu gedefinieerd te vermijden en aan te sluiten bij de gangbare begrippen; de Raad heeft overigens in dit advies de terminologie van het wetsvoorstel aangehouden. 11. Duidelijkheid over de herkomst van gegevens Bij de verwerking van politiegegevens moeten de herkomst van de gegevens en de wijze van verkrijging worden vermeld; dit kan nuttig zijn om de betrouwbaarheid van gegevens te bepalen. Deze verplichting geldt echter niet voor gegevens die zijn verkregen bij de uitvoering van de dagelijkse politietaak,(zie noot 25) omdat - zo stelt de toelichting - het in de praktijk niet altijd mogelijk zal zijn de herkomst en de wijze van verkrijging te vermelden.(zie noot 26) De toelichting vult aan dat het voor de hand ligt dat "zoveel mogelijk" de herkomst en wijze van verkrijging bij de verwerkte gegevens wordt vermeld. De gebruikte terminologie "zoveel mogelijk" is vaag. Naar het oordeel van de Raad is het een belangrijk uitgangspunt dat tot de te registreren gegevens ook het aanduiden van de bron van de gegevens behoort. Bij elektronische registratie bestaan vele weinig belastende technische mogelijkheden om de bron te registreren. Wellicht dat de toelichting doelt op operationele onmogelijkheden voor registratie. De Raad adviseert de toelichting aan te vullen met voorbeelden van onmogelijke registratie. 12. Verstrekking van gegevens aan particulieren Het wetsvoorstel voorziet in de verstrekking van politiegegevens aan - bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen - personen en instanties buiten de overheid met het oog op een zwaarwegend algemeen belang;(zie noot 27) dit is een verruiming ten opzichte van de Wet politieregisters, die verstrekking aan particulieren niet toelaat.(zie noot 28) Bij verstrekking aan particulieren is niemand uitgesloten; het kan blijkens de toelichting gaan om artsen of hulpverleners, maar ook om bijvoorbeeld winkeliers.(zie noot 29) Bij de verstrekking van informatie aan particulieren dringt zich de vraag op naar het verdere gebruik van de informatie. Onrechtmatig gebruik van de informatie kan leiden tot schade voor degene die onderwerp is van de informatie. De toelichting gaat niet in op het wettelijke regime dat van toepassing is op de ontvangers van de informatie en aan welke eisen zij dienen te voldoen bij het gebruik en mogelijk verder verwerken van de informatie. De Raad adviseert dit in de toelichting te verduidelijken. 13. "Audits" De verantwoordelijke moet periodiek de uitvoering van de wet laten controleren. Voor deze audits komen er nadere regels bij algemene maatregel van bestuur; daarin worden onder meer de auditcyclus en de betrokkenheid van externe deskundigen geregeld. Een afschrift van de controleresultaten wordt gestuurd aan de Ministers van Justitie, van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Defensie, en aan het CBP.(zie noot 30) a. De audits zijn nieuw en ze betekenen een verbetering van het toezicht. Wel valt de Raad op dat de audits worden uitgevoerd in opdracht van de verantwoordelijke; dat er niet zonder meer voor gekozen is de audits door externe deskundigen te laten uitvoeren; dat de uitvoerders van een audit geen onderzoeksbevoegdheden hebben;(zie noot 31) en dat de twee ministers geen specifieke bevoegdheden hebben die zij kunnen uitoefenen naar aanleiding van de audit en de manier waarop de verantwoordelijke daarop reageert. De Raad adviseert het systeem van audits, zoals uitgewerkt in het wetsvoorstel, nader toe te lichten. b. Het doel van het toezenden van de controleresultaten aan drie ministers is dat hierdoor mede wordt zorggedragen dat de door het wetsvoorstel voorgestelde grenzen in de praktijk niet worden overschreden.(zie noot 32) Deze rapportageplicht betekent een administratieve belasting. Gelet op de decentrale opzet van het wetsvoorstel, waarin de korpsbeheerder primaire verantwoordelijkheid heeft voor gegevensverwerking binnen zijn korps, behoeft deze plicht nadere motivering. Dit geldt in het bijzonder voor de verhouding daarvan tot de verdeling van verantwoordelijkheden in de Politiewet 1993. De toelichting gaat op deze aspecten niet in. De Raad adviseert de rechtvaardiging van deze verplichting nader te motiveren. 14. De in artikel 45 opgenomen delegatiebevoegdheid Artikel 45 voorziet in het stellen van regels bij algemene maatregel van bestuur "met het oog op een goede uitvoering van deze wet". In die algemene maatregel kan tijdelijk worden afgeweken van het bij of krachtens deze wet bepaalde. Het artikel is bedoeld als een overgangsbepaling, om een goede implementatie van het wetsvoorstel te kunnen waarborgen, vooral met het oog op de invoering van een landelijke informatiehuishouding.(zie noot 33) De Raad wijst er allereerst op dat het uitgangspunt is dat elke delegatie van regelgevende bevoegdheid zo concreet en nauwkeurig mogelijk wordt begrensd.(zie noot 34) Bovendien kan in het algemeen alleen bij de wet van bepalingen in een wet worden afgeweken. Alleen in zeer bijzondere gevallen kan van dat uitgangspunt worden afgeweken en die afwijkingen moeten dan ook worden gemotiveerd. In de toelichting op de artikelen 45 tot en met 48 wordt slechts als argument aangevoerd dat de bepaling nodig is om een goede implementatie van de wet te kunnen waarborgen. Mogelijk hangt dit samen met de in artikel 47 voorziene gedifferentieerde inwerkingtreding van de wet. Maar deze toelichting is niet toereikend, nu geen inzicht wordt gegeven in de bij de invoering te verwachten problemen. Bovendien wordt niet bepaald van welke wetsbepalingen tijdelijk kan worden afgeweken. De Raad adviseert in artikel 45 zo nauwkeurig mogelijk te omschrijven van welke wetsartikelen kan worden afgeweken, en in dat artikel een termijn op te nemen voor de delegatiebevoegdheid. Voorts adviseert de Raad in de toelichting een uiteenzetting op te nemen omtrent de bij de invoering te verwachten problemen die de voorgestelde regeling noodzakelijk maken. 15. Voor redactionele kanttekeningen verwijst de Raad naar de bij het advies behorende bijlage. De Raad van State geeft U in overweging het voorstel van wet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden. De Vice-President van de Raad van State
Documenten (1)