<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>                Samenhanaend                         u
                mediabeleid
Rapporten
aan de Regering
                's-Gravenhagc. Staatsuitgeverij 1982
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>ISBN 90 1 2 04093 0</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid
                                          Postbus 20004
                                 2500 EA 's-Gravenhage
                                   Telefoon (070)614031
                           Kantooradres: Plein 1813. nr. 2
                                 2514 JN 's-Gravenhage
                                                           Aan de Minister-President
                                                           Minister van Algemene Zaken
                                                           Postbus 20001
                                                            2500 EA Is-Gravenhage
   Uw b r ~ evan
             f
                                                  Datum     2 6 augustus 1982
   ons kenmerk   8 20 3 23/PRB/mb             Ondetwerp     rapport "Samenhangend mediabeleid"
                                                                     . .".
                                                                    ....I.
                                                                      '.   7 L.1. :; .~:
                 Hierbi j doen wi j U het rapport " ~ a m e n h a n ~ e nmediabeleid"    d
                 toekomen. Het rapport vormt het antwoord op de desbetref-
                 fende adviesaanvrage van de regering van 27 maart 1979.
                 Het rapport gaat ervan uit dat in een toekomst die zal
                 worden gekenmerkt doe; een sterk vergroot media-aanbod,
                 reele verworvenheden moeten worden behouden, maar tevens
                 nieuwe mogelijkheden tot ontwikkeling moeten worden
                 gebracht. Tegen de achtergrond hiervan worden vooral het
                 landelijke omroepbestel, de nieuwe diensten via de kabel en
                 de pers in onderlinge samenhang bezien. Het antwoord op de
                 adviesaanvrage is kort samengevat in hoofdstuk 8, paragraaf
                 5, dat ook de beleidsaanbevelingen bevat.
                 Het rapport gaat vergezeld van een minderheidsstandpunt van
                 het lid van de Raad drs. H.A. van Stiphout.
                 Ingev01ge.de in de Instellingswet WRR vastgelegde procedure
                 ziet de Raad gaarne achtereenvolgens het bericht'van kennis-
                 neming door en de bevindingen van de Raad van Ministers
                 tegemoe t   .
                                                            De voorzitter,
                                                            Ir. Th. ~ u e n 6
                                                               i
                                                           .ue secretaris,
                                                            Dr. P.K. Baehr
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>INHOUDSOPGAVE
       INLEIDING                                De gevolgen van de technische
       Karakter van het advies                 ontwikkelingen
       De adviesaanvrage                        Sarnenvatting van de technische ont-
       Beperkingen in het advies               wikkelingen
       De aard van de samenhang                Nadere beschouwing van samenhang en
       Uitgangspunten                          gevolgen
       Hoofdlijnen van ontwikkeling
      Technische ontwikkelingen                 ENlGE KNELPUNTEN I N DE
       Economische ontwikkelingen               REGELGEVING
       Sociaal-culturele ontwikkelingen         lnleiding
       Opbouw van het advies                   Telegraaf- en Telefoonwet 1904 en
                                               Omroepwet, mede i n het licht van
       UITGANGSPUNTEN TEN AANZIEN              nieuwe verspreidingsmiddelen e n
      VAN                                      nieuwe diensten
       DE MASSAMEDIA                           De huidige situatie
      lnleidina                                Nieuwe ontwikkelingen
      ~itingscrijheid- de afweerfunctie        Het terrein van het elektronische media-
                       -
      Uitingsvrijheid de zorgfunctie           beleid in de toekomst; nieuwe technieken,
                                               nieuwe grenzen
      lnstitutionele benadering en recht o p
      informatie                               De verspreiding van buitenlandse
      Pluriformiteit                           omroepprogramma's i n Nederland
      De omroep                                Piraten i n de ether en op de kabel
      Toekomst van het bestel                  Enige andere aspecten van de kabel
      Nieuwe media                             Omroep
      Het mediabeleid - de mogelijkheden en    Leegstand van kanalen
      grenzen                                  Het auteursrecht en doorgifte
      Pluriformiteit i n nieuwe media         Antenneverboden
      Uitingsvrijheid van de overheid          Kabelbeheer en kabelconsument
      Nog enkele aspecten van het              Bijlage
      mediabestel: vrije marktordening en      DE ECONOMISCHE ASPECTEN VAN
      publiekrechtelijk bestel                 DE ONTWIKKELING I N DE
      Bijlage                                  MASSAMEDIA
                                               lnleiding
      BESCHRIJVING VAN HET MASSA-              De aanbodstructuur van de massamedia
      MEDlABELElD                              lnleiding
      Persbeleid en omroepbeleid: de belang.   De aanbodstructuur van de periodiek
      rijkste verschillen i n hun historische verschijnende pers
      context                                 Verklarende factoren voor de aanbod-
      Verschuivingen i n hat mediabeleid      structuur van de periodiek verschijnende
      lnleiding                               pers
      Landelijk omroepbeleid                  De aanbodstructuur van de omroep
      Regionaal en lokaal omroepbeleid        Ontwikkelingen i n de massamedia in het
      Persbeleid                              licht van de technische mogelijkheden
                                              De bekostiging van de massamedia
      TECHNIEK EN MEDIA                       De financieel-economische positie van de
      Een inleidende opmerking                persmedia
      Enkele aspecten van telecommunicatie    De financieel-economische positie van
      Verschillende transmissiemedia en       de omroep
      systemen                                De reclamebestedingen in de massamedia
      Optimaal gebruik van transmissiewegen:  De consumptieve uitgaven aan massa-
      multiplexing                            mediaprodukten
      Informatie-overdrachtspatronen          lnleiding
      Basisontwikkelingen                     Een analyse van de consumptie van
      Micro-elektronika                       gedrukte media
      Geheugens                               Een analyse van de consumptie van
      Glasvezel                               audiovisuele apparatuur
      Satellieten                             Een verkenning van de toekomstige
      Displays                                mediaconsumptie
      Presentatie van informatie op papier    Conclusies
      De synthese van nieuwe technische       De werkgelegenheid in de massamedia
      systemen                                lnleiding
      Een tele-informatiematrix               Een beschrijving van de werkgelegen-
      Videoregistratie                        heidssituatie in de mediasector
      Consultatiesystemen                     lnvloeden op de toekomstige ontwikkeling
      lnfrastructurele voorzieningen          van de werkgelegenheid
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>Een concluderende beschouwing              8.2.4.5 Een derde televisienet?          219
                                           8.2.4.6 Een derde programma?             222
SOCIAAL-CULTURELE ASPECTEN                 Aanbevelingen landelijk omroepbestel     223
lnleiding                                  Regionale radio-omroep                   227
Gebruik van de media                       Lokale radio-omroep via de ether         229
Recente ontwikkelingen                     Nieuwe diensten op het gebied van de
Uitbreiding van het televisie-aanbod       tele-informatie, i n het bijzonder onder
Nieuwe omroepformules                      gebruikmaking van de kabel               230
Nieuwe media                               Perspectieven voor de toekomst           230
Functieverschuiving                        De kabel als middel voor het doorgeven
Andere gevolgen van de massamedia          van programma's                          232
Zorgen                                     De kabel als middel voor het overbrengen
Theorie en onderzoek                       van programma's                          233
Geweld                                     8.3.3.1 Lokale televisie-omroep          235
Nationale identiteit                       8.3.3.2 Abonnee-televisie                239
Culturele vervlakking                      Andere diensten: viewdata, teletekst en
Conclusies                                 kabelkrant                               242
Massamedia en maatschappelijke             Andere diensten: niet-telecommunicatieve
ontwikkeling                               diensten
lnleiding                                  Het beheer van de kabel
Venuiling en ontzuiling                    Persoonlijke levenssfeer; auteursrechen
Sociale en culturele differentiatie        De pers
Individualiseringstendensen                Enige inleidende opmerkingen
Media en maatschappelijke stabiliteit      Persconcentratie
                                           Rendernents-perspectieven
EEN SAMENHANGEND MEDIABELEID          202  Technologische perspectieven
Concluderende beschouwinaen
De technische ontwikkeling
                              -       202
                                      202
                                           Pluriformiteit van de drukpersmedia
                                           Overheidsbeleid jegens de pers
Gevolgen aan de aanbodzijde           204  Toekomstig overheidsbeleid
Ontwikkeling van de vraag             205  Bevindingen i n het licht van de
Reclame                               206  adviesaanvrage
Redenen voor overheidsbeleid          207  Formulering aanvrage; antwoorden van
Functies van de media                 209  de Raad
Media, industrie en werkgelegenheid   21 1 Samenhang in het beleid
De Omroep                             212
Het landelijke omroepbestel           212  Minderheidsstandpunt van het lid van de
Knelpunten in het huidige bestel      213  Raad drs. H.A. van S t i ~ h o u t
Technologische vernieuwing            215
Nieuwe knel~unten                     216  Bijlage 1 Samenstelling projectgroep
8.2.4.1 Programmatische gevolgen      216
8.2.4.2 Gevolgen op cultureel gebied  21 7 Bijlage 2 Voorstudies en achtergronden
8.2.4.3. ~inancielegevolgen           218            mediabeleid                    277
8.2.4.4 Satellietomroep-reclame       218
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>1.1 Karakter van het advies
1.1.1 De adviesaanvrage
   Dit rapport is op verzoek van de regering geschreven. Het verzoek was
vervat in een adviesaanvrage die de Wetenschappelijke Raad voor het
Regeringsbeleid in maart 1979 bereikte. In deze aanvrage ging het vooral
om technische ontwikkelingen die tot nieuwe vormen van massacom-
municatie zouden kunnen leiden of in ieder geval invloed op het mas-
samediabestel, met name op het functioneren van het omroepbestel en
de pers, zouden kunnen uitoefenen. Verder veronderstelde de regering
dat deze ontwikkelingen maatschappelijke effecten teweeg kunnen bren-
gen, die in hun verschillende aspecten (economisch, commercieel, finan-
cieel, juridisch) nader bezien zouden moeten worden. De regering
beschouwde de invloed van de technische ontwikkeling in de mas-
sacommunicatie op het functioneren van het omroepbestel en op de
pers vooral ook afhankelijk van politieke beslissingen die genomen zullen
worden. Hierbij zal het nodig zijn een antwoord te krijgen op de vraag
welke beleidsruimte, welke stuurmechanismen en beleidsinstrumenten
de regering ter beschikking staan, gezien de te verwachten invloeden en
effecten, de toekomstige behoefte aan en het huidige en te voorziene
patroon van informatievoorzieningen. In de middellange termijnstudie die
de regering van de WRR verwachtte, zouden verschillende aspecten met
elkaar in verband gebracht moeten worden. Zo zou een beter inzicht
worden verkregen in de eisen die aan het samenhangend over-
heidsbeleid inzake de massamedia zullen worden gesteld, in de mogelijk-
heden die hiertoe bestaan en die eventueel gecreeerd moeten worden.
Hierbij zou ook aandacht besteed dienen te worden aan het juridisch
raamwerk voor het beleid.
   Met inachtneming van de open strekking van de adviesaanvrage kwam
de regering in haar samenvatting tot de volgende onderwerpen waarover
van de WRR informatie werd verwacht:
1. een uiteenzetting van de mogelijke technische ontwikkelingen op
middellange termijn van de telecommunicatie die voor de massamedia
van belang zijn;
2. een inzicht in de mogelijke gevolgen hiervan voor de pers, voor het
omroepbestel en voor mogelijke andere vormen van massacom-
municatie;
3. een schets van de mogelijke gevolgen voor de samenleving in het
licht van sociale en culturele ontwikkelingen.
Hierbij wordt tevens acht geslagen op het werkgelegenheidsaspect in
kwantitatieve en kwalitatieve zin, omdat de technische ontwikkelingen en
de hiermee gepaard gaande opkomst van internationale massacom-
municatiemogelijkheden uitbreiding en vernietiging van arbeidsplaatsen
kunnen inhouden en leiden tot nieuwe of veranderende behoeften aan
opleiding en scholing;
4. een uiteenzettting van de overwegingen die tegen de achtergrond
van de punten 1, 2 en 3 in het overheidsbeleid aandacht verdienen: hier-
bij is, uitgaande van de grondwettelijk vastgelegde vrijheid van
meningsuiting, met name te denken aan:
   - de aard, de mogelijkheden en de begrenzing van het over-
heidshandelen, mede in het licht van internationale aspecten;
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>   - de financiele, juridische en organisatorische aspecten;
   -  de structuur van de beleidsvoorbereiding en de beleidsuitvoering.
1.1.2   Beperkingen in her advies
   Met dit rapport wordt aan het verzoek van de regering voldaan, zij het
dat niet alle aspecten van de aanvrage even diepgaand behandeld kon-
den worden. Enerzijds zijn bepaalde ontwikkelingen onder invloed van de
nieuwe media-technologie niet of slechts in zeer globale zin te traceren.
Dit geldt voor het werkgelegenheidsaspect en voor de te verwachten
toekomstige behoefte aan opleiding en scholing. Anderzijds dwingt de
uitgebreidheid van het terrein van de massamedia zelf al tot het doen
van een keuze, te meer daar dit terrein door de snelheid van de tech-
nische ontwikkelingen en hun toepassingsmogelijkheden voortdurend in
beweging blijft. Dit laatste vooral dwong de Raad tot de keuze om die
ontwikkelingen te belichten waar het beleid zich de komende tijd op kan
richten.
   Dit rapport kent dan ook een aantal beperkingen. In de eerste plaats
gaat het, uitgaande van de adviesaanvrage, over massacommunicatie, in
casu over massamedia, die daarvan een belangrijk onderdeel vormen.
Het accent ligt daarbij op de zogenoemde nieuwe media: satelliet en
kabel. Hierbij is sprake van een zodanige verdere ontwikkeling van be-
staande communicatiemiddelen, in casu telefoon en televisie, dat de
mogelijkheden van de bestaande media vergroot worden, waardoor ook
hun betekenis verandert. Om de functie van satelliet en kabel in mas-
sacommunicatieve zin aan te duiden wordt gesproken over satellietom-
roep en kabelomroep. Het woord 'omroep' gebruikt de Raad in de bete-
kenis van het ongedifferentieerd en gelijktijdig verspreiden vanuit een
centraal punt van radio- of televisieprogramma's die in principe voor
iedereen toegankelijk zijn. Satelliet en kabel vervullen namelijk ook een
functie in het zakelijke en priveverkeer, zoals telefonie, datatransmissie,
elektronische gegevensverwerking op afstand (meteropneming,
afstandsbediening voor centrale verwarming), beveiliging en bewaking.
In dit rapport gaat het in hoofdzaak om kabel en satelliet als mas-
samedia die openbare informatie aanbieden, waarbij die informatie zelf
het eindprodukt is. De hier aangeduide sector van de communicatie
onderscheidt zich derhalve van de exclusieve individuele punt-tot-punt
communicatie, die ook we1 bekend staat als het conversatie- of dia-
loogsysteem (zoals de telefoon). Terwijl satellietomroep in wezen een
bijzondere vorm van etheromroep is die opvalt door het vermogen over
grote afstand grote gebieden te kunnen bestrijken in vergelijking met
aardse zenders, opent de kabel als nieuw massamedium andere en nieu-
we mogelijkheden. Zoals de televisie zich als nieuwe vorm van mas-
sacommunicatie tussen film en radio heeft ontwikkeld, zo wordt de kabel
een massamedium in het raakvlak van televisie en pers, ook we1 'elec-
tronic publishing' genoemd. Bij gebruik op deze wijze kunnen de elek-
tronische mogelijkheden van televisie-omroep via de kabel op afroep
individueel beschikbaar komen: uiteindelijk zelfs het elektronisch com-
municatiesysteem in consultatieve vorm.
   Gestuwd door de techniek en door economisch-commerciele motie-
ven zal in de toekomst een veelvoud aan communicatiemogelijkheden
ontstaan. Typemachines, televisie, film, computers, telefoon, drukpers,
radio, papier, geluids- en beeldplaten, camera's en magnetische banden
vormen in toenemende mate een samenhangend geheel van elkaar tech-
nisch en functioneel aanvullende elementen in het veelvormig com-
municatieproces. lnformatiediensten zullen dan ook steeds meer worden
gecombineerd en ge'integreerd. Het gehele financieel-economische en
administratieve verkeer is nu al zonder computer, kabel- en straalver-
bindingen niet meer denkbaar. In dit opzicht spreekt men we1 van een
informatie-economie als een nieuwe dienstverlenende sector van econo-
mische bedrijvigheid, waarbij informatie gezien wordt als een verhandel-
baar goed. De verschuiving van werkgelegenheid naar de tertiaire sector
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>gaat gepaard met een toenemende behoefte aan informatie. De tertiaire
sector genereert namelijk relatief meer informatiebehoeften dan de pri-
maire en secundaire sector. Om aan die behoeften te voldoen is de
zogenoemde informatie-industrie sterk in ontwikkeling, waarvan voor de
media vooral het 'cultureel-industriele' deel van belang is. Dit onderwerp
beslaat echter een gecompliceerd terrein dat niet als zodanig in dit
advies wordt behandeld. De Raad heeft zich welbewust gehouden aan
de adviesaanvrage van de regering en zijn studieterrein in hoofdzaak
beperkt tot het gebied van de openbare communicatie, de informatiever-
zorging door de massamedia, dat binnen het complexe geheel van de
communicatie als een entiteit kan worden beschouwd.
   In de tweede plaats kent dit rapport zijn beperkingen wat de keuze van
de bestaande massamedia betreft. Niet alleen nieuwe media komen in
dit rapport aan de orde, ook de aanwezige media en het bestel waarin zij
functioneren vormen onderwerp van studie: enerzijds is dat de landelijke
en regionale omroep (ether en kabel) inclusief buitenlandse zenders die
via de kabelnetten in de huiskamers komen en anderzijds zijn dat kranten
en tijdschriften. Wil men immers de mogelijke invloed van nieuwe media
op het mediabestel traceren, dan is een goed zicht op de bestaande
toestand noodzakelijk. De 'klassieke' media worden overigens daarnaast
in relatie tot hun maatschappelijke context gesitueerd. Met die media
worden doorgaans naast radio, televisie, krant en tijdschrift ook de film
en het boek bedoeld. Het leek de Raad echter ondoenlijk het filmwezen
en de boekensector elk afzonderlijk in hun volle omgang te analyseren.
Daarmee zou deze studie te ver van de elektronische media afdwalen.
Dat kranten en tijdschriften we1 uitvoerig aan bod komen - terwijl de
nieuwe media immers toch in de elektronische sector liggen - vindt zijn
oorzaak in het feit dat die grafische media gezien hun functie nauw bij
de eerder gesignaleerde technologische ontwikkelingen betrokken zijn en
derhalve ook in die relatie bestudeerd zijn. Toch krijgen film en boek we1
enige aandacht; de film namelijk in relatie tot de produktie van televisie-
programma's en het boek in het totaalbeeld dat in dit rapport van de
grafische industriele sector wordt gegeven.
 1.1.3 De aard van de samenhang
   Dit rapport gaat uiteindelijk, maar niet in de laatste plaats, over het te
voeren overheidsbeleid, wat in de adviesaanvrage 'geintegreerd over-
heidsbeleid ten aanzien van de massamedia' wordt genoemd. De vraag
kan rijzen wat men hieronder moet verstaan. Dienen bijvoorbeeld de
beleidsmaatregelen voor de onderscheidene massamedia dezelfde te
zijn? Hiervoor lopen de wijze van exploitatie en de economische
bestaansmogelijkheden van de verschillende media te zeer uiteen. Het
ene medium (de pers) valt onder het regime van de markteconomie, het
 andere (de omroep) staat onder sterke invloed van de over-
 heidsregulering en weer een derde (de Nederlandse film) onder beide.
 Het eigen karakter van elk afzonderlijk massamedium in economisch-
 commercieel opzicht, maar ook in verschijningsvorm en qua funtie
vraagt van de overheid een eigen beleidsregime voor omroep, pers en
film. Daarom verdient het de voorkeur te spreken over een samen-
 hangend mediabeleid, omdat het in vergelijking met de term 'gei'n-
tegreerd beleid' duidelijker is wat daaronder verstaan kan worden.
    Nu zijn samenhang en harmonisatie van beleid geliefde thema's.
 Verscheidenheid in overheidsbemoeiing heeft echter vaak een reele
 bestaansgrond, zodat toch eerst aangetoond zou moeten worden dat
 een gescheiden overheidsbemoeiing tot ondoelmatige resultaten leidt of
 rechtsongelijkheid teweegbrengt. In het mediabeleid lijkt dit niet erg
 reeel. Samenhang in dat beleid kan mede hierin bestaan dat de gevolgen
 van het beleid voor het ene medium worden afgesteld op of eventueel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>opgevangen in het beleid dat voor het andere wordt gevoerdl. In het ver-
leden is dit al het geval geweest, toen bij de invoering van de ether-
reclame (STER) in-1967 aan de pers gedurende een aantal jaren een
financiele compensatie - een soort van schadeloosstelling voor gederf-
de advertentie-inkomsten - werd toegekend. Er zijn meer voorbeelden
van een dergelijke regulering van tegenstellingen tussen pers- en
omroepbelangen. Bij de ontwikkeling van de regionale en lokale omroep
wordt, wat de financiering ervan betreft, in het overheidsbeleid rekening
gehouden met de belangen (advertentie-inkomsten) van de pers. Dezelf-
de problematiek speelt bij de uitbreiding van de reclamezendtijd per tele-
visie, omdat het werven van extra reclame-inkomsten ter financiering
van een groter omroepaanbod de advertentiepositie van de landelijke
dagblad- en tijdschriftenpers kan aantasten.
    Negatieve coordinatie, waarbij het gaat om de regulering van de direc-
t e of indirecte gevolgen van het ene medium voor het andere is al een
moeilijke opgave gebleken. De nieuwe technische mogelijkheden die ook
doorwerken in de sfeer van de software, kunnen bovendien leiden tot
een sterkere vervlechting van de media. Ook nieuwe vraagontwik-
kelingen kunnen de bestaande verhoudingen tussen de diverse media
onder druk zetten en mede tot verschuivingen leiden tussen de verschil-
lende exploitatievormen van de media. De overheid zal daarom het
beleidsstelsel zo flexibel moeten inrichten, dat dit niet te snel door tech-
nische en maatschappelijke ontwikkelingen wordt achterhaald. Zij zal de
ruimte moeten hebben om alert op nieuwe samenhangen te reageren.
Het streven zal derhalve moeten zijn gericht op een verdergaande variant
van samenhangend beleid dan uitsluitend negatieve coordinatie. In
plaats van een marginale coordinatie van de aanrakingspunten en van de
onderlinge compatibiliteiten zou wellicht het streven kunnen zijn het
mediabestel zo in te richten, dat door positieve coordinatie een zodanige
onderlinge afstemming van doelstellingen en beleidsmaatregelen voor de
diverse sectoren wordt bereikt dat een harmonisch beleidsstelsel
ontstaat.
 1.1.4     Uitgangspunten
    Het beleid ten aanzien van de massamedia wordt in dit rapport vooral
i n verband gebracht met democratie, uitingsvrijheid en pluriformiteit. Het
mediabeleid in deze beperkte zin betreft het beleid dat zijn legitimatie
vindt in de bijzondere betekenis van het grondrecht van de uitings-
vrijheid voor de democratie. De Nederlandse overheid heeft het verband
tussen vrijheidsrechten en democratie vele malen onderstreept2. Zonder
dat gesteld mag worden dat de massamedia ten dienste van de demo-
cratie staan, vervullen zij daarin een essentiele rol. De democratie stelt
haar eisen aan de wijze waarop de burgers betrokken zijn bij en invloed
hebben op het openbaar bestuur. Die betrokkenheid en invloed implice-
ren een aantal vrijheden waarvan de vrijheid van meningsuiting en -
vorming als de meest wezenlijke kan worden beschouwd. De mas-
samedia vervullen in de openbare informatievoorziening een essentiele
rol. In deze visie dient men de zorgfunctie van de overheid te plaatsen.
Juist de gedachte dat de democratie ermee gemoeid is als de vrijheden
worden aangetast, heeft ertoe geleid dat in de juridische literatuur de
vrijheidsrechten niet alleen een onthoudingsplicht voor de overheid
inhouden, maar de overheid ook de taak opleggen ervoor zorg te dragen
'      Ministerie van CRM, Nota over het massamediabeleid; Tweede Kamer, zitting 1974-1975,
 13 353, nr. 2, blz. 6-7.
      Zie ook J . van Putten, 'Mediabeleid een valkuil voor wetenschapper en journalist'; De
Journalist, 2 oktober 1980, 31e jaargang nr. 19.
      W.A.F. Wilbers. 'Ge'integreerd mediabeleid'; in: Media en maatschappelijke verantwoor-
delijkheid; onder redactie van G . W . Noomen en R. Vonk, Amsterdam, V U , 1980, blz. 47.
2      Ministerie van CRM, op. cit., blz. 9.
      Ministerie voor Wetenschapsbeleid, Nota Overheidsbeleid op het terrein van de informa-
 tie; een probleemstellende verkenning; Tweede kamer. 1980-1981, 16 406, nr. 2, blz. 9.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>dat de vrijheden ook werkelijk genoten kunnen worden. Wat de vrijheid
van meningsuiting en -vorming betreft heeft de overheid derhalve een
dergelijke zorgfunctie. Het beleid dat zij op het gebied van de mas-
samedia voert getuigt daar onder meer van3.
    Het overheidsbeleid ten aanzien van de massamedia is voorts gericht
op cultuurpolitieke doelstellingen en op sociale en economische doel-
stellingen. Bij het cultuurbeleid gaat het om het ontwikkelen en in stand
houden van culturele waarden, het toegankelijk maken van cul-
tuuruitingen en het stimuleren van participatie in culturele waarden. Met
name de bevordering van het eigen Nederlandse cultuurprodukt en van
kwalitatief hoogwaardige uitingen zijn in dit opzicht relevant.
    Uit het voorgaande vloeit tevens het uitgangspunt voort van plurifor-
miteit van de informatievoorziening. Uitingsvrijheid en pluriformiteit in
het aanbod van en in de informatie zelf zijn onlosmakelijk met elkaar ver-
bonden. Uit een oogpunt van cultuurbeleid gaat het erom of de diversi-
teit van culturele stromingen tot zijn recht kan komen.
1.2     Hoofdlijnen van ontwikkeling
1.2.1     Technische ontwikkelingen
    In dit rapport gaat het vooral om de vraag hoe de nieuwe technische
mogelijkheden op het gebied van de informatie-overdracht hun weg in
onze maatschappij zullen vinden. Technisch is zeer veel mogelijk gewor-
den, maar het is niet duidelijk wat maatschappelijk gewenst wordt. Dit
laatste is belangrijk, enerzijds omdat nieuwe media effecten zullen heb-
ben op de positie van de bestaande media, anderzijds omdat het terein
van de nieuwe .media een belofte inhoudt voor industriele vernieuwing
en werkgelegenheid, afhankelijk van de economisch-commerciele exploi-
tatiemogelijkheden.
    Nadat jarenlang het tempo waarin toepassingen van nieuwe vindingen
op het gebied van de communicatietechniek voor het publiek beschik-
baar zouden komen, overschat werd, lijkt thans een doorbraak van wat
de 'nieuwe media' worden genoemd nabij. En zo kan wellicht de situatie
werkelijkheid worden dat op 36.000 kilometer boven de aarde en een
meter in de grond zich de komende tijd een communicatievernieuwing
zal voltrekken, wanneer zowel satelliet als glasvezelkabel als com-
municatiemiddelen gebruikt zullen worden.
    Op de ingrijpende gevolgen, met name voor dB structuur van het be-
staande mediabestel (omroep en pers), van satelliet en kabel die tot een
enorme uitbreiding van het programma-aanbod kunnen leiden, zal in dit
rapport uitvoerig worden ingegaan. Vooral de kabel, in het bijzonder de
kabel die voor tweezijdige transmissie is ingericht, bijvoorbeeld de glas-
vezelkabel, zal aan de keuzemogelijkheden gestalte kunnen geven.
    De huidige coaxiaalkabel bergt echter nog vele mogelijkheden in zich,
zij het dat voor een grotere benutting van de communicatiemogelijk-
heden van de meeste kabelsystemen technische aanpassingen en wijzi-
gingen noodzakelijk zijn. Die mogelijkheden zijn des te interessanter
omdat de kabel inmiddels tot een groot aantal huishoudens is doorge-
drongen. Zo is ongeveer 60010 van ons land bekabeld, de helft van alle
gemeenten, ruim 2.8 miljoen aansluitingen. In 1983 zal d i t aantal tot 3.4
miljoen zijn opgelopen, waarmee volgens schattingen zo ongeveer het
maximale aantal aansluitingen op een collectief antennesysteem is
bereikt. Van de 438 kabelgemachtigden zijn er 308 (70%) in handen van
gemeenten4. De bestaande collectieve antennesystemen worden op
       Ook de Persraad wijst in zijn commentaar op de conceptadviesaanvrage op het belang
 van een actief overheidsbeleid met het oog op het veilig stellen van het grondrecht van de
 vrijheid van meningsuiting, 'zodat het feitelijk gebruik daarvan zoveel e n zo breed mogelijk
gegarandeerd blijft'. Advies van de Persraad, 1 maart 1979, Nederlandse Staatscourant. 29
 maart 1979, nr. 63.
4      D e Kabel; Een analyse van de machtigingshouders, de exploitanten, de abonnees, de
 kosten en het zenderbereik van de centrale antenne-inrichtingen (cain) in Nederland; specia-
 le uitgave van Media-Info. mei 1981.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>lokaal niveau geexploiteerd. Ze kunnen klein van omvang zijn en heten
dan gemeenschappelijke antenne-inrichting (gai) of een wat groter
gebied bestrijken, de centrale antenne-inrichting (cai). In het bestek van
dit rapport zijn vooral de wat grotere systemen van belang, de kabelnet-
ten die een hele gemeente bestrijken (caien). Tot nu toe worden de
kabelnetten vrijwel uitsluitend gebruikt als doorgeefmedium van
ethersignalen, zowel voor radio als televisie, van binnen- en buitenlandse
zenders. De kabel fungeert daardoor als vervanging van de individuele
antenne. De 'kabel' is echter meer dan een distributiesysteem, hij kan
ook als zelfstandig medium worden gebruikt: namelijk voor het over-
brengen van programma's; dit is het distribueren van programma's die
niet of niet gelijktijdig uit de ether zijn opgevangen, bijvoorbeeld het
rechtstreeks op de kabel zetten van lokale radio- of televisieprogram-
ma's. De meeste kabelnetten bevatten namelijk 'vrije' kanalen, kanalen
die niet worden gebruikt om binnenlandse of buitenlandse zenders door
te geven. Het overheidsbeleid met betrekking tot de kabelomroep is tot
nu toe restrictief geweest. Vrijwel nergens in ons land is de kabel als
zelfstandig medium tot ontplooiing gekomen. Toch zijn er vele mogelijk-
heden. Naast nieuwe diensten als teletekst en viewdata valt te denken
aan abonnee-televisie, lokale omroep, een publiekskanaal voor zelf-
gemaakte programma's en ten slotte zou de kabel ingeschakeld kunnen
worden voor programma's van de overheid en in de sociaal-culturele
sector, zoals volwasseneneducatie en samenlevingsopbouw.
    Dat het kabelnet bij de oorspronkelijke openbaarmaking als een
zelfstandig medium fungeert zal uit het voorgaande duidelijk zijn. Het is
zelfs mogelijk de kabel in zijn doorgeeffunctie als een afzonderlijk
medium te beschouwen. De uitspraak van de Hoge Raad op 30 oktober
 1981 dat de kabelexploitant afzonderlijk auteursrechtplichtig is, omdat de
kabel, aldus de uitspraak, in Nederland geldt als een eigen 'organisme'
vormt impliciet een erkenning of tenminste een ondersteuning van deze
benaderingswijze5. In deze zin opgevat kan zowel de kabel als de satelliet
tot de 'nieuwe' media gerekend worden: kabelomroep en satellietom-
roep. Beide voegen nieuwe mogelijkheden toe aan het bestaande com-
municatiesysteem. Radio en televisie hebben immers reeds geruime tijd,
hoewel zij primair berusten op het gebruik van de ether (disseminatie),
ook kabels als distributiekanalen aangewend! Het nieuwe van satel-
lietomroep en kabelomroep schuilt dan ook in de nieuwe vormen van
massacommunicatie die zij mogelijk maken.
    Naast deze grootschalige tendens maakt de communicatietechniek
ook kleinschalige vormen van massacommunicatie mogelijk. Qua
publieksbereik zijn vooral de regionale en lokale omroep (radio en televi-
sie via ether of kabel) van belang. Een diversificatie van het aanbod, die
tegelijk een individueel gebruik daarvan mogelijk maakt biedt de zoge-
noemde abonnee-televisie. Deze heeft een grote kans in de toekomst
een exploiteerbare markt te veroveren.
    Er zijn overigens meer ontwikkelingen te signaleren, zoals enerzijds
teletekst en viewdata die nu nog uitsluitend alfanumerieke tekst (letters,
cijfers en leestekens) geven en anderzijds de videorecorder en de beeld-
plaat die op den duur tot een veel grotere markt van audiovisuele pro-
dukties kunnen leiden. De eenheid van produktie en distributie, die voor-
al door het karakter van ons omroepbestel bestaat, zal naar verwacht
5     De Hoge Raad baseerde zich bij zijn uitspraak op in onze wetgeving opgenomen bepalin-
gen uit de in 1948 herziene Berner Conventie. Het blijkt, aldus de Hoge Raad, dat bij gelegen-
heid van die herziening het bereiken van een 'nieuw publiek' een te vaag criterium is bevon-
den om vast te stellen of van afzonderlijke openbaarmaking sprake is. Het desbetreffende cri-
terium is daarom uit de ontwerp-verdragtekst geschrapt. In plaats daarvan is bepaald dat
iedere gelijktijdige openbaarmaking van een etherprogramma de toestemming van de
auteursgerechtigden behoeft, voor zover deze gelijktijdige openbaarmaking door een 'ander
organisme' plaatsvindt dan welke de oorspronkelijke uitzending verzorgt (art. 12 lid 3 Auteurs-
wet 1912).
      Voor de Tweede Wereldoorlog werd de kabel bij de radio gebruikt als verlengstuk van de
ether en bekend onder de naam radiodistributie; na de oorlog werd dat - in handen van de
PTT - de draadomroep.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>steeds verder doorbroken worden. Zelfstandige producenten van audio-
visuele produkties zullen steeds meer gaan leveren aan de 'vrije' beeld-
plaat- en cassettemarkt en zo ontstaat een (nu al in opkomst zijnde) 'cul-
turele industrie'.
1.2.2    Economische ontwikkelingen
    In dit rapport worden, naast de technische ontwikkeling, nog twee
gebieden onderscheiden die voor de media en het mediabeleid van
belang zijn. Dat zijn enerzijds economische en anderzijds maatschap-
pelijke of sociaal-culturele factoren, waaraan een iekere autonomie, dat
wil zeggen een ontwikkeling 10s van de media en het mediabeleid, toege-
kend kan worden.
    De technische ontwikkeling die het uitgangspunt van dit rapport
vormt, kan ook vanuit haar economische invloed op de media benaderd
worden. De mediasector draagt immers op directe wijze bij aan het
nationaal inkomen en aan de werkgelegenheid, terwijl het eindprodukt
 - de informatie of'de informatievoorziening - ook in economisch
opzicht een dienende functie in onze samenleving vervult. In onze
gei'ndustrialiseerde maatschappij waarin een vergaande arbeidsdeling
plaatsvindt, is nu eenmaal de informatievoorziening een onontbeerlijke
schakel geworden voor het goed functioneren van d e samenleving. Een
intensivering van die informatievoorziening is onder meer door tech-
nische ontwikkelingen mogelijk geworden. Gezien het strategisch belang
van een goede informatievoorziening en de uitstraling ervan op het
gebied van de economische bedrijvigheid, kan gesproken worden van
 een sector die een speerpuntfunctie bij de herstructurering van de
 Nederlandse produktiecapaciteit kan vervullen. Hierbij spelen de zoeven
 genoemde mogelijkheden op 'cultureel-industrieel' gebied een belangrij-
 ke rol.
    Naast de aanbodkant wordt ook de vraagzijde in beschouwing geno-
 men. De afzetmogelijkheden van de diensten van de nieuwe media wor-
 den in sterke mate beheerst door de voorkeuren van de consument.
 Deze voorkeuren worden bepaald door cultuur-psychologische, tech-
 nologische en economische factoren. De vraagontwikkeling heeft twee
 duidelijke grenzen: de tijdsbesteding en de inkomensbesteding. Ten aan-
 zien van de tijdsbesteding valt te concluderen dat er een voortgaande
 verschuiving plaatsvindt van grafische naar audiovisuele informatie. De
 ontwikkeling van het gezinsbudget is een tweede factor die voor de
 afzetmogelijkheden van de mediasector bepalend is. Voor de komende
jaren valt niet te verwachten dat de reele bestedingsmogelijkheden van
 de gezinshuishoudingen veel zullen toenemen. Een structurele aanpas-
 sing van de Nederlandse economie vraagt om ruimte voor investeringen
 die ten koste zullen gaan van de particuliere consumptie. De beperkte
 koopkracht van de consument zal de snelheid waarmee verschillende
 nieuwe media hun intrede zullen doen bepalen. Zelfs indien men zou
 veronderstellen dat de voorkeur van de consument de mediaconsumptie
 sneller doet groeien dan het beschikbare gezinsbudget, dan blijft het de
 vraag of de markt het nieuwe elektronische media-aanbod kan opnemen.
 In feite betekent dit dat de penetratie van nieuwe elektronische media
 zich over een langere periode zal kunnen uitstrekken of dat bepaalde
 onderdelen (satellietomroep, beeldplaat) voorlopig niet aan bod zullen
 komen.
 1.2.3 Sociaal-culturele ontwikkelingen
    Er bestaat een tweezijdige relatie tussen media en samenleving. De
 media oefenen invloed uit te midden van een veelheid van invloeden en
 zijn zelf ook aan invloeden uit de samenleving onderhevig. Deze tweezij-
 dige relatie geeft voedsel aan de verwachting dat ons mediabestel wijzi-
 gingen zal ondergaan en dat ook op sociaal en cultureel terrein onze
 samenleving zal veranderen. Enerzijds ontstaan perspectieven van een
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>meer gespreid en pluriform media-aanbod en grotere keuzevrijheid voor
het individu, anderzijds kan dat aanbod leiden tot een vergaande com-
mercialisering en vervlakking van de informatievoorziening. Aanvankelijk
werd in kringen van de overheid, door massacommunicatie-deskundigen
en politici nog gevreesd voor een overQloed aan informatie en amuse-
ment met velerlei daaraan toegeschreven negatieve gevolgen voor indi-
vidu en samenleving7. Deze zorg is wellicht niet ongegrond als het erom
gaat in die overvloed voor de verscheidenheid en onafhankelijkheid van
het aanbod te waken. Daarbij moet het ook tot de taak van de overheid
gerekend worden acht te slaan op het culturele peil van de massamedia.
   In het algemeen kan de invloed van deze verschijnselen maar in zeer
beperkte mate worden getraceerd. Bij de effecten die de massamedia op
de samenleving hebben zijn diverse aspecten in het geding: de cultuur
(culturele vervlakking, manipulatie, geweld), de maatschappelijke organi-
satie, het niveau van kennis en informatie en het kijk-, luister- en lees-
gedrag van mensen. Een belangrijke constatering is dat de media
gewoonlijk eerder bijdragen tot een versterking van bestaande ver-
houdingen en ontwikkelingen dan aan verandering daarvan. Weten-
schappelijke onderzoeksresultaten hebben tot nu toe alleen maar aan-
getoond dat er sprake kan zijn'van mogelijke korte termijn effecten. Over
de sociaal-culturele invloed van de massamedia op langere termijn is
echter nog weinig of niets bekend.
1.3 Opbouw van het advies
   De uitgangspunten die in het voorgaande werden genoemd, worden i n .
hoofdstuk 2 van dit rapport verder uitgewerkt en vormen met een aantal
waarden die de Raad aan de doelstellingen van het massamediabeleid
verbindt, het referentiekader van dit rapport. Die waarden hebben zowel
betrekking op de functies van de media als op de inrichting van het
mediabestel.
   Hoofdstuk 3 geeft een karakteristiek van het beleid ten aanzien van de
massamedia door in grote lijnen de ontwikkeling van het mediabeleid te
volgen en de belangrijkste knelpunten bloot te leggen, zowel bestaande
als die welke zich in verband met de nieuwe communicatietechnieken
aandienen. Dit inzicht is noodzakelijk voor een juiste beoordeling van de
invloed van technische ontwikkelingen op het huidige functioneren, de
institutionele vormgeving en het overheidsbeleid ten aanzien van
omroep en pers.
   In hoofdstuk 4 wordt een overzicht gegeven van de technische ont-
wikkelingen op het terrein van de massamedia.
   In hoofdstuk 5 worden enige knelpunten in de regelgeving besproken.
Hierbij gaat het om aanpassingen en aanvullingen in de institutionele
vormgeving ten aanzien van de omroep.
   In hoofdstuk 6 wordt aandacht geschonken aan de economische fac-
toren die voor de media-ontwikkeling en het mediabeleid van belang zijn,
zoals de consumptieve bestedingen, de reclamebestedingen, de 'cul-
tureel-industriele' tendens tot verbreding van het produktiepakket bij uit-
geversmaatschappijen (nieuwe diensten), de behoefte aan
investeringsmiddelen en de concentratietendens bij de pers. Deze ont-
wikkelingen kunnen van invloed zijn op bijvoorbeeld de financiering van
de omroep, de diversiteit van de pers, de redactionele zelfstandigheid en
onafhankelijkheid van kranten en tijdschriften. Daarnaast wordt afzon-
derlijk aandacht besteed aan het aspect van de werkgelegenheid.
   Ook maatschappelijke factoren komt autonomie toe in de zin dat er
ontwikkelingen zijn die zich relatief onafhankelijk van technische en eco-
nomische omstandigheden gedragen, zoals bijvoorbeeld een mogelijke
verscherping van maatschappelijke tegenstellingen (vrouwenemanci-
'     Ministerie van CRM, op. cit.. blz. 17-18.
     Zie recentelijk nog het rapport van een commissie van het Wetenschappelijk lnstituut
voor het CDA, Massa-'of kassacornrnunicatie?; 's-Gravenhage, 1981, blz. 13-17.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>patie, minderheidsgroepen in onze samenleving, verscherping van
arbeidsverhoudingen), toename van de vrije tijd of verdergaande decon-
fessionalisering. In relatie tot de massamedia kunnen zulke ontwikkelin-
gen van invloed zijn op het voortbestaan van geprofileerde omroeporga-
nisaties en op de programmering op radio en televisie. Maatschappelijke
ontwikkelingen, alsmede de culturele betekenis van de massamedia wor-
den in hoofdstuk 7 besproken.
   Ten slotte mondt dit rapport in hoofdstuk 8 uit in de presentatie van
een aantal samenhangende conclusies ter beantwoording van de vragen
die de regering de Raad heeft voorgelegd.
   Zoals gebruikelijk heeft de Raad in een vroeg stadium van de ont-
wikkeling van het project een aantal opdrachten voor verdere studie en
onderzoek gegeven aan hiertoe gespecialiseerde personen en institutena.
Dit geschiedde in de eerste plaats met de bedoeling de Raad de beschik-
king te geven over de jongste gegevens en inzichten op het terrein van
de massamedia en de massacommunicatie. Voorts beoogt de Raad de
lezer van dit rapport in staat te stellen zelf diepergaand van bepaalde
onderwerpen kennis te nemen dan mogelijk wordt gemaakt door een
Rapport aan de Regering. Daarom heeft de Raad besloten een vijftiental
studies te publiceren als zelfstandige delen in een aparte serie 'Voorstu-
dies en achtergronden mediabeleid'. De Raad meent door het beschik-
baar stellen van deze voor Nederland unieke serie, te handelen conform
zijn wettelijke opdracht tot het verschaffen van wetenschappelijk
gefundeerde informatie over ontwikkelingen op langere termijn en zich
ook aldus te kwijten van zijn taak een bijdrage te leveren aan de beleids-
vorming. Publikatie of beschikbaarstelling van studies behoeft overigens
niet te betekenen dat de Raad het eens is met al datgene wat hierin
wordt gesteld. Zoals steeds in de serie Voorstudies en achtergronden het
geval is, acht de Raad zich verantwoordelijk voor de publikatie, maar
berust de verantwoordelijkheid voor de inhoud en de ingenomen stand-
punten bij de auteurs.
      Zie bijlage 2 aan het einde van dit rapport voor een overzicht van de tot dusver versche-
 nen delen in d e reeks Voorstudies en achtergronden mediabeleid.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>2. UITGANGSPUNTEN TEN AANZIEN VAN DE MASSAMEDIA
2.1    Inleiding
   De term 'mediabeleid' wordt in verschillende betekenissen gebruikt.
Soms bedoelt men er het geheel van het overheidsbeleid mee dat
betrekking heeft op de massamedia. Ook wordt de term 'mediabeleid'
gereserveerd voor dat gedeelte van het beleid dat teruggaat op drie
begrippen die veelal in een adem worden genoemd: democratie, uitings-
vrijheid en pluriformiteit. Uit de context zal veelal blijken wat wordt
bedoeld. In dit hoofdstuk wordt van 'mediabeleid' gesproken in laatst-
genoemde, engere betekenis. Men zou ook van 'de kern van het media-
beleid' kunnen spreken. Hierbij is 'democratie' bewust voorop gezet, als
de centrale waarde, die mede betekenis geeft aan de vrijheid van
meningsuiting en -vorming en de hiermee verbonden pluriformiteit.
   De achterliggende gedachtengang is dat tot het wezen van de demo-
cratie behoort dat deze ruimte schept voor meer uitingen dan die van
slechts Ben individu, groep of partij; immers, in een volwassen demo-
cratie wordt hoge waarde toegekend aan het feit dat afwijkende menin-
gen kunnen worden geuit en gehoord. Dit hangt samen met het besef
dat democratie in essentie is gebouwd op scepsis jegens het aan-
houdend gelijk van een partij. Kennis en inzicht worden stapsgewijze ver-
worven, waartoe de botsing der meningen bijdraagt. In een zich steeds
veranderende samenleving behoren de veranderingen ook in instituties
tot uitdrukking te (kunnen) komen en dienen minderheden de kans te
hebben zich tot meerderheid te ontwikkelen. Tot dit alles draagt de
maatschappelijke discussie bij, die echter slechts volwaardig kan zijn als
relevante feiten en gebeurtenissen voldoende bekend zijn en de ach-
tergronden degelijk worden belicht en verklaard.
   De Raad wil weliswaar de uitingsvrijheid niet uitsluitend koppelen aan
de democratie - het gaat hier om een politiek grondrecht zoals het kies-
recht, het recht van vereniging en vergadering en de vrijheid van onder-
wijs, waarbij ook individuele ontplooiingsmogelijkheden in het geding zijn
- maar hij legt we1 het accent op de onmisbare functie die een vrije dis-
cussie en een vrije informatiestroom in een democratische samenleving
vervullen. Dit is ook aantrekkelijk omdat hieraan maatstaven zijn te ont-
lenen indien de overheid een actief beleid wil voeren ten aanzien van de
uitingsvrijheid. Door de onderlinge samenhang van democratie, uitings-
vrijheid en pluriformiteit aldus te situeren sluit de Raad zich aan bij de
zogenoemde democratisch-functionele benadering van grondrechten:
deze zijn niet alleen van belang voor de ontplooiing van het individu,
maar vooral ook voor het functioneren van de democratie. Dit is een
door veel auteurs gedeelde opvatting; zo wordt bijvoorbeeld in de Kabel-
notitie de uitingsvrijheid grondvoorwaarde genoemd voor de democrati-
sche samenleving'. Wel wil de Raad hier alvast duidelijk maken dat in
deze opvatting weliswaar een overheidsbeleid, gericht op het in stand
houden van instrumenten van de uitingsvrijheid, zich vooral zal richten
op het democratisch functioneren van ons staatsbestel, maar dat dit niet
mag leiden tot een toetsing op democratisch gehalte van afzonderlijke
media. Immers, dan zou de vrijheid slachtoffer worden van de demo-
cratie*. De koppeling van functie aan gebruik (van de vrijheid van
meningsuiting) is niet op te vatten als functie ten dienste van bepaald
 I     Ministerie van CRM, Notitie Doorgifte van buitenlandse omroepprogramma's via Neder-
 landse kabelnetten; Tweede Kamer, zitting 1980-1981. 16 494, nr.2, blz.4.
 2    Vgl. P.J. Boukema, 'Recente vraagstukken betreffende de vrijheid van meningsuiting';
 Civis Mundi, 1975. blz. 182.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>gebruik. Anders gezegd: vrijheid van meningsuiting is geen functie van
een democratie maar een voorwaarde voor democratie. lndien de over-
heid een actief beleid wil voeren om de uitingsvrijheid te bevorderen,
kan aan het grondrecht zelf slechts een prioriteit worden ontleend ten
bate van uitingen die politiek-maatschappelijke onderwerpen betreffen.
Voorrang op grond van democratisch gehalte of op grond van een func-
tie ter verwerkelijking van bepaalde doelstellingen, die op een zeker
moment in een democratie als belangrijk worden ervaren, kan niet op het
grondrecht worden gebaseerd.
    De nadruk op politiek-maatschappelijke relevantie mag niet leiden tot
de stelling dat de overheid dus geen taak zou hebben waar het gaat om
meningsuitingen van andere aard. Ook deze vallen immers onder het-
zelfde vrijheidsrecht en kunnen dus aanspraak maken op eenzelfde
bescherming. Naast het mediabeleid in de hierboven gedefinieerde zin
voert de overheid voorts ook beleid ten aanzien van de massarnedia dat
niet teruggaat op het grondrecht, namelijk beleid gericht op het in stand
houden en bevorderen van culturele waarden. Hierbij is het oog te hou-
den op het inhoudelijke onderscheid tussen informatieve, educatieve en
expressieve functies van de media (enerzijds nieuws, beschouwingen en
opinie, anderzijds educatie en voordracht/verhalen, dramaltheater,
muziek). Juist bij de omroep liggen naast de informatieve functie veel
werkzaamheden op het terrein der expressieve functie, hetgeen inhoudt
dat belangrijke cultuurpolitieke doelstellingen in het geding kunnen zijn.
    De Raad onderschrijft het belang van deze cultuurpolitieke doelstel-
lingen. Het gaat hierbij om het ontwikkelen en in stand houden van cul-
turele waarden, het toegankelijk maken van culturele objecten en mani-
festaties, en het bevorderen van mogelijkheden voor de bevolking om in
culturele waarden te participeren3. Bij cultuurpolitiek gaat het ook om sti-
muleren van het Nederlandse cultuurprodukt en van kwalitatief hoog-
waardige uitingen.
    De vraag kan aan de orde komen naar het primaat van mediabeleid
ten opzichte van cultuurbeleid. Hierbij is te bedenken dat de overheid,
omdat het gaat om een grondrecht, minder vrijheidsgraden heeft bij het
mediabeleid - met name ten aanzien van de zorg voor een pluriform
mediabestand - dan bij het cultuurbeleid. In de praktijk van het beleid
zal deze - op zich zelf, juist gezien het grondrechtelijk karakter,
onbetwistbare - constatering niet altijd rechtstreeks tot een oplossing
leiden. Hier gaat het er echter om vast te stellen dat de eventuele over-
heidsbemoeienis met de pers, maar vooral met de omroep, niet is uit-
geput met de doelstellingen van mediabeleid en dat mediabeleid en cul-
tuurbeleid ieder hun eigen legitimatie en effecten hebben.
    Waar uitingsvrijheid en pluriformiteit als kernbegrippen steeds terug-
keren in het mediabeleid, zou men wellicht een grote mate van overeen-
stemming verwachten over hun betekenis in het algemeen en voor de
hoofdlijnen van het,overheidsbeleid in het bijzonder. Dit is echter niet zo.
Zowel met betrekking tot de grenzen aan overheidsingrijpen, als ten aan-
zien van de vraag hoever een actief overheidsbeleid moet gaan, lopen de
meningen uiteen. Derhalve wordt hieronder nader ingegaan op deze
kernbegrippen, waarbij - in overeenstemming met de Nederlandse
situatie - pers en omroep afzonderlijk zullen worden behandeld.
2.2     Uitingsvrijheid    - de afweerfunctie
    Historisch gezien heeft het grondrecht van de uitingsvrijheid zich
ontwikkeld uit het afweerrecht tegen bemoeienis van de staat. D,it is het
censuurverbod, zoals het sinds 1848 ongewijzigd is neergelegd in artikel
7 van de Grondwet: niemand heeft voorafgaand verlof nodig om'door de
drukpers gedachten of gevoelens te openbaren, behoudens ieders ver-
antwoordelijkheid voor de wet.
       Ministerie van CRM, Nota Kunst en kunstbeleid; Tweede Kamer, zitting 1975-1976. 13 981.
 blz. 13.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>     Hierbij valt op dat de Grondwet de relatie tussen overheid en uitings-
vrijheid negatief formuleert: de overheid mag meningsuitingen niet bin-
den aan voorafgaand verlof en optreden achteraf mag alleen voor zover
een wet hiertoe machtigt. Ook na de Grondwetsherziening van 1982
formuleert artikel 7, eerste lid, de drukpersvrijheid met dezelfde woorden
als in 1848. Dit betekent echter niet dat de afweerfunctie van het grond-
recht sindsdien geen versterking heeft ondergaan. Voor zover van belang
voor het overheidsbeleid wordt deze versterking hier puntsgewijs weer-
gegeven4.
a. Andere uitingsmiddelen dan alleen drukpersprodukten worden
beschermd. Volgens de Hoge Raad vallen onder het artikel ook 'met de
drukpers op een lijn te stellen vermenigvuldigingstechnieken' en 'mid-
delen van bekendmaking die in het maatschappelijk verkeer dezelfde
functie vervullen'5. Het nieuwe artikel 1.7 vermeldt radio, televisie en ook
andere vormen van meningsuiting (tweede en derde lid) en verbiedt
voorafgaand toezicht op de inhoud van uitingen.
b. Andere uitingen dan 'gedachten of gevoelens' worden beschermd.
Ook de weergave van feiten Ean onder de bescherming vallen, zo heeft
de regering - niet weersproken - gesteld tijdens de parlementaire
behandeling van het nieuwe artikel 1.76.
c. Andere fasen in het communicatieproces worden beschermd. Op
grond van de gedachte dat beperkingen van de verspreiding eveneens in
strijd kunnen zijn met het verbod van voorafgaand verlof, is door de
jurisprudentie uitgemaakt dat 'zelfstandige verspreidingsmiddelen'
(exploitatie van een boekwinkel, venten) niet volledig aan een vergunning
gekoppeld of geheel verboden mogen worden. Ook ten aanzien van ver-
 menigvuldiging door de drukpers moet de dienende taak ten bate van
 het openbaringsrecht onverlet blijven.
 d. De mogelijkheid tot repressief optreden is verduidelijkt. Blijkens de
toelichting op het nieuwe artikel 1.7 mag het 'openbaren' slechts bij for-
 mele wet strafbaar worden gesteld en moet dan steeds beroep
openstaan op de onafhankelijke rechter. Voor beperkingen in andere
 fasen in het communicatieproces (verspreiden) is een wet in materiele
 zin voldoende, aldus de bestaande jurisprudentie.
     Het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (art. 10) en het
 internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke vrijheden (art.
 19) geven een principiele uitbreiding van de uitingsvrijheid. Zij leggen de
 uitingsvrijheid via alle media vast, een verruiming die tot de inwerking-
 treding van het nieuwe artikel 1.7 van de Grondwet van betekenis is.
 Voorts vermelden zij ook andere fasen in het communicatieproces dan
 het 'openbaren', zoals doorgeven en ontvangen. Met name de vrijheid
 om informatie te ontvangen is een wezenlijke aanvulling op artikel 7 van
 de Grondwet en zal dat ook ten opzichte van artikel 1.7 zijn. Ten slotte
 geven de verdragen een aanvulling op de Grondwet doordat zij de for-
 mele en materiele eisen (zoals 'nodig zijn in een democratische samen-
 leving...' in art. 10 EV) vermelden waaraan beperkingen van de uitings-
 vrijheid moeten voldoen. Nederland is partner in beide verdragen en daar
 de genoemde bepalingen directe werking toekomt, kunnen maatregelen
 van de Nederlandse overheid, inclusief wetten in formele zin, aan deze
 eisen worden getoetst.
2.3         Uitingsvrijheid - de zorgfunctie
      In wezen is de doelstelling van de uitingsvrijheid als afweerrecht tegen
 de overheid een vrije discussie met botsende meningen mogelijk te
           J.M. de Meij. Overheid en uitingsvrijheid; serie 'Voorstudies en achtergronden mediabe-
 k i d ' , nr. Ml, 's-Gravenhage, Staatsuitgever~j,1982, hoofdstuk 2. Van deze voorstudie is in dit
  hoofdstuk veel gebruik gemaakt.
           H R 25 januari 1967, N.J.,nr. 270.
           Tweede Kamer. zitting 1976-1977.13 872. nr. 7. biz. 26.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>maken7. In overeenstemming hiermee heeft zich gaandeweg het tweede
facet van de overheidsbemoeienis met de uitingsvrijheid ontwikkeld,
namelijk de mogelijkheid om actief de drukpersvrijheid in stand te hou-
den en te bevorderen.
    Dit past bij de algemene uitbreiding van de overheidstaak, de opkomst
van de verzorgingsstaat en de uitbouw van de democratie. zoals deze na
de Tweede Wereldoorlog gestalte hebben gekregen. In de eerste plaats
is in dit verband van belang de opkomst van de sociale grondrechten en
van de gedachte dat er tussen deze nieuwe categorie en de klassieke
vrijheidsrechten een samenhang bestaat. In Nederland is deze opvatting
het eerst theoretisch verdedigd door Van der Hoeven: tussen beide
groepen rechten bestaat in zoverre geen principieel verschil, dat beide
strekken tot waarborging van de autonomie van het individu en van vrij
gevormde groepen van personens. In de nieuwe Grondwet zijn, in lijn met
deze opvatting, klassieke en sociale grondrechten in een hoofdstuk
opgenomen. Wel is de ontwikkeling niet zo ver doorgezet dat nu ook de
zorgfunctie als overheidstaak is opgenomen in artikel 1.7. In de Memorie
van Antwoord werd de vraag of een opdracht aan de wetgever kon wor-
den opgenomen om regels te stellen ten einde de pluriformiteit van                               ,
informatieverstrekking te waarborgen en monopolievorming te voorko-
men, ontkennend beantwoord. De motivering 'dat deze materie nog niet
in die mate is uitgekristalliseerd, dat thans reeds, mede gelet op de voor
grondwetswijziging vereiste gekwalificeerde meerderheid, een grond-
wetsbepaling zou moeten worden voorgesteld' wijst echter meer op
praktische dan op principiele bezwareng.
    De opvatting dat de overheid ook bij de vrijheidsrechten, inclusief de
uitingsvrijheid, actief kan optreden ter bescherming en verwerkelijking
van deze rechten, is in de literatuur van de laatste 15 jaar en ook in
recente regeringsstukken gemeengoed geworden. Reeds de Staatscom-
missie van advies inzake de Grondwet en de Kieswet merkt op dat 'het
inzicht is gegroeid dat de overheid op verschillende terreinen voor-
waarden dient te scheppen op grond waarvan de mens zich in zijn indivi-
dualiteit kan ontplooien'10. Recentere voorbeelden bieden de Nota inzake
het massamediabeleidll en het Antwoord van de regering bij de behan-
deling in de Tweede Kamer van de Nota Overheidsbeleid op het terrein
van de informatielz, waarbij de zorgfunctie voor feitelijke verwezenlijking
van zowel de vrijheid informatie te verspreiden als informatie te ont-
vangen, werd beklemtoond.
    Ook als men niet ter verdediging van deze zorgfunctie de overeenkom-
sten met de sociale grondrechten wil benadrukken, of de stelling betrek-
ken dat het grondrecht zelf is uitgebreid, kan de uitbreiding van de
afweerfunctie van het vrijheidsrecht met de zorgfunctie ter realisering
ervan zeer we1 worden gemotiveerd met de gelijkheidsgedachte die,
aldus Burkens, van oudsher in de grondrechten besloten ligtl3.
2.4     lnstitutionele benadering en recht op informatie
    In verband met het vorenstaande zijn nog twee ontwikkelingen van
 belang die de laatste decennia vallen waar t.e nemen, zowel in grond-
rechtentheorieen als in jurisprudentie en beleidsuitspraken. Men kan
 deze ontwikkeling kwalificeren als aspecten van de verschuiving van het
       J . M . de Meij, op.cit.. blz. 107.
       J. van der Hoeven. De plaats van de Grondwet in het constitutionele recht; Zwolle,
 Tjeenk Willink. 1958, blz. 170 e.v..
       Ministerie voor Wetenschapsbeleid. Nota Overheidsbeleid op het terrein van de informa-
 tie; een ~robleemstellendeverkenning; Tweede Karner, zitting 1980- 1981, 16 406. nr. 4, blz. 7.
 lo
      Staatscomrnissie van advies inzake de Grondwet en de Kieswet. Tweede rapport; 's-Gra-
 venhage, Staatsuitgeverij. 1969. blz. 29-30.
 l1
      Ministerie van CRM, Nota over het massamediabeleid; Tweede Kamer, zitting 1974-1975.
 13 353, nr. 2, blz. 12.
 l2
      Ministerie voor Wetenschapsbeleid, op. cit., blz. 7.
 l3
      M.C.B. Burkens. Beperking van grondrechten; Deventer, Kluwer. 1971, blz. 168 e.v..
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>zwaartepunt van de belangstelling van uitsluitend de individuele zenderl
schrijver naar andere onderdelen van het communicatieproces. Zo'n
verschuiving heeft zich in de eerste plaats gemanifesteerd in het kader
van de reeds vermelde democratisch-functionele benadering van grond-
rechten. Daarnaast is van betekenis de zogenaamde institutionele bena-
dering van grondrechten, die in het bijzonder in Duitsland is ontwikkeld.
Deze komt erop neer dat het bestaan van instituten, zoals de pers en de
omroep die bij de uitoefening van de grondrechten een belangrijke rol
spelen, voor de overheid extra plichten met zich meebrengt, zowel tot
onthouding als ter bevordering van het vermogen van deze instituten om
overeenkomstig hun doelstellingen te functionerenl4. Ook in Nederland is
door overheid en schrijvers betoogd dat in de drukpersvrijheid institutio-
nele vrijheidselementen liggen besloten, a1 worden de consequenties
hiervan veelal iets terughoudender weergegeven dan in de Duitse litera-
tuur: 'De overheid moet niet alleen de individuele uitingsvrijheid ontzien
en bevorderen, maar ook die van instituten als het perswezen en de
omroep'l5.
   Een derde tendentie die hier van belang is, is die van de vrijheid van
ontvangst, welke in de richting gaat van een recht op informatie, dat zou
toekomen aan het publiek. Dit sluit aan bij de eerder genoemde demo-
cratisch-functionele benadering: het gaat om de gedachte dat de mens
als staatsburger niet naar behoren kan functioneren zonder goede voor-
lichting. In de Nederlandse Grondwet ontbreekt de ontvangstvrijheid, ook
als afweerrecht tegen de overheid; in de Europese Conventie voor de
rechten van de mens en het internationale Verdrag inzake burgerrechten
en politieke vrijheden komt zij we1 voor. In het kader van de Verenigde
Naties en de Unesco zijn al langer ontwikkelingen in deze zin te bespeu-
ren; zo bepaalt bijvoorbeeld de ontwerpconventie over Freedom of
Information (1958) in artikel 1 eerste lid: 'Each contracting State under-
takes to respect and protect the right of any person to have at his dispo-
sal diverse sources of information'l" Met betrekking tot de Europese
Conventie kan het Sunday Times-arrest worden genoemd, waarin werd
overwogen: 'Article 10 guarantees not only the freedom of the press to
inform the public, but also the right of the public to be properly infor-
med'''. Al beoogden de opstellers van het verdrag destijds slechts
onthouding door de overheid te bevorderen, de ontwikkeling in de
gedachtenvorming is we1 duidelijk1*.
2.5    Pluriformiteit
   Naast democratie en uitingsvrijheid is hierboven pluriformiteit
genoemd als uitgangspunt bij het mediabeleid. Op het eerste gezicht zou
men zeggen dat pluriformiteit voortvloeit uit een goed functionerende
uitingsvrijheid; toch dient over dit uit de perswereld afkomstige begrip
iets naders te worden gezegd. Het woord wordt namelijk in verschillende
betekenissen gebruikt, zowel betrekking hebbend op een verscheiden-
heid van aanbieders van informatie als op een verscheidenheid van aan-
bod. Beide worden op uiteenlopende wijze benaderd - zo kan bij het
aanbod de nadruk gelegd worden op ofwel verscheidenheid in stand-
punten of op het bieden van verschillende soorten informatie (politiek,
cultuur, amusement) of op de vorm waarin of het tijdstip waarop het
gebodene wordt gepresenteerd en toegankelijk is. Voor zover de Raad in
dit rapport uitgaat van de betekenis van de media voor het functioneren
van de democratie. zal ook het pluriformiteitsbegrip in dit kader aan de
orde komen. Het ligt immers voor de hand om de lijn van democratisch
l4  J.M. de Meij, op. cit.. blz. 98-99.
l5
    Aldus samengevat bij J.M. de Meij, op. cit. blz. 110.
l6  Ibid.. blz. 97.
l7
    Europees Hof voor d e Rechten van de Mens. 26 april 1979. N.J..1980. nr. 146, par. 66.
l8
    Uiteraard vindt ook een 'recht' op informatie zijn grens in wetgeving ten aanzien van
openbaarheid, privacy, auteursrecht, en dergelijke.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>functioneren via uitingsvrijheid door te trekken naar pluriformiteit, die
dan een uitwerking is van de bij de uitingsvrijheid gestelde overheidstaak
om te zorgen dat er een gevarieerd informatie-aanbod beschikbaar is, of
althans kan zijn. De in paragraaf 4 gesignaleerde ontwikkeling in de rich-
ting van een recht op informatie krijgt aldus concretisering in een 'recht'
op een pluriform media-aanbod. Het gaat in het onderstaande dus niet
om pluriformiteit als zelfstandige norm, maar om pluriformiteit als uit-
drukking van maatschappelijke verscheidenheid. Oordelen over plurifor-
miteit kunnen zich dus niet beperken tot het media-aanbod zelf, maar
zullen steeds mede in overweging moeten nemen in hoeverre het aan-
bod of de aanbieders overeenkomen met de verscheidenheid van de
maatschappij.
   Nu is hiermede nog weinig concrete invulling aan het begrip gegeven.
Immers, als men ervan uitgaat dat 'afzenders' diverse boodschappen
willen versturen en dat 'ontvangers' een eigen behoefte hebben aan
diversiteit, dan zullen beide niet per se exact overeenkomen. Voor een
meer principiele beschouwing zal het pluriformiteitsbegrip moeten wor-
den gerelativeerd tot een in het maatschappelijk verkeer hanteerbare
norm. Het blijkt dan echter niet mogelijk een algemeen geldende formule
op te stellen, die een eenduidige relatie legt tussen maatschappelijke
pluriformiteit en media-pluriformiteitlg. Dit is we1 voorwerp geweest van
onderzoek, waarbij is gepoogd feitelijke gegevens op twee terreinen
(media en maatschappij) met elkaar in verband te brengen; er sluipt
onvermijdelijk een normatief element binnen wanneer het erom gaat in
hoeverre de media-pluriformiteit met de maatschappelijke verscheiden-
heid moet overeenkomen.
   Bij zodanig onderzoek wordt veelal bezien in hoeverre een medium of
een bepaalde groep media standpunten verkondigen enlof meningen
weergeven die afwijken van het politieke midden; vervolgens wordt een
vergelijking gemaakt met de politieke voorkeuren in de bevolking en wor-
den conclusies getrokken over de mate van media-pluriformiteit en de
mate waarin deze met de maatschappelijke pluriformiteit overeenstemt20.
Veelal wordt de aandacht gericht op een inhoudelijke verscheidenheid,
binnen een bepaalde categorie media (bijv. de landelijke dagbladen), ook
we1 binnen de verschillende individuele media in zo'n groep. Verschij-
ningsvorm of frequentie, wijze van presentatie enzovoort krijgen nau-
welijks aandacht. Bij de beperking tot een medium wordt ervan uit-
gegaan dat de media (in de zin van dagbladpers, televisie enz.) ieder een
eigen rol ten behoeve van de informatievoorziening vervullen en dat plu-
riformiteit dus in elke categorie aanwezig behoort te zijn21. Doordat elk
medium zijn specifieke hoedanigheden heeft en zijn hiermee samen-
hangende sterke en zwakke punten, kunnen media namelijk slechts in
beperkte mate functies overnemen van elkaar. De Raad acht dit een
belangrijk punt van overweging voor het overheidsbeleid. Hierop wordt
teruggekomen in paragraaf 7.
   Zonder af te doen aan het belang van pluriformiteitsonderzoek, dat
immers nuttige informatie kan opleveren over de stand van zaken bij de
media en aldus aanwijzingen kan geven ten behoeve van het over-
heidsbeleid, blijkt toch we1 dat over pluriformiteit, als verfijning van de
doelstelling bevordering van de uitingsvrijheid in het kader van de demo-
cratie, uiteindelijk slechts normatief stelling kan worden genomen. De
Raad zou van een uit democratisch oogpunt bevredigende pluriformiteit
willen spreken indien relevante politiek-maatschappelijke stromingen in
het media-aanbod vertegenwoordigd kunnen zijn. Hierbij wordt aan-
geknoopt bij een Nederlandse beleidstraditie die wil dat waar geestelijke
'9
    Ministerie van CRM, Nota over her massamediabeleid; op. cit.. blz. 13.
    Zie bijv. D. McOuail. J.J. van Cuilenburg, Media en pluriformiteit in Nederland; Een beoor-
deling van de stand van zaken; serie 'Voorstudies en achtergronden mediabeleid', nr. M8.
's-Gravenhage, Staatsuitgeverij, 1982.
21  Eindrapport van de Commissie Bedrijfsfonds voor d e Pers; 's-Gravenhage, Staatsuit-
geverij, 1972, bijlage 1.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>vrijheden in het geding zijn de overheid zich toelegt op voor-
waardenscheppend beleid en zo nodig initiatieven honoreert die uit de
samenleving komen. De zorgfunctie zal in dit licht worden bezien.
    De relevantie van een stroming is niet exact te bepalen. Deze zal zich
bij voorkeur via een objectief criterium, zoals een bepaalde 'aanhang'
van een medium, moeten manifesteren, maar hoe en hoe genuanceerd
de overheid getalscriteria wil toepassen is een zaak voor het concrete
beleid.
    De Raad wijst er overigens op dat er vanuit het grondrecht bezien
geen reden is per se de bestaande media-pluriformiteit als maatstaf te
nemen. Ten eerste is het nog maar de vraag of de bestaande situatie uit
pluriformiteitsoogpunt zo ideaal is, ten tweede zullen relevante politieke
stromingen niet steeds dezelfde zijn - in een levende democratie
verdwijnen er en komen er nieuwe bij. Als de zorgfunctie van de overheid
zich te zeer zou richten op behoud van het bestaande, zou verstarring
worden bevorderd. Nieuwe media zouden op deze wijze voor additionele
 drempels komen te staan, doordat sommige bestaande media langer in
 leven zouden worden gehouden dan op grond van de uitingsvrijheid
 geboden kan zijn.
    Gezien de eerder genoemde betekenis van cultuurpolitieke doeleinden
 in het beleid ten aanzien van de massamedia, is overigens duidelijk dat
 het pluriformiteitsbegrip ook buiten het mediabeleid in engere zin - dat
teruggaat op het grondrecht van de uitingsvrijheid - aan de orde kan
 zijn. In het cultuurbeleid is met name van belang dat de diversiteit aan
 culturele stromingen op adequate wijze tot uitdrukking komt. Vooral in
 het beleid ten aanzien van de omroep ligt hier een belangrijke over-
 weging, waardoor bijvoorbeeld de vraag wat nu een bevredigend
 programma-aanbod is, niet slechts vanuit mediapolitieke gezichtspunten
 kan worden beantwoord.
2.6    De omroep
    Terwijl ten aanzien van de pers het overheidsbeleid toch vooral werd
gekenmerkt door onthouding - de zorgfunctie is, zoals gezegd, nog in
ontwikkeling - is ten aanzien van de omroep de overheidsbemoeienis
steeds intensief geweest. Een beschrijving van de ontwikkeling van het
omroepbestel wordt in hoofdstuk 3 gegeven. Aangezien deze in feite
neerkomt op een weergave in hoofdlijnen van het omroepbeleid, beper-
ken wij ons hier tot de uitgangspunten voor het massamediabeleid voor
zover deze afwijken van hetgeen geldt voor de pers.
    Het grote verschil is dat bij de pers in beginsel vrije toegang tot het
medium bestaat, terwijl bij de omroep de toegang tot dusver is beperkt.
Van oudsher is in de omroep sprake geweest van een vergun-
ningenstelsel, een verdeling van zendtijd op publiekrechtelijke basis die
haar voornaamste rechtvaardiging vond in de schaarste aan ether-
frequenties. Deze schaarste heeft overigens ook in alle andere landen
waar vergelijkbare opvattingen over de uitingsvrijheid bestaan, tot zo'n
toegangsregeling geleid. Hiervoor hebben gaandeweg andere beweegre-
denen meer gewicht gekregen - zoals financieel-economische over-
wegingen, de indringendheid van het medium, de bijzondere betekenis
ervan voor het overbrengen van cultuur, kennis of amusement. Deze
overwegingen werken door in de inrichting van de vergunningenstelsels
en in de eisen die aan concessionarissen worden gesteld.
    Een reden voor overheidsbemoeienis met de omroep ligt voorts in de
onmogelijkheid de kijkers en luisteraars zelf te laten bepalen aan welke
delen van het aanbod zij hun kijk- en luistergeld wensen te besteden.
Sinds de Tweede Wereldoorlog heef? het systeem ingang gevonden
waarbij de overheid het overgrote deel van de middelen kanaliseert die
nodig zijn voor het maken van programma's. Dat dit geld niet uit de
algemene middelen afkomstig is, maar (thans) wordt verkregen door
omroepbijdragen van het publiek en van etherreclame, doet niet af aan
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>het feit dat de zendgemachtigden afhankelijk zijn van financien die zij via
de overheid krijgen22.
    De overheid is ook betrokken bij de regeling in het omroepbestel van
de beide aspecten van de uitingsvrijheid - de afweer- en de zorgfunc-
tie - en de hieraan gekoppelde pluriformiteit.
    De kern van het afweerrecht, het censuurverbod, is voor de omroep
pas bij de algehele herziening van 1982 grondwettelijk geregeld, in artikel
1.7 tweede lid. Hierbij wordt aan de wetgever opgedragen regels te stel-
len omtrent radio en televisie - hij heeft hieraan door de Omroepwet al
voldaan - en wordt voorts bepaald dat op de inhoud van de uit-
zendingen geen voorafgaand toezicht wordt uitgeoefend. Door inwer-
kingtreding van de wet van1 september 1978 (Stb. 665) is voorts artikel
10 tweede lid van de Omroepwet geschrapt, volgens welke de uit-
zendingen niets mogen bevatten dat gevaar oplevert voor de veiligheid
van de Staat, de openbare orde of de goede zeden. Hiermee is het
repressieve toezicht voorbehouden aan de rechter. In formele zin bestaat
aldus geen verschil meer tussen omroep en pers. Voor beide gelden ten
aanzien van de inhoud uitsluitend de desbetreffende bepalingen uit het
Wetboek van Strafrecht en het Burgerlijk Wetboek, over de toepassing
waarvan alleen de rechter oordeelt. Wel biedt de Omroepwet krachtens
artikel 61 de minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk de
mogelijkheid, jegens de instellingen die zendtijd hebben gekregen tucht-
maatregelen te nemen bij overtreding van de Omroepwet en van de uit-
voeringsvoorschriften, bijvoorbeeld op het punt van het volledig
programmavoorschrift, doch dit is wezenlijk een andere zaak dan repres-
sief toezicht op de feitelijke inhoud van programma's.
    Een vergunningenstelsel blijft bij de omroep mogelijk, mits dit geen
aansluiting zoekt bij de inhoud van de te verspreiden boodschappen. Een
afzonderlijk (strenger) regime voor handelsreclame wordt voorts mogelijk
gemaakt door het bepaalde in het vierde lid van artikel 1.7. Hiermee ver-
liest artikel 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens
(beperking moet 'nodig zijn in een democratische samenleving' enz.)
sterk aan betekenis voor wat betreft de inhoud van omroepuitzendingen.
Weliswaar lopen onder deskundigen de meningen uiteen over de vraag
hoe ver een toegangsregeling in de omroep mag gaan, maar in de prak-
tijk handhaaft de overheid beperkingen, niet alleen waar het gaat om de
belangen van het omroeppubliek ten opzichte van uitzenders of potentie-
le uitzenders, maar ook met het oog op belangen van andere media (bijv.
regionale pers versus regionale 0mroep)~3.
    De zorgfunctie van de overheid vindt zijn neerslag in de Omroepwet,
waar de vier hoofddoelstellingen - te weten openheid, samenwerking,
niet-commercieel bestel en programmatische autonomie - mede in het
teken staan van het bevorderen van vrijheid van informatie-aanbod en
 -0ntvangst24.
    Het gaat hierbij vooral om de openheid welke, voortvloeiend uit de vrij-
 heid van meningsuiting, ertoe strekt een aanvaardbare pluriformiteit van
 programma-aaibieders zowel als -aanbod te bevorderen. Zoals boven
gesteld, is in de omroep van oudsher sprake geweest van een vergun-
21  Een bijdrage van overheidswege is slechts wettelijk verzekerd aan (aspirant-)omroep-
 organisaties (art. 58, eerste lid en tweede lid, onder a, van de Omroepwet).
 23 H.F. van Panhuys, 'Het verdrag van Rome, de reclarne e n de cornrnerciele televisie'; Lei-
 den, Rijksuniversiteit. 1962.
     A.W. Hins, ' D e Kabel, de inrichting van een nieuw medium'; Nederlanas Juristenblad. 10
 oktober 1981, 56e jaargang nr. 35, blz. 917 e.v..
     P.J. Boukema. Enkele aspecten van de vrijheid van meningsuiting in de Duitse Bonds-
 republiek e n in Nederland; diss. V . U . . Amsterdam, 1966.
     E.A. Alkema. 'Het Europese verdrag voor de rechten van de mens'; Bestuurswetenschap-
 pen, december 1979, 33e jaargang nr. 7.
     J . M . d e Meij, op.cit.. blz. 55.
     N. Boerma, J.J. van Cuilenburg, E. Diemer, J.J. Oostenbrink, J . van Putten. D e ornroepwet:
 wet en beleid; een juridisch-politicologische evaluatie van d e omroepwet; serie 'Voorstudies
 en achtergronden mediabeleid', nr. M5, 's-Gravenhage, Staatsuitgeverij, 1982. blz. 25 e.v..
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>ningenstelsel, dat echter in de loop der tijd ingrijpend is gewijzigd; met
de Ornroepwet van 1967 werd in plaats van de vaste zendtijdverdeling
tussen de traditionele zuilen het zogenoernde 'open bestel' ingevoerd,
waarbij de zendvergunningen niet rneer zijn voorbehouden aan een
beperkt aantal representatief geachte organisaties, rnaar zendtijd wordt
toegewezen op grond van in de Omroepwet vastgelegde criteria. 'Open-
heid' wil dus niet zeggen dat de toegang t o t de ether vrij is, maar dat de
toegang openstaat op wettelijke voorwaarden die voor ieder gelijk zijn.
Het gaat hier niet slechts om getalscriteria, zoals in een politieke afvaar-
diging gelden. Artikel 13 van de Omroepwet - het belangrijkste open-
heidsartikel - bevat thans twee bepalingen met mede een cul-
tuurpolitieke strekking: ten eerste het volledig programmavoorschri~,dat
organisaties verplicht elernenten van cultuur, inforrnatie, educatie en
verstrooiing in redelijke onderlinge verhouding in hun programma o p te
nernen; ten tweede het cultureel criteriurn, dat van ornroeporganisaties
eist dat zij representatief zijn voor een bepaalde maatschappelijke,
geestelijke of culturele strorning in het volk en voorts gerichtheid eist op
bevrediging van geestelijke, culturele of godsdienstige behoeften; ten
derde bevat het artikel de getalseis: omroeporganisaties rnoeten ten-
rninste 150.000 betalende leden hebben.
   Hiernaast kent de wet nog aspirant-ornroeporganisaties, die aan alle
eisen van artikel 13 rnoeten voldoen, rnaar slechts 60.000 betalende leden
behoeven te hebben; ook bestaat de mogelijkheid tot toewijzing van
zendtijd aan kerkgenootschappen, genootschappen o p geestelijke
grondslag, politieke partijen en andere instellingen die slechts een
beperkte ornroeptaak nastreven. Deze laatste rnogelijkheid is in verband
met de openheid van belang, want blijkens de Memorie van Toelichting
is het inderdaad de bedoeling aldus de representativiteit van de omroep
aan te vullen.
   Een belangrijke achterliggende gedachte bij de opstelling van deze
toegangsregeling is geweest dat door de verschillen in achtergrond van
de aanbieders als vanzelf een verscheidenheid in opvattingen zou door-
klinken, die van belang is voor de meningsvorrning door het publiek en
dat zo ook van de verschillende culturele strorningen behoorlijk kennis
kon worden genornen. Dit laatste is Ben van de functies van het volledig-
prograrnrnavoorschrift, waardoor althans verschillende soorten onder-
werpen in een redelijk evenwicht zouden worden gepresenteerd. Hoewel
men het woord 'pluriforrniteit' in de Omroepwet en de Mernorie van
Toelichting vergeefs zal zoeken, is dus we1 duidelijk dat pluriforrniteit,
van aanbieders zowel als van aanbod een belangrijke, wellicht centrale,
beleidsdoelstelling is geweest sinds de invoering van deze wet en dat
hierbij niet werd onderscheiden tussen mediapolitieke en culturele pluri-
forrniteit (de eerste stond voorop). Dat bij de invoering van de wet rnede
is beoogd de van oudsher bestaande zendgernachtigden een plaats in
het nieuwe bestel t e geven, is hiermee niet strijdig25. Zij vertegen-
woordigden imrners strorningen die tientallen jaren lang het gezicht van
de Nederlandse sarnenleving rnede bepaalden, als het ware een plurifor-
rniteit-avant-la-lettre, van voor de Omroepwet.
   De 'openheid' van het ornroepbestel, in de vorm van operationalise-
ring van pluriforrniteit, is enerzijds beperkter dan die bij de drukpers,
gezien de genoernde voorwaarden voor toegang; anderzijds kan men
echter betogen dat, vanwege het feit dat de voorwaarden voor ieder
gelijk zijn, toetreding tot de ornroep in feite gemakkelijker is dan het uit-
geven en verspreiden van een krant. Ook al hoeft men tegenwoordig om
vrijheid van drukpers t e genieten niet eerst in het bezit te zijn van een
drukpers, nu zovele kleinschalige middelen bestaan o m relatief goedkoop
het gedrukte woord te verspreiden, nietternin is het waar dat voor
toetreding tot bijvoorbeeld de markt van landelijke dagbladen haast ono-
verkornelijke financiele hindernissen moeten worden overwonnen. Daar-
25  Ibid..
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>entegen krijgt de houder van een omroepvergunning een plaats in het
Hilversumse omroepkwartier en zijn deel uit de kijk- en luistergeldenpot.
   Door middel van het volledig-programmavoorschrift, het cultureel cri-
terium en het weren van commercie uit de omroep wordt gepoogd doel-
einden zoals cultuurspreiding en bevestiging van de culturele identiteit
van bestaande stromingen te bevorderen. Hierbij wordt ervan uitgegaan
dat bij behoorlijke afspiegeling van politieke en maatschappelijke stro-
mingen ook de culturele verscheidenheid goed aan bod komt.
2.7 Toekomst van het bestel
   Hoewel de wetgever in 1967 van mening was de omroepkwestie voor
redelijke tijd te hebben opgelost, onder handhaving van de rot van de
traditionele zendgemachtigden maar met een aanvaardbare verschei-
denheid in aanbieders en aanbod, heeft zich sinds de inwerkingtreding
van de Omroepwet een nog steeds wassende stroom van bedreigingen
van het bestel gemanifesteerd. Hierbij valt in de eerste plaats te denken
aan nieuwe technische ontwikkelingen (met name de kabel met 20 of 30
kanalen), die de oorspronkelijke legitimatie van het bestel, de schaarste
aan frequenties, ondermijnen. In hoofdstuk 4 wordt in hoofdlijnen uiteen-
gezet wat zich nu al voordoet aan nieuwe technische mogelijkheden en
wat binnen afzienbare tijd te verwachten is.
   Opgemerkt moet echter worden dat de relatie tussen technische ont-
wikkeling en mediabestel niet eenduidig een kant op wijst. Ook in de tot
dusver bestaande situatie bestond en bestaat een latente spanning tus-
sen verschillende facetten van uitingsvrijheid, waarbij een afweging moet
worden gemaakt tussen individuele en institutionele uitingsvrijheid, dat
wil zeggen tussen de wens een ieder vrije meningsuiting en -vorming te
gunnen en de - in hetzelfde gedachtengoed wortelende - wens tot
instandhouding van de pluriformiteit door middel van representatieve
zendgemachtigden. Zendtijd werd gereguleerd voornamelijk op grond
van schaarste, maar met als oogmerk pluriformiteit in de ether te bevor-
deren. lndien nu de schaarste afneemt door de mogelijkheden van de
kabeltransmissie, ligt het weliswaar voor de hand de toetreding te ver-
gemakkelijken maar er blijven toch, vasthoudend aan de wens dat rele-
vante maatschappelijke stromingen aan het woord kunnen komen,
bezwaren tegen onbeperkte zendvrijheid. Een 'free for all' leidt immers
tot een versnippering van aanbod die programmering vanuit een maat-
schappelijk concept frustreert. Voorts leert de ervaring elders in de
wereld dat bij geen of bij zwakke regulering verdringingseffecten dreigen,
waarbij het populaire aanbod de meer informatieve en voor het media-
 en cultuurbeleid juist interessante uitingen overstemt.
   Beperking van individuele zendvrijheid en van commerciele exploitatie
van (nieuwe) media is toegestaan als een dergelijk verbod ertoe dient
om het stelsel van pluriformiteit in de omroep te behouden, om de func-
ties van andere media te bescherrnen of om het informatie-aanbod in
nieuwe media niet afhankelijk te maken van commerciele motieven. In
concreto wil dit zeggen dat de overheid, op grond van de aan artikel 7
Grondwet ontleende taak tot zorg voor een pluriform media-aanbod en
op grond van cultuurpolitieke overwegingen, gelegitimeerd is om te kie-
Zen voor het in stand houden van enigerlei publiek bestel.
   Zodra men deze keuze doet, is echter het relatieve einde van de fre-
quentieschaarste slechts Ben aspect; even relevant is dan dat financiele
beperkingen blijven bestaan - immers alle financieringsmodaliteiten
hebben gemeen dat zij, globaal gezien, uiteindelijk uit dezelfde middelen
putten, langs welke (om)wegen dit ook gebeurt. Methodisch valt hier we1
onderscheid te maken tussen specifieke schaarste (aan etherkanalen) en
gebrek aan middelen dat als een algemeen geldende randvoorwaarde is
te beschouwen, maar zolang wordt uitgegaan van mediapolitieke en cul-
turele doelstellingen, wordt het beleid hier toch met een even reele grens
geconfronteerd. Dezelfde gulden kan slechts eenmaal worden uit-
gegeven. Aanbodverruiming behoort derhalve niet slechts te worden
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>bekeken op technische potenties. lndien om mediapolitieke en cultuur-
politieke redenen handhaving van een publiek bestel gewenst is, is ook
de financiering aan de orde. Ook is van belang dat via reclame gefinan-
cierde aanbodvergroting in de ether veelal gedeeltelijk aan de pers zal
worden onttrokken. Juist in een samenhangend mediabeleid zijn zulke
interdependenties van doorslaggevend belang.
2.8   Nieuwe media
   Technische vernieuwingen (kabel, satelliet, viewdata, teletekst, abon-
nee-televisie) zullen naar verwacht ingrijpende wijzigingen veroorzaken in
het medialandschap. Deels kunnen deze de vorm aannemen van bran-
che-vervaging tussen omroep en pers zoals wij die thans kennen. Aan-
bod dat naar vorm en inhoud lijkt op wat nu dagbladen bieden, zal via
televisietoestellen ontvangen kunnen worden; de tijdsdwang die omroep
thans kent zal kunnen verdwijnen; specialisatie, zoals deze thans in de
gedrukte media bestaat, zal ook voor elektronische media mogelijk wor-
den. Een en ander wordt voor zover het de technische kant betreft
besproken in hoofdstuk 4 van dit rapport. De economische en culturele
aspecten komen in de hoofdstukken 6, respectievelijk 7 aan de orde.
Aangezien de aard van het medium, de mogelijkheden en beperkingen
ervan en de wijze waarop het aan economische wetmatigheden is onder-
worpen, relevant zijn voor het overheidsbeleid, ook voor zover dit is
gericht op verwerkelijking van mediapolitieke waarden zoals uitings-
vrijheid en pluriformiteit of cultuurpolitieke waarden, zal steeds moeten
worden bezien in hoeverre functionele verschuivingen als deze nopen tot
wijziging van beleid. Zo is denkbaar dat uitbreiding van nieuwe tech-
nische mogelijkheden de betekenis van bestaande omroep- of persmedia
voor het beleid vermindert, zodat er minder reden is tot actief optreden
van de overheid.
   Beleidsvragen komen evenzeer aan de orde ten aanzien van nieuwe
media, waarvan het twijfelachtig is of zij onder pers of omroep kunnen
worden gebracht. Hierbij moet het begrip 'pers' vermoedelijk vrij eng
worden ge'interpreteerd. Weliswaar heeft de Hoge Raad in het arrest
'Nederland ontwapent' geconcludeerd dat neonletters onder de werking
van artikel 7 Grondwet vallen, maar in het algemeen wordt uitgegaan
van drukpers en hiermee op een lijn te stellen vermenigvuldigingstech-
nieken. Het zou derhalve te ver gaan om aan te nemen dat bijvoorbeeld
teletekst en viewdata onder het nieuwe artikel 1.7 eerste lid (druk-
persvrijheid) zouden vallen. Er is namelijk juist een lid 3 opgenomen om
nieuwe media ook onder de uitingsvrijheid te brengen. Als voorbeelden
zijn bij de behandeling van het ontwerp genoemd: informatie die per
computer binnenkomt2"n             bandopnamen, grammofoonplaten, videota-
pes en filmr0llen2~.Of iets onder omroep valt of als nieuw medium is te
beschouwen is voor de reguleringsmogelijkheden overigens niet van
belang. Gezien de tekst van de nieuwe Grondwet zullen buiten de druk-
pers, waar immers publikatie niet mag worden gebonden aan toestem-
ming vooraf, een vergunningenstelsel, en dus ook minder vergaande
ingrepen, mogelijk zijn. De Raad meent dat hierbij nieuwe technieken in
het vlak van de massacommunicatie op hun eigen betekenis en aard
moeten worden bezien als het gaat om de vraag of het nodig is tot een
regulering te komen. Hierbij zou niet zozeer de technische verspreidings-
wijze, alswel vooral de maatschappelijke functie van een nieuwe
mogelijkheid voor aanbieders en ontvangers, moeten bepalen of er spra-
ke is van een afzonderlijk medium, dat voor een eigen benadering en
rechtsregime in aanmerking komt.
   Volledigheidshalve zij nog opgemerkt dat het bovenstaande slechts
geldt voor openbare communicatie; voor niet-openbare communicatie
26  Tweede Kamer, zitting 1976-1977, 13 872, nr. 7, blz. 26.
27  Eerste Kamer, zitting 1976-1977, 13 872 en 13 873, nr. 55b. blz. 37.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>geldt artikel 7 immers niet en hierdoor geldt noch onthoudingsplicht
noch zorgfunctie. 'Openbaar' wil zeggen 'in beginsel voor ieder beschik-
baar'; openbaarheid is dus ook aanwezig als het publiek a priori beperkt
is (distributiesystemen) of als het publiek zelf kiest uit een voorhanden
zijnd aanbod (consultatiesysteem); van een wezenlijk verschil met voor
abonnees bestemde tijdschriften, respectievelijk in de boekhandel aan-
wezige boeken, is immers in deze gevallen geen sprake. Het bestaan van
niet-openbare informatie kan overigens we1 relevant zijn voor het media-
beleid. Waar gebruik wordt gemaakt van dezelfde technische faciliteiten
(bijv. de kabel) zullen toegangs- en gebruiksregels van openbare en niet-
openbare informatie op elkaar moeten worden afgestemd.
2.9   Het mediabeleid            - mogelijkheden en grenzen
   Wat voor beleid mag en moet de overheid nu voeren, gezien de uit-
gangspunten democratie-uitingsvrijheid-pluriformiteit? In deze paragraaf
worden de aspecten van het grondrecht in hun consequenties voor het
mediabeleid doorgenomen en in verband gebracht met de verschillende
media. (Zoals uiteengezet is bij het cultuurbeleid geen sprake van der-
gelijke richtinggeving door een grondrecht.)
   Wat betreft het afweerrecht valt er weinig toe te voegen aan wat hier-
voor al is vastgesteld. Het censuurverbod van artikel 7 Grondwet bete-
kent dat de overheid zich moet onthouden van preventief toezicht op de
inhoud van de boodschap en dat beoordeling achteraf van de inhoud
van geschriften blijft voorbehouden aan de rechter, op basis van een for-
mele wet. Het is dus mogelijk het grondrecht ter wille van andere, zwaar-
der wegende, belangen te beperken 'behoudens ieders verantwoordelijk-
heid voor de wet', maar dit dient te geschieden in de sfeer van het
grondrecht. Een regeling mag er niet toe strekken dat men bepaalde din-
gen niet meer zou kunnen zeggen; inhoudelijke toetsing vooraf op
eventuele schending van strafrechtelijke normen is immers uit den boze.
Tevens mag worden gesteld dat een wettelijke regeling per categorie
voor media die in eenzelfde positie verkeren gelijk moet zijn. Het is niet
toegestaan sommige media in een vrijere positie te brengen dan andere.
Nu voor de omroep de tot en met de Tweede Wereldoorlog bestaande
preventieve censuur is afgeschaft, en het repressief toezicht van de
minister van CRM in feite niet meer bestaat (vgl. par. 2.6), kan worden
gesteld dat het afweerrecht tegenover de overheid hier eveneens geldt;
het nieuwe artikel 1.7 van de Grondwet zal voor omroep en nieuwe
media preventieve inhoudelijke bemoeienis uitsluiten.
   Wat betreft de zorgfunctie dient allereerst te worden bedacht dat het
hier gaat om een overheidstaak, maar niet om een plicht die rechtens
kan worden afgedwongen. Hoewel tegenwoordig algemeen wordt aan-
genomen dat de overheid inderdaad een zorgfunctie heeft ten aanzien
van een aanvaardbare media-pluriformiteit , bleek men toch huiverig dit
in het nieuwe Grondwetsartikel over de uitingsvrijheid op te nemen,
anders dan bijvoorbeeld in Zwitserland, waar het ontwerp voor een nieu-
we Grondwet met zoveel woorden zegt: 'Der Staat sorgt dafiir, dass die
 Meinungen in ihrer Vielfalt Ausdruck finden konnen, vor allem in Presse,
 Radio und Fernsehen'28. Het ontbreken van een dergelijke plicht betekent
dat de Nederlandse burger positief handelen van de overheid niet rech-
tens kan afdwingen. Het betekent ook dat de overheid de vrijheid toe-
komt vast te stellen hoever zij inderdaad met zodanig positief handelen
wil gaan. Financiele steun is overigens niet de enige en bij voorbaat
 meest voor de hand liggende maatregel om de pluriformiteit van aan-
bieders te bevorderen. Er zijn andere manieren om het dichtslibben van
communicatiekanalen te voorkomen. Te denken valt aan een regeling
voor de toetsing van fusies en persconcentraties, gericht tegen het
ontstaan van monopolieposities of van opeenhopingen van economische
    J.M. de Meij, op. cit., blz. 107.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>en politieke macht, en aan het redactiestatuut dat het eigen geluid van
afzenders beoogt te beschermen. Juist in een tijd van krappe over-
heidsfinancien zal de aandacht zich richten op zulke maatregelen, die
weinig behoeven te kosten.
   lnvulling en vormgeving van een beleid ter bevordering van het media-
aanbod wordt eveneens beheerst door artikel 7 van de Grondwet en arti-
kel 10 van de Europese conventie. Op het eerste gezicht lijkt het wellicht
vreemd dat een artikel dat beoogt de uitingsvrijheid te waarborgen,
beperkingen zou opleggen bij bijvoorbeeld subsidieverlening of verlening
van kredietfaciliteiten of bij ordeningsmaatregelen die gericht zijn op
bevordering van de uitingsvrijheid. Ook hier geldt evenwel dat ingrijpen
er niet toe mag leiden dat de overheid, direct of indirect, gaat bepalen of
bei'nvloeden op welke wijze de vrijheid, inhoudelijk gezien, wordt
gebruikt. Daarom zijn uit mediapolitiek oogpunt begunstigende maatre-
gelen, die zijn gebaseerd op de concrete inhoud van bepaalde publika-
ties, niet toelaatbaar. Aansluitend bij de in paragraaf 1 genoemde demo-
cratisch-functionele benadering, is duidelijk dat de zorgfunctie vorm
dient te krijgen in het opstellen-van zo objectief mogelijke criteria, op
grond waarvan bijvoorbeeld voorwaardenbeleid wordt gevoerd (omroep)
 of steun wordt gegeven (pers). Aldus kan politiek-maatschappelijke bete-
 kenis worden gehonoreerd, zonder te treden in de concrete inhoud,
waarover de zeggenschap aan de onafhankelijke redactie blijft voor-
 behouden.
    In het licht van het voorgaande zou in het beleid ten aanzien van de
 pers de voorkeur kunnen uitgaan naar algemene maatregelen, die het
economisch klimaat van de gehele bedrijfstak gunstig be'invloeden. Het
 probleem is echter dat generieke steun veelal leidt tot verdere verster-
king van reeds welvarende bladen ten opzichte van hun noodlijdende
concurrenten, die de steun juist nodig hebben. Op deze wijze werkt
generieke steun averechts. In de praktijk heeft zich derhalve een gericht
steunbeleid ontwikkeld (in Nederland via het Bedrijfsfonds voor de Pers)
ten bate van dag- en nieuwsbladen en opinieweekbladen. De laatste
jaren wint het idee veld van zogenaamd gericht-generieke steun. Dit
 houdt in dat een steunregeling wordt ontworpen op grond van objec-
tieve maatstaven, zoals oplage, dekkingspercentage, aantal redactionele
 bladzijden, verspreidingsgebied en dergelijke, maar waarbij het uitdruk-
kelijk de bedoeling is dat de feitelijke steun terechtkomt bij bladen die
deze inderdaad nodig hebben. In ons land heeft het Bedrijfsfonds voor
de Pers in de zin een advertentiecompensatieregeling o n t ~ o r p e n *Deze
                                                                        ~.
komt ook ter sprake in paragraaf 3.1.2.
   Artikel 7 Grondwet laat de overheid vrij zelf te bepalen tot welke publi-
 katies zij deze steun zou willen uitstrekken: alleen tot dag-, nieuws- of
 opinieweekbladen of ook tot andere drukpersprodukten die van belang
 kunnen zijn voor het functioneren van de democratie, zoals tijdschrifen,
pamfletten, vakbladen of boeken. Wel geldt hierbij de algemene regel dat
de overheid de burgers gelijk behoort te behandelen, maar dit laat toch
zeker de ruimte om op beleidsgronden te onderscheiden tussen verschil-
lende categorieen perspublikaties.
   In het vigerende omroepbestel berusten de beleidsgrenzen met betrek-
king tot de zorgfunctie op interpretatie van de Omroepwet. Deze grenzen
komen anders te liggen indien het wegvallen van de schaarste aan zend-
kanalen tot aanpassing leidt van het bestel zoals wij dit nu kennen. lndien
het beleid zich in de toekomst ertoe zou beperken de uitingsmogelijk-
heden van relevante maatschappelijke stromingen via de omroep veilig
te stellen, terwijl overigens vrije toegang zou gelden, zou de vraag wat
we1 en wat niet van belang is voor de pluriformiteit evenzeer aan de orde
komen.
   Wat betreft de pluriformiteit zelf is, zoals eerder gesteld, te
onderscheiden tussen verscheidenheid van aanbieders en van aanbod.
29   Ibid., blz. 109.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>Ook hier moet weer worden gedifferentieerd per medium. Voor de
omroep is de zaak thans voor de aanbieders geregeld in de toelatings-
bepalingen en voor het aanbod in het volledig-programmavoorschrift en
het cultureel criterium van de Omroepwet. Ten aanzien van beide aspec-
ten van het pluriformiteitsbegrip treedt de overheid regelgevend op wan-
neer het om toelating tot de ether gaat.
    Bij de op de vrije markt werkende pers ligt dit anders. Over-
heidsbemoeienis met het aanbod van persorganen in welke zin dan ook
is - anders dan in het publiekrechtelijke omroepbestel - uitgesloten.
Hier is alleen maar ruimte voor voorwaardenscheppend beleid dat reke-
ning houdt met eisen van mededinging en marktwerking.
    Met betrekking tot de pluriformiteit van aanbieders is hierboven al toe-
gelicht dat overheidszorg voor een verscheidenheid van aanbieders
waardoor zoveel mogelijk politiek-maatschappelijke stromingen zich kun-
nen uiten, zich binnen de grenzen van artikel 7 Grondwet dient te bewe-
gen - hetgeen inhoudt dat zoveel mogelijk objectieve maatstaven wor-
den gehanteerd - en dat het vervolgens aan de overheid is zelf in haar
beleid prioriteiten te stellen. Dit betekent dat de overheid zelf kan kiezen
of zij, op grond van objectieve criteria ten aanzien van hun functie in de
samenleving (op grond van de algemene inhoud) bijvoorbeeld dagbladen
we1 in aanmerking wil laten komen voor financiele steun maar opinie-
weekbladen niet; hiermee is dan niet gezegd dat opinieweekbladen geen
betekenis hebben voor het functioneren van de democratie, maar dat de
overheid de betekenis van dagbladen hoog aanslaat en dat zij deze
 - gegeven de schaarste aan middelen - laat voorgaan. Een dergelijke
keuze, op ter zake doende gronden en aanknopend bij het belang voor
het functioneren van de democratie, behoort tot de beleidsvrijheid die de
overheid onder artikel 7 toekomt30.
    Hierboven (par. 2.5) is ook gezegd dat het object van overheidszorg,
een pluriform media-aanbod, zich moeilijk scherper laat concretiseren
dan dat 'relevante politiek-maatschappelijke stromingen aan bod kunnen
komen'. Hoewel het voor de hand ligt ervan uit te gaan dat bestaande
media voldoen aan behoeften van publicisten en publiek (afzenders en
ontvangers),wil dit niet zeggen dat de bestaande media per se aangrij-
pingspunt moeten vormen voor beleid. In paragraaf 2.5 is al geconsta-
teerd dat een beleid dat zich geheel op behoud van de bestaande media
zou richten uit de aard der zaak zeer conserverend zou werken, hetgeen
ongewenst is: de verbinding media-maatschappelijke groeperingen
 houdt immers in dat wijzigingen in de samenleving doorwerken in het
 media-aanbod en als schrijvers en/of lezers een bestaand publikatie-
kanaal de rug toekeren, is er geen reden dit in stand te houden met over-
 heidsgeld. Een tweede overweging zou hier overigens kunnen luiden dat,
waar de overheid zelf prioriteiten mag stellen ten aanzien van te verlenen
 steun, er in beginsel geen reden behoeft te zijn de afweging te beperken
tot wat op het ogenblik bestaat. Waarom zouden behalve daadwerkelijke
 kopers niet ook potentiele kopers of liefhebbers in de afweging mogen
worden betrokken? In deze lijn doorredenerend is het aannemelijk dat
 indien een belangrijke geestelijke stroming uit de samenleving in de
 media niet aan bod komt en dus tegen de achtergrond van maatschap-
 pelijke pluriformiteit een lacune bestaat, initiatieven tot opvulling van
 deze lacune verdienen te worden gesteund en bevorderd, al moeten ook
 hier weer de grenzen van artikel 7 worden gerespecteerd3'.
 2.10    Pluriformiteit i n nieuwe media
    Er is aanleiding voor enige afzonderlijke opmerkingen over de zorg
 voor pluriformiteit in de zogenoemde nieuwe media. Zoals wij zagen is
 de vraag wat een nieuw medium is - en waar de grens en het raakvlak
 30  Aldus impliciet ook: Ministerie van CRM. Nora over het massamediabeleid, op. cit., blz. 19.
     Zie ook A.W. Hins. op. cit., blz. 928.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>liggen met omroep en pers - op zich zelf niet van belang voor de
bevoegdheid van de overheid tot regelgeving (vgl. par. 2.7), maar het is
natuurlijk we1 van belang hoever regulering met het oog op de trits
democratie-uitingsvrijheid-pluriformiteit zou behoren te gaan.
   De Raad meent dat ook hier moet worden uitgegaan van de betekenis
van het medium voor de democratie. Dit houdt in dat er meer reden kan
zijn tot regelgeving naarmate nieuwe media in de praktijk meer betekenis
krijgen voor de openbare informatievoorziening en dus voor openbare
meningsvorming. Deze betekenis hangt af van de onderwerpen die aan
de orde worden gesteld en van de omvang van het hiermee bereikte
publiek. Zo zal een kabeltelevisiekanaal met op verstrooiing gerichte
abonnee/kiestelevisiefilms van minder betekenis zijn dan een geprofi-
leerde actualiteitenrubriek. Omdat hier enigszins sprake is van een kip-ei
situatie - de betekenis van een nieuw medium hangt ook af van de
ruimte die overheidsregulering het laat - is er reden voor een terug-
houdende regelgeving. Gezien de geest van de uitingsvrijheid is er toch
al reden om, naarmate de schaarste aan mogelijkheden afneemt, terug-
houdender te zijn met het opleggen van beperkingen. Het is op zich
terecht bij regelgeving rekening te houden met de belangen van be-
staande media met een essentiele, moeilijk vervangbare functie voor een
pluriforme informatievoorziening (vgl. par. 2.6) maar vermeden moet
worden dat dit zou leiden tot verstarring binnen het totale mediabestel.
In het mediabeleid zal gezocht moeten worden naar compatibiliteit, dat
wil zeggen naar bescherming van essentiele functies van het bestaande
zonder dat de ruimte voor nieuwe ontwikkelingen wordt weggenomen. In
geval van abonnee-televisie naast een publiek bestel lijkt pluriformiteit
van aanbieders niet zo relevant en zou het voldoende kunnen zijn mono-
polies tegen te gaan uit overwegingen van economische mededinging.
   De vraag in hoeverre nieuwe media open moeten staan voor produ-
centen van bestaande media, lijkt vooral een kwestie van concreet
beleid. Het is wellicht het beste ook hier zo objectief mogelijke normen
te hanteren en reeds elders in het mediaveld werkzame aanbieders in
beginsel gelijk te behandelen met andere gegadigden. Men kan zich
voorstellen dat hier een afweging nodig is tussen enerzijds de wens
gelaedeerden te compenseren voor de nadelen van de nieuwe concur-
rentie en anderzijds de vrees voor monopolievorming. Hier kan de over-
heid zelf regels stellen.
   Van bijzondere betekenis bij de nieuwe media is de verhouding
software-hardware. In veel gevallen bepaalt namelijk de beslissing over
de aanleg van hardware (bijv.kabels) de mogelijkheden aan de kant van
het software-aanbod. Monopolieposities aan de hardware-kant dienen
derhalve terughoudend te worden beoordeeld en het lijkt niet wenselijk
dat aan het bekleden van een bijzondere positie als hardware-leverancier
ook nog eens een bijzondere positie ten aanzien van de software wordt
toegevoegd (zoals nu het geval is bij de invloed van de PTT op Viditel).
Als inschakeling van een monopolist onvermijdelijk is, lijkt de uitings-
vrijheid ermee gebaat te zijn indien de toegang tot het medium aan zijn
zeggenschap wordt onttrokken. In zo'n geval dient ander legaal aanbod
in beginsel verzekerd te zijn van toegang op gelijke voorwaarden.
2.11   Uitingsvrijheid van de overheid
   Hierboven (par. 2.8) is gesteld dat het de overheid binnen bepaalde
grenzen vrij staat initiatieven te steunen en te bevorderen die ertoe
strekken lacunes op te vullen in de bestaande media-pluriformiteit. Er zijn
echter zaken waarvoor het ook in een pluriform bestel niet mogelijk blijkt
de belangstelling van publiciteitsorganen te wekken, ofwel omdat het
hier onderwerpen betreft waarvan de nieuwswaarde te gering wordt
geacht, of omdat de informatie te specialistisch is of te zeer op beperkte
publieksgroepen gericht. In zulke gevallen gaat de overheid steeds meer
over tot rechtstreekse voorlichting over haar eigen beleid aan de burger.
Het lijkt waarschijnlijk dat de komst van nieuwe media deze trend zal
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>versterken - zo is het bijvoorbeeld aantrekkelijk voor gemeentebesturen
zich via de kabel rechtstreeks te wenden tot etnische minderheden, die
tot dusver vaak buiten het bereik van de voorlichting vallen. Ook is denk-
baar dat de kabel een belangrijke rol kan vervullen bij volwas-
seneneducatie, samenlevingsopbouw en cultuurspreiding.
   Bij dit laatste gaat het om sociaal-culturele activiteiten die niet recht-
streeks te maken hebben met de mediapolitiek32. Dit valt onder cul-
tuurpolitiek. Wanneer de overheid echter informatie over (eigen) beleid
gaat verstrekken, is toch steeds de vraag relevant in hoeverre rekening
moet worden gehouden met de grenzen die artikel 7 Grondwet stelt. Het
is duidelijk dat de overheid zelf geen beroep kan doen op artikel 7 Grond-
wet, dat immers beoogt de burger bescherming te geven tegen te
vergaand overheidsingrijpen. De vraag is dus in hoeverre de vrijheid van
anderen hier aan de overheid beperkingen oplegt.
   De mogelijkheid dat de overheid zelf de berichtgeving over eigen doen
en laten ter hand neemt en rich hiermee rechtstreeks tot het publiek
wendt, is in Nederland al eerder aan de orde geweest. In de vorige eeuw
is dit geprobeerd, zowel via een 'echte' staatscourant als op meer ver-
dekte manieren. In de openbaarheidsdiscussie, die omstreeks 1960 op
gang kwam, is echter een ander uitgangspunt gekozen: betere voor-
lichting zou een gevolg zijn van grotere openbaarheid van bestuur. Dit
heeft geleid tot de Wet openbaarheid van bestuur (1980) die naast de
plicht tot desgevraagd verstrekken van informatie ook een actieve
informatieplicht inhoudt. Artikel 2 eerste lid WOB verbindt het uit eigen
beweging verstrekken van informatie over het beleid met het belang van
een goede en democratische bestuursvoering. Een grens ligt hier in het
reeds in 1946 door de Commissie-Van Heuven Goedhart vastgelegde
beginsel dat de overheid geen propaganda mag bedrijven of een mening
opdringen als uitgangspunt33. Bij voorlichting over reeds door het par-
lement aanvaard beleid bestaat in beginsel echter geen bezwaar tegen
rechtstreekse voorlichting aan de burger, aldus de ~ o m m i s s i e -
Biesheuvel, die in 1970 de grondslag legde voor de latere openbaar-
heidswet34.
   lndien de overheid inderdaad besluit aldus haar mening te uiten, die-
nen bij het betreden van deze markt de wettelijke grenzen in acht te wor-
den genomen. Dit wil zeggen dat de overheid zich niet in een concur-
rentieslag moet begeven met zelfstandige persmedia en dat uit het over-
heidsoptreden resulterende beperking van andermans uitingsvrijheid bin-
nen de termen dient te vallen van artikel 10 van de Europese conventie
('nodig in een democratische samenleving'). Dit is nog onontgonnen ter-
rein, waar uiteindelijk de richting zal worden aangegeven door rech-
terlijke toetsing. lntussen lijkt het, zoals eerder gezegd, verstandig dat de
overheid zich richt op een voorwaardenscheppend en ondersteunend
beleid. lndien echter voorwaardenscheppend beleid niet toereikend is, is
het toelaatbaar dat de overheid zelf de beoogde voorlichting ter hand
neemt. Daarbij dient zij ervoor te waken dat zij niet fervent partij trekt ten
gunste van eigen beleid en zich zelf geen voorrechten toekent die
anderen onthouden blijven.
2.12 Nog enkele aspecten van h e t mediabestel: vrije marktordening
en publiekrechtelijk bestel
   Wat de inrichting of vormgeving van het mediabestel betreft kunnen
bepaalde eisen worden geformuleerd die in het algemeen op welk bestel
dan ook betrekking hebben, of dit nu een systeem van vrije markt-
ordening is, een publiekrechtelijk mediabestel of een mengvorm van
32  J.M. de Meij, op. cit., blz. 107.
33  Adviescommissie Overheidsbeleid inzake voorlichting, Overheidsvoorlichting: 's-Graven-
hage. Staatsuitgeverij, 1946.
    Commissie Herorientatie Overheidsvoorlichting, Openbaarheid, openheid; 's-Gravenhage.
Staatsuitgeverij, 1970, blz. 146.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>beide. Tot die eisen kunnen gerekend worden flexibiliteit en continu'iteit
enerzijds en mededinging en protectie anderzijds. Flexibiliteit en con-
tinu'iteit hebben betrekking op de mate waarin het mediabestel aanpas-
sing aan externe veranderingen en het vermogen tot stabiliteit kan com-
bineren. Deze veranderingen kunnen liggen op het terrein van de tech-
niek en in het sociaal-culturele leven. Het zal bijvoorbeeld duidelijk zijn
dat het mediabestel moet kunnen reageren op technische innovaties.
Aanpassing aan veranderende technische omstandigheden zal echter
niet mogen leiden tot een aantasting van de pluriformiteit van de
informatievoorziening. Dit gevaar kan bijvoorbeeld optreden bij de intro-
ductie van nieuwe zet- en drukprocede's in de pers, die over het alge-
meen grote investeringen vergen en tot concentratie van persorganen
kan leiden, ten einde de produktiecapaciteit rendabel te kunen benutten.
Aan de andere kant kunnen sociale en culturele veranderingen nood-
zaken tot aanpassing van het mediabestel, ten einde de informatie- en
expressiefunctie van de media gelijke tred met de maatschappelijke ont-
wikkeling te laten houden.
    Mededinging en protectie hebben betrekking op de aanbieders in het
bestel, de aanbodkant dus. Pluriformiteit van informatie kan slechts be-
staan wanneer verscheidene aanbieders in het bestel het aanbod ver-
zorgen.
    De institutionele vrijheid van meningsuiting en de daaruit voort-
vloeiende pluriformiteit van de informatievoorziening impliceert een vrije
toetreding tot de markt van aanbieders. In een publiekrechtelijk bestel zal
deze toetreding door de overheid gereguleerd dienen te
worden, in het vrije marktstelsel is die toetreding onderhevig aan het
 mechanisme van vraag en aanbod. Voor de informatievoorziening is de
 inrichting van het bestel geen neutraal gegeven. Tussen een publiekrech-
telijk systeem en een privaatrechtelijke ondernemingsgewijze markt-
ordening bestaan immers grote verschillen die ook relevant zijn voor de
wijze waarop media kunnen functioneren. In een vrije 'mediamarkt' zoekt
 het aanbod doorgaans de vraag, zoals bij de pers, waarbij in vele geval-
ten de inkomsten uit reclame in belangrijke of overheersende mate de
 bestaansmogelijkheden van de informatievoorziening bepalen. Dit sy-
steem van vrije marktordening laat de overheid een beperkte ruimte om
 het functioneren van de markt van vraag en aanbod te reguleren. Hierbij
 is de vraag aan de orde in hoeverre de overheid de vrije mededinging in
alle opzichten wil ontzien.
    In een op publiekrechtelijke basis ingericht systeem, zoals bij ons de
omroep, kan de overheid daarentegen de inrichting en het functioneren
van het bestel in hoge mate reguleren, afhankelijk van de voorwaarden
die zij met het oog op de pluriformiteit van informatievoorziening kiest.
 In ieder geval betekent een dergelijke publiekrechtelijke basis dat de
toetreding van aanbieders tot het bestel door of vanwege de overheid
wordt gereguleerd. Zoals het karakter van de ondernemingsgewijze pro-
duktie van de pers aan het overheidshandelen beperkingen stelt, zo doet
het publiekrechtelijke karakter van de omroep dat mutatis mutandis ech-
ter ook. Een publiekrechtelijk bestel geeft de overheid nog geen vrijbrief
om zich met de programma-inhoud te bemoeien; dat zou, zoals wij
zagen, in strijd zijn met artikel 7 van de Grondwet. Ook bij de inrichting
van een dergelijk bestel zijn er grenzen aan de overheidsregulering. Bij
het hanteren van toelatingsnormen, zo zal zelfs blijken, zijn de beoor-
delingsmarges van de overheid niet erg groot. Ook in het hanteren van
een ander beleidsmiddel, het toestaan van reclame als financieringsbron,
kan de overheid niet vrij haar gang gaan. De voortdurende controversen
die hierover bestaan, zijn dan ook verklaarbaar. In ons land is, anders dan
bijvoorbeeld in Engeland, gekozen voor een vorm van reclame waarbij
elke andere organisatie dan de omroep (STER) van exploitatie is uit-
gesloten. Deze activiteit op de reclamemarkt doorbreekt, principieel
gezien, het aanvankelijk strikt niet-reclame-gebonden karakter van de
omroep in ons land. De exploitatie van omroepreclame is een monopo-
liepositie van de STER, zodat andere deelnemers op die markt, zoals de
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>verschillende persorganen de omroepconcurrentie niet kunnen pareren
althans niet door ook televisie-reclamezendtijd aan te bieden. Hier treedt
een duidelijk verschil op met het vrije-marktsysteem waar de deelnemers
we1 op veranderende concurrentieverhoudingen kunnen inspelen. Dit
laatste is bijvoorbeeld we1 het geval bij de gedrukte pers. Op de sterk
toegenomen concurrentie van de huis-aan-huis-bladen op de adver-
tentiemarkt hebben de kranten een antwoord gevonden door deze bla-
den ook zelf te gaan exploiteren. In het algemeen overheerst de opvat-
ting dat de gemonopoliseerde etherreclame de overheid tot grote terug-
houdendheid noopt, omdat de concurrentie op de advertentiemarkt
gemakkelijk de verscheidenheid van de informatievoorziening van de
pers in gevaar kan brengen.
   Op zich zelf is de markteconomie geen voorwaarde of uitsluitende
grondslag van de informatievrijheid en de pluriformiteit. Vergeleken met
andere produktiesectoren in de markteconomie is de mediasector,
gezien de aard en de functie van het produkt, een sector waar naast de
markteconomisch gebonden produktie ook andere modellen en vormen
kunnen bestaan. Ook de omroep als publiekrechtelijk georganiseerd
bestel behoort hiertoe, ontstaan als deze is op basis van verdeling van
technisch schaarse verspreidingsmiddelen. Zowel voor de markt-
georienteerde verspreiding van informatie als voor een publiekrechtelijk
gereguleerd bestel geldt dat de informatievrijheid en de pluriformiteit
van de informatievoorziening verwerkelijkt kunnen worden.
   Een publiekrechtelijk bestel kan dit door middel van toelatingscriteria
die de toe- en uittreding reguleren. In dit opzicht kunnen economisch-
commerciele risico's die in het vrije marktstelsel de pluriformiteit kunnen
 bedreigen, gepareerd worden. lngrijpen in het vrije marktsysteem, met
 het doel een zekere mate van verscheidenheid van aanbieders in stand
te houden, stelt echter aan het overheidsbeleid de eis dat dit de werking
 van het marktstelsel niet verstoort. Overheidsmaatregelen die op een of
 meer aanbieders zijn gericht, kunnen gemakkelijk de concurrentiever-
 houdingen verstoren en daarmee de werking van het marktsysteem
 ondermijnen.
    De combinatie van marktgebonden economie en informatievrijheid
 houdt in dat de markt voor potentiele aanbieders ook werkelijk open is.
 Hoewel ondernemingen vrijelijk informatie kunnen aanbieden, worden
 echter de feitelijke vrijheid en openheid van de markt door economische
 - conjuncturele en structurele - en door technische factoren en
 omstandigheden bepaald. Pluriformiteit in het media-aanbod wordt der-
 halve in de praktijk begrensd. De belangrijkste vraag is wat de samen-
 leving financieel kan en wil dragen om een pluriform aanbod mogelijk te
 maken. Zowel bij de omroep als de pers wordt het eindprodukt uit
 opbrengsten uit de consumenten- en advertentiemarkt gefinancierd (bij
 de omroep is de verhouding 75%:250/0 en bij de pers 40%:60%). Bij de
 omroep worden de hoogte en de bestemming van die opbrengsten
 centraal door de overheid vastgesteld.
   Ten einde de pluriformiteit van het media-aanbod te handhaven of te
 verruimen kan de overheid een beleid voeren dat op mededinging in de
 marktverhoudingen is gericht. Zij kan dat doen door de toetredingsmo-
 gelijkheden te verruimen - bijvoorbeeld door kredietverlening en sub-
 sidiering van de pers of door verlaging van de getalscriteria bij de
 omroep - of door bestaande aanbieders door middel van financiele
 steunmaatregelen in de markt te houden.
   Toekomstige ontwikkelingen kunnen het onderscheid markt versus
 gereguleerd bestel verder relativeren, in de zin dat er wellicht allerlei
 overgangsvormen ontstaan tussen markt en regulatie in hun zuivere
 vorm. De sterke ontwikkeling van de informatietetechnologie heeft
 namelijk de vraag actueel gemaakt of de huidige terreinafbakening tus-
 sen omroeg en pers we1 gehandhaafd kan blijven. Dit is vooral van
 belang met het oog op benutting van technische mogelijkheden. Een
 herverdeling van de informatiestromen over de beschikbare media
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>- welke verdeling mede afhankelijk is van de politieke besluitvorming -
 zal rekening moeten houden met de positie en ontwikkelingsmogelijk-
heden van de grafische media, met name in die gevallen waar de inkom-
sten uit reclame in het geding zijn. Allereerst heeft dit te maken met de
telecommunicatiemiddelen en de toenemende mate waarin zij de sleutel
tot informatie-overdracht vormen. Daarnaast kan men een toenemende
verstrengeling van technologieen constateren die weer leidt tot verstren-
geling van functies die de historische grens tussen omroep en pers en
datacommunicatie en pers doet vervagen. Dit zal, zoals nog zal blijken,
tot nieuwe verhoudingen tussen de bestaande media en tot nieuwe
mediatypen leiden.
   Belangrijk voor de toekomstige indeling markt versus gereguleerd
bestel is ook de positie van ons land in de internationale ontwikkeling.
Het internationale omgevingskader bepaalt mede de ruimte voor de
formulering van het nationale mediabeleid. Vooral het te verwachten
internationale aanbod via kabel en satelliet zullen voor het toekomstig
beleid van belang zijn. Zo zullen buitenlandse zenders hun programma's
gaan afstemmen op een groot en internationaal publiek en zal het straks
relatief eenvoudig worden door ondertiteling of nasynchronisatie voor
verschillende talen nationale produkties te verzorgen. De beleidsontwik-
keling kan hier twee richtingen inslaan, namelijk een restrictief beleid,
gebaseerd op internationale afspraken waardoor een nationaal program-
ma-aanbod blijft overheersen, of een open beleid waarin naast de eigen
omroep ook internationaal aanbod een functie heeft. Een toenemende
internationalisering van het aanbod lijkt onder invloed van de techniek
onstuitbaaf. De beschermende grenzen van de thuismarkt zullen in de
toekomst zeker vervagen.
   Wat het toelatingsbeleid in het algemeen betreft is het van belang
erop te wijzen dat dit in een publiekrechtelijk bestel, in het licht van de
gekozen principiele uitgangspunten, bijzondere eisen stelt. De belangrijk-
ste is we1 dat de voorwaarden voor toetreding van aanbieders in de
vorm van objectieve criteria in een wet vastgelegd moeten zijn.
   In het voorgaande is reeds gesteld dat de beleidsruimte voor de over-
heid in het vrije marktsysteem van de pers beperkt is. lndien bij het ver-
lenen van overheidssteun de voorwaarde voor zelffinanciering uitein-
delijk wordt losgelaten en een systeem van exploitatiesubsidiering
ge'introduceerd, ontstaat een door de overheid gereguleerd deel van het
persbestel dat zich - afhankelijk van de mate van die steun - naast en
vooral in concurrentie met de vrije marktordening plaatst. Bij alle maatre-
gelen die tot nu toe binnen het persbeleid zijn uitgewerkt, beroept men
zich op het marktconforme karakter van de regelingen. Zij zijn gericht op
de relatieve concurrentiepositie van persorganen ten opzichte van elkaar,
met andere woorden: zij hebben betrekking op die delen van de aan-
biedersmarkt waar afzonderlijke persorganen door factoren die direct
buiten de vraag liggen in een nadelige positie verkeren. Voorbeelden
 hiervan zijn het gebrek aan kapitaal dat een persorgaan kan hebben om
de nodige investeringen te kunnen doen, hoge exploitatiekosten door
een geringe spreidingsdichtheid. Binnen deze marges wordt in het pers-
 beleid gewerkt met oplagecijfers en exploitatieresultaten als meetbare
criteria op grond waarvan overheidssteun kan worden verleend die
bovendien tot een rendabele exploitatie van het desbetreffende
persorgaan dient te leiden. Het is in deze opzet vanzelfsprekend dat
alleen die persorganen binnen het persbeleid vallen waarvan de abon-
nees een reele prijs voor het produkt betalen. Huis-aan-huis-bladen en
periodieken die in zogenoemde 'controlled circulation' worden uit-
gegeven komen dus niet in aanmerking. Of deze opzet van over-
heidsbemoeienis met de marktsector van de pers ook voor de toekomst
toereikend zal zijn in het licht van de doelstellingen van mediabeleid, is
een vraag die zowel aan de hand van principiele stellingname als aan
economische en technische ontwikkelingen moet worden getoetst.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>TEKSTEN OVER UlTlNGSVRlJHElD
Art. 7     Grondwet
Niemand heeft voorafgaand verlof nodig, o m door de drukpers gedachten
of gevoelens te openbaren, behoudens ieders verantwoordelijkheid
volgens de wet.
Art. 1.7    Nieuwe Grondwet (in eerste lezing aanvaard)
1 . Niemand heeft voorafgaand verlof nodig om door de drukpers
gedachten of gevoelens te openbaren, behoudens ieders
verantwoordelijkheid volgens de wet.
2. De wet stelt regels omtrent radio e n televisie. Er is geen voorafgaand
toezicht op de inhoud van een radio- of televisie-uitzending.
3. Voor het openbaren van gedachten of gevoelens door andere dan i n
de voorgaande leden genoemde middelen heeft niemand voorafgaand
verlof nodig wegens de inhoud daarvan, behoudens ieders
verantwoordelijkheid volgens de wet. De wet kan het geven van
vertoningen toegankelijk voor personen jonger dan zestien jaar regelen
ter bescherming van de goede zeden.
4. De voorgaande leden zijn niet van toepassing op het maken van
handelsreclame.
Art. 10 van de Europese Conventie voor de rechten van de mens
 1 . Een ieder heeft recht op vrijheid van meningsuiting. Dit recht omvat
de vrijheid een mening te koesteren en de vrijheid om inlichtingen of
denkbeelden te ontvangen of door te geven, zonder inmenging van
overheidswege en ongeacht grenzen. Dit artikel belet niet, dat Staten
radio-omroep-, bioscoop- of televisie-ondernemingen kunnen
onderwerpen aan een systeem van vergunningen.
2. Daar de uitoefening van deze vrijheden plichten e n
verantwoordelijkheden met zich brengt, kan zij worden onderworpen aan
bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, welke bij ,
de wet worden voorzien, en die i n een democratische samenleving nodig
 zijn i n het belang van 's lands veiligheid, territoriale onschendbaarheid of
 openbare veiligheid, de bescherming van de openbare orde e n het
 voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de
 goede zeden, de bescherming van de goede naam of de rechten van
 anderen, om de verspreidingvan vertrouwelijke mededelingen te
 voorkomen of om het gezag en de ompartijdigheid van de rechterlijke
 macht te waarborgen.
 Art. 19 lnternationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke
 rechten
 1 . Een ieder heeft het recht zonder inmenging een mening te
 koesteren.
 2. Een ieder heeft het recht op vrijheid van meningsuiting; dit recht
 omvat mede de vrijheid inlichtingen en denkbeelden van welke aard ook
 te garen, te ontvangen en door te geven, ongeacht grenzen, hetzij in
 geschreven of gedrukte vorm, in de vorm van kunst, of met behulp van
 andere media naar zijn keuze.
 3. Aan de uitoefening van de in het tweede lid van dit artikel bedoelde
 rechten zijn bijzondere plichten en verantwoordelijkheden verbonden.
 Deze kan derhalve onderworpen worden aan bepaalde beperkingen die
 bij de wet worden voorzien e n nodig zijn:
 a. in het belang van de rechten of de goede naam van anderen;
 b. in het belang van de nationale veiligheid of ter bescherming van de
 openbare orde, de volksgezondheid of de goede zeden.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>3.    BESCHRIJVING V A N HET MASSAMEDIABELEID
3.1 Persbeleid en ornroepbeleid: de belangrijkste verschillen i n hun
historische context
   Het beeld van de pers voor de Tweede Wereldoorlog wordt geken-
merkt door een betrekkelijke rust en stabiliteit, die overigens volledig
aansloten bij het karakter dat de Nederlandse samenleving in die tijd ver-
toonde: ondanks onzekerheid en dreiging door het verschijnsel van de
economische crisis, rechts-autoritaire stromingen en de toenemende
macht van Hitler-Duitsland, hield een aantal samenbindende factoren de
Nederlandse samenleving in evenwicht, zoals het duidelijke overwicht
van de liberaalgezinde gegoede burgerij, het sterk oplevend patriottisme,
een nog altijd sterk overheersende christelijk-victoriaanse moraal en de
verzuiling, factoren die uiteraard verankerd lagen in een historische ont-
wikkeling van een klein land, dat meer dan een eeuw buiten enige Euro-
pese oorlog gebleven was. Daardoor konden zich deze gemeenschap-
pelijke mentaliteit en samenhang ongestoord ontwikkelenl. Kenmerkend
voor het perswezen in het interbellum was de sterke band die de meeste
persorganen met hun achterland hadden: de confessionele bladen, de
partijpers van sociaal-democraten en communisten en de partijgerichte
pers van liberale snit>.
   Eerst in de loop van de jaren vijftig veranderde dit patroon. De popu-
laire pers ontwikkelde zich sterker.en er ontstonden persconcerns. De
aanzet daartoe werd door de industriele ontwikkeling van het kranten-
bedrijf voor de Tweede Wereldoorlog gegeven. Die concentratie mani-
festeerde zich aanvankelijk het sterkst in de dagbladpers. Zo ontstonden
in het begin van deze eeuw het Telegraaf-concern en de Arbeiderspers
en concentreerde een aantal anti-revolutionaire regionale kranten zich
rondom De Rotterdammer. Bij de katholieke pers, die tussen de twee
wereldoorlogen een periode van grote expansie doormaakte, ontstonden
twee concentraties. De Vereenigde Katholieke Pers, eigendom van De
Spaarnestad, exploiteerde een aantal opgekochte regionale katholieke
dagbladen in nauw verband met de volksuitgave van De Tijd. Neerlandia
te Utrecht gaf enkele kranten uit met de Limburger Koerier als belangrijk-
ste uitgave. Tot het concentratieverschijnsel behoorden ook het ontstaan
van plaatselijke kopbladen (kranten die op het plaatselijk nieuws na gelijk
zijn aan het elders verschijnende hoofdblad, maar met een andere kop)
en redactionele samenwerking tussen provinciale bladen. Tegelijk met de
schaalvergroting die zich vanaf de jaren vijftig in het economische leven
manifesteerde, ontstond in de dagbladbedrijfstak een concentratieproces
in de vorm van fusies, opheffing van kranten en redactioneel samengaan
van meerdere bladen. Dit verschijnsel openbaarde zich na de Tweede
Wereldoorlog veel duidelijker dan ooit voor 1940 het geval is geweest.
De fusie van De Tijd en De Maasbode in 1959 werd het begin van een
concentratieproces dat zich in de jaren zestig en in de eerste helft van
de jaren zeventig in volle omvang deed gelden, vooral bij de confes-
sionele pers. De tendens van fusie en samenwerking tussen voorheen
zelfstandige persorganen ontwikkelde zich in de richting van con-
cernvorming. Zo ontstonden: De Christelijke Pers, Verenigde Nederlandse
 '     I. Schoffer. 'Weten we ze nog wel, die jaren dertig?'; in: D e jaren dertig; Aspecten van
 crisis en werkloosheid; onder redactie van P.W. Klein en G.J. Borger. Amsterdam, Meulenhoff
 1979, blz. 209 e.v..
       20 waren er van de 79 in 1937 verschijnende kranten niet minder dan 32 van katholieke
 huize. 6 liberaal. 5 protestants-christelijk, 2 sociaal-dernocratisch, 1 communistisch, 1 natio-
 naal-socialistisch en 23 zogenoemd politiek onafhankelijk.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre>Uitgeversbedrijven (VNU), Audet, Nederlandse Dagblad Unie (NDU),
Perscombinatie, NDU-Elsevier3.
    Tot de dag van vandaag heeft de pers zich in ons land op de grondslag
van de vrije particuliere ondernemingsgewijze produktie langs de lijnen
van het marktmechanisme van vraag en aanbod kunnen ontwikkelen.
Deze combinatie van commerciele financiering en journalistiek produkt
heeft geleid tot onafhankelijkheid van de overheid. Vergelijkt men
hiermee de ontwikkeling van de omroep, d m vallen enkele fundamentele
verschillen op. Het belangrijkste verschil ligt in het commerciele vlak. Het
bedrijven van omroep (tot de eerste officiele televisie-uitzending in 1951
betrof dit alleen de radio-omroep) is in ons land steeds onderworpen
geweest aan het verbod daarmee winst te behalen. In de eerste plaats
mogen, zoals de Omroepwet het thans in artikel 11 omschrijft, 'de uit-
zendingen niet dienstbaar zijn aan reclamedoeleinden'. Dit verbod
bestaat reeds vanaf de eerste wetgeving op het gebied van de omroep,
namelijk het Radioreglement van 1930, waarvan artikel 2 de uitzendingen
beperkte tot 'mededeelingen van woord-, toon- of beeldinhoud van
ontspannenden, leerzamen, politieken, aesthetischen, ethischen of reli-
gieuzen aard'. Voor het 'in bepaalde gevallen en omstandigheden' uit-
zenden van 'mededelingen van zakelijken aard' (reclame) was de
toestemming van de minister nodig4. In de machtigingen die de minister
van Waterstaat in het begin van de jaren dertig aan de toen bestaande
omroeporganisaties verleende, werd dit reclameverbod ge'interpreteerd
en verderqaangescherpt: 'Het uitzenden van mededeelingen welke recht-
streeks of zijdelings reclame beoogen, hetzij ten behoeve van derden,
 hetzij ten behoeve van belangen van radio-omroeporganisaties, welke
geen of slechts zijdelings met den radio-omroep als zoodanig verband
houden, is verboden; toegestaan zijn inlichtende mededeelingen van
zakelijken aard, welke uitsluitend op de uit te zenden stof of op den hou-
der van de machtiging betrekking hebben en geacht kunnen worden
voor de luisteraars van nut te zijn'5.
     Naast dit verbod, dat op de inhoud van de uitzendingen betrekking
 heeft, bestaan ook voor de omroeporganisaties zelf voorschriften die
commerciele activiteiten verbieden. Zo werd in de omroepregeling van
 1930 voorgeschreven dat omroeporganisaties uitsluitend een ideeel doel
 mochten dienen. Zij moesten, wilden zij voor een zendmachtiging in aan-
 merking komen, in zodanige mate gericht zijn op 'bevrediging van in het
 volk levende cultureele en godsdienstige behoeften, dat hare uit-
zendingen uit dien hoofde geacht kunnen worden van algemeen nut te
 zijn'6. In de Omroepwet is deze bedoeling nader en als verbodsbepaling
 geformuleerd. De omroeporganisaties mogen krachtens deze wet niet
 gericht zijn op het maken van winst, voor zover deze niet voor de vervul-
 ling van de omroeptaak bestemd is, en evenmin dienstbaar zijn aan het
 maken van winst door derden7. Er is uiteraard een uitzondering gemaakt
 voor de Stichting Ether Reclame (STER) die, met uitsluiting van alle
 andere instellingen die zendtijd hebben, belast is met de uitzending van
 reclameboodschappen.
    Ten einde het niet-commerciele karakter van het omroepbestel ook in
 de toekomst te kunnen waarborgen, zijn beide aspecten onlangs door
 middel van enkele richtlijnen aangescherpt. Krachtens een ministeriele
 beschikking over sluikreclame zijn medio 1981 nadere regels in werking
 getreden die ertoe moeten leiden dat radio- en televisie-uitzendingen
  - anders dan die van de STER - niet aan reclamedoeleinden dienstbaar
 worden gemaakts. Vervolgens zijn ook de nevenactiviteiten van de
 3     Zie voor een cijfermatig overzicht van het concentratieproces in de pers hoofdstuk 6 van
 dit rapport.
 4      Radio-reglement 1930, KB van 9 mei 1930; Stb. 159.
 5      C.C. Grutzner, Ordening van den omroep in Europa; Alphen a l d Rijn. Samsom, 1936, blz. 416.
 6      Radio-reglement 1930, art. 2, lid 3.
 7      Omroepwet, art. 13, lid 2 onder ten vijfde.
 8      'Regeling reclame conform artikel 11 van de Omroepwet'; Nederlandse Staatscourant,
  26 januari 1981, nr. 16.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 37 ======================================================================

<pre>omroeporganisaties, dat wil zeggen de activiteiten die niet rechtstreeks
en onmiddellijk betrekking hebben op of verband houden met 'de voor-
bereiding, samenstelling en uitvoering van voor het publiek bestemde
radio- en televisieprogramma's, die bedoeld zijn om te worden uit-
gezonden', door de wetgever aan een kritisch oordeel onderworpen?
Enerzijds betreft dit onder meer de exploitatie van omroepbladen door of
in samenwerking met derden, het organiseren van discoshows, het aan-
bieden van voordeelreizen, boeken en grammofoonplaten en het bedrij-
ven van zogenoemde 'merchandising'; anderzijds gaat het om activitei-
ten waarmee winst wordt gemaakt die niet aan de vervulling van de
omroeptaak maar aan derden ten goede komt of aan derden wordt 'toe-
gespeeld'lo. Tot laatstgenoemd terrein behoort ook de problematiek van
de ongewenste verstrengeling van belangen tussen omroepmedewerkers
en commerciele ondernemingen, ter oplossing waarvan de omroeporga-
nisaties zelf door aanpassing van de cao en van freelance contracten de
nodige maatregelen hebben getroffenl1.
    Vanaf het begin van de omroep werd commerciele exploitatie uit-
gesloten. Daarmee werd tevens - zoals reeds werd aangetoond - een
ander kenmerk aan dat bestel gegeven: alleen organisaties die (radio-)
uitzendingen zouden verzorgen die op bevrediging van in het volk leven-
de culturele of godsdienstige behoeften waren gericht, konden voor een
zendmachtiging in aanmerking komenl2. Ofschoon op grond van de
Telegraaf- en Telefoonwet, zoals in 1928 gewijzigd waardoor ook de
omroep eronder viel, staatsexploitatie in enigerlei vorm tot de mogelijk-
heden behoordel3, werd de omroep - tot de komst van de NV Nozema14
 in 1935 ook op technisch gebied - volledig overgelaten aan het par-
ticulier initiatief. Voor de omroep geldt bij uitstek de omschrijving van
 Couwenberg, namelijk dat het hier gaat om een organisatietype, waarbij
de overheid binnen het kader van een zekere speciale bemoeiing
 - waaruit blijkt dat zij bij een bepaalde taak een publiek belang aanwezig
acht - de behartiging van dit belang geheel of gedeeltelijk overlaat aan
 particuliere lichamen die de verzorging daarvan spontaan op zich geno-
 men hebben of hiertoe bereid zijnl5. Het typisch Nederlandse daarvan is
 nu dat deze maatschappelijke organisatievorm op grond van godsdienst
en levensbeschouwing is ontstaan. De inrichting van ons omroepbestel
draagt daarvan nog duidelijk de sporen.
    Lange tijd - tot de invoering van het zogenoemde Overgangs-
bestel (1965), dat aan de inwerkingtreding (in 1969) van de Omroepwet
voorafging - was de organisatorische structuur van de omroep geba-
seerd op de wederkerige aanvaarding van de aanwezigheid en gelijk-
 berechtigdheid van diverse levensbeschouwelijke bevolkingsgroepen.
 Deze aanvaarding berustte op de machtspositie die de confessionele
 partijen vanaf het begin van deze eeuw geleidelijk in het politieke
centrum verwierven. Die gelijkberechtigdheid kwam tot uitdrukking in de
gelijke verdeling van de beschikbare hoeveelheid zendtijd over de vier
grote omroeporganisaties (AVRO, KRO, NCRV, VARA). Een ander ken-
 merk van het verzuilde particuliere initiatief die in het omroepbestel is
terug te vinden, is de autonomie van de organisaties. Die autonomie kan
volgens Van Doorn mede worden begrepen uit de strijd die protestanten
en katholieken decennia lang hebben moeten voeren tegen een conser-
9     Omroepwet, art. 1.
lo  'Minister Gardeniers zegt omroeporganisaties de wacht aan'; Nederlandse Staatscourant,
14 juli 1981, nr. 131. blz. 2.
l1 Brief bestuur NOS aan de minister van CRM, 17-3-1981. nr. S/Bas-81-1124.
12 In de Omroepwet is hieraan nog het adjectief 'geestelijke' toegevoegd.
'3 C.C. Grutzner, op. cit.. blz. 313 e.v..
14 De Nederlandse Omroep Zender Maatschappij werd.opgericht bij wet van 22 juli 1935
(Radio-Omroep-Zenderwet. Stb. 403). In deze naamloze vennootschap participeerden de staat
met 600/0 en de vier grote omroeporganisaties AVRO. KRO, NCRV en VARA met 40°/o van de
aandelen.
Is S.W. Couwenberg, Her particuliere stelsel; De behartiging van publieke belangen door
particuliere lichamen; Alphen a/d Rijn. Samsom, 1953. blz. 8.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 37 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 38 ======================================================================

<pre>vatief-liberaal establishment dat de staatsmacht in handen hield. 'Zo
gezien is de latere verzuiling de institutionele neerslag van een eman-
cipatiebeweging in meervoud, een massaal democratiseringsproces in
pluralis'l6. In tegenstelling echter tot het eveneens 'verzuilde' onderwijs
en maatschappelijk werk vond in het omroepbestel geen toedeling van
de publieke middelen in de richting van de activiteiten van de daarin
werkzame autonome organisaties plaats. De exploitatie van de omroep
berustte op vrijwillige financiele bijdragen van de leden/begunstigers die,
naast de omroepbladen-exploitatie, de belangrijkste bron van inkomsten
vormden. Ook toen tijdens de Tweede Wereldoorlog het stelsel van de
vrijwillige financiering werd afgeschaft, bleef het karakter daarvan in
principe bestaan. De toen door de bezetter ingevoerde en na de oorlog
door de Nederlandse regering overgenomen retributie kan immers niet
beschouwd worden als financiering uit de algemene middelen, omdat
betaald wordt op basis van het bezit van een radio- (en later ook tv-)
toestel en de opbrengst van deze omroepbijdrage geheel aan de exploi-
tatie van de omroep ten goede komt.
     Als een van de kenmerken van het omroepbestel in de verzuilde maat-
schappelijke organisatiestructuur werd eerder de gelijke verdeling van de
beschikbare zendtijd genoemd. Daarmee is, in het licht van het over-
heidsbeleid voor pers en omroep naast de commerciele factor, een
tweede verschil aangegeven tussen beide massamedia. Functioneert de
pers op een markt waarin de behoefte aan informatie in brede zin door
het vrije ondernemerschap wordt vervuld, voor radio en televisie daaren-
tegen geldt vanaf het begin van de omroep in ons land een stringent
gevoerd voorwaardenbeleid. Door het verlenen van zendmachtigingen
reguleert de overheid de toetreding tot de markt van aanbieders.
     De pijler waarop dit voorwaardenbeleid rustte, was de schaarste aan
zendtijd. Het feit dat de radio-omroep technisch was voortgekomen uit
en onderdeel uitmaakte van de radiotelefonie is beslissend geweest voor
de wijze waarop de exploitatie van dit nieuwe medium werd geregeld.
De radio-omroep werd in de jaren twintig aanvankelijk gezien als een
vorm van telegrafie en telefonie 'waarbij de toestellen op de eindpunten
niet onderling door draden en geleidingen' waren verbonden, en werd
tevens primair beschouwd als een mogelijke storingsbron van het open-
 baar telegraaf- en telefoonverkeerl7. Vandaar dat vanuit deze optiek in
 1928 de hoofdregeling van de omroep in de Telegraaf- en Telefoonwet
van 1904 werd neergelegdle. ~ m r o e ~ z e n d ewerden      rs        daarin dan ook
 'radiotelegraaf- en radiotelefooninrichtingen' genoemd, 'niet bestemd
voor het overbrengen van telegrammen of het voeren van gesprekken'.
 In het licht van de taak van de P l T het openbare telegraaf- en telefoon-
 verkeer per draad of draadloos storingsvrij en efficient te laten verlopen
 en gezien het feit dat de technische verzorging van dat verkeer in ons
 land bij dat staatsbedrijf gemonopoliseerd was, lag het voor de hand dat
 ook de technische verzorging van de radio-omroep in feite een P l T -
 monopolie werd. In het op de Telegraaf- en Telefoonwet steunend Radio-
 reglement van 1930 werden de aanleg en het gebruik van de radio-
 omroep dan ook gebonden aan een door de minister van Waterstaat
 - onder wie de zorg voor de P l T en derhalve ook de omroep ressor-
teerde - te verlenen machtiginglg. Dit hield niet alleen verband met de
 mogelijkheid van storing van het openbare telegraaf- en telefoonverkeer,
 maar ook met het feit dat kort tevoren de hiervoor bestemde golflengten
 l6   J.A.A. van Doorn. 'De verzorgingsmaatschappij in de praktijk'; in: D e stagnerende ver-
 zorgingsstaat; onder redactie van J.A.A. van Doorn en C.J.M. Schuyt. Meppel, Boom. 1978,
  blz. 29.
  l7
       Art. 1 van de Telegraaf- en Telefoonwet.
  l8   Wet van 12 mei 1928, Stb. 169, houdende aanvulling en wijziging van de Telegraaf- en
 Telefoonwet 1904 (Stb. 7). zoals deze laatstelijk is aangevuld en gewijzigd bij de wet van 31
  mei 1923 ( S t b 233).
  '9   Radio-reglement 1930.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 38 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 39 ======================================================================

<pre>op internationaal niveau aan de afzonderlijke landen waren toegewezen.
   Niet alleen op het gebied van de techniek legde de Nederlandse over-
heid een sterke bemoeienis met de radio aan de dag, maar ook op het
gebied van de programma's. De controle op de inhoud van de uit-
zendingen had als grond de veiligheid van de staat, de openbare orde en
de goede zeden. Ter voorkoming van een mogelijke inbreuk hierop
moesten de omroeporganisaties zich een strenge preventieve censuur
laten welgevallen. Hiermee was de overheidsgreep op de omroep vrijwel
volledig.
   Op het gebied van de pers kende ons land in die tijd al een lange tradi-
tie waar het ging om de vrijheid van drukpers. Deze vrijheid is niet altijd
even groot geweest en werd met name door financiele drempels - zoals
het dagbladzegel - we1 eens belemmerd. Maar zoveel is zeker dat de
bestuurlijke decentralisatie en de libertijnse geest van de stedelijke
magistraten in de Republiek der Verenigde Nederlanden de hechte
grondslag van deze vrijheid legden waardoor de pers zich in de acht-
tiende eeuw langzaam maar zeker kon ontwikkelen tot vormgever van de
publieke opinie en instrument voor discussies binnen de steeds groter
wordende categorie der burgerij. Omstreeks 1900 vie1 echter een
groeiende bezorgdheid te cdnstateren over mogelijke kwalijke invloeden
van de pers, een verontrusting die vooral kwam vanuit intellectuele kring.
Bij hun protesten sloten zich later voormannen op religieus, educatief en
juridisch gebied aan. Dat deze onrust in ons land beperkter was dan in
de omringende landen kwam doordat de pers sterk was ingebed in het
verzuilde maatschappelijke bestel. Hierin had vrijwel elke bevolkings-
groep haar eigen kranten en tijdschriften en derhalve leefden de verschil-
lende publieksgroepen in een cultureel vrij afgesloten, zelfs eenzijdig, kli-
maat.
   Met de komst van de radio leek dit sterk te gaan veranderen. Vanaf het
eind van de jaren twintig ontwikkelde de radio zich tot een mas-
samedium dat een tot dan toe ongekende functie zou gaan vervullen. De
radio-omroep bracht namelijk een verscheidenheid aan informatie voor
een in principe onbestemd publiek. Aan het nieuwe medium werd dan
ook een grote macht en een grote invloed toegekend: grote massa's
konden met eenzelfde boodschap tegelijkertijd bereikt worden.
Bovendien kon de radio - dat gold trouwens ook voor de film - zich in
een groeiende belangstelling van het publiek verheugen. Stappers zegt
hierover dat bij de invoering en verspreiding van de nieuwe massamedia
film en radio - naast de al langer bestaande dagbladen - iedereen
dermate verbluft was over deze technische wonderen, dat niemand
moeite deed om vast te stellen welk effect deze media hadden op hun
ontvangers: men ging er eenvoudig vanuit dat die effecten sterk en
direct waren20. De indringendheid van het medium vormde dan ook een
afzonderlijke grond voor overheidsingrijpen: censuur zowel voor de film
als voor de radio-omroep.
   In het Nederland van de jaren twintig, bij de opkomst van de radio-
omroep, kan het niet toevallig zijn dat vanuit de culturele identiteit en de
maatschappelijke geslotenheid die kenmerkend waren voor de zich
emanciperende verzuilde bevolkingsgroepen, de radio een functie paral-
lel aan de pers ging vervullen, dat wil zeggen gericht op de eigen bevol-
kingsgroepen. Hieruit is het te verklaren dat de radio onder de verzuilde
maatschappelijke groepen werd 'opgedeeld'. De confessionelen deelden
- overigens streng gescheiden - de ene zender en de sociaal-
democraten en wat men met een verzamelnaam 'liberaal' zou kunnen
noemen, de andere. Bovendien werd een strenge censuur ingesteld om
de conformiteit aan het bestaande maatschappelijk-culturele bestel van
overheidswege - vanuit het confessionele politieke machtscentrum -
20  J.G. Stappers, Massacommunicatie, een inleiding; Amsterdam. Wetenschappelijke Uit-
geverij, 1973, blz. 84-128. Zie ook B. Manschot, 'Be'invloeding. Wegen en grenzen van de
mediamacht'; in: Media in Nederland; deel 1: Omroep, film, nieuwe media, invloed; onder
redactie van J. Bardoel en J. Bierhoff. Amsterdam, Van Gennep. 1981, blz. 219-241.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 39 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 40 ======================================================================

<pre>te verzekeren. Op deze wijze werd het bereik - men dacht daarbij aan
het effect en de werking - op tweeerlei wijze ingekapseld: elke grote
bevolkingsgroep had zijn eigen radioprogramma (een volledig program-
ma met onderdelen van informatie, cultuur, educatie en verstrooiing) en
mochten er leden van bevolkingsgroepen naar 'andere' uitzendingen
luisteren, dan zorgde de censuur er voor dat de 'schade' beperkt zou blij-
ven.
3.2 Verschuivingen i n het mediabeleid
3.2.1    lnleiding
    Hoezeer de omstandigheden ook gewijzigd zijn, met name in het tech-
nische vlak, de eigenlijke kern van het massamediabestel is in de loop
van de tijd ongewijzigd gebleven. De ondernemingsgewijze produktie van
de pers vormt nog steeds het draagvlak van de gedrukte informatievoor-
ziening in de vorm van een grote diversiteit aan kranten en tijdschriften.
De omroep wordt nog steeds op niet-commerciele basis bedreven, waar-
bij de oorspronkelijke opzet van de verdeling van zendtijd over bevol-
kingsgroepen in de kern bewaard is gebleven. Toch kunnen er niet
onaanzienlijke verschuivingen geconstateerd worden. In de omroep heb-
ben commerciele praktijken hun intrede gedaan, zoals de zogenoemde
sluikreclame in radio- en vooral televisieprogramma's en de commerciele
bindingen van omroeporganisaties. Los van het omroepbestel, maar niet
zonder invloed daarop, is de commercieel geexploiteerde etherpiraterij
via radio en kabeltelevisie tot ontwikkeling gekomen. Wat de toekomst
betreft kan straks commerciele satellietomroep, die via speciale anten-
 nes rechtstreeks door het publiek ontvangen zal kunnen worden, even-
zeer realiteit zijn. Ook een commerciele exploitatie van de kabel via het
abonnee-televisie-systeem moet tot de mogelijkheden gerekend worden.
 In het persbestel is de ontwikkeling minder eenduidig. Wel is in de tijd-
schriftensector de explosieve opkomst van de zogenaamde gossipbladen
opvallend, terwijl ook een sterke concentratie van het grootste gedeelte
van de oplage van publiekstijdschriften in enkele concerns heeft plaats-
gevonden.
    Ook in het overheidsbeleid vallen verschuivingen t e constateren. Het
verst gaat ongetwijfeld de beleidswijziging die in 1965 werd doorgevoerd,
toen het omroepbestel ook voor andere dan de toen bestaande omroep-
organisaties toegankelijk werd gemaakt. De instroom van nieuwe
 omroepen zorgde uiteindelijk voor een doorbraak in het karakter van het
 omroepbestel dat tot dan toe nog sterk de trekken van het verzuilde
 maatschappelijke bestel uit het interbellum vertoonde21. In plaats van
 een gerichtheid op specifieke bevolkingsgroepen in een soort van
 geestelijke en maatschappelijke autarkie, ontstond in de omroep lang-
 zaam maar zeker een marktgerichte benadering van het publiek, waarbij
 het programma-aanbod duidelijk werd afgestemd o p een zo groot
 mogelijke luister- en kijkdichtheid. Geloofsovertuiging, wereld-
 beschouwing en emancipatiestrijd, die als inrichtingscriteria aan het ver-
 zuilde omroepbestel ten grondslag hadden gelegen, maakten plaats voor
 andere criteria, met als belangrijkste de ledenaanhang.
    Daar was echter een hevige discussie aan vooraf gegaan over de
 vraag of het omroepbestel op de verzuilde grondslag van voor de oorlog
 moest worden voortgezet. Die discussie was vooral op g a n g ~ e k o m e n
 doordat de televisie in onze samenleving een rol van betekenis ging spe-
 len en verschillende initiatieven ontstonden om commerciele televisie te
 brengen. In 1957 werd de Onafhankelijke Televisie Exploitatie Maatschap-
 pij (OTEM) opgericht. In deze vennootschap participeerde ook depers.
 Begin 1961 presenteerde de regering de Nota Reclametelevisie aan de
 Tweede Kamer, waarin voorstellen voor een nieuw omroepbestel naar
 *'  J.H.J. van den Heuvel. 'De omroep in een verzuilde maatschappij'; Massacommunicatie,
 december 1977, 5e jaargang nr. 6, blz. 201-225.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 40 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 41 ======================================================================

<pre>Engels model werden gedaan: een gemengd commercieel systeem met
op het ene net de Nederlandse Televisie Stichting (NTS, thans NOS) en
de omroeporganisaties en op het andere net commerciele conces-
sionarissen, waaronder de pers. Enerzijds werd aldus beoogd het histo-
risch gegroeide omroepbestel te behouden en anderzijds de pers, die de
introductie van een commercieel omroepmedium als een aanslag op
haar advertentie-inkomsten beschouwde, in de commerciele televisie te
laten participeren. Het tweede televisienet ging echter 'voorlopig' naar
de bestaande omroeporganisaties. Het 'voorlopige' werd via het
Overgangsbestel (1965) tot een definitief bestel in de vorm van de
Omroepwet van 1967. Het bestel was voortaan 'open', vrij toegankelijk
voor iedere niet-commerciele organisatie die een bepaalde ledenaan-
hang had verworven. Deze binding met de leden loopt via het program-
mablad22. Daarbij heeft de Omroepwet het juridisch monopolie op de
programmagegevens voor de omroeporganisaties beoogd veilig te stel-
len23.
3.2.2    Landelijk omroepbeleid
   De Omroepwet beoogt een pluriform bestel te scheppen op basis van
autonome particuliere organisaties. Nieuwe omroeporganisaties worden
geacht eenzelfde veelomvattende pretentie te hebben als de bestaande
omroeporganisaties. Dit blijkt uit de eis in artikel 13 (2e lid, ten 4e), dat zij
in zodanige mate gericht moeten zijn op bevrediging van in het volk
levende culturele of godsdienstige dan we1 geestelijke behoeften, dat
hun uitzendingen uit dien hoofde geacht kunnen worden van algemeen
nut te zijn. Naast dit cultureel criterium is er de verplichting de zendtijd
te gebruiken voor uitzending van een volledig programma dat in redelijke
onderlinge verhouding tenminste onderdelen van culturele, informatieve,
educatieve en verstrooiende aard omvat. Dit is het volledig-
programmavoorschrift in artikel35, 2e lid.
   Er zijn gaandeweg problemen ontstaan door de discrepantie tussen de
bedoelingen van de wetgever enerzijds en de realiteit van de maatschap-
pelijke ontwikkeling anderzijds. Sinds het in werking treden van de
Omroepwet zijn organisaties tot het bestel toegetreden met een minder
omvattende pretentie dan zij door de wet geacht worden te hebben. De
eis van het verzorgen van zowel verstrooiende, informatieve, educatieve
als culturele programma's paste goed in een situatie waarin de identiteit
van de omroeporganisaties voor al deze programmacategorieen van
belang was. Dat was in de hoogtijdagen van de verzuiling met de toen-
malige omroeporganisaties ontegenzeggelijk het geval. Van de jongere
organisaties geldt dit ook voor de EO, maar in veel mindere mate voor
de TROS en de VOO. De Omroepwet heeft beide laatste omroepen in
zekere zin gedwongen tot het creeren van een identiteit op gebieden
waarvoor ze oorspronkelijk geen belangstelling hadden. Zo'n onbedoelde
'ideologisering' door de wet behoeft niet tot deze twee organisaties
beperkt te blijven. Het is niet onwaarschijnlijk dat ook voor de toekomst
gerekend moet worden met andere organisaties met eveneens een par-
tiele orientatie.
   Problemen zijn ook ontstaan uit het oogpunt van afspiegeling. Repre-
sentatie, pluriformiteit en openheid zijn doelstellingen die elk hun eigen
eisen aan de regelgeving stellen, maar ook onderling samenhangen. Plu-
riformiteit van aanbod van radio- en televisieprogramma's is in ons
omroepbestel georganiseerd op basis van een 'constructed pluralism',
namelijk een verscheidenheid van omroeporganisaties die een zekere
representativiteit in zich dienen te dragen. In het licht van de historische
ontwikkeling van het bestel paste het representativiteitsconcept bij ver-
22
    Interlview. Gevolgen ontkoppeling ( e n ) ledenaanhang omroeporganisaties; Amsterdam.
1976. In opdracht van het ministerie van CRM.
23 J. Bardoel. J . Bierhoff, B. Manschot en P. Vasterman, Marges in de media; Het verbroken
contact tussen omroep en publiek; Baarn, het Wereldvenster, 1975.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 41 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 42 ======================================================================

<pre>tegenwoordigers met een specifieke homogene achterban, representan-
ten van herkenbare maatschappelijke groeperingen. Deze karakteristiek
gold voor de meeste omroeporganisaties, al is het zo dat de AVRO zich
nooit tot zuil heeft willen laten formeren. De AVRO werd in het bestel
zijns ondanks als zuil ingekapseld.
   Van de nieuwe organisaties hebben vooral TROS en VOO een veel
heterogener aanhang dan de oorspronkelijke, op levens- e n wereld-
beschouwelijke basis georganiseerde omroeporganisaties. De sinds 1965
o p grond van het Overgangsbestel en d e Omroepwet toegelaten nieuwe
ornroeporganisaties - uitgezonderd d e EO - beantwoorden niet zozeer
aan het representativiteitsconcept van de Omroepwet, dan dat zij de
veranderde maatschappelijke pluriformiteit, die vooral voortkomt uit
deconfessionalisering en wijziging van politieke orientatie, tot uitdrukking
brengen.
   Als verweer tegen de nieuwe programmatische tendentie en tegen
organisatorische versnippering is de Omroepwet aangepast (art. 13, 3e
lid en art. 14). Nieuwe zendgemachtigden zijn nu gehouden in hun
programmering zodanig af t e wijken van bestaande omroeporganisaties
dat daardoor de verscheidenheid in de omroep wordt vergroot. Hierdoor
is het beoordelende element in de wetgeving versterkt t e n aanzien van
vragen van representatie (naast het getalscriterium) en pluriformiteit. De
toepassing van maatstaven o p dit gebied roept echter problemen op bij
het beoordelen van programma's en programmacategorieen. Voorts kan
men zich afvragen of de problemen van de toekomst we1 bij uitstek lig-
gen in de sfeer van nieuwe toetreding. De opstelling van bestaande
omroeporganisaties - die met de desbetreffende nieuwe artikelen niet
getoetst worden - is wellicht meer bepalend voor het gezicht van de
Nederlandse omroep.
    Binnen de afspiegelingsconceptie, d i e in feite van voor de invoering
van de Omroepwet dateert, is het rationeel o m toetreding en zendtijd-
verdeling te koppelen aan d e getalsmatige verhoudingen tussen de
diverse maatschappelijke en culturele stromingen. Voor d e toekomst
lijken echter aan dit concept aanzienlijke nadelen verbonden te zijn. De
ratio uit de verzuilde periode geldt immers gedeeltelijk niet meer. De
stromingen met een homogene achterban vormen niet meer het gehele
spectrum van maatschappelijke pluriformiteit. Vooral de nieuwe omroep-
organisaties maken duidelijk dat het minder voor de hand ligt dat in
hoofdzaak getalsmatige verhoudingen als maatstaf voor toetreding en
zendtijdtoewijzing fungeren. In dit verband is een onderscheid te maken
tussen verschillende functies die het ledenbestand van een omroeporga-
 Tabel 3.1   Verbondenheid naar lidmaatschap van een omroeporganisatie,1976
                                         is lid van:                            is
                                                                             geen
                AVRO     TROS      EO   KRO      NCRV   VARA VPRO     VOO      lid
 voelt zich verbonden met:
                      Yo
 AVRO                33
 TROS                  2
 EO                    0
 KRO                   0
 RCRV                  0
 VARA                  0
 VPRO                  3
 VOO                   0
 voelt zlcn
 niet verbonden      60     65      15      43       22    34   17       33    63
 Bron: Inter/view. Gevolgen ontkoppeling(en) ledenaanhang omroeporganisaties: Am-
 sterdam. 1976. blz, c.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 42 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 43 ======================================================================

<pre>nisatie heeft, namelijk als uitdrukking van de omvang van een sociale en
culturele stroming, als legitimatie van een samenhangend geheel aan
opvattingen, die maatschappelijk herkenbaar zijn, en als manifestatie van
specifieke voorkeuren. Voor de laatste twee functies is het niet nodig
massale ledenaanhang als voorwaarde te stellen. Dit leidt tot de vraag of
verschillen in aanhang ook in alle gevallen zouden moeten leiden tot ver-
schillen in hoeveelheid zendtijd. Verschil in aanhang zou wellicht voor
bepaalde programmasoorten wel, maar voor andere niet tot verschillen
in zendtijd aanleiding kunnen geven.
   De affiniteit van de leden tot hun omroep is kleiner dan de omvang
van het leden(ab0nnee)bestand bij de huidige organisaties aangeeft.
Deze affiniteit loopt voorts bij de diverse omroeporganisaties zeer uiteen,
zoals blijkt uit tabel 3.1.
AVRO EN TROS tellen duidelijk meer leden dan 'verbondenen', gevolgd
door de KRO. Duidelijk meer 'verbondenen' dan leden laten VPRO en EO
zien; dan volgen NCRV, VARA en VOO. De hieronder vermelde gegevens
geven een indicatie van de oorzaak van deze verschillen (zie tabel 3.2).
Tabel 3.2 Het zich zelf als lid of als abonnee beschouwen naar de verschillende
omroeporganisaties, 1976
                                     Is lid van . . . door abonnement
                AVRO TROS            EO      KRO NCRV VARA VPRO            VOOTOTAAL
                     %        %       %         %         %       %    %       %      %
beschouwt zich zelf:
- als lid            11        9      28         9        21     16   18      29     14
- zowel Ild
   alsabonnee       29       32       55       40         53     50   63      52     40
- als
   abonnee          59       57       17       49         26     34   18      19     45
geen antwoord         1        2       0         2         0      0    0       0      1
Bron: Interhiew, op cit , blz. c
Hieruit blijkt dat het grootste deel van de leden met een programmablad
van AVRO, TROS en KRO zich zelf als abonnee beschouwt en niet als lid,
terwijl bij VOO, VPRO en EO duidelijk het tegengestelde het geval is.
   lndien andere vormen voor het tot uitdrukking brengen van affiniteit
gehanteerd zouden worden (bijv. omroepverkiezingen) zou het beeld nog
weer anders uitvallen (zie tabel 3.3).
Tabel 3.3   Uitslag 'ornroepverkiezingen' 1980 (in percentages)
Ornroep                  aanhang op                 aanhang op           verschil
                        basis ledental         basis verkiezingen
AVRO
EO
KRO
NCRV
T R'Os
VA RA
VOO
VPRO
Bron: J.J. van Cuilenburg en D. McQuail, Media enpluriforrniteit: een beoordelmg van de
stand van zaken: serie 'Voorstudies en achtergronden rnediabeleid', nr. M8, %-Graven-
hage. Staatsuitgeverij. 1982, blz. 175.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 43 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 44 ======================================================================

<pre>Bij omroepverkiezingen zouden de TROS, VOO en VPRO hun aandeel
vergroten, waarbij de TROS zelfs als grootste omroep uit de bus zou
komen. De aanhang van de van oudsher bestaande omroepen zou afne-
men, met uitzondering van die van de NCRV. Opvallend is de terugval
van de AVRO. Uit deze cijfers blijkt dat er per afzonderlijke omroeporga-
nisatie een duidelijke discrepantie bestaat tussen omroeplidmaatschap
en voorkeur. Bezien we echter die verschillen over het gehele bestel, dan
valt het met die discrepantie nog we1 mee: de 'omroepverkiezingen' van
1980 zijn voor 87% een afspiegeling van het bestel zoals dat op basis van
ledentallen tot stand komt. Dit betekent dat omroepverkiezingen over het
gehele bestel genomen geen wezenlijk ander beeld van de relatieve posi-
ties te zien zouden geven dan onder de vigerende wet het geval is.
    Waar wij in ons land een publiekrechtelijk omroepbestel hebben met
autonome zendgemachtigden die op basis van ledenaanhang voor zend-
tijd in aanmerking komen, kan aan de hand van d e cijfers die dif-
ferentieren tussen affiniteit als lid of als abonnee worden vastgesteld, dat
voor een belangrijk deel van het ledenbestand de omroepkeuze van het
publiek voortvloeit uit voorkeuren die betrekking hebben op het
programmablad. De legitimatie van de omroeporganisaties met een pre-
tentie als bedoeld in de Omroepwet komt hierdoor we1 in een vreemd
licht te staan. De verplichting een massale aanhang op te bouwen en te
handhaven leidt af van de gedachte dat de omroeporganisatie een iden-
titeit heeft die geschraagd wordt door een ledenbestand. De grote ver-
schillen in status tussen de omroeporganisaties en de daarmee ver-
bonden verschillen in zendtijd worden niet gerechtvaardigd door de
betrokkenheid van de leden.
    Het huidige omroepstelsel functioneert ten slotte ook uit cul-
tuurpolitiek gezichtspunt onbevredigend. Door van de omroeporganisa-
ties een volledig programma te eisen bedoelde d e wetgever te voorko-
men dat de organisaties in de richting van eenzijdige, op verstrooiing
gerichte programmering zouden worden meegetrokken. Ook naar het
oordeel van de identiteitsgerichte omroepen zelf is van deze bedoeling
weinig terechtgekomenZ4. De eis een redelijke hoeveelheid culturele pro-
gramma's te verzorgen en aldus een zekere kwaliteit te handhaven, blijkt
moeilijk eenduidig te concretiseren en biedt dan ook vele inter-
pretatiemogelijkheden. De meeste omroepen besteden in de praktijk erg
weinig aandacht aan culturele programma's. De in aanleg belangrijke
Tabel 3.4 Zendtijdverdeling Nederland 1/11 per omroep naar programmasoort,tijdblok
                       -
00.00-24.00 uur in % 4e kwartaal 1981
 Omroep-            Infor-     Kunst   Drama       Amuse-    Sport    Jeugd-      Totaal
component           rnatie                         rnent               uitz.
A-omroepen:
AVRO
 KRO
 NCRV
TROS
VARA
C-omroepen:
 EO
 VOO
 VPRO
 NOS
 Totaal
 Bron: NOS, Continu Kijk Onderzoek; vierde kwartaal 1981
 24
     Federatie van omroepverenigingen, brief van 7 mei 1982 aan de minister van C R M over
 het concessiesysteem, blz. 3.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 44 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 45 ======================================================================

<pre>functie van de omroep voor cultuurontwikkeling en cultuurspreiding blijft
zo onderbenut. Zo al aandacht aan kunst en cultuur wordt besteed, gaat
het toch eerder om meer populaire kunstprogramma's, die bovendien
nogal eens op minder aantrekkelijke tijdstippen worden uitgezonden. Van
de totale zendtijd op Nederland I en II is volgens de ruime begripsom-
schrijving van de NOS in 1981 gemiddeld 3.8 010 aan kunst besteed tegen
bijvoorbeeld 7,7010 aan sport. De situatie in het laatste kwartaal van 1981
blijkt uit tabel 3.4.
   EO en VPRO besteden verhoudingsgewijs veel aandacht aan kunst. De
geringe aandacht van de A-omroepen voor kunst wordt enigermate
gecompenseerd door de NOS. Dit neemt niet weg dat de kunst in het
licht van de hele programmering van de NOS stiefmoederlijk is bedeeld;
 men is ook daar niet toegekomen aan het opbouwen van een zelfstan-
dige, herkenbare kunstprogrammering.
   De geringe aandacht van de omroep voor kunst is op zich niet ver-
wonderlijk. Het omroepbestel is opgezet op levensbeschouwelijke
grondslag; het beleidsaccent ligt op het realiseren van verscheidenheid.
Zonder partij te kiezen voor enige ideologische kwaliteit toont de over-
 heid zich bij het omroepbeleid voorstander van een programma-aanbod
dat volgens ideele standaarden tot stand komt25. Bij de zorg voor de
 omroep staat de politiek-maatschappelijke betekenis voorop. Zo is in het
verleden een omroeporganisatie aangespoord een eigen actualiteiten-
rubriek te gaan verzorgen. De culturele taak, die de overheid blijkens de
Omroepwet we1 heeft, blijkt eerder als een afgeleide te worden
beschouwd van de zorg voor de levensbeschouwelijke of politieke
diversiteit. Uit ontzag voor een vrije meningsuiting laat de overheid zich
niet in met de kwaliteit van het gebodene. Bij cultuurbeleid gaat het ech-
ter we1 om een oordeel over de kwaliteit van het produkt op grond van
artistiek-professionele of intellectuele maatstaven, 10s van de levens-
beschouwelijke merites26. Door het mediapolitieke accent in het beleid
ten aanzien van de omroep zijn er echter - afgezien van zelfstandige
stappen door de minister bij de inrichting van een zendernet voor klas-
sieke muziek - weinig andere voorbeelden bekend waarbij de bevoegde
autoriteit aandringt op het verzorgen van een bepaalde program-
macategorie buiten de sfeer van de informatie. Er bestaan ook geen
nadere voorschriften over de interpretatie van de aan de omroepen
opgelegde taak aandacht aan culturele programma's te besteden.
   Het stelsel van overheidszorg voor media functioneert gescheiden van
dat voor culturele zaken: dwarsverbanden met het kunstbeleid ont-
breken. Het aanbod van direct openbaar gemaakte podiumkunsten en
het aanbod van podiumkunsten die via radio of televisie verspreid wor-
den, staan dus beleidsmatig 10s van elkaar. Zoals uit de studie van het
Sociaal en Cultureel Planbureau over mediabeleid en cultuurbeleid blijkt,
bestaat in de praktijk we1 enige verwevenheidZ7.Opnamen van zaaluit-
voeringen van orkesten worden regelmatig voor de radio ten gehore
gebracht en omroeporkesten spelen een rol op de podia. Bij het toneel
maakten omroeporganisaties voorheen regelmatig gebruik van afzon-
derlijke acteurs of actrices van gesubsidieerde gezelschappen. In ver-
band met de toegenomen betekenis van ad hoc en commerciele thea-
terprodukties putten de omroepen thans hun incidentele behoefte aan
spelers overwegend uit de markt van free lancers. Televisiedrama is
evenals filmdrama een, specialisme geworden, maar dit geldt veel minder
voor muziek en dans waar studio-opnamen geen andere eisen aan de
uitvoerenden stellen dan podiumuitvoeringen. Sommige balletuit-
voeringen worden na afloop van een tournee we1 op de televisie ver-
25  W.P. Knulst/Sociaal en Cultureel Planbureau, Mediabeleid en cultuurbeleid; een studie
over d e samenhang tussen de twee beleidsvelden; serie 'Voorstudies en achtergronden
mediabeleid', nr. Ml0,'s-Gravenhage, Staatsuitgeverij. 1982, blz. 57-59.
26  Ibid., blz. 58.
2'  Ibid., blz. 48 e.v..
</pre>

====================================================================== Einde pagina 45 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 46 ======================================================================

<pre>toond. Deze praktische samenhang laat onverlet dat er tussen kunst-
beleid en beleid van de omroeporganisaties nauwelijks een relatie
bestaat; zij stoelen bovendien op geheel andere overwegingen. De
omroep zou zich eerder richten op succesnummers uit de kunst-
beoefening dan op een weergave van haar ontwikkeling, en zou hierdoor
een verstarrende invloed uitoefenen op de smaak van het grote publiek28.
    Voor het beschermen en stimuleren van Nederlandse cultuuruitingen
staan de omroeporganisaties we1 enige faciliteiten ter beschikking. ~r zijn
bescheiden fondsen voor het schrijven van Nederlandse radio- en televi-
siedrama's. Ten aanzien van filmproduktie bestaat in Nederland - in
tegenstelling tot landen als Duitsland, Engeland of Italie - geen hechte
samenwerking tussen film- en televisiebedrijfzs. Er worden met enige
regelmaat we1 via het Produktiefonds voor Nederlandse speelfilms tot
stand gekomen produkties voor de televisie vertoond, maar bij het uit-
brengen bestaat geen of incidentele cooperatie. Er bestaat op het gebied
van speelfilms alleen een regeling van de concurrentieverhouding tussen
televisie en bioscoop. Per televisiezender wordt wekelijks maar Ben film
vertoond alsook - sinds kort - een speelfilm op de late zaterdagavond,
en verder wordt er een minimum van 40 maanden aangehouden tussen
bioscooppremiere en televisievertoning. Een belangrijk obstakel voor een
positieve samenwerking wordt gezien in de versnippering van fondsen
over de verschillende omroeporganisaties. Afzonderlijke omroepen zijn
we1 in staat om een low-budget film mede t e financieren maar geen
hoofdfilm in kostbaarder enscenering. C R M heeft nochtans onlangs het
initiatief genomen tot de oprichting van een werkgroep waarin de par-
ticipatie van zendgemachtigden aan het Produktiefonds wordt bestu-
deerd. Dit initiatief - dat onlangs tot afspraken over co-produkties heeft
geleid - biedt perspectief voor een meer regelmatige televisievertoning
van goede Nederlandse speelfilms.
    De praktische samenwerking die schoorvoetend tussen omroep- en
kunstwereld ontstaat, neemt de spanningsrelatie tussen mediapolitiek en
cultuurzorg echter niet weg. Wanneer op grond van de toeneming van
het in Nederland te ontvangen aanbod de vraag actueel wordt of de
aandacht van de omroep voor naar artistiek-professionele of intellectuele
maatstaven hoogwaardig aanbod moet worden gestimuleerd, zal men
zich van deze spanning rekenschap moeten geven. Bij het bevorderen en
beschermen van culturele waarden, het toegankelijk maken daarvan en
de zorg voor de horizonverruiming van het Nederlandse publiek, gaat het
om een eigen verantwoordelijkheid van de overheid. Bij de cultuurzorg
staat de onafhankelijkheid van de kunstbeoefening van politieke voorkeur
van de subsidient en van de dominante voorkeur op de publieksmarkt
voorop30. Bij een gerichter cultuurpolitieke bemoeienis met de omroep
 - waarvan de Raad een voorstander is - zal men onder ogen moeten
zien of deze onafhankelijkheid ook in de organisatorische vormgeving
 moet worden gewaarborgd of dat de cultuurpolitieke functie, zoals nu,
 uitsluitend in handen moet blijven van de levensbeschouwelijke omroep-
organisaties.
3.2.3 Regionaal en lokaal omroepbeleid
    Een terrein dat de laatste jaren sterk in de belangstelling is komen te
staan, is dat van de regionale en lokale omroep, ook we1 kortweg
streekomroep genoemd. Regionale omroep zoals wij deze thaw kennen,
kan tegemoet komen aan de behoefte van mensen aan infurmatie en
communicatie over hun eigen leefomgeving. Zij is dan ook niet alleen
van betekenis als informatiebron en spreekbuis voor de burgers, met een
      Ministerie van CRM, Nota Kunst en kunstbeleid; Tweede Kamer, zitting 1975-1976. 13 981,
 blz. 27 en 38-41.
l9 A. Hogervorst. 'Film en televisie: het verhaal van een familievete'; Massacommunicatie.
 1981, 9e jaargang nr. 1, blz. 39-47.
30 W.P. KnulstlSCP, op. cit.. blz. 48 e.v..
</pre>

====================================================================== Einde pagina 46 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 47 ======================================================================

<pre>zelfstandige functie naast andere media (landelijke omroep en regionale
en lokale pers) en daardoor van belang voor de versterking van de
(regionale/lokale) democratie en de pluriformiteit van het media-
aanbod; ook als cultuur-medium kan aan de regionale omroep een
zelfstandige betekenis worden toegekend. Regionale en lokale omroep
kan namelijk gemakkelijk reageren op de zich sterk ontwikkelende
interesse voor streek- en plaatselijke cultuur. Uit een onlangs gehouden
enqugte bleek dat 92% van alle ondervraagden interesse toonde voor
lokale televisie-omroepprogramma's als die plaatselijk zouden worden
uitgezonden (piaatselijk nieuws, plaatselijke politiek, cultuur, informatie
en plaatselijke muziek). Nog opmerkelijker dan de passieve belangstelling
voor lokale televisie was de actieve belangstelling die men opgaf: 25%
van de ondervraagden zou vrije tijd willen besteden aan het daadwer-
kelijk meewerken aan lokale televisie, omgerekend een potentieel actieve
groep van ruim twee miljoen mensen31.
   Regionale omroep wordt algemeen beschouwd als een omroepvoor-
ziening waarvan de zorg voor de institutionele inrichting tot het media-
beleid van de overheid wordt gerekend. Dat biedt de gelegenheid de
verschillende omroepvoorzieningenniveaus in hun functie op elkaar af te
stemmen, evenals de institutionele inrichting daarvan. Daarbij kan men
ervan uitgaan dat de programma's van de iandelijke omroep en de
streekomroep een zekere complementariteit vertonen. Terwijl de regiona-
le omroep een professionele opzet heeft, wordt de lokale omroep in ons
land tot dusver voornamelijk gedragen door vrijwilligers. Door dit vrijwil-
ligerskarakter - een goed voorbeeld is de Lokale Omroep Goirle - is er
een sterke lokale orientatie. Onder de voorstanders van streekomroep
wordt sterk gewezen op de mogelijkheid die deze biedt tot decentralisa-
tie, niet alleen in de zin van medezeggenschap door inspraak van het
publiek, interne democratisering en verantwoordingsplicht van de mas-
samedia naar het publiek, maar vooral ook door het gedecentraliseerd
gebruik in de zin van toegankelijk voor ieder die zich wenst te uiten. De
aantrekkelijkheid van de kleinschaligheid wordt dan niet gezien in de
verkleining van het bereik, maar in de betekenis van nabij, herkenbaar,
 betrokken, voor en door kleine groepen van mensen, voor en door kleine-
 re geografische eenheden.
    Ook al dienen nieuwe vormen van massacommunicatie zich aan met
 identieke functies als die van de bestaande, dit betekent nog niet dat
daarmee de bestaande media overbodig worden. Bij de introductie van
 nieuwe media zullen bestaande belangen meegewogen moeten worden.
 Dit laatste is van belang bij de financiering van regionale en lokale
 omroep, indien slechts reclamegelden de introductie van omroepvormen
zouden kunnen bevorderen (met name zal dit het geval zijn bij televisie,
waarvan de kosten naar verhouding hoog zijn). Wanneer daardoor een
 aantasting van de pluriformiteit van de (regionale/lokale) pers optreedt,
 vergt de institutionele vrijheid van meningsuiting een uitdrukkelijke afwe-
 ging van enerzijds te beschermen persbelangen en anderzijds het belang
 van tot ontwikkeling komen van een nieuw medium. In het algemeen kan
 echter gesteld worden dat de streekomroep qua programma-aanbod een
 complementaire functie ten opzichte van de regionale en lokale pers
 heeft. Gewezen kan worden op het bestaan van zogenaamde 'one paper
 cities'. In plaatsen of streken waar een regionaal dagblad een monopolie-
 positie inneemt kan met de introductie van regionale of lokale omroep
 een wezenlijke doelstelling van het mediabeleid, namelijk een pluriforme
 informatievoorziening, bevorderd worden.
    Uit het voorgaande komt duidelijk naar voren dat in een samen-
 hangend mediabeleid de wijze waarop regionale en lokale omroep in ons
3'   Interlview. Landelijke belangstelling voor lokale televisie; Amsterdam. 1982. In het rapport
wordt hierbij aangetekend dat de groep met actieve belangstelling niet een volledig repre-
sentatieve afspiegeling van de Nederlandse bevolking is. De jongere leeftijdsgroepen (met
name 18-25 jaar) zijn oververtegenwoordigd, evenals mannen. Eveneens bevatte de groep wat
meer personen met linkse politieke voorkeur.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 47 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 48 ======================================================================

<pre>land wordt ingericht van groot belang is. De erkenning van deze over-
heidszorg heeft het 'particulier initiatief' niet belet de laatste jaren een
groot aantal plannen op tafel t e leggen. Deze plannen hebben enerzijds
betrekking op initiatieven om in een bepaalde streek o f plaats een regio-
nale of lokale omroep t e starten (radio of televisie; ether of kabel).
Anderzijds zijn vanuit grotere organisaties plannen gemaakt o m te
komen tot een landelijke dekking met regionale radio-omroep, waarbij
tevens acht werd geslagen o p de afbakening van verzorgingsgebieden
met als uitgangspunt dat de regionale omroep actief is in een gebied dat
door de inwoners als een samenhangende regio w o r d t ervaren. Uit de
veelheid van rapporten is bijvoorbeeld het plan te noemen van de be-
staande regionale omroepen, uitgebracht via hun overlegorgaan Regio-
nale Omroep Overleg en Samenwerking (ROOS), o m het aantal streek-
radio-omroepen tot 23 uit te breiden32. Juist in de laatste tijd gaan ech-
ter ook stemmen op, waarbij men zich afvraagt of in een klein land als
Nederland we1 ruimte is voor een omroepbestel - zeker voor de dure
televisie - gedifferentieerd naar drie niveaus: landelijk, regionaal en
lokaal.
3.2.4 Persbeleid
    In het persbeleid van de overheid valt in de loop van de tijd een
belangrijke verandering te constateren. Tot ver na de Tweede Wereldoor-
log werd dat beleid beheerst door de opvatting dat d e grondwettelijk
vastgelegde drukpersvrijheid inmenging van de overheid door middel
van censuur verbood. Vanaf 1848 is meer dan honderd jaar lang het
drukpersbeleid van de overheid dienovereenkomstig negatief geweest:
censuur was verboden en indirecte censuur door repressief optreden
was uitgesloten.
    Van beleid in de tegenwoordige betekenis was eigenlijk geen sprake,
want de gedachte dat die vrijheid o m goed te kunnen functioneren ook
een actief, voorwaardenscheppend en ondersteunend optreden van de
overheid nodig kan hebben, is pas vrij recent in beleidsmaatregelen tot
uitdrukking gekomen. Waar tevoren overheidsmaatregelen het func-
tioneren van het perswezen positief be'invloedden, ging het in feite
steeds o m het afschaffen van bestaande, door de overheid zelf in het
leven geroepen, belemmeringen. Overigens wijst het opheffen van zulke
hinderpalen - zoals het tot 1869 geldende dagbladzegel - er we1 op dat
reeds spoedig werd ingezien dat de drukpersvrijheid meer vroeg dan
artikel 7 naar de letter voorschreef. Steeds gaat het dan echter om een
versterking van de afweerfunctie van het grondrecht; men kan zich niet
aan de indruk onttrekken dat de nadruk die hierop werd gelegd, de
opvatting deed postvatten dat ieder positief, actief optreden van de
overheid met die vrijheid strijdig zou zijn.
    Deze interpretatie bracht met zich mee dat de overheid zich in haar
beleid zeer restrictief opstelde. Pogingen - na de Duitse bezetting door
de Nederlandse regering in Londen, door de Persraad en door de Com-
missie-Pompen ondernomen - om de ondernemingsgewijze produktie
van de pers o m te buigen in de richting van een systeem waarin het uit-
geven van persorganen niet primair door winstmotieven of door econo-
misch-commerciele marktfactoren zou worden bepaald, bleven,zonder
succes. Die pogingen werden vooral ingegeven door d e ervaringen met
de collaborerende pers tijdens de Duitse bezetting van ons land. In vele
kringen - vooral in de illegaliteit - werd die collaboratie toegeschreven
aan de wens van kranten- en tijdschriftuitgevers hun persorganen en
daarmee hun bedrijf hoe dan ook voort te zetten. Toen die pogingen o m
het overheidsbeleid o m te buigen op niets uitliepen, mislukte daarmee
het streven een voorwaardenbeleid voor de pers t e ontwikkelen. Dat
voorwaardenbeleid zou dan gericht moeten zijn o p die persorganen die
 3'  ROOS, Vierde ROOS-nora: lokale en regionale omroep; Amsterdam, oktober 1981.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 48 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 49 ======================================================================

<pre>op aantoonbare wijze in de behoefte aan informatie en opinievorming
zouden voldoen en die op grond daarvan in aanmerking zouden komen
voor een vergunning en eventueel voor financiele overheidssteun33.
Afgezien van maatregelen die verband hielden met de na-oorlogse zui-
vering van 'foute' bladen en met de schaarste aan zet- en drukcapaciteit
en aan papier, zijn na 1945 slechts die financiele tegemoetkomingen
geschapen die het economisch klimaat voor de pers in haar geheel, dus
 als bedrijfstak, zouden verbeteren. Zo werd er vrijstelling van omzet-
 belasting (later BTW) verleend op abonnements- en advertentietarieven
en op het in Nederland gefabriceerde krantenpapier, gold vanaf 1966 een
tariefvrije invoer van krantenpapier vanuit andere EG-landen en werden
 voor het vervoer (en de bezorging) van kranten en tijdschriften lagere
 spoorweg- en posttarieven berekend.
    De invoering van de STER-reclame in 1967 betekende een keerpunt in
 het persbeleid. Kranten en tijdschriften ontvingen toen van de overheid
 een financiele compensatie ten laste van een gedeelte van de opbrengst
 van die reclame. Dit geschiedde op grond van de verwachting dat de
 etherreclame het advertentievolume van de pers zou aantasten. Dag-
 bladen, nieuwsbladen en tijdschriften ontvingen daarom vanaf 1969
 gedurende een reeks van jaren financiele uitkeringen naar de mate waar-
 in zij door de invoering van de etherreclame schade hadden geleden.
Tijdens de uitkeringsperiode werd de toerekeningsformule verfijnd in de
 richting van die bladen die de invloed van de etherreclame niet of min-
 der dan andere persorganen konden compenseren-(door bijv. een groei
 in andere sectoren dan in de landelijke merkartikelen- en dienstensector,
 waar de STER haar reclamedebiet vandaan haalt). Deze beleidsom-
 buiging in de richting van afzonderlijke bladen die op grond van hun con-
 currentiepositie financiele steun ontvingen, ging verder toen een gedeel-
 te van de voor etherreclame gereserveerde gelden eind 1971 in een op te
 richten fonds gestort werd..Dit fonds zou uitsluitend gerichte steun, dat
 wil zeggen op maat gesneden financiele steun, gaan verstrekken aan
 afzonderlijke persorganen die de behoefte daaraan konden aantonen.
    Dit geschiedde officieel vanaf oktober 1974, toen de stichting Bedrijfs-
fonds voor de Pers werd opgericht met als statutair omschreven doel-
 stelling 'het culturele en maatschappelijke belang van het behoud van
 een gedifferentieerde dagbladpers, nieuwsbladpers en opinieweekblad-
 pers in Nederland'. Het Bedrijfsfonds kreeg tot taak kredieten en even-
tueel daaraan verbonden kredietfaciliteiten aan onrendabele of econo-
 misch marginale kranten, nieuwsbladen en opiniebladen te verstrekken
ter (mede)financiering van investeringen en andere projecten die het
 desbetreffende blad weer binnen een redelijke periode tot een rendabele
 economische exploitatie dienden te brenged4. Op deze manier evolueer-
 de het karakter van het persbeleid van bedrijfstakgericht of generiek naar
 gerichte steunverlening. Deze ontwikkeling wordt nog op twee manieren
geaccentueerd, enerzijds door de geleidelijke afschaffing van de bestaan-
de generieke steun in de vorm van de lagere post- en spoorwegtarieven
 en van de laatste preferentiele fiscale maatregel in de vorm van het O-ta-
 rief van de BTW (die overigens alleen voor de abonnementsprijzen van
 dagbladen gold), anderzijds door de voorbereiding van een zogenaamde
compensatieregeling voor dagbladen en opiniebladen die op grond van
 hun marktpositie in een verliesgevende of economisch marginale situatie
verkeren35.
    Onlangs heeft het bestuur van het Bedrijfsfonds voor de Pers een der-
gelijke regeling voorgesteld voor uitsluitend verliesgevende dagbladen,
33  J.H.J. van den Heuvel. De vrijheid van d e pers; D e overheid en het commerciele karakter
van de pers 1544-1949; Baarn, Ambo, 1981.
"   Stichting Bedrijfsfonds voor de Pers. Jaarverslag over 1974- 1975;'s-Gravenhage, Staatsuit-
geverij, 1976.
35 L Lichtenberg. 'Het persbeleid van de overheid'; Intermediair, 12 September 1980, 16e
jaargang nr. 37. Stichting Bedrijfsfonds voor de Pers, Jaarverslag over 1979en Jaarverslag
over 1980; 's-Gravenhage, Staatsuitgeverij, 1980 en 1981.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 49 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 50 ======================================================================

<pre>die door hun oplage in combinatie met hun geografische spreiding in
een relatief ongunstige uitgangspositie verkeren. Uit onderzoek is geble-
ken dat het hier gaat om kranten met een oplage van minder dan 150.000
exemplaren en een spreidingsdichtheid die kleiner dan 25% is. De uit te
keren bedragen zullen worden berekend op basis van het papierverbruik
voor redactionele pagina's van de desbetreffende kranten. Elke krant zou
maximaal drie jaar van deze gericht-generieke regeling mogen profi-
teren, terwijl ten hoogste 75% van het geleden verlies gecompenseerd
mag worden. lnmiddels heeft de minister van Cultuur, Recreatie en
Maatschappelijk Werk besloten deze compensatieregeling voor dag-
bladen met terugwerkende kracht tot 1 januari 1981 in te voeren en daar-
voor ten laste van de STER-opbrengst een bedrag van f 60 mln beschik-
baar te stellen. De regeling geldt voor drie jaar. Met behulp van deze uit-
keringen, die a fonds perdu gegeven worden, moeten de desbetreffende
dagbladen een naar eigen inzicht opgesteld plan ten uitvoer brengen dat
gericht is op een structurele verbetering van hun exploitatie. De kosten
van het organisatie-onderzoek om tot een dergelijk plan te komen zou-
den ten laste van het Bedrijfsfonds voor de Pers moeten komen.
Daarnaast stelde het fondsbestuur voor subsidies te verlenen voor plan-
nen tot samenwerking van persorganen op het terrein van de exploitatie
(technische produktie, advertentiewerving, distributie en bezorging) en
voor gezamenlijke projecten die de bedrijfstak als geheel met het oog op
de pluriformiteit van de pers ten goede komen. Verder zou ook de
oprichting van nieuwe persorganen bevorderd moeten worden door het
verlenen van startsubsidies36.
   Van belang is voorts de discussie over een fusiecontroleregeling. De
ontwikkeling naar een gericht steunbeleid heeft een duidelijke impuls
gekregen door de uit 1975 daterende Nota over het massamediabeleid.
De directe doelstelling van dit beleid is zuiver economisch. Het is erop
gericht een bijdrage te leveren aan behoud of herstel van de rentabiliteit
van persorganen. Om deze doelstelling te kunnen bereiken gelden speci-
fieke voorwaarden, zoals die bijvoorbeeld zijn neergelegd in de statuten
van de stichting Bedrijfsfonds voor de Per~3~.             De achterliggende doelstel-
ling heeft echter een ruimere en vooral ideele betekenis die betrekking
 heeft op de informatievoorziening zelf, op het culturele en maatschap-
pelijke belang van de pluriformiteit van de informatie.
   De bestaande maatregelen die, zoals gezegd, op de rentabiliteit van
 persorganen zijn gericht, zijn voor het bereiken van deze uiteindelijke
doelstelling van het overheidsbeleid ontoereikend. Aanvulling op het
 beleid zou logischerwijze zijn dat ook fusies en andere vormen van
samengaan en samenwerking tussen persorganen of uitgevers die op de
 bestaande informatievoorziening van invloed kunnen zijn, aan het cul-
turele en maatschappelijke belang van het behoud van een gedif-
ferentieerde pers getoetst worden. Immers, wanneer de overheid tracht
via financiele steun persorganen op een rendabel exploitatieniveau te
 brengen of te houden, bestaat momenteel geen enkele garantie dat de
eigendom van de desbetreffende bladen niet, juist vanwege hun door de
 overheid gesteunde winstgevendheid, in andere handen overgaat, waar-
door de redactionele zelfstandigheid in het geding kan komen. Ofschoon
 het redactiestatuut in het algemeen een zekere bescherming biedt, dient
 de vraag onder ogen te worden gezien of in het licht van de mediapoli-
tieke doelstelling van het persbeleid een wettelijk vastgelegd preventief
toezicht op persfusies we1 gemist kan worden.
36  Stichting Bedrijfsfonds voor de Pers. Nader advies van her bestuur van her Bedrijfsfonds
 voor de Pers aan de Minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk over een com-
pensatieregeling voor dagbladen; Rijswijk, 1981. Zie ook het commentaar op dit voorstel, dat
toen nog in ontwikkeling was. van A. van der Zwan, 'De pers en de particuliere ondernemings-
gewijze produktie'; Massacommunicatie, oktober 1981. 9e jaargang nr. 5 , blz. 185-197.
3'  'Oprichtingsacte Bedrijfsfonds voor de Pers': Nederlandse Staatscourant. 1 november
 1974. nr. 190.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 50 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 51 ======================================================================

<pre>   Reeds aan het eind van de jaren zestig kwam het idee naar voren van
een wettelijke toetsingsregeling voor fusies en andere vormen van con-
centratie in het perswezen. De Persraad ontwierp in 1968 een Voor-
ontwerp voor een nieuwe Wet Voorziening Perswezen. Daarin was onder
andere voor persondernemingen de plicht opgenomen om overeenkom-
sten van samenwerking, overdracht of samensmelting voor te leggen
aan een door de Persraad in te stellen fusiekamer. Zou deze van oordeel
zijn dat een dergelijke overeenkomst zodanig afbreuk zou kunnen doen
aan de verscheidenheid van het perswezen, dat daardoor de publieke
voorlichting in ernstige mate zou worden geschaad, dan diende dit
oordeel ter kennis te worden gebracht van de minister van CRM. Deze
zou, door tussenkomst van de minister van Justitie, vervolgens de procu-
reur-generaal bij het gerechtshof te Amsterdam kunnen opdragen de
onverbindendverklaring van die overeenkomst te vorderen bij de te vor-
men Kamer voor persconcentraties van dit gerechtshof. Daarbij zou weer
dezelfde toetssteen gelden die ook door de fusiekamer van de Persraad
gehanteerd zou worden. Vooral uit de perswereld kwamen veel negatie-
ve reacties op dit voorstel. De voorgestelde toetsingsprocedure zou niet
bijdragen tot de instandhouding van de verscheidenheid van de pers.
Door fusies te verbieden zou het voortbestaan van de betrokken bladen
immers niet gewaarborgd zijn.
   Omdat het bestaande arsenaal aan persmaatregelen niet in een fusie-
controle-regeling voorziet, heeft de Sociaal-Economische Raad in januari
1977 in het kader van zijn advies over preventieve materiele toetsing van
fusies door de overheid hierover een aanbeveling gedaan38. In dit advies
heeft de SER voorgesteld een bij de wet geregeld stelsel van over-
heidstoezicht op fusies in het bedrijfsleven in te voeren. Daarbij zou het
dan niet moeten gaan om een toezicht op de procedures, zoals met de
bestaande fusiecode thans het geval is. De voorgestelde regeling zou
verder dienen te reiken. Fusies zouden op hun merites, effecten en con-
sequenties voor de samenleving worden getoetst. De SER zag geen
reden fusies van uitgeverijen van dagbladen, opiniebladen, nieuwsbladen
en tijdschriften aan de door hem beoogde fusiecontrole te onttrekken.
Mededingings- en sociaal-politieke overwegingen doen zich bij pers-
fusies evenzeer voor als bij het bedrijfsleven, aldus de SER. Bovendien
zijn bij deze fusies waarden in het geding die speciale aandacht verdie-
nen, zoals de verscheidenheid van berichtgeving en de vrijheid van
meningsuiting. De vraag rees derhalve of aan de overheid hier niet een
verdergaande taak moest worden gegeven dan voor het bedrijfsleven in
het algemeen werd voorgesteld, waarbij de SER met name dacht aan
een specifiek normenkader waaraan persfusies getoetst zouden moeten
wordensg.
   Het is echter moeilijk criteria te ontwikkelen aan de hand waarvan
fusie- en samenwerkingsovereenkomsten in de pers getoetst kunnen
worden. De overheid, of de daartoe aangewezen instantie, ziet zich
namelijk geplaatst voor de noodzaak een uitspraak te doen over de waar-
de van een krant uit een oogpunt van pluriformiteit. Het goedkeuren van
een fusie die het verdwijnen van een bepaalde krant tot gevolg zal heb-
ben, kan immers aanleiding geven tot het verwijt, dat de instantie die
deze beslissing neemt, daarmee impliciet een uitspraak doet over de
waarde van de richting die door die krant vertegenwoordigd wordt.
Anderzijds biedt het verhinderen van dergelijke overeenkomsten nog
geen alternatief om het voortbestaan van de bladen die daarbij betrok-
ken zijn te verzekeren. In de meeste gevallen zal dit imrners financiele
    SER, Advies inzake d e toekornstige status van d e door d e SER uitgevaardigde fusiege-
dragsregel e n inzake e e n preventieve rnateriele toetsing van fusies door d e overheid; 's-Gra-
venhage. 1977. nr. 2.
39 D e Persraad en het bestuur van het Bedrijfsfonds voor d e Pers hebben indertijd hun
insternrning met dit advies van d e SER kenbaar gernaakt. Persraad. Verslag over 1977 e n 1978;
's-Gravenhage, Staatsuitgeverij, 1979. Stichting 3edrijfsfonds voor d e Pers. Jaarverslag over
 1977; 's-Gravenhage. Staatsuitgeverij, 1978.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 51 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 52 ======================================================================

<pre>voorzieningen vergen die verder reiken dan het simpele verbod van het
sluiten van een overeenkomst40.
    lntussen hebben Persraad en Bedrijfsfonds voor d e Pers onafhankelijk
van elkaar een voorstel gedaan om - vooruitlopend op een definitieve
regeling - tot een fusiecontrole te komen. Het bestuur van het Bedrijfs-
fonds voor de Pers suggereerde een voorgenomen fusie op te schorten
'zodra een van de belanghebbenden bij die fusie bezwaar maakt tegen
de totstandkoming daarvan en de gemotiveerde wens te kennen geeft,
dat een organisatieonderzoek (met financiele steun van het Bedrijfs-
fonds) wordt ingesteld naar mogelijkheden voor een structuurverbetering
van de bij die fusie betrokken persorganen'. Het bestuur verwacht
daardoor te kunnen voorkomen dat bladen in een t e vroeg stadium hun
(zelfstandig) bestaan zullen moeten opgeven zonder dat nader onderzoek
naar andere mogelijkheden tot voortbestaan of structuurwijziging is ver-
richt41. Van meer procedurele aard is het voorstel dat de Persraad in
maart 1981 aan de minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk
Werk deed. Op grond van de bestaande SER-Fusiegedragsregels zou de
minister gegevens over een voorgenomen fusie aan de voorzitter van de
Persraad beschikbaar kunnen stellen. Deze adviseeert dan over de vraag
of de Persraad een onderzoek moet instellen naar d e mogelijkheid de
verscheidenheid in het verspreidingsgebied van de kranten die bij de
voorgenomen fusie betrokken zijn, te behouden. lndien daartoe aan-
leiding is formeert de Persraad een onderzoekscommissie uit zijn mid-
den, waarna de voorzitter van dit college aan de minister rapporteerP2.
Ten slotte zij hier nog vermeld dat zich momenteel de Werkgroep Pers-
wet over de fusieproblematiek buigt in het kader van haar grotere taak
de uit 1951 daterende Wet Voorziening Perswezen t e herzien43.
    Van belang voor het waarborgen van de redactionele zelfstandigheid
en onafhankelijkheid is het redactiestatuut, dat per 1 januari 1977 op
grond van de collectieve arbeidsovereenkomst voor 'dagbladjournalisten
voor ieder dagblad verplicht werd gesteld. Een tot d e cao behorend
modelstatuut diende als leidraad voor de afzonderlijke, per dagblad te
realiseren redactiestatuten. Medezeggenschap van journalisten in zaken
die de redactionele identiteit en inhoud betreffen, werd zo in plaats van
een gunst een recht. Dit vraagstuk raakt vooral de ideele kant van de
journalistiek. De roep om medezeggenschap voor d e journalist is de laat-
ste driekwart eeuw steeds groter geworden en het laatste decennium in
de sfeer van de arbeidsvoorwaarden terecht gekomen, gelijk met de
medezeggenschap die ook buiten de journalistiek een algemeen aan-
vaard verschijnsel is geworden. Maar in de perswereld lag deze kwestie
bijzonder gecompliceerd door het tweezijdig karakter van de krant,
namelijk geestelijk goed en economisch produkt.
    Medezeggenschap van de redactie omvat iedere vorm van deel-
genootschap van de redactie, zich uitstrekkend tot verschillende
beleidsniveaus, die de ideele en commerciele functie van de krant raakt.
Wat het commerciele beleid betreft, wordt in het algemeen aan journa-
listen geen voorkeurspositie ten opzichte van de andere werknemers in
de personderneming gegeven; de ondernemingsraad is hierin het
bevoegde orgaan voor medezeggenschap van alle werknemers binnen
de onderneming. De redactievergadering en de haar vertegen-
woordigende gekozen redactieraad zijn sinds 1977 d e bevoegde organen
voor redactionele medezeggenschap voor journalisten. Andere-werk-
nemers binnen de dagbladonderneming zijn van de redactionele mede-
40   Ministerie van CRM. Nota over het massamediabeleid; Tweede Kamer. zitting 1974-,1975,
 13 353, nrs. 1-2, blz. 33-35.
41   Bedrijfsfonds voor de Pers, Nader advies over een compensatieregeling voor dagbladen;
op. cit., blz. 32-33.
42   'Economische Zaken moet CRM inlichten over voorgenomen fusies'; Nederlandse Staats-
 courant, 7 mei 1981, nr. 85, blz. 5.
43   'Instelling Werkgroep Perswet': Nederlandse Staatscourant. 1 april 1981, nr. 63, blz. 7.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 52 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 53 ======================================================================

<pre>zeggenschap uitgesloten. Ook de lezers vallen er buiten. Uiteraard is de
oplage van een blad - abonnementen en losse verkoop - een duidelijke
indicatie voor de mate waarin het desbetreffende persorgaan door de
lezers geapprecieerd wordt, maar de vrijheid een abonnement te nemen
of op te zeggen kan toch niet gezien worden als een vorm van medezeg-
genschap in zaken die het redactiebeleid betreffen. Denkbeelden zoals
bijvoorbeeld het idee van een lezersraad zijn niet of ,nauwelijks in de
praktijk beproefd en lezersparticipatie is nergens een succes gebleken.
    In het omroepbestel valt we1 een ontwikkeling te bespeuren die in de
toekomst tot een grotere betrokkenheid van het publiek bij het program-
mabeleid van de omroeporganisaties kan leiden. In het rapport van de
 Commissie van advies inzake het democratisch en doelmatig func-
tioneren van gesubsidieerde instellingen (Commissie-Van der Burg) werd
 gesteld dat het afdwingen van democratisering van de omroeporganisa-
ties zijn wettelijke basis in de Omroepwet zou dienen te krijgen. In de
 Wet van 1 september 1978, houdende wijziging van de wetgeving met
 betrekking tot de omroep, het zogenaamde eerste wijzigingswetje, is aan
 artikel 13, het artikel waarin de eisen worden opgesomd die aan zend-
 gemachtigde omroeporganisaties gesteld worden, in het tweede lid een
 nieuw 'ten negende' toegevoegd. Het bepaalt dat omroeporganisaties
 moeten aantonen dat hun leden of contribuanten op een democratisch
 aanvaardbare wijze invloed op hun beleid kunnen uitoefenen. Deze bepa-
 ling, die overigens pas over enkele jaren in werking treedt, is niet voor
 alle bestaande omroeporganisaties nieuw. Er zijn omroepen die een ver
 doorgevoerde inspraak van hun ledenaanhang reeds in praktijk brengen.
    Ten slotte kan wat het rechtstreekse belang van het publiek bij uitin-
 gen van media in de sfeer van smaad, laster of rechtstreekse materiele
 schade betreft, geconstateerd worden dat het publiek in dit opzicht
 nogal onbeschermd is. De rechter is over het algemeen voorzichtig bij
 behandeling van klachten in een civielrechtelijke procedure. Bovendien is
 de weg naar de rechter voor vele mensen in de praktijk moeilijk begaan-
 baar en duur. Van de Raad voor de Journalistiek is geen bevredigende
 'rechtspraak' te verwachten, omdat de behandelingsprocedure veel te
 lang duurt en omdat de Raad voor de Journalistiek echte sanc-
tiebevoegdheid mist. Wellicht kan een op een nieuwe leest geschoeide
 Stichting Raad voor de Journalistiek, die momenteel in voorbereiding is
en wier werkterrein ook de omroep zal gaan omvatten, een duidelijker en
 ook krachtiger positie innemen in de relatie tussen publiek en media. Op
 deze wijze zal misschien ook meer inhoud gegeven kunnen worden aan
 de in de Omroepwet opgenomen verplichting tot uitzending van een rec-
tificatie indien voor derden schadelijke, onjuiste of door onvolledigheid
 misleidende mededeling van gegevens van feitelijke aard worden
 gedaan.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 53 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 54 ======================================================================

<pre>4.    TECHNIEK E N M E D I A
4.1     Een inleidende opmerking
    lnformatietechnieken ondergaan een zeer snelle ontwikkeling'. Als men
sommige berichten mag geloven dan staat de informatiemaatschappij
voor de deur. Satellieten zouden het aanbod van televisieprogramma's
op drastische wijze gaan vergroten; glasvezels zouden in iedere huis-
kamer talloze televisieprogramma's en bovendien allerlei nieuwe dien-
sten binnen brengen, terwijl micro-elektronika aan allerlei consumen-
tengoederen een zekere 'intelligentie' zou gaan meegeven. De vraag
doet zich voor welke van de technologische mogelijkheden verwerkelijkt
zullen worden en welke niet. Ook in de toekomst zullen er grenzen aan
het mogelijke worden gesteld. Een overzicht van d e technische ontwikke-
lingen en een poging t o t markering van de technische grenzen staan in
dit hoofdstuk centraal.
4.2     Enkele aspecten van telecommunicatie
    Bij telecommunicatie vindt overdracht van informatie plaats over
afstanden die doorgaans buiten de directe zintuiglijke vermogens van de
mens vallen. Aan de ingangskant wordt het informatiesignaal omgezet in
een signaal dat qua aard en vorm geschikt is voor verdere bewerking,
schakeling, transport en presentatie aan de afnemer. Men gebruikt hier-
voor elektrische, of beter elektromagnetische, signalen. Deze kunnen zich
met buitengewoon grote snelheid voortbewegen e n men kan tot zeer
hoge signaalfrequenties gaan; deze twee omstandigheden zijn grondslag
van de revolutionaire ontwikkeling der moderne telecommunicatie.
4.2.1      Verschillende transmissiernedia en systernen
    De elektromagnetische golven die als drager v o o r de informatie-
uitwisseling fungeren, kunnen via de ether2 of langs (go1f)geleiders wor-
den verzonden. De keuze van het transmissiemedium - ether of gelei-
der - wordt onder meer bepaald door afstand van overdracht, hoeveel-
heid over te brengen informatie en gewenste beslotenheid. Het gaat hier
    De inhoud van dit hoofdstuk is grotendeels gebaseerd op d e volgende publikaties:
  J. Volger en H.J.M. Willemsen, Technische ontwikkelingen d i e d e massamedia behvloeden;
werkdocument van de WRR. 1982.
  W . M . de Jong, lnformatietechniek in beweging; wordt nog uitgebracht in d e serie 'Voorstu-
dies en achtergronden mediabeleid'.
   P.J. Kalff/lnstituut voor Grafische Techniek TNO, Nieuwe technieken voor produktie en
distributie van dagbladen en tijdschriften; serie 'Voorstudies en achtergronden mediabeleid'.
nr. M7, 's-Gravenhage. Staatsuitgeverij, 1982.
  A.P. Bolle. Het gebruik van glasvezelkabel in locale telecommunicatienetten; serie 'Voorstu-
dies en achtergronden mediabeleid', nr. M l l , 's-Gravenhage. Staatsuitgeverij, 1982.
   Kommission fur den Ausbau des technischen Kommunicationssystenrs ( K t K ) , Telekom-
municationsbericht: Bundesministerium fur das Post- und Fernmeldewesen, 1975.
   Nota betreffende het beleid inzake d e aanleg en exploitatie v a n draadomroepinrichtingen;
Tweede Kamer. zitting 1974-1975, 13 354, nrs. 1-3.
   Munchener Kreis. T w o - w a y Cable Television, Experiences w i t h Pilot Projects in North Ameri.
ca, Japan and Europe; Berlin. Springer-Verlag. 1977.
   HI-OVIS project, Evaluations report hardware/software experiments; July 1978-March 1980:
Tokyo. Visual Information System Developments Association, 1980.
   Commission on new lnformation Technology, New Views; Computers and new media,
anxiety and hopes; Stockholm, 1979.
   F.W. de Vrijer. 'Modulatie'; Philips Technisch Tijdschriff, 1976, 36e jaargang nrs. 11-12.
2 Hoewel aan het begrip 'ether' in de natuurwetenschap geen betekenis meer wordt toege-
kend wordt het in dit rapport gemakshalve gebruikt o m de lege ruimte aan t e geven.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 54 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 55 ======================================================================

<pre>om onderling afhankelijke factoren waarbij de relatieve prijs en de
beschikbaarheid een doorslaggevende rol spelen.
   Voor grotere afstanden en/of hogere frequenties kan het gebruik van
etherverbindingen voordelig zijn. Een nadeel is echter dat via de ether
uitgezonden signalen in principe door velen kunnen worden ontvangen,
hetgeen soms niet gewenst wordt, en dat het frequentiespectrum in een
verspreidingsgebied slechts eenmaal kan worden gebruikt. De grootte
van het verspreidingsgebied wordt bepaald door de frequentie en de
daarvan afhankelijke horizon- en zichtbeperkingen, het vermogen en de
gerichtheid waarmee dit vermogen wordt uitgestraald (denk aan straal-
zenders). Voldoende ver van de desbetreffende zender zal de sig-
naalsterkte voldoende zijn afgenomen om de frequentieband weer
opnieuw te kunnen gebruiken. Voor ethertransmissie van hoogfrequente
signalen zijn bij grote afstand ondersteunende relaiszenders nodig, het-
geen een dure en technisch soms onmogelijke zaak is. Satellieten bren-
gen hierin een drastische verandering; afstand speelt dan een veel min-
der grote rol.
   Bij transport via kabels neemt de verzwakking van het informatiesig-
naal exponentieel met de afstand toe, hetgeen ook op relatief korte
afstanden tussenversterking noodzakelijk kan maken. Desondanks is het
voor vele toepassingen toch economisch en technisch zinvol het
informatietransport via kabels te laten verlopen. Gedacht kan worden
aan de kabelnetten voor telefonie, telex, allerlei vormen van
datatransport en doorgifte van televisieprogramma's. Aan de verschil-
lende infrastructurele voorzieningen zal in paragraaf 4.4 nader aandacht
worden gegeven. De nadruk ligt hier vooral op voorzieningen voor de
massamedia.
4.2.2    Optimaal gebruik van transmissiewegen: multiplexing
   Alvorens op de bestaande technische overdrachtsmethoden nader in
te gaan zal hier eerst enige aandacht worden gegeven aan analoge en
digitale representatie van informatiesignalen. Door de trend naar digitali-
sering zullen bepaalde multiplexmethoden aan belangrijkheid winnen.
   Vrijwel alle natuurlijke informatiesignalen (bijv. het verloop van de
luchtdruk in geluid) hebben een continu verloop in de tijd. Wanneer dit
zo goed mogelijk bij de omzetting blijft behouden, spreekt men van 'ana-
loge omzetting'. Tussen zekere grenzen die door het systeem worden
gegeven, kunnen dan in principe alle signaalwaarden in de loop van de
tijd voorkomen. Bij verdere bewerking en transmissie blijft dit analoge
karakter veelal behouden.
   Door de opkomst van goedkope micro-elektronika wordt het zinvol het
signaal te discretiseren, dat wil zeggen om te zetten in een digitale code.
De grondgedachte is dat de vorm van het informatiesignaal ook met
voldoende nauwkeurigheid is vast te leggen met behulp van voldoende,
met regelmatige tussenpozen genomen, monsters van de signaalsterkte.
lndien deze monsters worden uitgedrukt in cijferwaarden en deze laatste
gecodeerd worden overgezonden, dan is het oorspronkelijke informatie-
signaal weer te reconstrueren als deze cijferwaarden na transmissie of
opslag weer in de goede volgorde verschijnen. Het aldus gecodeerde
signaal wordt digitaal genoemd. Gelet op de voordelen bij verdere
bewerking wordt gewoonlijk gediscretiseerd tot twee signaalniveaus, met
andere woorden men gebruikt het binaire of tweetallige getalstelsel,
waarin slechts twee cijfers voorkomen. De eenheid van informatie is nu
de bit (samentrekking van 'binary digit'): formeel uitgedrukt het ant-
woord ja of nee (code 1 of 0)op de vraag of een bepaald informatieken-
merk aanwezig is. Een opeenvolging van bits biedt dus de mogelijkheid
om hoeveelheden informatie (bijv. de bovengenoemde monsterwaarden)
in binaire getallen uit te drukken. Aangezien alleen twee signaalniveaus
moeten worden onderscheiden, is regeneratie van verzwakte signalen
veel eenvoudiger; er treden geen cumulatieve ruiseffecten op zoals bij
analoge signalen. lnzet van moderne micro-elektronika kan leiden tot
</pre>

====================================================================== Einde pagina 55 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 56 ======================================================================

<pre>beter gebruik van de communicatiewegen, verhoogde flexibiliteit en
nieuwe mogelijkheden. Er zijn echter niet alleen voordelen. Als nadeel
van digitalisering kan worden genoemd dat bij digitale transmissie van
een zekere informatiestroom een grotere bandbreedte nodig is dan bij
analoge. Overigens behoeft niet elk digitaal signaal te worden verkregen
uit een bemonstering zoals hierboven beschreven. In gevallen die zich
daartoe lenen, wordt de informatie direct in een binaire code uitgedrukt.
Dit geldt in het bijzonder voor codering van informatie in alfanumerieke
vorm, zoals we die in teletekst en viewdata (interactieve videotex) aan-
treffen.
    Om tegemoet te komen aan de hoge eisen die aan een overdrachts-
systeem kunnen worden gesteld ten aanzien van d e signaalstroom, ook
met het oog op gedifferentieerde adressering, kunnen verschillende
technieken worden toegepast. Deze staan be~kendonder de naam 'mul-
tiplexing'. De volgende multiplexing-technieken kunnen worden
onderscheiden:
- space division multiplexing ( S D M )
Voor de duur van de informatie-uitwisseling wordt zonder onderbreking
een fysieke verbindingsweg, bijvoorbeeld een kabel, toegewezen.
- frequency division multiplexing (FDM)
Voor iedere informatie-uitwisseling wordt een passend deel van de tota-
le frequentiebandbreedte aan de gebruikers toegewezen. FDM kan zowel
in de ether als bij transmissie over kabels worden toegepast. Verschil-
lende informatiestromen, ieder met zijn eigen frequentie-interval
(gesproken, beeldoverdracht in verschillende programma's e.d.) komen
nu gelijktijdig door de ether of langs de kabel bij d e ontvanger en deze
'filtreert' dan het gewenste er uit. Zuinig gebruik van de beschikbare
bandbreedte leidt tot een sterke kostenverlaging.
- time division multiplexing ( T D M )
ledere informatie-uitwisseling wordt bemonsterd. De monsters van de
verschillende signalen worden dan vermengd in d e tijd over hetzelfde
fysieke medium verzonden. Alhoewel ook in analoge systemen TDM
mogelijk is, komen de voordelen van TDM vooral bij digitalisering gepro-
nonceerd naar voren.
Bovenvermelde vormen kunnen in combinatie in een telecom-
municatienet voorkomen, omdat kostenstructuren en dus ook netop-
timalisaties voor verschillende technieken verschillend kunnen zijn.
    Om nieuwe ontwikkelingen op tele-informatiegebied goed te kunnen
beoordelen, is van belang hoe uiteindelijk de informatie aan de afnemer
wordt gepresenteerd en in welke mate deze direct invloed kan uitoefe-
nen op dit informatie-aanbod. Ten aanzien van de wijze van overdracht
kan onderscheid worden gemaakt tussen disseminatie, distributie,
consultatie en con versatie.
    Disseminatie. Dit is een ongekanaliseerde verspreiding of uitzending
van informatie, die een groot aantal ontvangers ongeveer gelijktijdig kan
bereiken via een niet-discriminerend transportmiddel, i.c. de ether.
    Disrributie. Het informatiepakket wordt slechts aan bepaalde leden van
een groep beschikbaar gesteld en we1 in het bijzonder via een
kabelsysteem waaraan de ontvangers zijn verbonden, evenals bij dis-
seminatie volgens een vast tijdschema (programma).
    Het disseminatie- en het distributiepatroon vertonen een dirigerend
karakter, dat wil zeggen een door de zender of het distributiecentrum
opgelegd consumptietijdstip en consumptietempo. Voor zover er her-
haald wordt, zal de periode tussen opeenvolgende herhalingen veel lan-
ger zijn dan de gebruikelijke kijk- of zoekperiode, uitzonderingen daar-
gelaten.
    Consultatie. In een geheugen bijeengebrachte informatie wordt voor
een groep consumenten op zodanige wijze beschikbaar gesteld dat men
op afroep een gewenst pakket kan selecteren. Onder 'op afroep' verkrij-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 56 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 57 ======================================================================

<pre>gen moet men verstaan dat de informatie aan de consument verstrekt
wordt op het door hem gewenste moment; dat kan vrijwel direct zijn als
hij zich meldt, maar ook op een later tijdstip: 'informatie op bestelling'.
Het consultatiepatroon is in Nederland geactualiseerd in de vorm van
Viditel en teletekst. Viditel is de Nederlandse naam voor viewdata of
interactieve videotex.
   Bij consultatie wordt het consumptietijdstip en, voor sommige visuele
informatie, het consumptietempo door de consument zelf bepaald. Ken-
merkend is dat de in de informatieverzameling bijeengebrachte informa-
tie veel minder snel verandert dan de gemiddelde kijk- of zoektijd.
   Conversatie. De deelnemers (meestal twee) stellen elkaar afwisselend
delen van hun informatieverzameling ter beschikking volgens een onder-
ling te regelen tijdschema. Het bekendste voorbeeld is conversatie per
telefoon.
   Bovengenoemde begrippen zullen in dit rapport meermalen worden
gebruikt. Hier wordt volstaan met de opmerking dat zij ideaaltypisch zijn.
In een praktisch tele-informatieproces of delen van een telecom-
municatienet kunnen verschillende overdrachtspatronen voorkomen. Ook
kunnen er tele-informatiediensten zijn die qua overdrachtspatroon tussen
bovenvermelde definities in liggen.
   In alle gebieden die in deze paragraaf zijn genoemd doen zich
belangrijke technische basisontwikkelingen voor die het proces van tele-
communicatie en bijbehorende dienstverlening sterk kunnen bei'n-
vloeden. De volgende paragraaf gaat nader in op deze basisontwik-
kelingen.
4.3    Basisontwikkelingen
   Een zeer belangrijke ontwikkeling is het samengaan van computer en
telecommunicatie. Twee basisactiviteiten van telecommunicatie, signaal-
bewerking en nu ook opslag, kunnen bij uitstek door moderne computers
worden vervuld. Aan de basis ligt de miniaturisering van elektronische
componenten: de micro-elektronika.
a)   De trend naar miniaturisering
   Door miniaturisering van elektronische basiscomponenten zoals de
transistor is het mogelijk geworden een groot aantal van deze com-
ponenten op een zelfde plakje halfgeleidend materiaal - de chip -
 samen te voegen, dat wil zeggen te integreren. Miniaturisering en
integratie hebben geleid tot de eliminatie van lange en kwetsbare door-
verbindingen, snelle werking, relatief hoge betrouwbaarheid, minder gro-
te afmeting van functionele eenheden, minder energieverbruik en uitein-
delijk tot een buitengewoon sterke daling van de kosten per elek-
tronische functie. Afhankelijk van het aantal actieve componenten op de
chip spreekt men van Small Scale lntegration (SSI), Medium Scale
lntegration (MSI), Large Scale lntegration (LSI) en Very Large Scale
lntegration (VLSI).
b)    De toekomst van miniaturisering
   Ondanks alle optimistische berichten over een steeds verdergaande
miniaturisering en integratie, kampt de micro-elektronische industrie met
een aantal belangrijke problemen, te weten hoge ontwerp- en ontwik-
kelkosten, hoge software-kosten bij toepassing van flexibele program-
meerbare chips en een achterblijven van de markt wat betreft nieuwe
toepassingen. Niettemin mag verwacht worden dat miniaturisering zal
doorzetten, maar het tempo waarin dit gebeurt en de snelheid waarmee
de kosten dalen, zullen wellicht lager zijn dan in het nabije verleden. In
het bijzonder geheugens zullen op kortere termijn profiteren van de ver-
dergaande miniaturisering.
   Voor vele toepassingen is voldoende ver geminiaturiseerd: dit bete-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 57 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 58 ======================================================================

<pre>kent dat introductie van micro-elektronika meer zal worden bepaald door
marktfactoren dan door de bereikte miniaturiseringsgraad. Gelet op de
problemen die zich hierbij voordoen, zal deze introductie traag kunnen
verlopen, zodat er een aanzienlijk verschil kan gaan ontstaan tussen de
meest geavanceerde micro-elektronika en de 'standaard' elektronika die
op een bepaald moment wordt toegepast.
c)    Gevolgen van de micro-elektronika voor telecommunicatie
   De vraag komt nu naar voren wat micro-elektronika betekent voor
telecommunicatie. Hierbij gaat het niet zozeer o m ontwikkelingen op
componentniveau maar meer op systeemniveau. Een belangrijke invloed
van micro-elektronika is dat digitalisering van transmissie-, schakel- en
opslagsystemen nu tegen aanvaardbare kosten kan worden doorgevoerd.
   Naar het zich laat aanzien zal digitalisering eerst worden ingezet voor
transmissie over middellange afstanden. Door voortgaande technische
ontwikkeling zullen de prijsverhoudingen tussen transmissiemedia en de
verschillende randapparatuur zo verschuiven dat uitbreiding van
genoemde digitalisering naar kortere en langere afstanden aantrekkelijk
wordt. lndien tevens digitaal schakelen wordt ge'introduceerd, kunnen op
lange termijn volledig gedigitaliseerde netten ontstaan. Voor de consu-
ment zou dit kunnen betekenen dat bepaalde functies met meer kwaliteit
en gemak en wellicht op den duur ook tegen lagere kosten kunnen wor-
den verricht.
4.3.2   Geheugens
   In het voorgaande werd er reeds op gewezen d a t geheugens, vooral in
combinatie met micro-elektronika, een betere technische behandeling
van informatiestromen mogelijk maken, dat zij verschillen in
overdrachtstijd compenseren en vrijheid geven in het tijdstip van afname
van informatie. Met dit alles maken zij een beter gebruik van de com-
municatiewegen en randapparatuur mogelijk.
a)    Verschillende soorten geheugens
   Niet alleen de relatief snel werkende micro-elektronikageheugens zijn
in opkomst, ook bij andere geheugens wordt gebruik gemaakt van voor-
uitgang in miniaturiseringstechnieken. Algemeen bekend is de mag-
netische band, zoals in audio- en video-cassettes wordt toegepast, een
geheugen dat zonder energietoevoer zijn informatie blijft behouden en
dat kan worden gewist en opnieuw ingeschreven. Magnetisch materiaal
in schijfvorm wordt in computers toegepast, ook d e beeldplaat (zie 4.4.2)
is een schijfgeheugen. De band is ten opzichte van de schijf in het nadeel
wat de snelheid van toegang tot een bepaald stuk geregistreerde
informatie betreft.
b)    Toepassing van geheugens op informatiegebied
   Om een indruk te krijgen van de toepassingsmogelijkheden van geheu-
gens wordt in tabel 4.1 een overzicht gegeven van de informatie, zowel
in tijdsduur als hoeveelheid, die in een geheugen met een omvang van
1 miljoen bits ( 1 Mbit) kan worden opgeslagen. Een geheugen met een
dergelijke capaciteit zal de komende jaren ge'integreerd o p een chip op
de markt komen.
   In tabel 4.1. komen de mogelijkheden voor de opslag van tekst duidelijk
naar voren. Het is dan ook niet verwonderlijk dat d e snelle geheugens op
halfgeleiderbasis voor bewerking en opslag van tekst worden ingezet.
Hierbij moet onder andere gedacht worden aan data-base toepassingen.
Naast informatie-opslag die vooral gericht is op toepassing voor de
consument, zijn er ook vele bewerkingsfuncties in de telecommunicatie,
zoals packet-switching en TDM, waarbij kortstondige en snelle opslag
van kleine pakketjes informatie een essentiele rol speelt. Ook daar zullen
de halfgeleidergeheugens hun invloed doen voelen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 58 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 59 ======================================================================

<pre>Tabel 4.1 Maximale informatieduur/hoeveelheid die in een geheugen van 1 Mbit kan
worden opgeslagen
 Dynamisch                           bitsnelheid             maximale informatieduur
                                       (Mbit/s)                        (set)
 bioscoopfilm
 kleuren-TV-beeld
telefoongeluid
 HiFi-geluid
 Statisch                          bithoeveelheid          maximale informatie-
                                                                   hoeveelheid
aantal KTV-beelden                                                   0,24 beeld
aantal kleurenfoto's                                                  1.1 foto
aantal pag. tekst                                                  130 pagina's
 Bron: W.M. de Jong. lnformatietechniek i n beweging: zal uitgebracht worden in de serie
 'Voorstudies en achtergronden mediabeleid'.
 4.3.3    Glasvezel
 a)    Eigenschappen
    Door de snelle ontwikkeling van halfgeleiders met gunstige elektro-
optische eigenschappen en van lichtgeleiders in de vorm van glasvezels
als transportmedium, wordt het binnenkort mogelijk over grote afstanden
op economisch zinvolle wijze verbindingen met een zeer grote informa-
tietransportcapaciteit tot stand te brengen. De essentie is dat in de
transportfase de informatie als gemoduleerd lichtsignaal is gecodeerd en
dat bij in- en uitgang een conversie van elektrisch naar optisch en omge-
keerd plaatsvindt.
De voordelen van glasvezels zijn:
- .zeer lage transmissieverliezen, tussengeschakelde versterkers kunnen
ver uit elkaar staan (wellicht tot 100 km);
- zeer grote bandbreedte bij, naar verwacht wordt, relatief lage kosten;
- kleine afmetingen, laag gewicht en hoge flexibiliteit;
- immuniteit tegen elektromagnetische interferentie, geen overspraak
tussen naast elkaar liggende glasvezels;
- moeilijker aftapbaar;
- gefabriceerd van relatief overvloedig aanwezige grondstoffen.
Naast genoemde voordelen zijn er, vooral voor toepassingen op kortere
termijn, enkele nadelen:
- de levensduur en betrouwbaarheid van zenders en ontvangers zijn,
ondanks belangrijke vooruitgang, nog onvoldoende gegarandeerd;
- eventuele kostenvoordelen worden in aanzienlijke mate verminderd
door legkosten;
- voor voeding zijn voorlopig nog metalen geleiders noodzakelijk;
- transmissie over glasvezel is bij voorkeur digitaal, op dit moment zijn
echter de meeste signalen en apparatuur nog analoog;
- het aaneen lassen van glasvezels is nog verre van volmaakt.
    De toepassing van glasvezel berust op totale interne reflectie (een
effect dat optreedt als een lichtstraal onder een voldoend kleine hoek
een grensvlak treft dat een overgang is naar een materie met lagere bre-
kingsindex) zodat het ingebrachte licht de vezel niet meer kan verlaten.
    Er bestaan verschillende soorten glasvezels, maar in alle gevallen gaat
het om glasdraden van zeer geringe diameter (enkele duizendsten tot
enkele honderdsten van een millimeter), waarbinnen de eenmaal ingelei-
de lichtsignalen opgesloten blijven.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 59 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 60 ======================================================================

<pre>   De transportcapaciteit van glasvezels wordt bei'nvloed door twee fac-
toren: bij geringe signaalfrequenties (bitsnelheden) wordt de maximale
transportafstand zonder tussenversterking bepaald door de lichtverzwak-
king (absorptie) die nog toelaatbaar is. Bij hoge bitsnelheden daaren-
tegen wordt deze afstand reeds veel eerder beperkt door het vervagen
en verwarren van de lichtflitsen als gevolg van de verschillen in looptijd
die de verschillende mogelijke lichtstralen binnen d e glasvezel hebben
(dispersie). Bij zeer dunne glasvezels kan men de dispersie echter tot vrij-
we1 nu1 reduceren, hetgeen leidt tot een superieure transportcapaciteit.
Er wordt reeds aan gedacht dergelijke vezels op transatlantische trajec-
ten in te zetten.
   Naast de glasvezels heeft men bij optische communicatie voor de
reeds genoemde omzettingen lichtbronnen en detectoren nodig. Als
lichtbronnen worden halfgeleider diodes en lasers gebruikt. De diodes
zijn minder duur en hebben over het algemeen een langere levensduur
dan de lasers. De betrouwbaarheid van de lasers is nog een probleem.
De ontwikkelingen gaan echter ook op dit gebied snel. Bij de gebruikelij-
ke golflengtes worden nu reeds op laboratoriumschaal lasers op half-
geleiderbasis met een (geextrapoleerde) levensduur van meer dan tien
jaar gedemonstreerd.
b)    Toepassing
   In een korte periode van ruwweg 15 jaar heeft d e glasvezel zich
ontwikkeld tot een transmissiemedium waarmee vele praktische proef-
nemingen worden gedaan (bijv. de experimentele verbinding tussen
Eindhoven en Helmond). De kosten van optische randapparatuur zijn nog
relatief hoog, die van de glasvezel zelf relatief laag. Men mag ver-
wachten dat de eerste telecommunicatietoepassingen op enigszins rele-
vante schaal zullen liggen in de intermediaire delen van het telefoonnet,
met karakteristieke snelheden tussen 2 Mbitls en 140 Mbitls. Toepas-
singen voor afstanden tot 100 km en hogere bitsnelheden kunnen waar-
schijnlijk snel volgen, mede gelet op de snelle ontwikkelingen die op dit
gebied plaatsvinden. Het is echter realistisch introductie van glas-
vezelkabels op grote schaal niet voor het jaar 2000 t e verwachten.
   Uit het bovenstaande is duidelijk dat de glasvezel in eerste instantie
dezelfde netvlakken zal bestrijken als de introductie van digitale syste-
men. De glasvezel kan digitalisering bevorderen en doen uitstrekken
zowel naar grotere als, afhankelijk van de voordelen van een eventuele
integratie in het abonneenetvlak, naar kleinere afstanden.
4.3.4   Satellieten
   Tot voor enkele jaren vond satellietcommunicatie vooral plaats tussen
grote, vast opgestelde zend- en ontvangantennes. Door de technische
ontwikkeling - zoals verhoging van het uitgestraalde vermogen en ver-
betering van de antennes - wordt het gaandeweg mogelijk satelliet-
communicatie te bedrijven met relatief zeer kleine ontvangantennes (dia-
meter schotel kleiner dan l m). Dergelijke antennes liggen binnen het
bereik van de particuliere consument (vermoedelijke kosten van een ont-
vangschotel f 1000,--, op langere termijn wellicht n o g minder).
Bovenstaande technische ontwikkeling in satelliet- en ontvangtechniek is
dan ook aanleiding geweest om satellieten voor omroepdoeleinden te
gebruiken, te meer daar een doorbreking van de beperking die de actie-
radius van aardse zenders oplegt, aantrekkelijk wordt geacht.
   De voordelen van satelliet-communicatie hebben in de VS geleid tot
een explosieve ontwikkeling (gepaard gaande met d e invoering van
betaal-televisie). Deze ontwikkeling wordt geillustreerd in figuur 4.1.
   Voor omroepdoeleinden dient de satelliet stil te staan ten opzichte van
het aardoppervlak. Hiertoe wordt de satelliet in een geostationaire baan
gebracht. In ,1977 en 1979 heeft men tijdens de World Administrative
Radio Conference (WARC) - georganiseerd door d e International Tele-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 60 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 61 ======================================================================

<pre>      Fig. 4.1. Aantal grondstations voor satellietcommuni-
                catie inde VS
Bron: W.M. de Jong op. cir..
communications Union (ITU) - geostationaire posities en frequenties
over de verschillende landen verdeeld. De omroepsatellieten zijn in
clusters over de geostationaire baan verspreid. Nederland bevindt zich te
zamen met Frankrijk, Belgie, Luxemburg, de Bondsrepubliek, Italie. Zwit-
serland en Oostenrijk in eenzelfde cluster op 190 W. Gelet op de
gehanteerde cluster-, frequentie- en bundelverdeling is in Nederland met
een kleine schotel van ruwweg 1 m doorsnede ontvangst mogelijk van
Nederlandse, Belgische, Westduitse, Luxemburgse en Franse televisie-
satellietuitzendingen (mits deze satellieten zijn gelanceerd en volgens
plan werken). Met een grotere, of betere, antenne kunnen ook Italie,
Zwitserland, Oostenrijk, Engeland en Scandinavie worden ontvangen.
   Door vele landen worden reeds gedurende enige tijd plannen gemaakt
voor satelliet-omroepuitzendingen. Hieronder volgt een kort overzicht
van deze plannen voor zover zij van belang zijn voor Nederland.
a)   Internationaal: European Space Agency ( E S A )
   Genoemd kunnen worden de Europese Communicatie Satelliet (ECS)
en de L-Sat. De ECS is een telecommunicatiesatelliet waarmee even-
tueel indirecte televisie-uitzendingen op betaal-tv basis zouden kunnen
worden verzorgd. De eerste ECS zal in 1982 worden gelanceerd. De
eerste L-SAT, de demonstratiesatelliet L-SAT-1, zal twee televisiekanalen
voor directe televisie-uitzendingen bevatten. Voor een kanaal bestaat
interesse in Italie, terwijl voor het tweede kanaal wordt gedacht aan een
Europees programma.
b)   Frankrijk
   In april 1981 is een overeenkomst gesloten tussen Frankrijk en de
Bondsrepubliek voor ontwikkeling van televisie-satellieten. Zoals de plan-
nen er nu uitzien zullen eerst twee pre-operationele satellieten worden
gebouwd en gelanceerd. Deze twee satellieten - de Franse TFD-1 en de
Duitse W-SAT-A3 - zullen ieder zijn uitgerust met drie televisiekanalen.
Beide satellieten zullen naar verwachting eind 19841begin 1985 met een
Ariane-3-raket vanaf de basis Kourou in Frans Guyana worden gelan-
ceerd. Twee kanalen van de TDF-1 zullen waarschijnlijk worden bestemd
voor reeds uitgezonden nationale programma's. Over het derde kanaal
bestaat nog geen zekerheid.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 61 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 62 ======================================================================

<pre>c)    Bondsrepubliek
   De lancering van d e Duitse TV-SAT-A3 is vastgesteld o p eind 1984.
Twee kanalen zullen worden gebruikt voor nationale programma's
(ARD,ZDF), ten aanzien van het derde kanaal dient nog een nadere
beslissing t e worden genomen. Ook hier wordt gedacht aan een Euro-
pees programma. De TV-SAT-A3 zal worden gevolgd door een TV-SAT-
A5 die vijf televisiekanalen zal hebben. De lanceringsdatum van deze
operationele televisiesatelliet is nog niet bekend.
d)    Luxemburg
   Gezien haar commerciele achtergrond is het niet verwonderlijk dat RTL
(Radio Television Luxembourg) een actieve belangstelling toont voor
satelliet-televisie. Met een eenvoudige satelliet zou voor ruwweg 30 mln
televisiehuishoudens (ongeveer 100 mln mensen) een goede ontvangst
zijn t e garanderen. In principe is men van plan o m medio 1985 een
Luxemburgse satelliet te lanceren. Deze satelliet zal dan vermoedelijk
drie televisiekanalen hebben en volgens de geldende internationaal
overeengekomen normen uitzenden.
e)    Engeland                                              I
   Op grond van industrieel-economische overwegingen heeft de Engelse
regering te kennen gegeven een bescheiden start m e t satelliet-televisie
te willen maken. De besluitvorming hieromtrent is nog niet afgerond.
Gedacht wordt aan een eenvoudige televisie-satelliet met drie tv-
kanalen, te lanceren in 1986. Voor de te lanceren satelliet bestaat ruime
belangstelling bij de BBC (abonnee-tv en 'remix'-programma), de IBA
(Independent Broadcasting Authority) en h d bedrijfsleven.
f)   Italie
   Voor wat directe televisie-uitzendingen via de satelliet betreft, richt
Italie zich op de L-SAT demonstratiesatelliet, te lanceren in 1985186. Ten
aanzien van een eigen televisie-satelliet met volle capaciteit zijn geen be-
slissingen genomen.
g)    Zwitserland
   Bekend is het commerciele TEL-SAT project, verder wordt gewerkt aan
een plan gebaseerd o p samenwerking tussen Zwitserse e n Oostenrijkse
omroeporganisaties. De TEL-SAT plannen omvatten de lancering van een
satelliet met vijf televisiekanalen eind 1984. Er is n o g geen beslissing
genomen.
h)    Overige landen
   In Oostenrijk en in de Scandinavische landen praat men reeds gedu-
rende langere tijd over de mogelijkheden van satelliet-televisie. Tot
besluitvorming met betrekking tot televisie-satellieten hebben deze
besprekingen niet geleid. Lanceerdata zijn niet bekend.
   Het is niet onmogelijk dat het totale aanbod van televisieprogramma's
zal stijgen boven de maximale capaciteit van vele huidige televisie-
kabelnetten. In centraal-Nederland mag men verwachten in 1985 wellicht
reeds 8 satelliet-tv-programma's t e kunnen ontvangen m e t behulp van
een 90cm schotel. Tegen het einde der jaren tachtig kan dat oplopen t o t
20; in 1995 zelfs 30 (bij gebruik van een 3m schotel 30 resp. 45 program-
ma's). Deze ontwikkeling roept de vraag op, of, i n hoeverre en in welke
vorm er nog behoefte is aan een landelijk aanvoernet van televisiekabels.
Een nadere bezinning op de televisiekabel-infrastructuur lijkt in dit ver-
band op zijn plaats.
   De technische kosten voor satelliet-televisie-uitzendingen dalen, maar
zijn nog steeds hoger dan uitzendingen met aardse middelen, althans in
de Nederlandse context. Uit een analyse van de P l T zou volgen dat
satelliet-televisie-uitzending ruwweg 2 a 4 maal duurder is dan de kosten
voor aardse uitzending.
   Gegeven een situatie van reeds aangelegde televisie-kabelnetten is
 ontvangst van satellietsignalen via deze kabelnetten veel minder duur
</pre>

====================================================================== Einde pagina 62 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 63 ======================================================================

<pre>dan particuliere ontvangst, althans voor zover het de technische kosten
betreft. Een ruwe schatting van de totale investeringskosten wordt gege-
ven in tabel 4.2.
Tabel 4.2 Totale lnvesterlngskosten In guldens (hardware) voor ontvangst In Nederland
van diverse satellletultzendlngen, particullere ontvangst versus ontvangst via televlsle-
kabelnetten
land                    particuliere             ontvangst via TV-kabelnet
                         ontvangst
                                                    aantal aansluitingen
Nederland                   1000          26           3,3          0,40        0.05
Zwitserland                16000        640           85          11            1,30
Luxemburg                   1400          41
                                          -            52           0,65        0.08
Frankrijk                   1650          49           6,4          0,80        0.09
West-Duitsland              1300          37           4,7          0,60        0.07
Oostenrijk                 19000        850          110          14            1.60
Engeland                    2400          80          10            1,25        0.15
Scandinavie                 3300         110          29            46          0.65
Bron: W.M. de Jong, op. cit..
- Weergegeven investeringsbedragen zijn slechts ruwe indicaties;
- bij kabelnetten zijn de kosten hoofdelijk omgeslagen, geen gerichte afrekening;
- gebaseerd op ontvangst met carrier-to-noise ratio van 17 dB onder optimale
    omstandigheden, bij televisiekabelnetten, van 100 aansluitingen 4 dB extra en van
    100.000aansluitingen 6dB extra tercompensatie van netruis en voor hogere kwaliteit.
    Deze getallen garanderen een zeer goede ontvangstkwaliteit;
- verondersteld is dat de kabelnetten voldoende capaciteit hebben om de programma's
    zonder extra investeringen, naast het ontvangstsysteem, te kunnen doorgeven.
Gelet op de infra-structuur aan televisie-kabelnetten in Nederland moet
worden geconcludeerd dat introductie van satelliet-televisie vrij snel kan
verlopen (tweede helft van de jaren tachtig). Naast ontvangst per kabel
zal ook ontvangst via particuliere antennes plaats vinden, met name als
de techniek het mogelijk maakt tegen lage kosten relatief kleine antennes
te leveren. De ontwikkeling van ruisarme elektronika kan hier een
belangrijke stimulans betekenen.
4.3.5    Displays
   lnformatie moet, behalve in een volledig geautomatiseerd systeem, op
een bepaald moment aan een menselijke afnemer worden gepre-
senteerd. De technische kwaliteit van de gepresenteerde informatie is
niet beter dan de zwakste schakel in het gehele overbrengingssysteem.
In dit kader zijn elektronische displays die het grensvlak vormen tussen
afnemer en informatie-overbrengings- of opslagsysteem, van groot
belang. Voor geluid zijn de overbrengers (luidsprekers e.d.) gemiddeld
van acceptabele kwaliteit. Bij beeldpresentatie ligt dit anders. Voor
stilstaande tekst zijn, in normale uitvoering van de beeldbuissystemen,
beelddetaillering of scherpte, alsook de lichtsterkte, stabiliteit en flexibili-
teit veelal te laag. Deze nadelen tellen zwaar, omdat juist o p het gebied
van elektronische overdracht van alfanumerieke gegevens (tekst plus
aanverwante symbolen) nieuwe mogelijkheden liggen.
   De ontwikkeling in elektronische displaytechniek overziende, kunnen
de volgende verwachtingen voor de toekomst worden uitgesproken:
</pre>

====================================================================== Einde pagina 63 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 64 ======================================================================

<pre>Figuur 4.2.  Bundelgebleden van omroepsatellleten
Bron: PTT. TNZlBAG/79086-FM. 810409.
                                                  65
</pre>

====================================================================== Einde pagina 64 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 65 ======================================================================

<pre>- De gebruikelijke kathodestraalbuis zal nog gedurende vele jaren op
ruime schaal worden toegepast. Op dit moment bestaan er voor de
meeste toepassingen geen goede vervangers. Voor presentatie van alfa-
numerieke gegevens zal de fijnheid van het beeld toenemen door ver-
hoging van het aantal lijnen; de stabiliteit van het beeld door overgang
naar een hogere beeldwisselingsfrequentie - deze ontwikkelingen zullen
echter we1 een tiental jaren in beslag nemen.
- De verhoging van de stabiliteit en de resolutie door toename van het
aantal beeldlijnen, aangeduid met High Definition TV (HDTV), zal, als de
prijs voldoende is gedaald, ook voor de consument van belang zijn.
HDTV betekent een resolutie (gedetailleerdheid van het beeld) die sterk
in de richting gaat van die van een bioscoopfilm. Een goede presentatie
op een groter scherm zou dan, indien men dit zou wensen, mogelijk wor-
den. Een probleem bij de invoering van HDTV is de grotere bandbreedte
die voor transport van een programma noodzakelijk is. Dit geldt overi-
gens niet voor stilstaande beelden, waar bij dezelfde bandbreedte kan
worden gekozen voor een langere overdrachtstijd. Uitzending van HDTV-
programma's via de ether zal daarom, althans in de nu gebruikelijke fre-
quentiegebieden, slechts beperkt mogelijk zijn. Vlakke displays zullen
slechts langzaam opkomen. De beeldbuis zal nog lang zijn vooraanstaan-
de positie behouden. Een kleine, draagbare vlakke display die aan papier
gelijkwaardige leeskwaliteit en flexibiliteit heeft, is nog zeer ver weg en
wordt zeker niet voor het eind van deze eeuw verwacht.
4.3.6 Presentatie van informatie op papier
   In de discussie rond ontwikkelingen op informatiegebied krijgen elek-
tronische media veel aandacht. Geconstateerd moet worden dat ten aan-
zien van de mogelijkheden van deze media in relatie tot papier veelal een
overdreven optimisme bestaat. Een papierloze informatiemaatschappij
zou reeds voor de deur staan. Dergelijke geprononceerde uitspraken
worden echter niet ondersteund door de technische en economische
realiteit. Papier heeft als presentatiemiddel voor vele toepassingen zeer
grote voordelen ten opzichte van de huidige elektronische displays. In
grote lijnen moet daarom worden verwacht dat papier nog zeer lang een
vooraanstaande plaats zal behouden.
   Onverlet het bovenstaande kunnen er toch op deelgebieden belangrij-
ke verschuivingen optreden of bij het gebruik van papier func-
tieveranderingen plaatsvinden. Naast concurrentie tussen elektronische
middelen en papier zal er ook sprake zijn van een symbiose.
   Overigens zijn niet alleen de elektronische middelen in beweging, ook
de overdracht van informatie op papier maakt een snelle technische ont-
wikkeling door. Hieraan zal nu kort aandacht worden gegeven.
   Bij het proces van informatievergaring en verwerking tot en met het
drukken zelf, kunnen twee technische hoofdontwikkelingen worden
onderscheiden: functionele integratie en produktie-technische decentra-
lisatie.
   Door de introductie van micro-elektronika, goedkope en grote geheu-
gens, computergestuurde fotozet- en druksystemen en ook scanners
voor omzetting van foto's in digitale informatie, wordt het gaandeweg
mogelijk het gehele proces van informatieverwerking functioneel te
integreren in Ben groot computergestuurd systeem. De integratie strekt
zich uit tot tekst- en beeldverwerking, waarbij redigerende, corrigerende,
oprnaaktechnische en zettechnische functies worden samengevoegd en
de menselijke inbreng in een aantal tussenfasen wegvalt of een ander
karakter krijgt. De me,nselijke inbreng komt steeds meer uitsluitend in de
redactionele sfeer te liggen, waarbij zowel on-line als off-line met het sy-
steem kan worden gewerkt.
   Door de opkomst van moderne communicatiemiddelen kunnen tegen
 relatief lage kosten grote hoeveelheden informatie over grote afstand
worden vervoerd. Dit maakt het technisch mogelijk en soms economisch
zinvol verschillende bewerkingen op verschillende plaatsen te doen ver-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 65 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 66 ======================================================================

<pre>richten. Een voorbeeld van genoemde produktie-technische decentralisa-
tie is drukken op afstand waardoor onder meer fysieke distributielijnen
verkleind kunnen worden. Voor het overseinen van informatie wordt
behalve van aardse verbindingen in grote landen ook nu reeds in aan-
zienlijke mate gebruik gemaakt van satellietverbindingen.
   Bovenvermelde tendens naar functionele integratie en produktie-
technische decentralisatie wordt mede mogelijk gemaakt door de
opkomst van vernieuwde of nieuwe druktechnieken. De kwaliteit van de
nieuwe druktechnieken, zoals elektrostatische vermenigvuldiging en
spuitdruk, is momenteel lager dan die van conventionele contactdruk-
technieken. Zij lenen zich echter uitstekend voor snelle operatie in een
flexibele markt met relatief kleine oplagen. Drukken o p afroep wordt
steeds meer mogelijk, waarbij uiteraard een afweging nodig is tussen
kwaliteit, snelheid en kosten.
   De technische ontwikkeling gaat zo snel dat apparatuur nu wordt afge-
schreven lang voordat de fysieke levensduur is overschreden. Dit heeft
tot gevolg dat op deelmarkten reeds lang afgeschreven, voor andere toe-
passingen te veel verouderde, drukapparatuur zal worden ingezet.
   De ontwikkeling naar elektronificatie van informatieverwerking geeft
aansluiting bij ontwikkelingen in andere informatiegebieden. Door redac-
ties opgebouwde informatiebestanden lenen zich er in principe ook toe
via andere wegen informatie tot de klant te laten komen. De grenzen tus-
sen verschillende dienstverleningen, en daarmee tussen de terreinen die
door de verschillende actoren worden bestreken, vallen dan weg.
4.4 De synthese van nieuwe technische systemen
   In het voorafgaande zijn nieuwe ontwikkelingen o p componentniveau
besproken. In deze paragraaf zal nader aandacht worden gegeven aan
nieuwe systemen, systemen die uit eerder genoemde technische ont-
wikkeling op componentniveau kunnen voortvloeien. Allereerst zal een
algemeen overzicht worden gegeven in een tele-informatiematrix waarna
vervolgens enkele systemen die vooral van belang zijn voor de consu-
ment, nader worden beschouwd.
4.4.1   Een tele-informatiematrix
   Als men de kansen van een nieuwe informatiefunctie of informatie-
dienst wil ramen, zijn de volgende kenmerken belangrijk:
- Het informatiedoel. Aan de produktiezijde gaat men uit van het belang
dat beschikbaarstelling van informatie zou hebben. Hoe is de reactie van
de consumenten?
- De geschiktheid van het telecommunicatie-systeem. Is er een goede
aanpassing tussen enerzijds de technische karakteristieken van het sy-
steem en anderzijds aard en doel van de informatie, gelet ook op de
gebruikersvoorkeuren?
- De presentatievorm. Ervaart de consument de wijze waarop de tele-
informatie voor hem zichtbaar en hoorbaar wordt als aangenaam en
effectief?
- De capaciteit van de overdrachtskanalen. Voldoen deze in hun totali-
teit aan kwantitatieve en kwalitatieve eisen?
   De telecommunicatie-kanalen die zich met een hoge penetratiegraad
in de Nederlandse huisgezinnen'manifesteren, kunnen worden ingedeeld
in drie categorieen: telefoonkanalen, radiokanalen en televisiekanalen.
Deze onderscheiden zich in overdrachtscapaciteit, nodig voor de
overdracht in een overeengekomen kwaliteit en respectievelijk het
gesproken woord, muziek en bewegende beelden. Als hulpmiddel voor
orientatie binnen het complex van mogelijke diensten is een tele-
informatiematrix dienstig.
   In deze matrix is een indeling naar telecommunicatie-kanalen gemaakt,
alsook naar de systeemvarianten
- disseminerend zendsysteem (via de ether)
- distributiesysteem (via de kabel)
- consultatiesysteem (interactief kabelnet).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 66 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 67 ======================================================================

<pre>                         I  TELEFOONKANALEN             I     RADIOKANALEN            I             TV KANALEN
                                                          AM 4500 Hz
                                                          FM MONO
                                                               STEREO
                                                                         15 KHz
                                                                         53KHz        I    KANAAL-
                                                                                           DELEN    !I
                                                                                                                  5 MHz
     ALFA-NUMERIEKE
w    GESPROKEN TEKST
k
     AFBEELDINGEN
 a
       ( 4=   stilstand)
1
     ONDERWIJS
i
I    NIEUWS                   0 0
C
!    VOORLICHTING           0       0
     RECLAME
     ZENDSYSTEMEN
     op basis van
     abonnement
     resp. cursusgeld.
                                                                                                    Telebordsystemen
                                                                                        Gastkanaal voor teletekst
                                                                                                       1 9I
                                                           J                 I              4 9,
                                                             Doorgine van signalen uit zendsystemen
                                                                                                       I
                                                                                                       ,    ,
                                                                                                                                 4
                                                                                                                           ~rammaA
                                                                                                            I
                                                             ~udlo-programma
                                                            IA     eursberchten
                                                                   Nieuwsberichten
                                                                                        I1 I           '
                                                                                                       iild
                                                                                                                Video-pro(
                                                                       Consumenten-      I
                                                                                               I
      LOKALE PRODUCTIES
      (mogelijkheid tot
      gedifferentieerde
      alname op basis
      van abonnement).
LL .
z
-
      CONSULTATIESYSTEMEN
                              I
                           4 Geinlijn   I                            4                        4
                                                                                                        I
                                                                                                         I                    A
                           4 Sprookje van de dag                                      Zelfstudiesyslemen (Tutorsystems)
                                lelef. wkerbericht
                                lijdmelding
                                Menu van de dag
                                9 ~ e l e inieuwsdienst
                                           .                                                       Tele-lectuur
                                                                                                         I
                                    9~ ivani de dag                                                       I   9 Televideotheek
                                       9'Viditel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 67 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 68 ======================================================================

<pre>(Men onderscheidt verder nog, zoals reeds in 4.2.3 opgemerkt, het con-
versatiesysteem, dat in het bijzonder met behulp van een telefoonnet
wordt gerealiseerd, maar dat als zodanig doorgaans niet onder het
gezichtspunt van de massacommunicatie valt.) Per telecommunicatie-
systeem zijn in de matrix (tabel 4.3) op systematische wijze de diensten
vermeld die daarin reeds zijn gerealiseerd, respectievelijk technisch
mogelijk zijn.
   Bij de naar boven gerichte pijlen in tabel 4.3 zijn de verschillende dien-
sten aangegeven. De systemen waartoe zij behoren vindt men hori-
zontaal naar links gaande en de kanalen waarlangs zij geleverd moeten
of kunnen worden verticaal naar boven gaande. Van d e naar boven
gerichte pijl verticaal naar boven gaande, komt men het met een cirkeltje
aangegeven informatiedoel tegen, waarvoor de dienst over het algemeen
wordt gebruikt. De naar beneden gerichte pijl boven i n de tabel geeft ten
slotte de presentatievorm waarin de desbetreffende dienst wordt gele-
verd.
   Openbare consultatiesystemen, die van invloed kunnen zijn op het
massacommunicatiepatroon en waarbij geen gebruik gemaakt wordt van
het telefoonnet, zullen slechts exploitabel zijn als zij worden geent op de
centrale antennesystemen. Deze systemen zijn ontworpen o m televisie-
signalen tot aan de periferie van het net te distribueren. Breedbandige
kanalen, vanuit het centrum naar de periferie eenmaal ter beschikking
staand, bieden aantrekkelijke mogelijkheden om vele zeer smalbandige
signalen naar vele individuele consumenten te vervoeren en tegen wei-
nig extra kosten zelfs in tegengestelde richting. Dit uitgangspunt biedt
het argument om de informatiediensten te klasseren naar de bandbreed-
te van de telefoon-, radio-, en televisiekanalen. Een verdere verdeling van
de kanalen is technisch mogelijk maar wordt alleen voor de breed-
bandige tv-kanalen zinvol geacht. Waar met beperkte mogelijkheden van
representatie kan worden volstaan, betekent dit een winst aan transmis-
sieruimte, die immers schaars enlof kostbaar kan zijn.
4.4.2   Videoregistratie
   Voor videoregistratie en -weergave bestaan twee technische mogelijk-
heden: band en plaat. De videocassetterecorder die momenteel zeer snel
in de consumentenmarkt penetreert, ligt thans nog op de beeld-
plaatspeler voor wat betreft de mogelijkheid dat de consument zelf tele-
visiesignalen gaat registreren om deze dan vervolgens op een gewenst
tijdstip af te spelen. De beeldplaat daarentegen lijkt i n een aantal andere
opzichten weer voordelen te hebben boven de magnetische videoband
(en ook op de film, dat is de conventionele methode van videoregistra-
tie). Vooral de hoge beeldkwaliteit, de buitengewoon compacte registra-
tie, die bovendien zeer snelle toegang tot een bepaald stuk van de
opgeslagen informatie toelaat, en bovenal eenvoudige massaproduktie
van de platen door middel van een persprocede tegen relatief lage
kosten, lijken garant te staan voor een succesvolle toekomst van de
beeldplaat.
   Voor beeldplaten zijn verschillende systemen ontwikkeld. Drie onder-
ling incompatibele basissystemen hebben zich aangediend.
Het zijn:
- het systeem met optische aftasting zonder mechanisch contact
(Philips)
- het systeem met naaldaftasting (RCA)
- het systeem met capacitieve aftasting (Matsushita/JVC).
    Het optische systeem is naar de mening van velen technisch het
meest geavanceerd. Bij de optische beeldplaat wordt met.behulp van
een fijne lichtbundel, die door een laser wordt opgewekt, reflectie geme-
ten langs het spiraalvormig spoor van kleine putjes met afmetingen van
ruwweg 1 micron (1/1000 mm). De posities van de putjes worden uit de
verschillen tussen we1 en geen reflectie vastgesteld. Door de afstand en
</pre>

====================================================================== Einde pagina 68 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 69 ======================================================================

<pre>de lengte van de putjes te varieren ontstaat een signaal van voldoende
bandbreedte om videoweergave mogelijk te maken. Bij constante aftast-
snelheid wordt momenteel een speelduur van maximaal 1 uur per kant
bereikt. Wellicht ten overvloede kan nog worden vermeld dat het karak-
ter van registratie door middel van genoemde putjes de beeldplaat
uitermate geschikt maakt voor data-opslag.
    Van belang is ook dat de beeldplaat zich uitnemend leent voor digitale
registratie van geluid. Aldus ontstaat een in kwaliteit superieure variant
van de grammofoonplaat. lntroductie is reeds aangekondigd.
    In tegenstelling tot de Philips-beeldplaat die tot de 'beam addressed
memories' kan worden gerekend, wordt de RCA-beeldplaat op meer con-
ventionele wijze met een diamantnaald gelezen. Met deze naald worden
capacitieve variaties gedetecteerd die ontstaan bij aftasting van putjes in
de groef van de plaat. Ook hier wordt een speelduur van 1 uur per kant
bereikt.
    Het Matsushita/JVC beeldplaatsysteem is gebaseerd op een capacitie-
 ve aftasting van een gladde plaat, zonder groeven, waarin de signalen
 spiraalsgewijs op dielektrische wijze zijn vastgelegd.
    De optische beeldplaat is sinds 1978 in de VS in de handel en zal
 vermoedelijk in 1982 in Europa worden gebracht. Op langere termijn is
 invoering van een uitwisbare en weer inspeelbare beeldplaat ook voor
 gebruik in de huiskamer denkbaar.
    De videobandcassettes zowel als de beeldplaten zijn informatiedragers
 waarvan het succes afhankelijk is van de relatieve positie die zij weten te
 verwerven ten opzichte van concurrerende informatiedragers zoals film,
 en vooral ten opzichte van het programma-aanbod via ether en kabel. De
 gevoelige punten zijn daarbij in het bijzonder het tot stand komen van
 nieuwe software en de rechten tot overnemen van bestaande software
 (0.a. films).
    Er is dus een groeiend bestand aan videoprodukties in het vooruit-
 zicht, beschikbaar in de vorm van voorbespeelde cassettes en platen, en
 tegen relatief lage prijs. Zoals in het audiogebied zullen deze bij de
 consument thuis worden afgespeeld maar ook worden verwerkt in-televi-
 sieprogramma's via ether en kabel, wellicht vooral in de sfeer van lokale
 'low budget' uitzendingen. Deze ontwikkeling krijgt nog een extra
 dimensie indien de marktpenetratie van goedkope, compacte en kwalita-
 tief bevredigende videocamera's voor amateurgebruik zijn beslag heeft
 gekregen.
     Hier is een nieuw medium in opkomst, wat de technische basis betreft
 gekoppeld aan de televisie, in het bijzonder aan de ontvangstzijde
 (beeldweergave in de huis'terminal'). De produktie van de informatie-
 inhoud voor beeldplaten en videocassettes is volop in ontwikkeling. Te
 denken valt aan video-materiaal voor educatie of instructie en aan
 kopieen van speelfilms. Men mag verwachten dat smalfilm en 16mm film
 voor semi-professioneel en consumentengebruik onder zware druk zullen
 komen. (Een kopie van 16mm film met 1 uur speelduur kost ca. f 1.000,--,
 een videokopie daarentegen hoogstens f 25,-- per uur.) Zo vermengen
 zich de activiteiten en belangen van filmmaatschappijen en uitgeverijen
 en wellicht te zijner tijd ook van omroeporganisaties met die van de elek-
 tronische industrie. Naarmate de penetratie van specifieke afspeelap-
 paratuur toeneemt zal het aanbod van informatiedragers toenemen.
 4.4.3    Consultatiesystemen
     De omroeporganisaties maken thans gebruik van het zenderpark,
 waardoor disseminatie, dat wil zeggen ongerichte algemene versprei-
 ding, van de aangeboden programma's via de ether plaats vindt.
 Bovendien is in Nederland een aantal kabelnetten aanwezig die deze
 informatie bij hierop aangesloten ontvangers binnen brengen. Van de
 doorgeeffunctie van deze distributiesystemen profiteert reeds circa 60%
 van de Nederlandse kijkers. In principe kan informatie ook exclusief in
 een kabelnet worden gedistribueerd. Naast disseminatie- en distributie-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 69 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 70 ======================================================================

<pre>systemen onderscheidt men de consultatiesystemen. Deze zijn, zoals
reeds opgemerkt werd, zodanig ingericht dat de consument op afroep
bepaalde informatie kan verkrijgen uit geheugens d i e deel uitmaken van
het systeem.
    In een consultatiesysteem is er een zekere interactiviteit tussen de
bron en de consument. Het voornemen van de consument bepaalde
informatie op t e roepen kan slechts het gewenste gevolg hebben als
daartoe gecodeerde commando's gezonden kunnen worden naar het
geheugen dat deze informatie bevat en kan afgeven. De technische
systemen waarmee dit wordt bewerkstelligd, zijn zeer verschillend al
naar de aard en omvang van de informatie en de snelheid waarmee men
deze opgeleverd wenst te krijgen. Alle systemen hebben beperkingen en
de praktijk moet uitwijzen hoe groot hun comparatieve aantrekkelijk-
heden zijn.
a)     Viewdata en teletekst
    Een net dat een groot aantal aangeslotenen tweezijdig contact met een
groot centraal geheugen (databank) verschaft, is h e t telefoonnet. Hierop
 is dan ook het bekende consultatiesysteem van h e t zogenoemde view-
data-type ingericht, in Nederland Viditel genaamd. Het geheugen kan
een zeer grote hoeveelheid informatie opslaan, maar de bandbreedte van
de telefoonkanalen legt een zware beperking o p aan de aard van de
 informatie. Als men reeds na enkele seconden 'op afroep' antwoord wil
 hebben, komt slechts alfanumerieke informatie in aanmerking: stilstaand
 beeld van niet t e veel letters per bladzijde. Het forse databestand,
bijvoorbeeld 100.000 bladzijden, vereist een adequate zoek- en adres-
seringsmethode, met bijbehorende signalisering vanaf het keuzepakket
bij de consument thuis naar de databank. De uit d e databank opgeroe-
pen informatie wordt via een signaalbewerkingstoestel naar een televi-
sietoestel geleid o m dan o p het scherm leesbaar t e worden. In principe
zou er na bewerking in een speciale decoder ook n o g we1 wat gesproken
tekst bij kunnen. Het databanksysteem zal nog enigszins gedecentrali-
seerd worden, hetgken besparend kan werken o p d e telefoonver-
 bindingskosten. De toegang tot de databank is selectief en wordt ver-
kregen met behulp van een abonneenummer met h e t oog o p verrekening
van de geleverde informatiedienst alsook op beveiliging van privacy. Er
zijn ontwikkelingen in de technologie gaande die verbetering van de pre-
 sentatie beloven. De aard van de informatie zal evenwel alfanumeriek
 blijven zolang de overdracht over de huidige telefoonkanalen met hun
 beperkte bandbreedte moet gaan.
     De introductie van wezenlijk meer geavanceerde viewdatasystemen zal
 pas mogelijk zijn als daarvoor een verbindingsnet m e t vele bredeband-
 kanalen ter beschikking komt. Men heeft dan een video-
 consultatiesysteem, met in principe veel meer mogelijkheden dan het
 huidige Viditel. Voor bewegende beelden zijn de moeilijkheden die over-
 wonnen moeten worden, groot. Zelfs als een glasvezelkabelnet met enk5-
 le duizenden videokanalen (vergelijkbaar met het telefoonnet met enkele
 duizenden audiokanalen) zou worden gebruikt en d e benodigde scha-
 kelmatrices beschikbaar waren, zou het toch nog niet gemakkelijk zijn
 een betaalbaar consultatiesysteem voor bewegende beeldinformatie te
 verwerkelijken, dat wil zeggen elke gebruiker o p elk door hem gewenst
 tijdstip het door hem gewenste en opgeroepen video-informatiepakket
 aan te bieden. Een tussenoplossing is denkbaar, waarbij consultatie uit
 een beperkt bestand in gedecentraliseerde geheugens, m e t inacht-
 neming van enige wachttijd, wordt toegepast (vergelijk wijkbibliotheek).
     In een bredeband-transmissiesysteem, zoals in tv-ether- en kabelver-
 bindingen voorhanden is, kan een zodanig grote hoeveelheid informatie
 per tijdseenheid worden overgebracht dat een praktisch consul-
 tatiesysteem van een geheel ander type is t e verwerkelijken: Een com-
 pleet maar beperkt bestand van alfanumerieke informatie, bijvoorbeeld
  100 bladzijden (106 bits), kan in porties, gebruik makend van slechts enke-
 le der 625 TV beeldlijnen, meegegeven worden aan een televisie-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 70 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 71 ======================================================================

<pre>draaggolf en overgedragen worden aan geheugens in het toestel bij de
consument dan we1 per gekozen bladzijde onmiddellijk worden gepre-
senteerd. De huidige vorm van de zogenoemde teletekst berust hierop.
Bij het huidige teletekstsysteem worden in 24 seconden 100 bladzijden
verzonden.
   Aan de ontvangstzijde vindt decodering van het teletekstsignaal in een
speciale decoder plaats. Deze decoder kan bij een bestaand televisie-
apparaat worden voorgeschakeld, of ingebouwd in een nieuw televisie-
apparaat worden geleverd. We zien dus binnen een zuiver distributief of
disseminatief stelsel (er is strikt genomen helemaal geen terugwerking of
selectie van de kant van de consument naar de bron van de uitzending)
toch een consultatiesysteem verwerkelijkt, doordat het mogelijk is te
selecteren uit een relatief veelzijdige alfanumerieke informatiestroom. De
keus is voor de klant van teletekst beperkt, vergeleken met die van Vidi-
tel, maar dit euvel kan verzacht worden door snelle actualisering van de
informatie-inhoud. De technische verwevenheid met televisie leidt
bovendien tot toepassingen als ondertiteling van televisieprogramma in
andere talen of voor doven. Teletekst heeft nog enkele voordelen ten
opzichte van viewdata. Congestieverschijnselen treden niet op; de
wachttijden liggen tussen nauwe, aan de afnemer bekende grenzen, ter-
wijl privacy-aspecten niet naar voren komen. Verder zijn de kosten onaf-
hankelijk van de afname, langere zoekprocedures worden niet afgestraft
door hogere kosten. Het nadeel van het beperkte bladzijde-aantal (nu is
zoals reeds opgemerkt de magazijngrootte ruwweg 100 bladzijden bij een
cyclustijd van 24 sec.) kan voor een deel worden ondervangen. Bij
gebruik van vrijwel alle 625 beeldlijnen van het televisiebeeld voor
informatie-transmissie a la teletekst kan de capaciteit worden opgevoerd
tot ruim 15.000 bladzijden met dezelfde cyclustijd van 24 sec.. Op deze
wijze wordt vulling van een volledig kanaal tot stand gebracht. Transmis-
sie zou door een aparte zender kunnen gebeuren, maar ook - en mis-
schien moet men zeggen: vooral - kan gebruik worden gemaakt van de
grote kanaalcapaciteit vRn qe breedbandige kabelsystemen. Ten slotte
moet opnieuw de mogelijkKeid worden vermeld dat uit zo'n sterk opge-
voerde 'teletekst' geselecteerde informatie wordt opgenomen in huis-
geheugens (de huidige videobandrecorders zijn daartoe geschikt) en
 later op een geeigend moment wordt gelezen, indien gewenst zelfs van
 papier waarop het door de 'homeprinter' is gedrukt. Het kan ook een
transmissie van miljoenen bladzijden tekst via een, eventueel nachtelijke,
 uitzending met volledige kanaalvulling, betreffen.
    Gelet op het bovenstaande kan - door de grote transmissiecapaciteit
 van videokanalen voor data - een aldus opgevoerde teletekst een
 geduchte concurrent worden van viewdata. Op de wat langere termijn
zal echter door verdeling van informatieverzorging, waarbij een bepaald
 soort informatie wordt geleverd over het daartoe meest geeigende sy-
 steem, de onderlinge concurrentie kunnen verkeren in een zinvolle
 onderlinge aanvullingsfunctie. Bij het vinden van deze aanvullingsfunctie
 zullen verschillen in financiering en afrekening tussen viewdata en tele.
tekst zeker een rol spelen.
    In bovenstaande uiteenzetting is het consultatiesysteem geschetst als
 een technische oplossing van de behoefte aan gei'ndividualiseerde
 informatievoorziening, waarbij viewdata (Viditel) en teletekst naar voren
 komen als in de praktijk gerealiseerde systemen, evenwel slechts voor
 alfanumerieke informatieverzorging. De beperking ligt bij viewdata in de
 bandbreedte van het telefoonnet waardoor binnen een redelijk tijds-
 bestek slechts een beperkte hoeveelheid data te verkrijgen is (uit een
 overigens zeer grote voorraad); bij de op dit moment operationele tele-
tekst ligt de beperking in de geringe fractie die van de overigens brede
televisiefrequentieband ter beschikking staat, waardoor ook hier slechts
 een beperkte hoeveelheid data kan worden meegegeven.
 b)   Betaal-televisie
    Gegeven de hoge penetratiegraad van televisiekabelnetten in Neder-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 71 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 72 ======================================================================

<pre>land kan men zich nu de vraag stellen in hoeverre deze bekabeling
grondslag zou kunnen zijn voor consultatieve televisie. W e kunnen hier
lichtere en zwaardere varianten onderscheiden, e n overgangen naar het
gebruikelijke patroon van kijkers die een keuze maken uit het aanbod van
televisiezenders.
   Bij het kiezen op afstand krijgt de abonnee het door h e m geselec-
teerde deel van het lokale, nationale of internationale programma-
aanbod over een individueel abonneekanaal toegezonden.
    lndien de betaling door de abonnee afhankelijk wordt gesteld van de
programma- of kanaalkeuze en van de tijdsduur van inschakeling, spreekt
men van betaaltelevisie. Men merke o p dat het vooralsnog slechts gaat
o m aansluiting aan bepaalde programmakanalen: dat w i l zeggen qua
tijdstip en inhoud geplande (video)-informatie (abonnee-televisie). De
voorzieningen voor betaal-televisie zouden evenwel nog verder uit-
gebouwd kunnen worden, zodat vormen van tele-informatiediensten
ontstaan. Dit systeemconcept biedt de eerder reeds genoemde mogelijk-
heid dat de abonnee informatie oproept en toegeleverd krijgt vanuit in
de kiescentrale opgestelde geheugens (bijv. filmotheken, gebaseerd o p
videobanden en beeldplaten). Eerst met deze variant kunnen we van ech-
t e consultatie spreken.
    Kiezen op afstand kan redelijk eenvoudig worden gecombineerd met
betaling in afhankelijkheid van geselecteerde programma's, kanalen of
geheugenbestanden (videoprodukties). Het belangrijkste positieve effect
van zo'n gedifferentieerde betaling is dat bepaalde informaties, die vroe-
ger bij het systeem van algemene verspreiding e n forfaitaire betaling
weinig of niet werden aangeboden, gemakkelijker kunnen worden gele-
verd. Hierbij zou men kunnen denken aan specialistische videoproduk-
ties, maar ook aan minder courante bioscoopfilms en aan een gericht
aanbod voor kleinere groepen - en dat alles, zoals boven is verduidelijkt,
vooreerst slechts op lokaal niveau. Betaal-tv of soortgelijke diensten zijn
zowel in aftak-, mini-ster als sternetten mogelijk. D e kosten zijn bij
aftaknetten door de individuele voorziening van d e benodigde appara-
tuur relatief hoog. De meerkosten voor introductie van betaal-tv in der-
gelijke netten zijn echter lager dan die voor aanleg van geheel nieuwe
 netten. Alhoewel een mini-sternet minder mogelijkheden biedt dan een
langarmig sternet, moet toch worden vastgesteld dat voor bepaalde toe-
 passingen sprake is van een gunstige prestatie/prijsverhouding.
    lnteractieve video-kabelsystemen, waartoe betaal-televisie behoort,
worden reeds o p diverse plaatsen in d e wereld toegepast en beproefd. In
 de Verenigde Staten is men reeds ver gevorderd. In 1980 waren ruim 17
 miljoen van d e Amerikaanse huishoudens aangesloten o p kabel-
televisiesystemen hetgeen neerkomt o p bijna 22% van alle huishoudens.
 Bij 43% daarvan betreft het, overigens zeer gefragmenteerde pay-cable
 systems (2000 systemen voor 7.5 miljoen huishoudens). Het aantal pay-
 tv-abonnees is de laatste jaren ieder jaar ruwweg verdubbeld. Naast
 pay-tv worden veelal ook andere interactieve diensten aangeboden.
     De mogelijkheden voor invoering van betaal-televisie en de kosten die
 met deze invoering gepaard gaan, hangen in aanzienlijke mate af van
 plaatselijke omstandigheden en met name van ter plaatse reeds aan-
 wezige kabelnetten. De Nederlandse kabelsystemen worden gekenmerkt
 door uiteenlopende transportcapaciteit en verschillen in netstructuur.
 Niet alle structuren zijn even geschikt voor de realisatie van betaal-
 televisie. Aftaknetten voldoen hiertoe minder. Stervormige netten heb-
 ben meer potentie, omdat in de sterpunten schakelaars kunnnen worden
 geplaatst. Dit betreft zowel sternetten als mini-sternetten. .
    Een aanzienlijke uitbreiding van het aantal televisiekanalen behoeft
 overigens nog niet samen te gaan met kiesvoorzieningen in het net of
 met alternatieve netstructuren. Mits de keuzemogelijkheden op het tele-
 visietoestel zelf en de capaciteit van de toegepaste kabels voldoende
 groot zijn, kan door aanvulling en aanpassing van overige netvoor-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 72 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 73 ======================================================================

<pre> zieningen het programma-aanbod sterk worden vergroot (wellicht zelfs
 dertig kanalen).
     Een belangrijke reden voor het introduceren van interactiviteit en daar-
 voor geoptimaliseerde netten hangt samen met positieve verwachtingen
 ten aanzien van de opkomst van diverse interactiviteit vereisende dien-
 sten (zoals betaal-televisie, lokale viewdata, bejaardenalarrn, opnemen
 van meters op afstand). Gelet op de langere afschrijvingsperiode die
 door de PTT redelijk wordt geacht en derhalve veelal wordt aanbevolen
 (10 jaar voor apparatuur en 20 jaar voor de overige voorzieningen die
 qlia kosten 75% van het totaal bedragen) en gelet op de recentelijk in
 discussie gekomen ontwikkelingsmogelijkheden lijken deze ver-
 wachtingen niet irreeel. Een lokaal televisie-distributienet waarin
 tweerichtingverkeer mogelijk is, vertoont in structuur enige overeen-
 komst met de lokale delen van het telefoonnet. De gedachte aan integra-
 tie van beide netten, op lokaal niveau, zou kunnen opkomen.
 4.5    lnfrastructurele voorzieningen
 a)    Zenders
     De omroepzenders vormen een belangrijk deel van de infrastructurele
 voorzieningen. Als onderdeel van internationale afspraken heeft Neder-
 land een aantal kanalen in diverse frequentiebanden toegewezen gekre-
 gen zodat met een aangepast aantal zenders het gehele land kan worden
 voorzien van radioprogramma's en televisieprogramma's. Wij noemen
'hier slechts de vier landelijke radioprogramma's (Hilversum 1 t / m 4) en
 de beide televisieprogramma's (Nederland 1 en 2). Alle omroepzenders
 in Nederland zijn eig&dom vande NV Nederlandse Omroepzender
 Maatschappij (NOZEMA), waarvan de aandelen voor 60010 in handen zijn
 van de Staat en voor 40010 in handen van de NOS. Aanleg en beheer van
 de omroepzenders is aan de P l T opgedragen.
     Ten aanzien van de in dit rapport aangesneden thema's is het zen-
 derpark weinig problematisch. Met de bestaande zenders kan, zeker bij
 een redelijke mate van bekabeling, vrijwel overal in Nederland een goede
 ontvangst van de programma's worden gegarandeerd. Voor een uit-
 breiding naar een derde televisieprogramma met nationale bedekking
 zijn de nodige frequenties beschikbaar. Wanneer de aandrang t o t het
  inrichten van een derde net voldoende groot is, zal men in de toekomst
 echter tevens het alternatief van een omroepsatelliet willen beschouwen.
 Voor een klein en vlak land als Nederland zijn de kosten van de ver-
 zorging met aardse zendmiddelen overigens nog steeds lager dan die
 van verzorging met omroepsatellieten. Het kostenverschil vermindert
 evenwel.
     Voor het aanvoeren van buitenlandse televisieprogramma's is gedacht
  aan een landelijk aanvoernet, voor een belangrijk deel bestaande uit bin-
  nenlandse straalzenders. In 1980 werd hiertoe door de P l T een struc-
 tuurplan bekend gemaakt. Beoogd werd 14 buitenlandse televisie-
  programma's (3 Westduitse, 4 Belgische, 3 Franse, 3 Engelse en 1
  Luxemburgse) via 32 regionale knooppunten over reeds bestaande tele-
 visie-kabelnetten t e verdelen. Een gefaseerde aanleg zou mogelijk zijn.
 Voor f 45 mln zouden ongeveer 100 gunstig gelegen gemeenten (met
 ongeveer 6 mln inwoners) kunnen worden aangesloten. Voor kleinere
 gemeenten zouden vanwege extra aansluitvoorzieningen de kosten aan-
  merkelijk hoger kunnen zijn. De bouwtijd werd geschat op twee jaar; met
 de aanleg zou echter slechts kunnen worden begonnen als alle auteurs-
  rechtelijke en juridische zaken zouden zijn opgelost. Aangedrongen werd
  o p snelle besluitvorming. Zeer onlangs heeft de P7-r doen weten aan het
  project een zeer lage prioriteit te geven, aangezien aan de in 1981 gestel-
  de voorwaarden niet is voldaan.
  b)   Kabel
     De kabelsystemen zijn in Nederland uitgegroeid tot een belangrijk deel
  van de infrastructuur. Distributie van televisieprogramma's over de kabel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 73 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 74 ======================================================================

<pre>bereikt meer dan 60% van de Nederlandse televisie kijkende gezinnen. Er
zijn reeds enkele duizenden televisie-kabelnetten in Nederland aan-
gelegd. Deze zijn verschillend van technische specificatie. Als het thans
gegeven en ook het te verwachten aanbod uit binnen- en buitenland via
de kabel zou moeten worden gedistribueerd, zal een groot aantal kanalen
beschikbaar moeten staan, wellicht 20 a 30, een groter aantal dan vele
kabels thans kennen. Het betreft hier, bijvoorbeeld, een groter aantal bui-
tenlandse zenders (programma's), enlof produkties van aanbieders in
een landelijke, regionale of lokale opstel!ing. In paragraaf 4.4.3 is reeds
gewezen op de mogelijkheden van kabelsystemen ten aanzien van gedif-
ferentieerde, selectief verrekende informatie-afname. Het wezenlijke ken-
merk is dat deze netten op lokaal niveau de individuele abonnees met
centrale voorzieningen verbinden. Stervormige televisie-distributienetten
maken uitbreiding van het programma-aanbod en introductie van som-
mige nieuwe interactieve diensten tegen geringe kosten mogelijk. Ook in
Nederland is deze ontwikkeling zichtbaar; gedacht kan worden aan de
experimenten in Zaltbommzl en Limburg. In speciaal daarvoor geschikte
televisie-kabelnetten zullen experimenten met verschillende nieuwe dien-
sten, ondermeer consultatieve diensten, worden verricht. Deze experi-
menten zijn ook vanuit industrieel oogpunt van belang.
    Gestimuleerd door de snelle technische vooruitgang in glasvezel-
transmissie wordt op vele plaatsen in de wereid intensief onderzoek ver-
richt naar kabelnetten met veelzijdige toepassing. Door inkoppeling van
satelliet- en conventionele ethersignalen en aankoppeling met telefoon-
netten op het niveau van de lokale schakelcentra, zouden telefoonver-
bindingen, data-transmissie, omroepfuncties als radio en televisie,
interactiediensten met een lokaal en interlokaal karakter, zoals betaal-tv,
viewdata, teletekst, onderwijs en alarmdiensten en dergelijke, alle via
hetzelfde net kunnen worden verzorgd. Er is dan sprake van een ver
doorgevoerde integratie in het lokale kabelnet. Enkele factoren die bij
een economische afweging van belang zijn, volgen hieronder.
    Over het algemeen zijn netten met meer flexibiliteit, dat wil zeggen
met de mogelijktieid tot een groter aantal kanalen en tot tweezijdigheid
ten gerieve van interactieve dienstverlening, qua begininvestering duur-
der. Een flexibel net vraagt echter bij toenemend gebruik van de reeds
voorbereide mogelijkheden minder of geen aanvullende investeringen.
Bij toenemend gebruik van de mogelijkheden zal het net dat in het begin
duurder was, uiteindelijk goedkoper kunnen zijn. Hierbij kan nog worden
opgemerkt dat lagere begininvesteringen niet altijd een lager tarief voor
de abonnee behoeven te betekenen. lnvesteringen worden naar later
verschoven, maar bij de tariefstelling zou de exploitant op sommige
kosten kunnen vooruitlopen, hetgeen kan leiden tot een hoger abon-
neetarief, zelfs hoger dan bij een meer flexibel net. Het is weinig zinvol
deze kwalitatieve en sterk vereenvoudigde redenering nader te kwan-
tificeren. Daarvoor zijn de kostenverhoudingen tezeer afhankelijk van
plaatselijke omstandigheden (bewoningsdichtheid e.d.) en, waar het gaat
om aanvullende investeringen, van toekomstige prijsontwikkelingen voor
kabels, grondwerk, apparatuur en installatie.
    Zolang de eisen ten aanzien van aanbod van programma's en diensten
beperkt zijn, zullen investeerders veelal kiezen voor conventionele netten
met bijvoorbeeld een aftak- of mini-sterstructuur. Deze hebben lagere
begininvesteringskosten. Als het alleen zou gaan om verhoging van het
aantal kanalen, dan bieden aftak- en mini-sternetten we1 mogelijkheden,
tot ruwweg 30 kanalen. Voor een nog groter aantal kanalen, of voor de
realisatie van tweezijdige verbindingen zal de zaak ongunstiger liggen; er
moeten dan relatief hoge kosten worden gemaakt voor het bijleggen van
kabels en voorzieningen.
    Uit het bovenstaande volgt dat bij de netkeuze op grond van economi-
sche overwegingen, de verwachtingen ten aanzien van toekomstige ont-
wikkelingen binnen de fysieke levensduur (afschrijvingsperiode) van de
onderhavige kabelnetten een rol spelen. Deze verwachtingen lopen sterk
</pre>

====================================================================== Einde pagina 74 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 75 ======================================================================

<pre>uiteen. Er bestaat vaak een voorkeur voor kostenvoordelen op korte
termijn tegenover minder zekere voordelen op langere termijn.
4.6   De gevolgen van de technische ontwikkelingen
   In deze paragraaf wordt een samenvattende opsomming gegeven van
de gevolgen van de technische ontwikkelingen, waarbij het veld nog
eens in zijn geheel wordt belicht en ten aanzien van verschillende aspec-
ten aanvullend commentaar wordt geplaatst.
   De recente technologische ontwikkelingen brengen de elektronische
informatieverwerking, -opslag en transmissie in een snelle evolutie. Gro-
te invloed hebben: de miniaturisering in de elektronika, het ter beschik-
king komen van verschillende soorten geheugens, ook voor huiskamer-
toepassingen, de glasvezeltransmissie en de satellietcommunicatie.
   De invulling van nieuwe technische mogelijkheden zal aanleiding zijn
tot tal van verschuivingen op het terrein van de produktie, het transport
en de consumptie (samenhangend met de presentatievormen) van de
informatie. Dit alles kan diep ingrijpen in bestaande arbeidsverhoudingen
en communicatiepatronen. Globaal genomen kan men zeggen dat over
twintig jaar deze diepgaande veranderingen hun beslag kunnen hebben
gekregen, en sommige ervan wellicht al over tien jaar. Dit proces is ech-
ter in hoge mate afhankelijk van economische factoren en institutionele
beslissingen.
4.6.1   Samenvatting van de technische onrwikkelingen
a) Ontwikkelingen in de micro-elektronika
- De voortschrijdende miniaturisering in de elektronika en de daarmee
gepaard gaande kostenverlaging per component maken het mogelijk, op
een schaal die tot voor kort slechts realiseerbaar was voor bedrijfstoe-
passingen, informatiebewerking en informatie-opslag onder te brengen
in huiskamertoestellen zoals het telefoontoestel, de platenspeler, de
recorder en dergelijke.
- Het ter beschikking komen van goedkope elektronische geheugens
voor huiskamertoepassing maakt het mogelijk om, zelfs bij de thans
beschikbare, beperkte transmissie-capaciteit, alfanumerieke informatie-
overdracht te realiseren zoals bijvoorbeeld in de consultatiesystemen
teletekst (cyclische datatransmissie in de restruimte van een televisieka-
naal) en Viditel (datatransmissie op aanvraag over telefoonverbinding) al
is gebeurd. Bij het ter beschikking komen van grotere respectievelijk
goedkopere transmissiecapaciteit en voortschrijdende miniaturisering zal
de kwaliteit en kwantiteit van deze dienstverleningen, zoals toevoeging
van grafische en zelfs gekleurde beelden, aanzienlijk kunnen toenemen
tegen relatief geringe kosten aan technische middelen. Of genoemde
overdracht van alfanumerieke informatie voldoet aan een bestaande
behoefte bij de consument is echter de vraag. De eerste experimenten bij
Viditel zijn niet bemoedigend.
- Ook het thuis rekenen en administreren op externe computers en het
thuis genieten van interactief telecommunicatief onderwijs gaat dan tot
de mogelijkheden behoren.
- lndien men landelijk, regionaal, dan we1 stadsgewijs de bandbreedre
van een volledig televisiekanaal via de ether of in 'de kabel' ter beschik-
king stelt voor digitale transmissie, zou met behulp van thans op de
markt komende elektronische geheugens via dit kanaal een 30 tot 60 tal
dia-lessen (still-picture broadcasting) simultaan kunnen worden gegeven,
door namelijk de frequentieruimte van dit kanaal te verdelen in een cor-
responderend aantal frequentiebanden.
- De overdrachtscapaciteit voor alfanumerieke informatie van een
5 MHz televisiekanaal biedt bij toepassing van een geschikt geheugen
thuis (recorder) interessante perspectieven voor een elektronisch dag-
blad.
- Als een 5 MHz televisiekanaal geheel benut wordt voor een tele-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 75 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 76 ======================================================================

<pre>tekstachtige toepassing, heeft het als zodanig een capaciteit van 15.000
bladzijden per 24 seconden. Een 80 Mbitls digitaal transmissiekanaal
 - gesteld dat zulke kanalen er zouden komen, bijvoorbeeld in glasvezel-
netten - heeft voor een dergelijke toepassing een capaciteit van meer
dan 100.000 bladzijden per 24 seconden.
- Het is zeer we1 denkbaar dat in de komende jaren beeldschermen met
een grotere gedetailleerdheid van het beeld, zoals men deze nu reeds in
het bedrijfsleven aantreft, op de markt voor huiskamergebruik zullen
komen in verband met een toenemend gebruik van het televisietoestel
en andere beeldschermen bij telefoon en radio voor het lezen van alfanu-
merieke informatie en detailtekenwerk. Voorlopig kan worden gedacht
aan vier maal het huidige aantal lijnen, hetgeen minstens vervier-
voudiging van de vereiste frequentiebandbreedte betekent.
- Automatisch beeldtelefoonverkeer tegen ruwweg dezelfde kosten als
thans het automatische telefoonverkeer.is nog zeer ver weg. Niet alleen
is daarvoor nodig dat kanalen van aanzienlijk grotere bandbreedte dan
voor telefonie tegen een lage prijs ter beschikking worden gesteld (zie c),
maar ook dat bredeband-schakelmatrices kunnen worden gebouwd voor
dezelfde prijs als telefoonschakelmatrices.
b)    Geheugens
-   De industrie heeft methoden ontwikkeld om videoprodukties van
enkele uren tijdsduur vast te leggen op middelen die in massaproduktie
kunnen worden vervaardigd (0.a. beeldplaat). Het is vooral een kwestie
van internationale standaardisatie en beheersing.van de softwaremarkt
of en wanneer deze videoregistraties op grote schaal in de handel
gebracht zullen worden.
- De ten bate van massageheugens toegepaste technologie leent zich
ook voor het vastleggen van dia's, leesbladzijden en dergelijke. Voor
wezenlijke vervanging van boek en tijdschrift is het nodig dat het lees-
gemak en de leeskwaliteit van de elektronische beeldschermen nog aan-
zienlijk worden verbeterd.
- De registratiemogelijkheden thuis van televisieprogramma's met
behulp van videorecorders kunnen ook worden gebruikt voor het
registreren van data die bijvoorbeeld in de nachtelijke uren via televisie-
 en radiokanalen (ether, kabel, satelliet) worden uitgezonden. Zelfs aan-
gepaste audiorecorders zijn daarvoor geschikt. Te denken valt hierbij aan
de elektronische distributie van dagbladen met projectie op een elek-
tronisch beeldscherm, of afdrukken met een 'home printer'. Dit systeem
zal concurrerend kunnen worden met bredeband-teletekst systemen.
c)   Glasvezeltransmissie
-   lndien - zoals de huidige verwachtingen luiden - de kostprijs van
glasvezel lager zal komen te liggen dan die van een aderpaar bestaande
uit kopergeleiders, en als de vereiste zeer snelle lichtmodulatie praktisch
doorvoerbaar blijkt te zijn, en als er betaalbare bredebandschakelmatri-
ces beschikbaar komen, mag worden verwacht dat glasvezelkabel, met
eenzelfde netorganisatie als in een telefoonnet, op de lange duur televi-
sieverbindingen zal kunnen opleveren tegen een betrekkelijk lage prijs.
- Lokale glasvezelnetten, gebruikt als integrerend overdrachtsmedium
voor telefonie, televisie en nieuwe diensten, kunnen dan goedkoper zijn
dan de huidige afzonderlijke kopernetten.
- Op den duur zouden glasvezelverbindingen weleens geschikt kunnen
blijken als transatlantische verbindingen (eerste proeven in voor-
bereiding) en daardoor de satellietverbinding als vastepuntverbinding
kunnen aanvullen en wellicht kunnen beconcurreren.
Hoewel niet direct verband houdende met de massamedia problematiek
is het interessant hier te vermelden dat glasvezeltransport op den duur
(2000) misschien we1 zo goedkoop zou kunnen worden, dat het voor
informatieverzorgende bedrijven de moeite waard kan worden lay-out,
bewerking, vertaling enzovoort op grote afstand te laten verrichten,
bijvoorbeeld in landen met bijzondere ervaring of uitrusting o p dit punt.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 76 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 77 ======================================================================

<pre>In dit verband kan ook verwezen worden naar de registratie en bewer-
king van Canadese data in de VS.
d) Satelliet-communicatie
- Het is gelukt met communicatiesatellieten internationale telefoon- en
televisieverbindingen tegen relatief lage prijzen tot stand te brengen. Het
ziet er naar uit dat door toepassing van bijzondere multiplexing-
technieken het voor satelliet-communicatie beschikbare spectrum in de
ether aanzienlijk beter dan tot nu toe zal worden benut.
- Satellietomroep kan in programmatisch opzicht veel nieuws bieden.
Men zal met een gemeenschappelijke antenne per stad of regio enkele
tientallen Europese televisieprogramma's - door omroepsatellieten uit-
gezonden - meer kunnen ontvangen. Het 'aftappen' van inter-
continentale- en andere verbindingssatellieten zal, naar mag worden aan-
genomen, naar internationaal recht niet worden getolereerd, tenzij hier-
toe door de uitzendende partij toestemming wordt verleend.
4.6.2 Nadere beschouwing van samenhang en gevolgen
a) De breedbandige communicatiekanalen die bij centrale antenne-
inrichtingen naar de aangeslotenen leiden, bieden mogelijkheden voor de
overdracht van informatie die, gezien de ontwikkeling in de techniek, de
behoefte aan uitbreiding van overdracht via de ether kan doen vermin-
deren, met andere woorden de zendtijdschaarste is dan door aanvulling
afgenomen. Afgezien van de noodzaak tot verkeersregeling is in de
distributieve en consultatieve kabelsystemen het toewijzingsprobleem
duidelijk minder klemmend: goede coax-netten bieden ruimte voor min-
stens 30 televisiekanalen. Het is nog niet duidelijk of er ooit behoefte aan
zoveel kanalen zal ontstaan. De hoge produktiekosten voor sommige
programma's zullen ongetwijfeld een remmende werking hebben.
Anderszijds zal door programmamakers waarschijnlijk ruim gebruik wor-
den gemaakt van een toenemend en relatief voordelig zowel lokaal als
internationaal aanbod van videoprodukties op band en plaat. Bovendien
zal een internationale koppeling van kabeldistributienetten, alsmede de
introductie van televisie-satellieten, het aanbod van buitenlandse pro-
gramma's doen toenemen.
b) Wanneer men de technische ontwikkelingen in hun doorwerking op
diverse diensten beoordeelt, ziet men niet alleen een uitbreiding van de
bestaande tele-informatiediensten (zowel qua capaciteitsvergroting als
in technisch-kwalitatieve zin) als een snel naderende mogelijkheid, maar
ook de vervanging of aanvulling van bepaalde diensten voor informatie-
voorziening door een telecommunicatieve versie. Opgemerkt dient te
worden dat de spectaculaire ontwikkeling van het medium televisie, ook
waar die zoals in de Verenigde Staten heeft geleid tot een veel grotere
uitbreiding van ontvangstmogelijkheden en van televisiezendtijd dan in
Europa, geen afbreuk heeft gedaan aan de kennelijk bestaande behoefte
aan grafische media. De ontwikkeling van teletekst en Viditel, systemen
die zich vooral richten op de overdracht van teksten, biedt voor de pers
zelfs perspectieven doordat deze systemen meer in het verlengde liggen
van wat in alfanumerieke vormen via de drukpers aan informatie wordt
aangeboden. In die optiek is voor de gebruiker de belangrijkste veran-
dering dat papier als informatie-overdrager ten dele zal worden ver-
vangen door elektronische informatiedragers (langs elektromagnetische
transportwegen, maar ook op band en beeldplaat). Een dergelijke ont-
wikkeling zou kunnen worden bevorderd door een relatief belangrijke stij-
ging van papierprijzen en distributiekosten en door het beschikbaar
komen van een goed hanteerbaar eenvoudig te bedienen, liefst gemak-
kelijk transportabel, elektronisch weergeefsysteem met hoge beeld-
kwaliteit. Men mag daarbij op langere termijn een goedkoop, snel en
groot geheugen voor consumentengebruik op de markt verwachten,
waardoor zoals reeds eerder werd opgemerkt een grote stroom van
informatie, a la teletekst of als een elektronische krant in volle omvang in
</pre>

====================================================================== Einde pagina 77 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 78 ======================================================================

<pre>de nachtelijke uren, selectief kan worden opgenomen. Het kan zijn dat bij
de consument ook belangstelling blijkt te bestaan voor een afdrukap-
paraat, dat tegen aanvaardbare prijs in de huiskamer 'hard copies'
 maakt. De acceptatie zal mede afhangen van de smakelijkheid van de
opmaak die de beschikbare presentatievarianten toelaten.
c) Het informatie-aanbod van de pers is gedifferentieerd; de consu-
 ment kan dan ook uitermate selectief zijn. Het informatiepakket dat kran-
ten bieden, nodigt door de vorm en rubricering uit tot een persoonlijke
 selectie en opent de mogelijkheid t o t een verkennend lezen. Men zou
 hier het bedrukte papier kunnen opvatten als wegwerpgeheugen, waarin
 het menselijke oog niet alleen de leesfunctie maar ook de selectiefunctie
 vervult. Sommigen zijn wellicht van mening dat elektronische consul-
tatiesystemen zoals teletekst en viewdata voor het selectieproces
 doelmatiger zijn. Men kan zich afvragen of dat ook werkelijk zo is,
 respectievelijk of die doelmatigheid een wezenlijk criterium zal blijken te
 zijn. Bij het afwegen van mogelijkheden en waarschijnlijkheden mag men
 niet uitgaan van de huidige technische stand van zakenomdat teletekst
 en viewdata nog maar de meest prille vormen van telecommunicatieve
 consultatiesystemen zijn. Maar vanuit dezelfde technische trends evolue-
 ren de produktiesystemen van de pers. Men kan daar dan ook een stij-
 gende belangstelling voor nieuwe distributiesystemen waarnemen. Het
 ligt voor de hand te veronderstellen dat in de komende decennia deriva-
 ten dan we1 nieuwe varianten van het dagblad, als communicatieprodukt
 via systemen als teletekst en viewdata via een beeldscherm af te nemen,
 zullen ontstaan.
 d) In het algemeen kan worden opgemerkt dat consultatiesystemen
'met zeer grote centrale geheugens (evenals huisgeheugens, zoals de
 videorecorder en de beeldplaat), kunnen leiden tot bevrijding van de
 tijdsdwang die disseminerende systemen en distributiesystemen de
 consument opleggen, namelijk het aanbod van informatie in een in tijds-
 verloop vastgestelde reeks. Zulke consultatiesystemen maken immers
 een sterk gedifferentieerd aanbod van informatie - ook video-
 informatie - mogelijk, die op ieder moment, of althans binnen korte tijd
 na afroep kan worden geconsumeerd. f i j kunnen in dat opzicht een con-
 current van de pers zijn. Tot goed begrip zij opgemerkt dat een grotere
 differentiatie in aanbod en bijgevolg een zekere selectiviteit van de kant
 van de gebruiker ook reeds in de distributieve mul-
 tikanaalskabelsystemen kan worden geboden respectievelijk betracht,
 maar de tijdsdwang kan daarin niet volledig weggenomen worden. Of
 een echt consultatiesysteem zich zal kunnen doorzetten is een kwestie
 van vraag en aanbod. Het gaat er daarbij onder andere om, welk finan-
 cieel offer de consument wil brengen voor het op afroep beschikbaar zijn
 van bepaalde informatie en hoe zwaar voor hem de vermindering van
 tijdsdwang daarbij weegt.
     De betekenis van disseminatieve systemen, waarvan ook de omroe-
 porganisaties tot nu toe gebruik hebben gemaakt, zou kunnen worden
 aangetast door de invoering van bredeband-consultatiesystemen. De
 functie van de commerciele informatie (reclame) die in disseminatieve
 en distributieve systemen als financieringsbron momenteel is inge-
 bouwd, zou dan wellicht verzwakken. Hier zij nogmaals opgemerkt dat
 een bredeband-consultatiesysteem van een meer dan lokale omvang
 hoge eisen stelt en om financiele redenen voorlopig zeker niet realiseer-
 baar is.
 e) Het is de vraag of alle in de toekomst uit de ether te ontvangen dan
 we1 aan te voeren omroepprogramma's aan de aangeslotenen kunnen
 worden afgeleverd zonder op grote technisch-financiele problemen te
 stuiten dan we1 op grove onbillijkheden, veroorzaakt door het feit dat
 iedereen mee moet betalen voor het totaalpakket. Deze moeilijkheid zal
 zich in het bijzonder doen gevoelen als omstreeks 1985, naar zich laat
 aanzien, de eerste omroepsatellieten in Nederland ontvangbaar worden.
  Het verrekeningsprobleem (in het bijzonder in Nederland met zijn hoog
 bekabelingspercentage) komt anders te liggen als de kabeltelevisienetten
</pre>

====================================================================== Einde pagina 78 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 79 ======================================================================

<pre>worden omgebouwd tot ster of mini-sternetten, en kiesmogelijkheden
worden gei'ntroduceerd. Dan kan een basispakket - al of niet landelijk
vast te leggen - worden geleverd tegen een vastrechttarief en de rest
voor een deel selectief, dat wil zeggen tegen vergoeding per presentatie.
Een aspect van het invoeren van netten met kiesfaciliteiten zal zijn dat
eventuele auteursrechtverrekening zal kunnen plaatsvinden op basis van
het werkelijk gebruik. Het is, zowel ten aanzien van de voorbereiding van
de ombouw als voor het ontwerp van nieuwe lokale netten, van belang
dat er zekerheid over komt of deze omgebouwde respectievelijk nieuwe
netten al dan niet onder Ben landelijk technische beheersorganisatie zul-
len worden geplaatst en tevens moeten worden voorbereid voor 'nieuwe
diensten' en mogelijkerwijs zelfs voor (digitale) telefonie. Ontwerpers van
de signaliserings- en besturingssystemen via televisie-kabelnetten zullen
gebaat zijn met een duidelijk overheidsbeleid ten aanzien van gebruik en
beheer en van de integratievariant.
f) Met de invulling van diverse nieuwe mogelijkheden voor ogen kan
men, zoals reeds eerder opgemerkt, tal van verschuivingen voorzien ten
aanzien van produktie, transport en consumptie van informatie. De toe-
nemende omvang en differentiatie in aanbod veronderstelt een groeien-
de softwaresector: produkties van uitgeverijen, filmmaatschappijen, on-
derwijsinstellingen, databanken en allerlei nieuwe ondernemingen zullen
de bestaande vormen van inforrnatieproduktie aanvullen, waarbij men
ook wellicht kansen zal willen aangrijpen voor verhandelen en exporteren
van produkten. De positie van Nederland is in dit opzicht niet ongunstig.
Deze groei in de softwaresector, zo belangrijk met het oog op de werk-
gelegenheid, wordt nog benadrukt doordat ook de inhoud van veel func-
ties in de informatiesector verandert, zoals de werkwijze van redacties,
de presentatie en lay-out technieken. Dit vereist om- en bijscholing. De
groei van informatieproduktie en de corresponderende binnenlandse en
internationale handel, hangen uiteraard af van de vraag der afnemers.
Extern gerichte produktie zal de opstelling van informatieverzorgende
organisaties kunnen veranderen - waarschijnlijk zullen nieuwe types
aanbieders zich melden.
g) De Nederlandse economie zal niet alleen op het zojuist genoemde
terrein van de software schade kunnen leiden als niet, niet voldoende of
op onjuiste wijze wordt ingegaan op de nieuwe mogelijkheden. Ook in de
hardwaresector, dat wil zeggen de elektronika- en telecommunicatie-
industrie, liggen grote economische belangen. Deze industrie moet con-
curreren op een open en internationaal georienteerde markt. Neder-
landse bedrijven hebben belang bij een tijdige planning in verband met
export en werkgelegenheid. Een dergelijke planning dient we1 overwogen
en genuanceerd te zijn, rekening dient te worden gehouden met vele,
ook niet-economische aspecten. Mede ter ondersteuning van genoemde
planning, kan worden gedacht aan een overkoepelend instituut, vergelijk-
 baar met soortgelijke instellingen in het buitenland.
h) Voorafgaand aan en wellicht ook tijdens de invulling van de gekozen
technieken is het zinvol het acceptatievraagstuk ruime aandacht te
geven. Proefprojecten kunnen daarbij een rol spelen, alhoewel het belang
en de mogelijkheden daarvan soms worden overdreven. Het is van
belang.een onderscheid te maken tussen toepassingen in de zakelijke
sfeer en de huiselijke sfeer. In de zakelijke sfeer zal invoering van nieuwe
diensten veelal voortkomen uit een drang tot produktieverhoging. In de
huiselijke sfeer is de behoefte, hoe reeel ook, minder eenvoudig te ratio-
naliseren.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 79 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 80 ======================================================================

<pre>5    ENlGE KNELPUNTEN I N DE REGELGEVING
5.1    Inleiding
   Tot nog toe neemt op het gebied van de openbare elektronische
informatievoorziening etheromroep van binnenlandse herkomst, bestemd
voor het hele land, een centrale positie in. D i t geldt zowel voor de regel-
geving en het beleid, als voor het daarop gebaseerde omroepbestel.
Door een veelheid van nieuwe technische ontwikkelingen komen de be-
staande institutionele vormgeving en de instituties zelf echter onder druk
t e staan.
    De eerder gekozen uitgangspunten voor het mediabeleid (hoofdstuk 2)
hebben ten doel een pluriform media-aanbod t e bewerkstelligen. Zij heb-
ben zowel betrekking op bestaande als op nieuwe media; ook aanbod
dat met het huidige vergelijkbaar is maar van andere verspreidingsmid-
delen gebruik maakt (satelliet, kabeldistributie), andersoortig etheraan-
bod (teletekst), dan we1 nieuwe diensten die in bepaalde opzichten met
'omroep' overeenkomen (betaaltelevisie, viewdata) zijn hierbij betrokken.
    Een nieuw, samenhangend beleid zal ook aanpassingen in de regel-
geving vragen. M e t het oog hierop worden in d i t hoofdstuk enige actuele
knelpunten in de regelgeving genoemd. De nadruk ligt hierbij op de
stand van zaken o p dit moment en op een beoordeling van wat mogelijk
en wenselijk zou zijn binnen de uitgangspunten e n grenzen van het toe-
komstige mediabeleid. De te behandelen punten houden steeds, meer of
minder direct, verband met nieuwe technische ontwikkelingen. Ach-
tereenvolgens komen aan de orde:
- de Telegraaf- en Telefoonwet 1904 en de Omroepwet, mede in het
licht van nieuwe verspreidingsmiddelen en nieuwe diensten;
- de verspreiding van buitenlandse omroepprogramma's in Nederland;
- piraten in de ether en op de kabel;
- enige andere aspecten van de kabel.
5.2 Telegraaf- e n Telefoonwet 1904 e n O m r o e p w e t , mede i n h e t
licht van n i e u w e verspreidingsmiddelen e n n i e u w e diensten
5.2.1    De huidige situatie
    Gedurende tientallen jaren is het omroepbeleid beperkt geweest tot
omroep door middel van zenders. Sinds 1930 bepaalt het Radioreglement
 - gebaseerd o p artikel 3 ter van de Telegraaf- e n Telefoonwet 1904 -
  dat het zonder machtiging van de minister van Verkeer en Waterstaat
verboden is 'aan t e leggen of t e gebruiken een radio-elektrische inrich-
ting, bestemd tot het uitzenden ... van mededeelingen van woord-, toon-
  of beeldinhoud van ontspannenden, leerzamen, politieken, aestheti-
schen, ethischen of religieuzen aard, bestemd voor allen, die deze wen-
 schen te ontvangen'. Ten aanzien van de 'hardware' geldt sinds 1935 de
 Radio Omroep Zender Wet 1935, die bepaalt d a t met d e aanleg en de
 exploitatie van de zendinrichtingen voor de Nederlandse radio-omroep
 met uitsluiting van ieder ander, zonder dat een machtiging vereist is, de
 NOZEMA is belast. Bij contract zijn na 1945 de feitelijke werkzaamheden
 aan de P l T uitbesteed. De NOZEMA gebruikt d e zendinrichting - gezien
zijn wettelijke doelstellingen - uitsluitend 'ten behoeve van organisaties
of personen, tot het doen van uitzendingen bevoegd'; hij doet dat op een
golflengte en met de energie die door de minister van Verkeer en
Waterstaat daarvoor, met inachtneming van hetgeen internationaal is
 afgesproken, zijn goedgekeurd.
    Wie tot het doen van uitzendingen bevoegd zijn wordt sinds 29 mei
</pre>

====================================================================== Einde pagina 80 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 81 ======================================================================

<pre>1969 bepaald op grond van de Omroepwet. Volgens daarin gestelde
regels wijst de minister van Cultuur, Recreatie en Maatscha~pelijkWerk
zendtijd toe voor de binnenlandse omroep, dat is de omroep, hoofd-
zakelijk bestemd voor het pubtiek in Nederland (art. 13 e.v. en art. 2,
tweede lid, en eerste lid onder d.). Onder 'omroep' verstaat deze wet 'a1
hetgeen betrekking heeft op de voorbereiding, samenstelling en uit-
voering van voor het publiek bestemde radio- en televisieprogramma's,
die bedoeld zijn om te worden uitgezonden' (art. 1).
   Alle andere vormen van ethergebruik ten, behoeve van telecom-
municatie zijn bij of krachtens de Telegraaf- en Telefoonwet geregeld.
Voor de aanleg en exploitatie van voor het openbaar verkeer bestemde
(radio)-telegrafen en telefonen (te land) door anderen dan de Staat is
krachtens de wet een concessie vereist; in de praktijk wordt deze echter
nooit verleend. In feite heeft de PTT hierdoor een monopoliel.
    Sinds de ontwikkeling van breedbandige communicatienetten, die
radio- en televisieprogramma's kunnen verspreiden, is het gebruik van
de kabel sterk toegenomen. Hierbij was van betekenis dat in 1969 de
Telegraaf- en Telefoonwet zodanig werd gewijzigd dat draadomroepin-
 richtingen voortaan ook door anderen dan de PTT zouden kunnen wor-
den aangelegd en geexploiteerd2. De wet verstaat onder draadomroepin-
 richtingen 'elke inrichting of onderdeel van een inrichting, bestemd tot
 het larlgs lijnen of geleidingen in enigerlei vorm doorgeven of over-
 brengen van programma's van woord-, toon-, of beeldinhoud naar een of
 meer bij anderen in gebruik zijnde gronden, woningen dan we1 niet tot
woning dienende gebouwen of gedeelten van gebouwen'. Wat 'door-
geven' en 'overbrengen' omvatten geeft de wet zelf niet aan, maar dit
kan worden opgemaakt uit Kamerstukken. Doorgeven omvat 'het distri-
 bueren van terzelfder tijd uit de ether opgevangen omroepprogramma's,
 dat wil zeggen van radio- en televisieprogramma's die door een omroep-
zender worden openbaar gemaakt'; overbrengen: 'het distribueren van
 programma's die niet, of niet gelijktijdig, uit de ether zijn opgevangen's.
 Distribueren moet hier niet worden opgevat als verspreiden naar alle
 aangeslotenen, maar eenvoudig als verder brengen of 'uitsturen'. Ook
 het door de PTT geplande aanvoernet of het verder voeren van een pro-
 gramma van de ene draadomroepinrichting naar de andere valt aldus
 onder de Telegraaf- en Telefoonwet.
    De Telegraaf- en Telefoonwet maakt in artikel 3 sexies onderscheid
tussen aanleg en exploitatie van draadomroepinrichtingen van rijkswege,
waarvoor zij geen regels stelt, en die van andere draadomroepin-
 richtingen, waarvoor een concessie vereist is, tenzij het gaat om door de
 minister van Verkeer en Waterstaat nader aan te wijzen inrichtingen van
 bijzondere aard of geringe omvang. Dergelijke bijzondere of kleine inrich-
tingen zijn de gemeenschappelijke en centrale antenne-inrichtingen; voor
de aanleg, instandhouding en exploitatie hiervan is dus geen concessie,
 maar we1 een machtiging van de PTT vereist. De machtigingsvoor-
waarden bevatten naast technische eisen aan de inrichting en eisen in
verband met de continu'iteit van de exploitatie onder meer de bepaling
dat de inrichting uitsluitend mag worden gebruikt voor het doorgeven en
overbrengen van radio- en televisie-programma's (art. 12, eerste lid)4.
 1  Vgl. HR 30 maart 1976. NJ nr. 381.
 2  In 1953 gold een PTT-monopolie voor omroepdistributie (art. 3 Ter); deze instantie ver-
 zorgde als enige de zgn. radiodistributie. Radiodistributienetten bestonden reeds voor de
Tweede Wereldoorlog; hiervoor was toen een machtiging van de Minister van Verkeer en
Waterstaat vereist.
3 Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat. Nota betreffende het beleid inzake de aanleg
 en exploitatie van draadomroepinrichtingen; Tweede Kamer, zitting 1974-1975. 13 354, nr. 3,blz. 31.
4 Aanwijzing heeft plaatsgevonden bij beschikking van de minister van Verkeer en
Waterstaat, Nederlandse Staatscourant, 27 juli 1970, nr. 144, gegrond op artikel 3 sexies, derde
en vierde lid, van de Telegraaf- en Telefoonwet 1904. De aan de vereiste machtiging te ver-
binden voorwaarden zijn laatstelijk vastgesteld door de directeur-generaal PTT op 20 mei 1981
(Nederlandse Staatscourant, 29 mei 1981, nr. loo), gebaseerd op art. 4 van de zojuist genoem-
de beschikking.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 81 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 82 ======================================================================

<pre>   Uit het vorenstaande blijkt de centrale positie die de P l T van oudsher
bezit ten aanzien van de telecommunicatieve dienstverlening. Geconsta-
teerd werd reeds, dat concessies op grond van artikel 2 van de
Telegraaf- en Telefoonwet niet worden verleend. Hetzelfde geldt voor
machtigingen die tot openbare dienstverlening door derden (anders dan
overbrengen of doorgeven van omroepprogramma's via de kabel) zou-
den kunnen leiden. Deze opstelling maakt bijvoorbeeld een particulier
beheerd landelijk datanet onmogelijk, en behoudt ook zo'n activiteit aan
de P l T voor5.
   Dit betekent overigens niet dat de P l T zich o p eigen titel met de
inhoud van de berichtgeving of hoedanigheden van de gebruikers zou
mogen bemoeien. 'Aan de boodschap heeft men geen boodschap', zoals
we1 gezegd wordt. Scheiding tussen hardware e n software is het uit-
gangspunt.
   Bij wet van 1 september 1978 is een aantal wijzigingen aangebracht in
de Omroepwet6. Dit betrof onder meer een nieuw samenstel van defini-
ties, die de vaststelling inhielden dat alle draadomroepinrichtingen inge-
val van het overbrengen van voor het publiek bestemde radio- en televi-
sieprogramma's moesten worden beschouwd als inrichtingen waarmee
omroep wordt bedreven. De wijziging strekte er verder toe doorgifte
geheel buiten de sfeer van de Omroepwet te brengen. Ten aanzien van
de kabel was dat reeds het geval. Voor wat betreft andere draadom-
roepinrichtingen werd aldus gehandeld in de geest van de enige jaren
eerder met ruime meerderheid aangenomen motie-De Beer, waarin de
regering werd verzocht af te zien van het voornemen o m de aanvoer van
buitenlandse programma's te binden aan de goedkeuring van de
minister van CRM7.
   Deze wijziging van de Omroepwet is evenwel nog niet in werking
getreden door de 'affaire-Sluis'. Na de publikatie van de wijzigingswet in
het Staatsblad werd in de Tweede Kamer namelijk stilgestaan bij de
mogelijkheid, op grond van de Omroepwet verspreiding via de aanvoer
van op Nederland gerichte commerciele buitenlandse programma's te
weren. De actualisering van dit vraagstuk lag in het plan om Luxem-
burgse RTL-uitzendingen vanuit Sluis naar'verder in Nederland gelegen
kabelnetten door te voeren. Overwogen is toen dat deze aanvoer over
grote afstand ook doorgeven door middel van een draadomroepin-'
richting zou inhouden en volgens artikel48, tweede lid onder a (oud) van
de Omroepwet aan regels gebonden zou kunnen wordens. Bij inwerking-
treding van de wijzigingswet zou deze mogelijkheid, naar men toen
 5  Aangenomen dat het daarbij niet om programma's enzovoort in de zin van art. 1, onder f,
 gaat.
 6 Wet houdende wijziging van Cle wetgeving met betrekking tot de omroep. 1-9-1978. Stb.
 665.
 7 Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat, op. cit., nr. 5.
 0 Tweede Kamer. Handelingen 1979, blz. 1682.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 82 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 83 ======================================================================

<pre>vermoedde, vervalleng. De Tweede Kamer veranderde van mening: er
werd een motie-Scholten c.s. aanvaard, die tot uitdrukking bracht dat de
minister van CRM we1 degelijk bemoeienis met de aanvoer en doorgifte
van buitenlandse programma's zou moeten hebbenlO. De regering werd
uitgenodigd in een notitie aan de Kamer aan te geven welke normen en
criteria bij de beoordeling van de toegang van deze programma's tot de
kabel zouden moeten worden gehanteerd. Hoewel sindsdien vele stukken
zijn gewisseld, heeft dit er nog niet toe geleid dat de betrokken onder-
delen van de wet van 1 september 1978 in werking zijn getreden. Een
gevolg van dit uitstel is dat, zoals gezegd, gebruik van draadomroepin-
richtingen nog altijd niet geldt als omroep. Het overbrengen van omroep-
programma's door centrale en gemeenschappelijke antenne-inrichtingen
is nog steeds slechts geregeld op grond van art. 3 sexies, zesde lid van
de Telegraaf- en Telefoonwet en de zogenoemde Kerstbeschikking van
24 december 1971; in paragraaf 5.5.1 zal hierop nader worden ingegaan.
   Al is het hier relevante deel van de wet van 1978 dus nog niet van
kracht, het is toch van belang voor nieuwe ontwikkelingen de nieuwe
tekst nader onder ogen te zien. Deze regelt de scheiding hardware-
software, door te bepalen dat 'de voorbereiding, samenstelling en uit-
voering van voor het publiek bestemde radio- en televisieprogramma's,
die worden overgebracht 'door wat voor draadomroepinrichting ook', is
voorbehouden aan instellingen, die daartoe door de minister van CRM,
na overleg met de minister van Verkeer en Waterstaat zijn aangewezen'
(art. 48, eerste lid)". Het tweede lid van artikel48-nieuw bepaalt wie voor
een aanwijzing in aanmerking komen: regionale omroepinstellingen (art.
47), instellingen die zendtijd hebben verkregen en andere instellingen.
Door een nieuwe omschrijving van het begrip 'uitzending' (open-
baarmaking door middel van een omroepzender of een draadomroepin-
richting; art. 1, eerste lid onder m ) zullen de voornaamste algemene
bepalingen van de Omroepwet, onder meer die over de inhoud van uit-
zendingen, ook voor draadomroepinrichtingen van toepassing zijn. Naast
'omroep' door middel van draadomroepinrichtingen vermeldt het vierde
lid van artikel48-nieuw het gebruik van draadomroepinrichtingen voor
het overbrengen van andere dan de in het eerste lid bedoelde (voor het
publiek bestemde) radio- en televisieprogramma's. Hieromtrent kunnen
door de minister van CRM in overeenstemming met de minister van
Verkeer en Waterstaat regelen worden gesteld.
9   Dat de hierbij nodige uitleg van art. 48. 2, a van de Omroepwet niet onbetwistbaar is
(omdat het zou gaan o m de mogelijkheid van een doorgifteplicht en omdat de wetgever
indertijd, blijkens het eerste lid, niet op draadomroepinrichtingen als hier bedoeld het oog zou
hebben gehad), is reeds aangegeven door Linthorst (H.M. Linthorst. 'Draadomroepin-
richtingen als juridisch en politiek probleem'; Nederlands Juristenblad, 10 januari 1981, 56e
jaargang nr. 2, blz. 32 e.v.). Deze betoogde bovendien dat de Telegraaf- en Telefoonwet reeds
voldoende mogelijkheden biedt o m die vorm van doorgifte waarop de motie-Scholten het oog
had, te weren: er zou of (vrijwel steeds) sprake zijn van (mede-)exploitatie door anderen dan
het Rijk, in welk geval de daarvoor vereiste concessie geweigerd zou kunnen worden omdat
het beoogde gebruik niet in het algemeen belang zou zijn, of indien de inrichting zou worden
aangewezen als een draadomroepinrichting van 'bijzondere aard', voor de minister van CRM
de mogelijkheid openstaat zich, na de wettelijk verplichte mededeling van het voornemen
daartoe (art. 3 sexies, derde lid) daartegen te verzetten. In deze opvatting is het in casu niet of
nauwelijks van belang of de oude dan we1 de nieuwe tekst van art. 48 Omroepwet geldt, en zo
bezien was Linthorst's pleidooi de inwerkingtreding van het nieuwe artikel, met de
daaruit door hem gewaardeerde scheiding tussen hard- en software, begrijpelijk. Hier-
tegenover staat de, bij de uitvoering van de T- en T-wet steeds gevolgde, opvatting, dat een
concessie of machtiging alleen vereist is voor de exploitatie of het gebruik door particulieren
van met door de PlT ter beschikking gestelde verbindingen. Daarbij komt dat de scheiding
hardware (T- en T-wet) - software (Omroepwet) niet zou worden gevolgd als hier op grond
van deze eerste wet zou worden opgetreden. Wat hiervan zij, de opeenvolgende regeringen
hebben die inwerkingtreding van art. 48 aangehouden in atwachting van een wettelijke rege-
ling in de Omroepwet inzake de aanvoer van commerciele buitenlandse op Nederland gerich-
te programma's, respectievelijk elke doorgifte daarvan via d r a a d o m r o e p i n r i c h t i n ~ n .
    Tweede Kamer, zitting 1979-1980. 15 933, nr. 1.
     Van cai'n en gai'n is overigens ook nu reeds uitgesloten dat de 'toevallige' mach-
tiginghouder zelfstandig het initiatief kan nemen tot het overbrengen van programma's naar
eigen keuze.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 83 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 84 ======================================================================

<pre>5.2.2    Nieuwe ontwikkelingen
    Uit het vorenstaande kan worden afgeleid dat enkele uitgangspunten,
die de inrichting van de regelgeving in het verleden hebben bepaald,
onder druk staan. Genoemd kunnen worden:
a. de dominerende positie van d e etheromroep in het mediabeleid;
b. de tweedeling tussen omroep (openbaarmaking van programma's
naar een onbestemd publiek) en (besloten) telecommunicatie;
c. de scheiding hardware-software, nauw verbonden met het feit dat
op het gebied van de hardware sprake is van de aanwezigheid van een
monopolist (de PTT c.q. de kabelexploitant);
d. de monopoliepositie van de PTT op het punt van aanleg en exploita-
tie van hardware (anders dan van draadomroep) ten behoeve van
gebruik door het publiek;
e. het feit dat het verspreidingsmiddel (de drager) bepalend is voor het
gebruik.
    Nieuwe ontwikkelingen dwingen tot herbezinning op de boven-
vermelde punten. Naast de pers heeft de etheromroep in ons land nog
altijd een belangrijke positie. In toenemende mate ontstaan er echter
technische mogelijkheden die deze positie kunnen wijzigen. De betekenis
van de kabel wordt groter. De 'nieuwe' Omroepwet houdt hierrnee reeds
rekening door geen onderscheid meer te maken tussen omroep via de
ether en via de kabel (art. 48, eerste lid). Onlangs zijn vormen in de
aandacht gekomen waarbij programma's slechts worden geleverd aan
dat deel van het publiek, dat daarom heeft gevraagd (abonnee-televisie).
Voorts ontstaan diensten die informatie toegankelijk maken die niet de
vorm heeft van de nu gebruikelijke programma's, zoals telefonische
informatieverstrekking, viewdata, teletekst, via een telefoon- of datanet
te raadplegen databanken. Een andere grensvervaging doet zich nu al
voor bij de communicatiesatellieten, die strikt genomen weliswaar niet
voor omroepdoeleinden zijn bestemd maar zich daartoe gemakkelijk
lenen en waarvan het gebruik t o t druk op het omroepbestel kan leiden.
Het ontstaan van 'multi-purposesatellieten', die de koppeling tussen fre-
quentie en gebruik doorbreken, leidt ook t o t grensvervaging. Druk kan
uitgaan van een eventuele wens van kabelexploitanten hun net mede te
gebruiken voor andere distributiedoeleinden dan omroep i n de gebrui-
kelijke zin van het woord (bijv. data-processing). Dit zou het P l T -
monopolie raken. Hiernaast zou d e P l T door een eventuele uitbreiding
van het terrein van het mediabeleid tot bepaalde nieuwe diensten, zijn
beslissingsvrijheid bij de exploitatie van de openbare netten kunnen zien
afnemen. Waar zo'n uitbreiding nog niet heeft plaatsgevonden zal de
PTT als exploitant een zekere invloed op de ontwikkeling van de nieuwe
dienst willen hebben (bijv. Viditel). lnvloed o p de softwaremogelijkheden
kan er ook indirect zijn waar aan de P l T de beslissing is voorbehouden
                        ----.
welke ?etteiiGorden-aangelegd; dat bij die beslissing overwegingen van
me/dia'beleid geen rol b e h o e v e ~ t espelen maar vooral bedrijfseconomi-
sche argumenten van belang zullen zijn doet hieraan niet af.
                                        \
5.2.3 Her terrein van her elektronische mediabeleid in de toekomst;
nieuwe technieken, nieuwe grenzen
    Tot nog toe heeft de discussie over nieuwe media zich, althans waar
kabels als dragers fungeren, toegespitst o p artikel 48 van d e Omroepwet.
 Hierbij doen zich twee vragen voor. De eerste is wanneer radio- en tele-
visieprogramma's voor het publiek bestemd zijn. Als dit het geval is, dan
gelden wettelijke toelatingsregels, die onder meer gericht zijn op repre-
sentativiteit en non-commercialiteit. Als dit niet het geval is, dan zijn
deze en andere regels facultatief. Dit betekent dat dan een nadere dif-
ferentiatie mogelijk is, bijvoorbeeld in die zin dat bij betaalkanalen of
consultatiesystemen geen of minder vergaande regels dan voor omroep
gegeven kunnen worden. Dan is immers geen sprake van distributie naar
 alle aangeslotenen. Tegenover het voordeel van d e ruime dif-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 84 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 85 ======================================================================

<pre>terentiatiemogelijkheid staat het nadeel van de onzekerheid. Bij de blan-
co-delegatiebepaling aan de ministers van Cultuur, Recreatie en Maat-
schappelijk Werk en van Verkeer en Waterstaat die hier aan de orde is, is
het immers aan aspirantaanbieders niet duidelijk, welke eisen aan hen of
aan hun aanbod krachtens de wet kunnen worden gesteld. Voorts kan de
vraag rijzen of het juist is dat daar waar de Omroepwet zwijgt of slechts
randvoorwaarden aangeeft, de aspirantaanbieders zouden zijn 'over-
geleverd' aan een vrij door de kabelexploitant-monopolist te voeren
beleid.
    De tweede vraag is of er bij de nieuwe media iiberhaupt sprake is van
een radio- of televisieprogramma. ISdit niet het geval, dan is de
Omroepwet niet van toepassing en zijn dus thans geen regels in het
kader van het mediabeleid mogelijk. lndien echter bijvoorbeeld viewdata-
aanbod wordt beschouwd als een programma, dan kunnen hiervoor we1
regels gegeven worden op grond van de Omroepwet, die de vrijheid van
de exploitant en de gebruikers kunnen beperken.
    Het is begrijpelijk, dat de aandacht in eerste aanleg is gericht op uitleg
van de 0mroepwet12. Uiteindelijk echter zullen de grenzen van en binnen
het mediabeleid in het kader van een samenhangend beleid en zo nodig
10s van bestaande wetgeving moeten worden beantwoord. Deze wet-
geving is immers tot stand gekomen toen sommige nieuwe diensten nog
niet of nauwelijks bekend waren. Het is van belang bruikbare criteria te
ontwikkelen om de grenzen vast te stellen tussen die vormen van elek-
tronische informatieoverdracht die we1 en die niet onder het mediabeleid
vallen en binnen die eerste categorie te komen tot duidelijke en voor het
mediabeleid zinvolle onderscheidingen.
    Waar het gaat om een criterium ter aanduiding van de buitengrenzen
van het object van het mediabeleid kan in feite naar het slot van hoofd-
stuk 2 worden verwezen. Hetgeen daar wordt gesteld brengt voor de
elektronische informatie-overdracht die hier aan de orde is, met zich
mee, dat in beginsel steeds waar informatie voor ieder die deze wenst -
ongeacht of hij nu in een bepaald gebied moet wonen, moet betalen,
'2   De wet van 1 september 1978 (Stb. 665) en bijbihorende Kamerstukken geven op deze
vragen geen duidelijk antwoord. Wel bleek dat beide elementen volgens de toenmalige
minister van CRM ruim zouden moeten worden opgevat, aangezien hij te kennen gaf Viditel
voorshands als een vorm van omroep te beschouwen (OC, nr. 9, blz. 2). Een dergelijk gebruik
van het openbaar telefoonnet zou dat net in zoverre dus tot draadomroepinrichting bestem-
pelen en art. 48, 1-3 lid Omroepwet zou op de betrokken vorm van 'omroep' van toepassing
zijn. Op dit standpunt, dat ertoe leidde dat de in augustus 1978 door de PIT gestarte Prak-
tijkproef de status van een buitenwettelijk experiment moest krijgen, is men later terug-
gekomen. Bij een latere begrotingsbehandeling (Begroting Ministerie van CRM. Tweede
Kamer, zitting 1981-1982, 17 100, hfdst. XVI, nr. 41. blz. 49) heeft de minister gesteld dat Viditel
(ook) bij de inwerkingtreding van art. 48-nieuw niet als omroep moet worden gekwalificeerd,
aangezien er i.c. geen sprake is van voor het publiek bestemde radio- en televisieprogram-
ma's in de zin van de Omroepwet. Als motivering werd vermeld: 'Het niet-publieke element
komt tot uitdrukking in een combinatie van de volgende factoren: het interactieve karakter
van het systeem, het noodzakelijk bezit van bijzondere apparatuur bij de gebruiker en het ver-
plicht abonnement. Eventuele bevoegdheden van de minister van CRM ten aanzien van view-
datalviditel zullen naar verwachting daarom naar toekomstig recht gebaseerd kunnen wor-
den op artikel 48, lid 4, van de Omroepwet. Volgens huidig recht is in deze visie artikel 48, lid
5, van toepassing.' Deze nieuwe uitleg duidt op een ontwikkeling in de meningsvorming, die
erop neerkomt dat de algemene regels van de Omroepwet niet bij voorbaat op Viditel van
toepassing zijn, maar dat het voldoende is als in het kader van het mediabeleid enige regels
kunnen worden gesteld. Het zal hierbij duidelijk zijn dat het begrip 'radio- en
televisieprogramma's' ruim blijft opgevat: in ieder geval is het meer dan datgene wat thans
gewoonlijk via radio- en televisietoestellen in de huiskamer binnenkomt.
   De term 'voor het publiek bestemd' heeft ook anderszins in de discussie over de wettelijke
status van nieuwe media een rol gespeeld, namelijk waar het gaat om programma's die niet
zonder meer aan alle aangeslotenen op een kabelnet zouden worden 'geleverd'; daarbij gaat
het onder meer om abonnee-televisie, en, in een later stadium, kiestelevisie. lnmiddels zullen
ook hier de zojuist geciteerde uitspraken van betekenis zijn, in elk geval is er sprake van een
verplicht abonnement en van een interactief karakter. Dit zou kunnen betekenen dat zonder
wijziging van de Omroepwet toelating van bijvoorbeeld abonnee-televisie op commerciele
basis mogelijk wordt; voorafgaande wijziging van de reeds genoemde uit-
voeringsvoorschriften van Telegraaf- en Telefoonwet en Omroepwet is dan uiteraard we1
nodig.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 85 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 86 ======================================================================

<pre>aangesloten moet zijn o p een openbaar net of over bepaalde randap-
paratuur moet beschikken - toegankelijk is, het mediabeleid in beeld kan
komen. Slechts waar d e inhoud v a n de informatie niet eenzijdig wordt
vastgesteld door de aanbieder, m a a r in dialoog of waar geen open-
baarmaking wordt beoogd houdt het bereik van het mediabeleid op.
Voorts kunnen d e randvoorwaarden waaraan d e afnemer moet voldoen
zodanig zijn dat van toegankelijkheid voor ieder in redelijkheid niet meer
gesproken kan worden. Als globaal richtsnoer lijkt het vorenstaande niet-
temin bruikbaar. Om misverstand t e vermijden moet aan het voorgaande
onmiddellijk worden toegevoegd, dat een en ander geenszins een plei-
dooi inhoudt o m op dit hele brede terrein een bijkans alomvattend beleid
te voeren, zoals nu voor omroep h e t geval is. De vraag of en o p welke
wijze overheidsinterventie in het kader van mediabeleid nodig zou zijn is
hierbij nog geheel open.
   Het geven van voor het mediabeleid zinvolle onderscheidingen binnen
het zo juist afgebakende terrein is veel lastiger. Bekendheid met de
hoofdlijnen van het beleid en de aard van d e beleidsinstrumenten is dan
in feite onmisbaar. Zo is voor een toelatingsregeling als nu voor omroep
geldt een goede begripsomschrijving van meer belang dan voor nieuwe
medialdiensten die primair aan d e werking van de vrije markt worden
overgelaten. Anderzijds is het toekomstige beleid niet 10s te zien van de
wijziging van technische kenmerken. Gegeven d e huidige beperkte rei-
kwijdte van de Omroepwet enerzijds en het stringente karakter van de
regels van deze wet anderzijds, k a n het o p dit moment grote con-
sequenties hebben als men betaaltelevisie als 'niet voor het publiek
bestemd' beschouwt of als viewdata geacht wordt een 'programma' te
geven. Het belang van definitiekwesties als deze wordt echter geringer
als men zich realiseert dat
- de nu voor omroep geldende regels in het licht van nieuwe ontwikke-
lingen versoepeling kunnen behoeven;
- nieuwe diensten niet onafwendbaar onderworpen behoeven te zijn
aan een vergunningenstelsel, een verbod van commerciele exploitatie en
dergelijke; dit zou bijvoorbeeld v o o r viewdata, waar schaarste aan
verspreidingsmiddelen ontbreekt e n commerciele aanbieding is aan-
gewezen, ongemotiveerd zijn en d e doodsteek betekenen.
   Het ligt voor de hand bij de definiering aan d e betekenis van de mas-
samedia voor d e openbare informatievoorziening een voorname rol toe
te kennen. Weliswaar hangt deze mede af van d e opstelling van de over-
heid, niet steeds goed voorspelbare publieksvoorkeuren, economische
en technische ontwikkelingen, maar als ook de intrinsieke eigenschappen
van de media in de beschouwing worden betrokken kan toch wat meer
duidelijkheid ontstaan. D e voornaamste scheidslijn zou dan kunnen wor-
den aangebracht tussen die elektronische media, waar gelijktijdige, een-
zijdige en binnen de grenzen van h e t verspreidingsmiddel ongerichte
verspreiding van informatie plaatsvindt, dat wil zeggen naar een ieder,
die in een bepaald gebied woont o f o p een bepaald net is aangesloten,
en alle andere elektronische media. Niet alleen kan worden aangenomen
dat bij de eerste groep in beginsel een bereik ontstaat dat een grotere
betekenis heeft voor de informatievoorziening van het publiek, maar
tegelijk vragen deze wijzen van verspreiding in het algemeen een bijzon-
dere manier van financiering. Afrekening per geleverd produkt is immers
per definitie niet rnogelijk, zodat een zuivere werking van de wet van
vraag en aanbod niet mogelijk is. Voegt men daarbij d e technisch-
financiele schaarste die zich ook i n de overzienbare toekomst voor radio-
 en televisie-omroep nog zal voordoen, dan lijkt er voor dit gedeelte
 voldoende reden voor een bijzondere aanpak. Dit gedeelte omvat dat-
 gene wat in de nieuwe Omroepwet als 'omroep' wordt aangeduid, met
 dien verstande dat de vraag of er van een programma sprake is niet
 meer essentieel is en dat de motivering een andere is dan voorheen.
    Of de genoemde 'bijzondere aanpak' eenzelfde moet zijn als nu, is met
 het vorenstaande niet beantwoord. Met name waar in zekere zin toch
 van 'gerichtheid' sprake is - anders dan landelijke etheromroep -, de
</pre>

====================================================================== Einde pagina 86 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 87 ======================================================================

<pre>schaarste aan verspreidingsmiddelen minder klemt - waar de kabel
aanwezig is, en ook in de lokale ether - en de kosten geringer zullen zijn
- vooral op lokaal niveau - dringt zich een verruiming van het beleid en
dus differentiatie op. Ook is niet ieder onderscheid tussen ether- en
kabelomroep bij voorbaat uitgesloten; een lage aansluitingsgraad op de
kabel bijvoorbeeld kan reden voor verschil opleveren.
   Buiten de aldus afgebakende omroep zou men de ontwikkeling van de
media in beginsel aan de ontwikkeling van vraag en aanbod kunnen
overlaten. Men kan zich dan waar nodig concentreren op meer algemene
aspecten van samenhangend mediabeleid, zoals op de vraag of wellicht
zekere beperkingen met het oog op de positie van als essentieel
beschouwde andere media noodzakelijk en gerechtvaardigd zijn en voor-
al op d e zorg voor een vrije, althans voor ieder gelijke toegang tot de
'hardware' voor zover deze in handen van monopolisten is. Een en ander
kan dan zeer we1 alsnog tot rubriceringen leiden, maar het beginpunt is
toch een gelijke benadering van de gehele groep.
   Een tweede punt waar mede door de eerder gesignaleerde grensver-
vagingen in toenemende mate problemen kunnen ontstaan is dat van de
zeggenschap over de hardware, vooral de kabelnetten. Vanuit een oog-
punt van mediabeleid, dat zich in eerste instantie uiteraard met de
software bezighoudt, gaat het hierbij vooral om de vraag of regels over
aanleg en exploitatie wellicht remmend werken op de ontwikkeling van
die verspreidingsmiddelen. Zo kan men zich voorstellen dat de aan-
wezigheid van een veelal onvermijdelijke monopoliepositie naast voor-
delen ook onder meer het bezwaar heeft dat de prikkel om nieuwe ont-
wikkelingen te introduceren geringer is. Voorts is het denkbaar dat waar
twee monopolisten aanwezig zijn - de PTT en de machtiginghouder van
de kabel - de gebruiksmogelijkheden van hun netten elkaar deels over-
lappen. Naarmate meer vormen van gebruik van de kabel technisch
mogelijk en economisch interessant zijn, zullen kunstmatige beperkingen
als hinderlijk worden ervaren; ook voor technische voorschriften die de
gebruiksmogelijkheden beperken zou dit kunnen gelden. Op kortere
termijn zal moeten worden uitgemaakt of het gebruik van de kabel in
beginsel gebonden moet blijven aan de oorspronkelijke doelstellingen
van het net (verspreiden van radio- en televisieprogramma in de traditio-
nele zin) of niet. Voor de ontwikkeling van de hardware op wat langere
termijn lijkt een keuze tussen een volledig PTT-monopolie en een zo goed
als vrije concurrentie onontkoombaar. Dan immers zal ook de over-
weging een rol spelen dat verschillen in zeggenschap en in beheersstruc-
tuur ertoe kunnen leiden dat net- en dienstintegratie niet of moeizamer
tot stand komt. Op deze en andere aspecten van de regelingen inzake
hardware wordt in hoofdstuk 8 (paragraaf 8.3.6) nader ingegaan; enige
aspecten van het beheer van de kabel komen ook reeds in dit hoofdstuk
(5.5.5) aan de orde.
5.3    D e verspreiding van buitenlandse omroepprogramma's in Neder-
land
   Lange tijd is de plaats van het Nederlandse etheromroepbestel in het
geheel van de openbare informatievoorziening vrijwel onaantastbaar
geweest. Noch de verspreiding van omroepprogramma's afkomstig uit
eigen land of andere landen, noch aanbod van andersoortige elek-
tronische informatie had werkelijk invloed op die centrale plaats of tastte
de ideele of financiele grondslagen van het bestel aan. Buitenlands aan-
bod via de ether was in het algemeen slechts plaatselijk te ontvangen,
mede daarom niet speciaal op Nederland gericht en slechts matig
beluisterd of bekeken. Waar zich een uitzondering voordeed kon daar-
tegen door aanpassing van de wetgeving, ondersteund door internatio-
nale overeenkomsten, uiteindelijk afdoende worden opgetreden (de
invoeging van art. 3 septies in de Telegraaf- en Telefoonwet 1904, het
'anti-Veronica-wetje'). lllegale omroepactiviteiten hier te lande vormden
door d e hoge kosten van de zendapparatuur, het beperkte bereik daar-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 87 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 88 ======================================================================

<pre>van en uiteraard het opsporings- en vervolgingsbeleid evenmin een reele
bedreiging voor het bestel.
    De centrale plaats en een aantal grondslagen van het omroepbestel
zijn nu evenwel in het geding. Dit vloeit voort uit uiteenlopende, deels
met elkaar samenhangende en elkaar versterkende technische ontwikke-
lingen. De vergaande verspreiding van kabeltelevisienetten maakt, in de
toekomst vooral in samenhang met aanvoer- en doorvoerverbindingen,
een goede ontvangst op grote schaal mogelijk van etheromroepuit-
zendingen via aardse verbindingen, ook uit het buitenland. Satellieten
zullen de horizonbeperkingen van de aardse zenders sterk verminderen
of vrijwel opheffen.
    Blijkens de kabelnotitie van het eerste kabinet-Van Agt13 en de rege-
ringsverklaring van het tweede kabinet-Van Agt14 betreft de bezorgdheid
vooral de vercommercialisering van het binnenlands aanbod onder
invloed van buitenlandse programma's, het wegstromen van reclamegel-
den naar het buitenland en het blootstellen van het Nederlandse publiek
aan op hen gerichte commerciele omroep.
    Er zijn in beginsel twee manieren o m buitenlands aanbod te weren:
voorkomen dat de programma's in kwestie de ether ingaan of de ont-
vangst ervan hier te lande onmogelijk maken. Het laatste effect kan op
twee manieren worden bereikt: door een verbod van individuele ont-
vangst (uiteraard alleen zinvol als directe individuele ontvangst op
belangrijke schaal mogelijk is) of door een verbod om programma's via
draadomroepinrichtingen door te geven.
    In beide gevallen zal in de eerste plaats moeten worden bezien of geen
ongeoorloofde inbreuk ontstaat op het beginsel van 'free flow of
information' zoals onder meer neergelegd in artikel 10 van het Europees
Verdrag voor de Rechten van de Mens. De toelaatbaarheid van doorgif-
teverboden dient beoordeeld te worden door een onderlinge afweging
van de verschillende elementen van de uitingsvrijheid van het eerste lid,
te weten de vrijheid om een mening te uiten en de vrijheid om een
mening te ontvangen. Daarnaast geldt de eis van het tweede lid, dat de
beperkingen nodig zijn in een democratische samenleving in het belang
van veiligheid, openbare orde, goede zeden, rechten van anderen, enzo-
voort.
    Een verbod tot directe individuele ontvangst is in elk geval een beper-
king die in een democratische samenleving niet past; het is even
ondenkbaar als bijvoorbeeld strafbaarstelling van het lezen van welke
drukpersprodukten dan ook15.
    Een verbod om legale omroepprogramma's via draadom-
roeprichtingen door te geven die ter plaatse ontvangbaar zijn, zal de
 '3  Hierin werd in dit verband gesteld: 'In het bijzonder zou h e t beleid i n Nederland op het
 punt van reclame en radio en televisie kunnen worden doorkruist door dergelijke uit het bui-
tenland afkomstige reclame-uitzendingen (gedoeld werd op plannen van RTL o m een op
 Nederland gericht commercieel programma u i t te zenden) en door gesponsorde program-
 ma's. Voorts kan een vercomrnercialisering van de omroep i n Nederland in de hand worden
gewerkt door verstrengeling van o m r o e p en bedrijfsleven.' (Doorgihe van buitenlandse
omroepprogramma's via Nederlandse Kabelnetten, Tweede Kamer, zitting 1980-1981. 16 494,
nr. 2, blz. 3.)
14   Hierin werd opgemerkt dat, gezien d e wezenlijke betekenis van een pluriform omroep-
bestel voor het functioneren van d e democratie, het versterken van het omroepsysteem van
groot belang is. 'Om te voorkomen d a t bedrijven vanuit het buitenland - al dan niet via de
satelliet - voor Nederland bestemde commerciele programma's gaan uitzenden, zullen U
voorstellen bereiken o m d e doorgifte van buitenlandse ornroepprogramma's via kabelnetten
onder de werkingssfeer van de Omroepwet te brengen', zo w e r d daar verder gesteld (Tweede
Kamer, Handelingen 1981. blz. 335).
'5   De getrokken conclusie wordt versterkt door recente jurisprudentie van de Voorzitter van
de Afdeling Rechtspraak van de Raad van State. Weliswaar w e r d uitdrukkelijk afstand geno-
men van een belangenafweging als zojuist bedoeld binnen het eerste lid van art. 10, maar
deze werd vervolgens we1 verricht binnen het tweede lid. De belangen van het publiek bij
andere aspecten van de uitingsvrijheid dan dat waarvan de beperking wordt bestreden wor-
den dan beschouwd als 'de rechten van anderen' in de zin van deze laatste bepaling.
(Vb. Uitspraak van 7 rnei 1981, nr. A-31, 1991 (1981lS606).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 88 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 89 ======================================================================

<pre>toets aan artikel 10 EV eveneens moeilijk doorstaan. Dit geldt met name
als ter plaatse een antenneverbod zou gelden, zodat het dan in feite
eveneens o m een individueel ontvangstverbod zou gaan. Voorts zou dan
aangetoond moeten worden dat de doorgifte in feite de uitingsvrijheid
niet vergroot maar verkleint, doordat de pluriformiteit in de omroep ern-
stig zou worden aangetast of dat andere in artikel 10 EV genoemde
waarden als openbare orde enzovoort zouden worden bedreigdl6. Inmid-
dels blijkt ook de regering niet zonder meer overtuigd te zijn van de
juistheid van het door haar in de regeringsverklaring aangekondigde
doorgifteverbod. Over de staats- en internationaalrechtelijke aspecten
van zo'n verbod betreffende ter plaatse individueel te ontvangen pro-
gramma's heeft de regering inmiddels aan een drietal deskundigen
advies gevraagdl7. Naast het 'doorgeven' van ter plaatse direct ontvang-
bare programma's kunnen draadomroepinrichtingen ook programma's
doorgeven naar een andere inrichting, die door zijn ligging zelf niet tot
goede directe ontvangst (en dus doorgifte naar het publiek) in staat is. In
dit geval gaat het bijvoorbeeld om het zogenoemde landelijke aan-
voerplan van de P l T of de voorgenomen verbinding Sluis-Randstad. Het
zal duidelijk zijn dat als hier doorgifteverboden zouden worden gei'ntro-
duceerd, d e overweging van beperking van de directe individuele ont-
vangstvrijheid geen rol speelt. De overige hiervoor genoemde over-
wegingen gelden in dit geval echter evenzeer; ook in dit geval past der-
halve grote reserve.
   Behalve d e toetsing aan het Europees Verdrag zullen doorgiftever-
boden ook d e toets aan het Verdrag van Rome moeten kunnen
doorstaan, aangezien volgens het Hof van Justitie van de Europese
Gemeenschappen televisieprogramma's naar hun aard als een dienstver-
lening worden beschouwdla. Uit een latere uitspraak van het Hof kan
worden afgeleid dat om redenen van algemeen belang door een lidstaat
verboden en andere beperkingen mogen worden uitgevaardigd voor
etherreclame in programma's van buitenlandse omroepen, die in een
andere lidstaat gevestigd zijn en waarvan de programma's door een bin-
nenlands kabelsysteem worden doorgegevenlg. Zulke verboden en beper-
kingen moeten dan we1 voldoen aan de eis dat zij daadwerkelijk aan bin-
nenlandse omroepen en kabelexploitanten zijn opgelegd zonder dat daar-
bij een onderscheid wordt gemaakt naar land van herkomst van die
boodschappen, of de nationaliteit of plaats van vestiging van de omroep
of kabelexploitant. Aangenomen moet worden dat voor dergelijke door-
gifteverboden tevoren duidelijk moet zijn dat de betrokken programma's
niet voldoen aan de Nederlandse etherreclamevoorschriften.
   lndien men van oordeel zou zijn dat doorgiftebeperking ten aanzien
van buitenlandse programma's in verband met de commerciele aspecten
daarvan, noodzakelijk en verantwoord zou zijn, resteert nog de vraag
naar de wettelijke grondslag daarvan. Door Linthorst is gesteld dat de
Telegraaf- en Telefoonwet hier reeds mogelijkheden biedt, waar het gaat
om gebruik van draadomroepinrichtingen waarvoor een concessie
vereist isz0. Hij betoogt dat daarom de inwerkingtreding van het bij de
wet van 1 september 1978 gewijzigde artikel 48 Omroepwet niet behoeft
te worden opgehouden. Bovendien stelt hij dat anders dan bij de motie-
Scholten werd aangenomen het geldende artikel48, tweede lid, van de
Omroepwet waarschijnlijk niet als grondslag voor doorgiftebeperking als
daarin aan d e orde was, kan worden beschouwd. Niettemin is, zoals ver-
meld, de inwerkingtreding van artikel48-nieuw aangehouden totdat deze
l6  Vgl. Massa-'of Kassacommunicatie?; rapport van een cornmissie van het Wetenschap-
pelijk lnstituut van het CDA. Den Haag, april 1981, blz. 32. waarin ook wordt aangenomen 'dat
het enkele feit dat een programma speciaal voor Nederland bestemde reclame bevat
onvoldoende grond is voor een verbod tot doorgifte daarvan'.
l7   De betrokkenen, die eind mei 1982 met hun werkzaarnheden begonnen zijn, is gevraagd
voor 1 januari 1983 te rapporteren.
     Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen. 155173 (zaak-Sacchi).
l9   Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, 52/79 (zaak-Debauve).
20 Zie noot 9.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 89 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 90 ======================================================================

<pre>vergezel'd zou kunnen gaan van een basis in de Omroepwet tot beper-
king van aanvoer van bepaalde programma's.
   Voor een beperking van 'doorgifte' die ook rechtstreeks centrale en
gemeenschappelijke antenne-inrichtingen zou treffen - geopperd in de
laatste regeringsverklaring - biedt noch de Omroepwet, in de huidige of
de nieuwe versie, noch de Telegraaf- en Telefoonwet een basis. Bij de
vraag of een eventuele grondslag voor zulke doorgiftebeperkingen het
meest op zijn plaats zou zijn in de Omroepwet dan we1 in de Telegraaf-
 en Telefoonwet, pleit voor d e Omroepwet, dat d e achterliggende
gedachte van dergelijke beperkingen zou zijn handhaving van de plurifor-
miteit in de Nederlandse omroep, een doelstelling die de Omroepwet als
zodanig nastreeft. Als men doorgifte niet beschouwt als een zuiver tech-
nische aangelegenheid die zich aan de ontvangstkant afspeelt, maar
vooral als een zaak van samenhangend mediabeleid, is de Telefoon- en
Telegraafwet hier minder voor de hand liggend.
   Tot dusverre was sprake van eventuele mogelijkheden om aanbod van
omroepprogramma's te weren dat reeds de ether is ingestuurd en ten-
minste de grens van het Nederlandse gebied bereikt heeft. Daarnaast is
ook een aanpak aan de bron denkbaar, althans als men minder gewicht
hecht aan de beperking van de uitingsvrijheid in andere landen en aan de
inbreuk op het beginsel van 'the free flow of information' die hieruit kan
voortvloeien. lnternationale afspraken zijn dan uiteraard vereist. Waar
het gaat om de inhoudelijke kant van ether- en vooral satellietomroep-
uitzendingen, zijn diverse initiatieven ontplooid, die echter nog niet tot
concrete verdragen hebben geleid. Gedachten van Nederlandse zijde die
in Beneluxverba'nd zijn geopperd over beperkingen ten aanzien van op
andere landen gerichte omroepuitzendingen, zijn op sterke bezwaren van
Luxemburg gestuit. Vooralsnog lijkt een regeling in het kader van de
Raad van Europa de grootste kans op verwezenlijking te maken. Op inti-
tiatief van het Nederlandse l i d Stoffelen is door d e Assemblee met ruime
meerderheid een aanbeveling aangenomen waarin het Comite van
Ministers wordt opgeroepen een conventie en aanpassingen van de
nationale omroepwetgeving tot stand te brengen. Hiermee wordt beoogd
dat bij kabeltelevisie en directe .uitzendingen de nationale wetgeving
wordt geeerbiedigd, de strafwetgeving van toepassing is, reclame-
boodschappen in overeenstemming zijn met nationale en internationale
voorzieningen en televisiekanalen die aan commerciele organisaties of
andere landen worden verkocht onderworpen zijn aan dezelfde voor-
schriften als de nationale zendgemachtigden. Bovendien zouden
garanties moeten worden getroffen voor de bescherming van de rechten
van scheppende en uitvoerende kunstenaars, voor de onafhankelijke
positie van programmamakers en voor een duidelijke scheiding tussen
programma's en reclameboodschappen en de integriteit van commer-
ciele informatie21.
   Het is duidelijk dat uitvoering van deze aanbeveling voor het gebied
van de Raad van Europa inderdaad een grondslag zou kunnen bieden
voor beperking van buitenlands aanbod. In hoeverre men echter in de
praktijk bereid zal zijn concessies te doen ter realisering van de achterlig-
gende gedachte - namelijk het ontzien van elkaars omroepbestel - is
 nog niet duidelijk. Om dit uiteindelijk niet te doen kan men zich naast
financieel-economische overwegingen ook andere overwegingen
voorstellen, bijvoorbeeld dat de soevereiniteit van de verschillende lan-
den hier uiteindelijk moet wijken voor het beginsel van 'the free flow of
information'.
   Vooralsnog zijn internationale afspraken op het technische vlak van
meer praktisch gewicht. Over de verdeling van frequenties voor 'aardse'
etheromroep zijn al langere tijd regels van kracht die in het kader van de
21  Raadgevende Vergadering van d e Raad van Europa, Verslag tweede deel van de 33ste zit-
ting; Tweede Kamer. zitting 1981-1982, 17 135. nr. 1, blz. 2.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 90 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 91 ======================================================================

<pre>lnternationale Telecommunicatie Unie (ITU) tot stand zijn gekomen. Deze
regels hebben vooral ten doel storingen in andere landen te voorkomen.
    Ook ten aanzien van satellieten gelden ITU-regels. Uitgangspunt hierbij
is dat het gebruiksdoel van een satelliet en de frequentieband waarbin-
nen wordt uitgestraald, op elkaar aansluiten. Op deze basis worden
thans 10 t o t 20 categorieen communicatiesatellieten onderscheiden22.
Naast deze regeling heeft de 'World Administrative Radio Conference on
Broadcasting Satellites' (WARC-BS) begin 1977 geleid tot een door 106
lidstaten van de ITU ondertekende slotacte, die een planning bevat van
de frequenties voor uitzending via omroepsatellieten en een bepaling
van de baanpositie van de satellieten van de verschillende landen. Aan
deze toewijzing liggen twee uitgangspunten ten grondslag, namelijk dat
van nationale bedekking en dat van individuele ontvangst (uitzendingen
moeten met een paraboolantenne van 90 cm doorsnee goed ontvang-
baar zijn).
    Hiermee is de als probleem bestempelde ongewenste 'inbraak' van
buitenlandse, door satellieten verspreide omroepprogramma's echter
niet weggenomen. Via satellietcommunicatie van punt tot punt kunnen
namelijk ook omroepprogramma's worden overgebracht. Weliswaar ver-
plicht het lnternationale Radioreglement de aan de ITU deelnemende
landen tot het treffen van maatregelen om ongeoorloofde ontvangst en
verspreiding van radiocommunicatie niet bestemd voor algemeen
gebruik te beletten en te voorkomen en bevat de Nederlandse wetgeving
strafbepalingen ter zake23, maar als de verspreiders via de satelliet uit-
drukkelijk t e kennen geven tegen ontvangst en eventuele verspreiding
geen bezwaar te hebben, komt een eventueel ingrijpen in een ander licht
te staan. De Nederlandse overheid kan dan op goede gronden volhouden
dat het, gezien de verplichte registratie bij de Raad voor lnternationale
Frequentieregistratie niet om een omroepsatelliet gaat, met de hiervoor
weergegeven consequenties, maar dit doet dan toch enigszins gekun-
steld aan24. Dit zal nog versterkt worden als 'multi-purpose satellieten'
het hanteren van het onderscheid tussen communicatie en omroep
bemoeilijken, en zal in ieder geval praktische betekenis verliezen als indi-
viduele ontvangst en decodering mogelijk zouden worden. Aanvullende
internationale regels zijn dan nodig, wil men bepaalde programma's
weren.
    Ten aanzien van omroepsatellieten - die overigens voor West-Europa
nog niet zijn geregistreerd - zal de overstraling als oorzaak van de pro-
blemen worden aangemerkt: doordat een omroepsatelliet om technische
redenen in West-Europa een gebied van (tenminste) 600 bij 300 km zal
moeten bestrijken, is hier een doorbreking van het beginsel van de natio-
nale bedekking op vrij ruime schaal onvermijdelijk. De verdragsrechtelijke
verplichting om al hetgeen technisch mogelijk is te doen om overstraling
22   Dat wil zeggen satellieten die zorgen voor transmissie van (uiteenlopende) informatie van
punt tot punt.
23 I n antwoord op Karnervragen van het lid Mertens (D'66) wordt voor wat betreft de Neder-
landse wetgeving gewezen op art. 63 van het Radioreglement en art. 441 van het Wetboek
van Strafrecht. (Tweede Kamer, zitting 1981-1982, Aanhangsel van de Handelingen, nr. 45.)
Ook kan gesteld worden dat de betrokken kabelexploitanten zich aan (verboden) overbrengen
schuldig maken; van doorgihe is immers alleen sprake als het gaat o m gelijktijdig door een
omroepzender openbaar gemaakte programma's. Waar decodering van beelden afkomstig
van een communicatiesatelliet nodig is zodat verspreiding via het kabelnet kan plaatsvinden,
is onlangs d o o r de voorzitter van de Afdeling Rechtspraak van de Raad van State bevestigd
dat deze verspreiding (ongeoorloofde) omroep oplevert (Uitspraak van 7 juli 1982, gemeente
Schagen - Ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk).
24   De toenrnalige minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk nam op 3 februari
1982 tijdens d e behandeling van de begroting een vergelijkbaar standpunt i n ten aanzien van
de verspreiding van Horizonprograrnma's (een Russische communicatiesatelliet). Hij verklaar-
de hiertegen geen bezwaar te hebben rnits bevoegde Russische autoriteiten hiervoor hun fiat
zouden geven (Tweede Kamer, Handelingen 1982, blz. 1692-1693). Volgens recente kranten-
berichten blijkt de bereidheid hiertoe te bestaan, rnits auteursrechten worden betaald (Volks-
krant, 6 juli 1982).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 91 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 92 ======================================================================

<pre>te voorkomen zal hieraan niet kunnen afdoen. Naarmate de ontvangstap-
paratuur beter wordt, zal dit zich sterker doen gevoelen. Ook hier kunnen,
wil men bepaalde programma's weren, uiteindelijk - als directe individuele
ontvangst mogelijk is - slechts internationale afspraken effectief zijn.
5.4      Piraten i n de ether en op de kabel
    Het verschijnsel dat zonder d e wettelijk vereiste toestemming omroep
wordt bedreven is niet nieuw. Etherpiraten, een benaming die met name
wordt gebruikt voor diegenen d i e illegaal via voor legale omroep gere-
serveerde frequentiebanden programma's uitzenden, zijn vooral na d e
Tweede Wereldoorlog in het oosten van het land opgekomen. Na 1970 is
 het verschijnsel in omvang toegenomen, vooral doordat toen tegen sterk
verminderde kosten apparatuur kon worden aangeschaft waarmee voor-
al via de FM-band met geringe vermogens behoorlijke resultaten konden
worden bereikt. Uit een door lntomart in opdracht van de WRR uit-
gevoerd onderzoek blijkt dat er i n oktober 1981 tussen de 3000 en 4000
 radio-piratenstations in de lucht zijn geweest, die voornamelijk op de
 FM-band (rond de 102 MHz) uitzonden25. Vooral sinds 1980 is hier het
zogenaamde inbreken o p de kabel bijgekomen, dat wil zeggen het instra-
len van omroepsignalen op de ontvanginrichting van centrale antenne-
inrichtingen. Dit laatste is in h e t bijzonder van belang voor de versprei-
ding van televisieprogramma's, aangezien het 'gewone' rondstralen
daarvan, althans als men een redelijk bereik wil hebben, dure en krach-
tige apparatuur vereist en daardoor een te groot risico op betrapping
door opsporingsinstanties inhoudt.
    Het afgelopen jaar is hoofdzakelijk d e aanpak van kabeltelevisie-
 piraten in de aandacht geweest. Hier heeft zich een aantal ontwikkelin-
gen voorgedaan dat doet vermoeden dat dit verschijnsel binnenkort zo
goed als verdwenen zal zijn. De reden hiervan is gelegen in het feit dat
de positie van de 'doorgevende' kabelexploitant in het geding is
gebracht. Zeer belangrijk zijn hierbij enige recente arresten op auteurs-
 rechtelijk terrein. In 1981 bepaalde het Hof te Amsterdam dat doorgifte
door een centrale antenne-inrichting t e Amsterdam van ingestraalde
televisieprogramma's, die via d e normale tv-ontvangers ter plaatse vrij-
we1 niet o p te vangen waren, een 'openbaarmaking' in auteursrechtelijke
zin opleverde26. Voor zover de vereiste toestemming van de auteurs-
 rechthebbende ontbrak, was d i e openbaarmaking onrechtmatig; het Hof
gelastte de exploitant o m maatregelen tegen dergelijk gebruik van zijn
net te nemen. De nog nader t e vermelden (5.5.3) arresten van de Hoge
 Raad van 30 oktober 1981 hebben d e werking van het auteursrecht ver-
der uitgebreid. Nu is beslist dat iedere doorgifte een auteursrechtelijke
 nieuwe openbaarmaking inhoudt, tenzij deze plaatsvindt door hetzelfde
organisme dat uitzendt of er sprake is van het opvangen van uit-
zendingen voor de bewoners van een gebouw o f gebouwencomplex, kan
doorgifte van piratenprogramma's, of zij nu worden ingestraald of rond-
gestraald, schending van auteursrecht opleveren. In dit licht hebben
 sinds eind 1981 vele kabelexploitanten zich verplicht gezien hun kanalen
 na afloop van de uitzendingen af t e sluiten.
    Hiernaast geldt sinds kort, 10s van d e Auteurs-wet 1912, een wettelijk
 verbod o m piratenprogramma's door t e geven. Het verbod is neergelegd
 in een afzonderlijke gemeenschappelijke beschikking van de ministers
 van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk en Verkeer en
Waterstaat, gebaseerd op artikel 48 van de Omroepwet en artikel 3
 sexies van de Telegraaf- en Telefoonwet27. Overtreding is thans op grond
 25
      lntomart b.v.. Etherpiraten in Nederland; serie 'Voorstudies en achtergronden Mediabe-
 leid', nr. M6. 's-Gravenhage, Staatsuitgeverij. 1982, hoofdstuk 6.
 26
      Hof te Amsterdam. 17 septernber 1981 (Columbia Pictures Industries Inc. c.s. tegen Kabel-
 televisie Amsterdam BV; uittreksel gepubliceerd in Auteursrecht, 1981, nr.5, blz. 118).
      Beschikking van 25 mei 1982lnr. V 76752. Nederlandse Staatscourant, 2 juni 1982, nr. 102,
 blz. 5.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 92 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 93 ======================================================================

<pre>van artikel20 van deze laatste wet strafbaar. Aldus wordt tot uitdrukking
gebracht dat niet alleen technische, maar ook mediapolitieke factoren
van belang zijn: de mogelijkheid van ondergraving van het omroepbestel
en vooral van de regionale pers zal zeker een rol spelen bij het streven
naar beperking van omroeppiraten. Gezien de ontwikkelingen op het ter-
rein van het auteursrecht heeft het verbod voornamelijk een aanvullende
betekenis. Het betreft namelijk alle programma's, dus ook die waarop
geen auteursrechten rusten of waarvan doorgifte door de rechthebbende
wordt toegestaan.
   Toch moet de vraag onder ogen worden gezien in hoeverre een ver-
bod van de activiteiten van piraten verantwoord blijft als in de toekomst
ruimere verspreidingsmogelijkheden ontstaan. Weliswaar is wetgeving
die ertoe leidt dat nieuwe technische mogelijkheden niet volledig worden
benut, niet bij voorbaat met de uitingsvrijheid in strijd, maar een
belangrijke afweging ligt hier wet. De vraag naar beleidswijziging ten
aanzien van piraten zal bezien moeten worden in het ruime kader van
een toekomstig regionaal/lokaal omroepbeleid, waarbij ook de effecten
voor andere media (regionale pers, landelijke omroep) aan de orde
komen. Hoe pie effecten zullen zijn is overigens moeilijk te beoordelen.
Zo is het volstrekt onduidelijk hoe hoog de reclame-inkomsten van de
piraten - nu door lntomart voor etherpiraten op circa f 5 miljoen per
jaar geschat - zouden zijn als hun door de overheid niets in de weg
gelegd zou worden. Eveneens is het onduidelijk of een ruimer beleid ten
aanzien van de piraten inderdaad, ook afgezien van het wegvloeien van
reclamegelden, tot een inbreuk op het bestel zou leiden. De indruk
bestaat nu, dat de piraten vooral laten zien dat lokale en regionale
omroep meer mogelijkheden hebben dan nu worden gerealiseerd. Inge-
val van een verscherpt opsporings- en vervolgingsbeleid zal dan ook
waarschijnlijk meer druk ontstaan om via de reguliere omroep hetzij
meer programma's als de piraten nu bieden te verzorgen (vooral de
hoog gewaardeerde Nederlandstalige muziek), hetzij het toelatingsbeleid
tot de lokale/regionale omroep te verruimen.
5.5    Enige andere aspecten van de kabel
5.5.1 Omroep
    Het overbrengen van voor het publiek bestemde radio- en televisie-
 programma's via de kabel vertoont grote overeenkomst met de traditio-
 nele zenderomroep. Bij distributie naar alle aangeslotenen is in zekere zin
evenzeer sprake van ongerichte verspreiding als bij gebruik van de ether.
Zo bezien is het niet verwonderlijk dat de Omroepwet, na inwerking-
treding van de meergenoemde wijzigingswet van 1978, geen onderscheid
 meer zal maken tussen etheromroep en kabelomroep. Niettemin zijn er
verschillen. In de eerste plaats heeft distributie uit haar aard een kleiner
 bereik dan disseminatie. In de tweede plaats geldt het element van
schaarste aan kanalen, anders dan bij de ether, voor kabeltransmissie in
 principe veel minder.
    Op dit moment is in verband met het overbrengen van omroep-
 programma's via de kabel in de eerste plaats de zogenoemde Kerst-
 beschikking van belangZ8.Deze bepaalt dat overbrengen via de Label
 uitsluitend is toegestaan bij wijze van experiment na verkregen vergun-
 ning van de minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk. In
de praktijk worden deze vergunningen niet of nauwelijks verleend. Waar
thans overbrengen via centrale en gemeenschappelijke antenne-
 inrichtingen wordt toegestaan, gebeurt dit hetzij op grond van uit-
zonderingen op de Kerstbeschikking voor losstaande gevallen, hetzij,
voor de enkele gevallen dat kabelomroep op meer permanente basis is
toegestaan, op grond van de desbetreffende bepalingen van de Omroep-
28  Beschikking van de minister van CRM, in overeenstemming met de minister van Verkeer
en Waterstaat, Nederlandse Staatscourant, 24 december 1971, nr. 251.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 93 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 94 ======================================================================

<pre>wet (art. 48, tweede lid, onder b, jo art. 47 en art. 3 sexies, zesde lid van
de Telegraaf- en Telefoonwet).
    Het nieuwe artikel 48 van de Omroepwet zal in hoofdlijnen de volgende
regeling kennen. Voor kabelomroep komen naast regionale etherom-
roepinstellingen (art. 47) ook andere instellingen die reeds zendtijd heb-
ben verkregen en nog andere instellingen in aanmerking. Met de opne-
ming van deze laatste categorie wordt geen ingrijpende verruiming van
de toelatingseisen beoogd. De wet zelf bepaalt reeds dat ook zij een niet-
commercieel karakter moeten hebben (art. 48, tweede lid), terwijl blijkens
de Kamerstukken wordt gedacht aan instellingen die een beperktere
omroeptaak dan die van de regionale omroep nastrevenZg.De uit-
zendingen van de kabelomroep behoeven dan ook niet per se in het
bijzonder betrekking te hebben op een bepaald gewest of een bepaalde
streek of stad. lngevolge artikel48, derde lid, kunnen aan een aanwijzing
als instelling die draadomroep mag bedrijven beperkingen en voorschrif-
ten worden verbonden. Dit betekent dat de regeling inzake regionale en
lokale etheromroep enerzijds en kabelomroep anderzijds slechts op een
punt uiteen zullen lopen: in het eerste geval gaat de wet uit van Bbn
instelling per gebied, in het tweede wordt de mogelijkheid van verschil-
lende naast elkagr opererende instellingen opengelaten.
    Het is volgens'de boven weergegeven regels duidelijk dat de kabel niet
als een apart, nieuw medium wordt aangemerkt voor zover deze betrek-
king heeft op de ongerichte toelevering van omroepprogramma's. Bij
kabelgebruik dat bestaat uit andere activiteiten dan distributie van
omroepprogramma's naar alle aangeslotenen, kan echter we1 van een
nieuw medium gesproken worden. Bij toepassing voor abonneekanalen,
kies-televisie enzovoort, is er van functionele equivalentie met etherom-
roep geen sprake.
5.5.2     Leegstand van kanalen
     Het huidige restrictieve beleid leidt voor'al bij nieuwere kabelnetten tot
leegstand van kanalen. Men kan de principiele stelling verdedigen dat uit
 artikel 10 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van
de mens voortvloeit, dat de overheid het vergunningenstelsel zo moet
 inrichten dat de mogelijkheid van personen en instellingen om zich te
 uiten via de kabel niet meer wordt beperkt dan noodzakelijk is ter
 bescherming van een der in dat artikel genoemde belangen30. Een alge-
 meen verbod van reclame, zeker in combinatie met de weigering van rijk,
 provincies en gemeenten om subsidies te verlenen, is dan een beperking
 van de uitingsmogelijkheden die discutabel is. Deze moet, zoals eerder is
gesteld, in de eerste plaats worden beoordeeld door een afweging bin-
 nen het eerste lid van artikel 10 EV. Hierbij is het zeker niet bij voorbaat
 uitgesloten dat de belangen van het publiek bij het voortbestaan van een
 pluriform landelijk etheromroepbestel of van de regionale pers zwaarder
wegen dan die van de bedrijvers van kabelomroep. Anderzijds is een ver-
 wijzing naar het belang van het publiek zeker niet zonder meer toerei-
 kend. Er zal sprake moeten zijn van een zo ernstige bedreiging van
 andere media en daarmee van de informatievrijheid van het publiek, dat
 de beperking van de uitingsvrijheid van kabelexploitanten daardoor
 wordt gerechtvaardigd. In hoeverre de rechter, die uiteindelijk de betrok-
 ken maatregelen ter beoordeling kan krijgen, zou eisen dat zo'n bedrei-
 ging aantoonbaar of zelfs aanwezig is, is overigens niet te zeggen; dui-
 delijke jurisprudentie ontbreekt hier nog. Ook zonder dat mag evenwel
 worden aangenomen dat een wanverhouding tussen technisch mogelijke
 en feitelijk geoorloofde verspreidingsmogelijkheden een goed gefundeer-
 de uitzondering, uiteraard niet een uitgangspunt moet zijn.
 29   Tweede Kamer, zitting 1976-1977. 14 351, nr. 5, blz. 3.
 30   A.W. Hins. 'Kabelomroep, de inrichting van een nieuw medium'; Nederlands Juristenblad.
  10 oktober 1981, blz. 917 e.v. Zie over de relatie tussen kabel en de legitimatie van restrictieve
 omroepsystemen ook H. Cohen Jehoram. 'Kabeltelevisie rechtsvergelijkend bekeken': Neder-
 lands Juristenblad. 8 mei 1982, blz. 561 e.v..
</pre>

====================================================================== Einde pagina 94 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 95 ======================================================================

<pre>5.5.3      Het auteursrecht en doorgifie
   Het is nooit omstreden geweest dat het bedrijven van etheromroep,
het 'overbrengen' van programma's of het 'doorgeven' van via een
draadomroepinrichting aangevoerde buitenlandse omroepprogramma's
een nieuwe openbaarmaking in auteursrechtelijke zin oplevert, waarvoor
in beginsel toestemming van de rechthebbende is vereist3'. Ten aanzien
van de doorgifte van ter plaatse ontvangbare omroepprogramma's heeft
de overheid zich daarentegen steeds op het door velen zeer betwiste
standpunt gesteld dat deze geen nieuwe openbaarmaking in de zin van
de Auteurswet inhield. Zoals reeds aangegeven is dit standpunt door
recente jurisprudentie achterhaald. De Hoge Raad heeft in een tweetal
arresten uitgesproken, dat het doorgeven van door het auteursrecht
beschermde, uit de ether opgevangen televisie-uitzendingen door de
exploitant van een kabelnet moet worden beschouwd als een 'nieuwe
openbaarmaking' indien de doorgifte plaatsvindt door een 'ander orga-
nisme' dan dat wat de oorspronkelijke uitzending ~ e r r i c h t 3 Hiermee    ~.            is
de aan het regeringsstandpunt ten grondslag liggende theorie van indivi-
duele ontvangst van buitenlandse en binnenlandse omroepprogramma's
verworpen.
   Deze jurisprudentie heeft een aantal consequenties, in de eerste plaats
uiteraard op auteursrechtelijk terrein. Zij dwingt ertoe om hetzij te komen
tot afspraken tussen de gezamenlijke kabelexploitanten en de auteurs-
rechthebbende, hetzij gebruik te maken van de in artikel 17a van de
Auteurswet opgenomen mogelijkheid tot het opleggen van een 'dwan-
glicentie' door de overheid, hetzij - maar deze mogelijkheid lijkt zeker
voor buitenlandse programma's minder reeel - te komen tot een
constructie waarbij de eerste openbaarmakers Ben organisme vormen
met de kabelexploitanten. De eerste maatregel, die in ieder geval met
betrekking tot buitenlands aanbod niet geheel te vermijden zal zijn, is
reeds in 1979 in een interimadvies door de Commissie Incasso, Beheer
en Repartitie Auteursrecht gesuggereerd en wordt in haar eindrapport
van 4 mei 1982 herhaald. Welke oplossing of combinatie van oplossingen
de beste zou zijn, vergt nadere studie. De NOS heeft inmiddels doen
weten, in overleg met de VECAl en PTT, regelingen te willen treffen33.
Ook de andere betrokkenen hebben inmiddels hun voorkeur voor oplos-
singen uitgesproken; deze lopen op onderdelen uiteen. Zoveel mogelijk
zal moeten worden vermeden dat de kabelaangeslotenen extra zouden
moeten betalen voor programma's die mede uit hun omroepbijdragen
zijn gefinancierd. Voorts moet worden voorkomen dat een instantie die
een positie zou verwerven bij het tot stand komen van auteursrechtelijke
regelingen invloed zou uitoefenen op een selectie van het door te geven
programma-aanbod. Ten slotte kan worden gewezen op de opvatting dat
verwerving van de rechten door Ben centraal orgaan in strijd lijkt met het
karakter van de kabel als zelfstandig m e d i ~ m 3 ~ .
5.5.4     Antenneverboden
    Reeds geruime tijd is het in verschillende gemeenten gebruikelijk de
aanwezigheid van particuliere buiten-antennes te beperken. Hiertoe wor-
31  Zie onder meer het Technisch Rapport van de P77 bij de Nota betreffende het beleid inza-
ke de aanleg en exploitatie van draadomroepinrichtingen. Tweede Kamer, zitting 1974-1975. 13
354, nr. 3, blz. 41-43.
   Uitvoerig over de zaak onder meer H. Cohen Jehoram, 'Voor en na de kabeltelevisie-
arresten van de Hoge Raad'; Nederlands Juristenblad, 12 december 1981, blz. 1165 e.v..
32 H.R. 30 oktober 1981, zaak 11.739 (Columbia Pictures Industries Inc. e.a./Stichting tot
Exploitatie Centrale Antenne-lnrichting Amstelveen); Auteursrecht, november 1981, 5e
jaargang nr. 5. blz. 100.
   Zaak 11.740 (De Nederlandse Bioscoopbond/Stichting tot Exploitatie Centrale Antenne-
lnrichting Amstelveen), Ars Aequi,,mei 1982, 31e jaargang nr. 5, blz. 79.
33 Nederlandse Omroep Stichting. Omroep over de kabel, februari 1982, blz. 63 en 64.
34 F. Klaver. 'Kabel en satelliet'; Massacommunicatie, juni 1982, 10e jaargang nr. 3, blz. 101
e.v..
</pre>

====================================================================== Einde pagina 95 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 96 ======================================================================

<pre>den verbodsbepalingen in d e bouwverordening en soms ook bestem-
mingsplanvoorschriften en zelfs voorwaarden bij koopcontracten
gebruikt. Hiermee wordt beoogd antennewouden, die het stedelijk
schoon ontsieren, te rooien. Dat aldus tevens de aansluiting op centrale
antenne-inrichtingen, waarvoor de machtigingen tot aanleg en exploita-
tie in circa 80010 van de gevallen bij de gemeente berusten, wordt gesti-
muleerd, is eveneens een effect dat zich kan voordoen. Een betrekkelijk
recente uitspraak over een gemeentelijk antenneverbod is die van de
Voorzitter van de Afdeling Rechtspraak van de Raad van State van
31 mei 1978 inzake artikel358a van de bouwverordening van Ridderkerk
(A.B. 1978, no 460). Daaruit kan worden afgeleid dat een verdergaand
antenneverbod dan vervat i n het reeds toen aangevulde artikel358a van
de modelbouwverordening van de VNG, in strijd is met artikel 10 van het
Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens. De bepaling van de
modelbouwverordening komt neer op een verbod uitsluitend voor zover
er een aansluitingsmogelijkheid op een centrale of gemeenschappelijke
antenne-inrichting is, waarmee alle ter plaatse goed ontvangbare
omroep- en televisiesignalen kunnen worden doorgegeven. Hoe beschei-
den dit verbod ook lijkt, het roept toch de vraag op of de overheid, in
verband met de extra kosten die auteursrechtelijke oplossingen in ver-
band met de in 5.5.3 vermelde jurisprudentie onvermijdelijk voor de kabe-
labonnee zal inhouden, de keuze voor een prive- of gemeenschappelijke
antenne niet weer geheel vrij dient te latenS5.Daarbij valt te bedenken
dat het bescheiden verbod dat toelaatbaar wordt geacht, voldoende is
om diegenen, die zich met d e Nederlandse etheromroep tevreden stel-
len, tot een kabelaansluiting te dwingen. Dat zij met een sterke ont-
vangstinstallatie die we1 zou zijn toegestaan ook dit aanbod kunnen ont-
vangen is een schrale troost, immers ook dan komt men tot kosten die
per saldo slechts zaken opleveren waaraan men geen behoefte heeft.
5.5.5    Kabelbeheer en kabelconsument
   Tot zover heeft de nadruk sterk gelegen op de vraag waarvoor draad-
omroepinrichtingcn zouden mogen worden gebruikt uit technisch-
economische en mediapolitieke overwegingen. I n het bijzonder bij
centrale en gemeenschappelijke antenne-inrichtingen zijn voor de aan-
geslotenen, de 'kabelconsumenten', twee andere vragen tenminste even
belangrijk, namelijk wat wordt voor welke prijs feitelijk aangeboden en in
hoeverre bestaat daarbij keuzevrijheid. Op dit moment leveren deze vra-
gen in het algemeen nog geen grote problemen op. Ook waar een indi-
 recte aansluitplicht bestaat en geen keuze uit het aanbod mogelijk is
vormt het pakket dat de exploitant aanbiedt nog zelden een punt van dis-
cussie. Naast de landelijke Nederlandse etheromroep gaat het meestal
om slechts een bescheiden aantal buitenlandse zenders; de extra kosten
daarvan blijven binnen voor de meesten aanvaardbare grenzen van enke-
le kwartjes per maand. Keuzebeslissingen die kunnen voortvloeien uit
 het feit dat het aantal beschikbare programma's de capaciteit van de
 inrichting te boven gaat, zijn er evenmin.
    Het is echter de vraag of dit tang zo zal blijven. Reeds nu zijn af en toe
signalen op te vangen die er op wijzen dat de kosten voor sommige
kabelabonnees te hoog dreigen te worden. Gaat het daarbij vooralsnog
om zuiver financiele overwegingen, op langere termijn kan toeneming
 van het buitenlandse aanbod en de ~ntvan~strno~elijkheden,        te zamen
 met andere legale vormen van kabelgebruik, er ook toe leiden dat het
 gebruik van de kabel in zijn geheel ter discussie komt. De situatie waarin
 de kabelexploitant beslist w a t wordt aangeboden en de abonnee slechts
 de keuze heeft om dit te aanvaarden of zijn abonnement te beeindigen,
35  Vgl. H.M. Linthorst in NRC-Handelsblad, 10 november 1981.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 96 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 97 ======================================================================

<pre>zal waarschijnlijk niet lang meer algemeen aanvaardbaar ~ i j n In                 ~ feite
                                                                                      ~.
ligt hier nu al een punt van discussie.
    Op de vraag hoe de gesignaleerde knelpunten zouden moeten worden
weggenomen wordt in hoofdstuk 8 nader ingegaan. Het gaat hier bij uit-
stek om een zaak die in het kader van een samenhangend beleid moet
worden behandeld. Voor de positie van de consument kan niet alleen
een andere wijze van kabelbeheer van belang zijn, maar deze kan ook
door technische wijzigingen worden gediend. Processen van seg-
rnentering - hier en daar zijn reeds aanzetten tot een basispakket, met
daarnaast aanvullingen - en de ontwikkeling van schakelkastjes, die in-
dividuele consumptievrijheid mogelijk maken, zijn hier van belang. Hier-
tegenover moet we1 worden bedacht dat de financiele haalbaarheid van
vormen van kabelgebruik geringer wordt als collectieve afname ont-
breekt. De verschraling van het aanbod die hiervan het gevolg kan zijn,
mag echter geen aanleiding zijn om door afgedwongen gebruik het
voordeel van de kabel tegenover de ether, dat bestaat uit de mogelijk-
heid van afrekening per ontvangen kanaal, op te geven. Zo nodig zouden
we1 ondersteunende maatregelen in het kader van cultuurbeleid getrof-
fen kunnen worden om minder populaire kanalen toch in het aanbod te
houden. Uiteraard dient voorts de doorgifte van die omroepprogramma's
die mede u i t de retributie volgens de Wet op de omroepbijdragen zijn
gefinancierd, wettelijk verzekerd te zijn.
    Naast de relatie kabelexploitant-kabelconsument kan ook de positie
van de aanbieders van software in de toekomst nadere aandacht vragen.
Naarmate in het kader van het mediabeleid meer vormen van kabelge-
bruik zijn toegestaan, zal de drang tot toegang tot de kabel sterker wor-
den. Daarbij kan, het is al aan het slot van paragraaf 5.2 aangeduid, het
feit dat de kabel in handen is van een monopolist, als een probleem wor-
den gezien. Weliswaar ligt het in de rede dat de exploitant in beginsel uit
economische overwegingen een zo ruim mogelijk gebruik van de kabel
zal voorstaan, maar zonder nadere voorzieningen zou hij toch tot een
eigen selectiebeleid bevoegd zijn. Zo'n beleid zal trouwens, zeker als zich
een schaarste aan kanalen zou voordoen, ook de aangeslotenen op het
 net interesseren; waar zij ook aan de aanleg van het net als geheel heb-
 ben meebetaald kan hun enig recht van spreken ook niet ontzegd wor-
 den. lndien men meent dat enerzijds de uiteindelijke beslissing over toe-
gang tot de kabel niet bij de exploitant moet liggen, maar anderzijds een
gedoogplicht een te zware belasting zou zijn, zal een evenwichtige
 besluitvormingsprocedure die aan de belangen van aspirantgebruikers,
exploitant en aangeslotenen recht doet, gevonden moeten worden.
 "   In 'Massa- o f kassacommunicatie?' wordt gesteld dat elk gebruik van de kabel voor
 ornroepdoeleinden als een ornroepactiviteit moet worden gezien en in beginsel voor regeling
 in de Ornroepwet in aanmerking kornt. Dit zou dus ook voor het gebruik van de kabel voor het
 doorgeven van prograrnma's gelden. Irnmers: degene die beslist welke keuze uit het beschik-
 bare zender(programrna)aanbod wordt gernaakt vervult een functie die niet meer als louter
 technisch is te beschouwen, namelijk een selecterende functie. Dit spreekt te meer naarrnate
 het aanbod van door te geven zenders het aantal doorgeefmogelijkheden overtreft. Het is dan
 ook ongewenst een situatie te handhaven waarin exploitanten van kabelnetten feitelijk een
 omroepfunctie vervullen. Dit laatste sluit aan bij de reeds vermelde scheiding hardware-
 software. Anderzijds wordt evenrnin beoogd, de overheid systematisch over het doorgifte-
 aanbod te laten beslissen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 97 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 98 ======================================================================

<pre>BIJLAGE
Enige bepalingen uit de Telegraaf- en Telefoonwet 1904, de Omroepwet en
de Beschikking van 24 decernber 1971 lde zogenoemde Kerstbeschikking).
Telegraaf- en Telefoonwet 1904
Art. 1. Deze wet verstaat: . . . .
f. onder 'draadomroepinrichting' elke inrichting of onderdeel van een
inrichting, bestemd tot het tangs lijnen of geleidingen i n enigerlei vorm
doorgeven of overbrengen van' programma's van woord-, toon- of
beeldinhoud naar een of meer bij anderen in gebruik zijnde gronden,
woningen dan we1 niet tot woning dienende gebouwen of gedeelten van
gebouwen.
Art. 3 sexies.
1. Voor de aanleg en d e exploitatie van draadomroepinrichtingen anders
dan van Rijkswege wordt een door Ons verleende concessie vereist.
2. De aan een concessie als in het eerste l i d bedoeld te verbinden
voorwaarden behelzen t e n minste, dat:
   1 e. de aanleg, de instandhouding e n de exploitatie van de inrichtingen
ten genoegen van de minister geschieden;
   2e. de tarieven e n overige voorwaarden voor het gebruik aan de
goedkeuring van de minister zijn onderworpen;
   3e. intrekking van d e concessie te allen tijde k a n plaatsvinden indien de
voorwaarden, waaronder zij is verleend, dan we1 de regelen, gesteld
krachtens het zesde lid, niet worden nageleefd;
   4e. bij het beeindigen van de concessie de inrichtingen door de Staat
kunnen worden genaast tegen vergoeding van de waarde, welke deze
werken op dat tijdstip hebben.
3. Het bepaalde in het eerste e n tweede lid is niet van toepassing op door
de minister nader aan t e wijzen draadomroepinrichtingen van bijzondere
aard of geringe omvang. Van het voornemen tot zodanige aanwijzing doet
de minister belast met d e zaken van de omroep.
4. Ten aanzien van d e aanleg, de instandhouding en de exploitatie van
door hem ingevolge h e t derde lid aangewezen draadomroepinrichtingen
kan de minister voorschriften geven, welke onder meer kunnen inhouden
de eis van een door d e directeur-generaal der Posterijen, telegrafie en
Telefonie te verlenen machtiging.
5. I n een concessie als bedoeld in het eerste lid en in een machtiging als
bedoeld i n het vierde lid k a n de verplichting worden opgenomen tot betaling
van een vergoeding, w e l k e dient ter bestrijding van de kosten der
bemoeiingen, die voor h e t Rijk voortvloeien uit d e controle op de naleving
van de voorwaarden waaronder de concessie of d e machtiging is verleend.
6. Ten aanzien van hetgeen door middel vande doorde minister ingevolge
 het derde lid aangewezen draadomroepinrichtingen wordt overgebracht is
 het bepaalde i n de artikelen 4 7 en 48 van de Omroepwet van
 overeenkomstige toepassing.
 7. Het gebruik vande draadomroepinrichtingen wordt, zodra dit door Ons
 in het algemeen belang nodig wordt geacht, geheel of ten dele gestaakt.
NB. Bij de w e t van 1 september 1978, Stb. 665 is a r t i k e l 3 sexies als
volgt gewijzigd:
   - in het tweede lid onder ten 3e vervalt de zinsnede: 'dan we1 de
regelen, gesteld krachtens het zesde lid'.
   - het zesde lid vervalt.
   - het zevende lid w o r d t vernummerd tot het zesde lid.
   Deze wet is nog niet i n werking getreden.
 Omroepwet
 Art. 1. Onder omroep i n de zin van deze wet wordt verstaan a1 hetgeen
 betrekking heeft op de voorbereiding, samenstelling en uitvoering van
</pre>

====================================================================== Einde pagina 98 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 99 ======================================================================

<pre>voor het publiek bestemde radio- en televisieprogramma's, die bedoeld
zijn om te worden uitgezonden.
Art 2. Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde
wordt verstaan onder: ...
    a. 'binnenlandse omroep': de omroep, hoofdzakelijk bestemd voor
het publiek in Nederland;
    e. 'regionale omroep': de binnenlandse omroep, bestemd voor het
publiek in gewesten, streken of steden;
    k. 'draadornroepinrichtingen': de inrichtingen, bedoeld in artikel 1,
eerste lid onder f van de Telegraaf- en Telefoonwet 1904, met uit-
zondering van die, waarop het artikel 3 sexies, derde lid van die wet van
toepassing is;
    I. 'uitzending': openbaarmaking door middel van een omroepzender.
(Paragraaf.7. Het programma van draadornroepinrichtingen)
Art. 48.
 1. Door middel van draadomroepinrichtingen worden de programma's
van de binnenlandse omroep zoveel mogelijk onverkort en gelijktijdig
doorgegeven. De doorgifte kan slechts worden onderbroken voor het
doorgeven of de overbrenging van regionale programma's overeenkom-
stig het bepaalde in artikel 47, tweede lid, dan we1 voor mededelingen
van algemeen belang.
2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid kan Onze minister in
overeenstemming met Onze minister belast met de zorg voor het Staats-
 bedrijf der Posterijen, Telegrafie en Telefonie:
    a. buitenlandse zenders aanwijzen, welker uitzendingen geheel of
gedeeltelijk door middel van een of meer draadornroepinrichtingen zullen
worden doorgegeven;
    b. instellingen, die volgens de bepalingen van deze wet voor de toe-
wijzing van zendtijd in aanmerking komen, in de gelegenheid stellen pro-
 gramma's over t e brengen door middel van een of meer draadomroepin-
 richtingen;
    c. de bevoegdheden, bedoeld onder a en b, overdragen aan bij deze
 overdracht aan t e wijzen instanties of instellingen.
 3. Op de programma's bedoeld in het tweede lid, onder b, is het
 bepaalde in de artikelen 3, 4, 5, 7, 10, 11, 12 en 38 van toepassing. Ver-
 dere regelen omtrent het gebruik van de draadomroepinrichtingen als in
 het tweede lid, onder b, bedoeld, kunnen bij algemene maatregel van
 bestuur worden vastgesteld.
4. Onze minister bepaalt of en in hoeverre de instellingen, bedoeld in
 het tweede lid onder b, in aanmerking komen voor een vergoeding als
 bedoeld in artikel 58 terzake van het overbrengen van hun programma's
 door middel van draadomroepinrichtingen. In zoverre deze instellingen
 een zodanige vergoeding wordt toegekend, zijn zij onderworpen aan de
 verplichtingen, omschreven in artikel 59.
 5. Ten aanzien van het gebruik van de draadomroepinrichtingen voor
 andere doeleinden dan de doorgifte van de in het eerste en tweede lid
 bedoelde programma's kunnen door Onze minister in overeenstemming
 met Onze minister belast met de zorg voor het Staatsbedrijf der
 Posterijen, Telegrafie en Telefonie regelen worden gesteld.
 NB. Bij de wet van 1 september 1978, Stb. 665 zijn onder meer de vol-
 gende wijzigingen in de Omroepwet aangebracht. De betrokken gedeel-
 ten van de wijzigingswet zijn nog niet in werking getreden.
     Art. 2.1 Voor d e toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde
 wordt verstaan onder: ...
     1. 'draadomroepinrichting': een inrichting bedoeld in artikel 1, eerste
 lid, onder f, van d e Telegraaf- en Telefoonwet 1904 (Staatsblad nr. 7).
 voorzover bestemd tot het overbrengen van programma's;
     m. 'uitzending': openbaarmaking door middel van een omroepzender
 of een draadomroepinrichting.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 99 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 100 ======================================================================

<pre>    (Paragraaf 7. Omroep door middel van draadornroepinrichtingen)
    Art. 48.
    1. De voorbereiding, samenstelling en uitvoering van voor het publiek
bestemde radio- en televisieprogramma's d i e worden overgebracht door
middel van een draadomroepinrichting is voorbehouden aan instellingen
die daartoe door Onze minister, na overleg m e t Onze minister belast met
de zorg voor het Staatsbedrijf der Posterijen, Telegrafie en Telefonie, zijn
aangewezen.
    2. Voor een aanwijzing als bedoeld in het vorige lid kunnen in aan-
merking komen regionale omroepinstellingen, instellingen die zendtijd
hebben verkregen, d e Stichting daaronder begrepen, en andere instel-
lingen. De laatstgenoemde instellingen moeten ten genoegen van Onze
minister aantonen d a t zij niet gericht zijn op het maken van winst, voor-
zover deze niet voor d e vervulling van de omroeptaak bestemd is, of
dienstbaar zijn aan het maken van winst voor derden.
    3. Aan een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid kunnen beperkin-
gen en voorschriften worden verbonden. De aanwijzing kan worden
 ingetrokken indien d e betrokken instelling d e beperkingen niet in acht
neernt, de voorschriften niet naleeft of niet meer voldoet aan de eisen
die worden gesteld o m voor aanwijzing in aanmerking t e komen.
    4. Ten aanzien van het gebruik van draadornroepinrichtingen voor het
overbrengen van andere dan d e in het eerste lid bedoelde radio- e n tele-
visieprogramma's kunnen door Onze minister in overeenstemming met
Onze minister belast met de zorg voor het Staatsbedrijf der Posterijen,
Telegrafie en Telefonie regelen worden gesteld.
 Kerstbeschikking
 De overweging luidt als volgt:
     'Overwegende, d a t artikel 3 sexies, zesde lid, van de Telegraaf- en
Telefoonwet 1904 (Stb. 7) bepaalt, dat de artikelen 47 en 48 van de
 Omroepwet (Stb. 1967, 176) van overeenkomstige toepassing zijn o p het-
 geen wordt overgebracht door middel van d e draadomroepinrichtingen
 bedoeld in artikel 3 sexies, derde lid;
     dat de Minister van Verkeer en Waterstaat bij zijn beschikking van 27
 juli 1970 no. 700727 (Stcrt. 144) gemeenschappelijke en centrale antenne-
 inrichtingen heeft aangewezen als draadomroepinrichtingen. waarop
 artikel 3, sexies, derde en vierde lid, van toepassing is;
     dat het gebruik van deze draadomroepinrichtingen voor andere doel-
 einden dan de doorgifte van radio- en televisieprogramma's voorlopige
 regeling behoeft in afwachting van het door de Regering toegezegd
 overleg met de Tweede Kamer der Staten-Generaal over de regionale
 omroep en het programma van de draadomroepinrichtingen;
     dat het wenselijk is, teneinde het i n de vorige alinea bedoelde overleg
 niet te doorkruisen, het gebruik voor andere doeleinden dan de doorgifte
 van radio- en televisieprogramma's in dit stadium t e beperken tot
 gebruik bij wijze van experiment van enkele daartoe door de Minister van
  Cultuur, Recreatie e n Maatschappelijk Werk aan te wijzen draadom-
  roepinrichtingen;'
  Art. 1.
  1. Het gebruik van gemeenschappelijke en centrale antenne-
  inrichtingen als bedoeld in de beschikking van de Minister van Verkeer
  en Waterstaat van 27 juli 1970 no. 700727 voor andere doeleinden dan de
  doorgifte van radio- en televisieprogramma's, is uitsluitend toegestaan
  voor zover betreft h e t gebruik bij wijze van experiment van inrichtingen
  die zich bevinden o p het grondgebied van de daartoe door de Minister
  van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk aan t e wijzen gemeen-
  ten of gedeelten daarvan.
  2. Voor het in het eerste lid bedoelde gebruik komen alleen in aan-
  merking de gemeenschappelijke en centrale antenne-inrichtingen, waar-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 100 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 101 ======================================================================

<pre>voor de directeur-generaal der Posterijen, Telegrafie en Telefonie een
machtiging heeft afgegeven krachtens artikel4 van de in het eerste lid
bedoelde beschikking, alsmede de inrichtingen die overeenkomstig arti-
kel 9 van die beschikking zijn aangemeld.
Art. la.
1. Het in het eerste lid van artikel 1 bedoelde gebruik, zijnde het doen
overbrengen van plaatselijke radio- en televisieprogramma's, daaronder
gerekend het samenstellen en voorbereiden daarvan, is voorbehouden
aan een in elke aangewezen gemeente door de Minister van Cultuur,
Recreatie en Maatschappelijk Werk aan te wijzen rechtspersoonlijkheid
bezittende culturele instelling, die:
  a. representatief is voor de gemeente of het door de inrichting of de
inrichtingen bereikte gebied;
  b. niet gericht is op of dienstbaar aan het maken van winst voor
zover deze niet bestemd is voor het samenstellen, voorbereiden en doen
overbrengen van programma's.
2. De Minister gaat niet tot aanwijzing van een representatieve culturele
instelling over, dan nadat de gemeenteraad in de gelegenheid is gesteld
advies uit te brengen.
3. De Minister kan aan de aanwijzing voorwaarden verbinden.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 101 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 102 ======================================================================

<pre>6. DE ECONOMISCHE ASPECTEN VAN DE ONTWIKKELING I N DE
MASSAMEDIA
6.1   lnleiding
   De massamedia zijn voor de economische ontwikkeling van ons land
niet alleen van betekenis vanwege hun bijdrage aan het nationaal pro-
dukt en de werkgelegenheid, maar vooral ook omdat het eindprodukt
van deze sector een wezenlijke functie vervult in een samenleving waarin
informatie een steeds grotere rol is gaan spelen. Ook is de mediasector,
als informatieleverancier voor de vele mogelijke toepassingen, sterk
betrokken bij tal van technische ontwikkelingen op het gebied van tele-
communicatie - een belangrijk aandachtsgebied voor herindustrialisatie.
Technische ontwikkelingen zullen ook in dit hoofdstuk de ingang vormen
voor een beschrijving en analyse van de massamedia vanuit een econo-
mische invalshoek. Centraal staat de vraag op welke wijze technische
ontwikkelingen direct of indirect invloed uitoefenen op de markt van de
massamedia en met name op het functioneren van omroep en pers.
   Alvorens de mogelijke gevolgen van technische ontwikkelingen aan de
orde te stellen, wordt eerst in paragraaf 6.2 de bestaande aanbodstruc-
tuur van de massamedia beschreven en geanalyseerd. Voor de periodiek
verschijnende pers ligt hierbij het accent op de mate van concentratie op
het niveau van hdividuele bladen, uitgevers en concerns, terwijl voorts
aandacht wordt besteed aan de factoren die tot de opgetreden con-
centratiebeweging en concernvorming hebben bijgedragen. Bij de
behandeling van de omroep ligt het accent op de mate waarin binnen
het publieke bestel toch van een zekere marktwerking sprake is, alsmede
de problematiek rond het niet-commerciele karakter van de omroep.
   Een direct gevolg van de technische ontwikkelingen is de vergroting
van het aanbod van massamediaprodukten die via de elektronische
media kunnen worden geleverd. In paragraaf 6.3, die aan de technische
ontwikkeling is gewijd, wordt een aantal nieuwe produkten en diensten
beschreven die mogelijk in concurrentie zullen tr;eden met de bestaande
massamedia. De bestaande massamedia zullen hiervan niet alleen op de
lezers- en kijkersmarkt de gevolgen ondervinden, maar ook op de adver-
tentiemarkt, waarvan de bekostiging van de massamedia voor een
belangrijk deel afhankelijk is.
   Bestaande grenzen tussen de gedrukte media, de omroep en de nieu-
we diensten zullen door de technische ontwikkelingen steeds moeilijker
te handhaven zijn. Aanbieders van gedrukte media wensen ook in toene-
mende mate van de elektronische media gebruik te maken. Men stelt
zich meer op als informatieleverancier en minder als uitgever van een
dagblad of tijdschrift. De behoefte om de informatiefunctie via verschil-
lende media te vervullen wordt gedeeltelijk geblokkeerd door de struc-
tuur van de mediasector, waar de pers werkzaam is op basis van onder-
nemingsgewijze produktie, de omroep is georganiseerd in een publiek
bestel zonder winstoogmerk en een overheidsregime ten aanzien van
nieuwe diensten nog nader ingevuld moet worden.
   De verruiming van het aanbod en de nieuwe diensten die door de
technische ontwikkeling worden mogelijk gemaakt, zullen kunnen leiden
tot verschuivingen in de reclamestromen. Gezien het belang van de
reclame-inkomsten voor de verschillende media zal de aanbodstructuur
hierdoor sterk kunnen worden bei'nvloed. In paragraaf 6.4 wordt vooral
aan dit aspect aandacht besteed, nadat eerst meer in het algemeen de
financieel-economische positie van de bestaande media is weergegeven.
   Niet alleen de mate waarin reclame-inkomsten kunnen worden verwor-
ven, maar ook de bereidheid van de consument om voor een groter aan-
bod te betalen, zal de penetratie van nieuwe diensten in de markt be'in-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 102 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 103 ======================================================================

<pre>vloeden. Hierbij kan ook een substitutie-effect ten opzichte van de be-
staande media optreden. In paragraaf 6.5 wordt een poging ondernomen
de toekomstige mediaconsumptie te schetsen onder de belangrijke
veronderstelling d a t het volume van de particuliere consumptie per gezin
enigszins zal dalen en op basis van een analyse van het bestedings-
gedrag van de consument in het recente verleden.
   In paragraaf 6.6 wordt aandacht besteed aan het werkgelegen-
heidsaspect. De toekomstige werkgelegenheid in de mediasector hangt
in belangrijke mate af van economische en technische factoren. De ver-
wachte economische ontwikkeling in de komende jaren kan de afzet van
de massamedia onder druk zetten, wat op zichzelf negatief uitwerkt in de
richting van de werkgelegenheid. Ook kan de beperkte groei van de
consumptieve bestedingen inhouden dat de penetratie van verschillende
nieuwe media zich over een langere periode zal uitstrekken of dat
bepaalde produkten voorlopig niet aan bod zullen komen. Dit kan ver-
tragend werken o p de ontwikkeling van de audiovisuele industrie en
daarmee ook op d e werkgelegenheidgroei in deze potentieel belangrijke
sector.
   Paragraaf 6.7 ten slotte bevat een concluderende beschouwing over
hetgeen in dit hoofdstuk wordt besproken.
6.2 De aanbodstructuur van de massamedia
6.2.1    Inleiding
   In deze paragraaf richt de aandacht zich op een beschrijving en verkla-
ring van de aanbodstructuur van de massamedia in Nederland. Hierbij
moet een onderscheid worden gemaakt tussen de gedrukte media ener-
zijds en de omroep anderzijds vanwege het uiteenlopende karakter van
de regimes waaronder deze twee sectoren werkzaam zijn. In de sub-
paragrafen 6.2.2 e n 6.2.3 zal om te beginnen worden ingegaan op de aan-
bodstructuur van d e periodiek verschijnende pers. Deze uiteenzettingen
zijn voor een belangrijk deel gebaseerd op de voorstudie 'De aan-
bodstructuur van d e periodiek verschijnende pers', die door Leeflang C.S.
ten behoeve van d i t rapport werd verrichtl. De aanbieders van gedrukte
media opereren in een systeem van ondernemingsgewijze produktie en
de markt waarop zij hun produkten aanbieden vertoont uit een oogpunt
van mededinging een bepaalde structuur. Hierbij gaat het in het bijzon-
der om de 'size distribution', dat wil zeggen de verdeling van de markt
over aanbieders e n aangeboden produkten. Is deze verdeling zodanig,
dat een relatief gering aantal produkten of aanbieders een groot aandeel
heeft in de markt, dan spreekt men van een hoge mate van concentratie
in deze markt. In het algemeen zal een hoge concentratie een sterke
machtsbundeling impliceren.
   Voor het bepalen van de mate van concentratie worden verschillende
maatstaven gehanteerd. In de genoemde voorstudie van Leeflang C.S.
worden zogeheten concentratieratio's (CR-index) gebruikt, alsmede de
Hirschman-Herfindahl-index (HH-index). Beide maatstaven zijn geba-
seerd op marktaandelen, die kunnen worden gemeten in eenheden pro-
dukt (oplagecijfer) of in waarde van de omzet. De gebruikte con-
centratieratio's geven aan wat het gezamenlijke marktaandeel is van de
twee, respectievelijk vier en acht produkten of aanbieders die over de
grootste individuele marktaandelen beschikken. In tegenstelling tot de
CR-index worden bij de HH-index de marktaandelen van alle produkten
dan we1 aanbieders in de berekening betrokken. Behalve de keuze van de
concentratiemaatstaf speelt ook nog een rol het aggregatieniveau waar-
op de concentratie wordt gemeten. Dit kan op het niveau van individuele
produkten (titels), van ondernemingen (uitgevers) en van concerns. Het
   K.J. Alsern, M.A. Boorsrnan, G.J. van Helden, J.C. Hoekstra, P.S.H. Leeflang, H.H.M. Visser,
De aanbodstructuur van de periodiek verschijnende pers in Nederland; serie 'Voorstudies en
achtergronden mediabeleid', nr. MS. 's-Gravenhage, Staatsuitgeverij, 1982.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 103 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 104 ======================================================================

<pre>onderscheiden van verschillende aggregatieniveaus is nodig vanwege de
omstandigheid dat veel uitgevers meer dan een titel op de markt bren-
gen en omdat uitgeverijen in een concernverband kunnen zijn opgeno-
men.
    De aanbodstructuur wordt niet alleen bepaald door de mate van con-
centratie, ook ontwikkelingsrichtingen spelen een rol. Groei van bedrijven
kan op verschillende manieren en op grond van verschillende over-
wegingen tot stand komen. In het algemeen kan hierbij een onderscheid
worden gemaakt tussen een aantal ontwikkelingsrichtingen die zich in
principe onafhankelijk naast elkaar kunnen voltrekken, zoals parallel-
lisatie, diversificatie en integratie. Nagegaan zal worden in hoeverre deze
verschijnselen zich hebben voorgedaan en welke motieven hieraan ten
grondslag hebben gelegen. Een dergelijke meer kwalitatieve beschrijving
van de aanbodstructuur geeft een aanvulling op de kwantitatieve
beschrijving middels concentratiemaatstaven en kan tevens inzicht bie-
den in factoren die aan de totstandkoming van de aanbodstructuur heb-
ben bijgedragen. Wat dat laatste betreft zal in het bijzonder ook worden
ingegaan op een tweetal hypothesen ter verklaring van de opgetreden
concentratiebeweging, te weten de hypothesen van de oplagespiraal en
van het concerndraagvlak.
    Vervolgens komt d e aanbodstructuur van d e omroep aan de orde.
Maken de gedrukte media deel uit van de marktsector, de organisatie
van de omroep wordt in sterke mate beheerst door de overheid en
draagt een niet-commercieel karakter. Niettemin is bij de omroep we1
van een zekere marktwerking sprake, in die zin dat publieksvoorkeuren
van invloed zijn door de relatie die gelegd wordt tussen ledenaanhang en
toelating respectievelijk zendtijdtoewijzing. Hoewel omroep en pers ope-
reren onder geheel uiteenlopende regimes, zijn er we1 raakvlakken. Op de
 advertentiemarkt en o p de omroepbladenmarkt vindt concurrentie tussen
de twee sectoren plaats, zij het strak gereglementeerd door de overheid.
6.2.2      De aanbodstructuur van de periodiek verschijnende pers
 De dagbladen
     In de periode 1970-1981 is de totale oplage van de dagbladen toegeno-
 men van 4 mln tot 4.7 mln. Deze groei komt ongeveer overeen met de
stijging van het aantal huishoudingen. In Nedqrland leest de bevolking
van 18 jaar en ouder gemiddeld 1.7 kranten; 9% leest echter geen enkele
krant en 3,5010 drie of meer kranten. Verreweg de meeste mensen lezen
slechts Ben krant. Als er een tweede in huis komt, is dat er meestal een
van een ander type: naast de landelijke krant een regionale en omge-
keerdz. Van de totale oplage wordt gemiddeld 10°10 in de losse verkoop
 afgezet; voor de landelijke ochtendbladen is d e losse verkoop het hoogst
 met een aandeel van bijna een kwart.
     Voor de totale dagbladenmarkt is er van een verzadiging sprake. Er
 hebben zich evenwel uiteenlopende ontwikkelingen voorgedaan in de
verschillende marktsegmenten (zie tabel 6.1). Het marktaandeel van de
landelijke avondbladen is aanzienlijk gedaald van 20% in 1970 tot 10.3% in
 1981. Het belang van de landelijke en regionale ochtendbladen nam daar-
entegen sterk toe. Ook in het buitenland valt deze verschuiving naar och-
tendbladen te constateren. De gunstiger perspectieven voor een och-
tendblad zijn onder andere gelegen    -   -
                                                in het vermijden van concurrentie
 met televisiekijken en andere avondactiviteiten, het feit dat advertenties
 langer onder de aandacht kunnen blijven, het brengen van completer
 nieuws en het ontlopen van verkeerscongestie bij de distributie. In de
 afgelopen periode hebben de regionale bladen hun positie op de dag-
 bladenmarkt weten t e versterken. Groeiden de landelijke dagbladen met
 0.4010 per jaar, de regionale bladen hadden een groeicijfer van 1.8% per
     J.J. van Cuilenburg, D. McQuail. Media e n pluriformiteit; een beoordeling van de stand van
 zaken: serie 'Voorstudies e n achtergronden mediabeleid', nr. ME, 's-Gravenhage. Staatsuit-
 geverij. 1982. blz. 92 en 93.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 104 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 105 ======================================================================

<pre>                                     jaar. Een mogelijke verklaring zou kunnen zijn een verschuiving in de be-
                                      langstelling van het lezerspubliek naar regionaalllokaal nieuws.
                                    Tabel 6.1 De totale oplage van de dagbladen en de verdellng over de marktsegmenten
                                     197&1981
                                                          totale    landelijk    landelijk  regionaal regionaal gespecia-
                                             jaar         oplage    ochtend        avond     ochtend     avond      liseerde
                                                          x 1000        O/O          O/O        O/O        O/O       bladen
                                     Bron: De aanbodstructuur van de periodiek verschijnendepers in Nederland; K.J. Alsem,
                                     M.A. Boorsman, G.J. van Helden. J.C. Hoekstra. P.S.H. Leeflang, H.H.M. Visser.
                                     's-Gravenhage. Staatsuitgeverij, 1982. biz. 66 en 125.
                                        In de onderzoeksperiode neemt het aantal individuele dagbladen en
                                    dagbladcombinaties sterk af van 77 in 1970 naar 61 in 1981. Van de 94
                                    titels die in 1970 bestonden zijn er 17 verdwenen, terwijl er 6 nieuwe titels
                                    bijgekomen zijn, zodat het aantal titels in 1981 83 bedraagt. Ondanks de
                                    sterke afname van het aantal titels veroorzaakt door de opheffing van
                                    met name veel regionale kopbladen met een dalend marktaandeel is,
                                    zoals gezegd, de totale oplage van dagbladen toch toegenomen. Deze
                                    ontwikkeling is gepaard gegaan met een toenemende concentratie, zoals
                                                   -    -
                                    valt af te lezen uit tabel 6.2- In deze tabel wordt op blad-, uitgevers- en
                                    concernniveau de ontwikkeling van het aantal bladenlondernemingen
                                    weergegeven, alsmede van een viertal concentratiemaatstaven, te weten
                                    d e ge7amenlijke marktaandelen van de twee, vier en acht grootste bla-
                                    dentondernemingen en de Hirschman-Herfindahl-index (HH-index).
Tabel 6.2   Verloop van enkele concentratiemaatstavenop de totale dagbladmarkt, 1970-1981
                    Bladniveau                                   Uitgeversniveau                                      Concernniveau
 Jaar     Aantal  CR2      CR4    CR8       HH-   Aantal    CR2   CR4       CR8         HH- Aantal   CR2       CR4     CR8     HH-
                                           index                                      index                                   index
 1970       77     17,2    27,3   42,3    0.0340     55     17.2  28,9      44,6     0.0374   16     25.7      43,6    66,2  0.0665
 1971       77     16.9    27,6   42,6    0,0346     54     18.1   28.8     44,7     0.0382   16     26.6      44,3    66,9  0.0683
 1972       73     17.7    27,3   42.9    0,0362     52     19.9   29.5     45,s     0,0409   15     31,5      49,8    73,l  0.0844
 1973       72     18,5    28,1   43,8    0,0377     52     20.7  30.3      46,3     0.0421   15     33,8      52,O    74,4  0,0910
 1974       71     19.6    29,O   44,4    0,0393     52     21.7  31.2      46,8     0.0437   15     34,5      52,6    74.2  0.0922
 1975      65      20.5    30,l   45,6    0,0422     47     22.8  32.4      48,2     0.0470   13     35.6      57,5    77,7  0.1014
 1976      63      20,5    30,2   45,2    0,0424     46     22.9  32.5      47.8     0,0469   13     34,3      56,l    76,4  0.0974
 1977      61     20.6     30,2   44,8    0,0425     46     23,1  32,7      47,2     0,0470   13     35,O      56,6    76,8  0.0991
 1978      61     20,9     30.5   44,6    0,0426     46     23.4  33.0      47.1     0,0474   13     35,O      56.4    76,6  0.0985
 1979      61     20.8     30,3   44,l    0,0422     46     23.5  32.9      46,7     0.0472   13     34.9      56,2    76,5  0.0979
 1980      62     20,6     30,O   43,5    0,0417     47     23.5  32.8      46,4     0,0470   13     35,7      57,O    77,4  0,1010
 1981      61     21,O     30.3   43,5    0,0423     46     24,O  33.3      46,5     0,0481   12     35,O      56,3    79,l  0,1003
Bron: De aanbodstructuur van de periodiek verschijnende pers in Nederland, op. cit.. blz. 48 en 124.
                                                                                                           I
                                        Op de totale dagbladenmarkt neemt zowel op blad-, uitgevers- als
                                    concernniveau de concentratie sterk toe in de jaren 1970-1975. Op con-
                                    cernniveau is de toename het sterkst. Na 1975 treedt er een stabilkatie
                                    op. De toename van de concentratie op bladniveau is in belangrijke mate
                                    toe te schrijven aan de versterking van de positie van de twee grootste
                                    bladen, De Telegraaf en het Algemeen Dagblad. Het gezamenlijk markt-
                                    aandeel van de acht grootste uitgevers is, zo blijkt uit tabel 6.2, voor de
                                    gehele periode slechts 2,5 procentpunt hoger dan dezelfde ratio op dag-
                                    bladniveau. Naast het eigen (grote) dagblad geven de acht uitgevers
</pre>

====================================================================== Einde pagina 105 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 106 ======================================================================

<pre>kennelijk nauwelijks andere bladen uit. De concentratieratio's op con-
cernniveau zijn aanzienlijk hoger (een factor 1,7 a 1,8), dan op blad- of
uitgeversniveau. In 1981 neemt het aandeel van de acht grootste con-
cerns toe tot 79,1°/o, onder andere door de overname door Wegener's
Crt. Concern van de Holding Utrechts Nieuwsblad. De grote concerns
hebben zich verzekerd van een sterk assortiment van dagbladen, terwijl
de grootste bladen zelf niet eens zoveel in marktpositie zijn vooruit-
gegaan. Het aandeel van de zelfstandige uitgevers in de totale dag-
bladenmarkt is gedaald van 18.5% in 1970 t o t 1l,4% in 1981.
   De concentratiebeweging is ook onderzocht in de vier grote seg-
menien van de dagbladenmarkt. In het segment landelijke ochtendbladen
neemt de concentratie op blad- en uitgeversniveau tot 1974 toe, valt dan
iets terug en blijft daarna constant. Bij de landelijke avondbladen neemt
de concentratie op alle niveaus tot 1975 sterk toe, maar vertoont daarna
een geleidelijke daling. In het segment regionale avondbladen zien wij op
uitgevers- en concernniveau de concentratie tot 1973 hoger worden. Op
concernniveau is de toename in die jaren aanzienlijk; daarna neemt de
absolute concentratie op beide niveaus weer enigszins af. Van de vier
grote segmenten is de concentratie (de HH-index) op het niveau van de
concerns bij de landelijke ochtendbladen het hoogst maar tevens het
minst toegenomen (14%). Bij de regionale avondbladen is deze con-
centratie het laagst (een factor 5 a 6 lager dan bij de landelijke ochtend-
bladen), maar het sterkst toegenomen (61%).
   Zoals reeds bleek uit tabel 6.2 hebben de acht grootste concerns op de
totale dagbladenmarkt gezamenlijk een marktaandeel van bijna 80%. De
vier onderschejden marktsegmenten laten wat dit betreft echter een uit-
eenlopend beeld zien. De markt van de landelijke dagbladen (zowel
avond- als ochtendbladen) wordt door de drie grootste concerns (N.V.
Holding Mij. De Telegraaf, Elsevier-NDU en de Perscombinatie) beheerst
met een gezamenlijk marktaandeel van meer dan 90%. Het Nederlands
Dagblad (ochtendkrant) en Het Reformatorisch Dagblad zorgen ervoor
dat het marktaandeel geen 100% is. Van de drie grootste concerns is
alleen de Perscombinatie uitsluitend in de markt van de landelijke dag-
bladen werkzaam; de andere twee bewegen zich ook op de markt van de
regionale bladen, zij het dat zij daar een meer bescheiden positie inne-
men. Wat de regionale dagbladen betreft, is er een duidelijk verschil tus-
sen het segment van de ochtendbladen en dat van de avondbladen. Ook
in de markt van de regionale ochtendbladen is de positie van concerns
sterk. Twee concerns, VNU en Audet, hebben hier elk een marktaandeel
van ruim eenderde. Te zamen met Telegraaf en Elsevier-NDU hebben zij
in 1979 een marktaandeel van ruim 85 procent. In het marktsegment van
de regionale avondbladen bevinden zich de meeste dagbladen en dag-
bladcombinaties, zij het dat hun aantal in de loop van de tijd fors gedaald
is. In dit segment zijn de acht grootste concerns met een marktaandeel
van ruim 50% minder nadrukkelijk aanwezig.
    Het bereik van de regionale dagbladpers i s onlangs onderzocht door
Ten Oever3. Zijn voornaamste conclusie was dat ongeveer 64% van de
 Nederlandse bevolking in zijn woonplaats een keuze had uit twee of
 meer regionale kranten die op de dag van verschijning konden worden
 bezorgd. Per gemeente, regio en provincie verschilt de situatie echter
aanzienlijk.
 De tijdschriften
    De tijdschriftenmarkt vertoont we1 een zeer grote verscheidenheid. Een
 globale telling uit het Handboek van de Nederlandse Pers en Publiciteit
 komt uit op circa 5000 titels4. De uitgevers aangesloten bij de branche-
 organisatie van tijdschriftenuitgevers (NOTU) geven nog geen 10% van
 alle in Nederland verschijnende tijdschrifttitels uit; we1 hebben zij met el-
 3  'Kranten in de regio - 1981'; bijgevoegd bij D e Journalist, 28 januari 1982.
   Zie ook J.J. van Cuilenburg. D. McQuail, op. cit.. blz. 123-127.
    Handboek van de Nederlandse pers en publiciteit: 1981.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 106 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 107 ======================================================================

<pre>kaar een marktaandeel van ongeveer 80%, gemeten in oplagen. Bij de
beschrijving van de tijdschriftenmarkt zal de volgende indeling worden
gehanteerd. Allereerst de tijdschriftenrnarkt, exclusief omroepbladen en
vaktijdschriften. Vervolgens de omroepbladen en de vaktijdschriften
afzonderlijk en ten slotte een overzicht van de totale tijdschriftenrnarkt.
    In de periode 1970-1979 is de oplage van de tijdschriftenmarkt, exclu-
sief omroepbladen en vaktijdschriften, fors toegenomen van 5.0 mln tot
7,8 mln. Opvallend is voorts het grote aantal introducties en opheffingen
van titels. De totale bevolking wordt opgedeeld in steeds kleinere en
tevens homogenere groepen waarover zoveel bekend is dat er ver-
volgens een nieuw tijdschrift 'op maat gesneden' kan worden uit-
gebracht specifiek voor zo'n groep. Na 1979 is er een einde gekomen aan
de oplagegroei; we1 gaat de introductie van nieuwe titels in versterkte
mate door: 12 nieuwe titels in de afgelopen twee jaar. De losse verkoop
is bij alle tijdschriften steeds belangrijker geworden (in 1979 gemiddeld
37.6%). De gossipbladen die in de tweede helft van de jaren zeventig
werden ge'introduceerd, hebben een losse verkoop die ongeveer 80% is
van hun totale oplage.
    In tabel 6.3 wordt-een overzicht gegeven van de tijdschriftenmarkt,
exclusief omroepbladen en vaktijdschriften. De belangrijkste verandering
die zich heeft voorgedaan, is de introductie van de gossipbladen die in
korte tijd een aanzienlijk marktaandeel veroverden. Na 1979 valt een ver-
zadiging te constateren. In het segment damesbladen komt de sterke
daling van het marktaandeel in 1974 met 9 procentpunt vooral door de
opheffing van het blad Prinses. De laatste vijf jaar stabiliseert de oplage
zich op 1,75 mln. De oplage van het segment opiniebladen is in 1978 dui-
delijk gedaald door het verdwijnen van Accent. In de daaropvolgende
jaren is er van een geringe groei sprake.
Tabel 6.3 De totale oplage van de tijdschriftenmarkt (exclusief omroepbladen en
vaktijdschriften) en de verdeling over de marktsegmenten, 1970-19818)
           totale    opinie-   familie-  dames    jeugd-   hobby-  sport-     gossip
   jaar   oplage     bladen     bladen   bladen   bladen   bladen  bladen   *.bladen
           x 1000       O/o        O/o      Oh       O/o      O/o     O/o   -    O/o
  1970      5091      6.43       13,50    32.40    18,47    25.28   3.92
  1975      6333      6.13       11,94    24.40    15,02    26,83   3,04       12.66
  1979      7823      4.72       12.62    22,83    13,92    25,63   2.37       17,90
  1981      7797      4,74       13.07    22.74    15,40    25.05   2.37       16,64
 Aantal
  titels
  1979        40            5          6       6         5      13        1          4
Bron: De aanbodstructuur van de periodiek verschijnende pers i n Nederland, op. cit.,
paragraaf 4.4.
a) De weergegeven marktaandelen hebben uitsluitend betrekking op tijdschriften
waarvan de oplagecijfers bekend zijn. Ook de oplage van het blad De Karnpioen van de
ANWB is buiten de berekening gehouden.
    Ten aanzien van de concentratie op de tijdschriftenmarkt valt op dat
alle gehanteerde maatstaven op elk van de drie niveaus een daling laten
zien. Op bladniveau nemen de gezamenlijke aandelen van de twee, vier
en acht grootste tijdschriften sterk af vooral als gevolg van de toename
van het aantal bladen. De groei van de tijdschriftenrnarkt is vooral ten
goede gekomen aan de kleinere tijdschriften. Het beoordelen van de
mate van concentratie op uitgeversniveau is minder zinvol, omdat de
concentratie sterk wordt be'invloed door beslissingen die op con-
cernniveau worden genomen over de toedeling van tijdschriften aan
diverse uitgeverijen. Wel kan worden vastgesteld dat het aandeel van de
zelfstandige uitgevers is verdubbeld tot 11% in 1979. In de tijdschriften-
markt zijn slechts enkele concerns werkzaam. Het grootste tijdschriften-
concern is de VNU die over de gehele periode 65% a 70% van de tijd-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 107 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 108 ======================================================================

<pre>schriftenmarkt in handen heeft; op de tweede plaats komt Kluwer. De
concentatie op concernniveau, gemeten aan het gezamenlijk aandeel van
de twee grootste concerns blijft tot 1976 vrij constant en neemt daarna
met 10 procentpunten af tot 76%.
   Van de 315 in de NOTU oplage documentatie deel II voorkomende
Nederlandstalige vaktijdschriften zijn er 209 in de berekeningen meege-
nomen. Van de 106 niet meegenomen vaktijdschriften zijn te weinig opla-
gecijfers voorhanden om een betrouwbare tijdreeks te verkrijgen. De
hierna te presenteren cijfers geven dus een onvolledig beeld van de rea-
liteit. De gezamenlijke oplage van de vaktijdschriften neemt van 1975 tot
1979 toe van 1.9 rnln naar ruim 2.1 rnln (toename van 12,1010).Het concern
Elsevier-NDU is de grootste uitgever van vaktijdschriften. Het geza-
menlijk aandeel van de zelfstandige uitgevers ligt vrij constant op ruim
38%. Het Boekencentrum BV is daarvan de grootste met een aandeel van
circa 6%. Alle concentratiemaatstaven op uitgeversniveau hebben in
1975 - het begin van de onderzoeksperiode - hun hoogste waarde en
dalen daarna sterk met uitzondering van het jaar 1977. Ook de con-
centratie op concernniveau is in 1975 het hoogst. In 1976 neemt de con-
centratie volgens alle gehanteerde maatstaven op concernniveau sterk
af. Daarna nemen zij, in tegenstelling tot op uitgeversniveau, tot 1979 toe.
Het gezamenlijk marktaandeel van de vier grootste concerns komt in
1979 bijna weer op het niveau van 1975.
    De totale oplage van het segment omroepbladen is in de periode 1970-
 1981 toegenomen van 2.8 rnln tot bijna 4 mln. Het marktaandeel van
TROS Kompas is sinds 1973 het grootste en neemt vooral tot 1975 sterk
toe. De Mikrogids, het tweede programmablad van de KRO, doet het na
introductie in 1974 bijzonder goed. Het marktaandeel stabiliseert zich
sinds 1978. De AVRO is met haar twee programmabladen de grootste
uitgever, al komt d e TROS steeds dichterbij. Het gezamenlijk marktaan-
deel van de twee grootste uitgevers (AVRO en TROS) vertoont na 1975
weinig variatie en ligt op circa 50%.
    Ten slotte nog een korte beschrijving van de totale tijdschriftenmarkt,
 inclusief omroepbl'aden en vaktijdschriften. De gezamenlijke oplage is
 gestegen van 11.5 rnln in 1975 tot ruim 13,5 rnln in 1979. Het grootste
 segment is dat van de omroepbladen (a1 neemt het aandeel af) gevolgd
 door de vaktijdschriften. Het gezamenlijk aandeel van de omroepbladen
 en vaktijdschriften daalt van 45.3% in 1975 tot 42,1% in 1979. Alle
 gehanteerde concentratiemaatstaven laten een daling zien. Wat betreft
 de marktaandelen van de grootste concerns op de totale tijdschriften-
 markt is de positie van het VNU-concern opvallend. Met een aandeel van
 bijna 38% is dit veruit de grootste uitgever van tijdschriften. Op de
 tweede plaats komt Kluwer met een aandeel van bijna 10%.
 De huis-aan-huis-bladen
    De markt van de huis-aan-huis-bladen heeft zowel in aantal titels als in
 oplage een snelle groei doorgemaakt. In 1975 waren er 444 huis-aan-
 huis-bladen met een totale oplage van 13,5 rnln en in 1978 528 bladen
 met een oplage van bijna 17 mln5. Dit is gemiddeld vier exemplaren per
 gezin. In de genoemde periode werden 162 nieuwe bladen geintrodu-
 ceerd, waarvan er voor 1979 ook weer 22 verdwenen, terwijl er nog 56
 andere bladen uit de markt werden genomen. Van alle titels is in 1975
 38010 in handen van dagbladuitgevers; dit aandeel is in 1979 40,3%. In
 oplage gemeten ligt het dagbladbelang in 1979 op 56.5%. Het verschil
 met het marktaandeel gemeten in titels wijst erop dat de grote huis-aan-
 huis-bladen vooral door de dagbladuitgeverijen worden uitgegeven. De
 gemiddelde oplage was in 1979 f 32.000. Op uitgeversniveau nemen alle
 concentratiemaatstaven gestaag af, terwijl op concernniveau de con-
 centratie slechts i n geringe mate afneemt.
     J. Ligthart, De relatie tussen huis-aan-huis-bladen e n dagbladen; Een aantal stellingen;
  werkdocument van de W R R , 1981.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 108 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 109 ======================================================================

<pre>Nieuwsbladen
   Het aantal nieuwsbladen is gedaald van 140 in 1975 naar 126 in 1979.
Van de nieuwsbladen die verdwenen, werden de meeste omgezet in een
gratis huis-aan-huis-blad. De totale oplage daalt sinds 1977 en bedraagt
in 1979 81 1.000. Meer dan 80% van de nieuwsbladenmarkt is in handen
van zelfstandige uitgevers. Mede hierdoor is de concentratie op con-
cernniveau laag.
 De totale omzet van d e concerns op de betalende lezersmarkt
   Uit het voorafgaande is duidelijk naar voren gekomen dat de meeste
grote concerns in verscheidene deelmarkten van de periodiek verschij-
nende bladen actief zijn. Om nu de aandelen van de concerns in de totale
lezersopbrengsten op de markt van de periodiek verschijnende pers te
onderzoeken, zijn opbrengstcijfers berekend door per deelmarkt op blad-
 niveau de oplagecijfers te vermenigvuldigen met de in het Handboek van
de Nederlandse Pers en Publiciteit vermelde prijs van het jaarabon-
 nement. Hoewel hierbij wordt afgezien van het verschil in prijs van een
10s nummer en van een nummer per abonnement en ook alleen die opla-
gen per deelmarkt zijn bekeken waarvan oplagecijfers bekend zijn, kun-
 nen de uitkomsten toch indicatief zijn voor de ontwikkelingen. De dag-
 bladen trekken de meeste abonnementsgelden naar zich toe, al is in de
 periode 1975-1979 het aandeel gedaald van 64% naar 59%. Ondanks het
feit dat de opbrengsten van de dagbladen groter zijn dan die van de tijd-
 schriften haalt het VNU-concern de grootste omzet naar zich toe (ca.
 30% van het totaal van alle concerns). Bij dit concern maken de tijd-
                       *
 schriftopbrengsten 86% uit van het totaal. De fusie tussen Elsevier en
 NDU brengt dit concern op de tweede plaats met een aandeel in 1979
 van 15.6%; de lezersopbrengsten van deze combinatie komen voor
tweederde uit de dagbladen. De derde plaats wordt ingenomen door de
 Holding Mij. De Telegraaf met een aandeel van 14,8%. Het aandeel van
 de Perscombinatie daalt langzaam van 11,4% naar 9,6%; de lezersop-
 brengsten komen hier voor 100% uit dagbladen en nieuwsbladen. Het
 gezamenlijk aandeel van de grootste vier concerns was in 1979 70%.
 6.2.3 Verklarende factoren voor de aanbodstructuur van de periodiek
 verschijnende pers
 Ontwikkelingsrichtingen bij enkele concerns
    In de voorgaande paragraaf is naar voren gekomen dat zowel op de
 dagbladenmarkt als o p de tijdschriftenmarkt de gezamenlijke positie van
 de concerns aanzienlijk is. Op de dagbladenmarkt is het marktaandeel
 van de acht grootste concerns circa 80% en op de tijdschriftenmarkt
 (exclusief omroepbladen en vaktijdschriften) is het aandeel van de twee
 grootste concerns 76%. Ter verdieping van het inzicht in de aanbodstruc-
 tuur en om enig zicht te krijgen op de factoren die hierbij een rol spelen,
 is het van belang o m na te gaan langs welke lijnen de concerns zich
 ontwikkeld hebben en uit welke motieven dit is gebeurd. Te onderschei-
 den zijn hierbij parallellisatie, diversificatie en integratie. In het eerste
 deel van deze paragraaf zal .worden besproken in hoeverre deze ontwik-
 kelingsrichtingen zich hebben voorgedaan en welke beleidsover-
 wegingen hierbij hebben gegolden.
    De parallellisatie-activiteiten van dagbladconcerns hebben voorna-
 rnelijk betrekking gehad op ov'ername van regionale dagbladen van
 zelfstandige uitgevers of overname van gehele uitgeverijen. De argumen-
 ten om, naast landelijke dagbladen, eveneens regionale dagbladen uit te
 geven, zijn: spreiding van activiteiten en de relatief gunstige positie van
 de regionale bladen o p de advertentiemarkt. Kenmerkend voor de paral-
 lellisatie-activiteiten bij de tijdschriftenconcerns is de verschuiving van
 de introductie van algemene publiekstijdschriften naar special interest-
 bladen. Hierbij hebben de concerns getracht concurrentie te vermijden.
 Men probeert een sterke positie te verkrijgen in enkele segmenten en
</pre>

====================================================================== Einde pagina 109 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 110 ======================================================================

<pre>introduceert geen bladen op terreinen waar de concurrent een sterke
positie heeft. Verder is de introductie van gossipbladen van belang
geweest.
    Wat de vaktijdschriften betreft, hebben zowel Elsevier als VNU uit-
geverijen overgenomen. De overwegingen hierbij zijn: spreiding van acti-
viteiten en het in huis halen van de aanwezige kennis en ervaring met
betrekking tot het uitgeven van vaktijdschriften. Dat dit laatstgenoemde
aspect een belangrijke rol speelt blijkt uit het introductiebeleid van con-
cerns. Op vakgebieden waar het concern al een positie heeft opgebouwd
en dus over vakkennis beschikt, worden zelf titels ontwikkeld. Daarnaast
worden op vakgebieden, waarvoor het concern we1 interesse heeft maar
waar het zelf nog niet actief is, titels overgenomen.
   .Wat betreft diversificatie hebben de dagbladconcerns zich vooral
gericht op de huis-aan-huis-bladen. In eerste instantie hebben de con-
cerns zich in deze markt begeven om de drukcapaciteit efficienter te
benutten. Daarnaast wordt gepoogd om op deze wijze de positie op de
regionale advertentiemarkt te versterken. Wanneer een dagbladconcern
op de tijdschriftenmarkt wil opereren, is daarvoor een relatief grote
investering vereist. Dit is een van de redenen geweest waarom de Pers-
combinatie zich niet o p de tijdschriftenmarkt heeft begeven. Daarnaast is
kennis en ervaring o p het gebied van tijdschriften gewenst. De twee
grootste dagbladconcerns, NDU en De Telegraaf, hebben alleen in het
marktsegment gossipbladen een positie verworven. Hoewel de meeste
tijdschriftenconcerns ook dagbladen en huis-aan-huis-bladen uitgeven,
hebben zich geen belangrijke uitbreidingen van dagbladactiviteiten voor-
gedaan. Wel hebben inkrimpingen plaatsgevonden zoals bijvoorbeeld het
staken van De Tijd als dagblad en het afstoten van de Graafschapsbode
door Elsevier, waardoor dit concern de dagbladenmarkt geheel verliet.
 De belangrijkste diversificatie is de fusie van NDU en Elsevier geweest in
 1979. Deze fusie betekende een duidelijke trendbreuk in de voorzichtige
benadering die zowel de dagbladconcerns als de tijdschriftenconcerns
hadden wat betreft het opereren in een geheel nieuw marktsegment. De
overwegingen ol;n te fuseren waren onder andere: de behoefte aan
diversificatie en aan samenwerking op het gebied van elektronische media.
    Diversificatie heeft zich bij concerns ook voorgedaan in de richting van
 nieuwe produkten die geen betrekking hebben op het uitgeven van
gedrukte media. De meest voorkomende nieuwe activiteiten in de perio-
de 1970-1979 zijn gericht geweest op alternatieve methoden van informa-
tie-overdracht, zoals audiovisuele middelen en nieuwe elektronische
 media. Vooral vanuit de behoefte aan spreiding ontplooien alle concerns
 activiteiten op deze terreinen, waarbij zich overigens we1 duidelijke ver-
 schillen in intensiteit voordoen. In het algemeen geldt dat concerns bij
 deze vorm van diversificatie over voldoende middelen moeten beschik-
 ken, omdat er vrij hoge investeringen vereist zijn en de risico's groot zijn.
    Wat betreft opwaartse zowel als neerwaartse integratie, dat wil zeggen
 een 'verticale' uitbreiding van activiteiten in de bedrijfskolom, zijn vrijwel
 alle concerns actief geweest. Dit geldt echter sterker voor de dagblad-
 concerns dan voor d e tijdschriftenconcerns: Bij de produktie van dag-
 bladen worden zeer strakke tijdschema's gehanteerd, omdat enerzijds de
 informatie zo actueeel mogelijk moet zijn en anderzijds de krant op tijd
 afgeleverd moet worden. Derhalve is voor dagbladconcerns beheersing
 van zowel het drukken als het distribueren van dagbladen noodzakelijk.
 Om onderbezetting van de drukpersen te voorkomen drukken alle dag-
 bladconcerns eveneens voor derden. Voor het NDU-concern is drukken
 voor derden zelfs een van de belangrijkste activiteiten.
    Voor tijdschriftenconcerns is de noodzaak om verscheidene schakels
 in de bedrijfskolom t e beheersen minder duidelijk aanwezig. Toch heeft
 bijvoorbeeld het grootste tijdschriftenconcern, VNU, zowel het drukken
 als distribueren van zijn tijdschriften in eigen beheer. Voor VNU-
 uitgeverij'en is het min of meer verplicht om opdrachten aan con-
 cerndrukkerijen te verlenen en gebruik te maken van de eigen distributie-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 110 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 111 ======================================================================

<pre>organisatie. Bij Elsevier is de vrijheid van uitgevers en drukkers groter en
is de behoefte om opwaarts of neerwaarts te integreren minder sterk
aanwezig. Zo maakt Elsevier, evenals trouwens Kluwer en andere tijd-
schriftuitgevers, gebruik van de diensten van NV Aldipress, de distribu-
tie-organisatie van VNU.
Oplagespiraal en concerndraagvlak
   Naast hetgeen hierboven werd weergegeven over de ontwik-
kelingsrichtingen e n beleidsachtergronden van enkele grote concerns op
de markt van de periodiek verschijnende pers is door Leeflang c.s. in het
bijzonder aandacht besteed aan een tweetal hypothesen die voor een
verklaring van de marktaandelen van de individuele bladen van belang
kunnen zijn. Deze hypothesen duiden wij kortweg aan met de termen
'oplagespiraal' en 'concerndraagvlak'.
   In de literatuur is de hypothese van de oplagespiraal (Engels: 'cir-
'culation-spiral') gehanteerd om het van de markt verdwijnen van relatief
 zwakke bladen te verklaren. De achterliggende redenering luidt als volgt.
 Als een blad een tamelijk kleine oplage heeft in een bepaald gebied,
 wordt dit blad voor adverteerders minder aantrekkelijk. De inkomsten van
 zo'n blad nemen af en dit beinvloedt de kwaliteit in negatieve zin, waar-
 door het blad lezers verliest. De daling van de oplage leidt weer tot min-
 der advertentie-inkomsten, enzovoort. Uiteindelijk zal het blad niet meer
 rendabel te exploiteren zijn en van de markt verdwijnen. Een dergelijke
 redenering kan ook worden gevolgd om de opwaartse bewegingen van
 marktaandelen en relatieve advertentie-inkomsten te verklaren. De opla-
 gespiraal geeft grond voor het optreden van concentratieverschijnselen
 binnen een bepaald marktsegment.
   Voor de segmenten landelijke avondbladen en landelijke ochtend-
 bladen is de hypothese getoetst en bevestigd: grote bladen worden gro-
 ter en kleine bladen kleiner. Er zijn eveneens pogingen gedaan de betrok-
 ken hypothese te toetsen voor een beperkt geografisch gebied, een
 bepaalde regio. Men dient evenwel een regio zodanig te kiezen dat de in
 die regio actieve kranten in voldoende mate met elkaar concurreren en
 er bijvoorbeeld niet sprake is van een situatie waarbij verschillende
 regionale bladen ieder een deel van de regio als verzorgingsgebied heb-
 ben. De provincie Zeeland voldoet bij benadering aan de hier gestelde
 eis. Evenals bij de landelijke avond- en ochtendbladen is voor de regio Zeeland
 een bevestiging gevonden voor het optreden van een oplagespiraal.
   Ook voor de deelmarkt van de tijdschriften is een poging gedaan tot
toetsing van de hypothese omtrent de oplagespiraal. Een belangrijke
handicap hierbij was de omstandigheid dat de benodigde gegevens
slechts betrekking hebben op een zestal jaren (periode: 1975-1980). Bij de
dagbladenrnarkt daarentegen omvatte de waarnemingsperiode tien
jaren, 1970-1979. Deze handicap is er de oorzaak van dat slechts voor
Ben segment een schatting is uitgevoerd, namelijk voor de grote
publieksbladen, bestaande uit familie- en damesbladen (excl. de daarbin-
nen opererende special interest-bladen), alsmede de gossipbladen. Het is
aannemelijk dat een dergelijk segment van grote publieksbladen voldoen- .
de homogeen is o m onderlinge concurrentie tussen de diverse titels te
mogen veronderstellen. De uitgeyoerde schattingen hebben geleid tot de
conclusie dat er ook in dit segment van de tijdschri.Renmarkt sprake is
van het optreden van een oplagespiraal.
   De tweede hypothese heeft betrekking op de invloed die het opereren
binnen een concernverband uitoefent op de marktpositie van een dag-
blad of tijdschrift. Verondersteld wordt het volgende: naarmate een blad
binnen een groter concern opereert, heeft het meer mogelijkheden via de
bedrijfsresultaten van andere, succesvolle titels binnen dat concern het
redactionele beleid en distributiebeleid te verbeteren en daardoor een
hoger marktaandeel te verwerven. De hier veronderstelde relatie blijkt op
de eerder genoemde segmenten van de dagbladenmarkt niet te kunnen
worden aangetroffen. Het betreft hier overigens uitsluitend de relatie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 111 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 112 ======================================================================

<pre>tussen het marktaandeel van het ene dagblad en de bedrijfsresultaten
van andere dagbladen die behoren t o t hetzelfde concern. De betrokken
hypothese blijkt evenmin te worden bevestigd voor het hierboven
genoemde segment van de tijdschriftenmarkt. Ook daarbij zijn uitsluitend
de bedrijfsresultaten van andere tijdschrifttitels binnen dezelfde organi-
satie in de analyse betrokken. Hier wordt gesproken over 'organisatie'
omdat er, vanwege het immense marktaandeel van het VNU-concern, bij
de tijdschriften niet is gewerkt m e t het concerndraagvlak, maar met uit-
geverijdraagvlak. Voor alle beschouwde segmenten geldt dus dat het
marktaandeel van een dagblad- of tijdschrifttitel niet wordt bei'nvloed
door de 'faciliteiten' die andere succesvolle titels (op dezelfde deelmarkt)
binnen hetzelfde concern dan we1 dezelfde uitgeverij zouden kunnen bie-
den. Niet is onderzocht wat de invloed is van het bedrijfsresultaat van
een concern of uitgeverij, zoals behaald voor alle activiteiten, o p de
marktaandelen van bepaalde dagblad- of tijdschrifttitels.
   Technologische veranderingen worden ook we1 als mogelijke oorzaak
genoemd voor.de concentratie o p bladniveau, met name bij de regionale
bladen. De invloed van d e technische ontwikkeling levert echter een
genuanceerd beeld op. Het is aannemelijk dat de introductie van nieuwe
zet- en drukprocedes die tot schaalvergroting leiden, vooral o p uit-
gevers- en/of concernniveau de concentratie heeft versterkt. Zowel d e
grote financieringsbehoefte als d e noodzaak o m op de vergrote produk-
tiecapaciteit een voldoende bezettingsgraad t e realiseren zijn hiervoor
van belang geweest. Hier staat evenwel tegenover dat de kapitaalgoe-
derenindustrie als toeleverancier van de grafische industrie tevens in
staat is geweest o m de kleine en middelgrote grafische bedrijven nieuwe
produktiesystemen t e leveren die in vele opzichten konden concurreren
met de grotere produktie-eenheden. Dat er i n de eerste helft van de
jaren zeventig toch bladen zijn opgeheven is dan ook het gevolg geweest
van een zwakke financiele positie, onvoldoende bereidheid tot samen-
werking op het vlak van de produktie en de omstandigheid dat toen d e
nieuwe kleinschaliger technische mogelijkheden nog niet'zo duidelijk
zichtbaar waren.'
6.2.4   De aanbodstructuur van de omroep
   In deze paragraaf zullen om t e beginnen d e aanbodstructuur van de
omroep en de veranderingen daarin worden beschreven. De omroep is,
in tegenstelling tot de gedrukte media, georganiseerd in. een publiek
bestel en draagt een niet-commercieel karakter. In het tweede deel van
deze paragraaf zal afzonderlijk worden ingegaan op enige problemen in
verband met dit niet-commerciele karakter.
   In de landelijke omroep zijn drie categorieen van aanbieders te
onderscheiden. Ten eerste de omroeporganisaties die o p basis van wet-
telijk omschreven criteria zendtijd hebben toegewezen gekregen.
 Daarnaast andere instellingen, o p dit moment een dertigtal, die door de
overheid in de gelegenheid worden gesteld uitzendingen te verrichten,
zoals kerken, politieke partijen en dergelijke. En ten slotte de NOS als
samenwerkingsorgaan van de gehele omroep.
   De positie die d e omroeporganisaties innemen, wordt bepaald door de
ledenaanhang. De overheid heeft echter middels het onderscheid van
drie categorieen van omroeporganisaties (A-, 6-, of C- status) de concur-
 rentie beperkt. Vijf omroeporganisaties hebben thans een A-status, een
 heeft een 6-status en twee hebben een C-status. Het streven naar een
superomroep vertaalt zich niet in extra zendtijd. Wel kunnen meer leden
de financiele mogelijkheden van een omroeporganisatie vergroten.
Tegenover de omroeporganisaties staan vele miljoenen consumenten.
Via lidmaatschap e n l o f abonnement o p een programmablad van een
omroeporganisatie kan men de positie van d e bestaande omroep-
verenigingen versterken, terwijl men ook via ondersteuning van aspirant-
 omroeporganisaties het aantal aanbieders kan vergroten. Zoals tabel 6.4
</pre>

====================================================================== Einde pagina 112 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 113 ======================================================================

<pre>laat zien, hebben de 'oude' omroepen in de jaren zeventig hun positie op
de 'ledenmarkt' in absolute zin weten te behouden; relatief is die positie
echter aanzienlijk verzwakt - de VPRO uitgezonderd. Met name de rela-
tieve teruggang van de AVRO is opvallend.
l a b e l 6.4 Leden-aantallen van de omroeporganlsatles en verdellng over tlen gulden
leden en abonneeleden per 1 januarl 1970-1982
                 1970          1975             1982                    1982
             abs.    perc.  abs.    perc.    abs.   perc. verdeling ledenaanhang over
                                                               tien gulden leden en
                                                                   abonneeleden
                                                            10 gulden     abonneeleden
                                                              leden
 AVRO      807.000
 EO
 KRO       516.000
 NCRV      459.000
 TROS      255.000
 VARA      471.000
 VOO
VPRO        112.000
Bronnen: Media in Nederland; deel 1, omroep, film, nieuwe media; onder redactie van
J. Bardoel en J. Bierhoff. Amsterdam, Van Gennep, 1981, blz. 25.
Voorstel van wet van lid Wilbers tot wijziging van de Omroepwet inzake de verdeelsleutel
voor de verdeling van zendtijd onder de omroeporganisaties; Tweede Kamer, zitting
1981-1982, 17 333, nrs. 1-3, blz. 5
    De toetreding van nieuwe omroeporganisaties en de betekenis van de
ledenaanhang voor d e zendtijdverdeling hebben een actieve ledenwer-
ving tot gevolg gehad. Een strijd die niet alleen woedde op de omroep-
bladenmarkt vanwege de koppeling van het abonnement op het omroep-
blad en het lidmaatschap van de omroeporganisatie, maar ook via leden-
werfacties, propaganda en aanverwante activiteiten. Door de verkoop
van boeken, platen en vakantiereizen probeerde men de leden hechter
aan zich te binden. Ook de programmering van de omroepen richt zich
op het bereiken van een zo groot mogelijk publiek. De ledenaanhang is in
de afgelopen tien jaar sterk gestegen van 2.6 tot bijna 4 miljoen, een
cijfer dat in de buurt ligt van het aantal huishoudingen in Nederland. Ver-
reweg het grootste deel is via een abonnement op een programmablad
lid van een omroeporganisatie; 'tien gulden leden' zijn vooral te vinden
bij de C-omroepen, EO en VPRO.
    Het programmablad is, zoals gezegd, steeds meer een ledenwerfartikel
geworden. De sterke positie van het omroepblad als ledenwerfartikel
wordt mogelijk gemaakt door de auteursrechtelijke bescherming van de
programmagegevens. De positie van de omroepbladen zou kunnen wor-
den aangetast indien ook de dagbladen dagelijks uitgebreid radio en
televisienieuws zouden kunnen opnemen. Vooral voor de grote omroep-
organisaties is het programmablad een pijler waarop de ledenaanhang
steunt. Ontkoppeling van lidmaatschap en abonnement alsmede het
opheffen van de auteursrechtelijke bescherming van de program-
magegevens zou een wijziging in de aanbodstructuur van de omroep
teweeg kunnen brengen.
    De NOS functioneert als coordinatie-orgaan voor de gehele omroep.
heeft tot taak o m uitzendingen te verzorgen voor de zo geheten geza-
menlijke programma's en treedt op als service-instelling. Het facilitair
bedrijf van de NOS heeft in de conceptie van de Omroepwet (art. 25) een
monopoliepositie wat betreft de verstrekking van technische en andere
faciliteiten aan de zendgemachtigden. Op basis van de toegewezen
zendtijd hebben de omroeporganisaties recht op een bepaald contingent
van faciliteiten. De strekking van artikel 25 van de Omroepwet is, om
door centralisatie van het produktie-apparaat de beschikbare technische
</pre>

====================================================================== Einde pagina 113 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 114 ======================================================================

<pre>en financiele middelen zo efficient mogelijk te gebruiken, onder hand-
having van de programmatische pluriformiteit. Van de zijde van de
omroep wordt een strikte doorvoering van de centrale dienstverlening
door het facilitair bedrijf evenwel niet wenselijk geacht. Pieken die boven
de capaciteit van het facilitair bedrijf uitgaan, zijn onvermijdelijk en zullen
toch door derden moeten worden opgevangen. In een besluit van het
NOS-bestuur d.d. 22 m e i 1981 wordt een opening geboden naar de
marktsector6. Dit besluit voorziet in de mogelijkheid om in bepaalde,
omschreven gevallen t o t uitbesteding aan derden over te gaan, hetzij via
bemiddeling door, dan we1 met een meldingsplicht aan het facilitair
bedrijf. Artikel 25 moet volgens het besluit in die zin worden opgevat dat
de programmaproduktie gecentraliseerd en gecoordineerd moet worden,
waarbij de doelmatigheid voorop staat. De doelmatigheid zou kunnen
worden vergroot door de NOS-faciliteiten en de externe faciliteiten mar-
ginaal met elkaar in concurrentie te laten treden. Het gaat hierbij om de
vraag of uit oogpunt van doelmatigheid en flexibiliteit, extra capaciteit
binnen het facilitair bedrijf tot stand moet komen of van buiten moet
worden aangetrokken. Dit NOS-bestuursbesluit is op 2 juli 1981 door de
minister van CRM geschorst vanwege bezwaren tegen de vrijheid die
openbleef voor uitbestedingen aan derden. Duidelijk is inmiddels we1 dat
de ruimte die aan de marktsector zal worden geboden, in sterke mate
wordt bepaald door d e mogelijkheden die het facilitair bedrijf zelf heeft
om aan de vraag te voldoen.
    De monopoliepositie die omroeporganisaties en NOS-facilitair bedrijf
innemen binnen het geheel van de audiovisuele industrie in Nederland,
heeft ertoe gele.id dat in deze sector geen zelfstandig produktiepotentieel
van betekenis tot ontwikkeling is gekomen, dat als leverancier van
Nederlandse produkten zou kunnen optreden. Het is te verwachten dat
de audiovisuele industrie in de toekomst een belangrijke groeisector kan
worden. De behoefte aan audiovisuele programma's zal toenemen
gezien de verschillende gebruiksmogelijkheden op het kabelnet, de ver-
wachte uitbreiding van televisiezendtijd, maar ook door de groeiende
markt voor afspeelapparatuur. De sterke scheidslijn die nu loopt tussen
de omroep aan de ene kant en de rest van de audiovisuele industrie aan
de andere kant zou, een krachtige ontwikkeling van deze sector kunnen
belemmeren. De positie die het NOS-facilitair bedrijf kan innemen is van
wezenlijke betekenis voor een verdere opbouw van een sterke Neder-
landse audiovisuele industrie7.
 Het niet-commerciele karakter van her omroepbestel
    Het Nederlandse omroepbestel is een publiek bestel dat echter werkt
 in een omgeving die sterk door commercie wordt beheerst. Het is dan
ook niet zo verwonderlijk dat het niet-commerciele omroepbestel op
verschillende manieren de invloed ondergaat van de we1 met commercie
vertrouwde omgeving. Een tweetal wettelijke eisen beoogt de positie van
de omroeporganisaties te markeren. De omroeporganisaties moeten
 krachtens statuten en naar feitelijke werkzaamheid uitsluitend, althans
 hoofdzakelijk ten doel hebben radio- en televisie-uitzendingen te doen
 (art. 13, lid 2, ten 2e). Voorts geldt dat zij ten genoegen van de minister
 aantonen dat zij niet gericht zijn op het maken van winst, voorzover deze
 niet voor de vervulling van de omroeptaak bestemd is, of dienstbaar zijn
 aan het maken van winst door derden (art. 13, lid 2, ten 5e). De opzet en
 de inhoud van de programma's mogen alleen worden bepaald door
 overwegingen van programmatische aard; in elk geval niet door com-
 merciele belangen van buiten de omroep staande personen en onder-
 nemingen. Reclame i s we1 toegestaan doch uitsluitend in reclameblokken
 die worden verzorgd door de Stichting Etherreclame (STER). De strek-
 king van de eerste eis is te voorkomen dat organisaties die buiten de
     NOS. 'Artikel 25: ballade met vele coupletten'; Omroeppodium, maart 1982, nr. 3. blz. 1-3.
     J.G. Wissema. N.R. Raman, G. Tadema, Mogelijkheden voor de audio-visuele software-
  sector in Nederland: 's-Gravenhage, Bakkenist. Spits en Co., 1982, blz. 63-70.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 114 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 115 ======================================================================

<pre>omroep werkzaam zijn, als ornroeporganisaties aan het bestel kunnen
deelnemen; voorts wordt beoogd te beletten dat omroeporganisaties
zich bezighouden met niet-omroepprogramrnataken. De tweede eis moet
Ben van de belangrijkste bepalingen van de Omroepwet worden geacht.
Hierdoor wordt immers een onderscheid aangegeven tussen exploitatie
in de marktsector, waarbij het legitiem is dat winst wordt gemaakt en de
publieke sector waar dit oogmerk niet bestaat. Een belangrijk aspect in
dit verband is dat een uitleg van de tweede eis mogelijk is, waarbij een
vorm van winstbetrokkenheid is toegestaan, als die winst maar ten bate
komt van de omroeptaak. Dit zou het onderscheid verminderen met de
marktsector en daarmee de legitimiteit van het publiek bestel kunnen
aantasten. Tegelijkertijd is het echter zo dat veel winstgevolgen die
normaal voortvloeien uit omroeptaken, elders terecht komen (zoals bij de
aankoop van produkties).
   Deze twee eisen uit de Omroepwet hebben geleid tot problemen met
betrekking tot de grens tussen activiteiten die onder de bepalingen van
de Omroepwet t e verantwoorden zijn en die welke een toetsing aan de
wet niet kunnen doorstaan. Daar een dergelijke toetsing niet op geregel-
de wijze pleegde plaats te vinden, heeft dit geleid tot een onduidelijke
situatie voor de ornroeporganisaties. Een en ander was aanleiding tot
een uitvoerig onderzoek van de Regeringscommissaris voor de Omroep,
waarbij een groot aantal aspecten in beschouwing is genomen8.
   In het rapport van de Regeringscommissaris wordt per omroeporgani-
satie een overzicht gegeven van de financiele omzet over 1978 die met
bepaalde activiteiten is gemoeid (zie tabel 6.5). Hoewel de desbetref-
fende gegevens slechts een globale indeling laten zien, kunnen zij toch
enig inzicht bieden ten aanzien van de hoofd- en nevenactiviteiten van
de omroeporganisaties. Wel moet hierbij bedacht worden dat de facili-
taire uitgaven niet via de ornroeporganisaties lopen, maar rechtstreeks
via de NOS. Voor alle acht omroeporganisaties geldt dat de beschikbaar
gestelde omroepgelden in hun geheel voor de verzorging van program-
ma's worden aangewend, maar overigens verschilt het inkomsten- en
Tabel 6.5 Het inkomsten- en uitgavenpatroon van de ornroeporganisaties, 1978
(In procenten)
                               AVRO    EO    KRO NCRV TROS VARA            VOO VPRO
Uitgaven:
verzorginghitzen-
ding programma's                 36.6  61.8   52.4   56,2   42.9     53.0    26.9   61.5
uitgave programma-
bladenlkosten bestuurs-
organisatie                      57.3  24.7   43.8   34.9   54.2     44.2   60.9     24.3
overige aktiviteiten              6.1  13.5    3.8    8.9    2.9      2.8    12.2    14.2
Totaal                          100.0 100.0 100.0 100.0 100.0       100.0 100.0 100.0
Inkomsten:
omroepgelden                     36.6  57.3   52.2   56.1   42.7     52.0   27.4    61.3
contributies                     34.6  24.7   30.7   28.7   33.1     29.4   51.4    31.6
overige inkomstenbronnen
(incl. advertentie-
opbrengsten)                     28.8  18.0   17.1   15.2   24.2     18.6   21.2      7.1
Totaal                          100.0 100.0 100.0 100.0 100.0 190.0 100.0 100.0
Bron: Regeringscomrnissaris voor de Omroep, Rapport betreflende het onderzoek
omtrent de naleving van artikel 13 van d e Omroepwet; o p verzoek van de minister van
CRM, Hilversum, 1981.
   De Regeringscommissaris voor de Omroep, Rapport betreffende het onderzoek omtrent de
naleving van artikel 13 van de Omroepwet; op verzoek van de minister van Cultuur, Recreatie
en Maatschappelijk Werk. Hilversum, 1981.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 115 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 116 ======================================================================

<pre>uitgavenpatroon per omroeporganisatie. Van de kleine omroeporganisa-
ties springt de VOO er uit met een aandeel van 72010 voor de inkomsten
uit andere bronnen dan omroepgelden. Voor de VPRO en EO ligt dit per-
centage rond de 40°/o. Wat de grote omroeporganisaties betreft liggen de
inkomsten uit andere bronnen dan de omroepgelden bij AVRO en TROS
aanzienlijk hoger dan bij de overige grote organisaties. Het uitgeven van
een programmablad maakt een aanmerkelijk deel uit van de omzet van
de omroeporganisaties. Bij drie omroeporganisaties ligt het aandeel zelfs
boven de 50%.
   De overige activiteiten en inkomstenbronnen komen in een verschei-
denheid van verschijningsvormen voor. Naast de advertentie-inkomsten
(d.w.2. anders dan uit de STER-reclame, waarvan de opbrengsten onder
de post omroepgelden begrepen zijn) die voor de gezamenlijke omroe-
porganisaties circa 50 mln gulden bedragen, worden inkomsten ver-
kregen uit de verkoop van boeken en platen, al dan niet uitgebracht in
samenhang met uitgevoerde programma's. Het betreft hier vaak activi-
teiten die tevens geplaatst worden binnen een kader van ledenbinding.
De uitgaven die gedaan worden ten behoeve van ledenbinding, propa-
ganda en dergelijke, zijn niet onaanzienlijk en liggen voor de grote
omroeporganisaties in de buurt van de 1.5 mln gulden per jaar.
   De verkoop van boeken, platen, videocassettes en films in samenhang
met uitgezonden programma's kan opgevat worden als directe mer-
chandising, terwijl de indirecte merchandising gebruik maakt van ele-
menten, persoonlijkheden, symbolen uit de programma's ter bevordering
van de verkoop van produkten die met de uitzending geen rechtstreeks
verband hebben. Kan merchandising gezien worden als een nevenac-
tiviteit met winstoogmerk, ook komen nevenactiviteiten voor in de vorm
van publieke dienstverlening. Het betreft hier de nazorg van omroep-
programma's waarbij men zich vaak van dezelfde middelen bedient als
bij de directe merchandising. Duidelijke scheidslijnen tussen leden-
binding, merchandising en publieke dienstverlening zijn moeilijk te trek-
ken. De meeste merchandising wordt overigens buiten de omroep
bedreven door derden, bij wie veelal de rechten van gekochte program-
ma's berusten.
   Zowel in het rapport van de Regeringscommissaris als in het rapport
van de Commissie Belangenverstrengeling Omroepmedewerkers worden
aanbevelingen gedaan om de sluipende commercialisering van het
omroepbestel te wereng. De Commissie Belangenverstrengeling Omroep-
medewerkers concludeerde dat de omroep-CAO weliswaar bepalingen
bevat met betrekking tot het aanvaarden van nevenfuncties en het niet
aannemen van steekpenningen doch dat er van een binnen de gehele
omroep doorgevoerd beleid ter uitwerking hiervan geen sprake-is. De
commissie stelde voor om de,bestaande regelingen aan te vullen, waar-
bij zowel aan juridische als organisatorische maatregelen werd gedacht.
Ook in het rapport van de Regeringscommissaris is deze materje onder-
zocht; de desbetreffende conclusies en aanbevelingen wijken niet af van
die van de Commissie Belangenverstrengeling Omroepmedewerkers.
   In het rapport van de Regeringscommissaris wordt aan een onderwerp
van mogelijke commerciele belangenverstrengeling veel aandacht
besteed en dat is de uitgave en exploitatie van omroepbladen. Voor de
meeste omroeporganisaties geldt dat de uitgave plaatsvindt onder eigen
verantwoordelijkheid en mede op basis van een commerciele drukorder.
De AVRO en de TROS hebben echter een samenwerkingsovereenkomst
met uitgevers gesloten die het mogelijk maakt dat de helft van de winst
aan de niet-omroeppartner toevloeit.
   Naar aanleiding van het onderzoek van de Regeringscommissaris
omtrent de naleving van artikel 13 van de Omroepwet heeft de minister
    Rapport van de Commissie Belangenverstrengeling Omroepmedewerkers (voorzitter
prof.mr. A.D. Belinfante); Hilversum, 1979, blz. 44-48.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 116 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 117 ======================================================================

<pre>van CRM in een tweetal reacties een standpunt ingenomen. In juli 1981
reageerde de minister met het verzenden van brieven aan alle omroe-
porganisatieslo. Hierin werd gesteld, dat gezien de bepaling van arti-
kel 13, lid 2, sub 2, 'nevenactiviteiten slechts dan zijn toegestaan wanneer
zij een zeer ondergeschikt karakter hebben en wanneer zij voorts verenig-
baar zijn met het eigen karakter van de omroeporganisaties'. Er is dus
slechts een beperkte mogelijkheid tot het bedrijven van nevenac-
tiviteiten. Het uitgeven van een programmablad kan overeenkomstig het
bepaalde in artikel 14 van het Omroepbesluit worden gerekend tot het
uitsluitend althans hoofdzakelijk doen van radio- en televisie-
uitzendingen dan we1 worden beschouwd als een geoorloofde nevenac-
tiviteit. De minister vroeg de organisaties iedere nevenactiviteit vooraf
ter beoordeling aan de Regeringscommissaris voor te leggen. Een aan-
vulling van het Omroepbesluit met een bepaling van deze strekking stel-
de de minister in het vooruitzicht.
    Met betrekking tot artikel 13, lid 2, sub 5, merkte de minister op dat het
maken van winst uitsluitend geoorloofd is indien:
- de activiteiten, waarmee de winst wordt gemaakt vallen binnen
bovengenoemde smalle marge van het bepaalde sub 2;
- de winst voor de vervulling van de omroeptaak wordt bestemd en dus
niet voor de bekostiging van verenigings- of stichtingsactiviteiten;
- de winst niet aan anderen wordt toegespeeld.
    Naast deze algemene beschouwing, die in elk van de verzonden brie-
ven is vervat, zijn in die brieven ook de door de Regeringscommissaris
genoemde bezwaren per omroeporganisatie opgesomd. De omroeporga-
nisaties kregen van de minister twee maanden de tijd om te reageren,
waarna CRM een definitief standpunt zou bepalen.
    Op 21 april 1982 heeft de minister van CRM zich opnieuw tot de
omroepen - exclusief de VPRO - gewend inzake de kwestie van
nevenactiviteitenl1. De minister stelt dat het niet de bedoeling is om het
begrip omroeptaak zo exclusief uit te leggen dat er voor verenigings- of
stichtingsactiviteiten nog nauwelijks ruimte bestaat. Echter verenigings-
  of stichtingsleven mag geen doel op zichzelf zijn maar slechts een mid-
del om het doel, te weten het doen van omroepuitzendingen, te bevor-
deren. Overigens beschikken de omroeporganisaties over twee unieke
kanalen, het programmablad en de omroepuitzendingen om een binding
met leden of contribuanten te onderhouden. De wet verzet zich tegen die
activiteiten, die de strikte doelstelling van het doen van radio- en televi-
sie-uitzendingen te buiten gaan. Een verruiming van de voorschriften in
 het licht van de culturele taak van de omroeporganisaties wordt door de
 minister afgewezen omdat de culturele taak - het uitdragen van de
eigen identiteit - juist moet worden vervuld in de omroepuitzendingen.
    Tot zover de reacties van de minister van CRM op het rapport van de
 Regeringscommissaris. Ten aanzien van een aspect, namelijk de mer-
chandising is de minister betrekkelijk vaag gebleven. Hij verwijst in zijn
 brieven aan de omroeporganisaties naar een toezegging van de Raad
 van Beheer van de NOS om binnen enkele maanden een visie hierover
ten behoeve van het bestuur opnieuw te formuleren op basis van een
tweetal nota's die in het verleden zijn opgesteldl2. In de nota 'Naar een
 aanpak van merchandising binnen de omroep' stelt de Raad van Beheer
 voor om merchandising zodanig te regelen, dat er geen invloed van uit-
 gaat op het programmabeleid. Vanwege de gewenste afstand tussen
 programmabeleid en merchandising verwachtte men dat de inkomsten
 vooralsnog van ondergeschikt belang zouden zijn. De grote behoefte aan
 softwareprodukten door de hoge penetratie van de kabel en de groei van
 het bezit van afspeelapparatuur zou echter een grotere markt kunnen
 lo  Nederlandse Staatscourant, dinsdag 14 juli 1981, nr. 131, blz. 2 e.v..
 l1  Nederlandse Staatscourant, maandag 3 mei 1982, nr. 83, blz. 8 e.v..
 lZ  Raad van beheer van d e NOS, Naar een aanpak van merchandising binnen de omroep;
 Hilversum, 1979.
    Raad van beheer van d e NOS. Merchandising rond omroepuitzendingen; Hilversum. 1978.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 117 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 118 ======================================================================

<pre>inhouden. Dit komt ook naar voren in de nota 'Omroep over de kabel',
waarin een groot aantal programmasoorten staat vermeld die de omroep
op verzoek van de gemeenten zou kunnen leveren.
6.3    Ontwikkelingen in d e massamedia i n het licht van de tech-
nische mogelijkheden
    In deze paragraaf zal allereerst het kabelnet worden behandeld dat
nieuwe vormen van dienstverlening mogelijk maakt. Vervolgens zal
aandacht worden besteed aan nieuwe diensten als viewdata, teletekst en
abonnee-televisie. De paragraaf zal besloten worden met een beschou-
wing over de vraag in hoeverre bestaande informatieleveranciers, zoals
dagblad- en tijdschriftuitgevers op d e nieuwe ontwikkelingen reageren.
Het kabelnet
    Met een bereik van meer dan 60% van de televisiehuishoudingen is
Nederland - na Belgie - het dichtst bekabelde land van Europa. Ver-
wacht wordt dat rond 1985 het verzadigingspunt zal zijn bereikt wanneer
85% van de woningen in Nederland zal zijn aangesloten op een kabelnet.
Circa 60% van de Nederlandse televisie-kabelnetten is opgebouwd in
mini-sterconfiguratie. Op basis van vervangingswaarde kan het in 1980 in
collectieve antenne-inrichtingen gei'nvesteerde vermogen worden
geschat op 1,5 mld gulden, terwijl jaarlijks voor circa 150 mln wordt gei'n-
vesteerd in nieuwe netten13. De gemiddelde investeringskosten per
aansluiting bedragen op dit moment circa 700 gulden.
    De kosten die.de kabelabonnee betaalt, lopen sterk uiteen. Dit hangt
onder andere af van de netstructuur en/of van het aantal ontvangen zen-
ders. Maar uitgaande van een voorzieningenniveau van meer dan'6 zen-
ders kan gesteld worden dat het jaartarief niet veel afwijkt van het
omroepbijdragetarief.
    Uitgaande van het mini-sternet dat als netstructuur het meeste in
Nederland voorkomt, kan aangegeven worden wat de huidige en toe-
komstige gebruiksmogelijkheden zijn van de kabelnetten. Het meest
moderne mini-sternet op dit moment maakt doorgifte mogelijk van maxi-
maal 18 televisieprogramma's, terwijl een uitbreiding naar 30 op korte
termijn technisch mogelijk zal zijn. Het aanbod van radiokanalen op direct
ontvangbare basis kan worden uitgebreid tot 26 programma's. In de nota
De Amsterdamse kabel gaat men ervan uit dat een uitbreiding naar 18
televisiekanalen en 26 FM radiokanalen een tariefaanpassing zal inhou-
den van 15 cent per extra televisiekanaal en 1 cent per extra radiokanaal
(prijzen per maand per abonnee, incl. BTW)l4. Het bestaande mini-
sternet, aangevuld met een aantal technische toepassingen op het
gebied van tweeweg-verkeer, versterkerapparatuur en een aan het kabel-
net gekoppelde computer, zou na 1985 de volgende dienstencategorieen
kunnen bieden:
- open netprograma's;
- abonnee-netprogramma's;
- gesloten netprogramma's;
- en overig netgebruik.
    In het verlengde van deze verschillende dienstencategorieen ligt de
mogelijkheid van segmentatie. Hieronder wordt verstaan de levering in
delen van het totale kabelaanbod. Deze overgang van een volledig col-
lectief werkend systeem naar een o p gedeeltelijk selectief individueel
gebruik ingericht systeem maakt afrekening op basis van de mate van
gebruik mogelijk naar zowel de abonnee als de programmaleverancier.
Technisch zijn er talloze segmenteringsmogelijkheden, waarvan de voor-
naamste zullen zijn een televisie-standaardpakket, een televisie-
l3   Nederlandse Staatscourant, 4 november 1980, nr. 24.
   Toespraak staatssecretaris Smit-Kroes bii opening van kabeltelevisiecongres 1980.
l4
     Werkgroep lnventarisatie Gebruiksmogelijkheden Kabelnet, De Amsterdamse kabel, over-
geven of doorbrengen; Amsterdam, 1981.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 118 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 119 ======================================================================

<pre>extrapakket, een televisie-abonneekanaal, een FM-standaardpakket en
een FM-extrapakket. De exploitatiekosten bij gesegmenteerd gebruik zul-
len hoger uitkomen omdat rekening moet worden gehouden met een
extra investering van 10 a 20% van de totale investeringskostenl5.
    Een belangrijk deel van het vergrote aanbod zal bestaan uit buiten-
landse televisieprogramma's. De P l T heeft een plan ontworpen voor de
aanvoer van 14 televisieprogramma's en 18 FM radioprogramma's. Voor
een investeringsbedrag van 45 mln gulden (prijspeil 1980) kunnen in ruim
2 jaar 114 gemeenten op een aanvoernet worden aangesloten. Het aan-
voernet zou ongeveer 200 mln gulden gaan kosten indien de uitbreiding
zou plaatsvinden tot een landelijke voorzieningl6. Het door de kabelex-
ploitanten verschuldigde landelijk uniforme tarief zou 1.90 gulden per
abonnee per maand bedragen. In dit bedrag zijn de eventueel verschul-
digde auteursrechten nog niet verdisconteerd. De P l T schat dat met de
auteursrechten een bedrag is gemoeid van f 2 gulden per abonnee. Niet
 uitgesloten moet worden geacht dat in plaatselijke netten nog aan-
merkelijke aanpassingen nodig zouden zijn om dit potentiele aanbod door
te geven, wat tot een verhoging van het kabelabonnement zou leiden.
Voor de kabelexploitant die in de grote steden opereert, is het uniforme
tarief zeer onaantrekkelijk. Amsterdam schat de reele kosten voor
 aansluiting op het aanvoerplan op circa 50 cent per maand per abonnee.
Verder moet de komst van de omroepsatelliet in de beschouwing wor-
 den betrokken. Uit de studie 'Informatietechniek in beweging' blijkt dat
 een eventueel landelijke aanvoernet voor televisie-kabelnetten met
 meer dan 300 abonnees zeer onvoordelig is ten opzichte van ontvangst
 met behulp van satellietantennes, uiteraard op basis van de veron-
 derstelling dat via deze satellietantennes op eenzelfde termijn dezelfde
 programma's kunnen worden ontvangen17.
    Het mini-sternet in aangepaste vorm laat op de korte termijn abonnee-
 netprogramma's en gesloten netprogramma's toe, terwijl de lokale
 omroep van de infrastructuur gebruik zal willen maken. Naast het pro-
 bleem van selectie van door te geven programma's is er het probleem
van de verdeling van de capaciteit over de verschillende diensten-
categorieen en de toelating van de verschillende aanbieders. Van de kant
van de uitgevers is er duidelijke belangstelling voor de dienstencategorie
 abonnee-televisie. Het beheer en de exploitatie van het kabelnet zullen
door de toekomstige uitgebreide dienstverlening om een andere organi-
satorische structuur vragen dan tot nog toe gebruikelijk is. Te denken
valt aan een zekere scheiding tussen de exploitatie van het kabelnet
enerzijds, waarbij het accent voornamelijk ligt op afwegingen van tech-
nische en economische aard en anderzijds het beheer over de program-
 matische invulling.
 Viewdata
    In augustus 1980 is een openbare marktproef gestart van het Neder-
landse viewdatasysteem Viditel. In maart 1981 namen er f 150 zelfstan-
dige informatieleveranciers aan deel, waarvan 10% uitgevers, die 15%
van de aangeboden informatie leverden. Gezamenlijk verzorgden de leve-
ranciers ongeveer 90.000 pagina's tekst. Het aantal Viditel-abonnees
(inclusief de informatieleveranciers) bedroeg in die periode f 2250. De
PTT neemt een centrale positie in als beheerder van de Viditelcomputer,
als leverancier van randapparatuur, als aanbieder van het telefoonnet ten
behoeve van het informatietransport en ten slotte als projectcoordinator.
Een van de kernvragen is in hoeverre de Viditelservice zich moet con-
centreren op de algemene consumenteninformatie of op specifiek
gerichte informatie ten behoeve van het bedrijfsleven. Ervaringen in
     Ibid., blz. 25.
16   P.J.M. Wilms/lnstituut voor Onderzoek van Overheidsuitgaven. Horen, zien en betalen,
een inventariserende studie naar de toekomstige kosten en bekostiging van omroep; wordt
nog uitgebracht in de serie 'Voorstudies en achtergronden mediabeleid'.
'7   W . M . de Jong, lnformatietechniek in beweging, consequenties en mogelijkheden voor
Nederland; wordt nog uitgebracht in de serie 'Voorstudies en achtergronden mediabeleid'.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 119 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 120 ======================================================================

<pre>Engeland met het viewdatasysteem Prestel wijzen in de laatstgenoemde
richting. Hoewel er, zoals ook in Nederland het geval is, kritiek wordt
geuit op de te geringe promotie- en marketingactiviteiten naar het grote
publiek, lijkt men in Engeland de conclusie te trekken dat een grote sprei-
ding van viewdata voor consumptief gebruik vooralsnog toekomstmuziek
is. In het eindrapport van de Stuurgroep Viditel gaat men er van uit dat
het aantal particuliere abonnees in de komende jaren zal kunnen toene-
men tot 75.000'8. Dit vereist echter we1 een aanpassing van de gebrui-
kerstarieven. Voor de particuliere gebruiker is door d e PTT, op basis van
de geldende tarieven en een gemiddeld gebruik van 3800 minuten per
jaar, een schatting gemaakt van de gemiddelde kosten. Deze bedragen
op jaarbasis 500 gulden, dat wil zeggen circa 2% van het netto modale
inkomen. Daarbij komen nog de afschrijvingskosten van een aangepast
televisietoestel of een voorzetapparaat. Viditel vraagt de komende jaren
de nodige investeringen. Zo zal de PTT volgens de huidige inzichten 141
mln gulden investeren in het telefoonnet, computercentra en andere
voorzieningen. De benodigde investeringen voor informatieleveranciers
lopen uiteen, al naar gelang de benodigde faciliteiten.
 Teletekst
    Teletekst heeft in zijn huidige vorm met 200 pagina's een beperkt
informatiebestand. Naar schatting zijn op dit moment tussen de 100.000
en 140.000 televisietoestellen geschikt voor ontvangst van teletekst. Een
televisietoestel waarin de decoder is ingebouwd kost f 400 gulden meer
dan een normaal toestel. De teletekstservice wordt niet direct in rekening
gebracht aan de gebruiker. Teletekst zal zich als zelfstandig medium kun-
nen ontwikkelen indien een gehele kanaalcapaciteit zou worden benuttg.
Abonnee-televisie
    Bij abonnee-televisie geschiedt de programmalevering via een afzon-
derlijk kanaal, waarop een door de programma-aanbieder samengesteld
 aanbod op vaste tijden wordt uitgezonden en waarop men zich via extra
 betaling kan abonneren. Een dergelijke vorm van programmadistributie is
toegestaan in het Transmedia-experiment in Zaltbommel. Potentiele aan-
 bieders zien vooral een markt voor uitzendingen met films, amusement
 en sport. De abonneeprijs en de kwaliteit van het aanbod zullen in
 belangrijke mate de penetratie van abonnee-televisie in het kabelnet
 bepalen. In een studie van de Boston Consulting Group wordt voor
 Nederland een abonneeprijs van f 25,-- per maand voor 6 uur televisie
 per dag realistisch geacht20. Hiermee zou een penetratiegraad van 30%
 per kabelnet kunnen worden bereikt. De consument zou in dit geval aan
jaarkosten ongeveer even veel betalen als de omroepbijdrage en het
 kabelabonnement te zamen.
 Dagbladen
    Het vervagen van de bestaande grenzen tussen de verschillende media
 vraagt van de informatie-aanbieders een herorientatie. Een dergelijke
 situatie deed zich ook voor bij de invoering van het medium televisie.
 Dagbladen reageerden op deze ontwikkeling door minder feitelijk nieuws
 in de redactionele kolommen op te nemen, maar meer aandacht te
 besteden aan achtergrondinformatie en opinie met betrekking tot het
 nieuwsfeit. Een misverstand is echter dat de dagbladen aan actualiteit
zouden hebben ingeboet. De actualiteit blijft de pijler van het medium,
 de nieuwsverschaffing is alleen anders van aard geworden. Als zodanig
functioneert het duidelijk in wisselwerking met radio en televisie. Data-
 processing stelt nu de dagbladen in staat selectief en snel de bijgehou-
 den redactie-archieven te raadplegen. Dit zal in de toekomst de opinie-
 l8
     Stuurgroep ter begeleiding van de PTT-praktijkproef met viewdata. Eindrapport; 's-Gra-
 venhage, 1982.
 l9  P.J.M. Wilrns, op. cit.. blz. 130-132.
     The Boston Consulting Group, P a y - W i n Holland, A study for VNU: Boston. 1981.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 120 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 121 ======================================================================

<pre>rende functie en het leveren van achtergrondinformatie kunnen verster-
ken. Ook de service-achtige informatie zoals agenda's, beursberichten en
dergelijke wordt hierdoor ondersteund.
   Nauw samenhangend met de elektronische databankontwikkeling bin-
nen het dagbladbedrijf zijn de grote technologische veranderingen bij de
informatieverwerking als onderdeel van het produktieproces21. In de
jaren zeventig heeft in Nederland de overgang plaatsgevonden van lood-
zetten naar fotografisch zetten. Een belangrijke factor in deze ontwikke-
ling is de opkomst van computertechnieken geweest, waardoor het zet-
proces met buitengewone snelheid kon plaatsuinden. Deze kostbare
systemen hebben bijgedragen tot een tendens tot schaalvergroting en
centralisatie. De computertechniek heeft echter ook een tegengestelde
ontwikkeling mogelijk gemaakt. Miniaturisatie van de elektronika, het
toenemend gebruik van de minicomputer en de daaraan gekoppelde
prijsdaling maakte het mogelijk dat omstreeks 1974 kleine handbediende
fotozetmachines op de markt kwamen. De fotozetmachine is langzamer-
hand onderdeel geworden van een heel systeem van informatiever-
werking. De diverse bewerkingen die de tekst moet ondergaan, geschie-
den met afzonderlijke, op elkaar afgestemde apparaten die samen het sy-
steem vormen: toetsenbord met beeldscherm, magneetschijfeenheden,
rekeneenheden, beeldschermen voor correctiedoeleinden en uiteindelijk
de fotozetmachine. Een grote verscheidenheid aan tekstver-
werkingssystemen en -apparaten is op de markt. Voor elke gebruiker, elk
produkt en voor uiteenlopende kwaliteitsniveaus is apparatuur beschik-
baar.
   Er zijn op dit moment vier ontwikkelingen op het gebied van tekstver-
werking bij kranten en tijdschriften actueel. Dit betreft:
a. het 'on-line' gaan van de redacties (kranten);
b. het gebruik van wordprocessors (tijdschriften);
c. de automatisering van de pagina-opmaak;
d. de drukvormvervaardiging rechtstreeks. uit de computer.
   Het on-line gaan van krantenredacties en het gebruik van wordproces-
sors bij tijdschriften is erop gericht het typewerk in de zetterij te vermij-
den. De tekst kan rechtstreeks in het computersysteem van de zetterij
worden ingevoerd. Ook de automatisering van de pagina-opmaak kan
een arbeidsbesparing opleveren ten opzichte van de huidige werkwijze
waarbij volgens een bepaalde lay-out strokenzetsel en -afbeeldingen op
papier worden gemonteerd.
   Wat het drukproces betreft is een belangrijke ontwikkeling de
overgang van het hoogdrukproces naar het vlakdruk- of offsetproces.
Van de 23 dagbladbedrijven zijn er thans zes overgeschakeld op offset,
en de verwachting is dat binnen vier a vijf jaar dit aantal verdubbeld zal
zijn. De voordelen van offset zijn: betere drukkwaliteit, de mogelijkheid
om dunnere (dus goedkopere) papiersoorten te gebruiken en vooral de
mogelijkheid van het drukken in kleur. Het gebruik van kleinere offset-
persen is nu ook voor de vervaardiging van relatief geringe oplagen eco-
nomisch rendabel geworden door de komst van kleinere fotozetsyste-
men.
   Een voorbeeld van mogelijke produktinnovatie isbdeproduktie van
kranten op maat. Hieronder wordt verstaan een dagblad bestaande uit
een algemeen gedeelte met speciale bijlagen voor afzonderlijke groepe-
ringen binnen het abonneebestand, die ook elk hun eigen adver-
tentiepakket hebben. Aan de realisatie van de krant-op-maat in zijn
meest extreme vorm kan pas gedacht worden op de lange termijn. Als
iedere abonnee zijn ge'individualiseerde informatiepakket thuisbezorgd
wil krijgen, zullen geheel andere technieken voor de produktie nodig zijn.
Experimenten op de wat kortere termijn zouden gezoneerde edities en
een speciaal bijlagesysteem kunnen behelzen. Op deze wijze kan een
2'  P.J. Kalffllnstituut voor Grafische Techniek T N O ; Nieuwe technieken voorproductie en
distributie van dagbladen en tijdschrifien; serie 'Voorstudies en achtergronden mediabaleid'.
nr. M7. 's-Gravenhage, Staatsuitgeverij, 1982.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 121 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 122 ======================================================================

<pre>meer gei'ndividualiseerde vorm van informatieverstrekking mogelijk wor-
den. lndien echter de mogelijkheden voor onder andere viewdata zoda-
nig worden verruimd dat bestanden met lokale informatie beschikbaar
komen, is de kans aanwezig dat een deel van de informatie via elek-
tronische weg de huiskamer binnenkomt op aanvraag van de consu-
ment. Naast commerciele informatie, zoals rubrieks-, personeels- en
onroerend goed-advertenties, kan ook gedacht worden aan redactionele
informatie. Hierin zou de opzet passen van een dagbladinformatie-
centrum. Via kabel en telefoon kan in principe een twee-weg
informatieverkeer worden mogelijk gemaakt. Dagbladen staan hierbij
voor de opgave om hun informatieproduktie en archivering zodanig te
automatiseren dat deze nieuwe markt betreden kan worden.
Tijdschriften
    Bij de tijdschriftuitgevers/drukkers lopen de ontwikkelingen in de tekst-
verwerking ongeveer parallel aan die bij de krant. Het vaktijdschrift leent
zich bij uitstek voor een eerste stap in de richting van het niet-grafische
produkt, zoals het elektronisch publiceren, waarbij on-line verbinding met
het beeldscherm bij de abonnee tot de mogelijkheden behoort. De data-
bank is niet het enige alternatieve medium voor de uitgeverij. Te denken
is ook aan alle ontwikkelingen op het gebied van videocassettes (verhuur
en verkoop), abonnee-televisie, enzovoort. Tegen de achtergrond van
onzekerheid ten aanzien van de consumentenvoorkeuren is de uit-
geverswereld erg bevreesd de advertentie-inkomsten mede als inkom-
stenbron te laten fungeren bij een dienstverlening via het kabelnet. Zowel
de dagbladuitgevers als de tijdschriftuitgevers staat een participatie in
het kabelnet voor ogen waarbij de verrekening met de consument via
abonnementen plaatsvindt.
6.4     De bekostiging van de massamedia
6.4.1    De financieel-economische positie van de persmedia
    Voor een analyse van ontwikkelingen in de inkomsten en bedrijfsresul-
taten van de dagbladpers zijn door Leeflang C.S.*~ gegevens gebruikt uit
de Enqukte Bedrijfsvergelijking van de vereniging Nederlandse Dagblad-
pers (NDP). Alleen die bladen zijn in de beschouwing betrokken, die de
gehele onderzoeksperiode 1970-1980 aan de EnquQte Bedrijfsvergelijking
 Tabel 6.6   Bedrijfsresultatenvoor dagbladen, 1970-1980
                             indexcijfer gezarnenlijk bedrijfsresultaat
                              gecorrigeerd voor inflatie. 1975 = 100
                                                           --
   jaar           totaal                     landelijk                  regionaal
 Bron: De aanbodstructuur van deperiodiek verschijnendepers in Nederland, op. cit.. blz
 193.
 22   De aanbodstructuur van de periodiek verschijnende pers in Nederland, op. cit.. hoofdstuk 7.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 122 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 123 ======================================================================

<pre>hebben deelgenomen. Dat zijn 31 dagbladen en dagbladcombinaties,
waarvan 5 landelijke en 26 regionale, die 55% van de landelijke dagbladen
en 79% van de regionale bladen (gemeten in oplagecijfers) represen-
teren. De eigenschappen van de deelnemende bladen kunnen afwijken
van de niet-deelnemende bladen waardoor generalisering van de in deze
paragraaf vermelde resultaten naar de totale dagbladenmarkt niet zonder
meer mogelijk is. In tabel 6.6 wordt een overzicht gegeven van de ont-
wikkeling in de gezamenlijke bedrijfsresultaten over de periode 1970-
 1980.
    Het gezamenlijke bedrijfsresultaat is voor de totale dagbladenmarkt en
voor de landelijke dagbladen in de eerste jaren negatief. Tot en met 1978
neemt het gezamenlijke bedrijfsresultaat toe. In 1979 echter is een ach-
teruitgang in het bedrijfsresultaat te zien, die zich in 1980 versterkt voort-
zet. Deze teruggang is voor de landelijke dagbladen relatief groter dan
voor de regionale dagbladen. In het jaarverslag van de NDP 1981 wordt
geconstateerd dat volgens de laatste voorlopige gegevens in 1981 14
dagbladen verlieslijdend waren en dat bij 5 andere bladen het rendement
zeer marginaal was23. Bij een verdere daling van het advertentievolume
en de oplage zal in 1982 van enig rendement nog nauwelijks sprake zijn.
    Het bedrijfsresultaat als percentage van de opbrengsten (winstper-
centage) varieert per blad tussen -55% en + 39%. In tabel 6.7 wordt de
verdeling van de winstpercentages voor de jaren 1970, 1975 en 1980
weergegeven. Uit de tabel kan onder meer worden afgelezen dat 50%
van de dagbladen (kolom 1) in 1970 (kolorn 2) een winstpercentage heeft
dat lager is dan -1,1010. Meer dan 50% van de dagbladen heeft in dat jaar
dus een negatief bedrijfsresultaat. In 1975 ligt dit percentage aanzienlijk
lager: iets minder dan 25% van de bladen heeft in 1975 een negatief
 bedrijfsresultaat. Wanneer we 1975 met 1980 vergelijken, dan blijkt dat
 het percentage dagbladen met een negatief bedrijfsresultaat ongeveer
gelijk is gebleven, maar dat de positie van bladen met een negatief resul-
taat in 1980 ongunstiger is dan in 1975 en omgekeerd. Anders gezegd: de
verliesgevende bladen in 1975 doen het in 1980 nog slechter en de winst-
gevende bladen in 1975 doen het in 1980 nog beter.
 Tabel 6.7   De verdellng van de winstpercentages van dagbladen, 1970, 1975 e n 1980
  -        -     --
 Bran: D e aanbodstructuur van d e periodiek verschijnende pers in Nederland, op. cit..
 blz. 196.
 a) Bij x% van het aantal dagbladen is het winstpercentage lager dan (of gelijk aan) de
     bijbehorende waarde in een bepaald jaar. Bij (100-x) 010 van de dagbladen is het
     winstpercentage hoger dan (of gelijk aan) de bijbehorende waarde.
   Aangezien de winstpercentages van de verschillende dagbladen sterk
uiteenlopen, is het zinvol na te gaan in hoeverre de hoogte van het
winstpercentage verschilt per dagbladtype. Het blijkt dat de regionale
bladen met een oplage boven de 100.000 gemiddeld het hoogste winst-
percentage hebben. Tevens blijkt dat de landelijke dagbladen in ieder
23
     De Nederlandse Dagbladpers, Jaarverslag 1981; Amsterdam. 1982
</pre>

====================================================================== Einde pagina 123 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 124 ======================================================================

<pre>jaar tot en met 1977 gemiddeld het laagste winstpercentage hebben. Na
1977 wordt deze positie overgenomen door de regionale dagbladen met
een oplage onder de 100.000.
    Van de dagbladinkomsten laten de voor inflatie gecorrigeerde adver-
tentie-inkomsten het volgende beeld zien. Na een aanvankelijke inzinking
in de jaren 1971 tot en met 1973 is er sprake van een opleving tot en met
 1979, waarna in 1980 een teruggang zichtbaar wordt. In 1980 neemt het
advertentievolume (gemeten in aantal bladzijden) af met 5,7010 en in 1981
met 11,7%. Deze daling komt in bijna alle marktsegmenten voor. In 1980
kon door tariefaanpassingeen vermindering van de bruto advertentieomzet
nog worden voorkomen; in 1981 daalde de advertentie-omzet met 6,50102~.
De lezersinkomsten (abonnementen en losse verkopen) vertonen, voor
inflatie gecorrigeerd, een duidelijke groei totdat er met ingang van 1979
een lichte daling optreedt. Deze tendens is waarneembaar voor alle
afzonderlijke segmenten. Het aandeel van de advertentie-inkomsten,
respectievelijk de lezersink3msten in de totale opbrengsten, is in de
onderzochte periode nogal aan schommelingen onderhevig geweest. Na
een daling van het aandeel van de advertentie-inkomsten in 1971 en
 1972, steeg dit weer tot circa 60% in 1979. In 1981 zorgde de sterke stij-
ging van de abonnementsprijzen en de daling van de advertentie-
inkomsten ervoor dat het aandeel van de advertentie-opbrengsten
terugliep tot 56%. Bij de regionale bladen ligt het aandeel van de adver-
tentie-opbrengsten 2 a 3 procentpunt hoger dan voor de landelijke dag-
bladen.
    Voor een beschrijving en analyse van de ontwikkelingen in
opbrengsten en bedrijfsresultaten van de tijdschriften zijn gegevens
gebruikt die door middel van de sinds 1974 gehouden NOTU-enqu6te zijn
verzameld. Alleen de 31 tijdschriften die gedurende de gehele onder-
zoeksperiode 1975-1980 aan het bedrijfsvergelijkend onderzoek hebben
deelgenomen, zijn in de beschouwing opgenomen. De vaktijdschriften
moesten bij gebrek aan cijfermateriaal buiten beschouwing blijven. De 31
onderzochte tijdschriften representeerden in 1975 ongeveer 91% van de
tijdschriftenmarkt (exclusief omroepbladen en vaktijdschriften), gemeten
in oplagecijfers. Omdat in de laatste jaren vrij veel nieuwe bladen op de
markt zijn geintroduceerd, daalde dit percentage tot 75% i n 1980.
 Tabel 6.8 Bedrljfsresultatenvan tljdschrlften (exclusief omroepbladen en
 vaktljdschrlften, 1975-1980 (1975 = 100)
                           indexcijfer gezarnenlijk         aantal bladen met een
                               bedrijfsresultaat,                  negatief
                          gecorrigeerd voor inflatie           bedrijfsresultaat
 Bron: De aanbodstructuurvan de periodiek verschijnendepers in Nederland,op. cit.. blz.
 204.
    Het gezamenlijke bedrijfsresultaat van de tijdschriften neemt geduren-
 de de onderzoeksperiode vrij sterk toe. De inzinking die zich in,1978
 voordoet, is het gevolg van onder andere de toename van het aantal
 kleuradvertentiepagina's in enkele grote tijdschriften waardoor een aan-
 zienlijke stijging van de kosten heeft plaatsgevonden terwijl de prijsver-
 hoging in 1978 slechts 4% mocht bedragen. In tabel 6.9 is het bedrijfs-
 resultaat als percentage van de totale opbrengsten (winstpercentage)
 l4  De Nederlandse Dagbladpers, op. cit., biz. 17.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 124 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 125 ======================================================================

<pre>weergegeven. Het winstpercentage van de tijdschriften schommelt, met
 uitzondering van het jaar 1978, gemiddeld rond de 6%.
Tabel 6.9 De verdeling van de winstpercentages van tijdschriften (exclusief omroep-
bladen en vaktijdschriften), 1975 en 1980
 x0/0 a)                        1975                         1980               (100-x) O/O
 Bron: De aanbodstructuur van de periodiek verschijnende pers in Nederland, op. cit.,
 blz. 207.
 a) Bij x0/0 van de tijdschriften is het winstpercentage lager dan (of gelijk aan) de
     bijbehorende waarde in een bepaald jaar. Bij (100-x) O/O van de tijdschriften is het
     winstpercentage hoger dan (of gelijk aan) de bijbehorende waarde.
    Uit de tabel kan worden afgelezen dat het percentage tijdschriften met
een negatief bedrijfsresultaat in 1980 lager is (kleiner dan 25%) dan in
 1975. De tijdschriften vormen een zeer heterogene groep. Het winstper-
centage ligt voor de opiniebladen en~jeugdbladenaanmerkelijk gunstiger
dan voor de grote familiebladen en special interest-bladen. In de
beschouwde periode is het winstpercentage van de opiniebladen echter
aanzienlijk afgenomen van 12,8% tot 6,8010, terwijl het winstpercentage
van de jeugdbladen verder toenam. De grote familiebladen en dames-
bladen bereiken in 1980 hun hoogste winstpercentage, namelijk 6,6010. Het
winstpercentage bij de special interest-bladen schommelt rond de 2,5010.
    De voor inflatie gecorrigeerde advertentie-inkomsten vertonen tot en
met 1979 een stijgende lijn; daarna blijkt een lichte daling op te treden
die zich ook in 1981 voortzet. Een indicatie voor deze ontwikkeling is de
afname van het advertentievolume voor diverse soorten tijdschriften:
publiekstijdschriften -1 1,7%, omroepbladen -150I0, opinieweekbladen -3,5010
en vaktijdschriften -10%25. Ook de voor inflatie gecorrigeerde lezersop-
brengsten nemen tot en met 1979 toe, waarna eveneens in 1980 een lich-
te daling optreedt. Het aandeel van de lezersopbrengsten in de totale
opbrengsten ligt in 1980 bij de tijdschriften (excl. omroepbladen) rond de
62%. De afhankelijkheid van advertentie-inkomsten ligt per categorie van
tijdschriften echter geheel verschillend. Met name de grote familie-
bladen, damesbladen en opiniebladen zijn sterk van advertentie-
inkomsten afhankelijk; het aandeel van de advertentie-inkomsten ligt op
circa 45% respectievelijk 52%. Bij de special interest-bladen is het
aandeel toegenomen van 18% in 1975 tot 26% in 1980.
6.4.2     De financieel-economische positie van de omroed6
    De omroeporganisaties die zendtijd hebben verkregen van de minister
van CRM, ontvangen jaarlijks een vergoedingldie gelijk is aan het totaal
van hun rechtstreeks met de omroep verband houdende uitgaven, voor
zover deze door de minister zijn goedgekeurd (art. 58, Omroepwet). Deze
uitgaven vinden ten volle dekking aan de middelenkant van de begroting
van CRM waar de omroepbijdragen en de opbrengst van reclame-
uitzendingen worden opgevoerd als financieringsbron. Het is de minister
25   Nederlandse organisatie van tijdschriftuitgevers (NOTU). T~dschrifienen mediabeleid;
Amsterdam, 1982.
26 P.J.M. Wilms, op. cit.. hoofdstuk 2.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 125 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 126 ======================================================================

<pre>die elk jaar het begrotingsaccres vaststelt. Aangrijpingspunten zijn de
loon- en prijsontwikkeling (nominale groei) en een reele ruimte in ver-
band met het oplossen van knelpunten enlof de realisering van bij de
omroep bestaande wensen. Deze betrokkenheid van de overheid bij de
bekostiging van de omroep wordt voor een deel bepaald door het
ondeelbare karakter van het produkt: uitzendingen zijn niet splitsbaar in
op de markt afrekenbare eenheden. Wel is het mogelijk de consumenten
van radio- en televisie-uitzendingen als profijttrekkende groep te
onderscheiden. Via een kostenomslag over de gebruikers in de vorm van
een omroepbijdrage wordt de financiering veilig gesteld. De consument
kan echter in veel mindere mate dan het geval is op de markt voor indi-
viduele goederen, optreden als hoeveelheidsaanpasser en ook zijn indivi-
duele voorkeur komt niet tot uitdrukking in de hoogte van de verplichte
omroepbijdrage.
    In de afgelopen tien jaar is het totaal aan middelen uit omroep-
bijdragen en etherreclame toegenomen van 330 rnln in 1971 tot 775 rnln
gulden in 1981. Het aandeel van de omroepbijdragen in dit totaal fluc-
tueert rond de 75%. Tot een omroepbijdrage zijn verplicht degenen die
zowel beeld- als geluidsomroep kunnen ontvangen (categorie A) en
degenen die slechts geluidsomroep kunnen ontvangen (categorie B). Het
aantal geregistreerden volgens categorie A is voortdurend toegenomen
tot 4.3 rnln in 1981, terwijl het aantal in categorie B de laatste jaren sta-
biel blijft op 200.000. De stijging van de omroepbijdragen is evenwel voor
het grootste deel veroorzaakt door de stijging van de omroep-
bijdragetarieven. Sedert 1977 kan de minister van CRM jaarlijks een
tariefwijziging doorvoeren. De gemiddelde stijging per jaar van de
omroepbijdrage is overigens achtergebleven bij de prijsstijging van de
gezinsconsumptie.
    Etherreclame werd bij de televisie ingevoerd in 1967, terwijl de radiore-
clame een jaar later van start ging. De Stichting Etherreclame is belast
met de uitzending van reclameboodschappen. Bij de invoering van de
etherreclame werd een deel van de reclame-opbrengsten gereserveerd
ten bate van de pers, ten einde deze in de gelegenheid
                                                    -     .           te stellen zich
aan de nieuwe situatie aan te passen. De compensatieregeling werd in
 1973 beeindigd. Voorts werd in 1971 het Bedrijfsfonds voor de Pers opge-
 richt, dat tot en met 1977 middelen uit de reclame-opbrengsten ontving.
 De zendtijd die de STER ter beschikking staat is aan een wettelijk maxi-
 mum gebonden en bedraagt sedert 1971 zeven uur per week voor de
 radio en drie uur voor de televisie. De beperkte beschikbaarheid van
 reclamezendtijd leidt ertoe dat de vraag naar zendtijd het aanbod nog
sterk overtreft27. Voor de televisie gold in 1981 dat gemiddeld de vraag
2.1 maal zo groot was als het aanbod. Voor de radio ligt dit getal op 5,4
 (Hilversum I en 11). respectievelijk 3.4 (Hilversum Ill). De netto-opbrengst
van radio- en televisiereclame is in de periode 1971-1981 gestegen van 91
tot 205 rnln gulden.
    Naast de middelen uit omroepbijdragen en etherreclame beschikt de
 omroep nog over twee andere inkomstenbronnen, namelijk rente uit
 reserves en eigen inkomsten van de omroeporganisaties. Alleen aan de
 NOS en de Wereldomroep is het toegestaan reservefondsen te vormen.
 Voor storting in de fondsen is toestemming nodig van de minister. De
 reserveringen kunnen qua bestemming worden onderverdeeld in: reserve
 regionale omroep. reserve educatieve/instructieve uitzendingen en alge-
 mene reserve. De algemene reserve, die de grootste is van deze drie, kan
 opgevat worden als een fonds ter dekking van de exploitatiekosten van
 de omroep voor zover de omroepbijdragen in enig jaar onvoldoende dek-
 kingsmiddelen bieden. Uitgezonderd de NOS beschikken de omroe-
 porganisaties over eigen inkomsten onder andere in de vorm van con-
 tributiebijdragen van jeden, inkomsten uit exploitatie van program-
 mabladen en overige inkomsten (zie ook paragraaf 6.2.4).
 27 J.C. Smeekes. De nabije roekomsr van de STER. war is werkelijk urgent?; Hilversum, Stich-
 ting STER. 1982. bijlage 1.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 126 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 127 ======================================================================

<pre>    In tabel 6.10 wordt een overzicht gegeven van de totale inkomsten en
uitgaven van de omroep in een drietal jaren. Van de uitgaven vormt het
exploitatiebudget met een aandeel van bijna 90% verreweg de grootste
component. Het heeft betrekking op de uitgaven van alle zend-
gemachtigden. Het aandeel van de NOS hierin, inclusief het facilitair
bedrijf, ligt op circa 60%. In 1981 beliep de begroting van de exploitatie-
uitgaven 723 mln gulden. De grootste post vormen de salarissen en
sociale voorzieningen van medewerkers die op basis van een arbeids-
overeenkomst in dienst zijn van een zendgemachtigde en wier salaris ten
laste mag komen van het omroepbudget (aandeel 54%). Daarnaast is er
de post algemene kosten (19%), waaronder vallen huisvesting, verlichting
en dergelijke en de post vervangingsinvesteringen (3,5%). Alle overige
uitgaven die met het programmamaken samenhangen en niet betaald
kunnen worden uit de drie genoemde posten van het exploitatiebudget,
vallen onder de post directe programmakosten. Voorbeelden zijn: free
lance medewerkers, acteurs, filmaankopen, aankopen buitenlandse pro-
dukties en dergelijke.
Tabel 6.10 De totale lnkomsten en ultgaven van de omroep, 1973, 1978 en 1981
                                                   1973 a)        1978 a)    1981 b)
                                                        in miljoen gulden
Uitgaven
Exploitatie
lnvesteringen
NOZEMA
Lijn- en verbindingskosten NOS
Inningskosten/Radiocontroledienst
Omroepraad/Regeringscommissariaat
Kosten doelmatigheidsonderzoek
Rese~eringen
Algemene reserve
Regionale omroep
Educatieve/instructieve omroep
Totaal uitgaven                                      419.7         678.6       803.0
lnkomsten
Opbrengsten omroepbijdragen
Netto-opbrengst reclame
Rente
Totaal inkomsten                                     419.7         6766        803,O
Bron: P.J.M. Wilrns/lnstituut voor Onderzoek van Overheidsuitgaven. Horen, zien en
betalen, een inventariserende studie naar de toekomstige kosten en bekostiging van de
                                     -
omroep: serie 'Voorstudies en achteraronden
Staatsuitgeverij. 1982.
                                                                                 -
                                              mediabeleid'. nr. M13. 's-Gravenhaae.
a) jaarrekening
b) begroting
    De gepresenteerde exploitatie-uitgaven geven echter onvoldoende
inzicht in de kosten van omroepactiviteiten. Een eerste indruk geven de
volgende cijfers: in 1982 kost Ben uur televisiezendtijd gemiddeld 106.300
gulden en Ben uur radio 10.700 gulden. Een nadere uitwerking voor de
televisiesector levert het volgende beeld op. Voor televisie-uitzendingen
is ter dekking van de zogenoemde directe programmakosten een uur-
bedrag van 35.000 gulden beschikbaar. Uit een dergelijk uurbedrag kun-
nen slechts relatief goedkope televisieprodukties worden bekostigd.
Voorbeelden van 'goedkope' programma's zijn actualiteitenrubrieken
(27.000 gulden), NOS-tribune (20.000 gulden), Twee voor Twaalf (16.000
</pre>

====================================================================== Einde pagina 127 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 128 ======================================================================

<pre>gulden). Drama-uitzendingen zoals Klaverweide e n Dagboek van een
~ e r d e r s h o n dkomen op een uurbedrag aan directe programmakosten dat
een veelvoud bedraagt van wat gemiddeld beschikbaar is. Vandaar de
noodzaak om buitenlandse produkties aan te kopen, aangezien de kosten
hiervan veel lager zijn: gemiddeld circa 12.000 gulden per uur. Afgezien
van kleine fluctuaties bestaat het televisie-aanbod van 4500 uur per jaar
voor 70010 uit eigen produkties en voor 30% uit gekochte programma's,
waarvan slechts 1 procentpunt uit Nederland afkomstig is. Behalve finan-
ciele beperkingen, noopt ook de capaciteit van h e t facilitair bedrijf tot
het aankopen van produkties. Te Nuyl trekt de conclusie dat de bestaan-
de capaciteit van het facilitair bedrijf (studio's, reportagewagens en
bemanning) niet meer kan verzorgen dan de genoemde 70°/o van de tota-
le televisiezendtijd, althans uitgaande van de huidige program-
masamenstelling28.
    In het Meerjarenplan 1982-1986 van d e NOS worden de financiele con-
sequenties uiteengezet van een zendtijduitbreiding van de televisie. In
drie fasen wil men de zendtijd uitbreiden met in totaal 32 uur per week,
hetgeen een toeneming betekent van 47% ten opzichte van 1981. Ook
wordt een gefaseerde uitbreiding van het aantal regionale omroepen
verondersteld. Deze plannen houden in dat de exploitatiebegroting in
 1986 circa 170 mln gulden hoger zou uitkomen dan o p basis van voort-
zetting van het huidige beleid. W a t de financiering van een dergelijke uit-
 breiding betreft, is te denken aan een viertal mogelijkheden. In de eerste
 plaats zou een verhoging van de omroepbijdrage t o t de mogelijkheden
kunnen behoren. In de afgelopen jaren is, zoals gezegd, de gemiddelde
groei per jaar van de omroepbijdrage achtergebleven bij de prijsstijging
van de gezinsconsurnptie. In de memorie van antwoord, wijziging
 omroepwet, komt nog eens duidelijk naar voren h o e de stijging van de
 omroepbijdrage is achtergebleven bij de groei van de gemiddelde abon-
 nementsprijzen van dagbladen29. Kijken en luisteren is in de afgelopen 12
jaar 80% duurder geworden; het dagelijks lezen van een krant 260%.
    Een tweede mogelijkheid o m te voorzien in een grotere finan-
 cieringsbehoefte van de omroep zou kunnen liggen in een vergroting van
 de opbrengsten uit de radio- en televisiereclame. Hoewel een schatting
 van het potentieel aan etherreclame met grote onzekerheidsmarges
 moet worden omgeven, tendeert de mening van vele rnediadeskundigen
 in de richting van circa 400 mln gulden per jaar. (Zie voor een uit-
 gebreide beschouwing hierover en over de gevolgen die dit voor de pers
 kan inhouden paragraaf 6.4.3). Een benutting van dit potentieel vraagt
 o m een wijziging van de voorwaarden waaronder de STER nu werkzaam
 is. O m te beginnen dient er dan meer reclamezendtijd beschikbaar te
 komen. Met betrekking tot de uitbreiding van de zendtijd voor televisie-
 reclame is een wetsontwerp, gericht op een verdubbeling tot zes uur per
 week, bij de Tweede Karner ingediend30. Een uitbreiding van de reclame-
 zendtijd maakt een grotere flexibiliteit mogelijk bij het kopen van zendtijd,
 de timing van reclamecampagnes en de segmentatie naar publieks-
 groepen. De mogelijkheid tot een feitelijke uitbreiding van de televisiere-
 clame wordt echter onder de huidige omstandigheden geblokkeerd door
 de gehanteerde reclameformule 'plaatsing alleen bij nieuwsberichten' in
 combinatie met de thans bestaande programmering. Zondagsreclame,
 vervroeging aanvangstijdstip televisiereclame, meer nieuwsrubieken of
 zwevende blokken zijn noodzakelijk om een uitbreiding te bewerkstelli-
 gen.
     Of het marktpotentieel aan radio- en televisiereclarne in de toekomst
 kan worden benut, hangt niet alleen af van de voorwaarden waaronder
      P. te Nuyl. Structuur en ontwikkeling van vraag en aanbod op d e rnarkt van 7V-produkties:
 wordt nog uitgebracht in de serie 'Voorstudies en achtergronden mediabeleid'.
 29 Wijziging van de Omroepwet. Memorie van Antwoord: Tweede Kamer, zitting 1981-1982,
  17 133, nr. 5, blz. 15.
      Ibid..
</pre>

====================================================================== Einde pagina 128 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 129 ======================================================================

<pre>de STER werkt, maar ook van de ontwikkeling van het kijk- en luister-
bereik van de Nederlandse omroep. Een significante daling van het
bereik, mogelijk veroorzaakt door een vergroot concurrerend aanbod in
de ether en op de kabel, zal leiden tot een benedenwaartse aanpassing
van de STER-tarieven. Voorts zal de aanwezigheid van commerciele tele-
visiesatellieten een belangrijke factor zijn. De verkoop van STER-zendtijd
zou hierdoor kunnen dalen, zeker indien belangrijke kijkdichtheden wor-
den gerealiseerd ten koste van het Nederlandse televisiebereik en bij het
toepassen van reclameformules die in Nederland niet zijn toegestaan.
Voor de Commissie Van Doorn was dit een van de overwegingen om
een derde, commercieel, net voor te stellen als passende strategie om de
uittocht van reclamegelden naar het buitenland een halt toe te roepen3".
Men kan zich afvragen of op deze manier niet een te zwaar geschut in
stelling wordt gebracht. STER en reclame op de commerciele zender
zouden, indien wordt afgezien van grote overheidsbijdragen voor de niet-
commerciele omroepen of een structurele verhoging van de omroep-
bijdrage, samen tenminste 675 mln gulden moeten opbrengen. Gegeven
de grote onzekerheden die er bestaan ten aanzien van het potentieel aan
radio- en televisiereclame en de betekenis van commerciele satelliet-
televisie, zou een verbetering van het concurrentievermogen varl de
STER door aanpassing van de voorwaarden een betere weg zijn dan de
introductie van een commercieel derde net.
   Een derde mogelijkheid om middelen te verwerven houdt verband met
de financiering van de regionale omroep. In oktober 1979 publiceerde de
minister van CRM een nota over het toekomstig beleid inzake de regio-
nale omroep die wat betreft de voorgestelde bekostiging het volgende
inhield32. Aan elke provincie die een regionale omroep wenst, wordt een
rijksbijdrage verleend als tegemoetkoming in de exploitatiekosten. Het
resterende bedrag komt voor rekening van de algemene middelen van de
provincie, eventueel (via een gemeenschappelijke regeling) in samen-
werking met de gemeenten. De voorgestelde bekostiging - deels regio-
naal, deels centraal - is een uitvloeisel van de opvatting dat de regiona-
le omroep zowel omroep- als welzijnsaspecten bezit. Bij de behandeling
van de nota regionale radio-omroep in de Tweede Kamer is een motie-
Van der Sanden aanvaard waarin aan de regering werd verzocht de
regionale financiering uit de algemene middelen van de provincie in te
ruilen voor een particuliere bekostiging via opcenten op de omroep-
bijdrage33. De hoogte zou door de Provinciale Staten moeten worden
vastgesteld. Zowel in het oorspronkelijke voorstel als in de motie-Van der
Sanden is sprake van een gemengde financiering met als bestuurlijk pro-
bleem een goede afbakening van verantwoordelijkheden en bevoegd-
heden tussen de verschillende overheden. Het voordeel van een gedeel-
telijke bekostiging uit opcenten op de omroepbijdrage is we1 dat het aan
de redactionele onafhankelijkheid en bedrijfsmatige continu'iteit een gro-
tere waarborg biedt dan bij financiering uit de provinciale algemene mid-
delen.
   Wilms stelt in zijn studie dat de beste garantie voor een regionaal
omroepvoorzieningenniveau dat rekening houdt met de consumenten-
preferenties, een volledige regionale bekostiging is door middel van
opcenten op de omroepbijdrageM. Elke regio bepaalt in dit geval de
hoogte van het aantal opcenten afhankelijk van de relatieve voorkeur in
de eigen kring van de regionale omroep. Het voordeel is dat de band tus-
sen bepalen, betalen en genieten nauwer is dan in het geval van een
gemengde financiering, maar het betekent ook dat er aanzienlijke regio-
nale verschillen kunnen ontstaan. Dit wordt veroorzaakt door het feit dat
de exploitatiekosten niet samenhangen met het inwonertal alsmede door
31   VPRO, Aanbevelingen voor een toekomstige omroepstructuur; Hilversum, 1981, blz. 59.
32   Regionale Radio-omroep; Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15 881, nrs. 1-3.
     Ibid., nr. 12.
"    P.J.M. Wilms, op. cit.. blz. 89.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 129 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 130 ======================================================================

<pre>de decentrale vaststelling van het voorzieningenniveau. In alternatieve
voorstellen van de kant van de ROOS en d e NOS wordt gekozen voor
een landelijke financiering uit de algemene omroepmiddelen35. Op deze
manier zou binnen een samenhangend mediabeleid van de landelijke
overheid de ontwikkeling van de regionale omroep afgewogen kunnen
worden tegen andere prioriteiten, terwijl interregionale tariefsverschillen
vermeden kunnen worden.
    Een afzonderlijk discussiepunt vormt de regionale etherreclame als
inkomstenbron. In paragraaf 6.4.3 wordt de betekenis van deze inkom-
stenbron nader geanalyseerd. lndien de exploitatiekosten van het ROOS-
plan, die ongeveer 66 mln gulden bedragen (op basis van het loon- en
prijspeil 1982), als uitgangspunt worden genomen, zouden de regionale
reclame-opbrengsten slechts een bescheiden bijdrage kunnen leveren
aan de bekostiging van een landelijk net van regionale omroepen. Ook bij
het CRM-model van 12 stations, totale exploitatiekosten f 34 mln gulden,
zouden naast de reclame-inkomsten, opcenten op de omroepbijdragen
noodzakelijk blijven.
    Ten slotte zou een mogelijkheid kunnen zijn de omroep een bijdrage te
verstrekken uit de algemene middelen. Het gaat dan niet om een
hernieuwde discussie over de vraag of de bekostiging moet plaatsvinden
uit de algemene middelen of uit de omroepbijdragen, maar eerder om de
vraag of er ontwikkelingen denkbaar zijn die een gedeeltelijke bekostiging
uit de algemene middelen rechtvaardigen36. Zo ziet Jurgens in subsidies
voor met name Nederlandse ~roduktiesin de cultuursector een instru-
ment om de pluriformiteit in be programrnering te verdedigen tegen een
door de marktomstandigheden afgedwongen nivellering37. De te ver-
wachten internationalisering yan het televisie-aanbod dreigt naar zijn
mening de pluriformiteit te verdringen, waarvan de als cultureel goed te
bestempelen Nederlandse produkties en rninderheidsprogramma's het
slachtoffer kunnen worden. Een rnotief voor subsidiering uit de algemene
middelen is te vinden in het 'merit good' karakter van de omroep. De
betrokkenheid van de overheid bij de omroep is mede te verklaren uit
hoofde van haar cultuurpolitieke verantwoordelijkheid. Het Sociaal Cul-
tureel Planbureau laat het 'merit good' karakter van de omroep doorklin-
ken wanneer gesteld wordt dat een rol van de overheid bij de omroep
gewenst lijkt, omdat de consument op de lange termijn gebaat is bij een
programma dat hem in de gelegenheid stelt zijn blik te verruimen38.
Bedacht moet echter worden dat het onderschrijven van het belang van
uitzendingen van Nederlandse cultuurprodukties niet noodzakelijkerwijze
tot directe subsidiering uit de algemene middelen hoeft te leiden. Zo zou
de overheid aan de omroep de verplichting kunnen opleggen een
bepaald percentage Nederlandse dramaprodukties in de programmering
op te nemen. ~endrastischeherallocatie van de middelen zou dan het
gevolg zijn en, gezien de hoge kosten van zulke programma's, valt dan
aan een substantiele verhoging van de omroepbijdrage niet te ontkomen.
 Naast directe subsidiering of verhoging van de ornroepbijdrage is het
tevens denkbaar dat de subsidiering op indirecte wijze plaatsvindt. Dit
zou kunnen als onderdeel van een integraal kunstbeleid, bijvoorbeeld
 door het subsidieren van Nederlandse films en podiumactiviteiten, waar-
 bij de produkties na een bepaalde tijd door de omroep worden uit-
 gezonden. In een advies aan de minister van C R M heeft de Raad voor de
 35
      ROOS. ROOS-plan voor 23 regionale omroepen; een bijdrage aan de politieke discussie
 over streekradio; Amsterdam. 1980.
    ROOS, brief aan de minister van CRM naar aanleiding van de concept-nota 'Kiezen en
 kabelen', d.d. 24 juni 1982.
 36 P.J.M. Wilms, op. cit.. hoofdstuk 5.
 3'   E.C.M. Jurgens. 'De omroepwet 1967 voor het eerst gewijzigd'; Nederlands Juristenblad,
 21 april 1979. blz. 329.
 3a Sociaal en Cultureel Planbureau. Sociaal en Cultureel Rapport 1980; 's-Gravenhage. 1981,
 blz. 135.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 130 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 131 ======================================================================

<pre>Kunst gepleit voor een integraal filmbeleid van de overheid, waarbij de
omroep nauwer dient te worden b e t r ~ k k e n ~ ~ .
6.4.3     De reclamebestedingen in de massamedia
    De reclamebestedingen in Nederland zijn van 1.1 mld gulden in 1967
toegenomen tot 3.7 mld in 197g40.De belangrijkste media zijn dagbladen
en directe reclame die elkaar weinig ontlopen en samen circa 60% van
de markt beheersen. Het aandeel van de etherreclame is bescheiden (7%
in 1979) evenals dat van de tijdschriften. In het verloop van de reclame-
bestedingen is duidelijk een aantal perioden te onderscheiden. Tot en
met 1966 blijkt het verloop van de reclamebestedingen gecorrigeerd voor
inflatie een grote overeenkomst te vertonen met dat van het bruto natio-
naal produkt (BNP), dat als een indicator voor de economische bedrijvig-
heid kan worden gezien. In de periode 1967-1974 blijft de volume-
ontwikkeling van de reclamebestedingen achter bij de groei van het BNP
(1,4% gemiddeld per jaar tegenover 5%). In de periode 1974-1979 neemt
het volume van de reclamebestedingen daarentegen veel sterker toe dan
het BNP (6,2010 versus 2%). Na 1979 is er een duidelijke kentering opgetre-
den. In de daaropvolgende twee jaar is er bij de dagbladen en tijdschrif-
ten sprake van een duidelijke daling van het volume van de reclame-
bestedingen bij een gelijk blijvend BNP.
    Het opstellen van een prognose over de groei van de reclamebestedin-
gen voor de komende jaren is een uiterst hachelijke zaak. Wel is duidelijk
dat de ondernemers op een slechter wordende economische ontwikke-
ling in eerste instantie gereageerd hebben met het terugschroeven van
hun reclamebudgetten. Voor de periode 1980-1985 verwacht het Centraal
Planbureau een groei van het BNP met 1.5% per jaar terwijl het volume
van de particuliere consumptie met gemiddeld 0.5% per jaar zal toene-
men41. Per huishouding betekent dit een reele daling met 0,5% per jaar.
In deze situatie zal het van de ondernemer een extra inspanning vragen
om zijn marktaandeel te behouden. Gegeven de veronderstelling dat de
reclame invloed kan uitoefenen op de verdeling van de vraag naar pro-
dukten, zou zich dus enig herstel van de volumegroei van de reclame-
bestedingen kunnen voordoen.
 label 6.11 Reclarnebestedingen, 1964-1979 (lopende prijzen, In rnln gulden, excluslef
 produktiekosten)
          dag- nieuws- huis- tijd-       vak- buiten- bios- tele-            directe
         bladen bladen aan- schrif- bladen re- coop- visie            radio    re-     totaal
                           huis-   ten         d a m e re-                   clame
                          bladen                      clame                     a)
 Bronnen:     - Nederlandse Vereniging van Erkende Reclame-Adviesbureaux (VEA).
              Reclame-bestedingen i n Nederland. 1979: Amsterdam. oktober 1980.
              - Marketing Data BV. STER. Analyse inzake het extra-potentieel voor
              televisie-reclame ~n Nederland; Amsterdam. oktober 1980. tabel 2.
 a) lnclusief produktiekosten
 39  Raad voor de Kunst. Het Nederlands Filmfonds, aanzet tot een integraal beleid; 's-Graven.
 hage. 1981.
 40 VEA, Nederlandse Vereniging van Erkende Reclame-Adviesbureaus, Reclarnebestedingen
 in Nederland 1979; Amsterdam, 1980.
 4'  Centraal Planbureau, De Nederlandse econornie in 1985; 's-Gravenhage, Staatsuitgeverij,
 1981.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 131 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 132 ======================================================================

<pre>    De volume-ontwikkeling van het reclamebudget kan van invloed zijn
op de allocatie over de verschillende mediatypen. Voor een goed begrip
van de onderlinge concurrentieverhoudingen tussen de verschillende
 mediatypen is het van belang een aantal segmenten in de adver-
tentiemarkt te onderscheiden. In tabel 6.12 zijn voor het jaar 1979 voor de
belangrijkste massamedia hun advertentie-inkomsten weergegeven voor
drie marktsegmenten. Het gaat hierbij om een ruwe indicatie omdat met
name over de verdeling van detaillistenadvertenties en het segment
gerubriceerd en overige niet zoveel bekend is. In het vervolg van deze
paragraaf zal nog op de verschillende segmenten van de adver-
tentiemarkt worden teruggekomen.
 Tabel 6.12 Een verdeling van de advertentie-inkomsten over verschillende massamedia
 per marktsegment, 1979 (in rnln gulden)
                                                                                -         -
 markt-                  dag-    nieuws-    huis- publieks- vaktijd-        radio
 segmenten              bladen    bladen    aan-      tijd    schriften televisie    totaal
                                            huis-   schriften
                                           bladen
 merken- en
 dienstenreclame          485        -        -       324         -          219      1028
 detaillisten-
 advertenties             350       110      542       -          -           -       1002
 gerubriceerd en
 overige                  306        -        -         10       136          -        452
 Totaal                  1141       110      542      334        136         219      2482
                                                                                         -
 Bronnen:      - Adviesbureau voor uitgevers Jan Ligthart    BV, D e relatie tussen huis-aan-
               huisbladen en dagbladen; een aantal stellingen; Hilversum. 1981.
               - Marketing data BV, op. cit..
               - Ed. van Eunen Consultancy. Mogelijkheden en consequenties van
               regionale (radio-)redame i n Nederland; Amsterdam, augustus 1981, project-
               nummer 20051.
               - Adviesbureau voor uitgevers Jan Ligthart BV, D e relatie tussen huis-aan-
               huis-bladen en dagbladen: een poging lot prognose: Hilversum, mei 1981.
    Naast de economische ontwikkeling zijn er nog andere ontwikkelingen
 zichtbaar die de betekenis van advertentie-inkomsten als medefinan-
 cieringsbron voor het aanbod van massamediaprodukten sterk kunnen
 doen veranderen. Achtereenvolgens zullen drie ontwikkelingen worden
 behandeld:
*-   de uitbreiding van de STER-zendtijd;
 - de komst van nieuwe media;
 - structurele ontwikkelingen binnen de persmedia.
 De uitbreiding van de STER-zendtijd
    Tegen een mogelijke uitbreiding van de STER-televisiezendtijd is door
 de periodiek verschijnende pers heftig geprotesteerd; zowel de NDP42als
 de NOTU43 hebben betoogd dat een aanzienlijke derving van advertentie-
 inkomsten hiervan het gevolg zou zijn. Voor een juiste beoordeling van
 de mogelijke negatieve gevolgen van de zendtijduitbreiding van de STER
 moeten de volgende drie vragen beantwoord worden:
 - Bestaat er een extra potentieel aan televisiereclame in Nederland?
 - Leidt zendtijduitbreiding voor de STER automatisch tot inkomstender-
 ving bij andere mediatypen?
 - Zo ja, welke massamedia ondervinden de grootste gevolgen hiervan?
    De televisiereclame bestaat voor meer dan 90% uit merken- en dien-
 stenreclame. In dit segment opereren naast de STER ook de dagbladen
 en publiekstijdschriften. Voor 1979 bedroegen de reclamebestedingen in
 42
     De Nederlandse dagbladpers, op. cit.. blz. 30.
 43  NOTU. OP. cit., bijlage 3.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 132 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 133 ======================================================================

<pre>d ~ marktsegment
      t                  ongeveer 1 mld gulden. Wat is nu de potentiele markt
voor uitbreiding van televisiereclame? Een mogelijke indicator is de fei-
telijke overvraag die zich met betrekking tot de STER voordoet. In de
periode 1977 tot en met 1979 bedroeg de gemiddelde toewijzing per jaar
176 mln gulden terwijl gemiddeld 181 mln overvraagd werd (104%).
lndien wij de overvraag als potentiele televisiereclame beschouwen, dan
zijn er de volgende kanttekeningen bij te maken. Allereerst zou de
beperkte zendtijd een reden kunnen zijn om te overvragen, om op deze
wijze toch voldoende zendtijd binnen te halen of om alvast voor de
zekerheid aan te vragen, ook al bestaat op het moment van aanvraag. nog-
geen duidelijkheid over de reclamestrategie. Een extra reden om te over-
vragen zou kunnen samenhangen met het feit dat de behoefte aan recla-
mezendtijd niet gelijkmatig over het jaar is verdeeld. In de piekperioden,
globaal voorjaar en najaar, ligt de overvraag circa vier maal boven de
toewijzing en in de niet-piekperioden maar even boven de werkelijke toe-
wijzing. Het doelbewust overvragen zou onder andere kunnen blijken uit
het aantal weigeringen nadat de zendtijd door de STER wordt toegewe-
Zen. Van alle toewijzingen wordt vrij constant 15Yo afgewezen, maar de
vrijkomende zendtijd laat zich gemakkelijk plaatsen bij de overige aan-
vragers. Wel zijn er indicaties dat een hoger weigeringspercentage
optreedt in die gevallen waarin nagenoeg het hele aangevraagde volume
wordt toegewezen@.Een bijstelling naar beneden van de overvraag als
indicator voor potentiele televisiereclame zal echter voor een deel
gecompenseerd kunnen worden, omdat er mogelijke gebruikers zijn die
door de beperkte zendtijd, de bestaande reclameformule van de STER en
de lange inlevertermijnen ervan weerhouden worden televisiereclame toe
te passen.
    Andere berekeningen inzake potentiele televisiereclame gaan uit van
substitueerbaarheid tussen de verschillende mediatypen. Op basis van
de karakteristieke aspecten van de verschillende media, de aard van de
produktenldiensten en de daarbij behorende reclamestrategie wordt een
schatting gemaakt van de substitueerbaarheid. In de studie van Mar-
keting data bv wordt geconcludeerd dat in 1978 het potentieel, naast het
bestaande gebruik van televisie, ten koste van de periodiek verschijnen-
de pers circa 425 mln gulden bedraagt, maar dat daarvan mogelijk reali-
seerbaar is 170 mln45.
    Ligthart verdeelt de merken- en dienstenreclame in twee grove cate-
gorieen namelijk de informatieve en de conditionerende reclame46. In
informatieve reclame wordt informatie gegeven over aard en samenstel-
ling van het produkt, aanwendingsmogelijkheden, waar het te krijgen is
en hoeveel het kost. Voor duurzame gebruiksgoederen, woninginrichting,
diensten zoals vervoer, en financiele dienstverlening wordt meestal
informatieve reclame gemaakt. In 'conditionerende reclame wordt geen
of weinig informatie gegeven maar wordt een sfeertekening gemaakt van
de gebruiker en de gebruiksomstandigheden. Dit soort reclame wordt
meestal benut voor vlottende comsumptiegoederen waarover de consu-
ment zich voor de aankoop nauwelijks orienteert. lnformatieve reclame
past het beste bij dagbladen, vakbladen en opiniebladen omdat het
leesmedia zijn met een actualiteitskarakter. Conditionerende reclame
past het beste bij publieksbladen, radio en televisie. Dit blijkt ook uit de
cijfers van het Bureau voor Budgetten Controle (BBC)47. De dagbladen
hadden in 1980 voor de sector banken, reizen, vervoer en woninginrich-
ting een marktaandeel van 60 a 70% en in de sector reinigingsmiddelen,
voedingsmiddelen en cosmetica een marktaandeel van 6 a 9%. Op grond
*    Marketing Data b.v.. Analyse inzake her extrapotentieel voor televisiereclame in Neder-
 land; Amsterdam, 1981, biz. 60-66.
45   Ibid., blz. 72.
46   J. Ligthart, 'Gevaar voor functieverandering van het dagblad we1 aanwezig'; Massacom-
 municatie, december 1981,Se jaargang nr. 6. blz. 236-242.
47   V a n Eunen Consultancy, Mogelijkheden en consequenties van regionale radioreclame in
 Nederland; Amsterdam. 1981, tabel 7, blz. 25.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 133 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 134 ======================================================================

<pre>hiervan veronderstelt Ligthart dat het extra potentieel vooral te vinden is
bij de publiekstijdschriften.
    Bij vergelijking met de situatie in het buitenland is een extra potentieel
aan televisiereclame van circa 150-250mln gulden realistisch te achten,
hetgeen globaal neerkomt op een verdubbeling. Het gemiddelde aandeel
van de televisie in de reclamebestedingen in de EEG was in 1977 18,7%.
Hierin scoorde Nederland het laagst met 7,2% en lerland het hoogst met
31.5%. lndien wij de EEG met de overige Westeuropese ontwikkelde lan-
den uitbreiden dan resulteert een gemiddeld marktaandeel van 14.6%.
    Behalve door zendtijduitbreiding is een vergroting van de inkomsten
ook te verwerven via verhoging van de STER-tarieven. Uitgaande van de
veronderstelling dat de reclamebudgetten niet zo flexibel zijn dat een
verhoging van de STER-tarieven automatisch wordt opgevangen, zal dit
eveneens ten koste gaan van de overige media. Bij de vaststelling van de
STER-tarieven wordt rekening gehouden met het kijk- en luisterbereik, de
vraag- en aanbodsituatie in de etherreclame en de tarieven bij de
persmedia. De monopoliesituatie die geldt bij de etherreclame, vraagt
van de overheid om een tariefstelling die rekening houdt met de concur-
rentieverhoudingen tussen STER en periodiek verschijnende pers. In de
afgelopen jaren valt te constateren dat de advertentietarieven bij de dag-
bladen en publiekstijdschriften sneller zijn gestegen dan bij de STER. Een
vergroting van de STER-zendtijd in combinatie met naar verhouding lage
tarieven zal de concurrentieverhouding met de dagbladen en tijdschriften
nog meer uit balans kunnen brengen.
    Voor een beantwoording van de vraag in hoeverre zendtijduitbreiding
voor de STER leidt'tot inkomstenderving bij de overige media, kiezen wij
als ingang de introductie van de televisie- en radioreclame in 1967-1968.
In vrij korte tijd nam het aandeel van de etherreclame toe tot 8% van de
totale reclamebestedingen in 1974. Omdat, zoals gezegd, de ether-
reclame voornamelijk opereert in het marktsegment merken- en dien-
stenreclame nemen wij de ontwikkelingen in dit marktsegment tot uit-
gangspunt. In tabel 6.13 zijn gegevens hierover weergegeven.
Tabel 6.13 Gerniddelde procentuele toenarne per jaar van reclamebestedingen
merkarfikelen en -diensten gecorrigeerd voor inflatie a) en de marktaandelen
Mediatypen              1967-1974  1974-1980                 marktaandelen
                                                     1967        1974        1980
dagbladen                 - 4.8        6.1             52          42         45
tijdschriften               0,3        5.7             32          32         33
etherreclame                8.0        1.4             16          26         22
Totaal                      0.6        43             100         100        100
Bron: WRR.
a) lnflatie was gemiddeld 7,5% per jaar voor de periode 1967-1974 en 6.8% voor de
     periode 1974-1980.
    In de periode 1967-1974stijgt het marktaandeel van de etherreclame
aanvankelijk sterk, maar vanaf 1971 stabiliseert het zich rond 27%. Het
aandeel van de dagbladen daalde met 10 procentpunt tot 42010,terwijl het
aandeel van de tijdschriften gelijk bleef. Wel vonden er binnen de tijd-
schriften belangrijke verschuivingen plaats. Familiebladen en d m e s -
bladen zagen hun marktaandeel dalen met gezamenlijk bijna 6 procent-
punt, maar de omroepbladen en de overige tijdschriften compenseerden
deze teruggang. In de periode 1974-1980vindt een herstel plaats bij de
dagbladen, terwijl ook de tijdschriften vooruitgaan. De groei van de
etherreclame blijft duidelijk achter en het marktaandeel daalt tot 22%. Dit
kan onder andere verklaard worden uit de beperkte beschikbaarheid van
STER-zendtijd. Zo steeg de verhouding tussen vraag en aanbod voor
reclamezendtijd bij de televisie van 1.4 tot 2,l in 1980.Zelfs al zou men
</pre>

====================================================================== Einde pagina 134 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 135 ======================================================================

<pre>ervan uitgaan dat de reele overvraag eigenlijk de helft is van wat door de
STER wordt geregistreerd, dan nog had het marktaandeel van de STER
bij meer reclamezendtijd kunnen toenemen tot 29%.
   Uit het voorafgaande dringt de conclusie zich op dat de komst van de
etherreclame ten koste is gegaan van de dagbladen en tijdschriften. Dit
zou anders kunnen liggen, indien kan worden aangetoond dat al voor
1967 de dagbladen en tijdschriften voor de merken- en dienstenreclame
minder interessant waren geworden. Van der Chys concludeert dat zowel
uit de groei van de merken- en dienstenreclame bij de dagbladen voor
1967, als uit de trendbreuk die zich in 1967 heeft voorgedaan, valt af te
leiden dat van een autonome vermindering van reclamebestedingen bij
de dagbladen geen sprake is geweest48. Blijft over de vraag in hoeverre
de komst van de STER-reclame extra reclamebestedingen kan hebben
uitgelokt. Zowel op basis van eigen empirisch onderzoek in Nederland
als op basis van ervaringen in het buitenland concludeert Van der Chys
dat de introductie van etherreclame in Nederland niet heeft geleid tot
een significante autonome uitbreiding van de totale reclamebestedingen
in de media49. Kernpunt is dat vrijwel alle auteurs ervan uitgaan dat
reclamebudgetten relatief rigide zijn en vooral bepaald worden door de
verwachte verkopen of door de verkopen in het afgelopen jaar. De omzet
aan etherreclame is derhalve ten koste van de overige media gegaan.
lndien nu de STER-zendtijd zal worden uitgebreid binnen de grenzen van
de reele overvraag, dan mag worden aangenomen dat dit zal resulteren
in navenant hogere STER-inkomsten en bij rigide advertentiebudgetten
tot een even grote onttrekking van inkomsten aan de overige media.
    Resteert ten slotte nog de vraag welke mediatypen vooral de gevolgen
van een uitbreiding van de STER-televisiereclame zullen ondervinden en
in welke mate. ~ e g e v e nhet feit dat de STER voornamelijk opereert in
het marktsegment merken- en dienstenreclame mag worden gecon-
cludeerd dat de grootste gevolgen bij de dagbladen en tijdschriften moe-
ten worden gezocht. De NDP heeft in 1980 onderzocht wat de gevolgen
kunnen zijn van een uitbreiding van televisiereclame50. Op basis van
metingen van het Bureau Budgettencontrole over de jaren 1977, 1978 en
1979 is bij adverteerders die gebruik maken van het medium televisie,
nagegaan hoe het deel van het budget dat niet naar de televisie gaat,
wordt verdeeld over dagbladen en tijdschriften. Uit de verkregen gege-
vens wordt opgemaakt dat van het restbudget gemiddeld ongeveer 55010
naar de dagbladen is gegaan en 45% naar de tijdschriften. Hieraan ver-
bindt men de conclusie dat bij een uitbreiding van de STER, de reclame-
gelden voor f 55% aan de dagbladen zullen worden onttrokken. Ten
onrechte wordt er hierbij evenwel van uitgegaan dat het alleen de tijd-
schriften en de dagbladen zullen zijn die met een verschuiving in de
reclamebestedingen worden geconfronteerd. Daarnaast is het de vraag
of de geconstateerde verdeling van het restbudget bepalend is voor de
gevolgen bij uitbreiding van de STER-zendtijd. In het voorafgaande is
immers betoogd dat de substitueerbaarheid tussen etherreclame en tijd-
schriftenreclame groter is dan tussen etherreclame en dagbladreclame.
De NOTU verwacht dat 65010 van de extra STER-budgetten verkregen zal
worden uit de tijdschriftenbranche5'. Alle gemaakte berekeningen
berusten echter op een reeks van vooronderstellingen waarbij de
exactheid van het uiteindelijk berekende percentage meer schijn dan
werkelijkheid is. Niettemin kan worden gesteld dat zowel de dagbladen
als de publiekstijdschriften met een belangrijke inkomstenderving zullen
worden geconfronteerd bij uitbreiding van de STER-zendtijd. De mate
48   P. van der Chijs, De invloed van de etherreclame op de Nederlandse dagbladpers; Rot-
terdam, Erasmus Universiteit/Centrum voor bedrijfs-economisch onderzoek, 1976, blz. 16.
49   Ibid., blz. 109.
50 De Nederlandse dagbladpers, Concurrentie-analyse mediumtypen in de markt van mer-
kenreclame; Amsterdam. 1980.
   C.J. Smeekes, op. cit.. blz. 30 en 31.
    NOTU, op. cit.. bijlage 3.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 135 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 136 ======================================================================

<pre>waarin dat zal gebeuren, wordt echter mede bepaald door de ontwikke-
ling in het marktsegment merken- en dienstenreclame en de marketing-
kracht die dagbladen en tijdschriften bij een toegenomen concurrentie
weten te ontwikkelen. De tijdschriften staan in zoverre sterker financieel
onder druk dat hun reclame-inkomsten voor meer dan 90% uit de mer-
ken- en dienstenreclame worden verkregen, terwijl dit bij de dagbladen
45% is.
De komst van nieuwe media
    In hoeverre zal commerciele satelliet-televisie als internationaal
medium gebruikt worden door Nederlandse adverteerders? Een eerste
indicatie vormt het bestaande reclamebudget aan merken- en diensten-
reclame. Het aandeel hierin van voor satelliet geschikte reclame-
boodschappen wordt geschat op circa 40 mln guldens*. Voorbeelden zijn
reclameboodschappen over automerken, audiovisuele apparatuur, dran-
ken en wasmiddelen. Dit is een beperkt aandeel, zeker als wij ervan uit
kunnen gaan dat circa 50% van de STER-omzet bepaald wordt door
internationale adverteerders. Het overwegend nationaal produceren van
reclameboodschappen door internationale adverteerders gebeurt op
basis van de volgende overwegingen:
- Bestaande sociaal-culturele verschillen tussen landen stellen hun
eigen eisen aan de reclameboodschap.
- Bij de aanprijzing van het produkt wordt veel gebruik gemaakt van
een expert, een doorsnee gebruiker of een bekende persoonlijkheid; dit is
zeer landgebonden.
- Verschillen jn marktaandeel per land vragen om een eigen bena-
dering.
- Veel produkten met internationale distributie dragen niet overal
dezelfde merknaam terwijl ook de verpakking kan afwijken.
- Taalbarriere.
- lntroducties van nieuwe produkten met daarop aansluitend de distri-
butie kunnen het best per land worden georganiseerd.
    Een adverteerder die gebruik wenst te maken van commerciele satel-
liet-televisie, zal zich laten leiden door de kijkdichtheid. Vanwege de
hoge aanloop- en investeringskosten vraagt commerciele exploitatie van
satelliet-televisie om een miljoenenpubliek. Het potentiele bereik zal in
de komende jaren vooral moeten komen van de aanwezige kabelsyste-
men. Wat dit betreft vormen Belgie en Nederland met hun hoge bekabe-
lingsgraad een aantrekkelijk gebied. Ontvangst door middel van een indi-
viduele schotelantenne zal na 1984 mogelijk zijn. Ruwe schattingen gaan
er vanuit dat in Westeuropa in 1985 tussen de 5 a 10 mln televisie-
huishoudingen middels het kabelsysteem commerciele satelliet-televisie
zouden kunnen ontvangen, tegenover 110 mln televisiehuishoudingen die
door de nationale televisie-omroepen worden bereikt53. Voor de te reali-
seren kijkdichtheidscijfers is het van belang dat men in staat zal zijn de
taalbarriere te overbruggen. Verder zijn de programmatypes van belang,
omdat het uitwijken naar andere dan nationale zenders vooral plaats-
vindt ten gunste van amusement, sport en speelfilms. Ook door het uit-
zenden buiten de uren dat de nationale zenders in de lucht zijn en het
bieden van duidelijk herkenbare nationale programma's, kan men de kijk-
dichtheid vergroten. Alles bijeen is het onwaarschijnlijk dat het gebruik
van de satelliet door internationale adverteerders de eerst komende tien
jaar grote vormen zal aannemen. Gegeven het bereik van df! nationale
omroepen alsook het kijkgedrag zullen vooralsnog de nationale televi-
siestations het hoofdmedium blijven.
    Ook nieuwe ontwikkelingen op het gebied van regionale en lokale
omroep kunnen gevolgen hebben voor de reclamestromen. In de nota
52    J. Ligthart, Satelliet-televisie en mediabeleid; Hilversum. 1983, blz. 40.
 53   Ibid., blz. 23.
    E. de Boer, 'Satellite Television in aanvangsjaren sterk afhankelijk van kabelkijkers in Neder-
 land'; Het Financieel Dagblad, 1 maart 1982.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 136 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 137 ======================================================================

<pre>Regionale Radio-omroep wordt regionale etherreclame niet wenselijk
geacht vanwege de te verwachten nadelige invloed op de adver-
tentiepositie van de regionale pers en de vraag naar zendtijd voor de lan-
delijke STER". In het rapport Mogelijkheden en consequenties van regio-
nale radioreclame in Nederland wordt de maximaal mogelijke opbrengst
van reclame-uitzendingen geschat op 15 mln gulden op jaarbasis bij een
zendtijd van twee uur per dag, waarin 360 reclame~econden~~.                      Regionale
etherreclame zou als nieuw medium vooral concurreren in het marktseg-
ment detaillistenreclame waarin de belangrijkste media zijn de (regiona-
le) dagbladen, nieuwsbladen en huis-aan-huis-bladen, maar ook de
diiecte reclame kan concurrentie ondervinden. Nationale adverteerders
zouden regionale etherreclame kunnen gaan gebruiken om hun nationale
reclamecampagne regionaal aan te scherpen. Buitenlandse ervaringen
doen vermoeden dat ongeveer 40% van het potentieel aan reclame-
opbrengsten afkomstig is van nationale adverteerders en 60% uit de
regio zelf. Het is niet waarschijnlijk dat de door nationale adverteerders
aan regionale radioreclame te besteden budgetten ten koste zouden gaan
van de huidige STER-omzetten. Daarvoor liggen vraag en aanbod bij de
landelijke radio-STER-reclame nog te ver uiteen. Het zou met name ten
koste gaan van de dagbladen en publiekstijdschriften. Voor beide media
betekent dit ongeveer 1% potentieel omzetverlies.
   Minister Van der Louw heeft op 21 mei 1982 een conceptnota inzake
lokale en regionale omroep in discussie gebracht onder de titel 'Kiezen
en Kabelen'w. Hierin wordt een opening geboden voor de lokale kabel-
omroep om een deel van de exploitatie te bekostigen via etherreclame.
Het ziet er naar uit dat de gevolgen voor de persmedia veel groter zullen
zijn dan bij de vermelde opzet van de regionale etheromroep. Twee
rekenvoorbeelden in de conceptnota laten zien dat in een ver-
zorgingsgebied van 100.000 inwoners, onder een aantal veronderstel-
lingen een bruto-opbrengst van ruim 500.000 gulden per jaar bij lokale
kabeltelevisie-omroep te verwachten is en bij de lokale radio-omroep
ruim 80.000 gulden. Evenals bij de landelijke omroep wordt ook hier de
pers vanuit een monopoliesituatie concurrentie aangedaan op de adver-
tentiemarkt.
   Potentiele concurrenten van de regionale en lokale gedrukte media
kunnen ook zijn de vele illegale radiostations die Nederland rijk is. Het
Bureau lntomart komt onder andere op basis van een luisteronderzoek in
de maand oktober 1981 tot de conclusie dat er naar schatting 3000 a
4000 illegale radiostations actief zijn57. Reclame-uitzendingen werden
slechts bij 8% van de stations geregistreerd. Op basis van gehouden ,
interviews zijn enkele indicaties verkregen over de reclametarieven. Voor
een maandtarief van 250-500 gulden verkrijgt een adverteerder een recla-
mespot die elk uur wordt uitgezonden. Per uur wordt 7 a 10 minuten aan
reclame-uitzendingen besteed. De reclameboodschap duurt vaak niet
langer dan 45 seconden. Er zit tussen de circa 250 commerciele stations
een veel kleiner aantal grote piraten. Een schatting van hun jaaromzet
ligt in de buurt van de 60.000 gulden (10 regelmatige adverteerders voor
een maandtarief van 500 gulden).
   Verschuivingen in de reclamebestedingen kunnen ook optreden door
introductie en acceptatie van viewdatasystemen. Met name het markt-
segment gerubriceerd (toerisme, personeel, onroerend goed) leent zich
voor toepassing in dit systeem. Voor dagbladen kan dit in de toekomst
leiden tot een daling van het advertentievolume, maar anderzijds bete-
kent de grondige kennis die dagbladen bezitten in dit marktsegment, een
goede uitgangspositie voor commerciele exploitatie in dit systeem.
54   Regionale Radio-omroep, op. cit.. nrs. 1-3
55  Van Eunen Consultancy, op. cit.. blz. 53.
58 Ministerie van CRM, Kiezen en kabelen, concept-nota inzake lokale en regionale omroep;
Rijswijk, 1982, niet-officiele getypte versie.
5'   lntomart b.v., Etherpiraten in Nederland; serie 'Voorstudies en achtergronden mediabe-
leid', nr. M6, 's-Gravenhage, Staatsuitgeverij, 1982.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 137 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 138 ======================================================================

<pre>Structurele ontwikkelingen binnen de persmedia
    De huis-aan-huis-bladen hebben een sterke positie opgebouwd in het
marktsegment detaillistenadvertenties. Hoewel er vooral op basis van de
lage tarieven nieuwe adverteerders zijn aangetrokken, is er ook een
verschuiving opgetreden van de dagbladen naar de huis-aan-huis-
bladen. Het marktaandeelverlies werd echter door de dagbladen niet zo
sterk gevoeld omdat dit marktsegment in de tweede helft van de jaren
zeventig een sterke groei doormaakte. De totale omvang van de detail-
listenadvertenties wordt geschat op circa 1 mld gulden in 1979. Het
aandeel hierin van de huis-aan-huis-bladen is 54010, van de nieuwsbladen
11% en van de dagbladen (vooral regionale dagbladen) 35%. De volgende
factoren kunnen het groeiende marktaandeel van de huis-aan-huis-
bladen verklaren?
- de omvang en samenstelling van de verspreidingsgebieden van huis-
aan-hds-bladen sluiten beter aan bij de dekkingsbehoeften van met
name de kleine detaillisten;
 - de advertentietarieven van de huis-aan-huis-bladen zijn lager;
 - de dekking van de huis-aan-huis-bladen is hoger.
 Ook voor de toekomst mag worden verwacht dat deze factoren een rol
 zullen spelen en dat bij de dagbladen het aandeel in de detaillistenadver-
 tenties verder zal dalen. Behalve op het marktsegment detaillistenadver-
 tenties kunnen de dagbladen ook op het segment merken- en diensten-
 reclame de concurrentie van de huis-aan-huis-bladen gaan ondervinden.
 Factoren als lage tarieven, combinatietarieven en de vergroting van de
 aantrekkelijkheid van het huis-aan-huis-blad door een verbeterde redac-
 tionele formule spelen hierbij een rol.
6.5      De consumptieve uitgaven aan massamediaprodukten
 6.5.1      lnleiding
    Onder consumptieve uitgaven aan massamedia worden hier verstaan
 uitgaven ten behoeve van:
 - boeken                              - bandrecorders
 - kranten                             - videorecorders
 - tijdschriften                       - grammofoons
 - radiotoestellen                     - geluidsdragers
 - televi5etoestellen                  - kijk- en luistergeld.
 Tabel 6.14 Ontwlkkellng van de medlaconsumptle, naar enkele onderschelden
 deelgroepen, 197011980 (In % per jaar)
                                     Reele                Prijs-             Nominale
                                     groei               stijging              groei
 Gedrukte media                        3.0
 Audiovisuele
 apparatuur                            5.6
 Geluidsdragers                       10.8
 Kijk- en luistergeld                  3,l
 Totaal media-
 consumptie
                          -
 Totaal binnenlandse
 consumptie                            3.5
  Bronnen: CBS. Nationale rekeningen. 1979.
  Datamateriaal van Philips Nederland, Eindhoven.
  Diverse CBS-maandstatistieken van de prijzen.
 5B
      J. Ligthart, De relatie tussen huis-aan-his-bladen en dagbladen; €en aantal stellingen;
  op. cit.. hoofdstuk IX.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 138 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 139 ======================================================================

<pre>Aldus gedefinieerd bedroegen de consumptieve bestedingen aan mas-
samedia in 1970 2,9 mld en in 1980 7,9 mld gulden (excl. kabelabon-
nement). De mediaconsumptie (gemeten in lopende prijzen) is in de
jaren zeventig dus ongeveer 2,7 maal zo groot geworden. Dit lijkt een
spectaculaire ontwikkeling maar als aandeel in de totale binnenlandse
consumptie zijn de uitgaven aan massamedia nagenoeg constant geble-
ven. Een inzicht in de ontwikkeling van een aantal bestedingscategorieen
binnen de massamedia kan ontleend worden aan tabel 6.14.
   Uit deze tabel blijkt dat de reele consumptieve bestedingen aan audio-
visuele apparatuur en geluidsdragers snel zijn toegenomen in de jaren
zeventig, sneller dan de totale binnenlandse consumptie. Opvallend is
ook de geringe prijsstijging van de audiovisuele apparatuur en de
geluidsdragers. De reele consumptieve bestedingen aan gedrukte media
en kijk- en luistergeld zijn minder snel toegenomen dan de totale binnen-
landse consumptie. De consumptieprijs van gedrukte media is sneller
toegenomen dan de gemiddelde consumptieprijs.
   Voor een analyse van de factoren die de ontwikkeling van de media-
consumptie hebben be'invloed, is het gewenst een onderscheid te maken
tussen uitgaven ten behoeve van gedrukte media en die ten behoeve
van audiovisuele media. De aard van de consumptie van gedrukte media
(boeken, kranten en tijdschriften) is duidelijk anders dan die van bijvoor-
beeld audiovisuele apparatuur. De aanschaf van een krant of tijdschrift
op een bepaald tijdstip zal vrijwel overeenstemmen met de feitelijke
consumptie ervan: het lezen. Voor audiovisuele apparatuur echter geldt
bij de analyse de problematiek van de duurzame consumptiegoederen:
de invloed van de aanschaf strekt zich uit over verscheidene perioden.
De analyse naar de bei'nvloedende factoren zal daarom voor gedrukte
media een duidelijk ander karakter hebben dan voor de audiovisuele
apparatuur. Deze tweedeling lijkt ook toelaatbaar omdat een wederzijdse
kwantitatieve bei'nvloeding van de twee categorieen in het verleden niet
aanwezig lijkt te zijn geweest. Zo heeft bijvoorbeeld de introductie van de
televisie we1 het luisteren naar de radio bei'nvloed maar niet of nau-
welijks het lezen van boeken, kranten of tijdschriften59.
6.5.2    Een analyse van de consumptie van gedrukte media
   Onder gedrukte media worden hier verstaan boeken, kranten en tijd-
schriften. In tabel 6.14 is reeds enige informatie gegeven over de ont-
wikkeling van de bestedingen aan gedrukte media in de jaren zeventig.
Ter verklaring van deze ontwikkeling kan een veelheid van factoren
genoemd worden: inkomens- en prijsontwikkelingen, veranderingen in
leefgewoonten, technologische ontwikkelingen, smaakveranderingen
enzovoort. Bij de kwantitatieve analyse zijn de verschillende factoren
gegroepeerd tot een drietal en worden in eerste instantie als mogelijke
determinanten onderscheiden: de totale bestedingsontwikkeling, de rela-
tieve prijsontwikkeling (prij~ontwikkelin~         van een bestedingscategorie
 minus de gemiddelde consumptieprijsontwikkeling) en een trendfactor60.
 Boeken
   De ontwikkeling van de boekenverkoop vertoont in de jaren zestig
naast sterke fluctuaties een trendmatige stijging tot een piek van bijna 45
mln in 1970. In de eerste helft van de jaren zeventig loopt de boeken-
verkoop sterk terug tot een niveau van ongeveer 33 mln in 1975. In de
tweede helft van de jaren zeventig lijkt zich een zekere stabilisatie af te
tekenen. De terugval van de boekenverkoop wordt veelal toegeschreven
aan het sterk toegenomen bibliotheekgebruik. Zowel het aantal bij de
59  L.P.H. Schoonderwoerd. W.P. Knulst/Sociaal en Cultureel Planbureau. Mediagebruik bij
verruiming van her aanbod; serie 'Voorstudies en achtergronden mediabeleid', nr. M4, 's-Gra-
venhage, Staatsuitgeverij, 1981.
60 J.C. van Ours. Mediaconsumptie; een analyse van het verleden, een verkenning van de
toekomst: werkdocument van de WRR, 1982.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 139 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 140 ======================================================================

<pre>  openbare bibliotheken ingeschreven lezers als het aantal uitleningen is in
  de periode 1965-1980 namelijk vervijfvoudigd. D e beste statistische resul-
  taten ten aanzien van de beschrijving van de ontwikkeling van de boe-
  kenverkoop werden voor de periode 1963-1977 verkregen met behulp van
  de factoren uitleen en bestedingsontwikkeling. Hoewel met name de sig-
  nificantie van de bestedingsvariabele aan de magere kant is, maakt een
  vergelijking met de resultaten van het CBS-budgetonderzoek 1978 en een
  vergelijking tussen simulatie en feitelijke ontwikkeling het geheel in
  redelijke mate aanvaardbaar. Berekend kan worden dat in 1978 de beste-
                     +
  dingselasticiteit 0.8 en de uitleenelasticiteit -0,7 bedroeg. Het CBS-
  budgetonderzoek van 1978 levert een bestedingselasticiteit o p van 1,O.
. Dagbladen
      De totale dagbladoplage die tot in het begin van de jaren vijftig vrij
  constant bleef, is sindsdien vrijwel voortdurend toegenomen van 2,8 mln
  in 1955 tot 4,7 mln in 1980. Hiermee heeft de toename van d e dag-
  bladoplage ongeveer gelijke tred gehouden met de groei van het aantal
  huishoudingen. De beste schattingsresultaten ter verklaring van de ont-
  wikkeling van de dagbladoplage voor de periode 1967-1980 werden ver-
  kregen met de factoren bestedingsontwikkeling en relatieve prijsontwik-
  keling alsmede een trend. Volgens deze schatting bedraagt de beste-
  dingselasticiteit 0.5, de prijselasticiteit -0,2, terwijl de betaalde oplage per
  gezin trendmatig blijkt af te nemen met 1,1% per jaar.
  De bestedingselasticiteit van dagbladen en weekbladen, geschat met
  behulp van het CBS-budgetonderzoek 1978, heeft een waarde van 0.6.
   Tijdschriften
      De oplage o p de tijdschriftenmaikt (excl. omroepbladen en vak-
  tijdschriften) is in de periode 1970-1980 toegenomen van ruim 5 mln tot
   7,8 mln. De oplage-ontwikkeling naar type tijdschrift verschilt nogal sterk.
   C'e meest spectaculaire groei was voor d e gossipbladen, die eerst in
   1973 ge'introduceerd werden en in 1978 een gezamenlijke oplage bereik-
  ten van 1.4 mln. Maar ook d e tijdschriftenoplage exclusief d e gos-
  sipbladen, vertoont in de jaren zeventig nog altijd een groei. Wanneer wij
  de oplage-ontwikkeling corrigeren voor d e bevolkingsgroei verandert het
   beeld nauwelijks, we1 begint zich na 1976 een zekere verzadiging af te
  tekenen. De beste schattingsresulaten ter verklaring van de ontwikkeling
  van de tijdschriftenoplage werden verkregen m e t de factoren beste-
  dingsontwikkeling en relatieve prijsontwikkeling. In 1978 had de beste-
  dingselasticiteit een waarde van 0,78 en d e prijselasticiteit een waarde
   van -0.14. De uit het CBS-budgetonderzoek 1978 geschatte bestedingse-
   lasticiteit voor kranten, weekbladen en tijdschriften bedroeg 0.70.
   6.5.3   Een analyse van de consumptie van audiovisuele apparatuur
      Al eerder is aangegeven dat voor de analyse van de consumptie van
   audiovisuele apparatuur en toebehoren het aspect van de duurzame
   consumptiegoederen geldt: de invloed van de aanschaf strekt zich uit
   over verscheidene perioden. Na de aanschaf van bijvoorbeeld een televi-
   sie in jaar t wordt deze gedurende gemiddeld negen jaar gebruikt, zodat
   pas in jaar ( t + 9) opnieuw een televisie wordt aangeschaft. De feitelijke
   'consumptie' van de televisie is dan verdeeld over een periode van
   negen jaar.
      Een inzicht in de oorzaken van de ontwikkeling van de consumptieve
   bestedingen aan audiovisuele apparatuur kan verkregen worden door de
   ontwikkeling van de penetratie van het gebruik van de audiovisuele
   apparatuur in de gezinnen t e bestuderen, zoals weergegeven in figuur
   6.1.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 140 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 141 ======================================================================

<pre>    F i ~ u u 6.1.
              r    De onlwikkeling van he1 bezit van audiovisueleapparatuur. 1965-1980
    (aantal apparaten per gezin)
                                                              a
                                                              -,'     rad~o
2.2
                                                            I
1.4  -                                                                                                   1.4 r
                                                                                                                                                                       -
                                                                                                                                                           ~ ~ a r l l ~kleuren
                                                                                                                                                                         c l    Iv
                                                                      grammofoonlunct~e
0.8  -                                                                                                                                                     kleuren t v
                                                                                                                                                  '  ' - - zwartlwlltv.
0.4  -                                                                                                   0.4 -
                                                                                                             -
                                                                  -
                                                                                                         0.2
                                                                                                                                           - - - -- ,      wdeorecorder
        1965                1970                 1975               1980                                       1965          1970      1975         1980
                                                     tl,d
     Bron Phtilps Nederland. Elndhoven
                                        Voor de hifi-apparaten en de apparaten met een recorderfunctie is er
                                        sprake van een toenemend bezit; voor de apparaten met een gram-
                                        mofoonfunctie lijkt er sprake van een zekere verzadiging. De ontwikkeling
                                        van het radiobezit vertoont meer fluctuaties hetgeen waarschijnlijk wordt
                                        veroorzaakt door de vergaande diversificatie binnen de groep radio's:
                                        tafelradio's, portable radio's, klokradio's, autoradio's enzovoort. In 1980
                                        is er sprake van een lichte teruggang van het radiobezit.
                                            De penetratie van de kleurentelevisie is snel verlopen; in 1970 bedroeg
                                        het aantal kleurentelevisies per 100 gezinnen 6, in 1980 was dat 80. Mede
                                        als gevolg van de toegenomen aankoop van kleurentelevisies nam het
                                        bezit van de zwartlwit-televisie in de jaren zeventig langzaam af. Het
                                        totale televisiebezit per gezin verdubbelde ongeveer in de periode 1965-
                                        1980. De penetratie van de videorecorder in de tweede helft van de jaren
                                        zeventig is relatief langzaam verlopen: vijf jaar na de introductie beschik-
                                        te nog slechts 3% van de Nederlandse gezinnen over een videorecorder.
                                        Ter vergelijking: vijf jaar na de introductie van de kleurentelevisie bezat
                                        16% van de Nederlandse gezinnen er Ben.
                                                          Figuur 6.2. Ds ontwikkeling ran de consumptieve bealedingen aan audiovisuele
                                                          apparaluur. 1965-1981 (rnln. gid.. prijzen 1975)
</pre>

====================================================================== Einde pagina 141 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 142 ======================================================================

<pre>     De ontwikkeling van het consumptieve bestedingsvolume aan audiovi-
  suele apparatuur is weergegeven in figuur 6.2. Hieruit blijkt dat dit in de
  periode 1966-1974 snel is toegenomen waarna een zekere stabilisatie is
  opgetreden; na 1974 neemt het niet of nauwelijks toe, terwijl het totale
  consumptievolume we1 bleef toenemen. In deze ontwikkeling is globaal
  de penetratie-ontwikkeling te herkennen waarvan in figuur 6.1 een aantal
  voorbeelden is geschetst. De sterke penetratie van met name de audio-
  apparatuur na 1965 heeft het consumptievolume blijkbaar sterk doen toe-
  nemen, met het verzadigd raken van de consumentenmarkt stabiliseerde
  deze ontwikkeling zich.
  6.5.4    Een verkenning van de toekomstige mediaconsumptie
     Bij de analyse van de historische ontwikkelingen is gebleken dat niet
  voor elke vorm van mediaconsumptie voldoende empirisch materiaal en
  gedegen analyses aanwezig zijn waarop een toekomstverkenning geba-
  seerd kan worden. In afnemende mate geldt dit voor gedrukte media, be-
  staande audiovisuele media en nieuwe audiovisuele media. Waar het
  voor gedrukte media nog mogelijk was bijvoorbeeld bestedings- en prijs-
  effecten te schatten, kwam voor de bestaande audiovisuele apparatuur
  de analyse niet verder dan een kwalitatieve duiding van de determinan-
  ten van de consumptie. Voor nieuwe media ontbreekt uiteraard een ana-
  lyse van historische ontwikkelingen zodat daar de toekomstverkenning
  niet meer dan een speculatief karakter kan hebben.
      Daar waar kwantitatieve economische randvoorwaarden bij de toe-
  komstverkenning een rol spelen is uitgegaan van de toekomstver-
  wachtingen zoals die door het CPB zijn opgesteld6'. Het totale consump-
  tievolume neemt hierin toe in de-periode 1980185 met 0,5OIo per jaar. Uit-
  gaande van een groei van het aantal gezinnen met 1,6010 per jaar betekent
  dit een daling van het consumptievolume per gezin met 1,l01o per jaar. Re
  consumptieve prijsontwikkelingen van de verschillende mediagoederen
  en -diensten zijn niet geanalyseerd; er wordt van uitgegaan dat deze prijg-
  ontwikkelingen grotendeels parallel zullen lopen aan die van de gemid-
  delde consumptieprijs: 6,5010 per jaar in de periode 1980185. Alleen voor
  audiovisuele apparatuur en toebehoren wordt verondersteld dat de
  gemiddelde consumptieve prijsstijging 1,5010 per jaar zal bedragen.
   Gedrukte media
      Met behulp van de bij de analyse van de historische ontwikkeling van
  de consumptie van gedrukte media afgeleide schattingsvergelijkingen en
  de zojuist geponeerde vooronderstelling kan berekend worden dat de
  consumptie van kranten en boeken zal afnemen en die van tijdschriften
  zal toenemen, hetgeen weergegeven is in tabel 6.15.
'  Tabel 6.15    Een raming van de ontwikkeling van de consumptie van gedrukte media,
   1980/85
                                   1980                 Mutatie                 1985
                                (mln stuks)           (% per jaar)          (mln stuks)
                                                                             -
   Boekenverkoop                   33.0                  - 2.1                  29,7
   Dagbladenoplage                  4.6                  - 0.1                   4.6
   Tijdschriftenoplage               7.9                   0.5                   8,l
   Bron: J.C. van Ours. Mediaconsumptie. een analyse van het verleden, een,verkenning van
   de toekomsl: WRR. 's-Gravenhage. 1982.
      De consequenties van deze ontwikkelingen op gezinsniveau kunnen
   bepaald worden door uit te gaan van budgetonderzoekgegevens. Zo is
       Centraal Planbureau. De Nederlandse econornie in 1985; 's-Gravenhage, Staatsuitgeverij.
   1981.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 142 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 143 ======================================================================

<pre>uit het CBS-budgetonderzoek van 1978 gebleken dat een modaal gezin
(met een totaal consumptief budget van 25.264 gulden) aan consumptie
van gedrukte media 344 gulden uitgaf (zie tabel 6.16).
    Op basis van bovenstaande berekeningen volgt dat een dergelijk gezin
in 1985 473 gulden aan gedrukte media zal uitgeven. In reele termen
betekent dit een daling van de consumptie van gedrukte media met 1,8%
per jaar. Rekening houdende met een groei van het aantal gezinnen per
jaar van 1,6% betekent dit dat op macro-niveau het consumptieve volu-
me van gedrukte media zal afnemen met 0,2% per jaar.
 Tabel 6.16 Bestaande en toekomstige consumptie van gedrukte media door een modaal
 gezin, 1978 en 1985 (in guldens)
 Kranten en tijdschriften                   279                            395
 Boeken                                       65                            78
                                            -                             -
 Totaal                                     344                            473
Bron: J.C. van Ours, op. cit..
Audiovisuele media
   Bij de audio-apparatuur is geconstateerd dat voor de apparaten met
grammofoonfunctie en de radio's er sprake is van een stabilisering in het
aantal apparaten per gezin, voor de hifi-apparatuur en de apparaten met
een recorderfunctie stijgt dit aantal nog wel, maar In een afnemend tem-
po. Gegeven de verwachting dat de technologische ontwikkelingen niet
tot nieuwe gebruiksfuncties voor deze apparatuur zullen leiden, is een
herleving van de initiele verkopen niet te verwachten. Het verkoopniveau
zal vooral bepaald worden door vervangingsaankopen en de groei van
het aantal gezinnen. Het is echter de'vraag of het bestaande verkoop-
niveau globaal constant zal blijven. Uit onderzoek bij consumenten blijkt
dat onder andere bij audiovisuele apparatuur een technisch defect of slij-
tage slechts bij twee derde van de vervangingen de reden van aankoop
is geweest62. In een situatie van stagnerende inkomens is een levens-
duurverlenging dus mogelijk. Bij goederen zoals audio-apparatuur die
een hoge penetratiegraad bezitten, kan een uitstel van aankopen om
andere dan technische redenen, een belangrijk blijvend effect hebben op
het totale verkoopniveau.
   Ten aanzien van de aanschaf van televisietoestellen speelt een aantal
factoren een grote rol. In de eerste plaats zal er in de toekomst sprake
zijn van een toename van het aanbod van televisieprogramma's. Over
 het algemeen wordt aangenomen dat een uitbreiding van het aantal
kanalen dat kan worden ontvangen, niet van invloed is op de kijkduur,
 maar we1 op de inhoudelijke samenstelling van het kijkmenu63; een uit-
breiding van de zendtijd daarentegen zal waarschijnlijk we1 tot een toena-
me van het televisiekijken leidenw.
    De tweede belangrijke factor hangt voor een deel samen met de ver-
wachte toename van het televisie-aanbod. In het verleden is ten aanzien
van het radiogebruik geconstateerd dat dit steeds individueler is gewor-
den; eenzelfde ontwikkeling wordt ten aanzien van het televisiegebruik
verwacht, niet alleen door de toename van het televisie-aanbod, maar
ook door de introductie van nieuwe audiovisuele apparatuur. Deze nieu-
we apparatuur is namelijk alleen te gebruiken als verlengstuk van het
televisietoestel (viewdata, teletekst, videorecorder).
    Genoemde twee factoren zullen een positieve invloed op de aanschaf
van televisies uitoefenen en een opnieuw toenemende initiele verkoop
     Centraal Planbureau, Centraal Economisch Plan 1982; 's-Gravenhage. Staatsuitgeverii,
 1982, blz. 222.
63 L.P.H. Schoonderwoerd. W.P. Knulst/SCP, op.cit.
M Ibid., blz. 75.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 143 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 144 ======================================================================

<pre>zou dan ook in het licht hiervan niet denkbeeldig zijn. Echter ook hier
geldt dat een stagnerende inkomensontwikkeling uitstel van vervanging
in kan houden, wat negatief uitwerkt op het verkoopniveau. De verkoop
van bestaande audiovisuele apparaten zal ook de concurrentie kunnen
ondervinden van nieuwe media. Uiteraard is het moeilijk aan te geven
hoe per saldo al de genoemde factoren zullen inwerken op de verkopen
van bestaande audiovisuele apparatuur. Als een 'voorzichtige' variant
wordt er daarom vanuit gegaan dat de consumptie van bestaande audio-
visuele apparatuur reeel constant zal blijven.
    lndien wederom als uitgangspunt wordt genomen een gezin dat in
 1978 in totaal 25.264 gulden aan consumptie uitgaf, waarvan 302 gulden
ten behoeve van audiovisuele apparatuur, en wordt aangenomen dat de
prijzen van bestaande audiovisuele apparatuur toenemen met 1,5010 per
jaar (gemiddeld over de jaren zeventig), dan wordt de consumptie van
bestaande audiovisuele apparatuur in 1985 335 gulden (zie tabel 6.17).
 label 6.17 Consumptle van bestaande audlovlsuele media door een modaal gezln,
 1978 en 1985 (In guldens)
 Audiovisuele apparatuur
 Huurheparatie apparatuur
 Geluidsdragers
 Luister- en kijkgeld
 Omroepblad
 Kabelabonnement
 Totaal bestaande audio-
visuele media
 Bron: J.C. van Ours, op. cit.
     De uitgaven ten behoeve van een kabel-abonnement zijn als zodanig
 niet geregistreerd in het CBS-budgetonderzoek 1978. Uitgaande van een
 stijging van de penetratie van de kabelaansluitingen van 50% in 1978 naar
 85010 in 1985 en een gemiddelde abonnementsprijsstijging van 10% per
 jaar, kan berekend worden dat een modaal gezin aan kabelabonnement
 in 1978 65 gulden uitgaf en in 1985 215 gulden zal uitgeven.
    Ten aanzien van de toekomstige uitgaven aan luister- en kijkgeld is uit-
 gegaan van bestaande ramingen die een tarief van 180 gulden in 1985
 aangeven, hetgeen bij een penetratie van 95% neerkomt op ongeveer 170
 gulden per gezin. Voor de overige uitgaven aan audiovisuele media
  - huur en reparatie apparatuur, geluidsdragers, omroepblad - is veron-
 dersteld dat deze rebel gelijk blijven en dat d e prijsstijging ervan gelijk zal
 zijn aan de verwachte gemiddelde consumptieprijsstijging van 6.5% per
 jaar. De totale consumptie van bestaande audiovisuele media in 1985 zal
 dan voor het modale gezin 894 gulden bedragen.
     Tot de nieuwe audiovisuele media behoren zowel nieuwe diensten,
 bijvoorbeeld informatiesystemen - teletekst en viewdata - en abonnee-
 televisie, als nieuwe apparaten zoals de vidkorecorder en de beeld-
  plaatspeler. Deze vormen van nieuwe media hebben met elkaar gemeen
 dat ze in feite een verlengstuk van de televisie zijn. Met de introductie
 van deze nieuwe media in de jaren tachtig doet zich een vergelijkbare
  'diversificatiegolf' voor ten aanzien van de visuele media zoals die zich in
 de tweede helft van de jaren zestig voordeed ten aanzien van de audio-
  apparatuur. Vanuit economisch gezichtspunt vielen hierbij een tweetal
 verschijnselen op. In de eerste plaats vie1 de toename van het consump-
 tievolume van audiovisuele apparatuur samen met de diversificatiegolf
 en in de tweede plaats bleef genoemde consumptie vanaf ongeveer
  1974/75 in een periode van algemene bestedingsgroei ongeveer
 constant, dus voordat er sprake was van een stabilisatie of een afname
</pre>

====================================================================== Einde pagina 144 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 145 ======================================================================

<pre>van het totale consumptieve bestedingsvolume. Hieraan kan de con-
clusie verbonden worden dat de consumptie van audiovisuele appara-
tuur voornamelijk door het aanbod werd bepaald, dat wil zeggen de
consumptie nam toe toen het aanbod meer divers werd. In het algemeen
kan de bestedingsruimte uiteraard we1 van invloed zijn op de snelheid
waarmee in een dergelijke situatie de consumptie groeit: een 'even-
wichtswaarde' in het bestedingsvolume wordt bij een kleinere beste-
dingsruimte later in de tijd bereikt.
   Ten aanzien van de toekomstige ontwikkeling van de audiovisuele
consumptie mag een soortgelijke ontwikkeling verwacht worden: de
introductie van de nieuwe media zal leiden tot een toename van het
aandeel in het totale consumptievolume. De snelheid waarmee deze toe-
name zal plaatsvinden wordt echter, anders dan in de periode 1965-1975,
veel meer beperkt door de bestedingsontwikkeling. Verwacht mag daar-
om worden dat de mediaconsumptie in positieve zin wordt be'invloed
door het aanbod van nieuwe media, maar dat de toename van de media-
consumptie slechts geleidelijk zal kunnen plaatsvinden.
   Dit wordt mede veroorzaakt door de hoge kosten die aan de consump-
tie van de nieuwe media verbonden zullen zijn. Uitgaven ten behoeve
van abonnee-televisie zullen ongeveer 300 gulden per jaar bedragen. De
meerkosten voor een televisietoestel, indien dit geschikt gemaakt moet
worden voor teletekst, worden gesteld op 400 gulden, hetgeen bij een
afschrijvingsperiode van tien jaar neer zou komen op jaarlijks 40 gulden.
Met het gebruik van viewdata zal naar schatting een bedisg van 500 gul-
den per jaar verbonden zijn. Verder wordt aangenomen dat zowel de
videorecorder als de beeldplaatspeler en de daarbij behorende beeldl
geluidsdragers 2000 gulden (prijzen 1985) zullen kosten, hetgeen bij een
afschrijvingsperiode van tien jaar neerkomt op 200 gulden per jaar. Dit
betekent dat een gezin dat alle genoemde nieuwe media in het
consumptiepakket zou opnemen, een extra consumptie van audiovisuele
media zou hebben van 1240 gulden (prijzen 1985). De totale gezins-
consumptie van audiovisuele media zou hiermee toenemen van 894 gul-
den tot 2134 gulden per jaar. Een dergelijke stijging lijkt in een situatie
van afnemende be~tedin~smogelijkheden        niet mogelijk. Een gemiddeld
gezin zal dus prioriteiten stellen wat betreft de introductie van de
verschillende media, hetgeen betekent dat de penetratiesnelheid van een
nieuw medium gering zal zijn.
   Ter illustratie van deze problematiek is verondersteld dat de penetra-
tiesnelheid van de videorecorder 2,5010 per jaar zal bedragen - hetgeen .
betekent dat er in 1985 in 14% van de Nederlandse gezinnen een videore-
corder aanwezig zal zijn - waardoor de uitgaven gemiddeld 50 gulden
zullen bedragen. Wanneer de abonnee-televisie voorlopig achterwege
blijft en voor de beeldplaatspeler een penetratiesnelheid van 1% per jaar
wordt verondersteld, dan zal een gemiddeld gezin hieraan per jaar 20
gulden uitgeven. Bij een penetratie in 1985 van de viewdata van 2% zul-
ten de gemiddelde uitgaven hieraan 10 gulden bedragen en bij een
penetratiesnelheid van teletekst met 1% per jaar zal hieraan ongeveer 5
gulden per jaar worden uitgegeven. In totaal wordt er dan gemiddeld
jaarlijks ongeveer 85 gulden aan nieuwe media uitgegeven, waarmee het
totaal voor de audiovisuele media in 1985 op ongeveer 980 gulden komt.
 Uitgaande van een gemiddelde jaarlijkse prijsstijging van 1,5% voor appa-
ratuur en 6,5% voor diensten betekent dit dat het consumptievolume van
audiovisuele media per gezin zal toenemen met gemiddeld 2.5010 per jaar,
hetgeen op macroniveau een stijging van 4.1% per jaar inhoudt.
6.5.5    Conclusies
    De resultaten van de uitgevoerde verkenning van de toekomstige
 mediaconsumptie zijn in tabel 6.18 samengevat.
    Naar verwachting zal het consumptievolume van de gedrukte media
 iets afnemen, terwijl dat van de audiovisuele media sterk zal groeien met
</pre>

====================================================================== Einde pagina 145 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 146 ======================================================================

<pre>Tabel 6.18 Een raming van de ontwlkkeilng van de mediaconsumptie, 1980/85
(mulaties In % per jaar)
                                              volume                prijs
Consumptie van gedukte media                   -
Consumptie van audiovisuele media
Totaal mediaconsumptie
Totaal consumptie
Bron: J.C. van Ours, op. cit.
4,1% per jaar. Het volume van de totale mediaconsumptie zal hierdoor
naar verwachting toenemen met 2.7% per jaar in de periode 1980-1985.
    Afgezien van de onzekerheden verbonden aan de resultaten van de
kwantitatieve analyse, zijn de verwachtingen ten aanzien van de ont-
wikkeling van de consumptie van gedrukte media onderhevig aan onze-
kerheden van tweeerlei aard. In de eerste plaats kunnen de bestedings-
 en prijseffecten berekend op basis van historische analyses afwijken van
de feitelijke toekomstige effecten. In de tweede plaats kunnen de ramin-
gen van de exogenen onjuist zijn. Wat dit laatste betreft bestaat bijvoor-
beeld de mogelijkheid dat door een teruglopen van de reclame-
inkomsten, de abonnementsprijs van dagbladen sterker verhoogd zal
worden dan de hier veronderstelde 6,50/0 per jaar. Gegeven een prijse-
lasticiteit van -0.2 zal dit weliswaar een geringe invloed hebben, maar het
betekent we1 dat de dagbladoplage nog verder af zal nemen. Een andere
onzekerheid betreft bijvoorbeeld de consumptieve bestedingsontwik-
keling. Zo is het consumptieve bestedingsvolume het afgelopen jaar
sneller gedaald dan oorspronkelijk verwacht werd. lndien dit structureel
blijkt te zijn, kan bijvoorbeeld ook de tijdschriftenoplage stagneren of
afnemen in plaats van matig toe te nemen, zoals hier verwacht wordt.
Dat dit verre van denkbeeldig is blijkt uit de recente constatering van de
NOTU dat onder invloed van de vrij forse daling van het besteedbaar
inkomen in het laatste kwartaal van 1981 de tijdschriftenoplage eveneens
is gedaald65.
    Ook de verwachtingen ten aanzien van de toekomstige ontwikkeling
van de audiovisuele consumptie zijn aan veel onzekerheden onderhevig.
Zo kan de vervanging van bestaande apparatuur uitgesteld worden, het-
geen op macro- niveau een daling van de consumptie met zich brengt
indien dit uitstel althans niet wordt gecompenseerd door consumptie ten
bate van nieuwe media. De consumptieve bestedingsruimte ten bate van
nieuwe media kan vergroot worden indien vervanging van bestaande
apparatuur geheel achterwege blijft en er dus sprake is van substitutie
van oude door nieuwe media. Gegeven de vele onzekerheden, zowel bin-
nen als buiten de sfeer van de mediaconsumptie, kan aan de kwantitatieve
 resultaten van de prognoses slechts een indicatieve waarde worden toegekend.
 6.6   De werkgelegenheid i n de rnassamedia
 6.6.1   Inleiding
    Deze paragraaf die gewijd is aan de werkgelegenheid in de mas-
 samedia bestaat uit twee gedeelten: een beschrijving van de werk-
 gelegenheidssituatie in de relevante sectoren (par. 6.6.2) en een
 beschouwing over toekomstige ontwikkelingen in de werkgelegenheid bij
 de media. In het beschrijvende gedeelte wordt de werkgelegen-
 heidssituatie in de massamedia aan het eind van de jaren zeventig ge'in-
 ventariseerd. Voor de gedrukte media gaat het hier om de grafische
 industrie, de binderijen en de uitgeverijen. De grafische industrie is in
 65  NOTU, op. cit
</pre>

====================================================================== Einde pagina 146 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 147 ======================================================================

<pre>deze bedrijfstak veruit de belangrijkste werkgever. De grafische industrie
is een ondersteunende activiteit die zich bezighoudt met het ver-
vaardigen en afwerken van drukwerk. Het g r a f i s ~ h eproduktieproces kan
worden getypeerd als relatief schoon, weinig energiegebruikend en
arbeidsintensief, waarbij bovendien veel hoogwaardige arbeidsplaatsen
worden geboden. De structuur van deze sector is tamelijk ondoorzichtig,
onder meer als gevolg van het grote aantal merendeels kleine bedrijven,
d e sterk uiteenlopende mate van verticale integratie, het grote scala van
artikelen en het naast elkaar bestaan van gespecialiseerde bedrijven en
vele zogenoemde allesdrukkers66.
    Bij de audiovisuele media nemen radio en televisie een belangrijke
plaats in; de werkgelegenheid in deze branche is in de tweede helft van
d e jaren zeventig voortdurend gegroeid.
    De totale werkgelegenheid in de massamedia kan voor 1981 geraamd
worden op circa 65.000 personen. Voor de toekomstige ontwikkeling van
de werkgelegenheid zijn vooral economische en technologische factoren
bepalend. Op basis van de beschreven economische ontwikkelingen en
d e ramingen omtrent het verloop van de consumptieve bestedingen aan
massamedia in paragraaf 6.5, wordt een uitspraak gedaan over de ont-
wikkeling van de werkgelegenheid op de middellange termijn. Voor de
lange termijn kunnen w a t dit betreft geen conclusies worden bereikt.
6.6.2    Een beschrijving van de werkgelegenheidssituatie in de mediasec-
tor
Grafische industrie, binderijen en uitgeverijen
    Enkele belangrijke gegevens over de bedrijfstak grafische industrie,
binderijen en uitgeverijen zijn vermeld in tabel 6.19, die is gebaseerd op
de produktiestatistieken van het CBS.
Tabel 6.19 Aantal bedrljven, aantal werknemers en omzet In de graflsche lndustrle,
blnderljen en ultgeverljen, 1979 (bedrljven met tien of meer werknemers)
                                         -                                            - -
                                      Aantal               Aantal         Totale industriele
                                     bedrijven           werknemers       omzet (mln gld.)
 Dagbladdrukkerijen
 Overige drukkerijen
 Grafische reproduktie
Totaal grafische ind.
 Dagbladuitgeverijen
 Tijdschriftuitgeverijen
 Boekuitgeverijen
 Uitgeverijen n.e.g.
 Totaal uitgeverijen
 Binderijen
 Totaal
 Toelichting: Het betreft hier bedrijven met tien of meer werknemers. Aantal werkzame
 personen, geteld aan het einde van het derde kwartaal, exclusief medewerkende
 eigenaren en firrnanten e n inclusief werknemers die werkzaam zijn ten behoeve van de
 niet-industriele activiteiten. Met bedrijven worden hier bedrijfseenheden bedoeld in dezin
van de Standaard Bedrijfsindeling SBI (1974).
 Bron: CBS. ~roduktiestatistieken.Grafische Industrie. 1978-1979
 CBS. Produkt~estatistieken.Uitgeverijen. 1978-1979.
 CBS, Produktiestatistieken. Binderijen. 1978-1979.
    De gegevens in tabel 6.19 geven echter een onvolledig beeld, omdat
 hierin slechts bedrijven met tien of meer werknemers geregistreerd zijn
Aanvullende gegevens kunnen verkregen worden uit een in 1978 in de
66
     Ministerie van Economische Zaken, Grafische industrie en uitgeverijen; bedrijfstakverken-
ning 1980; 's-Gravenhage, Staatsuitgeverij, 1980. nr. 6.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 147 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 148 ======================================================================

<pre>grafische industrie gehouden beroepenenquhte onder de leden van het
Koninklijk Verbond van Grafische Ondernemingen (KVGO) en d e Organi-
satie van Fabrikanten van Grafische Eindprodukten (FGE) m e t respec-
tievelijk 2366 en 352 ledenC7. De opzet van dit onderzoek was d e beschik-
king t e verkrijgen over adequaat cijfermateriaal dat ten dienste zou kun-
nen staan van een werkgelegenheidsbeleid op bedrijfstakniveau; dit
cijfermateriaal zou doorlopend geactualiseerd moeten worden.
    Volgens de gegevens van deze enquhte zijn er in d e grafische industrie
2639 bedrijven werkzaam die voor ongeveer de helft in het westen van
 het land zijn geconcentreerd. Hoewel deze bedrijfstak in zijn geheel geno-
 men arbeidsintensief is, varieert het karakter van de betrokken bedrijven.
 Opmerkelijk is dat bijna 65010 van de bedrijven minder dan tien perso-
 neelsleden in dienst heeft. Deze bedrijven verzorgen vooral lokale en
 regionale markten. De kleine en zeer kleine bedrijven zijn veelal ambach-
 telijk van organisatie, terwijl de grootste bedrijven sterk geautomatiseerd
 zijn en internationaal concurreren. Het aantal ondernemingen m e t meer
 dan 100 werkzame personen bedraagt ruim 70. De 2639 bedrijven hadden
                                            +
 in 1978 een geschatte omzet van 5 mrd gulden en boden in hetzelfde
 jaar aan ongeveer 50.000 personen werkgelegenheid68.
     Ook deze gegevens zijn echter niet helemaal volledig aangezien de
 grafische industriele bedrijven die bij het KVGO en FGE zijn aangesloten,
 +  95010 van het totale aantal uitmaken. Werknemers in dienst bij bedrijven
die zijn aangesloten bij de Nederlandse Bond van Copieerders e n Klein
                                 +
 offset-drukkers (NBCK, 200 leden), zijn niet in deze enquete betrokken.
     Het Algemeen Sociaal Fonds voor de Grafische Bedrijven beschikt
 over gegevens o'mtrent de aantallen werknemers die onder de vijf grafi-
 sche cao's vallen. Volgens de jaarverslagen van dit fonds is het aantal
werkzame personen in de grafische industrie en de binderijen (druk-
kerijen, binderijen en grafische reproduktiebedrijven) nauwkeurig te
 benaderen aan de hand van het aantal werknemers per cao, vermeer-
derd met een opslag van 7.5 a 8% voor personen die niet onder een cao
 vallen69. Zie hiervoor tabel 6.20.
  Tabel 6.20 Werkzame personen In de graflsche lndustrle en binderijen volgens
  gegevens van het Algemeen Sociaal Fonds voor de Graflsche Bedrijven, 1977-1981
                   Per 1 januari                                  Totaal
  Bron: Stichting Algemeen Sociaal Fonds voor de Grafische Bedrijven. Jaarverslag 1980.
 Amsterdam. 1981.
  Koninklijk Verbond van Grafische Ondernemingen. Statistisch Bericht, juni 1982.
    De verschillen in uitkomsten omtrent het aantal werknemers i n de gra-
fische industrie, al dan niet inclusief binderijen, die d e vermelde bronnen
te zien geven, zijn het gevolg van de uiteenlopende wijzen van registra-
tie. Gezien de hiervoor genoemde problemen met betrekking t o t het
overige cijfermateriaal vormen de gegevens van het Algemeen Sociaal
Fonds voor de Grafische Bedrijven de beste benadering voor het aantal
werkzame personen in de grafische industrie inclusief binderijen. In deze
cijfers ontbreken slechts werknemers die grafische arbeid verrichten,
67   Structuur Cornrnissie Grafische Industrie. Beroepenenqu&te Grafische Industrie, 1978;
Amsterdam, 1979.
 68 Ministerie van Econornische Zaken, op. cit., blz. 73.
 69
      Stichting Algemeen Sociaal Fonds voor de Grafische Bedrijven. Jaarverslag 1980;
 Amsterdam. 1981.
    Koninklijk Verbond van Grafische Ondernerningen, Statistisch Bericht; Amsterdam. 1982, nr.
 62.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 148 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 149 ======================================================================

<pre>maar niet onder een grafische cao vallen (huis-drukkerijen, sociale werk-
plaatsen, e.d.).
   Bij de hier ter sprake gekomen complicaties ten aanzien van de
registratie van het aantal werknemers in de grafische industrie voegt
zich de moeilijkheid dat in deze branche diensten worden verricht die
niet tot de media kunnen worden gerekend; te denken is hierbij aan
verpakkingsmaterialen, kantoordrukwerk, formulieren en dergelijke. Glo-
baa1 gesteld behoort ongeveer 50% van de industriele omzet tot de uit-
geverij-gebonden activiteiten. Een nauwkeurige schatting van het aantal
personen dat ten behoeve van de media werkzaam is, is niet goed
mogelijk. De belangrijkste handicap bij het opstellen van een dergelijke
raming wordt gevormd door de grote verschillen die er bestaan in de
omzet per werknemer voor de diverse onderdelen van het verkoopassor-
timent in de grafische industrie. Bij wijze van benadering zal er hier van
uit worden gegaan dat 5Oo/o van de werkgelegenheid betrekking heeft op
de uitgeverij-gebonden activiteiten.
   In de periode 1970-1976 is het aantal arbeidsplaatsen in de grafische
industrie jaarlijks met 2.5% afgenomen (bedrijven met meer dan 10 werk-
nemers). In de jaren daarna is onder invloed van een relatief sterke stij-
ging van de vraag naar drukwerk, met name voor uitgeverij-gebonden
produkten, een geringe toename van de werkgelegenheid te constateren,
die vooral gerealiseerd werd bij de kleine bedrijven. De werkgelegenheid
bij de grotere bedrijven (meer dan 50 werkzame personen) neemt per
saldo nog steeds af, hetgeen het gevolg is van de snelle mechanisering
en automatisering in deze bedrijven70. Deze technische ontwikkeling
heeft vooral in de voorbereidingsfase van het drukproces plaats-
gevonden.
   Het grafische produktieproces bestaat uit drie delen71. Het eerste deel
van dit proces heeft betrekking op de werkvoorbereiding, tekst- en
beeldverwerking en op de vervaardiging van de drukvorm. Het tweede
deel betreft het drukken en de afwerking waarna ten slotte de distributie
volgt. Deze delen van het produktieproces kunnen respectievelijk worden
aangeduid met informatieverwerking, papierverwerking en distributie.
   De technologische ontwikkelingen die de laatste 20 a 25 jaar hebben
plaatsgevonden, zijn het meest geprononceerd in het eerste gedeelte van
dit proces, de informatieverwerking. De belangrijkste ontwikkeling die op
dit onderdeel heeft plaatsgevonden is de overgang van het loodzetten
naar fotografisch zetten. Deze overgang heeft in Nederland in de jaren
zeventig plaatsgevonden en is thans vrijwel voltooid. Door de koppeling
van computersystemen met fotozetmachines kwamen grote, snelle tekst-
verwerkingssystemen tot ontwikkeling. In een later stadium kon, vooral
onder invloed van de ontwikkelingen in de micro-elektronika, d e informa-
tieverwerking met name sneller, flexibeler en meer gei'ntegreerd gaan
plaatsvinden. Het resultaat van deze ontwikkeling is een zeer grote
verscheidenheid in tekstverwerkingssystemen en -apparaten. Voor elke
gebruiker, elk soort produkt, en voor verschillende kwaliteitsniveaus is
apparatuur beschikbaar.
   Van de werknemers in de grafische industrie en de binderijen is onge-
veer 70% werkzaam in de 'technische beroepen'. Als gevolg van de tech-
nologische ontwikkelingen doen zich grote wijzigingen voor in de inhou-
delijke aspecten van veel functies72. Uit de beroepenenqugtes die in 1978
en 1981 zijn gehouden, blijkt dat er in de tussenliggende periode niet
onaanzienlijke verschuivingen hebben plaatsgevonden in de verdeling
van de werknemers over de verschillende onderdelen van het technische
produktieproces (tabel 6.21).
70  Ministerie van Economische Zaken, op. cit., blz. 81.
71  P.J. Kalffllnstituut voor Grafische Techniek TNO, op. cit..
72 Structuur Commissie Grafische industrie, op. cit.; de resultaten hiervan waren medio 1982
in uitgebreidere vorm nog niet beschikbaar.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 149 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 150 ======================================================================

<pre> label 6.21 Veranderlngen In de verdellng van het technlsch produktlepersoneelover
,de verschlllende onderdelen van het produktleproces, 1978-1981 (In procenten; leden
 KVGO)
                         Voor-      Drukken     Afwerken     Hulpvak-      Overige
                       bereiding                             arbeiders
Beroepenenquete
1978                     44.5          25,2        8.2          10.2         1 1,8
Beroepenenquete
1981                     40.5          22,8        6.9          13,9         16.0
Bron: Koninklijk Verbond van Grafische Ondernemingen. Starisrisch Bericht, 1982.
Uit deze tabel blijkt dat er een relatieve verschuiving heeft plaats-
gevonden van de technische functies ten behoeve van de voorbereiding
van het drukproces, het drukproces zelf en de afwerking, ten gunste van
hulp- en overige arbeiders.
   De uitgeverijen kunnen worden onderverdeeld in dagblad-, tijdschrift-,
boeken- en overige uitgeverijen. In 1979 hadden de 210 uitgeverijen te
zamen ongeveer 20.000 personen in dienst. De dagbladuitgeverijen vor-
men de belangrijkste groep. Ten behoeve van de produktie van dag-
bladen waren volgens gegevens van de Vereniging De Nederlandse Dag-
bladpers ultimo 1980 12.860 personen werkzaam. In de periode 1975-1981
is de werkgelegenheid ten behoeve van de produktie van dagbladen per
jaar gemiddeld 2% gestegen. Voor de beroepsgroep journalisten trad in
deze periode een stijging van de werkgelegenheid op van bijna 14%;
hierbij gaat het om een totaal van 2743 personen (ultimo 1980). Voor
leerlingjournalisten doet zich na 1977 een dating van ruim 5% voor. Met
betrekking tot de in de ondernemingen werkzame personen ten behoeve
van andere activiteiten dan het dagblad (m.n. huis-aan-huis-bladen) trad
eveneens in dezelfde periode een stijging van de werkgelegenheid op
(21%). In de jaren 1978-1981 daalde de werkgelegenheid echter voor gra-
fisch-technici.
Audiovisuele media
   Onder de audiovisuele media worden hier begrepen radio en televisie,
en de overige producenten van audiovisuele software.
 Radio en televisie
   Bij de 15 grotere zendgemachtigde instellingen waren ultimo 1976 4909
personeelsleden in dienst (formatieplaatsen); ultimo 1981 bedroeg dit
aantal 5525. Voor 1982 wordt een groei verwacht tot 5562 werknemers.
Dit betekent in deze periode van zes jaar een groei van de werkgelegen-
 heid met 13,3%, hetgeen een jaarlijkse gemiddelde toename van ruim 2%
 inhoudt. In deze cijfers zijn uiteraard niet de werkgelegenheidseffecten
opgenomen van de uitgaven aan directe programmakosten die d e
omroepen doen. Voor zover deze uitgaven bij particuliere bedrijven tot
werkgelegenheid leiden, komen deze in het vervolg bij de audiovisuele
software ter sprake. Deze uitgaven komen bovendien ten goede aan een
gro.ot aantal free-lance medewerkers, waarover geen redelijke schat-
tingen zijn te maken.
   De grootste zendgemachtigde naar aantal werknemers bezien, is de
 NOS die ultimo 1976 3216 en begin 1982 3690 werknemers in dienst had.
 Daarop volgen VARA, AVRO en KRO met respectievelijk 308, 296 en 288
werknemers (begin 1982). Het aantal toegekende formatieplaatsen is
 afhankelijk van de A, B of C-status van de omroepen. De verschillen in
toegestane personeelsbezetting zijn rechtstreeks afgeleid van de hoe-
 veelheid zendtijd. Tussen omroepen met eenzelfde status zijn alleen klei-
 ne verschillen mogelijk op grond van de huisvestingssituatie. Het grote
 verschil in aantal werknemers tussen de NOS enerzijds en de overige
 omroeporganisaties anderzijds vloeit voort uit de omstandigheid dat de
</pre>

====================================================================== Einde pagina 150 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 151 ======================================================================

<pre>NOS naast de eigen omroeptaak ook belast is met het beheer en de
exploitatie van produktiefaciliteiten (NOS Facilitair Bedrijf) alsmede de
voorbereiding en uitvoering van gezamenlijke taken voor de gehele
omroep (algemeen secretariaat). De toename van de werkgelegenheid
bij de omroep heeft voornamelijk bij de NOS plaatsgevonden.
   Belangrijke factoren voor de ontwikkeling van de werkgelegenheid bij
de omroep zijn de omvang van de zendtijd, de programmasamenstelling
en verbetering van de dienstverlening aan kijkers en luisteraars. Ver-
betering van de dienstverlening houdt veelal naast uitbreiding van de
zendtijd, een intensivering van de programma's in. Dit laatste betekent
dat door de aard van de programma's een grotere personeelsbehoefte
ontstaat.
   In de achterliggende periode is de groei van de werkgelegenheid
overigens vergezeld gegaan van een sterke toename van overwerk door
personeel in de operationele sfeer. Er wordt naar gestreefd dit overwerk
te beperken. Bij gelijkblijvende dienstverlening zal dus een behoefte aan
personeelsuitbreiding blijven bestaan. Als de middelen hiervoor niet
beschikbaar zijn, kan een beperking van het overwerk ten koste van de
dienstverlening gaan.
   Bij teletekst werkten in 1981 29 personen. Bij iedere regionale omroep
zijn gemiddeld 18 personen in dienst.
 Overige producenten van audiovisuele software
   Sedert 1978 is de afzet van geluidsdragers (LP's, singles en muziekcas-
settes) sterk gedaald. In dat jaar werd op de Nederlandse markt een
omzet geboekt van 620 mln gulden; in 1981 was deze omzet gedaald tot
530 mln. Deze daling komt voor rekening van de grammofoonplaten, in
welke sector vooral de omzet van LP's met populaire muziek sterk daal-
de. De omzet in muziekcassettes bleef stabiel op 65 mln gulden. In de
grammofoonplaten- en muziekcassette-industrie, inclusief detail- en
groothandel, zijn volgens ruwe schattingen ongeveer 7000 personen
werkzaam.
   In opdracht van het ministerie van Economische Zaken is door Wis-
sema onderzocht wat de toekomstige mogelijkheden zijn voor de audio-
visuele softwaresector in Nederland73. Onder audiovisuele software wor-
den hierbij de programma's verstaan die op media als video, film en
dia's worden opgenomen, vermenigvuldigd en gedistribueerd. In dit rap-
port wordt geschat dat er buiten de omroep ongeveer 240 particuliere
dienstverlenende bedrijven werkzaam zijn, die aan ongeveer 1600 perso-
nen werkgelegenheid bieden. Deze particuliere bedrijven bestaan deels
uit produktiebedrijven, deels facilitaire bedrijven en deels uit laboratoria
en uit mengvormen van alle drie. Geschat wordt dat binnen de over-
heidssector ongeveer 740 personen audiovisuele software produceren.
Vervolgens behoren ook de audiovisuele activiteiten bij andere bedrijven
zoals uitgevers, opleidings- en voorlichtingscentra tot deze sector (onge-
veer 600 personen). Aldus wordt de totale werkgelegenheid in deze
onderdelen van de audiovisuele sofwaresector op ongeveer 2900 perso-
nen geschat.
De P l 7
   Op het gebied van de omroep vervult de PTT een tweetal ondersteu-
nende functies, namelijk het beheer van het zenderpark en de inning van
de omroepbijdragen. Daarnaast is de PTT middels Viditel actief gewor-
den op het terrein van de nieuwe media. In het kader van de twee
genoemde ondersteunende functies waren bij de PTT op 1 januari 1982
556 personen werkzaam. Ten behoeve van Viditel bedroeg dit aantal 45.
De totale werkgelegenheid in de mediasector
   Met inachtneming van de hiervoor genoemde problemen van registra-
tie en terreinafbakening kan samenvattend het volgende beeld van de
werkgelegenheidssituatie in de mediasector worden opgesteld.
73  J.G. Wissema, N.R. Laman, G. Tadema. op. cit
</pre>

====================================================================== Einde pagina 151 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 152 ======================================================================

<pre> Tabel 6.22   De werkgelegenheld In de mediasector, 1981
 Grafische industrie, incl. binderijen
 Uitgeverijen
 Radio en televisie
 Overige audiovisuele softwareproduktie
 PTT
 Totaal                                                                         f 65.000
                                                                                     -
 Bron: WRR.
 a) Betreft een globale schatting van het uitgeverij-gebonden deel van de werkgelegenheid
 in deze sector.
 b) Betreft 1979.
6.6.3 lnvloeden op de toekomstige ontwikkeling van de werkgelegen-
 heid
    De ontwikkeling van de werkgelegenheid is vooral afhankelijk van eco-
 nomische en technische factoren die inwerken op de vraag- en aanbod-
zijde van de markt van de massamedia. De toekomstige afzet o p de
 lezers- en kijkersmarkt en de advertentiemarkt zal in belangrijke mate
 worden bepaald door de koopkracht van de consument en de financieel
 economische positie van het Nederlandse bedrijfsleven. Technische ont-
 wikkelingen op het gebied van telecommunicatie en computertechnieken
 werken niet alleen door in de modernisering van het produktie-apparaat,
 maar leiden ook tot geheel nieuwe produkten en diensten.
    In paragraaf 6.5 is een prognose opgesteld van de mediaconsumptie in
 de komende jaren. Hieruit blijkt dat het consumptievolume van de
 gedrukte media licht zou kunnen dalen. Een uitkomst die ook de werk-
 gelegenheid in negatieve zin kan bei'nvloeden. Daarbij komt dat de renta-
 biliteit in deze bedrijfstak nog verder onder druk kan komen te staan door
 een toenemende concurrentie op de advertentiemarkt van de zijde van
 de elektronische media. De uitbreiding van de STER-zendtijd en de
 opties die er leven om ook op de lokale kabelomroep etherreclame toe te
 laten, kunnen de positie van de gedrukte media nog verder aantasten en
 daarmee ook de werkgelegenheid.
    Een tweede bestedingscategorie is die van de bestaande audiovisuele
 apparatuur en toebehoren. In de prognose is verondersteld dat de
 aankopen van bestaande apparatuur in volume gelijk zullen blijven.
 Gezien de ontwikkeling van de arbeidsproduktiviteit in de elektrotech-
 nische industrie, kan dit een negatief effect hebben o p de werkgelegen-
 heid. Wel moet hierbij bedacht worden dat het aandeel van buitenlandse
 producenten op de binnenlandse markt hoog is. De uitgaven voor kabe-
 labonnement en omroepbijdrage zullen verder toenemen. Onderhoud en
beheer van kabelnetten zullen de nodige werkgelegenheid met zich mee-
brengen. Deze toename van de werkgelegenheid zal echter vermoedelijk
slechts het verlies aan werkgelegenheid kunnen compenseren, dat
ontstaat door de verzadiging die na 1985 in de penetratie van de aanslui-
tingen op het kabelnet te verwachten is. Een stijging van de werk-
gelegenheid bij de omroep zal in belangrijke mate afhangen van de ver-
wachte zendtijduitbreiding.
   De verwachte geringe, en per gezin bezien zelfs negatieve, groei van
de totale bestedingsmogelijkheden zal zowel de introductie als ook cfe
penetratie van nieuwe media bei'nvloeden. Bestedingsruimte voor nieu-
we media zal gevonden moeten worden binnen het totaal van d e
consumptieve uitgaven voor media, dan we1 ten koste van andere uit-
gavencategorieen. Het potentiele aanbod van nieuwe media is van dien
aard, dat slechts een deel van het aanbod opgenomen zal kunnen worden.
    In het rapport 'Mogelijkheden voor de audiovisuele softwaresector in
Nederland' stellen Wissema C.S.dat het mogelijk is o m in ons land de
werkgelegenheid in de audiovisuele software in een periode van 5 jaar te
</pre>

====================================================================== Einde pagina 152 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 153 ======================================================================

<pre>verdubbelen74. De technologie in de sector waar deze software kan wor-
den afgezet, bevindt zich in een fase van snelle ontwikkeling, waarvan de
belangrijkste resultaten in de tweede helft van dit decennium zichtbaar
zullen worden. De software-ontwikkeling zal zich hiermee parallel moeten
voltrekken, wil er voldoende audiovisuele produktie zijn om de dan aan-
wezige technische mogelijkheden ten volle te benutten. De ontwikkelin-
gen in de hardware brengen immers met zich mee dat in de nabije toe-
komst een sterke verruiming in het programma-aanbod verwacht mag
worden. Volgens het rapport beschikt Nederland over comparatieve
voordelen waardoor een sterke positie op de wereldmarkt kan worden
verworven.
   In het voorgaande zijn enkele economische ontwikkelingen ter sprake
gekomen, die van invloed zijn op de toekomstige werkgelegenheid in de
mediasector. De beperkte bestedingsmogelijkheden voor de consument
in de komende jaren, bei'nvloeden de bestaande werkgelegenheid in
ongunstige zin, terwijl de introductie van nieuwe media erdoor wordt
vertraagd. Het tamelijk beschermde karakter van de binnenlandse markt
voor pers en omroep, is vanuit een oogpunt van werkgelegenheid een
gunstige omstandigheid die wellicht in de toekomst gehandhaafd zal
kunnen blijven. In de sfeer van de audiovisuele softwareproduktie zijn
optimistische geluiden te vernemen over de toekomstige mogelijkheden.
   Bij het beoordelen van de invloed van de technologische ontwikkeling
op de werkgelegenheid spelen methodologische moeilijkheden een
belangrijke ro175. De talloze studies die erover verricht zijn, spreken elkaar
vaak tegen en duidelijke conclusies zijn er dan ook niet te trekken.
   In de sector van de telecommunicatie behoeven de nieuwe tech-
nologieen niet noodzakelijkerwijs tot een omvangrijke daling van de
werkgelegenheid te leiden, aldus een conclusie uit het onderzoek van
Darlington waarin een vergelijking wordt gemaakt tussen het systeem
van telecommunicatie in de Verenigde Staten en Groot-Brittannie76. In de
Verenigde Staten is het telecommunicatiesysteem qua technologische
ontwikkeling ongeveer tien jaar voor op het Britse. In enkele Amerikaan-
se onderzoeken wordt geconcludeerd dat in de periode 1978-1990 een
tamelijk stabiele werkgelegenheidssituatie mogelijk is. Het ministerie van
Arbeid verwacht voor deze periode een jaarlijkse groei van                       Een
werknemersorganisatie verwacht rond 1990 een belangrijke toename van
de werkgelegenheid voor de gehele informatie~ector~~.                 Een belangrijke
veronderstelling in deze studies is evenwel, dat er sprake zal zijn van een
gunstige economische ontwikkeling, waarbij de groei van de output de
produktiviteitsgroei compenseert.
   Door de Structuurcommissie Grafische lndustrie is een onderzoek ver-
richt naar de toekomstverwachtingen die in de grafische industrie leven.
De door de respondenten gesignaleerde trends en ontwikkelingen zijn in
dit rapport gerubriceerd naar de vraagzijde en de aanbodzijde van de
informatiemarkt. De grafische industrie is sterk afhankelijk van ontwikke-
lingen die buiten deze bedrijfstak plaatsvinden. In belangrijke marktseg-
menten als kranten, tijdschriften en boeken acht men een actieve bein-
vloeding van de ontwikkelingen in de nieuwe media vanuit de grafische
industrie nauwelijks mogelijk en worden slechts beperkte offensieve aan-
passingen op technologisch gebied mogelijk geacht. In de overige seg-
menten (reclamedrukwerk, formulieren, verpakkingsdrukwerk en etiket-
ten) acht men wat meer speelruimte aanwezig voor een eigen politiek als
74  Ibid.. blz. 2.
75  Bijvoorbeeld J. Henize, 'Evaluating the Employment Impact of Information Technology';
 Technical Forecasting and Social Change, 1981. nr. 20, blz. 41-61.
76 R. Darlington, The American Telecommunications System; London. Post Office Engi-
neering Union, 1981.
77 United States Department of Labor, Technology and Labor in Five Industries. 1979.
78 Communications Workers of America, Employment trends in the United States Informa-
tion Industries, 1980- 1990; 1980.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 153 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 154 ======================================================================

<pre>leverancier van zelfstandig ontwikkelde grafische produkten. Wat de ont-
wikkelingen in de technologie betreft, wordt een verschuiving naar
andere geledingen van de informatiebedrijfskolom verwacht, naast ingrij-
pende aanpassingen van technieken en deskundigheden, hetgeen
vergaande consequenties heeft voor de desbetreffende beroeps-
bevolking. Op de langere termijn wordt door de ondervraagden een
negatieve invloed verondersteld op het totaal van de grafische activitei-
ten in die zin, dat er bij een groeiende informatiemarkt een relatieve sub-
stitutie plaatsvindt van grafische door niet-grafische produkten. In het
algemeen wordt op een zware concurrentie van de nieuwe media gere-
kend. Men is dan ook van mening dat het werkgelegenheidsvraagstuk op
de langere termijn binnen de gehele informatiebedrijfskolom beschouwd
dient te ~ o r d e n ' ~ .
    In het algemeen geldt, dat technologische ontwikkeling leidt tot
uitstoot van arbeid, wanneer simultaan aan een drietal voorwaarden is
voldaan:
- de technologische ontwikkeling is arbeidsbesparend, dat wil zeggen
de hoeveelheid arbeid per eenheid produkt daalt, terwijl bovendien de
verhouding kapitaallarbeid stijgt;
- de aldus optredende veranderingen in de vraag- en aanbodver-
houdingen van deze produktiefactoren leidt tot tekort- of overschot-
situaties, dat wil zeggen de veranderende schaarsteverhoudingen wer-
ken onvoldoende door in de beloningsstructuur van arbeid;
- de investeringsmultiplier is geringm.
Uit deze opsommiog blijkt de nauwe verwevenheid van technologische
en economische factoren. Voor studies die ontwikkelingen i n het ver-
leden analyseren, vormen deze interdependenties een vrijwel onontwar-
bare kluwen, zodat over de precieze invloed van technologische e n eco-
nomische factoren moeilijk uitspraken zijn te doens1.Dit geldt uiteraard
nog sterker, wanneer het gaat om het beoordelen van toekomstige ont-
wikkelingen. Het is daarom ook niet goed mogelijk om hier een uitspraak
te doen over de invloed van de technologische ontwikkeling op d e toe-
komstige werkgelegenheid in de mediasector.
    Samenvattend kan ten aanzien van de werkgelegenheid in de media-
sector het volgende worden opgemerkt. Thans zijn globaal genomen
65.000 personen in deze sector werkzaam. De voor de komende jaren
verwachte geringe economische groei en de hiermee samenhangende
beperkte bestedingsmogelijkheden voor de consument, zullen de werk-
gelegenheid negatief be'invloeden. Deze factoren zullen ook vertragend
werken op de introductie en penetratie van nieuwe media, die een toe-
neming van de werkgelegenheid met zich mee zouden kunnen brengen.
Ten aanzien van de sector van de audiovisuele softwareproduktie be-
staan evenwel optimistische verwachtingen. Over de toekomstige
 invloed van technologische ontwikkelingen kan geen uitspraak worden
gedaan.
6.7      Een concluderende beschouwing
     In de aanbodstructuur van de massamedia is een duidelijke tweedeling
 aan te brengen. Zo zijn de gedrukte media in de marktsector werkzaam,
'9    H. Coltof, J.G. Bicker Caarten. R.C. Schmidt, H. van der Waerden, Langer termijn verken-
 ning grafische industrie; rapport uitgebracht aan de Structuur Commissie Grafische Industrie.
Amsterdam, Van de Bunt. 1982.
80 Organization for Economic Co-operation and Development, Information Activities Elec-
 tronics and Telecommunications Technologies; Impact on Employment, Growth and Trade;
 Paris, 1981. vol. 1. blz. 85.
81    lnformationstechnologie und Beschaftigung; Literaturauswertung im Auftrag des Bun-
desministers fur Forschung und Technologie, angefertigt duch VDI-Technolotiezentrum Ber-
 lin; Wirtschaftspolitische Arbeitsgruppe im lnstitut fur Volkswirtschaftslehre der Universitat
 Regensburg; Wissenschaftszentrum Berlin, Internationales lnstitut fur Management und Ver-
waltung, maart 1980.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 154 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 155 ======================================================================

<pre>terwijl de Nederlandse omroep een publiekrechtelijk bestel is, waarbij
geen winstoogmerk is toegelaten. Omroep en pers opereren aldus in
gescheiden marktsegmenten, waarbij een wederzijdse toetreding niet is
toegestaan. Alleen op de advertentiemarkt en op de omroepbladenmarkt
vindt een door de overheid gereguleerde concurrentie plaats. De histo-
risch gegroeide scheidslijn is door de komst van de nieuwe elektronische
media steeds meer gaan vervagen. In de sector van de gedrukte media
stelt men zich meer op als informatieleverancier en minder als uitgever
van een dagblad of tijdschrift.
   In de afgelopen tien jaar zijn er in de aanbodstructuur van de periodiek
verschijnende pers de nodige veranderingen opgetreden. Een ken-
merkende ontwikkeling binnen de dagbladpers is de con-
centratiebeweging geweest, die vooral in de eerste helft van de jaren
zeventig heeft plaatsgevonden. De toegenomen concentratie op blad- en
uitgeversniveau komt tot uitdrukking in een teruggang van het aantal
bladen en een versterking van de marktpositie van juist de grootste bla-
den. Relatief gezien is de concentratietoename op concernniveau het
sterkst geweest. Spreiding van activiteiten en de relatief gunstige positie
van de regionale bladen op de advertentiemarkt, waren voor de grote
dagbladconcerns, die de markt van de landelijke dagbladen bijna volledig
 beheersen, overwegingen om te penetreren in de regionale dagbladen-
 markt. Daarnaast zijn de grote concerns ook zeer actief geweest op de
 markt van de huis-aan-huis-bladen.
   In de literatuur wordt de hypothese van de oplagespiraal gehanteerd
 om het van de markt verdwijnen van relatief zwakke bladen te verklaren.
 Uitgangspunt hierbij is dat er een wisselwerking bestaat tussen de hoog-
te van de advertentie-inkomsten, de oplage en de redactionele kwaliteit
 van een blad. Daalt de oplage, dan nemen de advertentie-inkomsten af,
 hetgeen de redactionele kwaliteit negatief bei'nvloedt en daarmee de
 oplage weer verder doet dalen, enzovoort. Voor de segmenten landelijke
 avondbladen, landelijke ochtendbladen en voor dagbladen in een beperkt
 geografisch gebied (Zeeland) is de hypothese getoetst en bevestigd:
grote bladen worden groter en kleine bladen kleiner. Als mogelijke
verklaring voor de concentratie worden verder we1 genoemd de interne
technische vernieuwingen, zoals de introductie van nieuwe zet- en druk-
 procedes. Een duidelijke invloed op de concentratie op bladniveau is
echter moeilijk aantoonbaar. Wel is het aannemelijk dat de technische
ontwikkeling de concentratie op uitgevers- en concernniveau heeft ver-
sterkt. Een impuls tot concentratie op concernniveau zijn verder geweest
de uitkeringen uit de ether-compensatieregeling aan met name de grote
dagbladondernemingen. Zij ondergingen zeker niet in dezelfde mate als
de kleinere, de negatieve gevolgen van de introductie van de STER,
zodat de verbeterde liquiditeitspositie een overname van andere bladen
 mogelijk maakte82.
   De sterke concentratiebeweging heeft zich na 1975 niet voortgezet.
 Mogelijke verklaringen zijn: het noodzakelijke aanpassingsproces na
fusies en overnames binnen ondernemings- of concernverband dat nu
eenmaal de nodige tijd vraagt, de opleving van de advertentiecon-
junctuur die in vele gevallen een verbetering van de bedrijfsresultaten
 met zich meebracht en ook het beschikbaar komen van nieuwe produk-
tiesystemen die het kleine en middelgrote bedrijf in staat stelden concur-
rerend te produceren.
   In 1980 vindt er een verandering plaats in de financieel-economische
positie van de dagbladen. Zowel de advertentie-inkomsten als de
lezersinkomsten gaan dalen. Een ontwikkeling die zich met name voor de
advertentie-inkomsten in 1981 in versterkte mate doorzet. Vooral in de
a2 A:van der Zwan, 'De pers en de particuliere ondernemingsgewijze produktie'; Massacom-
municatie, oktober 1981, 9e jaargang nr. 5, blz. 185-197.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 155 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 156 ======================================================================

<pre>marktsegmenten landelijke dagbladen, respectievelijk regionale bladen
met een oplage beneden de 100.000, verkeren ondernemingen i n de rode
cijfers. Naast structurele factoren als een te geringe oplage en een te
geringe spreidingsdichtheid, is het dalende advertentievolume hier zeker
debet aan. Opvallend is dat een vergelijking van de bedrijfsresultaten in
de jaren 1975 en 1980 laat zien, dat het percentage dagbladen met een
negatief bedrijfsresultaat ongeveer gelijk is gebleven (250/0), maar dat de
verliezen zijn toegenomen. Daarentegen doen de dagbladen die in 1975
winst boekten het in 1980 nog beter. Aldus wordt een zekere scheiding .
zichtbaar in de dagbladenmarkt. Hoewel het opereren binnen con-
cernverband het mogelijk maakt om tijdelijk de slechte resultaten op te
vangen, geldt voor de meeste concerns dat een structureel verlies-
gevende situatie uiteindelijk tot opheffing zal leiden.
   De belangrijkste veranderingen die zich hebben voorgedaan op de tijd-
schriftenmarkt (exclusief vaktijdschriften en omroepbladen) zijn de intro-
ductie van het gossipblad en de komst van de 'op maat gesneden' spe-
cial interest-bladen. In tegenstelling tot de dagbladenmarkt is hier de
concentratie op alle drie niveaus gestaag afgenomen, vooral als gevolg
van de groei van het aantal titels en omdat een b,elangrijk deel van de
groei van de markt ten goede is gekomen van de kleinere tijdschriften.
Niettemin is de concentratie op concernniveau in deze markt zeer hoog,
met een aandeel van slechts 11% voor de zelfstandige uitgevers. De
positie van het VNU-concern is sterk overheersend met een marktaan-
deel van ongeveer 65%. De diversificatie van de tijdschriftenconcerns in
de richting van de dagbladenmarkt is zeer bescheiden gebleven. Overi-
gens geldt dit ook omgekeerd voor de dagbladconcerns, die geen
belangrijke uitbreiding in de richting van de tijdschriften hebben
gepleegd. Een duidelijke breuk in deze voorzichtige benadering om niet
in een geheel nieuw marktsegment te opereren, is de fusie tussen Else-
vier en NDU geweest. Een overweging om te fuseren was onder andere
de beoogde samenwerking op het gebied van de elektronische media.
Het gezamenlijke bedrijfsresultaat van de tijdschriften neemt in de perio-
de 1975-1980 vrijisterk toe. De tijdschriften vormen echter.een zeer
heterogene groep. Zo daalde in de beschouwde periode het winstper-
centage van de opiniebladen van 12,8% tot 6.8%. Het winstpercentage bij
de special interest-bladen schommelt rond de 2,5%, terwijl het voor de
gehele tijdschriftenmarkt ligt op ongeveer 6%. Ook de tijdschriften wor-
den na 1979 geconfronteerd met dalende advertentie-inkomsten.
    De ontwikkelingen in de aanbodstructuur van de persmedia hebben
zeker niet die verschraling in het media-aanbod teweeggebracht die in
het begin van de jaren zeventig we1 werd voorspeld. Een zorg voor de
overheid vormt de structureel verliesgevende situatie van een aantal
dagbladen in de segmenten landelijke bladen en regionale bladen met
een oplage beneden de 100.000. Daarnaast is ook in het algemeen de
financieel-econornische positie van de pers de laatste jaren verslechterd,
terwijl de economische vooruitzichten niet direct hoop geven o p herstel.
Dit kan inhouden dat titels zullen gaan verdwijnen.
    De persmedia zijn in belangrijke mate afhankelijk van advertentie-
inkomsten. In 1981 was bij de landelijke dagbladen het aandeel van de
advertentie-inkomsten in de totale inkomsten 56%; bij de regionale bla-
den ligt dit percentage 2 a 3 procentpunt hoger; bij de opinieweekbladen
is het gemiddeld 52%; bij de grote familiebladen 45% en bij de special
interest-bladen 26O/o. Voor de komende jaren valt niet te verwachten dat
de reclamebestedingen veel zullen toenemen. Dit zal zeker de concur-
rentie op de advertentiemarkt verscherpen. Daarnaast zijn er structurele
veranderingen op de advertentiemarkt op komst, die diep kunnen ingrij-
pen in de advertentie-inkomsten van de persmedia. Zo zal uitbreiding
van de STER-zendtijd op radio en televisie, leiden tot een verschuiving
binnen het budget van merken- en dienstenreclame die vooral ten koste
</pre>

====================================================================== Einde pagina 156 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 157 ======================================================================

<pre>gaat van de dagbladen en publiekstijdschriften. Het valt niet te ver-
wachten dat een uitbreiding van de STER-zendtijd op zich zelf een auto-
nome uitbreiding van de totale reclamebestedingen in de media zal doen
ontstaan. lndien in de toekomst lokale kabelomroep met reclame wordt
toegestaan, zal dit nieuwe medium vooral concurreren in het markt-
segment detaillistenreclame, waarin de belangrijkste media zijn
de regionale/lokale dagbladen, nieuwsbladen en huis-aan-huis-bladen.
   De financiele middelen voor de omroepactiviteiten komen uit de ver-
plichte omroepbijdragen en uit de netto-opbrengst van de STER. In de
afgelopen periode is de gemiddelde stijging van de omroepbijdrage ach-
tergebleven bij de prijsstijging van de gezinsconsumptie. Binnen de
omroep leeft sterk de wens om de dienstverlening uit te breiden en te
verbeteren, teneinde te kunnen concurreren met het toenemend aanbod
door kabel, video en in de toekomst satelliet. De hiervoor benodigde
financiele middelen zouden onder andere kunnen worden geput uit een
verhoging van de omroepbijdrage. Een dergelijk politiek besluit zal echter
we1 gedragen moeten worden door de consument, die in de komende
jaren geconfronteerd wordt met een geringe groei in zijn bestedingsmo-
gelijkheden. Een andere mogelijke financieringsbron is uitbreiding van de
STER-zendtijd op radio en televisie. Het is realistisch om te veronderstel-
len dat er een extra potentieel aan radio- en televisiereclame van 150-250
mln gulden in de advertentiemarkt aanwezig is naast de huidige omzet
van de STER. De feitelijke realisering zal in sterke mate afhangen van de
reclameformule, de omvang en indeling van de zendtijd en dergelijke.
Uitbreiding van STER-zendtijd betekent echter, zoals eerder is gesteld,
een derving van advertentie-inkomsten bij kranten en tijdschriften. De
uitbreiding van de dienstverlening bij de omroep gaat dan vergezeld van
een reele kans op vermindering van dagblad- en tijdschrifttitels.
    Technische ontwikkelingen maken het mogelijk dat de consument in
 de komende jaren op een toenemend media-aanbod zal kunnen rekenen.
 Met name op het terrein van de elektronische media, en we1 in het
 bijzonder van de kabeltransmissie, zijn de verwachtingen hoog gespan-
 nen. Zo is Nederland, na Belgie, al het dichtst bekabelde land van Euro-
 pa. Verwacht wordt dat het verzadigingspunt in 1985 wordt bereikt; dan
 zal 85% van de woningen op het kabelnet zijn aangesloten. Het jaartarief
 van een kabelabonnement wijkt niet veel af van de verplichte omroep-
 bijdrage. Veel van de bestaande kabelnetten zijn potentieel in staat een
 uitgebreider dienstenassortiment te bieden dan nu het geval is. Een
 voorbeeld is abonnee-televisie waarbij de consument zich kan abonneren
 op een programma-aanbod dat op vaste tijden via een afzonderlijk
 kanaal wordt uitgezonden. lndicaties voor de abonnementsprijs liggen in
 de buurt van de 300 gulden op jaarbasis. Maar ook op andere wijze, zoals
 bijvoorbeeld in de vorm van Viditel en teletekst, wordt de consument in
 staat gesteld via elektronische media informatie af te nemen. Hoe zal
 echter de consument op dit aanbod reageren in een situatie waarin het
 volume van de particuliere consumptie per gezinshuishouding
 terugloopt? Geconcludeerd kan worden dat, zelfs indien de uitgaven aan
 mediaprodukten sneller zullen stijgen dan de totale gezinsbestedingen,
 het potentiele nieuwe aanbod slechts voor een deel zich in de markt zal
 realiseren. De koopkracht is te beperkt om een snelle penetratie te be-
 werkstelligen. Hoewel verondersteld is dat het aandeel van de media-
 consumptie zal toenemen ten koste van de overige bestedings-
 categorieen, is de ruimte toch zeer beperkt. De prijsstijgingen van woon-
 lasten, energie en dergelijke leggen nu al een extra claim op het gezins-
 budget. Natuurlijk is een substitutie binnen de mediaconsumptie
 mogelijk. Op basis van geconstateerde samenhangen in het verleden
 mag worden verondersteld dat de oplage van de gedrukte media enigs-
 zins zal dalen. lndien tegenvallende advertentie-inkomsten gecom-
 penseerd moeten worden door abonnementsprijsverhogingen, zal de
 oplage nog verder kunnen dalen. Ook is het mogelijk dat men de ver-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 157 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 158 ======================================================================

<pre>vanging van bestaande audiovisuele apparatuur uitstelt. Met name het
televisietoestel is echter een essentiele schakel in het vergrote aanbod
van de elektronische media. De uitgaven aan omroepbijdrage en kabela-
bonnement hebben een hoog aandeel in het totaal van uitgaven aan
audiovisuele media. Een bezuiniging hierop betekent automatisch dat
men een deel van het nieuwe elektronisch media-aanbod buiten de deur
houdt.
    De ontwikkeling van de werkgelegenheid in de massamediasector is
 afhankelijk van economische en technische factoren. D e toekornstige
 afzet zal in belangrijke mate worden bepaald door de koopkracht van de
consument en de financieel-economische positie van h e t bedrijfsleven
 (0.a. het reclamebudget). Ten aanzien van de gedrukte media is veron-
 dersteld dat door de stagnatie in de afzet (daling van d e oplage en ver-
 mindering van de advertentie-inkomsten) een daling van de werk-
 gelegenheid zal plaatsvinden. Daarbij komt dat door technische ont-
wikkelingen in de uitgeverij-gebonden grafische industrie met name in
de informatieverwerkende fase arbeidsplaatsen verloren zullen gaan. Wel
wordt een deel hiervan gecompenseerd door een verschuiving van gra-
fisch-technisch werk uit het grafisch bedrijf naar de leverancier van
 informatie. Een positieve impuls voor de werkgelegenheid in de sector
 van de gedrukte media zal kunnen optreden wanneer d e persmedia als
 informatieleveranciers van de elektronische media gebruik kunnen gaan
 maken.
    De dichte bekabelingsgraad in Nederland met de vele gebruiksmo-'
 gelijkheden, de uitbreiding van de dienstverlening van d e omroep en de
 beschikbaarheid van nieuwe video-apparatuur houden een grote
 potentiele vraag naar software in. In Nederland nemen d e omroeporgani-
 saties, de NOS en vooral het facilitair bedrijf een monopoiiepositie in
 binnen het geheel van de audiovisuele industrie. Buiten'de omroep is
onvoldoende zelfstandig produktiepotentieel aanwezig o m als leverancier
van Nederlandse produkties te kunnen optreden. Het is t e verwachten
 dat de audiovisuele industrie een belangrijke groeisector kan worden. De
 sterke scheidslijn die nu loopt tussen de omroep en de rest van de
 audiovisuele industrie, kan een krachtige ontwikkeling van deze sector
 beperken.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 158 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 159 ======================================================================

<pre>7.    SOCIAAL-CULTURELE ASPECTEN
7.1    Inleiding
    De opkomst van nieuwe media is steeds vergezeld gegaan van uit-
gesproken verwachtingen over heilzame dan we1 meer negatieve gevol-
gen. Zo ook thans. Sommigen gaan er bijvoorbeeld van uit dat door de
technische ontwikkelingen de vrijheid van meningsuiting voor allen bin-
nen bereik komt. Anderen vrezen dat de toeneming van het aanbod tot
culturele vervlakking zal leiden. Dergelijke beschouwingen zijn vaak op
deelaspecten gebaseerd. De balans zal - zo de effecten al overzienbaar
zijn - niet over de hele linie identiek zijn, en zal ook heel verschillend
beoordeeld kunnen worden. Een graduele verandering voor de een, kan
voor de ander een aardverschuiving zijn. Waarneming en beoordeling
zijn ook niet onafhankelijk van de positie die men zelf in het mas-
samediabestel inneemt. Acht een deelnemer zijn positie door een ont-
wikkeling bedreigd dan zal hij deze eerder als een principiele verandering
beoordelen, terwijl deze door een ander amper wordt opgemerkt.
    Hoe begrijpelijk en gerechtvaardigd dergelijke selectieve waarnemin-
gen ook zijn, men zou ter onderbouwing van de beleidskeuzen die in het
geding zijn meer houvast willen. Het liefst zou men de maatschappelijke
gevolgen van keuze-alternatieven in de tijd voor zich zien, om dan de
 beste weg te kunnen kiezen. Zo gemakkelijk ligt het echter niet. Het
gedrag van de samenleving is niet voorspelbaar zoals dat van een
 machine. Verwachte gevolgen blijken achteraf vaak niet te zijn opgetre-
den en opgetreden gevolgen zijn vaak niet verwacht. Dit betekent niet
dat de vraag naar de gevolgen dan maar moet worden vergeten. Beleids-
 beslissingen moeten zo gefundeerd mogelijk worden genomen. Daartoe
kan gebruik gemaakt worden van ervaringen met vergelijkbare ontwikke-
 lingen in het verleden, en van ervaringen in landen die ten aanzien van
de nieuwe media vooroplopen. Een van de lessen uit het verleden is, dat
 men bij het speuren naar gevolgen niet uit moet gaan van een een-
 richtingsverkeer in de relatie tussen media en samenleving, met de
 media als actieve zender en de samenleving als passieve ontvanger. De
 media oefenen invloed uit temidden van een veelheid aan invloeden en
 staan zelf ook aan invloeden uit de samenleving bloot. Ze staan niet bui-
ten de samenleving maar maken er deel van uit. Een culturele ontwikke-
 ling als de secularisatie vindt zijn weerslag in de media, maar deze oefe-
 nen zelf ook weer invloed op die ontwikkeling uit. Daarom zal de relatie
tussen media en samenleving in dit hoofdstuk vanuit twee kanten wor-
 den belicht: in de paragrafen 7.2 en 7.3 vanuit de media en in paragraaf
 7.4 vanuit de maatschappelijke ontwikkelingen. Dat de wisselwerking op
 deze wijze toch maar in beperkte mate wordt blootgelegd, moet onmid-
 dellijk worden erkend. Maar we1 kan zo de oordeelsvorming over de
 gevolgen van telecommunicatieve ontwikkelingen voor de samenleving
worden genuanceerd.
    Bij de invloed van de media op de samenleving zijn vele aspecten in
het geding. Men kan willen weten waar de effecten optreden: bij het indi-
vidu of bij de samenleving. Ook kan de aandacht worden gericht op het
type van de reactie: gaat het om gevolgen voor het gedrag van mensen
of voor hun gevoelens, of gaat het vooral om gevolgen voor het niveau
van kennis en informatie. Een derde perspectief let oo de termijn waarop
effecten optreden. Gaat het vooral om de gevolgen op kortere of die op
langere termijn? De drie typen gevolgen kunnen ook met elkaar in ver-
band worden gebracht. In het massacommunicatie-onderzoek hebben
</pre>

====================================================================== Einde pagina 159 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 160 ======================================================================

<pre>deze typen niet in dezelfde mate aandacht gekregen'. Er is ver-
houdingsgewijs veel onderzoek gedaan naar gevolgen van d e media op
het niveau van het individu en dan nog vooral naar de korte termijneffec-
ten. Over de andere gebieden is veel minder bekend. Hierin weerspiegelt
zich ook waar de verwachtingen over mogelijke gevolgen vooral betrek-
king op hadden en overigens nog hebben. Veelal vreesde men een nega-
tieve invloed bij het individu aan te kunnen tonen.
    Deze situatie vindt zijn weerslag in de indeling van d i t hoofdstuk. In
paragraaf 7.2 zullen de 'eerste orde-effecten' aan bod komen. Er zal wor-
den ingegaan op het relatief goed gedocumenteerde kijk-, luister- en
leesgedrag en ontwikkelingen hierin. Paragraaf 7.3 is gewijd aan andere,
vooral gevreesde gevolgen. In paragraaf 7.4 wordt de invloed van de
samenleving op de media bekeken. Naar deze relatie is, zoals zal blijken,
nog weinig onderzoek verricht. Het gaat daar om processen als eman-
cipatie, ontzuiling en individualisering.
7.2      Gebruik van de media
7.2.1      Recente ontwikkelingen
    In de laatste decennia hebben zich grote veranderingen in het media-
gebruik voorgedaan2. Dit is in de eerste plaats het gevolg van de
 opkomst van de televisie. Na de introductie van dit medium i n 1955 heeft
 het zich in snel tempo een plaats in de Nederlandse huishoudens ver-
worven: binnen een decennium beschikte meer dan de helft van het
 aantal huishoudingen over een toestel en in het daaropvolgend decen-
 nium kwam het in nagenoeg ieders bezit (in 1980 97%). De laatste jaren
 neemt het aantal kleurentoestellen sterk toe: van een o p drie huishoudin-
 gen in 1975 naar drie op vier in 1980 (zie tabel 7.1). Ook het aantal
 huishoudingen waar meer dan een televisietoestel aanwezig is, stijgt
 snel. Waarschijnlijk leidt de aanschaf van een kleurentoestel bij velen niet
tot de afstoting van zwart-wittoestellen. Bij de radio is het publiek
 geneigd om het aantal toestellen per huishouding uit t e breiden. De
 aanschaf van een tweede kleurentelevisietoestel zal echter concurrentie
 ondervinden van de videorecorder. Dit apparaat is aan een snelle ver-
 breiding begonnen. Naast landen als Japan en Groot-Brittannie loopt
 Nederland hierbij voorop3. In geen enkel land heeft de verbreiding van de
 videorecorder tot nu toe echter algemene vormen aangenomen.
 Tabel 7.1 Aanwezigheid van kleurenteievisie, videorecorder en meer dan een
 televisietoestel in Nederlandse hulshoudens
 Kleurentelevisie                                      32%                      75%
 Videorecorder                                          1O/O                     4%
 Meer d a n een televisietoestel                        6%                      17%
 Bron: SCP/lntornart B.V.. Tijdsbestedingsonderzoek 1975 en 1980
    De belangrijke plaats die televisie temidden van de andere com-
 municatiemedia inneemt, hangt niet alleen samen met de zeer algemene
 verbreiding van ontvangsttoestellen en aanverwante apparatuur. Televi-
 sie is vooral een belangrijk medium orndat het pubiiek er zoveel tijd aan
 1      Zie de studie van J.G. Stappers. A.D. Reijnders en W.A.J. Moiler ten behoeve van dit rap-
 port.
 2      De inhoud van paragraaf 7.2 is grotendeels gebaseerd op: L.P.H. Schoonderwoerd.
 W.P. Knulst/Sociaal en Cultureel Planbureau, Mediagebruik bij verruiming van her aanbod;
 serie 'Voorstudies en achtergronden rnediabeleid', nr. M4, 's-Gravenhage. Staatsuitgeverij.
 1982.
 3      G. Gericke. 'Video-Konturen eines neuen Medienrnarktes'; Media Perspektiven. 1980.
 nr. 5, blz. 279-284.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 160 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 161 ======================================================================

<pre>besteedt, namelijk meer dan aan alle andere media samen. Het gaat hier-
bij per week om 9,9 uur van de in totaal 17 aan media bestede uren, dit is
58%. Televisie is het dominerende medium voor de avondbesteding.
Over de gehele bevolking genomen is uiteraard met de groei van het
toestelbezit de gemiddelde kijktijd eveneens gestegen. De kijktijd van
degenentdie thuis over een toestel beschikken, is sinds de vroege dagen
van de televisie echter nauwelijks veranderd (zie tabel 7.2). Ook de kijk-
dichtheid (het gemiddeld aantal kijkers) vertoont in het afgelopen decen-
nium geen toe- of afnemende tendens.
Tabel 7.2    Gemiddelde kijktijd van teievisie-bezitters per avond (personen van 12 jaar en
ouder)
                                                                   81 rnin.
                                                                   92 rnin.
                                                                   86 rnin.
                                                                   87 rnin.
 Bronnen: CBS, Vrije-tijdsbesteding in Nederland 1962-1963, deel2, Zeist, 1964.
 SCPllntomart b.v., op. cit.
    Het kijkgedrag van het publiek is dus zeer stabiel. Dit betekent dat de
 aanzienlijke verandering in besteding van de vrije tijd die de televisie
teweeg heeft gebracht, zich vrij abrupt moet hebben voltrokken, en we1
direct na de aanschaf van een toestel. Een onderzoek naar de vrijetijds-
 besteding in Nederland uit 1962, toen ongeveer de helft van de huishou-
dens over televisie beschikte, bevestigt dit beeld4. Het vrijetijdspatroon
van degenen zonder televisie vertoonde sterke overeenkomst met dat
van de bevolking in 1955, toen nog vrijwel niemand televisie had5. De
vrijetijdsbesteding van de televisiebezitters week hier echter op een
 aantal punten sterk af. De kijktijd ging vooral ten koste van het luisteren
 naar de radio, lezen en sociale contacten. Voor de radio was het gevolg
vooral dat men 's avonds niet langer speciaal ging zitten om te luisteren.
 Dat deed men in 1960 nog gemiddeld 28 minuten, in 1980 nog slechts
9 minuten. Dit betekent echter niet dat de aandacht voor de radio nage-
 noeg is verdwenen. De radio is door de komst van de televisie een speci-
fiek medium voor overdag geworden: rond 18.00 uur neemt de
 beluistering sterk af. De belangstelling voor de radio overdag is in het
 afgelopen decennium echter stabiel gebleven. Het luisteren naar de radio
vindt nu in veruit de meeste gevallen plaats naast een andere bezigheid,
die op dat moment de primaire aandacht opeist. In 1980 ging het hierbij
o m gemiddeld 94% van de luistertijd, die totaal 2 uur en 15 minuten
 bedroeg. Het aanbod van de radio is bij deze achtergrondfunctie aan-
gepast: informatie wordt in zeer beknopte vorm verstrekt. Programma's
die aandacht van langere duur vereisen, zijn veelal op specifieke deelin-
teresses afgestemd. Aangezien het luisteren naar de radio met veel meer
 uiteenlopende activiteiten is te combineren dan het televisiekijken, lijkt
 het niet waarschijnlijk dat de televisie de radio als achtergrondmedium
geheel gaat verdringen. De radio wordt namelijk als achtergrondmedium
vooral tijdens beroepsarbeid en huishouden gebruikt, de televisie echter
voornamelijk in de vrije tijd.
    In het aanbod van verstrooiing op de radio is ook een specialisering
naar deelpublieken opgetreden, die bijvoorbeeld tot uiting komt in de
speciale zenders voor populaire en klassieke muziek. Dat de radio niet
langer een gemeenschappelijk, maar een individueel gebruikt medium is,
komt ook tot uiting i n de toename van het aantal radiotoestellen per
huishouden: in 1960 had nog slechts een opde tien gezinnen meer dan b6n
      CBS, Vrije-tijdsbestedingin Nederland 1962- 1963; deel2: televisie en radio, herfst 1962;
Zeist. 1964.
      CBS, Vrije-tijdsbestedingin Nederland, winter 1955/ 1956; deel2: avond- en weekend-
 besteding; Zeist, 1957.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 161 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 162 ======================================================================

<pre>radiotoestel in huis, in 1980beschikte een huishouding over gemiddeld2.2
radio's. Vooral de autoradio heeft furore gemaakt: ruim 70% van de auto's is
daarmee uitgerust6.
    Afspeelapparatuur voor geluidsopnamen biedt een andere mogelijk-
heid om de individuele voorkeur meer tot uiting te brengen. In bijna alle
huishoudingen (96%) beschikt men momenteel over apparatuur om ban-
den of platen af te spelen. De platenspeler was al eerder sterk verbreid,
maar de laatste jaren vinden ook band- en cassetterecorders een zeer
grote verbreiding. In vrijwel ieder gezin is momenteel we1 enige
afspeelapparatuur aanwezig. De verkoop van grammofoonplaten en cas-
settes heeft de afgelopen tien jaar dan ook een sterke groei door-
gemaakt. Sinds enkele jaren is hier echter van een teruggang sprake7.
    Wellicht nog sterker dan de radio heeft de tijdschriftenmarkt een
verschuiving van 'general interest' naar 'special interest' doorgemaakt.
De groei in oplagen, die zich het afgelopen decennium in de gehele tijd-
schriftensector voordeed, was het sterkst bij de gossip-, d e hobby- en de
vakbladen. In plaats van tijdschriften die voor het gehele gezin interes-
sante onderdelen bevatten, traden de bladen die zijn afgestemd op
deelinteresses van de afzonderlijke leden steeds meer op de voorgrond.
De tijdschriftenmarkt kon behalve van deze individualisering van de tijd-
schriftenconsumptie tevens profiteren van een patroon van gecom-
bineerde consumptie, waartoe de welvaartsgroei de ruimte bood. Voor-
heen bestond er een grotere scheiding van vrijetijdactiviteiten. Knut-
selaars of sportliefhebbers gebruikten weinig lectuur. De verandering van
de jaren zeventig bestond hieruit dat lectuurgebruik normaal werd voor
elk type hobbybeoefenaar: hij werd voorzien van specifieke informatie op
uiteenlopende terreinen, in tijdschrift, dan we1 in boekvorm. Het aanbod
van lectuur werd daarbij afgestemd op een druk bezet vrijetijdspubliek:
door veel illustraties en bondige teksten kan de veelzijdige vrijetijds-
besteder op betrekkelijk veel terreinen op vluchtige wijze ge'informeerd
raken.
    Al met al is er nauwelijks grotere pluriformiteit denkbaar dan er heerst
in de tijdschriftenperss. In de discussie over steunverlening aan de pers
heeft van de kant van de overheid steeds vooropgestaan het belang van
de pluriformiteit die het democratisch functioneren van d e samenleving
mogelijk maakt. Met name wordt hierbij de opinierende en informatieve
functie als belangrijk criterium gezien. Vanuit lezersonderzoek scoort
alleen het opinieweekblad hoog ten aanzien van deze beide functiesg.
Van de vrouwenbladen vindt 24% van de respondenten dat vrouwen-
bladen voorlichting geven en 11% dat ze bijdragen aan meningsvorming.
Uit een onderzoek van NOVUM uit 1980 komt een vergelijkbaar beeld
naar voren"J. Het betreft hier overigens geen mening van het publiek,
maar een inhoudscategorisatie van tijdschriften naar onderwerp, aard,
actualiteit en dergelijke. 73% van de inhoud van opiniebladen geeft vol-
gens dit onderzoek de mening van de redactie weer. De andere groepen
zitten ruim onder dit percentage. Ook over de onderwerpen die door de
tijdschriften bestreken worden kan uit het NOVUM-onderzoek iets wor-
den gezegd. De opiniepers besteedt de meeste aandacht aan samen-
 leving en arbeid (54%) en cultuur (21%). De vrouwenbladen aan activitei-
ten om huislmode (41%) en individu (13%) terwijl de gossipbladen zich
 6      NOS, Regionale omroep in Nederland; Hilversum. 1981.
 7      L.P.H. Schoonderwoerd, W.P.Knulst/SCP,op. cit.. blz. 13.
 8      J.J. van Cuilenburg, D . McQuail, Media en pluriformiteit; een beoordeling van de stand
  van zaken; serie 'Voorstudies en achtergronden mediabeleid', nr. ME, 's-Gravenhage.
  Staatsuitgeverij, 1982. blz. 131.
 9      Interlview. Functie- en image-aspecten van de Nederlandse tijdschriften; Amsterdam,
  1976.
  10 NOTU, De Nederlandse media: inhoudscategorisatie van de Nederlandse media;
  Amsterdam, 1980. Als basis is genomen: tabel 2.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 162 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 163 ======================================================================

<pre> richten op vermeldenswaardige personen (42%) en individu (33%).
    Toch is een nuancering op zijn plaats. Zo laten de bereikcijfers van de
 opiniebladen zien dat het bereik onder de handarbeiders voor geen enkel
 blad meer is dan een procent. Er is een duidelijk verband tussen
welstand, beroep en het lezen van een opinieblad. Vrouwenbladen, waar-
 van de oplage een veelvoud is ten opzichte van de opiniepers, vertonen
 een veel betere spreiding naar verschillende opleidingsniveaus over het
totale lezerspubliek. Het zou kunnen zijn dat vrouwenbladen juist door
 hun dosering van onderwerpen, de manier waarop zij onderwerpen
 behandelen, het geringe opleidingsniveau dat het lezen van deze bladen
 veronderstelt en het grote bereik feitelijk meer aan de politieke en maat-
 schappelijke meningsvorming bijdragen.
     De verhouding tussen het tijdsgebruik van televisie en dat van tijd-
 schriften is afhankelijk van het soort tijdschrift. lntensieve televisiekijkers
 lezen minder hobby- en opiniebladen, maar meer populaire gei'llustreerde
 bladen. Het is vooral dit laatste type tijdschrift dat kans loopt door uit-
 breiding van zendtijd gedeeltelijk te worden verdrongen.
     Het lezen van boeken heeft tijdens de opkomstperiode van de televisie
 een inzinking gekend, waarbij de omvang van het boekenlezend publiek
 enigszins terugliep. Na de gewenning aan het scherm werd het oude
 niveau echter opnieuw bereikt en zelfs overschreden. Wel is er een
 verandering opgetreden in de wijze waarop boeken door de lezers wor-
 den betrokken. De verkoop van boeken bleef achter bij de wel-
 vaartsgroei. Daar staat echter een sterke toename in uitleningen van
 bibliotheken tegenover (zie tabel 7.3).
 Tabel 7.3     Lidmaatschappen en uitleningen van openbare bibliotheken (x 1000)a)
  lngeschreven gebruikers                        1.497           2.826                3.875
    waarvan 18 jaar en ouder                       813           1.289                1.715
 Aantal uitleningen                           58.68 1          113.496             151.852
    waarvan aan personen
    vanaf 18 jaar                                               60.294              83.639
  Bron: CBS, Statistiek van de openbare bibliotheken (verschillende jaren).
 a) zowel d e lidmaatschappen als de uitleningen hebben betrekking o p boeken:
     afzonderlijk geregistreerde leden van fono- of discotheken en uitleningen hiervan zijn
     niet meegeteld.
    Televisie kijken blijkt niet in de plaats te treden van het boeken lezen.
 Onder degenen die veel en die weinig naar de televisie kijken komen
 evenveel boekenlezers voor. Dit werd ook in de Verenigde Staten
.geconstateerdll. De zendtijd overdag en de aanvoer van veel verschil-
 lende televisiekanalen zal dan ook waarschijnlijk niet leiden tot verschil-
 lend boekenleesgedrag tussen 'lichte' en 'zware' kijkers.
     De gezamenlijke oplage van de Nederlandse dagbladen heeft in de
 afgelopen periode een lichte toename gekend. Deze lijkt vooral te zijn
 bei'nvloed door de groei van het aantal huishoudingen. De televisie heeft
 evenmin als bij tijdschrift en radio de belangstelling als zodanig voor de
 krant doen afnemen, maar we1 het gebruikspatroon be'invloed. De krant
 is meer en meer van avondmedium tot medium voor overdag geworden.
 Naast verschuiving van avond- naar ochtendbladen heeft de televisie
 ook geleid tot verschuiving van landelijke naar regionale bladen. Deze
 voorzien in een schaal van berichtgeving die de televisie doorgaans niet
 bestrijkt.
     De publieke waardering van de krant ten opzichte van de televisie is in
 de loop van de tijd eveneens gewijzigd. Na een aanvankelijke achterstand
 op de televisie wordt de krant nu weer door meer personen als meest
 l1   P. Steinborn, 'Buch und Leser in den USA'; Media Perspektiven, 1979, nr. 3, blz. 157-165
</pre>

====================================================================== Einde pagina 163 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 164 ======================================================================

<pre> betrouwbare en onmisbare informatiebron gezien. Deze waardering loopt
 overigens nogal uiteen naar leeftijd en sociale status. Voor personen met
 een lager opleidingsniveau geldt de televisie als het belangrijkste
 medium, terwijl de hoger opgeleiden de krant hoger aanslaan. De krant is
 ook minder in aanzien bij jongeren en bij ouderen boven 65 jaar. Vooral
 jongeren hebben een lage dunk van de krant en vinden televisie het be-
 langrijkste medium. Dit zou de indruk kunnen wekken dat e r bij d e gene-
 ratie die met televisie is opgegroeid, een beeldcultuur is ontstaan. Het
 blijkt echter om een leeftijdsverschijnsel te gaan, de krant is een medium
 dat men pas op rijpere leeftijd intensief gaat gebruikenl*.
     De opkomst van televisie wordt niet alleen in verband gebracht met
 het gebruik van andere media, maar evenzeer met het uitgaansgedrag.
 Vooral de relatie televisie-bioscoopbezoek wordt hierbij vaak naar voren
 gehaald, omdat televisie als vervanging voor de bioscoop zou kunnen
 fungeren. lnderdaad hebben bioscopen sinds de verbreiding van de tele-
 visie met een sterk slinkend publiek te maken gehad (tabel 7.4). Toch lijkt
 het niet juist de televisie als enige oorzaak van het dalend bioscoopbe-
'zoek aan te merken. Dit liep al terug voordat de televisie haar intrede
 deed. Bovendien was de afname soms sterker onder degenen die geen
 televisietoestel bezaten dan onder de bezitters. Er zijn door de stijgende
 welvaart veel andere vrijetijdsalternatieven dan de televisie binnen het
 bereik van velen gekomen. De 'privatisering', de verschuiving van de
 vrijetijdsbesteding van de openbare naar de private sfeer, trof niet alleen
 de bioscoop, maar bijvoorbeeld ook schouwburg en voetbalveld.
  Tabel 7.4 Aantal bezoeken aan bioscopen per 100 inwoners
  Bron: Nederlandse Bioscoopbond, Amsterdam, diverse alleveringen jaarverslag
      De behoefte er uit te zijn vormt nu een belangrijk motief voor bio-
  scoopbezoek en deze functie kan door nieuwe vormen van media-
  aanbod niet worden vervangen. Het bioscooppubliek is ook anders
  samengesteld dan de televisiekijkers: het is jong, terwijl onder het televi-
  siepubliek en ook dat voor abonneetelevisie de middelbare leeftijdsklas-
  sen zijn oververtegenwoordigdl3. De aantrekkelijkheid van d e bioscoop
  als uitgaansgelegenheid zal echter ook berusten op het aanbod van
  recent uitgebrachte films. Wanneer via een systeem als abonneetelevisie
  de grote filmprodukties het eerst in de huiskamer te ontvangen zijn, kan
  de behoefte aan bioscoopbezoek dan ook verminderen.
  De beschikbare tijd
      Niet iedereen kan evenveel tijd aan media besteden. Er worden gren-
  Zen gesteld aan het mediagebruik door de tijd die nodig is voor
  beroepsarbeid, huishoudelijk werk of studie; de hiermee gemoeide tijd
  kan per persoon sterk varieren. Gemiddeld besteedt de bevolking ouder
  dan 12 jaar ruim een derde van haar vrije tijd aan de media (zie tabel 7.5).
  lnderdaad besteden degenen die minder tijd aan beroep e n huishouden
  kwijt zijn, aan de media meer tijd. Er bestaat hierin echter weinig verschil
  tussen personen die een beroep hebben met een arbeidsduur tussen 20
  en 40 uur per week, zodat verondersteld mag worden dat een verkorting
  ' 2 J.P. Robinson. L.W. Jeffres, 'The great age readership mystery'; Journalism Quarterly, blz.
  219-231.
  13 G. Gericke, 'Expension dank Pay-tv und Satellit'; Media Perspektiven, 1980, nr. 1, blz. 1-10,
</pre>

====================================================================== Einde pagina 164 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 165 ======================================================================

<pre>van de arbeidsduur binnen deze zone weinig invloed op het mediage-
bruik zal hebben. Bij een langer dan 40 uur durende werkkring daalt het
mediagebruik naar verhouding sterk, terwijl deze bij een arbeidsduur kor-
ter dan 20 uur sterk stijgt. Elk uur dat dan minder gewerkt wordt stijgt het
mediagebruik met een half uur. Ook door het geheel wegvallen van
beroepsarbeid stijgt het mediagebruik zeer sterk. Gepensioneerde,
arbeidsongeschikte en werkzoekende mannen besteden een boven-
proportioneel deel van de viijgekomen tijd voor dit doel. Huisvrouwen
besteden eveneens een meer dan evenredig deel van de tijd waarover ze
in vergelijking met werkende vrouwen beschikken aan mediagebruik.
Tabel 7.5 Omvang van het mediagebruik in relatie tot de vrije tijd voor enkele groepen
met een verschillende plaats in het maatschappelijk bestela)
                                              Ornvang van het rnediagebruik
                                         uren per week           percentage van de
                                                                      vrije tijd
 Werkende rnannen                            16,6 u.                    39%
 Werkende vrouwen                            12,O u.                    32OO /
 Huisvrouwen                                 15,6 u.                    34%
 Werkzoekenden en arbeids-
ongeschikten
 Gepensioneerden                             30,l u.                    46OO /
 Studerenden                                 16,6 u.                    40%
 Gehele bevolking                            17.0 u.                    37OO /
 Bron: SCP/lntornart b.v., Tijdsbestedingsonderzoek 1980
a) Personen van 12 jaar en ouder.
 Verschil tussen de geslachten doet zich voor bij de wijze waarop de vrije
 tijd beschikbaar komt. Bij vrouwen komt de vrije tijd meer versnipperd
 beschikbaar dan bij mannen, hetgeen tot minder gebruik van de media
 leidt. Vrouwen blijken echter vaker dan mannen televisiekijken te com-
 bineren met andere bezigheden, met vrijetijdsactiviteiten zowel als
 gezinsverplichtingen. Betrekt men deze wijze van televisiegebruik bij het
 totale televisiegebruik, dan is er nauwelijks verschil tussen het kijkvolume
 van mannen en vrouwen. Voor mannen is televisie echter minder een
 achtergrondmedium. Waar dit we1 het geval is, heeft men te maken met
 drukbezette mannen.
    Het verschil in gebruik van de krant tussen mannen en vrouwen is niet
 geheel toe te schrijven aan de grote versnippering van de vrije tijd van
 vrouwen. Ook als daarmee rekening wordt gehouden besteden mannen
 meer tijd aan de krant dan vrouwen.
    Het soort van bezigheden tijdens welke naar de radio wordt geluisterd,
 ligt bij radio anders dan bij televisie. Slechts circa een derde van de
 radiobeluistering als achtergrond vindt plaats in de vrije tijd. Tijdens 'ver-
 plichte' bezigheden als huishoudelijk werk en betaalde arbeid wordt
 veruit het meest naar de radio geluisterd. Luisteren naar de'radio en
 werken sluiten elkaar dus geenszins uit. Het is dan ook niet verwonderlijk
 dat noch bij mannen, noch bij vrouwen verband bestaat tussen arbeids-
 duur en het gebruik van de radio als achtergrond. Bij het luisteren als
 hoofdacitiviteit is dit we1 het geval. Naarmate personen langer werken
 luisteren zij minder naar de radio als hoofdbezigheid. Evenals bij televisie
 ligt het gebruik van de radio als begeleiding van andere activiteiten bij
 vrouwen aanzienlijk hoger dan bij mannen. De totale radiobeluistering is
 dan ook bij vrouwen hoger dan bij mannen, terwijl mannen aanzienlijk
 vaker luisteren als hoofdbezigheid.
    Niet alleen de hoeveelheid vrije beschikbare tijd blijkt van invloed op
 het gebruik van media. Het aantal alternatieve vrijetijdsbezigheden hangt
 daarmee ook samen: hoe meer alternatieven hoe minder er televisie
 wordt gekeken. Het lezen van boeken gaat samen met een veelzijdige
</pre>

====================================================================== Einde pagina 165 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 166 ======================================================================

<pre>vrijetijdsbesteding. Het besteden van veel tijd aan de televisie behoeft
dus niet altijd op een bewuste keuze te duiden. Het kan ook wijzen op
een gebrek aan alternatieven.
Leeftijd en opleiding
     De beschikbare tijd is niet de enige factor die op het mediagebruik van
invloed is. Daarnaast bestaan er verschillen in interesse voor media. Een
belangrijk deel van die verschillen zijn terug te voeren t o t verschillen in
de levensfase waarin personen verkeren en tot verschillen in oplei-
dingsniveau.
     Ouderen zijn de meest intensieve gebruikers niet alleen van radio en
televisie, maar ook van gedrukte media. Ouderen zijn voor hun tijdspas-
sering ook meer op de media aangewezen dan anderen. Televisie is voor
hen belangrijk om verveling en eenzaamheid op te heffen, en wordt door
hen ook veel meer dan door anderen gewaardeerd om zijn informatie-
voorziening14. Jongeren kiezen hun media het meest selectief: ze lezen
relatief weinig kranten en tijdschriften, maar spelen vaak platen en ban-
den af. Hoger opgeleiden lezen meer dan anderen, lager opgeleiden
maken het meest intensief gebruik van radio en televisie. Ongeacht de
leeftijd wordt ook onder personen met een hoge opleiding aan televisie
de meeste tijd besteed.
     Merkwaardig is dat de inhoudelijke selectie uit het televisie-aanbod
vrijwel geen verschil te zien geeft tussen personen van verschillende
opleiding of sociale klasse. Het feit dat personen met een hogere oplei-
ding minder tijd aan televisie besteden dan personen m e t minder oplei-
ding, betekent dus niet dat ze ook selectiever zijn bij hun consumptie,
door bijvoorbeeld meer informatieve of culturele programma's in hun
kijkmenu op te nemen. Alleen verschillen in leeftijd gaan samen met een
 andere selectie uit het programma-aanbod. Dit hangt samen met het feit
dat ouderen veelal zwaardere en non-selectieve kijkers zijn. Deze groep
 volgt in het algemeen een heel avondprogramma, ook d e minder gelief-
 de programmatypen. Dit is de reden waarom relatief weinig bekeken
 programma's toch veel zware kijkers onder hun publiek tellen. De meer
 'selectieve' lichte kijkers scharen zich daarentegen juist onder het
 publiek van de meest bekeken programma's15.
     Hoewel de mate van populariteit van Hilversum Ill en IV niet steeds
 hetzelfde beeld vertoont, is de volgorde in populariteit van de verschil-
 lende radiozenders bij alle bevolkingsgroepen gelijk. Personen die ver-
 schillen naar leeftijd en opleidingsniveau, luisteren gemiddeld toch het
 meest naar de populaire muziekzender Hilversum Ill. Deze bedient onge-
 veer 75% van het publiek dat overdag de radio heeft aanstaan en ook
 's avonds blijft Hilversum Ill veruit het populairst. Daarna komen Hil-
 versum I en II (in deze volgorde). Het speciale kanaal voor klassieke
 muziek, Hilversum IV, wordt in alle leeftijds- en opleidingscategorieen het
 minst beluisterd. De belangrijkste verschillen in zendervoorkeur doen
 zich voor tussen personen van verschillende leeftijd. M e t het vorderen
 van de leeftijd verschuift de belangstelling van Hilversum Ill naar Hil-
 versum I en II. Het opleidingsniveau blijkt nog het meest van invloed op
 de belangstelling voor Hilversum IV. Deze is groter naarmate personen
 een hogere opleiding hebben genoten.
     Wat zijn nu de consequenties van de toekomstige wijzigingen in de
 bevolkingsstructuur voor het mediagebruik? Zal een publiek met een
  - zoals te verwachten - gemiddeld hogere leeftijd en hoger oplei-
 dingspeil zich bedaagder maar 'geleerder' gaan gedragen? Bij voorspel-
 lingen over dit soort zaken moet men niet de leefstijl van de huidige
 oudere generatie en die van de huidige hoger opgeleiden model stellen
 voor het publiek van de toekomst. Zo heeft de toekomstige middelbare-
  l4   NOS, De betekenis van televisie (kijken); Hilversum, 1975.
  l5   P. Hendriksen. 'Omroepen in de woestijn'; Massacommunicatie, 1980, 8e jaargang nr. 3-4.
  blz. 55-66.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 166 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 167 ======================================================================

<pre>leeftijdscategorie na-oorlogse gewoonten aangeleerd en lijkt zij veel
actiever te zijn in de vrije tijd dan de huidige middelbare leeftijdsgroep
op jongere leeftijd was. En ondanks het sinds de oorlog voortdurend toe-
genomen scholingspeil is de omvang van het publiek dat boeken leest
praktisch gelijk gebleven. Dit kan alleen worden verklaard uit het feit dat
de omvangrijkere publieksgroep die voortgezet onderwijs heeft genoten,
gemiddeld minder boeken is gaan lezen dan de groep met overeenkom-
stige opleiding tevoren gewend was te doen. Een en ander relativeert de
mogelijke consequenties van een stijgend opleidingspeil voor het media-
gebruik. Daar komt nog bij dat leeftijd en opleiding vooral bij televisiege-
bruik een invloed in tegengestelde richting uitoefenen. Men kijkt meer
naar televisie naarmate men ouder is, maar minder naarmate men meer
opleiding heeft genoten. Van beide tegengestelde factoren blijkt thans de
invloed van de leeftijd sterker door te werken dan die van het oplei-
dingsniveau. Weliswaar kijken personen met een hogere opleiding min-
der televisie dan personen uit dezelfde leeftijdsklasse met minder oplei-
ding, maar dit verschil is bij oudere personen kleiner dan bij jongere.
Hoewel bekend is dat de ouderen met een hoge scholing een breder
spectrum van vrijetijdsactiviteiten vertonen dan ouderen met een lage
opleidingl6, lijkt dit verschil maar van weinig invloed op het televisiege-
bruik. De verwachting lijkt dan ook gerechrvaardigd dat de verschuiving
in de leeftijdsstructuur van de bevolking belangrijker gevolgen zal heb-
ben voor het mediagebruik dan die ten gevolge van een hoger gemid-
deld scholingsniveau. De groeiende aanwas van de middelbare en
andere leeftijdsgroepen zal de richting uitwerken van een toenemend
televisiegebruik.
7.2.2      Uitbreiding van her televisie-aanbod
    Veel van de verwachte veranderingen op mediage.bied zullen bestaan
uit een verruiming van het televisie-aanbod. Er kan een onderscheid
gemaakt worden tussen uitbreiding van het aantal kanalen en verlenging
van de zendtijd.
    Uitbreiding van het aantal kanalen blijkt niet van invloed te zijn op de
kijkduur, maar we1 op de inhoudelijke samenstelling van het gekozen
programmapakket. Dit is zowel het geval wanneer voorheen slechts Ben
kanaal beschikbaar was als wanneer er al meer waren.
 In Nederland heeft de invoering van het tweede net in 1965 niet tot een
verhoging van de gemiddelde kijktijd geleid, evenmin als in Belgie bij de
 introductie van een tweede Nederlandstalig kanaall7 of in Groot-
 Brittannie, waar in 1954 een commercieel kanaal naast dat van de BBC
 werd ingevoerdls. De kijktijd in de VS heeft in de recente periode even-
 min veranderingen ondergaan na de snelle uitbreiding van het aantal
 kanalen door de opkomst van kabel en satelliet. Dat toenemende keuze-
 mogelijkheden niet steeds tot veranderingen in het gebruik leiden, blijkt
 ookhieruit dat het aantal kanalen waarvan men in de praktijk gebruik
 maakt elders beperkt blijft tot een aantal van vier a vijflg. Blijkt de hoe-
 veelheid tijd voor televisie nogal vast te liggen binnen het patroon van
 vrijetijdsbesteding, het kijkmenu blijkt door meer kanalen we1 veranderin-
 gen te ondergaan. Zowel in de VS als in Groot-Brittannie heeft aan-
 bodsverruiming tot een grotere afname van verstrooiende programma's
 geleid. De voorkeur voor lichte verstrooiing bij ruimere keuzemogelijk-
 heden betekent niet dat de belangstelling voor informatie vermindert.
 Wel blijkt het publiek de grotere vrijheid om zelf te bepalen wanneer het
 l6   Sociaal en Cultureel Planbureau, Sociaal en Cultureel Rapport 1976; 's-Gravenhage, 1976.
 blz. 153.
 l7   D. Poesmans, 'Verkabelung und Fernsehverhalten in Flandern'; Media Perspektiven, 1981,
 nr. 3, blz. 240-250.
 '8 J.G. Blumler, 'Looking at media abundance: toward a framework for compalative analy-
 sis'; Communications, 1979. 9e jaargang nr. 2-3, blz. 125-158.
 19 L.W. Jeffres, 'Cable tv and viewer selectivity'; Journal of Broadcasting. 1978, 22e jaargang
 nr. 2, blz. 167-177.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 167 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 168 ======================================================================

<pre>hiernaar kijkt, te benutten. In Groot-Brittannie werd bijvoorbeeld vast-
gesteld dat een meerderheid onder het publiek tenminste Ben journaal
per avond bekijkt20. Slechts bij informatieve programma's met diep-
gravende beschouwingen neemt de belangstelling af. Daarnaast gaat de
verschuiving in de consumptie vooral ten koste van culturele program-
ma's. De verschuivingen in het kijkmenu blijken overigens over het alge-
meen niet van grote omvang21. In verband hiermee is er we1 op gewezen
dat het optimaliseren van bestaande voorkeuren in d e programmakeuze
zich vooral voordoet zodra het monopolie van Ben televisiekanaal wordt
doorbroken22. In de begintijd van televisie trokken ook klassieke drama's,
balletten, poezievoordrachten, forumdiscussies en documentaires over
praktisch elk onderwerp veel kijkers, maar dit behoort reeds lang tot het
verleden23. Een verdere uitbreiding van het aanbod kan de reeds be-
staande programmavoorkeuren sterker tot uiting doen komen, maar gro-
te verschuivingen zijn hierbij niet meer te verwachten.
    Op grond van de bevindingen uit andere landen lijkt het ook voor
Nederland waarschijnlijk dat uitbreiding van de zendtijd tot meer televi-
siekijken zal leiden. Het kijken overdag vindt elders het meest plaats tus-
sen 17 en 19 uur, en rond de lunchtijd. Dan, en voor 9 uur 's ochtends is
een groot publiek bereikbaar. Tijdens de overige delen van d e ochtend
en middag is een veel geringer deel van het publiek in staat om televisie
te kijken: de thuisblijvers, en daarvan degenen die geen drukke huishou-
delijke taak hebben te verrichten. Hiertoe behoren: n o g niet naar school
gaande kinderen, ouderen, zieken, werklozen en arbeidsongeschikten.
Mannen zonder beroep behoren thans reeds tot de meest intensieve
kijkers. Huisvrouwen zijn veelal niet in de gelegenheid om overdag voor
de televisie plaats te nemen. Voor hen kan televisie e e n deel van de
functie van de radio als achtergrondmedium bij huishoudelijke activitei-
ten gaan innemen, zoals in de VS reeds het geval is24.Voor degenen met
een volledige dagtaak heeft televisie overdag geen betekenis. Zo
verschilt de kijktijd van werkende mannen in de VS nauwelijks van die
van werkende mannen in Nederland25.
    De vraag kan ten slotte worden opgeworpen of het televisiekijken
grenzen kent waarbij verzadiging optreedt. Wat daaronder moet worden
verstaan is moeilijk aan te geven. De gewoonheid van het medium kan
kennelijk zo ver gaan dat het toestel in werking blijft terwijl er geen
aandacht aan wordt besteed. Televisie kan dus een plaats innemen die
vergelijkbaar is met die welke ook in ons land de radio vaak al heeft: een
permanente aanwezigheid waaraan slechts in bepaalde gevallen vol-
ledige aandacht wordt geschonken. De tijd die exclusief op d e televisie
wordt gericht wordt voornamelijk bepaald door het overig activiteiten-
patroon. Een grens'waarbij.het medium zelf aanleiding geeft om er niet
meer tijd aan te besteden, lijkt echter niet aanwijsbaar.
7.2.3      Nieuwe ornroepformules
     Uitbreiding van het televisie-aanbod met andere soorten dan die het
 publiek gewend was leidt, evenals bij de hiervoor besproken uitbreiding
 van het aantal kanalen in het algemeen, niet tot een omvangrijker tijds-
 besteding aan televisie. Het 'kijkmenu' ondergaat hiervan we1 invloed.
  Kijkers blijken bij meer keuzemogelijkheden geneigd o m het aandeel van
 20  B.P. Ernmet. 'The television and radio audience in Britain': in: Sociology o f mass com-
 munications; onder redactie van D. McQuail, Harmondsworth, 1972.
 21
     L.W. Jeffres, 'Cable tv and interest maximization'; Journalism Quarterly, 1978, 55e
 jaargang nr. 1, blz. 149-154.
 22 H. Kellner. 'Wieviel und welches Fernsehen wollen nutzen die Burger?'; Media Perspek-
 riven, 1981, nr. 2, blz. 116-123.
 23 0. Stoke. 'Daten und Thesen zur Nutzung von Fernsehprogrammen'; Media Perspektiven.
  1979, nr. 10, blz. 681-687.
 24  M.G. Cantor. 'Our days and our nights on tv'; Journal of communication, herfst 1979, blz.
 66-72.
 25 J.P. Robinson en P.E. Converse, 'The impact of television and m a s s media usage'; in: The
  use Of time; onder redactie van A. Szalai, Den HaagIParijs, 1972, blz. 199-212.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 168 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 169 ======================================================================

<pre>speelfilms en andere vormen van populaire verstrooiing te vergroten.
Minder populaire programmasoorten, zoals culturele of analyses van
actualiteit, verliezen daarbij aan belangstelling. Nieuwsuitzendingen heb-
ben echter niet te lijden onder een verlies aan belangstelling.
   In de afgelopen jaren is, vooral door aansluiting op een kabelnet, het
aantal kijkers in Nederland dat buitenlandse zenders kan ontvangen sterk
uitgebreid. In 1979 kon reeds in 73% van de huishoudens tenminste een
buitenlands station worden ontvangen, via de kabel of direct uit de
ether26. Men verwacht dat in 1985 85% van de huishoudens bekabeld zal
zijn. Bij het kijken naar buitenlandse stations blijkt de taal, zoals verwacht,
ekn belangrijke factor voor de belangstelling. Van het aanbod van buiten-
landse stations is amusement het meest in trek. lnformatie van buiten-
landse zenders geniet geen grote belangstelling.                      .
Aan verstrooiende programma's en nieuwsuitzendingen uit het eigen
land wordt meestal de voorkeur gegeven boven elk ander buitenlands
programma. Hieruit blijkt hoezeer een nationale orientatie doorwerkt in
het kijkgedrag. Dit element blijkt nauwelijks voor concurrentie vatbaar. Zo
bestaat van de Nederlandse televisie, die in het Nederlandstalig deel van
Belgie de meest bekeken buitenlandse is, de grootste belangstelling voor
amusement: show, revue, quiz, speelfilm, televisieseries en muziek-
programma's voor jongeren. De Belgische belangstelling voor het
journaal of de actualiteitenrubrieken op Nederlandse zenders lijkt geheel
te zijn toe te schrijven aan de populariteit van programma's die ervoor of
erna worden uitgezonden27. Op het tijdstip van Belgische nieuwsuit-
zendingen wordt door velen teruggeschakeld. De belangstelling voor
nieuws uit eigen land blijkt groter dan die voor verstrooiing uit het bui-
tenland. Dit geldt zelfs in Canada, waar onder de Engelstaligen een zoda-
nig grote belangstelling voor de Amerikaanse televisie bestaat dat de
autoriteiten vrezen voor uitholling van de nationale culturele identiteit28.
Het geldt ook in Wallonie, maar daar was we1 een ingreep voor nodig.
Beide Waalse zenders hebben daar minder belangstelling dan de Franse
en Luxemburgse netten. Behalve in de gemeenschappelijke taal kan een
verklaring ook in de grote publieksgerichtheid van deze zenders worden
gevonden. Het uitzonderlijke geval heeft zich voorgedaan dat het tijdstip
van nieuwsuitzendingen op de Waalse zenders moest worden aangepast
aan de programmering van de Franse en Luxemburgse zenders.
   Abonnee-televisie blijkt in de Verenigde Staten, na een aarzelend
begin, veel belangstelling te ondervinden. Tot nu toe biedt abonnee-
televisie daar nog uitsluitend gelegenheid tot de afname van een extra
portie van de meest populaire programmasoorten, zoals speelfilms en
sport. De kosten blijken echter voor een groot deel van de kjkers een
probleem. Sommigen denken dat hierdoor een tweedeling onder het
kijkerspubliek gaat ontstaan: een groep voor dure programma's tegen
betaling en een groep die het met tweede-keus programma's zal moeten
stellen.
Omdat de aantrekkingskracht voor abonnee-televisie in de Verenigde
Staten mede voortkomt uit afkeer van reclame-onderbrekingen, zijn de
Amerikaanse ervaringen niet zonder meer van toepassing op Nederland.
Belangstelling voor gespecialiseerde kanalen met film, sport of misschien
kunst zal hier zeker ook aanwezig zijn. De vraag is we1 hoeveel de
belangstellenden voor gespecialiseerde televisiekanalen bereid zullen zijn
extra te betalen.'
    Een speciale vorm van abonnee-televisie is het Qube-systeem, dat
sinds 1977 in Columbus, Ohio, in bedrijf is29. Bij dit systeem wordt de
afnemer alleen aangeslagen voor de kosten van datgene waarnaar hij
26   NOS. De belangstelling voor buitenlandse tv-zenders; Hilversum, 1981.
27   D. Poesmans. op. cit., blz. 240-250.
     W.J. Howell. 'Broadcast spillover and national culture: shared concerns of the Republic of
Ireland and Canada'; Journal o f Broadcasting. 1976, 20e jaargang nr. 4. blz. 435-448.
29 K. Hubrechts, "Warner cable' in Columbus, Ohio, einde van de passieve televisie?': Com-
municatie. 1978, 8e jaargang nr. 3. blz. 10.14.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 169 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 170 ======================================================================

<pre>heeft gekeken. De registratie van het gebruik is mogelijk doordat omroep
en gebruiker zijn verbonden door een zogenaamde twee-wegverbinding.
Er kunnen signalen in beide richtingen worden uitgewisseld. De mogelik-
heden hiervan zijn tevens gebruikt voor een voor Qube unieke toepas-
sing. Kijkers worden in de gelegenheid gesteld om tijdens de uitzending
reacties terug te seinen, die direct in de uitzending kunnen worden ver-
werkt. Veel wijst erop, dat de meeste gebruikers Qube in de eerste plaats
benutten als een gewoon kabelnet in combinatie m e t abonnee-televisie,
zoals elders ook wordt toegepast. Ze blijken vooral het aanbod van een
groot aantal kanalen te waarderen. Uit kostenoverzichten van het gebruik
van Qube kan worden afgeleid dat gebruikers gemiddeld per maand drie
films afnemen van de kanalen die afzonderlijke leveranties in rekening
brengen.
    De door Qube geboden mogelijkheid tot directe reacties door de
kijkers berust, evenals het kiezen van kanalen, op een druktoetssysteem.
De gebruikers beschikken hiertoe over vijf paar knoppen, waarmee ze
kunnen kiezen uit ten hoogste vijf verschillende antwoordmogelijkheden
op een vraag die tijdens een televisie-uitzending wordt gesteld. Toepas-
singen van dit interactiesysteem zijn onder meer gezocht in cursussen,
waardoor de docent contact kan houden met zijn cursisten. Voorts zijn er
we1 peilingen verricht bij een verkiezingsrede van een politicus naar de
mate waarin het publiek hem geloofwaardig vond e n steunde. Er blijkt
maar weinig gebruik te worden gemaakt van de mogelijkheden tot terug-
melding. Als gevolg hiervan is de werking ervan beperkt tot een dagelijks
terugkerend amusementsprogramma. Bij cursussen bleek de antwoord-
faciliteit van weinig waarde. Het bleek praktisch onmogelijk om het ver-
 loop van een cursus bij te sturen op grond van reacties van een grote en
 anonieme groep. Bovendien vereist deze toepassing dat de cursus 'live'
wordt gepresenteerd, hetgeen in de praktijk meestal niet het geval is.
    Hoewel niet alleen omvangrijke en heterogene publieksgroepen aan-
trekkelijk blijken voor adverteerders, maar ook kleinere doch homogenere
groepen, is commerciele televisie tot nu toe sterk georienteerd op een
 groot, heterogeen publiek. Haar aanbod is erop gericht een groot publiek
te creeren als doelgroep voor commerciele boodschappen rond of
tijdens de uitzendingen. Ze verzorgt daarom relatief veel populaire series
of amusementsshows. Om verschraling in het totale televisie-aanbod
tegen te gaan is de commerciele omroep in Groot-Brittannie aan regels
gebonden. Het naast elkaar bestaan van een commerciele omroep en
 een publieke omroep dwingt de laatste tot concurrentie met de commer-
 ciele omroep. Zonder een substantiele publieke belangstelling zou de
 legaliteit van heffingen voor de publieke omroep in gevaar komen. In
 West-Europa is dit tot dusver echter niet gebeurd, d i t in tegenstelling tot
 in Japan30. Ook kan in een dergelijke situatie druk ontstaan op de publie-
ke omroep om zich tot een selectiever, vooral op minderheden
 afgestemde programmering te beperken, zoals nu i n Australie3'.
    Een cultureel-educatief net bereikt, evenals culturele e n educatieve
 programma's op een niet-gespecialiseerd kanaal, i n het algemeen vooral
 personen die ook veel verstrooiende programma's volgen. Deze groep
 van over het algemeen zware en non-selectieve kijkers haakt dikwijls af
 zodra er een populair alternatief beschikbaar is. Voorts bereikt een edu-
 catief en cultureel aanbod een groep selectieve kijkers, die reeds een
 aangekweekte belangstelling hadden op dit terrein. Beide groepen beste-
 den slechts een minderheid van de totale kijktijd aan een dergelijk kanaal.
    In Nederland werden in de periode van 1974 tot 1977 i n zes gemeenten
 proefprojecten met gemeenschapstelevisie opgezet, in enkele gevallen in
 combinatie met radio-uitzendingen. De opzet van deze experimenten is
 dermate smal - meestal werd een uur per week, o p zondagmiddag, uit-
 gezonden - dat van concurrentie voor de landelijke omroep of andere
 30
     K. Winckler. 'Fernsehen in Japan'; Media Perspektiven. 1978, nr. 6, blz. 433-438.
     R. Scott. 'Public Broadcasting: the changing media scene': Intermedia, no". 1980. 8e
 jaargang nr. 6, blz. 16-18.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 170 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 171 ======================================================================

<pre>lokale/regionale media geen sprake kon zijn. De kijkcijfers varieerden
sterk per thema, hetgeen erop wijst dat lokale aangelegenheden niet bij
voorbaat grote belangstelling genieten32. Het enthousiasme van de initia-
tiefnemers voor deze vorm van omroep bleek in de meeste gevallen
voldoende om de gemeenschapsomroep, na beeindiging van de gesub-
sidieerde experimenteerperiode, voort te zetten.
     De gemeenschapsomroep in Goirle (N.Br.) geldt als Ben van de meest
succesvolle. Ruim 80% van de bewoners kijkt weleens naar de
gemeenschapstelevisie33. De gemiddelde kijkdichtheid per uitzending is
tamelijk hoog, namelijk 32%. De radio-uitzendingen blijken hier minder
aan te slaan dan de televisie-uitzendingen. Ongeveer de helft van de
inwoners luistert er weleens naar. Een maandagochtendprogramma
scoort een luisterdichtheid van circa 6010, en een programma over een
gemeenteraadsverkiezing wordt ook slechts door 5 a 8% van de bewo-
ners beluisterd.
     Over de belangstelling tot dusver voor lokale of regionale omroep in
Nederland blijkt niet veel te zeggen. Er functioneren zes professionele
radiostations voor een speciaal verzorgingsgebied, waarvan vijf regionaal
en Ben lokaal. Deze stations zenden maar enkele uren per dag uit op
golflengten waarop de rest van de dag Hilversum Ill uitzendt. In som-
mige regio's verandert de luisterdichtheid op het moment dat de regio-
nale zenders in de lucht komen, zodat de omschakeling kennelijk niet
onopgemerkt blijfP. Bij de jongste lokale/regionale omroepen in Neder-
land, STAD (Amsterdam) en SROB (Oost-Brabant) werd een onderzoek
ingesteld naar de vraag of de lokalelregionale omroep een eigen functie
vervult binnen de reeds aanwezige media. De stations bleken het aanbod
van regionale informatie te verrijken en onder de bevolking bleek waar-
dering voor deze vorm van omroep te bestaan. Of luisteraars dankzij
regionale omroep ook beter over regionale zaken worden ingelicht en of
hun betrokkenheid bij regionale onderwerpen is vergroot, kon niet wor-
den vastgesteld35. Ander onderzoek geeft aanleiding te veronderstellen
dat regionale omroepen nog op te grote schaal opereren. Van Radio-
Oost is bijvoorbeeld vastgesteld dat in de nabijheid van de standplaats
van de omroep, in Twente en de Achterhoek, de beluistering viermaal
hoger ligt dan in overige delen van het rayon dat door deze zender
 wordt bestreken (de rest van Gelderland en Overijssel)36.
     Buitenlandse ervaringen leren dat de belangstelling voor lokalel
regionale omroep groot kan zijn, vooral indien de zender meer dan enke-
 le uren per dag in de lucht is en een volledig programma aanbiedt met
 onder andere verstrooiing. Regionale zenders voldoen ook in een behoef-
 te door hun aandacht voor de regionale identiteit. Lokale en regionale
 radio zowel als televisie blijken als advertentiemedium bijzonder aantrek-
 kelijk. De bloei van het verschijnsel van ether- en kabelpiraten is echter
 niet in de eerste plaats hierdoor veroorzaakt. De uitkomsten van het door
 lntomart voor de WRR ingestelde onderzoek naar etherpiraten wijzen er
 eerder op dat hier culturele factoren aan ten grondslag liggen. Het ver-
 werven van inkomsten uit reclame is slechts voor een betrekkelijk gering
 aantal piraten van betekenis; bij 8% van de stations werden reclame-
 boodschappen geregistreerd. Dit waren dan we1 de circa 250 stations
 met een meer bestendig karakter (langer bestaand dan een half jaar). Als
 voornaamste drijfveren van de piraten worden, aldus het Intomart-
 onderzoek, door henzelf genoemd 'het ideele doel van lokale omroep dat
elke piraat voor ogen heeft' en 'het Hilversumse machtsbolwerk waar-
tegen zij zich alien afzetten'. Daarnaast blijkt dat contacten met het
 publiek belangrijk worden gevonden. Het ontbreken ervan is in elk geval,
  32   J. Stappers, 'Lokales Fernsehen in den Niederlanden'; Media Perspektiven, 1978, nr. 12,
  blz. 877-886.
  33 Lokale Omroep Goirle, Beleid Belicht; Goirle, 1981.
  34   NOS. Regionale Omroepen 1978; Hilversum, 1979.
  35 J. Beljon en J. van Poppel, Eindverslag onderzoek regionale radio-omroep deel 1; Tilburg.
  IVA. 1979.
  36 NOS, Regionale Omroepen 1978; op. cit..
</pre>

====================================================================== Einde pagina 171 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 172 ======================================================================

<pre>naast 'verveling' en uiteraard de gevolgen van het opsporingsbeleid, een
motief om met de activiteiten te stoppen. Radio-etherpiraten - ook in
de toekomst verreweg de meest voorkomende vorm - worden door 38%
van de bevolking min of meer regelmatig beluisterd; hierbij is vooral
Nederlandstalige muziek in trek3'. De algemene houding van het publiek
loopt uiteen van welwillend tot positief, maar het min of meer vrijgeven
van de ether zoals in Italie wordt door slechts een kwart van de onder-
vraagden voorgestaan.
7.2.4 Nieuwe media
    Teletekst leent zich goed voor berichten van beknopte omvang die
voortdurend bijstelling behoeven, zoals nieuwsflitsen, sportuitslagen,
weerberichten, beurskoersen, noteringen van buitenlandse valuta, enzo-
voort. In navolging van Groot-Brittannie, waar het systeem werd ontwik-
keld, zijn in tal van andere landen ook proefnemingen met teletekst van
start gegaan. In Nederland begon de NOS in april 1980 met het experi-
ment. Gegevens over het gebruik van teletekst zijn in deze fase niet meer
dan enige eerste indrukken: er zijn in Nederland ongeveer 150.000 tv-
toestellen verkocht die geschikt zijn voor de ontvangst van teletekst.
    Uit een eerste onderzoek onder de gebruikers blijkt dat deze vooral
voor en na afloop van een 'normale' kijkavond teletekst oproepen en
daarnaast op tijdstippen dat de gebruikers niet ge'interesseerd zijn in het
~ m r o e p a a n b o dOp~ ~ .andere tijdstippen, zoals overdag, wordt teletekst
minder bekeken. Er bestaan aanwijzingen dat het actuele karakter van
het medium een belangrijk motief vormt voor het gebruik. Van de
nieuwsrubriek wordt bijvoorbeeld hoofdzakelijk de meest actuele nieuw-
sontwikkeling geraadpleegd. Teletekst wordt evenals kranten veel
gebruikt om te bladeren, alvorens een bericht voor nadere kennisname te
selecteren. Bij het onderzoek naar het gebruik van teletekst werden
zowel aanwijzingen voor substitutie als indicaties voor een cumulatief
gebruik van media vastgesteld. Substituerend gebruikt men teletekst ter
vervanging van de nieuwsbulletins via radio en televisie, e n verder van
bijvoorbeeld kranten- of televisiegegevens over trekkingen van loterijen.
De gebruikers stellen dat het belangrijkste motief voor deze substitutie
is, dat zij het nieuws kunnen lezen op een tijdstip dat hun d i t het beste
uitkomt. Teletekstgebruikers melden tevens dat, zij berichten in de krant
of een tijdschrift overslaan, indien ze menen al via teletekst over het
onderwerp te zijn gei'nformeerd. Teletekst geeft echter ook we1 aan-
leiding tot cumulatief mediagebruik. Teletekstberichten blijken gebruikers
soms te attenderen op een onderwerp, waarvan ze vervolgens via andere
media meer willen vernemen. Het gebruik van teletekst bleek ook in
omgekeerde zin we1 te zijn bevorderd, doordat men op de hoogte wilde
blijven van de laatste ontwikkelingen van een onderwerp waarover men
in andere media had kennisgenomen. Teletekst verschaft thans echter
onvoldoende informatie om bestaande media te kunnen verdringen. Het
lijkt vooral een concurrent te zijn voor gedrukte media die hoofdzakelijk
voorzien in overzichten van gegevens, zoals bijvoorbeeld program-
mabladen.
    Anders dan teletekst berust viewdata op een interactief gebruik van
communicatiesystemen. Elke aangeslotene kan afzonderlijk het data-
bestand aanroepen en is daarvoor niet - zoals bij teletekst - afhankelijk
van uitzendtijden. Omdat de omvang van het databestand geen invloed
heeft op de wachttijd kan er via viewdata veel meer informatie beschik-
baar worden gesteld dan bij teletekst. Het individuele karakter van de
verbinding tussen gebruiker en gegevensbestand maakt h e t mogelijk dat
 het gebruik van specifieke gegevens voor bepaalde gebruikers wordt
 gereserveerd. In tegenstelling tot teletekst worden er bij viewdata we1
 3'  lntomart b.v.. Etherpiraten in Nederland: serie 'Voorstudies en achtergronden mediabe-
 leid'. nr. M6. 's-Gravenhage, Staatsuitgeverij. 1982.
 38 NOS, Teletekst: de eerste reactie van de Nederlandse kijker; Hilversum, 1981.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 172 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 173 ======================================================================

<pre>kosten in rekening gebracht. Naast de kosten van het abonnement op
het systeem, wordt elke oproep van informatie afzonderlijk in rekening
gebracht.
    Door de relatief hoge kosten van viewdata en de vooralsnog beperkte
mogelijkheden voor particulieren is de belangstelling onder particulieren
gering. In Nederland, waar het systeem onder de naam Viditel is inge-
voerd, worden de gebruikers, evenals in andere landen, hoofdzakelijk nog
gerecruteerd uit het bedrijfsleven en andere instellingen39. De concur-
rentie van teletekst speelt hierbij ook een rol. lndien viewdata en tele-
tekst hetzelfde aanbieden (zoals nieuwsberichten) zal het kostenvoordeel
de voorkeur doen uitgaan naar teletekst.
    Viewdata biedt echter een aantal mogelijkheden waarin teletekst niet
kan voorzien. Wellicht zal dit systeem hierdoor in de toekomst ook voor
particulieren geeigende toepassingen verwerven. Zo maakt het twee-
richtingverkeer consumptieve handelingen mogelijk als kopen, betalen,
bestellen of reserveren. Zouden dergelijke toepassingen worden ontwik-
keld dan zal het viewdatasysteem voor particuliere gebruikers aanzienlijk
aantrekkelijker kunnen worden.
    Aangezien de videocassetterecorder nog pas in het begin van zijn ont-
wikkeling verkeert, zijn ook over het gebruik daarvan nog maar weinig
gegevens bekend. Bovendien kan men zich afvragen of het gedrag van
de huidige bezitters representatief is voor de toekomstige gebruikers en
of dit gedrag van de eerste gebruikers al enige regelmaat kan vertonen.
Het aanbod van programma's op voorbespeelde banden staat bijvoor-
beeld nog pas in de kinderschoenen, maar een belangrijkere beperking is
toch we1 dat de thans aangeboden videosystemen niet uitwisselbaar zijn.
Zolang die uniformiteit ontbreekt kan de voorzieningenstructuur voor dit
medium niet op enige schaal worden opgebouwd.
    Het grootste deel van de bezitters van video-apparatuur in de VS
speelt hoofdzakelijk opnamen van de televisie af. Voorbespeelde casset-
tes worden weinig gebruikt. Het uitwisselen van bespeelde cassettes tus-
sen videobezitters onderling komt zelden vooflo. De banden met opna-
men van televisie-uitzendingen worden vaak nog dezelfde week
afgespeeld, zodat 'time-shifting' de voornaamste toepassing van video-
apparatuur vormt. In Japan en verscheidene Europese landen zijn
overeenkomstige bevindingen opgedaan41. In Japan blijkt slechts 10%
van de afgedraaide banden in voorbespeelde vorm te zijn gekocht of
geleend, 90% is daar direct aan televisie-uitzendingen ontleend4*. In
Frankrijk werd vastgesteld dat 85% van de videobezitters hun apparatuur
uitsluitend gebruiken om tv-uitzendingen op te nemen en later af te spe-
len. Ook hier gaat het voornamelijk om time-shifting: 70% van de opge-
nomen programma's wordt na het afspelen weer uitgewist43. Het gaat
hier om circa drie programma's per week@. In de Verenigde Staten
wordt de recorder intensiever gebruikt dan in Duitsland. Daar speelt cir-
ca Ben derde van de videobezitters vijf of meer banden per week aP5. In
West-Duitsland gebruiken slechts enkelen hun apparaat meer dan
tweemaal per week46.
 39   Stuurgroep ter begeleiding van de PTT-praktijkproef met viewdata, Tweede Interimrap-
 pon; 's-Gravenhage. 1981.
 40 M.R. Levy, 'Program playback preferences in VCR households'; Journal o f Broadcasting,
 1980. 24e jaargang nr. 3, blz. 329-336.
 41 Zie bijv. voor Zweden: 0. Hulten, 'Home video - a threat to public service television?';
 EBU Review, 1980, 31e jaargang nr. 2. blz. 24-26; voor Frankrijk: J.C. Baboulin, Uses and users
 of the vcr(paper presented at the EEC conference on the Information Society); Dublin, 1981;
 voor W.-Duitsland: M . Buss, 'Videorecorder statt Verkabeling'; Media Perspectiven, 1980, nr.
  11, blz. 745-750.
 42 0. Hulten, 'Future of broadcasting - public service broadcasting in the 1980's'; Mas-
 sacommunicatie, 1980, 8e jaargang nr. 3-4, blz. 109-122.
 43 J.C. Baboulin, op. cit..
      Ibid..
 45 M.R. Levy, 'Home videorecorders: a user survey'; Journal of communication, 1980. 30e
 jaargang nr. 4, blz. 23-27.
 46 M. BUSS,op. cit., blz. 745-750.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 173 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 174 ======================================================================

<pre>     De opgenomen programma's worden in het algemeen 's avonds
 afgespeeld, op tijdstippen dat men gewend was televisie t e kijken.
 Overdag worden praktisch geen banden afgespeeld. Time-shifting leidt
 dan ook in het algemeen niet tot een uitbreiding van de kijktijd47. Hoewel
 de situatie voorstelbaar is dat personen die door hun werk niet 's avonds
 kunnen kijken en personen die overdag veel vrije tijd hebben door de
.videorecorder meer gaan kijken, blijkt nog niets daarvan u i t de tot dusver
 beschikbare gegevens. Men gebruikt de videorecorder niet om meer te
 kijken, maar om programma's te bekijken die beter aansluiten bij eigen
 voorkeur. Het gebruik van video vertoont dus grote overeenkomst met
 een situatie waarin het aantal kanalen is verruimd. Let m e n immers op
 het type uitzendingen dat wordt opgenomen dan blijkt d e keuze sterk
 overeen te komen met het soort programma's dat ook onder 'normale'
 televisiekijkers het meest populair is: speelfilms en vervolgens andere
 amusementsprogramma's~.Ondanks de toch nog aanzienlijke populari-
 teit van (lichte) informatieve tv-programma's, worden deze vrijwel niet
 op video vastgelegd. Dit hoeft geen verbazing te wekken, omdat de
 consumptiewaarde van bijvoorbeeld nieuws geheel afhangt van de
 actualiteit. Men stuit hiermee op beperkingen van de toepassing van de
 videocassetterecorder. Directe reportages, waarbij de kijker benieuwd is
 naar het verloop van gebeurtenissen, lenen zich slecht voor kopiering.
 De spanning bij dit soort uitzendingen is verdwenen zodra de afloop
 bekend is.
     Mede in verband met de hoge aanschafprijs heeft de videohandel zich
 toegelegd op verhuur naast verkoop. Hoewel het leenverkeer nog nau-
 welijks op gang is gekomen, verhuurt het grootste verhuurbedrijf in
  Nederland thans reeds gemiddeld 25 films per jaar aan ongeveer 3000
 leden49. Dit mag vrij veel heten. Begrijpelijkerwijs worden vooral voor-
 bespeelde banden aangeboden met materiaal dat niet door de omroep
 wordt uitgezonden. Momenteel neemt pornografisch materiaal hieronder
  nog een belangrijke plaats in. Het ligt in de verwachting d a t dit markt-
  aandeel zal teruglopen als het aanbod breder wordt50.
     De gevolgen van de videorecorder voor het kijkgedrag zijn niet 10s te
 zien van de ontwikkelingen in het aanbod van televisie-uitzendingen.
  Naarmate er meer alternatieven via het kabelnetwerk beschikbaar
  komen, kan de behoefte aan extra programmatuur op eigen banden gaan
  afnemen. Maar wellicht moet men niet geheel uitgaan van een al te
 direct verband tussen het een en het ander. Ondanks het feit dat er via
 de radio praktisch doorlopend popmuziek valt te beluisteren, worden er
 toch relatief veel platen of muziekbanden van dit genre verkocht en
  gedraaid. De vraag of de situatie op het gebied van geluidsdragers
  model kan staan voor de toekomstige ontwikkeling bij beeldopnamen,
  komt hierna nog uitgebreider aan de orde.
     De beeldplaat is in Nederland nog niet op de markt, in d e Verenigde
  Staten en Groot-Brittannie wel. Er zijn echter nog geen gegevens
  beschikbaar over de publieke belangstelling voor dit nieuwe medium,
  laat staan over de wijze waarop het wordt gebruikt. Elke beschouwing
  over de plaats die de beeldplaat kan gaan innemen berust daarom op
  speculatie. Ook onder (toekomstige) producenten leven hierover nog vol-
  strekt tegengestelde verwachtingenS1.
  De beeldplaat is ontwikkeld als een goedkoop alternatief van de video-
  band. De beeldplaat van Philips is bovendien door zijn lasertechniek
  ontwikkeld als een praktisch onverslijtbaar produkt. Algemeen leeft de
  verwachting dat de lage prijs een breed publiek zal aanspreken. Een
  beeldplaat zal vermoedelijk niet veel meer gaan kosten dan een gram-
  47   Ibid..
  48   Ibid..
  49   H. van Gelder, 'Van The Sound of Music tot Deep Throat'; Audio Visueel, juni 1981, nr. 5,
  blz. 34-37.
  so Ibid..
  51 F. van Lier, C. Titulaer, 'Het jaar van de beeldplaat'; Audio Visueel, 1981, nr. 5, blz. 16-19.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 174 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 175 ======================================================================

<pre>mofoonplaat. De aankoopprijs van de beeldplaat komt daarmee in de
buurt te liggen van de huurprijs van een voorbespeelde videocassette.
Het is de vraag of de extra toepassingsmogelijkheden van een videore-
corder, bijvoorbeeld om eigen opnamen te maken, hier we1 tegen opwe-
gen. Toch moet men zich afvragen of de toekomstige ontwikkeling zich
we1 vanuit dit gezichtspunt van substitutie laat beoordelen. Waar-
schijnlijk zullen de videoband en de beeldplaat op den duur beide eigen
toepassingen verwerven. De verhouding tussen radio, grammofoon en
band- of cassetterecorder laat zich in dit opzicht vergelijken met die tus-
sen televisie, video en beeldplaat. Radio, platenspeler en band- of cas-
setterecorder worden ieder op eigen wijze gebruikt. Behalve een alge-
meen (dubbel of driedubbel) bezit van radio, beschikt 89% van de
huishoudens in 1980 over een platenspeler en 67% over een band- of
cassetterecorder52. Praktisch alle recorders komen voor bij personen die
ook een platenspeler bezitten. Bovendien blijkt de aanschaf van een
band- of cassetterecorder de verdere aankoop van grammofoonplaten
niet in de weg te staan53.
    Hoewel de functies en mogelijkheden van de genoemde geluidsmedia
in hoge mate parallel lopen met die van televisie, video en beeldplaat, zal
de onderlinge verhouding toch niet geheel gelijk zijn. De videocassette is
immers veel duurder dan de muziekcassette. Ook onbespeeld is de
videoband zo duur, dat de gebruiker er niet zoveel van zal aanschaffen,
dat hij nauwelijks behoeft te wissen, zoals bij geluidsbanden. Het kopie-
ren van grammofoonplaten op de cassette, wat bij de geluidsdragers
veelvuldig voorkomt, lijkt door de hoge prijs van een videoband niet
waarschijnlijk. De functies van beide media zullen elkaar daardoor minder
sterk overlappen dan bij geluidsdragers het geval is., Mogelijk met uit-
zondering van eigen camera-opnamen zullen volgespeelde beeldbanden
in het algemeen niet worden bewaard.
Er bestaat nog weinig inzicht in de behoefte aan geprivatiseerd beeld-
materiaal, waarin de beeldplaat gaat voorzien. Bij een beschouwing over
deze behoefte kan men zich niet geheel door heersende patronen laten
leiden. Degenen die stellen dat beeldmateriaal voor ontspan-
ningsdoeleinden zich niet zoals muziek leent voor herhaaldelijk gebruik,
kunnen erop worden gewezen dat ook het herhaald beluisteren van
muziek pas ontstaan is toen geluidsopnametechnieken gemeengoed
werden. Evenals bij muziek kan de mogelijkheid van herhaalde weergave
aanleiding geven o m nieuwe genres te gaan ontwikkelen. Twijfel aan de
behoefte aan een privevoorraad bewegende beelden kan worden weer-
legd door te wijzen op de private boekenkast. De meeste ontspan-
 ningslectuur leent zich niet voor herhaald gebruik, maar nochtans vult dit
 soort lectuur het grootste deel van de boekenplank. Het bezit is bij boe-
 ken vaak een doel op zich zelf en waarom zou dit bij beeldplaten met
 klassieke films, hoogtepunten uit shows, reportages en dergelijke niet het
 geval kunnen zijn? Daarbij is het nog'geen uitgemaakte zaak dat beeld-
 platen evenals geluidsplaten hoofdzakelijk als ontspanningsmiddelen zul-
 len worden geproduceerd en gebruikt. Het is ook mogelijk dat de toepas-
 singen op het gebied van instructie, die door video niet worden gebo-
 den, de toekomstige functie van de beeldplaat gaan bepalen.
 7.2.5   Functieverschuiving
    Ter afsluiting zullen de resultaten van deze paragraaf nog eens worden
 samengevat vanuit het gezichtspunt van de verschuiving van functies
 die kan optreden ten gevolge van de te verwachten media-ontwikkelingen.
 lnzicht in dergelijke verschuivingen is immers van groot belang voor een
 samenhangend mediabeleid.
    Uitspraken over functionele samenhangen kunnen slechts onder het
 grootste voorbehoud worden gedaan. Vele factoren zijn van invloed op
 52  Gegevens ontleend aan tijdsbestedingsonderzoek 1980, uitgevoerd door lntomart b.v., in
 opdracht van 0.m. het SCP.
 53 F. van Puffelen, De thuiscopie; Amsterdam. 1980.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 175 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 176 ======================================================================

<pre>de ontwikkelingen in gebruikspatronen; niet alleen sociaal-culturele en
economische factoren bepalen het gebruik van een medium, maar ook
het overheidsbeleid is daarop van invloed. Er bestaan verschillende theo-
retische aanzetten over de veranderende relatie tussen media. Zo is er
de veronderstelling dat het aanbod en gebruik van de media steeds ver-
der zal worden gedifferentieerd: de media zouden zich steeds meer op
specifieke groepen richten ten kosten van media voor een breed publiek.
De ontwikkelingen op de tijdschriftenmarkt en bij de radio geven voor-
beelden van deze specialisatie te zien". Een tweede benadering gaat
ervan uit dat het mediagebruik grotendeels in de vrije tijd plaatsvindt en
daarin moet concurreren met andere vormen van vrijetijdsbesteding.
Veranderingen in het mediagebruik hangen daarom nauw samen met
algemene verschuivingen in de vrijetijdsbesteding. Nieuwe mogelijk-
heden zullen in het algemeen niet in de plaats komen van, maar worden
toegevoegd.aan het bestaande patroon, met als gevolg een veelzijdiger
vrijetijdsbesteding. Wel zouden vrijetijdsbestedingen waarvoor geprivati-
seerde alternatieven ontstaan worden opgegeven. Volgens deze
hypothese zou prive aan te schaffen programmatuur i n de plaats kunnen
treden van de openbaar beschikbaar gestelde. Het verloop van de con-
currentie tussen de media is natuurlijk niet uitsluitend afhankelijk van de
tijdsfactor maar ook van de economische factor. Hierop is in het vorige
hoofdstuk ingegaan. De concurrentiepositie van een medium is in deze
hypothese in laatste instantie afhankelijk van de vraag hoe efficient een
medium aansluit op dominante behoeften onder het publiek.
    Een andere benadering relativeert de veronderstelling over dominante
behoeften op het gebied van mediagebruik. De zogenaamde 'uses and
gratifications' optiek in de communicatiewetenschappen gaat er van uit
dat gebruikers een medium voor zeer uiteenlopende behoeften benut-
ten55. Aangezien verschillende media een eigen plaats hebben verworven
in het behoeftenpatroon van het publiek en hun eigen sterke en zwakke
punten hebben ligt volgens deze visie substitutie van h e t ene medium
door het andere niet voor de hand. De feitelijke ontwikkeling geeft veel
evidentie voor die stelling. De verhouding tussen gedrukte media onder-
ling, die tussen elektronische en gedrukte media of die tussen radio,en
televisie leert in het algemeen dat een nieuw medium een bestaand niet
uit de markt drukt, maar uitdaagt zich toe te leggen op zijn specifieke
eigen mogelijkheden. Jeffres meent dat het publiek ertoe neigt om
steeds datgene uit het extra aangevoerde aanbod te kiezen, wat reeds
het meest op prijs gesteld werd. Het aanbod dat daar ook maar iets van
afwijkt, wordt dan gemeden56.
    Geen van de theoretische overwegingen over ontwikkelingen in het
mediagebruik levert stellige uitspraken op over toekomstig mediage-
bruik. De inzichten belichten veelal slechts Ben aspect van de diverse
factoren die van belang lijken en zijn bovendien onvoldoende genuan-
ceerd voor prognoses over de ontwikkeling op afzonderlijke terreinen. Zo
laat de theorie over de differentiatie van media de vraag in het midden
of er op den duur massamedia zullen overblijven indien gespecialiseerde
 media steeds belangrijker worden. Ook is niet duidelijk welke functies
door nieuwe media zullen worden overgenomen en of d e bestaande
 media zich door aanpassing zullen kunnen handhaven. De theorie van de
cumulatieve groei van de vrijetijdsbesteding doet we1 uitspraken over de
overlevingskansen van bepaalde media. Deze theorie is echter minder
geschikt voor prognoses over mediagebruik onder andere omstandig-
 heden dan welvaartsgroei. De economische benadering benadrukt
 terecht het aspect van concurrentie tussen media en h e t element van
 54 A.J. van Zuilen. The life cycle of magazines; Uithoorn. 1977.
J.T. Lull e.a.. 'Audiences for contemporary radio formats'; Journal of Broadcasting, 1978,
 22e jaargang nr. 4, blz. 439-453.
 55  The uses of mass communication; onder redactie van J. Blumler e n E. Katz, Beverley Hills,
 1974.
     R.T. Wigand, 'Mass media abundance: selected developments and audiences effects in
 the United States of America'; Communications. 1979, 9e jaargang nr. 2-3, blz. 213-239.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 176 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 177 ======================================================================

<pre>schaarste in tijd en geld van de gebruiker. Deze benadering biedt echter
weinig ruimte voor een complementaire relatie tussen media.
   Ondanks al deze tekortkomingen in het theoretisch instrumentarium
biedt het in deze paragraaf weergegeven empirisch materiaal we1 enige
aanknopingspunten voor uitspraken over mogelijke verschuivingen in
functies tussen de verschillende media.
   Evenals zich in het verleden heeft voorgedaan zal het toenemend tele-
visiekijken als gevolg van meer aanbod niet alleen ten koste gaan van het
gebruik van andere media, maar ook van andere activiteiten. Voor zover
media worden verdrongen zal het gaan om radio en bepaalde typen tijd-
schriften (vooral publieksbladen), die ook in het verleden al gedeeltelijk
voor televisie zijn ingeruild. In het geval van het televisiekijken overdag
zal daarnaast ook een ander type mediagebruik kunnen worden aan-
getast, namelijk het krantenlezen. Juist de groepen die over zoveel tijd
beschikken dat ze tot de potentiele tv-kijkers overdag kunnen worden
gerekend onderscheiden zich door een zeer ruime tijdsbesteding voor de
krant. Deze tijd zal door televisie kunnen worden teruggedrongen, maar
een volledig opzeggen van de krant vanwege het televisie-aanbod is niet
te verwachten.
   Niet alleen de tijdsbesteding is van belang als het gaat om gevolgen
van nieuwe ontwikkelingen op het gebruik van media. Bela,ngrijker nog
zijn wellicht verschuivingen in de keuzen die binnen het aanbod worden
gedaan. Er is een tendens geconstateerd om van een toenemende keuze-
mogelijkheid gebruik te maken door meer populaire verstcooiing (speel-
films en ander drama, shows, quizzes e.d.) in het kijkmenu op te nemen,
en het aandeel van de minder populaire programmatypen als kunst-
programma's en zwaardere informatie terug te brengen. De geneigdheid
onder het publiek om van nieuw te introduceren kanalen gebruik te
maken, is dan ook sterk afhankelijk van de vraag in hoeverre de boven-
genoemde programmatypen deel uitmaken van het aanbod. De expres-
sieve functie, die tot nu toe aan de publieke omroep was voorbehouden,
zal voor een deel door de nieuwe mogelijkheden worden overgenomen.
   Commercieel geexploiteerde zenders met een sterke publieks-
gerichtheid zullen een belangrijk deel van de belangstelling onder het
publiek kunnen verwerven. Voor betaalde kanalen geldt hetzelfde, met de
kanttekening dat de hoogte van het inkomen een belangrijke factor kan
zijn bij de beslissing om van een dergelijk type aanbod al dan niet
gebruik te maken. Ook voor lokale of regionale uitzendingen lijkt een gro-
te potentiele belangstelling te bestaan, zeker als ze ook verstrooiende
programma's bevatten. Een slechts beperkte belangstelling is tot dusver,
gebleken voor vormen van gemeenschapsomroep, waarbij doeleinden
van samenlevingsopbouw voorop staan. Kanalen die zich uitdrukkelijk
richten op het verzorgen van educatief en cultureel hoogwaardig aanbod
staan voornamelijk in de belangstelling bij de naar inkomen en opleiding
hogere sociale lagen.
Buitenlandse kanalen die aan de programmakeuze worden toegevoegd
gebruikt men eveneens volgens het bovenstaand stramien: men kiest
een speelfilm en andere verstrooiing uit, ten einde wat meer van dit
soort aanbod in het programmapakket op te nemen.
   De mogelijkheden van de videorecorder zullen vooralsnog hoofd-
zakelijk worden benut om omroepprogramma's te bekijken op een voor
de gebruiker meer geschikt tijdstip dan dat van uitzending. Het effect
hiervan komt overeen met dat van een verruiming van het aantal kana-
len: de kijktijd neemt niet toe, maar de keuze uit het aanbod verschuift in
de richting van het meest populaire aanbod. De afhankelijkheid van het-
geen de omroepen uitzenden blijft bij deze zogenoemde time-shifting
dus bestaan; slechts de f!exibiliteit bij de consumptie wordt vergroot. Op
wat langere termijn kan hierin verandering komen indien de markt-
omstandigheden het toelaten dat er meer voorbespeelde program-
matuur tegen gunstiger voorwaarden beschikbaar komt. Zowel op voor-
bespeelde videobanden als op beeldplaten zal men dan programma's
kunnen verwerven buiten de omroepen om en hiervan eventueel een pri-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 177 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 178 ======================================================================

<pre>vecollectie aanleggen. Het gebruik van eigen programmatuur zal het
gebruik van een publieke omroep echter niet gaan verdringen. Dit is bij
de komst van grammofoonplaten en geluidsbanden m e t de radio ook
niet gebeurd. Bovendien weegt bij sommige soorten omroepaanbod de
onmiddellijke kennisname zwaar mee (nieuws, sport, talkshows, enz.),
terwijl ook het gelijktijdig met anderen kijken naar televisie-uitzendingen
een belangrijke sociale functie blijft vervullen. Video e n beeldplaat mis-
sen deze aspecten.
   Op het terrein van het expressief aanbod is het goed denkbaar dat een
grotere diversiteit van inhoudelijk sterk verschillende aanbodtypen zal
ontstaan. Dit te meer wanneer de zelf af te spelen programmering via
video of beeldplaat een grote vlucht zal nemen.
Alhoewel de verschuiving in inhoudelijke belangstelling zoals boven
omschreven als resultaat van onderzoekingen steeds terugkeert en dus
een onmiskenbare tendens vormt, is de omvang ervan veelal vrij beperkt.
In verband hiermee is er we1 op gewezen, dat de 'maximalisering van de
belangstelling' zich al grotendeels heeft voltrokken, namelijk op het
moment dat het monopolie van een televisiekanaal werd doorbroken.
   De voorkeur voor lichte verstrooiing bij ruimere keuzemogelijkheden
betekent niet dat de belangstelling voor informatie in het algemeen min-
der wordt. Er is vastgesteld dat informatie over de dagelijkse actualiteit
door verruimd media-aanbod nauwelijks aan belangstelling inboet. Ook
wanneer men de beschikking krijgt over meerdere kanalen (en daardoor
ook bijv. verschillende tijdstippen) om kennis te nemen van hetgeen zich
aan nieuws voordoet, zal men daardoor niet minder o p de hoogte raken
van kwesties die een breed publiek raken op politiek, economisch of
maatschappelijk gebied. Slechts voor bepaalde vormen van diepergra-
vende informatie, bijvoorbeeld in actualiteitenrubrieken, kan de belang-
stelling afnemen. Dat neemt natuurlijk niet weg dat verschuivingen tus-
sen op de informatieve functie gerichte media kan plaatsvinden. Toch is
de eigen aard van deze media zodanig dat maar in beperkte mate equi-
valentie optreedt. De geschreven pers leent zich veel beter dan de ether-
media tot het weergeven van abstracte gedachten en uitvoerige redene-
ringen. De sterke kant van de ethermedia is eerder h e t in wijde kring
onder de aandacht brengen van een beperkt aantal onderwerpen. Televi-
sie heeft het unieke vermogen de kijker als het ware lijfelijk t e con-
fronteren met personen en situaties in de wereld. De radio heeft op de
andere media de snelheid en flexibiliteit voor.
   De hieruit voortvloeiende verschillende positie van deze media ten
aanzien van de informatievoorziening wordt door de nieuwe media in
principe niet aangetast. lnformatieverschaffing door regionale en lokale
omroep behoeft de functie van het regionale dagblad op zichzelf niet te
bedreigen, maar zal kunnen leiden tot meer accent o p plaatselijke achter-
grondinformatie, evenals het geval was met de landelijke dagbladen
onder invloed van de landelijke televisie. De econornische positie kan
door veranderingen in de advertentiestromen natuurlijk we1 bedreigd
 raken, zoals in het vorige hoofdstuk werd betoogd.
    De informatieleverantie via teletekst kan ten opzichte van andere
 media een aanvullende functie gaan vervullen. Vooral de snelheid in
 berichtgeving zal dit medium een eigen plaats geven. Door de
 beknoptheid van de berichten zal dit systeem de kranten weinig concur-
 rentie gaan aandoen. Het aanbod van leesteksten zal evenmin de bewe-
 gende beelden van het televisiejournaal kunnen gaan vervangen. De ont-
wikkelingen ten aanzien van viewdata ten slotte zijn nog te ongewis om
enigerlei uitspraak over de invloed op andere media t e doen.
7.3 Andere gevolgen van de massamedia
 7.3.1 Zorgen
    Het zijn vooral gevolgen van de ontwikkelingen op het gebied van de
 televisie waar zorgelijke geluiden over zijn te vernemen. Dat is niet zo
</pre>

====================================================================== Einde pagina 178 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 179 ======================================================================

<pre>vreemd: in de vorige paragraaf bleek dat vooral de televisie een zeer
prominente plaats inneemt in de vrijetijdsbesteding van zeer veel Neder-
landers. De technische ontwikkelingen hebben - ook bij voorzichtige
taxatie - een aanzienlijke uitbreiding van de ontvangstmogelijkheden van
binnen- en van buitenlandse zenders tot gevolg. Video en beeldplaat
vergroten op hun beurt de keuzemogelijkheden. Deze toenemende kwan-
titeit zal - zo wordt gevreesd - niet gepaard gaan met een toenemende
kwaliteit van het aanbod. Met de Omroepwet werd beoogd een redelijke
kwaliteit te waarborgen: daarin wordt immers beoogd om de deelneming
aan het ethergebeuren tot organisaties van ideele aard te beperken en
om een 'afglijden' naar publieksgerichte programmering tegen te gaan.
Is dit binnen het bestel maar ten dele gelukt, deze doelstellingen komen
nog meer in gevaar als buiten het bestel om op ruime schaal aanbod
beschikbaar komt dat de Omroepwet nu juist binnen de perken probeert
te houden. Dit kan temeer gelden als de beschikbaar komende ruimte
gevuld gaat worden door organisaties met commerciele oogmerken. De
programmering zal dan bepaald worden door de kijkcijfers en gro-
tendeels op verstrooiing zijn gericht. Deze verschraling van het aanbod
 zou kunnen leiden tot een culturele vervlakking, zo vreest men. Het zal
 daarbij ook vaak gaan om in het buitenland vervaardigde programma's.
 De Verenigde Staten nemen een groot deel van de produktie daarvan
 voor hun rekening. Afgezien van andere kwaliteiten gaat het daarbij
 veelal om een aanbod waarin geweld een prominente plaats inneemt.
 Ook dit aspect baart sommigen de nodige zorg. Zou dergelijk aanbod
 geen gewelddadig gedrag kunnen oproepen, of op zijn minst de disposi-
 tie daartoe bevorderen?
    Met het toenemend buitenlands aanbod hangt ook een andere zorg
 samen, namelijk van bedreiging van het 'eigene' van onze cultuur door
 een internationalisering van de orientaties. Elders vervaardigde program-
 ma's weerspiegelen immers de cultuur van het land van herkomst.
 Bedreiging van de nationale identiteit van ons land zou - zo wordt
 eveneens we1 gevreesd - ook uit gaan van de schaalverkleining die
 - naast de gesignaleerde schaalvergroting - met de toenemende tech-
 nische mogelijkheden gepaard gaat. De opkomst van regionale en lokale
 omroep, de toenemende mogelijkheid van het individu om eigen
 voorkeuren te volgen zou volgens sommigen in een culturele frag-
 mentarisering kunnen resulteren, waarbij ieder zich als het ware in de
 eigen cultuur opsluit. De integrerende functie die het nationale
 omroepstelsel vervult zou daardoor - zo meent men - bedreigd kunnen
 worden.
    Bezorgdheid over de maatschappelijke gevolgen van voor de mas-
 samedia belangrijke technische veranderingen is niet nieuw. Ook de
 opkomst en verbreiding van vooral bioscoop, radio en televisie is door
 velen met uitermate pessimistische verwachtingen begeleid. De
 beschouwingen hadden veelal betrekking op het fenomeen 'massacul-
 tuur'. Men zag in de opkomst van een steeds massalere, industriele pro-
 duktie van informatie en amusement een groot gevaar, niet alleen voor
 de 'echte' of 'hogere' cultuur, maar ook voor de volkscultuur57. Belangrijk
 hierbij waren theorieen als die van Ortega Y Gasset, Oswald Spengler,
 Burckhardt en bij ons Huizinga die vanaf het begin van deze eeuw
 opgang maakten. Vooral het idee kreeg aandacht van het 'atomiseren'
 van de maatschappij, de toenemende vervreemding en massificatie die
 de moderne mens steeds bevattelijker zouden maken voor massaal
 gedrag en be'invloeding58. In Nederland heeft afkeer van industrieel
 verspreide uitingen een belangrijke rol gespeeld bij het verzuilingsproces
'5   L.J. Heinsrnan/Nederlandse Ornroep Stichting, D e kulturele betekenis van d e instroom
 van buitenlandse televisieprogramrna's in Nederland; serie 'Voorstudies en achtergronden
 mediabeleid', nr. M3, 's-Gravenhage. Staatsuitgeverij, 1982, blz. 44.
 58 W . P . KnulstlSociaal en Cultureel Planbureau, Mediabeleid e n cultuurbeleid; €en studie
 over d e samenhang tussen d e t w e e beleidsvelden; serie 'Voorstudies en achtergronden
 mediabeleid', nr. M10, 's-Gravenhage, Staatsuitgeverij. 1982, blz. 72-78.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 179 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 180 ======================================================================

<pre>op het gebied van amusementscultuur, tussen 1900 e n 1960. De levens-
beschouwelijke en politieke organisaties streefden naar een eigen iden-
titeit, mede als pantser tegen deze massacultuur van d e industriele
samenleving59. Aangezien de bevolking we1 via deze instellingen ver-
trouwd werd gemaakt met nieuwe fenomenen op mediagebied, is de
verzuiling voor wat betreft dit aspect ook we1 getypeerd als een 'geleide
modernisering van de vrije t i j d ~ c u l t u u r ' Dat    ~ ~ . boek, tijdschrift en krant
minder dan radio en televisie door negatieve oordelen werden getroffen,
heeft t e maken met de functie die ze van oudsher vervulden. Habermas
schrijft over het einde van de 18e eeuw waarin krant, tijdschrift en boek
de gemeenschappelijke dragers waren van de discussie tussen verlichte
burgers6'.
     De vrij algemene bezorgdheid die de opkomst van m e t name radio en
televisie begeleidde, heeft vooral in Amerika uitwerking gekregen in
onderzoek naar concrete effecten. Het oorspronkelijke uitgangspunt van
dit onderzoek was - overeenkomstig de heersende verwachtingen -
 een model waarin de be'invloeding door de media vergeleken werd met
een onderhuidse injectienaald, een model van oppermachtige, be'in-
vloedende massamedia. Het onderzoek had aanvankelijk vooral betrek-
king op de invloed van concrete media-inhouden op opinies, houdingen
en gedrag op de korte termijn. Later verschoof de aandacht meer naar
de sociaal-culturele gevolgen van de media - vooral d e televisie - op
langere termijn. Daarbij ging het ook niet meer zozeer o m d e effecten
van concrete boodschappen, maar om die van meer algemene ken-
 merken van de programmering, zoals daarin vervatte waarden en nor-
 men, selectie van onderwerpen en dergelijke. Ook kreeg de functie van
 de media als zodanig aandacht. Deze meer recente probleemstellingen
zijn echter moeilijk toegankelijk gebleken voor onderzoek. Vergelijkingen
 met situaties waarin bijvoorbeeld televisie ontbreekt zijn gezien de alom-
tegenwoordigheid van dat medium niet te realiseren. Van het complex
 van elkaar op langere termijn be'invloedende technische, economische,
 sociale en culturele processen kan Ben factor bovendien niet of nau-
welijks worden losgemaakt o m onderzocht t e worden o p de afzonderlijke
 effecten. De afzonderlijke bijdrage van de media aan d e demo-
 cratiseringsgolf vanaf de zestiger jaren bijvoorbeeld is niet aan te geven.
 Beweringen over de al dan niet grote, al dan niet goede invloed van
 massamedia of van eigenschappen daarvan kunnen d a n ook onvoldoen-
 de worden gestaafd of ontzenuwd62.
     Dit wil niet zeggen dat een halve eeuw massacommunicatie-onderzoek
 geen belangrijke inzichten heeft opgeleverd. Veel van het onderzoek is
 gewijd geweest aan dezelfde soort zorgen als ook bestaan i n de huidige
 fase van de media-ontwikkeling. Dat geldt natuurlijk n i e t over de hele
 linie. Is in het verleden nogal wat onderzoek gewijd geweest aan de rela-
 tie tussen media en sex, als gevolg van de liberalisering - waar de
 media ook een rol in hebben gespeeld - krijgt dit onderwerp thans nog
 nauwelijks aandacht. In de argumenten contra de televisiepiraten heeft
 hun bemoeienis met pornografie als zodanig nauwelijks een rol gespeeld.
 In plaats van de erotiserende bijdrage is het nu veel meer d e eventuele
 uit de voorstelling blijkende discriminatie van de vrouw die bezorgdheid
 oproept. Maar, zoals gezegd, de vrijheden die de reguliere omroep zich
 in vergelijking met vroeger ten aanzien van sexualiteit veroorloven, staan
 niet meer ter discussie. Voor onderwerpen zoals culturele vervlakking,
 manipulatie en geweld is de aandacht echter gelijk gebleven en hieraan
 zal hieronder dan ook aandacht worden besteed.
     Bij dit alles moeten nog twee kanttekeningen worden geplaatst. In de
  59  Ibid., blz. 72.
  60  W.P. Knulst. ' ~ e r m a n e nverheffen
                                    ,         en verdelen'; Tien jaar onrwikkeling van het toneel
   1970-1980,Amsterdam. 1980.
      J. Habermas, Strukturwandel der ~ffentlichkeit;Neuwied/Berlin. Luchterhand. 1969, blz.
  33-34.
  62  L.J. Heinsrnan/NOS, op. cit.. blz. 40.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 180 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 181 ======================================================================

<pre>aandacht die in het massacommunicatie-onderzoek aan de bedoelde en
onbedoelde gevolgen van de massamedia is besteed, zijn mogelijk posi-
tieve aspecten verhoudingsgewijs onderbelicht gebleven. Dat is gezien
het voorgaande, en ook vanwege schokkende ervaringen met misbruik
van de media, zeker niet onbegrijpelijk. Deze eenzijdigheid in de onder-
zoeksaandacht, die overigens de laatste tijd vermindert, moet echter bij
de oordeelsvorming over in het geding zijnde beleidskeuzen worden ver-
meden. Veel theorieen en onderzoekingen hebben bovendien betrekking
op kenmerken van de massamedia die van algemener of juist beperkter
strekking zijn dan waar de besluitvorming zich op moet richten. De bruik-
baarheid van dergelijke inzichten is daarom geringer dan men zich wel-
licht zou wensen.
7.3.2    Theorie en onderzoek
    De ontwikkeling van de theorievorming en het onderzoek op het
gebied van de massacommunicatie geeft een geleidelijke ontzenuwing te.
zien van de veronderstelling dat de ontvangende partij een massa zou
zijn". Begrippen als massamedia en massacommunicatie zijn dan ook
eigenlijk minder gelukkig. De 'ontdekking' van de luisteraarlkijker als een
in sociale verbanden levend individu met eigen doelen en strategieen
nam overigens de nodige tijd in beslag. Het 'injectienaaldmodel', dat
hiervoor al ter sprake kwam, heeft lang stand gehouden en heeft ook nu
nog aanhang.
'Die ontzaglijke macht, de publieke opinie van deze natie, wordt gemaakt
en gevormd door een horde onwetende, zelfgenoegzame sullen, die
mislukt waren bij het sloten graven en schoenen lappen en toen op weg
naar het armenhuis in de journalistiek verzeild raakten' zegt Samuel
Clemens in een van Mark Twain's speeches uit 1873. Ook later, wanneer
de moderne media opkomen, wordt deze een grote invloed op de publie-
ke opinie toegeschreven. Dat gebeurde toen de drukpers in staat raakte
om de moderne kranten met hun grote oplagen te produceren, dat
gebeurde ook met de nieuwere media film en radio in de eerste helft van
de 20e eeuw en met televisie in de tweede helft van deze eeuw en het
gebeurt ook thans nog bij allerlei ontwikkelingen met Betrekking tot kabel
en satelliettelevisie. Deze 'almacht van de media1-theorieveronderstelde
een grote invloed van de zenders op de ontvanger, een een-
richtingsverkeer dus. Er werd een direct verband gelegd tussen de
inhoud van de boodschap en de invloed op de ontvangers. Deze werden
geacht de invloeden passief te ondergaan: het beeld was dat van de
massamens, waarbij de massa werd gezien als som van ge'isoleerde
enkelingen.
    Aanvankelijk werd dit model zo vanzelfsprekend geacht dat er nau-
welijks onderzoek naar werd verricht. Toen dit eenmaal op gang was
gekomen moesten er op grond van de resultaten al snel modificaties in
de uitgangspunten worden aangebracht. Er werden intermedierende fac-
toren gevonden in verschillende selectieprocessen bij het individu en de
invloed van interpersoonlijke verhoudingen in de overreding werd bena-
drukt. De veronderstelling van een direct verband tussen zender en ont-
vanger maakte plaats voor de opvatting dat er sprake zou zijn van twee
stappen. De verwerking van de boodschap zou vooral afhangen van opi-
nieleiders in de omgeving van het individu. Terwijl de onderwerpen van
 onderzoek en de wijze waarop men onderzocht nauwelijks veranderden,
 vond een steeds verdergaande wijziging van de be'invloedingsthese
 plaats. In de in 1960 verschenen studie van Klapper wordt de balans van
 dit type onderzoek opgemaakt64. Het injectienaaldmodel wordt nogal
 gerelativeerd: in plaats van mensen sterk te bei'nvloeden en attitudes te
 63  De hiernavolgende informatie over theorie en onderzoek op het gebied van de mas-
 sacommunicatie is in belangrijke mate ontleend aan de onder (1) genoemde studie van J.G
 Stappers e.a..
e4 J. Klapper, The effects of Mass Communication; New York, 1960.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 181 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 182 ======================================================================

<pre>wijzigen, blijken de boodschappen van de media vooral bij te dragen tot
een versterking van bestaande houdingen; om aan te slaan moet een
zekere ontvankelijkheid voor de boodschap bestaan. Er is geen sprake
van een te isoleren invloed; deze vindt juist plaats temidden en door een
veelheid van andere factoren. Deze conclusies hebben t o t vandaag toe
hun invloed behouden.
    De aandacht verschoof daarna aanvankelijk steeds meer naar de ont-
vanger. De vraag die daarbij gesteld werd was niet 'wat doen de media
met de mensen', maar 'wat doen de mensen met de media'. Boodschap-
pen blijven zonder invloed als een individu er geen 'gebruik' voor heeft in
zijn psychologische en sociale context; hij modeileert w a t
hij hoort en ziet naar zijn waarden, beloningen en sociale rollen65. Wordt
bij deze zogenaamde uses and gratifications benadering nog uitgegaan
van eenrichtingsverkeer in de relatie, bij andere gaat m e n meer uit van
tweezijdigheid, van de mogelijkheid van wederzijdse bei'nvloeding. De
onderzoeksresultaten - zo stelt Bauer in 1964 - wijzen eerder in de rich-
ting van een 'transactiemodel': de relatie tussen zender en ontvanger is
er een van een transactie waarin beide partijen verwachten ongeveer
billijke waar voor hun 'geld' te krijgen6C Zo'n benadering is volledig
tegengesteld aan het injectienaaldmodel, waarin de mogelijkheid van uit-
buiting, van manifeste of verborgen manipulatie, het uitgangspunt vormt.
    Een nog verdere relativering hiervan vond plaats door theorieen die
aandacht besteden aan de veelheid van communicatieprocessen die in
de samenleving plaatsvinden. Zo wordt door Brouwer massacom-
municatie vergeleken met een zwamvlok. De zwamvlok is het geheel van
dunne draden dat onder de grond zit, en waarvan de paddestoelen de
bovengrondse en bijgevolg in het oog lopende uitlopers zijn. De informele
massacommunicatie is het eigenlijke fenomeen en de media zijn slechts
de gespecialiseerde organene7.
   'De neiging bestaat soms om nu maar te zeggen dat d e media geen
 invloed hebben. Want, zo gaat dan de redenering, de wetenschap heeft
bewezen dat de massamedia maar een beperkt aandeel hebben in het
geheel van tussenmenselijke communicatie. Het publiek is niet passief en
willoos maar selecteert zelf actief en vertrouwt meer o p persoonlijke
contacten dan op mediaboodschappen. Het publiek oefent zelf ook
invloed uit op de zender. Deze conclusie van onmacht van de media kan
echter niet getrokken worden. leder van de gereleveerde theorieen heeft
tot nuancering van de vroegere almachtthese bijgedragen en nieuwe ele-
menten ingebracht. Maar daarmee is nog geen duidelijkheid ontstaan
over de rol van de verschillende participanten aan het c o m -
municatieproces. Een transactierelatie tussen zender en ontvanger impli-
ceert immers nog geen gelijkwaardigheid en de 'ontdekking' van andere,
informele communicatiepatronen naast die via de massamedia zegt nog
niets over hun onderlinge verhouding. Hoewel alle hierboven aangestipte
benaderingen nog steeds in het media-onderzoek zijn terug t e vinden,
zijn er sinds de jaren zestig ook theorieen ontwikkeld die zijn te typeren
 als een 'return t o the concept of powerful mass media'68. Het gaat hierbij
 niet om een terugkeer naar het simpele almachtdenken van weleer, maar
om een genuanceerder en omvattender benadering. Genuanceerder
 omdat veel onderzoek zich heeft toegespitst op'bepaalde kenmerken en
eigenschappen van de media in plaats van zoals vroeger op de concrete
 boodschap, en omdat er voorwaarden werden geformuleerd waarbinnen
de media bepaalde gevolgen kunnen hebben; omvattender omdat de
 media binnen deze opvattingen worden bezien in hun maatschappelijke
 samenhang.
 65   E. Katz. 'Effecten van massamedia   - enkele concepten'; Communicatie. 1978.8e jaargang
 nr. 2, blz. 3 en 4.
 68
      R.A. Bauer. 'The obstinate audience'; American Psychologist, 1964. 19e jaargang nr. 5, blz.
 319.
 67
      M. Brouwer, 'Prologornena to a theory of mass communication': in: Communication, Con-
 cepts and Perspectives; onder redactie van L. ThByes. Washington, 1967, blz. 230-231.
 "    L.J. HeinsmanINOS, op. cit.. blz. 42.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 182 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 183 ======================================================================

<pre>    McLuhan kan beschouwd worden als Ben der voorlopers van deze
recente stromingen. Hij zoekt het effect van de media niet in de bood-
schappen, of breder, in de inhoud. maar in de technologische betekenis
van het medium zelf en de denk- en gedragsstructuren die het de men-
sen oplegt: 'the medium is the message'. De media zijn vooral te zien als
'extensions of man'. leder medium plaatst ons op een nieuwe manier in
de wereld en verandert mens en samenleving in een richting die bepaald
wordt door de aard van het medium, niet door datgene waarvoor het
medium gebruikt wordt, niet door de inhoud. Wat we van de gevolgen
waarnemen is sterk bepaald door cultuur en sociale controle. We lopen
volgens McLuhan achteruit de toekomst in, zodat de grote veranderin-
gen ons we1 moeten ontgaan. Het medium is ook de massage, ze kneden
en vormen ons. In deze zienswijze is niet de vraag van belang of de
inhoud van bijvoorbeeld buitenlandse programma's onze nationale iden-
titeit bedreigt. Door de nieuwe media - aldus McLuhan - is de hele
wereld juist tot een groot dorp geworden: een 'global village'. Evenmin is
interessant of de programma's leiden tot gewelddadigheid; van veel
meer belang is dat er geweldsvormen zijn ontstaan die zich van radio of
televisie bedienen.
    Veel van de beschouwingen van McLuhan onttrekken zich aan empi-
risch onderzoek. Toch hebben ze de aandacht gevestigd op een lacune
in de massacommunicatiewetenschap, namelijk de betekenis van de
media als zodanig.
    Vanuit een ander perspectief is dit ook de bijdrage van de theorieen
die zijn samen te vatten onder de noemer 'culturele-
indicatorenstroming'. Deze leggen de nadruk op de socialiserende rol
van vooral de televisie. Dat laatste is geen toeval. Gerbner, de geestelijke
vader van deze stroming, schrijft: 'we cannot isolate television from the
 mainstream of modern culture because it is the mainstream'eg. Televisie
 is dus niet zo maar een nieuw medium, maar staat centraal in de cultuur,
 in het totale symbolen- en waardensysteem. Het is de culturele arm van
 de gevestigde, industriele orde en dient eerder om te stabiliseren en te
 versterken dan om te veranderen en conventionele concepten aan te
 tasten. Televisie draagt bij aan het definieren, ordenen en interpreteren
 van de werkelijkheid. Het gaat om het impliciete functioneren van de
 aangeboden boodschappensystemen. Er is sprake van een 'hidden cur-
 riculum', een 'lesson plan that no one teaches but everyone learns. It
 consists of the symbolic contours of the social order'70. Juist omdat de
 televisie de dominante tendenzen van de cultuur weerspiegelt, kan de
 aanwijsbare onafhankelijke bijdrage ervan slechts relatief klein zijn. Het
 kernpunt van Gerbner's theorie is diens filosofie over 'story-telling'. Cull
 tuur wordt overgedragen door middel van 'stories': daarin liggen de ant-
 woorden op de fundamentele levensvragen vervat. De televisie is de uni-
 versele, rituele 'story-teller' uit oude tijden, gestoken in een modern jasje
 en met iedereen aan haar voeten.
     In tegenstelling tot McLuhan's theorie krijgt de empirische toetsing
 van deze theorie veel aandacht. Gezien de nadruk op lange termijneffec-
 ten is het onderzoek longitudinaal opgezet: Gerbner's onderzoek loopt al
 vanaf 1967. Het betreft een drietal gebieden: een analyse van de bij tele-
 visie betrokken instituties en besluitvormingsprocessen, van de structuur
 en inhoud van het aanbod, en van de invloed op cultivering van opvat-
 tingen. De institutionele analyse is het minst uitgewerkt. ,De resultaten
 van de inhoudsanalyse tonen dat de symbolische wereld van de televisie
 in de Verenigde Staten door de jaren heen een constante vertekening in
 de verwachte richting vertoont. De door de televisie overgedragen
 wereld is er een die bijvoorbeeld gedomineerd wordt door succesrijke
 69   G. Gerbner, 'Television's influence on values and behaviour'; Mabsacommunicatie, 1979.
 7e jaargang nr. 6, blz. 218.
 70 G,Gerbner. 'Teacher image in mass culture: symbolic functions of the 'hidden cur-
 riculum"; in: Gerbner e.a., Communications technology and social policy; understanding the
 n e w 'cultural revolution'; New York. 1973, blz. 269-270.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 183 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 184 ======================================================================

<pre>mannen op de hogere sporten van het maatschappelijk leven, waar de
traditionele rolverdeling tussen man en vrouw bestaat,'en die door
geweld wordt gedomineerd. Uit de cultiveringsanalyse bleek dat het
wereldbeeld van 'zware' kijkers gewelddadiger is dan van 'lichte' kijkers.
Over de interpretatie van deze en dergelijke bevindingen bestaat echter
geen eenstemmigheid. Het vraagstuk van de causaliteit kon niet defini-
tief worden beantwoord, bovendien bleef onduidelijk in hoeverre de
resultaten ook buiten de Verenigde Staten geldigheid bezitten. Er is
internationaal vergelijkend onderzoek naar deze vraag i n gang gezet,
waaronder ook in Nederland, maar daar zijn nog geen definitieve resul-
taten van bekend. Wel is al gebleken dat het Nederlandse televisie-
aanbod minder gewelddadig is dan het Amerikaanse".
   Een derde stroming waarin de media weer meer invloed wordt toege-
kend, staat bekend als de 'agendasetting'theorie. De media zijn welis-
waar niet in staat om ontvangers een bepaalde opinie o p te dringen,
maar we1 om de onderwerpen te bepalen waarover de ontvangers zich
een opinie vormen. Het publiek kan onmogelijk persoonlijk kennis nemen
van alle gebeurtenissen die zich in de wereld afspelen; d e media maken
daaruit een selectie en brengen op die manier de wereld bij de mensen
thuis: de media creeren als het ware een nieuwe realiteit. Exacter
geformuleerd houdt de hypothese in dat het publiek geen andere keus
heeft dan de media in hun selectie te volgen.
   De idee van agenda-setting heeft veel weerklank gevonden bij onder-
zoekers en dan vooral met betrekking tot politieke aangelegenheden.
Ook politiek is het een zeer relevante theorie: bevestiging zou een
aansporing te meer vormen om verscheidenheid te waarborgen. Het
empirisch onderzoek bleek de zo vanzelfsprekend lijkende veronderstel-
ling echter lang niet altijd te bevestigen. Sommige bevindingen wezen
eerder op het tegendeel, namelijk dat het publiek de media-agenda zou
bepalen. Ook de empirische status van deze theorie is al met al dus
onduidelijk. Waarschijnlijk geldt hier wat ook voor de vroege massacom-
 municatietheorie gold: de hypothese is te grof. Er zal onderscheid moe-
ten worden gemaakt tussen niet alleen publieksgroepen, maar ook tus-
sen soorten media: de pers heeft andere eigenschappen en mogelijk-
 heden dan radio of televisie. Ook de mogelijkheid van wisselwerking tus-
sen deze media en het publiek moet worden onderkend.
   Ook de knowledge-gap theorieen gaan uit van een aanzienlijke invloed
van de media. De veronderstelling is dat niet iedereen gelijkelijk profi-
teert van meer informatie via de massamedia. Factoren als reeds aan-
wezige kennis, communicatieve vaardigheden, relevant sociaal contact
zouden van belang zijn voor de capaciteit voor kennisvermeerdering. De
cumulatie van deze factoren zou bijdragen tot een steeds toenemende
 kenniskloof.
 Evenals bij eerderbesproken onderwerpen is langzamerhand duidelijk
 geworden dat het om een complexer vraagstuk gaat d a n aanvankelijk
 werd gedacht. Sociaal-economische positie of opleiding vormt slechts
 Ben aspect; het gaat evenzeer om de mate waarin en d e wijze waarop
 men ge'interesseerd is in bepaalde zaken, hoe men gemotiveerd is daar-
 over informatie te verkrijgen, en hoe bruikbaar die informatie is voor de
 persoon. De invloed van televisie, radio, tijdschrift en krant op kennis-
 vermeerdering kan ook niet over Ben kam worden geschoren. Ook zal de
 aard van de kennis die door deze media wordt overgedragen niet
 identiek zijn. In hoeverre televisie een bijdrage aan het verminderen van
 verschillen in kennis kan leveren is nog onduidelijk. Wel wordt televisie
 door de beter-ge'informeerden voor politieke aangelegenheden het
 meest effectief gebruikt.
    Er is tenslotte in dit verband ook een al oudere theoretische stroming
 die vanaf het eind van de jaren zestig weer veel aandacht heeft gekregen
 en die vooral de nadruk legt op de ideologische effecten. Met betrekking
 tot de maatschappelijke functies van de media wordt tegenover de
     L.J. Heinsman/NOS, op. cit., blz. 52.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 184 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 185 ======================================================================

<pre>'afspiegelingsfunctie' de 'manipulatiefunctie' geplaatst. Bij de eerste gaat
het om de opvatting dat de massamedia in de Westerse democratieen
de spiegel vormen van het gehele maatschappelijke leven; maatschap-
pelijke groeperingen hebben in beginsel een gelijke toegang tot de media
en daardoor kunnen deze borg staan voor het bevredigen van de
informatieve en recreatieve behoefte van elke burger. De massacom-
municatoren dienen objectieve nieuwsgaring na te streven en zoveel
mogelijk rekening te houden met de onderscheiden behoeften en opvat-
tingen van hun publiek. Hiertegenover stellen de kritische theoretici de
manipulatiefunctie. De praktijk leert dat de massamedia niet autonoom
zijn in hun dienstverlening maar in dienst staan van bepaalde maat-
schappelijke groeperingen die belang hebben bij controle van het media-
publiek. Het ideaal van de afspiegeling wordt geblokkeerd: niet elke bur-
ger heeft gelijke kansen tot deelname aan de openbaarheid. Integendeel,
de openbaarheid wordt gebruikt als hulpmiddel om het bewustzijn van
hele bevolkingsgroepen onder controle te houden72.
   Enzensberger wijst in dit verband op de industrialiseringstendensen. Er
heeft zich een industrieel complex ontwikkeld dat zich bezighoudt met
de produktie van bewustzijnsinhouden: opvattingen, (voor)oordelen,
nieuws, vermaak, en dergelijke. Deze bewustzijnsindustrie zoekt
- evenals elke industrie - een zo groot mogelijke afzet die gevonden
wordt in het gemakkelijk verteerbare, de grootste gemene deler, de pro-
dukten die een vlucht uit de werkelijkheid mogelijk maken. Op deze wijze
wordt bezinning op de eigen situatie tegengegaan en wordt bijgedragen
aan de handhaving van de status quo. Niet de behoeften van het publiek
staan voorop, maar de belangen van het industrieel complex73. Nieuwe
media, zoals de video, kunnen dit systeem doorbreken, en leiden tot
'tegenopenbaarheid', een emanciperend gebruik van de media74.
   Ook de empirische onderbouwing van deze theorie is zwak. Het onder-
zoek heeft vooral geprobeerd de ideologische vertekening van het aan-
bod aan te tonen. De resultaten van inhoudsanalyses van het Amerikaan-
se tv-aanbod wijzen in dezelfde richting als waar het eerdergenoemde
onderzoek van Gerbner toe leidde. In de theorie wordt accent gelegd op
de negatieve invloeden van het aanbod van de media op het publiek.
Maar juist hierover ontbreekt onderzoek. lets anders is dat de maat-
schappelijke functie van de theorie zelf - conform ook de doelstelling -
 tot op zekere hoogte een empirische bevestiging ervan heeft opgeroe-
pen. Er heeft zich ook in Nederland op kleine schaal een 'tegenopenbaar-
heid' ontwikkeld, waarbij maatschappelijke bewegingen zoals krakers en
etnische minderheden gebruik maken van illegale omroepmogelijkheden.
    Na deze bespreking van de algemene ontwikkeling in theorievorming
en onderzoek op het gebied van de massa-communicatie, zal nu afzon-
derlijk worden ingegaan op een drietal thema's die in de discussie over
de gevolgen van de ontwikkelingen ten aanzien van de massa-media een
belangrijke rol spelen.
7.3.3 Geweld
    De toenemende kijkmogelijkheden worden - zo bleek in paragraaf
7.2 - vooral gebruikt om verstrooiende programma's te zien. Dit geldt
zowel ten aanzien van het grotere binnenlandse aanbod als van het toe-
genomen aantal buitenlandse zenders dat men in Nederland via ether of
kabel kan ontvangen.
Bij de ontwikkeling van de satellietomroep, een eventueel daarmee con-
currerende landelijke etheromroep, een eventueel landelijk aanvoernet en
72
     T . Koole. J. Oorburg, W: Wartena, Lokale televisie in Deventer; een exptriment-
begeleidend onderzoek; Groningen. Rijksuniversiteit. 1976, blz. 13.
73 H.M. Enzensberger. Einzelheiten 1; 1962. Frankfurt, (hoofdstuk: Bewusstseins-industrie).
74
     H.M. Enzensberger. 'Bouwdoos voor de theorie van de massamedia'; Katernen 2000, 1970,
nr. 5.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 185 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 186 ======================================================================

<pre>verdere penetratie van video-recorder en beeldplaat zal het accent op
verstrooiing nog toenemen. In deze programmacategorie neemt het
geweld een belangrijke plaats in, vooral ook in het aanbod van Ameri-
kaanse herkomst, dat een belangrijk aandeel vormt van de import van
alle Europese landen75. In dergelijke Amerikaanse films en series is
doorgaans sprake van meer en openlijker geweldssituaties dan in ver-
gelijkbare Europese p r ~ d u k t e n Ook      ~ ~ . uit hierboven aangehaald onder-
zoek van Gerbner bleek geweld in de wereld die door d e Amerikaanse
televisie wordt overgedragen een belangrijke plaats in t e nemen. Deze
ontwikkelingen baren sommigen de nodige zorg: zou dergelijk aanbod
geen stimulans vormen voor geweldsuitingen?
    Naar de relatie tussen media en geweld is veel onderzoek gedaan77.
Vooral de directe, op korte termijn aantoonbare effecten kregen veel
aandacht. Uiteenlopende theorieen speelden daarbij een rol. Zo is
bijvoorbeeld verondersteld dat opgekropte agressie dankzij gewelddadig
media-aanbod op onschadelijke wijze kan worden afgereageerd. De
bewijzen voor zo'n 'katharsische' werking zijn echter o p zijn best mager
te noemen. Hiertegenover staat de theorie die veronderstelt dat agres-
sief media-aanbod bij ontvangers tot verhoogde agressiviteit leidt.
Agressief aanbod blijkt echter geen voldoende voorwaarde voor agres-
sief gedrag; er moet al een neiging tot gewelddadigheid bestaan. Onder
bepaalde omstandigheden kan het zien van filmgeweld leiden tot agres-
sief gedrag. Dan moeten interne en externe barrieres tegen het uiten van
agressie we1 afwezig of nihil zijn.
    Echter, als een enkel programma of een enkele film al een effect heeft
op agressief gedrag, dan is dat waarschijnlijk van korte duur. Langdurig
en herhaald aanbod van agressieve beelden zou daarentegen een cumu-
latief effect kunnen hebben en houdingen en gedrag wellicht meer duur-
zaam be'invloeden. Dit verschijnsel van het steeds opnieuw gecon-
fronteerd worden met hetzelfde, tamelijk gewelddadige aanbod, krijgt in
modern onderzoek meer aandacht. Zoals hierboven al is vermeld bleek
uit onderzoek in de Verenigde Staten dat het mens- en maatschap-
pijbeeld van personen die vaak naar de televisie kijken gewelddadiger is
dan van degenen die weinig kijken. Als dat inderdaad - wat omstreden
is - een gevolg is van het langdurig blootstaan aan gewelddadig media-
aanbod, is de geldigheid van deze relatie buiten de Verenigde Staten
nog onduidelijk. Australisch onderzoek lijkt de Amerikaanse bevindingen
te bevestigen, onderzoek in Engel'and, waar het televisie-aanbod overi-
gens ook minder gewelddadig is, daarentegen niet78. Van vergelijkbaar
Nederlands onderzoek, dat thans door het lnstituut voor Massacom-
municatie van de Universiteit van Nijmegen wordt verricht, zijn - zoals
gezegd - nog geen resultaten bekend.
    Merkwaardig genoeg ontbreekt recent onderzoek naar de invloed van
andere media dan de televisie op geweld, terwijl ook i n die media geweld
een belangrijke rol speelt.
Volgens Halloran is er dikwijls sprake van een grove versimpeling wan-
 neer het gaat om de relatie media-geweld79. De grote aandacht voor
deze relatie wijst erop dat de massamedia de rol van zondebok vervullen.
 Er zijn vele andere bronnen van geweld dan de media, en er zijn meer
 soorten geweld dan in het onderzoek aan de orde komt. Het mediage-
weld lijkt hem eerder een symptoom dan een oorzaak van het maat-
 schappelijke geweld. Frustratie is volgens hem een ideale voedings-
 bodem voor geweld. Een waardevolle vraag is dan ook eerder wat de
 media bijdragen aan frustraties binnen de samenleving en daardoor aan
 agressie en geweld. Als voorbeeld noemt hij de reclame, die mogelijk
 75  L.J. Heinsman/NOS, op. cit.. blz. 15.
 76  Ibid., blz. 52.
 77  J.G. Stappers e.a., op. cit.. blz. 7-1 1.
 78 L.J. Heinsman/NOS, op. cit.. blz. 49 en 51.
 79 J.D. Halloran. 'Mass communication: symptom or cause of violence?': International Social
 Science Journal. 1978. nr. 4, blz. 816-833.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 186 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 187 ======================================================================

<pre>frustraties wekt bij grote delen van de bevolking doordat de als bege-
renswaardig aangeprezen zaken voor het merendeel buiten hun bereik
zullen blijven.
    Ook voor deze veronderstelling ontbreekt echter empirische bevesti-
ging. Het illustreert dat bij gebrek aan duidelijke aanwijzingen voor een
oorzakelijk verband tussen media en maatschappelijk geweld voorlopig
nog alle ruimte bestaat voor veelsoortige theoretische bespiegelingen.
Belangrijker is echter dat het niet kunnen vaststellen van een sterke rela-
tie tussen media en geweld er tegelijk op wijst dat de mediaconsument
weerbaarder is ten opzichte van het gebodene dan door de onderzoekers
die uitgingen van het stimulus-response model, werd verondersteld.
Deze conclusie is daarom van belang omdat - zoals Halloran ook
stelt - geweld een hoge handelswaarde heeft: het boeit de kijkers en in
de media wordt daarvan gretig gebruik gemaakt.
    Er kan ook een geheel ander verband worden gelegd tussen media en
geweld. Bij sommige vormen van gewelddadigheid, zoals gijzelingen,
bepaalde demonstratieve acties, wordt doelbewust gebruik gemaakt van
de informatieve mogelijkheden van met name de televisie. Het gaat dan
 om het verwerven van bekendheid en bei'nvloeden van de publieke opi-
 nie. Deze functie van de televisie kan ook gebruikt worden om de autori-
teiten onder druk te zetten. In een recent verschenen studie van de
 Rijksuniversiteit te Leiden wordt uitvoerig op de beleidsproblemen die
zijn verbonden aan de relatie tussen terroristen, media, overheid en
 publiek ingegaaneo.
 7.3.4    Nationale identiteit
    Voor zover sprake is van een Nederlandse culturele identiteit, kan men
 deze van twee kanten bedreigd achten, namelijk door internationalisering
 enerzijds en door fragmentarisering anderzijds.
    Uit cijfers van de NOS-afdeling kijk- en luisteronderzoek blijkt dat het
 tijdsaandeel van ge'importeerde programma's in het l e en 2e kwartaal
 van 1981 respectievelijk 23% en 27% was. Dit aandeel was vooral groot in
 de categorie drama (tv-spelen, tv-series, films): 84% en 82%. Ge'impor-
 teerd drama neemt meer dan de helft van de tijd van alle uit het buiten-
 land afkomstige programma's voor zijn rekening en komt vooral uit de
 Verenigde Staten (42% en 61%) en Groot-Brittannie (27% en 26%)e1.
    Het aandeel van programma's van buitenlandse herkomst toont
 bovendien een geleidelijke groei. In 1972-1973 vormt hun aandeel 27% en
 in 1979-1980 31%. De import blijkt bovendien meer dan evenredig met de
 zendtijd toe te nemen. De toename moet voornamelijk worden toege-
 schreven aan de gegroeide import van programma's op het gebied van
 amusement (muziek/shows e.d.). Ook het importcijfer van informatieru-
 brieken steeg, zij het zeer licht. Het importvolume van televisiefilms en
 series schommelde rond een gelijkblijvend, zeer hoog niveau. Het buiten-
 lands aandeel bij amusement en informatie is veel lager (in 1978 en 1979
 resp. 19 en 90Jo)ez. In hoofdstuk 6 is becijferd dat ook gezien de kostenont-
 wikkeling met een toeneming van het - relatief goedkope -
 buitenlandse aanbod gerekend moet worden.
    De ontvangstmogelijkheid van zenders uit omliggende landen vergroot
 nog eens de instroom van buitenlandse programma's. Maar ook daarin
 zit ge'importeerd materiaal. Grote landen als Frankrijk, ltalie en Engeland
 importeren minder dan kleinere, namelijk tussen de 10 en 15%. Gemid-
 deld 40-60% van het ge'importeerde rnateriaal in West-Europa is afkom-
 stig uit de Verenigde Staten. (In Oost-Europa bekleedt de Sovjet Unie
 een vergelijkbare positie). Hoewel de positie van de Verenigde Staten na
 1970 wat is teruggelopen, blijft deze toch het belangrijksteE3.
     A. Schmid and J. de Graaf. Violence a communication; Leiden. Rijksuniversiteit. 1982.
     NOS-afd. Kijk- en Luisteronderzoek. Resultaten registratie tv-populatie vanaf 12 jaar-
 eerste kwartaal 1981 en idem tweede kwartaal 1981; Hilversum. 1981.
 e2 W.P. Knulst/SCP. op. cit.. blz. 149-150.
     T. Varis, International inventory of television programme structure and the flow o f tv-
 programmes between nations; Tarnpere, 1973.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 187 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 188 ======================================================================

<pre>    Hoe reageren de kijkers op dit buitenlands aanbod? Zijn onze nationale
zenders grate verliezers ten opzichte van de buitenlandse zenders die nu
in het overgrote deel van het land kunnen worden ontvangen? Op grond
van ervaringen die in diverse landen zijn opgedaan kan worden gecon-
cludeerd dat uitzendingen in een vreemde taal over het algemeen een
grote belemmering voor de kijker vormenE4.Door het kleine taalgebied
heeft Nederland in dit opzicht weinig van het buitenland t e 'vrezen'. De
Nederlandstalige Belgische zenders zijn bij ons echter minder populair
dan de Duitse. Dit hangt waarschijnlijk met de uitzendtijden samen. De
belangstelling voor buitenlandse zenders wordt namelijk bevorderd
indien ze in de lucht zijn op tijdstippen waarop de binnenlandse zenders
zwijaen. Dit geldt vooral 's-avonds. Belgische uitzendingen eindigen
gewoonlijk eerder dan de Nederlandse, de Duitse daarentegen later. Het
aanbod uit landen met een omvangrijke binnenlandse markt is trouwens
toch vaak al aantrekkelijker dan van kleinere (buur)landen. Door een
groot budget kunnen de grote landen hun publiek meer eigen produkties
voorzetten dan een klein land. Ook het omroepsysteem van een buiten-
landse zender is van invloed op zijn aantrekkelijkheid. Een commerciele
omroep zal doorgaans voor een groot publiek programmeren, en dat kan
de populariteit ervan vergroten.
    Maar zelfs als veel van de genoemde factoren aanwezig zijn, overtreft
de belangstelling voor buitenlandse stations tot dusverre nog nergens
die voor de eigen, binnenlandse zenders. Landsgrenzen vallen ook in het
huidige tijdperk van internationale uitwisseling nog vaak samen met
andere markeringen in het maatschappelijk verkeer. De band met de
eigen samenleving spreekt sterk uit het feit dat ook zonder taalverschil-
len verbale televisieprogramma's in het algemeen en informatierubrieken
in het bijzonder tot de minst bekeken buitenlandse programma's beho-
ren. De amusementscultuur blijkt veel minder aan grenzengebonden:
sport, show of fictie behoren tot de meest bekeken programma's uit het
buitenland. Maar de programma's in deze categorie die het meest in de
smaak vallen zijn toch vrijwel altijd programma's van binnenlandse
 herkomst. Ook in landen waar het kijken naar buitenlandse kanalen sub-
stantiele vormen heeft aangenomen, blijft een aanzienlijke en vrij
constante belangstelling bestaan voor actuele berichtgeving uit eigen
 land. lnternationaal kijkgedrag is kennelijk niet van negatieve invloed op
de betrokkenheid bij de gebeurtenissen in eigen land en gaat evenmin
 per se gepaard met een internationale orientatie.
    Ook van buitenlands verstrooiend aanbod kan echter een culturele
 invloed uitgaan. Gerbner bleek juist aan dit soort programma's een
 belangrijke socialiserende betekenis toe te kennen. Hiertegenover staan
 echter bevindingen waaruit blijkt dat de massamedia - in ieder geval bij
 adolescenten en jonge mannen - eerder de achtergrond dan de
 voorgrond van vrijetijdsgedrag en -interesse vormen85.
    Hoewel de televisie indringender is dan de radio, is te verwachten dat
 het gebruik van de televisie wat meer zal gaan lijken op dat van de radio:
 altijd aan, en non-selectieve, oppervlakkige belangstelling. Dit zou het
 effect van de televisieprogramma's beperken, of ze n u uit binnen- of bui-
 tenland komen. Toch gaan de meeste auteurs uit van een culturele bete-
 kenis en invloed van buitenlandse media-produkten86. Bij het beoordelen
 hiervan lopen de meningen sterk uiteen. Het gaat hier om een empirisch
 vrijwel onontgonnen terrein, en ook daarom is het debat nogal ideolo-
 gisch bepaald. Sommige auteurs benadrukken dat het o m een positieve,
 in een cultureel ontwikkelingsproces passende werking gaat. Het kunnen
kennis nemen van andere culturen dan de eigen cultuur draagt bij tot
 een verruiming van het gezichtsveld. Het moeten concurreren met hoog-
waardige cultuurprodukten van buitenlandse herkomst betekent ook een
 84  L.P.H. Schoonderwoerd, W.P.KnulstlSCP, op. cit.. blz. 79-83.
     H. Himmelweit en B. Swift. 'Continuities and discontinuities in media usage and taste: a
 longitudinal study': Journal of Social Studies. 1976, 32e jaargang nr. 4, blz. 133-156.
     L.J. HeinsmanINOS, op. cit.. blz. 74-79.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 188 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 189 ======================================================================

<pre>stimulans voor de eigen cultuurproduktie. lnternationalisering van aspec-
ten van de cultuur wordt door hen toegejuicht. Ook al is eerst sprake van
een eenrichtingsstroom van Anglo-Amerikaanse televisieprogramma's,
juist de 'free flow' zal uiteindelijk mede zorg dragen voor evenwichtiger
verhoudingen. Anderen komen tot een veel negatiever beoordeling. De
industrialiseringstendensen in de cultuurproduktie leiden tot homogeni-
sering in het Amerikaans aanbod. De als gevolg daarvan mogelijke cul-
turele nivellering betekent een gevaar voor authentieke culturen en ele-
menten daarvan zoals de taal, en versterkt afhankelijkheidsrelaties. Over-
heden dienen zich volgens hen tegen dit, vooral Amerikaanse, 'media-
imperialisme' teweer te stellen. Beide kampen zijn het er overigens over
eens dat niet gesproken kan worden van een gei'soleerde betekenis van
televisie(programma's). Zo wordt er door degenen die de gevolgen van
de eenzijdigheid voornamelijk negatief evalueren, steeds weer op gewe-
Zen dat de culturele invloed van bepaalde programma's niet op zich zelf
staat, maar onderdeel is van een veel breder proces van culturele (maar
ook politieke en economische) be'invloedings- en afhankelijkheidsrelaties.
 Diegenen die juist de positieve effecten van de vrije stroom van televi-
sieprogramma's benadrukken, wijzen erop dat zulke programma's alleen
maar geaccepteerd en geconsumeerd zullen worden als ze passen in of
aansluiten bij de culturele ontwikkeling van een natie.
    Allen zullen echter kunnen instemmen met de stelling van het Sociaal
en Cultureel Planbureau in een in het kader van dit advies verrichte stu-
die: 'Voor een gezonde culturele ontwikkeling lijkt het van groot belang
om een eigen creatief potentieel in stand te houden op elk terrein van
 het aanbodf87. Dit rekenen op eigen kracht is een veel aantrekkelijker pro-
 positie dan de - ook uit het oogpunt van vrijheid van meningsuiting -
 aanvechtbare weg van het weren van buitenlands aanbod op enigerlei
wijze. Nodig is dan we1 een intensivering van de relatie tussen cultuur-
 beleid en omroepbeleid. Er kan worden gedacht aan fondsvorming voor -
eigen produkties, betere samenwerking met de cultuursector (zoals de
 onlangs gesloten overeenkomst met het Produktiefonds voor Neder-
 landse films voor co-produkties ten behoeve van de televisie), televisie-
 adaptatie van bestaande dramaprodukties. Een voorbeeld van dat laatste
 is de nu voor balletgezelschappen bestaande mogelijkheid om een pro-
 duktie na afloop van een theatertournee geschikt te maken voor uit-
 zending op televisiem.
    Voor het stimuleren van Nederlandse kwaliteitsprodukten voor de
 omroep hoeft niet alleen te worden gedacht aan het nationale niveau.
 Door de regio's of gemeenten kunnen - ook in samenwerking met de
 landelijke overheid - initiatieven worden genomen om op de plaatselijke
 kabel ook een cultureel aanbod tot ontwikkeling te brengeneg.
    De nationale identiteit kan ook door media-ontwikkelingen aan de
 andere kant bedreigd worden geacht, namelijk door de opkomst van
 lokale en regionale omroep en het ontstaan van andere mogelijkheden
 voor het volgen van individuele voorkeur, zoals videocassetterecorder en
 abonnee-televisiego. Zoals werd gesteld in paragraaf 7.2, menen som-
 migen dat niet alleen het aanbod maar ook het gebruik van media steeds
 verder zal worden gedifferentieerdgl. De tijdschriftenmarkt geeft hiervan
 reeds duidelijke voorbeelden te zien. Gei'llustreerde gezinsbladen zijn
 meer en meer verdrongen door bladen voor speciale segmenten uit de
 lezerskring (vrouwen, jeugd) of bladen voor specifieke interessen (hobby,
 showwereld, woonideeen e.d.). Ook bij de radio heeft zich iets dergelijks
 voorgedaan, in bijvoorbeeld de Verenigde Staten in nog meer uit-
     W.P. Knulst/SCP. op. cit., blz. 148.
 88  L.J. HeinsmanINOS, op. cit.. blz. 83-86.
     Zie gemeente Rotterdam, lnterimnota Omroep- en kabelbeleid; Rotterdam. 1982.
     De hiernavolgende informatie is ontleend aan: L.P.H. Schoonderwoerd, W.P. KnulstISCP,
 op. cit.. blz. 18, 19, 84-98.
 9' J. Merill en P.L. Lowenstein, Media, messages and men; New York, 1971.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 189 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 190 ======================================================================

<pre>gesproken vorm dan in Nederlandg2. Sommigen verwachten voor de toe-
komst een dusdanig voortschrijden van de op specifieke groepen gerich-
te media ten koste van media voor een breed publiek, dat zij spreken van
een naderend einde van het tijdperk der massamedia93. ~ o o i d a ieder               t     uit
een zeer gedifferentieerd aanbod datgene kan selecteren wat het meest
bij diens bestaande voorkeuren aansluit, kan een 'fragmentarisering' van
het publiek optredeng4. Vooral de nadelen die dit zou kunnen inhouden,
krijgen de aandacht: individuen kunnen zich gaan opsluiten binnen de
eigen voorkeur, waardoor men niet meer wordt gestimuleerd om de be-
staande smaak te verbreden. Evenmin zouden bestaande meningen dan
nog aan tegengestelde opinies worden blootgesteld. D e media zouden
zo hun functie van nationaal platform gaan verliezen, nieuwe ideeen zou-
den hierdoor minder snel kunnen doorstromen en marginale groepen
zouden moeilijker in de samenleving kunnen worden gei'ntegreerd95.
    Uit deze veronderstellingen spreekt echter een overschatting van de
invloed van de media. Zoals al eerder werd vermeld, sorteert blootstel-
ling aan informatie die strijdig is met gekoesterde opvattingen doorgaans
weinig effect en heeft de platformfunctie wellicht eerder betrekking op
de selectie van thema's voor de meningsvorming. De behoefte aan
informatie over de dagelijkse actualiteit blijkt ook weinig te lijden te heb-
ben van verruimd media-aanbod. Ligt een grotere diversiteit van aanbod
op het gebied van verstrooiing eerder in de rede, een zodanige versplin-
tering van het publiek dat nauwelijks nog gemeenschappelijke ervaringen
worden opgedaan is ook hier niet te verwachten. Segmentering van
publieksinteresse blijkt namelijk slechts in beperkte mate op te treden96.
Een groot deel van het publiek heeft ook geen uitgesproken voorkeur.
Een keuze uit twee televisiekanalen vinden velen reeds voldoende voor
de optimalisatie van de voorkeur. Verder volgt de kijker bij de keuze van
programma's niet steeds zijn eigen voorkeur. De overige'gezinsleden
doen ook mee en vaak kiest men iets dat leuk is om als gezin te bekijken
of iets waarover men na afloop wil meepraten.
    Boeken en grammofoonplaten leveren het voorbeeld van een brede
diversiteit, waar desondanks een zeer groot deel van d e belangstelling
wordt gekanaliseerd tot een uiterst beperkt deel van h e t gehele aanbod.
Naast differentiatie is er kennelijk ook een proces van culturele nivel-
lering en homogenisering. Dit proces wordt ook bevorderd door ont-
wikkelingen aan de aanbodskant, waar grote belangen gemoeid zijn bij
het behoud van een groot publiek voor een beperkt aantal media.
    lndividualisering van het kijkgedrag behoeft dus niet t e leiden tot een
culturele fragmentarisering. Videocassetterecorders worden bijvoorbeeld
voornamelijk gebruikt om televisieprogramma's op,te nemen en op een
geschikt tijdstip af te draaien. Hier staat men dan we1 buiten de collec-
tieve ervaring van televisie-kijken. Verscheidene programma's blijken
bijvoorbeeld de dag na uitzending belangrijke gespreksstof op te
leveren97. Maar hierbij gaat het toch niet om een zaak van groot cultureel
belang. Ook bij de ontwikkeling van abonnee-televisie, zoals die kan wor-
den gerealiseerd, zal vooralsnog eerder sprake zijn van enige verdere
individualisering maar daarmee nog niet van culturele fragmentarisering.
Niet alleen blijven de mogelijkheden voor het volgen van de eigen
voorkeur op middellange termijn nog tamelijk beperkt, maar ervaringen
in landen waar vormen van betaaltelevisie worden toegepast, leren dat
deze voorkeuren zich blijven bewegen binnen de sociale patronen
 g2  J.T. Lull, e.a., op.cit.. blz. 439-453.
 93   R. Maisel, 'The decline of mass media'; Public Opinion Quarterly. 1973, 37e jaargang nr. 2,
 biz. 157-167.
 "   J.G. Blumler. 'Integrationsfunktion und Rundfunkordnung'; Media Perspektiven, 1980, nr. 3.
 blz. 156- 159.
 95 R. Hoggart, 'Reflections on the role of the mass media in the future: towards a new mass
 communications policy'; in: D e toekomst van de Nederlandse omroep; onder redactie van A.
 Kooyman. Hilversum.
 % R.T. Wigand, op. cit., blz. 213-239.
 97 M . Buss, op. cit., blz. 745-750.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 190 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 191 ======================================================================

<pre>waarmee ook de nationale omroep bejegend wordt. Anders ligt het met
de regionale en lokale omroep. Die voorzien we1 degelijk in een behoefte
die de nationale omroep niet kan vervullen. In hoeverre aan de belang-
stelling voor de nationale omroep afbreuk zal worden gedaan door regio-
nale omroep is nog niet te zeggen. De zes in Nederland functionerende
professionele radiostations zenden maar enkele uren per dag uit op golf-
lengten waarop de rest van de dag Hilversum Ill uitzendt, gezien de
aandacht voor de internationale popmuziek zeker niet de zender waarop
zich bij uitstek de nationale identiteit manifesteert. Met dat laatste wil
natuurlijk niet gezegd zijn dat ook op die zender het nationale karakter
niet herkenbaar zou zijn.
   Over veel van de hierboven aan de orde gestelde zaken is nog maar
heel weinig met zekerheid te zeggen. Een voorzichtige conclusie kan zijn
dat de kans op culturele fragmentarisering voorlopig niet zo groot is.
Maar evenals over een mogelijke internationalisering, kan ook over een
mogelijke fragmentarisering heel verschillend worden geoordeeld. De
opkomst van een lokaal en regionaal bewustzijn dat zich hier wellicht
manifesteert, behoeft de nationale orientatie en integratie niet in gevaar
te brengen. Evenmin behoeft het ontstaan van een grotere veel-
vormigheid in aanbod en belangstellingspatronen grote ongerustheid te
wekken. In andere sectoren van de cultuuroverdracht, zoals bij gram-
mofoonplaten en boeken, wordt pluriformiteit evenmin als gevaarlijk aan-
gemerkt. Belangrijker is dat de verschillende uitingen we1 voor elk die dat
wil bereikbaar blijven.
7.3.5      Culturele vervlakking
   In de discussie over de gevolgen van de technische veranderingen
voor de massamedia speelt bezorgdheid over het culturele niveau een
belangrijke roP. Deze zorg wordt enerzijds ingegeven door de mogelijk-
heid dat meer aanbod beschikbaar komt dat sterk op de smaak van het
grote publiek is gericht, terwijl anderzijds bij een ruimer aanbod het
publiek meer de eigen voorkeur zal volgen en aldus wellicht verstoken
blijft van aanbod dat onder het regime van een cultuurbeleid is tot stand
gekomen. Aan het begin van deze paragraaf werd er al op gewezen dat
de ontwikkeling van de massamedia in het verleden eveneens gepaard is
gegaan met de vrees voor een massacultuur die onder invloed van mas-
saal verspreide, industriele produktie van informatie en amusement zou
ontstaan. In de huidige periode geldt de bezorgdheid vooral de televisie,
omdat deze zich niet alleen sterk op verstrooiing richt maar door de
kijker ook vooral ten behoeve van de verstrooiing wordt gebruikt. Daarbij
speelt ook de belangrijke rol die de televisie in de vrijetijdsbesteding
inneemt en de vermeende indringendheid van het medium.
   In beschouwingen over de relatie tussen massamedia en cultuur spe-
len kwaliteitsstandaarden een voorname rol. Deze spelen ook bij de legi-
timering van de overheidszorg voor de media. Bij cultuurpolitiek gaat het
immers om oordelen over wat goed of wenselijk is. Er kunnen een drietal
typen kwaliteitsstandaarden worden onderscheiden, namelijk een markt-
orientatie, een artistiek-professionele orientatie en een ideologische of
levensbeschouwelijke orientatie. De marktorientatie ontleent haar criteria
voor kwaliteit aan het marktgebeuren. De markt is in deze visie het
mechanisme bij uitstek om differentiatie in preferenties tot zijn recht te
laten komen. Er is geen reden om dergelijke uitingen uit cultureel oog-
punt van minder gehalte te achten; als een cultuurprodukt zich op de
markt niet kan handhaven is er geen reden tot protectie ervan. Bij de
orientatie op professionele kwaliteitsstandaarden wordt het publiek daar-
entegen als bestaande uit leken beschouwd. De rechtvaardigingsgrond
vormt de overtuiging dat vakbeoefenaren tot opdracht hebben om het
publiek werk van hoge kwaliteit te bieden. Bij een politieke overtuiging of
9    D e inhoud van deze subparagraaf is grotendeels ontleend aan W.P. KnulstlSCP, op. tit..
blz. 60-82.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 191 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 192 ======================================================================

<pre>                                   levensbeschouwing wordt het aanbod getoetst op zijn betekenis voor
                                   een overtuiging. De rechtvaardiging berust op de idee van roeping, het
                                   gebodene is datgene wat nodig is om de mensen tot een bepaald-inzicht
                                   te brengengg.
                                      Vafluit beide laatste orientaties gezien is het vooral de gerichtheid op
                                   de smaak van het middelgrote en grote publiek die voortvloeit uit de
                                   marktorientatie die zou kunnen leiden tot culturele vervlakking, mas-
                                   sificering en dergelijke. lnstellingen die artistieke of professionele
                                   maatstaven hoog houden, zouden daarentegen juist afstand nemen van
                                   datgene wat goed in de markt ligt. lnstellingen die volgens een ideeel
                                   uitgangspunt hun aanbod samenstellen, zouden zich evenzeer afzetten
                                   tegen de culturele vervlakking en vervreemding waar marktprocessen
                                   toe zouden leiden.
                                      Toch liggen de zaken bij nader inzien genuanceerder. Zo maakt het op
                                   ideele grondslag gebaseerde omroepbestel vaak gebruik van produkties
                                   die volgens commerciele beginselen tot stand zijn gebracht. Bovendien
                                   neemt in de strijd om de kijkcijfers de marktorientatie ondanks de
                                   Omroepwet een zo voorname plaats in, dat - ook volgens de levens-
                                   beschouwelijke organisaties zelf - de ideele grondslag bedreigd wordt
                                   en ook een artistieke orientatie slecht aan bod kan komenl00. Aan-
                                   bodstelsels met een marktorientatie zijn daarentegen niet altijd wars van
                                   'moeilijke' of levensbeschouwelijke cultuurprodukten, als er maar een
                                   koopkrachtig publiek voor bestaat. Het literaire genre wordt via de markt
                                   verspreid en de pers, medium voor levensbeschouwelijke produkten,
                                   functioneert binnen de vrije, ondernemingsgewijze produktie.
                                      Kwaliteitsstandaarden zijn ook onderhevig aan een veel grotere dyna-
                                   miek dan voorheen. Het beeld over eigentijdse culturele veranderingen in
                                   Nederland wordt sterk beheerst door het proces van ontzuiling. Veel
                                   minder aandacht is gewijd aan het gezagsverlies van opvoedingsidealen
                                   op het gebied van culturele ontplooiing en amusement, dat bijna gelijk-
                                   tijdig plaatsvond.
                                      De ontzuiling maakte duidelijk dat voor het gebruik van informatie en
                                   amusement een groot deel van de bevolking zich niet bleef schikken naar
                                   maatstaven die door het politieke of levensbeschouwelijke kader werden
                                   voorgehbuden. Gegevens uit een in 1975 gehouden onderzoek wijzen op
                                   een alleen nog aan protestants-christelijke zijde bestaande relatief sterke
                                   graad van verzuiling (zie tabel 7.6).
Tabel 7.6  Omroepvoorkeur naar politieke partijvoorkeur
                                                                        politieke partij
                  totaal    PvdA       D66/PRR             KVP    ARP      CHU          CPN/PSP         VVD/DS'70       overig w.n.
AVRO                13%       9%           16%               6%     0%        9%            12%              31Oo/        5%    13%
VARA                10       26             7                0      0         0            21                 2           2      5
TROS                36       41            28               42     16       23             27                38          26     40
KRO                  8        2             7               34      0         0              0                8           8      4
NCRV                11        3             3                5     74       52               3                7          21      8
VPRO                 5        7            22                2      0         0            24                 2           6      4
EO                   2        0             0                0      6         9              0                1          18      1
NOS                  2        2             7                3      0         0              0                2           0      1
geen voorkeur       13       11            10                9      4         7             12                9          14     24
totaal             100°/~   100°/~       100°/~            10O0/~ 100%     100°/~         100°/~           100°/~       100°/~ 100%
Bron: NOS, Kijk- en Luisteronderzoek 1975
A.M. Overste. Omroepvoorkeur: Hilversum 1975.
                                   99  Ibid., blz. 63. 64.
                                        Federatie van ornroepverenigingen, brief van 7 rnei 1982 aan de minister van CRM over
                                   het concessiesysteern, blz. 3.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 192 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 193 ======================================================================

<pre>Voorstanders van de toenmalige protestants-christelijke partijen sym-
pathiseeiden in meerderheid met de NCRV. Maar wat het meeste opvalt
is dat niet alleen onder voorstanders van de VVD (en DS '70) de grootste
groep de voorkeur uitsprak voor 'neutrale' omroeporganisaties, maar ook
onder de sympathisanten van de toenmalige KVP en onder de potentiele
aanhang van links en klein links. Dit patroon blijkt volgens een soortgelijk
onderzoek uit 1980 sindsdien niet veranderdlol. Deze gegevens geven aan
dat het grootste deel van het tegenwoordige publiek niet volgens levens-
beschouwelijke of politieke kwaliteitsstandaarden selecteert uit het
omroepaanbod.
     Er is dus door een toenemende marktorientatie sprake van een ver-
zwakking van de identiteitsgerichtheid van de levensbeschouwelijke
omroepen, tot uitdrukking komend in zowel de programmering als de
consumptie van het aanbod. Niet onwaarschijnlijk is dat dit identiteits-
verlies zich zal voortzetten bij een toenemende ontvangstmogelijkheid
van binnen- en buitenlands aanbod. Zolang zij gedwongen zijn om kijkers
aan zich te binden, zullen de identiteitsomroepen - zoals ook thans -
de verleiding niet kunnen weerstaan om programma's uit te zenden die
een groot publiek trekken, en deze liggen nu eenmaal eerder in het vlak
van ontspanning en amusement dan van zwaardere informatie en opinie-
ring. Hoewel over de maatschappelijke gevolgen van deze ontwikkeling
weinig kan worden gezegd, moet deze uit het oogpunt van mediapolitiek
als ongewenst worden beschouwd. Een voorname recht-
vaardigingsgrond voor het in stand houden van een publiekrechtelijk
omroepbestel is het uit het oogpunt van de vrijheid van meningsuiting
bevorderen van de politiek-maatschappelijke verscheidenheid in de
omroep. In hoofdstuk 8 doet de Raad voorstellen om de ver-
schralingstendens in de omroep tegen te gaan.
     Culturele uitingen worden ook meer en meer afzonderlijk op hun kwali-
teit beoordeeld, en de uitslag van deze afweging is minder dan vroeger
voorbeschikt door het genre waartoe ze behoren. Daaronder zijn veel
uitingen die een herwaardering hebben ondergaan: bijvoorbeeld film,
fotografie, cabaret, jazz, volksmuziek en columns.
Niet alleen kunstmanifestaties of literaire uitgaven worden
gerecenseerd in een tegenwoordige kwaliteitskrant, maar ook bio-
scooppremieres, cabaretvoorstellingen, pop-l.p.'s, televisieprodukties,
enzovoort. De komst van schrijvers, filmers, journalisten, wetenschap-
pers, programmamakers, of culturele werkers met eclectische kwali-
teitsopvattingen heeft een deel van de cultuurspreidingspolitiek van
overheden in de war gestuurd: strips kwamen in de bibliotheek te teen;
'verwilderde' muziek werd niet langer bestreden maar getolereerd en
vervolgens gestimuleerd in het jeugdwerk. In de schouwburg komt men
vaak in aanraking met variete of theater van de tach. Avant-garde kunst
presenteert zich ook in 'de ongewijde atmosfeer' van vroegere variete-
theaters, of op straat. Ook de oorspronkelijke intellectuele kwali-
teitsmaatstaven of opvoedingsidealen hebben aan gezag verloren: wat
onder verfijnde of hogere cultuur moet worden verstaan is minder mak-
kelijk vast te stellen dan voorhe.en. Er is een zekere tendens tot ver-
ruiming van het voorheen esoterisch kunstbegrip naar uitingen waarin
groepen blijk geven van hun vermogen tot vormgeving van een eigen
identiteitl02.
     Het gevaar bestaat dat deze culturele pluriformering aanleiding geeft
tot een cultureel relativisme waarbij alle uitingen in kwalitadef opzicht als
gelijkwaardig worden gezien en de ratio voor een cultuurbeleid - waar
het immers gaat om het bevorderen van culturele kwaliteit volgens
artistiek-professionele en intellectuele maatstaven en het stimuleren van
de ontvankelijkheid van het publiek voor deze hoogwaardige uitingen -
als vervallen moet worden beschouwd. In die situatie zou de uitoefening
 '01  W . P . Knulst/SCP, op. cit.. blz. 108.
 lo*  Zie J. Kassies, Notities over een herorientatie van b e t kunstbeleid; vervaardigd voor d e
 WRR, 1982.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 193 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 194 ======================================================================

<pre>van de culturele functie met een gerust hart aan de marktwerking kun-
nen worden overgelaten. Maar anders dan bij grafische en fonografische
produkten zal het aanbod van kunstprogramma's via d e televisie dan
waarschijnlijk nog sterker in de verdrukking komen dan n u reeds het
geval is. De produktiekosten voor programmatuur van d e (kabe1)televisie.
video en beeldplaat liggen op een veel hoger niveau dan voor produkten
van de drukpers of van de fonografie. De kijkdichtheid van kunst-
programma's is dermate gering dat dergelijke produkties voor commer-
ciele doeleinden veelal weinig interessant zullen zijn, en des te minder
wanneer deze kijkcijfers als gevolg van toenemend populair aanbod nog
verder zullen teruglopen.
   De Raad meent dan ook dat de cultuurpolitieke functie van de omroep,
als tegenwicht tegen de toeneming van populair aanbod sterker moet
worden aangezet, zodat meer aandacht ontstaat voor cultuur, kunst en
wetenschap. Het gaat daarbij om een pluriform kunst- e n cultuurbegrip.
Ook al kunnen groepsstijlen onderling niet naar kwaliteit worden geor-
dend, tussen de uitingsvormen van den groep is we1 degelijk naar kwali-
teit te differentieren. leder van die groepen heeft een eigen kwaliteits-
besef en kent zijn eigen culturele voorhoede alsook zijn eigen mid-
delmaat.
In cultuurpolitiek opzicht is niet primair doorslaggevend wat mensen
wensen, maar wat de Nederlandse en internationale cultuur als zodanig
en aan vernieuwing te bieden heeft. Het belang van kunsten en weten-
schappen is niet gegeven met het doorgaans kleine publiek - zeker voor
avant-garde kunst - dat er direct kennis van neemt. Integendeel, hun
autonoom belang voor de cultuurontwikkeling rechtvaardigt dat er een
publiek, ook al is dit beperkt, kennis van neemt.
   De televisie kan in de cultuurpolitiek een zeer belangrijke rol spelen. In
de eerste plaats heeft de televisie een groot bereik en een veel grotere
toegankelijkheid dan vele andere media voor cultuuroverdracht (schouw-
burgen, concertzalen), zelfs al trekken culturele programma's in ver-
gelijking tot andere televisieprogramma's weinig kijkers. De mogelijk-
heden voor cultuurspreiding via de televisie zijn groot. Voorts bieden
programma's van hoge kwaliteit culturele standaarden. Zij kunnen
invloed hebben op de andere programma's. Ten slotte is televisie niet
alleen een doorgeefluik, het is een medium dat om een eigen vorm-
geving vraagt, er is een televisiekunst mogelijk. Daarmee is er dus niet
alleen sprake van overdracht van bestaande cultuur, maar ook van het
scheppen van cultuur.
   De conclusie kan zijn dat een versterking van de marktorientatie niet
het einde hoeft te betekenen van de levensbeschouwelijke en ideologi-
sche pluriformiteit in de media en wellicht evenmin van hoogwaardig
aanbod. Een marktorientatie vormt echter geen garantie dat levens-
beschouwelijke en culturele waarden voldoende tot hun recht komen.
Publieksgroepen van geringe omvang zijn lang niet altijd interessant voor
primair volgens marktprincipes opererende instellingen. Hoogwaardige
culturele uitingen zijn veelal aangewezen op minderheden, of het nu gaat
om theaterprodukties of om popmuziek, en deze kunnen bij een markt-
orientatie dan ook in de knel raken.
Het beschermen van beide categorieen uitingen vraagt dan ook om een
herorientatie van het overheidsbeleid ten aanzien van d e omroep.
7.3.6 Conclusies
   Met de ontwikkeling van de massamedia is de samenleving ingrijpend
gewijzigd. Hoe de oorzakelijke verbanden liggen valt niet aan t e geven,
een historische samenloop van omstandigheden is moeilijk te ontwarren
op de meer en minder toevallige factoren. Maatschappelijke zorgen en
wetenschappelijke conventies bepalen in welke richting het speurwerk
naar de relaties zich ontwikkelt, en de beperkingen daarvan worden pas
veel later duidelijk. 20 ook met het onderzoek naar de massacom-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 194 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 195 ======================================================================

<pre>municatie. Er is vooral onderzoek gedaan naar de effecten van concrete
media-boodschappen op de ontvangende partij. Een belangrijk eerste
punt is dan de constatering dat de media gewoonlijk eerder bijdragen
aan een versterking van bestaande verhoudingen en ontwikkelingen, dan
aan een verandering ervan. Het blijkt slechts in beperkte mate mogelijk
om de media te gebruiken voor wezenlijke veranderingen.
     Daarbij aansluitend is een andere conclusie dat de media en hun
boodschappen vooral binnen en door middel van een complex van fac-
toren en invloeden functioneren. Sommige auteurs leggen daarbij vooral
de nadruk op de selectiviteit van de individuen, terwijl anderen juist het
belang van interpersoonlijke communicatie benadrukken of zelfs (op
algemeen maatschappelijk niveau) spreken over ideologische reproduk-
tie. Opvallend daarbij is dat in de effectenstudies steeds meer de televi-
sie centraal is komen te staan. En dan vooral bij diegenen die menen een
duidelijk effect te kunnen constateren: televisie als een soort alomtegen-
woordige symbolische omgeving. Televisie wijkt in een aantal opzichten
 namelijk nogal af van andere media als dagblad, tijdschrift, boek, plaat of
 radio. Te denken is daarbij vooral aan de grote verbreiding ervan, de
 relatief lage kosten, de grote toegankelijkheid, de combinatie van beeld
en geluid, de aanwezigheid in de huiselijke kring, enzovoort. Onderzoek
 naai het vrijetijdsgedrag geeft het televisiekijken dan ook een prominente
 plaats.
     De inhoud van de televisieprogramma's blijkt een nogal eenzijdig
wereldbeeld op te leveren. Hierbij gaat het dan niet zozeer om de objec-
tiviteit van berichtgeving, maar vooral om de in amusement, drama en
 reclame gepresenteerde werkelijkheid waarin door verschillende auteurs
 maatschappelijke, morele of zelfs politieke visies geconstateerd worden.
 In hoeverre er dan een al dan niet directe relatie gelegd kan worden tus-
 sen dergelijke wereldbeelden en de opvattingen, gevoelens en gedragin-
 gen van-kijkers - en daarmee maatschappelijke en culturele struc-
turen - is echter een omstreden zaak.
     Hoeveel er ook gediscussieerd en geschreven is over 'de macht van
 de media', en dan vooral van het medium televisie, wetenschappelijke
 onderzoeksresultaten hebben tot nu toe alleen maar aangetoond wat
 mogelijke korte termijneffecten van bepaalde soorten boodschappen
 (met name gericht op informatie of overreding) in bepaalde omstandig-
 heden kunnen zijn - of veelal juist niet zijn. Dit hangt ook samen met de
 beperkingen van de sociaal-wetenschappelijke onderzoeksmethoden.
 ~ n d e r z o e kzoals dat van Gerbner en zijn collega's - hoe omstreden
 ook - biedt waarschijnlijk we1 mogelijkheden om een beter inzicht te krij-
 gen in de eventuele effecten op langere termijn van wat Manschot de
 grote onderstroom van informatie via de massamedia noemt103.
     Dit alles neemt natuurlijk niet weg dat media in elk geval een invloed
 hebben omdat men denkt dat ze een invloed hebben. Misschien is daar-
 om we1 de belangrijkste uit het voorgaande te trekken conclusie dat er
 geen reden bestaat voor 'gemakkelijke' zorgen. Eerder geformuleerde,
 ogenschijnlijk voor de hand liggende veronderstellingen bleken altijd
 onjuist, de werkelijkheid bleek steeds ingewikkelder.
     Op het eerste gezicht lijkt dit voor degenen die betrokken zijn bij
 belangrijke beslissingen op mediagebied een teleurstellende conclusie.
 Aan de huidige inzichten over de sociaal-culturele gevolgen zijn immers
 geen dwingende argumenten pro of contra bepaalde beleidskeuzen te
 ontlenen. Maar dit betekent tegelijk een vergroting van de handelings-
 ruimte. Als aan de maatschappelijke gevolgen van het handelen geen
 normen zijn te ontlenen verschuift de-normeringsnoodzaak weer naar het
 handelen zelf. En dat is de positieve conclusie die aan het onderzoek is
 te verbinden.
     Deze conclusie geldt ook voor de drie nader besproken 'zorggebieden'.
 Het ontbreken van een aantoonbaar verband tussen mediageweld en
 '03  B. Manschot, 'De invloed van de massa-media in Nederland'; in: Bouwstenen voor een
 mediabeleid; onder redactie van A. Kooijman, Alphen aan den Rijn. 1977, blz. 129.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 195 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 196 ======================================================================

<pre>maatschappelijk geweld hoeft niet noodzakelijk t e leiden tot onverschil-
ligheid ten opzichte van al het aanbod dat over de grens komt. De moti-
vering voor bijvoorbeeld het bevorderen van eigen produkties als tegen-
wicht is dan eerder de aard van bepaald buitenlands aanbod dan de ver-
meende kwalijke gevolgen ervan.
    Schaalverkleining van het kijkgedrag blijkt niet te hoeven leiden tot
culturele fragmentarisering, en internationalisering van het kijkgedrag
niet tot een internationale orientatie. Ook deze ontwikkelingen dienen
dus op zichzelf te worden beoordeeld; afgezien dan nog van hoe men
fragmentarisering en globalisering wil beoordelen.
    De te verwachten toename van het media-aanbod zal waarschijnlijk
leiden tot een verdere verzwakking van de identiteitsgerichtheid van het
landelijke omroepaanbod en het aandeel daarin van hoogwaardige pro-
dukties. Ook hier gaat het om ontwikkelingen die o p grond van mediapo-
litieke en cultuurpolitieke uitgangspunten op zichzelf ongewenst zijn en
derhalve nopen tot een overheidsbeleid dat is gericht op het waarborgen
van de in het geding zijnde waarden.
7.4 Massamedia en maatschappelijke o n t w i k k e l i n g
7.4.1 lnleiding
    In deze paragraaf wordt ingegaan op de sociaal-culturele ontwikkelin-
gen die invloed hebben - en hebben gehad - op de massamedia. Zoals
 in de inleiding tot dit hoofdstuk is gesteld, wordt de relatie tussen maat-
 schappelijke ontwikkelingen en media gekenmerkt door verwevenheid en
wederkerige be'invloeding. Dit maakt het moeilijk de invloed van sociaal-
culturele veranderingen op de media precies vast te stellen. Terwijl van
technische vernieuwing en economische omstandigheden het zelfstan-
dig karakter algemeen wordt aanvaard, wordt aan de zelfstandige
 invloed van sociaal-culturele ontwikkelingen op de media nog we1 eens
 voorbijgegaan. Erkend moet worden dat veelal geen harde empirische
 relaties kunnen worden vastgesteld. Het is vaak moeilijk te zeggen wat
 nu oorzaak is en wat gevolg. Niettemin zijn er vele aanwijzingen van
 empirische aard voorhanden, op grond waarvan het plausibel is zodani-
ge invloed als zelfstandige factor in de beschouwing t e betrekken. Zulks
 is van belang omdat beleid ontstaat in een bepaalde maatschappelijke
 situatie. Beleidsconcepten kunnen weliswaar wortelen in ideele en prin-
 cipiele uitgangspunten - en als zodanig minder tijdgebonden zijn -
 maar zij worden toch geformuleerd in een maatschappelijke situatie en
 zijn als zodanig zeker ook kenmerkend voor een bepaalde tijd. Dit bete-
 kent dat beleidsconcepten verouderen. Deze mogelijkheid, dat bepaalde
 beleidsconcepten thans verouderd zijn, vormt een grond om de invloed
 van sociaal-culturele ontwikkelingen op de media als beleidsrelevant aan
 te merken en hier aan de orde te stellen. Wanneer immers de maat-
 schappelijke situatie, waarbinnen destijds beleidsconcepten werden
 geformuleerd, ingrijpend is gewijzigd, ligt aanpassing voor de hand.
 7.4.2 Verzuiling en ontzuiling
    De maatschappij in het interbellum en daarna, t o t in de jaren zestig,
 wordt in het algemeen getypeerd als een verzuild bestel. De grote bevol-
 kingsgroepen (protestanten, katholieken en socialisten) waren organisa-
 torisch en in cultureel-mentaal opzicht relatief zeer gesloten. Het contact
 tussen leden van verschillende bevolkingsgroepen was betrekkelijk
 schaars en vol animositeit, sociale activiteiten vonden buiten de eigen
 groep nauwelijks plaats (huwelijk, school, sport), het waarden- en nor-
 menpatroon ontleende men aan de stabiele en onomstreden regels en
 opvattingen die er binnen de eigen groep leefden en de hoge mate van
 interactie en communicatie binnen de zuil bood een goed netwerk van
 sociale en politieke controle.
    Deze vorm van samenleving in verzuiling heeft zich in de eerste helft
</pre>

====================================================================== Einde pagina 196 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 197 ======================================================================

<pre>van onze eeuw zeer breed vertakt. Welke omwenteling zich in de roerige
jaren zestig heeft voltrokken is nog ondoorzichtig. Begrippen als ont-
zuiling en deconfessionalisering zijn te beperkt om de cultureel-mentale
omslag volledig te vatten. Bovendien is er naast ontzuiling ook sprake
van herzuiling en is de invloed of macht van de verzuilde organisaties,
hoezeer hun aanhang ook moge zijn teruggelopen, niet evenredig daar-
aan geslonken. Enkele lijnen zijn we1 te trekken. Vanaf de jaren zestig tre-
den er aanwijsbare veranderingen in de Nederlandse samenleving op. De
specifieke groepsculturen worden minder gesloten en exclusief. De
interacties en communicaties tussen de leden van de verschillende zui-
ten nemen sterk toe, terwijl de nauwe banden binnen de zuilen verzwak-
ken. De huidige samenleving wordt gekenmerkt door een verscheiden-
heid van maatschappelijke culturen en structuren die elkaar juist
doorkruisen en niet met elkaar samenvallen. De meeste leden van de
samenleving staan bloot aan uiteenlopende culturele stimuli en aan-
vaarden dat. Zij maken bovendien deel uit van uiteenlopende groepen
die onderling soms sterk wedijveren. De overheersende orientatie op hun
zuil is bij de meeste burgers verschoven naar een waardenorientatie op
nationaal niveau.
    Binnen het verzuilde maatschappelijke bestel heeft de radio-omroep
een zeer specifieke plaats gehad. De beperkte beschikbaarheid van zend-
tijd noopte tot een landelijke organisatie van gelijkgezinden, teneinde een
plaats in de omroep te bemachtigen. Hierbij speelde ook de beduchtheid
voor inmenging van de staat op allerlei terreinen nog steeds een rol.
Vooral de orthodox-protestanten propageerden tegen de toenemende
invloed van de liberale en neutrale staat het ideaal van een leven in
eigen soevereine kring, vanaf de jaren twintig ook met betrekking tot de
radio. De omroeporganisaties waren dan ook op de leden van de eigen
groep gericht, zowel organisatorisch als in culturele en ideele zin.
    Voor de pers was dit een vanzelfsprekende zaak. In elk gezin kwamen
slechts die kranten en tijdschriften die met de levens- en wereld-
beschouwing in overeenstemming waren. Gezien het karakter van de
radio - die immers over de grenzen van de verzuilde bevolkingsgroepen
 heen uitzond - was dit moeilijker te realiseren. Vandaar de strenge
 censuur en de gescheidenheid van zenders: de ene zender voor de con-
 fessionele en de andere voor de niet-confessionele omroeporganisaties.
    De omslag die zich in de jaren zestig voltrok ging uiteraard niet aan de
 massamedia voorbij. Afgezien van het feitdat zij als spiegel van het
 dagelijks gebeuren de maatschappelijke ontwikkeling registreren, zijn zij
 ook zelf aan veranderingen in het maatschappelijk bestel, aan veran-
 derende waarden, normen en opvattingen, onderhevig. Zowel de omroep
 als de pers heeft een duidelijke deconfessionalisering doorgemaakt, ook
 veranderingen in identiteit hebben zich voorgedaan. Daarnaast heeft de
 ontzuiling ook daar zich gemanifesteerd doordat bestuurlijke en organi-
 satorische banden met andere gelijkgerichte organisaties zijn afge-
 broken. Deze ontwikkeling heeft echter ook weer de behoefte aan nieu-
 we identiteiten geschapen, wat tot uitdrukking is gekomen in de oprich-
 ting van nieuwe ideeel gerichte persorganen en omroeporganisaties.
 7.4.3 Sociale en culturele differentia tie
    Tegen de achtergrond van de diepe economische crisis van de jaren
 dertig, de bezetting en de periode van wederopbouw in de jaren vijftig
 kwam in Nederland, evenals in andere westerse ge'industrialiseerde lan-
 den, de welvaartsmaatschappij tot ontwikkeling. De samenleving werd
 niet alleen gekenmerkt door economische groei die in het algemeen tot
 verhoging van de levensstandaard leidde, maar ook door een zich steeds
 verder ontwikkelende verzorgingsstaat waarin speciale voorzieningen
 niet langer als gunst, maar als recht werden beschouwd. Het ontstaan
 van de welvaartsmaatschappij, een hoge levensstandaard en de voorals-
 nog onbeperkte economische groei - dit alles binnen het kader van een
 stabiel politiek systeem - bracht sommigen tot de 'end of ideology'-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 197 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 198 ======================================================================

<pre>these. Algehele tevredenheid met het politieke e n economische klimaat
zou leiden tot het verdwijnen van ideologische tegenstellingen tussen
socialisme, liberalisme en conservatisme. De politieke realiteit in de jaren
zestig zou de onhoudbaarheid van deze these aantonen. De passiviteit
en lijdelijkheid aan de basis veranderden in politisering en eisen tot
democratisering, inspraak en openheid op velerlei terreinen, zoals het
overheidsbestuur, het bedrijfsleven en het onderwijs. Het ontstaan van
een cultureel relativisme, waardoor een minder strikte naleving van nor-
men en tradities in de eigen cultuur kan worden gelegitimeerd, was
mede hiervan het gevolg. De massamedia hebben in dit proces een
belangrijke rol gespeeld. Vooral de televisie, die mensen op veel grotere
schaal dan tevoren confronteerde met personen en politiek-
maatschappelijke problemen buiten hun directe gezichtskring, stelde
aldus de geldigheid van normen en waarden aan de orde. Zoals gezegd,
is het moeilijk aan te tonen wat bij de diepgaande veranderingen in deze
jaren oorzaak was en wat gevolg. Plausibel lijkt dat de televisie niet de
oorzaak van het openbreken van bestaande verhoudingen is geweest,
evenmin als de radio en de krant debet waren aan de instandhouding
ervan, maar dat de massamedia een belangrijke ondersteunende functie
hebben in de maatschappelijke ontwikkeling van hun tijd.
    In de loop van de jaren zeventig trad een kentering op in de ontwikke-
ling van de verzorgingsmaatschappij. Tegenover de vanzelfsprekendheid
van het bestaande welvaartsniveau ontstonden langzamerhand onzeker-
heden en bezorgdheid. Bezorgdheid over grondstoffenvoorraad, milieu,
ontwikkelingslanden en vrede en onzekerheid over de toekomst van de
samenleving door onveiligheid, werkloosheid en economische terug-
gang. Onder invloed van de daling van de economische conjunctuur
kwam het accent hernieuwd op welvaart en economische zekerheid te
liggen. In de culturele sfeer ontstond een behoefte aan meer zekerheid,
waardoor men kwam tot conservatievere opvattingen omtrent de waarde
van tradities, oude instellingen, orde en rust, alsmede tot opvattingen die
 meer gekant zijn tegen het aanbrengen van veranderingen in de samen-
leving. Toch lijkt het waarschijnlijk dat zich een onomkeerbare ontwikke-
ling heeft voltrokken, die tijdelijk zou kunnen stagneren, maar die onder
geschikte omstandigheden ook weer in een versnelling kan geraken.
    In elk geval maakt de teruglopende welvaart d e differentiatie niet
ongedaan. Van belang is in dit verband dat de economische teruggang
 niet vanzelf leidt tot matiging van aanspraken. Integendeel, doordat een
 sterke gewenning is opgetreden aan het niveau van consumptie en ver-
zorging zijn de aanspraken hierop in hoge mate vanzelfsprekend gewor-
den. Zij zijn in sociologische zin ge'institutionaliseerd. Dit proces van ver-
 breiding van aanspraken gaat in zekere zin nog door, terwijl tegelijk ook
vanuit deelbelangen en -0pvattingen de besluitvorming wordt be'invloed.
 In de jaren zeventig verscheen immers op het maatschappelijk toneel
 een breed scala van uiteenlopende groepen die voor eigen belangen en
 opvattingen opkwamen, geconcentreerd rond bepaalde issues. Kraak-
 beweging, vrouwenbeweging, anti-kernenergiebeweging en anti-
 militairistische beweging kunnen geplaatst worden in de sfeer van de
 'tegenmaatschappij' of beschouwd worden als een maatschappelijke
 beweging die bewust een tegencultuur belijdt. Ook zijn er tal van acties
 waarbij van nieuwe waarden of van een bewuste breuk met bestaande
 gezagsverhoudingen en waardepatronen geen sprake is. Het over-
 heersend beeld blijft er derhalve een van toenemende pluriformiteit, van
 maatschappelijke differentiatie en voortschrijdende opdeling in groepen
 met uiteenlopende opvattingen, die als min of meer gelijkwaardig naast
 elkaar staan.
     Dit proces van maatschappelijke differentiatie is ook van invloed op de
 massamedia. Doordat de oude compartimentalisering verviel, kon een
 grotere en andere verscheidenheid aan media-aanbod tot stand komen,
 zowel in de grafische als in de omroepsector. Zeer opvallend is dit in de
 tijdschriftensector, waar de laatste jaren zich een snelle groei van bladen
 manifesteert, die zich niet op de massa, maar o p specifieke doelgroepen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 198 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 199 ======================================================================

<pre>richten. Er is echter ook een tegenontwikkeling, namelijk een culturele
homogenisering doordat de levensbeschouwelijk bepaalde culturele
verscheidenheid is verminderdlo4.De vermindering van culturele en
sociale scheidingen leidt tot een nieuw cultuurpatroon waarin een
centrale plaats wordt toegekend aan keuzevrijheid - maar dit houdt ook
in dat er voor populaire uitingen een groter publiek is dan voorheen. Een
en ander heeft in elk geval tot gevolg dat bestaande concepten van over-
heidsbeleid opnieuw moeten worden bezien, zowel voor omroep als voor
pers; in het ene geval om veranderde voorkeuren van het publiek te
honoreren (omroep), maar ook om bestaande voorkeuren te steunen
(pers).
7.4.4    lndividualiseringstendensen
    Ten slotte kunnen individualiseringstendensen onderscheiden worden
die zich manifesteren in een grotere behoefte aan zelfontplooiing en
orientatie op subjectieve beleving. De menselijke mogelijkheden zijn ver-
ruimd, evenals de pretenties die vanuit het individu worden gekoesterd.
Voor het mediabeleid zijn in beginsel deze verschijnselen relevant. In dit
verband is aan enige specifieke aspecten te denken. De tendens tot
heterogenisering van de aanhang van de omroeporganisaties zal zich in
het licht van genoemde structurele ontwikkeling verder doorzetten. Wel-
licht is hierbij ook relevant dat voor persorganen (i.c. voor publiekstijd-
schriften) lezerskringen worden gevonden in marktsegmenten die
berusten op een bepaalde constellatie van individuele voorkeuren, die
veel specifieker zijn dan eigenschappen die voorheen de noemers voor
de marktsegmenten waren, zoals bijvoorbeeld belangstelling voor onder-
wijs, ouderschap, hobbies. In het algemeen zal economische positie, '
evenals godsdienst, niet meer rechtstreeks leiden tot voorkeuren voor
bepaalde culturele uitingen (LC. omroepverenigingen, bepaalde dag-
bladen, politieke partijen). Dit betekent wellicht ook dat de invloed van
overreding (reclame, verkoopbevordering e.d.) groter wordt in het
construeren van aanhang in het algemeen en het vormen van lezers-
kringen in het bijzonder. Zulks behoeft niet te betekenen dat de betekenis
van 'geprofileerdheid' als aanbodsfactor in de media afneemt, maar we1
dat het profiel (welk dan ook) in mindere mate steunen zal op traditione-
le waarden. Dit houdt derhalve in dat een bestand van lezers of kijkers
vluchtiger kan zijn in zijn trouw aan bepaalde media en meer 'onderhoud'
vereist (ledenbinding) om duurzaam van aard te blijven.
    Een aspect dat vooral voor de elektronische media van belang is, is de
privatisering, dat wil zeggen de toegenomen behoefte mediadiensten in
het eigen huis te gebruiken. De techniek biedt hier alle mogelijkheden
voor. Zo ziet men de individualisering zich voortzetten binnen het gezin:
kinderen, jongeren, mannen en vrouwen scheppen zelfstandige ont-
vangstmogelijkheden en worden zo op de duur als afzonderlijke catego-
rieen interessant voor de producenten van communicatie-apparatuur en
de aanbieders van mediaboodschappen.
7.4.5 Media en maatschappelijke stabiliteit
    De bovengenoemde sociale en culturele differentiatie en vergrote indi-
vidualisering hebben hun oorsprong in een tijd van economische groei,
die door velen als vanzelfsprekend werd ervaren, en van volledige werk-
gelegenheid. Zeggenschapsmogelijkheden werden verruimd door de
aanpassing van formele kaders zowel als door sociale ontwikkelingen.
Allerlei vormen van actie, verzet en burgerlijke ongehoorzaamheid kre-
gen een vergrote legitimiteit. In voorgaande paragrafen is al gewezen op
het verband tussen zulke verschijnselen, de ontwikkeling van de media
lo4  WRR. Etnische minderheden; Rapport aan de Regering nr. 17, 's-Gravenhage, Staatsuit-
geverij. 1979, blz. XVI.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 199 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 200 ======================================================================

<pre>en het beleid van de overheid. Uit een oogpunt van mediabeleid kan men
derhalve de vraag stellen naar de consequenties van het inzakken van de
groei en van de huidige sombere werkgelegenheidsperspectieven. Hier-
van is althans een ding met vrij grote zekerheid te zeggen, namelijk dat
werkloosheid, arbeidstijdverkorting, arbeidsongeschiktheid en dergelijke
de media een groter publiek verschaft. Veel al dan niet vrijwillig werklo-
Zen blijken voor hun vrijetijdsbesteding namelijk sterk afhankelijk van de
media. Zoals eerder in dit hoofdstuk betoogd is het hachelijk uitspraken
te doen over de invloed van media op hun publiek en omgekeerd. Men
kan zich voorstellen dat het buiten het arbeidsbestel geraken van grote
delen van de recruteringsbevolking zowel tot radicalisering kan leiden als
tot apathie.
    In beide gevallen kan overigens sprake zijn van een verminderde iden-
tificatie van degene die niet aan de slag komt met onze maatschappij,
aangezien deze identificatie nauw samenhangt met d e mogelijkheden tot
het verrichten van arbeid. Aan arbeid wordt zowel satisfactie als frustra-
tie ontleend. Vandaar dat een stabiel functioneren van het arbeidsbestel
niet vanzelfsprekend is. Dit is voor het mediabeleid v a n belang omdat de
wijze van articuleren van opvattingen, werven van aanhang, het voeren
van oppositie en het opkomen voor het eigenbelang bij minder stabiel
functioneren zal afwijken van hetgeen in institutionele kaders in het ver-
leden placht te gebeuren. Hierdoor kunnen normen m e t betrekking tot de
vrije meningsuiting, het functioneren van de politieke democratie en de
toereikendheid van het media-aanbod (pluriformiteit) in het geding
komen. De vraag is of een mediabestel zoals het bestaat, of zoals het in
dit rapport in aanbevelingen geconcipieerd is, bestand zal zijn tegen de
hier bedoelde mogelijk geachte instabilisering van d e maatschappij en of
ook de instrumenten en procedures voor beleid, als ook de institutionele
verankering, sterk genoeg zijn om een grotere en andere verscheiden-
heid aan meningen en uitingsvormen (radicalisering, extremisme) toe te
laten zonder zelf de instabilisering te vergroten. Deze vraag is wellicht
niet als zodanig te beantwoorden. Het is echter we1 zaak de mogelijkheid
van een ontwikkeling in deze zin niet te veronachtzamen en de inrichting
en het adequaat functioneren van het mediabestel ook waar mogelijk
vanuit dit gezichtspunt te bezien.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 200 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 201 ======================================================================

<pre>  8.    EEN SAMENHANGEND MEDlABELElD
  8.1    Concluderende beschouwingen
  8.1.1   De technische ontwikkeling
      In dit rapport heeft de techniek een zwaar accent, in zoverre dat het
  erom gaat vanuit de technologische ontwikkelingen de mogelijkheden te
  onderzoeken voor een samenhangend mediabeleid. Deze technologische
  ontwikkelingen, vooral op het gebied van de telecommunicatie, zijn
  belicht in hoofdstuk 4. Hierbij is een onderscheid gemaakt tussen
  omroep via de ether (met de kabel als aanvullend finaal transmis-
  siemedium voor via de ether uitgezonden programma's), informatie-
  distributie via de kabel als zelfstandig nieuw medium ook voor afzon-
  derlijk af te rekenen transmissiediensten, en de drukpers. Opties die niet
  rechtstreeks uit de technologische ontwikkelingen voortkomen, zoals een
  nationale omroep of een non-profit bestel voor de pers, worden niet
  behandeld. Het rapport heeft derhalve een beperkt kader. Het beoogt
  zichtbaar te maken wat de technologische vernieuwingen kunnen bete-
  kenen voor het bestaande mediabestel, welke nieuwe mogelijkheden zich
  aandienen en waar verworvenheden worden bedreigd. Aldus wordt
  gepoogd aan te geven op welke fundamenten het overheidsbeleid zal
  moeten rusten. Uiteraard spelen bij de concrete beleidsvorming norma-
  tieve elementen mee, zowel van tamelijk dwingende aard, zoals de alge-
  meen aanvaarde uitgangspunten met betrekking tot uitingsvrijheid, als
  van actueel-politieke aard. Voorts dienen autonome economische en
  maatschappelijk-culturele ontwikkelingen in de beschouwing te worden
  betrokken.
      De meeste Nederlanders zullen de gevolgen van de technische ont-
  wikkelingen vooral ervaren via het beeldscherm van hun televisietoestel.
'
  Voor de radio, die zich al vergaand heeft ontwikkeld van centraal gezins-
   medium tot medium voor individueel gebruik (nieuws, achtergrond-
  muziek, gebruik in de auto) zijn niet meteen grote vernieuwingen te ver-
  wachten, reden waarom in dit rapport minder aandacht is besteed aan
  de radio-omroep. Voor de pers ligt dit anders. In de eerste plaats is de
  pers in haar functioneren rechtstreeks betrokken bij de technologische
  vernieuwing, die het grafisch ambacht een diepgaande verandering doet
  (en al heeft doen) ondergaan. Voorts is de pers, zowel in vele van haar
  uitgeoefende functies, als doordat zij qua financiering van dezelfde
  (rec1ame)bron afhankelijk is als veel van de nieuwe telecommunicatieve
  diensten, onmiddellijk betrokken bij de vernieuwingen met betrekking tot
  de omroep en het aanbod van die nieuwe diensten. In een samen-
  hangend mediabeleid dient derhalve steeds te worden gerekend met de
  effecten van maatregelen op het gehele gebied van zowel omroep als
  pers. Dit is mede noodzakelijk omdat de traditionele scheiding tussen
  deze gebieden zal vervagen, dat wil zeggen dat van dezelfde boodschap
  in beginsel via verschillende media kennis zal kunnen worden genomen.
  De nieuwe media opereren als het ware in het grensgebied van omroep
  en pers.
      Het staat vast dat door de technische ontwikkeling het etherbestel een
  exclusief kenmerk gaat verliezen, te weten de horizongebonden uitstra-
  ling die eigen is aan aardse zenders: met de komst van omroepsatel-
  lieten krijgt ons omroepbestel er een internationale dimensie bij. De mate
  waarin internationale satelliet-tv zich zal doorzetten is echter vooral eco-
  nomisch bepaald en weinig gevoelig voor nationale regelgeving. Vanuit
  de techniek is dan ook op directe wijze geen grote druk op de etherom-
  roep te verwachten. In de conventionele frequentiegebieden zijn geen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 201 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 202 ======================================================================

<pre>verschuivingen te verwachten; het beschikbare zenderpark voldoet en
laat zelfs grotere informatiestromen toe door efficienter gebruik. Een set
frequenties voor een derde tv-kanaal in ons land is nog ongebruikt.
    De belangrijkste vernieuwingen zullen zich voltrekken door uitbreiding
van de toepassing der bredebandtransmissie via d e kabel. Hierbij is 0.a.
te denken aan de zo veelbelovende glasvezelkabel, maar ook de huidige
coaxiaalkabel, waarvan op het ogenblik in Nederlandse bodem naar
schatting 50 miljoen kilometer ligt, biedt nog vele mogelijkheden. De
technologie van de optische communicatie via glasvezelkabel is al ver
ontwikkeld: het is nu al mogelijk door middel van twee vezeltjes glas,
waarlangs telecommunicatie via lichtsignalen plaatsvindt, een huis te
voorzien van vier televisieprogramma's, dertig stereogeluidskanalen,
telefoon en viewdata, waarna nog andere mogelijkheden overblijven.
Men kan in een glasvezelnet volstaan met minder signaalversterkers, het-
geen een gunstige,invloed heeft op de kosten. Hoewel al pre-
 operationele toepassingen zijn gerealiseerd, lijkt het realistisch volledige
 invoering van glasvezelkabels in Nederland niet voor het jaar 2000 te ver-
wachten. De huidige coaxiaalkabel bergt intussen ook nog vele mogelijk-
 heden in zich, hoewel technische aanpassingen en wijzigingen van de
 meeste kabelsystemen vereist zijn voor grotere benutting van die
 mogelijkheden. Dit is des te interessanter omdat Nederland, dat nu al
 voor ongeveer 60% is bekabeld, in 1983 3,4 miljoen aansluitingen zal tel-
 len, waarmee de - internationaal zeer hoge - kabeldichtheid van 85%
 zal zijn bereikt.
    Tot dusver worden de kabels vooral gebruikt als doorgeefmedium voor
 ethersignalen, zowel voor televisie als radio en zowel voor binnenlandse
 als buitenlandse zenders. De kabel vervangt dan d e individuele antenne.
 Ook bij het doorgeven van satelliet-programma's o f het overnemen van
 de teletekst-dienst van de NOS wordt de kabel als doorgeefmiddel
 gebruikt. Doordat op de kabel echter zovele transmissiekanalen ter
 beschikking staan (goede coaxiaalkabels bieden al ruimte voor een der-
 tigtal tv-kanalen, dat wil zeggen meer dan waaraan thans behoefte is)
 wordt het ook mogelijk de kabel als nieuw medium t e benutten voor het
 overbrengen van niet of niet tezelfdertijd via de ether verspreide
 informatie. Hierdoor daalt tevens de druk op het beperkte aantal ether-
 frequenties. Via de 'vrije' kanalen kunnen bijvoorbeeld speciaal voor
 kabeldistributie gemaakte programma's worden verzonden. Hierbij kan
 men denken aan het rechtstreeks op de kabel zetten van eigensoortige
 lokale radio- en televisie-omroeprogramma's, bijvoorbeeld programma's
 voor minderheden of minderheidsinteressen, of aan een publiekskanaal
 voor door amateurs zelfgemaakte programma's in d e sociaal-culturele
 sector (volwasseneneducatie, samenlevingsopbouw), maar uiteraard ook
 aan programma's buiten de welzijnssfeer. Hiernaast maakt het kabelnet
 ook toezending naar keuze, respectievelijk op aanvraag mogelijk van spe-
 ciale videoprodukties (abonnee-tv) of alfanumerieke informatie (video-
 tex), die in beginsel per televisiekanaal of per afgenomen pakket apart
 kunnen, respectievelijk moeten worden afgerekend. Het laat zich aanzien
 dat juist dit gebruik van de kabel als zelfstandig medium in de toekomst
 van het grootste belang zal zijn.
     Evenals de ethermedia en de kabel evolueert de pers. Er bestaat in de
 grafische sector een grote belangstelling voor nieuwe produktie- en
 distributiesystemen, waarbij in de toekomst de mogelijkheden van de
 kabel en zelfs het gebruik van een home-printer (t&kstafdrukapparaat in
 de huiskamer) zouden kunnen worden benut bij het distribueren van een
  'kabelkrant'. Ook eventuele toegang van de pers t o t teletekst is in dit
 verband aan de orde. Het gaat hier om mogelijkheden op middellange
 termijn. Wat betreft het traditionele dagblad is sprake van verdere auto-
  matisering van redactionele vervaardiging en opmaak, toenemende
  internationalisering van de aanvoer, in het bijzonder via de satelliet, toe-
  nemende toepassing van computertechnieken en verkorting van het ver-
 werkingsproces; het toekomstige dagblad zal zich kenmerken door meer
  specialisering (produktie van 'kranten op maat', dat wil zeggen een alge-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 202 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 203 ======================================================================

<pre>meen gedeelte aangevuld door speciale bijlagen voor afzonderlijke groe-
peringen) en door uitgebreider gebruik van kleur ten behoeve van lezer
en adverteerder.
   Ten slotte zij hier gewezen op audiovisuele produkten die, evenals
omroep, nieuwe kabeldiensten en pers, ook de invloed van de nieuwe
technologie ondergaan. Hierbij is bijvoorbeeld te denken aan de snelle
opkomst van de videorecorder en aan de beeldplaat, die aan de soft-
pvarekant een 'culturele industrie' tot ontwikkeling zullen brengen die niet
zonder invloed op de bestaande media zal zijn.
8.1.2 Gevolgen aan de aanbodzijde
    In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op wat aan toepassingen van de nieu-
we technologie is te verwachten. Hier wordt derhalve slechts melding '
gemaakt van een aantal ontwikkelingen waarvan het algemene karakter
zodanig is dat de invloed niet tot een bepaald aspect beperkt zal blijven:
 - In de eerste plaats is in de nabije toekomst een aanbodverruiming en
 internationalisering van (televisie) programma's en produkties voor video
en audio te verwachten. De groei treedt zowel op in de programma's en
 produkties die via ether en kabel worden aangeboden als in de produk-
ties welke de kijkerlluisteraar op eigen beeld- en geluidsapparatuur thuis
 afspeelt. De keuze zal aldus aanzienlijk worden verruimd, zeker wanneer
 programmamakers ruim gebruik zullen maken van een toenemend en
 relatief goedkoop aanbod, zowel internationaal als lokaal, van video-
 produkties op band en plaat.
 - Bovendien valt uitbreiding van kleinschalige lokale omroep (radio en
 televisie) via de kabel te verwachten, waarbij prijsverlaging van opname-
 apparatuur een stimulans zal zijn. Het publieke karakter van omroep
 hangt samen met het kenmerk van algemene en ongerichte verspreiding.
 Strikt genomen is dit alleen bij etheruitzending het geval, maar distribu-
 tie via de kabel naar alle aangeslotenen vertoont hiermee op essentiele
 punten grote overeenstemming. Nog niet in werking getreden wijzigin-
 gen van de Omroepwet uit 1978 maken op dit punt tussen ether en kabel
 geen fundamenteel onderscheid meer. De in ontwikkeling zijnde consul-
 tatieve nieuwe diensten, zoals Viditel en teletekst, vormen nog een onze-
 kere factor: hun uitgroei tot media die een breed publiek bereiken, is
 vooralsnog onzeker; hun plaats in de wetgeving staat nog niet vast.
 - Voorts zullen zich nieuwe mogelijkheden aandienen om via de kabel
 programma's gericht toe te leveren en produkties op afroep beschikbaar
 te krijgen (abonnee-televisie en op den duur meer gedifferentieerde vor-
 men van kies-tv). Dit zal leiden tot individualisering van het mediage-
 bruik. Voor zover het aanbod een grotere keuzevrijheid mogelijk maakt,
 dragen de media ertoe bij dat de vrijetijdsbesteding een toenemend
 ge'individualiseerd karakter krijgt. Over de juridische plaats van deze
 media biedt ook de nieuwe Omroepwet geen duidelijkheid.
 - Ten slotte kan men grensvervaging en positieverandering van omroep
 en pers ten opzichte van elkaar en in relatie tot nieuwe diensten voor-
 zien. In hoeverre dit inderdaad leidt tot vervanging is niet te voorspel-
 len - dat hangt af van publieksacceptatie, waarbij beslissend zal zijn in
 hoeverre het aanbod een vraag zal weten te genereren. Ook het over-
 heidsbeleid is hier van groot belang. De huidige media worden onder
 verschillende regimes geexploiteerd, namelijk in een door de overheid
 beschermd publiek bestel (omroep) en in een vrije-marktbestel (pers).
 Het is de vraag of alle nieuwe media eenzelfde publiekrechtelijke
 bescherming - en de daarmee samenhangende beperking in de toe-
 gang - nodig hebben als de omroep thans geniet.
    Het lijkt in elk geval waarschijnlijk (en verstandig) dat de diverse media
 de komende jaren hun sterke punten trachten te ontwikkelen, dat wil
 zeggen die functies die niet of niet even goed door andere media vervuld
 kunnen worden. Dit is ook gebeurd bij de invoering van het medium tele-
 visie, toen dagbladen reageerden door zich minder toe te leggen op fei-
 telijke berichtgeving en meer aandacht te besteden aan achtergrond-
 informatie, opinie en commentaar.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 203 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 204 ======================================================================

<pre>  8.1.3   Ontwikkeling van de vraag
     Of het technisch mogelijke media-aanbod er ook werkelijk zal komen,
  is een moeilijk te beantwoorden vraag. Deels hangt dit immers ook af
  van het in de toekomst op dit gebied te voeren overheidsbeleid. Waar op
  de vrije markt het aanbod zich richt naar de vraag, liggen op de geregu-
  leerde markt - en juist radio en televisie worden i n Nederland gecon-
, fronteerd met zo'n gereguleerd bestel - de zaken minder eenvoudig.
  Echter, ook als we er hier vanuit gaan dat in een toekomstig bestel tech-
  nische potenties zoveel mogelijk tot ontwikkeling zullen worden
  gebracht, zullen de afzetmogelijkheden toch in sterke mate worden
  beheerst door consumentenvoorkeuren, die zelf door sociale, culturele
  en economische factoren worden bepaald.
     Wat de laatste betreft, is in hoofdstuk 6 vastgesteld dat, afgaande op
  de verwachte ontwikkeling van de gezinsinkomens in de komende jaren
  - gelijkblijvend of enigszins negatief - de ruimte voor toeneming der
  bestedingen op mediagebied beperkt zal zijn. Deze beperkte koopkracht
  van de consument zal zeker bepalend zijn voor de snelheid waarmee
  verschillende nieuwe media hun intrede kunnen doen. Zelfs indien men
  zou veronderstellen dat door de voorkeur van de consument de media-
  consumptie sneller zou groeien dan het beschikbare gezinsbudget, blijft
  het de vraag of een nieuw, groot elektronisch media-aanbod door de
  markt geheel kan worden opgenomen. In feite betekent dit dat de
  penetratie van nieuwe elektronische media zich over een lange periode
  zal uitstrekken dan we1 dat bepaalde onderdelen voorlopig niet aan bod
  zullen komen. Dit laat overigens onverlet dat op d e langere termijn nieu-
  we bestedingsmgelijkheden juist aan deze groeisector ten goede zou-
  den kunnen komen.
     Welke rol sociale en culturele factoren zullen spelen, lijkt nog moeilijker
  te voorspellen. In deze studie is er immers van uitgegaan dat aan sociale
  en culturele factoren - evenals aan technische en economische - een
  zekere zelfstandigheid toekomt. lndien wij ervan uitgaan dat aan de
  vraagontwikkeling grenzen zijn gesteld, zowel door inkomensbesteding
  als door tijdsbesteding, lijkt de voornaamste conclusie dat gemakkelijk
  convergentie kan optreden tussen hetgeen in de toekomst technisch
  mogelijk is en bestaande tendenties in de publieksvoorkeuren. In con-
  creto dient men de volgende tendenties in de vraagontwikkeling onder
  ogen te zien:
  - De uitbreiding van het aantal televisiekanalen is van invloed op de
  samenstelling van het programmapakket. De ervaring in andere landen
  (de VS, Groot-Brittannie) leert dat aanbodsverruiming tot grotere afname
  van verstrooiende programma's leidt; het aandeel van speelfilms en
  andere vormen van populair amusement neemt toe. Anderzijds is de
  inrichting van 'special interest' kanalen denkbaar.
  - De belangstelling voor feitelijke berichtgeving (het journaal) blijft wel-
  iswaar constant, maar naar informatieve programma's met diepgravende
  beschouwingen wordt relatief minder gekeken. De verschuiving gaat
  vooral ten koste van culturele programma's: klassieke drama's, ballet,
  poezievoordrachten, forumdiscussies en documentaires over praktisch
  elk onderwerp; hiervoor is de belangstelling toch al niet zo groot.
  - Er zal zich een duidelijke belangstelling voor abonnee-televisie (en in
  het algemeen kies-tv) ontwikkelen waarbij de kijker vooral een extra por-
  tie zal afnemen van de populairste programmasoorten (speelfilms, sport).
  - Lokale radio- en tv-omroep kan op belangstelling rekenen, vooral
  indien de zender meer dan enkele uren per dag in d e lucht is en een op
  de lokale of regionale situatie gericht programma aanbiedt waarin ook
  het onderdeel verstrooiing een ruime plaats krijgt. Lokale radio en televi-
  sie zijn een aantrekkelijk advertentiemedium voor d e plaatselijke mid-
  denstand; het verschijnsel etherpiraten houdt hiermee verband.
  - De radio wordt vooral gebruikt als achtergrondmedium tijdens
  beroeps- en huishoudelijke arbeid; een verdere specialisatie van het aan-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 204 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 205 ======================================================================

<pre>bod naar specifieke deelgroepen is wellicht te verwachten (etnische min-
derheden, klassieke-muz/ekliefhebbers).
- De videorecorder kan worden gebruikt om produkties te bekijken die
beter aansluiten bij de eigen voorkeur; indien er meer keuze aan pro-
gramma's via de kabel komt zou de behoefte aan het afspelen van
materiaal op eigen banden kunnen dalen. Over de beeldplaat bestaan
uiteenlopende verwachtingen; de lage prijs die er in de toekomst wellicht
voor gevraagd wordt, kan een breed publiek aanspreken.
- Van de nieuwe diensten op alfanumeriek gebied (teletekst, viewdata)
valt - zoals reeds werd opgemerkt nog moeilijk te voorzien in hoeverre
deze videotex-varianten bestaande media zullen verdringen, dat wil zeg-
gen of werkelijk substitutie optreedt; teletekst lijkt vooral een concurrent
te zijn voor gedrukte media die voorzien in overzichten van gegevens,
zoals programmabladen; voor viewdata is, mede door de hoge kosten,
de particuliere belangstelling vooralsnog gering, maar dit kan veranderen
als het aantal geeigende toepassingen toeneemt. Binnen afzienbare tijd
lijkt een grootscheepse verspreiding van viewdata in ons land (Viditel)
niet waarschijnlijkl.
- Er vindt een voortgaande concurrentie plaats tussen grafische en
audiovisuele informatie; de plaats van sommige categorieen van het
gedrukte woord in het tijdsbestedingspatroon wordt verzwakt. Dit wil
niet zeggen dat de behoefte aan grafische media zal verdwijnen maar
van sommige van deze media zal aanpassing worden gevraagd naar de
vorm waarin zij verschijnen (als communicatieprodukt eventueel via een
beeldscherm af te nemen) en naar de inhoud (ook hier meer selectie); de
acceptatie zal mede afhangen van de opmaak en presentatie.
8.1.4 Reclame
    Media plegen voor hun financiering en exploitatie afhankelijk te zijn
van hun lezers, kijkers of luisteraars en van de advertentiemarkt. De
afhankelijkheid van advertenties loopt voor de verschillende media uit-
een. De omroep ontleent thans 25% van zijn inkomsten aan de STER-
reclame; op de vrije markt plegen dagbladen ten minste de helft van hun
verdiensten door advertenties te krijgen, terwijl dit voor sommige, op een
duidelijk herkenbaar publiek gerichte, tijdschriften (zogenoemde special
interest-bladen) rond Ben kwart ligt. In hoofdstuk 6 is vastgesteld dat de
reclame-inkomsten de laatste decennia een vrij grillig verloop hebben
gehad. Onder de huidige omstandigheden lijkt voor de voorzienbare toe-
komst zeker geen uitbreiding van reclamebudgetten te verwachten.
Toetreding van nieuwe, met behulp van reclame geexploiteerde, media
zal derhalve betekenen dat dezelfde reclame-gulden over meer of over
andere organen wordt verdeeld.
    Abonnee-tv, viewdata, teletekst, regionale omroep, lokale radio en
lokale kabel-tv of een 'kabelkrant' kunnen in beginsel allemaal drager van
advertenties worden. Een specifiek probleem kan hier de al dan niet toe-
laatbaarheid zijn van een overrompelende invoegtechniek (welke een
gevolg kan zijn van presentatie op het beeldscherm). Nieuwe adver-
tentievormen kunnen voorts ernstige gevolgen hebben voor de exploita-
tie van de bestaande omroep en pers. Dit is deels afhankelijk van over-
heidsbeleid met betrekking tot de toetreding en uiteraard ligt hier een
argument dat de overheid ernstig in overweging zal dienen te nemen. Op
de vrije markt zijn met betrekking tot de verdeling van reclamevolume
over nieuw en bestaand media-aanbod de afgelopen tien jaar twee
(tegengestelde) tendenties opgetreden. lngeval van de huis-aan-huis-
bladen zijn nieuwe media opgekomen die volledig afhankelijk zijn van
advertenties en die dus ook sterk concurrerend werken ten aanzien van
bestaande persorganen. De groei van de special interestbladen is voor
driekwart rechtstreeks door de lezers gefinancierd (abonnementen, losse
    Stuurgroep ter begeleiding van de PTT-praktijkgroep met viewdata, Eindrapport; 's-Gra-
 venhage, 1982.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 205 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 206 ======================================================================

<pre>verkoop). We zien hier twee tegenpolen, ook op het gebied van redac-
tionele kwaliteit. De groei van de special interest-bladen toont in elk
geval dat op de lezersmarkt mogelijkheden liggen voor een kwalitatief
hoogwaardig produkt. De afzet daarvan wordt dan gevonden in markt-
segmenten met een relatief hoog opleidings- en inkomensniveau, het-
geen tevens bepalend is voor verdere groeimogelijkheden van deze cate-
gorie bladen.
   Voor de toekomst is rekening te houden met autonome ontwikkelingen
die maar ten dele binnen de invloedssfeer van de overheid vallen: hierbij
is te denken aan verschuivingen tussen persorganen onderling en aan de
internationalisering ten gevolge van satellietreclame. We1 heeft de over-
heid invloed op het reclamevolume in de ether (tot uitbreiding waarvan
overigens al is besloten). Met betrekking tot de nieuwe elektronische
media zal in het algemeen de vraag naar de organisatie van de markt
(vrije toetreding, concessiesysteem, publiek) voorafgaan aan de vraag
naar exploitatie met of zonder reclame. Doordat alles wat via de kabel
komt in beginsel individueel afrekenbaar is, althans vanuit technisch
standpunt gezien, zal immers commerciele exploitatie zonder reclame
(bijv. bij abonnee-tv) ook tot de mogelijkheden behoren. Bij omroep
waarbij een specifiek informatiepakket niet per client kan worden afgere-
kend, geldt dit niet.
   De positie van de overheid wordt door de nieuwe ontwikkelingen
gecompliceerder. Zij dient haar positie te bepalen jegens ontwikkelingen
die buiten haar directe invloedssfeer liggen (0.a. internationalisering);
voorts dient zij in haar eigen beleid ten aanzien van bestaande (ether-)
en nieuwe (kabel-) reclamemogelijkheden de positie en kwetsbaarheid
van de onderscheiden media in het oog te houden. Dit geldt ook voor
het toekomstig voorwaardenbeleid voor nieuwe media. Toetreding tot en
exploitatie van de nieuwe diensten zal immers evenzeer de mogelijk-
heden bei'nvloeden van het bestaande media-aanbod. Hierbij is voorts te
bedenken dat de keuze van al of niet exploiteren via reclame (en de
hiermee verbonden keuze voor publieke sector of markt) bepalend kan
zijn voor de vraag of een nieuw medium inderdaad t o t ontwikkeling
komt.
   In het licht van het hier gestelde is duidelijk dat d e overheid reclame
mede moet betrekken in haar beleid. Daarbij gaat h e t niet om het be-
heersen van reclamestromen. Zulks is immers onverenigbaar met een
vrije marktordening. lndien samenhangend beleid wordt gevoerd, zal de
overheid echter de te verwachten gevolgen van beleidsbeslissingen die-
nen te toetsen aan haar eigen uitgangspunten en doeleinden en met
name steeds moeten kijken wat de gevolgen zijn voor andere media dan
die waarop maatregelen gericht zijn. Daarin zit de legitimatie o m in het
voorwaardenbeleid af te wegen in welke mate een nieuw medium met
behulp van reclame mag worden geexploiteerd.Hoewel duidelijkheid
omtrent zulke gevolgen niet altijd zal bestaan, is we1 een minimum-eis
dat de overheid zo spoedig mogelijk duidelijkheid schept omtrent eigen
intenties. Alleen dan immers kunnen die andere media tijdig de gevolgen
trachten te pareren die zij voorzien.
8.1.5 Redenen voor overheidsbeleid
   Over de redenen voor overheidsbeleid wordt gesproken in hoofdstuk 2.
Daar is vastgesteld dat de overheid een indirecte taak heeft in de
totstandkoming (zonder bemoeienis met de inhoud) van een media-
 aanbod waarin de maatschappelijke verscheidenheid tot uiting kan
 komen. Tevens is hier onderscheid gemaakt tussen mediabeleid in strikte
zin, als beleid dat vooral verband houdt met het politiek grondrecht van
de vrijheid van meningsuiting en -vorming, en beleid dat wordt gevoerd
uit hoofde van culturele overwegingen (ter verspreiding en behoud van
culturele waarden en om de bevolking te laten participeren in deze waar-
den). Het beleid kan sterk be'invloed worden door specifieke omstandig-
heden, zoals het aanwezig zijn van instellingen als d e omroep-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 206 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 207 ======================================================================

<pre>verenigingen. Vastgesteld is dat de regulering van het omroepbestel in
oorsprong teruggaat op technische schaarste: de overheid verdeelde de
schaarse zendtijd in de (ether)omroep. Nu door de komst van de kabel
deze relatieve schaarste is opgeheven, dient dus allereerst de vraag te
worden bezien of hiermede niet ook de noodzaak voor over-
heidsregulering is opgeheven, respectievelijk in hoeverre deze om
andere redenen nog als wenselijk en redelijk is te beschouwen. Relatieve
schaarste behoeft immers een autonome aanpassing van vraag en aan-
bod niet in de weg te staan, zoals ook bij de pers - waar geen tech-
nische schaarste aanwezig is - de economische schaarste, dat wil zeg-
gen de vrije markt, vraag en aanbod reguleert.
   In hoofdstuk 2 is vastgesteld dat de inrichting van het bestel geen
neutraal gegeven is. Tussen de vrije marktordening, waaronder de pers
werkt, en het publiekrechtelijke omroepsysteem bestaan grote verschil-
len; zowel voor de handelingsvrijheid van de overheid als voor de wijze
waarop de aanbieders kunnen toetreden tot en functioneren in de media
is de aard van het bestel van belang. Een vrije markt laat de overheid
slechts beperkte ruimte tot interventie. Overheidsmaatregelen zullen er
immers aan worden getoetst dat zij in beginsel de mededinging tussen
aanbieders in tact moeten laten. Waar de uitingsvrijheid en de hiermee
verbonden pluriformiteit in de richting wijzen van een zo vrij mogelijke
toetreding tot de markt van aanbieders, zal de overheid duidelijke argu-
menten moeten hebben wil zij tot regulering of interventie overgaan. Ook
bij de inrichting van een publiekrechtelijk bestel stelt het feit dat
hiernaast een vrije rnarkt bestaat, grenzen aan de overheidsinterventie.
Zo kan bijvoorbeeld bij het reguleren van reclame als financieringsbron,
de overheid niet vrij haar gang gaan. De voortdurende controverses die
hierover bestaan zijn dan ook verklaarbaar. In ons land is, anders dan
bijvoorbeeld in Engeland, gekozen voor een vorm van reclame waarbij
elke andere organisatie dan de omroep (STER) van exploitatie is uit-
gesloten. Deze - gemonopoliseerde - activiteit op de (reclame)markt
heeft, principieel gezien, het aanvankelijke strikt niet-reclame gebonden
karakter van de omroep in ons land doorbroken. Andere deelnemers op
die markt, zoals de verschillende persorganen, kunnen de omroepconcur-
rentie niet pareren. Dit noopt de overheid tenminste tot grote terug-
houdendheid, vooral omdat het zeer moeilijk is een bevredigende com-
pensatieregeling te treffen. Zulks is gebleken bij het compenseren van de
terugslag die de STER heeft gehad op de exploitatie van persorganen.
   Wanneer bij een aantal nieuwe diensten, in het bijzonder bij de benut-
ting van videokanalen in kabelsystemen, technische schaarste niet aan-
wezig is en economische schaarste de markt van aanbod kan reguleren,
is financiering door abonnementsgelden, eventueel aangevuld door
reclame-inkomsten, goed denkbaar. De toetreding kan dan vrij worden
gelaten, behoudens eisen die aan deelnemers aan het economisch leven
plegen te worden gesteld, zoals voldoende kredietwaardigheid en der-
gelijke. Wel moet in een samenhangend mediabeleid het effect op
andere media mede in ogenschouw worden genomen, maar vanuit de
uitgangspunten van uitingsvrijheid en pluriformiteit kan zich slechts
reden tot ingrijpen voordoen indien essentiele functies, die niet op
andere wijze kunnen worden uitgeoefend, zullen worden aangetast.
   Daarbij doet zich nu echter het actuele probleem voor dat weliswaar
technologische kennis om nieuwe media tot ontwikkeling te brengen
ruimschoots voorhanden is, maar dat de financieringsmogelijkheden en
daaronder met name de reclamebestedingen relatief beperkt zijn. De
vraag is dan ook aan de orde naar de rol van reclame ter ondersteuning
van de financiering. Daarbij voegt zich de vraag of met het oog op eisen
van pluriformiteit, ook ten aanzien van bestaande media, de overheid in
het kader van een samenhangend mediabeleid de bevoegdheid moet
hebben ter zake regulerend op te treden.
   De Raad wil er overigens in dit verband op wijzen dat, anders dan het
veelal wordt voorgesteld, commercie en pluriformiteit niet elkanders
tegenpolen behoeven te zijn. Historisch was het juist andersom: de over-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 207 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 208 ======================================================================

<pre>heid bedreigde aanvankelijk de vrijheid van meningsuiting (zoals in
hoofdstuk 2 uiteengezet is het vrijheidsrecht dan ook in eerste instantie
tegen de overheid gericht) en de emancipatie van d e drukpersmedia
vond juist dankzij commerciele exploitatie plaats. Ook nu nog is het feit
dat een gehele mediasector - de pers - mede afhankelijk is van recla-
me-inkomsten, dus van inkomsten die niet rechtstreeks door de overheid
kunnen worden be'invloed, geen bedreiging van d e uitingsvrijheid. Het
vermogen tot zelffinanciering kan juist als waarborg van deze vrijheid
worden gezien. Dat commerciele exploitatie een alternatief is, is op zich-
zelf dus geen legitimering voor overheidsinterventie bij bestaande en
(vooral) nieuwe media. Gezien de wens technische potenties zoveel
mogelijk tot ontwikkeling te laten komen, is de mogelijkheid tot commer-
cieel lonende exploitatie juist toe te juichen. Overheidsinterventie daarbij
wordt echter aanvaardbaar indien het gegrond vermoeden bestaat dat
aan in het kader van mediabeleid of cultuurbeleid als essentieel en
onvervangbaar beoordeelde functies tekort wordt gedaan bij exploitatie
op de vrije markt. Dan is er een grond voor de bemoeienis van de over-
heid met toetreding en financiering.
   De Raad wijst erop dat deze opvatting ondersteuning vindt in een
Nederlandse beleidstraditie, welke wil dat de overheid zich op cultureel
gebied in het algemeen beperkt tot voorwaardenscheppend beleid en
ruimte laat voor particuliere initiatieven, waarbij slechts intervenierend
wordt opgetreden als wezenlijke beleidsdoelstellingen zulks vergen. Dit
laatste laat overigens onverlet dat in concrete gevallen de overheid, op
grond van de in hoofdstuk 2 aangegeven uitgangspunten van mediabe-
leid, deugdelijk zal moeten aantonen dat inderdaad een interventie ertoe
dient om, bijvoorbeeld, het stelsel van pluriformiteit in de omroep te
behouden, de functies van andere media te beschermen of om het
informatie-aanbod in nieuwe media niet op negatieve wijze onderge-
schikt te maken aan commerciele motieven. Het zal duidelijk zijn dat
hieruit voor de wetgever zelfs de verplichting kan voortvloeien de toe-
gang tot deze media te reguleren. Uiteraard dienen de voorwaarden voor
toetreding van aanbieders dan te voldoen aan objectieve criteria, die in
een wet vastgelegd moeten zijn.
   Samenhangend mediabeleid is in het licht van het bovenstaande te
definieren als een probleem van compatibiliteit. Het gaat erom nieuwe
mogelijkheden op mediagebied zo goed mogelijk t e bevorderen, zodat
een zo rijk mogelijk aanbod van diensten tot stand komt. Echter dient ook
rekening te worden gehouden met verworvenheden uit het verleden in
zoverre zij een reele bestaansgrond hebben.
8.1.6   Functies van de media
   Voor de bemoeienis van de overheid met de media is het voorts van
belang een onderscheid te maken tussen enerzijds de aard van hun aan-
bod (resp. informatieve en educatieve/expressieve functie) en anderzijds
hun daadwerkelijk functioneren.
   Het stelsel van overheidszorg functioneert in Nederland - ondanks
overeenkomst, respectievelijk overlap,- gescheiden naar gelang het gaat
om de pluriforme informatievoorziening dan we1 d e expressieve functie.
Tot de informatieve functie worden nieuws, achtergronden, beschouwin-
gen en opinies gerekend. Hier is sprake van mediabeleid, dat recht-
streeks teruggaat op het grondrecht van de uitingsvrijheid, met alle ver-
plichtingen en beperkingen van dien. Tot de expressieve functie zijn te
rekenen voordracht, verhalen, drama, theater, ballet, muziek en educatie.
Hier is sprake van cultuurbeleid. In het algemeen is te zeggen dat de
pers vooral voorwerp van mediabeleid zal zijn, terwijl omroepbeleid naast
mediabeleid ook cultuurbeleid is. Hierbij hanteert d e overheid doelstel-
lingen met betrekking tot verspreiding van culturele waarden en par-
ticipatie in deze waarden. In hoofdstuk 2 is uiteengezet dat indien vanuit
verschillende doelstellingen beleid wordt gevoerd, bij conflicten het
 mediabeleid voorgaat. Daar is immers het vrijheidsrecht in het geding.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 208 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 209 ======================================================================

<pre>   Op het niveau van instrumenten zijn de verschillen tussen pers en
omroep evident. In het publiekrechtelijk omroepbestel zijn zowel toela-
ting als financiering bij de wet geregeld. Bij de pers werkt eventuele kre-
dietverlening door de overheid marktaanvullend. Door technologische
vernieuwing en invoering van nieuwe media kunnen veranderingen
optreden met betrekking tot de functies van de media, die eventueel ook
tot een verandering kunnen leiden van de positie van de overheid. Hierbij
is het overigens van belang de repercussies te bezien voor andere cul-
tureel relevante beleidssectoren.
    In concreto kan bijvoorbeeld bij de (ether) omroep worden gedacht
aan het effect van het sterk vergrote programma-aanbod dat in aantocht
is, met betrekking tot de publieksbehoeften. In het algemeen zal het
nieuwe aanbod door middel van satelliet, eventueel aanvoernet van bui-
tenlandse programma's en abonnee-televisie sterk publieksgericht zijn of
althans keuze van meer publieksgerichte programma's in de hand wer-
ken. Dit kan reden zijn om de functie van een publiek omroepsysteem,
zoals het Nederlandse is, opnieuw te bezien op grond van cultuur-
 politieke overwegingen. Hoewel er geen twijfel aan kan bestaan dat de
televisie binnen het publieke stelsel - vanwege de aard van het
 medium, maar vooral omdat anders de publieke omroep in een elitaire
 positie belandt - een breed publiek zal moeten bedienen, kan er, naar
gelang juist verstrooiingsaanbod hier buitenom tot stand komt, toch
reden zijn voor de publieke omroep meer specifieke functies te mar-
keren. Hierop wordt teruggekomen in paragraaf 8.2.
    Hiernaast kunnen er posities worden aangetast die niet op adequate
wijze vervangen kunnen worden. Dit geldt in het bijzonder voor de pers,
in casu de dagbladen, waarvan het bestaan kan worden bedreigd indien,
zoals te verwachten, nieuwe reclamemogelijkheden in de ether en op de
kabel deels ten koste van de pers gaan. Hierbij speelt de eigen aard van
media een rol. Er is nu eenmaal een objectief gegeven bestand van ster-
ke en zwakke punten bij de verschillende media. De pers is vooralsnog
van belang voor een brede en continue informatievoorziening op
 maatschappelijk-politiek terrein, onontbeerlijk voor het goed functioneren
van de democratie, terwijl de ethermedia een aantal onderwerpen op
geheel eigen wijze kunnen dramatiseren en in wijde kring onder de
aandacht kunnen brengen. Zoals gezegd hangt het verschil in mogelijk-
heden samen met eigenschappen van de verschillende media. Televisie
heeft het unieke vermogen de kijker als het ware lijfelijk te confronteren
met personen en situaties in de wereld, maar met haar afhankelijkheid
van beelden en haar tot versimpeling dwingend formaat, leent televisie
zich veel minder goed dan de pers tot het weergeven van abstracte
gedachten, uitvoerige redeneringen en alles wat niet visueel is. Beide
media leveren een bijdrage aan het ge'informeerd raken van de burger.
Radio-omroep heeft op de andere media vooralsnog de snelheid en flexi-
biliteit voor. Voor het beleid is van belang dat deze media niet in al hun
functies equivalent en dus ook niet vrij uitwisselbaar zijn. Hieruit is een
wenselijkheid af te leiden de pluriformiteit per categorie te bezien. De
beleidmaker mag er immers geen genoegen mee nemen dat bijvoorbeeld
drukpersorganen door etherkanalen worden vervangen indien hier van
gelijkwaardige vervanging geen sprake kan zijn.
    In dit verband zij ook nog de in hoofdstuk 7 aangehaalde 'agenda-
setting' theorie gereleveerd, volgens welke de media in hoge mate bepa-
len waarover de mensen praten en waarover zij zich opinies vormen. Het
lijkt plausibel dat wie niet doordringt tot de 'agenda' in de politiek-
maatschappelijke discussie en besluitvorming een achterstand oploopt
op degenen die er we1 op komen; vergelijk het verschijnsel van 'vergeten
groepen'. Diverse media dragen, elk op hun eigen wijze, aan het 'setten'
van de agenda bij: de (dagb1ad)pers fungeert veelal als aanjaag-
mechanisme, maar in het huidige bestel geeft vooral de televisie de
bevolking een gezamenlijk referentiekader. Ook dat is een aansporing om
pluriformiteit na te streven per categorie.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 209 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 210 ======================================================================

<pre>8.1.7   Media, industrie en werkgelegenheid
   Industriele aktiviteiten die verband houden m e t media bevinden zich in
ons land in een gunstige uitgangspositie. De bekabelingsgraad is hoog
en de elektronische industrie sterk. Ons land kent voorts een zeer
ontwikkelde uitgeverij-bedrijfstak, waarin ook de hoog ontwikkelde en
sterk exporterende wetenschappelijke uitgeverijen een belangrijke functie
vervullen. Ook is de consumptieve vraag naar mediaprodukten zeer
ontwikkeld. Verder beschikt het publieke omroepbestel over een aan-
zienlijk potentieel qua produktie en kennis.
   Tegenover deze pluspunten staat echter de toekomstverwachting van
een weinig expansieve vraag. Hierdoor kan het t o t ontwikkeling brengen
van nieuwe mediadiensten toch problematisch zijn. Tegenover verlies
aan afzetmogelijkheden staan, vanwege beperkingen i n het gebruik van
bestaande infrastructuur (kabel, etherfrequenties), geen grote mogelijk-
heden om elders te expanderen.
   In dit rapport wordt gekozen voor een verruiming van mogelijkheden
voor de marktconforme exploitatie zonder daarmee de reele verworven-
heden van het publieke bestel aan te tasten. De mogelijkheden om de
technische infrastructuur te ontsluiten betreffen audiovisuele en video-
tex-diensten, zoals deze voornamelijk via de kabel tot ontwikkeling kun-
nen worden gebracht. Hierop wordt nader ingegaan in paragraaf 8.3.3.
Aldus kan de marktsector over zekere mogelijkheden tot expansie
beschikken. Voorts zouden experimenten door d e overheid bevorderd
kunnen worden waarbij meer geavanceerde diensten (kies-tv en in het
algemeen tweewegsystemen) mogelijk worden gemaakt. Gezien de grote
risico's die bij het ontwikkelen van nieuwe diensten optreden en de
ongewisheid van de voorkeuren van de consument met betrekking tot
deze innovaties, moet hier in eerste aanleg met experimenten worden
volstaan. Door binnenlandse marktverruiming worden wellicht ook gun-
stige voorwaarden geschapen om in de softwareproduktie internationale
markten te betreden.
   Ervan uitgaande dat het aanbod cultureel-maatschappelijke waarde
heeft en afnemers vindt, dat wil zeggen ook economische waarde heeft,
zijn ondersteunende infrastructurele voorzieningen van overheidswege
gewenst.
Te denken is aan:
- scholing in de informatiesector (redactioneel werk, lay-out, presenta-
tie enz.), juist met het oog op de vervlechting van grafische en elek-
tronische media;
- bevordering van handel en export van de nieuwe typen produkties in
de softwaresector (dit geldt zowel voor de marktsector als voor de non-
profit organisaties);
- toezicht houden op kwaliteit van het informatietransport in de elek-
tronische media, in het bijzonder de specificatie van de kabelnetten, op
een zodanige wijze dat een groot aantal breedbandige kanalen (om de
gedachten te bepalen: ca 30),alsmede een aantal smalbandige kanalen
voor een groeiend aantal diensten gewaarborgd is.
   Ten aanzien van de hardwareproduktie is vooral te denken aan de spe-
cificatie van massaprodukten (huiskamer equipment) of zeer kostbare,
uitgebreide infrastructurele voorzieningen (kabels enz.). Om duidelijkheid
aan de fabrikanten te verschaffen zodat zij een planning voor de eerst-
komende vijf of tien jaar kunnen maken, is een systeemafspraak onder
auspicien van de overheid op korte termijn gewenst. Zoals op meerdere
gebieden het geval is, geldt ook voor massacommunicatieve systemen
voor teleinformatie dat deze slechts kunnen ontstaan op basis van
afspraken tussen overheid en bedrijfsleven. Ter voorbereiding van de
onvermijdelijk in afstemming te nemen beslissingen kan men ook aan
een permanente vorm van overleg denken waar adviezen ter zake van de
lange-termijn planning tot stand komen. (Soms vereist dit voorbereidend
speur- en ontwikkelingswerk: het onderzoek van de toepassingsmogelijk-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 210 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 211 ======================================================================

<pre>heid van glasvezel (DIVAC) is een voorbeeld van georganiseerde samen-
werking in de voorbereidingsfase).
   In de sector van de massamedia was ultimo 1980 werk voor rond
65.000 mensen. Deze sector heeft in de afgelopen decennia een sterke
groei van de werkgelegenheid te zien gekregen die ook in de tweede
helft van de jaren zeventig nog gehandhaafd bleef. Eerst na 1979 worden
tekenen zichtbaar dat ook bij de massamedia de werkgelegenheid
afneemt. Voor de langere termijn is het niet goed mogelijk ramingen te
geven. De algemeen economische ontwikkeling en de daarmee samen-
hangende vraag naar diensten van de media alsmede de ontwikkelingen
op technisch gebied zijn in dit verband van beslissend belang. Ten aan-
zien van de gedrukte media is verondersteld dat door de stagnatie in de
afzet (daling van de oplage en vermindering van de advertentie-
inkomsten) een daling van de werkgelegenheid zal plaatsvinden. Daarbij
komt dat door technische ontwikkelingen in de uitgeverij-gebonden gra-
fische industrie arbeidsplaatsen verloren zullen gaan. Wel wordt een deel
gecompenseerd door een verschuiving van grafisch-technisch werk naar
de leverancier van informatie. Een positieve impuls voor de werk-
gelegenheid in de gedrukte media zal optreden wanneer de persmedia
als informatieleveranciers ook van de elektronische media gebruik gaan
maken. De verveelvoudiging van het aanbod (kabel, omroep, video en
satelliet) houdt een hoge potentiele vraag naar software in zich. Het is te
verwachten dat de audiovisuele industrie een belangrijke groeisector kan
worden met gunstige perspectieven voor de werkgelegenheid.
   In de mediasector hebben zich in het verleden belangrijke technische
ontwikkelingen voorgedaan die steeds vergezeld gingen van een sterke
groei van de vraag naar de diensten van deze sector. Met name in de
grafische industrie hebben zich belangrijke veranderingen voorgedaan
waardoor ook de inhoud van veel functies is veranderd. Dit veran-
deringsproces is echter ook door de werkgevers en werknemers in deze
bedrijfstak nauwlettend gevolgd en er werden tijdig maatregelen geno-
men waardoor dit proces tot op grote hoogte kon worden beheerst. Een
dergelijke beheersing is ook met het oog op de toekomst van het groot-
ste belang.
8.2 De omroep
8.2.1 Het landelijke omroepbestel
   Het Nederlandse omroepbestel heeft twee essentiele kenmerken. Het
is een publiekrechtelijk bestel, waarbij geen winstoogmerk is toegelaten.
Financiering geschiedt derhalve in beginsel buiten de commercie om. En
het is een bestel dat beoogt maatschappelijke verscheidenheid af te
spiegelen door middel van levensbeschouwelijk gerichte, althans cul-
tureel geprofileerde, omroeporganisaties. Het publiekrechtelijk karakter
van het bestel berust op regulering door de overheid. Deze overheid stelt
immers de regels, op grond waarvan toetreding plaatsvindt en zendtijd
wordt verdeeld. De financiering uit kijk- en luistergelden verloopt via de
overheid, die deze gelden naar rat0 over de zendgemachtigden verdeelt.
   Het specifieke van dit omroepbestel is dat het beoogt het publieke
karakter te combineren met de georganiseerde verscheidenheid in de
samenleving. Hierbij is het typisch Nederlands dat de verscheidenheid
historisch is gebaseerd op godsdienst en levensbeschouwing. De inrich-
ting van het bestel draagt hiervan nog duidelijk de sporen. Zo is de orga-
nisatorische structuur in de kern ook nu nog gebaseerd op een concept,
waarbij verzuilde organisaties worden geacht maatschappelijk herken-
bare groeperingen te vertegenwoordigen. Van nieuwe gegadigden wordt
verwacht dat zij eenzelfde veelomvattende pretentie hebben, zo blijkt uit
verschillende bepalingen in de Omroepwet. In de volgende subparagraaf
wordt erop gewezen dat de bedoelingen van de wetgever intussen in de
knel zijn geraakt door maatschappelijke ontwikkelingen, met name door
de doorbreking van de ooit zo verzuilde maatschappij. Deze vernieuwing
</pre>

====================================================================== Einde pagina 211 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 212 ======================================================================

<pre>heeft in 1965 geleid tot openstelling van het bestel voor andere organisa-
ties dan de van oudsher bestaande, zonder dat dit d e problemen even-
we1 heeft opgelost. De instroom van nieuwe omroepen bevorderde de
toespitsing op grote kijk- en luisterdichtheid en op een, deels hiermede
verbonden, maximale ledenaanhang. Een 'slag o m de kijkcijfers' was
veelal het - voor het programma niet zo gunstige - gevolg.
    Wat echter ook de nadelen van het open bestel mogen zijn, hier dient
er tevens op te worden gewezen dat deze openheid van het omroep-
bestel uniek is in vergelijking met de instituties en vormgeving die men
heeft gevonden in landen die in economisch, sociaal en cultureel opzicht
op Nederland lijken. Al maakt deze openheid het bestel op zichzelf ook
kwetsbaar, het is toch een goede zaak dat de zendtoewijzing mede
steunt op een legitimatie door publieksvoorkeuren. In diverse andere
maatschappelijke functies is deze publieke legitimatie zwakker ontwik-
keld. Ook de programmatische autonomie van zendgemachtigden is te
waarderen vanuit de uitgangspunten van uitingsvrijheid en pluriformiteit.
Zeker als men deze vergeiijkt met de positie van zendgemachtigden in
sommige andere omroepsystemen, kan hier we1 van een verworvenheid
worden gesproken.
    Deze openheid en autonomie leiden tot een speciale vorm voor het
uitoefenen van de omroepfuncties, de informatieve zowel als de expres-
sieve. De bedoeling is immers dat de Nederlandse zendgemachtigden
een levens-, wereldbeschouwelijke- of een bepaalde culturele richting
vertegenwoordigen, zodat bij hen een prikkel tot profilering bestaat in
hun informatieve, opinierende, educatieve en culturele programma's met
als resuitaat voor de kijker of luisteraar een voldoende verscheiden
programma-aanbod. Voor de amusementsfunctie is die prikkel tot
verscheidenheid, specialisatie of profilering minder vanzelfsprekend, al
behoeft zij blijkens de ervaring niet afwezig te zijn. Er is dan ook geen
aanleiding ten aanzien van deze programmacategorie het pluriformiteits-
beginsel op voorhand te verlaten en amusement als een neutrale catego-
 rie aan een niet-geprofileerde zendgemachtigde over te laten. Overigens
vormen amusementsprogramma's we1 de hoofdschotel op het kijkmenu
 - hier is 60% van de televisiezendtijd en 75% van de kijktijd mee
gemoeid.
8.2.2.   Knelpunten in her huidige bestel
    Zoals gezegd zijn de bedoelingen van de wetgever in de knel gekomen
doordat zij ofwel moeilijk uitvoerbaar zijn gebleken o f niet spoorden met
de realiteit van maatschappelijke ontwikkelingen. In hoofdstuk 3 is in dit
verband gewag gemaakt van de moeilijkheden met d e wegingsgronden
voor toelating (cultureel criterium en pluriformiteitseis), met de toetsing
van het feitelijk functioneren van bestaande organisaties (aan de hand
 van het volledig-programmavoorschrift) en met de rol die ledentallen
 spelen. Hieraan is nog toe te voegen de toegenomen commerciele
 invloed op het bestel.                                         -\
    Het cultureel criterium van artikel 13, lid 2 Omroepwet (een aspwant\
 omroeporganisatie moet gericht zijn op het bevredigen van culturele dan
 we1 godsdienstige of geestelijke behoeften) bleek te vaag geformuleerd
 om te dienen als selectiecriterium; de praktijk zal nog moeten uitwijzen
 of de in 1978 toegevoegde eis van representativiteit voor een maat-
 schappelijke, culturele, godsdienstige dan we1 geestelijke stroming in het
 volk we1 een effectief criterium is.
    De later toegevoegde pluriformiteitseis (art. 13, lid 3, volgens hetwelk
 aspirant-omroeporganisaties moeten aantonen dat h u n programma
 afwijkt van wat al wordt geboden en de verscheidenheid in d e omroep
wordt vergroot) brengt de overheid in de positie dat zij moet gaan oor-
 delen over de programma's van nieuwe en - in verband met de anders-
 soortigheid - van bestaande organisaties. Men kan zich overigens afvra-
 gen of de problemen nu we1 zozeer liggen in de sfeer van nieuwe toetre-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 212 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 213 ======================================================================

<pre>ding, in plaats van bij de al functionerende organisaties die niet aan deze
eis onderworpen zijn.
   De verplichting in redelijke onderlinge verhoudingen onderdelen uit te
zenden van culturele, informatieve, educatieve en verstrooiende aard
(het volledig-programmavoorschrift, art. 35, lid 2 Omroepwet) blijkt in de
praktijk evenmin te voldoen. Het verplicht enerzijds ornroeporganisaties
programma's te maken die zij eigenlijk niet beogen te maken (geprofi-
leerde omroepen tot het maken van amusementsprogramma's, publieks-
gerichte omroepen tot het opnemen van een dosis informatie en cul-
tuur). Anderzijds wordt het overdoseren van eenzijdig (pub1ieks)gerichte
programmastof niet werkelijk belet, aangezien algemeen aanvaarde toet-
singsmaatstaven ontbreken en het eventueel bestraffen van over-
tredingen in de praktijk hachelijk is in verband met de uitingsvrijheid.
   De binnen de afspiegelingsconceptie voor de hand liggende gedachte,
toelating tot het bestelen toedeling van zendtijd te laten afhangen van
ledentallen, is naar haar bedoeling ondergraven door de in de praktijk
ontstane koppeling tussen lidmaatschap van een omroeporganisatie en
het abonnement op een programmablad. In de tijd van de verzuiling
fungeerden de programmabladen nog als bindmiddel met de duidelijk
- ook ~ r ~ a n i s a t o r i s c-h herkenbare-achterban, maar vervolgens heb-
ben zij zich ontwikkeld tot zeer publieksgerichte tijdschriften die met alle
hedendaagse marketingmethoden aan de man worden gebracht. Het
verband programmablad-zendtijd leidt ertoe, dat situaties op de tijd-
schriftenmarkt van invloed zijn op de zendtijdverdeling. Dit is des te min-
der gewenst omdat de functie van zo verworven ledentallen in een op
afspiegeling gericht bestel minder past.
   De genoemde knelpunten zijn in wezen terug te voeren op de diep-
gaande veranderingen in de Nederlandse samenleving de laatste decen-
nia, waarbij de verzuiling is afgezwakt en nieuwe scheidslijnen zijn
ontstaan. Naast ornroeporganisaties die hun wervingskracht voor een
belangrijk deel ontlenen aan politiek enlof godsdienst (VARA, NCRV,
KRO, EO) zijn immers ornroeporganisaties zeer groot geworden, resp.
toegetreden, met een heterogener aanhang en een vooral publieks-
gerichte orientatie. Hoewel enerzijds te betogen is dat de ontwikkeling
van zeer publieksgerichte organisaties het bestel heeft 'gered', doordat
zo de groei van vermoedelijk onbeheersbaar verstrooiingsaanbod buiten
Hilversum om is voorkomen, is het anderzijds de vraag of deze omroe-
pen we1 passen in het specifieke representativiteitsconcept van de
Omroepwet. Het gevolg van de strijd om de kijkersgunst in de huidige
vorm is een toename geweest var\grogrammasoorten als verstrooiing
en sport, waardoor informatieve en cultureel/educatieve functies van de
omroep onder druk geraakten. Het bestel is we1 behouden, maar tevens
van binnenuit uitgehold.
   Een wezenlijk knelpunt in het huidige bestel is ten slotte de commer-
cialiseringstendentie. De ornroeporganisaties dragen weliswaar een non-
profitkarakter, maar werken in een omgeving die veelal sterk is gecom-
mercialiseerd. Het ligt voor de hand dat een-medium als televisie, met
zijn grote bereik en indringendheid, onderhevig is aan grote aandacht
van de commercie. Te denken is onder andere aan sluikreclame, com-
merciele activiteiten van omroepemploye's en commerciele bindingen
van omroeporganisaties.
   Een tweetal wettelijke eisen met het oog op het in aanmerking komen
voor toewijzing van zendtijd markeren het non-profitkarakter van de
ornroeporganisaties. De organisaties moeten uitsluitend, althans hoofd-
zakelijk ten doel hebben radio- en tv-uitzendingen te doen (artikel 13, lid
2, ten 2 e). Voorts moeten zij ten genoegen van de minister aantonen, dat
zij niet gericht zijn op of dienstbaar zijn aan het maken van winst, voor
zover deze niet voor de vervulling van de omroeptaak bestemd is (artikel
 13, lid 2, ten 5 e). De strekking van de eerste eis is te voorkomen dat
(grote) organisaties die op niet-omroepterrein werkzaam zijn, als omroep-
organisaties aan het omroepbestel deelnemen; voorts wordt beoogd te
beletten dat omroeporganisaties zich bezig houden met niet-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 213 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 214 ======================================================================

<pre>omroep(uitzend)-programmataken, die niet te verenigen zijn met hun
eigen karakter. Het uitgeven van een programmablad kan overeenkom-
stig het bepaalde in artikel 14 van het Omroepbesluit worden gerekend
tot het uitsluitend althans hoofdzakelijk doen van radio- en televisie-
uitzendingen dan we1 worden beschouwd als een geoorloofde nevenac-
tiviteit. De tweede eis markeert het onderscheid tussen exploitatie in de
marktsector, waarbij het legitiem is dat winst wordt gemaakt en de
publieke sector, waar dit oogmerk niet bestaat. Hierbij kan we1 de vraag
zijn, of enige vorm van winstbetrokkenheid is toegestaan, als die winst
maar ten goede komt aan de omroeptaak.
   De twee eisen uit de Omroepwet hebben geleid tot problemen met
betrekking tot de grens tussen al dan niet toelaatbare activiteiten. Daar
toetsing aan de Omroepwet niet op een geregelde wijze plaatsvindt heeft
een en ander geleid tot een onduidelijke situatie. De Regeringscommis-
saris voor de Omroep heeft hiernaar onlangs een uitvoerig onderzoek
verricht2. Gebleken is, dat een groot aantal zaken zich niet verdraagt met
de opzet en de inrichting van het bestel. De Regeringscommissaris komt
tot de algemene conclusie dat het voor het behoud van de uit-
gangspunten van het omroepbestel van wezenlijk belang is, dat de
omroeporganisaties en andere zendgemachtigden weten aan welke con-
crete eisen zij hebben te voldoen en dat zij zich hieraan houden. Hij
beveelt aan, bindende toetsingsnormen te ontwikkelen en periodiek na te
gaan in hoeverre de zendgemachtigden hieraan voldoen. In zijn rapport
wordt de aanbeveling gedaan dat nadere regelgeving, controle en sanc-
ties worden getroffen. Een apart probleem vormt blijkens het rapport de
exploitatie van programmabladen. Bij enkele organisaties bestaat een
zodanige relatie met derden omtrent de verdeling van de resultaten van
de exploitatie, dat moeilijk ontkend kan worden d a t hier sprake is van
gerichtheid op het maken van winst. Zeker op dit punt is het vrijwaren
van het bestel van commerciele invloeden aan d e orde.
8.2.3    Technologische vernieuwing
   Het toekomstige mediabestel zal functioneren i n een omgeving die
wordt gekenmerkt door verveelvoudiging van aanbod. De te verwachten
technologische vernieuwing is besproken in hoofdstuk 4 en nog eens
aangeduid in paragraaf 8.1.1.. Voor de omroep is vooral de grote uit-
breiding van het televisie-aanbod van belang. Het gaat hierbij zowel om
internationalisering door de komst van omroepsatellieten en de aanvoer
via de kabel van veel meer buitenlandse zenders, als o m nieuwe diensten
die de kabel biedt: lokale televisie en abonnee-tv. Voorts ontwikkelt zich
aan de softwarekant een 'culturele industrie', waarbij naar het zich laat
aanzien vooral het video-gebeuren een belangrijke rol speelt.
   De verruiming van kijk-alternatieven, ook van veel meer ge'in-
dividualiseerd en apart afrekenbaar aanbod, leidt tot equivalentie van
aanbod die substitutie mogelijk maakt. In hoeverre nieuwe elektronische
 media bestaande elektronische en grafische media zullen vervangen is
overigens niet te voorspellen, het ontwikkelingsproces is nog maar nau-
welijks begonnen en slechts het producenten- en consumentengedrag zal
 mettertijd leren in hoeverre subsituties uiteindelijk plaatsvinden. Te ver-
wachten is we1 dat substitutie zal samenhangen met de functie die het
 aanbod de consument biedt. Zo is wat de televisie betreft wellicht het
 oog te houden op het verschil tussen doorgegeven programma's (die
gelijktijdig via de ether worden uitgezonden) en anderzijds overgebrachte
 programma's (bijv. abonnee-tv) en thuis afgespeelde audiovisuele pro-
 dukties: de actualiteitswaarde van directe tv-uitzendingen zal voorlopig
 een niet-vervangbare eigenschap zijn, waardoor nieuws, actualiteiten-
 rubrieken en actualiteitsgebonden programma's (bijv. praatshows) bij
 omroep blijven behoren.
2  Zie hoofdstuk 6
</pre>

====================================================================== Einde pagina 214 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 215 ======================================================================

<pre>   Uiteraard hangt de verwerkelijking van de mogelijke aanbodverruiming
deels samen met het overheidsbeleid; vooral voor de kabel, waar een
groot deel van de vernieuwingen zichtbaar kan worden, zal nadere regel-
geving van de overheid de ontwikkelingsmogelijkheden va.n allerlei acti-
viteiten kunnen bepalen. Voorts is van belang welke positie ons land zal
innemen in de internationale ontwikkeling. Immers, de internationale
omgeving bepaalt mede de ruimte voor formulering van het nationale
mediabeleid. Het te verwachten internationale aanbod via satelliet en
kabel zal zeker voor het toekomstig beleid van belang zijn. Zo zullen bui-
tenlandse zenders hun programma's gaan afstemmen op een groot en
internationaal publiek en zal het straks relatief eenvoudig worden door
ondertiteling of nasynchronisatie voor verschillende talen nationale pro-
dukties te verzorgen. Een belangrijk probleem vormen in het bijzonder
buitenlandse commerciele programma's die op ons land zijn gericht en
mede gefinancierd worden met reclamebestedingen die aan Nederlandse
media onttrokken worden. De beleidsontwikkeling kan hier twee richtin-
gen inslaan, namelijk een restrictief beleid, al dan niet gebaseerd op
internationale afspraken waardoor een nationaal programma-aanbod
blijft overheersen of een open beleid, waarin naast de eigen omroep ook
internationaal aanbod een functie heeft. Nog afgezien van de realiseer-
baarheid van het eerste, houdt de opvatting van samenhangend media-
beleid als probleem van compatibiliteit in, dat de overheid in elk geval
datgene tot ontwikkeling laat komen wat niet anderszins onvervangbare
verworvenheden te gronde richt. Aldus gezien ligt in beginsel een open
beleid voor de hand, al kunnen op onderdelen restricties nodig zijn.
   In dit perspectief is ook de uitbreiding van binnenlands aanbod te ver-
wachten in de vorm van een aantal abonnee-tv-kanalen. Zoals uiteen-
gezet heeft deze dienst in de Verenigde Staten een zeer snelle groei
doorgemaakt en ook voor Nederland lijkt het plausibel dat abonnee-tv
zich binnen enkele jaren kan verbreiden op een schaal die van wezenlijke
betekenis is voor functie en positie van de etheromroep. Voorts kan via
de kabel additioneel omroepaanbod beschikbaar komen. Wat het buiten-
land betreft zou de aanvoer van programma's via een landelijk aan-
voernet van de P l T (als dit er tenminste komt) het voor 'kabelkijkers'
mogelijk maken om in beginsel in het hele land te beschikken over de tv-
en FM- radioprogramma's uit de omgevende landen. Voor tv betekent
dit dat veertien programma's beschikbaar zijn van goede technische
kwaliteit. Kabelexploitanten zullen hieruit wellicht een keuze maken om
een pakket samen te stellen, dan we1 een standaardpakket van Neder-
landse zenders bieden met daarnaast een programma-aanbod uit het
buitenland waarvoor extra betaling wordt gevraagd. Het aldus ontstane
ruime programma-aanbod zal concurrerend'zijn met het binnenlandse
aanbod in termen van kijkgedrag.
   lnternationalisering door de komst van commerciele tv-satellieten
voegt verder aanbod toe, dat via de kabel zal kunnen worden door-
gegeven of door middel van schotelantennes rechtstreeks uit de ether
opvangbaar zal zijn. Met uitzondering wellicht van de lokale omroep
(radio of tv), die zich tot een gemeenschapsmedium kan ontwikkelen, zal
veel van het nieuwe aanbod publieksgericht zijn. Speelfilms, series,
sport, spelletjes, quizzen vormen de hoofdschotel van dit nieuwe menu.
8.2.4 Nieuwe knelpunten
   Het te verwachten grote aanbod van televisieprogramma's zet het
bestel op een aantal punten verder onder druk. Hierbij is te denken aan
gevolgen op programmatisch en cultureel gebied en aan consequenties
op financieel gebied en terzake van reclame.
8.2.4.1 Programmatische gevolgen
   Bij toeneming van kijkalternatieven worden de mogelijkheden om
verstrooiende programma's te kiezen ook groter, vooral indien, zoals ver-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 215 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 216 ======================================================================

<pre>wacht, het nieuwe aanbod publieksgericht zal zijn. Aan de vraagzijde ple-
gen deze amusementsmogelijkheden in hoge mate t e worden benut. Met
andere woorden, voorkeur voor een verstrooiend programma bestaat
niet slechts bij een deel van het kijkerspubliek - als een soort vast
bestand - maar mag gerust dominerend worden genoemd voor het kijk-
gedrag in het algemeen. Culturele programma's en documentaires sco-
ren doorgaans laag, maar zij weten toch nog we1 eens een groot publiek
te bereiken indien 'zware kijkers' blijven kijken omdat zij in het huidige
beperkte aanbod geen verstrooiend programma kunnen vinden3. In de
toekomst zullen de kijkers door de bereikbaarheid van amusement de
genoemde programma's gaan mijden. Deze geraken aldus verder in de
verdrukking. Onder de bestaande koppeling van status en zendtijd aan
ledenbestand, dat wil in belangrijke mate zeggen aan het abon-
neebestand van de programmabladen, zal in het Nederlandse omroep-
bestel de strijd om de kijkersgunst nog heviger worden. Hierdoor en door
de concurrentie met het buitenlands aanbod en de abonnee-tv ontstaat
een versterking van publieksgerichte programmering, hetgeen gemak-
kelijk zal leiden tot verdere spanning met het volledig program-
mavoorschrift. Ook kan hierdoor de functie van omroep met betrekking
tot cultuur en educatie (nog) verder onder druk raken.
8.2.4.2     Gevolgen op cultureel gebied
   Zoals gezegd zal in het bestaande bestel de neiging van omroep-
verenigingen om de aanbodverruiming bij tv te pareren met publieks-
gerichte programmering, de functie van de publieke omroep met betrek-
king tot de cultuur onder druk zetten. Men zal proberen aandacht te trek-
ken met programma's en programmacategorieen die aantrekkelijk zijn
voor grote publieken. De relatie van deze programma's met de beleden
identiteit van de omroepverenigingen wordt hierdoor steeds losser.
Wanneer men zich meer richt op de smaak van het grote publiek zullen
interesses van kleine publieken weinig aan bod komen.
   Bij het populaire programma-aanbod nemen programma's van buiten-
landse makelij een belangrijke plaats in. De internationalisering van het
aanbod heeft zeker cultuurverrijkende aspecten: dat hier kan worden
kennisgenomen van het gebeuren elders en van andere culturen en cul-
turele uitingen dan de onze is alleen maar toe te juichen. Dit kan het
geval zijn bij buitenlands aanbod van hoge kwaliteit. Het ligt echter
anders als door marktprocessen op het gebied van de cultuurproduktie
de ontwikkeling van eigen cultuurprodukten in het gedrang komt. Zeker
indien zendtijduitbreiding niet gepaard zou gaan met een evenredige
mogelijkheid tot het financieren van programma's, zal door de gemiddeld
lage kosten in verhouding tot eigen produkties het aandeel van buiten-
landse programma's toenemen. Tot nu toe beperkt zich het buitenlandse
aandeel tot ongeveer een derde van het totale aanbod: een aandeel dat
vergeleken met andere Westeuropese landen niet ongunstig is. De drie
categorieen waar de buitenlandse inbreng relatief groter is, zijn drama,
sport en jeugduitzendingen. De voornaamste eenzijdigheid bestaat in de
sector drama, waar slechts Ben vijfde van de tijd gevuld wordt met.
 Nederlandse produkten; bij de twee andere is de verhouding Nederland-
buitenland ongeveer 3:2. Er is in ons land in ieder geval een aanmerkelijk
aanbod vooral van Anglo-Amerikaanse oorsprong. Een culturele invloed
van dit aanbod is niet denkbeeldig. Daarbij gaat het om de i n amuse-
 ment, drama en reclame gepresenteerde werkelijkheid, waarin maat-
 schappelijke, morele en politieke visies tot uitdrukking worden gebracht4.
    L.P.H. Schoonderwoerd, W.P. KnulstISociaal en Cultureel Planbureau. Mediagebruik bij
 verruiming van her aanbod; serie 'Voorstudies e n achtergronden mediabeleid', nr. M4. 's-Gra-
venhage. Staatsuitgeverij. 1982.
    L.J. HeinsmanINederlandse Ornroep Stichting. De kulturele betekenis van d e instroom van
 buirenlandse televisieprogramma's in Nederland; serie 'Voorstudies en achtergronden rnedia-
beleid'. nr. M3. 's-Gravenhage. Staatsuitgeverij. 1982.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 216 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 217 ======================================================================

<pre>8.2.4.3 Financiele gevolgen
   De vergroting van het aanbod zal leiden tot een toenemende vraag
van de aanbieders naar software. Te verwachten is, dat de prijzen hier-
van in de eerstkomende jaren zullen stijgen, aangezien het aanbod van
de audiovisuele industrie dan nog niet toereikend zal zijn om aan de
gestegen vraag te voldoen. De televisieprodukties worden dus aan-
vankelijk duurder.
   In de tweede plaats kan het nieuwe aanbod voor een belangrijk deel
apart afrekenbaar zijn. Dit is uiteraard zo bij abonnee-tv. Ook lijkt het
aannemelijk dat de consument voor het buitenlandse aanbod via de
kabel (het mogelijke aanvoernet van de PlT) betaalt naar rat0 van het
aantal kanalen dat hij afneemt. De abonnementskosten liggen in de orde
van f lo,--a f 20,--per maand; de kosten voor aansluiting op een
mogelijk landelijk aanvoernet van de P l T op f 1,90per rnaand, waarbij
ongeveer f 2,- per maand aan auteursrechten zou komen. De hoogte van      ~
de omroepbijdrage is nu plm. f 12,--per maand. In de toekomst zal een
spanning kunnen ontstaan tussen enerzijds de omroepbijdrage die van
belang is voor de financiering van het omroepbestel en anderzijds de uit-
gaven voor kabelabonnementen, abonnee-tv en mogelijk ook voor video-
band en beeldplaat. De bepaling van de hoogte van de omroepbijdrage
kan zo onderwerp worden van politieke strijd, zeker als er ook een segre-
gatie zou ontstaan tussen het publiek van het publiekrechtelijke en van
het volledig commerciele bestel.
   Een derde financieel gevolg kan zijn gelegen in verlaging van de kijk-
cijfers van het publiekrechtelijk bestel door vergroting van het aanbod
buiten dit bestel om: hieruit kan immers onder meer een vermindering
van de STER-inkomsten resulteren. Aan dit aspect wordt hierna afzon-
derlijk aandacht besteed.
   Verruiming van kijkalternatieven zal naar verwacht gepaard gaan met
een vermindering van de kijkdichtheid voor Nederland I en II. Zeker op
de lange termijn, als het aanbod van verschillende diensten tot ontwikke-
ling zal zijn gekomen, is er rekening te houden met structureel lagere
kijkdichtheid. Daardoor zal het bereik van de STER navenant afnemen,
als gevolg waarvan de prijsstelling van een eenheid STER-reclame lager
zal uitvallen. Niet alleen echter vanwege eventueel lagere kijkdichtheid
ten gunste van toegenomen kijkalternatieven kunnen de inkomsten van
de STER dalen, ook het aanbod 3an advertentieruimte door satelliet-tv
moet van invloed worden geacht.
   Voor speciale categorieen adverteerders zal de aantrekkingskracht van
commerciele satellietomroep groot zijn. Deels komt dit voort uit de
beperkingen waaraan de programmering van de STER onderhevig is
(plaatsing rond het journaal). Ook bestaat er door beperking van de
reclamezendtijd een onvervulde vraag aan reclamebudget voor tv, die in
paragraaf 6.4.3is begroot op 150-250mln gulden. Ten slotte kan de STER
zich niet aansluiten bij gespecialiseerde programma's (doelgroepgericht),
maar is zij aangewezen op conditionerende reclame voor een breed en
niet gesegmenteerd publiek. Naar verwachting zal de wijze waarop com-
merciele satellietkanalen kunnen worden ingeschakeld voor reclame veel
flexibeler zijn:
- er zal een veelvoud aan reclamezendtijd beschikbaar zijn;
- er zal niet alleen reclame worden uitgezonden rondom de nieuws-
,programma's, maar ook in onderbrekingen tussen de programma-
onderdelen. Dit betekent dat het mogelijk is om reclamezendtijd per
doelgroep te groeperen rondom bepaalde programma-onderdelen, die
voor de doelgroep interessant zijn.
   In hoofdstuk 6 is nagegaan hoe sterk de invloed van internationalise-
ring van reclame via satelliet-tv in ons land zou kunnen doorwerken. Het
voor internationalisatie vatbare reclamevolume bedraagt circa f 40 mil-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 217 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 218 ======================================================================

<pre>joen op dit moment (bij een volume aan STER-reclame van circa f 200
miljoen)5. Door de werking van een aantal factoren zal op korte termijn
de invloed van eventuele satelliet-tv echter nog niet zo groot zijn. Het
bereik van de satelliet-tv-programma's zal immers beperkt blijven: in
1985 potentieel 11 miljoen tv-huishoudingen in Europa. In vergelijking tot
het potentieel bereik van nationale tv's (110 miljoen) e n in aanmerking
nemend dat de satellietkanalen in aandacht moeten concurreren met de
nationale kanalen, waarvan de kijkdichtheid waarschijnlijk aanzienlijk gro-
ter zal zijn, zullen de satellietkanalen aanvankelijk slechts een bescheiden
bereik kunnen bieden. De zuigkracht die de satelliet zal uitoefenen op
reclamebudgetten die momenteel i n Nederland worden gealloceerd, zal
daarom aanvankelijk gering zijn6.
    Bepaalde factoren zijn evenwel aan verandering onderhevig. Omdat
niet alleen 's avonds maar ook overdag wordt uitgezonden, zullen pro-
gramma's ook momentgericht zijn, dat wil zeggen gericht op het publiek,
waarvan verwacht mag worden dat het op die tijd in staat is om naar de
tv te kijken. Ook dit maakt de programma-onderdelen doelgroep-
gerichter, vooral wanneer ook zogenoemde special interest-programma's
worden uitgezonden. De kans dat d i t zal gebeuren is groot omdat, door
het toenemen van de keuzemogelijkheid op de tv, de consument een
individueel kijkgedrag zal gaan vertonen, waarop de special interest-pro-
gramma's goed inhaken. De kans o p het doelgroepgericht gebruiken van
tv wordt binnen de commerciele satellietkanalen bovendien groter
doordat verwacht mag worden, dat ook.zogenoemde gesponsorde pro-
gramma's (dit zijn volledige programma's, die gemaakt worden door de
adverteerders en waar de reclameboodschap in vervat is) mogelijk zullen
zijn.
    Op dit moment is echter nog niet te voorzien hoe snel de positie van
de satelliet-tv zal groeien. Daarin spelen mediatechnische zaken (als in
het voorafgaande genoemd) een belangrijke rol, maar ook de internatio-
nale marketing, in de zin van introductie van produktentmerken, die op
grond van uniforme presentatie en distributie kunnen penetreren in
diverse Europese landen tegelijkertijd.
8.2.4.5     Een derde televisienet?
    De in het voorafgaande geschetste ontwikkeling naar internationalise-
ring en de mogelijkheid dat gaandeweg meer reclamevolume aan de
 Nederlandse omroep wordt onttrokken, hebben de gedachte doen
ontstaan dit te pareren door invoering van een commercieel derde tv-
net. Deze gedachte is bijvoorbeeld gelanceerd in het VPRO-rapport Aan-
bevelingen voor een toekomstige omroepstructuur (februari 1981). Een
derde net zou dan, wat de reclamefunctie betreft, zodanig van opzet
 moeten zijn dat het de mogelijkheden voor het Nederlandse bedrijfsleven
 om via het buitenland te adverteren op toereikende wijze kan pareren. Zo
 zou voorkomen moeten worden dat reclamevolume naar het buitenland
 vloeit. Als het laatste zou gebeuren, zou dit immers ten nadele werken
 van onderscheidene zaken als de financiering van de omroep, de exploi-
 tatiemogelijkheden van persorganen, economische activiteiten en
 daarmee verbonden werkgelegenheid in de reclamebranche. Een derde
 net waaraan uitdrukkelijk de functie zou toekomen het wegvloeien van
 reclamevolume te voorkomen, wordt dan gedacht in een andere opzet
 dan de STER; het gaat o m een commerciele zender, waarin reclamevoe-
 ring geprononceerder aanwezig is dan in de huidige STER-opzet. De
 opbrengsten moeten tenminste voldoende zijn om het derde net te finan-
 cieren, maar eventueel ook om Nederland I en II financieel te ondersteu-
 nen. Een tweede overweging is van programmatische aard. Via een der-
 de net zou men de mogelijkheden verkrijgen o m een meer publieks-
    J. Ligthart. Satelliettelevisie en mediabeleid; Hilversurn, 1982. blz. 42
    Ibid..
</pre>

====================================================================== Einde pagina 218 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 219 ======================================================================

<pre> gerichte programmering tot stand te brengen - dit te onderscheiden
 van een programmering op basis van uitgangspunten van de geprofileer-
 de omroeporganisaties7.
     Deze twee overwegingen zijn overigens niet strikt gebonden aan de
 optie van een derde net. Het is goed de twee functies van financiering en
 programmering te onderscheiden: een eventueel derde net behoeft niet
 noodzakelijkerwijs de gekoppelde functies te vervullen van (nationale)
 reclamestrategie en publieksgerichtheid qua programmering, al zal de
 mate van publieksgerichtheid we1 de reclame-inkomsten tot op zekere
 hoogte kunnen beinvloeden.
     Bij het zoeken naar een antwoord op de satelliet zijn in beginsel twee
 soorten reacties mogelijk, namelijk afwerend en beperkend of parerend
 via een eigen reclamestrategie. De mogelijkheden voor afweer en beper-
 king zijn niet groot. Hierbij zou zijn te denken aan een internationale
 (mogelijk Europese) overeenkomst ter beperking van het gebruik van
 omroepsatellieten voor directe uitzending naar andere landen, ten einde
 aldus te voldoen aan internationale conventies om elkanders omroep-
 bestel te respecteren. Het is echter de vraag of een dergelijke beperking
 niet in strijd zal zijn met de internationale communicatievrijheid. Voorts is
 de bereidheid tot medewerking van alle betrokken landen verre van
 zeker.
     De Raad meent dat een oplossing in ieder geval niet gezocht behoort
 te worden in beperkingen van de vrijheid van ontvangst. lndien via de
 satelliet een betekenisvol deel van het volume van de Nederlandse
 omroepreclame zou worden weggezogen, zou men kunnen overwegen
 dit t e compenseren door een overeenkomstige heffing op de kabelabon-
 nementen. Aldus zou de opgetreden verstoring in de reclame-allocatie
 inderdaad kunnen worden hersteld zonder inbreuk op de vrijheid van
 ontvangst. Dit middel zou echter krachteloos blijken als individuele ont-
 vangst via schotelantennes grote omvang aanneemt. Ook zou het ver-
 delen van de aldus verkregen baten op gelijksoortige problemen stuiten
 als destijds bij de toekenning van de compensatie voor de invoering van
 de STER-reclame ontstonden. Alles bijeen acht de Raad dit derhalve
 geen deugdelijk middel.
     Een actieve ~.eclamestrategiekent twee modaliteiten, namelijk uitbouw
 van de STER-reclame of een commercieel derde net. Wat het eerste
 betreft zou de STER-zendtijd niet slechts dienen te worden uitgebreid,
 maar zou ook de formule flexibeler moeten worden gemaakt om het
 hoofd te bieden aan internationale concurrentie. De volgende wijzigingen
 zouden hieraan tegemoetkomen: zendtijdverruiming zoals thans is voor-
 genomen (van 3 uur tot 6 uur per week); ook advertenties op zondag;
 blokken rond alle nieuwsbulletins en mogelijk invoering van zwevende
 reclameblokken. lndien gewenst, zouden deze voorstellen gekoppeld
 kunnen worden aan het voorstel van de omroep om ook de totale zend-
 tijd voor tv uit te breiden met 32 uur, gefaseerd door te voeren in de
 jaren 1982-1985.
     Men moet zich er echter we1 van bewust zijn dat het scheppen van
 nieuwe mogelijkheden tot de sterke vorm van aansporing tot consumptie
 die tv-reclame nu eenmaal is, zeker ingaat tegen opvattingen die beogen
'de invloedssfeer van consumptie in onze maatschappij terug te dringen.
 Voorts worden 'sponsored advertising' en reclame in de zogenaamde
 'natural breaks' tot dusverre niet verenigbaar geacht met omroep in een
 publiek bestel. Bovendien dient in beschouwing te worden genomen, dat
 ongeveer een vijfde deel van de Nederlandse bevolking ernstige bezwa-
 ren heeft tegen etherreclame8. Bovenal plegen de negatieve gevolgen
 van omroepreclame voor andere media hoog te worden geschat. Het is
 ook in dit licht dat er grenzen zijn gesteld aan de mogelijkheden om
     VPRO-Commissie. Aanbevelingen voor een toekomstige omroepstructuur; nieuwe Ont-
  wikkelingen vragen om een ander bestel; Hilversum. 1981, blz. 43 e.v..
      C.J. Srneekes. D e nabije toekomst van de STER; wat is werkelijk urgent?; Hilversum. 1982,
  blz. 9 en 24.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 219 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 220 ======================================================================

<pre>reclame te gebruiken als financieringsbron en als middel om reclamere-
venuen binnenslands te houden.
   De tweede modaliteit, een commercieel derde televisienet zal een
groot beslag leggen op reclamevolume dat momenteel nog in andere
media wordt geplaatst. Het gaat hierbij naar schatting om een reclame-
volume van f 500 miljoeng. Het lijkt plausibel, dat een dergelijk volume
voor de exploitatie van een commercieel derde net in de adver-
tentiemarkt gevonden zal kunnen worden, boven de f 200 miljoen van de
huidige STER'O. Dit zou echter rechtstreeks in het nadeel van de pers
werken. Deze verschuiving in de verdeling van de reclamebestedingen
over mediagroepen zal leiden tot compensatieclaims bij de overheid en
daarmee een betekenisvolle politieke factor zijn - ongeacht het oordeel
over de legitimiteit van deze claims dat, afhankelijk van onder andere
politieke appreciatieverschillen over meer marktconforme dan we1 plan-
matige oplossingen, uiteen kan lopen.
   Zowel bij uitbouw van de STER-reclame als bij een commercieel derde
net zal er een structurele verschuiving optreden tussen omroep en pers
wat hun positie op de advertentiemarkt betreft. Met betrekking tot deze
verandering zijn twee standpunten denkbaar. Het eerste is dat-structurele
en blijvende verandering moet worden aanvaard. Om deze zonder al te
grote schokken te doen verlopen wordt we1 gedacht aan een
overgangsperiode van vijf tot tien jaar, waarin gedupeerden een deel van
de opbrengsten van een derde net als compensatie zouden verkrijgen.
Het voorstel van de VPRO-commissie gaat in deze richting. Hiernaast is
te denken aan een fundamentele wijziging in de aanspraken op de
revenuen die verkregen worden u i t de etherreclame, in dier voege dat
niet alleen de zendgemachtigden maar ook de pers rechtsgeldige
aanspraken krijgen op deze inkomsten. In dit denkbeeld wordt er
- doorgaans impliciet - van uitgegaan, dat de groei van de ether-
reclame voor een belangrijk deel onttrokken wordt aan reclamevolume in
de pers. Deze onttrekking berust niet op autonome marktprocessen maar
op het feit dat de toegang tot de omroep voor op winst gerichte instel-
lingen als persondernemingen is afgesloten. De inkomsten uit ether-
reclame zouden eerder beschouwd moeten worden als een fonds, waar-
op niet slechts de zendgemachtigden via wier medium deze reclame
wordt openbaar gemaakt en verspreid, aanspraak mogen maken. Een
concreet voorstel terzake is gedaan door de Nederlandse Dagblad Pers,
die voor de dagbladpers een aandeel in de STER wenst te krijgen.
Gedacht wordt aan een vermogensrechtelijke relatie, waardoor in de
vorm van dividend de gederfde inkomsten terugvloeien naar de dagblad-
pers.
   Een dergelijke gedachtengang houdt.een principiele ingreep in in de
werking van de markt. Hierbij wordt immers de exploitatie van de afzon-
derlijke media losser gemaakt van de inkomsten die elk van hen verkrijgt
uit de advertentie-exploitatie. Dat de ingreep niet noodzakelijkerwijs
zwaar behoeft te zijn (dit hangt immers af van de omvang van het fonds
dat zou moeten worden herverdeeld) doet op zichzelf niet af aan het
beginsel.
   Voor de overheid doet zich de vraag voor of men deze positionele
verandering van media ten opzichte van elkaar van voldoende belang
acht om institutionele veranderingen aan te brengen in de verhouding
tussen omroep en pers en in de legitimiteit van aanspraken op revenuen
uit reclame. Het is hierbij van belang zich te realiseren dat eventuele
veranderingen voortvloeien uit externe ontwikkelingen. Het is immers
een antwoord op een bedreiging van buitenaf, namelijk op het weg-
vloeien van binnenlandse reclamebestedingen naar het buitenland. Dit
zou een reden kunnen zijn om de invloed en omvang van deze transitie
niet groter te doen zijn dan noodzakelijk is om een toereikend antwoord
te geven op deze van buitenaf komende concurrentie. Dit houdt in, dat
   VPRO-Commissie, op. cit.. blz. 59-60.
lo  Ibid..
</pre>

====================================================================== Einde pagina 220 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 221 ======================================================================

<pre>  wellicht een minder ingrijpend middel (uitbouwen van STER) de voorkeur
  kan verdienen boven het inrichten van een derde net. Ook is van belang
  dat een beslissing over een derde tv-net nu zeker nog voorbarig zou zijn,
  gezien de ongewisheid van het tot standkomen van aanbod door com-
  merciele satellieten.
  8.2.4.6    Een derde programma?
     Zoals gesteld in paragraaf 8.1.6, kan het beschikbaar kornen van veel
  (commercieel) verstrooiingsaanbod aanleiding zijn om voor de publieke
  omroep meer specifieke functies te markeren, in het licht van doelstel-
  lingen van mediapolitieke en culturele aard. In paragraaf 8.3 worden
  voorstellen gedaan ter bevordering van pluriformiteit en een meer gepro-
  fileerd programma-aanbod in de landelijke etheromroep. Op zichzelf is
  echter een afspiegeling van de belangrijkste levensbeschouwelijke en
  ideologische stromingen in de omroep nog geen waarborg dat ook
  hoogwaardig cultureel aanbod voldoende tot stand komt. Cultuur in deze
  zin is immers slechts ten dele aan ideele stromingen te binden, zeker als
  men bedenkt dat in het huidige tijdperk vele nieuwe cultuuruitingen
  ontstaan, waarbij individuele keuzevrijheid voorop staat. Aandacht voor
  deze culturele uitingen vereist wellicht een afzonderlijke program-
  mavoorziening, waar ruimte is voor dit soort (kwalitatief hoogwaardig)
  aanbod. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om aandacht in het etherbestel
  voor kunsten en wetenschappen, voor 'moeilijke' produkties van eigen
  bodem, maar ook voor verkennende en grensverleggende produkties van
  uiteenlopende subculturen in onze samenleving. Het veiligstellen van
  dergelijk aanbod kan een tegenwicht bieden tegen de uniformering van
  het aanbod die met de verdere internationalisering gepaard kan gaan. In
  sommige gevallen zijn hiermee aanzienlijke bedragen gernoeid. Zo kost
  bijvoorbeeld de produktie van Nederlandstalige drama's veel meer dan
  het gemiddelde uurbedrag van 35.000 gulden directe programmakosten.
   De benodigde extra gelden kunnen worden verkregen uit de omroep-
  bijdrage; voor de besteding hiervan heeft de overheid immers binnen
  grenzen een discretionaire bevoegdheid. Dit zou dan we1 een structurele
  verhoging vergen. Door in de programmering veel aandacht te wijden
  aan hoogwaardige Nederlandse produkties, kan tevens een stimulans
\ worden gegeven aan de eigen culturele industrie.
      Het waarborgen van dit soort aanbod behoeft niet te geschieden door
  het beschikbaar stellen van zendtijd aan betrokkenen. Dit leidt tot
  versnippering die in het licht van de totale programmering niet aantrek-
  kelijk is. Te denken is aan een uitbreiding van de omroepfuncties van de
  NOS o f aan het tot ontwikkeling brengen van een omroeporganisatie
   - een 'culturele zendgemachtigde' - met deze specifieke taak. Bij uit-
  breiding van de NOS rijst we1 de vraag of de institutionele structuur we1
  voldoende de onafhankelijkheid waarborgt, die het hier bedoelde
  programma-aanbod bij uitstek eist. Ten slotte moet worden opgemerkt,
  dat indien van de andere zendgemachtigden een meer cultureel geprofi-
  leerde rol wordt gevraagd, zij eveneens kunnen neigen tot uitbreiding
  van hun programmatische activiteiten op het hier bedoelde gebied. Hier
  is natuurlijk niets tegen; concurrentie kan hier immers geen kwaad.
     Ook uit een oogpunt van uitingsvrijheid is er reden een specifieke
  voorziening te overwegen. Het is immers te verwachten dat ook in de
  toekomst zich vele groepen zullen manifesteren die niet aan het woord
  komen bij de omroeporganisaties en zelf geen omroeporganisatie kun-
  nen o f willen worden. Op zichzelf lijkt het van belang dat de stem van
  dergelijke maatschappelijke groepen wordt gehoord. Het is daarnaast
  ook van groot belang, dat naast het identiteitsbestel - waar de maat-
  schappelijke verscheidenheid aan bod komt - de mogelijkheid bestaat
  van confrontatie van verschillende zienswijzen met elkaar, zodat ook
  gemeenschappelijkheden zichtbaar kunnen worden. Een dergelijke
  uitwisseling van standpunten past immers in het functioneren van een
  democratie. Ook hierbij is te denken aan de NOS of aan (een) aparte
</pre>

====================================================================== Einde pagina 221 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 222 ======================================================================

<pre> voorziening(en). Het feit dat de NOS hiermee in het verleden belast is
 geweest maar dat deze taak haar later is ontnomen, wijst niet in de rich-
 ting van de eerste oplossing.
 8.2.5 Aanbevelingen landelijk omroepbestel
    In hoofdstuk 2 en in paragraaf 8.1.5is erop gewezen dat de strekking
 van het grondrecht van uitingsvrijheid met zich meebrengt dat deug-
 delijke argumenten moeten bestaan voor eventuele overheidsinterventie.
 Voor de landelijke etheromroep lagen deze argumenten in de schaarse
 zendtijd in een bestel dat qua inrichting de pretentie had een afspiege-
 ling te bieden van herkenbare stromingen in de Nederlandse samen-
 leving. Zeker met de komst van de kabel gaat het schaarste-argument
 niet langer op. In de ether is al meer mogelijk dan thans wordt toegela-
 ten, via de kabel komen nu al tientallen kanalen beschikbaar. Tevens is in
 deze paragraaf gewezen op knelpunten in het omroepbestel, als gevolg
 waarvan de pretentie tot afspiegeling aanvechtbaar is geworden.
    Ervan uitgaand dat niet onnodig restrictief beleid mag worden gevoerd
 - dat derhalve zoveel mogelijk datgene tot ontwikkeling moet komen
 wat in potentie aanwezig is - is er reden het omroepbestel opnieuw te
 bezien. Met name gaat het hier o m de vraag in hoeverre omroep ook in
 de toekomst als publiek goed is te beschouwen, hetgeen met zich mee-
 brengt dat de overheid toelating en financiering reguleert. In een samen-
 hangend mediabeleid kan deze vraag niet slechts zelfstandig worden
 bezien, maar dient deze in de context t e worden geplaatst van de ont-
 wikkeling van andere (huidige en toekomstige) media. De vraag is er een
 van compatibiliteit: hoe te bevorderen dat een zo rijk mogelijk dien-
 stenaanbod in stand blijft, respectievelijk tot stand komt, onder hand-
 having van verworvenheden uit het verleden, indien hiervoor een reele
 bestaansgrond aanwezig blijft.
    De landelijke etheromroep, zo is in dit rapport gebleken, zal in de toe-
 komst moeten functioneren temidden van een veel grotere concurrentie.
 Door aanbodvergroting (via satelliet, kabel, video) treedt equivalentie op,
 met hieruit resulterend geringere kijk- en luisterdichtheid en mogelijke
 vermindering van financieringsmiddelen. Op zichzelf kan de overheid hier
 mede invloed op hebben: zij zou bijvoorbeeld kunnen overwegen een
 restrictief kabelbeleid te voeren (geen overname van satellieten, geen
 abonnee-tv, slechts beperkte lokale programmering) ter sauvering van
 het bestaande bestel. Zulks is echter niet overeenkomstig geest en letter
,van de uitingsvrijheid en is strijdig met het voornemen nieuwe mogelijk-
 heden die de media-technologie gaat bieden, juist zo goed mogelijk te
 benutten. Bovendien zouden zo ook problemen ontstaan met de
 beheersbaarheid.
    De Raad kiest derhalve voor een vrijmakend beleid. Overheidsinter-
 ventie is slechts gelegitimeerd indien anders onvervangbare functies ver-
 loren dreigen te gaan. Wat de landelijke etheromroep betreft, denkt de
 Raad in dit verband aan informatieve en expressieve functies die niet
 adequaat kunnen worden overgenomen door een nieuw, vooral op
 verstrooiing gericht, aanbod. Als een verworvenheid die het behouden
 waard is, wil de Raad ook de afspiegeling van maatschappelijke plurifor-
 miteit beschouwen. Een en ander betekent we1 dat het handhaven van
 een publiekrechtelijk bestel ertoe dient te strekken dat de in het geding
 zijnde waarden optimaal worden bevorderd. In het publiekrechtelijk
 bestel zal daarom de nadruk dienen te liggen op een programmering die
 de informatieve en expressieve functies recht doet - het
 verstrooiingsaanbod zal we1 aanwezig'zijn, maar dient niet te over-
  heersen enkel als gevolg van concurrentie tussen zendgemachtigden.
 Wat de afspiegeling betreft van maatschappelijke verscheidenheid, valt
 op te merken dat deze niet bij voorbaat adequaat vervuld mag worden
 geacht door aanwezigheid van de bestaande zuilen. Toetreding van
 ander geprofileerd aanbod moet mogelijk zijn.
    Op grond van het hier gestelde en in het licht van in dit rapport gesig-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 222 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 223 ======================================================================

<pre>naleerde knelpunten in het huidige omroepbestel, doet de Raad een
aantal aanbevelingen voor de toekomstige landelijke etheromroep.
a.     Toe- en uittreding
    De huidige omroeporganisaties ontlenen hun positie aan hun repre-
sentativiteit voor een maatschappelijke, culturele, godsdienstige dan we1
geestelijke stroming in het volk. Het is derhalve zaak deze representativi-
teit zo onomstreden mogelijk vast te stellen. Omroeporganisaties dienen
daarom bij voorkeur verenigingen te zijn. Het lidmaatschap van een
omroepvereniging dient niet langer gekoppeld te zijn aan het abon-
nement op een programmablad; de keuze van omroepvereniging dient te
worden gemaakt op grond van haar maatschappelijk-culturele pretentie;
voor het lidmaatschap dient een reele contributie te worden betaald. De
ontkoppeling vergt een stringente regeling ten einde te voorkomen dat
feitelijke abonnees quasi-lid worden; de Raad ontveinst zich niet dat
deze regeling moeilijk is. Het ledenbestand van omroepverenigingen zal
hierdoor in omvang dalen. Deze daling zal per vereniging duidelijk kun-
nen verschillen, naar gelang de huidige ledenlabonnees affiniteit hebben
t o t de desbetreffende omroep.
    Sommigen zullen wellicht vrezen, dat de vergrote concurrentie en de
hier voorgestelde ontkoppeling van abonnement en lidmaatschap zou-
den kunnen leiden tot een sterke daling van het ledental der omroep-
organisaties. In dat geval zou het publieke bestel onder druk kunnen
komen te staan en ook de financiering kunnen worden bedreigd. Hier
staat tegenover dat de organisaties een duidelijke verbinding hebben
met belangrijke stromingen in Nederland. Al tellen de abonnementen niet
meer voor het lidmaatschap, de omroepverenigingen blijven we1 in staat
via hun blad de binding met de leden te verzorgen. De grotere nadruk op
geprofileerde programmering biedt de omroepverenigingen juist de kans
de zin van het lidmaatschap - waarmee invloed op de programmering
kan worden uitgeoefend - meer te onderstrepen. De hiervoor genoemde
reele contributie dient uiteraard ook reeel te zijn vanuit de omroep-
vereniging gezien: er dient een passende verhouding te zijn tussen de
contributie en het daarvoor gebodene.
    Voor toe- en uittreding zullen derhalve nieuwe getalscriteria moeten
worden gesteld. Deze zullen zodanig moeten zijn, dat enerzijds voldoende
pluriformiteit geboden wordt en anderzijds versnippering wordt voorko-
men. Het getal zal gedurende de (hierna te noemen) overgangsperiode
op grond van de ontwikkeling van ledentallen tijdig door de regering
bekend moeten worden gemaakt.
     Behalve van het getalscriterium zal toe- en uittreding ook afhankelijk
moeten zijn van de mate waarin de zendgemachtigde bijdraagt aan de
verscheidenheid van het omroepbestel. De nieuw ingevoerde plurifor-
miteitseis van artikel 13, lid 3 van de Omroepwet blijft derhalve - overi-
gens in nauwe relatie met lid 1, ten 4e, van dit artikel - gehandhaafd en
wordt voor zover nodig meer operationeel gemaakt. De pluriformiteitseis
wordt niet alleen gesteld aan nieuwe organisaties, maar ook aan be-
staande, aangezien in de praktijk is gebleken dat zendgemachtigden pro-
grammatisch een andere weg kunnen inslaan dan in het vooruitzicht was
gesteld. Aan het einde van de overgangsperiode worden zij hiertoe (voor
de eerste maal) getoetst aan de voldoening aan hun eigen, zelf geformu-
leerde pretenties. De beoordeling geschiedt door de minister van Cul-
tuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk, gehoord de Omroepraad en
gezien de gegevens van de onderzoeksdienst van de NOS.
     Uit een oogpunt van openheid dienen kandidaatomroeporganisaties
zodra zij een bepaald ledental - bijvoorbeeld in de orde van een derde
van het bovenbedoelde getalscriterium - hebben, beperkte zendtijd te
krijgen.
     Er is in beginsel geen bezwaar tegen als zendgemachtigden alleen via
televisie of alleen via radio omroep willen bedrijven. lndien een organisa-
tie zich tot radio beperkt kan de drempel voor toelating lager zijn.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 223 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 224 ======================================================================

<pre>   Toetsing aan de getalscriteria e n de pluriformiteitseis (c.q. maatschap-
pelijk-culturele pretenties) zou periodiek moeten plaatsvinden, bijvoor-
beeld eens in de vijf jaar, ten einde enerzijds de profilering in rust en met
een zekere continui'teit t e laten plaatsvinden en anderzijds voldoende
flexibiliteit in het bestel t e verkrijgen. Voor dit laatste is niet alleen een
zekere openheid bij de toetreding nodig, maar moet ook uittreding kun-
nen worden afgedwongen.
    Het spreekt vanzelf dat ingrijpende wijzigingen zoals hier voorgesteld
tijd vergen en dat een overgangsregeling nodig is o m een ernstige
verstoring van het functioneren van het omroepbestel te voorkomen. In
de overgangsperiode - van bijvoorbeeld 5 jaar - zal de status (in de zin
van de Omroepwet) van alle omroeporganisaties moeten worden
gehandhaafd; aan het einde hiervan vindt voor het eerst de hiervoor
genoemde toetsing aan de getals- en pluriformiteitscriteria plaats. Zoals
vermeld, zal de regering hiertoe tijdens de overgangsperiode de getals-
criteria moeten aangeven en zullen de omroeporganisaties hun
maatschappelijk-culturele profilering moeten formuleren.
b.    zendtijdtoewijzing
    Bij de inrichting van het bestel ligt het accent op de maatschappelijk-
culturele profilering van de diverse stromingen, ten gevolge waarvan een
pluriform geheel ontstaat. De afspiegeling van een maatschappelijke
stroming is dan van meer betekenis voor toekenning van zendtijd dan
getalssterkte boven het toe- en uittredingscriterium. Deze getalssterkte
speelt nu een te.grote rol, ten gevolge waarvan de omroeporganisaties
zich uitputten in onderlinge concurrentie om zoveel mogelijk leden te
werven. Anderzijds zou uniformering van de zendtijd weer te veel con-
currentieprikkels wegnemen. De voorkeur gaat derhalve uit naar een sy-
steem, waarbij het ledental we1 een rol speelt bij de toekenning van zend-
tijd, maar zodanig, dat - anders dan nu bij de zendtijdverdeling van A, B
en C-omroepen - de zendtijd degressief met het ledental toeneemt.
    De toewijzing van zendtijd aan kandidaatomroeporganisaties moet in
het licht van de nieuwe zendtijdtoewijzing opnieuw worden bezien. Het-
zelfde geldt voor de zogeheten 'andere instellingen'; hier moet ook de
hierna te noemen instelling van het derde programma in de beschou-
wing worden betrokken.
c.    Derde net
    De instelling van een commercieel derde net als middel om het weg-
vloeien van reclame-aanbod naar het buitenland te pareren, wordt voor-
barig geacht. Het uitbouwen en flexibeler maken van de STER-reclame
verdient voorshands de voorkeur. Hierbij dienen de gevolgen voor de
verscheidenheid van de pers in d e overweging te worden betrokken; op
dit punt wordt teruggekomen in paragraaf 8.4.
d.    Programmasamenstelling
    Het nieuwe beleid voor toe- en uittreding zal consequenties hebben
voor de regelgeving met betrekking tot programmering. De getals- en
pluriformiteitscriteria vormen te zamen een hoge drempel, zodat het
duurzaam mobiliseren van aanhang een profilering zal vergen met een
duidelijke identiteit. Derhalve kan het volledig-programmavoorschrift ver-
vallen of ten hoogste beperkt worden tot een aanwijzing aangaande het
minimumpercentage informatieve programma's. Weliswaar sluit de
voorgestelde regeling niet uit dat groeperingen die sterk 'publieks-
gerichte' programma's willen maken, toetreden tot het bestel, maar dit is
op zichzelf geen bezwaar. Hun aanwezigheid is, indien zij aan de toela-
tingscriteria voldoen, immers legitiem. Waar het o m gaat is dat zulke
publieksgerichte organisaties door de voorgestelde zendtijdtoewijzing
minder gemakkelijk via strijd om d e kijkcijfers meer ideele omroepen zul-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 224 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 225 ======================================================================

<pre>len kunnen afbrengen van hun geprofileerde programmeringen. Waar het
grote getal een minder belangrijke rol speelt, zijn de prikkels hiertoe min-
der aanwezig. Stringente regelgeving zoals bijvoorbeeld het volledig
programmavoorschrift van artikel 35 lid 2 van de Omroepwet is derhalve
niet meer nodig omdat de omroepen in het publiekrechtelijke bestel vrij
moeten worden gelaten om te concurreren met het programma-aanbod
hierbuiten.
e.    'Derde programma'
   Het is gewenst over te gaan tot de instelling van een 'derde program-
ma1. Dit programma verzorgt functies die bij de omroeporganisaties, die
een afspiegeling vormen van maatschappelijke stromingen, onvoldoende
aan b o d komen door de voor hen bestaande relevantie van kijkdichtheid,
ledental en onderstreping van eigen identiteit. De functies van dit pro-
gramma zijn vooral van expressieve en informatieve aard. Te denken is
aan hoogwaardige produkties - ook van eigen bodem - op het gebied
van cultuur (zowel kunst als amusement) en wetenschap, aan ont-
moetingsprogramma's en aan programma's waar het geluid van groepen
aan b o d kan komen die niet in het bestel zijn gerepresenteerd. De
programmering vindt plaats in onafhankelijkheid van kijkdichtheden,
waardoor de nadruk op grensverleggende kwaliteit kan worden gelegd.
Het derde programma mag echter niet ontaarden in een cultureel reser-
vaat, het moet juist bijdragen aan een horizonverruiming voor velen.
Door deze cultuurscheppende functie kan het ook een positieve uitstra-
ling hebben naar de identiteitsomroepen.
   Voor de organisatorische vorm is te denken aan een stichting. De
bestuursleden hiervan worden benoemd door de minister van Cultuur,
Recreatie en Maatschappelijk Werk. Aangezien onafhankelijkheid
essentieel is worden zij benoemd a titre personnel en niet als vertegen-
woordigers van organisaties; we1 hebben zij affiniteit met de onderschei-
den functies.
   De werkwijze zou kunnen bestaan uit concessieverlening aan zich for-
merende projectteams voor bepaalde programma-onderdelen. Om
verstarring te voorkomen zouden deze concessies slechts enkele jaren
moeten lopen. Dit betekent een klein vast apparaat en een accent op de
inschakeling van freelancers. Het beheer van de technische faciliteiten
blijft bij de NOS.
   De hoeveelheid zendtijd moet voldoende zijn om het derde programma
duidelijk te profileren. Te denken is aan een zendtijd van plm. 16 uur tele-
visie per week. Hiervan zou ongeveer 9 uur aan de-zendtijd van de NOS
in de sfeer van achtergrondinformatie, kunst en drama moeten worden
onttrokken, zodat in feite een uitbreiding in het geding is van plm. 7 uur
per week.
f.   Omroepfinanciering
   De financiering van de omroep berust nu voor circa driekwart op een
retributie en voor het overige deel op inkomsten uit de STER. Gezien de
hoge penetratiegraad van radio (98%) en tv (94%) dringt zich de vraag
op o f een retributie hier we1 op zijn plaats is. Door de sterke verspreiding
van radio en televisie en de heterogeniteit van de programma's wordt de
omroepbijdrage vaak meer ondergaan als een belasting dan als een prijs
voor een ontvangen goed. Op zichzelf zou dat een reden kunnen zijn
waarom een financiering uit de algemene middelen overwogen zou kun-
nen worden. Het bestaande bekostigingssysteem zou als het vervangen
werd door een financiering uit de algemene middelen vanwege een
beperking van de perceptiekosten een besparing van f 36 mln., dat is
6,3% van de opbrengsten uit omroepbijdrage, betekenen. Bovendien zou
met zodanige financiering bereikt worden, dat niet langer 'zwartkijkers'
van omroepdiensten profiteren zonder ervoor te betalen. Er zouden ech-
ter ook aanzienlijke nadelen aan verbonden zijn. De gedachte dat
</pre>

====================================================================== Einde pagina 225 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 226 ======================================================================

<pre>omroepdiensten een prijs hebben wordt overboord gezet, en daarmee
deze allokatiebevorderende functie. Het is juist deze functie die in de
toekomst wellicht meer accent nodig heeft". Het is op deze gronden dat
de Raad kiest voor voortzetting van de huidige financieringswijze via een
retributiestelsel, aangevuld met etherreclame.
    Met betrekking tot de omroepbijdrage dient een structurele verhoging
overwogen te worden, ten einde het publiekrechtelijke omroepsysteem
voldoende armslag te geven o m in de toekomst programma's van kwali-
tatief goed niveau te kunnen brengen. Specifieke redenen hiervoor zijn:
a. beperkte mogelijkheden o m door eigen inspanning andere finan-
cieringsmogelijkheden te benutten (hetgeen we1 het geval is bij zelffinan-
cierende commerciele systemen);
b. de opvatting, uitgesproken i n dit rapport, dat uitbreiding van het vo-
lume van de STER vooral ook afhankelijk zal zijn van de mate waarin een
antwoord gegeven moet worden op internationalisering;
c. de toenemende culturele functie van de omroep12.
    Naast verhoging van de omroepbijdrage acht de Raad vergroting van
de inkomsten uit de STER gewenst. In het liggende wetsontwerp wordt
een verdubbeling van de huidige hoeveelheid van drie uur per week
voorgesteld. Naast het realiseren hiervan zou de wijze van program-
mering herziening behoeven, t e n einde voor de toekomst op toereikende
wijze te kunnen reageren op een ontwikkeling van internationalisering.
De inkomenspositie van de omroep kan voorts verbeterd worden door de
tarieven van de STER structureel te verhogen. Deze tarieven zijn een
aantal jaren achtergebleven op de algemene prijsontwikkeling. Een aan-
passing van de tarieven zal de scheefgetrokken concurrentieverhouding
 met de dagbladen en tijdschriften herstellen.
 g. Bescherming van het publiekrechtelijke bestel tegen comrnerciele
 praktijken
    Opzet en inrichting van het bestel houden in, dat de omroeporganisa-
 ties zich onthouden van commerciele activiteiten die in redelijkheid niet
 verbonden zijn te achten met d e eigenlijke omroeptaak. Niettemin komen
 deze veelvuldig voor. Het is gewenst dit door duidelijke regelgeving,
 controle en sancties terug te dringen. De aanbevelingen die de Rege-
 ringscommissaris voor de Omroep hierover gedaan heeft en die door de
 minister van CRM zijn overgenomen, moeten dan ook in de praktijk hun
 beslag krijgen.
 8.2.6     Regionale radio-omroep
     De belangstelling voor regionale omroep vindt zijn oorsprong in de
 jaren zestig toen het massa-publiek van de radio overliep naar de televi-
 sie, daarmee het geluidsmedium dwingend nieuwe luisteraars te zoe-
 ken13.Het trefwoord werd specialisatie en differentiatie, waarbij voor
 specifiek geografisch gerichte informatieve programma's een steeds
 grotere publieke belangstelling ontstond. Deze regionale etheromroep
  - in ons land bestaat alleen radio op dit niveau - is te beschouwen als
 een professionele omroepvoorziening naast het landelijke omroepbestel.
     Nederland heeft op het ogenblik zeven regionale radio-omroepen, ter-
 wijl er plannen bestaan ze ook elders tot ontwikkeling te brengen14.Er is
 l1  Ontleend aan: P.J.M. Wilms/lnstituut voor Onderzoek van Overheidsuitgaven, Horen, zien
 en betalen, een inventariserende studie naar de toekomstige kosten en bekostiging van de
 omroep; wordt nog uitgebracht in de serie 'Voorstudies en achtergronden mediabeleid'.
 l2  W.P. Knulst/Sociaal Cultureel Planbureau, Mediabeleid en cultuurbeleid; Een studie over
 de samenhang tussen de twee beleidsvelden; serie 'Voorstudies en achtergronden mediabe-
 leid. nr. M10, 's-Gravenhage. Staatsuitgeverij, 1982.
 '3   E.H. Hollander, Kleinschalige massacommunicatie: lokale omroepvormen in West-Europa;
 serie 'Voorstudies en achtergronden mediabeleid', nr. M2, 's-Gravenhage. Staatsuitgeverij,
  1982, blz. 13.
 l4   Regionale Omroep Overleg en Samenwerking ( R O O S ) ,ROOS-plan voor 23 regionale
  omroepen; Amsterdam. 1980.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 226 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 227 ======================================================================

<pre>geen poging gedaan het Hilversumse afspiegelingsmodel op regionale
schaal n a te bootsen, maar we1 zijn voorzieningen getroffen om non-
commercialiteit en aansluiting bij maatschappelijke verscheidenheid te
verzekeren. De Omroepwet onderscheidt regionale omroepen die auto-
noom funktioneren en regionale omroepen die onder verantwoordelijk-
heid vallen van de NOS. Er zijn dan ook twee organisatievormen
mogelijk: een onafhankelijke en zonder winstdoel opererende regionale
omroep die voor de stad, de streek of het gewest in cultureel opzicht
representatief geacht kan worden en een regionale omroeporganisatie
die onder verantwoordelijkheid en beheer van de NOS staat. In het
eerste geval bepaalt de minister van CRM, na advisering door de betrok-
ken lagere overheden, of aan de eis van culturele representativiteit is
voldaan. Ofschoon een programma-adsviesraad wettelijk niet is voor-
geschreven, funktioneert bij de zogenaamde onafhankelijke regionale
omroepen (STAD en Omroep Brabant) een dergelijk orgaan, dat bij de
ene omroep (STAD) op deskundigheidsbasis is samengesteld en bij de
andere (Omroep Brabant) een culturele afspiegeling van de maatschap-
pelijke pluriformiteit beoogt te zijn. De regionale omroepen van de NOS
worden elk geadviseerd door een programmaraad, die door de minister
van CRM benoemd wordt en verantwoording schuldig is aan het bestuur
van de NOS.
    De financiering van de bestaande regionale omroepen gebeurt uit de
omroepmiddelen, namelijk bestaande reserves, opbrengst van de ether-
reclame en omroepbijdragen. Dit betekent dat betalers van omroep-
bijdragen in gebieden waar geen regionale omroep bestaat, toch meebe-
talen voor deze voorziening elders. Uit een oogpunt van rechtsgelijkheid
wordt d i t als onjuist ondervonden. Het probleem zou zijn weggenomen
als er een landelijke bedekking met regionale omroep zou zijn. Het over-
legorgaan van de samenwerkende regionale omroepinstellingen (ROOS)
heeft in een aantal nota's gepleit voor een landelijke bedekking met 23
regionale omroepen. Deze zouden over een periode van tien jaar moeten
worden ontwikkeld, zowel met behulp van etherreclame als door finan-
ciering u i t de omroepmiddelen.
    lntussen is echter de scepsis gegroeid jegens de wenselijkheid en de
realiseerbaarheid van een dergelijke landelijke bedekking. In zijn concept-
nota inzake lokale en regionale omroep tornde de vorige minister van
CRM weliswaar niet aan de wenselijkheid hiervan, maar sprak hij zich
toch uit voor temporiseringl5. Voor 1987 kan geen uitbreiding van regio-
nale omroepvoorzieningen plaatsvinden, aldus de nota, zulks met het
oog op d e huidige moeilijke sociaal-economische situatie.
    Voor een standpuntbepaling meent de Raad dat is aan te knopen bij
de relevantie die regionale omroep voor een bepaalde regio heeft. De
Raad meent dat oprichting van nieuwe regionale omroepen slechts dan
gerechtvaardigd zal zijn indien inderdaad sprake is van een regionale
identiteit, die door bewoners als zodanig wordt onderkend en aan articu-
latie waarvan via regionale omroep aantoonbaar behoefte bestaat bij de
bevolking. In vele delen van ons land wordt de gewestelijke band niet als
bepalend ervaren voor de eigen identiteit. Er is dan ook geen reden om
regionale omroep van bovenaf op te leggen. Dit geldt te meer omdat de
aanvang van de regionale omroep dateert uit een tijd dat de grote
mogelijkheden van lokale omroep via de kabel nog niet zo zichtbaar
waren als thans. Voor een integrale bedekking op drie niveaus - lan-
delijk, regionaal, lokaal - lijkt in ons land geen plaats te zijn.
    Financiering van regionale omroep kan uit drie bronnen geschieden:
via reclame, uit de algemene omroepmiddelen of door opcenten op de
omroepbijdrage in die regio's waar een regionale omroep functioneert,
t e innen door de (landelijke of regionale) overheid. Tot dusverre vindt
geen financiering via reclame plaats. Gezien de zeer terughoudende
l5   Ministerie van C R M , Kiezen en kabelen, concept-nota inzake lokale en regionale omroep;
Rijswijk, 1982, niet-officiele getypte versie, blz. 19.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 227 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 228 ======================================================================

<pre>opstelling tegenover regionale radio-omroep in het algemeen acht de
Raad het niet opportuun op dit punt tot een koerswijziging te adviseren.
Zo men al zou opteren voor financiering door reclame zou het, gezien
het publiekrechtelijk karakter van de regionale omroep voor de hand lig-
gen, voor een regionale STER-exploitatie t e kiezen. Deze vorm van ether-
reclame, die rechtstreeks van invloed is op de advertentiemarkt en die
door zijn monopolistisch karakter niet door de pers - in dit geval de
regionale dagbladpers - gepareerd kan worden, roept waarschijnlijk
schadeclaims van de krantensector op. lnvoering van regionale STER kan
zelfs leiden tot het verdwijnen van kranten, hetgeen ongewenst is uit een
oogpunt van pluriformiteit. De opbrengst van de regionale STER zou
voorts zeker niet toereikend zijn o m daarmee de regionale omroep te
financieren. Alles bijeen acht de Raad invoering van reclame op dit
niveau ongewenst.
    In de in 1979 door de toenmalige minister van CRM aan de Tweede
Kamer aangeboden Nota over de regionale radio-omroep werd uit-
gegaan van een gedeelde verantwoordelijkheid en dus een gedeelde
financieringslast van de regionale omroep tussen Rijk en provincie'6. In
1982 verwierp de toenmalige bewindsman echter deze gedachte, aan-
gezien hierdoor bewoners van dunbevolkte provincies relatief meer (5 tot
6 maal zoveel) aan opcenten op de omroepbijdrage zouden moeten beta-
len voor eenzelfde voorziening. De bewindsman opteerde derhalve voor
financiering ten laste van de algemene omroepmiddelen. (Een in de Nota
inzake lokale en regionale omroep aan de orde gestelde uitbreiding met
vier regionale zenders ter bedekking van het niet-stedelijke gebied in ons
land noodzaakt tot een verhoging van de tarieven met circa f 3.50 per
jaar)".
    De Raad meent dat bij keuze van niet-landelijke bedekking een regio-
naal gedifferentieerd element in de financiering in de rede ligt. De regio-
nale omroepen - dus ook de bestaande - zouden derhalve tenminste
gedeeltelijk behoren te worden gefinancierd via regionaal te innen
opcenten op de omroepbijdrage. Als regionale omroep voortkomt uit de
wensen van de betrokken bevolking is een zekere ongelijkheid in finan-
cieringslast redelijk.
    Gezien de coordinatie die nodig is met het landelijke bestel vanuit pro-
grammatisch oogpunt, en om technische doelmatigheid en management
te bevorderen, zou bij een eventuele verdere uitbouw van de regionale
omroep gekozen kunnen worden voor uitbouw onder verantwoordelijk-
heid en beheer van de NOS. De programmaraden zouden voor de streek
cultureel representatief moeten zijn en door de NOS moeten worden
benoemd. De minister van CRM verleent d e zendmachtiging (aan de
 NOS) ten einde tot een evenwichtige verdeling van regionale omroep
over het land te komen en om politiek verantwoordelijk voor deze
omroepvoorziening te kunnen zijn.
8.2.7     Lokale radio-omroep via de ether
    Lokale omroep via de ether betreft in feite uitsluitend radio-omroep.
 De frequentietoedeling voor televisie ondervindt namelijk een beperken-
de invloed van schaarste, zodat het aantal televisiezenders in een
 bepaald gebied nooit erg groot kan zijn. Er is zeker geen ruimte voor rui-
 me toepassing van lokale televisie-omroep via de ether.
    Bij radio ligt de frequentietoewijzing gemakkelijker. Lokale radio via de
ether is technisch gesproken niet problematisch, zoals in feite trouwens
 ook uit de piratenpraktijk blijkt. Wanneer lokale etherradio wordt inge-
 voerd zal men echter stellig rekening houden met eventueel aanwezige
 kabelsystemen. Deze doen immers ook als radio-antenne dienst, zodat
 de lokale radio uiteindelijk toch over de kabel bij de afnemers kan komen.
     Ministerie van CRM. Regionale radio-omroep in Nederland; ontwikkeling en beleid; 's-Gra-
 venhage. Staatsuitgeverij, 1979, blz. 5-1 1.
 l7  Ibid..
</pre>

====================================================================== Einde pagina 228 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 229 ======================================================================

<pre>   Een groeiend aantal initiatieven om tot de oprichting van een lokale
radio-omroep te komen bewijst dat er vanuit de plaatselijke
gemeenschap belangstelling bestaat voor deze vorm van communicatie.
Misschien kan die belangstelling gezien worden als een reactie op
grootschalig en uniform aanbod vanuit de landelijke en buitenlandse
omroepen. Wellicht speelt ook een rol dat lokale omroep voornamelijk
door vrijwilligers tot stand komt en derhalve een grote betrokkenheid op
de plaatselijke gemeenschap kan hebben. De funktie van lokale omroep
beperkt zich dan ook niet tot informatieverschaffing. Lokale radio-
omroep biedt educatie mogelijkheden op het gebied van de amateuristi-
sche kunstbeoefening, samenlevingsopbouw, voorlichting en dergelijke.
   Het toelatingsbeleid voor lokale radio-omroep via de ether zou in
vergaande mate gedecentraliseerd kunnen worden. Per gemeente kun-
nen een of meer - afhankelijk van de plaatselijke situatie -
 frequentiebanden worden toegewezen, te gebruiken voor zenders met
een laag vermogen. Het gemeentebestuur kan deze frequentiebanden
aan een of meer lokale omroeporganisaties toewijzen. Een lokale omroep
kan, omdat met een klein vermogen wordt gewerkt, ook op het niveau
van een wijk opereren.
   De financiele middelen voor lokale radio-omroep via de ether kunnen
worden verkregen uit donaties van de ingezetenen of van verenigingen
en organisaties. lndien de gemeente lokale radio-omroep wenst te sub-
sidieren zal zij een afweging moeten maken ten opzichte van andere ge-
wenste plaatselijke voorzieningen. De gemeente zou overigens bepaalde
voorzieningen met de lokale omroep kunnen combineren, bijvoorbeeld
wat de huisvesting betreft, zoals het onderwijs gebruik maakt van de
gemeentelijke sportterreinen. Verder kan het gemeentebestuur beslissen
ook o p dit gebied intergemeentelijke samenwerking te bevorderen, het-
geen een interessante mogelijkheid biedt voor gemeenten waar toch al
een voorzieningenniveau voor andere gemeenten uit de regio bestaat. In
het licht van de inrichtingseisen van de andere etheromroepvoor-
zieningen zouden voor lokale etheromroep slechts (plaatselijk) repre-
sentatieve organisaties zonder winstoogmerk in aanmerking dienen te
komen. De exploitatie van reclame is niet nodig voor het tot ontwikkeling
brengen van lokale radio-omroep. Derhalve is er geen reden voor het
toestaan van reclame.
   Gezien het feit dat lokale etheromroep zich uitstekend leent voor een
nadere invulling op decentraal niveau, zou de rijksoverheid met algeme-
ne richtlijnen in de Omroepwet kunnen volstaan. Deze zouden betrekking
moeten hebben op algemene voorwaarden waaraan de gemeen-
tebesturen bij de toewijzing en de lokale omroeporganisaties bij het
gebruik van de zendtijd zich dienen te houden.
8.3 Nieuwe diensten op h e t gebied van de tele-informatie, i n h e t
bijzonder onder gebruikmaking van de kabel
8.3.1   Perspectieven voor de toekomst
   Nederland is a1 dicht bekabeld. Op het ogenblik is 65% van de kijkers
aangesloten en verwacht wordt dat dit percentage omstreeks 1985 tot
ongeveer 85% zal zijn gestegen. Ons land heeft aldus, met Belgie, de
grootste kabeldichtheid in West-Europa, maar toch kan worden gest'eld
dat de mogelijkheden die de kabel biedt nog weinig ontwikkeld zijn. Dit
komt doordat de kabel aanvankelijk vooral werd beschouwd naar zijn
eerste functie, dat wil zeggen als verbinding met een gemeenschap-
pelijke centrale antenne, een vervanging van de individuele antenne,
zodat een veel betere ontvangst mogelijk werd van (vooral) buitenlandse
tv-zendstations. De regelgeving is op deze doorgeeffunctie toegespitst.
Eerst gaandeweg werd beseft hoeveel meer mogelijkheden de kabel
biedt als overbrengingsmedium, onder andere als middel om video- en
audioprodukties in de huiskamer te brengen, televisie- en ook radio-
programma's, die niet gelijktijdig in de ether aanwezig zijn, maar die
</pre>

====================================================================== Einde pagina 229 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 230 ======================================================================

<pre>direct op het net worden gezet. Toen dit besef doordrong werd naar
gelegenheidswetgeving gegrepen: omroep via de kabel werd aan de
vooravond van Kerstmis 1971 door een inderhaast uitgevaardigde
beschikking aan een vergunningenstelsel gebonden. De situatie met
betrekking tot regelgeving is uiteengezet in hoofdstuk 5. Hier zij volstaan
met de conclusie dat de overheid inzake andere vormen van kabelge-
bruik dan doorgifte van in de ether uitgezonden omroepprogramma's,
tot dusver een zeer restrictief beleid heeft gevoerd, waardoor mogelijk-
heden die dit nieuwe medium biedt, vrijwel nergens tot ontwikkeling zijn
gekomen.
   In de navolgende paragrafen zal op deze mogelijkheden worden inge-
gaan. Hierbij zal worden geredeneerd vanuit het boven (par. 8.1.5)
genoemde uitgangspunt voor samenhangend mediabeleid: het gaat
erom nieuwe mbgelijkheden zo goed mogelijk te bevorderen, opdat eeri
zo rijk mogelijk aanbod van diensten ter beschikking komt, evenwel met
behoud van essentiele verworvenheden in de sfeer van de uitingsvrijheid
en van het cultuurbeleid. Waar h e t hier gaat om toekomstmogelijkheden,
zullen de implicaties van ontwikkelingen veelal nog niet in hun geheel te
overzien zijn. Dit geldt ook voor d e repercussies van beslissingen
aangaande het nieuwe aanbod jegens, enerzijds, het publiekrechtelijke
omroepbestel en, anderzijds, de i n de vrije markt opererende pers. De
Raad meent derhalve dat de overheid de komende jaren de ontwikkelin-
gen op alerte wijze dient te volgen, ten einde tot toereikende regelgeving
te komen indien dit noodzakelijk is. Dit zal moeilijk zijn, omdat pas vanuit
een ontwikkeling die in vrijheid plaatsvindt exploitatiemogelijkheden en
publieksvoorkeuren kunnen worden vastgesteld. Dit betekent in concreto
dat, conform het grondrecht van uitingsvrijheid, de voorkeur zal uitgaan
naar ontwikkeling met een minimum aan overheidsregulering in de vrije
marktsector maar dat, waar tevens de compatibiliteit in het geding is van
een gelijkwaardig functionerend marktstelsel en een publiekrechtelijk
stelsel, zekere uitzonderingen noodzakelijk kunnen blijken.
   In de terminologie van de Omroepwet is een element van het begrip
'omroep' dat programma's voor 'het publiek bestemd' zijn. Ook als
'doorgifte' van (buitenlandse) programma's via de kabel plaatsvindt is nu
dit element aanwezig, in die zin d a t dit aanbod gewoonlijk aan alle aan-
geslotenen wordt geleverd. Als gevolg van de kwaliteit van de tech-
nische infrastructuur zal gaandeweg een groot extra pakket, wellicht via
satelliet of aanvoerstraalzenders binnenkomend, via de kabel kunnen
worden doorgegeven. Het verdient naar het oordeel van de Raad de
voorkeur dat dergelijk aanbod, evenals nieuwe diensten zoals abonnee-tv
of kabelkrant waarbij de kabel als overbrengingsmedium functioneert,
zoveel mogelijk individueel afrekenbaar zal worden aangeboden, zulks ter
wille van de keuzevrijheid van de consument. Dit houdt echter niet in,
evenmin als bij levering op oproep, dat zulk aanbod dan geheel buiten
het terrein van het mediabeleid zou vallen. (Wel ligt de totstandkoming
van het buitenlands aanbod buiten bereik van de Nederlandse overheid
en dient voorts terughoudendheid te worden betracht op het punt van
beleidvoering met betrekking tot de ontvangstkant). Samenhang met
andere media, en een zodanig gebruik van de kabel dat de belangen van
alle partijen - aanbieders, exploitant en aangeslotenen - zo goed
mogelijk tot hun recht komen, kan evenwel tot een zekere interventie
aanleiding geven.
   Hierna zullen achtereenvolgens worden behandeld: de kabel als
doorgeefmedium en de kabel als overbrengingsmedium, van respec-
tievelijk door alle aangeslotenen t e ontvangen programma's en van indi-
vidueel afrekenbare diensten. Juist deze mogelijkheid voor de consument
om aanbod individueel af te rekenen en alleen datgene af te nemen
waarvoor hij wil betalen, maakt d e kabel tot zo een interessant nieuw
medium. Per onderdeel zal worden bezien hoe toegang tot en finan-
ciering van het medium zijn geregeld, respectievelijk hoe deze naar de
mening van de Raad geregeld behoren te worden.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 230 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 231 ======================================================================

<pre>8.3.2 D e kabel als middel voor het doorgeven van
   programma's
   Mensen nemen kabeltelevisie om meer zenders beter te kunnen ont-
vangen. Dit is tot nu toe de primaire functie van het kabelnet, kwaliteits-
verbetering van de ontvangst van gelijktijdig via de ether uitgezonden
programma's, waarbij derhalve de kabel is te beschouwen als 'ver-
lengstuk' van de eigen antenne. Ook indien (0.a. via straalverbindingen
ontvangen) programma's over het net worden gespreid die met geen
mogelijkheid door een eigen antenne zouden kunnen worden opgevan-
gen, is - indien deze verspreiding zonder noemenswaardig tijdsverschil
gebeurt - toch van doorgifte sprake. Doorgifte per kabel valt buiten het
bereik van de geldende Omroepwet; het nog niet in werking getreden
nieuwe artikel 48 rekent doorgifte door elke draadomroepinrichting even-
min t o t omroep op grond van het feit, dat een dergelijke doorgifte is te
beschouwen als een zuiver technische handeling die zich afspeelt aan de
ontvangstkant. De meeste kabelnetten zijn eigendom van gemeenten.
lndien zij, wat ook voorkomt, in handen zijn van particuliere bedrijven
heeft d e gemeenteraad een beslissende stem in de keuze van door te
geven zenders en in de prijs die de consumenten in rekening wordt
gebracht.
   Tot dusver levert de exploitatie van kabelnetten doorgaans weinig pro-
blemen op. Naast de landelijke Nederlandse etheromroep wordt nog
slechts een beperkt aantal buitenlandse zenders doorgegeven. De ont-
vangst hiervan wordt door velen als een .~errijkingen de extra kosten in
de regel als aanvaardbaar beschouwd. Keuzeproblemen - doordat meer
zenders kunnen worden doorgegeven dan het kabelnet kanalen heeft -
 zijn n o g niet actueel.
    In paragraaf 4.8 is er echter op gewezen dat af en toe signalen zijn op
te vangen die duiden op toekomstige problemen. Sommige kabelabon-
nees beginnen bezwaar te maken tegen stijgende kosten en het in vele
gemeenten ingevoerde antenneverbod - een indirecte 'aansluitplicht' op
de kabel - wordt als discutabel ervaren. Hierbij gaat het vooralsnog om
financiele overwegingen, maar op iets langere duur kan ook het gebruik
van de inrichting in zijn geheel voorwerp van discussie worden. Met
name zal de situatie waarin de aanbieder beslist wat wordt aangeboden
en de consument slechts de keuze heeft tussen dit te aanvaarden of zijn
abonnement op te zeggen, waarschijnlijk niet lang meer algemeen aan-
vaardbaar zijn. Het gaat om de beslissingsbevoegdheid ten aanzien van
het kabelgebruik in de ruimste ozvang, waarbij ook andere gebruiks-
vormen dan doorgifte aan de orde zijn. Daarbij zal de vraag kunnen gaan
domineren of de kabel primair als doorgiftefaciliteit moet worden gezien
en het gebruik als zodanig voorrang moet hebben, dan we1 als een mul-
tifunctioneel communicatiemiddel moet worden beschouwd, waarvan
het gebruik naar keuze kan worden ingericht, afgezien van enige nood-
zakelijke beperkingen die uit nader te noemen verplichtingen voort-
vloeien.
   De Raad meent dat beslissingen betreffende de doorgifte (als totaal
pakket van programma's dan we1 meer gedifferentieerd) zoveel mogelijk
getroffen moeten worden, direct of indirect, door aangeslotenen op het
desbetreffende kabelnet. Zij hebben zich immers voorzien van een - ge-
meenschappelijke - antenne. Deze beslissingsbevoegdheid van de
abonnees dient het uitgangspunt te zijn, ook indien men hierbij op prak-
tische problemen met betrekking tot de wilsvorming kan stuiten. Een
complexe situatie kan zich, zoals hierboven reeds werd opgemerkt,
voordoen als verschillende functies van de kabel tot ontwikkeling komen;
een gedifferentieerde verdeling van bevoegdheden is dan op zijn plaats.
Het uitgangspunt, dat de abonnees zelf over de ontvangst beslissen,
moet zeker gelden als ter plaatse een antenneverbod geldt - overigens
een maatregel die de Raad uit een oogpunt van ontvangstvrijheid on-
gewenst acht.
   Voor de positie van de consument is voorts van belang dat het tech-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 231 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 232 ======================================================================

<pre>nisch mogelijk is zich te abonneren per kabelkanaal. De consequenties
van deze vernieuwing worden nader besproken in paragraaf 8.3.3. De
Raad meent dat mogelijkheden in deze richting moeten worden benut.
De overheid zou richtlijnen moeten geven waardoor dergelijke indivi-
duele afrekenmogelijkheden bij doorgifte van programma's verplicht
worden gesteld. Hierdoor kunnen weliswaar sommige aangeboden facili-
teiten minder rendabel worden, maar dit mag naar mening van de Raad
geen aanleiding zijn om door gedwongen afname het voordeel van de
kabel tegenover de ether, dat bestaat uit de mogelijkheden van afreke-
ning per genoten kanaal, op t e geven. Anderzijds kan het in het kader
van. het cultuurbeleid aanbeveling verdienen om zenders waar minder
vraag naar is, door subsidie toch in het aanbod t e houden.
   Een tweede verplichting die de Raad opgelegd zou willen zien aan
kabelexploitanten is de doorgifte van een minimumpakket aan alle aan-
geslotenen dat als zodanig in rekening wordt gebracht. Dit pakket zou in
elk geval alle zenders van de landelijke omroep moeten bevatten en ver-
der de eventueel aanwezige regionale en lokale etheromroep. lndien
sprake is van een antenneverbod (waarvan de Raad zich tegenstander
verklaart) dienen alle ter plaatse opvangbare zenders via het kabelnet
beschikbaar te worden gesteld. Voorts is opname van andere (Belgische)
Nederlandstalige zenders in het minimumpakket t e overwegen. Een en
ander geschiedt uiteraard tegen een prijs die afgestemd is op de gebo-
den dienstverlening.
   Een belangrijk deel van het vergrote aanbod zal bestaan uit televisie-
programma's uit de omringende landen. De vraag doet zich voor, of het
ter wille van een ingrijpende vergroting van het aanbod en bovendien
verbetering van ontvangst opportuun is over te gaan tot realisering van
een landelijk aanvoernet van de PlT, dat dan bovendien nuttig kan zijn
voor het overbrengen van binnenlands aanbod over grotere afstanden
(verdere verspreiding van lokale programma's, abonnee-televisie). Zeer
onlangs heeft de P l T doen weten aan het project een zeer lage prioriteit
te geven, aangezien aan zijn in 1981 gestelde voorwaarden niet is voldaan.
   lndien het landelijke aanvoernet tot stand mocht komen, is het van
belang de tariefstructuur kritisch te bezien. In hoofdstuk 6 is erop gewe-
Zen dat het nu voor ogen staande uniforme tarief onaantrekkelijk is voor
kabelnetten met veel aangeslotenen. In elk geval zal de tariefopbouw
voor potentiele afnemers helderder moeten worden gemaakt.
   Wat betreft het op verzoek van kabelexploitanten beschikbaar stellen
van aan te voeren programma's lijkt het de Raad redelijk een dienstver-
lenende rol te geven aan de NOS. Aldus treedt een deskundige centrale
instantie op, die onderhandelingen over auteursrechten kan voeren met
buitenlandse aanbieders en met de Nederlandse kabelexploitanten of
hun vertegenwoordiging (de VECAI).
   In verband met de doorgifte van buitenlandse (satelliet)programma's
is door de regering een doorgifteverbod aangekondigd van op Nederland
gerichte reclame. lntussen worden de staats- en internationaalrechtelijke
aspecten van een dergelijk verbod, op verzoek van de regering, door een
drietal deskundigen onderzochtl8. De Raad meent dat nationale verboden
of andere afweermiddelen van op Nederland gerichte reclame op den
duur weinig effectief zullen zijn. Bovendien staat de Raad vanuit het
beginsel van 'free flow of information' op het standpunt, dat individuele
ontvangstvrijheid, ook als de ontvangst geschiedt via gemeenschap-
pelijke of centrale antenne-inrichtingen, ongeclausuleerd dient te worden
gewaarborgd.
8.3.3 De kabel als middel voor her overbrengen van
   programma's
   Zoals boven gesteld geeft het kabelnet de technische mogelijkheid om,
naast het doorgeven van etherprogramma's, velerlei andere diensten aan
la  Zie hoofdstuk 5. blz. 14.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 232 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 233 ======================================================================

<pre>te bieden. Met de ontwikkeling hiervan is, gezien het restrictieve beleid
van de overheid, nog maar nauwelijks begonnen. Het ligt in de ver-
wachting dat juist in het overbrengen van speciaal voor de kabel ver-
vaardigde programma's vele nieuwe mogelijkheden liggen, deels van
principieel nieuwe aard. Hierbij is een onderscheid te maken tussen acti-
viteiten die alle aangeslotenen bereiken zonder bijzondere wilsuiting hun-
nerzijds en diensten waarop aangeslotenen zich differentieel kunnen
abonneren. In het eerste geval is sprake van omroep via de kabel, in het
tweede geval bestaat er geen omroepsituatie in de gebruikelijke zin,
maar maakt de consument gebruik van de technische mogelijkheid door
hem gewenste diensten te betrekken waarvoor hij naar rat0 van afname
betaalt. In concreto is te denken aan vormen van betaaltelevisie (waarbij
voorlopig alleen het abonnement per kanaal is te realiseren), aan een
kabelkrant, en aan nieuwe diensten zoals teletekst en viewdata. Voorts is
de kabel t e gebruiken als transportmiddel van data (gegevens die voor
een algemeen publiek niet van belang zijn) ten behoeve van het
bedrijfsleven en andere instellingen die zich hierop willen abonneren. Op
de onderscheiden mogelijkheden wordt hieronder ingegaan, maar eerst
volgen enige overwegingen van principiele aard.
   Doordat de kabel lange tijd vooral als doorgeefmedium beschouwd is,
is het gebruik daarvan vrijwel automatisch als omroep beschouwd. De
Omroepwet is evenwel gebaseerd op de schaarste aan etherfrequenties
en op de bedoeling de beschikbare zendtijd volgens bepaalde principes
(vrijheid van meningsuiting en pluriformiteit) en onder bepaalde voor-
waarden aan maatschappelijke groeperingen, die door een omroeporga-
nisatie gerepresenteerd worden, toe te wijzen. Bij de kabel heerst echter
in beginsel geen schaarste meer. Er zijn kabelnetten die wegens hun
ouderdom nog een beperkte capaciteit hebben, maar op den duur zullen
alle kabelnetten een capaciteit hebben die doorgaans de vraag zal over-
treffen. Het tweede wezenlijke onderscheid met disseminatie via de ether
is de individuele afrekeningsmogelijkheid. Ook al is dit nog niet mogelijk
bij alle bestaande netten, aan de waarde van de constatering doet dit
niet af, aangezien binnen afzienbare tijd - zeker binnen twee decen-
nia - een nieuwe generatie kabelnetten de verouderde zal vervangen,
waarbij de individuele afrekeningsmogelijkheid technisch kan worden
gerealiseerd.
   Dit betekent dat er zich mogelijkheden voordoen om het aanbod over
de kabel t e hergroeperen met betrekking tot zowel collectieve als par-
ticuliere besluitvorming, respectievelijk wat de verdeling over publieke-
en marktsector betreft. Waar het gaat om voor het publiek bestemd
aanbod (d.w.2. lokale televisie-omroep) lijkt er aanleiding de sterk
gecentraliseerde opzet van de Omroepwet in zoverre te verlaten dat bij
de nadere inrichting van beleid rekening wordt gehouden met de sterke
tendenties om te streven naar decentralisatie naar plaatselijk niveau.
 Hierop wordt nader ingegaan in de volgende paragraaf.
   Waar het gaat om individueel te betrekken aanbod (bijv. abonnee-
televisie) is er naar de mening van de Raad geen reden om de Omroep-
wet van toepassing te doen zijn. Het terrein van deze wet dient beperkt
te zijn tot ongerichte verspreiding (via de ether of een kabel) van
informatie naar het publiek. Een dergelijke activiteit die in beginsel een
ruimer publieksbereik en vooral een bijzondere wijze van financiering met
alle daaraan verbonden gevolgen met zich meebrengt is wezenlijk anders
dan het individueel dienstenaanbod als abonnee-televisie. Ten aanzien
van dit aanbod is er in principe niet meer reden tot overheidsinterventie
dan bij de vraag op welke krant een individu zich wenst te abonneren,
dat wil zeggen geen. Dat van hetzelfde verspreidingsmiddel, de kabel,
gebruik gemaakt wordt doet hieraan niets af.
   Hiermee is nog niet de wenselijkheid van iedere overheidsinterventie
uitgesloten. Binnen de grenzen die de uitingsvrijheid stelt, kan deze
nodig zijn indien aantoonbaar aantasting dreigt van verworvenheden met
een stevige bestaansgrond. Voorts kan de voornaamste doelstelling van
het mediabeleid, de bevordering van een vrij, pluriform aanbod, het
</pre>

====================================================================== Einde pagina 233 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 234 ======================================================================

<pre>nodig maken dat (rand)voorwaarden worden gesteld. De Raad acht daar-
om invoering van een afzonderlijke Kabel(raam)wet gewenst die, binnen
een aantal richtlijnen, maximale vrijheid voor aanbieder en afnemer
biedt. Zo'n aparte wet zou zich samenvattend moeten beperken tot:
- uitgangspunten voor de regeling van redactionele onafhankelijkheid
der programmamakers;
- de toegang moeten regelen tot bij monopolisten berustende hardware
(kabels enz.) met het oog op de belangen van aanbieders en consumen-
ten.
In deze wet zouden ook ten aanzien van andere vormen van gericht elek-
tronisch informatie-aanbod aan het publiek dat via een kabelnet wordt
verspreid regels gegeven kunnen worden. In hoeverre zij in de verschil-'
lende gevallen ook werkelijk noodzakelijk zijn zal de praktijk moeten
uitwijzen.
   Hierbij dient ook te worden bedacht dat de mogelijkheden van de nieu-
we informatie-technologie - die alleen in vrijheid optimaal tot ontwikke-
ling zullen komen zodanig zijn dat het straks in sommige opzichten geen
wezenlijk verschil meer zal maken of aanbod langs grafische of audiovi-
suele weg tot stand komt. Het zal duidelijk zijn dat gelijkwaardig aanbod
in beginsel niet aan zeer verschillende regelgeving onderworpen dient te
zijn.
   Het valt overigens niet te ontkennen dat de voorgestane vrijmaking
van niet-omroepfuncties op de kabel kan leiden tot substitutie van ethe-
raanbod. Zo zal bijvoorbeeld een aanzienlijke verbreiding van abon-
neetelevisie met een aanbod van films, drama, sport de Hilversumse
zendgemachtigden geduchte concurrentie aandoen. Maar dit geldt ook
voor de zich in de sector van videorecording en beeldplaat ontwik-
kelende culturele industrie. In het medialandschap van de toekomst zal
het Hilversumse bestel onvermijdelijk een minder beschermde plaats
innemen dan nu. In zoverre als hierdoor fundamentele informatieve en
culturele functies worden bedreigd, kan dit overheidsinterventie legiti-
 meren, maar voor bescherming van gevestigde posities als zodanig
bestaat in beginsel evenmin aanleiding als in andere maatschappelijke
sectoren het geval is.
8.3.3.1    Lokale televisie-omroep
   Het kabelnet biedt de mogelijkheid tot televisie-omroep op lokale
 schaal. (Voor lokale radio-omroep is het gebruik van etherfrequenties
 met gericht bereik technisch mogelijk en aantrekkelijk in verband met het
 ge'individualiseerd gebruik van radio-ontvangers; voor tv geldt dit niet).
 De eerste lokale televisie-uitzendingen in Nederland werden in oktober
 en december 1971 in verschillende plaatsen via het kabelnet uit-
 gestuurdlg. Zulks gebeurde, ten gevolge van een leemte in de Omroep-
 wet, zonder toestemming van de minister van CRM of de P l T . Om een
 snelle uitbreiding van deze ongereguleerde omroepvorm te voorkomen,
 besloot de minister tot het uitvaardigen van de zogenaamde Kerst-
 beschikking 1971, waarmee lokale uitzendingen via kabelnetten onder de
 werking van de Omroepwet werden gebracht. Vervolgens werden enkele
 experimenten met lokale televisieomroep mogelijk gemaakt en nadien
 werden in een herziening van de Kerstbeschikking (5 februari 1974) de
 eisen vermeld waaraan de zendgemachtigden moeten voldoen.
    Een zendmachtiging kan verleend worden aan een lokale rechtsper-
 soonlijkheid bezittende culturele instelling. Deze instelling moet repre-
 sentatief zijn voor de gemeenschap. Reclame is in de lokale televisie-
 omroep niet toegestaan. Tussen 1974 en 1978 werd in zes gemeenten
 met lokale televisie-omroep geexperimenteerd, te weten Melick en Her-
 kenbosch, Deventer, Dronten, Zoetermeer, Goirle en Amsterdam-
 Bijlmermeer. Het geld voor deze experimenten werd grotendeels door
l9  E.H. Hollander. op. cit.. blz. 74
</pre>

====================================================================== Einde pagina 234 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 235 ======================================================================

<pre> CRM beschikbaar gesteld. De experimenten maakten duidelijk dat het
 technisch en organisatorisch mogelijk was na een inwerkperiode een
 geregeld lokaal programma uit te laten zenden door personen uit de
 plaatselijke gemeenschap. De belangstelling voor deze programma's was
 bevredigend. De gemiddelde kijkdichtheid lag tussen de 20% en 30%.
 Sommige programma's haalden zelfs 50°/o. In het algemeen waren alle
 bevolkingsgroepen onder de kijkers vertegenwoordigd. Ook de medewer-
 kers bleken uit alle lagen van de bevolking te komen. De programma's
 waar verhoudingsgewijs de meeste belangstelling voor was, gingen over
 gemeentepolitiek.
    Per 1 januari 1978 werden de experimenten als afgesloten beschouwd.
 Sindsdien zijn de lokale televisie-omroepen in Melick en Herkenbosch,
 Dronten, Deventer en Goirle op eigen kracht doorgegaan. De financien
 worden verkregen uit bijdragen van de bevolking en gemeentelijke sub-
 sidies. De functie van lokale televisie-omroep van deze qua bereik
 kleinschalige vorm van massacommunicatie wordt vooral gezien in het
 informatieve educatieve vlak. Lokale televisie wordt dan beschouwd als
 een aanvulling op wat de landelijke (en eventueel regionale) televisie
 brengt. Verstrooiende programma's wordt een plaats toegekend voor-
 zover zij een bijdrage leveren aan het bevorderen van plaatselijke kunst-
 zinnige prestaties (bijvoorbeeld van muziekgroepen, cabaret, toneel). Bij
 de programmering van lokale televisie wordt met name gedacht aan
 lokale berichtgeving, aankondigingen van manifestaties, evenementen en
 dergelijke, verslaggeving over actuele gebeurtenissen, het volgen van het
 lokale politieke gebeuren, het ruimte geven aan discussie over lokale
 aangelegenheden en aan uitzendingen die een mogelijkheid bieden voor
 plaatselijke beoefening van professionele en amateuristische kunst. Voor
 zogenoemde emancipatoire groepen kan lokale televisie een belangrijk
 middel zijn om aandacht te vragen voor de door hen gevoelde ach-
 terstand en voor hun specifieke problemen.
    Uit mediapolitiek oogpunt bezien valt op te merken dat lokale omroep
 de plaatselijke mediapluriformiteit kan vergroten. Veelal is het immers zo,
 dat er, afgezien van de huis-aan-huis-bladen die veelal redactioneel aan
 het advertentiemedium zijn gekoppeld, plaatselijk slechts Ben regionaal
 of lokaal dagblad bestaat naast de landelijke pers. Een aanvulling vanuit
 de omroep kan een verrijking zijn omdat radio en televisie mogelijkheden
 hebben die gedrukte media ontberen, zoals mogelijkheden van directe
 uitzendingen of inbrengen van reacties van het publiek. Voorts kan een
 dergelijk lokaal medium wellicht beter dan het dagblad de verscheiden-
 heid aan meningen ter plaatse tot uitdrukking brengen door het bieden
 van discussiemogelijkheden.
    Door lokale kanalen kan ook aan andere plaatselijke functies tegemoet
 worden gekomen zoals voorlichting door de gemeente aangaande haar
 beleid: deze kan zich richten tot groepen die door gebrek aan actieve
 belangstelling of doordat zij voor een taalbarribre staan (minderheden)
 niet bereikbaar zijn, terwijl er juist voor hen specifieke voorzieningen
 dienen te worden getroffen.
Bevoegdheden
   Zoals hiervoor opgemerkt lijkt het wenselijk voor de lokale omroep-
functies van de kabel de sterk gecentraliseerde opzet van de Omroepwet
te verlaten en zoveel mogelijk beslissingen te laten nemen op gemeen-
telijk niveau. Een dergelijke decentralisatie zou voor de omroepfuncties
kunnen leiden tot 'bevoegdheid in gebondenheid', dat wil zeggen dat de
gemeentelijke instantie zou werken binnen een bij wet gesteld kader, ten
einde te voorkomen, dat er op gemeentelijk niveau toedeling van
gebruiksmogelijkheden plaatsvindt die niet zou stroken met de begin-
selen die in ons land in acht plegen te worden genomen met betrekking
tot openheid, representativiteit, pluriformiteit van de omroep.
   Bij het vormgeven aan deze bevoegdheid zijn varianten denkbaar uit
het oogpunt van invloed die de gemeenteraad op het gebeuren uit-
oefent. Concentratie van bevoegdheden bij de gemeenteraad heeft het
</pre>

====================================================================== Einde pagina 235 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 236 ======================================================================

<pre>voordeel dat directe beleidsvorming en verantwoording mogelijk zijn. Het
zou echter kunnen gebeuren dat de gemeenteraad een forum wordt voor
discussies over inhoud van programma's en verwante aangelegen-
heden20. Delegatie van een deel van de bevoegdheden aan een commis-
sie ex art. 61 gemeentewet is hier zeer we1 denkbaar (een zgn. kabel-
raad). In beide gevallen zou de gemeenteraad de randvoorwaarden vast-.
stellen, waaraan de lokale kabelomroep dient t e voldoen. Te denken is aan
- verhouding tussen landelijk-lokaal qua programma-aanbod;
- ruimte voor specifieke gebruiksmogelijkheden (onderwijs, open
kanaal, overheidsvoorlichting);
- voorwaarden met betrekking tot pluriformiteit;
- voorwaarden van cultuurpolitieke aard;
- voorwaarden ten einde behoeften van minderheden t e honoreren.
lndien de bevoegdheden bij de gemeenteraad blijven zal deze zelf beslis-
sen over aanbieders, programmacategorieen, tijdsverdeling en dergelijke.
Bij delegatie fungeren deze randvoorwaarden als uitgangspunten voor
een nader uit te werken beleid door een commissie ex art. 61.
   Door een scheiding van de bevoegdheden van de gemeente als
bevoegde instantie tot het geven van machtigingen voor het gebruik van
de kabel en de lokale machtigingshouder voor de exploitatie van het
kabelnet wordt een duidelijke scheiding verkregen tussen de bevoegd-
heid over de software en de hardware.
   In het geheel van regels wordt de positie van de kabelexploitant
(machtiginghouder) zwakker voor zover het betreft functies die in de
publieke sfeer geschieden, omroepfuncties dus. Hij heeft immers:
- een gedoogplicht voor wat betreft het doorgeven van programma's
die tot het verplichte minimumpakket gaan behoren (volgens d e
beleidsaanbevelingen in par. 8.3.2);
- de verplichting om de overige door de plaatselijke bevoegde instantie
(kabelraad ex art. 61 gemeentewet of gemeenteraad) geselecteerde bin-
nen- of buitenlandse programma's door te geven (momenteel heeft de
machtiginghouder deze bevoegdheid).
Financiering
   De toekomstige levensvatbaarheid van lokale kabelomroep zal mede
afhangen van de financiering. Hiervoor bestaan in beginsel vier bronnen,
namelijk financiering ten laste van de gemeente, donaties van par-
ticulieren (bijv. verenigingen), een heffing ten aanzien van aangeslotenen
op de kabel en (thans niet toegestaan) lokale omroepreclame.
   De Raad is van mening dat de financiering in beginsel ten laste moet
gaan van degenen die de aangeboden faciliteit ten goede komt. Het is
echter duidelijk dat de eerstgenoemde drie bronnen hun beperkingen
kennen. De mogelijkheid van subsidiering door de gemeentelijke over-
heid zal beperkt zijn, zeker de komende jaren nu de overheidsfinancien
zo onder druk staan. Donaties zijn vanwege soms sterke betrokkenheid
van de plaatselijke bevolking en enthousiasme van deelnemers niet
geheel illusoir, maar kunnen toch slechts in een klein deel der kosten
voorzien. Een verhoging van het kabelabonnement (door een toeslag die
alle betrokkenen raakt) is op zich zelf toelaatbaar indien, zoals in het
voorgaande geadviseerd, de kabelexploitant verplicht zou zijn het lokale
programma aan alle aangeslotenen over te brengen, maar in realiteit is
het de vraag of de publiekswaardering een dergelijke prijsverhoging toe-
laat.
   Het bovenstaande voert tot de conclusie dat lokale televisie er alleen
zal komen indien ook reclame als financieringsbron wordt toegelaten.
lndien de uitgangspunten van het landelijk omroepbestel met betrekking
tot financiering moeten gelden als voorbeeld voor de lokale omroep, is er
op zich zelf geen principiele reden om reclame uit te sluiten. Vanuit het
beginsel dat nieuwe mogelijkheden zoveel mogelijk tot ontwikkeling
20  Kiezen en kabelen, concept-nota, op. cit.. blz. 44.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 236 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 237 ======================================================================

<pre>moeten komen, lijkt het zelfs duidelijk dat, wil' lokale televisie tot een
belangrijk medium uitgroeien, de dynamiek van de lokale detaillistenad-
vertenties zal moeten worden benut. Het plaatselijk bedrijfsleven, in het
bijzonder de middenstand, heeft duidelijk belangstelling voor een adver-
teermogelijkheid op televisie in het eigen afzetgebied, waarover het tot
nog toe niet beschikt. Het verschijnsel van de televisiepiraten heeft zulks
aangetoond. Naar het zich laat aanzien zal de inbreng van reclame in de
exploitatie substantieel kunnen zijn.
   Vanuit een oogpunt van samenhangend mediabeleid spreekt het van-
zelf dat bij introductie van deze reclame rekening behoort te worden
gehouden met eventuele gevolgen voor de pers. Ten einde schade aan
de landelijke pers (en ook landelijke omroep) zoveel mogelijk te voorko-
men, dient de koppeling van lokale kabelnetten - die interessant is voor
landelijke adverteerders - beperkt te worden gehouden. De opzet van
reclamevoering in de lokale omroep zou niet verder mogen strekken dan
het bieden van een lokaal gezien interessant reclamemedium. lndien
deze etherreclame een lokaal karakter draagt en landelijke advertenties
niet zullen worden toegelaten, zal de schade beperkt blijven tot twee
soorten bladen, namelijk regionale kranten en huis-aan-huis-bladen,
zijnde de media die thans de detaillistenadvertenties bevatten. lndien
een zo attractief medium als plaatselijke televisiereclame wordt ge'intro-
duceerd valt niet uit te sluiten dat zulks vergaande gevolgen kan hebben
voor de bladen in kwestie. Hoe ernstig deze-zullen i j n is onmogelijk te
begroten - tempo van invoering en reclamevolume dat wordt toegela-
ten, zullen hier mede bepalend zijn. Het is evenwel denkbaar dat juist de
 - in het algemeen duurdere - advertenties uit de regionale pers naar
de lokale televisie zullen verdwijnen, terwijl de detaillist voor die informa-
tie die in grafische vorm beter tot zijn recht komt - bijvoorbeeld
prijslijsten van supermarkten - het huis-aan-huis-blad blijft benutten.
Van de kant van betrokkenen en hun belangenorganisaties is in elk geval
vaak ongerustheid geuit over het perspectief van lokale televisiereclame,
onlangsnog in een reactie van de Nederlandse dagbladpers op
voornoemde conceptnota inzake lokale en regionale omroep van de
minister van CRM21.
    In deze nota gaat de bewindsman er eveneens impliciet van uit dat
lokale televisie niet exploitabel is zonder lokale omroepreclame. Hij wil de
reclame-exploitatie echter in handen geven van de STER en eventuele
negatieve gevolgen voor de regionale pers compenseren door een - tij-
delijke - compensatie ter aanpassing aan de nieuwe situatie22. De
gedachte dat de pers zelf in de gelegenheid zou kunnen worden gesteld
programma's te verzorgen en hierbij reclamezendtijd te exploiteren, wijst
de minister af als zijnde onverenigbaar met de uitgangspunten van ons
omroepbestel. De pluriformiteit van de berichtgeving zou zijns inziens
het meest verzekerd zijn, indien omroep en pers in organisatorisch
opzicht vrij tegenover elkaar kunnen staan23.
    De Raad is hierover een andere mening toegedaan. Exploitatie door de
STER heeft namelijk enige nadelen. Er wordt dan een landelijke organisa-
tie bij deze reclamevorm betrokken die - ook volgens genoemde nota -
juist een regionaalllokaal karakter dient te hebben en waarvan de baten
lokaal moeten worden ontvangen. lnschakeling van de STER zal ook in
de praktijk tot problemen leiden doordat deze geen plaatselijke acquisi-
tie-apparaten heeft (zulks in tegenstelling tot de pers). Dat het openen
van de mogelijkheid tot participatie van de pers in lokale omroep-
programma's met de uitgangspunten van het landelijk bestel in strijd zou
zijn, is op zich zelf waar. ~ i e r b iisj echtec te overwegen dat in de toe-
komst het landelijk bestel in een andere omgeving gaat functioneren en
in concurrentie zal geraken met nieuwe exploitatievormen; denk bijvoor-
21   Brief van de Vereniging de Nederlandse Dagbladpers aan de minister van CRM dd. 12 mei
 1982, naar aanleiding van de concept-nota Kiezen en kabelen.
22 Kiezen en kabelen, concept-nota, op. cit.. blz. 28.
23 Ibid., blz. 30.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 237 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 238 ======================================================================

<pre>beeld aan abonnee-televisie waarbij van deelname van (pers)uitgeverijen
we1 sprake kan zijn. Het beslissende punt voor de Raad is echter dat bij
invoering van lokale omroepreclame het voortbestaan van vele regionale
persorganen zodanig kan worden bedreigd, dat toekenning van een
tijdelijke compensatie - naar uit de praktijk gebleken toch al een
arbitraire zaak - niet toereikend zal zijn om de gewenste mediaplurifor-
miteit op regionaal/lokaal niveau veilig te stellen. De Raad meent dat
mogelijke deelname aan de nieuwe ontwikkelingen op mediagebied,
zoals de pers zelf steeds heeft bepleit, een betere weg is tot dit doel. Het
openstellen van lokale participatiemogelijkheden zal weliswaar niet in
alle gevallen door de pers worden benut - dit hangt ook af van het ini-
tiatief van de plaatselijke persondernemers - maar deze in elk geval in
staat stellen met gebruikmaking van haar voorsprong op het gebied van
know-how, uitrusting en organisatie, zelf voor de (compenserende)
debietverruiming te zorgen, die op de lange duur een betere waarborg
voor pluriformiteit is dan van overheidswege toegekende compensatie.
    lndien gemeenteraden lokale televisie willen invoeren en hiervoor
reclame-exploitatie als financieringsbron willen gebruiken, meent de
Raad derhalve dat dit het beste kan geschieden in de vorm van een con-
cessiesysteem, waarbij ook de pers tot deze exploitatie toegang kan krij-
gen. Hiertoe zou de minister van CRM een aantal algemene richtlijnen
dienen te stellen, welke door gemeenten zouden kunnen worden aan-
gevuld. Bij de centrale richtlijnen ware te denken aan: het karakter van
programma's - met name het plaatselijk aandeel hierin - het ver-
zorgingsgebied per concessionaris en diens binding aan d e betrokken
streek, de exploitatie (tariefstelling enlof volume van reclame, de tijds-
duur van de concessie en eisen ter verzekering van de continu'iteit van
programma's (betreffende solvabiliteit en reputatie van aanbieders).
Instellingen en/of groepen die aan de voorwaarden voldoen, kunnen zich
als kandidaat met een programma-aanbod melden, waarna een commis-
sie uit de betrokken gemeenteraad (of -raden) tot concessieverlening kan
overgaan.
    De Raad meent dat een dergelijke oplossing persondernemingen soe-
laas kan bieden, al is het duidelijk dat hier geen sprake is van automa-
tismen. Betrokken persondernemers zullen de geboden kansen dienen te
benutten, waarbij zij echter zeker in de aanvang een 'natuurlijke
voorsprong' hebben op andere gegadigden. Tegenover h e t nadeel van
een aldus ontstane asymmetrie in het omroepbestel staat het voordeel
dat in geval van zwaarwegende schade de regionale pers in staat zou
worden gesteld de bedreiging langs marktconforme weg t e pareren.
    Aan het argument dat het waarnemen van omroeptaken door de pers
de pluriformiteit zou schaden, tilt de Raad niet zo zwaar. Het gaat hier
 immers niet om overname van reeds bestaande taken, maar om toevoe-
ging van nieuwe. Van achteruitgang van bestaande pluriformiteit is dus
 in geen geval sprake. In de praktijk blijkt veelal dat verschillende media,
ook al behoren zij tot een organisatie, zich pogen te profileren door het
vormgeven aan een eigen identiteit. Zulks verdient, ook i n de lokale
omroep, te worden bevorderd door het werken op grondslag van een
 redactiestatuut.
    Tot de in Nederland nog niet ontwikkelde mogelijkheden van de kabel
 behoort het aanbod van televisieprogramma's waarbij door de consu-
 ment in directe zin wordt afgerekend voor de ontvangen diensten. De
eerstkomende 10 a 15 jaar lijkt hiervoor abonnee-televisie de voornaam-
ste mogelijkheid, hetgeen inhoudt dat de kijker zich abonneert op spe-
ciaal geleverde diensten, waarbij dan per kanaal een bedrag in rekening
wordt gebracht. Vanwege de hoge kabeldichtheid en de grote con-
centratie van aansluitingen in stedelijke gebieden, zijn de exploitatiemo-
gelijkheden voor deze vorm van televisie-aanbod gunstig te noemen. De
 ervaring in de Verenigde Staten leert dat daar in betrekkelijk korte tijd in
</pre>

====================================================================== Einde pagina 238 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 239 ======================================================================

<pre>bekabelde gebieden waar een vorm van abonnee-televisie wordt aan-
geboden, penetratiegraden worden bereikt van 30010 a 40%. Hoewel de
Nederlandse situatie niet zonder meer vergelijkbaar is - in de Verenigde
Staten ligt een van de attracties van abonnee-televisie in de aldus gebo-
den mogelijkheden om bijvoorbeeld speelfilms te bekijken zonder fre-
quente onderbrekingen voor reclame - worden toch de vooruitzichten
voldoende interessant geacht door mogelijke toekomstige aanbieders
(0.a. grote uitgeversmaatschappijen) om een aanbod voor te bereiden
dat zou bestaan uit speelfilms, sport, documentaires, kunst en weten-
schap, series en dat alles eventueel ook in eigen produkties.
    In de toekomst zullen aanbieders kanalen huren bij,de kabelexploitant.
Omdat afrekening vermoedelijk voorlopig per kanaal zal geschieden, is te
verwachten dat meer aanbieders zich zullen presenteren op Ben kanaal,
waar diensten tot een pakket kunnen worden gecombineerd, mede met
het oog op het tijdstip van uitzending. Er zal sprake zijn van een open
marktsituatie, waarin dus de vraag het aanbod en de tarieven bepaalt,
waarbij uit het oogpunt van bestedingsmogelijkheden van de consument
een abonnernentsgeld van f XI,--    per kanaal per rnaand niet prohibitief
lijkt. Prijzen in deze orde van grootte worden door potentiele aanbieders
we1 genoernd, maar het is op zijn plaats de betrekkelijkheid van een der-
gelijk scenario te benadrukken, gezien de beperkingen in de consump-
tieve bestedingen in de eerstkomende jaren.
    Zoals hierboven uiteengezet is bij abonnee-televisie naar de mening
van de Raad geen sprake van omroep aangezien het kenmerk van alge-
mene, ongerichte verspreiding hierbij ontbreekt. De programma's wor-
den immers slechts geleverd aan dat deel van het publiek dat hierom
heeft gevraagd en dat bereid is hiervoor te betalen. Er wordt gebruik
gemaakt van een particuliere (kabe1)inrichting en de overheid draagt niet
aan de financiering bij. Er is sprake van een nieuw medium, waarbij geen
wezenlijk verschil bestaat - uit een oogpunt van verspreiding - met
voor abonnees bestemde tijdschriften, respectievelijk in een boekhandel
aanwezige boeken. Dit alles neemt echter niet weg dat de invoering van
abonnee-televisie grote gevolgen kan hebben voor het publieke omroep-
bestel. Zeker indien ruime verbreiding van abonnee-televisie optreedt, zal
het publiekrechtelijke bestel worden geconfronteerd met een rivalise-
rend, naar verwacht zeer publieksgericht, aanbod waardoor functioneren
en financiering van het publieke bestel aanmerkelijk onder druk kunnen
komen te staan. Voor zover de kwetsbaarheid van het publieke omroep-
bestel, dat wordt gefinancierd uit retributies en reclame-opbrengsten in
het geding is, kan overheidsaandacht voor het in beginsel private niet-
omroepgebeuren via de kabel legitiem zijn. Uit een oogpunt van het in
dit rapport neergelegde samenhangend mediabeleid, moet hierbij dan
echter worden bedacht dat niet het ornroepbestel zoals dit nu func-
tioneert uitgangspunt voor de overheid behoort te zijn. De aan de orde
zijnde vraag is in hoeverre de ontwikkeling van abonnee-televisie zich zal
verdragen met de in hoofdstuk 2 geschetste situatie, waarin de publiek-
rechtelijke omroep, ook ternidden van een nieuw, groot, publieksgericht
aanbod, is toegespitst op zijn maatschappelijke en culturele functie.
 Bevoegdheden
    Programma's via de kabel die niet alle aangeslotenen bereiken (waar-
onder dus abonnee-televisie) zijn in de terminologie van de (nieuwe)
Omroepwet 'niet voor het publiek bestemd'. Hieromtrent bevat het nieu-
we artikel48 een blanco delegatiebepaling: de ministers van C R M en
Verkeer en Waterstaat kunnen gezamenlijk nadere regels stellen. Dit laat
de mogelijkheid open geen regels te stellen, in welk geval elke (ook com-
merciele) exploitatie van abonneekanalen is toegestaan, uiteraard binnen
de grenzen van bestaande wetgeving. Wie met wat op de kabel komt, is
dan een zaak van exploitant en aanbieder; tussen beiden is in wezen een
private transactie in het geding.
    Zoals hierboven gesteld, belet de Omroepwet geenszins nadere regel-
geving teneinde ongewenste ontwikkelingen tegen te gaan. Hierbij is niet
</pre>

====================================================================== Einde pagina 239 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 240 ======================================================================

<pre>slechts te denken aan bescherming van andere media, maar bijvoorbeeld
ook aan het voorkomen van monopolievorming. Zoals steeds wanneer de
overheid de individuele uitingsvrijheid gaat beperken, behoort deze dan
terughoudend te werk te gaan. Het is op zichzelf terecht dat de overheid
de belangen van andere media, met een essentiele moeilijk vervangbare,
functie voor een pluriforme informatievoorziening in de afweging betrekt,
maar tevens brengt naar de mening van de Raad de geest van het vrij-
heidsrecht met zich mede dat met beperkingen niet verder dient te wor-
den gegaan dan is gerechtvaardigd door ernstige bedreiging van andere
media en daarmee van de informatievrijheid van het publiek. Artikel 10
van de Europese Conventie voor de rechten van de mens is in gedachten
te houden als het gaat om de vraag aan welke maatstaven beperkingen
dienen te voldoen. Voorts zij gememoreerd dat het op zichzelf plausibe-
ler lijkt dat nieuw aanbod de pluriformiteit vergroot, dan dat hier een
reden ligt voor ingrijpen door de overheid. Met vooropstelling hiervan
kan het echter van belang zijn dat de overheid zich uit hoofde van een
samenhangend mediabeleid enig - maar dan welomschreven - recht
van interventie ter zake van abonnee-televisie voorbehoudt, met name
betreffende de rol van reclame en de abonnements- en reclametarieven.
Financiering
    De financiering van abonnee-televisie zal in d e eerste plaats uit abon-
nementsgelden gebeuren. Gezien het 'private' karakter van dit nieuwe
medium zal reclame in beginsel evenzeer passen als in kranten of andere
drukpersprodukten. In het licht van de repercussies die deze reclame kan
hebben op het reclamevolume voor andere media geldt ook hier echter
dat de overheid zich uit hoofde van een samenhangend mediabeleid
enig - welomschreven - recht van interventie zal kunnen voor-
behouden.
Regelgeving
    In het licht van de vorenstaande paragrafen e n in uitwerking van wat
in het algemeen a1 is opgemerkt over een nieuwe Kabelraamwet meent
de Raad dat ten aanzien van abonnee-televisie de regelgeving in die wet
zich zal kunnen beperken tot de volgende aspecten:
- in beginsel gelijke toegang voor iedereen, dus ook voor de pers en
voor de omroep-zendgemachtigden;
- financiering uit abonnementsgelden en uit reclame;
- een toetsing van aspirant-aanbieders op kredietwaardigheid en plau-
sibiliteit van hun plannen, teneinde voortijdig afbreken van projecten te
voorkomen;
- formulering van mededingingsbepalingen die beogen monopolievor-
ming tegen te gaan, ook wat betreft de onderlinge concurrentie op de
inkoopmarkt van audiovisuele produkties;
- een omschrijving van de aard van mogelijke overheidsinterventie (ter
vervanging van de blanco delegatiebepaling) uit hoofde van een samen-
hangend mediabeleid.
Gezien de autonomie der kabelexploitanten zullen aanbieders van abon-
nee-televisie met de exploitanten tot overeenstemming moeten zien te
komen en vandaar uit hun acquisitie van abonnees moeten beginnen.
    De aanvoer van programma's op abonneetelevisie kan in beginsel op
drie wijzen plaatsvinden, namelijk door videobanden rechtstreeks op het
 kabelnet, via draaggolf (PTT) en via satellieten. Deze laatste mogelijkheid
 is uiteraard pas beschikbaar als er satellieten met voldoende capaciteit
 gelanceerd zijn. Het belang van aanvoer via satelliet is gelegen in de gro-
te kostenvoordelen, indien een hoge penetratie van abonnees is bereikt.
 Het tot ontwikkeling komen van abonnee-televisie is langs deze weg dus
 ook van belang voor de toekomst van communicatie- en televisiesatel-
 lieten, omdat immers de exploitatie van satellieten bevorderd wordt
 indien deze tevens dienen voor de aanvoer van deze keuzeprogramma's.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 240 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 241 ======================================================================

<pre>8.3.4     Andere diensten: viewdata, teletekst en kabelkrant
   De transmissie van alfanumerieke informatie (tekst) via de ether of via
de kabel is een terreinwinnende vorm van telecommunicatie die niet 10s
staat van de mediaproblematiek. Hoewel het in zijn zuivere vorm erom
gaat opgeroepen (geselecteerde) tekst op een beeldscherm te krijgen, is
transmissie via de gebruikelijke videokanalen niet noodzakelijk: ook de
telefoonkabels zijn bruikbaar, zij het .onder de beperkende omstandigheid
dat de informatie - als gevolg van de frequentiebeperking die ken-
merkend is voor de telefoonkanalen - langzaam overkomt.
 Viewdata
   Viewdata is de op het telefoonnet geente dienst, in ons land onder de
naam Viditel ingevoerd. Zowel in technisch opzicht alsook met betrek-
king tot de marktaspecten is Viditel nog onvolgroeid. Mede om deze
redenen heeft het ook in institutioneel opzicht zijn plaats nog niet gevon-
den. Met het oog op toekomstige beleidsvoering laten zich de volgende
conclusies formuleren:
a. Een prognose omtrent de mogelijke verbreiding van deze dienstver-
lening is moeilijk te geven. Er is zeker in technisch opzicht nog veel te
verbeteren; dit geldt onder andere met betrekking tot de beeldkwaliteit
(resolutie en lettertype). Wanneer de beeldkwaliteit is verbeterd zal Vidi-
tel voor een grotere verscheidenheid aan informatie interessanter kun-
nen worden. Dit geldt zowel voor de technische en wetenschappelijke
functies als op de lange duur wellicht ook voor informatie die een groot
publiek kan aanspreken. Van groot belang zou de verwerking zijn van
aantrekkelijk beeldmateriaal, ter illustratie van verbale boodschappen.
Het opheffen van de meeste bezwaren wordt evenwel belemmerd door
de smalbandigheid en de daarmee samenhangende lage datatransmis-
siesnelheden van het huidige openbare telefoonnet. Als van transmis-
siekanalen met bredeband-frequenties gebruik zou kunnen worden
gemaakt zouden veel tekortkomingen in de aflevering kunnen worden
opgeheven. Met de huidige infrastructuur is dat nog niet mogelijk; op de
lange termijn wellicht wel.
b. Op grond van het onder a. gestelde en de ervaringen met een view-
datasysteem in Engeland (Prestel) zijn er aanwijzingen dat Viditel voor-
alsnog echter geen medium zal worden dat een groot publiek (vergelijk-
baar met radio en tv) zal bereiken. Wel kan het als een systeem van
bedrijfsinformatie verder worden uitgebouwd. Voor de abonneegebruiker
zijn door de PTT op basis van de geldende tarieven schattingen gernaakt
van de gemiddelde kosten; deze bedragen op jaarbasis f 500,--, dat wil
zeggen circa 2% van het netto modale inkomen in 1980 (schatting bij
gemiddeld gebruik van 3800 minuten per jaar). Deze calculaties gelden
bij een prognose van 100.000 abonnees. Gedurende de experimentele
~ e r i o d ewas het bestand echter niet meer dan 4000.
c. Een ontwikkeling in de richting van breedbandige communicatie
(data en video) impliceert dat Viditel in de toekomst in concurrentie zou
kunnen komen met betaal-tv, althans dat vanuit het Viditelsysteem ook
dienstverlening met een sterk omroepkarakter gegeven kan worden. De
dienstverlening die op korte terrnijn te bieden valt leidt tot het brengen
van Viditel onder de T- en T-wet.
d. De toekomstige ontwikkeling in de richting van hetzij bedrijfsin-
formatie hetzij consumenteninformatie is van betekenis voor de te kiezen
beheersvorm. Bij een exclusieve ontwikkeling in de richting van
bedrijfsinformatie kan de beheersvorm zo zijn, dat de uitgangspunten van
het informatiebeleid tot gelding komen; de uitgangspunten van het mas-
sa-mediabeleid i.c. omroepbeleid zijn dan minder of niet relevant. Nadere
regeling kan dan plaats vinden in het kader van de T- en T-wet. Ook bij
Viditel als consumentenartikel is deze modaliteit denkbaar. In het kader
van het mediabeleid kunnen echter ook nadere regels nodig blijken te
zijn. Deze zouden dan hun plaats moeten vinden in de vorengenoemde
Kabelraamwet.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 241 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 242 ======================================================================

<pre> Teletekst
   Teletekst in zijn huidige vorm biedt een beperkt informatiebestand aan
dat cyclisch onder gebruikmaking van een klein (resterend) deel van een
televisiekanaal wordt overgebracht. Als zelfstandig medium, dat wil zeg-
gen onder gebruikmaking van de gehele kanaalcapaciteit, zou dit
bestand kunnen worden opgevoerd van de huidige 200 ,paginafstot
15.000 pagina's, eveneens met een cyclustijd van 24 sec. (Invoeging van
beeldmateriaal is in de 'opgevoerde' teletekst een technisch eenvoudige
zaak). Dit zou zowel via de ether kunnen gebeuren als via de grote
kanaalcapaciteit van de breedbandige kabelsystemen. Het is in dit toe-
komstperspectief dat de verhouding tussen teletekst en viewdata gezien
dient te worden: er kan sprake zijn van aanzienlijke concurrentie tussen
deze systemen. Er zijn evenwel ook belangrijke verschillen, zoals met
betrekking tot afrekening, waardoor er complementariteit in functie tus-
sen de systemen bestaat.
   De mogelijkheden van beleid zijn de volgende:
a. Het teletekstsysteem is vanwege zijn disseminatiekarakter en de spe-
cifieke techniek onderhevig aan de bepalingen van de Omroepwet. In de
huidige (beperkte) vorm ligt dat bepaald in d e rede. Over de ontwikkelin-
gen in de toekomst waarbij de potenties van dit systeem voor een veel
omvangrijkere informatie-overdracht benut zouden kunnen worden, laten
zich moeilijk voorspellingen doen. Vooralsnog zal er een omroepregime
dienen te bestaan.
b. Een vraagpunt ten aanzien van teletekst is of de NOS dan we1 de in-
dividuele zendgemachtigden het beheer en d e redactievoering dienen te
krijgen. In de huidige opzet doet de NOS dit. Teletekst is een medium dat
 nog door schaarste aan zendcapaciteit wordt gekenmerkt. Binnen deze
 beperking is de toewijzing aan de NOS een waarborg tegen versnip-
 pering en tegen verbrokkeling in redactionele beleidsvoering.
 Viewdata, teletekst en kabelkrant
   Gewezen is a1 op het experimentele karakter van viewdata en teletekst
waardoor definitieve lijnen naar de toekomst toe moeilijk te trekken zijn.
Voor de institutionele vormgeving is het derhalve nodig definitieve
besluitvorming uit te stellen zonder echter hiermee voet te geven aan
legitimiteit van de huidige voorlopige regelingen ten aanzien van beheer,
zeggenschap en functies.
   De diensten die met deze systemen kunnen worden aangeboden zullen
zich niet zo snel verbreiden, dat hierdoor de bestaande functies van
omroep en pers op korte termijn aan grote veranderingen onderhevig
zullen worden. Sterke invloed op met name d e omroep en wellicht ook
op de pers zal veeleer uitgaan van vormen van betaal-tv (abonnee-tv)
door de hoge penetratie die deze in korte tijd kan bereiken. Viewdata en
teletekst kunnen echter van meer betekenis worden als door andere
technische en economische ontwikkelingen d e positie van met name de
pers onder druk komt te staan. De mogelijkheden om functies van de
pers niet alleen via grafische maar ook via elektronische media uit te
oefenen zullen dan als compensatie dan we1 debietsverruiming worden
aangegrepen.
   Het is niet onmogelijk dat in de toekomst kabelkranten zullen ontstaan.
Te denken is daarbij aan een in eerste aanleg alfanumeriek informatie-
bestand van flinke omvang, vergelijkbaar met wat de dagbladen nu aan-
bieden en waarbij
- bij voorkeur van bredeband-communicatiekanalen wordt gebruik
gemaakt;
- door de consument selectie kan worden toegepast;
- korte cyclustijden kenmerkend zijn;
- herhaaldelijk en snel in het aanbod kan worden gewijzigd (het begrip
sluitingstijd vervalt);
- beelden van goede (tv)kwaliteit, eventueel in kleur en bewegend, wor-
den opgenomen;
</pre>

====================================================================== Einde pagina 242 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 243 ======================================================================

<pre>    aan de ontvangstkant toepassing van recorderen en/of homeprinter
tot de mogelijkheden hoort.
   In dit perspectief moet, in verband met eventuele invoeging van recla-
me met bewegende beelden, onder ogen worden gezien dat gelijkwaar-
digheid met de audiovisuele media zal kunnen optreden. De overheid zal
dan moeten vaststellen onder welk regime een dergelijk ver ontwikkelde
kabelkrant moet ressorteren: of hiervoor eigen regels zullen gelden of
dat kabelkranten te zijner tijd onder dan bestaande regelgeving zullen
worden gebracht die ook voor andere massamedia geldt.
8.3.5 Andere diensten: niet-telecommunicatieve diensten
   Een bekabeling met hoge penetratiegraad, zoals die thans in vele delen
van ons land reeds bestaat, opent mogelijkheden tot het verlenen van
diensten waarvan het karakter goeddeels buiten het bestel van dit rap-
port valt, maar die niettemin hier vermeld worden. Het gaat hier in het
bijzonder om interactie tussen aangeslotenen onderling, alsook tussen
aangeslotenen en centrale punten. Dit veronderstelt kabelsystemen
waarin tweezijdige informatiestromen mogelijk zijn, zoals in het wel-
bekende voorbeeld van de smalbandkabels ten gerieve van telefonische
conversatie. Het telefoonnet is bruikbaar voor viewdata - zoals reeds is
gerealiseerd - maar ook voor allerlei andersoortig informatietransport.
Van de abonnee naar centrale ontvangstpunten kan, bijvoorbeeld, een
alarm worden gegeven in geval van inbraak of ongeval (bejaardenalarm).
Ook zou een dienst kunnen worden ingericht om automatisch bepaalde
gegevens betreffende het gebruik van gas of electriciteit te verzamelen
in een afrekencentrale. Men zou ook aan bepaalde bankfaciliteiten kun-
nen denken.
   Bij het gebruik van bredebandkabels voor dit soort diensten zijn de
mogelijkheden nog verdergaand, onder andere omdat tweezijdig
transport van bewegend beeld mogelijk is.
   De aantrekkelijkheid van deze dienstverlening, die als een soort bijpro-
dukt van de voor de elektronische massamedia ingerichte infrastructuur
kan ontstaan, zal moeten blijken, zoals dat ook ten aanzien van viewdata
het geval is. Op verschillende plaatsen in de wereld (Verenigde Staten
van Amerika, Japan) worden proeven genomen. In ons land wordt op
kleine schaal geexperimenteerd in Zaltbommel; dit staat op grotere
schaal te gebeuren in Zuid-Limburg.
8.3.6 Het beheer van de kabel
   Het toenemend gebruik en de grotere diversiteit in het gebruik van de
kabel stellen technische eisen. De huidige toestand ten aanzien van
(lokale) transmissiestelsels dreigt, landelijk gezien, chaotisch te worden.
Er is een toezicht op kwaliteit en efficiency, uitgeoefend door de P l T ,
maar de specificatie-eisen waaraan nieuw in te richten kabelsystemen
moeten voldoen, zijn tamelijk clement. Het bestaande toezicht heeft geen
uniformering in de richting van een type, elke woning bereikend breed-
bandig overdrachtssysteem bewerkstelligd, Ben standaardnet dat
integratie van televisietransmissie, datacommunicatie en andere dien-
sten, waaronder telefoonverbindingen, zou toestaan en dan in principe
aan alle behoeften zou voldoen. De perspectieven voor zo'n gei'ntegreerd
net moeten onder andere worden beoordeeld vanuit financieel
gezichtspunt (welke netstructuur is wenselijk en welke gedeelten van de
bestaande netten zijn bruikbaar), maar ook met het oog op bedrijfs-
risico's. Gescheiden netten bieden wellicht meer flexibiliteit bij storingen.
   Het perspectief van een veelzijdiger gebruik van de kabel, met name
de daaruit volgende hoge eisen van breedbandigheid, ook in samenhang
met de veldwinnende digitalisering van informatietransport en met de
aantrekkelijkheden van glasvezelkabel, geeft de vraag naar het beheer
van de kabel weer nieuw gewicht. De lokale kabelnetten zijn thans of we1
bij de P l T of we1 bij een zogenaamde machtigingshouder (bijv. de des-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 243 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 244 ======================================================================

<pre>betreffende gemeente) in eigendom respectievelijk beheer. De P l T heeft
voor telecommunicatie per draad over grotere afstanden een monopolie.
Dit monopolie berust op het argument dat het hier in feite een openbare
nutsvoorziening betreft. De bezwaren die de aanwezigheid van een
monopolist aankleven zijn weggenomen of verzacht, doordat de mono-
polist onderworpen is aan aansluitplichten, regels over tariefstelling, en
dergelijke. Een nadeel van een vooraf aangewezen monopolie (de PTT)
blijft echter het risico dat door het ontbreken van directe concurrentie
nieuwe ontwikkelingen niet optimaal aan bod zouden kunnen komen.
    De Raad ziet geen aanleiding het bestaande PTT monopolie ten aan-
zien van de smalbandige netten, noch ten aanzien van de breedbandige
lange afstandsverbindingen ter discussie te stellen. De overwegingen die
tot de huidige positie van de PTT hebben geleid gelden nog onverkort,
een veelheid van concurrerende netten zou ook nu financieel en anders-
zins onverantwoord zijn. Bemoeienis daarmee zou voor particuliere
bedrijven trouwens veel van de schijnbare aantrekkelijkheid verliezen als
dat zou moeten gebeuren onder dezelfde randvoorwaarden als waar-
onder de PIT opereert. Niettemin kan men zich voorstellen dat - zonder
de voordelen van de huidige constructie prijs te geven - meer dan thans
ruimte voor activiteiten van particuliere ondernemingen kan worden
geboden en aan de PTT een slagvaardiger optreden wordt toegestaan. In
het rapport van de Commissie Swarttouw worden wat het laatste betreft
interessante suggesties gedaan ter vergroting van de zelfstandigheid van
het staatsbedrijf ten opzichte van de overheid24. Waar het gaat o m
mogelijkheden voor het bedrijfsleven legt het rapport de nadruk op meer
beslissingsmacht van de gebruiker van telecommunicatieve ver-
bindingswegen ten aanzien van het aanschakelen van eigen randap-
paratuur (in- en uitgang, geheugens, computers). Het gaat ten slotte om
maximale aanpassing van het technische systeem in zijn totaliteit aan de
wensen van de gebruiker, wensen die voortvloeien uit de software speci-
ficaties van het gebruik.
    Sinds 1964 is het PTT monopolie doorbroken ten behoeve van aanleg,
instandhouding en exploitatie van centrale en gemeenschappelijke
antenne-inrichtingen op gemeentelijk niveau. Door de ontwikkelingen die
in dit rapport zijn geschetst krijgt de hierbij betrokken infrastructuur veel
verder reikende functies dan het doorgeven en overbrengen van
omroepprogramma's. In dit licht gezien is de vraag of herstel van het
P l T monopolie gewenst is. De Raad is van oordeel dat ook in de nieuwe
situatie kabelsystemen nog we1 in andere handen kunnen blijven, even-
we1 onder voorwaarde dat de technische en administratieve eisen die
thans door de PTT worden gesteld, worden verzwaard. Deze lokale kabel-
netten zouden naar de mening van de Raad op den duur alle geschikt
moeten zijn voor een groot aantal videokanalen en voor invoering van
diverse diensten, waaronder met name zulke die interactiviteit vereisen
 (abonnee-tv, etc.). De P l T is de aangewezen instantie o m deze ver-
zwaarde kabelsysteem-specificaties te bewaken. Dit is ook van belang in
verband met een in de toekomst wellicht gewenste dienst- en net-
tenintegratie. Onder die omstandigheden zal de verhouding tussen de
 P l T en lokale kabelbeheerders opnieuw onder ogen moeten worden
gezien.
8.3.7    Persoonlijke levenssfeer; auteursrechten
 Persoonlijke levenssfeer
    De nieuwe technische ontwikkelingen die de grondslag vormen van de
 beschouwingen in dit rapport kunnnen op verschillende manieren bij hun
toepassing leiden tot aantasting van de persoonlijke levenssfeer. Als het
 gaat om praktische toepassingen die op middellange termijn in dit ver-
 band van belang zijn, kunnen onderscheiden worden:
24   Commissie Swarttouw, Taak en functie van de PTT bezien in her licht van de informatie-
en telecommunicatietechnologie; 's-Gravenhage. 1982.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 244 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 245 ======================================================================

<pre>a. voor het publiek langs elektronische weg toegankelijke databestan-
den, waarin zich persoonsgegevens bevinden (bijv. openbare videotex);
b. databestanden waarin zich tot de persoon herleidbare gegevens
bevinden over het gebruik van nieuwe medialdiensten (bijv. de
gebruiksadministratie van betaal- of kiestelevisie);
c. kleinschalige vormen van omroep (bijv. wijkomroep met voornamelijk
berichten over het we1 en wee van de buurt).
    Ten aanzien van categorie a kan de Raad zich in hoofdlijnen aansluiten
bij hetgeen onlangs in het Eindrapport van de Stuurgroep ter begeleiding
van de PTT- praktijkproef met viewdata is opgemerkt. Hierin wordt vast-
gesteld in hoeverre het op 30 november 1981 ingediende wetsontwerp
bescherming persoonlijke levenssfeer bij persoonsregistratie in beginsel
van toepassing zou zijn, en werden enige bijzondere eisen aangegeven
waaraan de praktische toepassing van deze wet in verband met de
eigenschappen van het videotex-systeem zou moeten voldoen25.
  ' Aangenomen moet worden dat het bij registraties als bij b bedoeld bij
uitstek om gevoelige gegevens zal gaan. Uit de bestanden zullen
bovendien in verschillende opzichten interessante gegevens over het
gebruikspatroon van individuen en groepen kunnen worden verkrijgen.
Omdat de betrokken gegevens, anders dan bijvoorbeeld juist die van
openbare videotex, niet voor publikatie bestemd zijn, zal de zwaarste
rubricering die de genoemde wet kent - de vergunningsplichtige
registratie - nodig zijn. Zo enigszins mogelijk verdient zelfs een admi-
nistratie de voorkeur waarin het inhoudelijke gebruik niet is opgenomen,
maar wordt volstaan met tijdregistratie. Bij de introductie van betaal- en
kies-tv zou deze mogelijkheid onderzocht moeten worden.
    Bij categorie c gaat het niet om de bescherming van persoons-
gegevens in de zin waarvan zojuist sprake was. Wat hierbij we1 aan de
orde kan komen zijn aantastingen door belediging, smaad of (andere)
persoonlijke overlast, samenhangend met het kleinschalige karakter van
een nieuw medium. Voor bijzondere maatregelen naast de reeds terzake
bestaande wetgeving lijkt vooralsnog weinig reden. Ten slotte is het in
theorie wellicht nog denkbaar dat verspreidingsmiddelen (kabelnetten) te
zamen met bepaalde randapparatuur misbruikt zouden worden om in de
huiskamer van de abonnee te kijken of te luisteren tegen diens wil. Zo'n
figuur, die impliceert dat de aangeslotene niet in staat is een en ander
eenzijdig te voorkomen of te beeindigen is technisch gezien echter nog
ver af. Als het ooit zo ver zou komen zijn uiteraard maatregelen geboden.
Aureursrecht
    In hoofdstuk 5 (paragraaf 5.4) is reeds ingegaan op het auteurs-
rechtelijke probleem dat binnen het terrein van dit rapport de laatste tijd
de meeste aandacht heeft getrokken, te weten de doorgifte van omroep-
programma's via kabelnetten. Daar is vastgesteld dat studie en overleg
bij de meestbetrokkenen nog gaande zijn over de vraag op welke wijze
de nieuwe situatie die recente jurisprudentie van de Hoge Raad heeft
doen ontstaan, het best kan worden opgelost. Onder deze omstandig-
heden lijkt een standpunt van de Raad op dit moment minder opportuun.
Daarom wordt hier volstaan met de volgende algemene uitgangspunten:
1. vermeden moet worden dat kabelaangeslotenen, direct of indirect,
tot dubbele betaling moeten komen (dit betreft de programma's die
mede uit de omroepbijdrage zijn gefinancierd);
2. het verdient de voorkeur dat over de verwerving en de betaling van
auteursrechten overeenstemming tussen partijen wordt bereikt en een
systeem van dwanglicenties kan worden vermeden;
3. waar het om praktische redenen nodig is om aan een of meer
instanties een bijzondere rol te geven in het bemiddelingsproces, dient er
tegen te worden g e ~ a a k t ~ ddit     a t leidt tot enige vorm van (voor)selectie
van de door te geven programma's.
 25  Stuurgroep ter begeleiding van de PTT-praktijkproef met viewdata, op. cit..
</pre>

====================================================================== Einde pagina 245 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 246 ======================================================================

<pre>   Enige andere auteursrechtelijke vragen kunnen rijzen ten aanzien van
in openbare databestanden opgeslagen informatie. De Stuurgroep Viditel
noemt in dit verband:
1. de vraag of de auteursrechthebbende voor opslag en verspreiding
toestemming moet hebben gegeven;
2. de vraag of het te wijzigen artikel 15 van de Auteurswet 1912 inzake
overnemen van artikelen uit 'de pers', op onder meer interactieve video-
tex van toepassing zou moeten zijn.
   De Raad is van mening dat beide vragen bevestigend beantwoord
moeten worden, dat wil zeggen dat zo nodig (nadere) wijziging van de
desbetreffende voorschriften gewenst is.
8.4   De pers
8.4.1    Enige inleidende opmerkingen
   Ook de pers wordt geconfronteerd met de in voorgaande paragrafen
gereleveerde vergroting van het media-aanbod. Het is te voorzien dat
sommige functies van de gedrukte media - zowel redactioneel als met
betrekking tot reclame - zullen worden overgenomen door het sterk uit-
gebreide televisie-aanbod, respectievelijk door het t o t ontwikkeling
komen van nieuwe media, waaronder grafische informatie die via het
beeldscherm wordt verspreid (videotex). Op een en ander is ingegaan in
hoofdstuk 4 van dit rapport. In hoofdstuk 6 is erop gewezen dat der-
gelijke verschuivingen op de mediamarkt op zich zelf niet nieuw zijn. Zo
heeft bijvoorbeeld de invoering van de televisie invloed gehad op de
nieuwsfunctie van de dagbladen. In de nieuwsverschaffing kwam meer
nadruk te liggen op achtergrondinformatie, opinie e n commentaar. Ook
nu nopen de ophanden zijnde ontwikkelingen de pers tot herbezinning op
het eigen produkt ten einde het marktaandeel te behouden en, indien
mogelijk, te vergroten. Het vervagen van de gebruikelijke grenzen tussen
de verschillende media kan hierbij leiden tot ingrijpende herorientaties.
Het is evenwel niet te verwachten dat het gedrukte woord als middel van
berichtgeving zal verdwijnen. Zoals vermeld in hoofdstuk 7 heeft de tele-
visie we1 het gebruikspatroon van kranten, tijdschriften en boeken bein-
vloed, maar gaat het hier meer om verschuivingen dan om een dalen van
de belangstelling als zodanig. De indruk dat bij jongeren die zijn
opgegroeid met televisie, zoiets als een beeldcultuur is ontstaan, blijkt
verkeerd. De krant is een medium dat men pas op rijpere leeftijd intensief
gaat gebruiken26. Ook is, naarmate de opleiding van personen beter is,
het gedrukte woord meer in tel.
   Een omstandigheid met mogelijk verreikende consequenties is we1 dat
de veranderingen die zich gaan voordoen, op een tijdstip komen waarop
de pers toch al niet bijzonder floreert. Met name enige landelijke dag-
bladen en een aantal (kleinere) regionale kranten beleven op het ogenblik
magere jaren, waarbij het verder wegvallen van reclame-inkomsten tot
een uitdunning van titels zou kunnen leiden. De economische tendenties
met betrekking tot de media zijn behandeld in hoofdstuk 6. Hier zij ver-
wezen naar de conclusies in paragraaf 6.5, waar een lichte daling wordt
verwacht van de consumptie van gedrukte media. Wat de belangrijkste
 inkomensbron van de pers betreft, de reclame, is voorzien dat de komen-
de jaren, bij in het algemeen gelijkblijvende of krimpende reclamebudget-
ten, de verhoging van STER-tarieven, uitbreiding van reclamezendtijd of
 invoering van nieuwe (bijv. internationale) mogelijkheden tot televisiere-
clame, zal leiden tot een herallocatie van reclamestromen die ten koste
van de pers zal gaan.
   In hoeverre hier, vanuit een oogpunt van samenhangend mediabeleid,
 aanleiding is tot overheidsinterventie, wordt aan het eind van deze
 paragraaf besproken. Eerst wordt in grote trekken beschreven welke ont-
26
    L.P.H. Schoonderwoerd, W.P. Knulst/SCP, op. cit.. blz. 56
</pre>

====================================================================== Einde pagina 246 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 247 ======================================================================

<pre> wikkelingen zich in voorgaande jaren hebben voorgedaan op de markt,
  hoe de pers bedreigingen heeft trachten te pareren en welke mogelijk-
  heden hiertoe zich in de toekomst zullen voordoen. Een complicatie hier-
  bij is het naast elkaar bestaan van een publiek (omroep)bestel en een
  marktbestel (voor de pers) alsmede de komst van nieuwe media, waar-
 van nu nog niet duidelijk is in welke sfeer zij tot ontwikkeling zullen
 komen. Hierdoor zijn voor de pers 'natuurlijke' reacties op aantastingen
 van de eigen positie soms van overheidswege afgesloten, of is althans
  niet duidelijk in hoeverre zodanige rnogelijkheden voor de pers zullen
  openstaan. Ten einde persorganen zoveel mogelijk in staat te stellen zelf
  het hoofd boven water te houden, is voor de bedrijven een tijdige
  aankondiging van beleidsvoornemens essentieel. Duidelijkheid in het
  beleid, waardoor de media mogelijkheden tot anticipatie krijgen, zou in
  elk geval een kenmerk van het overheidshandelen behoren te zijn.
  8.4.2    Persconcentratie
     Geconfronteerd met een noodzaak tot technische vernieuwingen,
  waarvoor zeer grote investeringen waren vereist, en met de noodzaak
  voor de aldus vergrote produktiecapaciteit een voldoende bezet-
  tingsgraad te realiseren, is de pers in de late jaren zestig en de eerste
  helft van de jaren zeventig overgegaan tot schaalvergroting. Hierbij
  waren overigens de ontwikkelingen op de onderscheiden deelmarkten
  niet gelijk27.
     Bij de dagbladen traden de belangrijkste veranderingen op in de perio-
  de tussen 1970 en 1975. In die tijd nam de concentratie toe op blad-, uit-
  gevers- en concernniveau: vijf jaar lang verdween gemiddeld elk half jaar
  een titel (van 94 titels in 1970 tot 84 in 1975). Opvallend is dat de con-
, centratiebeweging na 1975 vrijwel tot staan kwam: in de zes jaar hierna
  is nog slechts Ben krant opgeheven. Mogelijke verklaringen zijn: het
  noodzakelijke aanpassingsproces van fusies en overnames binnen onder-
  nemingen of concernverband dat nu eenmaal de nodige tijd vergt, de
  opleving van de advertentieconjunctuur die in vele gevallen een ver-
  betering van de bedrijfsresultaten met zich meebracht en ook het
  beschikbaar komen van nieuwe produktiesystemen die het kleine en
  middelgrote bedrijf in staat stelde concurrerend te produceren. De perio-
  de 1970-1975 heeft vooral een concentratie te zien gegeven op het
  niveau van landelijke avondbladen (hun marktaandeel daalde in deze
  jaren ook: van 19,8010 tot 11,l'Jlo). Relatief is de concentratietoename op
  concernniveau het sterkst: bijna 80% van de dagbladpers is nu in handen
  van acht concerns. Overigens is de totale oplage van de Nederlandse
  dagbladen gestegen met de toename van het aantal huishoudingen: van
  4 miljoen in 1970 tot 4,7 miljoen nu. We hebben hier kennelijk te doen
  met een verzadigde markt.
     Op de tijdschriftenmarkt is sprake van afnemende concentratie op alle
  niveaus. Dit komt door de explosieve groei van het aantal titels: bij glo-
  bale telling uit het Handboek voor Pers en Publiciteit komt men uit op
  circa 5000 titels28. Hiervan is overigens nog geen 10% in handen van uit-
  gevers die bij de branche-organisatie NOTU zijn aangesloten. De rest
  bloeit, of verdort, op de informele markt van tijdschriften, bladen en
  blaadjes die een opvallend hoog aantal introducties zowel als ophef-
  fingen van titels te zien geeft. De belangrijkste nieuwigheden op de tijd-
  schriftenmarkt waren de komst van de zogenaamde gossipbladen en van
  de op een specifieke publieksgroep 'toegesneden' special interest-
  bladen. Op concernniveau is de overheersende positie van het VNU-
  concern opvallend, met een marktaandeel van tussen de 65% en 71010, vijf
  2'  K.J. Alsem e.a., De aanbodsrructuur van d e periodiek verschijnende pers in Nederland;
  serie 'Voorstudies en achtergronden mediabeleid', nr. MS. 's-Gravenhage, Staatsuitgeverij,
  1982.
  2s Handboek voor Nederlandse Pers en Publiciteit; Schiedam, Uitgeversbedrijf Publiciteit,
  1982.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 247 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 248 ======================================================================

<pre>B zes maal zo groot als de naaste rivaal, Kluwer. De totale oplage van
Nederlandse tijdschriften is van 1970-1979 fors toegenomen: van 5 mil-
joen tot 7.8 miljoen per jaar.
    De huis-aan-huis-bladenmarkt maakt een sterke groei door. In 1975 is
de totale oplage 13,5 miljoen exemplaren (444 titels) en in 1979 groeit de
oplage tot 16,9 miljoen exemplaren (528 titels). Er zijn veel introducties en
opheffingen. Van het totale aantal huis-aan-huis-bladen is ongeveer 40%
in handen van dagbladuitgevers; uitgedrukt in oplagecijfers is het belang
van dagbladuitgevers nog groter, namelijk circa 57%. Op uitgeversniveau
neemt de concentratie vrij sterk af, voor de jaren 1977-1979 geldt dit ook
voor het concernniveau. Wegener is het grootste concern met een
marktaandeel van ongeveer 20%.
    De nieuwsbladenmarkt is relatief klein in omvang. Het aantal titels
neemt af van 140 in 1975 tot 126 in 1979 (gemiddelde oplage slechts rond
6500). Op uitgeversniveau neemt de concentratie toe. Slechts 20% van
de deelmarkt is in handen van concerns; er is daarbij geen dominant
concern.
    Op de totale markt voor betalende lezers is het VNU-concern veruit de
sterkste, circa 30% van alle lezersinkomsten voor zich opeisend. In
rangorde van grootte volgen daarna Holding Mij. De Telegraaf, de NDU,
de Perscombinatie en Audet. In 1979 kwam de tweede plaats toe aan de
nieuwe combinatie Elsevier-NDU. Het gezamenlijke aandeel van de
grootste vier concerns is aanzienlijk: in 1979 ruim 70% voor de grootste
vier.
    Wat de toekomst betreft, ligt voor de hand dat de concentratie, in ver-
band met de noodzaak tot kostenbesparing, zich nog enigermate zal
doorzetten. Besparingen zullen nodig zijn, zowel vanwege teruglopende
advertentie-inkomsten als vanwege de noodzaak van omvangrijke
 investeringen (offset-rotatiepersen, nieuwe systemen van informatie-
overdracht). Problemen van uitgeverijen zullen echter niet slechts op te
 vangen zijn door de creatie van een breed draagvlak voor kosten en risi-
 co's. Het alert en creatief benutten van marktkansen is wellicht even
 belangrijk. Fusies vormen dan niet het meest gerede middel om dit pro-
 bleem te pareren.
    In paragraaf 3.2.4 zijn de bestaande fusiecontroleregelingen uiteen-
gezet en de ontwikkelingen die er op dit gebied gaande zijn. Van belang
 is voorts de bevinding uit het onderzoek Persconcentratie waarin wordt
gewezen op het belang van grote ondernemingseenheden die in staat
zijn fluctuaties in de markt op te vangen, waardoor bepaalde titels betere
overlevingskansen hebben dan wanneer zij in een kleine onderneming
geexploiteerd zouden zijn29. Voor de toekomst is het echter niet nood-
zakelijkerwijs zo dat een in verband hiermee bestaande behoefte aan
 persconcentratie tot stand zal komen door nieuwe fusies tussen min of
 meer gelijkwaardige bedrijven. Waarschijnlijker lijkt het dat aan deze
behoefte zal worden voldaan door het plegen van acquisitie, waardoor
 kleinere ondernemingen aan grote worden toegevoegd.
Voor voortgaande fusering lijken de mogelijkheden bij de grootste uit-
geverijen niet groot. Voor kleinere concerns van persondernemingen
kunnen fusies wellicht nog verwacht worden vanwege voordelen op de
 advertentiemarkten en het beschikken over een breder draagvlak bij het
 betreden van nieuwe markten (i.c. nieuwe media).
    In hoofdstuk 6 zijn gegevens opgenomen over de inkomsten van de
verschillende typen persmedia. De uitspraak wordt gereleveerd uit het
jongste jaarverslag van de Nederlandse Dagblad Pers (NDP), dat in 1981
 volgens voorlopige gegevens 14 dagbladen verlieslijdend waren en 5
 z9 M. Brouwer, 'De concentratie in d e dagbladpers'; Intermediair, 21 december 1979. 15e
 jaargang nr. 51. blz. 1-9.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 248 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 249 ======================================================================

<pre>andere slechts een zeer marginaal rendement vertoonden. Bij een ver-
dere daling van het advertentievolume en van de oplage zou dit jaar bij
deze bladen nog maar nauwelijks sprake zijn van rendement. In tabel 6.7
is de winstontwikkeling bij dagbladen weergegeven in respectievelijk
1970, 1975 en 1980; hieruit blijkt dat in 1975 een kwart van de bladen een
negatief bedrijfsresultaat heeft, hetgeen in 1980 nog zo is - alleen zijn de
verliezen van deze bladen dan nog groter. Daarentegen doen de kranten
die in 1975 winst boekten, het in 1980 nog beter. Aldus wordt een zekere
polarisatie zichtbaar in het dagbladveld. De winstgevendheid is echter
niet gelijk verdeeld over de verschillende dagbladtypen. Regionale dag-
bladen met een oplage boven de 100.000 hebben gemiddeld het hoogste
winstpercentage; tot en met 1977 hadden de landelijke dagbladen het
laagste winstpercentage, maar na 1977 zijn de regionale dagbladen met
een oplage van minder dan 100.000 er het slechtst aan toe30.
   De tijdschriften vormen een zeer heterogene groep. In de periode
1975-1980 zagen de uit een oogpunt van mediabeleid interessantste
groep, namelijk de opiniebladen, hun winstpercentage gemiddeld bijna
gehalveerd - van 12,8010 tot 6,8010. De grote familiebladen bereikten in
1980 hun hoogste winstpercentage namelijk 6,63010. Het winstpercentage
bij de jeugdbladen nam toe van 10% naar 13,3010, terwijl het bij de zoge-
naamde special interest-bladen schommelt rond de 2,5010. Ook de tijd-
schriften werden na 1979 geconfronteerd met dalende advertentie-
inkomsten.
   Voor het beleid is een belangrijk gegeven in hoeverre inkomsten van
de drukpersmedia afhankelijk zijn van advertenties. In 1981 was dit bij de
landelijke dagbladen voor 56% het geval (bij de regionale bladen lag dit 2
a 3 procentpunt hoger); bij de opiniebladen is het gemiddeld 52010, bij de
grote familiebladen 45010, bij de jeugdbladen 9010 en bij de special interest-
bladen 26%. De gratis huis-aan-huis-bladen worden voor 1000/o uit adver-
tenties gefinancierd.
   Naar verwachting komen deze reclame-inkomsten verder onder druk
te staan. Een prognose over de groei van de reclamebestedingen voor de
komende jaren is een uiterst hachelijke zaak. Het is duidelijk dat in eerste
instantie d e ondernemers gereageerd hebben met het terugschroeven
van hun reclamebudgetten op de slechter wordende economische ont-
wikkeling. Tussen 1980-1985 verwacht het CPB een groei van het BNP
met 1,5010 terwijl het volume van de particuliere consumptie met een half
procent zal toenemen. Per huishouding betekent dit een reele daling van
een half procent. In deze situatie zal het van de ondernemer een extra
inspanning vragen om zijn marktaandeel te behouden, gegeven de
veronderstelling dat reclame invloed kan uitoefenen op de verdeling van
de vraag naar produkten. Enig herstel van de volumegroei van de recla-
mebestedingen zou een voorzichtige verwachting zijn. Van een matige
volumestijging van het reclamebudget zullen de onderscheiden media
niet in gelijke mate profiteren.
   Een structurele verandering die diep ingrijpt in de reclame-inkomsten
van de persmedia is uitbreiding van de STER-zendtijd op radio en televi-
sie. Verwacht mag worden dat dit leidt tot een verschuiving binnen het
budget van merken- en dienstenreclame die vooral ten koste gaat van de
dagbladen en publiekstijdschriften. Deze inkomstenderving zal grote
gevolgen hebben, omdat wij mogen veronderstellen dat de rentabiliteit
ook zonder deze verandering a1 sterk onder druk zal staan. De toenemen-
de concurrentie in het segment merken- en dienstenreclame treft in het
bijzonder de publiekstijdschriften, doordat hun reclame-inkomsten voor
meer dan 90% uit dit segment komen, terwijl dit aandeel bij de dagbladen
op circa 45% ligt. Bij een uitbreiding van de STER-zendtijd die leidt tot
een vergroting van de reclame-inkomsten van f160 miljoen gulden zullen
zowel de dagbladen als de publiekstijdschriften geconfronteerd worden
30  K.J. Alsem e.a., op. cit.. blz. 199
</pre>

====================================================================== Einde pagina 249 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 250 ======================================================================

<pre>met een vermindering van de reclame-inkomsten in de orde van grootte
van elk 70 miljoen gulden.
      Naast STER-zendtijduitbreiding is een vergroting van do inkomsten
ook te verwerven via een verhoging van de STER-tarieven. Uitgaande
van de veronderstelling dat de reclamebudgetten niet zo flexibel zijn dat
een verhoging van de STER-tarieven automatisch wordt opgevangen, zal
dit eveneens ten koste gaan van de overige media, al kan een dergelijke
tariefsverhoging uit een oogpunt van concurrentieverhoudingen toch
minder nadelig zijn voor de pers31. Hier ligt een moeilijk beoordelings- en
afwegingsvraagstuk waarin bovendien tal van ongewisse ontwikkelingen
een rol spelen. Zoals in paragraaf 8.2.4.5 van dit hoofdstuk is betoogd
dient het beleid met betrekking tot de STER erop gericht te zijn om een
toereikend antwoord t e geven op van buitenaf komende concurrentie.
Zou dit niet gebeuren, dan leidt dit niet tot verbetering van de positie
van de Nederlandse pers, maar tot wegvloeien van reclamegelden naar
het buitenland. Anderzijds dient dit beleid er scherp op gericht te zijn o m
de zuigkracht van de STER niet groter te doen zijn dan noodzakelijk is o m
de van buitenaf komende concurrentie te pareren.
      Ook de komst van nieuwe media kan van invloed zijn op de reclame-
inkomsten van de pers. Zoals in hoofdstuk 6.4 werd geconcludeerd valt
tot 1990 niet te verwachten dat de commerciele satelliettelevisie als
internationaal medium zo'n zuigkracht op de Nederlandse adver-
tentiemarkt zal uitoefenen dat van grote verschuivingen sprake zal zijn.
 Daarvoor zijn er nog teveel vraagpunten op het vlak van internationalise-
 ring van de marketing, terwijl ook het potentiele bereik en de kijk-
dichtheid van vele factoren afhankelijk zijn. Deze situatie zou echter kun-
 nen veranderen indien een commerciele omroepsatelliet zich in belangrij-
 ke mate op Nederland zou richten. Dit zou namelijk betekenen dat, gege-
ven de te behalen kijkdichtheidscijfers, het ook voor de nationale adver-
teerders aantrekkelijk wordt van dit medium gebruik te maken. Zowel de
 STER als de persmedia zouden hiervan de gevolgen ondervinden.
      Lokale omroepreclame zal als nieuw medium concurreren in het
 marktsegment detaillistenadvertenties met als belangrijkste media de
 regionale dagbladen, nieuwsbladen, huis-aan-huis-bladen en de directe
 reclame. Maar ook de nationale adverteerders kunnen het medium gaan
 gebruiken o m hun landelijke campagnes regionaal aan te scherpen. Hoe
 fijnmaziger het net van regionale e n l o f lokale omroepen is, des te meer
 zullen lokale media de gevolgen ervan ondervinden.
      Verschuivingen in d e reclamebestedingen kunnen ook optreden door
 de introductie en acceptatie van viewdatasystemen, die in Nederland
 onder de naam van Viditel opereren. Met name het marktsegment 'geru-
 briceerd' (toerisme, personeel, onroerend goed) leent zich voor toepas-
 sing in dit systeem. Voor dagbladen en tijdschriften kan dit in de toe-
 komst een daling van het advertentievolume inhouden, maar anderzijds
 betekent de kennis en ervaring die bij de uitgevers over dit segment aan-
 wezig is een goede uitgangspositie voor commerciele exploitatie in een
 viewdatasysteem. Tegenover een mogelijk daling van de advertentie-
  inkbmsten per blad kunnen dus inkomsten staan die door dienstverlening
 via viewdata verkregen worden. Deze vorm van multimediagebruik hoeft
 zich overigens niet t o t de commerciele informatie te beperken. Ook
  redactionele informatie kan mettertijd via Viditel, of in een abon-
  neesysteem via de breedbandige kabel, worden aangeboden (hetgeen de
  mogelijkheid opent voor videotex-diensten zoals een kabelkrant).
      Ten slotte kunnen ook structurele ontwikkelingen binnen de persmedia
  voor verschuivingen i n de reclamebestedingen zorgen. Een kenmerkende
  ontwikkeling van de laatste jaren is de snelle opkomst van het huis-aan-
  huis-blad geweest die, naast het aantrekken van nieuwe adverteerders,
  ook een verschuiving van reclamebestedingen heeft veroorzaakt ten
   31  Uitbreiding etherreclame bedreigt dagbladen; brochure van de Perscombinatie NV.
   Amsterdam. 1982.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 250 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 251 ======================================================================

<pre>koste van de dagbladen in het marktsegment detaillistenadvertenties.
Ook voor de toekomst valt te verwachten dat de huis-aan-huis-bladen
hun positie zullen weten te versterken. Door de overname van vele huis-
aan-huis-bladen hebben de dagbladconcerns zich overigens gedeeltelijk
gecompenseerd voor het dalend marktaandeel bij de detaillistenadver-
tenties. De gunstige situatie op de regionale advertentiemarkt is voor de
uitgevers van damesbladen aanleiding geweest om zich te bezinnen op
de invoering van een regionaal editiestelsel. Het bijkomende voordeel is
dat op deze manier de grote afhankelijkheid van de merken- en diensten-
reclame kan worden verminderd. Uitboering van dit plan kan van invloed
zijn op het advertentievolume bij de (regionale) dagbladen.
    Zoals reeds opgemerkt komt in dit verband aan de reclame-zendtijd en
tariefstelling van d e STER bijzondere betekenis toe. De beleidswenselijk-
heden zijn op dit moment we1 concreet aan te geven, maar de
beleidsuitwerking niet. Deze is immers rechtstreeks afhankelijk van de
omvang van de van buitenaf komende concurrentiemogelijkheden. Met
het oog op de in het geding zijnde belangen is hier een zorgvuldige
afstemming van beleid op zijn plaats. Daarom ware te overwegen om
over te gaan tot d e instelling van een commissie van onafhankelijke des-
kundigen (waarin vertegenwoordigd de inbreng van commercieel beleid,
media-expertise e n accountancy) die de ontwikkelingen op de voet vol-
gen en de minister van CRM ter zake periodiek adviseren. Deze adviezen
dienen bij voorkeur openbaar te zijn.
     Samenvattend valt te zeggen dat de uitbreiding van elektronische
reclamemogelijkheden (landelijk via de STER en op den duur ook via de
internationale satelliet, plaatselijk via de kabel) verder druk zullen zetten
op de reclame-inkomsten van de pers. In het bijzonder zullen hierdoor de
dagbladen en publiekstijdschriften worden getroffen. Gezien de afhan-
kelijkheid van de pers van reclame en de slechts beperkt voorhanden
zijnde mogelijkheden tot abonnementsprijsverhoging in een stagnerende
economie, is te verwachten dat deze ontwikkelingen verreikende gevol-
gen hebben. Met name enige landelijke dagbladen en zwakkere regionale
kranten worden wellicht in hun voortbestaan bedreigd. Binnen de
bedrijfstak zijn voorts verschuivingen te verwachten door de voort-
gaande ontwikkeling van huis-aan-huis-bladen en de opkomst van
kleinschaliger editiesystemen. Op de technische mogelijkheden hiertoe
wordt hieronder ingegaan.
8.4.4    Technologische perspectieven
     Onder invloed van majeure ontwikkelingen als genoemd, ligt het voor
de hand dat de dagbladondernemingen zelf zullen trachten deze ten-
denties te pareren. Daarbij speelt uiteraard de techniek een belangrijke
 rot. Echter zijn ook economische factoren relevant: de omvang van de
consumptieve bestedingen en de kosten en risico's van investeringen
 bepalen in belangrijke mate of technologische mogelijkheden worden
 benut. Maatschappelijke ontwikkelingen bepalen de prioriteitenstelling
van het publiek ten aanzien van diverse media en de acceptatie van
 nieuwe mediavormen. Ten slotte kan doorslaggevend zijn in hoeverre
overheidsbeleid d e pers nieuwe kansen laat. Al deze aspecten con-
ditioneren elkaar. Hieronder worden enkele ontwikkelingsrichtingen aan-
geduid vanuit de techniek die in het licht van omstandigheden plausibel
 lijken.
     Door de introductie van micro-elektronika, goedkope en grote geheu-
gens, computergestuurde fotozet- en druksystemen en ook scanners
voor omzetting van foto's in digitale informatie, wordt het gaandeweg
 mogelijk het gehele proces van informatieverwerking functioneel te
 integreren in een groot computergestuurd systeem. De integratie strekt
zich uit tot tekst- en beeldverwerking, waarbij redigerende, corrigerende,
 opmaaktechnische en zettechnische functies worden samengevoegd en
 de menselijke inbreng in een aantal tussenfasen wegvalt of een ander
 karakter krijgt. De menselijke inbreng komt steeds meer in de redac-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 251 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 252 ======================================================================

<pre>tionele sfeer te liggen, waarbij zowel on-line als off-line met het systeem
kan worden gewerkt.
    Door de opkomst van moderne communicatiemiddelen kunnen tegen
relatief lage kosten grote hoeveelheden informatie over grote afstand
worden vervoerd. Dit maakt het technisch mogelijk, en soms economisch
zinvol, verschillende bewerkingen o p verschillende plaatsen te doen ver-
richten. Aangezien de onderlinge informatiestromen vrijwel steeds elek-
tronisch zijn, is ook dan nog sprake van een groot gei'ntegreerd systeem.
Een voorbeeld van genoemde produktie-technische decentralisatie is
drukken op afstand waardoor op tijd en kosten van het vervoer bespaard
kan worden.
    Deze ontwikkeling is relevant voor de huidige trend in de dag-
bladwereld, naar wat wordt genoemd de krant op maat. Hierbij gaat het
om pogingen het bestaande grootschalige dagblad te individualiseren,
naar de lezer toe te brengen, en tevens interessanter te maken voor de
lokale adverteerder. Hierbij is vooralsnog te denken aan gezoneerde edi-
ties - elk stadsdeel zijn eigen berichtgeving en advertenties - en aan
speciale secties, die tegen extra betaling verkrijgbaar zijn naast de
gemeenschappelijke basiseditie. Beide systemen worden al toegepast32.
Voor een echte krant op maat (een groot aantal edities met lokale
berichtgeving) zijn de grote, nu landelijk of regionaal functionerende
offset-persen niet geschikt en gezien de afschrijvingstijd van bestaande
of binnenkort nog te installeren apparatuur is de verwerkelijking hiervan
pas over tien a twaalf jaar te verwachten33. De reele beperkingen liggen
hier vermoedelijk niet in de sfeer van de produktie die door de tech-
nische ontwikkeling steeds beter beheersbaar wordt, maar in de sfeer
van de logistiek van de distributie. Als men acht slaat op de moeilijk-
heden waarmee de dagbladen reeds thans te maken hebben bij hun
bezorging, zal men op dit punt tot enige scepsis geneigd zijn.
    Aan de realisatie van de krant-op-maat in zijn meest extreme vorm kan
pas gedacht worden op nog langere termijn. Als iedere abonnee zijn
gei'ndividualiseerde informatiepakket thuisbezorgd wil krijgen, zullen
totaal andere technieken voor de produktie benodigd zijn. De oplagen
(van gelijke kranten) zullen tot een minimum gedaald zijn en de produktie
zal, met het oog op distributieproblemen, vermoedelijk decentraal
geschieden. Dit betekent dat de benodigde telecommunicatiever-
bindingen beschikbaar moeten zijn. Naar elk produktiepunt zal vanuit de
centrale het landelijke informatiepakket gestuurd moeten worden en dat
eist dan verbindingen waarover een snel transport mogelijk is. Gezien de
plannen van de P l T zal een dergelijk uitgebreid net waarschijnlijk niet
voor het jaar 2000 beschikbaar zijn34.
    In het bovenstaande is er van uitgegaan dat de lokale krant (of de lan-
delijke krant met lokale aanpassing) zal blijven verschijnen als een op
papier gedrukt pakket informatie. lndien echter de mogelijkheden voor
viewdata zodanig worden verruimd dat bestanden met lokale informatie
 beschikbaar komen, dan lijkt het op grond van de nu zichtbare trends
waarschijnlijk dat een deel van dat pakket informatie via die elek-
tronische bestanden de huiskamer zal binnenkomen. De ontwikkelingen
 in de Verenigde Staten wijzen op een koppeling van de tekstver-
werkingssystemen van de dagbladen met de viewdatabestanden; dus bij
een voldoende groot dekkingspercentage van viewdata zal tekstuele
 informatie van zowel landelijke als lokale oorsprong verspreid kunnen
worden via het telefoonnet-toestel. Dit kan ertoe leiden dat rubrieks-,
 personeels- en onroerend goed-advertenties uit de dagbladen verdwijnen
en overgenomen worden in het viewdatabestand. Het is op zich zelf
overigens ook heel goed mogelijk m e t het teletekstsysteem (tekstin-
 32  P.J. Kalffllnstituut voor Grafische Techniek TNO, Nieuwe technieken voor produktie en
 distributie van dagbladen en tidschriften; serie 'Voorstudies en achtergronden rnediabeleid',
 nr. M7, 's-Gravenhage. Staatsuitgeverij. 1982, blz. 71.
 33 Ibid., blz. 72.
 34 Ibid.. blz. 73.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 252 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 253 ======================================================================

<pre>formatie als onderdeel van het tv-signaal) grote hoeveelheden informatie
bij d e kijker thuis te brengen, zeker indien hiervoor een afzonderlijk televi-
siekanaal wordt gereserveerd. Voor de toepassingen zoals die hierboven
voor viewdata beschreven zijn, kan dan ook het teletekstsysteern ingezet
worden. Deze situatie zal zich eerder voordoen indien teletekst ook op
lokaal niveau wordt uitgezonden.
    Het laat zich overigens aanzien dat voor meer uitgebreide informatie,
zoals analyses, achtergronden, commentaren, enzovoort de krant in
gedrukte vorm nog steeds het meest geschikte medium zal zijn, ook al
zal de wijze waarop dat gedrukte produkt bij de consument thuis'bezorgd
wordt wellicht sterk afwijken van de huidige manier. Papier heeft als pre-
sentatierniddel voor vele toepassingen irnmers grote voordelen boven de
huidige elektronische displays.
    Wat de inhoud van deze toekomstige kranteo betreft is het hachelijk
voorspellingen te doen, gezien de onzekerheden over publieks-
voorkeuren. Wat het massa-aanbod betreft zouden de technische
 mogelijkheden - veel kleur in de krant, veel foto's - in de richting kun-
 nen wijzen van een populaire krant van het type Bildzeitung of Daily Mir-
 ror, waarmee wellicht een deel van de conditionerende reclarne zou zijn
terug te winnen. In Nederland heeft dit type informatie-arme en cultuur-
 arme krant het tot dusver niet erg goed gedaan, maar niet valt uit te slui-
t e n dat deze forrnule ooit zal aanslaan. De gesignaleerde ontwikkeling
 naar de krant-op-maat wijst overigens in andere richting. Hier liggen kan-
 sen, zowel voor lokale specialisatie, maar ook voor gerichtheid op
 bepaalde (homogene) sociaal-econornische of culturele deelpublieken.
 Voor de toekornst lijkt zeker voor dagbladen specialisatie in deze zin een
 plausibele ontwikkeling. Naast de massakranten, die een veel heteroge-
 ner publiek bedienen, zal er ruimte zijn voor een aantal landelijke dag-
 bladen die overwegend hun lezers recruteren uit maatschappelijke cate-
 gorieen die in bepaald opzicht homogeen zijn (politiek progressief, ker-
 kelijk, sociaal-cultureel betrokken e.d.). Het is uiteraard een belangrijke
 vraag hoeveel landelijke dagbladen in deze gespecialiseerde zin exploita-
 be1 zullen blijken te zijn (vooral met het oog op het aandeel dat op de
 advertentiemarkt verworven kan worden) en in hoeverre hier de maat-
 schappelijke pluriformiteit adequaat tot uitdrukking kan komen.
    Ook op de tijdschriftenmarkt is sprake van specialisatie en toenemen-
 d e verfijning in de afsternming op behoeften van de lezer. Bij de tijd-
 schriften is te onderscheiden tussen publieksbladen en vakbladen. De
 produktie van specialistische publieksbladen in kleine oplagen is, naar
 het zich laat aanzien, alleen mogelijk tegen relatief hoge kosten, vooral
 bij gebruik van kleurendrukwerk. De concurrentie met niet-grafische
 media (videocassettes, beeldplaten) zal dan voor die categorie tijdschrif-
t e n toenernen. Het publiekstijdschrift met een rninder specifieke inhoud
zal in toenemende mate onder druk komen te staan van de televisie,
vooral bij uitbreiding van de reclamemogelijkheden bij de omroep.
    Voor de vakbladen gelden andere vooruitzichten. Het gebruik van
databanken voor professionele informatie kan be~an~rijktoenemen          indien
d e infrastructurele voorzieningen (snelle datacommunicatienetten,
geschikte afdrukapparatuur) voor de levering van volledige tijdschriftar-
tikelen beschikbaar zijn. Verwacht wordt dat dat nog een periode van 15
B 20 jaar in beslag zal nemen. Vakbladen kunnen ook in zeer kleine opla-
gen met de huidige moderne grafisch-technische apparatuur geprodu-
ceerd worden, daar d e prijs van dergelijke bladen in het algemeen niet
van doorslaggevende betekenis is bij de overwegingen tot aanschaf.
    Samenvattend kan worden vastgesteld dat de technische middelen
voor het overbrengen van informatie sterk aan verandering onderhevig
zijn en dat dit veranderingsproces in elk geval nog zal doorlopen tot in
het eerste decennium na de eeuwwisseling35. Vanuit mediapolitiek oog-
 35  Ibid., blz. 81
</pre>

====================================================================== Einde pagina 253 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 254 ======================================================================

<pre>punt zal de herverdeling van de informatiestromen over nieuwe en
beschikbare media - welke herverdeling mede afhankelijk is van politie-
ke besluitvorming - met de nodige behoedzaamheid ten opzichte van
de grafische media dienen te geschieden, met name in die gevallen waar
de inkomsten uit reclame en advertenties in het geding zijn.
8.4.5 Pluriformiteit van de drukpersmedia
    In hoofdstuk 2 is ingegaan op het belang van een toereikende media-
pluriformiteit. Het gaat daar in de eerste plaats om de zogenoemde
externe pluriformiteit, dat wil zeggen om de mate waarin de verschil-
lende media representatief zijn voor de voornaamste maatschappelijk-
politieke stromingen in ons land. Hoewel Nederland geen echte par-
tijkranten (meer) kent is vastgesteld dat op het niveau van de landelijke
dagbladen grosso mod0 een redelijke pluriformiteit bestaatm. De pers-
concentratie van de laatste decennia heeft niet geleid tot de verschraling
die velen destijds voorzegden37. Naast het bestaan van een diversiteit
aan landelijke kranten is overigens ook de interne pluriformiteit van
belang, dat wil zeggen de mate waarin binnen de kolommen van een
krant een redelijke afspiegeling is te vinden van het maatschappelijk-
politiek gebeuren. De meeste mensen lezen immers slechts Ben krant
- waar b e externe pluriformiteit aangeeft welke verscheidenheid aan
gedrukte berichtgeving de burgers khn bereiken, geeft de interne pluri-
formiteit veelal een aanwijzing voor de mate waarin zulks metterdaad
gebeurt. Uit onderzoek is gebleken dat er hier geen reden is tot onte-
vredenheid: bij de meeste landelijke kranten is sprake van een redelijke
mate van interne afspiegeling en van interne openheid in informatievoor-
ziening en commentaar38. Ondanks de oververtegenwoordiging van de
grote politieke partijen in het landelijke nieuws, is over het geheel toch
van een hoge graad van openheid te spreken. Hoewel de gegevens op
sociaal-economisch en cultureel gebied met betrekking tot pluriformiteit
heel beperkt zijn, is er weinig reden om aan te nemen dat een grondige
analyse van de pers op deze beide terreinen t o t een essentieel ander
oordeel zou leiden. Voor de regionale pers is dergelijk onderzoek niet
bekend, maar daar waar de landelijke berichtgeving doorgaans een alge-
meen karakter heeft, lijkt wat de grote maatschappelijk-politieke ont-
wikkelingen betreft vrees voor bewuste eenzijdigheid ongegrond. Bij de
tijdschriften is het, gelet op de vergroting van het titelaanbod en de nieu-
we deelmarkten die de laatste jaren (ook in de informele sector) zijn
 ontstaan, te verwachten dat de pluriformiteit in elk geval niet zal zijn
 afgenomen. Het is echter de vraag of de diversiteit van de tijdschriftpers
van een vergelijkbare orde is als de verscheidenheid van de samenleving
 in maatschappelijk politiek en in cultureel opzicht. Hier lijkt in elk geval
 een onderscheid gepast tussen de opiniepers en vele publiekstijdschrif-
ten, damesbladen en gossip-bladen, waarvan de informatie- en opinie-
 ringsfunctie, zo deze al aanwezig is, te zoeken is buiten het maatschap-
 pelijk-politiek gebied.
    Samenvattend valt op te merken dat vanuit een oogpunt van - ex-
terne en interne - pluriformiteit de pers een waardevolle rol speelt. Hier-
 bij is in het bijzonder te letten op de (landelijke) dagbladpers, gezien de
 belangrijke functie van een dagelijks voorhanden zijnde schriftelijke
 berichtgeving voor het functioneren van het democratisch stelsel (inclu-
 sief het functioneren van andere nieuwsmedia!). Ten tweede is vast te
 stellen dat de persconcentratie van het verleden, ondanks het verdwijnen
van vele titels, niet tot zodanige verarming heeft geleid dat van een uit
a J.J. van Cuilenburg, D. McOuail, Media en pluriformiteit; een beoordeling van de stand
van zaken: serie 'Voorstudies en achtergronden mediabeleid', nr. ME. 's-Gravenhage,
Staatsuitgeverij. 1982, biz. 114 en 173.
37 A. van der Zwan. 'De pers en de particuliere ondernemingsgewijze produktie'; Massacom-
municatie. oktober 1981, 9e jaargang nr. 5, blz. 188-189.
     J.J. van Cuilenburg, D. McQuail, op. cit.. biz. 114.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 254 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 255 ======================================================================

<pre>                     pluriformiteitsoogpunt onbevredigende situatie moet worden gesproken.
                     Er lijkt sprake van een vermogen tot zelfhandhaving en wellicht zelfs
                     regeneratie dat goed aansluit op de in de toekomst verwachte mogelijk-
                     heden tot marktbehoud en -vergroting door differentiatie en specialisa-
                     tie.
                     8.4.6    Overheidsbeleid jegens de pers
                        Met de slotopmerking van de vorige paragraaf is overigens geenszins
                     beoogd te zeggen dat de toekomst voor de pers in ons land gemakkelijk
                     zal zijn. Zoals besproken in paragraaf 6.4.3 staan rendementen, met name
                     in de dagbladpers, onder druk en valt verzwaring van deze druk te ver-
                     wachten. Dit betekent dat de overheid, ook indien zij in beginsel het
                     marktbestel voor de pers intact wil laten, toch kan worden gecon-
                     fronteerd met de wenselijkheid van interventie ten gunste van sommige
                     persorganen, die zeer waardevol zijn uit een oogpunt van media-
                     pluriformiteit. Wellicht zal er sprake zijn van overgangsproblemen, waar-
                     bij persorganen enige hulp behoeven om de aansluiting te vinden bij
                     nieuwe ontwikkelingsmogelijkheden ten einde vervolgens weer een
                     rendabele exploitatie t e bereiken. Niet uit te sluiten is echter dat bij enige
                     bestaande exploitaties de problematiek van zodanig structurele aard is
                     dat zij er niet in slagen terug te keren tot rentabiliteit. Het is tegen deze
                     achtergrond dat de komende jaren het beleid jegens de pers zal moeten
                     worden gevoerd.
                        In hoofdstuk 2 is vastgesteld dat de overheid een taak heeft ten
                     behoeve van een pluriform mediabestand. Met betrekking tot de pers is
                     in het licht van deze zorgfunctie een drietal aspecten van beleid in het
                     geding, namelijk in de eerste plaats de mate waarin de overheid in haar
                     mediabeleid rekening houdt met samenhangen die specifiek de gedrukte
                     media betreffen; in de tweede plaats het beleid dat erop is gericht het
'                    ontstaan van monopolieposities te voorkomen; en ten derde het steun-
                     beleid jegens de pers. Hierbij valt te onderscheiden tussen generieke
  ' ~ ~ - - - - s t e u gerichte
                              n ,      steun en steun die is bestemd voor bepaalde organen
                     indien zij voldoen aan te voren vastgestelde criteria, ook we1 genoemd
                     gericht-generieke steun.
                     a.    Samenhangen
                        In dit rapport is er verscheidene malen op gewezen hoezeer het naast
                     elkaar bestaan van een publiek bestel en van een marktbestel de over-
                     heid tot terughoudendheid noopt. In het bijzonder waar op het terrein
                     van de reclame-allocatie het publiek bestel (via de STER) en het markt-
                     bestel elkaars concurrenten zijn, moet de overheid de aldus onvermij-
                     delijke concurrentievervalsing - die ontstaat doordat de pers niet wordt
                     toegelaten tot de etherreclame en derhalve het middel om deze op
                     'natuurlijke' wijze t e pareren mist - niet ook nog bevorderen door
                     maatregelen die verder tot herallocatie van reclame leiden ten nadele
                     van de pers. In concreto betekent dit, naar mening van de Raad, dat het
                     (bescheiden) aandeel dat de etherreclame thans heeft in het totaal van
                     de reclamebestedingen bij voorkeur niet tezeer zal worden uitgebreid,
                     zonder voor de pers compensatiemogelijkheden te scheppen. lndien
                     financiering van (meer van de bestaande) omroepdiensten aan de orde
                     komt, behoort in de eerste plaats te worden gekeken of zulks kan
                     geschieden door rechtstreekse doorberekening aan de consument, dat
                     wil zeggen door verhoging van de omroepbijdrage. Deze is immers in
                      Nederland, in vergelijking met gelijksoortige landen in West-Europa,
                     geenszins bovenmate hoog. Hoewel verhoging van de omroepbijdrage
                     wellicht geen populair middel is - en politiek niet zo gemakkelijk ligt -
                     is dit de zuiverste wijze van financiering van het publieke omroepbestel,
                     die tevens het voordeel heeft dat veel minder nadelen ontstaan voor de
                     zelffinancierende pers. Naast uitbreiding kan ook prijsverhoging van
                     belang zijn. Een bijkomend voordeel is dat prijsverhoging niet tot uit-
                     breiding leidt van een reclamevorm die door zijn sterk tot consumptie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 255 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 256 ======================================================================

<pre>prikkelend karakter i n strijd is met versoberingstendenties in onze maat-
schappij.
    Op grond van het concurrentie-argument zullen ook beslissingen over
het al dan niet toelaten van het bedrijfsleven tot nieuwe media (dus
eventuele participatie van de pers hierin) steeds met grote zorg-
vuldigheid dienen t e worden genomen en ook de effecten van reclame
hierin moeten worden bezien. Voor elke nieuwe dienst is relevant onder
welk regime deze zich zal ontwikkelen met betrekking tot toegang en
exploitatie op commerciele of niet-commerciele basis. De Raad verwijst
in dit verband naar het hierboven gestelde over zodanige participatie bij
lokale (kabe1)omroep (par. 8.3.3.1) en abonnee-televisie (par. 8.3.3.2). Het-
zelfde geldt voor de toelating van de pers tot exploitatie van grafische
beeldmedia (zgn. videotex). Beslissingen hierover staan steeds in samen-
hang met de te voorziene gevolgen voor de rest van de bedrijfstak.
b.    Het openhouden van communicatiekanalen
    In hoofdstuk 2 is gewezen op de betekenis van maatregelen die het
ontstaan van monopolies tegengaan. In hoofdstuk 3 is in dit verband ge-
steld dat er ter wille van de pluriformiteit een fusiecontrole-regeling zou
kunnen komen, waarbij fusies en andere vormen van samengaan tussen
persorganen of uitgevers daarvan die op de bestaande informatievoor-
ziening van invloed kunnen zijn, aan het belang van het behoud van een
pluriforme pers zouden worden getoetst. Er is aan herinnerd dat de
Sociaal-Economische Raad heeft geadviseerd fusies tussen uitgeverijen
van dagbladen, opiniebladen, nieuwsbladen en tijdschriften inderdaad
aan toetsing aan een specifiek normenkader te onderwerpen. Zodanige
toetsing plaatst de overheid, of de door haar aangewezen toetsende
instantie, evenwel in de moeilijke positie dat zij geacht wordt een
uitspraak te doen over de waarde van een krant voor de pluriformiteit en
daarmee - impliciet - ook over de betekenis van de maatschappelijke
stroming die haar afspiegeling in zo'n krant vindt. Als een fusie-
overeenkomst zou worden verhinderd, blijft voorts de vraag hoe het
voortbestaan van betrokken kranten kan worden gewaarborgd. In hoofd-
stuk 3 is verwezen naar de voorstellen voor fusiecontrole van de Pers-
raad en het Bedrijfsfonds voor de Pers en naar de studie van de Werk-
groep Perswet dienaangaande. De Raad stelt vast dat een regeling van
deze materie inderdaad een wezenlijk onderdeel vormt van een op
verscheidenheid in d e pers gericht overheidsbeleid.
c.    Steunbeleid: problemen
    Het bovengestelde neemt niet weg dat de overheid ook op directe
wijze betrokken is bij het in stand houden van een pluriform media-
aanbod. In hoofdstuk 2 is er, in de uiteenzetting over de aspecten van
het grondrecht, op gewezen dat zich gaandeweg de opvatting heeft
ontwikkeld, volgens welke de overheid is gehouden te zorgen voor
omstandigheden waaronder de vrijheid informatie te ontvangen en te
verspreiden, ook feitelijk kan worden verwezenlijkt. Hoewel deze materie
nog niet zodanig is uitgekristalliseerd dat zij in specifieke voorschriften is
neer te leggen, wordt toch algemeen aangenomen dat de overheid
inderdaad een dergelijke zorgfunctie heeft ter wille van een aan-
vaardbare mediapluriformiteit. Een zorgfunctie staat niet gelijk met een
zorgplicht. Dit wil zeggen dat burgers of instellingen het handelend
optreden van de overheid niet rechtens kunnen afdwingen en - wat
voor het concrete beleid wellicht belangrijker is - dat de overheid hier
een beleidsmarge toekomt, waarbinnen zij zelf kan vaststellen hoever zij
inderdaad met positief handelen belieft te gaan.
    Naar we1 vanzelf spreekt, houdt dit laatste niet in dat een positief
beleid jegens de pers naar willekeur zou kunnen warden ingevuld. Er is,
integendeel, reden t e denken dat juist hierbij behpedzaamheid geboden
 is. Op zich zelf acht de Raad het inderdaad denkbaar dat de overheid
reden zal zien om in een beleid ter bevordering van de media-
pluriformiteit verder te gaan dan het voorwaardenscheppend beleid,
</pre>

====================================================================== Einde pagina 256 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 257 ======================================================================

<pre>zoals dit in Nederland traditioneel wordt gevoerd op cultureel gebied.
Aan actief beleid zijn echter grenzen gesteld, deels van juridische aard
(i.v.m. de uitingsvrijheid zowel als de rechtsgelijkheid) en deels voort-
komend uit de plicht tot zorgvuldig beheer van belastinggelden. Alvorens
in te gaan op de verschillende vormen van vigerend, respectievelijk in de
toekomst te verwerkelijken, beleid wordt hieronder een aantal over-
wegingen genoernd waarmee bij het voeren van beleid steeds rekening
behoort te worden gehouden:
- In het voorgaande is a l gewezen op de complicaties als gevolg van
het naast elkaar bestaan van een publiek bestel (omroep) en een markt-
bestel (pers); met name het probleem van concurrentievervalsing tussen
beide sectoren dat zich voordoet met betrekking tot de monopoliepositie
van de STER. Concurrentievervalsing kan echter ook binnen de markt-
sector ontstaan indien bij het verlenen van overheidssteun aan bepaalde
persorganen de voorwaarde voor uiteindelijke zelffinanciering zou wor-
den losgelaten en een systeem van exploitatiesubsidiering zou worden
gei'ntroduceerd (anders gezegd: indien zou worden overgegaan tot blij-
vende verliescornpensatie). Immers, er ontstaat dan een van over-
heidswege gereguleerd deel van het persbestel dat zich naast, en dus in
concurrentie met, d e geheel van de markt afhankelijke pers zou plaatsen.
In zoverre als dit zou kunnen worden ondervangen door bepaalde steun-
maatregelen uit te breiden tot de pers als geheel, is naar mening van de
Raad te bedenken dat weliswaar een publiek bestel niet per se minder
gunstige condities schept voor verwerkelijking van de uitingsvrijheid dan
een marktbestel - het omgekeerde is trouwens evenmin waar - maar
dat we1 in het voorkomen van een marktbestel naast een publiek bestel
een extra waarborg ligt tegen te veel overheidsinvloed op de informatie;
daarom zou een niet-comrnercieel 'omroepbestel voor de pers' uit een
oogpunt van uitingsvrijheid toch minder gewenst zijn.
- Een tweede bezwaar tegen (blijvende) overheidsinterventie is het
ervaringsfeit dat hierdoor onbedoelde neveneffecten kunnen optreden,
die ook voor de gesteunde bedrijven zelf ongunstig zijn; verstarring, dat
is verlies van het vermogen tot aanpassing aan gewijzigde omstandig-
heden, ook van de kant van de factor arbeid, dreigt als belangrijkste
neveneffect; op een en ander is uitvoerig ingegaan in het WRR-rapport
Plaats en toekomst van de Nederlandse industrie39.
- Hierbij dient voorts te worden bedacht dat het veelal niet zo gemak-
kelijk is de oorzaken van moeilijkheden bij bepaalde persorganen eendui-
dig vast te stellen. Uit toetsend onderzoek dat in opdracht van het
Bedrijfsfonds voor de Pers is ondernomen ter voorbereiding van een
compensatieregeling, is narnelijk gebleken dat de veel gehoorde mening
dat hier externe omstandigheden als de belangrijkste oorzaak zouden zijn
aan te wijzen - m e t name structurele nadelen in verband met de sprei-
dingsdichtheid binnen het verspreidingsgebied en de omvang van de
oplage - niet altijd opgaat. In elke onderscheiden grootteklasse, respec-
tievelijk spreidingscategorie, blijken er zowel winstgevende als verlies-
gevende bladen te zijn en de verhouding tussen winstgevende en verlies-
gevende bladen wijst evenmin op een systematische relatie. Het lijkt dus
aannemelijk dat interne factoren mede een rol spelen, waarbij is te den-
ken aan de kwaliteit van (directioneel zowel als redactioneel) manage.-
ment. Uiteraard m a g overheidsbeleid niet de strekking hebben
tekortschietend management te subsidieren.
- Een praktische moeilijkheid bij de steunverlening aan individuele
persorganen ligt in het feit dat deze veelal deel uitmaken van een pers-
concern, dat wellicht in zijn geheel genomen we1 een rendabele exploita-
tie heeft. lndividuele steun leidt er dan toe dat interne verliescom-
pensatie wordt afgesneden en kan ondernemingen in de verleiding bren-
gen via interne verrekensystemen andersoortige verliesposten op onei-
39  WRR, Plaats en toekomst van de Nederlandse industrie; Rapport aan de Regering nr. 18.
's-Gravenhage, Staatsuitgeverij. 1980.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 257 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 258 ======================================================================

<pre>genlijke wijze onder de compensatieregeling te brengen. Controle op
zodanig misbruik zal uiterst moeilijk, zo niet onmogelijk, zijn.
- Ten slotte zij herinnerd aan de vaststelling in hoofdstuk 2 dat beleid
ter bevordering van het media-aanbod wordt beheerst door artikel 7
Grondwet en artikel 10 van het Europese Verdrag voor de rechten van de
mens. lnterventie mag er niet toe leiden dat de overheid, direct of indi-
rect, gaat bepalen of be'invloeden op welke wijze de uitingsvrijheid,
inhoudelijk gezien, wordt gebruikt. Derhalve zijn begunstigende maatre-
gelen uit een oogpunt van mediabeleid niet toelaatbaar. In de praktijk
van het beleid is de vraag hoe objectieve maatstaven kunnen worden
gevonden, die zelfs de schijn van begunstiging vermijden, terwijl toch
eventuele steun daar terechtkomt waar dat nodig is.
d.   Steunbeleid: de huidige praktijk
   Het huidige steunbeleid is te onderscheiden in drie categorieen: gene-
riek beleid, gericht beleid en gericht-generieke maatregelen.
   Bij het generiek beleid is te denken aan maatregelen die de pers als
geheel ten goede komen, ongeacht de verschillen in economische posi-
tie van de persorganen. Hiertoe zijn t e rekenen algemene maatregelen in
de sfeer van de BTW-tarieven op abonnementen en advertenties en van
lagere posttarieven voor kranten en tijdschriften; ook de vanaf 1969
gangbare STER-compensatie was een maatregel van generiek beleid.
Voor zover zulke maatregelen nog bestaan (bijv. posttarieven) worden zij
geleidelijk opgeheven.
   Het gericht beleid betreft individuele persorganen die in een slechte
positie verkeren. Hiervoor is vanaf 1974 subsidiebeleid gevoerd door het
Bedrijfsfonds voor de Pers. Het Bedrijfsfonds kreeg tot taak kredieten en
eventueel daaraan verbonden kredietfaciliteiten aan onrendabele of eco-
nomisch marginale kranten, nieuwsbladen en opiniebladen te verstrekken
ter (mede)financiering van investeringen en andere projecten die het
desbetreffende blad weer binnen een redelijke periode tot een rendabele
economische exploitatie dienden t e brengen.
   Het gericht-generiek beleid beoogt overheidssteun te verstrekken die
in beginsel voor alle persorganen in gelijke omstandigheden geldt, maar
die in haar uitwerking in het bijzonder is gericht op de bladen die deze
steun het meest nodig hebben. Tot deze categorie van maatregelen
behoren de voorstellen, die het bestuur van het Bedrijfsfonds voor de
Pers in zijn rapport van november 1981 heeft gedaan voor steun aan
uitsluitend verliesgevende dagbladen, die door hun oplage in combinatie
met hun geografische spreiding in een relatief ongunstige uit-
gangspositie verkeren. Uit onderzoek is gebleken dat het hier gaat om
kranten met een oplage van minder dan 150.000 exemplaren en een
spreidingsdichtheid die kleiner dan 25% is. De uit te keren bedragen zul-
len worden berekend op basis van het papierverbruik voor redactionele
bladzijden van de desbetreffende kranten. Elke krant zou maximaal drie
jaar van deze regeling mogen profiteren, terwijl ten hoogste 75% van het
geleden verlies gecompenseerd mag worden. lnmiddels heeft de
minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk besloten deze
compensatieregeling voor dagbladen met terugwerkende kracht vanaf 1
januari 1981 in te voeren en daarvoor ten laste van de STER-opbrengsten
een bedrag van f 60 mln beschikbaar te stellen. De regeling geldt voor
drie jaar. Met behulp van deze uitkeringen, die a fonds perdu gegeven
worden, moeten de desbetreffende dagbladen een naar eigen inzicht
opgesteld plan ten uitvoer brengen, gericht op een structurele ver-
betering van hun exploitatiepositie; voorafgaande aan elke uitkering
moet worden aangegeven welke maatregelen de bladen in het kader van
dat plan (verder) ten uitvoer beogen te brengen; na het eerste uit-
keringsjaar wordt verdere compensatieverlening afhankelijk gesteld van
de uitvoering van die maatregelen.
   Hiernaast stelde het fondsbestuur voor subsidies te verlenen voor
plannen tot samenwerking van persorganen op het terrein van de exploi-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 258 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 259 ======================================================================

<pre>tatie (technische produktie, advertentiewerving, distributie en bezorging)
en voor gezamenlijke projecten die de bedrijfstak als geheel met het oog
op de pluriformiteit van de pers ten goede komen. Verder zou ook de
oprichting van nieuwe persorganen bevorderd moeten worden door het
verlenen van startsubsidies~.
De Raad merkt op dat deze regeling het inderdaad waard lijkt in de prak-
tijk t e worden beproefd. Aantrekkelijk is in de eerste plaats het objec-
tiverend karakter, waardoor het gevaar van begunstiging wordt ver-
meden en de werking van de markt niet tezeer wordt verstoord. Ook het
tijdelijk karakter van de steun spreekt de Raad aan. Hiermee wordt
immers beoogd interne compensatiemogelijkheden bij de bewuste bla-
den op te sporen en deze te stimuleren, opdat de relatief ongunstige
positie van marginale en verliesgevende persorganen zoveel mogelijk
wordt verbeterd. Van belang is in dit verband vooral de verplichting met
een eigen herstelplan te komen, benevens de bepalinge'n omtrent toe-
zicht op uitvoering hiervan.
    Niet te ontkennen valt overigens dat de regeling weliswaar beoogt de
concurrentievervalsing als gevolg van overheidssteun binnen de dag-
bladsector te beperken, maar dat jegens andere drukpersmedia, bijvoor-
beeld opiniebladen en andere tijdschriften, de positie van de dagbladen
toch eenzijdig wordt versterkt. lmmers zij kunnen op deze regeling geen
beroep doen. lndien (uitzicht op) herstel van rentabiliteit als criterium
wordt aangehouden lijkt er op zich geen bezwaar tegen deze regeling uit
te breiden tot andere persorganen die vanuit pluriformiteitsoogpunt
 belangrijk zijn, zoals bijvoorbeeld opinieweekbladen.
 8.4.7    Toekomstig overheidsbeleid
    De overheid zal gezien de verscheidenheid aan problemen de diverse
 beleidstypen (generiek, gericht en gericht-generiek) opnieuw moeten
toetsen op effectiviteit met betrekking tot de door haar gestelde doelein-
 den. Ook de noodzaak om prioriteiten te stellen vanwege beperkte beste-
dingsmogelijkheden en/of beperkingen in regulatie kan nopen tot
 hergroepering van deze beleidstypen in onderling verband.
 a.    Generiek beleid
    Het generieke beleid is in de eerste plaats van belang ten einde ont-
wikkelingen op gang te brengen, dan we1 te continueren, in een aantal
 (sub)sectoren van de pers. In het generieke beleid is aan de orde hoe de
exploitatie in de sectoren zal plaatsvinden (bijv. afrekenbaar aanbod in
de audiovisuele sector, videotex als kabelkrant).
    Zoals voorgesteld in paragraaf 8.3.3 en paragraaf 8.3.4 dient verruiming
van exploitatiemogelijkheden in de marktsector mogelijk te worden
gemaakt ook ten aanzien van elektronische media in de audiovisuele
sfeer. De Raad heeft zich hier uitgesproken voor ontwikkeling van abon-
 neetelevisie op basis van abonnementsgelden en eventueel reclame;
voor het ontwikkelen van lokale televisie-omroep door middel van een
concessie-systeem (met lokale reclame) en voor exploitatiemogelijk-
 heden in de marktsector van videotex (bijv. kabelkrant). Deze voorstellen
 beogen rekening te houden met de samenhang in het mediabeleid. Het
streven is nieuwe mediadiensten tot exploitatie te brengen, afhankelijk
van de behoeften van de consument, maar tevens te voorkomen dat
door herallocatie van reclamebestedingen op grote schaal nadelige
gevolgen zouden optreden met betrekking tot de exploitatiemogelijk-
 heden van de pers en de financiering van de omroep. Derhalve is ener-
zijds het bedrijfsleven de mogelijkheid tot debietverruiming geboden
 (abonnee-televisie, lokale televisie, videotex; uitgevers lijken qua know-
how en uitrusting goed toegerust de nieuwe mogelijkheden te benutten);
40   Stichting Bedrijfsfonds voor de Pers, Nader advies over een compensatieregeling voor
 dagbladen; Rijswijk, 1981.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 259 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 260 ======================================================================

<pre>anderzijds komen de minister van CRM een aantal regulerende bevoegd-
heden toe, met name ten aanzien van volume en aardvan de reclame-
voering. Beoogd is aldus een evenwichtig 'pakket' te presenteren. Ook
dient vanwege de samenhang in het mediabeleid een algemeen voor-
waardenbeleid ontwikkeld te worden, waarin onder andere financiele en
technische condities voor toetreding geregeld worden.
b.   Gericht-generiek beleid
    Gericht-generiek beleid zoals voorbereid door het Bedrijfsfonds voor
de Pers biedt naar mening van de Raad thans wellicht de geeigende
mogelijkheden om een pluriform persbestel te continueren. De hoofd-
lijnen van dit beleid zijn uiteengezet in paragraaf 8.4.6, onder d.
    De beschouwingen in het voorafgaande leveren echter een beeld op,
waaruit blijkt dat aanzienlijke verslechteringen kunnen optreden in de
positie van de pers. Het is daarom mogelijk dat het thans door het
Bedrijfsfonds beproefde beleid toch onvoldoende soelaas zal bieden aan
sommige noodlijdende bladen die met structurele problemen te kampen
hebben. In het licht van de uitgangspunten voor mediabeleid, met name
van het belang van een pluriforme pers ten opzichte van de politieke
instituties, (en eventueel ook op cdtuur-politieke gronden) kan de over-
heid dan geconfronteerd worden me.t de vraag of voor persorganen een
steunbeleid moet (en mag) worden antwikkeld, waarbij bladen zonder
uitzicht op rentabiliteit niettemin gecontinueerd worden.
    De Raad is van mening dat de waarborg voor een pluriforme pers pri-
mair moet worden gevonden in de innovatiekracht, de flexibiliteit en het
anticipatievermogen van de individuele bedrijven. Een door de overheid
(mede) gefinancierde pers loopt immers het risico op de duur met zijn
onafhankelijkheid te moeten betalen. Hierboven is al gewezen op het
ervaringsfeit dat het blijven steunen van bedrijvigheid die niet langer
voldoende door de markt wordt gehonoreerd, tot onbedoelde nevenef-
fecten leidt (verstarring), die ook voor de gesteunde bedrijven zelf
ongunstig zijn. De Raad wijst derhalve de voorstelling van de hand als
zou het hier gaan om een keuze tussen commercie en pluriformiteit.
Naar mening van de Raad is pluriformiteit juist het beste gediend indien
de pers primair op eigen kracht de bedreigingen het hoofd kan bieden.
Het is met het oog hierop dat de genoemde voorstellen tot debietver-
ruiming zijn gedaan. Naar mening van de Raad zal steunbeleid derhalve
erop gericht dienen te zijn een herstel van rentabiliteit te bereiken, zodat
de betrokken persondernemingen opnieuw met succes kunnen werken in
de vrije markt. Voor een permanent steunbeleid is in deze gedach-
tengang geen plaats.
Wel meent de Raad dat gezien het grote belang van een pluriforme pers
de resultaten van de huidige experimentele periode met het gericht-
generieke beleid nauwkeurig moeten worden gevolgd; de tijdelijkheid
van desbetreffende beleidsmaatregelen mag niet worden gebruikt om
een verlies aan dagbladen te rechtvaardigen. Zo nodig zijn aanvullende
maatregelen niet op voorhand te verwerpen, mits het uitgangspunt,
sanering van de betrokken bedrijven, blijft.
c.   Gericht beleid
    Het gerichte beleid - de facto een individueel steunbeleid - biedt de
overheid grote mogelijkheden om gelet op de omstandigheden van de
afzondelijke media een beleid ten behoeve van de pluriformiteit van de
pers te voeren. Vooral voor het tot ontwikkeling brengen van nieuwe
projecten kan deze vorm van steunverlening als een waardevolle aanvul-
ling op de beide andere vormen van beleid worden gezien. Het Bedrijfs-
fonds voor de Pers is thans belast met dit beleid, dat in zijn huidige vorm
 betrekking heeft op dagbladen, opiniebladen en nieuwsbladen. Bij de hier
 bepleite intensivering van het op de pers gerichte beleid past het naar
 het oordeel van de Raad om het gerichte beleid preciezer af te bakenen
ten opzichte van het gerichtgenerieke beleid, alsook het gevaar van
begunstiging doeltreffend tegen te gaan.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 260 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 261 ======================================================================

<pre>8.5    Bevindingen i n het l i c h t van de adviesaanvrage
    In deze paragraaf worden de bevindingen van de Raad geconfronteerd
met de adviesaanvraag van de Regering. In het navolgende worden vra-
gen en antwoorden doorgenomen. Besloten wordt met een paragraaf
over samenhang in het mediabeleid.
8.5.1 Formulering aanvrage; antwoorden van de Raad
    Met inachtneming van de 'open strekking' van de adviesaanvrage
kwam de regering in haar samenvatting tot de volgende onderwerpen
waarover van de WRR informatie wordt verwacht:
 1. een uiteenzetting van de mogelijke technische ontwikkelingen op
 middellange termijn op het terrein van de telecommunicatie die voor de
massamedia van belang zijn;
    In het rapport is vastgesteld dat informatietechnieken een zeer snelle
ontwikkeling ondergaan, waarbij aanleiding ontstaat tot tal van verschui-
vingen op het terrein van de produktie, het transport en de consumptie
van de informatie. Diepgaande veranderingen kunnen, afhankelijk van
economische factoren en institutionele beslissingen, over twintig jaar
hun beslag hebben gekregen, sommige ervan wellicht a1 over tien jaar.
Hierbij is vooral de uitbreiding van belang van de toepassing der brede-
band-transmissie via de kabel (aanvankelijk coaxiaalkabel, later glas-
vezelkabel) en de ontwikkeling van satellietcommunicatie. Deze leidt tot
beeindiging van de relatieve frequentieschaarste en tot internationalise-
ring van het programma-aanbod. De kabeltransmissie maakt gedif-
ferentieerde, selectief verrekende, informatie-afname mogelijk. Op de
duur is bij verdere ontwikkeling van de glasvezeltransmissie de inkop-
peling mogelijk van zeer vele satelliet- en conventionele ethersignalen, en
aankoppeling met lokale telefoonnetten, zodat telefoon, datatransmissie,
omroepfuncties als radio en televisie, interactie-diensten met een lokaal
en interlokaal karakter, zoals abonnee-tv, teletekst, viewdata, onderwijs,
alarmdiensten en dergelijke via hetzelfde net kunnen worden vervoerd.
Proeven met zodanige ver doorgevoerde integratie zijn op verscheidene
plaatsen in de wereld gaande.
   Van groot belang zijn voorts de miniaturisering in de elektronica en het
ter beschikking komen van verschillende soorten geheugens, ook voor
huiskamertoepassing (videoregistratie). De miniaturisering en hiermee
gepaard gaande kostenverlaging per component maakt het mogelijk op
grote schaal informatiebewerking en informatie-opslag onder te brengen
in telefoontoestellen, platenspelers, videorecorders en dergelijke. Het
beschikbaar komen van goedkope elektronische geheugens maakt het
mogelijk, zelfs bij de thans beschikbare, beperkte, transmissiecapaciteit,
alfanumerieke informatie-overdracht te realiseren (bijv. teletekst, viditel)
waarvan naar verwacht kwaliteit en kwantiteit sterk kunnen toenemen,
ook door toevoeging van (bewegende) beelden. Een toepassing is
bijvoorbeeld het elektronisch dagblad ('kabelkrant').
    Deze technische ontwikkelingen worden besproken in hoofdstuk 4 van
dit rapport.
2.    een inzicht in de mogelijke gevolgen hiervan voor de pers, voor het
omroepbestel en voor mogelijke andere vormen van massacom-
municatie;
   Van uit de technische mogelijkheden gezien ligt de verwachting voor
de hand dat de massamedia zullen gaan functioneren in een ingrijpend
gewijzigde omgeving. Het elektronisch aanbod kan sterk worden uit-
gebreid, met name doordat de kabel niet slechts, zoals tot dusver, zal
dienen als verlengstuk van de individuele antenne, maar een zelfstandig
verspreidingsmedium wordt voor programma's die niet, of niet gelijk-
tijdig, via de ether beschikbaar komen. Hierdoor wordt de schaarste aan
zendkanalen feitelijk opgeheven. Tevens ontstaat de mogelijkheid voor
</pre>

====================================================================== Einde pagina 261 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 262 ======================================================================

<pre>nieuwe mediadiensten, zoals bovengenoemd. Een en ander zal naar ver-
wacht leiden tot equivalentie, dat wil zeggen dat dezelfde dienst in
beginsel via verschillende media kan worden afgenomen. Dit wordt
bevorderd doordat de traditionele verschitlen tussen de media zullen ver-
vagen (voorbeeld: een 'kabelkrant'). Naar verwacht zal dit in een aantal
gevallen inderdaad leiden tot substitutie, dat wil zeggen dat nieuwe
mediavormen de functie van bestaande media overnemen, welke laatste
dan ook teloor zullen gaan. De Raad onderkent overigens grenzen aan
deze ontwikkeling. De financiering vormt een grens: het nieuwe media-
bestand zal u i t globaal dezelfde (abonnements- en reclame-)gelden moe-
ten worden bekostigd als het huidige, hetgeen wil zeggen dat, bij de ver-
wachte geringe economische groei, niet alle nieuwe mogelijkheden
gelijktijdig t o t ontwikkeling kunnen komen. Een belangrijke grens ligt in
de acceptatie door het publiek. Het is namelijk niet te verwachten dat
alle innovaties die technisch mogelijk zijn ook metterdaad een markt zul-
len vinden. Ten slotte kan een grens liggen in overheidsbeleid, indien
sommige ontwikkelingen oiet worden toegestaan.
   De verwachte vernieuwingen hebben ontegenzeglijk voor de huidige
massamedia bedreigende kanten. Het Nederlandse omroepbestel krijgt
veel meer concurrentie, zowel internationaal als nationaal. Te denken is
aan programma's via de kabel (abonnee-televisie, lokale tv, overname
van satelliet-programma's), maar ook aan rechtstreekse ontvangst (bijv.
via schotelantennes) en zeker ook aan de in opkomst zijnde video-sector.
De Raad verwacht deze concurrentie vooral bij publieksgerichte
programma-onderdelen (verstrooiing, sport). Een en ander zal onvermij-
delijk leiden t o t een minder overheersende positie van het 'Hilversumse'
bestel dat wij n u kennen. Voorts bestaat de mogelijkheid dat reclame-
volume aan de omroep zal worden onttrokken (bijv. via satelliet-tv) ter-
wijl ook anderszins, door een dalen van de belangstelling voor de pro-
gramma's der omroeporganisaties, de financiering onder druk kan
komen te staan.
   Voor de pers is in d e eerste plaats het verliezen van reclamevolume
een zeer reeel gevaar. Voorts geldt dat de pers wordt geconfronteerd
met de mogelijkheid dat bepaalde functies door nieuwe media worden
overgenomen, waardoor de bestaansreden van huidige persorganen kan
verdwijnen.
   De Raad wijst er evenwel op dat de techniek, naast bedreigingen, ook
nieuwe kansen biedt. De omroep zou zich meer kunnen toeleggen op
levensbeschouwelijk en maatschappelijk-cultureel relevante program-
ma's, conform de strekking van het publieke omroepbestel. De in de vrije
markt werkende pers kan enerzijds debietverruiming vinden op terreinen
waar zij qua know-how en uitrusting een voorsprong heeft op andere
ondernemers (abonnee-tv, lokale tv, alfanumerieke diensten). Anderzijds
leiden de ontwikkelingen in de drukperstechniek tot nieuwe mogelijk-
heden, zoals d e krant-op-maat (toegesneden op de behoeften van homo-
gene publieksgroeperingen) en kleur in de krant (belangrijk voor som-
mige adverteerders). Voor de stelling dat het gedrukte woord in de toe-
komst geen rol meer zou spelen, ziet de Raad in elk geval geen grond.
   De gevolgen van de mogelijke technische ontwikkelingen zijn bespro-
ken in de hoofdstukken 4 en 8; de financieel-economische aspecten
komen in hoofdstuk 6 aan de orde; op de publieksacceptatie van nieuw
media-aanbod is in hoofdstuk 7 ingegaan.
3. een schets van de mogelijke gevolgen voor de samenleving in her
licht van sociale en culturele ontwikkelingen. Hierbij wordt tevens acht
geslagen op her werkgelegenheidsaspect in kwantitatieve zin, omdat d e
 technische ontwikkelingen en de hiermee gepaard gaande opkomst van
internationale massacommunicatiemogelijkheden uitbreiding en vernieti-
ging van arbeidsplaatsen kunnen inhouden en leiden tot nieuwe of
veranderde behoeften aan opleiding en scholing;
   Over het verband tussen media en samenleving is weliswaar veel
geschreven, maar er is maar weinig aangetoond. Over de 'macht van de
</pre>

====================================================================== Einde pagina 262 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 263 ======================================================================

<pre>media' zijn in de loop der tijden verschillende theorieen ontwikkeld, die
echter geen van alle door empirische bewijsvoering vielen te staven wat
betreft de gevolgen op langere termijn. Zo er iets vaststaat, dan we1 dat
ogenschijnlijk voor de hand liggende veronderstellingen doorgaans
onjuist bleken - de werkelijkheid was sieeds ingewikkelder. Aan de hui-
dige inzichten over de sociaal-culturele gevolgen zijn dan ook geen dwin-
gende argumenten pro of contra een bepaalde beleidslijn te ontlenen. Dit
wil niet zeggen dat media-ontwikkeling en sociaal-culturele ontwikkelin-
gen geen verband zouden houden. Het is duidelijk dat er samenhangen
zijn, waarbij wellicht het ontstaan van nieuwe mediavormen zelve van
groter invloed is dan de inhoud van de media-boodschappen. Te denken
valt bijvoorbeeld aan de invloed die de invoering van televisie heeft
gehad, niet slechts op het vrije-tijdspatroon van de gemiddelde Neder-
lander maar ook bijvoorbeeld op de verhouding van politici tot de kie-
zers, op het ontstaan van methoden van actievoeren en dergelijke. Ook
hier geldt echter dat weliswaar een wisselwerking van media en maat-
schappelijke ontwikkeling aannemelijk lijkt, maar dat toch onbewezen is
wat oorzaak is en wat gevolg.
   De te verwachten gevolgen van het vergrote media-aanbod zijn des te
moeilijker te voorzien omdat veel zal afhangen van de acceptatie. Wat
dit betreft zijn er aanwijzingen dat mensen er toe neigen mediavormen te
aanvaarden indien deze goed passen bij hun voorkeuren, maar zich niet
klakkeloos overgeven aan de nieuwe mogelijkheden. Zo leidt bijvoorbeeld
uitbreiding van het televisie-aanbod er niet toe dat meer naar televisie
wordt gekeken (we1 anders) en zo wordt er ook niet minder gelezen sinds
de invoering van d e televisie. De Raad concludeert uit een en ander dat
een schets van mogelijke gevolgen voor de samenleving slechts weinig
concrete aangrijpingspunten geeft voor het beleid. Dit is wellicht
teleurstellend voor degenen die betrokken zijn bij belangrijke beslissingen
op mediagebied, al vergroot het tevens hun handelingsruimte. Als aan
de maatschappelijke gevolgen van het handelen geen normen zijn te ont-
lenen verschuift immers d e normeringsnoodzaak weer naar het handelen
zelf. Dat is de positieve conclusie die aan het onderzoek is te verbinden.
   Het werkgelegenheidsaspect is in dit rapport in tweeerlei zin aan de
orde gesteld. In het licht van het bovenstaande heeft de Raad gesig-
naleerd dat aanwezigheid van een blijvend hoog bestand aan werklozen
in onze maatschappij, die zich wellicht minder met deze maatschappij
verbonden voelen, belangrijke gevolgen kan hebben voor het mediabe-
leid. Het kan bijvoorbeeld leiden tot opkomst van speciaal op deze groep
gerichte massamedia van een aard zoals wij nog niet kennen. Hoewel
zulks niet is onderzocht, kan het eventueel denkbaar zijn dat langs deze
weg een verscheidenheid aan uitingsvormen kan ontstaan van radicali-
sering en extremisme die de bestaande normen met betrekking tot de
uitingsvrijheid in het geding kan brengen. Dit is alles hoogst speculatief.
De Raad bedoelt hiermee evenwel te zegen dat men een dergelijke ont-
wikkeling niet per se voor altijd uitsluiten kan.
   Een kwantificering van de werkgelegenheid onder invloed van nieuwe
technische ontwikkelingen is aan veel onzekerheden onderhevig. De
werkgelegenheid i n de mediasector hangt af van economische en tech-
nische factoren. In het rapport is een verkenning uitgevoerd van toekom-
stige mediaconsumptie welke aangeeft dat het consumptievolume van
de gedrukte media de komende jaren iets zal dalen, terwijl dat van de
audiovisuele media sterk zal groeien. De Raad wijst er op dat aan deze
prognoses slechts een indicatieve waarde kan worden toegekend. De
toekomstige afzet zal in belangrijke mate worden bepaald door de koop-
kracht van de consument en de financieel-economische positie van het
bedrijfsleven (0.a. het reclamebudget). Ten aanzien van de gedrukte
media is verondersteld dat door de stagnatie in de afzet (daling van de
oplage en vermindering van de advertentie-inkomsten) een daling van de
werkgelegenheid zal plaatsvinden. Daarbij komt dat door technische ont-
wikkelingen in de uitgeverij-gebonden grafische industrie met name in
</pre>

====================================================================== Einde pagina 263 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 264 ======================================================================

<pre>de informatieverwerkende fase arbeidplaatsen verloren zullen.gaan. Wel
wordt een deel hiervan gecompenseerd door een verschuiving van gra-
fisch-technisch werk uit het grafisch bedrijf naar de leverancier van
informatie. Een positieve impuls voor de werkgelegenheid in de gedrukte
media zal kunnen zijn wanneer de persmedia als informatieleveranciers
van de elektronische media gebruik kunnen gaan maken, waartoe
mogelijkheden in dit rapport zijn aangegeven.
    De dichte bekabelingsgraad in Nederland met zijn vele gebruiksmo-
gelijkheden, de uitbreiding van de dienstverlening van de omroep en de
aa"wezigheid van nieuwe video-apparatuur houdt een hoge potentiele
vraag naar software in zich. Produkties van uitgeverijen, filmmaatschap-
pijen, onderwijsinstellingen, databanken en allerlei nieuwe ondernemin-
gen zullen de bestaande vormen van informatieproduktie aanvullen,
waarbij men ook wellicht kansen zal willen aangrijpen voor verhandelen
en exporteren van produkten. De positie van Nederland is in dit opzicht
niet ongunstig, maar dient verder te worden uitgebouwd. De 'culturele
industrie' kan-een belangrijke groeisector worden. De positie van het
facilitair bedrijf van de NOS moet in dit licht worden bezien.
    Ook in de hardwaresector, dat wil zeggen de elektronika- en telecom-
municatie-industrie, liggen grote economische belangen. Deze industrie
moet concurreren op een open en internationaal georienteerde markt.
Nederlandse bedrijven hebben belang bij een tijdige planning in verband
met export en werkgelegenheid. Een dergelijke planning dient we1 over-
wogen en genuanceerd te zijn, rekening dient te worden gehouden met
vele, ook niet-economische aspecten. Mede ter ondersteuning van
genoemde planning, kan worden gedacht aan een overkoepelend insti-
tuut, vergelijkbaar met soortgelijke instellingen in het buitenland.
    De sociale en culturele ontwikkelingen zijn besproken in hoofdstuk 7.
Het werkgelegenheidsaspect komt ten principale aan de orde in hoofd-
stuk 6.
 4. een uiteenzetting van de overwegingen die tegen de achtergrond van
 de punten 1, 2 en 3 in het overheidsbeleid aandacht verdienen; hier is,
 uitgaande van de grondwettelijk vastgestelde vrijheid van meningsuiting,
 met name te denken aan;
 - de aard, de mogelijkheden en de begrenzing van her over-
 heidshandelen, mede in het licht van internationale aspecten;
 - de financiele, juridische en organisatorische aspecten;
 - de structuur van de beleidsvoorbereiding en de beleidsuitvoering.
    De overheid is gehouden, ter verwerkelijking van de grondwettelijk
 vastgelegde vrijheid van meningsuiting en -vorming, een mediabeleid te
 voeren dat gericht is op een aanvaardbare media-pluriformiteit, dat wil
 zeggen op een situatie waarin relevante politiek-maatschappelijke stro-
 mingen in het media-aanbod vertegenwoordigd kunnen zijn. De Raad
 wijst erop dat maatstaven voor het overheidsbeleid zijn te ontlenen aan
 de onmisbare functie van een vrije discussie en een vrije informa-
 tiestroom in de democratie. Hiernaast voert de overheid beleid ten aan-
 zien van de massamedia dat niet teruggaat op het grondrecht, namelijk
 cultuurbeleid. Tegen de achtergrond van bovengenoemde punten 1,2 en
 3 meent de Raad dat het overheidsbeleid gekenmerkt dient te worden
 door enerzijds een streven reele verworvenheden uit het verleden te
 behouden, maar anderzijds ook door bevordering van een zo rijk mogelijk
 dienstenaanbod. Het gaat hier om compatibiliteit, dat wil zeggen om een
 goed samengaan van wat behouden verdient te worden met wat zich
 aandient om te worden ontwikkeld. Op het belang van samenhang in het
 beleid wordt nog eens ingegaan in de volgende paragraaf. Hier zij gerele-
 veerd dat het gestelde over compatibiliteit inhoudt dat niet kan worden
 volstaan met een conserverend beleid, louter gericht op behoud van het
 bestaande mediabestand. Nog daargelaten of zulks op langere termijn
 mogelijk is, zou zo een beleid, ter handhaving van de status quo,
 tekortschieten wat betreft het bevorderen van in alle genoemde opzich-
 ten interessante nieuwe ontwikkelingen. In concreto meent de Raad der-
 halve dat het huidige, zeer restrictieve beleid ten aanzien van de
</pre>

====================================================================== Einde pagina 264 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 265 ======================================================================

<pre>mogelijkheden die kabeltransmissie biedt, moet worden gewijzigd.
   In zoverre als het openen van deze mogelijkheden gevestigde posities
bedreigt welke de overheid voorwerp van zorg behoren te zijn, adviseert
de Raad oplossingen liever te zoeken in deelname door betrokkenen aan
de nieuwe ontwikkelingen dan in compensatie en/of subsidieverlening.
Overheidssteun kan worden verleend ter bevordering van transities en
tot herstel van rentabiliteit. In het algemeen zal echter het regeneratie-
vermogen van het bedrijfsleven, indien dit de kansen krijgt zichzelf waar
te maken, betere mogelijkheden bieden, ook tot behoud van plurifor-
miteit, dan vergaande overheidsinmenging. De Raad meent derhalve dat
het overheidshandelen naar zijn aard actief dient te zijn, zowel op media-
politieke gronden, als uit overwegingen van cultuurpolitiek, maar dat het
zich toch vooral dient te kenmerken door een voorwaardenscheppend
karakter. De internationale ontwikkelingen laten naar de mening van de
Raad ook weinig ruimte om het anders te doen, zowel in verband met
onbeheersbaarheden (bijv. rechtstreekse ontvangst van buitenlandse
programma's) als omdat anders culturele en industriele achterstanden
dreigen.
   In het licht van het vorenstaande is de Raad van mening dat het over-
heidsbeleid ten aanzien van de landelijke etheromroep gericht dient te
zijn op handhaving van een publiekrechtelijk bestel, dat de maatschap-
pelijke, culturele, godsdienstige en geestelijke verscheidenheid weerspie-
gelt. De nadruk zal dienen te liggen op de desbetreffende profilering.
Anders dan thans betekent dit een versterking in de programmering van
de informatieve en expressieve functies; verstrooiingsaanbod zal - ten
dele ook ter ondersteuning van de eigen identiteit - we1 aanwezig zijn,
maar dient niet te overheersen enkel als gevolg van concurrentie tussen
zendgemachtigden.
   Ten dien einde doet de Raad de volgende aanbevelingen:
- het lidmaatschap van een omroepvereniging wordt niet langer gekop-
peld aan het abonnement op een omroepblad; de keuze van omroep-
vereniging dient gebaseerd te zijn op haar maatschappelijk-culturele pre-
tentie; voor het lidmaatschap dient een reele contributie te worden
betaald;
- voor toe- en uittreding tot het bestel zullen getalscriteria worden ge-
steld. Deze zullen zodanig moeten zijn dat enerzijds voldoende plurifor-
miteit wordt geboden, maar anderzijds versnippering wordt voorkomen.
De getalsnormen zullen gedurende de (hierna te noemen) overgangspe-
riode op grond van de ontwikkeling van ledentallen worden vastgesteld;
- behalve van getalscriteria zal toe- en uittreding ook afhankelijk zijn
van de mate waarin de zendgemachtigde bijdraagt aan de verscheiden-
heid van het omroepbestel. De pluriformiteitseis van art. 13 lid 3 van de
Omroepwet wordt voor zover nodig meer operationeel gemaakt;
- toetsing aan getalscriteria, respectievelijk aan de pluriformiteitseis
vindt periodiek plaats, bijv. eenmaal in de vijf jaar;
- bij de toekenning van zendtijd speelt het ledental we1 een rol, maar de
zendtijd neemt slechts degressief toe naarmate het ledental groeit;
- de toewijzing van zendtijd aan kandidaat-omroeporganisaties en de
zogeheten 'andere instellingen' wordt in het licht van de nieuwe zendtijd-
toewijzing opnieuw bezien;
- het volledig-programmavoorschrift vervalt of wordt ten hoogste
beperkt tot een aanwijzing omtrent het minimumpercentage informatieve
programma's;
- er wordt een 'derde programma' ingesteld, buiten de omroeporgani-
saties om, met een cultuurscheppende functie. Te denken is aan hoog-
waardige produkties op het gebied van achtergrondinformatie, kunst en
(Nederlands) drama en aan programma's waar het geluid van groepen
aan bod kan komen die niet in het bestel zijn gerepresenteerd;
- voor de financiering van de omroep dient de omroepbijdrage struc-
tureel te worden verhoogd;
- vergroting van de inkomsten uit de STER is gewenst. De zendtijd en
</pre>

====================================================================== Einde pagina 265 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 266 ======================================================================

<pre>de tarieven van de STER-reclame moeten nauwkeurig worden
afgestemd. Enerzijds dient de 'zuigkracht' van buitenlandse etherreclame
te worden gepareerd. Anderzijds dient rekening te worden gehouden met
de belangen van de pers. Hiertoe zou een onafhankelijke commissie van
deskundigen de minister van CRM moeten adviseren.
- de aanbeveling van de Regeringscommissaris voor de Omroep ter
bestrijding van commerciele praktijken binnen het publiekrechtelijk bestel
verdienen tot uitvoering te worden gebracht.
   De Raad erkent dat ingrijpende wijzigingen, zoals hier voorgesteld, tijd
vergen en dat een overgangsregeling nodig is om verstoring van het
functioneren van het omroepbestel te voorkomen. Te denken is aan een
periode van bijvoorbeeld vijf jaar. In deze overgangsperiode zal de status
van alle omroeporganisaties worden gehandhaafd.
   Met betrekking tot de regionale (radio-)ornroep merkt de Raad op:
- instelling van nieuwe regionale omroepen is slechts gerechtvaardigd
indien de bewoners van een bepaalde regio er behoefte aan hebben en
er aan mee willen betalen; er is geen reden om regionale omroep van
bovenaf op te leggen;
- de financiering van regionale omroep zou voor een deel uit regionale
opcenten moeten geschieden; reclame is niet toegestaan;
- de minister van CRM verleent regionale zendmachtigingen aan de
NOS; deze verzorgt de programmatische en technische coordinatie; een
(cultureel representatieve) raad adviseert bij de programmering.
   Aangaande lokale (radio-)omroep via de ether meent de Raad:
 - het toelatingsbeleid kan worden gedecentraliseerd; per gemeente
 kunnen een of meer frequentiebanden worden toegewezen; het gemeen-
tebestuur gunt deze desgewenst aan een of meer lokale omroeporgani-
 saties;
 - de Rijksoverheid kan volstaan met algemene richtlijnen in de Omroep-
wet;
- de financiele middelen worden verkregen uit plaatselijke donaties en/
 of subsidies van gemeentewege; de exploitatie van reclame is niet toe-
gestaan.
   Wat betreft nieuwe diensten via de kabel maakt de Raad onderscheid
tussen de kabel als middel voor het doorgeven van (gelijktijdig via de
 ether uitgezonden) programma's en als middel tot het overbrengen van
 programma's, die speciaal voor de kabel gemaakt kunnen zijn (en andere
diensten). Voorzover het gaat om de doorgifte van programma's, doet de
 Raad de volgende aanbevelingen:
 - kabelexploitanten worden verplicht tot leverantie van een minimum-
 pakket, dat in elk geval de Nederlandse omroepprogramma's bevat;
 - mogelijkheden tot individuele afrekening boven het minimumpakket
 moeten worden geopend. De overheid kan hiertoe richtlijnen geven;
 - indien een landelijk aanvoernet tot stand zou komen, dient de
tariefstructuur kritisch te worden bezien. Het nu voor ogen staande uni-
forme tarief is onaantrekkelijk voor aangeslotenen op grote kabelnetten;
 - de NOS kan een dienstverlenende rol spelen bij het verkrijgen van
 rechten op programma's;
 - de individuele ontvangstvrijheid dient te worden gewaarborgd. Der-
 halve wijst de Raad antenneverboden en een doorgifteverbod van op
 Nederland gerichte tv-reclame van de hand.
    Bij het overbrengen via de kabel wordt onderscheiden tussen omroep
 (d.w.2. ongericht verspreide programma's) en andere vormen van mas-
 sacommunicatie, waarbij de afnemer alleen betaalt voor wat hij krijgt. Bij
omroep via de kabel is met name lokale televisie-omroep van belang.
 Hieromtrent adviseert de Raad:
 - lokale televisie-omroep,indien gemeenten zulks wensen, kan tot ont-
wikkeling komen op basis van lokale televisiereclame;
</pre>

====================================================================== Einde pagina 266 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 267 ======================================================================

<pre>-   lokale televisie-reclame dient een plaatselijk karakter te hebben. Der-
halve worden landelijke adverteerders geweerd. Koppeling van lokale
netten is slechts beperkt toegestaan;
- exploitatie geschiedt door middel van een concessiesysteem; instel-
lingen en/of groepen die aan bepaalde voorwaarden voldoen, kunnen
zich als kandidaat met een programma-aanbod melden, waarna een
commissie uit de betrokken gemeenteraad (of -raden) tot concessiever-
lening kan overgaan; participatie van (pers)uitgevers is dus mogelijk;
- de minister van CRM stelt algemene richtlijnen met betrekking tot: het
karakter van programma's (met name het plaatselijk aandeel hierin), het
verzorgingsgebied per concessionaris, diens binding aan de betrokken
streek, de mate waarin reclame een rol speelt, de tijdsduur van de con-
cessie en eisen ter verzekering van continuiteit en solvatiiliteit van aan-
bieders. Gemeenten kunnen aanvullende richtlijnen stellen;
- informatieve rubrieken in de lokale omroep werken bij voorkeur op
grondslag van een redactiestatuut.
   Bij de programma's via de kabel die niet alle aangeslotenen bereiken,
zijn behandeld: abonnee-televisie, viewdata, teletekst en een 'kabelkrant'.
Hieromtrent adviseert de Raad:
- de mogelijkheid van abonnee-televisie dient te worden geopend; hier-
bij gaat het er voorlopig om dat de consument, boven het vaste rnini-
mum-pakket, zich kan abonneren op kanalen, die per kanaal worden
afgerekend;
- in beginsel geldt hier gelijke toegang voor iedereen, dus ook voor de
pers en voor omroep-zendgemachtigden;
- de financiering van abonnee-televisie geschiedt in de eerste plaats uit
abonnementsgelden; in beginsel is echter ook reclame toegestaan;
- uit een oogpunt van samenhangend mediabeleid kan de minister van
CRM echter regulerend optreden ten aanzien van het toegestane recla-
mevolume enlof de tariefstelling van abonnementen en reclame;
- voor viewdata en teletekst dienen de huidige beheersvormen voor-
lopig te worden gehandhaafd, maar worden definitieve beslissingen uit-
gesteld tot deze diensten het experimentele stadium achter de rug heb-
ben; bij levering van een 'kabelkrant' dient eveneens het toekomstige
regime aan de hand van de feitelijke ontwikkeling te worden vastgesteld.
   Wat betreft de pers neemt de Raad het standpunt in dat in eerste
instantie moet worden gekoerst op het vermogen van bedrijven zichzelf
aan te passen aan nieuwe omstandigheden. Deze sector heeft in het ver-
leden bewezen te beschikken over een aanzienlijk regeneratie-vermogen.
Naar de mening van de Raad ligt de beste waarborg voor pluriformiteit
in een pers die op eigen benen kan staan. Hiervoor is we1 nodig dat de
pers tegenover het dreigend verlies aan reclame-inkomsten door de ver-
ruiming van ether- en kabelreclame, meer exploitatiemogeiijkheden in
de marktsector worden geboden. De Raad heeft derhalve geadviseerd
zodanige mogelijkheden voor uitgevers te scheppen bij invoering van
abonnee-tv, een 'kabelkrant', en eventueel bij lokale kabel-tv (conces-
siesysteem). Uiteraard is het dan aan de pers de aldus geboden
mogelijkheden te benutten. Met het oog op de planning van - deels zeer
aanzienlijke - investeringen die vereist zijn, heeft de Raad in het alge-
meen nog eens aanbevolen in een zo vroeg mogelijk stadium duidelijk-
heid te betrachten met betrekking tot toegang tot de nieuwe media.
   Het steunbeleid zou naar mening van de Raad een aanvullende rol die-
nen te spelen. Het beleid zou zich derhalve kenmerken door:
- generiek beleid, dat zich bezighoudt met de exploitaties in de diverse
subsectoren; hierbij worden samenhangen in het mediabeleid in het oog
gehouden; genoemde nieuwe elektronische media worden opengesteld
voor de marktsector en daarmee voor de pers;
- een gericht-generiek steunbeleid ten aanzien van persorganen (dag-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 267 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 268 ======================================================================

<pre> en eventueel ook opiniebladen); hierbij wordt voorlopig aangesloten bij
het nieuwe beleid van het Bedrijfsfonds voor de Pers.
- het handhaven van kredietverlening in individuele gevallen, vooral
voor het ontwikkelen van nieuwe projecten.
   Wat de inrichting van de wetgeving betreft doet de Raad de volgende
aanbevelingen:
- afbakening van het terrein van de Omroepwet in die zin, dat deze
betrekking heeft op elke openbaarmaking via elektronische media in de
vorm van gelijktijdige en ongerichte verspreiding naar een onbestemd
publiek. Onder het regiem van de Omroepwet zijn dan begrepen:
   . etheromroep landelijk, regionaal en lokaal;
   . doorgeven en overbrengen via de kabel van voor het publiek
bestemde programma's; op het punt van doorgeven acht de Raad in
concreto echter geen verdere regelgeving noodzakelijk dan de verplich-
ting tot het doorgeven van een minimumpakket van met name binnen-
landse programma's;
   . teletekst (in zijn huidige vorm);
- invoering van een Kabelraamwet voor nieuwe diensten op het gebied
van de openbare informatievoorziening die niet onder omroep vallen
zoals abonnee-tv. In beginsel dienen aanbieder en afnemer zo vrij
mogelijk te worden gelaten;
- aanpassing van de Telegraaf- en Telefoonwet aan de (herziene)
Omroepwet en de nieuwe kabelwetgeving;
- regeling van de zeggenschap over de hardware; de Raad sluit zich
aan bij de aanbevelingen van de Commissie-Swarttouw.
   Op het punt van de organisatorische structuur staat de Raad in het
algemeen een minder restrictief beleid van de overheid voor en een gro-
tere vrijheid voor de zendgemachtigden en vergunninghouders. Hij pleit
voor een sterkere decentralisatie (lokaal en regionaal) en voor een gro-
tere zeggenschap van betrokkenen (consumenten). Zoals boven gesteld
adviseert de Raad tot instelling van een onafhankelijke commissie van
deskundigen teneinde de minister van CRM terzijde te staan bij beslissin-
gen over volume en prijsstelling van de STER-reclame. Voorts is een
vorm van permanent overleg tussen overheid en bedrijfsleven (evt.
overkoepelend instituut) gewenst in verband met de planning van
hardwareproduktie.
   De aanbevelingen voor omroep, nieuwe diensten en pers zijn alle ver-
vat in hoofdstuk 8. Uitspraken omtrent de juridische en organisatorische
aspecten die in het overheidsbeleid aandacht verdienen, staan in hoofd-
stuk 5 en hoofdstuk 8.
8.5.2    Sarnenhang in het beleid
    In dit rapport is steeds het belang onderstreept van een samen-
 hangend beleid ten opzichte van de massamedia. Met het geheel van
aanbevelingen en de in het rapport geschetste achtergronden beoogt de
 Raad de mogelijkheden tot het voeren van zo een beleid te bieden. Het
 beleidsconcept berust op uitgangspunten van grondrechtelijke aard, die
de uitingsvrijheid betreffen, en op doelstellingen van cultuurbeleid. In het
overheidsbeleid ter zake zullen, zoals steeds, ook andere overwegingen
 medewegen, zoals bijvoorbeeld de wens een innovatief industriebeleid te
voeren, mede ter bevordering van de werkgelegenheid. Gepoogd is ook
zulke aspecten te belichten.
   In het licht van het bovenstaande is de Raad tot de doelstelling geko-
men van enerzijds behoud van reele verworvenheden, anderzijds ont-
wikkeling van nieuwe mogelijkheden. Hierbij kan telkens een afweging
aan de orde komen, waarbij waardeoordelen een grote rol spelen. Zo kan
men op grond van het belang van technische vooruitgang, rendabele
exploitatie, culturele pluriformiteit en individuele keuzemogelijkheden
sterk pleiten voor expansie van de media, dan we1 op grond van klem-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 268 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 269 ======================================================================

<pre>mende beperkingen van consumptieve en reclamebestedingen voorrang
geven aan een terughoudend beleid. Waarde-oordelen zijn voorts aan de
orde bij onderbrenging van nieuwe diensten in de publieke sector, dan
we1 bij overlating aan de marktsector. Ten slotte zijn waarde-oordelen in
het geding, in hoeverre men emancipatorische processen, bijvoorbeeld
van de vrouw, van minderheden en van andere maatschappelijke groe-
pen in achterstandsituaties ook in het beleid ten aanzien van de mas-
samedia een eigen plaats of zelfs voorrang wil geven, dan we1 primair
pluriforme verworvenheden uit het verleden wil beschermen. De Raad
heeft getracht, met inachtneming van al deze overwegingen die in het
overheidsbeleid aan de orde zijn, een evenwichtig rapport op te stellen.
Hij kan echter niet de pretentie hebben hier het laatste woord te spreken.
In concrete gevallen zullen beleidsbeslissingen mede dienen te worden
genomen op grond van overwegingen die het kader van een weten-
schappelijk gefundeerd oordeel te buiten gaan. Zulks is natuurlijk vaker
bij beleidsbeslissingen het geval, maar het geldt we1 in het bijzonder ten
aanzien van de massamedia. Immers, men kan (en zal) veelal van mening
verschillen over de vraag wat verworvenheden zijn die inderdaad zoveel
mogelijk moeten worden behouden en wat media-uitingen die hun tijd
hebben gehad. Bovendien zijn hier toekomstige ontwikkelingen in het
geding, ten aanzien waarvan onzekerheid bestaat.
   Wanneer dit rapport niettemin beleidsvoorstellen bevat die, alle teza-
men genomen, bij uitvoering tot een ingrijpende beleidsvernieuwing zul-
len leiden, is dit enerzijds ingegeven door wat naar mening van de Raad
van hem wordt verwacht. In verband met de snelle technische ontwikke-
ling is een grondige beleidsvernieuwing in elk geval aan de orde. In de
discussies van de afgelopen jaren over de richting welke dit beleid moet
inslaan, is het verwachte WRR-rapport zo veelvuldig als referentiepunt
genomen - zowel door regering en Staten-Generaal als door andere
betrokkenen - dat er reden tot teleurstelling zou zijn indien de Raad
slechts aandachtspunten voor het beleid zou noemen en concrete advi-
sering achterwege zou laten. Hier komt bij dat partiele advisering niet
goed mogelijk bleek, juist vanwege de samenhang die het gebied van de
massamedia kenmerkt. Dit houdt voor de adviseur de plicht in de con-
sequenties van bepaalde richtinggevende adviezen naar vermogen in
kaart te brengen. Hierin ziet de Raad de legitimatie van een gedetailleerd
uitgewerkt beleidsadvies.
    Het belang van samenhang in het beleid is op twee gronden aantoon-
 baar. In de eerste plaats bestaat in de praktijk een grote samenhang tus-
 sen ontwikkelingen en maatregelen op het gebied van de verschillende
 media. Het duidelijkst blijkt dit bij de financiering, waar immers alle
 media globaal worden gefinancierd uit dezelfde consumptieve en recla-
 me-uitgaven. Er bestaat, bij de verwachte geringe groei van deze beste-
 dingen, duidelijk een belangrijk spanningsveld tussen wat, technisch
 gezien, kan worden ontwikkeld en de economische exploitatiemogelijk-
 heden. Dit spitst zich toe op de strijd om reclame als financieringsbron.
Voor de overheid gaat het er hierbij om, in het licht van haar uit-
 gangspunten voor beleid, de juiste afweging te maken, waarbij aan de
 ene kant herallocatie van reclamestromen zoveel mogelijk wordt beperkt,
 maar aan de andere kant zo min mogelijk sprake is van het afremmen of
 tegenhouden van nieuwe diensten. In de tweede plaats zal naar ver-
 wacht de technische ontwikkeling het onderscheid tussen media zoals
wij dit thans kennen - bijvoorbeeld tussen omroep en drukpers - doen
 afnemen en minder relevant maken. Ook dit noopt ertoe bij over-
 heidshandelen op een mediagebied de gevolgen op aangrenzende kavels
 in het beleid te betrekken.
    In de onderhavige advisering is beoogd het Nederlandse omroepbestel
 zodanig in te richten dat het kan voortbestaan in een omroepmilieu dat
waarschijnlijk zal worden gekenmerkt door internationalisering en een
verveelvoudiging van publieksgericht programma-aanbod. Hiertoe wordt
 aangeraden de zendgemachtigden minder afhankelijk te maken van mas-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 269 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 270 ======================================================================

<pre>  sale aanhang en de financiering te versterken door structurele verhoging
  van de omroepbijdrage en uitbreiding van de STER-inkomsten. Ter com-
  pensatie van het door een en ander dreigende verlies aan (recla-
  me)inkomsten voor de pers, is voorgesteld in de marktsector de
  mogelijkheden voor de pers te verruimen, ook in de elektronische media
  (abonnee-tv, 'kabelkrant', lokale tv). Hierbij is beoogd de pluriformiteit
  van de pers in de eerste plaats te bevorderen door debietverruiming.
  Steunbeleid (op basis van objectiveerbare normen, met herstel van
  rentabiliteit als doel) speelt een aanvullende rol. Bij die media waar de
  Raad meent dat exploitatie met reciame dient te worden toegestaan,
  wordt toch veelal de overheid een regulerende bevoegdheid toegedacht,
  opdat eventueel, op grond van mediapolitieke overwegingen, deze
  exploitatie kan worden beperkt. Hier komt weer de samenhang in het
  beleid tot uiting. De wens nieuwe mogelijkheden kansen op ontwikkeling
  te bieden leidt tot het advies om, indien gemeenten zulks wensen, bij
  iokale (kabel)-tv reclame toe te staan, dit in tegenstelling tot wat bij
  regionale en lokale (ether)omroep het geval is. Hier is de overweging dat
  zonder commerciele exploitatie lokale tv (gezien de ongunstige kosten-
  middelen verhouding) waarschijnlijk niet van de grond zal komen, terwijl
  hier bij kijkers toch duidelijk belangstelling voor bestaat. Het conses-
  siesysteem beoogt de regionale pers in staat te stellen langs marktcon-
'
  forme weg compensatie te vinden.
      Zoals de meeste vormen van beleidsplanning wordt ook het hier uit-
  gebrachte rapport gekenmerkt door een programmatische inslag. Er
  wordt gesproken over doeleinden, instrumenten, regelgeving, sancties.
  lmpliciet wordt hierbij de verwerkelijkbaarheid van het programma aan-
  genomen en wordt het contingente karakter van beleidvorming - dat wil
  zeggen de afhankelijkheid van omstandigheden - te weinig benadrukt.
  Vooral voor het beleid ten aanzien van de massamedia is het echter
  belangrijk zich dit element van onzekerheid goed voor ogen te houden.
  Ervaringen met de Omroepwet hebben al aangetoond dat er grenzen zijn
  aan wat de wetgever vermag. Het programmatisch karakter van wet-
  geving en beleid bood daar onvoldoende mogelijkheden om nieuwe
  situaties en problemen te definieren en met beleid tegemoet te treden41.
  Voor de toekomst van de media bestaan onzekerheden over onder meer
  de bestedingsontwikkeling, de publieksacceptatie van nieuwe media en
  de wijze waarop bestaande media zich zullen aanpassen in de concur-
  rentie met nieuw aanbod. Het is mogelijk dat nog niet bestaande media-
  vormen functies van huidige media overnemen, maar het is uiterst
   moeilijk in te schatten a) of hierbij de pluriformiteit of andere voor het
  overheidsbeleid belangrijke waarden zodanig in het geding zullen zijn dat
  overheidsinterventie nodig en verantwoord is, b) of zo een beleid kan
  worden gelegitimeerd en c) of het beleidsinstrumentarium toereikend zal
  zijn. Met andere woorden: alleen vanuit een programmatische opzet kan
   het beleid geen vorm krijgen. In zijn beleidsvoorstellen heeft de Raad
   derhalve soms gekozen voor een overgangsperiode of een voorlopige
   regeling. Op deze wijze kan recht worden gedaan aan onvoorziene situa-
  ties, indien tenminste ook de organisatie van het beleid zodanig is dat de
   overheid ontwikkelingen alert kan volgen en, indien nodig, snel tot han-
   delen kan overgaan.
   41
       N. Boerrna e.a., D e ornroep: wet en beleid; een juridisch-politicologische evaluatie van de
   ornroepwet; serie 'Voorstudies en achtergronden mediabeleid', nr. M5, 's-Gravenhage.
   Staatsuitgeverij. 1982.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 270 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 271 ======================================================================

<pre>MINDERHEIDSSTANDPUNT VAN HET LID VAN DE RAAD DRS. H.A. VAN
STIPHOUT
   Op een viertal punten kan het lid van de Raad drs. H.A. van Stiphout
zich niet verenigen met de besluiten van de Raad zoals die in de aan-
bevelingen tot uiting komen en met enkele van de aan de aanbevelingen
ten grondslag liggende argumenten. Het betreft:
a. de exploitatie van lokale kabeltelevisie op basis van een conces-
siesysteem;
b. het gebruik maken van reclame als exploitatiebron bij abonnee-
televisie;
c. het derde programma (televisie) in het omroepbestel;
d. prioriteitenstelling en aard van het steunbeleid bij de pers.
In het hiernavolgende zullen de desbetreffende bezwaren uiteen worden
gezet.
a.    Exploitatie van lokale kabeltelevisie op basis van een
   concessiesysteem
   Een belangrijk aspect van het overheidsbeleid is om nieuwe ontwikke-
lingen mogelijk te maken zonder ernstige verstoringen te weeg te bren-
gen in de exploitatie en het functioneren van bestaande media. De aan-
beveling van de Raad om lokale kabeltelevisie op basis van een conces-
siesysteem mogelijk te maken zal leiden tot ernstige verstoringen. Uit het
oogpunt van samenhangend mediabeleid zal de overheid bij uitstek
moeten zorgen dat media die voor hun bestaan per se afhankelijk zijn
van reclame als exploitatiebron hierin niet meer worden benadeeld dan
wellicht noodzakelijk kan zijn om nieuwe media tot ontwikkeling te bren-
gen.
   Met betrekking tot de aanbeveling van de Raad kan het volgende wor-
den opgemerkt:
- Beoogd wordt op deze wijze de pers de mogelijkheid te bieden zich te
compenseren voor debietverlies elders. Dat bij uitstek die personder-
nemingen, die hun reclame-inkomsten zien verminderen vanwege de
introductie van lokale kabeltelevisie van deze mogelijkheid gebruik zullen
weten te maken is echter bepaald niet gewaarborgd. Het ligt immers
(terecht) niet in het voornemen om de pers in deze te begunstigen. Het
argument dat persondernemingen goed zouden zijn uitgerust om televi-
sieprodukties te realiseren en op grond van deze potenties zich gemak-
kelijk toegang tot de lokale markt voor televisie-aanbod zouden kunnen
verschaffen moet onjuist geacht worden, gezien de eigen aard van tele-
visie als bedrijfsmatige activiteit.
- De Raad beveelt aan reclame te beperken tot plaatselijke reclame, dus
veelal slechts voor plaatselijke detaillisten. Deze aanbeveling is irrea-
listisch. Immers, in de huidige markten spelen (nationaal bekende) mer-
ken een overheersende rol. Het moet niet we1 mogelijk geacht worden in
de plaatselijke reclamevoering deze identiteiten te elimineren. Toch zou
dat noodzakelijk zijn om de reclame van niet meer dan plaatselijk belang
te doen zijn. Door deze onmogelijkheid - en ook de onwenselijkheid -
van regulering door de overheid op dit punt zal reclame op lokale kabel-
televisie van boven-lokaal belang worden en aldus een rol van betekenis
vervullen in de landelijke reclame-activiteiten van de adverteerders.
- Er zal zich een sterke tendens voordoen om de plaatselijke netten bin-
nen een verzorgingsgebied te koppelen, teneinde een uit reclame-
oogpunt aantrekkelijk bereik van kijkers te verkrijgen. Deze koppeling zal
wellicht een noodzakelijke voorwaarde vormen om tot een rendabele
exploitatie voor de concessiehouder te komen. Op deze wijze kan er zich
landelijk gezien een geheel ontwikkelen van plaatselijke televisienetten,
die met elkaar een nationale dekking geven voor reclameboodschappen.
Het ontstaan van een daartoe toereikend aantal plaatselijke netten is
immers mogelijk door de bestaande hoge bekabelingsgraad in ons land.
Aldus zou er op legale wijze een commercieel televisiesysteem tot Ont-
wikkeling komen. Het spreekt we1 vanzelf, dat dit belangrijke gevolgen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 271 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 272 ======================================================================

<pre>voor het publieke omroepbestel zal hebben, alsook voor de verdeling van
de reclamebestedingen over de diverse mediagroepen. Niet alleen de
plaatselijke dag-, nieuws- en huis-aan-huis-bladen zullen advertentie-
inkomsten derven, maar ook de op landelijke schaal verspreide tijdschrif-
ten.
Voorts zal programmatisch het publieke televisiebestel langs deze
omweg in concurrentie komen met een commercieel televisiebestel.
Lokale kabeltelevisie zal op deze wijze veel verdergaande dan plaatselijke
gevolgen hebben, terwijl het slechts als een plaatselijke activiteit zou zijn
bedoeld.
- Het spreekt we1 vanzelf, dat lokale kabeltelevisie o m op rendabele
wijze tot exploitatie te komen een aanzienlijk volume aan reclame nodig
zal hebben en zal verwerven. Aldus staat het we1 vast dat bestaande
persorganen aanmerkelijke inkomstenvermindering zullen ondergaan. Het
is echter veel minder waarschijnlijk dat de persondernemingen van deze
bladen erin zullen slagen zich de concessie voor lokale kabeltelevisie te
verwerven om zich voor de advertentie-inkomensderving te com-
penseren. Aantasting van pluriformiteit en kwaliteit van de plaatselijke en
eventueel regionale pers ligt dan voor de hand.
   Op grond van deze argumenun moet invoering van lokale kabel-
televisie op basis van een concessiesysteem uit het oogpunt van samen-
hangend mediabeleid volstrekt onverantwoord worden geacht en derhal-
ve ontraden worden.
 In het algemeen zal vanuit het overheidsbeleid aan lokale televisie een
lage prioriteit gegeven moeten worden. Een ontwikkeling op commer-
ciele grondslag heeft - zoals boven aangegeven - ernstige nadelen.
 Binnen een concept van publieke omroep is wellicht we1 een ontwikke-
ling denkbaar, o p voorwaarde dat reclame als inkomstenbron van
beperkte betekenis is en qua prijs en volume aan strikte overheidsregels
wordt gebonden, zodat dit lokale bestel verenigbaar blijft met bestainde
reclame-allocatie en met het publieke omroepbestel.
b.    Reclame binnen her medium abonnee-relevisie
    Met betrekking tot abonnee-televisie beveelt de Raad aan om reclame-
exploitatie als bron van inkomen mogelijk te maken. Hiertegen zijn over-
wegende bezwaren aan te voeren. Op de eerste plaats is het zo, dat de
exploitatiemogelijkheden voor dit nieuwe medium voldoende aanwezig
zijn, ook als reclame niet als inkomensbron wordt toegestaan. Aldus is
 het overbodig o m voor dit nieuwe medium reclamebestedingen te ont-
trekken aan bestaande media. Voorts is er ernstig rekening mee te hou-
den dat abonnee-televisie een grote vlucht zal kunnen nemen en dus tot
 hoge penetratie zal komen. Als reclamemedium zal abonnee-televisie
bijzonder aantrekkelijk worden en daarmee een aanzienlijke concurrent
zijn voor de publiekstijdschriften en de STER.
   Aangezien reclame niet noodzakelijk is om tot rendabele exploitatie te
 komen, is het uit het oogpunt van samenhangend mediabeleid niet te
 rechtvaardigen voor abonnee-televisie een overheidsregime te creeren
 (voorwaardenbeleid), waarbij reclame we1 als exploitatiebron wordt
gebruikt. Men zal een beleid moeten volgen, waarbij die (nieuwe) media,
die ook zonder reclame tot exploitatie kunnen'worden gebracht, in
beginsel van reclame worden uitgesloten.
    Het tot ontwikkeling brengen van een systeem van abonnee-televisie
zonder reclame heeft het belangrijke voordeel, dat het voorwaarden-
 beleid van de overheid zich kan beperken tot regels die in het algemeen
 gelden voor aanbod in de marktsector. Het aanbod kan zich dan ontwik-
 kelen overeenkomstig de vraag. Aldus kunnen maximale mogelijkheden
geboden worden tot expansie in de marktsector voor dit nieuwe
 medium.
    Men dient zich te realiseren dat op grond van deze opvatting de posi-
tie van de overheid vis-a-vis de media verandert. Zij schept immers
 afzonderlijke regimes voor de diverse nieuwe media en bepaalt aldus de
</pre>

====================================================================== Einde pagina 272 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 273 ======================================================================

<pre>condities waaronder deze geexploiteerd mogen worden. De overheid
doet dit teneinde die media, die zonder reclame niet kunnen bestaan, de
mogelijkheid te bieden o m iiberhaupt op basis van zelffinanciering te
kunnen functioneren. Dit vormt een nieuw aspect van het mediabeleid
van de overheid. Het houdt in dat de overheid de legitimiteit van haar
handelen niet alleen baseert op onthoudingsplicht maar ook op de zorg-
plicht. De problemen die ten gevolge van nieuwe technologische ont-
wikkelingen zijn ontstaan brengen met zich mee dat de overheid haar
verantwoordelijkheid voor de media uit het oogpunt van zorgplicht op
andere wijze moet realiseren dan tot nu toe. De specifieke bemoeienis
met reclame-allocatie en het creeren van afzonderlijke regimes voor
onderscheidene mediagroepen vormen daarvan een uitwerking.
   Op grond van de uiteenzetting onder a. en b. kunnen als uit-
gangspunten voor samenhangend mediabeleid onder meer gelden:
- individueel afrekenbare nieuwe diensten kunnen in de marktsector tot
ontwikkeling worden gebracht (abonnee-televisie, videotexdiensten zoals
bijv. de kabelkrant); in beginsel zullen deze exploitaties geen gebruik
maken van reclame als exploitatiemogelijkheid in zoverre het om audio-
visuele presentatie gaat. Videotex-advertenties zijn dus we1 toegestaan;
- omroep blijft een activiteit die alleen binnen de publieke sector mag
worden bedreven.
c.   Her derde programma
   Tegen de opzet van invoering van een derde programma bestaan
overwegende bezwaren van de volgende aard:
In de aanbevelingen terzake van de omroep wordt uitdrukkelijk gekozen
voor een bestel met autonome zendgemachtigden die met name ook
vanuit een culturele prefentie voor deze functie in aanmerking komen.
Voorts beogen de nieuwe regels met betrekking tot ledental en zendtijd-
toewijzing te bewerkstelligen dat de programmering door de zend-
gemachtigden op evenwichtige wijze kan plaatsvinden zonder een te
sterke afhankelijkheid van maatstaven van kijkdichtheid. Met deze aan-
bevelingen wordt beoogd de pluriformiteit in het etheraanbod te vergro-
ten zowel door een verscheidenheid aan zendgemachtigden aan bod te
doen komen, als door het scheppen van mogelijkheden tot program-
mering, die niet overheerst worden door publieksgerichtheid.
   Binnen dit concept is het prematuur om een derde programma van
zo'n grote omvang te introduceren. De aanbevelingen van de Raad met
betrekking tot toe- en uittreding, zendtijdt~ewijzin~  en programma-
samenstelling beogen juist te bewerkstelligen, dat een instituut als een
derde programma niet nodig is. Een derde programma past dan ook niet
in het concept van de Raad. De vraag of een derde programma nodig is
dient eerst aan de orde te komen als het nieuwe omroepbestel enige tijd
gefunctioneerd heeft. Overigens kan nog worden opgemerkt, dat
- indien een derde programma binnen het bestel een plaats zou dienen
te krijgen - dit onder verantwoordelijkheid van de NOS zou moeten sor-
teren. Het Raadsvoorstel om met een derde programma een afzon-
derlijke zendgemachtigde zonder leden te introduceren valt niet te recht-
vaardigen binnen de overige aanbevelingen van de Raad met betrekking
tot de omroep.
d.   Steunbeleid bij de pers
   Met betrekking tot de pers zal zich voor het overheidsbeleid wellicht
de noodzaak voordoen prioriteiten te stellen voor wat betreft de steun
aan de diverse groepen persorganen. Een mogelijke toeneming van het
aantal claims in de toekomst alsook beperkingen'in financierbaarheid
van de desbetreffende uitgaven voor deze steun op het huidige niveau
zullen hiertoe - zelfs op korte termijn al - kunnen nopen. De hoogste
prioriteit zou dienen te liggen bij de dagbladen; onder omstandigheden
</pre>

====================================================================== Einde pagina 273 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 274 ======================================================================

<pre>van beperking in financiering zou het steunbeleid zich zelfs tot dag-
bladen mogen beperken. Door de aanbeveling van de Raad tot het doen
vervallen van het huidige gerichte steunbeleid in de vorm van individuele
kredietverlening worden nieuws- en opiniebladen reeds van deze vorm
van steun uitgesloten. Het gericht-generieke beleid - zoals dat
momenteel al gevoerd wordt - zou in dit kader dan niet moeten worden
uitgebreid tot opiniebladen, zoals de Raad aanbeveelt.
   Concentratie van overheidsbeleid op uitsluitend de categorie dag-
bladen wordt gerechtvaardigd door de functie van deze persorganen
voor de werking van de politiek-democratische instituties. Dagbladen
vervullen deze functie ten aanzien van praktisch alle burgers. Andere
persorganen in zoverre die deze functie eveneens vervullen fungeren
altijd voor kleinere publieksgroepen. Bij opiniebladen als categorie betreft
het bovendien een publieksgroep waarvan de sociaal-economische
samenstelling ruim boven het gemiddelde welstandsniveau ligt. Laatst-
genoemd aspect kan met name relevant geacht worden indien bij
beperkte financieringsmiddslen prioriteiten gesteld dienen te worden
door de overheid. Door op deze wijze prioriteiten te stellen kan de over-
heid trachten te bewerkstelligen dat haar doelstellingen voor het media-
beleid tenminste voor de zo belangrijke categorie der dagbladen gereali-
seerd worden.
   Binnen de categorie der dagbladen kan de structurele positie van lan-
delijke dagbladen zodanig ongunstig blijven c.q. worden, dat ook het
gericht-generieke beleid in zijn huidige vorm met tijdelijke steun tekort
moet schieten. Hoewel er aan het bieden van permanente steun bezwa-
ren van verschillende aard kleven (zoals in het rapport uiteengezet) is het
inzicht in de feitelijke beleidsmogelijkheden van permanente steun en de
repercussies daarvan op de bedrijfsvoering te gering om deze vorm van
steun definitief van de hand te wijzen. Het moet aanbevelenswaardig
geacht worden nader onderzoek terzake te doen. Een pluriform aanbod
van landelijke dagbladen is van wezenlijk belang en onvervangbaar, waar
het gaat om de functie van de pers met oog op de werking van de
democratisch-politieke instituties. Op basis van de huidige com-
pensatieregeling voor dagbladen (gericht-generiek beleid) zou, afhan-
kelijk van de resultaten van nader onderzoek en van de voorgenomen
evaluatie van de huidige tijdelijke regeling, beleid voor permanente steun
ontwikkeld kunnen worden. Het spreekt we1 vanzelf, dat een dergelijke
regeling duidelijke ondergrenzen zal moeten kennen qua oplage en sprei-
dingsdichtheid, beneden welke geen permanente steun meer wordt
gegeven, zodat aldus verstarring wordt voorkomen.
   De aanbeveling van de Raad om een ander type gericht beleid te
ontwikkelen om nieuwe initiatieven met betrekking tot het aanbod van
persorganen te steunen, past zeer we1 in een concept voor persbeleid,
dat zich beperkt tot dagbladen. Het zou een belangrijke aanvulling kun-
nen vormen omdat het gericht-generieke beleid we1 voor continu'iteit kan
zorgen, maar niet noodzakelijkerwijs voor vernieuwing in het aanbod. De
beoordeling door of vanwege de overheid van nieuwe initiatieven zal
dienen plaats te vinden mede aan de hand van maatstaven met betrek-
king tot pluriformiteit. Deze zijn voor dagbladen denkbaar aan de hand
van (hoofd)stromingen binnen het Nederlandse politieke spectrum. Voor
andere categorieen persorganen zijn deze stromingen niet nood-
zakelijkerwijs maatgevend. Daardoor zou overheidsbeleid ernstige vragen
van legitimiteit oproepen. Het lijkt derhalve verstandig steunbeleid ten
behoeve van nieuwe initiatieven tot dagbladen te beperken.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 274 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 275 ======================================================================

<pre>BIJLAGE 1 SAMENSTELLING PROJECTGROEP MEDlABELElD
Dit rapport is voorbereid door een interne werkgroep die ten tijde van de
afronding als volgt was samengesteld:
Drs. H.A. van Stiphout, voorzitter
Prof. dr. J.H.J. van den Heuvel, secretaris
Dr. P.R. Baehr
Mr. J.C.F. Bletz
Dr. W.M. de Jong
Mr. J.C.J. de Pree
Ir. Th. Quend
Drs. I.J. Schoonenboom
Y. Starrenburg
Dr. J. Volger
Drs. K. Vijlbrief
</pre>

====================================================================== Einde pagina 275 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 276 ======================================================================

<pre>De Raad heeft een aantal studies gepubliceerd die door externe
deskundigen zijn vervaardigd ten behoeve van dit rapport. Deze serie
'Voorstudies en achtergronden mediabeleid' bestaat uit de volgende delen:
       J.M. de Meij: Overheid e n uitingsvrijheid (1982)
       E.H. Hollander: Kleinschalige massacommunicatie: lokale
       omroepvormen i n West-Europa (1982)
       L.J. HeinsmadNederlandse Omroep Stichting: De kulturele
       betekenis van de instroom van buitenlandse televisieprogramma's
       i n Nederland-Een literatuurstudie (1982)
       L.P.H. Schoonderwoerd, W.P. Knulst/Sociaal e n Cultureel
       Planbureau: Mediagebruik bij verruiming van het aanbod (1982)
       N. Boerma, J.J. van Cuilenburg, E. Diemer, J.J. Oostenbrink, J . van
       Putten: De omroep: wet en beleid; een juridisch-politicologische
       evaluatie van de Omroepwet (1982)
       lntomart b.v.: Etherpiraten i n Nederland (1982)
       P.J. Kalff/lnstituut voor Grafische Techniek TNO: Nieuwe
       technieken voor productie en distributie van dagbladen en
       tijdschriften (1982)
       J.J. van Cuilenburg, D. McOuail: Media en pluriformiteit; een
       beoordeling van de stand van zaken (1982)
       K.J. Alsem, M.A. Boorsma, G.J. van Helden, J.C. Hoekstra, P.S.H.
       Leeflang, H.H.M. Visser: De aanbodstructuur van de periodiek
       verschijnende pers in Nederland (1982)
M I 0 W.P. Knulst/Sociaal en Cultureel Planbureau: Mediabeleid e n
       cultuurbeleid; Een studie over de samenhang tussen de twee
       beleidsvelden (1982)
M I 1 A.P. Bolle: Het gebruik van glasvezelkabel i n lokale
       telecommunicatienetten (1982)
Binnenkort is publikatie te verwachten van:
M I 2 P. te Nuyl: Structuur e n ontwikkeling van vraag e n aanbod op de
        markt voor televisieprodukties (1982)
 M I 3 P.J.M. Wilms/lnstituut voor Onderzoek van Overheidsuitgaven:
        Horen, zien en betalen; een inventariserende studie naar de
        toekomstige kosten en bekostiging van de omroep (verschijnt binnenkort)
 M I 4 W.M. de Jong: lnformatietechniek in beweging; consequenties e n
        mogelijkheden voor Nederland (1982)
 M I 5 J.G. van Ours: Mediaconsumptie; een analyse van het verleden, een
        verkenning van de toekomst (1982)
 M I 6 J.G.Stappers, A.D. Reijnders, W.A.J. Moller: De werking van
        massacommunicatie; een overzicht van inzichten (verschijnt binnenkort)
</pre>

====================================================================== Einde pagina 276 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 277 ======================================================================

<pre>In de reeks 'Voorstudies en achtergronden' zijn tot nu toe verschenen:
In de eerste Raadsoeriode:
V 1. W.A.W. van Walstijn e.a.: Kansen o p ondewijs; een literatuur-
       studie over ongelijkheid in het Nederlandse onderwijs ( 1975):
V 2. I.J. Schoonenboorn en H.M. In 't Veld-Langeveld: De emancipatie
       van de vrouw (1976):
V 3. G.R. Mustert: Van dubbeltjes en kwartjes: een literatuurstudie over
       de ongelijkheid in de Nederlandse inkomensverdeling ( 1976)
V 4. IVA/lnstituut voor Sociaal-Wetenschappelijk Onderzoek van de
       Katholieke Hogeschool Tilburg: De verdeling en de waardering van
       de arbeid; een studie over ongelijkheid in het arbeidsbestel (19 7 6 )
V 5. .Adviseren aan de overheid', met bijdragen van economische,
       juridische en politicologische bestuurskundigen (1 977) r
V 6. Verslag Eerste Raadsperiode: 1972-1 9 7 7
In de tweede Raadsperiode:
V 7. J.J.C. Voorhoeve: Internationale macht en interne autonomie -
        Een verkenning van de Nederlandse situatie (1978)
V 8. W.M. de Jong: Techniek en wetenschap als basis voor industriele
       innovatie - Verslag van een reeks van interviews (1 978)
V 9. R. Gerritse/lnstituut voor Onderzoek van Overheidsuitgaven:
        De publieke sector: ontwikkeling en waardevorrning -
        Een vooronderzoek (1979)
V10. Vakgroep Planning en Beleid/Sociologisch lnstituut Rijksuniversi-
       teit Utrecht: Konsumptieverandering in maatschappelijk perspectief
       (1979)
V1 1. R. Penninx: Naar een algerneen etnisch minderhedenbeleid?
       Opgenornen in rapport nr. 1 7 (1979)
V12. De quartaire sector - Maatschappelijke behoeften en werkgelegen-
        heid - Verslag van een werkconferentie (1979)
V13. W. Driehuis en P.J. van den Noord: Produktie, werkgelegenheid en
       sectorstructuur in Nederland 1960-1 9 8 5
        Modelstudie bij het Rapport Plaats en toekornst van de
        Nederlandse industrie (19 8 0 )
V14. S.K. Kuipers, J. Muysken, D.J. van den Berg en A.H. van Zon:
        Sectorstructuur en economische groei: een eenvoudig groeirnodel
        met zes sectoren van de Nederlandse economie in de periode na
        de tweede wereldoorlog
        Modelstudie bij het Rapport Plaats en toekomst van de
        Nederlandse industrie (1980)
V15.    F. Muller, P.J.J. Lesuis en N.M. Boxhoorn: een rnultisectormodel
        voor de Nederlandse economie i n 2 3 bedrijfstakken
        F. Muller: Veranderingen in de sectorstructuur van de Nederlandse
        econornie 1950-1 9 9 0
        Modelstudie bij het Rapport Plaats en toekomst van de
        Nederlandse industrie (1 9 8 0 )
</pre>

====================================================================== Einde pagina 277 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 278 ======================================================================

<pre>A.B.T.M. van Schaik: Arbeidsplaatsen, bezettingsgraad en werk-
gelegenheid in dertien bedrijfstakken
Modelstudie bij het Rapport Plaats en toekomst van de
Nederlandse industrie (1 980)
A.J. Basoski, A. Budd. A. Kalff, L.B.M. Mennes, F. Racke en
J.C. Ramaer: Exportbeleid en sectorstructuurbeleid
Preadviezen bij het Rapport Plaats en toekomst van de Nederlandse
industrie (19 8 0 )
J.J. van Duijn, M.J. Ellman, C.A. de Feyter, C. Inja, H.W. de Jong,
M.L. Mogendorff en P. Verloren van Themaat: Sectorstructuur-
beleid: mogelijkheden en beperkingen
Preadviezen bij het Rapport Plaats en toekomst van de Nederlandse
industrie (19 8 0 )
C.P.A. Bartels: Regio's aan het werk: ontwikkelingen in de ruimte.
lijke spreiding van economische activiteiten in Nederland
Studie bij het Rapport Plaats en toekomst van de Nederlandse
industrie (19 8 0 )
M.Th. Brouwer, W. Driehuis. K.A Koekoek, J. Kol, L.B.M. Mennes,
P.J. van den Noord. D. Sinke, K. Vijlbrief en J. van Ours: Raming
van de finale bestedingen en enkele andere grootheden i n
Nederland in 1985
Technische nota's b i j het Rapport Plaats en toekomst van de
Nederlandse industrie (19 8 0 )
J.A.H. Bron: Arbeidsaanbod-projecties 1 9 8 0 - 2 0 0 0 (1980)
P. Thoenes, R.J. In 't Veld, 1.Th.M. Snellen, A. Faludi: Benaderingen
van planning (1 981 )
Beleid en toekomst, verslag van een symposium over het rapport
Beleidsgerichte toekomstverkenning deel 1 (1981)
L.J. van den Bosch. G. van Enckevort. Ria Jaarsma, D.B.P. Kallen,
P.N. Karstanje, K.B. Koster: Educatie en welzijn (1981)
J.C. van Ours, D. Hamersma, G. Hupkes. P.H. Admiraal: Consump-
tiebeleid voor de werkgelegenheid
Preadviezen bij het rapport Vernieuwingen in het arbeids-
bestel (19 8 2 )
J.C. van Ours, C. Molenaar. J.A.M. Heijke: De wisselwerking tussen
schaarsteverhoudingen e n beloningsstructuur
Preadviezen bij het rapport Vernieuwingen in het arbeids-
bestel (1982)
A.A. van Duijn. W.H.C. Kerkhoff, L.U. de Sitter. Ch.J. de Wolff,
F. Sturmans: Kwaliteit van de arbeid
Preadviezen bij het rapport Vernieuwingen in het arbeids-
bestel (1982)
J.G. Lambooy, P.C.M. Huigsloot en R.E. van de Lustgraaf: Greep o p
de stad? (19 8 2 )
Een institutionele visie o p stedelijke ontwikkeling en de bei'nvloed-
baarheid d a a ~ a n(19 8 2 )
Jurgen C. Hess, Friso Wielenga: Duitsland in de Nederlandse pers
- altijd een probleem? Drie dagbladen over de Bondsrepubliek
1969-1 9 8 0 (1 982)
</pre>

====================================================================== Einde pagina 278 =================================================================

<br><br>