<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>RAPPORTEN AAN DE REGERING

</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid werd in voorlopige vorm
ingesteld in 1972. Bij wet van 30 juni 1976 (Stb. 413) is de positie van de raad deﬁni-
tief geregeld. De huidige zittingsperiode loopt tot 31 december 2002.
Ingevolge de wet heeft de raad tot taak ten behoeve van het regeringsbeleid
wetenschappelijke informatie te verschaffen over ontwikkelingen die op langere
termijn de samenleving kunnen beïnvloeden. De raad wordt geacht daarbij tijdig
te wijzen op tegenstrijdigheden en te verwachten knelpunten en zich te richten
op het formuleren van probleemstellingen ten aanzien van de grote beleidsvraag-
stukken, alsmede op het aangeven van beleidsalternatieven.
Volgens de wet stelt de wrr zijn eigen werkprogramma vast, na overleg met de
minister-president die hiertoe de Raad van Ministers hoort.
De samenstelling van de raad is:
prof.mr. M. Scheltema (voorzitter)
prof.dr.ir. J. Bouma
prof.dr. F.A.G. den Butter
prof.dr. M.C.E. van Dam-Mieras
prof.dr. G.A. van der Knaap
prof.dr. P.L. Meurs
prof.dr. J.L.M. Pelkmans
prof.dr.mr. C.J.M. Schuyt
Secretaris: prof. dr. J. van Sinderen
De wrr is gevestigd:
Plein 1813, nr. 2-4
Postbus 20004
2500 EA ’s-Gravenhage
Telefoon 070-356 46 00
Telefax 070-356 46 85
E-mail info@wrr.nl
Website http://www.wrr.nl
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>                                      WE TEN S CHAP P ELI JKE RA AD VOOR HE T RE GER I NG SBELEI D
rapporten aan de regering
                                                                                             61
                          van oude en nieuwe kennis
                          de gevolgen van ict voor
                          het kennisbeleid
                          Sdu Uitgevers, Den Haag, 2002
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>isbn 90-12-09521-2</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>UWRR

WETENSCHAPPELIFEE AAD VOOR HET FEGERIN GSO CLOID

Aan dé Minister-presadent
Minister van Algemene Zaken
De heer Wi. Kok

2500 EA "s Gravenhage

one kenmerk. doorkiasmanmer tabefax
20Oe0T1 SLi OMD-356 4671 070-356 4685

ondenverp
Rapport nr. 6] “Van oude en inépvarr_n| 19 februar| 7002

Here zenden veil] u het rapport “Van oude en nieuwe kennis. De gevolgen van bor voor het
kennésheleid’, In dit rapport biedt de rad een systematische analyse van de veranderingen die
de ontwikeelingen op het getled van ict en internet aanbrengen In de traditionele kennis-
domeinen, te weten: informatiegoederen, welenschappelijk ondenoek, ondenwljs, bibliotheken
en archieven,

De war stelt het belang wan een grote variate in kennisonbwikkeling en in de toepassing van IT
central, In een geavanceede kennissamenieving nemen de maatschappell|ke actoren, organi-
saties en instituten de variéteit aan kennsontwikkeling zelf ter hand. De overhedd dient dit ener-
njds te stimuleren en anderzijds een aantal basiowaarden te waarborgen, roa wijheid, geijk-
held, ontplooling en pluriformijett, sociale integrate en stebditert. Deze waanden vormen de
achtergrond waartegen de overhead experimenten in de samenieving met niewwe kennis: kan
accepteren en nieuwe beleldsconcepten kan initiéren, Het overheidsbeleid moet ook bij de
implementatie van sc? verschuiven van direct sturend én ingriipend naar kadersteliend en voor-
waardenscheppend.

Bij een kennissamenteving hoot voorts een kennisbeled waarbij de verschillende actoren
samenwerken, Dat wil zeggen dat overheidsinstanties, universteiten, scholen, particuliere par-
tijen en ondememingen, samen kennis genereren en op het terein van icT en kennisontwikke-
ling inbensief contacten onderhouden, Deze samenwerking vereist tevens dat de scheldslijnen
tussen de traditions! van elkaar afgebakende kenniscomeinen, toals universitaire en privaat
gefinanciende onderzoeksnstituben, moeten worden weggenomen,

Volgens de procedure die in de Instellingowet WERE is vastgesteld, ziet de read graag de
bevindingen van de Minsternaad tepemoet.

De voorzitter, De
SS ee a aa
' a

Plots (E14 nine. 2 og, Posts sodeny, Sod A Dem Hoag
ttefoan fore) yah ah oo, website hie weer wrrnl
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>4</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>                                                                              inhoudsopgave
inhoudsopgave
Samenvatting                                                                    9
Ten geleide                                                                    15
1        Inleiding: variatie en verankering van kennis in de
         kennissamenleving                                                     17
1.1      Het ontstaan van de kennissamenleving                                 17
1.2      Accentverschuivingen in het kennisbegrip: van wetenschappelijke
         kennis naar brede kennis                                             19
1.3      De invloed van ict op de kennissamenleving                           22
1.4      Doelstelling en probleemstelling                                     24
1.5      Het belang van variatie                                              25
1.6      Het belang van verankering                                           28
1.7      De normatieve verankering in basiswaarden                            29
1.8      De indeling van het rapport                                          34
2        Veranderingen in het kennisbegrip                                    37            5
2.1      Inleiding                                                            37
2.2      Vormen van kennis                                                    38
         2.2.1      Het standaardmodel                                        38
         2.2.2      Kennis en de gebruiker: het handelingsmodel               39
         2.2.3      Getoetste kennis: het veritistische model                 40
         2.2.4      Kennis door verspreiding: het diffusiemodel               41
         2.2.5      Het belang van de context: het translatiemodel            41
         2.2.6      Implicaties                                               42
         2.2.7      Conclusie: translatie van kennis                          44
2.3      Beslotenheid, openbaarheid en toe-eigening van kennis                45
2.4      Vertaling en verplaatsing van kennis: nieuwe bemiddelaars            48
         2.4.1      De verschuivende verhouding tussen experts en non-experts 48
         2.4.2      Controverses rond expertise                               49
2.5      Conclusie                                                            55
3        De gevolgen van ict en internet voor toegang, toe-eigening en
         kwaliteitsbeheer van kennis                                          59
3.1      Inleiding                                                            59
3.2      Verspreiding van ict en internet                                     60
         3.2.1      ‘Technology push’ of ‘society pull’?                      60
         3.2.2      Over de begrippen                                         60
         3.2.3      Opkomst en verspreiding van ict                           61
         3.2.4      Een korte geschiedenis van internet                       62
         3.2.5      De functies van het internet                              63
         3.2.6      De rol van de overheid                                    65
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>  va n oude en nieu w e k e n nis
                  3.2.7           De sociale inpassing van het internet                    65
                  3.2.8           De adaptie van ict                                       66
     3.3          Toegang                                                                  67
                  3.3.1           Toegang tot informatie en kennis                         67
                  3.3.2           Toegang tot de digitale infrastructuur                   68
                  3.3.3           Voorwaarden voor toegang                                 69
     3.4          Toe-eigening                                                             70
                  3.4.1           Druk op de publieke dimensie van kennis                  70
                  3.4.2           Vormen van toe-eigening                                   71
     3.5          Kwaliteitsbeheer                                                         72
                  3.5.1           Veranderingen in het medialandschap                      72
                  3.5.2           Vormen van kwaliteitsbeheer                              74
                  3.5.3           De commerciële vorm van kwaliteitsbeheer                 75
                  3.5.4           Kwaliteitsbeheer door communities                        76
                  3.5.5           Kwaliteitsbeheer door publieke controle                  77
                  3.5.6           Bevindingen                                              78
     3.6          Conclusies                                                               79
     4            Marktwerking bij informatiegoederen                                      83
6    4.1          Inleiding                                                                83
     4.2          Kennisintensivering en informatiegoederen in context                     84
                  4.2.1           Zeventiende eeuw: natuurwetenschappelijke en
                                  technische ontwikkelingen en komst octrooirecht dragen
                                  kennisintensivering                                      84
                  4.2.2           Twintigste eeuw: kennisintensivering door ict            85
                  4.2.3           ict als doorbraaktechnologie                             85
                  4.2.4           De empirie van ict en arbeidsproductiviteit              85
     4.3          Toe-eigening, marktwerking en marktfalen bij informatiegoederen:
                  de allocatiedimensie                                                     89
                  4.3.1           Nieuwe en oude economie                                  89
                  4.3.2           Kostenstructuur informatiegoederen                       91
                  4.3.3           Bedrijfsstrategieën op informatiegoederenmarkten         92
                  4.3.4           Marktwerking, mededinging en mededingingstoezicht        97
     4.4          Toegang van en toegankelijkheid tot informatiegoederen:
                  de verdelingsdimensie                                                   101
                  4.4.1           Verdelingsoverwegingen                                 102
                  4.4.2           Merit good-overwegingen                                103
     4.5          Conclusies                                                             104
     5            Wetenschappelijk onderzoek                                             109
     5.1          Inleiding                                                              109
     5.2          Kenmerken van wetenschappelijk onderzoek                               109
                  5.2.1           Relatie wetenschap met technologie                     109
                  5.2.2           Organisatorische kenmerken                              112
                  5.2.3           Economische kenmerken en motieven voor overheidsrol     116
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>                                                                     inhoudsopgave
    5.2.4       De rol van de ‘afrekenmechanismen’                  122
5.3 Nieuwe informatie- en communicatievormen in wetenschappelijk
    onderzoek                                                       123
    5.3.1       Algemeen kader: substitutie en complementariteit    123
    5.3.2       Gevolgen                                            125
    5.3.3       Mogelijke ontwikkelingen                           130
    5.3.4       Mogelijke gevolgen voor het onderzoeksbestel        135
5.4 Conclusies                                                     138
6   Onderwijs                                                      145
6.1 Inleiding                                                      145
6.2 Veranderingen in de omgeving van het onderwijs                 145
    6.2.1       Ontwikkeling in gevraagde kwalificaties            146
    6.2.2       Snellere veroudering van kennis?                   150
6.3 Veranderingen in het denken over onderwijs                      152
    6.3.1       Veranderende eisen aan het onderwijskundig ontwerp  152
    6.3.2       Leertheoretische benaderingen van onderwijs:
                behaviorisme en constructivisme                     155
    6.3.3       Het ontwerpen van leeromgevingen                   156
6.4 ict in het onderwijs                                            157            7
    6.4.1       ict en de leeromgeving                              157
    6.4.2       Onderwijs onafhankelijk van tijd en plaats         158
    6.4.3       Sociale interactie in elektronische leeromgevingen 159
    6.4.4       ict in het basis- en het voortgezet onderwijs       161
    6.4.5       ict in de bve-sector                               163
    6.4.6       ict in het hoger onderwijs                         165
    6.4.7       Conclusies en kanttekeningen                       169
6.5 Op zoek naar een nieuw evenwicht tussen onderwijspraktijk en
    onderwijscontext: maatwerk in netwerken                         173
6.6 Conclusies                                                     176
7   Bibliotheken en archieven                                      183
7.1 Inleiding                                                      183
7.2 De aard van de voorzieningen                                   184
    7.2.1       Bibliotheken                                       184
    7.2.2       Archieven                                          185
7.3 ict -ontwikkelingen                                            187
    7.3.1       Bibliotheken                                       187
    7.3.2       Archieven                                          189
7.4 Feitelijke ontwikkelingen in het overheidsbeleid                191
    7.4.1       Bibliotheken                                        191
    7.4.2       Archieven                                          195
7.5 Toegang, kwaliteitsbeheer en toe-eigening                      196
    7.5.1       Toegang                                            196
    7.5.2       Kwaliteitsborging                                  198
    7.5.3       Toe-eigening van informatie                        199
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>  va n oude en nieu w e k e n nis
     7.6          Wenselijk overheidsbeleid                                                   200
                  7.6.1           De publieke functies van openbare bibliotheken en archieven 200
                  7.6.2           Vragen van bestuurlijke (de)centralisatie                   204
                  7.6.3           De gewenste wijze van beleidsvoering                        204
     7.7          Conclusies                                                                  206
     8            Naar een samenwerkend kennisbeleid                                          209
     8.1          De verdere ontwikkeling van de kennissamenleving                            209
     8.2          Conclusies                                                                   211
                  8.2.1           Experimenteren in een socio-technische omgeving              212
                  8.2.2           Koppelingen en ontschottingen                                213
                  8.2.3           Voorwaardenscheppend beleid                                 214
                  8.2.4           Het versterken van het leervermogen van individuen en
                                  organisaties                                                214
                  8.2.5           Kwaliteitsborging                                            216
     8.3          De rol van de overheid in de kennissamenleving                               218
     8.4          Aanbevelingen                                                               220
                  8.4.1           Algemeen                                                    220
                  8.4.2           Technologiebeleid en innovatie                               222
8                 8.4.3           Wetenschapsbeleid                                            223
                  8.4.4           Onderwijsbeleid                                              225
                  8.4.5           Bibliotheek- en archiefbeleid                                227
     Literatuur                                                                               229
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>                                                                                    samenvatting
samenvatting
Het streven naar een kennisintensieve samenleving staat hoog op de politieke
agenda, zoals onder andere blijkt uit de Lissabon-verklaring van de bijzondere
Europese Raad (2000). Recent is, als gevolg van de massale verspreiding van ict
en internet, de verwachting ontstaan dat deze technologische mogelijkheden een
bijdrage kunnen leveren aan het ontstaan van nieuwe kennis en nieuwe opvattin-
gen over kennis. Het kennisbegrip is hiermee verbreed van zuiver theoretische
kennis (‘oude kennis’) naar kennis die ook meer praktijkgebonden is (‘nieuwe
kennis’). Toch is de kennissamenleving veel ouder dan de recente belangstelling
voor kennisintensivering die is ontstaan door de opkomst en snelle verspreiding
van de moderne ict.
In dit rapport, Van oude en nieuwe kennis, onderzoekt de raad de gevolgen van
ict voor de generatie, verspreiding, overdracht en opslag van kennis. Hij biedt
een systematische analyse van de veranderingen die de ontwikkelingen op het
gebied van ict en internet aanbrengen in de traditionele kennisdomeinen, te
weten: informatiegoederen, wetenschappelijk onderzoek, onderwijs, biblio-
theken en archieven. Voor elk van deze kennisdomeinen wordt nagegaan welke                       9
gevolgen ict heeft voor de toegang tot, de toe-eigening van en het kwaliteits-
beheer van informatie en kennis en op welke wijze de overheid daarop dient te
reageren. Op grond van zijn bevindingen formuleert de raad enkele voorstellen
voor een samenhangend kennisbeleid.
Noodzaak tot variatie én verankering
Een kennisintensieve cultuur wordt gekenmerkt door een overvloed van particu-
liere en publieke experimenten. Welke hiervan succesrijk zullen zijn en welke
niet, is niet gemakkelijk op voorhand te bepalen. Bij deze situatie past enerzijds
de houding die verwant is aan het wetenschappelijk experiment. Dit impliceert
dat de overheid een grote variatie in kennisontwikkeling en de toepassing van ict
niet alleen dient toe te laten maar actief moet bevorderen, zowel omwille van de
pluriformiteit op zich als om selectie van de betere alternatieven mogelijk te
maken. De raad benadrukt dat deze selectie ook veronderstelt dat de initiatieven
en nieuwe experimenten steeds op systematische wijze worden geëvalueerd.
Zo kan het leervermogen in de samenleving én bij de overheid zelf worden ver-
sterkt.
Anderzijds dient de overheid een aantal basiswaarden te waarborgen, zoals vrij-
heid, gelijkheid, ontplooiing en pluriformiteit, sociale integratie en stabiliteit.
Juist bij een grote mate van variatie komt immers ook de vraag naar enkele vaste
punten naar voren. Deze waarden vormen de achtergrond waartegen de overheid
initiatieven op het gebied van nieuwe kennis en nieuw beleid moet beoordelen.
Zij geven geen expliciete richtlijnen voor een te voeren beleid, maar bieden wel
de mogelijkheid om in concrete situaties minimale eisen te formuleren waaraan
moet worden voldaan.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>   va n oude en nieu w e k e n nis
                Twee hoofdlijnen
                Op basis van de analyse van de vier in het rapport behandelde kennisdomeinen,
                te weten de markt voor informatiegoederen, het wetenschappelijk onderzoek,
                het primaire, secundaire en tertiaire onderwijs en de dienstverlenende instellin-
                gen van bibliotheken en archieven, formuleert de raad twee hoofdlijnen voor het
                kennisbeleid:
                • Experimenteren en leren in een socio-technische omgeving.
                   Kennisontwikkeling is vooral een socio-technisch proces dat een nauwe
                   wisselwerking vereist tussen de sociale en technische aspecten van kennis.
                   Gecodificeerde (in documenten vastgelegde) en niet-gecodificeerde (in men-
                   sen berustende) kennis spelen allebei en op alle niveaus van een kennisorgani-
                   satie een cruciale rol in de kennisontwikkeling. De wisselwerking tussen beide
                   soorten kennis zorgt juist voor een variëteit aan nieuwe ontwikkelingen, ini-
                   tiatieven en experimenten. ict stimuleert deze wisselwerking en doet de gren-
                   zen tussen beide soorten kennis vervagen. De betekenis van in mensen berus-
                   tende kennis en de sociale aspecten van kennis worden nogal onderschat. Méér
                   aandacht voor deze socio-technische aspecten van kennis en innovatie is der-
                   halve vereist.
                • Een veranderende rol van de overheid.
10                 In een geavanceerde kennissamenleving dient het overheidsbeleid te verschui-
                   ven van direct sturend en ingrijpend naar kaderstellend en voorwaarden-
                   scheppend. De maatschappelijke actoren, organisaties en instituten nemen de
                   variëteit aan kennisontwikkeling en -verspreiding zelf ter hand. De overheid
                   dient zich hierbij terughoudend op te stellen, maar zich niet volledig terug te
                   trekken. Enerzijds moet zij de algemene kaders blijven stellen en de minimale
                   normen formuleren waaraan particuliere initiatieven dienen te voldoen;
                   anderzijds moet zij op juist gekozen momenten en op precies aan te geven
                   onderwerpen die particuliere initiatieven ondersteunen of mogelijk maken die
                   anders niet van de grond zouden komen. Een voorbeeld is het kwaliteitsbeheer
                   van informatie op het internet. Waar het het informatieaanbod in zijn alge-
                   meenheid betreft, kan het wenselijk zijn de rol van zelfregulering te verster-
                   ken. Schiet het informatieaanbod van private partijen in kwalitatief opzicht
                   echter tekort, dan kan dit een reden zijn voor overheidsoptreden. Hierbij is
                   wel een randvoorwaarde dat overheidsinmenging alleen verdedigbaar is wan-
                   neer de basiswaarden (zie hiervoor) in het geding zijn.
                Naar een ‘samenwerkend’ kennisbeleid
                Bij een kennissamenleving hoort een kennisbeleid waarbij de verschillende acto-
                ren samenwerken. Dit wil zeggen dat overheidsinstanties, particuliere partijen en
                ondernemingen, samen kennis genereren en op het terrein van ict en kennis-
                ontwikkeling intensief contacten onderhouden. De generatie, verspreiding en
                overdracht van kennis worden zo op elkaar afgestemd en er wordt maximaal
                geprofiteerd van de mogelijkheden van ict. Deze samenwerking vereist tevens
                dat de schotten worden weggenomen tussen de traditioneel van elkaar afgeba-
                kende kennisdomeinen, bijvoorbeeld tussen onderzoekcentra van universiteiten
                en die van privaat gefinancierde onderzoeksinstituten, tussen universiteiten en
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>                                                                                   samenvatting
hogescholen en tussen hoger onderwijs en voortgezet onderwijs, tussen scholen
en bibliotheken.
De hoofdlijnen om te komen tot een samenwerkend kennisbeleid worden hier-
onder gepreciseerd in enkele beleidsaanbevelingen ten aanzien van de vier ken-
nisdomeinen.
Technologiebeleid en innovatie
• De overheid moet technologische ontwikkeling en innovatie bevorderen door
   optimale voorwaarden voor kennisvernieuwing te scheppen. Zij doet dit nog
   steeds het beste door blijvend in het universitaire onderwijs en onderzoek te
   investeren.
• De hybridisering van publiek en privaat gefinancierde onderzoeksactiviteiten
   dient niet afgeremd, maar juist bevorderd te worden. Wel is helderheid
   gewenst over de verhouding tussen algemeen beschikbare onderzoeksresulta-
   ten uit publiek gefinancierd onderzoek en resultaten die deels zijn gefinancierd
   met publieke, deels met particuliere gelden. De Wet Markt en Overheid biedt
   voldoende waarborgen tegen oneigenlijke concurrentie van de publiek gefi-
   nancierde kennisinfrastructuur met de particuliere sector.
• De specifieke kenmerken van de markt voor informatiegoederen leiden tot een                   11
   tendens tot monopolievorming. De overheid moet hier kortetermijnmonopo-
   lies toestaan, omdat de winsten die met zo’n monopolie gemoeid gaan, een
   stimulans kunnen vormen voor bedrijven om toe te treden tot deze markten.
   Anderzijds moet de overheid meer wettelijke mogelijkheden krijgen om lan-
   getermijnmonopolies te doorbreken (in Europees verband) en zo toetreding
   tot deze markten blijvend te stimuleren.
• Het verdient aanbeveling om de ict-sector zelf als speerpunt aan te wijzen,
   vanwege het grote belang van samenwerking tussen de ontwikkeling en de
   toepassing van ict. Het moet hierbij gaan om een samenwerkingsverband
   waarin specialisten van verschillende disciplines, en uit particuliere en publie-
   ke sectoren, elkaar ontmoeten en versterken. Indien samenwerking tussen
   universitaire onderzoekers en particuliere onderzoekscentra niet vanzelf van
   de grond komt, is hier voor de overheid een stimulerende rol weggelegd.
Wetenschapsbeleid
• De overheid dient samenwerking tussen universitair onderzoek en industrieel
   onderzoek sterker te bevorderen dan thans het geval is, door de financiering
   hiervan te vergemakkelijken. Hiernaast dient zij het blijvend belang te bena-
   drukken van de publieke functie van zelfstandig en onafhankelijk kennison-
   derzoek, door de core-financiering van ongebonden onderzoek te garanderen.
• Naast diepgaand disciplinair onderzoek is interdisciplinair onderzoek van
   wezenlijk belang voor een geavanceerde kennisontwikkeling. Voor zover de
   financieringsstructuur van het onderzoek, onder andere door de nwo-toewij-
   zingen, interdisciplinair onderzoek belemmert, dient deze financiering veran-
   derd te worden ten gunste van interdisciplinaire initiatieven én werkelijke
   samenwerkingsvormen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>   va n oude en nieu w e k e n nis
                • De aantrekkelijkheid van wetenschapsbeoefening kan sterk bevorderd worden
                   door een grotere variatie in het wetenschappelijk onderzoek en minder unifor-
                   miteit van het Nederlandse universitaire bestel. De regelgeving dient dit te
                   bevorderen, zodat er in de toekomst specifieke researchuniversiteiten (of
                   faculteiten) bestaan naast brede opleidingsuniversiteiten, en veelvormige
                   bachelorsopleidingen naast zeer gespecialiseerde mastersopleidingen. Hier-
                   door kan het voor afgestudeerden ook aantrekkelijker worden om te kiezen
                   voor wetenschappelijk onderzoek.
                Onder wijsbeleid
                • Onderwijs is een van de belangrijkste schakels in de kennismaatschappij. Een
                   kwalitatief hoogstaande basis van het onderwijs is dan ook essentieel om opti-
                   maal van de mogelijkheden van ict gebruik te kunnen maken. Goede, gemoti-
                   veerde leerkrachten die ook bekend zijn me de nieuwe middelen, zijn hiervoor
                   een onmisbare voorwaarde.
                • De introductie van ict in alle niveaus van het onderwijs is in de eerste plaats
                   een socio-technisch leerproces. Enerzijds vereist dit complexe softwarepro-
                   gramma’s, die het eigen initiatief van de gebruikers stimuleren, en aanpassing
                   van de traditionele leeromgeving – gestandaardiseerd, vaak klassikaal onder-
12                 wijs – aan de nieuwe mogelijkheden. Anderzijds is de bekwaamheid van de
                   leerkrachten om adequaat ict om te gaan evenzeer een noodzakelijke voor-
                   waarde. Net als in het beroepsvoorbereidend onderwijs dienen in de cao’s
                   afspraken gemaakt te worden over de noodzakelijke bijscholing van docenten.
                • Op dit moment wordt ruimschoots geëxperimenteerd met ict-programma’s
                   in het onderwijs. Deze variatie is gewenst om ervan te kunnen leren, maar de
                   ict-experimenten moeten dan wel systematisch worden geëvalueerd. De raad
                   beveelt derhalve aan dat de overheid erop toeziet (maar niet noodzakelijk zelf
                   ter hand neemt) dat er systematische evaluaties en kosten-batenanalyses van
                   ict-onderwijsexperimenten plaatsvinden. Een ‘clearing house’ of expertise-
                   centrum zou hiervoor kunnen worden opgericht.
                • De internationalisering van het onderwijs dient in de komende tien jaar te
                   worden uitgebouwd.
                Bibliotheek en archiefbeleid
                • Voor een optimale bereikbaarheid en toegankelijkheid van bibliotheken die-
                   nen zowel de fysieke als de elektronische ontsluitingsvormen van kennisbron-
                   nen en informatie in de bibliotheken beschikbaar te zijn. Het is hierbij niet
                   noodzakelijk dat alle bibliotheken alle faciliteiten aanbieden.
                • Bibliotheken dienen als kenniscentra nauwe samenwerking aan te gaan met
                   scholen en andere onderwijsinstellingen, opdat beide optimaal de mogelijkhe-
                   den van ict kunnen benutten.
                • De publieke kennisfunctie van bibliotheken dient gehandhaafd te worden, zij
                   het dat in de komende vijf à tien jaar zal moeten worden geëxperimenteerd
                   met de vormen waarin deze functie gestalte krijgt. Hierbij dienen de bibliothe-
                   ken zich primair te richten op hun kerntaken.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>                                     inleiding: variatie en verankering van kennis in de kennissamenleving
• Archieven dienen, als geheugen van de natie, wettelijk als kennisbron gegaran-
    deerd te blijven, mits zij alle mogelijkheden van ict voor een verdere dienst-
    verlening aan een groter publiek zullen exploreren.
Opbouw rappor t
Dit rapport valt, na het inleidende hoofdstuk 1, in twee delen uiteen. Het eerste
deel (hfdst.2 en 3) behelst een algemene analyse van de veranderingen in de ken-
nissamenleving onder invloed van ict. In het tweede deel van dit rapport wordt
deze algemene analyse toegepast op vier specifieke kennisdomeinen: de markt
van informatiegoederen (hfdst. 4), het wetenschappelijk onderzoek en technolo-
gische innovatie (hfdst. 5), het onderwijs (hfdst. 6) en bibliotheken en archieven
(hfdst. 7). In elk van deze hoofdstukken wordt nagegaan welke invloed ict heeft
op het onderhavige domein, in welke mate hierdoor problemen ontstaan ten aan-
zien van toegang, toe-eigening en kwaliteitsbeheer van kennis en welke rol de
overheid en de actoren in het betreffende domein dienen te spelen om de moge-
lijkheden van ict optimaal te benutten.
Het rapport wordt afgesloten met een concluderend hoofdstuk 8, waarin per
kennisdomein ook enkele specifieke aanbevelingen voor het kennisbeleid zijn
samengevat.
                                                                                                           13
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>   va n oude en nieu w e k e n nis
14
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>                                                                                    ten geleide
 ten geleide
Dit rapport is voorbereid door een interne projectgroep van de WRR. Voorzitter
was prof.dr.mr. C.J.M. Schuyt, lid van de raad. Verder maakten de volgende
raads- en stafleden deel uit van de projectgroep: dr. P. de Beer, prof.dr. M.C.E.
van Dam-Mieras, drs. H. Dijstelbloem, dr. C. Hazeu, dr. F.J.P.M Hoefnagel,
dr. W. M. de Jong (projectsecretaris), prof.dr. J. van Sinderen en als tijdelijk
medewerker N. Vermeulen. Hiernaast zijn mr. J.C.F. Bletz, dr. H.P. van Dalen
en dr. H.C. van Latesteijn betrokken geweest bij de eerste fase van het project.
De analyses in dit rapport zijn mede gebaseerd op de resultaten van verschillende
studies die in opdracht van de raad zijn verricht. De studies worden gepubliceerd
in twee voorstudies:
1 H. Dijstelbloem en C.J.M. Schuyt (red.) (2002) De publieke dimensie van
   kennis, wrr Voorstudies en achtergronden V110, Den Haag: Sdu Uitgevers,
   waarin de volgende studies zijn opgenomen:
• J.C.A. van der Lubbe, ‘Van een informatie- naar een kennissamenleving: de rol
   van de techniek’
• W. Dolfsma en L. L. G. Soete, ‘Kennis op markten – verkenning en betekenis                    15
   voor overheidsbeleid’
• N. Marres en G. de Vries, ‘Tussen toegang en kwaliteit – legitimatie en contes-
   tatie van expertise op het internet’
• E. Dommering, B. Hugenholtz en J. Kabel, ‘De overheid en het publieke
   domein van informatie voor wetenschappelijk onderzoek’
2 M.C.E. van Dam-Mieras en W. M. de Jong (red.) (2002) Onderwijs voor een
   kennissamenleving. De rol van ict nader bekeken, wrr Voorstudies en achter-
   gronden V111, Den Haag: Sdu Uitgevers, met de volgende studies:
• A.M.C. Eurelings, A.B.M. Melief en H. Plekenpol, ‘Leren in een kennissamen-
   leving. De gevolgen van de digitale revolutie voor het Hoger Onderwijs en de
   Beroeps- en Volwasseneneducatie in Nederland’
• H. Sligte en J. Meijer, ‘De problematiek van ict-innovatie in het basisonder-
   wijs’
Bij de voorbereiding van dit rapport is tevens gebruik gemaakt van de
suggesties en het commentaar van prof. dr. W. E. Bijker, prof. dr. F. Leijnse,
prof. dr. L. L. G. Soete, ir. J. W. J. van Till en dr. P. Winsemius. De raad is hen
erkentelijk voor hun bijdrage. Voor de inhoud van het rapport is alleen de raad
verantwoordelijk.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>   va n oude en nieu w e k e n nis
16
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>                                        inleiding: variatie en verankering van kennis in de kennissamenleving
1   inleiding: variatie en ver ankering van
    kennis in de kennissamenleving
1.1 het ontstaan van de kennissamenleving
    Het streven naar een ‘hoogwaardige kennissamenleving’ of een ‘kennisintensieve
    samenleving’ staat hoog op de politieke agenda. Er is een bijna onbetwiste con-
    sensus over de wenselijkheid, zelfs de noodzaak, om de moderne samenleving in
    al haar geledingen en in alle instituties voor een groot deel te laten rusten op en te
    voorzien van kennis. Deze ambitie komt bijvoorbeeld tot uitdrukking in de ‘Lis-
    sabon-agenda’ van de bijzondere Europese Raad (2000). De begrippen ‘kennis’ of
    ‘kennisintensivering’ zelf worden in deze beschouwingen echter zelden of nooit
    geëxpliciteerd. Het gebruik van het begrip kennissamenleving wordt in de
    publieke en politieke discussie evenmin vaak gerechtvaardigd of verduidelijkt.
    Nu is dit laatste ook moeilijk. Alle menselijke handelingen, in een oude, primitie-
    ve, moderne of technologisch geavanceerde samenleving, veronderstellen
    immers kennis, hetzij van de natuurlijke, hetzij van de sociale omgeving. Ook de
    aanwezigheid van informatie onderscheidt de huidige samenleving niet van de
    vroegere. Belastinginning is bijvoorbeeld een van de oudste vormen van over-
    heidshandelen die gebaseerd is op informatie-inwinning. Wat wel een groot ver-                            17
    schil is met voorgaande perioden, is dat informatiestromen een dusdanige
    omvang hebben aangenomen dat kennis en informatie meer en meer in elkaar
    overlopen en hierdoor ook met elkaar verward kunnen worden.
    De term ‘kennissamenleving’ is ouder dan de recente belangstelling voor kennis-
    intensivering, die is ontstaan door de opkomst en de snelle verspreiding van de
    moderne ict. De term wordt vooral gebruikt om de brede sociaal-economische
    veranderingen in de samenleving na 1960 aan te duiden. Het betreft dan vooral de
    opkomst van wetenschappelijke kennis als factor in de economische productie.
    De traditionele factoren kapitaal en arbeid veranderen onder invloed van kennis.
    De materiële component van de productiefactoren (zoals het fysieke vermogen
    van mensen en machines) verliest aan betekenis ten opzichte van de immateriële
    component (de in de productiefactoren belichaamde kennis). De postindustriële
    samenleving onderscheidt zich dus vooral van de industriële samenleving door
    het toegenomen belang van deze immateriële component, namelijk kennis, in het
    productieproces.
    Daniel Bell heeft de rol van wetenschappelijke kennis in de moderne economie
    uitvoerig beschreven in The coming of post-industrial society (1973). Hij was ech-
    ter niet de eerste. Al in 1962 wees de econoom Machlup op het toenemende
    belang van wetenschappelijke kennisfactoren in de samenstelling van het bbp
    (Machlup 1962). Vervolgens was het Robert Lane die in 1966 als eerste de term
    ‘knowledgeable society’ introduceerde om aan te geven dat een moderne samen-
    leving vooral gekenmerkt wordt door de afname van allerlei vormen van ‘com-
    mon sense’ ten gunste van wetenschappelijke kennis en inzichten. Leden van
    zo’n knowledgeable society zouden zich steeds meer gaan gedragen onder de
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>   va n oude en nieu w e k e n nis
                heerschappij van objectieve maatstaven van ‘veridical truth’, dat is wetenschap-
                pelijk geverifieerde kennis. Voor ondernemingen en voor de arbeidsorganisatie
                benadrukte Peter Drucker een soortgelijke rol van kennis in The Age of Discontin-
                uity (1969). Naar zijn mening was er sprake van een fundamentele nieuwe fase
                van de kapitalistische, industriële samenleving: het postindustriële tijdperk.
                Een zeker optimisme en vooruitgangsgeloof is al deze auteurs niet vreemd: door
                de toename van kennis zou het beheer van de natuurlijke én de sociale omgeving
                verbeteren, zou rationaliteit toenemen, zouden irrationele gedragingen of ideolo-
                gieën kunnen verminderen en zou de welvaart blijven toenemen. Dat toename
                van kennis en kennistoepassingen ook een toename van risico’s voor de samenle-
                ving zou kunnen betekenen, juist samenhangend met deze uitbreiding van ken-
                nis, stond (nog) niet centraal.
                De kennissamenleving is dus, ruim vóór de ict-revolutie, een moderne ontwik-
                keling, waarin steeds meer sferen van het dagelijkse leven worden gevormd door
                wetenschappelijke kennis. Dit geldt net zo zeer voor het werken en de productie
                in de economie als voor de gezondheidszorg en de reproductie van menselijk
                leven, het onderwijs, de politiek en de cultuur. Beleidsvoering zonder weten-
18              schappelijk onderzoek wordt onwenselijk geacht. Een klasse van wetenschappe-
                lijke experts (technocratie) wordt voorspeld en enerzijds gevreesd, anderzijds
                onvermijdelijk genoemd.
                Stehr (1994) vat verschillende kenmerken van deze kennissamenleving samen:
                • kennis is gekoppeld aan veranderingen in de economie en vormt er zelfs een
                    belangrijke motor van; er is een groeiend aandeel van het bbp uit het kennisdo-
                    mein;
                • kennis is wetenschappelijke kennis. Bell (1973) benadrukt de wetenschappelij-
                    ke kennis als bron van innovatie op talrijke terreinen, waarbij de theoretische
                    kennis centraal staat. Een reflectie op het kennisbegrip zelf bleef echter meest-
                    al uit. ‘Kennis’ werd gezien als een niet nader te onderzoeken black box;
                • kennis is gekoppeld aan waarheid (veridical truth). Wetenschappelijke kennis
                    heeft een grote legitimatie in vergelijking met andere vormen van weten, bij-
                    voorbeeld religieuze waarheid. Wetenschap is vaak zelfs de enige bron van
                    gelegitimeerde kennis. Wat de wetenschap voortbrengt, wordt als waar aange-
                    nomen (“onderzoek heeft uitgewezen dat….”);
                • een bijzondere plaats wordt ingeruimd voor de experts, met wetenschappelij-
                    ke kennis. Eveneens wordt een bijzonder maatschappelijk belang toegekend
                    aan ‘knowledge-based occupations’, beroepen waarvoor een wetenschappelij-
                    ke opleiding is vereist, professionals, raadgevers, adviseurs. Veel zaken worden
                    aan hun gezag en oordeel onderworpen of overgelaten;
                • er is een spectaculaire toename van studenten in het wetenschappelijk onder-
                    wijs ná 1960. Belangrijker nog is het feit dat er behoefte ontstond aan een spe-
                    cifiek onderwijs- en wetenschapsbeleid (vgl. de eerste Minister voor Weten-
                    schapsbeleid in 1971, oprichting scp en wrr in 1972);
                • de gevaren van het onbeheerste of tegendraadse gebruik van wetenschap ten
                    aanzien van veiligheid (atoomenergie, atoombom) werden door een minder-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>                                        inleiding: variatie en verankering van kennis in de kennissamenleving
        heid bekritiseerd, maar niettemin door een wetenschappelijk optimisme over-
        stemd. Er bleef een groot vertrouwen in de wetenschap bestaan.
    Deze kenmerken van de kennissamenleving bestaan tot de dag van vandaag.
    Ook geheel los van de ict-ontwikkeling die zich na 1980 voordeed, zou er nu
    sprake zijn van een kennissamenleving. De ict-ontwikkeling is dus te zien als
    een onderdeel van de wetenschappelijk-technologische revolutie die na
    1950/1960 de westerse wereld heeft beheerst.
    Mede onder invloed van de toename in wetenschappelijke kennis en inzichten is
    een technologische cultuur ontstaan. Deze technologische cultuur is echter zeer
    onvoorspelbaar, bijvoorbeeld in vergelijking met traditionele culturen en samen-
    levingen. Daarom wordt het moeilijk, zo niet onmogelijk de sociale gevolgen van
    de wetenschappelijke technologische revolutie te voorspellen. In de praktijk blij-
    ken veel technologische innovaties niet primair vanuit de wetenschap gestuurd te
    worden, maar tot stand te komen in een wisselwerking met andere actoren (zoals
    het bedrijfsleven). Veel innovaties ontstaan als het ware van onderop of worden
    ontworpen in een intensieve samenwerking tussen kennisinstellingen en bedrij-
    ven. Zo kwam het internet voort uit militair defensieonderzoek en werd het in
    toegepaste zin verbeterd door vrij wetenschappelijk onderzoek. Pas daarna ont-
    stond de commerciële toepassing ervan. De sociale gevolgen van het internet zijn                          19
    derhalve ook niet volledig te overzien.
    Het specifieke van de huidige kennissamenleving lijkt dus de belangrijke rol van
    wetenschappelijke kennis te zijn. In de volgende paragraaf zal dit beeld echter
    worden genuanceerd. Om het beeld van de moderne kennissamenleving en de
    problemen die zich erin voordoen te completeren, komt vervolgens in paragraaf
    1.3 de invloed van ict op de kennissamenleving nader aan de orde. Aan de hand
    van deze achtergrondschets worden in paragraaf 1.4 doelstelling en de probleem-
    stelling van het rapport geëxpliciteerd. Hierna worden in de paragrafen 1.5-1.7
    enkele belangrijke uitgangspunten voor het rapport toegelicht. Paragraaf 1.8
    schetst tot slot de verdere indeling van het rapport.
1.2 accent verschuivingen in het kennisbegrip: van
    wetenschappelijke kennis naar brede kennis
    Nadat Daniel Bell het einde van het ideologische tijdperk had aangekondigd, ont-
    stond er vanaf het midden van de jaren zestig een nieuwe en hevige discussie
    over de rol van kennis en wetenschapsbeoefening in de maatschappij. Universi-
    teiten werden gedemocratiseerd. De vraag voor wie kennis was bestemd en voor
    welke doeleinden kennis werd aangewend, werd door studenten en wetenschap-
    pelijke onderzoekers zelf aan de orde gesteld. Er ontstond twijfel aan de onbe-
    twiste status van wetenschappelijke kennis. In sommige gevallen leidde dit tot
    een regelrechte politisering van wetenschappelijke kennis, in andere gevallen tot
    een scherpere bewustwording van de maatschappelijke plaats en betekenis van
    wetenschap en wetenschapsbeoefening.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>   va n oude en nieu w e k e n nis
                Ook de rol van de wetenschappelijke experts werd minder duidelijk. Doordat de
                nadruk nu vooral lag op de maatschappelijke betekenis van kennis, kon vanuit de
                wetenschap geen standaardantwoord meer worden gegeven op bepaalde vragen.
                De expertise van de ene wetenschapsbeoefenaar werd bestreden met een beroep
                op de wetenschappelijke expertise van een andere. Dit gold niet uitsluitend de las-
                tige, vaak normatief gekleurde vragen aan de maatschappijwetenschappen, maar
                had ook betrekking op andere vragen, zoals: wat zijn de gevolgen van de vestiging
                van industrieën voor het natuurlijke milieu, wat is de te schatten schade toege-
                bracht door ontploffingen van atoomcentrales of wat zijn de technische mogelijk-
                heden en gevaren van biotechnologie. Wetenschappelijke kennis was niet meer,
                zoals in de eerste twintig jaar na de Tweede Wereldoorlog, onomstreden. De
                publieke rol van kennis was zelf een object van publieke discussie geworden.
                Ook in de wetenschapsfilosofie ontstonden nieuwe denkbeelden. Nadat Thomas
                Kuhn in 1962 gewezen had op het paradigmatische karakter van wetenschappelij-
                ke kennis en met historische voorbeelden de lineaire cumulatieve kennisver-
                meerdering had gerelativeerd, ontstond een veelheid van kennisopvattingen, die
                elk om een eigen legitimatie vochten. Hoewel de praktijk van het wetenschappe-
                lijke onderzoek vaak nog steeds bleef uitgaan van oude opvattingen, werd het
20              publieke gezag van wetenschap aangetast of ten minste gerelativeerd. Als experts
                verschillende meningen zijn toegedaan, welke opvatting is dan de juiste? In deze
                veranderde kennisopvattingen ligt de oorsprong van het later verder verspreide
                postmoderne kennisbegrip, dat onder invloed van ict en internet nog sterker van
                zijn eenduidige en onomstreden karakter zou worden ontdaan.
                De publieke dimensie van kennis
                Hoewel de algemene geldigheid van wetenschappelijke kennis dus werd gerelati-
                veerd, bleef men wel vasthouden aan andere traditionele kenmerken van kennis,
                met name aan het publieke karakter ervan. Kennis wordt van oudsher beschouwd
                als iets dat in zekere mate publiek moet zijn. Deze publieke dimensie kent ver-
                schillende aspecten.
                In de eerste plaats staat publiek tegenover privé. Privé-kennis is van persoonlijke
                aard; het is ‘weten’ dat niet gemeenschappelijk wordt gedeeld of zelfs maar deel-
                baar is. Een deel van deze kennis berust op persoonlijke ervaringen en inzichten
                en onttrekt zich aldus aan publieke controle en aan openbaarheid. Privé-kennis
                die niet wordt geopenbaard, is solipsistisch van aard. Publieke kennis daarente-
                gen staat voor communiceerbaarheid en gemeenschappelijkheid.
                In de tweede plaats kent de publieke dimensie van kennis binnen de wetenschap
                het aspect van openbare controle. Zo worden vanaf de zeventiende eeuw aan het
                experiment de eisen van publieke demonstratie en publicatie gesteld, teneinde de
                aantoonbaarheid en de herhaalbaarheid te garanderen.
                Ten derde is de publieke dimensie van kennis zichtbaar in de maatschappelijke eis
                dat wetenschap en technologie zich moeten verantwoorden, wanneer het onder-
                zoek betreft van controversiële onderwerpen zoals kloneren, genetisch gemodifi-
                ceerd voedsel of kernenergie.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>                                    inleiding: variatie en verankering van kennis in de kennissamenleving
En ten slotte geldt de eis dat de opbrengsten en uitkomsten van publiek gefinan-
cierd onderzoek openbaar moeten zijn. Deze openbaarheid kan echter onder druk
komen te staan, wanneer het onderzoek ook particuliere medefinanciers kent. Dit
kan ertoe leiden dat deze zich kennis toe-eigenen en vervolgens afschermen. Bin-
nen de particuliere sfeer is dit vanuit economisch oogpunt te rechtvaardigen als
beloning voor gedane investeringen. Voor het publiek gefinancierd onderzoek
geldt evenwel dat de erkenning tot uitdrukking komt in de publicatie op naam,
waardoor wetenschappelijk prestige kan worden opgebouwd.
Deze publieke aspecten van wetenschappelijke kennis worden nu in toenemende
mate ter discussie gesteld. Zo kan immers niet altijd worden voldaan aan de eis
dat wetenschappelijke kennis publiek gemaakt moet worden en overdraagbaar
moet zijn. Polanyi (1958) wees al vroeg op de verborgen dimensie van weten-
schappelijke kennis, door hem ‘tacit knowledge’ genoemd. Er bestaat inmiddels
een omvangrijke literatuur op het terrein van deze ‘stilzwijgende’ kennis alsmede
op het terrein van de sociale en culturele aspecten van kennis en kennisverwer-
ving, die ervoor gezorgd hebben dat kennis niet meer uitsluitend als objectieve
kennis wordt gezien.
Ook de publieke demonstratie van kennis stuit als controlemechanisme in de                                21
praktijk op belemmeringen. Zo ligt tussen het schrijven en het publiceren van
wetenschappelijke artikelen een aanzienlijke tijdspanne. Mogelijkheden om
vooraf beoordeelde artikelen alvast op het internet openbaar te maken, worden
tegengewerkt door tijdschriften, die vasthouden aan de procedure van bespre-
king door vakgenoten. Hiernaast is er vaak sprake van een onevenredige aan-
dachtsverdeling: enkele artikelen trekken alle aandacht naar zich toe, terwijl
andere nauwelijks weerklank vinden.
Dilemma’s ontstaan eveneens ten aanzien van de publieke controle en verant-
woording van kennisontwikkeling. Kennisorganisaties hebben immers een sterke
traditie van zelfregulering. Beoordeling van het werk vindt plaats onder gelijken.
Maatschappelijke eisen en wensen stuiten vaak op de vraag in hoeverre de
inhoud van het wetenschappelijke speurwerk onderwerp mag zijn van publieke
discussie, waaraan ook de niet-wetenschapsbeoefenaren deelnemen.
Tot slot komt de publieke dimensie van kennis op gespannen voet te staan met de
door ict toegenomen mogelijkheden van technische toe-eigening van kennis of
kennisbestanddelen. Al langer stellen, mede onder invloed van de bezuinigingen
in de collectieve sector, beleidsmakers steeds opnieuw de vraag in hoeverre het
rendement op collectieve kennis, dat mede door collectieve middelen is opge-
bouwd, kan worden verzilverd om er weer nieuw onderzoek mee te financieren.
Universiteiten worden gestimuleerd geld uit de markt aan te trekken voor het
doen van onderzoek en instellingen als tno worden er via co-financieringsrege-
lingen door het ministerie van ez toe aangezet om meer onderzoek met derden te
gaan doen. Deze vermenging van deels particulier gefinancierd fundamenteel
onderzoek en deels collectief gefinancierd contractonderzoek heeft tot op de dag
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>   va n oude en nieu w e k e n nis
                van vandaag de gemoederen bezig gehouden, gelet ook op de discussie rond de
                wet Markt en Overheid. Wel geeft dit eens temeer aan dat de grenzen rond wat
                precies openbare wetenschappelijke kennis is, steeds moeilijker te trekken zijn.
                De invloed van ict en internet heeft deze scheidslijn alleen nog maar verder doen
                vervagen.
                Al deze aspecten leiden er toe dat de druk op het publieke karakter van kennis
                groter wordt in het ict-tijdperk.
      1.3       de invloed van ict op de kennissamenleving
                De komst van ict en internet heeft een versnelling teweeg gebracht in de mogelijk-
                heden om opgeslagen data te verwerken tot informatie en vervolgens deze infor-
                matie te verwerken tot kennis (Van der Lubbe 2002). Het heeft de nog niet volledig
                uitgekristalliseerde kennissamenleving in een stroomversnelling gebracht. De oor-
                spronkelijke kennissamenleving bevatte enkele sluimerende problemen, zoals de
                rol en het gezag van de experts, de benutting van vrije wetenschappelijke kennis
                voor industriële of militaire doeleinden en de niet-gewenste toepassingen van ken-
                nis, maar er werd niet getwijfeld aan het gezag van de wetenschappelijke kennis
22              zelf.
                Deze oude vragen ten aanzien van kennis en kennisbeleid komen nu, onder de
                invloed van ict en internet, in een nieuw licht te staan. ict en internet verande-
                ren namelijk de traditionele hiërarchische ordening van maatschappelijke ver-
                banden, waaronder die van de wetenschap zelf. De verhouding tussen kennispro-
                ductie en kennisgebruik verschuift en nieuwe technologie is van invloed op de
                relatie tussen de ontwerpomgeving en de toepassingsomgeving van kennis.
                ict en internet maken het bovendien gemakkelijker om kennis commercieel te
                benutten. Het onderscheid tussen kennis die uitsluitend voor experts toeganke-
                lijk is en kennis die door en voor leken bereikbaar is, vervaagt hierdoor. Tegelijk
                ontstaan mogelijk andere vormen van toegang tot en afscherming van kennis,
                van in- en uitsluiting. Castells (1996) spreekt hier van een netwerksamenleving.
                Kortom, ict en internet brengen náást de bestaande vragen van kennisbeleid, ook
                nieuwe vragen met zich mee; deze zijn zowel van technische, als van sociale en
                epistemologische aard.
                Ook het kennisbegrip zelf is aan verandering onderhevig. Werd kennis in de oor-
                spronkelijk bedoelde kennissamenleving nog gereserveerd voor wetenschappelij-
                ke kennis, mede onder invloed van ict is het kennisbegrip aan het vervagen: ken-
                nis, ergens in de organisatie en in de samenleving opgeslagen, komt beschikbaar;
                kennis in de hoofden of in de handen van werknemers wordt codificeerbaar; stil-
                zwijgende kennis (tacit knowledge) kan een commercieel waardevol bezit wor-
                den. De discussie over de kennissamenleving wordt door ict dus in een andere
                richting gestuurd. Kennis en informatie lijken in elkaar over te gaan en er komen
                andere kenmerken van de kennissamenleving op. Zo hebben ict en internet een
                enorme toename van snelheid in de informatieverwerking opgeleverd, met als
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>                                    inleiding: variatie en verankering van kennis in de kennissamenleving
belangrijk aspect de architectuur van gekoppelde netwerken. Bovendien is een
groter gebruik van informatiebestanden en het groter bereik van die bestanden
niet meer plaatsgebonden. Enerzijds heeft deze ontwikkeling geleid tot wat wel
een ‘democratisering’ van kennis wordt genoemd. Anderzijds is hierdoor ook de
commerciële benutting van kennis niet meer plaatsgebonden maar internationaal
(electronic commerce). De mogelijkheid kennis commercieel te benutten is ver-
groot, doordat door de werking van ict vele soorten van informatie tot (nieuwe)
kennis kunnen worden omgevormd. Een voorbeeld is het ‘monitoren’, het regi-
streren en interpreteren van gedrag van klanten en gebruikers op het internet.
Deze kennis is gemakkelijk toe-eigenbaar en hoeft niet publiekelijk gedeeld te
worden.
Tegelijk echter is expertkennis niet meer exclusief; de grenzen tussen expertken-
nis en non-expertkennis vervagen of worden minder relevant. Er wordt in dit
verband wel gesproken van ‘professionalisering van de leek’. In andere situaties
komt de verandering van het kennisbegrip echter tot uitdrukking in een toegeno-
men individualisering van kennis. De eindgebruiker bepaalt zelf de context van
de kennis, waardoor kennis geen gedeelde kennis meer hoeft te zijn. Op grond
van deze ontwikkelingen is weer een nieuw optimisme ontstaan over de onge-
kende mogelijkheden van kennis en kennistoepassingen. Het landschap van de                                23
plaatsen waar kennis wordt gecreëerd, verspreid en gebruikt, is echter veelzijdi-
ger geworden. Bovendien hebben ict en internet tussen die plaatsen een ander
web geweven.
Door deze kenmerken van ict-kennis kunnen belangrijke instituties en organisa-
ties gaan veranderen: onderwijsorganisaties, arbeidsorganisaties, overheidsorga-
nisaties. Scholen, bibliotheken en andere kennisinstellingen zouden bijvoorbeeld
aan belang kunnen inboeten door de concurrentie van ict-kennis. Onder al deze
veranderingen komen belangrijke principiële vragen aan de orde, zoals:
1 Hoe wordt de kwaliteit van kennis gewaarborgd? De basis voor legitimiteit en
   betrouwbaarheid van kennis en informatie verandert; als kennis niet meer de
   wetenschappelijke ‘veridical truth’ heeft, hoe wordt kennis dan gelegitimeerd?
2 Hoe kan nieuwe kennis, die toe-eigenbaar is, worden beschermd? Hoe wordt
   de verhouding tussen deelbare en ondeelbare kennis, codificeerbare en niet-
   codifieerbare kennis? Hoe wordt de verhouding tussen (kennis)producent en
   consument?
3 Kan de gelijkheid in toegang tot kennis worden gewaarborgd?
4 Wat worden de nieuwe verhoudingen tussen experts en non-experts, bijvoor-
   beeld in de gezondheidszorg, het onderwijs, de politiek? Hoe worden sociale
   relaties, bijvoorbeeld tussen arts en patiënt, beïnvloed?
5 Wat is of wat blijft de publieke rol van kennis? Is kennis een publiek goed, dat
   bijzondere eisen stelt aan gebruikers of de overheid bij de bescherming van die
   publieke rol? Zijn er in dit opzicht verschillen te constateren tussen algemene
   kennis en wetenschappelijke kennis of tussen volledig publiek gefinancierde
   wetenschappelijke kennis en wetenschappelijke kennis, verkregen in particu-
   lier gefinancierd onderzoek?
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>   va n oude en nieu w e k e n nis
                6 Wat is/wordt de rol van de overheid ten aanzien van de traditionele kennisin-
                   stellingen zoals onderwijs, wetenschappelijk onderzoek, bibliotheken en
                   archieven? Is een nieuw kennis- en wetenschapsbeleid, gericht op de nieuwe
                   aspecten van kennis nodig?
                Deze vragen zijn onder een algemene noemer te vangen: wat gebeurt er onder
                invloed van ict met kennis in de samenleving? Ze worden in dit rapport aan de
                orde gesteld.
      1,4       doelstelling en probleemstelling
                Met dit rapport wil de wrr inzicht verschaffen in de veranderingen in de kennis-
                samenleving en de wijze waarop ict en internet daarop van invloed zijn. Hierbij
                zal hij zich concentreren op die publieke terreinen waarop traditioneel kennis
                wordt gecreëerd, georganiseerd, bewaard en doorgegeven, zoals het onderwijs,
                het wetenschappelijke onderzoek, de bibliotheken en archieven. Hiernaast zal het
                rapport bouwstenen aandragen voor het overheidsbeleid ten aanzien van kennis-
                ontwikkeling, kennisoverdracht en het bewaren van kennis, met andere woorden:
                een bijdrage leveren aan het kennisbeleid van de overheid in ruime zin.
                Het rapport beperkt zich dus uitdrukkelijk tot kennisdomeinen. Het probeert in
24              geen enkel opzicht de sociale en economische gevolgen van internet en ict voor
                de gehele samenleving in kaart te brengen. De beperking tot deze kennisdomeinen
                kan worden gerechtvaardigd, omdat er op andere terreinen van de maatschappij
                recentelijk rapporten zijn verschenen die de gevolgen van ict in kaart brengen
                (commissie-Franken, commissie-Wallage, commissie-Doctors van Leeuwen,
                eindrapport Infodrome). Ook laat dit rapport de gevolgen van ict voor de ver-
                nieuwing van organisaties in het algemeen en arbeidsorganisaties in het bijzonder
                buiten beschouwing, tenzij dit raakvlakken heeft met de kennissamenleving. De
                ontwikkelingen binnen organisaties hebben een dusdanig autonoom karakter dat
                de overheid daarbij slechts een geringe rol dient te spelen. Het belang van ict voor
                de overheidsorganisaties zelf is in andere rapporten al aan de orde gesteld.
                De vraag naar de rol van de overheid wordt in dit rapport vanuit een breed per-
                spectief beantwoord. Dit perspectief wordt gevonden in de noodzaak van variatie
                en experiment in de verdere ontwikkeling van de kennissamenleving. Hiernaast
                zal ook behoefte bestaan aan een zekere verankering van kennis en kennisont-
                wikkeling, niet uitsluitend als tegenwicht tegen de onzekerheden en onvoorspel-
                baarheden van de verdere ontwikkeling, maar ook om de richting van die ontwik-
                kelingen te toetsen aan diep verankerde waarden van onze eigen maatschappij.
                Het gaat dus steeds om variatie en verankering.
                De probleemstelling van dit rapport luidt als volgt:
                1 Onder welke condities kunnen in de huidige kennissamenleving de mogelijk-
                   heden van ict en internet voor de generatie, overdracht en het bewaren van
                   kennis optimaal worden benut? Op welke kennisdomeinen dient variatie in de
                   generatie, overdracht en het bewaren van kennis bewust gezocht, gestimu-
                   leerd of toegelaten te worden?
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>                                       inleiding: variatie en verankering van kennis in de kennissamenleving
    2 Hoe kunnen en moeten basiswaarden, die mogelijkerwijs onder invloed van
       ict en internet onder druk komen te staan, verankerd en beschermd worden?
    3 Op welke terreinen van kennisontwikkeling dienen naar aanleiding van de
       ict- en internetontwikkeling andere vormen van verankering (technische
       standaardisering, economische regulering) te worden bevorderd?
    4 Verandert de rol van de overheid in en ten gevolge van deze ontwikkelingen,
       zowel bij de bevordering van variatie alsook bij het bewaken van de noodzake-
       lijk geachte verankeringen?
    Dit rapport wil dus een systematische analyse bieden van de veranderingen die
    de ontwikkelingen op het gebied van ict en internet aanbrengen in de traditione-
    le kennisdomeinen (informatiegoederen, wetenschappelijke onderzoek, onder-
    wijs, bibliotheken en archieven). Voor elk van deze kennisdomeinen zal worden
    nagegaan welke gevolgen ict heeft voor de toegang tot, de toe-eigening van en
    het kwaliteitsbeheer van informatie en kennis en op welke wijze de overheid
    daarop dient te reageren.
    De begrippen variatie, verankering en leervermogen staan in dit rapport centraal.
    Daarom worden zij in de volgende twee paragrafen uitgewerkt. Vervolgens zal
    een aantal basiswaarden, waarover de overheid zal moeten blijven waken, wor-                             25
    den besproken in relatie tot de ict-ontwikkeling.
1.5 het bel ang van variatie
    Veranderingen in kennis staan nimmer alleen. Zowel de ontwikkeling van de
    oorspronkelijke kennissamenleving na 1960 als de meer recente ict-versnelling
    zijn ingebed in sociale verbanden. Er is geen sprake van dat nieuwe ontwikkelin-
    gen bepaald worden door de technologie. Integendeel. Veranderingen zijn pas
    mogelijk wanneer de technische mogelijkheden in een bepaalde sociale context
    zijn ingevoerd. Technologische veranderingen worden meestal eerst ingebed in
    sociale verbanden, waarna vervolgens de sociale instituties zelf aan verandering
    onderhevig zijn.
    Het ligt voor de hand dergelijke socio-technische veranderingen historisch te
    vergelijken. Vaak wordt dan een vergelijking gemaakt met de industriële revolu-
    tie: de ict zou een volgende fase van de industriële revolutie betekenen.
    De hedendaagse ontwikkelingen kunnen echter ook vergeleken worden met de
    wetenschappelijke revolutie van de zeventiende eeuw (Marres en De Vries 2002).
    Toen kreeg kennis een nieuw fundament, namelijk het wetenschappelijk experi-
    ment. Het nieuwe van alle ontdekkingen lag niet alleen in de inhoud van de ken-
    nis, maar juist in de methode: het systematisch toetsen van ideeën, hypothesen
    en theorieën aan feiten. Hiernaast werden nieuwe instrumenten ontwikkeld,
    zoals de telescoop en de thermometer, en ontstond er een ware hausse in kennis-
    verspreiding via nieuwe wetenschappelijke tijdschriften en ‘journaux savantes’.
    Er kwam dus een nieuwe kennispraktijk tot stand, waarbij nieuw instrumentari-
    um, nieuwe communicatie- en discussievormen, nieuwe methoden van onder-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>   va n oude en nieu w e k e n nis
                zoek en een nieuwe natuurfilosofie werden ontwikkeld. In de context van deze
                radicale herinrichting van de kennispraktijk werden vragen rond de betrouwbaar-
                heid van kennis relevant. Vragen als wat als kennis geldt, moesten opnieuw wor-
                den beantwoord. In de context van de nieuwe kennispraktijk werden zo zowel op
                het filosofische (epistemologische) als op het praktische front nieuwe legitimatie-
                procedures ontwikkeld, waarmee de verhoudingen tussen experts en leken
                opnieuw gedefinieerd werden (Marres en De Vries 2002).
                Net als de zeventiende eeuw kan de huidige tijd gezien worden als een overgangs-
                periode, waarin veel zaken onzeker zijn en niemand exact kan voorspellen waar
                de samenleving naar toe gaat. Al eerder werd opgemerkt dat een technologische
                cultuur gekenmerkt wordt door een hoge mate van onvoorspelbaarheid. De ana-
                logie tussen de kennisrevolutie in de zeventiende eeuw en de huidige invloed van
                internet en ict is echter nog verder door te trekken. Opnieuw roepen nieuwe
                vormen van kennisverspreiding (via het internet) en nieuwe vormen van kennis-
                generatie de vraag op ‘wat kennis eigenlijk is’. Opnieuw staan betrouwbaarheid
                en legitimatie van kennis ter discussie, alsmede de methoden om de betrouw-
                baarheid vast te stellen. Het onderscheid tussen experts en leken lijkt te verva-
                gen. Nieuwe instrumenten en technologieën doen hun intrede. De kennispraktijk
26              verandert dus. Marres en De Vries merken hierbij op dat de rol van internet en
                ict vooral gezien moet worden als een sociaal experiment in kennis, niet zozeer
                als een veranderende grondslag van het geloof in het wetenschappelijk experi-
                ment. Het zijn de sociale verhoudingen tussen experts en non-experts, tussen
                kennisdragers en politici, die aan verandering onderhevig zijn.
                Wat de zeventiende eeuw met de eenentwintigste verbindt, is de experimentele
                houding: bij een grote mate van onzekerheid over de richting en de afloop van
                ontwikkelingen, en een onvoorspelbaarheid over wélke initiatieven succesrijk
                zullen zijn en welke niet, hoort een houding van openheid en nieuwsgierigheid
                ten aanzien van de experimenten op het gebied van de verwerving, verspreiding
                en verankering van kennis. Dit is de aan de wetenschap verwante experimentele
                houding, ditmaal vooral toegespitst op verdere experimenten met kennisover-
                dracht, kennisgeneratie, kennisverwerving, kennisverspreiding en kennis-
                benutting.
                De rol van de overheid is bij deze onzekere ontwikkelingen cruciaal, maar tegelijk
                ambivalent. Het overheidsbeleid is er niet op toegespitst alle mogelijkheden open
                te houden. De overheid is bovendien gehouden aan normen van gelijkheid en
                gelijkberechtiging van burgers. Experimenten waarbij aan één groep van burgers
                iets wordt toegestaan en tegelijk – omwille van de controle – aan andere groepen
                niet, kunnen op principiële bezwaren stuiten. Tegelijk maakt de onzekerheid
                over de toekomst het wenselijk om ruimte te laten voor uiteenlopende ontwikke-
                lingen, mits daaruit lering wordt getrokken.
                In de marktsector wordt variatie doorgaans toegelaten en zelfs gestimuleerd
                (marktwerking en deregulering), maar is er onvoldoende aandacht voor het leer-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>                                    inleiding: variatie en verankering van kennis in de kennissamenleving
vermogen. In de publieke sector wordt variatie vaak beperkt door een uniforme
regelgeving of door gebrek aan prikkels doordat een conformistische, risicomij-
dende opstelling wordt beloond. En in het geval dat variatie wordt toegelaten,
wordt er als gevolg van een inadequate evaluatie onvoldoende van geleerd. De
overheid moet dus in feite leren zelf te experimenteren of het experimenteren
gedurende een bepaalde lange periode aan anderen over laten, zonder toe te
geven aan de traditionele neiging tot uniforme regulering. Dit vereist een grote
mate van evenwichtskunst. Juist de onzekere en onvoorspelbare kenmerken van
de ict-ontwikkeling rechtvaardigen zo’n open instelling, zelfs een stimulerende
rol, van de overheid als het erom gaat voldoende variatie te bevorderen. Voor-
waarde is wel dat tegelijkertijd de wil en de organisatie bestaat om uit al die expe-
rimenten met kennis het nodige te leren. Feedback (versterking door ervaringen
systematisch te evalueren) is derhalve een noodzakelijke aanvulling op de open
opstelling van de overheid.
Het is van belang er rekening mee te houden dat sommige experimenten padaf-
hankelijk zijn. Hiermee wordt bedoeld dat een eenmaal ingeslagen weg alleen
tegen hoge kosten weer kan worden verlaten. Denk bijvoorbeeld aan het Franse
minitel, een soort voorloper van het internet. Omdat de Franse overheid hier veel
in investeerde, heeft het internet in Frankrijk een moeizame start gehad. Met                             27
andere woorden: het overheidsbeleid heeft hier een niet in alle opzichten geluk-
kig experiment ondersteund. Het meer mondiaal georiënteerde internet bleek
uiteindelijk de standaard. In zijn tijd echter was minitel een uitstekend werkend
en zeer succesvol systeem, dat prima voldeed. Dat later het internet zou komen,
kon men nog niet weten. De hoge kosten die de omslag met zich meebracht, en
de aanvankelijke achterstand van Frankrijk, worden nu bovendien zeer snel inge-
lopen. Door aanzienlijke investeringen in breedbandaansluitingen (men wil de
gehele bevolking aansluiten op breedband) hoort Frankrijk nu bij de Europese
koplopers.
Het overheidsbeleid blijft zo steeds een laveren tussen liberalisme en dirigisme.
Liberalisme leidt in veel gevallen tot een marktgedreven oplossing, maar mag de
basiswaarden niet aantasten. Dirigisme is in sommige gevallen nodig om de con-
sumentensoevereiniteit op de lange termijn te waarborgen, maar moet de flexibi-
liteit niet geheel frustreren. Het mededingingsbeleid is hierbij een goede leidraad.
In de huidige ontwikkeling van ict gaat het dus om een zo groot mogelijke varia-
tie, zowel omwille van de pluriformiteit op zich als om selectie mogelijk te
maken. Pas later kan worden uitgemaakt welke nieuwe kennisontwikkelingen
succesrijk zijn en een stabiele, geïnstitutionaliseerde vorm krijgen. Een overheid
in het ict-tijdperk moet ontwikkelingen niet bevriezen of fixeren. Zij moet
terugtreden waar dit voor vernieuwing nodig is, maar er tegelijkertijd voor zor-
gen dat onder de snelheid van veranderingen niet elk gevoel voor richting verlo-
ren gaat. Juist bij een grote mate van variatie komt immers ook de vraag naar
enkele vaste punten naar voren.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>   va n oude en nieu w e k e n nis
      1.6       het bel ang van ver ankering
                Variatie moet, zoals hierboven werd betoogd, bewust gezocht en toegelaten wor-
                den. Dit roept evenwel spanningen op bij degenen die enige zekerheid en vaste
                kaders willen handhaven. Soms komen beide houdingen gelijktijdig voor, zoals
                bij de introductie van het studiehuis in de bovenbouw van het voortgezet onder-
                wijs. Dit nieuwe onderwijsexperiment, ingegeven door de vele mogelijkheden
                van internet en ict, is echter geen experiment in zuivere zin. In dat geval zou het
                studiehuis op sommige scholen immers wel en op andere scholen niet zijn inge-
                voerd, om vervolgens op systematische wijze de resultaten te kunnen vergelijken
                en evalueren. Door de noodzaak van schaalgrootte en kostenoverwegingen werd
                het studiehuis echter in alle scholen verplicht ingevoerd. Variatie werd dus niet
                toegelaten, hetgeen de evaluatie van dit experiment bemoeilijkt. Er is dus een
                blijvende spanning bestaat in de huidige samenleving tussen de behoefte aan
                variatie en invariatie, tussen onzekerheid en zekerheid.
                Ook op andere gebieden blijkt er meer sprake te zijn van spanningen en tegenge-
                stelde tendenties dan van een lineaire ontwikkeling van de nieuwe kennissamen-
                leving. Zo speelt op het terrein van de infrastructuur van kennisvoorzieningen de
28              vraag of elke burger erop wordt aangesloten of dat fysieke aansluiting berust op
                vrijwilligheid. De Finse regering bijvoorbeeld volgt een radicaal beleid voor aan-
                sluiting van alle Finse burgers op de moderne communicatiemiddelen. Finland is
                hiermee koploper van de kennissamenlevingen. In een land waar fysieke afstan-
                den een groot probleem vormen is dit ook een te verdedigen beleid. Het al
                genoemde experiment met het Franse minitel is een voorbeeld waarbij over-
                heidsdirigisme verkeerd heeft uitgepakt. De overheid moet zich dus goed afvra-
                gen of de te ondersteunen activiteit niet een te beperkte levensduur heeft. Neder-
                land loopt bij de aansluiting op het internet weliswaar niet achter, maar toch
                wordt hier nog de particuliere weg gevolgd. Dit roept de vraag op naar de rol van
                de overheid ten aanzien van de kennisinfrastructuur. Is deze sturend of volgend?
                Wordt de aansluiting van alle burgers een publieke taak geacht of toch aan con-
                currerende particuliere organisaties overgelaten?
                Soortgelijke vragen kunnen worden gesteld bij de ontwikkeling van electronic
                commerce. Pas wanneer iedereen meedoet, en er zodoende een consumentenver-
                trouwen ontstaat, komen de schaalvoordelen tot stand. Wie neemt hier de noodza-
                kelijke initiatieven en risico’s? En ten aanzien van de geconstateerde spanning tus-
                sen de publieke aspecten van (nieuwe) kennis en de individueel toe-eigenbare
                kennis: reageert de overheid hierbij, in het bijzonder bij de verdere ontwikkeling
                van het patent- en octrooirecht en het recht van intellectuele eigendom, stimule-
                rend of remmend? Blijft de overheid op de publieke dimensie van kennisontwikke-
                ling letten of geeft ze juist de commerciële en particuliere benutting van kennis alle
                ruimte?
                Ten aanzien van de ontwikkeling van organisaties (arbeidsorganisaties, onder-
                wijsorganisaties, zorginstellingen, overheidsorganisaties zelf) komen eveneens
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>                                         inleiding: variatie en verankering van kennis in de kennissamenleving
    spanningen naar voren. De vaak traditioneel-hiërarchische organisaties worden
    onder invloed van internet en ict getransformeerd tot minder hiërarchisch
    gestructureerde netwerkverbanden, met vaak een aanzienlijk grotere en actievere
    rol voor de consumenten, cliënten, studenten, patiënten en burgers. Wordt deze
    ontwikkeling gestimuleerd of geremd? Deze vraag geldt ook voor overheidsorga-
    nisaties zelf. Door de ict-ontwikkeling in organisaties vervaagt de grens tussen
    deze organisaties en hun omgevingen. Welke consequenties heeft deze vervaging
    voor het optreden van de organisaties?
    Op al deze vragen is geen pasklaar antwoord te geven. De gewenste overheidsrol
    is te zeer afhankelijk van specifieke omstandigheden en condities om daarover in
    algemene termen uitspraken te doen. Bij al deze – soms tegenstrijdige – ontwik-
    kelingen past dan ook een open houding, ook bij de overheid. Veel ontwikkelin-
    gen zullen hun eigen gang vertonen en voor verrassingen zorgen. Naast variatie
    moet echter ook de behoefte aan verankering serieus genomen worden. Naast
    onvermijdelijke onzekerheid zullen enkele basiszekerheden vastgehouden moe-
    ten worden.
    Drie soor ten verankering
    Verschillende vormen van verankering kunnen worden onderscheiden: tech-                                    29
    nisch, economisch en normatief. Bij technische verankering kan men bijvoor-
    beeld denken aan de behoefte aan standaardisering van apparaten, devices en pro-
    gramma’s. Economische verankering komt voor in de vorm van antitrustwet-
    geving, die de mogelijkheid biedt tot variatie en tegelijkertijd een grens stelt aan
    mogelijke verstarring als gevolg van monopolievorming. Hiernaast wordt in dit
    rapport een normatieve verankering, het bewaken van de realisering van enkele
    basiswaarden, ook van wezenlijk belang geacht.
    De ontwikkeling van een open en onvoorspelbare samenleving houdt enerzijds
    in dat, gegeven de ingrijpende contextverandering ten gevolge van ict, er veel
    moet veranderen in de kennisorganisaties en er daarom ruimte moet zijn voor
    allerlei experimenten. Anderzijds moet er ook een aantal fundamentele norma-
    tieve noties zijn, die de ruimte voor experimenten niet oneindig groot maken.
    Het gaat dan vooral om noties die maatschappelijk en juridisch hecht verankerd
    en geaccepteerd zijn, ook op Europees en mondiaal niveau. De normatieve
    noties, waarden, zijn de kernelementen van een beschaafde samenleving, die ook
    onder invloed van internet en ict gehandhaafd blijven. Zij zorgen bij uitstek voor
    de continuïteit bij alle snelle veranderingen. Men kan er redelijkerwijs van uit-
    gaan dat deze waarden ook over tien of twintig jaar gelden.
1.7 de normatieve ver ankering in basiswaarden
    Naast waarden die geen speciale relatie hebben met de ontwikkelingen op het
    kennisterrein (zo zal de democratische rechtsstaat onverkort blijven gelden),
    staan waarden die wél specifiek zijn voor het kennisterrein of die door de ict-
    ontwikkelingen een specifieke verandering kunnen ondergaan. Te denken valt
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>   va n oude en nieu w e k e n nis
                aan waarden als vrijheid, individuele ontplooiing, pluriformiteit, gelijkheid en
                maatschappelijke integratie. Deze vijf fundamentele waarden kunnen onder
                invloed van de ict veranderingen ondergaan, maar zullen niettemin in nieuwe
                vormen en aanpassingen als waarden van de moderne kennissamenleving
                gehandhaafd dienen te blijven. Een eerste, voorlopige verkenning van deze waar-
                den in hun relatie tot de ict-ontwikkeling, wordt hieronder beproefd.
                Vrijheid
                Een groot aantal ook internationaal aanvaarde vrijheidsrechten speelt op het ken-
                nisterrein een rol: vrijheid van levensovertuiging, informatie en expressie, vrij-
                heid van onderwijs, wetenschappelijk onderzoek en het recht op scheppende
                activiteiten, waaronder het auteursrecht van de producent om zelf de (im)mate-
                riële voordelen te genieten van eigen wetenschappelijke of artistiek werk. Boven-
                dien is er in eu-verband de belangrijke economische vrijheid van dienstenver-
                keer.
                Vrijheid is zowel een producentenrecht als een consumentenrecht, zoals het
                recht om onderwijs te geven én te ontvangen. Het vrijheidsrecht geldt zowel op
                het niveau van het individu als op het niveau van de vrijheid van organisaties,
                zoals de school. In de literatuur wordt bovendien nog een derde niveau van vrij-
30              heid onderkend: de vrijheid van sectoren als onderwijs en wetenschap om zich
                naar eigen autonome wetten te ontwikkelen, als kenmerk van een democratische
                samenleving.
                Bij de uitwerking doen zich allerlei vragen voor, die maar ten dele vanuit het
                recht kunnen worden beantwoord. De verschillende vrijheidsrechten kunnen
                met elkaar, alsmede met andere waarden zoals kwaliteit, conflicteren. Er ligt de
                vraag of de overheid vooral passief anderen vrij moet laten dan wel de vrijheden
                actief moet faciliteren, omdat er anders sprake zou zijn van een rechtsstatelijk
                tekort (een verschil tussen de feitelijke en, gegeven de vrijheidsrechten, wense-
                lijke situatie).
                Vrijheidsrechten vormen in eerste instanties een belangrijk argument om variatie
                en experimenten niet te belemmeren, maar juist toe te laten en te stimuleren. Een
                grotere variatie schept in beginsel immers meer ruimte voor individuele keuze-
                mogelijkheden. Tegelijkertijd dient echter te worden gewaakt voor ontwikkelin-
                gen die de vrijheid aantasten, bijvoorbeeld doordat bepaalde groepen in de prak-
                tijk niet in staat zijn of in staat worden gesteld een vrije keuze te maken. Hiervan
                kan sprake zijn indien mensen gedwongen worden aan een bepaald experiment
                deel te nemen. Of experimenten fundamentele vrijheidsrechten aantasten, weegt
                uiteindelijk zwaarder dan de vraag of een experiment eraan bijdraagt dat de effec-
                tiviteit of kwaliteit van een bepaalde voorziening wordt vergroot.
                Ontplooiing
                Ontplooiing en vrijheid hangen nauw samen. Gaat het bij vrijheidsrechten om
                het gevrijwaard zijn van externe factoren die het handelingsvermogen beperken,
                de ontplooiingsgedachte betreft de dynamische aspecten van vrijheidrealisatie,
</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>                                    inleiding: variatie en verankering van kennis in de kennissamenleving
het tot leven brengen van wat bij mensen intern in potentie aanwezig is. Van
oudsher staat de ontplooiingsgedachte met name centraal bij het funderend
onderwijs voor jeugdigen. Ook op basis van internationale verdragen geldt voor
alle kinderen een plicht deel te nemen aan dit onderwijs. De gedachte hierachter
is dat het een persoonlijk en algemeen belang is dat iedereen de primaire vaardig-
heden, kennis en attitudes worden bijgebracht om te kunnen komen tot een
eigen vrijheidsrealisatie en om politiek, economisch en cultureel te kunnen parti-
ciperen. Het gaat zowel om de toerusting tot de eigen keuzevaardigheid en het
eigen beoordelingsvermogen als om de toerusting tot maatschappelijke participa-
tie. In alle hoogwaardige beschavingen heeft de overheid ook de plicht de kwali-
teit en financiële toegankelijkheid van het onderwijs te waarborgen. Voor andere,
hogere educatieve en culturele voorzieningen is de ontplooiingsgedachte veel
globaler geformuleerd; dit geldt vooral voor de overheidsopdracht om voorzie-
ningen te scheppen.
Men kan stellen dat in een informatie- en kennisintensieve samenleving deze pri-
maire toerusting tot een eigen keuzevaardigheid, het kunnen ontwikkelen van
eigen zinvolle referentiekaders, alleen maar aan betekenis wint. Niet zozeer de
schaarste aan goede informatie en kennis aan de aanbodzijde is in een ict-samen-
leving een probleem, de schaarste ligt eerder aan de vraagkant: het kunnen for-                           31
muleren van de juiste vragen, het kunnen ontwikkelen van eigen referentieka-
ders die kennis en informatie betekenis geven en het zinvol kunnen gebruiken
van kennis en informatie.
Ook de gedachte van ontplooiing roept in haar uitwerking allerlei vragen op. De
moeilijkste vraag is uiteraard welk bestand aan kennis, vaardigheden en attitudes
zo primair is dat eenieder ermee moet worden toegerust. Hoe te komen tot maat-
schappelijke consensus bij de vaststelling van het gemeenschappelijk aanbod in
het funderend onderwijs? Ten tweede is er het risico dat de overheid bij de vast-
stelling van dit aanbod te sturend optreedt en uitgaat van één specifieke ont-
plooiingsconceptie die niet algemeen wordt gedeeld. Hoe is ten slotte dit
gemeenschappelijk aanbod steeds te herijken in relatie tot de veranderende maat-
schappelijke context?
Experimenten die de funderende educatie betreffen, moeten dus met een grote
omzichtigheid worden omgeven. Zeker experimenten die wellicht niet bedoelde,
maar feitelijk wel onomkeerbare ontwikkelingen in gang zetten, kunnen het
kernrecht op ontplooiing aantasten. Hier staat overigens tegenover dat een grote-
re variatie in het aanbod aan (onderwijs)voorzieningen de keuzemogelijkheden
van de gebruikers (leerlingen, studenten of hun ouders) vergroot.
Er is nog een aanvullende reden om binnen dit domein van funderend onderwijs
voor minderjarigen voorzichtig te zijn. Volwassenen kunnen op basis van eigen
keuzevaardigheid en vrijwilligheid aan experimenten deelnemen; bij minderjari-
gen geldt dit niet.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre>   va n oude en nieu w e k e n nis
                Pluriformiteit
                Pluriformiteit is allereerst een feitelijk gegeven: mensen zijn verschillend en
                maken verschillende keuzes. Als normatieve maatschappelijke waarde gaat het
                om iets anders: een hoge waardering van dit feitelijk maatschappelijke verschijn-
                sel. Als normatieve waarde is pluriformiteit in hoge mate een afgeleide van de
                vrijheidsgedachte: in het bijzonder de expressievrijheid impliceert een pluralisti-
                sche, open maatschappij. Pluriformiteit wordt ook wel geformuleerd als het
                sociale patroon van de geestelijke vrijheid. In die zin komt pluriformiteit als
                waarde terug in allerlei internationale documenten en rechterlijke uitspraken.
                Verschillende typen pluriformiteit kunnen worden onderscheiden, zoals plurifor-
                miteit naar levensbeschouwing, leeftijdscategorieën of sekse, territoriaal bepaalde
                pluriformiteit, verscheidenheid in leefstijlen of methodologische verscheidenheid
                binnen een bepaalde professie, zoals die van wetenschappers of kunstenaars. Meer
                ruimte voor variatie en experimenten beantwoordt op zichzelf bij uitstek aan het
                streven naar pluriformiteit. Hierbij kan het echter om zeer uiteenlopende vormen
                van pluriformiteit gaan, die niet alle bij voorbaat een even groot maatschappelijk
                belang vertegenwoordigen. Een belangrijke vraag hierbij is op welke wijze de over-
                heid de gewenste pluriformiteit dient te bevorderen. Moet de overheid de plurifor-
32              miteit zelf ter hand nemen, in termen van marktvervanging en het zelf (financieel)
                in stand houden van voorzieningen, zoals ze in ons land vanouds heeft gedaan ten
                aanzien van levensbeschouwelijke pluriformiteit in de sectoren onderwijs en
                omroep? Of kan zij zich beperken tot aanvullende interventies voor zover de markt
                onvoldoende leidt tot doorwerking van de maatschappelijke pluriformiteit in het
                aanbod (bijv. het beleid t.a.v. de gedrukte media, kranten e.d.)?
                Bij kennisexperimenten zijn derhalve drie vragen van belang: de normatieve
                vraag welke typen pluriformiteit belangrijk worden gevonden; de vraag tot welke
                feitelijke verschuivingen in termen van pluriformiteit experimenten kunnen lei-
                den; en de vraag hoe, gegeven de gestelde norm, geconstateerde tekorten moeten
                worden bestreden (marktvervanging of - aanvulling).
                Gelijkheid
                De gelijkheidsgedachte kent minstens drie vormen:
                1 een plicht van met name de overheid om gelijke gevallen gelijk te behandelen;
                2 het verbod op bepaalde vormen van differentiatie, discriminatie; en
                3 de rechten op toegang.
                Vooral deze toegangsrechten zijn specifiek voor het kennisterrein geformuleerd.
                Het meest uitdrukkelijk geldt dit voor het recht op toegang tot onderwijs, en glo-
                baler voor het recht van culturele participatie en het recht van eenieder om de
                voordelen van wetenschappelijke vooruitgang en haar toepassing te genieten.1
                Zo moet het primair onderwijs voor allen verplicht en kosteloos beschikbaar zijn.
                Voor hogere vormen van onderwijs geldt dat zij voor ieder op basis van bekwaam-
                heid gelijkelijk beschikbaar moeten zijn. Vanouds ligt er bij deze toegangsrechten
                grote nadruk op dat de overheid fysieke, financiële en sociaal-culturele belemme-
                ringen voor toegankelijkheid moet wegnemen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 37 ======================================================================

<pre>                                      inleiding: variatie en verankering van kennis in de kennissamenleving
Tussen gelijkheid in de zin van toegankelijkheid enerzijds en vrijheid en plurifor-
miteit anderzijds bestaat geen strijdigheid: de overheid neemt fysieke, financiële
en sociaal-culturele drempels weg die een vrije keuze van burgers kunnen belem-
meren. De gelijkheid heeft betrekking op de drempels, maar zegt nog niets over
de uniformering van het aanbod. Voor iedereen geslechte drempels en een pluri-
form aanbod kunnen goed samengaan.
De gelijkheidsgedachte in termen van toegankelijkheid roept in zijn uitwerking
weer vele vragen op. Allereerst een normatieve vraag van wat wel en wat niet
essentieel is. In het beleid staat deze vraag bekend als de vraag van de basisvoorzie-
ningen. Zo is de bibliotheek in de jaren zeventig als zodanig erkend, heeft ze die
status in 1987 verloren en komt men hiervan de laatste jaren weer terug. Pas dan is
ten tweede de vraag aan de orde welke selectieprocessen die ten nadele van bepaal-
de groepen uitwerken, ook als een maatschappelijk tekort moeten worden aange-
merkt. Ten derde is er de vraag hoe in die nieuwe context dit tekort moet worden
weggewerkt: via marktvervanging door de overheid of door het stimuleren en pro-
fiteren van nieuwe maatschappelijke technologische ontwikkelingen op de markt
die aanbieders er een belang bij geven om de toegankelijkheid te vergroten?
Bij de gelijkheidstoets komen zowel de normatieve vraag als de feitelijke vraag                             33
terug. Men zal eerst een zekere hiërarchie in het normatieve belang van ict-voor-
zieningen moeten aanbrengen. Vervolgens is de vraag aan de orde welk type
negatieve selectieprocessen voor welke groepen bij de toegang daartoe kunnen
optreden. Het is in een ict-maatschappij verder een reële veronderstelling dat de
drempels hier eerder liggen in de afwezigheid van goede vaardigheden of een
onvoldoende gedifferentieerd aanbod en minder in de fysieke en financiële toe-
gankelijkheid, zoals bij de klassieke voorzieningen.
Ten slotte is er weer de vraag hoe de geconstateerde tekorten in toegankelijkheid
het best kunnen worden weggewerkt: via marktvervanging door de overheid of
via marktaanvulling of marktstimulering?
Sociale integratie en stabiliteit
De waarden sociale integratie en stabiliteit worden hier samen genomen omdat
ze in hoge mate in elkaar overlopen. Onder sociale integratie wordt verstaan dat
mensen zich enigszins met elkaar kunnen identificeren, met elkaar verschillende
verbanden vormen en dat deze verbanden in wederkerige betrokkenheid kunnen
functioneren (wrr 1982). Onder stabiliteit kan worden verstaan een zekere
beheersbaarheid van conflicten en een evenwicht tussen continuïteit en verande-
ring. Beide waarden zijn veel diffuser in internationale documenten neergelegd.
Dat ligt ook voor de hand, omdat zij vanzelfsprekend zijn. Zonder een minimum
aan sociale integratie en stabiliteit kunnen bovendien vrijheid en pluriformiteit
niet bestaan. Verschillen in keuzen die mensen gegeven hun vrijheidsrechten
maken en de daaruit voortvloeiende pluriformiteit zijn maatschappelijk slechts
mogelijk als er op een basaal niveau wel een zekere gemeenschappelijkheid is,
waardoor men elkanders keuzen respecteert en de uit diversiteit voortvloeiende
conflicten beheersbaar zijn.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 37 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 38 ======================================================================

<pre>   va n oude en nieu w e k e n nis
                Wat betekenen sociale integratie en stabiliteit op het kennisterrein? Sociale inte-
                gratie impliceert niet alleen een basaal gemeenschappelijk waardenpatroon, maar
                ook een zeker gemeenschappelijk kennisniveau. Overheden hebben dit altijd
                onderkend. Ondanks alle pluriformiteit hebben overheden, vooral in het onder-
                wijs, een zekere gemeenschappelijkheid in het kennisaanbod nagestreefd. Ook de
                eu probeert in het onderwijs de gemeenschappelijke Europese dimensie te ver-
                sterken. Binnen de verzuiling konden de deelgemeenschappen vroeger in zekere
                wederkerige betrokkenheid functioneren, omdat er volstrekt geen sprake was van
                geheel gesloten, gesegregeerde gemeenschappen van waarden en kennis. Juist bij
                gesloten kennisgemeenschappen in een gesegregeerde samenleving ontstaat het
                risico van vijandbeelden en verlies aan stabiliteit.
                Bij sociale stabiliteit zijn twee kennisaspecten van belang. Zo vereist een
                beschaafde stabiele samenleving een hoge mate van betrouwbare kennis en infor-
                matie, waarvan de authenticiteit en integriteit kan worden geverifieerd. Een
                samenleving die gekenmerkt wordt door een hoge mate van gemanipuleerde en
                onbetrouwbare kennis en informatie roept per definitie grote spanningen en
                instabiliteit op. ict kan de betrouwbaarheid en authenticiteit van kennis aantas-
                ten. Ten tweede zal een beschaafde, stabiele samenleving zich kenmerken door de
34              aanwezigheid van betrouwbare kennis over het verleden. Juist bij ict is instand-
                houding van het geheugen van de (digitale) samenleving een probleem.
                Vanuit het oogpunt van sociale integratie en stabiliteit zijn op het kennisterrein
                dan ook drie aandachtspunten relevant:
                1 het risico van sociale segregatie door het ontstaan van gesloten kennisgemeen-
                    schappen;
                2 goede procedures die de betrouwbaarheid en authenticiteit van kennis en
                    informatie waarborgen;
                3 instandhouding van het geheugen van de samenleving.
      1.8       de indeling van het r apport
                Dit rapport valt in twee delen uiteen. Het eerste deel wordt gevormd door de
                hoofdstukken 2 en 3 en behelst een algemene analyse van de veranderingen in de
                kennissamenleving onder invloed van ict. Hoofdstuk 2 biedt een theoretische
                analyse van de veranderingen die zich de afgelopen decennia in het kennisbegrip
                hebben voorgedaan. Er is een diffuser kennisbegrip ontstaan dat sterk afhankelijk
                is van de sociale context. Dit heeft tevens geleid tot een verschuiving in de ver-
                houding tussen experts en non-experts. In hoofdstuk 3 wordt specifiek ingegaan
                op de veranderingen die ict en internet teweeg hebben gebracht in de kennissa-
                menleving. Na een korte schets van de geschiedenis van ict en internet worden
                drie probleemgebieden besproken die in de kennissamenleving om aandacht vra-
                gen, te weten de toegang tot informatie en kennis, de toe-eigening van informa-
                tie en kennis en het beheer van de kwaliteit van informatie en kennis.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 38 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 39 ======================================================================

<pre>                                   inleiding: variatie en verankering van kennis in de kennissamenleving
In het tweede deel van dit rapport wordt deze algemene analyse toegepast op vier
specifieke kennisdomeinen: de markt van informatiegoederen (hfdst. 4), het
wetenschappelijk onderzoek en technologische innovatie (hfdst. 5), het onder-
wijs (hfdst. 6) en bibliotheken en archieven (hfdst. 7). In elk van deze hoofdstuk-
ken wordt nagegaan welke invloed ict heeft op het onderhavige domein, in
welke mate hierdoor problemen ontstaan ten aanzien van toegang, toe-eigening
en kwaliteitsbeheer van kennis en welke rol de overheid en de actoren in het
betreffende domein dienen te spelen om de mogelijkheden van ict optimaal te
benutten.
Het rapport wordt afgesloten met een concluderend hoofdstuk 8. In dit slot-
hoofdstuk wordt een vijftal hoofdlijnen uit het rapport samengevat en wordt
nader ingegaan op de veranderende rol van de overheid in de kennissamenleving.
Ten slotte worden hier ook de belangrijkste beleidsaanbevelingen ten aanzien van
de vier kennisdomeinen opgesomd.
                                                                                                         35
</pre>

====================================================================== Einde pagina 39 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 40 ======================================================================

<pre>   va n oude en nieu w e k e n nis
      noten
      1
                De vn-verdragen (1966) inzake burgerrechten en politieke rechten, en over de
                sociale, economische en culturele rechten.
36
</pre>

====================================================================== Einde pagina 40 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 41 ======================================================================

<pre>                                                                       veranderingen in het kennisbegrip
2   ver anderingen in het kennisbegrip
2.1 inleiding
    Zoals in het vorige hoofdstuk werd aangegeven, is de maatschappelijke rol van
    kennis in de afgelopen decennia veranderd. Ook het begrip ‘kennis’ zelf verandert
    echter van betekenis. Buiten de wetenschappelijk gevalideerde kennis waaraan
    Bell (1973) refereerde, is er nu ruimte ontstaan voor een breed scala aan alternatie-
    ve vormen van kennis die betrekking hebben op de toepassing, het gebruik,
    advies en ‘management’ van die kennis. Het concept van de ‘ware kennis’ (‘verid-
    ical truth’), dat bij Bell de boventoon voerde, is van verschillende kanten bekriti-
    seerd als een te nauwe of eenzijdige omschrijving van kennis, en is daarom aan-
    gevuld met andere concepten. Aan de ene kant geldt kennis als iets dat openbaar
    moet zijn, vrij toegankelijk en voor een ieder in principe leerbaar en overdraag-
    baar. Kennis is universeel, objectief en berust op een gedeeld inzicht in de samen-
    hang der dingen. Aan de andere kant vindt de ontwikkeling van dergelijke ken-
    nis, alvorens zij toegankelijk wordt gemaakt en verspreid, achter gesloten deuren
    plaats. Dit geldt in het bijzonder voor wetenschappelijke kennis. Meer in het alge-
    meen is kennis die ontwikkeld is in expertgemeenschappen, een publieke aange-                        37
    legenheid met beperkte toegang.
    Deze beslotenheid is discutabel geworden. Zowel de kennis als de positie van de
    expert ondervinden tegenwicht. Waar de interne codes en regels binnen expert-
    gemeenschappen voor het doen van goed onderzoek nog van kracht zijn, is druk
    gezet op de externe communicatie, presentatie en verantwoording. De normen
    en gedragsregels die de kwaliteit van het werk intern moeten bewaken, zijn min-
    der adequaat gebleken om uitdrukking te geven aan de maatschappelijke positie
    van kenners, kennisinstituten en hierdoor ook aan het kennisbegrip. Naast het
    concept van de ‘veridical truth’ zijn andere kennisvormen belangrijk geworden.
    Procedures om de uitkomsten van onderzoek, kennis, maatschappelijk geaccep-
    teerd te krijgen hebben onmiskenbaar een plaats verworven naast de procedures
    die gelden om dergelijke kennis binnen expertgemeenschappen te bereiken. Het
    sterkst is dit merkbaar in beroepen waar een direct contact bestaat tussen expert
    en non-expert. Daarin vormt de asymmetrische relatie zich om naar een meer
    symmetrische verhouding. Een nieuw contract ontstaat tussen de kenner en de
    leek, de patiënt, de leerling of zelfs de burger in het algemeen.
    In dit hoofdstuk worden de veranderingen in het kennisbegrip in kaart gebracht.
    Hiertoe wordt in paragraaf 2.2 een aantal theoretische modellen van kennis met
    elkaar geconfronteerd. In deze modellen gaat het niet alleen om de betekenis van
    het begrip ‘kennis’, maar ook om de wijze waarop kennis tot stand komt, wordt
    overgedragen en in de praktijk wordt toegepast. Eén specifiek kennismodel, het
    zogenaamde translatiemodel, is naar het oordeel van de raad het meest geschikt
    om de veranderde betekenis van kennis in de samenleving te begrijpen. Uitgaande
    van dit model wordt in paragraaf 2.3 een overzicht geboden van de verschillende
</pre>

====================================================================== Einde pagina 41 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 42 ======================================================================

<pre>   va n oude e n nieu w e k e n nis
                 interpretaties die tegenwoordig aan kennis worden gegeven en van de spanning
                 met het traditionele kennisbegrip die daaruit ontstaat. Een van de belangrijkste
                 maatschappelijke gevolgen hiervan is de verandering in de relatie tussen experts
                 en non-experts. Op de controverses rond expertise die dit oproept, gaat paragraaf
                 2.4 nader in. In paragraaf 2.5 worden tot slot enkele conclusies getrokken.
      2.2        vormen van kennis
                 De theorievorming over kennis en informatie is een strijd op meerdere fronten.
                 Concepten van kennis geven in de eerste plaats een inhoudelijk oordeel over ken-
                 nis. Wat wordt er onder kennis verstaan, hoe kan dit worden bereikt en aan welke
                 eisen moet worden voldaan? In de tweede plaats heeft de theorievorming over
                 kennis, impliciet of expliciet, een organisatorische component. Inhoudelijke
                 bepalingen moeten immers ook een praktische uitwerking krijgen: hoe wordt het
                 kwaliteitsbeheer ingericht, wie bewaakt de procedures en welke personen, orga-
                 nisaties of instituties zijn hierbij betrokken? In de derde plaats richten de concep-
                 ten zich op verschillende aspecten van kennis: de creatie, de ontsluiting, de ver-
                 spreiding, de overdracht, de toepassing of de toe-eigening.
                 In het vervolg worden eerst vier concepten van kennis besproken. De nadruk ligt
38               hierbij op het eerste element, de inhoudelijke bepaling (‘vormen van kennis’).
                 Daarna worden de organisatorische implicaties behandeld en de specifieke aspec-
                 ten waarop de verschillende kennisconcepten zich richten.
                 De verschillen tussen de concepten zijn goed aan te geven aan de hand van een
                 vergelijking met het zogenaamde ‘standaardmodel’. Het standaardmodel is een
                 ideaaltypisch concept dat als zodanig nauwelijks nog wordt gehanteerd, maar dat
                 heel bruikbaar is als achtergrond waartegen de vier andere concepten kunnen
                 worden verkend.
      2.2.1      het standaardmodel
                 Het verband tussen data, informatie en kennis wordt in zijn meest eenvoudige
                 vorm weergegeven door het standaardmodel. In deze klassieke indeling vloeit
                 kennis voort uit informatie, die op haar beurt weer wordt afgeleid uit data. Zo
                 ontstaat de volgende reeks:
                    data  informatie  kennis
                 Data zijn niet-geïnterpreteerde, ongeordende gegevens. Wanneer data worden
                 geordend en ontsloten, verkrijgen zij betekenis en ontstaat informatie. Door
                 informatie te selecteren, te valideren en te interpreteren verkrijgt men ten slotte
                 kennis. Kennis omvat in het standaardmodel evenwel ook de expertise en vaar-
                 digheden om informatie als zodanig te kunnen herkennen, selecteren, en benut-
                 ten. De reeks impliceert niet alleen een volgorde, maar ook een rangorde: kennis
                 staat op een hoger niveau dan informatie.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 42 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 43 ======================================================================

<pre>                                                                       veranderingen in het kennisbegrip
      Aan bovenstaande reeks van het standaardmodel dient een aantal terugkoppelin-
      gen te worden toegevoegd. De selectiemechanismen waardoor informatie wordt
      opgewaardeerd tot kennis, kunnen zich bijvoorbeeld na verloop van tijd aanpas-
      sen, waardoor adequater op veranderende informatie-input wordt gereageerd. Er
      ontstaat een terugkoppeling van de data- en informatiestromen naar de respec-
      tievelijke informatie- en kennissystemen die als filters fungeren. Daarom wordt
      in de term ‘kennis’ een onderscheid gemaakt tussen de kennis die als informatie
      binnenstroomt en wordt omgezet in nieuwe kennis, en de kennis die gebruikt
      wordt om de informatie te beoordelen en te selecteren (metakennis).
      De stromen in het model zouden echter ook in tegengestelde richting kunnen
      lopen: informatie wordt dan beschouwd als kennis die is gereduceerd tot bood-
      schappen (Dasgupta en David 1992). In plaats van een voorstadium tot kennis is
      informatie dan juist de compacte en gecondenseerde (en dus transporteerbare en
      communiceerbare) vorm ervan.
      Deze kanttekeningen bij het standaardmodel hebben betrekking hebben op twee
      nauw verbonden aspecten: de route, zoals het model die beschrijft, van data naar
      informatie en kennis, en de mate waarin kennis en informatie transporteerbaar
      zijn. Ze monden evenwel niet uit in principiële kritiek op de bewering dat kennis
      en informatie van vorm kunnen veranderen en zonder kleerscheuren kunnen                            39
      worden getransporteerd. Het standaardmodel is in deze visie weliswaar een
      onuitgewerkt model, maar inhoudelijk niet onjuist.
      Zoals gezegd, het standaardmodel is een ideaaltypisch model. De bouwstenen
      ervan keren echter terug in de meeste alternatieve modellen, die soms echter een
      andere interpretatie aan die bouwstenen geven. Achtereenvolgens worden hierna
      een model besproken waarin de nadruk ligt op het handelen van de gebruiker van
      kennis (het handelingsmodel), een model van getoetste kennis (het veritistische
      model), een model van kennisverspreiding (het diffusiemodel) en een model
      waarin de context van kennis centraal staat (het translatiemodel).
2.2.2 kennis en de gebruiker: het handelingsmodel
      Het model dat hier besproken wordt, stelt de rol van de gebruiker van kennis en
      informatie centraal. Het vormt in enkele opzichten een alternatief voor het stan-
      daardmodel. Een eerste nuancering bij het standaardmodel betreft de vraag in
      hoeverre de opeenvolging van data, informatie en kennis een volledige reeks
      vormt. Het stadium waarin kennis wordt bereikt, is immers niet noodzakelijker-
      wijze het natuurlijke slotakkoord. Informatie kan ook een aanzet zijn tot actie in
      plaats van tot kennis (Polanyi 1958: 175). In het model kan ‘kennis’ dan ook
      gevolgd worden door ‘potentieel handelen’ (Van der Lubbe en Nauta 1994). Hier-
      mee ontstaat het volgende schema:
         data  informatie  kennis  potentieel handelen
      Door de categorie ‘handelen’ in het model te betrekken wordt het procesmatige
      karakter van kennis recht gedaan. Bovendien kan hierdoor de rol van de gebruiker
</pre>

====================================================================== Einde pagina 43 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 44 ======================================================================

<pre>   va n oude e n nieu w e k e n nis
                 (essentieel waar het de transformaties in de verschillende stappen betreft) con-
                 ceptueel een plaats krijgen.
                 Een tweede, meer algemene kritiek op het standaardmodel is dat het te grofkorre-
                 lig is voor een nauwkeurige beschrijving van de bijzondere en specifieke wijze
                 waarop de termen ‘data’, ‘informatie’ en ‘kennis’ in verschillende vakgebieden en
                 deeldomeinen worden gebruikt. Het model levert geen scherpe definities op. Dit
                 bezwaar zou men kunnen ondervangen door in het model verschillende vormen
                 van kennis te onderscheiden, zoals kennis als vermogen tot iets, kennis als geva-
                 lideerde uitspraken over de werkelijkheid, kennis als ‘bestand’. Het is echter de
                 vraag of dit slechts verschillende aspecten van kennis zijn dan wel eigenstandige
                 fenomenen, die zich slechts in woord onder dezelfde noemer scharen.
                 Een derde punt van kritiek is dat er in het standaardmodel geen ruimte is voor de
                 ‘impliciete’ component van kennis of tacit knowledge (Polanyi 1958, 1967; Collins
                 1985). Het gaat hierbij om de kennis die nodig is om andere kennis te kunnen
                 benutten, maar die niet is vastgelegd in het product (bijv. een tekst) waarmee die
                 kennis wordt overgedragen. Impliciete kennis is opgeslagen in mensen, machines
                 en instrumenten en wordt vaak aangeduid met termen als savoir faire, know-
40               how, vuistregels, en learning-by-doing (Callon 1994) (zie verder par. 2.3).
      2.2.3      getoetste kennis: het veritistische model
                 Een volgende kanttekening bij het standaardmodel betreft de vraag of er niet-
                 geïnterpreteerde gegevens (data) bestaan, of beter gezegd: waargenomen kunnen
                 worden. Zo heeft de wetenschapsfilosoof Popper betoogd dat waarnemingen
                 altijd al ‘theoriezwanger’ zijn. Wat men waarneemt, is altijd een afgeleide van
                 wat men (op theoretische gronden) verwacht (Popper 1963). Deze vaststelling op
                 zichzelf (‘waarnemingen zijn theoriezwanger’) hoeft echter nog niet tot de keuze
                 van een specifiek model te leiden. Die keuze hangt af van de vraag welke conclu-
                 sie eruit wordt getrokken. Luidt de conclusie dat de vraag naar ‘ware’ kennis
                 behoort tot de (inter)subjectieve, sociaalcognitieve orde (kennis als ‘belief’), dan
                 dient zich een volgende vraag aan, namelijk hoe zich false belief’ en justified belief’
                 tot elkaar verhouden. Luidt de conclusie echter dat juist voorkomen moet worden
                 dat kennis een zaak van de subjectieve orde wordt, dan zal eerder worden gepleit
                 voor het opstellen van methodologische en procedurele regels om die subjectivi-
                 teit te ondervangen. Hoewel men redelijk agnostisch blijft ten aanzien van de
                 vraag wat ‘ware kennis’ is, streeft men ernaar in ieder geval de procedures die tot
                 kennis moeten leiden, inzichtelijk en publiekelijk controleerbaar te maken.
                 Deze laatste benadering richt zich expliciet op de veritistische – dat wil zeggen:
                 ‘de waarheid betreffende’, van het Latijnse veritas – aspecten van kennis en infor-
                 matie (Goldman 1999). Ze is primair geïnteresseerd in de vraag hoe kennis en
                 informatie zich verhouden tot waarheid en hoe de gebruikte methode van ken-
                 nistoetsing valt te rechtvaardigen. In plaats van op praktische problemen richt
                 deze benadering zich op de veritistische aspecten van kennis en informatie, en op
</pre>

====================================================================== Einde pagina 44 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 45 ======================================================================

<pre>                                                                        veranderingen in het kennisbegrip
      kwesties met betrekking tot de legitimiteit van methodes om kennis te verwer-
      ven. Om sociale praktijken van kennisontwikkeling en kennisverspreiding te
      onderzoeken is dus een normatief onderscheidingsmechanisme nodig om derge-
      lijke praktijken te evalueren op grond van hun gerichtheid op ‘ware’ kennis. Een
      dergelijke benadering heeft als doel sociale praktijken te evalueren in termen van
      hun uitkomsten en opbrengsten die op waarheid betrekking hebben, zoals ken-
      nis, dwalingen en onwetendheid. Er moet een beroep mogelijk zijn op een exter-
      ne werkelijkheid of op herleidbare personen.
2.2.4 kennis door ver spreiding: het diffusiemodel
      Het derde alternatief voor het standaardmodel, het diffusiemodel, heeft geen
      betrekking op de inhoudelijke kanten van kennis, maar op de verspreiding ervan.
      Het vormt een uitwerking van het standaardmodel tot een model waarin de ver-
      spreiding en overdracht van kennis, technologie en innovaties centraal staan.1
      Over de technische mogelijkheden van verspreiding en overdracht van kennis en
      informatie zijn de aanhangers van het diffusiemodel doorgaans optimistisch
      gestemd. Verspreiding en implementatie van technologie wordt daarbij gezien als
      een afgeleide van de overdracht van kennis. Eventuele problemen lossen zich op
      in het gebruik.                                                                                     41
      Deze zienswijze vormt in zekere zin een uitwerking van de rationaliseringsthese
      van Weber, waarin waardevrijheid een belangrijke rol speelt. Het diffusiemodel
      benadrukt het onderscheid tussen het domein van de wetenschappelijke
      gemeenschap (de experts) en dat van de maatschappelijke circulatie. De fase van
      de vorming en het rechtvaardigen van kennis en de fase van het gebruik van ken-
      nis zijn principieel en institutioneel gescheiden. Pas na legitimatie binnen expert-
      gemeenschappen, wanneer kennis ‘kant-en-klaar’ is, kan het in maatschappelijke
      circulatie worden gebracht.2 Publicerende instanties dragen hierbij de verant-
      woordelijkheid voor de correcte informatieoverdracht. Zij dienen garant te staan
      voor de betrouwbaarheid van de verspreide informatie. Andere bemiddelende
      instanties, zoals bibliotheken en het onderwijs, hebben een overeenkomstige ver-
      antwoordelijkheid. Daarbij wordt verondersteld dat deze intermediaire instanties
      belangeloos en objectief zorg dragen voor een ongekleurde en onvervormde over-
      dracht. Zij fungeren als een zuiver doorgeefluik van kennis tussen de legitimatie
      in expertgemeenschappen en de maatschappelijke circulatie.
2.2.5 het bel ang van de contex t: het tr ansl atiemodel
      De laatste kritiek op het standaardmodel die hier wordt besproken, luidt dat een
      formele inhoudelijke bepaling van de begrippen informatie en kennis onmogelijk
      is, omdat deze begrippen te zeer contextafhankelijk zijn. Deze relativistische kri-
      tiek kent vele varianten en gradaties, maar komt er in essentie op neer dat de
      begrippen kennis en informatie pas in de praktijk betekenis krijgen, afhankelijk
      van de omstandigheden waarin zij worden gebruikt. Met andere woorden: er
      bestaat geen formeel, maar alleen een praktisch onderscheid tussen kennis en
</pre>

====================================================================== Einde pagina 45 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 46 ======================================================================

<pre>   va n oude e n nieu w e k e n nis
                 informatie. Wat in de praktijk als ‘kennis’ geldt, is onderwerp van discussie en
                 strijd. Het getuigt in deze visie daarom van een paternalistische opstelling om dit
                 bij voorbaat te willen vaststellen.
                 Deze relativistische kritiek benadrukt de betekenis en invloed van sociale contex-
                 ten en praktische omstandigheden voor kennis en informatie. De begrippen ken-
                 nis en informatie zijn dus niet onafhankelijk van cultuur en van context. De ver-
                 spreiding, overdracht en receptie van kennis en informatie spelen zich altijd af
                 binnen een omgeving die wordt vormgegeven door de taal, de mensen en de
                 technologie (de socio-technische aspecten). De rol van metaforen (Lakoff en
                 Johnson 1980) en specifiek historische, sociale of psychologische omstandighe-
                 den (Collins 1985; Latour 1987) zijn mede bepalend voor de betekenis die aan ken-
                 nis en informatie (en aan het verschil daartussen!) wordt toegekend.
                 Om kennis succesvol over te dragen (in de zin van verspreiding van inzicht of als
                 toepassing en gebruik) moet een succesvolle vertaling en transport worden gere-
                 aliseerd. Deze dubbele eis van zowel cognitieve vertaling als fysieke verplaatsing
                 is vervat in de term ‘translatie’. Dit translatie- of ‘omvormingsmodel’ is oor-
                 spronkelijk ontstaan als een alternatief voor het diffusiemodel van kennis en
42               technologie (Latour 1987). Kritiek op het diffusiemodel was dat hierin te optimis-
                 tisch wordt gedacht over de mogelijkheden om kennis en technologie ongekleurd
                 en onvervormd te verspreiden. In de praktijk van de kennis- en technologieover-
                 dracht is er niet alleen sprake van interactie en feedback tussen de ontwerp- en de
                 gebruiksomgeving, maar spelen ook tal van bemiddelaars en tussenpersonen een
                 rol. Deze drukken hun stempel op de overgedragen kennis en technologie.
                 Bovendien zijn er naast de traditionele wetenschappelijke expertgemeenschap-
                 pen ook nieuwe centra van kennis- en expertiseontwikkeling ontstaan. Maat-
                 schappelijke organisaties zoals niet-gouvernementele organisaties (ngo’s) stre-
                 ven niet alleen bepaalde belangen na; zij vormen ook een onderdeel van het
                 stelsel van ‘checks and balances’, doordat zij maatschappelijke contra-expertise
                 ontwikkelen als tegenwicht tegen vermeende eenzijdige berichtgeving of onjuis-
                 te informatieverstrekking. Hiernaast bieden zij kennis aan, om zaken die de
                 media (nog) niet bereikt hebben op de agenda’s van politiek en wetenschap te
                 krijgen.
      2.2.6      implicaties
                 Welke implicaties hebben de besproken modellen van kennis voor achtereenvol-
                 gens het aspect van kennis dat centraal staat (de focus van het kennisbegrip), de
                 inhoud van het kennisbegrip en de organisatie van kenniscreatie, -verspreiding
                 en -gebruik?
                 Focus
                 De besproken kennismodellen verschillen in hun focus op een specifiek kennis-
                 aspect. Het standaardmodel richt zich op kenniscreatie, op onderzoek dat beoogt
                 nieuwe kennis op te leveren. In het handelingsmodel staat de toepassing en ver-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 46 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 47 ======================================================================

<pre>                                                                  veranderingen in het kennisbegrip
spreiding van kennis centraal. Zo is de stilzwijgende component van kennis pro-
blematisch bij de overdracht van kennis. Ook in het diffusiemodel ligt de nadruk
op de verspreiding van al ontwikkelde kennis. Het veritistische model betreft
vooral de toetsing van kennis en de mate van (publieke) controleerbaarheid van
waarheidsclaims. In die zin is het model vooral relevant in het stadium van ont-
sluiting. In het translatiemodel gaat het zowel om de creatie als om de versprei-
ding en toepassing van kennis.
Inhoud
Het standaardmodel is een (positivistische) wetenschapsfilosofische benadering
van het gewenste proces van kennisontwikkeling. Het diffusiemodel ligt min of
meer in het verlengde hiervan: kennis wordt pas verspreid als aan de daarvoor
gestelde eisen is voldoen. Interne legitimering gaat vooraf aan externe versprei-
ding. Het veritistische model problematiseert juist het waarheidsgehalte van ken-
nis, terwijl in het handelingsmodel en het translatiemodel wordt gewezen op de
praktische belemmeringen voor kennisverspreiding en -overdracht. De inhoud
van kennis wordt ook beïnvloed door de wijze waarop zij wordt getransporteerd
en vertaald.
Organisatie                                                                                         43
In het standaardmodel spelen de scheppers en gebruikers van kennis geen rol.
Impliciet gaat het model er echter van uit dat kennisontwikkeling een zaak is van
experts. Het diffusiemodel volgt hierin het standaardmodel en laat de scheiding
tussen ontwikkeling en verspreiding, ofwel tussen interne legitimering en exter-
ne openbaarmaking, ongemoeid. Experts (wetenschappelijk onderzoekers) gene-
reren kennis die vervolgens onder niet-experts kan worden verspreid.
In het veritistische model komt de wetenschappelijke gemeenschap scherper in
beeld. Merton heeft erop gewezen dat wetenschappelijke gemeenschappen zich
onderscheiden door hun beroepscode (Merton 1973; zie ook hoofdstuk 5). De
relatieve autonomie die zij bezitten, wordt gewaarborgd door normatieve
gedragsregels. Zo wordt van wetenschappers verwacht dat zij hun bevindingen
openbaar maken en – wanneer zij hiervan gebruik maken of erop voortbouwen –
verwijzen naar resultaten die door anderen zijn behaald. Volgens sommigen heb-
ben dergelijke regels echter eerder een sociale functie dan een prescriptieve.
Doordat zij integraal onderdeel van de wetenschappelijke beroepsuitoefening
zijn, functioneren zij als een onderscheidend criterium voor het lidmaatschap
van de wetenschappelijke gemeenschap. In plaats van als voorschrift te dienen
voor goed gedrag in normatieve zin, zouden zij eerder de cohesie van de groep
versterken in sociale zin. Zo begrepen is er eerder sprake van een wetenschappe-
lijke cultuur dan van een wetenschappelijke moraal.
Dit sluit ten dele ook aan bij het handelingsmodel, vooral bij het aspect van de
impliciete kennis. Binnen de grenzen van de expertgroep gelden regels die elders
niet gelden, en die men zich ook niet zomaar eigen kan maken. Het is een zaak
voor insiders, die over een bepaalde impliciete kennis beschikken. Het omschrij-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 47 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 48 ======================================================================

<pre>   va n oude e n nieu w e k e n nis
                 ven van wetenschap als een ambacht dient ervoor om duidelijk te maken dat bui-
                 tenstaanders die niet over die impliciete kennis beschikken, gemakkelijk brokken
                 kunnen maken. Het benadrukken van de culturele dimensie van expertgroepen
                 kan dus ook kennispolitieke implicaties hebben (De Wilde 2001).
                 Het handelingsmodel biedt aanknopingspunten voor de opvatting dat kennis ook
                 buiten het wetenschappelijke domein in de (beroeps)praktijk kan worden gege-
                 nereerd. Hiermee sluit het aan op het translatiemodel, volgens welke de scherpe
                 afbakening van de wetenschappelijke gemeenschap problematisch is. Deze stren-
                 ge demarcatie suggereert dat kennisontwikkeling plaats vindt in een ivoren toren,
                 waar kennis uit komt en niets in gaat. Sociologisch en antropologisch onderzoek
                 naar kenniscreatie en kennisoverdracht heeft evenwel aangetoond dat de scheids-
                 lijnen niet zo scherp zijn te trekken. De afbakening van kennisontwikkeling van
                 maatschappelijke, politieke en commerciële belangen wil niet zeggen dat er geen
                 interactie en contact is tussen beide sferen. De sociale scheidslijnen tussen de
                 verschillende domeinen zijn in de praktijk lastig aan te geven. ‘Kennis’ staat nooit
                 op zichzelf, maar vereist menskracht, behuizing, geld, apparatuur. In die zin ver-
                 schilt de praktijk van kennisontwikkeling niet van andere professionele organisa-
                 ties.
44
      2.2.7      conclusie: tr ansl atie van kennis
                 De verschillende modellen van kennis geven verschillende antwoorden op de
                 vraag wat het verschil is tussen informatie en kennis en onder welke voorwaar-
                 den of omstandigheden een (geslaagde) transformatie van de eerste naar de laat-
                 ste plaatsvindt. Ze doen dat, impliciet, in termen van inhoud, organisatie en
                 focus (ontwikkeling, ontsluiting, verspreiding, overdracht, toegang, toepassing,
                 gebruik en toe-eigening). Welke conclusie kunnen we nu hieruit trekken ten aan-
                 zien van de modellen en de aan het begin van dit hoofdstuk geconstateerde ver-
                 andering die het kennisbegrip in de afgelopen decennia heeft ondergaan?
                 Doordat de focus van de besproken modellen verschilt, is het moeilijk op basis
                 hiervan een eensluidende conclusie te formuleren. Doordat het translatiemodel
                 het meest algemene model is, dat (impliciet of expliciet) uiteenlopende aspecten
                 van kennis omvat, lijkt dit het meest geschikt om een conclusie op te baseren.
                 Het translatiemodel contrasteert duidelijk met het sterk intern wetenschappelij-
                 ke karakter van het standaardmodel en de optimistische verwachting van het dif-
                 fusiemodel. Het besteedt aandacht aan de creatie van kennis, maar schetst hier-
                 van een meer genuanceerd en hierdoor realistischer beeld dan het veritistische
                 model. Daarnaast schenkt het translatiemodel, net als het handelingsmodel, veel
                 aandacht aan de rol van de gebruikers van kennis.
                 De conclusie kan dan ook luiden dat de veelvoudige betekenis van het begrip ken-
                 nis in de hedendaagse samenleving het meest adequaat wordt weergegeven door
                 het translatiemodel. Het translatiemodel doet het meeste recht aan de ‘nieuwe’
                 vormen van kennis die naast het concept van de ‘veridical truth’ in belang zijn
</pre>

====================================================================== Einde pagina 48 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 49 ======================================================================

<pre>                                                                      veranderingen in het kennisbegrip
    toegenomen. Maar dit wil niet zeggen dat de andere onderzochte modellen
    ‘gewogen zijn en te licht bevonden’. Zij benadrukken vaak andere aspecten van
    kennis en zijn niet op alle punten vergelijkbaar. Om echter het verschil aan te
    geven tussen het huidige kennisbegrip en de rol die aan kennis werd toebedacht
    in de ‘kennissamenleving’ van Bell en de vorm van kennis die hij daarbij voor
    ogen had, is het translatiemodel het meest geschikt. Dit model geeft de rol van
    kennis in de huidige maatschappij het beste weer.
    Geen van de modellen, ook het translatiemodel niet, geeft een scherpe definitie
    van het kennisbegrip. Naast elkaar geplaatst benadrukken ze juist de verschillen-
    de interpretaties (en invalshoeken) die aan kennis kunnen worden gegeven. De
    volgende paragraaf gaat in het verlengde hiervan specifieker in op enkele ver-
    schillende interpretaties van kennis die in het voorafgaande ter sprake kwamen
    en die in het bijzonder relevant zijn voor vragen rond de publieke dimensie van
    kennis.
2.3 beslotenheid, openbaarheid en toe-eigening van kennis
    Het translatiemodel van kennis richt de aandacht op de factoren die van invloed
    zijn op de vertaling en het transport van kennis. Verschillen tussen gebruikers-                    45
    groepen, verschillen in achtergrondkennis, sociale en culturele verschillen zijn
    volgens dit model niet zozeer belemmeringen, die al dan niet adequaat uit de weg
    geholpen moeten worden, als wel veranderende condities die de vertaling en ver-
    plaatsing van kennis beïnvloeden. Deze visie staat op gespannen voet met het
    klassieke idee dat kennis universeel geldig is, los van subjectieve en contextuele
    verschillen. Dit uit zich in de spanning tussen verschillende interpretaties van
    kennis.
    Gecodificeerde versus stilzwijgende kennis
    In de eerste plaats kan onderscheid worden gemaakt tussen kennis los van perso-
    nen (‘knowledge without a knowing subject’) en kennis die aan een specifieke
    persoon gebonden is. Met andere woorden: het gaat dan om de vraag in hoeverre
    kennis gecodificeerd kan worden, dat wil zeggen vastgelegd in een document
    (een tekst, blauwdruk, algoritme, formule enz.). Niet-gecodificeerde kennis is de
    impliciete of ‘stilzwijgende’ kennis (tacit knowledge3) die ten grondslag ligt aan
    vaardig, vakbekwaam handelen, maar waarvan de handelende persoon zich niet
    (volledig) bewust is of die hij niet nauwkeurig kan beschrijven (Cowan, David en
    Foray 1999). Het is kennis die in beginsel alleen van de ene persoon op de andere
    kan worden overgedragen via directe interactie, bijvoorbeeld in een traditionele
    meester-gezelrelatie. Impliciete kennis leert men niet door een tekst te lezen,
    maar via demonstratie, correctie, ondersteuning en ervaring. Het verwerven van
    impliciete kennis wordt dan ook sterk bepaald door de sociale omgeving of de
    context waarbinnen die kennis wordt gebruikt. Impliciete kennis speelt een
    belangrijke, maar vaak onderschatte rol in wetenschappelijk onderzoek (hfdst. 5)
    en in onderwijs (hfdst. 6).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 49 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 50 ======================================================================

<pre>   va n oude e n nieu w e k e n nis
                 Dat kennis impliciet is, wil nog niet zeggen dat hij niet gecodificeerd kan worden.
                 Codificatie brengt soms ook kosten met zich mee. Tegenover deze kosten staat
                 het voordeel dat eenmaal gecodificeerde kennis eenvoudiger en tegen lagere kos-
                 ten kan worden overgedragen aan een willekeurig aantal anderen (Nonaka en
                 Takeuchi 1995). Moderne informatie- en communicatietechnologieën kunnen
                 ertoe bijdragen dat ofwel het codificeren van impliciete kennis ofwel het overdra-
                 gen van gecodificeerde kennis goedkoper wordt, zodat het eerder loont om impli-
                 ciete kennis om te zetten in gecodificeerde kennis. Voorbeelden zijn expertsyste-
                 men en simulatoren. De impliciete kennis van een arts die een diagnose stelt of
                 een piloot die een vliegtuig bestuurt, kan hiermee sneller en goedkoper worden
                 overgedragen aan anderen.
                 Het waarheidsgehalte van kennis
                 In de tweede plaats is er discussie mogelijk over het waarheidsgehalte van infor-
                 matie en kennis. Hanteert men een traditioneel kennisbegrip dat privé-kennis
                 uitsluit, dan is het in principe duidelijk hoe het waarheidsgehalte van kennis kan
                 worden gewaarborgd, namelijk door middel van controle. Vervolgens dient nog
                 wel de wijze van controle te worden vastgesteld. De toonaangevende manier is de
                 traditionele wetenschappelijke methode, waarin de publieke controle een vast
46               element is in de eis van de herhaalbaarheid van experimenten en de publieke toe-
                 gang tot gevolgde methodes. Acht men ook privé-kennis mogelijk (in de vorm
                 van impliciete kennis), dan is het waarheidsgehalte minder eenvoudig te bepalen.
                 Kennis die niet deelbaar of communiceerbaar is en lastig expliciteerbaar, laat zich
                 immers moeilijk ‘publiek’ of ‘openbaar’ controleren.
                 Publieke versus private benutting van kennis
                 In de derde plaats is er een onderscheid tussen de publieke en de private benutting
                 van kennis. Het al dan niet codificeerbaar zijn van kennis heeft gevolgen voor de
                 wijze waarop kennis toegankelijk kan worden gemaakt en hiermee ook voor de
                 mate waarin kennis kan worden toegeëigend. Onder toe-eigening wordt hier ver-
                 staan de benutting van kennis voor private (commerciële) doeleinden, waarbij
                 men het eigendomsrecht van die kennis claimt.
                 Impliciete kennis is in beginsel volledig toe-eigenbaar, zonder dat hiervoor enige
                 regelgeving (zoals intellectuele eigendomsrechten) benodigd is. De mogelijkheid
                 voor een onderneming om zich de impliciete kennis van haar medewerkers toe te
                 eigenen, wordt echter beperkt door de mobiliteit van het personeel. Als een
                 medewerker vertrekt naar een ander bedrijf, neemt hij zijn impliciete kennis mee.
                 Door hieraan in een arbeidscontract beperkingen op te leggen (bijv. in de vorm
                 van een anticoncurrentiebeding), kan een onderneming in beginsel de benutting
                 van deze impliciete kennis door anderen proberen tegen te gaan (zie ook par. 5.2.3
                 over ‘sticky’ kennis).
                 Naarmate kennis beter codificeerbaar is, is zij gemakkelijker te verspreiden en
                 hiermee publiek te maken. Hierdoor wordt het lastiger om het gebruik van deze
                 kennis toe te eigenen. Moderne technologieën die de reproductie en verspreiding
</pre>

====================================================================== Einde pagina 50 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 51 ======================================================================

<pre>                                                                  veranderingen in het kennisbegrip
van gecodificeerde kennis vergemakkelijken, vergroten dit probleem nog eens.
Wettelijke bescherming van intellectueel eigendom biedt aan private partijen de
mogelijkheid om zich gecodificeerde kennis toch toe te eigenen. Enerzijds maakt
dit het economisch aantrekkelijker om nieuwe kennis te creëren en te codificeren,
anderzijds beperkt het de mogelijkheden deze kennis publiek te benutten (in
hfdst. 4 wordt hierop dieper ingegaan).
De status van kennis
In de vierde plaats zijn er verschillen in de status van kennis. Wetenschappelijk
werk wordt publicabel en geschikt voor de openbaarheid geacht, wanneer aan de
interne criteria van de wetenschappelijke gemeenschap is voldaan. Kennis die
niet aan deze criteria voldoet, heeft een lagere status.
Een dergelijk onderscheid is echter minder eenvoudig te maken wanneer er spra-
ke is van een wetenschappelijke controverse of wanneer men inzicht wil verkrij-
gen in een maatschappelijk probleem waarvoor de benodigde wetenschappelijke
kennis omstreden is. De meningen over de waarheid lopen dan uiteen, er bestaan
verschillende (al dan niet wetenschappelijke) benaderingen naast elkaar of het
probleem is niet scherp afgebakend. De status van de kennis is dan onzeker.
Dit is ook vaak het geval bij interdisciplinair onderzoek. Doordat wetenschappe-                    47
lijke tijdschriften voornamelijk monodisciplinair zijn, is het voor het interdisci-
plinair onderzoek lastig een medium te vinden dat aan deze kennis de status van
wetenschappelijkheid kan verschaffen (zie hierover verder hfdst. 5). Nog gecom-
pliceerder wordt het wanneer de kennisaanbieders niet alleen uit de wetenschap
maar ook uit andere maatschappelijke hoeken afkomstig zijn. Bij debatten over de
veiligheid van genetisch gemodificeerd voedsel en bij milieuvraagstukken is dit
bijvoorbeeld eerder regel dan uitzondering.
Interdisciplinaire kennisontwikkeling, probleemgericht onderzoek, het ontstaan
van ‘extended peer communities’ (waarin de kwaliteit van het wetenschappelijk
werk ook door maatschappelijke vertegenwoordigers – belanghebbenden, uit-
voerende organen, leken-experts – wordt beoordeeld) zijn voorbeelden van ken-
nisontwikkeling op het snijvlak van de wetenschappelijke gemeenschap en de
‘buitenwereld’. Van de kennis die maatschappelijk circuleert en bediscussieerd
wordt, is de wetenschappelijke status vaak ongewis, omdat er geen sprake meer is
van eenduidige, interne, wetenschappelijke criteria om het waarheidsgehalte
ervan te beoordelen (Gibbons et al. 1994; Funtowicz en Ravetz 1990).
De verschillende kennismodellen die in de vorige paragraaf werden besproken,
geven dus aanleiding tot een aantal belangrijke onderscheidingen in het kennis-
begrip, waardoor dit dubbelzinniger wordt. Sommige interpretaties van kennis
staan op gespannen voet met andere concepties. Deze spanningen geven tezamen
echter een beeld van de verandering die is opgetreden in het kennisbegrip.
Het kennisbegrip van de ‘oude’ kennissamenleving zoals Bell die beschreef (zie
hfdst. 1), betrof gecodificeerde, openbare kennis, die publiekelijk toegankelijk
was en wetenschappelijk gevalideerd. Het kennisbegrip in de huidige kennis-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 51 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 52 ======================================================================

<pre>   va n oude e n nieu w e k e n nis
                 samenleving omvat echter ook impliciete kennis, met tot op zekere hoogte een
                 privé-karakter, die door private partijen kan worden toegeëigend en waarvan het
                 waarheidsgehalte (nog) niet gevalideerd is.
      2.4        vertaling en verpl aatsing van kennis: nieuwe
                 bemiddel aars
                 De in de vorige paragraaf geschetste spanning tussen verschillende interpretaties
                 van kennis heeft ingrijpende gevolgen voor de vertaling en verplaatsing van ken-
                 nis en hiermee voor de relatie tussen experts en non-experts. De traditionele
                 scheidslijn tussen de experts van de wetenschappelijke gemeenschap en leken
                 valt niet onverkort te handhaven. De rol van bemiddelaars tussen experts en
                 leken wordt steeds belangrijker. Deze paragraaf gaat in op de gevolgen van deze
                 veranderende verhouding tussen experts en non-experts en op de rol van bemid-
                 delaars en tussenpersonen.
      2.4.1      de ver schuivende verhouding tussen experts en non - experts
                 Experts zijn er in soorten en maten, van de expert in de enge zin (advies) tot de
48               docent (overdracht), de onderzoeker (ontwikkeling), de kennismakelaar (koppe-
                 ling) en de professional (toepassing). Deze beroepen onderscheiden zich door een
                 bepaalde kennisasymmetrie: de expert beschikt over meer of meer gespecialiseer-
                 de kennis en kunde dan de non-expert, de leek, cliënt of leerling.
                 De geprivilegieerde status van de expert heeft niet alleen zijn oorsprong in diens
                 cognitieve voorsprong ten opzichte van de non-expert. Een belangrijk kenmerk
                 van de expert is zijn onafhankelijkheid. Een expert wordt verondersteld in hoge
                 mate belangeloos en objectief te zijn. De informatie die een arts, onderwijzer of
                 adviseur verstrekt of de handelingen die hij verricht, dient niet te zijn ingegeven
                 door politieke of commerciële belangen. De status van expert brengt derhalve een
                 verantwoordelijkheid met zich mee, die bijvoorbeeld wordt gewaarborgd door
                 beroepscodes, certificering en salaris.
                 Het idee dat een expert zijn positie uitsluitend ontleent aan zijn bijzondere
                 expertise, is echter betwistbaar. Swierstra (1998) wijst erop dat dit alleen het
                 geval is in wat hij de Platoonse benadering noemt: een expert is iemand die door
                 (of in) de samenleving een onafhankelijke positie heeft verkregen op grond van
                 zijn bijzondere kennis. Hiertegenover staat echter de Latouriaanse benadering,
                 volgens welke iemand verondersteld wordt bijzondere kennis te bezitten, omdat
                 hij een onafhankelijke positie heeft. Terwijl de onafhankelijkheid van de expert
                 in de eerste benadering het resultaat is van zijn kennis, is de veronderstelde
                 expertise volgens de andere benadering het resultaat van zijn maatschappelijke
                 positie.
                 Deze wederzijdse relatie tussen kennis en status komt tot uitdrukking in veel
                 maatschappelijke ontwikkelingen. Veranderingen in de relatie tussen docent en
                 leerling, arts en patiënt en wetenschapper en leek duiden daar op. Meer keuze-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 52 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 53 ======================================================================

<pre>                                                                         veranderingen in het kennisbegrip
      vrijheid van de consumerende partij, toegenomen mogelijkheden tot inspraak en
      beroep, een betere scholing en informatievoorziening, een minder nederige rol
      van de gebruiker en een meer assertieve opstelling hebben ertoe bijgedragen dat
      de onafhankelijke positie van de expert minder en minder een fact of life is en
      steeds vaker ter discussie wordt gesteld.
      De toegenomen druk op de expert betreft echter niet alleen zijn status maar ook
      zijn expertise. Pressiemiddelen als inspraakprocedures, second opinion en eigen
      onderzoek van consumentenorganisaties zijn steeds meer als ‘countervailing evi-
      dence’ gaan fungeren tegenover of naast de kennis van de expert. Zo doen patiën-
      tenverenigingen voorstellen voor andere behandelmethoden of medicatie
      (Epstein 1996), verlangen leken verenigd in belangenorganisaties en ngo’s
      inspraak ten aanzien van controversiële technologische ontwikkelingen en
      beschikken leerlingen in het voortgezet onderwijs niet zelden over meer ict-
      kennis dan hun docent.
      Deze en soortgelijke ontwikkelingen die de kennis van de expert betreffen, heb-
      ben logischerwijs ook gevolgen voor de maatschappelijke positie van de expert.
      In toenemende mate is zijn status in het geding. In de volgende paragraaf wordt
      deze ontwikkeling nader in beeld gebracht.
                                                                                                           49
2.4.2 controver ses rond expertise 4
      De verhoudingen tussen experts en niet-experts zijn de afgelopen decennia op ter-
      reinen als gezondheid, voeding, defensie, milieu, en recentelijk ook informatie-
      technologie aan verandering onderhevig geweest. Controverses rond expertise zijn
      op deze terreinen maatschappelijk gezien op de voorgrond getreden en, zoals een
      vluchtige blik op de voorpagina’s van de kranten leert, een vrijwel dagelijkse reali-
      teit geworden. De effecten van genetisch gemodificeerde gewassen op ecosyste-
      men, wetten over intellectueel eigendom, de gezondheidseffecten van munitie die
      verarmd uranium bevat, het stralingsgevaar van mobiele telefonie, de realiseer-
      baarheid van een Missile Defense Shield, de milieuonvriendelijkheid van mineraal-
      water, privacy van e-mail, de gezondheidsklachten van oorlogsveteranen en van
      dragers van het nieuwste model gymschoenen, de lijst van voorbeelden kan bijna
      eindeloos worden uitgebreid. Wie oudere kranten erop naslaat, vindt vergelijkbare
      debatten over kernenergie, de gevolgen van de uitstoot van chemicaliën op het
      milieu en het gat in de ozonlaag. Discussies met tegelijkertijd een hoog technisch
      gehalte en een concrete politieke lading hebben een vaste plaats veroverd op de
      maatschappelijke agenda. De genoemde controverses spelen zich vooral af op de
      terreinen van gezondheid, voeding, defensie, milieu en, in toenemende mate, tele-
      communicatie.5 Zij betreffen zo goed als altijd zaken die direct relevant zijn voor
      burgers.
      Als een enigszins arbitrair beginpunt voor de ontwikkeling waarin controverses
      rond expertise maatschappelijk op de voorgrond traden, kunnen de jaren zeven-
      tig worden aangewezen. Vanaf die tijd heeft zich in Europa een aantal grote en
      kleine rampen voorgedaan, waarbij de maatschappelijke geloofwaardigheid van
</pre>

====================================================================== Einde pagina 53 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 54 ======================================================================

<pre>   va n oude e n nieu w e k e n nis
                 door overheden en bedrijfsleven in de arm genomen experts onvoldoende bleek.
                 Het bekend worden van de langetermijneffecten van ddt (‘Silent Spring’), de
                 ramp in Tsjernobil, de Brent Spar-affaire en de bse-crisis zijn voorbeelden daar-
                 van. In deze gevallen stuitte ‘officiële’ expertise in het civiele domein op scepsis
                 en contra-expertise (Jasanoff 1995). Enquêtes onder het publiek en acties van pro-
                 testgroepen geven de indruk dat verklaringen van de zijde van de overheid en het
                 bedrijfsleven over de veiligheid van nieuwe producten door de samenleving in
                 brede kringen in toenemende mate met argusogen werden bekeken.
                 In de discussies die in de media over deze gebeurtenissen gevoerd werden, traden
                 meningsverschillen tussen experts op de voorgrond. In sommige gevallen werd
                 de deskundigheid van de experts door wetenschappelijke buitenstaanders of door
                 onderzoekers vanuit andere disciplines in twijfel getrokken, bijvoorbeeld omdat
                 hun onafhankelijkheid onvoldoende leek te zijn gegarandeerd. In andere gevallen
                 bleken deskundigen, eenmaal aan het woord gelaten door de media, er uiteenlo-
                 pende opvattingen op na te houden, bijvoorbeeld over de precieze aard van de
                 uitkomsten van onderzoek, over de betrouwbaarheid van onderzoeksresultaten
                 of over de bewijsbaarheid van bepaalde claims. De controverses rond expertise
                 die zich in de massamedia afspeelden, ontwikkelden een eigen dynamiek en
50               karakter, onderscheiden van de controverses die binnen de wetenschappen spe-
                 len. Maatschappelijke controverses rond expertise worden dan immers opge-
                 voerd voor (en door) een relatief breed publiek, van het televisiejournaal tot het
                 klaslokaal. De eigen dynamiek van de media gaat een rol spelen. Naast de inge-
                 burgerde media als kranten en tv is hierbij ook in toenemende mate het internet
                 van belang.
                 De interpretatie die de Duitse socioloog Ulrich Beck aan deze ontwikkeling heeft
                 gegeven, is lange tijd toonaangevend geweest en vindt nog altijd veel gehoor
                 (Beck 1986). Beck stelt dat vanaf de jaren zeventig de negatieve neveneffecten van
                 het Westerse ‘techno-economische project’ (de industriële samenleving) de ver-
                 diensten ervan begonnen te overschaduwen. Uiteenlopende nieuwe sociale
                 bewegingen vestigden de aandacht op de risico’s voor gezondheid en milieu die
                 industrialisering met zich meebrengt. Ruimte voor deze bewegingen ontstond
                 volgens Beck mede als gevolg van de aanvankelijke nalatigheid, en het onvermo-
                 gen, van overheid en wetenschap om de risico’s te erkennen. De eisen die deze
                 instituties traditioneel aan expertise stellen, onder meer eisen van wetenschap-
                 pelijke geldigheid en betrouwbaarheid, maakten dit voor hen onmogelijk. De
                 maatschappelijke aandacht voor gevaren voor milieu en gezondheid, en de insti-
                 tutionele definities van risico’s, gingen uit de pas lopen. Becks stelling luidt dat
                 de maatschappelijke aandacht voor milieu- en gezondheidsrisico’s er samen met
                 het onvermogen van traditionele instituties om deze aandacht serieus te nemen,
                 voor heeft gezorgd dat door wetenschap en overheid gesanctioneerde expertise
                 haar maatschappelijke legitimiteit heeft verloren.
                 Beck formuleerde zijn stelling in het midden van de jaren tachtig. Zijn constate-
                 ring dat de legitimiteit van institutioneel verankerde expertise systematisch
</pre>

====================================================================== Einde pagina 54 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 55 ======================================================================

<pre>                                                                    veranderingen in het kennisbegrip
ondermijnd is, blijkt achteraf gezien wat voorbarig. In het licht van recente ont-
wikkelingen moet zijn stelling worden bijgesteld. Een van de redenen hiervoor
zijn de inhaalmanoeuvres waartoe wetenschap, overheid en bedrijfsleven in staat
zijn gebleken. Waarden die van oorsprong met maatschappelijke tegenbewegin-
gen geassocieerd werden, zoals duurzaamheid, zijn inmiddels geïncorporeerd in
overheidsbeleid, wetenschappelijke onderzoeksprogramma’s en industriële doel-
stellingen. Legitimiteit bleek daarmee door gevestigde instanties te kunnen wor-
den herwonnen. De mechanismen waarmee wetenschap, overheid en bedrijfsle-
ven legitimiteit voor hun handelen verwerven, zijn echter blijvend veranderd. De
traditionele institutionele en ideologische garanties volstaan niet langer. De legi-
timiteit van technowetenschappelijke projecten moet telkens opnieuw worden
bewezen. Het besef dat legitimiteit actief bedongen moet worden, en de instru-
menten om dit te bereiken, is in de afgelopen decennia ruim ontwikkeld. Van de
activiteiten van bedrijven, overheidsinstanties en wetenschappelijke instellingen
die gerelateerd zijn (of kunnen worden) aan gezondheid en milieu, vormen
public relations inmiddels een onmisbaar element.
Becks stelling moet nog om een tweede reden worden gecorrigeerd. Lang niet alle
expertise blijkt de aandacht te trekken van het publiek. Hoe prominent controver-
ses rond expertise ook aanwezig zijn in de kranten, zij vormen in verhouding tot                      51
het geheel aan wetenschappelijke kennis dat in de samenleving circuleert, uitein-
delijk een betrekkelijk zeldzaam verschijnsel. De werkzaamheden van – vaak als
zelfstandigen opererende – beroepsgroepen als medici, psychologen en juristen
worden bijvoorbeeld doorgaans met veel minder scepsis bezien dan die van inge-
nieurs en beoefenaren van de natuurwetenschappen die hun werk verrichten bin-
nen grote overheidsorganisaties en het (internationale) bedrijfsleven. Grote delen
van de aanwezige expertise blijven dus buiten het gezichtsveld van de ‘kritische
maatschappij,’ zoals die belichaamd wordt in de massamedia, maatschappelijke
organisaties en sociale bewegingen die zich opwerpen als representanten van het
grote publiek.
Het onderscheid tussen expertise die zonder problemen wordt geaccepteerd en
expertise die ter discussie wordt gesteld, is echter niet stabiel. Er loopt eerder een
continuüm van gevestigde en oncontroversiële wetenschappelijke kennis naar
kennis die wel in het publieke domein ter discussie wordt gesteld. Hierbij ligt de
plaats van een bepaalde expertise op dit continuüm niet vast. Een obscure verze-
keringswet kan plotseling onder vuur komen te liggen, een incident kan voldoen-
de zijn om sociale organisaties, nieuwe sociale bewegingen en de media ertoe te
brengen om expertise openlijk ter discussie te stellen. Geen enkele vorm van
kennis kan definitief aan één van de twee polen geplaatst worden. Technologi-
sche samenlevingen vereisen een enorm vertrouwen in expertise. Er kan echter
niet langer zonder meer op dat vertrouwen worden gerekend.
Wat voor gevestigde expertisen geldt, is echter ook op contra-expertise van toe-
passing. Maatschappelijke aandacht voor kritiek op institutionele expertise moet
eveneens actief bedongen worden. De actoren die de afgelopen decennia de maat-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 55 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 56 ======================================================================

<pre>   va n oude e n nieu w e k e n nis
                 schappelijke contestatie van expertise zijn gaan verzorgen (zoals ngo’s), kunnen
                 er evenmin als overheid, bedrijfsleven en wetenschap van uitgaan dat de legitimi-
                 teit van hun (contra)claims zal worden erkend. De aanvechting van institutionele
                 expertise vereist expliciete organisatie en activiteiten, onder meer gericht op het
                 bewerken van de media. Dit is een derde punt waarop de stelling van Beck moet
                 worden bijgesteld. Ook de delegitimatie van institutionele expertise moet actief
                 bedongen worden: zij bestaat alleen als het resultaat van activiteiten van contesta-
                 tie. Beck stelde eind jaren tachtig dat gevestigde instituties van politiek en weten-
                 schap hun traditionele legitimiteit verloren hadden. Inmiddels is gebleken dat
                 voor alle betrokken partijen – overheid, wetenschap, bedrijfsleven en maatschap-
                 pelijke actoren – geldt dat de legitimatie, en de delegitimatie, van kennisclaims tot
                 een project is geworden.
                 De gedeeltelijke verschuiving van ‘legitimiteit als institutionele garantie’ naar
                 ‘legitimering als project’ heeft zich op het eerste gezicht voltrokken in de context
                 van losse incidenten. Ze komt het duidelijkst naar voren in de maatschappelijke
                 ontvangst van de eerder genoemde kleine en grote rampen. Toch zijn wel degelijk
                 meer structurele verschuivingen in de rolverdeling tussen overheid, bedrijfsle-
                 ven, wetenschap, en maatschappelijke actoren aanwijsbaar die verband houden
52               met deze verschuiving. Zo is ten aanzien van de overheid beleids- en besluitvor-
                 ming, juist op de ‘risicogebieden’ van milieu, voeding, defensie, gezondheid en
                 ict, de afgelopen decennia verschoven naar supranationale instellingen. De com-
                 merciële actoren die op deze gebieden actief zijn (met uitzondering wellicht van
                 het gebied van ict), zijn zich naar consumenten gaan presenteren als actoren met
                 maatschappelijke verantwoordelijkheid. En wetenschappelijke instellingen gaan
                 steeds vaker directe allianties aan met overheid en bedrijfsleven, met alle conse-
                 quenties van dien voor hun autonomie.6 De maatschappelijke positie van ‘geves-
                 tigde instituties’ is de afgelopen decennia dus aanzienlijk verschoven. Zij kunnen
                 misschien nog steeds ‘gevestigd’ worden genoemd, maar aan hun grondvesten is
                 de afgelopen decennia stevig getornd.
                 Het voert te ver om dit complex van ontwikkelingen hier uitgebreid te analyseren
                 en het verband met controverses rond expertise en ontwikkelingen op het gebied
                 van haar legitimatie nader uit te werken.7 In plaats daarvan wordt hier één aspect
                 van deze verschuivingen in maatschappelijke verhoudingen uitgelicht: de
                 opkomst van nieuwe bemiddelaars van expertise.Dit laatste is bijzonder relevant
                 in de context van het internet. Het lijkt daarom zinnig deze gebeurtenis hier in de
                 bredere, historische context van maatschappelijke controverses rond expertise te
                 plaatsen. In deze context zijn de verhoudingen tussen experts en non-experts
                 onomkeerbaar veranderd doordat twee nieuwe bemiddelaars zijn verschenen: de
                 non-gouvernementele organisaties en, bij gebrek aan een betere term, ‘de gepro-
                 fessionaliseerde leek’.
                 Hoewel de maatschappelijke kritiek op institutionele expertise traditiegetrouw
                 geassocieerd wordt met extra-institutionele actoren (bijv. protestgroepen), is deze
                 kritiek de afgelopen decennia zelf geïnstitutionaliseerd. Veel van de protestbewe-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 56 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 57 ======================================================================

<pre>                                                                  veranderingen in het kennisbegrip
gingen van de jaren zeventig hebben zich inmiddels ontwikkeld tot non-profit
instellingen. In het beleidsvormingsproces van bedrijfsleven en overheid is ruim-
te gemaakt voor inspraak van ‘de leek,’ die zich hiermee steeds vaker tot ‘ama-
teur-expert’ ontpopt. Waar de maatschappelijke legitimatie van wetenschappelij-
ke kennis traditioneel gezien een aangelegenheid is van wetenschap en overheid
alleen, worden deze twee nieuwe actoren nu maatschappelijk, en steeds vaker
ook institutioneel, erkend als belanghebbenden.
Non-gouvernementele organisatie (ngo) is de verzamelterm voor een breed
spectrum van civiele actoren, van zuiver grass roots initiatieven tot sterk gepro-
fessionaliseerde instellingen, van verenigingen die zich hoofdzakelijk lokaal pro-
fileren tot nationale en internationale organisaties. Sommige ngo’s richten zich
hoofdzakelijk op het maatschappelijke veld, terwijl andere zich de rol van satel-
liet van overheden en supragouvernementele organisaties hebben aangemeten.
Hierbij kan verschil worden gemaakt tussen onafhankelijke (van donaties afhan-
kelijke) ngo’s, ngo’s met nauwe banden met de commerciële sector (bingo’s –
Business Inspired ngo’s) en ngo’s die aan overheden gelieerd zijn (oftewel
gingo’s – Government Inspired ngo’s) (Arquilla en Ronfeldt 1997). Gelet op de
verscheidenheid van het verschijnsel is het niet verwonderlijk dat de definities
van ngo’s doorgaans vaag en algemeen van karakter zijn. Zo definieert Warken-                       53
tin (2000) ngo’s als “lobby- of belangengroepen die werken via bemiddelaars
(staten, intergouvernementele organisaties en bedrijven, onder andere) in hun
pogingen om organisationele doelstellingen te verwezenlijken of de wereld poli-
tiek te beïnvloeden”.
Waar het controverses rond expertise betreft, vervullen ngo’s twee overkoepe-
lende rollen: zij vechten de institutionele expertise aan in de maatschappelijke
ruimte en zij nemen in toenemende mate deel aan institutionele processen van
kennis- en beleidsvorming. Wat dit laatste betreft werpen ngo’s zich vaak op als
vertegenwoordigers van ‘burgers’. Hoewel deze representatieve rol altijd – en
vaak gemakkelijk – ter discussie kan worden gesteld, worden ngo’s door over-
heid en bedrijfsleven regelmatig aan de vergadertafel genood. Inmiddels accredi-
teert de Framework Convention on Climate Change van de Verenigde Naties
ngo’s bijvoorbeeld voor (beperkte) deelname in besluit- en beleidsvormingspro-
cessen.
Als tweede nieuwe partij is uit maatschappelijke controverses rond expertise de
figuur van de ‘mondige leek’ of de ‘leken-expert’ te voorschijn gekomen. Sommi-
gen spreken in dit verband wel van de professionalisering van de leek. De gebrui-
ker (c.q. burger, consument, amateur, patiënt of activist) profileert zich in toene-
mende mate in het openbaar als een figuur met officieel erkende relevante
standpunten en competenties. Platformen waarop deze leken-expert zijn denk-
beelden verwoordt, worden behalve door de media, ook door projecten van het
bedrijfsleven, ngo’s en overheid geleverd. Voorbeelden zijn de ‘Brede Maat-
schappelijke Discussie’ in de jaren zeventig over kernenergie en de inspraakfacili-
teiten die werden opgezet ter gelegenheid van de nieuwe, ‘groene Shell’ en de
</pre>

====================================================================== Einde pagina 57 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 58 ======================================================================

<pre>   va n oude e n nieu w e k e n nis
                 aanleg van de Tweede Maasvlakte. Ook de grote non-gouvernementele organisa-
                 ties, voor wie legitimiteit evenmin veilig gesteld is, creëren in toenemende mate
                 ruimte voor inspraak. In deze campagnes is het beeld ontstaan van de betrokken
                 consument-burger met inzichten die mogelijk relevant zijn voor instellingen.
                 Met de ngo’s en de leken-expert als nieuwe partijen zijn er nieuwe bemiddelaars
                 tussen institutionele expertise en het maatschappelijke veld toegevoegd aan het
                 institutionele landschap. Deze bemiddeling werkt twee kanten op. ngo’s en
                 leken-experts articuleren mede de collectieve waarneming en ontvangst van
                 institutionele expertise in de maatschappelijke ruimte, en ze vertegenwoordigen
                 de standpunten naar bestaande instituties en instellingen. Met de toevoeging van
                 deze partijen aan het institutionele landschap is de verhouding tussen experts en
                 non-experts deels geherdefinieerd tot een verhouding tussen twee potentieel
                 kundige partijen. Aan het klassieke scenario van publicatie, waarin institutionele
                 experts het publiek op de hoogte brengen van recente bevindingen en innovaties,
                 is het scenario van debat en participatie toegevoegd. Terwijl de verhouding tus-
                 sen experts en non-experts traditioneel wordt gedefinieerd als een van notificatie,
                 van kennisoverdracht in één richting, wordt ze in toenemende mate gecomple-
                 menteerd met consultatie, waarbij non-experts de rol gaan vervullen van
54               gespreksgenoten van instituties en organisaties.
                 Deze gedeeltelijke overgang van notificatie naar consultatie is echter verre van
                 uitgekristalliseerd. De legitimiteit van de nieuwe woordvoerders wordt telkens
                 opnieuw ter discussie gesteld. De representativiteit van ngo’s en leken-experts
                 wordt bijvoorbeeld dubieus genoemd. Hiernaast is het argument te horen dat
                 hun deelname niet in klassieke institutionele termen, en daarmee in het geheel
                 niet, te rechtvaardigen valt. Vanuit weer een andere hoek wordt hun deelname
                 aan processen van kennis- en beleidsvorming geproblematiseerd door te stellen
                 dat deze hoofdzakelijk een decoratieve functie heeft.
                 De toevoeging van ngo’s en leken-experts aan het institutionele landschap, en
                 de gedeeltelijke herdefiniëring van de verhoudingen tussen experts en non-
                 experts die in het verlengde daarvan ligt, lijkt een onomkeerbare ontwikkeling.
                 Maar welke plaats mechanismen van ‘debat en participatie’ en, meer in het alge-
                 meen, ‘consultatie’ zullen gaan innemen binnen de bredere institutionele con-
                 text, is moeilijk te zeggen. Het mechanisme van ‘consultatie’ staat in ieder geval
                 theoretisch op gespannen voet met bestaande institutionele arrangementen.
                 Consultatie van maatschappelijke actoren is niet vanzelfsprekend te rijmen met
                 bestaande formules van representatie (zoals gevat in de representatieve democra-
                 tie), van onafhankelijkheid (zoals besloten in de notie van ‘de autonomie van de
                 wetenschappen’) en van marktwerking (traditioneel de bemiddelaar bij uitstek
                 tussen individuen en de commerciële sector). Hoe deze spanningen in de praktijk
                 zullen uitwerken, is verre van duidelijk.
                 Samenvattend gaan achter de stelling dat expertise op verschillende terreinen
                 maatschappelijk controversieel is geworden, twee verschuivingen op het gebied
</pre>

====================================================================== Einde pagina 58 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 59 ======================================================================

<pre>                                                                       veranderingen in het kennisbegrip
    van de legitimatie van expertise schuil: de gedeeltelijke verschuiving van legiti-
    miteit als institutionele garantie naar legitimering als project, en de gedeeltelijke
    overgang van verhoudingen van notificatie naar verhoudingen van consultatie. In
    het licht van deze twee ontwikkelingen lijken controverses rond expertise een
    maatschappelijke constante te zijn geworden. De legitimatieproblemen van de
    betrokken instanties lijken al evenzeer een dagelijkse realiteit.
    De legitimatie van expertise via institutionele mechanismen kan niet meer als
    een voldoende voorwaarde worden gezien voor de maatschappelijke legitimiteit
    van expertise. Maatschappelijke legitimiteit is niet veilig gesteld, zij moet actief
    worden bedongen. Voor de legitimering van institutionele expertise moeten in
    veel gevallen ‘diplomatieke’ en journalistieke krachten worden gemobiliseerd,
    aangezien de traditionele procedures tekortschieten. Dit geldt echter ook voor het
    in twijfel trekken van deze legitimiteit. Ook de maatschappelijke aanvechting van
    institutionele expertise vereist activiteiten, en in de afgelopen decennia hebben
    zich hier talrijke instanties voor aangediend, in de vorm van non-gouvernemen-
    tele organisaties. De legitimiteit van deze kritische instanties blijkt daarbij even
    vatbaar voor discussie als die van de experts die in naam van wetenschap en over-
    heid spreken. Tegelijkertijd wordt er in toenemende mate institutionele ruimte
    gecreëerd waarbinnen expertise door maatschappelijke actoren kan worden aan-                         55
    gevochten. Consultatie van non-gouvernementele organisaties en van leken-
    experts maakt steeds vaker deel uit van processen van besluit- en beleidsvorming.
    Controverses rond expertise zijn hiermee niet meer weg te denken uit het maat-
    schappelijke landschap, hoewel slechts een klein gedeelte van de expertise die in
    de samenleving circuleert daadwerkelijk onderwerp wordt van maatschappelijke
    controverse. Komt expertise echter maatschappelijk in de aandacht te staan, dan
    gaat dit zo goed als altijd gepaard met debat en vaak met twist. Hiermee is ‘exper-
    tise’ een ‘essentially contested concept’ geworden, een begrip dat onvermijdelijk
    debatten over zijn gebruik met zich meebrengt (Gallie 1955-56).
2.5 conclusie
    Het begrip kennis is de afgelopen decennia sterk van betekenis veranderd. In de
    jaren zestig kon ‘kennis’ nog gelijk worden gesteld met objectieve wetenschappe-
    lijke kennis die voldeed aan welomschreven wetenschappelijke criteria, vastge-
    legd was in handboeken en vaktijdschriften en door bemiddelende instanties
    (zoals het onderwijs en de media) onvervormd en ongekleurd werd overgedragen
    van experts naar leken. Kennis was hiermee onafhankelijk van plaats en tijd en
    onafhankelijk van de personen en instanties die betrokken waren bij de ontwik-
    keling, de overdracht en het gebruik van kennis. Dit traditionele positivistische
    concept van kennis voldoet nu niet langer (en het is overigens twijfelachtig of het
    ooit wel voldaan heeft). Kennis komt niet alleen meer tot stand in de ivoren toren
    van de wetenschappelijke gemeenschap die zich door louter zuiver wetenschap-
    pelijke motieven laat leiden. De wetenschap staat onder tal van invloeden van
    buiten het wetenschappelijke domein, de status van wetenschappelijke kennis
    staat steeds vaker ter discussie en ook buiten de wetenschap wordt kennis ont-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 59 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 60 ======================================================================

<pre>   va n oude e n nieu w e k e n nis
                 wikkeld die concurreert met wetenschappelijke kennis. De verspreiding van ken-
                 nis vindt niet meer plaats via een simpele lineaire overdracht van experts naar
                 leken, maar wordt beïnvloed door tal van bemiddelaars en tussenpersonen die de
                 overgedragen kennis selecteren, kleuren en vervormen. Een deel van de kennis is
                 bovendien persoonsgebonden en kan alleen in directe interactie worden overge-
                 dragen. Kennis wordt hiermee steeds meer contextafhankelijk.
                 De verandering in het kennisbegrip heeft ingrijpende gevolgen voor de verhou-
                 ding tussen experts en non-experts. De scheidslijn tussen beide groepen wordt
                 steeds minder helder en er hebben zich nieuwe partijen als bemiddelaar tussen
                 experts en non-experts opgeworpen die in het maatschappelijke debat een steeds
                 belangrijker rol spelen. Het gaat hierbij met name om non-gouvernementele
                 organisaties en ‘geprofessionaliseerde leken’ of ‘leken-experts’. ‘Expertise’ is zo
                 onherroepelijk een omstreden concept geworden, waarover blijvend strijd zal
                 worden geleverd.
56
</pre>

====================================================================== Einde pagina 60 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 61 ======================================================================

<pre>                                                                       veranderingen in het kennisbegrip
noten
1
      Een bekend diffusiemodel is dat van Rogers. Zie bijvoorbeeld Rogers (1962).
2
      Zie Latour (1987) voor het begrip ‘kant en klare’ kennis.
3
      Het hier gehanteerde, in het spraakgebruik ingeburgerde, begrip ‘tacit knowl-
      edge’ verschilt enigszins van het begrip dat Polanyi in 1958 introduceerde.
      Polanyi gebruikte het beeld van twee geluidsboxen die je kunt afwisselen: door
      op de ene te concentreren (‘focussed knowledge’) verdwijnen andere kennisas-
      pecten naar de achtergrond (‘background knowledge’), en omgekeerd.
4
      Deze paragraaf is grotendeels tot stand gekomen op basis van de gelijknamige
      paragraaf uit Marres en De Vries (2002).
5
      Controverses rond informatie- en communicatietechnologie lijken, maatschap-
      pelijk gezien, nog een interpretatiekader te missen. James Boyle maakt onder-
      scheid tussen milieukwesties, die duidelijk ‘geframed’ zijn en aan internet gerela-
      teerde kwesties. De ecologie en de verzorgingsstaat verschaften een kader aan de
      eerste soort kwesties. Voor internetkwesties ontbreekt zo’n kader van begrippen
      en waarden volgens Boyle nog. In controverses rond het internet kunnen echter
      wel centrale begrippen (zoals toegang en kwaliteit) worden aangewezen.
6                                                                                                        57
      De ontwikkeling wordt wel omschreven als de overgang van ‘Mode 1’ naar
      ‘Mode 2’ productie van kennis. Zie Gibbons et al. (1994).
7
      Het zou een analyse vergen van het complex van ontwikkelingen dat meestal
      wordt aangeduid als ‘globalisering.’ Met deze term wordt verwezen naar een
      reeks uiteenlopende, maar deels gerelateerde ontwikkelingen, zoals deregulering
      van wereldmarkten en de ‘terugtredende overheid,’ de opkomst van non-gouver-
      nementele organisaties, de gedeeltelijke verplaatsing van besluit- en beleidsvor-
      ming van nationale overheden naar supranationale overheidsinstellingen. De
      socioloog Manuel Castells (1996) heeft een indrukwekkende poging gedaan om
      dit mondiale proces van de herconfiguratie van maatschappelijke verhoudingen
      te beschrijven. Hij besteedt daarbij onder meer aandacht aan de repercussies van
      deze ontwikkelingen voor de politieke legitimiteit van nationale overheden. In
      een argument dat dat van Beck in herinnering roept, stelt Castells dat hun legiti-
      miteit onder de huidige omstandigheden tanende is. Ook de maatschappelijke
      ontwikkelingen rond de legitimering van expertise zou in retrospect misschien
      wel als een onderdeel van deze superontwikkeling verklaard kunnen worden.
      Daartoe zullen we echter geen poging doen. In plaats daarvan speelt ‘globalise-
      ring’ in deze studie slechts een rol als stilzwijgende context.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 61 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 62 ======================================================================

<pre>   va n oude e n nieu w e k e n nis
58
</pre>

====================================================================== Einde pagina 62 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 63 ======================================================================

<pre>                     de gevolgen van ict en internet voor toegang, toe-eigening en kwaliteitsbeheer van kennis
3   de gevolgen van ict en internet voor
    toegang , toe- eigening en kwaliteitsbeheer
    van kennis
3.1 inleiding
    Door de snelle opmars van de informatie- en communicatietechnologie (ict) en
    in het bijzonder van het internet, verandert de kennissamenleving van karakter,
    zo werd in hoofdstuk 1 geconstateerd. ict schept niet alleen vele nieuwe moge-
    lijkheden voor de opslag, verwerking en verspreiding van informatie, zij roept
    ook nieuwe maatschappelijke problemen op. Deze problemen hebben vooral te
    maken met de publieke dimensie van kennis. Optimistische verhalen over ict en
    internet ten spijt, is het publieke karakter van kennis allerminst vanzelfsprekend.
    Rond de toegang tot, de toe-eigening en het kwaliteitsbeheer van kennis en
    informatie is een overheidsvisie noodzakelijk. Toegang heeft betrekking op de
    algemene beschikbaarheid van kennis en op het inzicht in de bronnen van kennis.
    Hiernaast refereert het aan de vaardigheden die men nodig heeft om kennis tot
    zich te kunnen nemen. Toe-eigening betreft de private benutting van kennis en                              59
    de commerciële uitbating ervan. Het vormt daarmee de keerzijde van de toegang
    tot kennis: kennis die wordt toegeëigend is per definitie niet voor iedereen toe-
    gankelijk. Enerzijds is toe-eigening van kennis een belangrijke voorwaarde voor
    de creatie en de innovatie van kennis. Het biedt de mogelijkheid om een beloning
    te ontvangen voor onderzoek en investeringen, om bepaalde vindingen af te
    schermen of om het gebruik ervan alleen tegen betaling open te stellen. Ander-
    zijds kan te veel toe-eigening leiden tot onderbenutting van kennis, doordat
    belangrijke nieuwe kennis niet voor een brede groep gebruikers beschikbaar
    komt.
    Kwaliteitsbeheer heeft betrekking op de status van kennis. Wie bepaalt de
    betrouwbaarheid of het waarheidsgehalte van informatie en kennis? Op welke
    gronden wordt aan bepaalde kennis een hogere status en een grotere toeganke-
    lijkheid toegekend dan aan andere kennis?
    Voordat de drie probleemvelden van toegang, toe-eigening en kwaliteitsbeheer
    uitgebreider worden behandeld, biedt dit hoofdstuk eerst een historisch over-
    zicht van ict en internet (par. 3.2), om zowel de wisselwerking te illustreren tus-
    sen publieke en private partijen bij de ontwikkeling en verspreiding van nieuwe
    technologieën als de geleidelijke verschuiving tussen het publieke en private
    domein die daarbij kan optreden.
    Dit derde hoofdstuk vormt de afronding van het conceptuele kader, de probleem-
    formulering en de achtergrondschets van het rapport. Tegelijkertijd vormt het de
    opmaat tot het tweede deel van dit rapport, waarin vier kennisdomeinen worden
    besproken, te weten de markt voor informatiegoederen, wetenschappelijk onder-
    zoek, het onderwijs en enkele publieke voorzieningen voor informatiebeheer
</pre>

====================================================================== Einde pagina 63 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 64 ======================================================================

<pre>   va n oude e n nieu w e k e n nis
                 (bibliotheken en archieven). Dit hoofdstuk vormt dus de overgang van een con-
                 ceptuele benadering en vraagstelling naar een domeingerichte behandeling. Een
                 goede regeling van de problemen rond toegang (par. 3.3), toe-eigening (par. 3.4)
                 en kwaliteitsbeheer (par. 3.5) is een voorwaarde waaronder de publieke dimensie
                 van kennis in deze vier domeinen voldoende tot haar recht kan komen.
      3.2        verspreiding van ict en internet
      3.2.1      ‘technology push’ of ‘societ y pull’?
                 In het onderzoek en de theorievorming over de maatschappelijke verspreiding en
                 implementatie van technologie, zijn twee polen te onderscheiden. Aan de ene
                 kant wordt technologie benoemd als een drijvende kracht. Maatschappelijke ver-
                 anderingen zouden het gevolg zijn van toegenomen technische mogelijkheden.
                 In het geval van ict en internet stellen Shapiro en Varian (1999/2000) bijvoor-
                 beeld dat “de huidige uitermate snelle ontwikkelingen, in combinatie met de hui-
                 dige fascinatie voor de informatie-economie, worden gedreven door de vooruit-
                 gang in de informatietechnologie en infrastructuur, niet door een fundamentele
                 verandering in de aard of zelfs de omvang van de informatie zelf”. Aan de andere
60               kant wordt technologie als een middel voorgesteld. In deze zienswijze zijn niet de
                 mogelijkheden van de technologie bepalend voor het uiteindelijke gebruik ervan,
                 maar hangt de benutting van die mogelijkheden af van de maatschappelijke
                 omstandigheden. Zoals Winsemius (2001) in een rapport voor het Ministerie van
                 Economische Zaken stelt: “Individualisering – de toenemende aandacht die de
                 burger koestert voor het ‘zelf’ – is ons inziens de drijvende kracht achter de ver-
                 anderingen die de economie van de 21e eeuw kenmerken. Informatisering is een
                 middel, dat de ontwikkelingen versnelt en nieuwe antwoorden mogelijk maakt.”
                 Veranderingen behoeven in deze visie niet een technologische maar een sociolo-
                 gische verklaring. Technologie speelt hierbij wel een rol.
                 De positie die hier wordt ingenomen, houdt het midden tussen deze twee uiter-
                 sten (‘technology push’ versus ‘society pull’). Technologie is mede het resultaat
                 van sociale keuzen, en het gebruik ervan wordt zowel bepaald door de technische
                 mogelijkheden als door de sociale context. Het functioneren van technologie
                 hangt af van zowel het ontwerp als het gebruik. In de hiernavolgende subparagra-
                 fen wordt deze benadering van technologische innovatie toegepast op de ontwik-
                 keling en verspreiding van ict en internet.
      3.2.2      over de begrippen
                 ict staat voor informatie- en communicatietechnologie. Breed opgevat valt hier-
                 onder alle (elektronische) technologie die wordt gebruikt voor de opslag, de
                 bewerking, de overdracht en de presentatie van informatie – in de vorm van beeld,
                 geluid of tekst. De oeso rekent tot ict onder meer: radio en televisie, telecommu-
                 nicatie, computers, kabels en bedrading, rekenapparatuur, meetinstrumenten,
                 navigatie-instrumenten, opname-, afspeel- en reproductie-apparatuur. In dit rap-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 64 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 65 ======================================================================

<pre>                       de gevolgen van ict en internet voor toegang, toe-eigening en kwaliteitsbeheer van kennis
      port wordt met de term ict echter in de eerste plaats gedoeld op computers en
      computersystemen. Hierbij gaat het evenwel niet alleen om de hardware, maar
      ook om de infrastructuur van computersystemen en om de software. De benut-
      ting van ict behelst immers niet alleen het gebruik van computers, maar uiteenlo-
      pende functies ten aanzien van beeld, tekst en geluid op zeer veel terreinen.
      Het internet is een netwerk van netwerken, dat in feite bestaat uit computers en
      kabels waarlangs ‘pakketjes’ van informatie worden verstuurd en verspreid. Het
      World Wide Web (www) maakt gebruik van de (computer)netwerkstructuur
      van het internet. De connecties die het www legt bestaan echter uit hyperlinks,
      verwijzingen tussen teksten en niet uit geschakelde computers.1 Het is in feite
      een informatiesysteem dat ‘draait’ op het internet, met gebruikmaking van de bij-
      zondere structuur.
      Is het nodig een onderscheid te maken tussen ‘internet’ en ‘ict? Strikt genomen
      niet, aangezien het internet een specifieke toepassing van ict is. Doordat voor
      het internet lijkt te gelden dat het geheel meer is dan de som van de delen, roept
      het geheel echter eigen mogelijkheden en problemen op, die verschillen van
      andere ict-toepassingen (zoals personal computers en mobiele telefoons). Beide
      begrippen worden hier daarom apart gehanteerd.                                                             61
3.2.3 opkomst en ver spreiding van ict
      Zoals de auto nooit zo’n grote invloed zou hebben gehad op de mobiliteit van
      mensen zonder de aanleg van een omvangrijk wegennet, zo zou het internet zich
      niet hebben ontwikkeld zonder de verspreiding van consumentencomputers en
      een telefoon- en kabelnet. De opkomst van de consumentencomputer zou op zijn
      beurt onmogelijk zijn geweest zonder de miniaturisering en andere vernieuwin-
      gen van de componenten van computers. Dit maakte de combinatie van geheu-
      gen en processor (rekeneenheid) op een enkele chip mogelijk, met als resultaat de
      microprocessor, die het hart vormt van iedere personal computer (pc), die vervol-
      gens aan een snelle opmars in kantoren en huiskamers begon. Deze ontwikkeling
      ging vergezeld van een gestage omzetting van diensten en bewerkingen in soft-
      ware en programmatuur, die het mogelijk maakte tal van taken te automatiseren.
      Zo konden digitale systemen in uiteenlopende domeinen worden toegepast,
      variërend van fabrieken en kantoren, tot in huishoudens, leeromgevingen en ook
      de kunsten (nieuwe media). De nieuwe digitale technieken bleken niet alleen
      geschikt om ‘harde’ taken te automatiseren, zoals berekeningen en logistiek, maar
      ook om (onderdelen van) ‘zachte’ diensten te ‘informatiseren’.
      Zowel de voortdurende technische verbetering (snellere en kleinere computers)
      als de vergroting van het aanbod van software (groei van het aantal programma’s)
      en de uitbreiding van het aantal domeinen waarin deze kan worden toegepast,
      droegen bij aan de snelle verspreiding en toepassing van digitale informatiesyste-
      men in bijna alle maatschappelijke domeinen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 65 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 66 ======================================================================

<pre>   va n oude e n nieu w e k e n nis
      3.2.4      een korte geschiedenis van internet
                 De ontwikkeling van het internet wordt vaak als exemplarisch beschouwd voor
                 begrippen als ‘kennissamenleving’ of ‘informatiemaatschappij’. Niet alleen is het
                 internet een integraal onderdeel van veel van de druk besproken nieuwe tenden-
                 sen die zich op het gebied van de productie, verspreiding en ontsluiting van ken-
                 nis en informatie voordoen; het internet symboliseert ook de mogelijkheden en
                 verwachtingen op dit gebied. Een onderzoek naar de rol en ontwikkeling van het
                 internet kan daarom dienen als illustratie van een aantal meer algemene vragen
                 en ontwikkelingen. In lijn met de algemene beschouwing over technologische
                 ontwikkelingen in paragraaf 3.2.1 wordt de geschiedenis van internet hieronder
                 beschreven als een subtiel samenspel van technische en sociale gebeurtenissen en
                 omstandigheden.
                 In de vormgeving van het internet hebben verschillende actoren hun sporen
                 nagelaten. De gedecentraliseerde structuur van het internet is te herleiden tot de
                 militair-strategische overwegingen die ten grondslag lagen aan de ‘voorgangers’
                 van het internet, zoals arpanet. In de eerste helft van de jaren zestig ontwikkel-
                 de de Advanced Research Projects Agency (arpa), een denktank binnen het Ame-
62               rikaanse Ministerie van Defensie, ideeën om boodschappen in ‘pakketjes’ op te
                 delen, die gescheiden door te sturen en aan het eind van de communicatielijn
                 weer te verzamelen (Griffiths 1999). Hierdoor was het systeem niet afhankelijk
                 van een enkele communicatielijn en was het moeilijker berichten te onderschep-
                 pen. De boodschap zou zo worden losgekoppeld van (de infrastructuur van) het
                 netwerk. Dit idee kwam tot wasdom toen in 1965 computers van de universitei-
                 ten van Berkeley en mit aan elkaar werden gekoppeld. In samenwerking met
                 andere universiteiten kwam een protocol tot stand om het zenden en ontvangen
                 van boodschappen en data van verschillende computers op elkaar af te stemmen
                 (Abbate 1999; Sassen 1999). Het aldus ontstane computernetwerk arpanet
                 (eind 1969) is dus in institutionele zin een gevolg van de samenwerking tussen
                 Amerikaanse universiteiten en een militair-technologische denktank. In concep-
                 tuele zin is het resultaat een ‘onvernietigbaar’ netwerk, een communicatiesys-
                 teem zonder centrum, dat niet afhankelijk is van een centrale verbindingslijn.
                 Vanaf het begin is echter nog een ander imperatief aanwezig geweest, de gedachte
                 (zoals door arpa-medewerker Licklider verwoord) van het ‘Galactische net-
                 werk’. Het netwerk was ook gericht op de uitbouw en toename van het aantal
                 koppelingen en aansluitingen.
                 Een ander imperatief dat aan het internet is meegegeven is dat van ‘de vrije ruim-
                 te’. Het idee van ‘de vrije ruimte’ sluit in ideologische zin aan op de community-
                 idealen zoals die bijvoorbeeld werden uitgedragen in The Well (‘Whole Earth
                 ‘Lectronic Link’, een gezichtsbepalende nieuwsgroep op het internet). In techno-
                 logische zin heeft dit denken vorm gekregen in de software zoals deze is ontwik-
                 keld in de vroegere hackerscultuur. Deze software was zo ontworpen dat het de
                 openheid en decentralisatie van het internet versterkte en voor iedereen beschik-
                 baar hield (Sassen 1999).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 66 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 67 ======================================================================

<pre>                       de gevolgen van ict en internet voor toegang, toe-eigening en kwaliteitsbeheer van kennis
      Deze wisselwerking tussen ontwerp- en gebruiksomgeving is een typerend ken-
      merk van het internet geworden, die het dankt aan zijn ‘open architectuur’. Eerst,
      simpelweg, omdat ontwerpers en gebruikers dezelfde personen waren; later,
      omdat veranderingen en verbeteringen die in het gebruik werden ontdekt en aan-
      gebracht, hun weerslag hadden op nieuwe generaties producten en uitbreidingen
      in de mogelijkheden van het medium. De meest in het oog springende resultaten
      die dit opleverde zijn electronic mail (e-mail) en het World Wide Web (www).
      De oorsprong van het World Wide Web ligt in het jaar 1989 toen enkele cern-
      onderzoekers het concept ervoor schreven.ii In de daaropvolgende jaren werd een
      ‘browser’ ontwikkeld die gebruik maakte van Hyper Text Markup Language
      (html) en kwamen het Hyper Text Transfer Protocol (http) voor de uitwisseling
      tussen webbrowser en webserver en het standaard adresformaat, de Uniform
      Resource Locator (url), tot stand. De browsers Mosaic en Gopher werden in
      1994 gevolgd door het commerciële Netscape, dat al snel het grootste deel van de
      markt in handen kreeg. Microsoft, dat de mogelijkheden van internet en www
      aanvankelijk had onderschat, begaf zich pas later op deze markt met een eigen
      browser (Explorer). Deze wint echter snel terrein, als het besturingssysteem
      Windows in 1996 geschikt wordt voor een internetaansluiting en Explorer hier-
      van in 1998 geïntegreerd deel gaat uitmaken.                                                               63
3.2.5 de functies van het internet
      De oorspronkelijke functies van het internet ontwikkelden zich in de jaren
      tachtig vanuit de wetenschappelijke gemeenschap die het internet gebruikte
      (toegang tot on-line informatie) en de gebruikers die zich ontpopten tot de eerste
      ‘netizens’ (met gebruik van e-mail en nieuwsgroepfaciliteiten) (Griffiths 1999).
      Voor academici was het internet in de eerste plaats een middel om actuele onder-
      zoeksgegevens, congresinformatie, artikelen en dergelijke uit te wisselen buiten
      de gebruikelijke kanalen van vaktijdschriften en circulaires om. Zo ontstond een
      informeel circuit van kennisontwikkeling en -verspreiding. Voor andere gebruikers
      werd het internet zowel een middel om kritiek te ontwikkelen, door midd fora,
      documenten, discussielijsten en andere middelen open te stellen en beschikbaar
      te maken, als om nieuwe communities te vormen, gemeenschappen waarin
      mensen virtueel en op afstand met elkaar communiceerden. Het internet
      verkreeg aldus, naast de wetenschappelijke, ook een politieke en een sociale
      functie.
      Het gaat te ver om te stellen dat er in de beginjaren in het geheel geen idee
      bestond over de eventuele commerciële potentie van het internet. Al in 1972 wer-
      den er pogingen ondernomen door managers van arpa om commerciële partijen
      als at&t te bewegen het arpanet over te nemen (Abbate 1999) en vanaf 1987
      waren er internetbedrijven Vanaf het begin van de jaren negentig keert de kwes-
      tie van commerciële exploitatie terug. Commerciële netwerkaanbieders eisen van
      de National Science Foundation (nsf) een kans om mee te dingen naar het aanle-
      veren van computernetwerken voor de ‘backbone’ van het internet. De taken die
</pre>

====================================================================== Einde pagina 67 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 68 ======================================================================

<pre>   va n oude e n nieu w e k e n nis
                 door private partijen werden overgenomen, betroffen echter alleen de infrastruc-
                 tuur – het internet was nog niet opengesteld voor commerciële diensten.
                 De komst van de browser van Netscape betekende een versnelling in de commer-
                 cialisering van internet. Een nieuwe groep gebruikers kon bediend worden, waar-
                 door de reeds bestaande mogelijkheden een veel grotere reikwijdte kregen. Zo
                 vragen telecommunicatiebedrijven in de Verenigde Staten in 1996 het Congres
                 om telefonietechnologie voor het internet (dat dan al jaren bestaat) te verbieden.
                 Met het arriveren van de eerste ‘shopping malls’ op het internet in 1994, gevolgd
                 door de on-line pizzaservice van The Hut, neemt de commerciële benutting van
                 het internet pas werkelijk een hoge vlucht. In dat jaar wordt ook de eerste ‘spam’
                 (ongevraagde reclame per e-mail) verzonden en opent de eerste cyberbank, First
                 Virtual, zijn virtuele loket.
                 Hoe mooi, werkzaam en goedbedoeld de vroege functies van het internet (het
                 ontwikkelen van kritiek, het ontstaan van communities en het verspreiden van
                 kennis) ook waren, de kennismaking van het grote publiek met een nieuw medi-
                 um verloopt toch meestal langs een andere weg, namelijk entertainment. Hoe
                 snel een technologie van gedaante en functie kan veranderen, was al eens aange-
64               toond bij het Franse minitel. Aangezien minitel was bedoeld als alternatief voor
                 de telefoongids, kregen alle Franse burgers met een telefoonaansluiting in 1984
                 de keus om gratis het minitel-‘kastje’ te gebruiken. Het medium ontpopte zich in
                 korte tijd tot een toeleveraar van tal van diensten – niet in het minst van seksuele
                 diensten, want het gebruik van de zogenaamde messageries rose nam in 1990 de
                 helft van de gespreken voor zijn rekening (Castells 1996; Bell 1999). Uiteindelijk
                 heeft het van overheidswege gepromote minitel de adaptie van internet in Frank-
                 rijk moeilijk gemaakt. Bij de beleidsdiscussie komt dit nader aan de orde.
                 Een breder publiek wordt pas bereikt wanneer investeringen die het medium
                 goedkoper en toegankelijker maken voor het bedrijfsleven, interessant worden.
                 En de veiligste weg om een consumentenmarkt te creëren is via een entertain-
                 mentindustrie. Zoals Castells (1996) opmerkte over de ontwikkeling van multi-
                 mediasystemen: “Thus, while governments and futurologists speak of wiring
                 classrooms, doing surgery at a distance, and teleconsulting the Encyclopedia Brit-
                 tannica, most of the actual construction of the new system focuses on ‘video on
                 demand’, telegambling, and virtual reality theme parks.”
                 Tegelijkertijd echter hebben veel bedrijven onderkend dat gemeenschapszin – of
                 in ieder geval de schijn daarvan – de beste smeerolie is voor het scheppen van ver-
                 trouwen op het internet. Door een band met bezoekers en gebruikers te kweken
                 wordt aan de bestendiging en uitbouw van de klantenkring gewerkt en wordt
                 gepoogd vertrouwen te kweken in de dienstverlening via het internet (zie hier-
                 over verder hfdst. 4). Bedrijven richten zich daarom ook op ‘community build-
                 ing’, scheppen faciliteiten voor de bezoekers om in nieuwsgroepen te discussië-
                 ren, verspreiden informatie en geven advies.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 68 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 69 ======================================================================

<pre>                        de gevolgen van ict en internet voor toegang, toe-eigening en kwaliteitsbeheer van kennis
3.2.6 de rol van de overheid
      De rol die (nationale en internationale) overheden hebben gespeeld bij de tot-
      standkoming van het internet, kan gemakkelijk worden onderschat. De eerste
      onderzoeksprogramma’s naar arpanet werden door de overheid betaald en
      gestimuleerd. De band met de nationale overheid bleef in de vs in stand en bleek
      later zeer vitaal. De verdere ontwikkeling van het internet vereiste een aanpak op
      nationaal niveau, opdat er zoiets kon ontstaan als een ‘grand design’. De over-
      heidsbemoeienis was echter ook van invloed op de soort functies en domeinen
      waarvoor het internet werd ontwikkeld. Zo besloten vanaf 1984 diverse nationale
      overheden om het gebruik van het internet in het Hoger Onderwijs te stimuleren
      (in Nederland was dit het geval in 1989; zie verder hfdst. 6).
      Met het ontstaan van het www en de commerciële benutting van het internet,
      kwam er in het overheidsbeleid meer aandacht voor de potenties van het medium
      op sociaal, economisch en educatief gebied. Een noodzakelijke voorwaarde hier-
      voor was in de eerste plaats een hoge penetratiegraad van het internet in de
      samenleving en een zo groot mogelijk aantal huishoudens, bedrijven en onder-
      wijs- en onderzoeksinstellingen dat op het internet was aangesloten. Daarnaast
      werden private investeringen in het internet aangemoedigd, onder meer door                                  65
      (nieuwe of verbeterde) wet- en regelgeving (bijv. ter bescherming van het inter-
      netverkeer). Het toonaangevende Europese Bangemann-rapport pleitte in 1994
      voor een ‘cultuuromslag’ in Europa: stimulering van het ondernemersklimaat
      aan de universiteiten, verbetering van intellectuele eigendomsrechten en het
      opzetten van een systeem voor de verstrekking van risicokapitaal. Tegelijkertijd
      werd benadrukt dat de informatiesamenleving ‘gebruikersvriendelijk’ en de tech-
      nologie ‘laagdrempelig’ moesten zijn. Zo werd getracht te voorkomen dat een
      ‘digitale tweedeling’ zou ontstaan.
3.2.7 de sociale inpassing van het internet
      In veel beschrijvingen van het internet wordt de sociale functie ervan benadrukt.
      Het zou bijdragen aan de verbetering en versterking van communicatie, zicht-
      baarheid, beeldvorming, informatievoorziening en voorlichting, maar ook een
      stimulans vormen voor samenwerking, groepsgewijs werken op afstand,
      domeinoverschrijding en multidisciplinaire projecten. Per domein verschillen de
      verwachtingen. Zo zou het internet de sociale cohesie in wijken en buurten kun-
      nen versterken, in het onderwijs groepsgewijs leren faciliteren en op wereld-
      schaal leiden tot de vorming van ‘virtuele’ communities.
      In dit verband is het interessant na te gaan wat er is terechtgekomen van de ver-
      wachtingen van de eerste generatie gebruikers dat het internet zou leiden tot
      gemeenschapsvorming. De reputatie van internet als een sociaal medium werd
      definitief gevestigd met het boek The Virtual Community van Rheingold (1993).
      De ‘virtuele’ gemeenschap waarvan hij melding maakte, berustte in werkelijk-
      heid echter op ‘ouderwets’ telefoonverkeer, (fysieke) ontmoetingen en het
</pre>

====================================================================== Einde pagina 69 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 70 ======================================================================

<pre>   va n oude e n nieu w e k e n nis
                 (letterlijk) over de heg hangen bij de buren (Brown en Duguid 2000). Niettemin
                 heeft het idee van de virtuele gemeenschap zich mogen verheugen in een groot
                 aantal navolgers. Een recente beschrijving van het internet als een openbare
                 ruimte, waar ontmoetingen, manifestaties en informatie-uitwisseling leiden tot
                 meningsvorming, confrontatie en debat, geeft Van den Boomen (2000). Haar
                 antropologische inventarisatie van de communities op het internet laat vooral
                 zien hoe onvoorspelbaar het is waar dergelijke discussies ontstaan. Zo kunnen
                 discussiefora van minderheden of bepaalde etnische groepen uitgroeien tot plaat-
                 sen waar identiteiten worden uitgedragen en ontwikkeld; sites waarop aanvanke-
                 lijk vergelijkend onderzoek plaatsvond tussen gebruikers van Viagra, groeiden
                 uit tot een iconografie van een bepaalde lifestyle; spreekruimtes van patiënten-
                 verenigingen, waar men steun zocht bij elkaar, transformeerden zich tot plaatsen
                 waar een zekere ‘lekenexpertise’ of ‘ervaringsdeskundigheid’ wordt ontwikkeld
                 met betrekking tot de voor- en nadelen van bepaalde medicijnen of behandelme-
                 thoden.
      3.2.8      de adaptie van ict
                 ict en internet hebben geen ‘kennisrevolutie’ veroorzaakt; ze hebben wel een
66               belangrijke rol gespeeld bij de veranderingen die zich in de kennissamenleving
                 voltrekken. Deze rol heeft zijn weerslag op het wetenschappelijke onderzoek, het
                 onderwijs, de markt voor informatiegoederen en de informatievoorziening voor
                 burgers (publieke voorzieningen en de media) en hangt samen met drie functies
                 die ict en internet vervullen:
                 1 de opslag- en rekenfunctie die automatisering en versnelling van de verwer-
                     king van data en informatie mogelijk maken;
                 2 de communicatiefunctie, die snellere en omvangrijker informatie-uitwisseling
                     tussen mensen mogelijk maakt;
                 3 de platformfunctie, waardoor internet een medium vormt voor tal van vor-
                     men van (inter)actie op afstand.
                 Internet en ict kunnen zo gemakkelijk worden voorgesteld als panacee voor tal
                 van maatschappelijke kwalen en als wonderolie voor lang gekoesterde wensen.
                 Hierin klinkt een sterk voluntarisme door, een geloof in de mogelijkheden om
                 technologie sociaal te vormen en in te passen. Wie ict en internet louter als mid-
                 del beschouwt, zal zich echter geconfronteerd zien met de hardnekkigheid van
                 veel sociale problemen. Technologie onttrekt zich namelijk niet aan de omgeving
                 waarin zij geacht wordt te functioneren, maar wordt er juist mede door gevormd.
                 Soms wordt technologie hierdoor zo’n alledaags gebruiksgoed dat zij nauwelijks
                 nog als technologie wordt herkend, zoals het boek. Dergelijke processen gaan
                 echter niet ‘vanzelf’, maar hangen in sterke mate af van de gebruiksvriendelijk-
                 heid van instrumenten en apparatuur, de uiterlijke vormgeving en de aantrekke-
                 lijkheid van de software. Technologie vereist vaak dat gebruikers een nieuwe
                 ‘taal’ leren (men spreekt bijvoorbeeld van ‘ict-geletterdheid’) en dat zij een zeker
                 vertrouwen stellen in de nieuwe techniek.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 70 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 71 ======================================================================

<pre>                        de gevolgen van ict en internet voor toegang, toe-eigening en kwaliteitsbeheer van kennis
      Succesvolle implementatie blijkt vaak ‘bottom up’ te verlopen. Als gebruikers
      zich de technologie eigen maken, slaagt het proces. Een probleem is evenwel dat
      dergelijke geslaagde initiatieven op gespannen voet staan met de veel grotere
      (vaak nationale) schaal waarop veel projecten zich afspelen. Uitwisseling van
      expertise en contact tussen gebruikers en ontwerpers is dan moeilijker te realise-
      ren. Variatie in initiatieven en lokale oplossingen, in plaats van een plan op lande-
      lijke schaal, hebben een duidelijke waarde. Tegelijkertijd zijn landelijke projecten
      onmisbaar om grote omslagen (infrastructuur, standaardisering) te bewerkstelli-
      gen. De vraag naar de balans hiertussen en de lering die kan worden getrokken uit
      de systematische evaluatie van projecten, is een rode draad die door alle kennis-
      domeinen heen loopt.
      Hierbij stuit men telkens op drie problemen. Een bevredigende oplossing voor
      deze problemen is een noodzakelijke voorwaarde om in die kennisdomeinen
      optimaal van de mogelijkheden van ict en internet te kunnen profiteren.
      Het gaat achtereenvolgens om het probleem van de toegang tot (de bronnen van)
      kennis en informatie, de toe-eigening van kennis en informatie en het beheer van
      de kwaliteit van kennis en informatie. In de volgende paragrafen worden deze
      drie probleemterreinen nader verkend.
                                                                                                                  67
3.3   toegang
3.3.1 toegang tot informatie en kennis
      Een eerste probleemterrein dat bij de opmars van ict in de kennissamenleving om
      aandacht vraagt, betreft de toegang van burgers tot (de bronnen van) informatie en
      kennis. Deze toegang is vanzelfsprekend een vereiste om te kunnen profiteren van
      de grote hoeveelheid informatie en kennis die mede dankzij ict beschikbaar komt.
      Het probleemterrein ‘toegang’ verwijst hiermee bij uitstek naar de publieke
      dimensie van kennis. Daarbij gaat het enerzijds om de toegankelijkheid van publie-
      ke informatievoorzieningen als de media, bibliotheken en archieven en het inter-
      net. Anderzijds vereist toegang echter ook het kunnen omgaan met informatie.
      Dit vraagt aandacht voor de cognitieve en sociale vaardigheden van de gebruiker.
      Toegang en vaardigheden houden verband met elkaar: informatievoorzieningen
      kunnen gebruiksvriendelijk worden gemaakt om zo beter aan te sluiten op de
      werkwijze van een gebruiker. Dankzij scholing kunnen gebruikers een onder-
      scheidingsvermogen ontwikkelen dat hen in staat stelt met verschillende bron-
      nen en verschillende soorten informatie om te gaan. De rol die het onderwijs
      hierbij speelt, komt uitgebreid aan de orde in hoofdstuk 6. Ook openbare biblio-
      theken zouden hierbij een functie kunnen vervullen (zie hfdst. 7).
      Toegang tot (de bronnen van) kennis en informatie is echter niet alleen een kwes-
      tie van beschikbaarheid en vaardigheden. Om toegankelijk te zijn moeten kennis
      en informatie ook op een bepaalde manier worden ontsloten. Tussen beschik-
      baarheid en gebruik vinden selectie en categorisering van kennis en informatie
      plaats. Intermediairs spelen hierbij een belangrijke rol.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 71 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 72 ======================================================================

<pre>   va n oude e n nieu w e k e n nis
      3.3.2      toegang tot de digitale infr astructuur
                 Toegepast op de informatie-infrastructuur van ict en internet betekent toegang
                 dat men is aangesloten op een computer of een netwerk en op de aanwezige
                 inhoud en diensten, dat de technologie ‘laagdrempelig’ is, dat de gebruiker over
                 voldoende vaardigheden beschikt en dat de inhoud in een bruikbare vorm wordt
                 aangeboden (Borgman 2000). In het informatiebeleid van de overheid is toegang
                 in eerste instantie vooral geïnterpreteerd als de mate van (fysieke) aansluiting.
                 Sinds 1995 is het doel van het overheidsbeleid zoveel mogelijk mensen (huishou-
                 dens) ‘on-line’ te brengen en een ongelijke verdeling en spreiding van ict onder
                 de bevolking te voorkomen.
                 Uit onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau (scp) is echter gebleken
                 dat zich geen scherpe scheidslijnen binnen de bevolking aftekenen. Weliswaar
                 hebben bepaalde bevolkingsgroepen (m.n. ouderen, alleenstaande vrouwen,
                 laagopgeleiden en mensen met een laag inkomen) veel minder vaak een computer
                 en een internetaansluiting dan andere groepen, maar onder alle groepen stijgt de
                 aansluitingsgraad zo snel dat er geen reden is te vrezen dat bepaalde groepen een
68               onoverbrugbare achterstand zullen oplopen. Het scp verwacht dat via marktwer-
                 king een verdere verspreiding van ict over de bevolking zal plaatsvinden, en acht
                 overheidsinspanningen op dit punt dan ook niet nodig (Van Dijk et al. 2000).
                 Is het internet hiermee een ‘toegankelijk’ medium? Deze vraag zou tot enkele
                 jaren geleden slechts beantwoord zijn op grond van de aansluitingsgraad van
                 individuele huishoudens. De informatiestroom zou dan vanzelf op gang komen,
                 zo werd verondersteld. Informatievoorziening via het internet blijkt in werkelijk-
                 heid echter een minder eenvoudige zaak te zijn. Als gevolg van de commercialise-
                 ring van het internet en de enorme expansie die het heeft doorgemaakt, is het
                 vinden van bruikbare informatie op internet steeds meer gelijkenis gaan vertonen
                 met het zoeken van een naald in een hooiberg. Lawrence en Giles (1999) hebben
                 dan ook geconstateerd dat het internet de belofte van ‘democratisering’ van de
                 toegang tot informatie niet heeft waargemaakt. Tussen de fysieke aansluiting en
                 de vaardigheden om informatie te verwerken bevindt zich immers het tussenge-
                 bied van zoekmachines, providers, portals en software, de zogenaamde ‘virtuele
                 infrastructuur’, die de ontsluiting van de informatie op het internet mogelijk
                 maakt, maar tegelijkertijd ook beperkt. Deze intermediairs verzamelen, interpre-
                 teren en selecteren informatie, alvorens deze aan de gebruiker door te geven of
                 hem naar een andere aanbieder van informatie door te verwijzen. Anders dan
                 vaak wordt verondersteld is het contact tussen zender en ontvanger van informa-
                 tie hierdoor niet veel directer geworden.
                 Zoekmachines vormen echter geen ‘neutraal’ filter, maar kennen een sterke bias
                 in het voordeel van ‘populaire’ webpagina’s. Dit heeft tot gevolg dat bepaalde
                 pagina’s steeds weer naar voren komen en hoog eindigen in de rankings van zoek-
                 machines, terwijl grote delen van het internet onbelicht blijven. Lawrence en
</pre>

====================================================================== Einde pagina 72 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 73 ======================================================================

<pre>                        de gevolgen van ict en internet voor toegang, toe-eigening en kwaliteitsbeheer van kennis
      Giles (1999) concluderen dan ook dat ranking op basis van populariteit de ver-
      spreiding en de zichtbaarheid van informatie van hoge kwaliteit op het internet
      kan vertragen of belemmeren. Zoekmachines hebben ook steeds meer problemen
      om het internet in kaart te brengen. In 1997 vond de beste zoekmachine van het
      internet niet meer dan 35 procent van de beschikbare informatie; een jaar later
      was dit nog maar 16 procent. Ook door de resultaten van verschillende zoekma-
      chines te combineren komt de dekking niet hoger uit dan 42 procent. Bovendien
      duurt het steeds langer voordat nieuwe pagina’s worden gevonden en opgeno-
      men in de zoekresultaten. De negen beste zoekmachines doen er gemiddeld een
      half jaar over. Kort samengevat ligt dus meer dan de helft van het internet braak,
      lopen de opbrengsten uit het gebied dat ontgonnen is een half jaar achter en wor-
      den daarvan voornamelijk de meest populaire sites (op grond van links en bezoe-
      kersaantallen) in de index naar voren gehaald.
      De ethici Introna en Nissenbaum (2000) stellen dan ook dat het niet voldoende is
      om de ‘traditionele’ barrières voor de toegang tot het internet te slechten. Het
      probleem van de beperkte ontsluiting van informatie heeft gevolgen voor de
      vraag of het internet zich als een publiek domein laat kenschetsen. Immers: kan
      een medium waarvoor in de meeste gevallen betaling is vereist, waarvan de orga-
      nisatie grotendeels in handen is van supranationale organisaties en private partij-                         69
      en, waarvan de technische structuur een adequate zichtbaarheid vaak belemmert
      en waarop zoveel zwerfvuil slingert dat de zoekacties maar mondjesmaat rele-
      vante informatie opleveren, nog wel gelden als een publiek domein? Deze vraag
      is des te dringender, daar de belofte van onbeperkte toegang tot kennis en infor-
      matie voor een breed publiek vanaf het begin tot de drijfveren behoorde voor de
      ontwikkeling van het internet.
3.3.3 voorwaarden voor toegang
      Toegang tot informatie en kennis is afhankelijk van drie voorwaarden:
      1 aansluiting op informatievoorzieningen,
      2 vaardigheden van de gebruiker en
      3 ontsluitingsstructuur.
      Dit geldt voor informatievoorzieningen in het algemeen en voor het internet in
      het bijzonder. Bij het internet krijgt de laatste voorwaarde, de ontsluitingsstruc-
      tuur, ten onrechte vaak de minste aandacht. De twee uitersten die zich hierbij
      voordoen, zijn die van een ontsluitingstechnologie die volledigheid beoogt en
      een technologie die op basis van bepaalde maatstaven zo scherp mogelijk selec-
      teert. In het eerste geval kan toegang tot het volledige aanbod ertoe leiden dat
      informatie onoverzichtelijk en betekenisloos is. In het tweede geval vindt filte-
      ring van informatie plaats, die weliswaar de kwaliteit van de informatie ten
      goede kan (maar niet per se hoeft te) komen, maar die naast insluiting van infor-
      matie noodzakelijkerwijs ook uitsluiting van andere informatie impliceert. Ver-
      zorgers en beheerders van informatie moeten een keuze maken tussen deze twee
      uitersten van onbeperkte toegang en selectieve in- en uitsluiting. Hierbij zijn de
      twee uitersten zelf weinig aantrekkelijk. Daartussen bevindt zich echter een
</pre>

====================================================================== Einde pagina 73 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 74 ======================================================================

<pre>   va n oude e n nieu w e k e n nis
                 breed scala aan mengvormen, die elk worden gekenmerkt door een specifieke
                 afweging tussen de voor- en nadelen van de twee uitersten. Hier is dus ruimte
                 voor een grote variatie aan vormen van selectie en ontsluiting van informatie.
                 Zolang er vele intermediairs naast elkaar bestaan, biedt dit de gebruiker enerzijds
                 voldoende keuzemogelijkheden in zijn speurtocht naar bruikbare informatie, ter-
                 wijl de intermediairs hem anderzijds enig houvast bieden om in het onoverzien-
                 bare aanbod aan informatie zijn weg te vinden. De rol van intermediairs komt
                 verder aan de orde in hoofdstuk 4 over de markt van informatiegoederen en in
                 hoofdstuk 7 over bibliotheken en archieven.
      3.4        toe- eigening
      3.4.2      druk op de publieke dimensie van kennis
                 Toe-eigening vormt in zekere zin het complement van de toegang tot informatie
                 en kennis. Door zich informatie en kennis toe te eigenen ontneemt men aan
                 anderen de mogelijkheid om (kosteloos) van die informatie en kennis gebruik te
                 maken. Toe-eigening staat hiermee per definitie op gespannen voet met het
                 publieke karakter van kennis. Dit betekent echter niet dat de mogelijkheid tot
70               toe-eigening van kennis onwenselijk is. Integendeel, de mogelijkheid om kennis
                 (of in ieder geval de opbrengst daarvan) toe te eigenen is een noodzakelijke voor-
                 waarde om het voor private partijen aantrekkelijk te maken kennis te genereren.
                 Bedrijven zullen immers alleen in de creatie van kennis investeren als de opbrengst
                 ervan voldoende opweegt tegen de kosten. Als nieuwe kennis onmiddellijk voor
                 iedereen kosteloos beschikbaar zou zijn, zou een investering in kennisontwik-
                 keling nooit kunnen renderen. Dit is de belangrijkste reden voor de wettelijke
                 bescherming van intellectuele eigendomsrechten in de vorm van patenten,
                 auteursrechten en dergelijke.
                 Toe-eigening van kennis kan echter een probleem worden, wanneer de private
                 opbrengst ervan niet meer opweegt tegen de maatschappelijke baten indien de
                 kennis publiek toegankelijk zou zijn. Een probleem kan zich ook voordoen indien
                 kennis en informatie die voorheen een publiek karakter hadden, door een private
                 partij worden toegeëigend. In deze paragraaf wordt vooral deze problematische
                 kant van toe-eigening besproken. Daarom passeren hieronder enkele vormen van
                 toe-eigening de revue die de publieke dimensie van kennis onder druk zetten. In
                 hoofdstuk 4 wordt de andere zijde van toe-eigening belicht: de strategieën die
                 bedrijven (kunnen) volgen om voldoende profijt uit informatiegoederen te halen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 74 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 75 ======================================================================

<pre>                        de gevolgen van ict en internet voor toegang, toe-eigening en kwaliteitsbeheer van kennis
3.4.2 vormen van toe- eigening
      In deze subparagraaf worden vier vormen van toe-eigening van kennis en
      informatie besproken die afbreuk kunnen doen aan de publieke dimensie van
      kennis.
      In de eerste plaats gaat het om de toe-eigening van nieuwe kennis, van een vin-
      ding. Zoals opgemerkt, is een noodzakelijke voorwaarde voor investeringen in
      onderzoek dat bedrijven zich deze kennis toe-eigenen. Voor onderzoek door
      publiek gefinancierde instellingen, in het bijzonder de universiteiten, geldt als
      regel echter dat de resultaten niet kunnen worden toegeëigend maar publiek
      gemaakt worden via lezingen en publicaties. Eer en erkenning vormen in dat
      geval de beloning voor de onderzoeker.
      Zo lang publiek gefinancierd en privaat gefinancierd onderzoek strikt gescheiden
      zijn, doet zich hier geen probleem voor. Dit kan echter anders liggen in geval van
      publiek-private samenwerking: gezamenlijk onderzoek door universiteiten of
      andere publieke onderzoeksinstellingen en het bedrijfsleven. In dat geval botst de
      door de onderneming gewenste private toe-eigening met het principe van
      publieke toegankelijkheid van academische onderzoeksresultaten. Als de econo-                               71
      mische overwegingen van de onderneming de doorslag geven – hetgeen aanne-
      melijk is aangezien deze anders geen belang heeft bij de samenwerking – komt het
      publieke karakter van het academische onderzoek in het gedrang. Bovendien
      dreigt in dit geval ook de aard van het (publiek gefinancierde) wetenschappelijk
      onderzoek en de richting van de kennisontwikkeling te worden gestuurd door
      economische motieven (zie hierover verder hfdst. 5).
      Toe-eigening kan in de tweede plaats ook bestaan uit het commercieel uitbaten
      van reeds beschikbare informatie of kennis. Voor het bedrijfsleven is dit natuur-
      lijk ‘business as usual’, maar voor de overheid is het de vraag of zij dit terrein wel
      moet betreden. De overheid is immers eigenaar van omvangrijke gegevensbe-
      standen (bijv. beheerd door het Centraal Bureau voor de Statistiek), die een aan-
      zienlijke commerciële waarde kunnen vertegenwoordigen. ict vergroot de
      mogelijkheden om op aanvraag op maat gesneden informatie te leveren aanzien-
      lijk. Het is echter zeer de vraag of commerciële uitbating hiervan op zijn plaats is.
      Het gaat immers veelal om informatie die om geheel andere redenen is verzameld
      en bovendien vaak privacygevoelig is.
      In de derde plaats kan toe-eigening betrekking hebben op zogenaamde interme-
      diaire functies en meta-informatie. In de vorige paragraaf werd geconstateerd dat
      intermediairs een belangrijke rol spelen ten aanzien van de toegankelijkheid van
      kennis en informatie. In zekere zin eigenen deze intermediairs zich een grote
      hoeveelheid aangeboden informatie toe, waarvan zij slechts een beperkt deel
      beschikbaar stellen aan de gebruiker. De informatie die zij niet selecteren, verliest
      hiermee in feite haar publieke karakter. Bovendien kunnen commerciële overwe-
      gingen de wijze van selectie beïnvloeden. Om advertentie-inkomsten of betaling
</pre>

====================================================================== Einde pagina 75 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 76 ======================================================================

<pre>   va n oude e n nieu w e k e n nis
                 door aanbieders van informatie te genereren, spelen bij de selectie ook andere dan
                 inhoudelijke (kwaliteits)criteria een rol.
                 Toegepast op het internet, zijn de intermediairs een nieuwe bron van informatie-
                 asymmetrie. Wie zich op het internet begeeft, laat zogenaamde ‘verkeersinfor-
                 matie’ achter, doordat handelingen en acties geregistreerd worden en personen
                 aldus traceerbaar zijn. Zo creëren gebruikers (ongewild) kennis over hun eigen
                 preferenties en consumptiepatronen, die vervolgens door de intermediairs com-
                 mercieel kan worden benut (bijv. door deze te verkopen aan bedrijven).
                 Een vierde vorm van toe-eigening betreft de tendens tot het bedrijfsmatig waar-
                 deren van mensen als kennisdragers. De in werknemers belichaamde kennis
                 wordt steeds vaker als een belangrijk ‘asset’ van de onderneming onderkend. Als
                 de kennisintensivering die het resultaat is van opwaardering van de sociale vaar-
                 digheden en (impliciete) kennis van het personeel, de innovatieve kracht van een
                 organisatie vergroot, kan de behoefte ontstaan om dit op de balans van de onder-
                 neming tot uitdrukking te brengen (‘human resource accounting’; vgl. Dolfsma
                 en Soete 2002). De impliciete, in het personeel belichaamde kennis wordt hier-
                 mee in de wereld van de goederen getrokken (‘commodification’) en door het
72               bedrijf toegeëigend. In dit geval wordt overigens geen kennis aan het publieke
                 domein onttrokken (want impliciete kennis is bij uitstek private kennis), maar
                 wordt wel het terrein opgerekt van kennis die om commerciële redenen wordt
                 toegeëigend.
                 Toe-eigening van kennis en informatie door private partijen met het oog op com-
                 merciële uitbating is op zichzelf geen reden tot zorg. Zij is zelfs een belangrijke
                 voorwaarde voor kenniscreatie in het private domein. In een kennissamenleving
                 zullen privaat toegeëigende en publiek toegankelijke kennis dan ook altijd naast
                 elkaar voorkomen. Zorgelijk wordt toe-eigening van kennis pas wanneer hier-
                 door de toegang tot kennis wordt ingeperkt die voorheen een publiek karakter
                 had. In dergelijke gevallen dient een zorgvuldige afweging te worden gemaakt
                 tussen de private winst die toe-eigening van kennis kan opleveren en de publieke
                 kosten waarmee zij gepaard gaat.
      3.5        kwaliteitsbeheer
      3.5.1      ver anderingen in het medial andschap
                 De opkomst van de virtuele infrastructuur van het internet roept ook vragen op
                 met betrekking tot het kwaliteitsbeheer van de aangeboden kennis en informatie.
                 “The problem of modern democracies in the global era is not too little informa-
                 tion or too little access to information, but too much information out of which
                 we can make far too little sense”, stelt Benjamin Barber (2001). Het aanbod van
                 informatie neemt enorm toe, maar de kwaliteit en bruikbaarheid ervan lijken
                 steeds minder verzekerd te zijn.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 76 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 77 ======================================================================

<pre>                  de gevolgen van ict en internet voor toegang, toe-eigening en kwaliteitsbeheer van kennis
Verschillende auteurs hebben gewezen op de veranderingen die zich hierdoor
voordoen in het zogenaamde ‘medialandschap’. Zo stelt Castells (1996: 310) dat
de mediaruimte en de politieke ruimte naar elkaar zijn toe gegroeid. Hij spreekt
in dit verband over informationele politiek. Zowel de traditionele media (kran-
ten, radio, televisie) als de nieuwe media (internet) voegen een dimensie toe aan
het politieke debat en aan de wijze waarop het strategische machtsspel wordt
gespeeld. Beeld en beeldvorming winnen aan belang als het erom gaat te overtui-
gen in het politieke debat en kijkers en luisteraars te beïnvloeden. Volgens som-
migen zou dit het einde van de democratie inluiden. Dit pessimisme lijkt echter
niet gerechtvaardigd. De media zijn immers zeer divers en op vele manieren op
vele kanalen aanwezig. Zonder hun kritische, ‘democratische’ rol – de rol die
tegenmacht impliceert – te overdrijven, kan worden vastgesteld, dat de media in
ieder geval zeer pluriform zijn in hun aanbod en als zodanig veel verschillende
stemmen aan bod laten komen.
Dit kan men overigens ook minder positief interpreteren. De collectieve functie
van de media zorgde ervoor dat mensen binnen territoriale grenzen ook een
gedeeld politiek en cultureel besef hadden, doordat ze opgroeiden met grofweg
dezelfde informatievoorziening. Deze functie dreigt door versnippering nu ver-
loren te gaan. De massamedia hebben volgens sommigen door hun overweldi-                                    73
gende aanbod een fragmentering van de samenleving teweeggebracht. De lezer,
kijker of gebruiker is gaan ‘zappen’. Toename aan de kant van de ‘zender’ leidde
tot versnippering aan de kant van de ‘ontvanger’.
Met de komst van het internet is er ook steeds meer sprake van versnippering aan
de kant van de ‘zender’. Het aanbod van informatie beperkt zich niet meer tot de
partijen die tot ‘de media’ worden gerekend, maar omvat ook individuele burgers
en kleine gebruikers. Zij overladen het internet met een uiterst veelzijdig aanbod
aan informatie: van roddel en achterklap tot kritisch commentaar en kantteke-
ningen bij de informatievoorziening door de grotere media. Ontegenzeggelijk
vervult het internet hiermee ook een politieke functie in de vorm van het leveren
van kritiek. Kritiek is de mogelijkheid om zonder zelf politiek te willen bedrijven
(d.w.z. zoals de politiek bedreven wordt in het politieke domein) wel politiek
commentaar te leveren. Doordat iedereen een website kan openen die in principe
voor iedereen toegankelijk is, is het internet zo een broedplaats voor kritiek
geworden.
Een gevolg van deze ontwikkelingen is dat op het internet ook veel informatie
verschijnt die als onzeker kan worden bestempeld omdat ze niet door filtersyste-
men als tijdschrift- en krantenredacties is gevalideerd. De informatie is nog niet
gestabiliseerd en kan dus onvolledig, politiek gekleurd of inzet van een contro-
verse zijn. Dit soort informatie laat zich zonder het internet moeilijker opvissen.
Het is informatievoorziening ‘heet van de naald’, die wereldwijd kan opduiken.
Deze vorm van onzekerheid verdient zeker geen negatieve beoordeling. De onze-
kerheid is namelijk niet het gevolg van de twijfelachtige allure van de aanbieder,
</pre>

====================================================================== Einde pagina 77 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 78 ======================================================================

<pre>   va n oude e n nieu w e k e n nis
                 maar wordt veroorzaakt door de ‘voortijdige berichtgeving’. Deze heeft het grote
                 voordeel dat zij snel is, materiaal biedt voor eigen interpretatie en meningsvor-
                 ming en bijdraagt aan een grotere pluriformiteit van het informatieaanbod. Tege-
                 lijkertijd roept de onzekerheid van veel informatie op het internet wel de vraag
                 op hoe de gebruiker de kwaliteit van de aangeboden informatie kan beoordelen.
                 In de volgende subparagraaf bezien we op welke wijze het kwaliteitsbeheer van
                 informatie op het internet kan worden georganiseerd.
      3.5.2      vormen van kwaliteitsbeheer
                 Net als bij de traditionele vormen van informatieverspreiding, zijn er ook in de
                 praktijk van het internet verschillende vormen van kwaliteitsbeheer werkzaam
                 naast en door elkaar. Het probleem hierbij is de veelal asymmetrische informatie-
                 verhouding over de kwaliteit die bestaat tussen de aanbieder en de vrager van
                 informatie op het internet (zie ook hfdst. 4). De aanbieder heeft meer informatie
                 over de kwaliteit dan de vrager en probeert daarom zo goed mogelijk de reputatie
                 op te bouwen dat de door hem aangeboden informatie op het internet betrouw-
                 baar is.
74               De wijze waarop een aanbieder van informatie komt tot enige vorm van kwali-
                 teitsbeheer, zal altijd een zekere mate van selectie impliceren. Deze selectie kan
                 op verschillende manieren tot stand komen: op grond van inhoudelijke maatsta-
                 ven bijvoorbeeld, of door af te gaan op populariteit. Hiernaast kent kwaliteitsbe-
                 heer ook een sociale component. Hoe is deze selectie georganiseerd? Wie voert
                 het uit, of aan wie wordt het overgelaten om het kaf van het koren te scheiden?
                 Hoe komt de interactie tussen vrager en aanbieder tot stand zodat de informatie-
                 achterstand van de vrager over de kwaliteit van hetgeen de aanbieder op het
                 internet biedt wordt verminderd, dan wel opgeheven?
                 De relatie tussen mensen die informatie zoeken, en mensen (of partijen) die
                 informatie aanbieden, kan dus op verschillende manieren worden georganiseerd.
                 Afhankelijk van hoe (en door wie) de kwaliteit van de informatie wordt bepaald
                 en van hoe de reputatie van betrouwbaarheid wordt opgebouwd, worden hier
                 drie vormen onderscheiden.
                 Een eerste vorm is het kwaliteitsbeheer dat is gericht op de (commerciële) relatie
                 tussen vraag en aanbod op de markt van informatie en kennis. Het gaat hierbij
                 om aanbieders van informatie of kennis die direct of indirect op materieel gewin
                 uit zijn, en om vragers voor wie de informatie of kennis een waarde vertegen-
                 woordigt. Daarmee beperkt het onderwerp zich tot een onderdeel van de ‘markt’
                 voor informatie en kennis.
                 De tweede vorm wordt gekenmerkt door zelfregulering. Het is gebaseerd op de
                 praktijk van communities, waarin gebruikersgroepen, beroepsverenigingen en
                 andere niet-publieke intermediairs het kwaliteitsbeheer uitvoeren. Het kan hier-
                 bij zowel om een welomschreven en gereguleerde coalitie gaan, als om een los,
                 ongeorganiseerd verband van gebruikers. Zelfregulering onderscheidt zich van de
</pre>

====================================================================== Einde pagina 78 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 79 ======================================================================

<pre>                       de gevolgen van ict en internet voor toegang, toe-eigening en kwaliteitsbeheer van kennis
      commerciële vorm van kwaliteitsbeheer, doordat de betreffende groep het kwali-
      teitsbeheer als een expliciete taak opvat (en commercieel gewin niet als eerste
      doel heeft). In plaats daarvan is het kwaliteitsbeheer van belang om een goede
      interactie te bevorderen tussen verschillende aanbieders van informatie, waarbij
      deze interactie niet al te zeer gehinderd mag worden door kwaliteitsarme infor-
      matie.
      De derde vorm behelst de publieke controle, waarbij aan de overheid als kwali-
      teitsbewaker kan worden gedacht. Deze taak is tweeledig. Enerzijds is de over-
      heid poortwachter, wanneer zij waakt over het aanbod van informatie in straf-
      rechtelijke zin. Anderzijds heeft de overheid de taak het publieke belang te
      ondersteunen, wanneer daar aanleiding toe is. Dit is, in algemene zin, het geval
      wanneer er sprake is van marktfalen. De twee andere vormen van kwaliteitsbe-
      heer kunnen er dan niet voor zorgen dat aanbieders nuttige en waardevolle infor-
      matie en kennis op het internet plaatsen (of wanneer die informatie onderbelicht
      blijft).
      Zoals vermeld speelt het reputatiemechanisme in al deze vormen van kwaliteits-
      beheer een belangrijke rol. Opbouw van een reputatie en van de naam die staat
      voor betrouwbare en waardevolle kennis, is essentieel om de vragers van deze                               75
      kennis gebruik te laten maken. De opbouw van reputatie kent vele vormen, van
      een heldere en betrouwbaar uitziende website, tot het benutten van een elders
      reeds opgebouwde reputatie – merknamen – , en van keurmerken en garanties tot
      vormen van ‘peer review’, zoals dat in de wetenschappelijke wereld gebruik is.
      De drie vormen die hierboven vanuit het oogpunt van de organisatie van het
      kwaliteitsbeheer onderscheiden zijn, worden hieronder verder uitgewerkt.
3.5.3 de commerciële vorm van kwaliteitsbeheer
      De eerste vorm van kwaliteitsbeheer is het geheel en al over te laten aan de indi-
      viduele aanbieders, in reactie op het oordeel van de gebruikers over de reputatie
      van de aanbieder. Het idee hierachter is dat de sites, providers, startpagina’s,
      enzovoort, die in de ogen van de gebruiker het beste zijn, het meest bezocht wor-
      den. Er treedt dan automatisch een selectiemechanisme in werking waardoor uit-
      eindelijk de ‘beste’ aanbieders overblijven. Op deze manier wordt een kwaliteits-
      criterium niet ‘van hogerhand’ opgelegd; de gebruiker bepaalt zelf welke
      informatiebronnen hij het meest waardeert. De vrije concurrentie op de dagbla-
      denmarkt heeft er bijvoorbeeld toe geleid dat er niet één, maar een beperkt aantal
      grote kranten naast elkaar bestaat. Bovendien is er enige ruimte voor prijsdiffe-
      rentiatie.
      Kwaliteit is in deze commerciële vorm behalve een kwestie van populariteit ook
      een kwestie van reputatie. Reputatie wordt in de loop der jaren opgebouwd, maar
      kan ook weer verloren gaan. Dit dwingt de aanbieder om de kwaliteit van de
      informatie voortdurend te meten. De kwaliteit van de aangeboden informatie is
      in deze specifieke vorm van kwaliteitsbeheer dus niet alleen een kwestie van de
</pre>

====================================================================== Einde pagina 79 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 80 ======================================================================

<pre>   va n oude e n nieu w e k e n nis
                 meeste stemmen (abonnementen, kijkers, hits). De kwaliteit wordt ook gewaar-
                 borgd doordat gebruikers bereid zijn er een hogere prijs voor te betalen, zodat de
                 aanbieders van de informatie zich ook bij een kwantitatief kleinere vraag in de
                 concurrentiestrijd met de ‘populaire’ media staande kunnen houden.
                 Op het internet ligt dit in beginsel overigens niet anders dan in andere informa-
                 tiemarkten. Hoewel intermediairs (zoals zoekmachines) vooralsnog voorname-
                 lijk selecteren op populariteit van sites (zie par. 3.3.2), is het aannemelijk dat op
                 den duur intermediairs die ook kwaliteit hoog in hun vaandel schrijven, de beste
                 overlevingskansen zullen hebben.
      3.5.4      kwaliteitsbeheer door communities
                 De tweede vorm van kwaliteitsbeheer komt tot uitdrukking in de werkwijze van
                 communities ofwel gebruikersgroepen. Het voornaamste organiserende kenmerk
                 van een gemeenschap is de zelfregulering. Zelfregulering onderscheidt zich van
                 de commerciële vorm, doordat verschillende actoren de krachten bundelen om
                 gezamenlijk het kwaliteitsbeheer te voeren, zonder hierbij in eerste instantie een
                 winstoogmerk na te streven. Deze samenwerking kan op verschillende wijzen tot
76               stand komen.
                 In de eerste plaats kan zelfregulering betrekking hebben op georganiseerde groe-
                 pen van gebruikers. Zij verwijst dan naar de niet-hiërarchisch georganiseerde
                 controle en evaluatie die bepaalde sociale gemeenschappen uitoefenen. Hierbij
                 kan worden gedacht aan nieuwsgroepen op het internet, die een enigszins verge-
                 lijkbare vorm van zelfregulering kennen als de wetenschappelijke gemeenschap.
                 Ook hier zijn vertrouwenwekkende maatregelen en het opbouwen van reputatie
                 van groot belang. En ook hier is sprake van impliciete en expliciete sociale codes
                 (zoals netetiquette), die zowel fungeren als sociaal bindmiddel en discriminerend
                 werken ten opzichte van buitenstaanders als de functie vervullen van ordehand-
                 having.
                 In de tweede plaats kan zelfregulering het resultaat zijn van een gedelegeerde ver-
                 antwoordelijkheid. Een bekend voorbeeld hiervan is de wetenschappelijke
                 gemeenschap, die zelf zorg draagt voor de kwaliteit van haar werk. Zij selecteert
                 relevante, vernieuwende en kwalitatief hoogstaande kennis en informatie alvo-
                 rens deze voor een groter publiek te ontsluiten (bijv. via de reviewprocedures van
                 wetenschappelijke tijdschriften). Deze zelfregulering geeft uitdrukking aan de
                 relatieve autonomie van de wetenschappelijke gemeenschap. Hiermee vervult ze
                 tegelijkertijd een poortwachterfunctie: wie wil deelnemen aan de wetenschap,
                 moet bij wijze van spreken eerst een met opleidingen en certificaten omlijste
                 poort door.
                 Het systeem van peer review roept wel de nodige vragen op: Hoe meet je kwali-
                 teit? Welke maatstaven worden daarvoor aangelegd? Hoe voorkom je dat de
                 wederzijdse belangen in de relatie tussen auteur, referent en tijdschrift de objec-
                 tieve kwaliteitscriteria overheersen? Vergelijkbare vormen van zelfregulering
</pre>

====================================================================== Einde pagina 80 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 81 ======================================================================

<pre>                        de gevolgen van ict en internet voor toegang, toe-eigening en kwaliteitsbeheer van kennis
       komen voor bij bepaalde ‘vrije’ beroepsgroepen, zoals medische professionals
       (bijv. in de vorm van het medisch tuchtrecht), advocaten, accountants en derge-
       lijke.
       Zelfregulering en de relatieve autonomie van de beroepsgroep stellen dus hoge
       eisen aan de scheiding van individuele belangen en gezamenlijke verantwoorde-
       lijkheden. Alleen door vertrouwenwekkende maatregelen in de richting van het
       ‘publiek’ en door een reputatie op te bouwen is een dergelijk systeem van kwali-
       teitsbeheer duurzaam in stand te houden. Ten opzichte van de publieke vorm van
       kwaliteitsbeheer heeft het echter als voordeel dat het in beginsel ‘democratischer’
       is, doordat het een vorm van regulering ‘van onderaf’ is.
       In de derde plaats kan zelfregulering de vorm aannemen van expliciete afspraken
       tussen bedrijven (zoals bij standaardisering). De term zelfregulering kan hier
       onduidelijkheid scheppen, omdat hier sprake is van een andersoortige praktijk
       dan bij de genoemde gebruikersgroepen. Waar gebruikersgroepen zonder com-
       merciële belangen de organisatie van het kwaliteitsbeheer ter hand nemen, zal
       hier de inrichting en de stroomlijning van markten juist een belangrijke drijfveer
       zijn. Private partijen nemen dan de organisatie van de markt in handen. Deze
       vorm van zelfregulering heeft zich vooral in de Verenigde Staten ontwikkeld en                             77
       gemanifesteerd, en verschilt in enige mate met de Europese benadering, waarbij
       de nadruk meer ligt op normering door de overheid (Ducatel et al. 2000: 7).
       Afspraken tussen bedrijven kunnen overigens op gespannen voet staan met wet-
       geving ten aanzien van kartels en mededinging. De mededingingsautoriteit zal
       kritisch moeten staan tegenover deze vorm van gebruikersinformatie door pro-
       ducenten.
3..5.5 kwaliteitsbeheer door publieke controle
       Een derde vorm van kwaliteitsbeheer is de publieke controle. Deze vorm kent
       twee varianten. In de eerste plaats kan de publieke controle de vorm aannemen
       van een poortwachtersfunctie. Een publieke instantie, die door de overheid is
       aangewezen, vervult dan een filterende rol. Het kan daarbij gaan om een over-
       heidsdienst, maar ook om een zelfstandig bestuursorgaan (zbo) of een rechter.
       Deze instantie bepaalt welke informatie voldoende kwaliteit heeft om te worden
       geselecteerd en voor de gebruiker te worden ontsloten. Gezien de enorme hoe-
       veelheid informatie die op het internet wordt aangeboden, is het niet voorstel-
       baar dat deze functie voor alle informatie op het internet wordt uitgeoefend. Wel
       is het denkbaar dat een marginale toets wordt uitgevoerd. Tot nu toe wordt hierbij
       vooral gedacht aan het bannen van websites die moreel verwerpelijk worden
       geacht, zoals (kinder)porno, nazistische propaganda en hate sites. De providers
       kunnen hierop worden aangesproken en worden verplicht de betreffende sites
       van het internet te verwijderen. Hoewel het geheel ingaat tegen het oorspronke-
       lijke ideaal van het internet als een volledig ‘open’ en anarchistisch medium, heb-
       ben overheden de afgelopen jaren diverse malen gepoogd het internet te censure-
       ren: van de Falun Gong-beweging in China tot nazi-propaganda in Frankrijk.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 81 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 82 ======================================================================

<pre>   va n oude e n nieu w e k e n nis
                 Deze publieke bemoeienis kan men zien in het licht van de normalisering van het
                 internet. In Nederland wordt bijvoorbeeld het credo gevolgd dat wat ‘off-line’
                 geldt, ook ‘on-line’ moet gelden: het internet krijgt geen uitzonderingspositie
                 voor wat mag en kan, maar wordt ingepast in de bestaande nationale en interna-
                 tionale rechtsregels en rechtssystemen. “Like all frontiers, it was wild for a while,
                 but policemen always show up eventually. Local standards apply, even on the
                 Internet” (The Economist 2001: 9/10).
                 Totnogtoe heeft deze overheidsbemoeienis geen betrekking op de kwaliteit van
                 de informatie op het internet, in de zin van waarheidsgehalte en betrouwbaar-
                 heid. Geheel ondenkbaar dat de overheid (of een door haar aangewezen instantie)
                 een dergelijke rol gaat spelen, is het echter niet. Hierbij zou het er naar alle waar-
                 schijnlijk niet om gaan onjuiste of onbetrouwbare informatie te verbieden, maar
                 om informatie die juist wel aan een hoge kwaliteitsstandaard voldoet, te selecte-
                 ren of te belichten.
                 Hiermee is de tweede betekenis van kwaliteitsbeheer door publieke controle
                 gegeven. De overheid treedt hier niet op als een poortwachter die op strafrechte-
                 lijke gronden bepaalde informatie wel of niet toelaat, maar ondersteunt een
78               publiek belang dat door marktfalen onvoldoende aandacht ondervindt. Dit zou
                 bijvoorbeeld de vorm kunnen aannemen van een keurmerk dat aan kwalitatief
                 hoogstaande informatie of aan bepaalde intermediairs wordt toegekend. Ook is
                 het in beginsel denkbaar dat de overheid zelf intermediairs in het leven roept om
                 informatie van voldoende kwaliteit te selecteren. Een voorbeeld hiervan is het
                 gezondheidsportaal dat het Ministerie van vws overweegt in het leven te roepen
                 om betrouwbare medische informatie te verstrekken. Ook de openbare bibliothe-
                 ken zouden een rol kunnen spelen bij het kwaliteitsbeheer van informatie (zie
                 hfdst. 7). Een andere (indirecte) manier zou kunnen zijn dat de overheid actiever
                 verwijst naar sites van andere aanbieders (van maatschappelijke organisaties bij-
                 voorbeeld) die om een bepaalde reden (omdat andere mechanismen tekort schie-
                 ten) in aanmerking komen voor extra aandacht. Dan moet wel worden gewaakt
                 voor twee zaken. Zo moet reputatieverlies van de overheid door beschadiging
                 van de naam (bijv. door verwijzing naar onbetrouwbare informatie) worden ver-
                 meden. Andersom is het onwenselijk dat de overheid haar eigen belang voorop-
                 stelt in verwijzing naar andere informatiebronnen. Overheidsactiviteiten zijn
                 alleen verdedigbaar wanneer de basiswaarden in het geding zijn.
      3.5.6      bevindingen
                 Elk van de vormen van kwaliteitsbeheer van informatie en kennis is meer of min-
                 der uitgesproken terug te vinden bij de informatievoorziening door middel van
                 ict en internet. Het reputatiemechanisme speelt in alle gevallen een rol. Van de
                 verschillende vormen heeft vooral het kwaliteitsbeheer door gebruikersgroepen
                 een impuls gekregen, in tweeërlei zin. In de eerste plaats past het bij het ‘bottom
                 up’-gebruik van het internet, waarin gebruikersgroepen een belangrijke en bepa-
                 lende rol hebben gespeeld bij het opbouwen van het sociale vertrouwen in het
</pre>

====================================================================== Einde pagina 82 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 83 ======================================================================

<pre>                      de gevolgen van ict en internet voor toegang, toe-eigening en kwaliteitsbeheer van kennis
    medium. In de tweede plaats is zelfregulering in een later stadium van toepassing
    verklaard op de samenwerking en coalitievorming van marktpartijen, bijvoor-
    beeld om standaardisering te bereiken. Overigens moeten de verschillen niet
    worden overdreven. Zo hebben ze geen van alle (met uitzondering van de over-
    heid die onwenselijke informatie van het internet bant) een dwingend karakter;
    uiteindelijk bepaalt de gebruiker immers zelf of hij van een bepaalde intermediair
    gebruik maakt. Voor elke partij die het kwaliteitsbeheer over informatie wil voe-
    ren, is reputatie dan ook een essentiële voorwaarde. Als de gebruikers hun ver-
    trouwen in een intermediair verliezen – bijvoorbeeld doordat deze hun te vaak
    onbruikbare informatie levert of belangrijke informatie onthoudt –, zal de inter-
    mediair zijn positie verliezen aan concurrenten die meer vertrouwen wekken.
    Hiernaast zijn de verschillende vormen in de praktijk vaak minder goed te onder-
    scheiden en lijken zij soms zelfs in elkaar over te gaan. Terloops werden al twee
    voorbeelden genoemd. Wanneer een overheid zich opstelt als poortwachter maar
    bij het opstellen van keurmerken samenwerkt met maatschappelijke en private
    organisaties, neigt dit naar een vorm van zelfregulering. En de vorm van zelfregu-
    lering die gemeengoed is in de wetenschappelijke wereld (peer-review), fungeert
    tegelijkertijd als een poortwachterssysteem. De vormen kunnen in hun prakti-
    sche uitwerking dus resulteren in mengvormen.                                                               79
3.6 conclusies
    In dit hoofdstuk is getracht de gevolgen van de opmars van ict en internet in de
    kennissamenleving in kaart te brengen voor de toegang tot, de toe-eigening van
    en het kwaliteitsbeheer van kennis en informatie. Hiertoe is allereerst de histori-
    sche ontwikkeling van ict en internet geschetst. De vele beloften die zij oor-
    spronkelijk in zich droegen, blijken slechts ten dele te zijn waargemaakt. Het ide-
    aal van onbeperkte publieke toegang tot alle informatie en kennis die men zich
    maar kan wensen, is gestuit op de weerbarstige praktijk. De mogelijkheden van
    de nieuwe technologie worden vaak overgeschat en de praktische belemmeringen
    blijven onderbelicht. Het internet is bijvoorbeeld geen bibliotheek en zal het ook
    nooit worden. In plaats van bestaande problemen op te lossen, hebben ict en
    internet meer dan eens sluimerende problemen en discussies nieuw leven inge-
    blazen.
    Problemen rond toegang, toe-eigening en kwaliteitsbeheer doen zich in het gehe-
    le kennisdomein voor. De komst van ict en internet accentueren deze problemen
    eerder dan dat zij er een pasklare oplossing voor bieden. Reeds bestaande discus-
    sies herleven zodra ict ter sprake komt. ict en internet lijken de belofte in zich te
    dragen van meer openheid en toegang, betere samenwerking en openstelling, en
    meer zichtbaarheid en transparantie en daarmee van een versterking van de
    publieke dimensie van kennis. Toegang tot kennis is echter meer dan een kwestie
    van aansluiting op het internet. Hij vraagt ook specifieke vaardigheden van de
    gebruiker. Bovenal wordt de toegang echter beperkt door nieuwe intermediairs
    die als een filter fungeren tussen de aanbieder en de ontvanger van informatie.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 83 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 84 ======================================================================

<pre>   va n oude e n nieu w e k e n nis
                 Meer samenwerking tussen wetenschap en bedrijfsleven biedt perspectieven
                 voor nieuwe kennisontwikkeling, maar roept tegelijkertijd vragen op over de
                 toe-eigenbaarheid van kennis die deels uit publieke middelen is gefinancierd. En
                 meer pluriformiteit in het aanbod van kennis en meer variatie in het aantal en het
                 soort aanbieders roepen onzekerheid op over de status van het aangebodene en
                 de reputatie van de betreffende partij. Er zijn diverse modellen denkbaar om de
                 kwaliteit van de aangeboden informatie te bewaken, maar elk kent de nodige
                 beperkingen.
                 Een bevredigende oplossing van de problemen rond toegang, toe-eigening en
                 kwaliteitsbeheer bepaalt in belangrijke mate of de publieke dimensie van kennis
                 voldoende recht wordt gedaan. Hiervan is afhankelijk of in de verschillende ken-
                 nisdomeinen optimaal gebruik kan worden gemaakt van de mogelijkheden die
                 ict en internet in beginsel bieden. Het gaat hierbij nooit om een eenzijdige keuze
                 voor hetzij publieke, hetzij private kennis. De problemen die zich (kunnen) voor-
                 doen rond toegang, toe-eigening en kwaliteitsbeheer kunnen het beste worden
                 aangepakt door een grote variatie in vormen van kennis, kenniscreatie en kennis-
                 verspreiding mogelijk te maken en te stimuleren.
80               Concreet betekent dit dat niet alleen de gehele bevolking aansluiting dient te krij-
                 gen op het internet, maar dat er ook een grote variatie aan intermediairs dient te
                 zijn die de aangeboden informatie filteren. Voorkomen moet worden dat bepaal-
                 de waardevolle informatie onbereikbaar wordt, doordat alleen de meest populaire
                 websites door intermediairs worden geselecteerd. Toe-eigening van kennis voor
                 commercieel gebruik is niet alleen onvermijdelijk maar ook wenselijk, indien
                 men voldoende prikkels wil bieden voor de creatie van nieuwe kennis. Tegelijker-
                 tijd dient er voldoende ruimte te blijven voor kenniscreatie in publiek gefinan-
                 cierde instellingen, die vervolgens ook voor een groter publiek beschikbaar komt.
                 Voorkomen moet worden dat – op zichzelf wenselijke – samenwerking tussen
                 publieke onderzoeksinstellingen en private ondernemingen de toegankelijkheid
                 van kennis met een grote maatschappelijke waarde inperkt. De enorme variatie
                 aan (aanbieders van) informatie op het internet is een groot goed. Voor een zinvol
                 gebruik van deze informatie is enige bewaking van de kwaliteit ervan echter
                 onmisbaar; anders zal de gemiddelde gebruiker door de bomen het bos niet meer
                 zien. Een bepaalde vorm van kwaliteitsbeheer verdient hierbij echter niet bij
                 voorbaat de voorkeur boven andere vormen. Het beste is als er verschillende vor-
                 men van kwaliteitsbeheer naast elkaar bestaan – bijvoorbeeld een publiek keur-
                 merk naast zelfregulering door gebruikersgroepen en selectie via het marktme-
                 chanisme –, zodat de gebruiker zelf kan bepalen in welke vorm hij het meeste
                 vertrouwen stelt.
                 De rol van de overheid is in dit opzicht tweeledig. In de eerste plaats is de over-
                 heid zelf een belangrijke aanbieder van informatie op het internet. Zij is beheer-
                 der van haar eigen sites en van de inhoud daarvan. In de tweede plaats heeft zij
                 daar waar het publieke belang in het geding is, een rol in het informatieaanbod.
                 Wanneer bijvoorbeeld het informatieaanbod van private partijen in kwalitatief
</pre>

====================================================================== Einde pagina 84 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 85 ======================================================================

<pre>                  de gevolgen van ict en internet voor toegang, toe-eigening en kwaliteitsbeheer van kennis
opzicht tekortschiet en de gebruiker (als burger of als consument) op grond van
het aangebodene onvoldoende in staat is zich over belangrijke zaken een eigen
oordeel te vormen, kan dit een reden zijn voor overheidsoptreden.
Waar zij op haar eigen sites informatie aanbiedt die onderwerp is van maatschap-
pelijk debat, zou zij meer naar andere relevante sites kunnen verwijzen. Gebleken
is dat maatschappelijke organisaties als intermediair op het internet een rol spe-
len bij het stem geven aan de maatschappelijke meningsvorming. De overheid
zou daar, zonder haar eigen positie ondergeschikt te maken, vrijmoediger naar
kunnen verwijzen.
Waar het het informatieaanbod op het internet in zijn algemeenheid betreft, kan
het wenselijk zijn de rol van zelfregulering te versterken. ‘Keurmerken’ kunnen
het vertrouwen vergroten van de gebruikers in informatie die op het internet
wordt aangeboden. Dergelijke keurmerken zouden bij voorkeur door samenwer-
kende maatschappelijke organisaties moeten worden beheerd en toegekend.
Indien initiatieven hiertoe uitblijven, kan er evenwel een taak voor de overheid in
zijn gelegen de organisatie (en niet in de eerste plaats de certificering zelf) ter
hand te nemen. Om succesvolle en behartigenswaardige initiatieven te onder-
steunen zou de overheid ook zelf kunnen participeren in platforms tot zelfregule-                           81
ring.
Citius, altius, fortius – dat was de belofte van ict en internet op het kennisterrein.
Ten aanzien van de toegang, de toe-eigening en het kwaliteitsbeheer kunnen zij
deze belofte echter maar ten dele waarmaken. Naast de nieuwe vele mogelijkhe-
den die zij bieden, roepen zij ook nieuwe problemen op of accentueren zij
bestaande problemen. Voor deze problemen bestaan geen pasklare oplossingen
die in alle kennisdomeinen kunnen worden toegepast. Vooralsnog is er daarom
vooral behoefte aan een grote variatie aan instituties en mechanismen om te
voorkomen dat de ontwikkelingen te eenzijdig in een bepaalde richting tenderen.
Voor zover deze variatie onvoldoende spontaan, door de interactie tussen aanbie-
ders en gebruikers van kennis en informatie, tot stand komt, kan er voor de over-
heid een taak in zijn gelegen om meer ruimte voor variatie te creëren. Tegelijker-
tijd is er ook behoefte aan enige verankering om te voorkomen dat in een
kennisdomein dat zich zo snel uitbreidt en zo snel verandert, te veel mensen door
de bomen het bos niet meer zien en verdwalen in de overvloed aan aangeboden
informatie. Variatie mag immers niet louter in onoverzichtelijkheid en onzeker-
heid uitmonden; zij dient de voorwaarden te bieden voor reële keuzemogelijkhe-
den, zodat men op basis van de gemaakte keuzen lering kan trekken voor de toe-
komst. Het hiervoor benodigde houvast wordt deels geboden door nieuwe
intermediairs die zich op de informatiemarkten begeven. Wanneer op essentiële
kennisterreinen (bijv. op het gebied van medische informatie) zelfregulering en
marktwerking niet voldoende verankering bieden, zou hier echter ook een rol
voor de overheid kunnen zijn weggelegd.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 85 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 86 ======================================================================

<pre>   va n oude e n nieu w e k e n nis
      noten
      1
                 Naar Berners Lee, als geciteerd in Griffiths (1999)
      2
                 Voor deze alinea is gebruik gemaakt van de historische data zoals opgenomen in
                 de ‘timelines’ Hobbes’ Internet Timeline van Robert Zakon, de Internet Society
                 (isoc) en Griffiths (1999)
82
</pre>

====================================================================== Einde pagina 86 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 87 ======================================================================

<pre>                                                                   mark twerking bij informatiegoederen
4   marktwerking bij informatiegoederen
4.1 inleiding
    De opkomst van ict heeft een sterke invloed op de traditionele terreinen van ken-
    nisontwikkeling en -verspreiding: wetenschappelijk onderzoek (hfdst. 5), onder-
    wijs (hfdst. 6) en bibliotheken en archieven (hfdst.7). Ook in de marktsector
    neemt het belang van informatiegoederen echter snel toe. Het begrip informatie-
    goederen wordt hier gehanteerd als de verzamelnaam voor ict-goederen en ict-
    informatiedragers; als sector van de economie is dit de ‘nieuwe economie’. ict-
    goederen zijn de infrastructurele zaken: ict-hardware en- software. Op ict
    geënte informatiedragers zijn cd’s, dvd’s, internetsites, tv-programma’s, compu-
    terprogramma’s en -spelletjes; kortom: de content. De vraagstelling van dit hoofd-
    stuk is hoe markten van informatiegoederen werken en wat de specifieke proble-
    men zijn die zich hier aandienen, met name in termen van toe-eigenbaarheid
    (allocatiedimensie) en toegankelijkheid (verdelingsdimensie). Is er sprake van
    vormen van marktfalen en, zo ja, welke rol heeft de overheid dan in deze markten?
                                                                                                        83
    Informatiegoederen en kennis zijn van grote betekenis voor de samenleving en de
    economie in haar geheel, niet alleen in termen van economische groei en produc-
    tiviteitsontwikkeling, maar ook in termen van welvaartsbeleving. Veel producten
    bevatten immers een grote kenniscomponent en maken het moderne leven aan-
    genamer. Ook in de zogenoemde ‘oude economie’ bestaat echter een groot deel
    van de waardetoevoeging uit kennis- en informatiespecifieke ict-toepassingen,
    verstopt in hi-tech productietechnologieën, onderzoek en ontwikkeling en hoog
    opgeleid personeel. Zo bestaat van de pilletjes van Organon misschien maar één
    procent van de kosten uit pure grondstofkosten; bij moderne auto’s is dat minder
    dan vijf procent. Dat ict ook in ‘de oude economie kruipt’, is een dominante
    trendmatige ontwikkeling. Toch is dit onderwerp niet de kern van dit hoofdstuk,
    of van dit rapport. De praktijk van ict-toepassingen en kennismanagement in
    bedrijven valt dus grotendeels buiten de probleemstelling van dit hoofdstuk.
    Ook de vraagstelling over hoe ict de macro-economische productiviteit beïn-
    vloedt, wordt hier slechts kort behandeld.
    In dit hoofdstuk worden de huidige ict-ontwikkelingen eerst kort in een histo-
    risch perspectief geplaatst (par. 4.2). Vervolgens worden de specifieke eigen-
    schappen van informatiegoederen behandeld. Aan ieder economisch goed – dus
    ook aan informatiegoederen – zitten twee dimensies: de allocatiedimensie en de
    verdelingsdimensie. De allocatiedimensie – d.w.z. de voorwaarden voor markt-
    werking en de mogelijkheden van marktfalen – wordt uitgewerkt in paragraaf 4.3.
    De verdelingsdimensie – wie krijgt wat, wanneer en hoe, en vinden we dat verde-
    lingsresultaat redelijk en rechtvaardig? – komt aan de orde in paragraaf 4.4. Ten
    slotte wordt in paragraaf 4.5 ingegaan op het gewenste overheidsbeleid ten aan-
    zien van informatiegoederen en informatiegoederenmarkten.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 87 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 88 ======================================================================

<pre>   va n oude e n nieu w e k e n nis
      4.2        kennisintensivering en informatiegoederen in
                 contex t
                 In Westerse samenlevingen is al eeuwenlang sprake van kennisintensivering (zie
                 ook hfdst. 1). Dit is geen continu proces, maar gaat met horten en stoten. De
                 zeventiende eeuw is zo’n periode van versnelling, evenals de tweede helft van de
                 twintigste eeuw (ict).1 Deze perioden illustreren tevens dat kennisintensivering
                 niet alleen een continue ontwikkeling is van wetenschapsgebieden of technologi-
                 sche innovativiteit, maar dat er ook een institutionele pendant is, zoals de
                 bescherming van het intellectuele eigendom of de kwaliteitscontrole en reputa-
                 tiebevorderende mechanismen om de kennisintensivering te stimuleren. Deze
                 institutionele verankering, alsmede de toename van de variatie en de versterking
                 van het leervermogen waarmee zo’n periode van kennisversnelling gepaard gaat,
                 worden in deze paragraaf geïllustreerd.
      4.2.1      zeventiende eeuw: natuurwetenschappelijke en technische
                 ont wikkelingen en komst octrooirecht dr agen
                 kennisintensivering
84               De zeventiende eeuw is een duidelijke periode van kennisintensivering. Een
                 samenstel van factoren speelde hier een rol: de opkomst van natuurwetenschap-
                 pelijke experimenten gaf een impuls aan de technologieontwikkeling en op
                 bestuurlijk-juridisch terrein werd deze ontwikkeling ondersteund door het ont-
                 staan van het octrooirecht. De ontwikkelingen werden ook beïnvloed door een
                 filosofische ‘laag’: voor het eerst kwam de gedachte naar voren dat eigendom
                 geen natuurlijke of van God gegeven institutie is. Hieraan koppelde de politiek-
                 filosoof John Locke de gedachte dat de mens iets van waarde kan creëren waar
                 nog niets aanwezig is. De optiek op het menselijk (economisch) handelen kon
                 hiermee verschuiven van – in hedendaagse termen – een zero sum game (de winst
                 van de één is het verlies van de ander, een ‘ideale’ voedingsbodem voor oorlog en
                 strijd) naar een positive sum game: door een doelmatiger allocatie is er welvaarts-
                 winst mogelijk voor de gezamenlijkheid, wat een voedingsbodem vormt voor
                 samenwerking, vertrouwen, arbeidsdeling en handel.
                 Tegen deze achtergrond kon er belangstelling ontstaan voor wat het vestigen en
                 beschermen van eigendomsrechten instrumenteel gezien betekenen voor wel-
                 vaart. Daarbij ging het niet alleen om fysiek, maar ook om intellectueel eigen-
                 dom. Deze verandering van optiek droeg eraan bij dat in 1641 voor het eerst een
                 overheid (i.c. het Massachussetts Bay General Court) een octrooi verleende voor
                 een kennisproduct (zie Dolfsma en Soete 2002). Dit begin van het octrooirecht,
                 en meer algemeen het recht van intellectueel eigendom (auteursrecht, merkrecht,
                 beeldrecht, ontwerprecht, enz.), onderstreept dat de overheid de kennisontwik-
                 keling in de samenleving kan stimuleren door wettelijke kaders te bieden die het
                 mogelijk maken om privaat ontwikkelde kennisprocessen en -producten succes-
                 vol toe te eigenen en te vermarkten, één en ander ten dienste van de collectieve
                 welvaart. Vanaf het begin bestond ook het idee dat een octrooi slechts tijdelijke
</pre>

====================================================================== Einde pagina 88 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 89 ======================================================================

<pre>                                                                      mark twerking bij informatiegoederen
      bescherming moet geven: lang genoeg om de creatieve inspanningen van de
      innovator te stimuleren en ervoor te zorgen dat hij ‘uit de kosten’ kon komen.
      Een langere beschermingsperiode heeft immers ook geen functie. Doordat het
      procédé of product na die periode kosteloos toegankelijk moet zijn en dus alge-
      meen kan worden toegepast, kan de vinding leiden tot een tweede impuls om
      welvaartswinsten te realiseren. Zo wordt voorkomen dat die welvaartswinsten
      worden afgeremd door een blijvend monopolie van de oorspronkelijke innovator.
4.2.2 t wintigste eeuw: kennisintensivering door ict
      In de tweede helft van de twintigste eeuw heeft ict – naast natuurlijk tal van
      andere uiterst belangrijke zaken, zoals het sterk gestegen opleidingsniveau –
      geleid tot een belangrijke versnelling in de kennisintensivering. De ontwikkeling
      van ict ging aanvankelijk langzaam. Het uitdenken en ontwikkelen van de eerste
      computer begon in de jaren dertig, maar strikt genomen had Charles Babbage al in
      de negentiende eeuw een rekenmachine bedacht. Het was Alan Turing die in 1936
      de zogenaamde Turingmachine introduceerde, de eerste ‘automatic processing
      machine’ die abstract is en een eigen ‘taal’ heeft (Hodge 1983). Vooral in de afge-
      lopen twee decennia echter zijn de algemene, praktische en commerciële moge-
      lijkheden van ict sterk toegenomen, met de introductie van de pc op de werkplek                      85
      vanaf het begin van de jaren tachtig en de doorbraak van het internet midden
      jaren negentig. Het specifieke van het internet hierbij is dat het verbonden
      (‘online’) netwerken en gemeenschappen stimuleert en een goedkopere, snellere
      en meer directe manier van samenwerking mogelijk maakt dan de traditionele
      media. Zowel aan de kant van de consumptie als aan de kant van de productie zijn
      de toepassingenmogelijkheden dan ook groot. Het voorbeeld van het internet
      stelt tevens het probleem aan de orde van de kwaliteit van informatie (precisie,
      actualiteit, betrouwbaarheid) en de controle hiervan (zie ook par. 3.5).
4.2.3 ict als doorbr aak technologie
      Vanuit historisch perspectief komen de kenmerken van ict overeen met eerdere
      doorbraaktechnologieën, zoals de elektriciteit, de spoorwegen en de benzinemo-
      tor. Kenmerkend voor een doorbraaktechnologie is dat het een periode inluidt
      van hoge productiviteitsgroei2 en economische groei. De technologie is van
      invloed op de hele economie; dat is de relevantie van het begrip. De vier kenmer-
      ken van een doorbraaktechnologie zijn (Gelauff 2001a):
      1 ruimte voor verbetering;
      2 een grote variëteit aan toepassingen;
      3 een groot bereik;
      4 complementariteit met bestaande of potentieel nieuwe technologieën.
      Wat het eerste punt betreft, heeft ict al een aanzienlijke evolutie doorgemaakt,
      maar toch is er zeker op het gebied van netwerkvorming nog veel verbetering
      mogelijk. De grote variëteit komt tot uiting in een scala aan toepassingen van ict,
      zoals de besturing van vliegtuigen, scans in de gezondheidszorg, cd-spelers,
      tekstverwerking, mobiele telefoons, enzovoort. Ook het grote bereik van de tech-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 89 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 90 ======================================================================

<pre>   va n oude e n nieu w e k e n nis
                 nologie is evident; er zijn weinig plaatsen in de economie waar ict niet in één of
                 andere vorm te vinden is. Complementaire technische innovaties hebben zich
                 voorgedaan in de bovengenoemde toepassingen. Hiernaast verandert ict pro-
                 ductieprocessen, marketing, financiering en structuren van organisaties, zowel in
                 het bedrijfsleven als in de publieke sector.
                 Het kost vaak veel tijd voordat een doorbraaktechnologie op grote schaal door-
                 dringt in de economie; het diffusieproces (David 1990). Meestal zitten er ver-
                 scheidene decennia tussen de eerste uitvinding en grootschalige toepassingen, al
                 bestaat de indruk wel dat dit proces tegenwoordig sneller verloopt dan vroeger.
                 Het principe van stoomkracht was bijvoorbeeld al zeventig jaar bekend voordat
                 het de waterkracht ging vervangen. Aan een dergelijke traagheid liggen verschil-
                 lende oorzaken ten grondslag. In de eerste plaats is er tijd gemoeid met comple-
                 mentaire innovaties en structurele veranderingen op een veelheid van gebieden,
                 en ook in belendende – toeleverende of afnemende – sectoren. Ten tweede kosten
                 leerprocessen tijd, zowel binnen bedrijven als bij de overheid. Verzonken kosten
                 vormen een derde reden. Hierbij gaat het om (hoge) kosten die gekoppeld zijn
                 aan specifieke toepassingen en die, eenmaal gemaakt, moeilijk zijn terug te draai-
                 en. Te denken valt aan investeringen in aangepaste machines of omscholing van
86               werknemers. Ten vierde vormt onzekerheid een remmende factor. Een bedrijf
                 loopt immers het risico dat het te vroeg investeert in wat achteraf blijkt de ver-
                 keerde technologie te zijn. Het heeft daarom de neiging af te wachten tot een
                 dominante technologie is uitgekristalliseerd.
      4.2.4      de empirie van ict en arbeidsproductiviteit
                 ‘Kennisintensivering’, ‘kennisversnelling’ en ‘kennissamenleving’ zijn begrippen
                 die in het spraakgebruik snel ingeburgerd zijn geraakt, maar geen exacte inhoud
                 hebben; iedere gebruiker heeft een eigen connotatie. Wie op een nauwkeurige
                 manier met deze begrippen wil ‘werken’, moet er dus een concrete interpretatie
                 aan geven. Dit kan leiden tot meetbare indicatoren, zoals bijvoorbeeld het per-
                 centage hoogopgeleiden in een organisatie of het aantal aangevraagde of toege-
                 kende octrooien. Verder wordt de bijdrage van ict als vorm van kennisintensive-
                 ring vaak gemeten aan de hand van het macro-economische resultaat: een
                 toegenomen productiviteit. De internationale empirische literatuur hierover
                 neemt snel toe. De voornaamste voorlopige uitkomsten worden kort behandeld
                 in het vervolg van deze paragraaf.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 90 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 91 ======================================================================

<pre>                                                                               mark twerking bij informatiegoederen
Wat doet ict?
In analyses van de bijdrage van ict aan de economische groei, en meer in het bijzonder aan de toe-
name van de arbeidsproductiviteit, worden in de productiviteitsverhogende werking van ict drie
aspecten onderscheiden:
1   bevordering en versnelling van communicatie;
2   opslag, ordening en beschikbaarheid (‘retrieval’) van informatie; en
3   de computer als rekentuig.
Het belang van deze drie functies is niet eenvoudig vast te stellen. Het is hoe dan ook gecompli-
ceerd om deze drie aspecten van ict in statistieken te kunnen onderscheiden. Bovendien komt de
rekentuigfunctie in de bestaande statistieken niet voldoende tot uitdrukking. Enkele auteurs (bijv.
Den Butter 2001: 208) veronderstellen dat juist deze derde functie het belangrijkst is voor de pro-
ductiviteitsgroei. Consequentie van een dergelijke veronderstelling is dat we de belangrijkste
kwantitatieve gevolgen van ict niet nog voor de boeg hebben, maar al achter de rug (Gordon
2000). De grootste vernieuwingen op dit gebied vonden namelijk plaats in de jaren veertig, toen
de computers programmeerbaar werden met in het eigen geheugen opgeslagen programma’s, die
gebruikt konden worden voor het uitvoeren van verschillende algoritmische berekeningen en
routinematige handelingen. Dit laat onverlet dat de invloed van ict op de productiviteitsgroei in
onderzoek en ontwikkeling, bijvoorbeeld in de biotechnologie, onmiskenbaar is.
       Effecten van ict op groei en productiviteit in de vs                                                         87
       In 1987 kon Solow nog zijn beroemde productiviteitsparadox formuleren: “We
       can see the computer age everywhere but in the productivity statistics.” De ict-
       revolutie leidde blijkbaar niet onmiddellijk en volledig tot een stijging van de
       productiviteit in de economie. Hieraan vooraf ging een incubatietijd, die werd
       gekenmerkt door de gebruikelijke leerprocessen: leren toepassen, leren gebrui-
       ken, leren waarderen, organisaties veranderen en opnieuw inrichten. De laatste
       jaren is er echter steeds overtuigender empirisch bewijs dat ict als doorbraak-
       technologie de arbeidsproductiviteit naar een structureel hoger niveau tilt (zie
       bijv. Onliner and Sichel 2000; Soete 2000). Nu de ict-mogelijkheden volop toe-
       passingen vinden in de ‘oude economie’, wordt Solow steeds minder vaak aange-
       haald en in ieder geval niet langer instemmend. Bovendien is de invloed van ict
       niet alleen te meten in termen van fysieke outputstijging of verbetering in de pro-
       ductiviteit; ook de kwaliteit van producten is in de loop der tijd veranderd. Een
       auto van nu is een totaal andere dan die van 30 jaar terug, terwijl de prijs relatief
       lager ligt; een ministereosysteem van nu is totaal anders dan de hifi-installatie
       van de jaren zeventig en kost de helft. Deze zogenoemde Boskin-paradox heeft in
       de vs veel discussie teweeggebracht, vooral over de juiste meting van productivi-
       teitscijfers. Ook in ons land wordt deze problematiek onderkend (zie Gradus et al.
       2001).
       Omdat de Verenigde Staten voorop lopen in de ict-revolutie, concentreert de
       empirische discussie over de invloed die ict heeft op de economische groei en de
       productiviteit, zich op dit land. Aanvankelijk bevatte deze discussie de nodige spe-
       culatie over de invloed van ict, maar inmiddels zijn er definitieve macro-economi-
       sche cijfers beschikbaar waarmee een goed beeld kan worden gevormd. Het staat
       vast dat de Amerikaanse economie in de periode 1991-2001 de langste onafgebro-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 91 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 92 ======================================================================

<pre>   va n oude e n nieu w e k e n nis
                 ken groei doormaakte in de afgelopen eeuw. Een periode die overigens pas vanaf
                 1995 werkelijk uitzonderlijk werd: tussen 1995 en 2000 kwam de jaarlijkse econo-
                 mische groei in de vs uit boven de 4 procent. Deze groei is niet zozeer te herleiden
                 tot een hogere arbeidsinzet, maar is het gevolg van de (versnelling in de) arbeids-
                 productiviteitsgroei. Deze productiviteitssprong werd niet alleen veroorzaakt door
                 hogere investeringsniveaus, maar ook doordat er door de inzet van ict slimmer
                 werd gewerkt. In de periode 1995-2000 bedroeg de jaarlijkse gemiddelde arbeids-
                 productiviteitsgroei 2,5 procent. Na een inzinking tot 1,5 procent per jaar in de
                 periode 1972-1995 was zij daarmee weer bijna terug op de waarde uit de ‘gouden’
                 jaren vijftig en zestig. De versnelling van de productiviteitsgroei ten opzichte van
                 de periode 1972-1995 bedraagt dus 1 procentpunt. Dat is zeer substantieel; het bete-
                 kent een verdubbeling van de welvaart per werkende in zeventig jaar.
                 Het zal duidelijk zijn dat de productiviteitsgroei nu tijdelijk terugloopt als gevolg
                 van de conjuncturele terugval van de economie, die in 2001 werd ingezet en werd
                 verergerd door de gevolgen van de aanslagen van 11 september. Dit doet echter
                 niet af aan de consensus over het feit dat de productiviteitsgroei niet alleen feite-
                 lijk, maar ook structureel is gestegen, en in de vs thans boven de 2 procent is
                 komen te liggen. Deze versnelling in de productiviteit kan worden toegeschreven
88               aan het effect van ict als doorbraaktechnologie. De diffusie van ict in het econo-
                 misch proces werkt als een graduele aanbodschok. De tijdelijke ‘ict-gekte’ op
                 beurzen en de hardhandige correctie daarvan hebben weinig van doen met deze
                 fundamentele veranderingen in de reële economie (Wellink 2001).
                 De macro-effecten van ict in Nederland
                 Wat Nederland betreft, moet in de eerste plaats worden vastgesteld dat de groei
                 van de productiviteit vooral sinds de tweede helft van de jaren negentig achter-
                 blijft bij de ontwikkelingen in de vs. Daarentegen lag de economische groei ook in
                 ons land op een hoog niveau. Tot voor kort was het lastig in de macrostatistieken
                 een productiviteitsstijging aan te tonen die aan ict is toe te schrijven. Dit heeft
                 mogelijk te maken met het feit dat Nederland (en andere Europese landen) achter
                 loopt bij de ict-ontwikkeling in de vs. Volgens diverse analyses is de goede groei-
                 prestatie in ons land in de jaren negentig dan ook niet in de eerste plaats toe te
                 schrijven aan een forse productiviteitsgroei, maar veeleer aan een sterke groei van
                 het arbeidsaanbod (Don 2001; Bemer, Gilsing en Roelandt 2001; oeso 2001). De
                 invloed van ict is tot dusverre dus beperkt. Inmiddels zijn of worden ook in
                 Nederland arbeidsorganisaties geherstructureerd om de voordelen van ict ten
                 volle te kunnen realiseren.
                 Een andere mogelijke ‘oorzaak’ van de verschillen in economische en productivi-
                 teitsgroei tussen de vs en Europa, is het al genoemde meetprobleem van de kwa-
                 liteit van de output. Corrigeert men voor deze kwaliteitsproblemen, dan blijkt de
                 productiviteitsgroei in ict-gebruikende bedrijven in Nederland in de tweede
                 helft van de jaren negentig te zijn verdrievoudigd: van 0,8 naar 2,2 procent per
                 jaar (Van Ark 2000: 48-50). Ook dan blijft de productiviteitsgroei echter achter
                 bij die in de vs.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 92 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 93 ======================================================================

<pre>                                                                   mark twerking bij informatiegoederen
      Het cpb (2000: 22) verwacht dat in de ict-sector de nabije toekomst voor onge-
      veer een kwart zal bijdragen aan de economische groei in Nederland. Uiteraard
      hebben dergelijke verwachtingen betrekking op de (middel)lange termijn en
      staan ze los van de conjunctuurfase of incidenten. Met andere woorden: de huidi-
      ge stand van de conjunctuur vormt geen aanleiding om verwachtingen over
      structurele effecten aan te passen.
      Sectorale en micro -effecten ict
      Naast deze macrogegevens wijst Amerikaans onderzoek erop dat ict tot een effi-
      ciencywinst op microniveau kan leiden, indien ict-toepassingen gepaard gaan
      met een groter aantal hoger opgeleiden en veranderingen in de bedrijfsorganisatie
      (Bresnahan et al. 1999). Bedrijven die veel gebruik maken van ict en veel hoog
      opgeleiden in dienst hebben, zijn productiever dan bedrijven met relatief weinig
      van deze beide factoren. Bovendien is de productiviteit van bedrijven die of
      alleen in ict geïnvesteerd hebben, of alleen een groter aandeel hoog opgeleiden in
      dienst hebben, lager dan de productiviteit van bedrijven die geen van beide
      investeringen hebben gedaan. Deze uitkomst bevestigt de complementariteit
      tussen ict-investeringen en het opleidingsniveau van werknemers. Analoge
      resultaten gelden voor de combinatie van ict en aanpassingen in de bedrijfsorga-
      nisatie.                                                                                          89
4.3   toe- eigening , marktwerking en marktfalen bij
      informatiegoederen; de allocatiedimensie
4.3.1 nieuwe en oude economie
      Deze paragraaf gaat dieper in op de specifieke eigenschappen van informatiegoe-
      deren en de gevolgen ervan voor de werking van informatiegoederenmarkten en
      markttoezicht. Informatiegoederen wijken in bepaalde opzichten af van de meer
      traditionele goederen en diensten, waarop de ‘doorsnee’ economische theorie is
      gebaseerd. Qua disciplinaire benadering wordt de ‘oude economie’ niet vervangen
      door een ‘nieuwe economie’ in de zin dat er geheel nieuwe economische wetten
      gaan gelden. De bekende economische begrippen als schaal/marktomvang/vaste
      versus variabele kosten zijn prima geschikt om aan te duiden wat het eigene is van
      informatiegoederen. En ook voor nieuwe-economiebedrijven is de bottom line dat
      er uiteindelijk winst gemaakt zal moeten worden.
      Deels hebben informatiegoederen andere kenmerken dan conventionele goede-
      ren en diensten. Dat beïnvloedt ook de marktwerking en haar tegenhanger: de
      niet-marktwerking, oftewel het marktfalen. Een vorm van marktfalen kan aanlei-
      ding zijn voor overheidsoptreden om dat te verhelpen (zie bijv. Hazeu 1983a en
      1983b, evenals hfdst. 5 van dit rapport). Dit overheidsoptreden kan weer zeer ver-
      schillende vormen aannemen. De overheid kan bijvoorbeeld subsidies verlenen,
      zelf het betreffende goed gaan voortbrengen (presterende overheid) of nieuwe
      instituties creëren om het oorspronkelijke marktfalen te verhelpen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 93 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 94 ======================================================================

<pre>   va n oude e n nieu w e k e n nis
                 De standaard economische theorie gaat over de prijs- en marktvorming van tra-
                 ditionele goederen en diensten: appels, peren, whisky, sigaretten, brood, auto’s,
                 huizen, arbeid, kapitaal, enzovoort. Bij al deze goederen is er een informatiepro-
                 bleem3: de consument zal zich van de kwaliteit moeten vergewissen en onder-
                 zoeken of hij niet te veel betaalt of te weinig voor zijn inspanningen ontvangt.
                 Hiervoor moet hij informatie- en transactiekosten maken, onder andere in de
                 vorm van zoekkosten. Overigens worden deze kosten wel beïnvloed door de
                 komst van informatiegoederen. Sommige informatiegoederen kunnen immers
                 – in eerste instantie – de transparantie van markten en daarmee de kwaliteit van
                 de marktwerking verhogen; denk bijvoorbeeld aan het overzicht van vliegtarie-
                 ven of van alle te koop staande woningen in een regio dat met behulp van zoek-
                 machines op internet makkelijk is te krijgen. Verder kunnen deelnemers in
                 gebruikers- en nieuwsgroepen zeer snel informatie uitwisselen over ervaringen
                 met bepaalde producten en leveranciers. Hierdoor kunnen nieuwe bedrijven
                 sneller een reputatie opbouwen en wordt toetreding eenvoudiger.
                 Informatiegoederen verhogen dus de transparantie op markten van conventione-
                 le goederen en diensten, en verlagen zo de transactiekosten op die markten. Of de
                 markt van een bepaald informatiegoed zelf erg transparant is, is een heel ander
90               verhaal; probeer bijvoorbeeld maar eens telefoontarieven of de kwaliteiten van
                 verschillende zoekprogramma’s met elkaar te vergelijken.
         Nieuwe en oude economie in twee betekenissen: naar ervaringsobject en naar kenobject
         Onderscheid kan worden gemaakt tussen het ervaringsobject (of materiële object) en het kenob-
         ject (methode of disciplinaire invalshoek) van een vakgebied. Toegepast op het begrip ‘nieuwe
         economie’ is het ervaringsobject: informatie- en ict-goederen en -productiemethoden: nieuwe
         zaken die in de economie komen als gevolg van digitalisering en miniaturisering. Nieuwe econo-
         mie als kenobject suggereert nieuwe economische wetmatigheden: almaar dalende kosten, geen
         inflatie meer, hoge economische groei, volledige werkgelegenheid, geen conjunctuurcyclus meer
         (want fluctuaties in voorraadvorming – een van de drijvende krachten van de conjunctuurgolf –
         spelen geen rol meer door just-in-time leveranties). Wat deze laatste claim betreft, constateert het
         cpb (2000: 177) dat het voorraadniveau in Nederland gedaald is van meer dan 50 procent van de
         toegevoegde waarde begin jaren tachtig naar 30 procent tegenwoordig. Maar aangezien dit proces
         al geruime tijd aan de gang is, concludeert het cpb ook dat dit niet mag worden toegeschreven aan
         de recente ict-ontwikkelingen
                 De nieuwe economie als sector
                 De ‘nieuwe economie’ als sector maakt in ons land naar schatting ongeveer 7 pro-
                 cent uit van het bbp (cijfers 1997; Van Ark 2000: 25). Deze 7 procent is meer dan
                 het gemiddelde van de Europese Unie (5,9%) en iets minder dan dat van de Ver-
                 enigde Staten (7,8%) of Japan (7,4%). ict-goederen maken ruwweg 4,5 procent
                 van het bbp uit. Informatiegoederen (‘content’), zoals nieuws, informatie en
                 amusement, beslaan zo’n 2,5 procent van het bbp.
                 Bij het vaststellen van de nieuwe economie als sector gaat het om het directe
                 belang van ict- en informatiegoederen voor de economie. Het indirecte belang
</pre>

====================================================================== Einde pagina 94 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 95 ======================================================================

<pre>                                                                     mark twerking bij informatiegoederen
      – hoe de nieuwe economie kruipt in de huid van de ‘oude economie’ (d.w.z. de
      overige 93% van de economie) – is nog veel groter. Zoals al eerder gesteld, is dat
      een van de kenmerken van een doorbraaktechnologie.
4.3.2 kostenstructuur informatiegoederen
      Het kenmerkende verschil tussen de gebruikelijke conventionele goederen en
      diensten en de typische informatiegoederen die er met name de laatste decennia
      bij zijn gekomen4, zit slechts ten dele aan de consumentenkant en vooral aan de
      producentenkant. Informatie wordt niet verbruikt, maar gebruikt; informatie
      raakt immers niet op. Informatiegoederen hebben als kenmerk dat ze verhou-
      dingsgewijs zeer hoge initiële ontwikkelkosten vergen, en zeer lage marginale
      kosten. Zo is het kostbaar om nieuwe muziek te bedenken, te componeren en op
      te nemen, maar als het eenmaal op cd staat, kan deze muziek tegen weinig kosten
      worden doorgegeven en zonder kwaliteitsverlies worden gereproduceerd. De
      marginale kosten van reproductie naderen dus tot nul. In concurrerende markten
      zijn de marginale kosten maatgevend voor de prijsvorming. Dit geeft aan dat
      markten voor informatiegoederen niet zullen neigen naar volledige mededinging,
      maar juist naar monopolievorming. Bij informatiegoederen moet de schaal van
      produceren verhoudingsgewijs groot zijn, omdat bij de verkoop van elk afzon-                        91
      derlijk exemplaar slechts een miniem stukje van de hoge vaste kosten is terug te
      verdienen. Zoals al gezegd, geldt dit probleem ook voor veel conventionele goe-
      deren met een grote kenniscomponent: auto’s, medicijnen, enzovoort. Hier geldt
      evenzeer dat de marginale kosten van een extra eenheid van een eenmaal ontwik-
      keld product relatief laag zijn, en dat de producent dus gebaat is bij een grote
      schaal om winstgevend te kunnen produceren. Probleem bij de informatiegoede-
      ren is evenwel dat de consument zelf tegen lage kosten kopieën kan maken. Hier-
      van profiteert de consument op de korte termijn, maar op de langere termijn
      kunnen er negatieve effecten zijn op het aanbod van informatiegoederen. In para-
      graaf 4.3.3 komt deze problematiek meer specifiek aan de orde.
      Homogene goederen; transparante informatiemarkten?
      Vooral in de jaren dat ict opkwam, hebben sommigen de belofte in het vooruit-
      zicht gesteld dat ict zou leiden tot transparante, frictieloze markten. De goede-
      ren die er verhandeld worden, zijn, met andere woorden, homogeen en kunnen
      in de ogen van de consument niet gemakkelijk geheterogeniseerd worden. Prijzen
      kunnen direct vergeleken worden, er is een grote concurrentie tussen aanbieders
      om de gunst van de klant, winstmarges dalen tot nul en intermediairs kunnen
      geen rol meer spelen omdat de consument zelf directe toegang heeft tot alle
      informatie (waarom nog een reisbureau inschakelen als alles op internet staat?).
      Bij dit beeld hoort dat er door de grote schaal van produceren bij informatiegoe-
      deren slechts enkele producenten overblijven. Dit gebeurt na een aantal jaren
      sterke concurrentiestrijd waarin men de consumenten met lage prijzen en ‘lok-
      kertjes’ (gratis e-mailadres, software, mobiele telefoon) aan zich probeert te bin-
      den (‘insluiten’). In deze initiële fase moeten hoge verliezen worden genomen,
</pre>

====================================================================== Einde pagina 95 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 96 ======================================================================

<pre>   va n oude e n nieu w e k e n nis
                 vanwege de hoge vaste kosten en de lage opbrengsten als gevolg van de lage prij-
                 zen en een omzet die nog moet groeien. Die strijd om de markt leidt op enig
                 moment tot een uitval: sommige aanbieders maken zulke grote verliezen dat ze
                 het niet langer kunnen volhouden en zich terugtrekken. Enkele winnaars blijven
                 dan over, en soms slechts één, want ‘the winner takes all’. En de winnaar is het
                 bedrijf dat het financieel het langst kan volhouden om tijdelijke grote verliezen te
                 maken.
                 Het bovenstaande geval beschrijft een bulkmarkt, waarop bedrijven die zich wil-
                 len vestigen, geconfronteerd worden met zware concurrentie, waarop het risico
                 om te moeten uittreden groot is en het moeilijk is om winstgevend te worden.
                 Op een doorzichtige markt is het nu eenmaal lastig om geld te verdienen. Dit
                 wordt nog eens versterkt doordat bij informatiegoederen, zoals al eerder aangege-
                 ven, de kosten van het maken van een kopie niet alleen laag zijn voor de oor-
                 spronkelijke producent, maar ook voor anderen. Aldus kan de eerste afnemer alle
                 volgende potentiële afnemers voorzien van producten en tegen een danig geredu-
                 ceerde prijs, want hij hoeft geen hoge vaste kosten terug te verdienen. Digitaal
                 wil bovendien zeggen: slijtvast, geen kwaliteitsverlies.
92               Het op grote schaal verspreiden van illegale software is vanzelfsprekend strafbaar
                 en op zich is het illegaal kopiëren ook geen nieuw fenomeen. Wel is het zo dat de
                 technische mogelijkheden de verschillen tussen kopie en origineel laten verdwij-
                 nen, waardoor het zeer aantrekkelijk wordt om op z’n minst kopieën te maken
                 voor eigen gebruik. Dit betekent uiteraard een potentiële bedreiging voor bedrij-
                 ven die op commerciële basis informatieproducten van generieke aard (homoge-
                 ne informatiegoederen) vervaardigen. Voor dergelijke goederen bestaat een grote
                 markt, die relatief eenvoudig is te bewerken. Wordt aan deze illegale praktijken
                 niets gedaan, dan zal de markt niet in stand blijven of niet eens tot stand komen,
                 en doet zich dus een marktfalen voor.
      4.3.3      bedrijfsstr ategieën op informatiegoederenmark ten
                 In de praktijk hanteren bedrijven verschillende marktconforme strategieën om
                 niet in de ‘fuik’ van het marktfalen terecht te komen. Zo worden vaak inkomsten
                 gegenereerd uit advertenties van andere productaanbieders. De belangrijkste
                 strategie van bedrijven is echter product- en prijsdifferentiatie en de marktvorm
                 van monopolistische concurrentie. Productdifferentiatie wil zeggen dat een
                 markt wordt opgesplitst in een groot aantal deelmarkten, die ieder op zich mak-
                 kelijker tot winstgevendheid te brengen zijn door de combinatie van lock-ineffec-
                 ten aan de consumentenkant, minder makkelijke illegale nabootsing en minder
                 concurrentie. Deze aspecten worden hierna toegelicht.
                 Netwerkexternaliteiten, omschakelkosten en lock-ins
                 Aan de consumentenzijde zijn netwerkexternaliteiten, omschakelkosten en lock-
                 ins kenmerkend voor ict-goederen. ict-goederen geven de individuele gebruiker
                 meer profijt naarmate het netwerk van gebruikers groter is (Shapiro en Varian
</pre>

====================================================================== Einde pagina 96 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 97 ======================================================================

<pre>                                                               mark twerking bij informatiegoederen
1999). Bij een ict-goed, zoals e-mail, is niet alleen sprake van een positieve nut-
tigheid voor de individuele consument die zich het goed aanschaft en ervoor
betaalt, maar ook voor derden die deel uitmaken van het netwerk. Deze positieve
netwerkexternaliteiten bepalen dat het nut voor de gebruiker toeneemt met het
aantal gebruikers die compatibel met elkaar zijn. De gebruikers hebben dan ook
baat bij een gemeenschappelijke standaard. Het internet is een voorbeeld van een
geslaagde standaardisatie die de ontwikkelingen (efficiënt zoeken, opslaan, com-
municeren) versnelt en omvangrijke netwerkexternaliteiten genereert. Mislukt
standaardisatie daarentegen (zoals Chipper versus Chipknip), dan kan het ict-
goed de mist in gaan en de markt falen.
De overheid kan helpen om standaardisatie te bevorderen, zeker waar marktpar-
tijen elkaar moeizaam vinden. Wel of geen standaardisatie door de overheid blijft
evenwel een continu proces van afweging. Het maatschappelijke nut van een der-
gelijke standaardisatie moet duidelijk aanwezig zijn en opwegen tegen het risico
dat concurrentie tussen standaarden verdwijnt en het hierdoor vrijwel onmoge-
lijk wordt van standaard te wisselen. Zo heeft de poging van de Fransen om mini-
tel tot een standaard te bombarderen de introductie van het internet in Frankrijk
negatief beïnvloed. De invoering van de gsm-standaard daarentegen heeft de
Europeanen een voorsprong gegeven in de mobiele netwerktechnologie.                                 93
Eén en ander impliceert dat er niet alleen aan de productiezijde, maar ook aan de
consumptiezijde een drijvende kracht is in de richting van een grote schaal van
productie van het goed. Er is dus een dubbel belang om de omvang van het net-
werk uit te breiden. Dit komt ook tot uitdrukking in de hoge omschakelkosten
(Klemperer 1987) die een gebruiker moet maken om over te stappen op een ande-
re technologie of een andere aanbieder, plus de ‘afschrijving ineens’ die hij doet
op z’n verouderde technologie (bijv. pick up en lp-verzameling, 12 mm camera en
films, enz.). De praktijk is dan ook dat, eenmaal aangesloten bij een bepaalde pro-
vider, telefoonmaatschappij, tekstverwerkingsprogramma, en dergelijke, gebrui-
kers niet snel veranderen. Omschakelkosten, netwerkexternaliteiten en standaar-
disatie brengen, met andere woorden, met zich mee dat consumenten ingesloten
(locked in) raken in een bepaalde technologie, product of aanbieder. Als gevolg
hiervan beschikken producenten met een groot marktaandeel (bijv. Microsoft)
over meer marktmacht dan gebruikelijk is in markten voor conventionele goede-
ren en diensten.
Relatie-economie
Verder bevordert ict dat informatiegoederen opgaan in relaties. In een relatie-
economie gaat het niet zozeer om de enkele transactie, maar om een samenhan-
gende verzameling van waardetoevoegende activiteiten in de tijd (Hiemstra 2001:
D14). Een fenomeen dat bij uitstek bij een relatie-economie hoort, zijn ‘opstart-
investeringen’: de kosten die men maakt aan het begin van een beoogde langduri-
ge relatie. Een relatie-economie impliceert dat een (eerste) transactie met een
consument niet per se winstgevend hoeft te zijn voor een aanbieder. Die winst
moet komen van meerdere aanschaffen en onderhoud. Bij ict-goederen zijn
</pre>

====================================================================== Einde pagina 97 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 98 ======================================================================

<pre>   va n oude e n nieu w e k e n nis
                 hiervoor ook volop mogelijkheden: door de snelle ontwikkeling is de functionele
                 levensduur van sommige producten minder dan een jaar en vraagt het goed om
                 regelmatige updates, upgrades en nieuwe applicaties.
                 Illegale nabootsing
                 Het gegeven dat veel informatiegoederen gemakkelijk te kopiëren zijn, stelt aan-
                 bieders voor blijvende problemen om voldoende opbrengsten uit de markt te
                 genereren. De consument maakt zich het downloaden snel eigen, geholpen door
                 intermediairs op het internet (zoals Napster) die dit verder in de hand werken.
                 Om ‘in de markt’ te blijven, kunnen aanbieders ruwweg twee strategieën volgen:
                 1 de juridische strategie, en
                 2 verdere productdifferentiatie.
                 Deze strategieën staan niet los van elkaar; de één kan de ander versterken.
                 De juridische strategie houdt in dat men tracht zo goed mogelijk eigendomsrech-
                 ten vast te leggen en te handhaven. Dit kan bijvoorbeeld door te laten betalen
                 voor (het kopiëren van) softwareprogramma’s, auteursrechtenbureaus als
                 buma/stemra in het leven te roepen, antikopieerchips te ontwikkelen en in te
                 bouwen in cd’s (‘kopieslot’), enzovoort. Deze strategie zal zeker gevolgd worden,
94               maar de inherente mogelijkheden – en profijtelijkheid – van (illegaal) kopiëren bij
                 informatiegoederen blijven groot. Bovendien zijn er transactiekosten verbonden
                 aan het innen en verdelen van de vergoedingen voor secundair gebruik (anders
                 dan toegestaan ‘fair use’). Towse (2001: D22) schat de transactiekosten op onge-
                 veer 15 procent van de inkomsten.
                 Verder geldt dat in het verleden meestal is gebleken dat het regime van auteurs-
                 en andere intellectuele eigendomsrechten onder druk van technologische ont-
                 wikkelingen niet strenger wordt, maar juist versoepelt (Dolfsma en Soete 2002:
                 28). Ook nu overheerst onder juristen en economen de visie dat het auteursrecht
                 niet moet worden verscherpt, voordat markten de tijd hebben gehad om zélf
                 oplossingen te vinden (Towse 2001: D22). Deze opvatting wordt versterkt door
                 ervaringen uit de vs. Daar is gebleken dat het bijzonder moeilijk is in te schatten
                 of een patentaanvraag daadwerkelijk betrekking heeft op een geheel nieuwe inno-
                 vatie. Een ander probleem wordt gevormd door de zogenaamde submarine paten-
                 ten. Dit zijn patentaanvragen waarover nog geen uitspraak gedaan is en die der-
                 halve nog niet openbaar zijn. In zo’n geval vertraagt de indiener van een patent-
                 aanvraag doelbewust het besluitvormingsproces om de marktontwikkeling af te
                 wachten. Zo voorkomen softwareproducenten dat ze een patent met een eindige
                 looptijd krijgen in een fase dat de markt nog niet rijp is voor de toepassingen die
                 eruit voort kunnen vloeien. Aangezien de mogelijke voordelen van innovatie
                 nog niet kunnen worden benut, mondt dit echter uit in een inefficiënte situatie.
                 Ook is het hierdoor mogelijk dat dezelfde onderzoeksactiviteiten nog een keer
                 door andere bedrijven uitgevoerd worden (Varian 1998; Van der Geest en Varke-
                 visser 2001).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 98 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 99 ======================================================================

<pre>                                                                mark twerking bij informatiegoederen
Het is dus gewenst om voorzichtig te zijn bij het toewijzen van softwarepatenten
en bij het smal interpreteren van eenmaal uitgegeven patenten. Verder blijkt dat
in de vs in toenemende mate ‘broad, conceptual patents’ worden toegekend
(Dolfsma en Soete 2002: 58). Deze dwingen een buitenlands bedrijf dat naar de
vs wil exporteren, tot een licentieovereenkomst. Patenten worden zo in defen-
sieve zin gebruikt, om deelname op gunstige termen af te kunnen dwingen in
coalities van samenwerkende partijen die in ander opzicht elkaars concurrenten
zijn (Shapiro en Varian 1999).
Barton (2000) concludeert dat de nadruk die in de vs ligt op het claimen van
eigendomsrechten, leidt tot een ontwikkeling die uit oogpunt van economische
efficiency neigt naar ‘overpatentering’. Er worden te veel en te ‘kleine’ patenten
aangevraagd. De farmaceutische industrie geeft hiervan de meest duidelijke
voorbeelden. Op strategisch defensieve gronden wordt dan een patent aange-
vraagd dat als ‘wisselgeld’ kan dienen bij het ontwikkelen van nieuwe medicij-
nen. Wat Europa betreft, zijn er aanwijzingen dat de patentpraktijk ook hier meer
het Amerikaanse model begint te vertonen. De dreiging dat octrooien en paten-
ten neigen naar protectionisme in plaats van een instrument te zijn dat juist
oneerlijke concurrentie tracht te voorkomen, is derhalve een punt dat voortdu-
rend aandacht vraagt (zie voor een verder uitwerking Dommering et al. 2002).                         95
Ook vanuit theoretisch perspectief wordt gewaarschuwd om het regime van
intellectuele eigendomsrechten niet aan te scherpen en het oor al te zeer naar het
bedrijfsleven te laten hangen (Stiglitz 1999). Intellectuele eigendomsrechten ver-
schillen immers van de eigendomsrechten op ‘gewone’ goederen. Zo kunnen
velen profiteren van de verspreiding van ‘ideeënzaken’. Al is wel enige bescher-
ming nodig om uitwassen te voorkomen, in beginsel moet de overheid die ver-
spreiding dan ook bevorderen. Er geldt derhalve geen een-op-eenanalogieredene-
ring om de bescherming even hoog op te trekken als bij gewone goederen.
De juridische strategie is dus nog niet geheel uitgekristalliseerd. Dit gegeven
ondersteunt de conclusie dat de overheid niet te snel moet interveniëren in een
ontwikkeling die nog sterk in beweging is en waarbij de onzekerheid over het
optimale instrumentele patroon groot is. In zo’n constellatie is het zaak een zeke-
re variatie aan ‘oplossingsmogelijkheden’ toe te laten en ervan te leren. Coördina-
tie door de markt biedt ruimte voor experimenteren en selecteren, terwijl de
onzekerheid die samenhangt met deze snel veranderende omgeving en de infor-
matieachterstand voor de overheid, de mogelijkheden voor effectieve overheids-
interventies beperkt. Anders gezegd: de overheid moet deze nieuwe markten vol-
doende tijd gunnen om krachten en tegenkrachten te laten uitkristalliseren, en
dynamische efficiëntie prioriteit geven boven statische. Dit betekent onder meer
dat de overheid geen beleid moet voeren dat erop gericht is al te veel en al te snel
eigendomsrechten te creëren. Anderzijds zou de overheid, om wel kwaliteit en
reputatie te stimuleren, bij software met een open toegang (‘open source’, zoals
Linux) moeten bezien of de softwareaanbieders zelf voldoende effectieve manie-
ren hebben om ‘illegaal’ gedrag wereldwijd aan te pakken. Als deze mogelijkhe-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 99 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 100 ======================================================================

<pre>   va n oude e n nieu w e k e n nis
                 den tekort schieten, zou de overheid eventueel een systeem van auteurssignatuur
                 kunnen ondersteunen. Hierbij wordt het verplicht een bronvermelding op te
                 nemen bij onderdelen van de code, zodat wel reputatie-effecten worden gestimu-
                 leerd, maar geen eigendomsrechten (met hun transactiekosten) ontstaan (vgl.
                 Dellaert 2001: D31). Wel moet de overheid ervoor waken dat er voldoende ruimte
                 voor nieuwe initiatieven en voor creativiteit overblijft.
                 Hoewel bedrijven de juridische strategie niet kunnen missen, laat het zich voor-
                 spellen dat de tweede strategie, van voortgaande productdifferentiatie, de over-
                 hand houdt. De cd-fabrikant van de – zeer naaste – toekomst zal er niet langer in
                 slagen om miljoenen identieke kopieën te verkopen voor € 18,50 per stuk, maar
                 zal gaan variëren met kleinere oplagen. Iedere versie verschilt dan net iets van de
                 andere: een speciale tik in het derde nummer, een extra nummer toegevoegd, een
                 net iets andere mix, een afwijkend hoesje of andere gadget. In het uiterste geval
                 leidt dit tot volledige personalisering en kunnen consumenten hun eigen cd
                 samenstellen (‘music on demand’); de Free Record Shop experimenteert hier al
                 mee als intermediair. Hier liggen, kortom, mogelijkheden die aansluiten bij de
                 individuele smaak van de consument en diens behoefte om zich te onderscheiden
                 van andere consumenten (snob appeal). De mogelijke kopieerbaarheid van de
96               varianten blijft natuurlijk aanwezig, maar de echte liefhebber wil ze eigenlijk alle-
                 maal hebben.
                 Transparantie
                 Door internet is de transparantie op sommige markten zeker toegenomen. Zo
                 heeft de consument nu een veel sneller overzicht van het aanbod van tweede-
                 hands auto’s of van huizen in een bepaalde regio. De verdergaande claim dat ict
                 generiek leidt tot transparantere markten, verhevigde concurrentie en bijbeho-
                 rende welvaartsvoordelen voor de consument, is evenwel een illusie. Dit ligt
                 deels aan de klant zelf; behoudens een klein aantal ‘grootgebruikers’, blijken de
                 meeste internetbezoekers slechts een beperkt aantal sites te bezoeken.5 Het idee
                 dat met enkele muisclicks toegang kan worden verkregen tot een gigantische hoe-
                 veelheid informatie, is dus in theorie wel waar, maar heeft in praktijk weinig
                 betekenis. De padafhankelijkheden van de consument (d.w.z. hij bezoekt de sites
                 die hij de vorige keer ook al bezocht) beperken in feite de mate van concurrentie
                 tussen productaanbieders die in theorie mogelijk is. Dit gedrag is niet anders dan
                 al lang bekend is uit de theorie van het consumentengedrag. Ook in de fysieke
                 wereld winkelen mensen merendeels op hun vaste adressen en zijn ze niet voort-
                 durend bezig prijs en kwaliteit van een veel groter aantal potentiële leveranciers
                 te vergelijken.
                 In de internetpraktijk worden de meeste markten dus niet zo veel transparanter
                 voor de meeste consumenten. Wel wordt de klant transparanter voor de produ-
                 cent, door digitale klantenpaspoorten, meegestuurde ‘cookies’, en dergelijke. Het
                 is vooral de aanbieder die zijn klanten bekijkt in plaats van andersom.
                 Aan de aanbodzijde zijn er vier redenen waarom de transparantie op markten eer-
                 der zal af- dan toenemen. In de eerste plaats worden informatieproducten opge-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 100 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 101 ======================================================================

<pre>                                                                     mark twerking bij informatiegoederen
      splitst in een groot assortiment van op verschillende groepen van afnemers afge-
      stemde deelproducten (inclusief verschillende serviceniveaus), en daarbij beho-
      rende prijzen. Bovendien vindt er productdifferentiatie plaats in de tijd. Van een-
      maal op de markt gebrachte programma’s worden voortdurend nieuwe versies
      uitgebracht. De druk om deze aan te schaffen is groot, want wie achterblijft, is al
      snel niet meer compatibel. Het product wordt dus bederfelijk gemaakt. Ten derde
      kunnen eerdere afnemers zich gaan opwerpen als aanbieder; ze leveren er dan als
      regel niet het gebruikelijke onderhoud (inclusief virus scans) en updates bij. Ten
      slotte leidt de grotere interactie – kenmerkend voor een relatie-economie – tot
      meer maatwerk, waardoor de initiële voordelen van informatiegoederen – lage
      kosten per exemplaar bij een grote oplage – verloren gaan.
      Intermediairs
      Informatiegoederen zijn bij uitstek ervaringsgoederen: de waarde voor de gebrui-
      ker blijkt pas tijdens het gebruik (Blokland en Feenstra 2001: D3). Zowel voor
      digitale producten als voor fysieke producten met een informatiecomponent
      bestaat er een grote kwaliteitsonzekerheid. Hiermee ontstaat tevens ruimte voor
      intermediairs, bijvoorbeeld in de vorm van vergelijkingssites. In paragraaf 3.5.2 is
      aangegeven dat dergelijke intermediairs het resultaat kunnen zijn van marktwer-
      king, zelfregulering door gebruikers dan wel overheidsoptreden. In veel gevallen                    97
      zullen commerciële partijen zich opwerpen als intermediairs, die beter geïnfor-
      meerd zijn over de kwaliteit van het aanbod van informatiegoederen dan de
      gemiddelde consument. Denk aan hypotheek- en verzekeringsadviseurs, beleg-
      gingsadviseurs van banken, reisbureaus en dergelijke. Ook gebruikers (d.w.z.
      afnemers van informatie) kunnen de rol van intermediair op zich nemen, bij-
      voorbeeld door hun krachten te bundelen in gebruikersgroepen. Traditionele
      voorbeelden daarvan zijn de Consumentenbond of de Nederlandse Vereniging
      van Huisvrouwen. Ook op het internet vinden gebruikers elkaar om informatie
      over de kwaliteit van websites uit te wisselen. Ten slotte is het in principe denk-
      baar dat de overheid een zeker kwaliteitsbeheer voert, bijvoorbeeld door aan
      bepaalde informatieleveranciers een keurmerk toe te kennen. Zo lang het niet
      gaat om informatiegoederen met een algemeen belang, ligt overheidsbemoeienis
      echter niet in de rede.
4.3.4 mark t werking , mededinging en mededingingstoezicht
      In de vorige paragraaf zijn enkele bijzondere kenmerken van informatiegoede-
      ren(markten) beschreven. Een belangrijk kenmerk is bijvoorbeeld dat de verhou-
      ding tussen vaste en marginale kosten extreem scheef is. Door deze kostenstruc-
      tuur en door lock ineffecten worden de marktpartijen die overleven, vaak geken-
      merkt doordat ze zeer groot zijn in verhouding tot de totale markt. In dit type
      markten is de tendens dus dat slechts één of enkele spelers overblijven, die zo
      marktmacht kunnen ontwikkelen. Hierin is het fenomeen van een ‘natuurlijk
      monopolie’ herkenbaar – van oudsher bekend van de nutsvoorzieningen, openbaar
      vervoer en postbezorging. In het verleden is de oplossing voor dit probleem vaak
      geweest publieke naasting van de productie, in de vorm van overheidsbedrijven.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 101 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 102 ======================================================================

<pre>   va n oude e n nieu w e k e n nis
                 Op verschillende markten voor informatiegoederen zijn ook dominante ‘spelers’
                 aan te wijzen. De bekendste voorbeelden zijn Microsoft op de markt van pc-
                 besturingssystemen, Intel op de markt van chipproductie, Cisco op de markt van
                 apparatuur voor netwerken, of sap op de markt van administratieve systemen.
                 Zonder overheidsingrijpen is het op deze markten in theorie dan ook denkbaar
                 dat er een monopoliepositie kan ontstaan, in het uiterste geval een monopolie dat
                 ook toekomstige nieuwe toetreders effectief van de markt weet uit te sluiten. Het
                 zal duidelijk zijn dat het consumentenbelang hiermee niet gediend is en dat de
                 overheid daarvoor op moet komen. Hierop is van oudsher het mededingingsbe-
                 leid gericht.
                 Bij uitstek van belang hierbij zijn: de duurzaamheid van een machtspositie op de
                 markt en de dynamische concurrentie, dat wil zeggen dat toetredingsmogelijkhe-
                 den tot de markt voor potentiële concurrentie in de toekomst open blijven. Daar-
                 bij is overheidsoptreden gewenst in de vorm van:
                 • intellectueel eigendomsrecht dat innovatie stimuleert, maar geen langdurige
                    monopolies creëert; en
                 • intensief markttoezicht om blijvende economische machtsposities te voor-
                    komen.
98               Het is hierbij van belang eerst vast te stellen dat bij de (de)regulering van pro-
                 ductmarkten en handelsstromen landen afspraken maken op wereldniveau
                 (wto) en in de Europese Unie. Nationaal mededingingsbeleid is dus te zien als
                 een nationale afgeleide van dit internationale regime; een publieke medebewind-
                 staak waar wél uitvoeringsdiscretie is (welke gevallen worden wel bekeken,
                 welke niet), maar nauwelijks nog nationale beleidsvrijheid. De publieke toezicht-
                 staak op de werking van markten wordt in Nederland uitgeoefend door de nma
                 en de opta. Op markten voor informatiegoederen is het in het algemeen lastiger
                 en kostbaarder om mededingingsregels op te leggen, te handhaven en te controle-
                 ren dan op markten voor meer conventionele goederen. De ordeningscapaciteit is
                 geringer en de tussenkomst van de overheid in dynamische markten (d.w.z. waar
                 de concurrentie deels zal moeten komen van nieuwe innovators die pas in de toe-
                 komst tot de markt zullen toetreden) kan eerder verstorende effecten hebben, die
                 niet opwegen tegen de maatschappelijke baten van de interventie. Het risico van
                 overheidsfalen is in de informatie-economie dan ook groter, doordat de grotere
                 dynamiek van markten het moeilijker maakt beleidsfouten snel te corrigeren. De
                 theoretische onbepaaldheid van de voor- en nadelen van overheidsingrijpen
                 hoeft niet per se tot een afwachtend beleid van de overheid te leiden, zoals som-
                 migen voorstellen. Het impliceert vooral dat van geval tot geval en van situatie
                 tot situatie de relevante markt in beeld wordt gebracht en dat de voor- en nadelen
                 van overheidsingrijpen tegen elkaar worden afgewogen.
                 Door de combinatie van schaalvoordelen, netwerkexternaliteiten, en lock-inef-
                 fecten bij gebruikers, is er op informatiemarkten eerder kans op marktfalen. Dit
                 leidt nog niet tot de noodzaak van een (pleidooi voor) fundamentele wijziging
                 van de mededingingsregels, maar wel heeft het mededingingstoezicht – gespitst
                 op anticompetitieve bedrijfsstrategieën – in deze sector een zwaardere taak. Dit
</pre>

====================================================================== Einde pagina 102 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 103 ======================================================================

<pre>                                                              mark twerking bij informatiegoederen
komt ook doordat anticompetitieve praktijken op informatiemarkten vaak moei-
lijker zijn te beoordelen dan bij conventionele goederen en diensten.
Een bedrijfsstrategie om netwerkeffecten te realiseren is om eerst informatiegoe-
deren gratis weg te geven en vervolgens de prijs te verhogen naarmate het markt-
aandeel stijgt. In sommige gevallen kan dit echter ook worden bestempeld als
‘predatory pricing’, bedoeld om minder kapitaalkrachtige concurrenten uit de
markt te drukken, en daarmee een reden voor een toezichthouder op de mede-
dinging om in actie te komen. Een vergelijkbare strategie is om hardware met net-
werkeffecten tegen kostprijs aan te bieden en de winst te halen uit de verkoop
van software. Dergelijke strategieën vloeien voort uit de eigen aard van informa-
tiegoederen. Dit leidt ertoe dat er bij informatiegoederen minder ruimte is voor
rivaliteit op de markt en de concurrentie vaker gaat om de markt. De vraag is dan
of er blijvende monopolies ontstaan door het mechanisme van ‘the winner takes
all’ (als het mededingingstoezicht daar bang voor is, moet het tijdig ingrijpen,
anders komt de toegankelijkheid in gevaar) of dat er op termijn voldoende ruimte
is voor nieuwe toetreding tot de markt (na WordPerfect kwam MS Word, maar is
het denkbaar dat er na Word nog iets anders komt, niet van Microsoft?). Dit alles
impliceert de noodzaak van een alert en goed doordacht mededingingstoezicht.
Voor het mededingingstoezicht zal het niet langer volstaan om het bestaan van                      99
een machtspositie (grote marktaandelen) en het misbruik daarvan (prijs-kosten
marge nul of negatief) aan te tonen, maar het zal vaak dieper in de specifieke
marktsituatie moeten duiken (Van Damme 2001: D5.) Markten voor informatie-
goederen vragen, meer dan markten voor conventionele goederen, om een
inschatting van toekomstige technologische en daarvan afgeleide marktontwik-
kelingen (inschatting entry-mogelijkheden van nieuwe bedrijven). Dit zijn zaken
die per definitie moeilijk te beoordelen zijn. Mededingingsautoriteiten hebben
dan ook een – op zich wel begrijpelijke – bias naar eerdere, vergelijkbare situaties.
Zij dienen voortdurend de economische dynamiek op de langere termijn als uit-
gangspunt te nemen. Aan de ene kant vraagt dit om een actief mededingingsbe-
leid om monopolies te voorkomen en aan de andere kant vraagt het om een ade-
quate bescherming voor innovatieve ondernemers op de korte termijn.
Statische en dynamische efficiëntie
In theorie zijn innovatie door concurrenten of door nieuwe toetreders de belang-
rijkste tegenkrachten tegen de marktmacht van een marktleider. Het eerste is een
kwestie van statische efficiëntie; het tweede van dynamische efficiëntie. Door de
specifieke kenmerken van de markt voor informatiegoederen (hoge vaste kosten;
marginale kosten tenderen naar nul) is marktfalen in termen van statische effi-
ciëntie welhaast onvermijdelijk. De markt heeft een natuurlijke tendens tot
(quasi) monopolievorming, waardoor deze statische efficiëntie afwezig is. Dit
gebrek aan concurrentie heeft in deze markt voor en nadelen. Tegenover het wel-
vaartsverlies staat de welvaartswinst in de vorm van nieuwe, betere of goedkope-
re producten voor consumenten.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 103 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 104 ======================================================================

<pre>    va n oude e n nieu w e k e n nis
                  Worden deze voor- en nadelen tegen elkaar afgewogen, dan zijn er verschillende
                  waarderingen van de totale welvaartseffecten mogelijk. Zoals gesteld, zit markt-
                  falen ingebakken in informatiemarkten. Het is dan dus hopeloos om statische
                  efficiëntie na te streven. Daarbij komt dat de innovatie op deze markten zo snel
                  gaat dat de nadelen van een monopolie of oligopolie slechts een kort leven
                  beschoren zouden zijn. De dynamische efficiëntie neemt het dan over. Dit geluid
                  komt naar voren in een deel van de Amerikaanse literatuur ter zake en wordt in
                  Nederland bijvoorbeeld verwoord door Theeuwes (2001: D10).
                  Hoewel men dus het gebrek aan statische efficiëntie voor lief kan nemen, hoeft
                  dit niet te gelden voor de dynamische efficiëntie. Monopolisten hebben de nei-
                  ging om de toetreding van nieuwe aanbieders te blokkeren of zwaar te ontmoedi-
                  gen. Dit gebrek aan dynamische efficiëntie blijft vaak onzichtbaar, met als gevolg
                  dat er geen reëel beeld te vormen is van gemiste innovatiemogelijkheden in een
                  markt. Op deze visie past een pleidooi voor een alert mededingingsbeleid, dat
                  zich niet exclusief verlaat op ‘wait and see’ en dat de vermeende voordelen van
                  dynamische efficiëntie daadwerkelijk moet afdwingen.
                  Door de hoge omschakelkosten bij informatiegoederen moeten nieuwe produc-
100               ten zeer grote voordelen bieden, willen afnemers erop overstappen. Het is daar-
                  om van belang de mogelijkheid voor gebruikers om over te schakelen op een
                  andere aanbieder zo veel mogelijk in stand te houden. Het open houden van een
                  markt voor nieuwe toetreders in de toekomst is daarom van groot belang. Hier
                  kan de overheid – veelal op Europees niveau – een rol spelen, door level playing
                  fields en transparantie (tegengaan informatie-asymmetrieën) te bevorderen en
                  standaardisatie te faciliteren. De gsm-casus is een voorbeeld waar de Europese
                  overheid een succesvolle rol heeft gespeeld in het tot stand brengen van een stan-
                  daard (vgl. Pelkmans 2001). Dat succes is overigens het resultaat geweest van spe-
                  cifieke, bijzondere omstandigheden, en is daarom moeilijk repliceerbaar of gene-
                  raliseerbaar.
                  Dynamische efficiëntie is een veel moeilijker te realiseren doelstelling dan stati-
                  sche efficiëntie. Het gaat er hier immers om omstandigheden te scheppen waarin
                  iets dat eigenlijk onbeheersbaar is – namelijk de vindingrijkheid en creativiteit
                  van mensen –, zich optimaal kan ontplooien. Mede daarom wordt er bij het toe-
                  zicht op mededinging en marktwerking vooral naar gestreefd statische efficiëntie
                  te realiseren. De relatieve verwaarlozing van dynamische efficiëntie is niet zo erg
                  voor producten die zich aan het eind van hun ontwikkelingscyclus bevinden. In
                  de markten voor informatiegoederen echter, die aan het begin staan van een
                  vloed van technologische innovaties, is het van groot belang optimale voorwaar-
                  den te scheppen voor technologische ontwikkeling. Dit betekent niet dat er altijd
                  en onmiddellijk kan en moet worden ingegrepen zodra een marktpartij een zeke-
                  re marktmacht heeft, maar de mededingingsautoriteiten moeten in beginsel wel
                  over voldoende instrumentarium kunnen beschikken om monopolievorming
                  aan te pakken die destructief is voor nieuwe innovatoren. Aan de ene kant moet
                  de bescherming zodanig zijn dat het rendement dat op nieuwe innovaties vol-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 104 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 105 ======================================================================

<pre>                                                                  mark twerking bij informatiegoederen
    doende is om de onderzoeks- en ontwikkelingskosten op een adequate wijze te
    vergoeden, anderzijds moet dat rendement wel weer zo hoog zijn dat nieuwe toe-
    treders ertoe worden gestimuleerd de markt te gaan veroveren. Om toetreding
    daadwerkelijk mogelijk te maken, kan een bescherming van de bestaande aanbie-
    ders niet voortdurend blijven bestaan. Soms kan het derhalve nodig zijn om met
    rigoureuze middelen in te grijpen zoals opsplitsing van een onderneming.
    Anders dan in de vs ontbreekt in Europa bij toepassing van het monopolieartikel
    (‘abuse of dominant power’) ‘opsplitsing’ van een bedrijf in het palet van instru-
    menten. In Europa kan er bij misbruik slechts een boete worden opgelegd.
    Hoewel het in de Amerikaanse praktijk maar enkele malen feitelijk tot een
    opsplitsinguitspraak is gekomen, heeft het een vooraf schaduwende werking.
    Het verdient volgens de wrr om die redenen aanbeveling dat het instrument
    ‘opsplitsing’ aan het Europese mededingingsinstrumentarium wordt toegevoegd
    (zie ook Van Damme en Dellaert 2001: 56).
    Het ontbreken van de mogelijkheid van splitsing achteraf heeft namelijk tot
    gevolg dat er in Europa zwaar moet worden geleund op andere instrumenten. Een
    van de gevolgen is dat het een conservatieve aanpak in de hand werkt wanneer
    fusies vooraf worden beoordeeld. Fusies kunnen in sommige gevallen noodzake-
    lijk zijn om de concurrentie met multinationals aan te gaan en zo innovaties af te                 101
    kunnen dwingen. Door de angst een paard van Troje te creëren wordt er echter
    zeer terughoudend op fusies gereageerd. Dat kan er toe leiden dat een voorgeno-
    men fusie hier sneller geblokkeerd wordt. De Europese mededingingsautoriteiten
    neigen momenteel sneller tot regulerend ingrijpen.
    In het geval dat fusievoorstellen aanhangig worden gemaakt, zou in de aangepas-
    te vorm van mededingingsbeleid opgelegd kunnen worden dat bedrijfsonderde-
    len worden afgesplitst als het te vormen concern op een bepaalde markt een te
    grote machtspositie zou krijgen.
4.4 toegang van en toegankelijkheid tot informatie-
    goederen: de verdelingsdimensie
    De toegankelijkheid van ict- en informatiegoederen kan – net als bij alle andere
    economische goederen – vanuit maatschappelijk perspectief gezien op twee
    manieren belemmerd worden, waardoor de hoeveelheid van het geconsumeerde
    goed suboptimaal blijft. Dit zijn tevens twee motieven voor overheidshandelen:
    1 door een ongelijke verdeling van inkomens (vermogens, verdiencapaciteiten)
        die ongewenst wordt geacht, heeft een groep mensen niet de financiële moge-
        lijkheden om zich het goed aan te schaffen;
    2 het merit goodmotief: mensen onderschatten de voordelen (in de ogen van een
        ‘alwetende’ of in ieder geval een ‘beterwetende’ overheid) die een bepaald
        goed voor hen heeft en consumeren er om die reden minder van dan maat-
        schappelijk gezien optimaal is.
    Deze twee motieven worden in deze paragraaf tegen het licht gehouden.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 105 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 106 ======================================================================

<pre>    va n oude e n nieu w e k e n nis
       4.4.1      verdelingsoverwegingen
                  Toegang en toegankelijkheid verwijzen in de eerste plaats naar de verdelings-
                  dimensie: wie is aangesloten, wie niet; kan iedereen er in beginsel ‘bij komen’;
                  worden er geen (grote) groepen systematisch buitengesloten, omdat een pc,
                  internetaansluiting, of decoder bijvoorbeeld te duur voor hen is? Hierbij dient er
                  in de eerste plaats op gewezen te worden dat door ict de prijzen van informatie-
                  goederen (blijven) dalen. Bij een gegeven, onveranderde inkomensverdeling
                  komen informatiegoederen dus voor steeds meer mensen binnen hun (financië-
                  le) bereik. Pc’s en internetaansluitingen volgen dan ook qua verspreiding een
                  zelfde patroon als in het verleden radio’s of tv’s. Ze zijn, wat in de marketing
                  heet, een ‘downward going good’: de hogere segmenten van de inkomensverde-
                  ling lopen voorop in de aanschaf; daarna volgen de lagere.
                  Er zijn natuurlijk ook andere stratificaties te maken. Deze laten bijvoorbeeld zien
                  dat jongeren over- en ouderen ondervertegenwoordigd zijn in het gebruik van
                  informatiegoederen; hieraan ligt in het algemeen geen inkomensverdelingsoor-
                  zaak ten grondslag. Verschillende groepen hechten blijkbaar een verschillend nut
                  aan het goed en stellen op grond daarvan andere prioriteiten.
102               Voor zover verschillen in inkomen ten grondslag liggen aan verschillen in
                  gebruik van informatiegoederen, kan de algemene (en wereldwijde) ongelijkheid
                  van inkomens (vermogens, kennis, invloed, macht) nog eens worden benadrukt.
                  Dit is een aanhoudend, omvangrijk en serieus maatschappelijk probleem. Het is
                  dan ook van oudsher een motief voor overheidsbeleid, bijvoorbeeld tot uitdruk-
                  king komend in fiscaal beleid, sociale zekerheid, onderwijs, enzovoort. De vraag
                  is vervolgens in hoeverre deze verdelingsongelijkheid in de aanschaf van infor-
                  matiegoederen ook een additioneel maatschappelijk probleem vormt. We hebben
                  immers ook niet allemaal toegang tot het nieuwste type Mercedes en het is even-
                  min een grondrecht dat burgers/consumenten bepaalde televisiezenders of alle
                  uitzendingen van betaald voetbal kunnen ontvangen.
                  De komst van informatiegoederen levert geen nieuw, eigenstandig motief voor
                  overheidshandelen op dat kan worden gesuperponeerd op het al bestaande verde-
                  lingsmotief. Dit betekent dat scholen (het publieke systeem) hier hun rol van
                  ‘gelijkmaker’ (van startkansen) moeten en kunnen blijven vervullen, juist ook
                  omdat bij ict-goederen niet iedereen van huis uit dezelfde toegangsmogelijkhe-
                  den heeft en hetzelfde meekrijgt.
                  Deze conclusie wordt ondersteund door een onderzoek van het scp (2000) naar
                  de verspreiding van moderne ict-middelen, waaruit geen aanwijzingen naar
                  voren kwamen voor een grote of onoverbrugbare kloof tussen gebruikers en niet-
                  gebruikers van ict (zie ook par 3.3.2). Deze opvatting wordt mede onderbouwd
                  in het onderzoek van Bouwman et al. (2000: 88) onder experts die van mening
                  zijn dat er geen onderscheid tussen information haves en information have nots
                  (digibeten) bestaat. De ‘kloof’ tussen deze twee groepen zal eerst toenemen,
                  maar op termijn overbrugd worden waar het de toegang tot informatie betreft.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 106 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 107 ======================================================================

<pre>                                                                      mark twerking bij informatiegoederen
      Soortgelijke trends zijn zichtbaar in de penetratie van het internet door de jaren
      heen in de vs. Ook daar bestaat een ‘kloof’ tussen rijken en hoogopgeleiden ener-
      zijds en anderzijds groepen die achterlopen in de adoptie en het gebruik van het
      internet. Deze kloof dicht zich echter gestaag. De ongelijkheid ten aanzien van
      het bezit en gebruik van ict loopt langs dezelfde breuklijnen als ‘reguliere’ socia-
      le ongelijkheid. Sociale ongelijkheden in de informatiesamenleving zijn dus niet
      nieuw en digitaal, maar een voortzetting van bestaande vormen van sociale onge-
      lijkheid. In dit kader kunnen vraagtekens worden geplaatst bij een beleid dat pri-
      mair technologie inzet als middel, zonder hierbij rekening te houden met die
      bestaande structurele ongelijkheden (vgl. ook Rathenau Instituut 2000: 71).
4.4.2 merit good - overwegingen
      Door ict is veel informatie snel en direct beschikbaar. Dat is handig, prettig, effi-
      ciënt en het verhoogt de productiviteit. De vraag is echter of informatiegoederen
      hiermee ook merit goods zijn, goederen die een speciale bemoeienis van de over-
      heid rechtvaardigen, zoals musea of bibliotheken. In de economische theorie over
      verschillende vormen van marktfalen en motieven voor overheidshandelen, is
      het merit goodmotief hoe dan ook enigszins dubieus en niet algemeen geaccep-
      teerd. Het motief is immers gebaseerd op de gedachte dat de overheid – blijkbaar                     103
      een ‘ander soort mensen’ – het beter kan weten dan ‘de mensen in het land’, die
      kortzichtig zijn.
      Als het gaat om de toepassing van het merit goodmotief op informatiegoederen, is
      er eigenlijk niets dat erop wijst dat gebruikers de baten ervan systematisch onder-
      schatten Informatiegoederen mogen dan een bijzondere (re)productiestructuur
      hebben, aan de consumptiezijde geldt in hoge mate dat zij op dezelfde manier
      benaderd worden als conventionele goederen en diensten. Informatie is niets hei-
      ligs. Sommige informatie is meer waard dan andere, en sommigen hechten meer
      waarde aan informatie dan anderen, maar dit geldt evenzeer voor andere economi-
      sche goederen. In dit opzicht zijn de nieuwe informatiegoederen ook niet wezen-
      lijk anders dan een brief, een boek of een tv-programma; sommigen kunnen daar
      veel meer mee, kunnen daar meer ‘uithalen’ dan anderen. Deels wordt het nut voor
      de gebruiker bepaald door zijn karakter en iq en deels is de waardering van infor-
      matiegoederen door scholing en opleiding op een hoger niveau te brengen.
      In een kennissamenleving is het dus de taak van de overheid zoveel mogelijk
      mensen in leerprocessen te trekken en hun vorming en nieuwsgierigheid te prik-
      kelen. Vervolgens zullen ze het zelf moeten doen; de één zal dit ook meer doen
      dan de ander. Er is dus een onverminderd valide motief om belastinggeld te
      besteden aan goed onderwijs, wereldwijd, maar er is geen bijzonder motief om
      belastinggeld te stoppen in bijvoorbeeld het aansluiten van burgers op het inter-
      net die dat niet uit zichzelf doen.6 Zo zijn er destijds van overheidswege ook geen
      gratis krantenabonnementen, radio’s of tv’s verstrekt toen deze beschikbaar kwa-
      men, al is er ook bij die gelegenheden overigens wel geschermd met het argument
      dat de op dat moment ‘nieuwe’ media zouden bijdragen tot ‘verheffing van het
</pre>

====================================================================== Einde pagina 107 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 108 ======================================================================

<pre>    va n oude e n nieu w e k e n nis
                  volk’. Vooralsnog blijft het echter lastig om vast te stellen dat honderd jaar radio
                  of vijftig jaar tv een dergelijk vooruitgangsgeloof ondersteunen.
       4.5        conclusies
                  In dit hoofdstuk is op het niveau van marktgoederen en -diensten gekeken naar
                  de informatierevolutie. Opvallende kenmerken zijn dan de snelheid en onzeker-
                  heid waarmee de processen zich afspelen. In een hoog tempo komen nieuwe ict-
                  toepassingen beschikbaar, waarvan sommige heel snel een wereldsucces worden
                  (internet, mobiele telefonie) en andere mislukken (beeldplaat, videotex). De juiste
                  timing en voldoende applicaties voor de consument zijn twee van de vele factoren
                  die hierbij een rol spelen. In ieder geval is de techniek een ‘kansenschepper’.
                  Technische ontwikkelingen zijn een belangrijke aandrijver van maatschappelijke
                  ontwikkelingen. Op productniveau ligt de sleutel tot succes er echter in of de
                  consument de gebruiksmogelijkheden van het product kan inbedden in het dage-
                  lijkse doen; hier spelen dus vooral sociologische en psychologische aspecten. Dit
                  geldt ook voor de nieuwe media. De technologieën van de nieuwe media lijken
                  op het eerste gezicht een revolutie te ontketenen, maar worden vervolgens inge-
                  past in de bestaande sociale processen (de ‘wet van de onderdrukking van radicaal
104               potentieel’, Winston 1998). Dit kan bijvoorbeeld worden geïllustreerd aan de
                  komst van het internet, waar de ‘revolutionaire belofte’ gevolgd is door het
                  gebruikelijke proces van ‘normalisering’.
                  De onderdrukking van het radicale potentieel of, omgekeerd, de aanvankelijke
                  overschatting van dat potentieel (leidend tot ‘nieuwe mensen’, ‘nieuwe organisa-
                  ties’, ‘nieuwe werknemers’, ‘nieuwe werkgevers’, een ‘nieuwe overheid’7) lijkt
                  samen te hangen met het feit dat de technologische en economische kanten van
                  ict door bedrijven, wetenschap en ‘techniek-watchers’ over het algemeen beter
                  in kaart worden gebracht dan de ‘zachtere’ sociologische en psychologische
                  dimensies, zoals condities voor acceptatie door consumenten. Dit heeft in het
                  verleden geleid tot een aantal missers bij de voorspelling van de markt voor een
                  product. Als het om toekomstbeelden gaat, durven de meeste bedrijven nu ten
                  aanzien van het succes van specifieke ict-toepassingen niet verder dan twee jaar
                  vooruit te kijken (Bouwman et al. 2000). Als het gaat om een voorspelling van de
                  trend, beperkt men zich tot de verwachting dat kleiner, slimmer, sneller, goedko-
                  per en mobieler zich nog wel door zal zetten.
                  In Westerse samenlevingen is al eeuwenlang sprake van kennisintensivering. Dat
                  is een proces dat verloopt met horten en stoten. Bovendien gaat het bij kennisin-
                  tensivering niet alleen om continue ontwikkeling van wetenschapsgebieden of
                  technologische innovativiteit, maar ook om meer institutionele zaken, zoals
                  bescherming van intellectuele eigendom of kwaliteitscontrole en reputatiebevor-
                  derende mechanismen om de kennisintensivering te stimuleren. In deze para-
                  graaf is deze institutionele verankering geïllustreerd, alsmede de toename van de
                  variatie en de versterking van het leervermogen waarmee zo’n periode van ken-
                  nisversnelling gepaard gaat.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 108 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 109 ======================================================================

<pre>                                                               mark twerking bij informatiegoederen
Tegen deze achtergrond worden in deze slotparagraaf enkele implicaties geschetst
voor het overheidsbeleid ten aanzien van de allocatie- en de verdelingsdimensie
van de marktwerking van informatiegoederen.
1 Geen revolutie…
De informatie- en communicatietechnologie biedt in een hoog tempo vele nieu-
we mogelijkheden, producten en productieverbeteringen. Er is veel aan de hand
op dit terrein. Consumenten (en ook producenten) zijn in de weer met toepassin-
gen waar ze, bij wijze van spreken, vier maanden of vier jaar geleden nog niet aan
hadden kunnen denken. Daarom worden de snelle technische ontwikkelingen
veelal begeleid door metaforen als de ‘informatierevolutie’, een ‘oorlog die gewon-
nen moet worden’ en een ‘wedstrijd waarop je geen achterstand mag oplopen’.
De keuze van dit soort strijdmetaforen heeft onmiddellijke implicaties voor
overheidsbeleid. De overheid, als belangrijkste maatschappelijke actor in de
moderne samenleving, zal er voor moeten zorgen dat de revolutie in goede banen
wordt geleid, de oorlog gewonnen en de achterstand ingelopen; de management
of expectations is hierop gericht.
Het is daarom goed te waarschuwen voor technologisch determinisme en daarop
geënte metaforen. Ongetwijfeld heeft ict, als de belangrijke doorbraaktechnolo-                     105
gie van deze tijd, ingrijpende economische en maatschappelijke implicaties. Het
doet zeker dingen veranderen. In dit hoofdstuk zijn vooral de economische
implicaties onderzocht, met name voor de marktwerking van informatiegoede-
ren en de toe-eigeningsmogelijkheden van de welvaartsvoordelen die ict gene-
reert. Of de overheid op dit gebied additioneel beleid moet voeren, wordt bepaald
door het richtsnoer of markten (blijven) werken, dat wil zeggen of er voldoende
dynamiek en vernieuwing mogelijk blijft. Bij een gebrek aan (potentiële) concur-
rentie worden consumentenbelangen geschaad en is er sprake is van een vorm
van marktfalen. Marktfalen levert een argument voor overheidsoptreden, dat wil
zeggen als de (transactie)kosten van dat overheidsoptreden de baten van het ver-
helpen van het marktfalen niet overtreffen.
2 …maar wel een doorbraaktechnologie
ict is te kenmerken als een doorbraaktechnologie. Zij draagt bij aan het voort-
gaande vernieuwingsproces in de economie, verhoogt de productiviteit en hier-
mee de welvaart. Dit loopt langs verschillende lijnen. Zo verlaagt ict de transac-
tiekosten in bestaande markten voor bestaande goederen; dat is de invloed op de
‘oude economie’. Daarnaast ondergaan markten voor informatiegoederen meer
diepgaande veranderingen, met name in de vorm van nieuwe producten, nieuwe
distributiekanalen en nieuwe markten; dat is de ‘nieuwe economie’ in enge zin.
Het cpb (2000: 162) verwacht dat de effecten van ict op de macro-economische
conjunctuurcyclus en de inflatie beperkt zullen zijn.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 109 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 110 ======================================================================

<pre>    va n oude e n nieu w e k e n nis
                  3 Eigendomsrechtenregime en marktstrategieën voorkomen dat ieder
                     latent marktfalen ook leidt tot feitelijk marktfalen
                  Door de karakteristieken van de markt van informatiegoederen zijn er enkele vor-
                  men van latent marktfalen aanwezig. Hoge vaste kosten van productie gaan
                  gepaard met lage marginale kosten van reproductie, terwijl digitalisering perfecte
                  kopieën mogelijk maakt. Als concurrentie zou resulteren in prijzen die gelijk zijn
                  aan de marginale kosten, dan produceert niemand deze goederen meer omdat de
                  vaste kosten niet terugverdiend kunnen worden. Vooralsnog ziet het er niet naar
                  uit dat dit probleem hardnekkig of onoplosbaar is. Hieraan dragen bestaande
                  institutionele oplossingen bij, zoals copyrights, patenten, en dergelijke. Deze
                  intellectuele eigendomsrechten (intellectual property rights; ipr’s) moeten vol-
                  doende wettelijke bescherming geven aan private producenten. Anderzijds moet
                  die bescherming niet te hoog worden opgetrokken, omdat dan een publiek belang
                  van toegang tot kennis- en informatieproducten in de knel kan komen (Stiglitz
                  1999). Dolfsma en Soete (2002: 65) noemen in dit verband het voorbeeld van
                  software. In de praktijk wordt software in 5 à 7 jaar door bedrijven afgeschreven,
                  terwijl deze voor twintig jaar wettelijk beschermd wordt. Zij verbinden hieraan
                  een pleidooi voor meer variatie in het ipr-regime.
106               Niet ieder latent marktfalen leidt ook feitelijk tot marktfalen. Zo zijn er tal van
                  ondernemingsstrategieën die ervoor zorgen dat het latent marktfalen zich niet
                  hoeft te manifesteren. Te denken valt aan het uitgeven van verschillende versies
                  (naast elkaar of elkaar snel opvolgend in de tijd), het combineren van informatie-
                  goederen met advertenties en dienstverlening, het distribueren van decoders en
                  het creëren van encryptiesleutels.
                  4 Dynamische markten vereisen aler t mededingingstoezicht ,
                     standaardisatie en level playing fields
                  Op informatiemarkten bestaat een grote dynamiek. Machtsposities kunnen rela-
                  tief snel worden opgebouwd, maar ook snel afgebroken. De snelle opbouw wordt
                  bevorderd doordat zowel positieve netwerkexternaliteiten als omschakelkosten
                  impliceren dat afnemers ingesloten kunnen raken in een bepaalde technologie of
                  product. Producenten met een groot marktaandeel beschikken hierdoor over
                  meer marktmacht dan in andere sectoren gebruikelijk is. De belangrijkste tegen-
                  kracht is innovatie door concurrenten (statische efficiëntie) en nieuwe toetreders
                  (dynamische efficiëntie). Nieuwe producten moeten echter zeer grote voordelen
                  bieden, willen afnemers erop overstappen. Dit geeft gevestigde aanbieders meer
                  ruimte om hoge prijzen te kunnen vragen. In deze sector is dan ook meer dan
                  gemiddeld behoefte aan een alert mededingingstoezicht, dat het misbruik van
                  marktmacht afstraft. Verder kan overheidsbeleid een rol spelen bij het faciliteren
                  van standaardisatie, als marktpartijen daar zelf niet uitkomen. Standaardisatie
                  draagt bij aan level playing fields, hetgeen de mogelijkheid van toetreding bevor-
                  dert.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 110 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 111 ======================================================================

<pre>                                                             mark twerking bij informatiegoederen
5 Verdelingsdimensie: toegang en toegankelijkheid
Sociale ongelijkheden in de informatiesamenleving zijn niet nieuw en digitaal,
maar vormen een voortzetting van bestaande vormen van sociale ongelijkheid.
De aanpak van ongelijkheid is een kwestie van politieke wil en prioriteit. Het is
dan ook van oudsher een motief voor overheidsbeleid, zoals dit bijvoorbeeld tot
uitdrukking komt in fiscaal beleid, sociale zekerheid, onderwijs, enzovoort. De
komst van informatiegoederen levert geen nieuw, eigenstandig motief voor over-
heidshandelen op dat kan worden gesuperponeerd op het al bestaande verde-
lingsmotief.
                                                                                                  107
</pre>

====================================================================== Einde pagina 111 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 112 ======================================================================

<pre>    va n oude e n nieu w e k e n nis
       noten
       1
                  Een derde voorbeeld is de periode aan het eind van de negentiende eeuw toen de
                  invoering van de hbs in Nederland bijdroeg aan de stijging van het algemene
                  opleidingspeil en daarmee indirect ook aan het gunstige klimaat voor burgerlijk
                  sciëntisme (Willink 1988). Ook in deze periode (de ‘tweede Gouden Eeuw’)
                  hangt de kennisintensivering samen met een daartoe stimulerende institutie;
                  i.c. de invoering van de hbs.
       2
                  Gelauff (2001a: 110) nuanceert dit punt als volgt: een doorbraaktechnologie is niet
                  zozeer een oorzaak van productiviteitsgroei, maar voorkomt de afvlakking ervan.
                  Met andere woorden: als doorbraaktechnologieën uitblijven, nadert de technolo-
                  gische ontwikkeling uiteindelijk een verzadigingspunt en zwakt de totale produc-
                  tiviteitsgroei af. Zo gezien is er ook een hoge mate van continuïteit in het econo-
                  misch proces en is ict vooral een volgende stap in een voortdurend veranderings-
                  proces. Het cpb (2000: 163) spreekt om die reden liever van vernieuwende econo-
                  mie dan over nieuwe economie.
       3
                  We hebben het hier dus over een van oudsher bestaand breder informatiebegrip
                  in de economie, dat als zodanig los staat van de ict-ontwikkelingen. Dit brede
108               informatiebegrip is vraagbepaald: alles wat een economische actor (consument of
                  producent) van een economisch goed zou willen weten. De Nobelprijswinnaars
                  George Akerlof (1970), Michael Spence (1974) en Joseph Stiglitz (1975) worden
                  beschouwd als de grondleggers van de economics of information. In de rest van dit
                  hoofdstuk gaat het vooral om het begrip ‘informatie’ in de context van informa-
                  tiegoederen: alles wat gedigitaliseerd kan worden: boeken, databanken, tijdschrif-
                  ten, films, muziek, aandelenkoersen, voetbalstanden, webpagina’s, enzovoort.
                  Dit informatiebegrip is aanbodbepaald, afhankelijk van de productiestructuur
                  van een economisch goed.
       4
                  Sommige informatiedragers – bijvoorbeeld boeken, kranten, films – bestaan al
                  weer (veel) langer, maar ondergaan wel de gevolgen van de huidige mogelijkhe-
                  den van digitalisering.
       5
                  Een Amerikaans onderzoeksbureau berekende dat de gemiddelde surfer slechts
                  24 verschillende sites bezoekt. In Amerika, waar de gemiddelde consument al
                  meer Internetervaring heeft, bezoekt men nog slechts gemiddeld 10 sites. Men
                  wordt, met andere woorden, efficiënter en doelgerichter. Uit ander empirisch
                  onderzoek (aangehaald door Janssen en Moraga 2001: 294) blijkt verder dat 70
                  procent van de cd-kopers, 70 procent van de boekenkopers en 36 procent van de
                  reizigers die via het Internet kopen, slechts één virtuele winkel bezoeken.
       6
                  Iets anders betreft de kostenoverweging om één kabel te trekken of één netwerk-
                  structuur aan te leggen in plaats van iedere provider z’n gang te laten gaan; dit is
                  een typisch allocatieprobleem dat geldt bij alle netwerkgoederen (elektriciteits-
                  voorziening, telefoonverbindingen, railnetwerk, e.d.). Hier kan de overheid
                  zonodig wel een rol in spelen als concurrerende aanbieders niet op vrijwillige
                  basis tot de nodige samenwerking kunnen komen.
       7
                  Zo initieerde het Ministerie van Economische Zaken onlangs nog een sterk staal-
                  tje in deze geest (Winsemius et al. 2001).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 112 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 113 ======================================================================

<pre>                                                                            wetenschappelijk onderzoek
5     wetenschappelijk onderzoek
5.1   inleiding
      In dit hoofdstuk staan de gevolgen centraal van de opkomst van de ict voor de
      productie van wetenschappelijke kennis. Hierbij ligt het accent op het universitai-
      re onderzoek en bestel. Gevolgen voor de andere publieke kennisinstituties en
      voor de r&d van het bedrijfsleven komen zijdelings aan de orde. De domeingren-
      zen tussen universitair wetenschappelijk onderzoek, ander publiek gefinancierd
      onderzoek door meer toepassingsgerichte onderzoeksinstituten (tno, gti’s1) en
      r&d door het bedrijfsleven, zijn in de laatste jaren meer en meer fluïde geworden.
      ict-ontwikkelingen kunnen deze domeingrenzen ook verder onder druk zetten.
      Actuele ‘toe-eigeningskwesties’ in bijvoorbeeld het farmaceutisch onderzoek of
      het human genome-onderzoek (Carraro et al. 2001), en eigendomsrechten die spe-
      len tussen onderzoekers, uitgeverijen en wetenschappelijke bibliotheken, laten
      dit zien.
      Al is ict van grote betekenis voor de productie en verspreiding van kennis, tege-
      lijkertijd dient dit belang niet te worden overtrokken; ook andere factoren en                   109
      facetten spelen hier een rol. Verder verschillen de diverse onderzoeksgebieden
      sterk van aard, evenals het belang van ict per onderzoeksgebied. Deze verschil-
      len zullen in dit hoofdstuk niet uitputtend behandeld worden; hier wordt vol-
      staan met enkele voorbeelden om te refereren aan ontwikkelingen op de verschil-
      lende terreinen.
      In dit hoofdstuk wordt eerst een aantal organisatorische en economische ken-
      merken van wetenschappelijk onderzoek in beeld gebracht, inclusief de verhou-
      ding tussen wetenschap en technologie (par. 5.2). Deze kenmerken hebben impli-
      caties voor de vraag of en wanneer verschillende vormen van onderzoek zich in
      de publieke sector (moeten) afspelen. In paragraaf 5.3 wordt ingezoomd op de
      specifieke informatie- en communicatievormen die eigen zijn aan wetenschap-
      pelijk onderzoek. Hierbij komen ook ontwikkelingen aan de orde die zich moge-
      lijk nog zullen aandienen en die van invloed kunnen zijn op het onderzoeksbestel
      in zijn geheel. Ten slotte worden in paragraaf 5.4 enkele conclusies getrokken,
      mede vanuit het gezichtspunt van het wenselijke overheidsbeleid.
5.2   kenmerken van wetenschappelijk onderzoek
5.2.1 rel atie wetenschap met technologie
      Verhouding wetenschap – technologie
      Bij wetenschap wordt meestal direct gedacht aan alles dat zich binnen de muren
      van universiteiten afspeelt; bij de wereld van de technologie wordt vooral
      gedacht aan onderzoek dat verricht wordt door het bedrijfsleven, militaire en
      andere (semi)overheidsorganisaties (zoals tno) en de voormalige Technische
</pre>

====================================================================== Einde pagina 113 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 114 ======================================================================

<pre>    va n oude e n nieu w e k e n nis
                  Hogescholen (Delft, Eindhoven, Enschede). Dergelijke beelden blijven echter aan
                  de oppervlakte. Ook buiten de universiteiten zijn er immers organisaties met een
                  ‘wetenschappelijke’ cultuur, zoals Rand Corporation, het NatLab van Philips,
                  ibm, Bells Laboratory, terwijl er omgekeerd ook binnen de universiteit onderde-
                  len en personen zijn die niet volledig werken vanuit een wetenschappelijke habi-
                  tus. Wetenschap en technologie zijn dus niet per definitie verbonden aan een
                  specifieke instelling of plaats. Bovendien is er in de keten van zuivere wetenschap
                  naar toegepaste resultaten een overgangsprobleem dat eruit bestaat dat andere
                  actoren in de keten met de kennis verder moeten kunnen en willen werken.
                  Dit vereist dat ‘de estafettestokjes goed worden doorgegeven’ en dat men zich
                  ook enigszins kan verplaatsen in de wereld van ‘de anderen’ in de kennisketen.
                  Dit is ook een van de redenen waarom de universiteiten en publieke onderzoek-
                  instituten (als tno en rivm) een uitzonderingsgeval zijn in de systematiek van
                  de commissie-Cohen (1997). Waar deze commissie zegt dat over het algemeen
                  een heldere scheiding tussen publiek en privaat is aan te bevelen, is dit in het
                  wetenschappelijk onderzoek juist niet gewenst. Een andere reden is dat vooral
                  universiteiten een onderwijstaak hebben; gedeeltelijk geldt dit ook voor de
                  publiek gefinancierde onderzoeksinstellingen. Onderwijs moet niet belemmerd
110               worden door allerlei restricties in termen van concurrentievervalsing, omdat een
                  dergelijke redenering uiteindelijk zelfs de mogelijkheden van stages in gevaar kan
                  brengen. Universiteiten en publiek gefinancierde onderzoekinstellingen hebben
                  een brede kennisoverdrachttaak, die moeilijk op te splitsen is. Deze taak is onmis-
                  baar in een innoverende economie. Voor een stukje van die taak kunnen de
                  publieke instellingen dus op markten terechtkomen waar ook private onder-
                  zoeksorganisaties opereren. In dit verband is nu in het wetsvoorstel Markt en
                  Overheid (2001) voorzien dat private bedrijven die menen dat er in specifieke
                  situaties sprake zou zijn van oneerlijke concurrentie, hierover een klacht kunnen
                  indienen bij de onderzoekinstellingen zelf en niet bij de nma.
                  Dat wetenschap en technologie niet absoluut plaatsgebonden zijn, kan worden
                  verklaard uit het gegeven dat de cognitieve vaardigheden die nodig zijn om ken-
                  nis te produceren, niet wezenlijk verschillen van de vaardigheden die men in de
                  wereld van de technologie nodig heeft. Vaak wordt gesuggereerd dat er in deze
                  twee sectoren wel degelijk verschillende soorten kennis worden geproduceerd:
                  wetenschap houdt zich bezig met de principes en generaliseerbare uitspraken,
                  terwijl technologie zich toelegt op toepassingen en details. Wetenschap ontleent
                  haar bestaansrecht aan abstracte, fundamentele ideeën, technologie aan produc-
                  ten en productieprocessen. Op de achtergrond speelt hierbij het denken in ter-
                  men van een monocausale keten die leidt van wetenschap naar technologie, van
                  algemeen naar toepassing, van precompetitief naar competitief.
                  Tegen dit lineaire model zijn ten minste twee bezwaren in te brengen. In het
                  ‘moderne’ denken over de verhouding wetenschap en technologie inspireert de
                  problematiek van de toepassing ook het fundamentele onderzoek. De causaliteit
                  gaat dus twee kanten op; het is een wisselwerking geworden (zie bijv. Commissie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 114 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 115 ======================================================================

<pre>                                                                         wetenschappelijk onderzoek
Financieringsstructuur Onderzoek en Ontwikkeling 1985). Een tweede bezwaar
tegen bovenstaande redenering is dat hierin de begrippen technologie en tech-
niek als synoniemen gebruikt worden. Technologie is evenwel een veel breder
begrip dan de mogelijkheid een bepaalde techniek toe te kunnen passen. In som-
mige gevallen is iets technisch wel mogelijk, maar zijn de kosten van een brede
verspreiding zo hoog dat het bij een potentiële mogelijkheid blijft (Kealy 1996).
Zo was de voormalige Sovjet-Unie in staat om bepaalde zaken te maken (de tech-
niek), maar miste zij de infrastructuur om de techniek langdurig aan de man te
brengen. Het bekendste voorbeeld is de ruimtevaart. Technologisch is de kennis
over ruimtelaboratoria in de voormalige Sovjet-Unie ver ontwikkeld, maar door
geldgebrek is deze nauwelijks te exploiteren. Het begrip technologie omvat dus
mede een infrastructuur van toepassingsmogelijkheden, financieringsstructu-
ren, distributiesystemen, eigendomsrechten, enzovoort. Zeer algemeen gesteld
gaat het dus om een bepaalde cultuur.
Drijfveren wetenschappelijk onderzoek
Verschillen tussen wetenschap en technologie draaien vooral om de motieven
om kennis te genereren, de spelregels waaronder onderzoek plaatsvindt, en wat
er met de resultaten van dat onderzoek gebeurt. De dominante motieven voor
wetenschappelijk onderzoek zijn nieuwsgierigheid om een vraagstuk op te los-                        111
sen en een zucht naar erkenning door vakgenoten. De wetenschapssocioloog
Hagstrom (1965) verwoordde deze instelling als volgt: “Research is in many ways
a kind of game, a puzzle solving operation in which the solution of the puzzle is
its own reward”. De beloning die verbonden is aan het oplossen van een puzzel
wordt nog vergroot door deze te verbinden aan de eer om als eerste een resultaat
te kunnen claimen. Zeker in de exacte en medische wetenschappen, waar de con-
currentie op bepaalde onderzoeksgebieden intens is, heeft deze eerzucht regel-
matig tot onenigheid geleid over wie als eerste een resultaat geboekt heeft (denk
aan de vaststelling van het Aids-virus). De wetenschap is hier dus op te vatten als
een race of toernooi waarbij de tweede of derde prijs geen waarde heeft, maar ‘the
winner takes all’. Zo lang de ‘prijs’ nog niet vergeven is, lopen er velen mee in de
race en lopen allen ook het risico dat hun inspanning voor niets zal zijn.
Deze beloningsstructuur geeft een additionele incentive voor grootschalige
samenwerking in de wetenschap, naast dure apparatuur en de complexiteit van
bepaalde problemen. Ze kan leiden tot een strategie van risicospreiding, die uit-
mondt in een de facto of pro forma samenwerking en gezamenlijke deling van de
onderzoeksresultaten. In extremo leidt dit bijvoorbeeld tot wetenschappelijke
publicaties van vijftig of meer auteurs. Dat scherpe concurrentie en samenwer-
king doen zich gelijktijdig voordoen, is één van de typerende aspecten van
wetenschapsbeoefening. Dit geldt zowel op het niveau van individuen, groepen,
instituten als op het niveau van landen. In dit licht is het interessant om te zien
hoe ict samenwerking, met name ook op afstand, vergemakkelijkt, terwijl tege-
lijkertijd competitieve prikkels in stand zullen moeten blijven.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 115 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 116 ======================================================================

<pre>    va n oude e n nieu w e k e n nis
                  Anders dan in de exacte en medische wetenschappen, spelen in de sociale weten-
                  schappen2 min of meer absolute wetmatigheden en bewijzen niet zo’n rol. Deze
                  disciplines zijn daarom niet goed te kenschetsen als prioriteitsraces; het gaat er
                  hier eerder om de aandacht op een (bepaald aspect van een) probleem te vestigen
                  (Klamer en Van Dalen 2000). Om daarin succesvol te zijn, zijn ook andere dan
                  wetenschapsinhoudelijke vaardigheden van belang.
                  Ideaaltypisch geldt in de wereld van de wetenschap een aantal (ongeschreven)
                  regels: onderzoeksresultaten worden zo snel mogelijk openbaar gemaakt; onder-
                  zoek is repliceerbaar; onderliggende data zijn toegankelijk of opvraagbaar; als
                  men om een wetenschappelijk oordeel wordt gevraagd, geeft men dat om niet; en
                  men geeft ‘credits’ aan intellectuele voorgangers op wie men bouwt. Kortom,
                  wetenschap wordt gedreven door de normen: universaliteit, georganiseerde
                  scepsis, openbaarheid en belangeloosheid/reciprociteit (Hagstrom 1965; zie ook
                  Hazeu 1989: 59-63).
                  Drijfveren technologische innovatie
                  In de wereld van de technologie drijft eigenbelang op een andere en meer gepro-
                  nonceerde manier het voortbrengingsproces aan. Hier gelden de waarden van de
112               markt. De waarde van kennis wordt afgemeten aan het nut of rendement dat een
                  investering in kennis oplevert. Het (kosteloos) openbaar maken van die kennis,
                  druist in tegen het eigenbelang van het bedrijf of de onderzoeker. Hoewel gepro-
                  beerd zou kunnen worden technologische kennis geheim te houden, is dit in zijn
                  algemeenheid geen erg betrouwbare tactiek (het recept van Coca Cola uitgezon-
                  derd), want mensen kunnen zich vrij bewegen. Om dit probleem op te lossen, is
                  het patentsysteem in het leven geroepen. Hierdoor kunnen intellectuele eigen-
                  domsrechten worden gevestigd, waardoor de kennis een verhandelbaar goed
                  wordt. Met het patenteren van een vinding krijgt een bedrijf een exclusief eigen-
                  dom, dat leidt tot revenuen bij gebruik door derden. Hiermee prikkelt het patent-
                  systeem, net als in de wetenschap, onderzoekers en bedrijven om zo snel moge-
                  lijk hun vinding openbaar te maken. Doordat het patentrecht ook tijdslimieten
                  kent, worden blijvende monopolies voorkomen en wordt de mededinging niet in
                  gevaar gebracht (zie hfdst.4).
       5.2.2      organisatorische kenmerken
                  Kosten van gecodificeerde kennis dalen door ict; die van impliciete kennis niet
                  In hoofdstuk 2 werd een onderscheid gemaakt tussen gecodificeerde kennis die in
                  documenten kan worden vastgelegd, en impliciete of stilzwijgende kennis, die
                  niet los kan worden gezien van de persoon die over de kennis beschikt. De
                  invloed van ict op de creatie en overdracht van beide soorten kennis verschilt.
                  De invloed van ict op de kosten van gecodificeerde kennis is gecompliceerd. Daar-
                  om wordt hier aan de aanbodzijde onderscheid gemaakt tussen kennisproductie of
                  -creatie enerzijds en kennisdistributie (communicatie, verspreiding, transmissie)
                  anderzijds, terwijl aan de vraagzijde de gebruiker kosten maakt om kennis te zoeken.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 116 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 117 ======================================================================

<pre>                                                                        wetenschappelijk onderzoek
De kosten van de productie van nieuwe gecodificeerde kennis wordt niet direct
door ict beïnvloed, terwijl de (marginale) distributiekosten door de ict naar een
zeer laag niveau kunnen dalen. De kosten van het vergaren van zinvolle kennis
door gebruikers zouden echter kunnen stijgen. Weliswaar komt meer informatie
tegen een lage prijs beschikbaar, maar de selectie van betrouwbare informatie
wordt hierdoor moeilijker en dus duurder. Deze kostenpost van informatiefilte-
ring zal over het algemeen echter kleiner zijn dan de (tijds)kosten die iemand zelf
kwijt is aan het verzamelen van informatie.
Door de ict nemen de mogelijkheden om op gemakkelijke en goedkope wijzen
gecodificeerde kennis en informatie te verspreiden sterk toe. Dit heeft twee, in
economische termen geformuleerde, oorzaken:
1 de distributiekosten dalen, en
2 de dalende kosten-karakteristiek van het productieproces leidt tot zeer lage
   marginale kosten.
Tegelijkertijd is duidelijk dat de diffusie van kennis niet gereduceerd kan worden
tot slechts een efficiënte(re) transmissie van informatie (kennismanagement). De
paradox doet zich voor dat onze kennissamenleving enerzijds sterk gericht is op
formele, gecodificeerde kennis (opleidingsniveaus, e.d.), terwijl anderzijds de
doorslag kan worden gegeven door kennis die niet gecodificeerd kan worden:                         113
impliciete of stilzwijgende kennis (‘tacit knowledge’). Dit is kennis die schuil gaat
achter intuïtie, inzicht, creativiteit en oordeelsvermogen en die essentieel is om
gecodificeerde kennis te vormen en te selecteren; het is dus kennis die nodig is
om de goede vragen te kunnen stellen (Merton 1968: 453, in zijn analyse van wat
Nobelprijswinnaars eruit doet springen: “…the importance of problem-finding,
not only problem-solving”). Deze kennis is zeer ongelijk ‘verdeeld’ onder mensen
en maar beperkt vatbaar voor ‘kennisbeleid’. Want, anders dan bij gecodificeerde
kennis, blijft ook na de ict-revolutie veel impliciete kennis even schaars en even
moeilijk dupliceerbaar als zij al was. Wel kan tegenwoordig door de verbeterde
communicatietechnologie een groter deel van de impliciete kennis expliciet
gemaakt worden (denk aan de rol die ict speelt bij ‘groepsleren’, zie hfdst. 6). Dit
compliceert het kennisbeleid, want gecodificeerde kennis kan niet zonder stil-
zwijgende kennis bestaan. Het zijn complementen, geen substituten.
Exploratie en exploitatie in kennisorganisaties
Bedrijfsorganisaties doen aan exploitatie (het maximaliseren van de opbrengsten
van bestaande producten op bestaande markten), maar ook aan exploratie: het
ontwikkelen van nieuwe producten en nieuwe markten. Exploratie staat in een
dynamisch perspectief; het is nodig omdat bedrijven op termijn continuïteit
nastreven en producten een bepaalde levenscyclus hebben. Bedrijven kunnen
exploratie ‘in eigen huis’ doen of ze kunnen kennis kopen, bijvoorbeeld door
patenten aan te kopen of innovatieve bedrijven in hun geheel over te nemen. Ook
publieke kennisorganisaties doen aan exploitatie en exploratie, alleen ligt de ver-
houding anders. Exploratie heeft hier een zwaarder gewicht dan in het bedrijfsle-
ven en heeft veelal ook een ander karakter. In de universitaire omgeving is van
r&d de R (research) belangrijker, in de bedrijfsomgeving de D (development).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 117 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 118 ======================================================================

<pre>    va n oude e n nieu w e k e n nis
                  In publieke kennisorganisaties zullen altijd vormen van kennisoverdracht van
                  eerder zelf of door andere gevonden resultaten een belangrijke rol innemen. Aan
                  deze kennisoverdracht en opleidingstaak, en niet aan het doen van wetenschap-
                  pelijk onderzoek pur sang, ontlenen universiteiten bijvoorbeeld hun raison d’être.
                  Kennisoverdracht kan in principe ook buiten universiteiten (dus zonder studen-
                  ten, opleidingscomponent en Nachwuchs) plaatsvinden; in veel landen gebeurt
                  dit ook in meerdere of mindere mate.3 In een land als Nederland zijn de mogelijk-
                  heden om vernieuwend onderzoek te doen een spin off van de publieke sfeer
                  waarin opleiding en onderzoek zich afspelen, en de bijbehorende publieke finan-
                  ciering. Deze brengen met zich mee dat universitair onderzoek niet (over)morgen
                  tot verkoopbare resultaten (exploitatie) hoeft te leiden.
                  Het hand-in-hand gaan van exploitatie en exploratie is ook zichtbaar op het
                  microniveau van wetenschappelijke publicaties. Artikelen in de wetenschappelij-
                  ke (top)tijdschriften bestaan altijd maar voor een beperkt deel uit de weergave
                  van nieuwe resultaten en voor het grootste deel uit een overzicht van de stand
                  van zaken ten aanzien van het onderwerp. Dergelijke verwijzingen naar bestaan-
                  de literatuur en onderzoek, en eventueel het overdoen en herhalen, zijn zelfs
                  ‘voorgeschreven’. Manuscripten die al te ‘nieuw’ zijn en niet aansluiten en voort-
114               bouwen op een bestaande ‘body of knowledge’ in een vakgebied, lopen zelfs een
                  verhoogde kans geweigerd te worden (denk aan Einstein).
                  De organisatorische pendant van exploratie
                  Exploratie vereist flexibiliteit, de voortdurende potentie tot verandering. De orga-
                  nisatorische pendant hiervan is niet ‘hiërarchie’, maar de aanwezigheid van net-
                  werken tussen en binnen organisaties, met steeds veranderende configuraties en
                  verbindingen. Deze zijn geschikt om een toenemende complexiteit en verander-
                  lijkheid van technologie en omgeving (markt dan wel publieke omgeving) te cre-
                  ëren en te beheersen. Die potentie is gelegen in twee kenmerken van netwerken:
                  1 activiteiten verlopen niet meer alleen sequentieel, maar ook parallel en in wis-
                      selwerking. ict maakt dit technisch beter mogelijk.
                  2 elementen die niet passen in de benodigde of gegenereerde configuratie, kun-
                      nen buiten de boot vallen (Nooteboom 2001: 2). Dat is het ‘verspillende ele-
                      ment’ van innovatie. Relatief veel inzet en energie heeft geen directe opbrengst,
                      maar is onderdeel van een leerproces. Anders gezegd: innovatieve processen
                      gaan altijd gepaard met ‘redundancy’ en ‘overlap’. Dat kan echter pas achteraf
                      worden vastgesteld, als de wereld eenmaal ‘gekend’ is. En het kenmerkende
                      van innovatie is nu juist dat de wereld nog niet gekend is.
                  Lerend vermogen in op exploitatie gerichte organisaties
                  Organisaties die primair op exploitatie gericht zijn, hebben uit dynamisch (over-
                  levings)perspectief ook behoefte aan een zekere mate van innovatie- en leerver-
                  mogen. Stabiele situaties en stabiele organisaties bevorderen routinematig han-
                  delen en denken, en lopen hierdoor het gevaar dat zij het denkraam beperken en
                  leiden tot ‘bijziendheid’. Wil men ook een ‘lerende organisatie’ zijn die komt tot
                  innovatie, dan moet dit worden bestreden.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 118 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 119 ======================================================================

<pre>                                                                        wetenschappelijk onderzoek
De minst ingrijpende manier om de innovatiekant van een organisatie te stimule-
ren, is om routinematige werk- en overlegsituaties te doorbreken. Dit kan op tal
van manieren, zoals functieroulatie, ‘heivergaderingen’, met z’n allen naar cur-
sus, tot personeelsuitjes (om elkaar eens anders te leren kennen), enzovoort.
Ingrijpender is het om meer omgevingsinvloed toe te laten. Contacten met ande-
ren verhogen de kansen om aan de bijziendheid van het eigen beperkte denkraam
te ontsnappen. Een breed scala aan arbeids- en organisatiefenomenen is geba-
seerd op deze gedachte. Het gaat dan om het eenvoudigweg aantrekken van nieu-
we mensen (dit impliceert aanvullende cognitie en ervaringsachtergrond), of het
binnenhalen van tijdelijke organisatieadviseurs of evaluateurs (confrontatie met
‘vreemde ogen’), tot een omvattend ‘veranderingsmanagement’, ‘kantelende
organisaties’, en dergelijke.
Bij iedere vorm van het opslaan van en toegang krijgen tot kennis bestaat een
fundamentele spanning tussen exploitatie (van bestaande kennis) en exploratie
(van nieuwe kennis). Exploitatie van bestaande kennis vereist dat deze kennis aan
een persoon of instantie toekomt en dat ze toegeëigend kan worden. Toe-eige-
ning van kennis maakt het mogelijk dat de persoon of instantie die de kennis
bezit, er ook de vruchten van plukt wanneer anderen die kennis gebruiken. Dit
kan die persoon of instantie er vervolgens weer toe stimuleren zijn creatieve                      115
inspanningen voort te zetten. Dit is de gedachte die ten grondslag ligt aan het op
macroniveau bestaan van intellectueel eigendomsrecht (zie hfdst. 4, alsmede
Dolfsma en Soete 2002: par. 7.3). Of er meer of minder werk wordt gemaakt van
het claimen van intellectuele eigendomsrechten, is een afweging die op het
microniveau van kennisorganisaties aan de orde is. Tot slot speelt, zoals hiervoor
beschreven, in organisaties ook de vraag hoe de optimale omstandigheden te
creëren die bijdragen aan de ontwikkeling en exploitatie van kennis.
Universiteiten: hybride organisaties
Nederland kent een hybride organisatiemodel voor het wetenschappelijk onder-
zoek. Publieke universiteiten worden vrijwel volledig publiek bekostigd, uit de
eerste (rechtstreekse financiering uit de rijksbegroting) en tweede geldstroom
(via nwo). Hiernaast zijn er onderzoekinstituten die meer op de toepassing zijn
gericht, zoals tno en de andere grote technologische onderzoeksorganisaties
(gti’s). Wanneer specifiek wordt gekeken naar universiteiten, dan kunnen zij
ook worden gekenschetst als hybride organisaties, waarin kennisoverdracht en
wetenschappelijk onderzoek in één organisatievorm gecombineerd worden.
Bij kennisoverdracht gaat het om onderwijs, maar ook het overgrote deel van het
wetenschappelijk publiceren is primair een kwestie van kennisoverdracht4; de
meeste wetenschappelijk onderzoekers zijn dan ook vooral kennismakelaars.
Kennisoverdracht vraagt vooral om stabiliteit. Ook derdegeldstroomonderzoek
vraagt en vindt als regel plaats in een op exploitatie gerichte organisatorische set-
ting. Vernieuwend wetenschappelijk onderzoek daarentegen vraagt primair om
een exploratieve setting.
Niet-universitaire onderzoeksorganisaties, zoals bijvoorbeeld tno, zijn overi-
gens net zo goed hybride, zij het op een iets andere manier. De tweeledigheid van
</pre>

====================================================================== Einde pagina 119 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 120 ======================================================================

<pre>    va n oude e n nieu w e k e n nis
                  hun takenpakket bestaat eruit dat ze op de terreinen waarop ze werkzaam zijn
                  kennis moeten ontwikkelen en expertisecentrum zijn, dat ze die kennis moeten
                  toepassen, maar ook dat ze geld uit de markt moeten halen. Dit spanningsveld
                  komt tot uitdrukking in de financieringsstructuur. Deze bestaat uit verschillende
                  geldstromen (zie Dekker en Van de Schootbrugge 2001; tno&Co 2001):
                  1 basisfinanciering, die vrij aanwendbaar is;
                  2 doelfinanciering van de overheid, geoormerkt voor breed gedefinieerde onder-
                      zoeksterreinen;
                  3 cofinanciering, waarbij de overheid een deel van de kosten van het onderzoek
                      betaalt mits de bedrijven ook meebetalen; en
                  4 inkomsten uit opdrachten die voor 100 procent betaald worden door de
                      opdrachtgevers (zowel de overheid als het bedrijfsleven).
                  Dit hybride model van wetenschapsontwikkeling en toepassing van wetenschap-
                  pelijke kennis is typisch Nederlands. Om het geheel in goede banen te leiden is er
                  echter een wet Markt en overheid nodig. Deze kan helderheid verschaffen wan-
                  neer bedrijven zich kennis wordt toe-eigenen die is opgebouwd met gemeen-
                  schapsgeld en tegelijkertijd voortbouwt op deze wetenschap, maar die door een
                  specifieke onderneming verder wordt ontwikkeld, betaald en derhalve wordt
                  geclaimd.
116
                  Door ict ontstaan nieuwe mogelijkheden in kennisoverdracht en onderzoek.
                  Om deze mogelijkheden ook daadwerkelijk te kunnen benutten, is het noodzake-
                  lijk dat de mentale en organisatorische settings veranderen. De organisatorische
                  balans verschuift hiermee enigszins van stabiliteit naar dynamiek. Deze dyna-
                  miek wordt ook bevorderd door het toenemende tweerichtingsverkeer tussen
                  universiteit en samenleving (Gibbons et al. 1994).
       5.2.3      economische kenmerken en motieven voor overheidsrol
                  Motievenanalyse en redeneerpatroon
                  Heeft wetenschappelijk onderzoek bijzondere economische eigenschappen die
                  overheidsbemoeienis rechtvaardigen omdat er anders, in termen van economi-
                  sche optimaliteit, in zou worden ‘ondergeïnvesteerd’? Dit is de gebruikelijke
                  benadering van marktfalen in de economische theorie, die motieven oplevert voor
                  overheidsbemoeienis met economische goederen als markten niet (goed) werken.
                  In deze subparagraaf worden de verschillende motieven behandeld, waarbij apart
                  aandacht wordt besteed aan de rol van impliciete kennis en ‘sticky’ kennis.
                  De motievenanalyse biedt een redeneerpatroon voor overheidshandelen, niet meer
                  en niet minder. Zij levert dus geen prescriptieve uitkomst in de zin dat een land of
                  een bedrijf een bepaald bedrag dient uit te geven aan wetenschappelijk of technolo-
                  gisch onderzoek en/of aan bepaalde onderzoeksgebieden om een optimale situatie
                  te bereiken. Er is hier geen gekend of te kennen ondubbelzinnig optimum aan te
                  geven. Als een land welvaartsvergroting als doel heeft of een bedrijf winstvergro-
                  ting, dan kunnen verschillende wegen naar Rome leiden. Ook een land dat relatief
                  weinig aan wetenschappelijk onderzoek uitgeeft, kan een hoog welvaartsniveau
</pre>

====================================================================== Einde pagina 120 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 121 ======================================================================

<pre>                                                                        wetenschappelijk onderzoek
halen, door slim te imiteren en aan te kopen. Hetzelfde geldt voor een bedrijf. Een
bedrijf kan zelf veel aan onderzoek en innovatie doen, maar kan ook veel aankopen
of innovatieve ventures in het concern opnemen, als de tijd hiervoor rijp is. Het
staat niet bij voorbaat vast welke strategie beter is (Jacobs en Waalkens 2001; awt
2001). Wel lijkt het altijd wenselijk in principe, als corrigerend mechanisme, over
te kunnen gaan van de ene strategie op een andere, omdat aan iedere strategie ook
nadelen kleven, zeker als deze lange tijd wordt gevolgd. Langs dezelfde lijn van
denken worden in de moderne literatuur (Barba Navaretti et al. 1998; Carraro et al.
2001; Dasgupta en David 1987, 1994; Dasgupta 1988) wetenschap en technologie
niet gezien als een polaire tegenstelling, maar vanuit eenzelfde framework, waarin
ze staan voor verschillende, deels inwisselbare varianten van creatie en transmissie
van kennis.
Positieve externe effecten
Er is een gezamenlijke taal nodig om kennis(groei) te kunnen vaststellen. Deze
gezamenlijke taal kan leiden tot effectieve communicatie tussen kennisgebrui-
kers. Hij maakt het mogelijk dat kennis van A naar B wordt overgedragen, zonder
dat de kennis van A hierdoor afneemt. Dit laatste maakt kennis tot een – in de ter-
men van de economische motievenanalyse – niet-rivaliserend goed, oftewel een
goed dat positieve externe effecten genereert. De kennis van A gaat niet ten koste                 117
van de kennis van B. Anderen (‘derden’ in de vorm van personen of bedrijven)
kunne voordeel hebben van iemands kennis, zonder dat ze ervoor hoeven beta-
len. Het onderwijssysteem en de mobiliteit van menselijk kapitaal bevorderen
dit. Ook het proces van peer review in wetenschappelijk onderzoek draagt eraan
bij dat mensen – zowel de beoordelaar als de beoordeelde – gratis hun voordeel
kunnen doen met de kennis van anderen.
Het kenmerk ‘niet-rivaliserend’ is één van de twee kenmerken van een publiek
goed (landsverdediging, zeewering, rechtstaathandhaving, e.d.). Het tweede ken-
merk is non-exclusiviteit; het is dan niet mogelijk een niet-betaler uit te sluiten
voor het goed, hetgeen publieke financiering noodzakelijk maakt. Bij kennispro-
ducten is uitsluiting echter wel mogelijk door bijvoorbeeld patenten, copyrights
en geheimhouding. In de praktijk is uitsluiting soms echter moeilijk.
Bij wetenschappelijke kennis wordt vaak afgezien van de uitsluitingsoptie,
omdat dit beleidsmatig onwenselijk wordt geacht vanwege de positieve externe
effecten. Verder kan een argument zijn dat ‘uitsluiten’ niet vanzelf gaat en insti-
tutionele arrangementen vergt, zoals wetgeving over diverse intellectuele eigen-
domsrechten, patentbureaus, en dergelijke. Dit brengt ook kosten met zich mee;
die ‘uitsluitingskosten’ zijn te zien als een vorm van transactiekosten. Kennis is
dus een semi-publiek goed: non-rivaliserend in gebruik, maar in beginsel wel
exclusief te maken.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 121 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 122 ======================================================================

<pre>    va n oude e n nieu w e k e n nis
                  Ondeelbaarheid en positieve netwerkexternaliteiten
                  Bij kennis is er verder sprake van ondeelbaarheid. Dit betekent dat een zelfde stuk
                  informatie steeds opnieuw kan worden gebruikt, zonder dat hieraan extra kosten
                  zijn verbonden of dat het opnieuw geproduceerd zou moeten worden. De waarde
                  van sommige kennis neemt zelfs toe als het gebruik ervan toeneemt (positieve
                  netwerkexternaliteiten).
                  Risico en onzekerheid
                  Ten slotte is het karakteristiek voor de productie van wetenschappelijke kennis
                  dat dit uit haar aard een riskant en onzeker proces is. Het beoogde resultaat
                  – nieuwe kennis – is niet afdwingbaar; alle moeite kan voor niets zijn, alle uitgaven
                  eraan weggegooid geld. Geld uitgeven aan wetenschappelijk onderzoek is dus iets
                  anders dan bij de bakker geld uitgeven voor een broodje. Wetenschappelijk
                  onderzoek is conceptueel gezien geen consumptiegoed, maar een investerings-
                  goed. Karakteristiek voor een investering is dat de kosten nu moeten worden
                  gemaakt en dat de beoogde baten in de toekomst komen. Private partijen willen
                  als regel niet te ver gaan in het dragen van risico en onzekerheid. Daarom ligt hier
                  ook een motief waarom wetenschappelijk onderzoek in de publieke sfeer terecht-
                  komt.
118
                  Allocatie- en beloningsmechanismen voor kennisproductie en -verspreiding
                  Wetenschappelijke kennis heeft een aantal kenmerken:
                  1 het is geen zuiver, maar een semi-publiek goed (non-rivaliserend in gebruik);
                  2 het maakt uitsluiting soms gedeeltelijk mogelijk , maar wel erg moeilijk en
                     wordt eigenlijk meestal vanwege de positieve externe effecten ook onwense-
                     lijk wordt geacht;
                  3 het is ondeelbaarheid in de productie met bijbehorende positieve netwerkex-
                     ternaliteiten;
                  4 het is risicovol en omgeven met onzekerheid.
                  Dit zijn stuk voor stuk redenen waarom markten voor dergelijke goederen niet
                  perfect werken.
                  Tegen deze achtergrond kunnen de verschillende mogelijke allocatiemechanis-
                  men voor de productie en verspreiding van kennis in het licht worden gesteld. In
                  beginsel zijn hierbij meerdere institutionele mechanismen te onderscheiden. De
                  belangrijkste zijn wetenschap (als prototypisch publiek mechanisme; universitei-
                  ten en andere publiek bekostigde instituten) en technologie (als prototypisch
                  marktmechanisme; bedrijfsleven/privaat). Tussen beide polen bestaan in de
                  praktijk van publiek-private mengvormen.
                  In het institutionele mechanisme ‘wetenschap’ (publiek bekostigd onderzoek)
                  komt de geproduceerde kennis in het publieke domein en bestaat de beloning van
                  wetenschappers uit een resultaatonafhankelijk (vast) salaris. Publicaties en der-
                  gelijke evenals mogelijkheden om additionele onderzoeksbeurzen te verwerven,
                  sporen wetenschappers aan hun werk zo goed mogelijk te doen en met hun
                  onderzoeksresultaten naar buiten te treden. In het uiterste geval zijn er geen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 122 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 123 ======================================================================

<pre>                                                                         wetenschappelijk onderzoek
eigendomsrechten op kennis en is alle kennis een vrij goed. De financiering zal
daarom ook publiek moeten zijn, want de kosten van de productie van vrije goe-
deren kunnen niet via het marktmechanisme worden terugverdiend. Dit impli-
ceert dat de overheid de uitgaven eraan afweegt tegen andere overheidsuitgaven,
en dat er ook sprake is van een vorm van planning en prioriteitstelling van
publieke wege, door de overheid zelf dan wel door onderzoeks- en wetenschaps-
organen als nwo of knaw.
Als het institutionele mechanisme ‘technologie’ wordt gekozen om kennis voort
te brengen, zullen er intellectuele eigendomsrechten moeten worden gevestigd
om te komen tot verkoopbare producten die de productie ervan kunnen bekosti-
gen. Hier is de beloning voor de kennisproducenten dus variabel, afhankelijk van
het marktsucces van de patenten en producten.
Zowel in wetenschap (door prioriteitstelling) als in technologie (door patenten)
wordt een ontdekking (d.w.z. kennistoevoeging) beloond volgens het principe
van ‘the winner takes all’; tweede prijzen en verder zijn er niet. Bij succes is de
financiële beloning bij het mechanisme ‘technologie’ in het algemeen groter dan
bij het mechanisme ‘wetenschap’. Hier staat tegenover dat er bij mislukking in de
wetenschap ook beloond wordt, terwijl de beloning in de technologie dan nega-                       119
tief is (wél kosten, geen baten).
Beide allocatiemechanismen hebben hun eigen tekortkomingen. Wetenschap, als
een mechanisme dat inputs en niet het resultaat beloont, bevordert de volledige
ontsluiting van resultaten en hiermee positieve externe effecten. Het heeft echter
als nadeel de mogelijkheden van moral hazard, free riding en een geringe inspan-
ning (omzetting van inputs in resultaat). Technologie is een zeer motiverend allo-
catiemechanisme, maar de uitkomsten worden geheel of gedeeltelijk of tijdelijk
‘onder de hoed gehouden’, waardoor er veel minder positieve externe effecten
door kennisspreiding tot stand komen.
Impliciete kennis
De motieven uit de benadering van marktfalen van de publiekegoederentheorie
zijn hierboven behandeld en toegepast op wetenschappelijke kennis. De onder-
liggende premisse bij deze benadering is dat het gaat om economische goederen.
Dit impliceert dat commodificatie, verhandelbaarheid en waardevorming in
beginsel mogelijk zijn. Het is van belang op die beperking te wijzen, omdat impli-
ciete kennis hierbuiten blijft. Dit is relevant aangezien impliciete kennis een
belangrijk complement is van de toenemende gecodificeerde kennis die de ken-
nissamenleving kenmerkt. Voor zover impliciete kennis codificeerbaar is, leidt ze
tot positieve externe effecten en kan er in beginsel een motief voor overheidshan-
delen aan ontleend worden. De impliciete kennis die uiteindelijk niet codificeer-
baar is, is hoogstpersoonlijk. Dit wil zeggen dat de nettobaten van deze kennis
volledig toevallen aan de eigenaar ervan. Impliciete kennis is een individueel
goed: uitsluitbaar en rivaliserend. Van externe effecten en marktfalen is geen
sprake en zij levert geen argumentatie voor overheidsoptreden.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 123 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 124 ======================================================================

<pre>    va n oude e n nieu w e k e n nis
                  ‘ Sticky’ kennis
                  Ten slotte wordt er tegenwoordig gewezen op het belang van ‘sticky’ kennis en de
                  implicaties ervan voor een strategisch technologiebeleid. Gecodificeerde kennis
                  heeft weliswaar lage transmissiekosten en is daarmee moeilijk te beteugelen;
                  producenten moeten immers ingewikkelde dingen doen om prijzen vast te stel-
                  len, in rekening te brengen en te handhaven (zie uitgebreider hfdst. 4). De impli-
                  ciete of stilzwijgende kennis die benodigd is voor het gebruik van de gecodifi-
                  ceerde kennis, zit echter opgesloten in de hoofden van de onderzoekers. Het is
                  dus van groot belang deze mensen in land of organisatie vast te houden en te
                  clusteren. Deze ‘stickyness’ wordt veroorzaakt door padafhankelijkheid: mensen
                  verhuizen niet zo maar van organisatie of locatie, als er elders wat meer te verdie-
                  nen valt. In het algemeen is daar meer voor nodig; men zit met onzichtbare touw-
                  tjes aan z’n eigen verleden vast.
                  Er bestaat ook hier zoiets als ‘clubtrouw’. Het beleid kn hierop kapitaliseren. In
                  deze optiek is het belang dat patenten en copyrights als beschermer van intellec-
                  tueel eigendom worden vastgelegd, minder groot omdat de belangrijkste bron
                  van concurrentiekracht (nl. mensen) ‘sticky’ is. Een volgende stap in deze redene-
                  ring is dat op macroniveau een concurrerend en innovatief bedrijfsleven bestaat
120               bij de gratie van een sterke (fundamentele en toegepaste) onderzoekssector in de
                  nabijheid van de productieplaats. Ook in Nederland is het technologiebeleid van
                  het Ministerie van Economische Zaken gebaseerd op dit idee van clustering, met
                  haar praktische voordelen van transmissie en een stimulerende onderzoeksomge-
                  ving die eraan bijdraagt dat mensen worden vastgehouden. Zo bezien is sticky
                  kennis een bijzondere vorm van het positieve externe-effectenmotief, dat vooral
                  gehanteerd wordt om het technologiebeleid van de overheid te onderbouwen.
                  Aan de andere kant probeert het clusterbeleid van ez ook de samenwerking tus-
                  sen diverse clusters te bewerkstellingen, waarbij grenzen tussen clusters worden
                  overschreden (zie Tweede Kamer 1996-1997; Roelandt et al. 2000).
                  Technologieclusters zijn bijvoorbeeld tot stand gekomen in Eindhoven (Philips,
                  asml, daf, tue – inclusief enkele onderzoekscholen – en tno-Industrie), en in
                  Enschede (ut, Telematica Instituut, Lucent). Oudere bekende clusters zijn bij-
                  voorbeeld de ‘Watergraafsmeer’ en Delft (tu, tno, wl, Grondmechanica,
                  Nederlands Normalisatie Instituut, ihe).
                  Subsidiemotieven wetenschappelijk onderzoek
                  De belangrijkste motieven voor bevordering van wetenschappelijke kennis door
                  publieke bekostiging zijn:
                  1 relatief grote onzekerheid over een te boeken resultaat; en
                  2 positieve externe effecten.
                  De positieve externe effecten hebben zowel betrekking op de publieke waarde-
                  ring voor onderzoek zonder direct privaat-economisch rendement (astronomie of
                  archeologie leveren bijvoorbeeld niets ‘bruikbaars’ op in termen van vermarktba-
                  re zaken, maar dit onderzoek is voor de samenleving niettemin waardevol) als op
                  positieve maatschappelijke effecten van deelname aan wetenschappelijk onder-
                  wijs. Er zijn verschillende motieven waarom de overheid, anders dan voor eigen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 124 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 125 ======================================================================

<pre>                                                                        wetenschappelijk onderzoek
gebruik, onderzoek financiert. Deze hebben vooral te maken met de productie-
kosten van nieuwe kennis. ict heeft vooral effect op het proces van communica-
tie en distributie van kennis. Bij sommige wetenschappen (bijv. biotechnologie)
heeft ict duidelijk wel een extra impuls in de verdere ontwikkeling teweeg
gebracht. Hiermee plaatst ict evenwel niet de rol van de overheid en de daarvoor
geldende motieven (van marktfalen) in een heel ander licht. ict levert geen
munitie voor een pleidooi om de publieke universiteiten te vervangen door uni-
versiteiten die hun producten privaat moeten vermarkten. Zij levert evenmin
munitie voor het omgekeerde, namelijk dat er meer onderzoek van het bedrijfsle-
ven overgeheveld zou moeten worden naar de publieke sfeer. De bestaande argu-
menten om wetenschappelijk onderzoek te subsidiëren blijven dus op hoofdlij-
nen gelden. De gevolgen van ict komen het meest nadrukkelijk tot uitdrukking
in de distributie en communicatie van kennis, en in veranderingen in het patroon
van toe-eigening. Dit onderwerp komt in paragraaf 5.3 uitvoeriger aan de orde.
Ontwikkelingen kunnen hier soms aanleiding geven tot aanvullend beleid.
Subsidiemotieven technologiebeleid
Uit oogpunt van statische efficiëntie is er geen sterk motief waarom de overheid
bedrijfs-r&d rechtstreeks zou subsidiëren. In de r&d-markt is immers geen
marktfalen in het geding en in een kleine open economie is het maatschappelijke                    121
rendement gering. De baten van de subsidie lekker voor een belangrijk deel
immers weg naar het buitenland (Cornet 2001: 17). Aan de andere kant doen zich
met name bij het midden- en kleinbedrijf (mkb) wel marktimperfecties voor als
het erom gaat kapitaal aan te trekken ter financiering van hun r&d. Ook techno-
starters hebben het vaak moeilijk om risicodragend kapitaal te bemachtigen.
Vanuit het oogpunt van dynamische efficiëntie valt r&d-stimulering door de
overheid beter te verdedigen. Om de ‘nationale antenne’ scherp te houden is het
noodzakelijk toegang te hebben tot en te kunnen profiteren van wat er interna-
tionaal ontwikkeld wordt. Een land dat hieraan niet kan of wil bijdragen, raakt
buitengesloten in een ontwikkeling die vraagt om insluiting. Juist omdat interna-
tionale samenwerking op het gebied van onderzoek en ontwikkeling moeilijker is
dan nationale samenwerking, ligt er vooral hier een rol voor de overheid (de eu-
kaderprogramma’s en Eureka). Ook nationaal stimuleert de overheid de precom-
petitieve samenwerking, omdat onderzoek tegenwoordig een steeds grotere
schaal vereist. Het subsidiemotief voor de overheid is deels ingegeven doordat in
het buitenland gegenereerde externe effecten op nationaal niveau geïnternali-
seerd worden. De nationale r&d-prestatie kan zo een knooppunt zijn in het
tweerichtingsverkeer van het internationale economische systeem. Niettemin
blijft terughoudendheid bij subsidies op zijn plaats, omdat hier – ook in Europees
perspectief – altijd het gevaar op de loer ligt dat landen nationale bedrijven
bevoordelen, waardoor er onzuiverheden ontstaan in de concurrentieverhoudin-
gen. Vanzelfsprekend ziet ook de Europese commissie hier nauwlettend op toe.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 125 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 126 ======================================================================

<pre>    va n oude e n nieu w e k e n nis
       5.2.4      de rol van de ‘afrekenmechanismen’
                  Afrekenmechanismen zijn incentives
                  In het overheidsbeleid zijn de criteria (maatstaven, prestatie-eenheden) die wor-
                  den gehanteerd in de aansturing en bekostiging van de organisaties die publieke
                  taken uitvoeren, van groot belang. Deze criteria drukken de revealed preference
                  van het beleid uit. De bekostigde organisaties worden gestimuleerd verantwoor-
                  ding af te leggen in de termen van deze afrekenmechanismen. Deze afrekenme-
                  chanismen werken vervolgens door als stimuli (incentives) en selectiemechanis-
                  men in een organisatie, die wil ‘scoren’ in deze termen. Dit geldt ook voor
                  onderzoeksorganisaties. De daar gehanteerde criteria beïnvloeden ook de balans
                  tussen enerzijds de inzet op vernieuwing en risico nemen (exploratie) en ander-
                  zijds het ‘op safe spelen’ (draaien op grote studentenaantallen en ‘veilig’ onder-
                  zoek; exploitatie). Enkele voorbeelden van afrekenmechanismen zoals deze in het
                  universitaire bekostigingsbestel gehanteerd worden, zijn aantallen ingestroomde
                  studenten, uitgestroomde doctorandussen, publicaties in internationaal erkende
                  tijdschriften en promoties (Hazeu 1992; Hazeu en Lourens 1993).
                  Van ondernemingen wordt als regel verondersteld dat ze continuïteit en winstge-
122               vendheid op langere termijn nastreven. Er zijn aanwijzingen dat momenteel de
                  shareholders value steeds belangrijker wordt. Dit betekent dat de kortetermijn-
                  winstgevendheid meer nadruk krijgt, waardoor de balans steeds meer verschuift
                  van exploratie in de richting van exploitatie. Risico’s nemen met nieuwe dingen
                  en hiervoor kosten maken wordt derhalve moeilijker.
                  Iets soortgelijks is sinds de jaren tachtig gebeurd ten aanzien van de balans tussen
                  exploitatie van bestaande en exploratie van nieuwe kennis bij de universiteiten.
                  Sinds de invoering van de ‘voorwaardelijke financiering’ (Hazeu 1983) houdt de
                  ‘afrekening’ in het universitaire bestel in dat men zoveel mogelijk internationale
                  publicaties laat zien. Als gevolg daarvan is de universitaire taakuitoefening
                  scheefgetrokken. Eén taak – te weten onderzoek (waarvan de resultaten beter zijn
                  te vangen in ‘harde’ indicatoren) – krijgt een onevenredig gewicht en de andere
                  taak – te weten onderwijs – wordt veel minder gewaardeerd. Binnen het onder-
                  zoek zet dit afrekenmechanisme, dat zo sterk vraagt om zichtbare resultaten, het
                  meer riskante onderzoek onder druk. Hierdoor gaan actoren ‘op safe’ spelen, het-
                  geen bij universiteiten te herkennen valt aan de ‘veilige’ aard van (de thema’s
                  van) onderzoekprogramma’s en proefschriften.
                  Implicaties voor multidisciplinair onderzoek
                  Veel wetenschappers en de in het betreffende vakgebied actieve onderzoekers
                  hebben de ‘natuurlijke’ neiging om steeds meer specialist te worden. Deze hou-
                  ding bevoordeelt disciplinair boven multidisciplinair onderzoek. Ook de vigeren-
                  de afrekenmechanismen en de daarop geënte ‘spelregels’ (zoals bijvoorbeeld in
                  universitaire onderzoeksvisitaties worden gehanteerd) bemoeilijken echter de
                  ontwikkeling van multidisciplinair onderzoek in organisaties die langs discipli-
                  naire lijnen zijn gestructureerd en worden beloond. Het kost meer tijd en energie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 126 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 127 ======================================================================

<pre>                                                                                           wetenschappelijk onderzoek
         om tot een resultaat te komen en de kans op mislukking is groter. ict maakt
         samenwerking op afstand en tussen verschillende disciplines technisch wel
         gemakkelijker, maar geeft multidisciplinair onderzoek bij onveranderde incen-
         tives toch niet extra wind in de zeilen. Het vergemakkelijkt eerder verdiepend
         disciplinair onderzoek, soms wel eens aangeduid als onderzoek op de vierkante
         centimeter.5
         Implicaties van het onderzoeksysteem op het macroniveau
         De voorgaande redenering is door te trekken naar het macroniveau van het
         onderzoeksysteem. Hiermee wordt ze wel speculatiever, want bij opschaling
         geldt altijd dat het aantal factoren dat een rol speelt, toeneemt. De redenering op
         macroniveau zou dan kunnen zijn dat de toegenomen aansturing op harde afre-
         kenmechanismen mede verklaart waarom universiteiten tezamen – een aantal
         topinstituten en individuen kan hiervan worden uitgezonderd – geleidelijk en
         gaandeweg minder interessante en relevante spelers zijn geworden in het maat-
         schappelijk debat en hun plaats in dat debat steeds meer met anderen moeten
         delen. Het universitaire onderzoeksysteem wordt niet algemeen meer ervaren als
         een brandhaard van vernieuwing, innovatie en verandering, als de plaats waar
         ‘het’ gebeurt. Een deel van het universitaire onderzoek is (te) risicomijdend.
                                                                                                                      123
5.3      nieuwe informatie- en communicatievormen in
         wetenschappelijk onderzoek
5.3.1    algemeen k ader: substitutie en complementariteit
         Wetenschap is naar zijn aard universalistisch en kent hiermee per definitie geen
         landsgrenzen. Wetenschapsbeoefening is daarom altijd internationaal georiën-
         teerd. Universiteiten opereren tegelijkertijd op zowel lokaal als internationaal
         niveau. Wel zijn, sinds de tijd van Erasmus, de middelen en vormen van weten-
         schapsbeoefening en kennisoverdracht in menig opzicht veranderd. Het is niet
         zozeer dat de ene vorm in de plaats is gekomen voor de andere (substitutie), maar
         dat er meer zijn bijgekomen (complementariteit).
  Wetenschapsbeoefening en universiteiten
  Aan het eind van de Middeleeuwen werden de eerste universiteiten (‘colleges’) opgericht mede
  om opkomende handelssteden, vorstenhuizen, lagere adel of bisschoppen cachet te geven.
  Studenten en docenten werden uit een wijdere omgeving aangetrokken. Dit laatste patroon is nu
  nog wezenlijk hetzelfde. Tegelijkertijd bracht de behoefte aan kennisverdieping en -vermeerde-
  ring met zich mee dat de (hoog)leraren aan deze instellingen veel rondreisden en als regel geen
  levenslange aanstelling aan één instelling hadden. Illustratief is de leerschool en levensloop van
  Erasmus, die meer dan twintig keer verhuisde, door een groot deel van Europa. Van oorsprong
  staan onderwijs en opleiding centraal; wetenschapsbeoefening kon ook binnen universiteiten
  worden georganiseerd, maar soms waren die zo vastgeroest dat overheden, ten einde wetenschap-
  pelijke vernieuwingen te bevorderen, overgingen tot oprichting van aparte instituten (Reneman
  2001: 6/7 geeft hier voorbeelden van in Frankrijk en de uk). Het duurde tot in de negentiende
  eeuw voordat wetenschapsbeoefening ook algemeen aan universiteiten werd verankerd.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 127 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 128 ======================================================================

<pre>    va n oude e n nieu w e k e n nis
          Niettemin blijven universiteiten zonder een zware onderzoekscomponent in theorie denkbaar
          (het opent de discussie over het onderscheid universiteit/hogeschool en de ratio van een binary
          stelsel); het omgekeerde – wel onderzoek, geen studenten – is geen universiteit.
                  Ook de nieuwe ict-mogelijkheden substitueren niet zozeer de andere communi-
                  catievormen, maar blijken deze vooral te ondersteunen. Dit is een algemeen beeld
                  van ict, zoals ook het vorige hoofdstuk al liet zien. Twee voorbeelden maken dit
                  duidelijk. Toen de overheadprojector werd geïntroduceerd in de collegezaal, bleef
                  het schoolbord gewoon hangen. En de Open Universiteit (ou) gebruikt niet
                  alleen schriftelijk materiaal, maar organiseert ook face-to-face contacten. Verder
                  investeert de ou in toenemende mate in een elektronische leeromgeving. Ook
                  hier geldt dus én-én.
                  Oude en nieuwe communicatievormen in de wetenschap
                  De nieuwe communicatievormen zijn gebaseerd op lage interactiekosten die het
                  mogelijk maken dat mensen en organisaties die geografisch verspreid zijn,
                  gemakkelijk met elkaar in contact treden. De kern van het wetenschappelijk
                  onderzoekswerk blijft dezelfde: originele ideeën ontwikkelen, toetsen en uit-
                  schrijven. De inspiratie en transpiratie die hiermee gemoeid gaan, kunnen wor-
124               den gezien als een ‘vaste voet’, die wel enigszins te vermeerderen is met de hoe-
                  veelheid onderzoekers in een vakgebied en met hun opleidings- en kwaliteits-
                  niveau, maar die niet toeneemt door extra communicatiemogelijkheden.
                  Door modems, internet en e-mail ontstaan dus nieuwe communicatie- en publi-
                  catievormen, maar de kwaliteit van onderzoekers neemt er niet door toe; een
                  (on)origineel idee wordt er niet origineler door. Zoals Herbert Simon eens
                  opmerkte: “A wealth of information creates a poverty of attention”. Door de ict
                  hoeft men niet meer fysiek op dezelfde plaats aanwezig te zijn om met elkaar
                  samen te werken. Dat scheelt veel reistijd en kan aldus de productiviteit verho-
                  gen.
                  Tegenwoordig maakt een universitaire onderzoeker idealiter gebruik van alle
                  mogelijkheden om ‘verder te komen’ (de inhoud verder te brengen en daarmee
                  ook zelf verder te komen; de premisse is dat dit hand in hand gaat). Dit betekent
                  dat hij:
                  • een aantal keren in zijn professionele leven verhuist (zoals Erasmus) en vaak
                     ook kortere perioden doorbrengt aan buitenlandse instellingen;
                  • gebruik maakt van de internationale literatuur en toegankelijke databestanden
                     en daar het zijne aan toevoegt (internationale communicatie);
                  • naar internationale wetenschappelijke congressen gaat en daar papers presen-
                     teert;
                  • gebruik maakt van alle moderne communicatiemiddelen, zowel om onder-
                     zoeksgegevens te vinden als om eigen onderzoek weer te geven;
                  • deel uitmaakt van nationale, bovenuniversitaire netwerken (nwo e.d.);
                  • deel uitmaakt van een lokale (onderzoeks/vak)groep;
                  • kennis overdraagt aan studenten (meestal een lokale activiteit, maar onder die
                     studenten bevinden zich tegenwoordig steeds vaker buitenlandse studenten)
</pre>

====================================================================== Einde pagina 128 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 129 ======================================================================

<pre>                                                                              wetenschappelijk onderzoek
          en ook buitenlandse gastdocenten in zijn colleges vraagt;
      • onderzoeksresultaten ook naar nationaal-lokale contexten vertaalt. Publiceren
          in de nationale taal in nationale wetenschappelijke bladen behoort tot de ‘ver-
          taaltaak’.6
      Overigens ondervindt deze laatste universitaire taak de eerder beschreven door-
      werking van het afrekenmechanisme. Doordat deze vertaaltaak in de huidige
      constellatie weinig tot geen credits oplevert, trekt de hoofdstroom van academi-
      sche professionals er zijn neus voor op. Slechts een beperkte specifieke groep
      houdt zich er (nog) min of meer uitvoerig mee bezig (vgl. Van Dalen en Klamer
      1996).
      Substitutie en complementariteit tussen verschillende
      communicatievormen
      De ontwikkelingen in de nieuwe informatie- en communicatietechnologie beïn-
      vloeden op tal van manieren het wetenschappelijk onderzoeksbedrijf. Deze
      invloed is nog lang niet uitgekristalliseerd. De komst van ict in het wetenschap-
      pelijk onderzoek heeft de bestaande mogelijkheden van kennisoverdracht veran-
      derd en aangevuld. In het algemeen kan de invloed van iets nieuws (techniek,
      product) worden geanalyseerd in termen van substitutie (nieuw vervangt oud) en                     125
      complementariteit (de bestaande technologie, organisatie en mensen passen zich
      aan om de nieuw mogelijkheden te absorberen). Wanneer er nieuwe zaken opko-
      men, wordt – zeker in het begin – vaak gedacht dat ze bewezen praktijken zullen
      gaan vervangen of bedreigen. Zo is geopperd dat tijdschriften, bibliotheken
      (‘papierloze wereld’) of het publieke onderzoek als zodanig zouden verdwijnen.
      Ook zou getoetste wetenschappelijke kennis aan belang verliezen, nu grote groe-
      pen mensen direct toegang hebben tot gepopulariseerde kennis, waaraan ze
      bovendien hun eigen ervaringskennis kunnen toevoegen. In de praktijk blijkt
      echter telkens weer dat er geen sprake is van snelle, volledige substitutie van
      ‘oud’ door ‘nieuw’. De nieuwe mogelijkheden worden ingebed en ingeweven in
      de bestaande mogelijkheden en praktijken. Er is dus veel eerder sprake van com-
      plementariteit (in verschillende vormen) dan van substitutie (zie ook par. 6.2.1).
5.3.2 gevolgen
      Publiceren als incentive
      Voor wetenschappelijk onderzoekers bestaan er sterke incentives om verkregen
      kennis te publiceren, liefst als eerste. Het versterkt de reputatie van wetenschap-
      pers en vergroot hun mogelijkheden om financiering te verwerven voor onder-
      zoek. Behalve dat zij een prikkel biedt om te presteren, vermindert de institutie
      ‘publiceren’ ook informatieproblemen tussen onderzoekers en financiers en ver-
      groot zij de diffusie van kennis (Stephan 1996).
      In het universitaire onderzoeksysteem zijn boeken en artikelen in wetenschappe-
      lijke tijdschriften van oudsher de meest gebruikte vorm om onderzoekresultaten
      over te dragen, en hiermee kennis te produceren. Ook worden aan de hand hier-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 129 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 130 ======================================================================

<pre>    va n oude e n nieu w e k e n nis
                  van ‘uiterlijke tekenen van wetenschappelijke welstand’ vastgelegd – in de vorm
                  van verslaglegging van de onderzoeks‘producten’ en andere output-performance-
                  systemen. Het zijn (nog steeds) de mechanismen waarmee wetenschappers hun
                  credits (moeten) verdienen. In de afgelopen jaren zijn daarnaast de digitale infor-
                  matie- en verspreidingskanalen voor wetenschappelijke kennis in hoog tempo
                  opgekomen. De vraag is hoe de nieuwe digitale en de traditionele vormen zich tot
                  elkaar verhouden.
                  Van informatie naar kennis: kwaliteitsbewaking
                  Zoals in de vorige hoofdstukken is uiteengezet, staat informatie niet gelijk aan
                  kennis. Om van ‘informatie’ naar ‘kennis’ te komen, moet die informatie geïnter-
                  preteerd worden (zie par. 2.2 en het daar besproken translatiemodel). Kennis
                  vergt een gedeeld kader, een zekere mate van consensus (niet per se unanimiteit)
                  in de kring van gebruikers van die kennis om tot kennisaccumulatie te kunnen
                  komen. Validatie, certificering, screening en selectie zijn daarom belangrijke ele-
                  menten van het systeem om de kwaliteit van kennis te bewaken. Openbaarheid,
                  en hiermee herhaalbaarheid en controleerbaarheid van resultaten, vormen daar-
                  voor een belangrijke voorwaarde. Als de kwaliteitsmechanismen goed werken,
                  wordt er een reputatie opgebouwd (zie par. 3.4), maar dit kost tijd. Of de nieuwe
126               digitale informatie- en verspreidingskanalen eenzelfde kwaliteitsreputatie kun-
                  nen opbouwen als de traditionele, is daarom nog onzeker; daarvoor bestaan ze nog
                  te kort. Wel wordt algemeen onderschreven dat, juist in een ruimere maatschap-
                  pelijke omgeving waarin kennis sneller gepolitiseerd wordt, (informatie over)
                  kwaliteit en reputatie van onverminderd groot belang zijn. Gezien de snelheid van
                  het medium ligt het voor de hand dat internet een belangrijke rol gaat spelen als
                  voorpublicatiemedium.
                  Nieuwe communicatievormen
                  De volgende nieuwe communicatievormen kunnen worden onderscheiden:
                  • Onderzoekers zetten hun artikelen op het web, als nieuwe vorm van publice-
                     ren. De incentives hierbij zijn dat deze nieuwe communicatievorm leidt tot
                     reacties, met de mogelijkheid een stuk te verbeteren, en tot latere aanhalingen
                     van de ‘officiële’ publicatie.
                  • Er ontstaan nieuwe informatiemedia, zoals electronic journals, gereviewde
                     websites en portals, multimediapublicaties, gedistribueerde databanken en
                     softwaregereedschap. Dit zijn vooral nieuwe typen input (hulpmiddelen, ont-
                     sluitingstechnieken) waarmee onderzoekers tot resultaten kunnen komen.
                  • Het verwijzen naar een (gereputeerde) website als verantwoording raakt inge-
                     burgerd. Literatuur en data worden steeds vaker exclusief via computernet-
                     werken gedistribueerd; door document delivery neemt de traditionele rol van
                     bibliotheken af.
                  • Preprint servers worden opgezet volgens het ‘open library’concept om snellere
                     publicatie te bewerkstelligen (Wouters 2000).
                  Bij al deze nieuwe communicatievormen blijft natuurlijk gelden dat de (gemak-
                  kelijk beschikbare) informatie wel moet worden gelezen, geselecteerd en geïnter-
                  preteerd.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 130 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 131 ======================================================================

<pre>                                                                        wetenschappelijk onderzoek
Nu al is een aantal ontwikkelingen te zien waaruit blijkt dat ict bijdraagt aan de
kennisproductie:
1 er ontstaan nieuwe gemeenschappen voor wetenschappelijke communicatie;
2 er vindt meer samenwerking plaats in het onderzoeksbedrijf;
3 ict beïnvloedt zowel het onderzoek als de opleidingsfunctie;
4 in het aanbod van opleidingscapaciteit worden ook de digitale mogelijkheden
   gebruikt;
5 er is in het algemeen meer kwantificering mogelijk;
6 ict heeft bestaande disciplines een duidelijke impuls gegeven en geleid tot de
   opkomst van een aantal nieuwe vakgebieden.
Deze onderwerpen worden hierna toegelicht. Op de meer speculatieve gevolgen
van ict op de kennisproductie wordt ingegaan in paragraaf 5.3.3.
1 Nieuwe gemeenschappen
Internet biedt meer mogelijkheden dan voorheen om de communicatie onder
wetenschappelijk onderzoekers te stimuleren. Nieuwsgroepen en websites van
wetenschappelijke gemeenschappen maken het mogelijk waar ook ter wereld
mee te doen aan het wetenschappelijke debat. Verder ontstaan er nieuwe
gemeenschappen rondom tijdschriften en software (zgn. open source code-
projecten), waarin niet langer één persoon of organisatie verantwoordelijk is voor                 127
een product, maar de gemeenschap van gebruikers als collectief (het cooking pot-
model) (zie ook par. 3.2). Dit betekent dat de oude manieren van kennisproductie
verbeterd worden, omdat het ‘product’ gebruik maakt van de beste beschikbare
kennis en niet van wat er toevallig binnen de grens van een organisatie of land
voorhanden is. Als deze winst opweegt tegen de informatie- en zoekkosten om
het collectief te vormen, is het een verbetering ten opzichte van de ‘oude’ manier
van kennisproductie.
Door internet hebben ook niet-professionals (amateurs, leken, ervaringsdeskun-
digen) die zich in een onderwerp willen verdiepen en zich goed willen informe-
ren, gemakkelijk en snel toegang tot veel kennis. De resultaten waarmee profes-
sionele wetenschappers naar buiten treden, worden hierdoor meer bediscussieerd
en niet zonder meer altijd als gezagvol geaccepteerd. De verhouding tussen pro-
fessionele wetenschappers en niet-professionals verandert dus in onze ict-
samenleving, geheel anders dan Daniel Bell (1973) ooit dacht (zie par. 2.4).
ict maakt het ook gemakkelijker om gebruik te maken van amateurs in de weten-
schap. In disciplines als de astronomie, ornithologie, meteorologie, hydrologie
en paleontologie is deze bijdrage van amateurs ook van grote waarde.7 Door ict
kunnen ook de ervaringen van gebruikersgemeenschappen worden ingeschakeld
om de kwaliteit van bepaalde kennis te beoordelen. Zo heeft bijvoorbeeld de
Grouplens Research Project Group (van de University of Minnesota; zie
http://www.grouplens.org) een geautomatiseerd collaborative filtering-systeem
ontworpen dat het mogelijk maakt de ervaringen van collega’s (peers) te gebruiken
in omstandigheden waarin men onzeker is over de kwaliteit van het gebodene.
Als regel zijn het echter nog steeds de invisible colleges van de wetenschappelijke
</pre>

====================================================================== Einde pagina 131 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 132 ======================================================================

<pre>    va n oude e n nieu w e k e n nis
                  elite op een bepaald vakgebied die als poortwachter over de kwaliteit waken. Wel
                  zijn die colleges dankzij het internet minder onzichtbaar dan vroeger.
                  2 Meer samenwerking in het wetenschapsbedrijf
                  Het internet biedt in theorie de mogelijkheid om waar ook ter wereld deel te
                  nemen aan de creatie van kennis. De vermeende ‘death of distance’ zou ook per-
                  soonlijk, lokaal contact vervangen door elektronisch contact. De praktijk leert
                  inmiddels dat dit anders ligt; telecommunicatie is vooral complementair met
                  face-to-face contacten. De verdere voortgang van de ict zal dan ook gepaard gaan
                  met zowel meer werken op afstand als meer directe contacten. Ook hier speelt
                  impliciete kennis een hoofdrol. Veel vaardigheden en kennis laten zich immers
                  moeilijk codificeren. De wetenschappelijke gemeenschap wordt bij uitstek
                  gekenmerkt door clustervorming. Het onderliggende idee is dat door ‘nabijheid’
                  impliciete kennis makkelijker overdraagbaar wordt, waardoor positieve netwerk-
                  externaliteiten gegenereerd worden. De leidende onderzoekscentra in de wereld
                  worden vaak gekenschetst als een clustering van onderzoekers die gelijkgestemd
                  zijn, gelijk opgeleid en veelal tot een zelfde generatie behoren. In het socialisatie-
                  proces waarin men de vaardigheden leert om vooruit te komen in de academische
                  gemeenschap, is publiceren in de wetenschappelijke literatuur slechts één ingre-
128               diënt. De impliciete kennis van het rapporteren, presenteren en onder de aan-
                  dacht brengen van onderzoeksresultaten, en – nog belangrijker – het kiezen van
                  de interessante problemen, is moeilijk te codificeren. Voor de overdracht van der-
                  gelijke kennis blijft daarom ook direct contact noodzakelijk. De meester-gezelre-
                  latie, waarin de vaardigheden van de meester worden geïmiteerd om zo te wor-
                  den eigen gemaakt, kan niet goed tot stand komen wanneer men te ver van elkaar
                  samenwerkt. Plaats doet er dus nog steeds toe!
                  Ook empirisch is al vaak het belang vastgesteld van geografische clusters van
                  wetenschappers bij de creatie van kennis. Zo blijkt dat onder de Nobelprijswin-
                  naars economie de London School of Economics en de University of Chicago sterk
                  zijn oververtegenwoordigd (Van Dalen 1999). Er zijn (nog) geen aanwijzingen
                  dat het internet hieraan veel zal veranderen.
                  3 Invloed op onderzoek én opleiding
                  Een van de gevolgen van ict is dat in een aantal vakgebieden een chronisch gebrek
                  aan data is veranderd in een overvloed aan gegevens. Hoewel dit geen algemene
                  ontwikkeling is, beïnvloedt ze binnen een aantal wetenschapsgebieden wel de
                  aard van het onderzoek (Wouters 2000). Dit hangt direct samen met de opkomst
                  van online-databanken, waarin onderzoeksresultaten of data voor onderzoek sys-
                  tematisch en doorzoekbaar zijn samengebracht (de informatieopslagfunctie van
                  de computer). Het doorzoeken van databases op relevante gegevens wordt hier-
                  door vaker een vast onderdeel, zo niet de kern van het onderzoeksproces. Dit stelt
                  eisen aan de vaardigheden van onderzoekers. De gemiddelde onderzoeker in deze
                  vakgebieden zal moeten kunnen omgaan met databanken en vormen van data-
                  mining. Hij moet intelligente technieken kunnen gebruiken om patronen te ont-
                  dekken in grote databases. Deze vaardigheden moeten daarom deel uitmaken van
                  het opleidingsprogramma van jonge onderzoekers.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 132 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 133 ======================================================================

<pre>                                                                         wetenschappelijk onderzoek
Als gevolg van deze ontwikkeling neemt de behoefte aan instrumenten (zoals de
pc) en databestanden toe. Tegelijkertijd dalen de kosten per computer(toepas-
sing) nog steeds. Hierdoor kan tot op heden niet worden vastgesteld dat de kapi-
taalintensiteit van het run of the mill-onderzoeksbedrijf stijgt. Aan de ‘boven-
kant’ van dit bedrijf zijn er wel enkele zeer kostbare ontwikkelingen: super-
computers, cern, met elkaar verbonden telescopen (vlti), en dergelijke.
Europese kaderprogramma’s bieden mede een antwoord op de financierings-
problemen hiervan.
Verder vergt het proces van digitalisering van het onderwijs ontwerpvaardigheid.
Het ontwerpen van didactisch goede computerspelen, simulatoren en dergelijke
is niet eenvoudig. De ontwerpfase wordt dus belangrijker en de noodzaak hierin
te investeren neemt toe. Dit is iets anders dan investeren in ict sec, al hebben zij
gemeen dat de ontwikkelingskosten hoog zijn en kosten in het vervolgtraject
laag. Dit onderwerp komt verder aan de orde in hoofdstuk 6 (zie ook Eurelings en
Melieff 2002).
4 Digitale ondersteuning opleidingsfunctie
Het Massachusetts Institute of Technology (mit) heeft recent de aandacht getrok-
ken door zijn onderwijsmateriaal vrij toegankelijk op het internet te zetten                        129
(OpenCourseWare). Het is goed voorstelbaar dat andere universiteiten dit voor-
beeld zullen volgen. De effectieve betekenis hiervan is dat mit in de eerste plaats
zijn goodwill en naamsbekendheid internationaal uitbouwt. Het is een voorbeeld
van de ‘weggeefeconomie’ die eigen is aan ict: eerst moet iets worden weggeven
om de markt te vergroten; wat wordt weggegeven, is onderdeel van een groter
pakket en wordt dus gebruikt als ‘aas’ om gebruikers in te sluiten (zie hfdst. 4, als-
mede Shapiro and Varian 1999). Het mit hoeft dus ook niet bang te zijn dat het
hierdoor minder studenten trekt.
In Nederland steekt de overheid de komende twee jaar ruim 11 miljoen euro (25
miljoen gulden) in de Digitale Universiteit (zie hfdst. 6). Dit initiatief is overigens
bekritiseerd omdat het nog niet duidelijk is hoe het onderwijsmateriaal op inter-
net ‘vers’ zal worden gehouden. In ieder geval is duidelijk dat zinvol digitaal
onderwijs heel wat meer voeten in de aarde heeft dan alleen het studiemateriaal
op het internet zetten; dat is niet meer dan een eerste stap.
5 Meer kwantificering
Een belangrijk voordeel van de informatietechnologie is dat natuurlijke en sociale
verschijnselen gemakkelijk gekwantificeerd kunnen worden. Vooral de exponen-
tiële groei van de geheugen- en rekencapaciteit van computers maakt het steeds
gemakkelijker grote databestanden te bewaren en te bewerken. Wat tot voor kort
onmogelijk was, zoals het bewerken van miljoenen data, is tegenwoordig niets
bijzonders. Statistische softwarepakketten zijn veel gebruiksvriendelijker gewor-
den dan de primitieve pakketten van twintig jaar geleden.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 133 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 134 ======================================================================

<pre>    va n oude e n nieu w e k e n nis
                  6 Impulsen aan bestaande en opkomst van nieuwe vakgebieden
                  In de vorige punten ligt al besloten dat de ict-ontwikkelingen veel bestaande
                  vakgebieden, in alle mogelijke disciplines – van de bèta-wetenschappen tot het
                  recht, belangrijke impulsen hebben gegeven. Hiernaast heeft de opkomst van de
                  ict zelfs nieuwe vakgebieden doen ontstaan, zoals de bio-informatica (zie onder-
                  staand kader).
                  Waar de reproductie van data door ict goedkoper wordt, wordt de productie van
                  data, en hiermee het doen van wetenschappelijk onderzoek, echter duurder (zie
                  ook hfdst. 4 over de kostenstructuur van informatiegoederen). Deze situatie stelt
                  nieuwe eisen aan de informatiekundigheid van onderzoekers. Het duurder wor-
                  den van wetenschappelijk onderzoek kan (deels) ondervangen worden doordat
                  onderzoekers de bronnen van kennis (zoals databestanden) meer met elkaar
                  delen. In de levenswetenschappen gebeurt dit al volop; in een sterk geformali-
                  seerd vakgebied levert dit blijkbaar weinig problemen op. Ook in de sociale
                  wetenschappen vindt tegenwoordig vaker (her)gebruik plaats van al bestaande
                  databases. Dit wordt bijvoorbeeld gefaciliteerd door het Wetenschappelijk Statis-
                  tisch Agentschap (wsa) dat nwo in 1994 heeft ingesteld en dat met name cbs-
                  databestanden (maar ook andere) ontsluit voor secundair, wetenschappelijk
130               gebruik.
          Bio-informatica
          Bio-informatica is een combinatie van moleculaire biologie en informatietechnologie. De bio-
          informatica genereert informatie over biologische structuren, legt deze vast en beheert haar, zoekt
          in de database met behulp van geavanceerde zoektechnieken (data mining), en modelleert en
          simuleert op moleculair niveau (Van Dam-Mieras 2001: 71-72). De bio-informatica produceert
          enerzijds databanken met gegevens over de structuur van dna en eiwitten, en anderzijds compu-
          tersoftware met behulp waarvan in deze omvangrijke databestanden kan worden gezocht en
          waarmee de informatie kan worden beheerd. Hierdoor is bijvoorbeeld een – voor de geneeskunde
          belangwekkend – project als het in kaart brengen van het menselijk genoom (het Humane Geno-
          me Project) mogelijk geworden. Dit geldt ook voor het genoom van verschillende andere organis-
          men, die bijvoorbeeld voor de landbouw interessant zijn. Dat dit ‘kraken’ van het menselijk en
          ander dna juist (of pas) nu mogelijk is geworden, heeft primair te maken met de enorme compu-
          terkracht die beschikbaar is gekomen.
          De ontwikkelingen op dit terrein verlopen bijzonder snel dankzij verbeterde biomoleculaire labo-
          ratoriumtechnieken en informatie- en communicatietechnologie. Het betreft hier een vakgebied
          dat uit z’n (universele) aard toch al zeer internationaal van karakter is, maar waar de internationale
          samenwerking verder wordt bevorderd door de snelle en makkelijke communicatie via het inter-
          net. De ict versterkt ook de op (internationale) samenwerking en arbeidsdeling gerichte cultuur
       5.3.3      mogelijke ont wikkelingen
                  Paragraaf 5.3.2 beschreef een aantal nieuwe informatie- en communicatievormen
                  in het wetenschappelijk onderzoek. Deze ontwikkelingen zijn zeker nog niet vol-
                  ledig uitgekristalliseerd. Deze paragraaf brengt een aantal verdere gevolgen in
                  beeld die in de naaste toekomst denkbaar zijn.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 134 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 135 ======================================================================

<pre>                                                                          wetenschappelijk onderzoek
1 Kwaliteitsvariatie: eigen kwaliteitsmechanismen of ‘ontleende’
   mechanismen?
Voor de verdere ontwikkelingen is het vooral van belang hoe de systemen van
kwaliteitsborging zich mee ontwikkelen met de nieuwe mogelijkheden. Het gaat
hierbij zowel om de inputkant – wat is een betrouwbare website, wat zijn
betrouwbare data? – als om de outputkant – welke waarde moeten anderen toe-
kennen aan de kwaliteit van onderzoeksresultaten die op het web gepubliceerd
worden? Er zijn ruwweg twee mogelijkheden voor de toekomstige ontwikkeling:
er ontstaan ‘eigen’ kwaliteitsmechanismen, zoals de gereviewde websites, of de
bestaande mechanismen krijgen een groter bereik, zoals het reputatiemechanisme
(economen bezoeken bijvoorbeeld wel de website van Krugman, maar (nog) niet
die van een willekeurig jong talent in Nederland). Kortom, het reputatiemechanis-
me (zie par. 3.5) zoals dit altijd al werkte, wordt doorgetrokken naar websites. Hoe
vaak een bepaalde website wordt bezocht, kan dan onder gebruikers gelden als een
indicator, een proxy voor de kwaliteit. Ook de fusies van nieuwe met oude media
kunnen worden geïnterpreteerd als pogingen om het reputatiemechanisme van de
oude media toe te passen op of uit te breiden tot de nieuwe media.
2 Toenemende variatie in tijdschrif ten
Een volgende vraag is wat er met de bestaande wetenschappelijke communicatie-                        131
kanalen zal gebeuren nu er nieuwe bijkomen. Het grote voordeel van het internet is
dat het snel is en dat resultaten direct online beschikbaar zijn; een belangrijk
bezwaar tegen bestaande bronnen, met name de gedrukte tijdschriften, is dat ze
‘langzaam’ zijn. Door de zware refereeprocedures van gereputeerde tijdschriften
verschijnt een artikel vaak pas één, twee of – in extreme gevallen – vijf jaar nadat de
eerste versie ingediend is. Op zich kan deze ‘traagheid’ ook wel weer gerelativeerd
worden: van veel belangrijke artikelen zijn eerst versies als paper verschenen.
Zullen de traditionele tijdschriften verdwijnen door de opkomst van de veel ‘snel-
lere’ nieuwe media? Het antwoord op deze vraag is geen uitgemaakte zaak. De
traagheid heeft namelijk ook een functie: zij is een afgeleide van het proces van
(peer) review. Deze functie moet in de toekomst onverminderd vervuld worden.
Sterker nog, naarmate er meer gepubliceerd wordt en de variatie van media toe-
neemt, wordt het alleen maar belangrijker dat de kwaliteit en reputatie kunnen
worden vastgesteld. Een mogelijke ontwikkeling is daarom dat de traditionele
wetenschappelijke tijdschriften meer gaan differentiëren en wel op twee manieren:
1 een differentiatie tussen tijdschriften; en
2 binnen een tijdschrift.
In sommige (rubrieken van) tijdschriften kan sneller iets gepubliceerd worden
dan in andere, maar dergelijke publicaties worden ook niet, of minder, zwaar
getoetst door referees. Aangenomen mag worden dat deze kwaliteitsdifferentia-
ties onder vakgenoten bekend zijn (zo hanteren de Nederlandse economen
inmiddels al jaren een classificatie van hun tijdschriften in vijf categorieën8).
Wellicht de belangrijkste ontwikkeling is dat tijdschriften hun formule gaan aan-
passen en een grotere interne variatie laten zien (de British Medical Journal en de
Medical Journal of Australia zijn hiermee al gaan experimenteren).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 135 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 136 ======================================================================

<pre>    va n oude e n nieu w e k e n nis
                  3 Verdere toename publicatiestroom (inclusief internet) leidt tot rol voor
                     ‘review en abstract tijdschrif ten’ en electronic journals
                  Door de toegenomen specialisatie in de wetenschap en de sterke nadruk op tijd-
                  schriftpublicaties lijken wetenschappelijke disciplines steeds meer op gesloten
                  netwerken. Onderzoekers venten hun resultaten op meerdere plaatsen uit, het-
                  geen steeds vaker leidt tot min of meer ‘dubbele’ publicaties, ‘een vloed van inkt’.
                  Op zichzelf is daar niets op tegen; de (maatschappelijke) kosten van onderzoek
                  zitten immers in het onderzoek zélf. Als dit resultaten heeft opgeleverd, zijn de
                  additionele kosten die het extra communicatiekanaal met zich meebrengt, gering.
                  Echte meerwaarde heeft het echter niet. Bovendien moeten lezers meer schiften
                  en zijn hiermee meer tijd kwijt.
                  Met de snelle toename van het aantal publicaties en tijdschriften zijn er ook
                  review- en abstracttijdschriften opgekomen. Dergelijke intermediairs zijn onmis-
                  baar als makelaar tussen subspecialismen (een onderzoeker krijgt het anders niet
                  meer ‘aangelezen’). Nog meer dan hard copytijdschriften zouden elektronische
                  tijdschriften deze rol kunnen gaan vervullen door met helpfuncties en dergelijke
                  de toegankelijkheid te vergroten en verwijzingen te vergemakkelijken.
132               4 Kennismanagement: betere verankering van onderzoeksresultaten
                  Wordt het vorige punt veralgemeniseerd, dan kan men de verwachting uitspre-
                  ken dat onderzoekers, onderzoeksgroepen en onderzoeksorganisaties meer aan
                  codificering van kennis en kennismanagement (intranet, kennisbank, e.d.) zullen
                  gaan doen. Ze zullen bestaande onderzoeksresultaten meer en beter exploiteren
                  en niet te snel (kostbaar) nieuw onderzoek gaan doen. De nieuwe ict-mogelijk-
                  heden doen binnen de onderzoekswereld de balans wellicht enigszins verschui-
                  ven van exploratie naar exploitatie. Voor een effectief kennismanagement en het
                  beheer van kennisstromen in groepen en organisaties is wel vereist dat de deelne-
                  mers elkaar vertrouwen. Er moet, met andere woorden, voldoende reciprociteit en
                  sociaal kapitaal aanwezig zijn (Gelauff 2001: 28).
                  5 Meer communicatie tussen onderzoekers
                  Het web wordt ook benut voor discussies naar aanleiding van ‘officiële’ artikelen.
                  Een blad als het economenvakblad esb gaat tegenwoordig zo om met lezersreac-
                  ties. De webpublicatievorm heeft hierbij een lagere status en is afgeleid van en
                  ondergeschikt aan de traditionele publicatievorm. Het is dus wel de vraag of
                  (reagerende) onderzoekers het als ‘lonend’ ervaren om hierin veel energie te ste-
                  ken. Uitgaande van de veronderstelling dat de schaarste aan tijd toeneemt naar-
                  mate men in de wetenschap een hogere status heeft, zullen webreacties vooral
                  komen van minder gereputeerde onderzoekers, studenten en de ‘gebruikelijke
                  meedenkers’.
                  6 Oplaaiende verdelingsstrijd over eigendomsrechten tussen auteurs,
                     bibliotheken en uitgeverijen
                  Het economische eigendom van een publicatie komt terecht bij het wetenschap-
                  pelijke tijdschrift van een (wetenschappelijke) uitgeverij. Deze verkoopt (dure)
</pre>

====================================================================== Einde pagina 136 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 137 ======================================================================

<pre>                                                                        wetenschappelijk onderzoek
abonnementen aan met name wetenschappelijke bibliotheken. Universiteiten
moeten hierdoor ‘twee keer betalen’. Ze betalen immers het salaris van hun
wetenschappelijke staf en moeten vervolgens ook de tijdschriften kopen waarin
de producten van die staf staan. Ook moeten de universiteiten of de oorspronke-
lijke auteurs zelf later vaak rechten betalen om hun publicaties te mogen herge-
bruiken, bijvoorbeeld voor onderwijs. Deze praktijk klemt temeer, nu er meer
wordt gepubliceerd, de nieuwe media laagdrempeliger zijn en ook stimuleren om
zo snel mogelijk kennis te nemen van de resultaten van anderen. Om deze reden
is er onlangs een wereldwijde actie van wetenschappers (de Public Library of
Science) gestart om de wetenschappelijke uitgeverijen onder druk te zetten om
deze publicaties al zes maanden na publicatie volledig vrij te geven. Deze ontwik-
keling kan niet los worden gezien van de groeiende rol die het internet speelt als
voorpublicatieforum.
7 Internet als voorpublicatieforum
Een andere mogelijke ontwikkeling is dat de nieuwe webcommunicatievorm
gehanteerd zal gaan worden om te communiceren over onderzoeksplannen en
-opzetten, voorlopige resultaten en dergelijke (‘onrijpe vruchten’). De ‘grijze
reeksen’ die nu de functie van ‘voorpublicatie’ vervullen, zouden kunnen worden
overgenomen door het internet. Tegelijkertijd laat zich voorzien dat het gebruik                   133
van het internet binnen korte tijd volstrekt genormaliseerd zal zijn. De vraag is
dan welke impuls individuele onderzoekers zullen ondervinden om hierin veel
energie te steken, indien – als plausibele veronderstelling – de ‘beloningsstructu-
ren’ in het wetenschappelijk onderzoek niet wezenlijk zullen veranderen (het
probleem van toe-eigenbaarheid). Voor veel onderzoekers is (een gebrek aan) tijd
maatgevend voor het handelen. Het is dan ook niet aannemelijk dat veel onder-
zoekers ‘voor niets’ het artikel of de onderzoeksopzet van een (verre) collega zul-
len gaan verbeteren. Er zullen dus nieuwe toe-eigeningsmogelijkheden uit moe-
ten voortvloeien. Te denken valt aan ‘wetenschappelijke dating’, voorstellen om
samen te werken aan een onderwerp en een artikel te publiceren. Omdat het
belang van reputatie eerder zal toe- dan afnemen, zal het hierbij niet zo maar gaan
om blind dates; ‘losse’ samenwerkingspartners zullen wel eerst op het net of
anderszins elkaars referenties willen natrekken. Verder laat het zich goed denken
dat er ook voor wetenschappelijk onderzoek ‘kweekvijversites’ zullen ontstaan:
sites met een grote mate van openheid, waarop iets mag worden uitgeprobeerd
en die dus een eigen, lagere reputatie hebben.
Bij de ontwikkeling van het internet als voorpublicatieforum doet zich nog wel
een probleem voor ten aanzien van de opstelling van de wetenschappelijke uitge-
vers. Soms eisen uitgevers dat een stuk dat voor ‘officiële’ publicatie (in een blad,
boek of congresbundel) wordt aangeboden, niet of niet te lang op het internet
heeft gestaan. Dergelijke eisen kunnen de aantrekkelijkheid van voorpublicatie
op het internet verminderen. De actie van de Public Library of Science is mede
hiertegen gericht. Om het publieke belang van de wetenschapsbeoefening ener-
zijds en de toe-eigeningsmogelijkheden anderzijds in balans te houden, lijkt het
daarom wenselijk dat de gezamenlijke universiteiten en onderzoeksorganisaties
</pre>

====================================================================== Einde pagina 137 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 138 ======================================================================

<pre>    va n oude e n nieu w e k e n nis
                  (nwo, knaw) met de uitgevers tot voor alle partijen aanvaardbare afspraken
                  trachten te komen. Universiteiten en wetenschappelijke auteurs bevinden zich
                  daarbij echter wel enigszins in een spagaat: ze hebben kritiek op de uitgeverijen,
                  maar zijn er ook afhankelijk van. Auteurs zullen – aangezet door de eerder
                  besproken incentivestructuren in het wetenschappelijk onderzoek – immers
                  zowel de voorpublicatie op naam willen hebben, als de publicatie in het tijd-
                  schrift. Gezien deze constellatie kan een (wenselijk) resultaat van zelfregulering
                  uitblijven; in dat geval is er een rol voor de overheid om het publieke belang te
                  verdedigen tegenover de uitgevers.
                  8 Wereldwijde samenwerking in (kleine) specialismen
                  De ict-ontwikkelingen kunnen ook leiden tot andere netwerken dan voorheen.
                  Samenwerking hoeft niet primair te worden gezocht met mensen ‘op de gang’ of
                  anderszins dicht in de buurt, maar is nu gemakkelijker te realiseren met onder-
                  zoekers aan de andere kant van de wereld. Dit kan leiden tot verdere diversificatie
                  en een snellere opsplitsing van een onderzoeksterrein in deelterreinen. Het wer-
                  kelijk samenwerken aan onderzoeksprojecten en gezamenlijke onderzoeksinte-
                  resses zal zich uiteraard niet exclusief op het net voltrekken, maar ook bevorderd
                  worden door internationale congressen en tijdelijke verblijven op elkaars insti-
134               tuut. Kortom, ook hier is de ict complementair aan traditionele communicatie-
                  vormen, en niet vervangend.
                  Een mogelijk nadelig gevolg is dat deze ontwikkeling superspecialisatie in de
                  hand werkt. Doordat dergelijke wereldwijde onderzoeksgroepen hun eigen ‘taal’
                  (terminologie die ‘short cuts’ in de communicatie mogelijk maakt) ontwikkelen,
                  kunnen zij hoge toetredingsbarrières opwerpen voor buitenstaanders die deze
                  taal niet spreken. Dit kan ertoe leiden dat ‘mutual admiration societies’ ontstaan,
                  doordat het aantal contacten met ‘anderen’, die geen deel uitmaken van de groep,
                  afneemt.
                  Inmiddels is er enig onderzoek gedaan naar de effectiviteit van websites van spe-
                  cialistische beroepsverenigingen, zoals The Econometric Society. Uit dit onder-
                  zoek blijkt dat websites wel een handig additioneel communicatiekanaal voor
                  vakgenoten zijn, vanwege de makkelijke en snelle toegang tot referenties, maar
                  dat de ‘eindproducten’ – onderwijs en onderzoek – er niet door beïnvloed worden
                  (Gordon 2000: 70-71). Hamermesh and Oster (1998) hebben een verwant onder-
                  zoek gedaan naar de mogelijke voordelen die de moderne informatietechnologie
                  biedt voor teamwork in wetenschappelijk onderzoek, hierbij geïnspireerd door
                  eerdere studies die het belang van teamwork voor innovatie benadrukken. Zij
                  hebben de productiviteit van wetenschappelijke artikelen in een aantal belangrij-
                  ke economische vaktijdschriften (aan de hand van gemeten citaties) vergeleken
                  voor twee groepen co-auteurs: co-auteurs die dicht bij elkaar wonen en werken
                  en co-auteurs die op grote(re) afstand van elkaar werken. Het onderzoek beves-
                  tigt twee – al langer bekende – zaken:
                  1 het aantal artikelen dat door meerdere auteurs is geschreven, neemt gestaag
                     toe; en
</pre>

====================================================================== Einde pagina 138 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 139 ======================================================================

<pre>                                                                             wetenschappelijk onderzoek
      2 er is geen ondubbelzinnig bewijs dat dit ook tot ‘productievere’ artikelen leidt.
      Uit het onderzoek van Hamermesh and Oster blijkt verder dat artikelen waarvan
      de co-auteurs op grotere afstand van elkaar wonen en werken, in de literatuur
      minder vaak worden aangehaald dan de artikelen waarvan de auteurs dicht(er) bij
      elkaar zitten. Het grotere gemak om afstand te overbruggen (door de ict-moge-
      lijkheden), leidt niet tot betere onderzoeksresultaten (d.w.z. meer geciteerde arti-
      kelen). Hamermesh en Oster concluderen dat in de onderzochte casus “…impro-
      ved technology generates lower quality-output per input”, en dat long-distance
      co-authorship eerder fungeert als “mainly a consumption good as academic
      friends find it easier to work together.”
      9 Hybridisering onderzoeksdiscussies
      Ten slotte heeft de laagdrempelige toegang tot het internet mogelijk tot gevolg
      dat discussies over onderzoeksprogramma’s en onderzoeksresultaten niet voor-
      behouden blijven aan vakgenoten, maar dat ook niet-vakgenoten – bijvoorbeeld
      ‘ervaringsdeskundigen’– daar gemakkelijk aan deel kunnen nemen (zie par. 2.4
      en Marres en De Vries 2002). Rondom bepaalde onderwerpen kunnen zo hybride
      gemeenschappen ontstaan van wetenschappers en niet-wetenschappers – groepen
      die elk hun eigen ‘waarheidscriteria’ hanteren. Een dergelijke ontwikkeling zal
      dan ook vragen om ‘moderatoren’ op een site, die de verschillende bijdragen                       135
      weten te plaatsen en te ordenen. Dit kan ook weer leiden tot nieuwe afhankelijk-
      heden, belangen en invloeden.
      Ook hier doet zich een paradox voor. ict draagt bij aan een snellere en bredere
      verspreiding en popularisering van kennis, maar dit zal niet afdoen aan het
      onderscheidende belang van getoetste wetenschappelijke kennis. In die zin blij-
      ven we wel een kennissamenleving à la Daniel Bell (1973), waarin slechts weini-
      gen meedoen aan de productie van nieuwe gespecialiseerde wetenschappelijke
      kennis aan het ‘front’. Dat iedereen overal zinvol over mee kan praten, is meer
      dan ooit een illusie. ict voedt die illusie.
5.3.4 mogelijke gevolgen voor het onderzoek sbestel
      In de paragrafen 3.2 en 3.3 zijn vooral de (mogelijke) consequenties van ict-ont-
      wikkelingen behandeld op het niveau van het wetenschappelijk onderzoek en de
      individuele onderzoeker: wat is de invloed op zijn werk, werkwijzen, vakgebied?
      In deze paragraaf komt het hogere aggregatieniveau van onderzoeksorganisaties
      aan de orde, het bestel waarin zij opereren en de relaties van dat bestel met andere
      maatschappelijke ‘spelers’ (bedrijfsleven en overheid). Ook op dit niveau heeft
      ict consequenties, maar niet in een één-op-éénrelatie. Op een hoger aggregatie-
      niveau zijn immers altijd meer ontwikkelingen tegelijk gaande, zoals bezuinigin-
      gen (als gevolg van andere prioriteiten in het publieke budget), bevordering van
      de concurrentie of juist samenwerking tussen universiteiten of een discussie over
      het al dan niet handhaven van het binaire stelsel. Ontwikkelingen die momenteel
      in het universitaire bestel spelen, zijn de Europeanisering (zoals de Europese
      kennisruimte van de top van Lissabon) en internationale diploma- en gradenaf-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 139 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 140 ======================================================================

<pre>    va n oude e n nieu w e k e n nis
                  stemming (bachelor-masterstructuur). Een beschouwing over de mogelijke
                  gevolgen van ict-ontwikkelingen op het niveau van het universitaire bestel is
                  hierdoor (nog) speculatiever dan op het directe niveau van onderzoek en oplei-
                  ding. De mogelijke ontwikkelingen die hierna worden besproken, zijn te vatten
                  in de termen verankering, variatie en versterking van leervermogen, die in hoofd-
                  stuk 1 werden geïntroduceerd.
                  Samenwerking tussen universiteiten, andere kennisinstellingen en
                  bedrijfsleven: meer variatie …
                  Universiteiten en andere kennisinstellingen bevinden zich van oudsher op een
                  precaire balans van afstand versus nabijheid met het bedrijfsleven. De opkomst
                  van de ict is ook van invloed op deze verhouding. In beginsel zouden het
                  bedrijfsleven en de kennisinstellingen op bepaalde terreinen meer kunnen wer-
                  ken aan gezamenlijke onderzoeksprogramma’s. Hieraan zitten overigens wel
                  aanzienlijke haken en ogen in de sfeer van toe-eigenbaarheid van kennis, onaf-
                  hankelijkheid en discrepantie in incentives. In dit verband legt de Verkennings-
                  commissie ‘Kennis voor de netwerkeconomie’ in een recent advies (2001) de
                  nadruk op meer persoonsgebonden interactie tussen betrokken organisaties. Dit
                  vraagt om een meer vloeiende overgang tussen kennisinstellingen en bedrijven.
136               In dit kader noemt de commissie de volgende vormen: promotieplaatsen, consul-
                  tancy vanuit kennisinstellingen, wetenschappers uit kennisinstellingen binnen-
                  halen in het bedrijfsleven, bijzondere hoogleraarschappen van mensen uit de
                  andere kennisinstituten9 en het bedrijfsleven, (deeltijd) detachering van perso-
                  neel over en weer, en vertegenwoordigers van het bedrijfsleven in ‘denktanks’,
                  raden van toezicht en besturen van kennisinstellingen.
                  Aan de andere kant kan de universiteit op een aantal vakgebieden minder het
                  alleenrecht claimen dan vroeger. Door de sterke ontwikkeling in de kennisin-
                  frastructuur is er ook veel wetenschappelijke kennis aanwezig bij bedrijfsonder-
                  zoekinstellingen, researchinstituten en dergelijke (dit geldt bijvoorbeeld in de
                  biotechnologie en farmacie, maar ook in de economie en sociologie). Daarom is
                  samenwerking in den brede van belang.
                  ….maar ook verankering van het publieke karakter van de resultaten van
                  wetenschappelijk onderzoek
                  De verstrengeling tussen wetenschappelijk onderzoek en bedrijfsleven mag
                  nooit zo ver gaan dat de wetenschappelijke onafhankelijkheid, objectiviteit en
                  vrijheid van publiceren in het geding komt. Dit gevaar bedreigt momenteel met
                  name het universitaire farmaceutisch onderzoek, dat voor een groot deel wordt
                  bekostigd uit de derde geldstroom (i.c. de farmaceutische industrie). Zo blijkt dat
                  onderzoekers bij de weergave van hun resultaten niet altijd beïnvloeding door de
                  financier weten te weerstaan (zie diverse artikelen in The Lancet en Jama 2000).
                  Er is inmiddels wel een Europese richtlijn voor ‘good clinical practice’ opgesteld.
                  Hierin zijn de voorwaarden geformuleerd waaraan klinisch onderzoek moet vol-
                  doen. Zo moet er een ethische commissie zijn, de deelnemende patiënt moet
                  goed geïnformeerd worden, het onderzoek moet gemonitord worden, enzovoort.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 140 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 141 ======================================================================

<pre>                                                                         wetenschappelijk onderzoek
Maar – onder invloed van de farmaceutische industrie – ontbreekt in de richtlijn
nog een aantal belangrijke zaken, bijvoorbeeld over de betaling van de onderzoe-
ker, wie over het protocol beslist en dat de onderzoeksresultaten voor iedereen
toegankelijk moeten zijn. Verder is in dit verband relevant dat een aantal gere-
nommeerde internationale medische tijdschriften wil gaan voorschrijven dat
auteurs van publicaties standaard vermelden welke affiliaties zij hebben met
bedrijven en of het onderzoek gesponsord is, omdat de redactie niet langer kan
instaan voor de onafhankelijkheid van de auteurs.
Meer variatie in het universitaire bestel
Veel wijst erop dat universiteiten in een meer concurrerend bestel terechtkomen.
Naarmate de voortgaande internationalisering ertoe leidt dat studenten en
docenten meer footloose worden, zal er ook meer concurrentie met buitenlandse
universiteiten ontstaan. Door het dalende studentenaantal en het hierop geba-
seerde financieringsmodel van de overheid zullen universiteiten en opleidingen
sterker met elkaar gaan concurreren om de studenten. Nu profileren universitei-
ten zich soms wel als ‘ondernemende universiteit’ of ‘stadsuniversiteit’, maar in
feite hebben zij nauwelijks een eigen, onderscheidend profiel. De financierings-
structuur, regelgeving en aansturing door de centrale overheid persen hen in het-
zelfde keurslijf. Mogelijk kunnen de ict-ontwikkelingen en de Europeanisering                       137
een katalysator zijn voor decentralisatie en werkelijke variatie, zodat in de toe-
komst de ene instelling zich ontwikkelt tot een groot opleidingsinstituut, een
andere instelling tot een kleinschalige onderzoeksuniversiteit, enzovoort.
De bachelor-masterstructuur zou hier in Europees verband verbetering in moe-
ten brengen.
Vanaf begin jaren tachtig is de publicatiedruk en de verantwoording van onder-
zoekstijd sterk opgevoerd. Dat onderzoekstijd is hebt om ook geavanceerde col-
leges te geven, voldoet niet meer als argument. Dit heeft tot gevolg dat de stroom
van toegepast en opdrachtonderzoek sterk is gegroeid. Dit soort onderzoek is
echter geen exclusieve universitaire taak. Er heeft zich in deze markt dan ook een
sterke groei van andere onderzoeksbureaus voorgedaan. Dit heeft het enigszins
paradoxale gevolg gehad dat universiteiten, naast de groei van het derdegeld-
stroomonderzoek, in hun missie en ‘beloningsstructuren’ sterker hun weten-
schappelijke karakter zijn gaan benadrukken. Onderzoekers worden bijvoorbeeld
afgerekend op hun publicaties in gerenommeerde vakbladen (A- en B-tijdschrif-
ten). Dit is echter nadelig voor de contacten van onderzoekers met de ‘werkelijk-
heid’ en met het beleid. Dit meer praktische onderzoek wordt niet beloond, het
esoterische wel (vgl. Klamer en Colander 1990; Verkenningscommissie Economi-
sche Wetenschappen 1996; Van Sinderen 2001).
Voor tgaande clustering in het kennisbestel versterkt leer vermogen
De opkomst van de ict heeft een interessante spanningsboog tot gevolg. Op het
eerste gezicht doet ‘plaats’ er minder toe, maar tegelijkertijd zijn er lokale concen-
tratiebewegingen te constateren, zoals het genoemde Silicon Valley en in Neder-
land de technologieclusters Eindhoven, Twente, Watergraafsmeer en Delft.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 141 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 142 ======================================================================

<pre>    va n oude e n nieu w e k e n nis
                  Dergelijke concentraties doen zich bijvoorbeeld ook voor bij uitgeverijen en gra-
                  fisch ontwerpers, die ook voornamelijk in dezelfde steden gevestigd zijn. Profes-
                  sionals willen dus in elkaars nabijheid zitten; dat geeft een economy of atmosphe-
                  re. Hetzelfde idee ligt ten grondslag aan de onderzoekscholen, waarbij het niet
                  alleen gaat om een lokale promotieopleiding, maar ook om een concentratie van
                  toponderzoek in een bepaald onderzoeksveld. Binnen Europa zal in de naaste
                  toekomst wellicht een intensieve concurrentie om (top)kenniscentra ontstaan,
                  die uiteindelijk slechts op enkele plekken terecht zullen komen. Dit zal niet alleen
                  tot een meer internationaal, maar ook tot een meer gedifferentieerd universitair
                  landschap leiden (Ministerie van oc&w 1999).
       5.4        conclusies
                  Wetenschappelijk onderzoek is uit zijn aard universalistisch en hiermee ‘van
                  nature’ internationaal georiënteerd. Nieuwe ict-toepassingen bevestigen deze
                  internationale dimensie en voegen er een kanaal aan toe, maar er is geen reden
                  om ze als ‘revolutionair’ te bestempelen. Dit hoofdstuk laat zien dat ict-toepass-
                  ingen soms de productie van nieuwe wetenschappelijke kennis mogelijk maakt
                  (zoals het terrein van de bio-informatica) en de productiviteit verhoogt. Hier-
138               naast heeft de kennismakelaarsfunctie (verspreiding, distributie) tal van impul-
                  sen heeft gekregen. In het hoger onderwijs kunnen de ict-ontwikkelingen een
                  internationale dimensie toevoegen aan het handelen, de oriëntatie en de bele-
                  ving, hetgeen het lerend vermogen vergroot. Deze impact is juist hier relatief
                  sterk, omdat een internationale oriëntatie en bijbehorende communicatiekanalen
                  in het onderwijs van oudsher het minst ontwikkeld zijn. In Europees verband
                  kan de recent ingezette bachelor-masterstructuur een impuls geven aan deze
                  internationale versterking van het universitaire onderwijs.
                  Dit hoofdstuk levert een aantal conclusies op, die ook implicaties hebben voor
                  het overheidsbeleid. Zij worden hieronder samengevat.
                  1 Efficiëntere distributie en communicatie van wetenschappelijke kennis
                  De ict-ontwikkelingen leveren een belangrijke bijdrage aan een efficiëntere dis-
                  tributie en communicatie van gecodificeerde wetenschappelijke kennis. ict is
                  veel minder van invloed op het complement daarvan, impliciete of stilzwijgende
                  kennis. Veel eigenschappen van ict, en van het internet in het bijzonder (vrije
                  toegang, sterke gerichtheid op aandacht, snelle verspreiding van kennis), sluiten
                  aan bij de cultuur van wetenschap. Dat universiteiten en andere onderzoeksorga-
                  nisaties early adaptors zijn van de ict-mogelijkheden is dan ook een understate-
                  ment. Het is met name aan deze organisaties te danken dat ze (verder) ontwikkeld
                  en snel toegepast zijn. De fit tussen ict en de wetenschappelijke wereld betekent
                  dat op dit terrein niet alles ‘over de kop gaat’. De meest spectaculaire ontwikke-
                  lingen zijn eerder te verwachten op terreinen en organisaties die niet van oudsher
                  zijn ingesteld op brede communicatie.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 142 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 143 ======================================================================

<pre>                                                                       wetenschappelijk onderzoek
2 Motieven publieke bekostiging wetenschappelijk onderzoek stevig
  verankerd
Er zijn verschillende motieven voor de overheid om, anders dan voor eigen
gebruik, onderzoek te financieren. Deze zijn af te leiden uit verschillende vormen
van marktfalen, waardoor bepaalde vormen van wetenschappelijk onderzoek op
markten niet of onvoldoende tot stand komen. Bij een deel van het wetenschap-
pelijk onderzoek is het nut gelegen in de voedingsbodem die het biedt voor (pri-
vate) technologieontwikkeling en hierop geënte welvaartsgroei; aan andere vor-
men van onderzoek (zoals astronomie, cultuur, biologie of geschiedenis) kent de
samenleving een meer intrinsiek belang toe, zoals verdieping van ons zelfbeeld.
Verschillende motieven kunnen ook tegelijkertijd een rol spelen.
De komst van ict plaatst de motieven voor publieke bevordering en bekostiging
van wetenschappelijk onderzoek niet in een heel nieuw licht. De bestaande argu-
menten voor subsidiëring van wetenschappelijk onderzoek zijn stevig verankerd
en blijven op hoofdlijnen geldig. De gevolgen van ict komen het meest nadruk-
kelijk tot uitdrukking in de distributie en communicatie van kennis, en in veran-
deringen in het patroon van toe-eigening. Ontwikkelingen hier kunnen wel op
tal van punten aanleiding geven om het beleid bij te stellen of aan te vullen.
                                                                                                  139
Ook de gemengde financieringsstructuur in het publieke onderzoeksbestel – met
een eerste, tweede en derde geldstroom – is stevig verankerd en maakt een grote
variatie mogelijk in vormen en soorten onderzoek en de bijbehorende verant-
woordingsmechanismen. Deze structuur is in zekere zin te zien als een mecha-
nisme dat corrigeert, als ontwikkelingen binnen één van de geldstromen te ver
zouden doorschieten. Een interessante ontwikkeling van de laatste jaren binnen
de tweede geldstroom (nwo) zijn de financieringsprogramma’s (bijv. het Pio-
nier-programma) die veelbelovende, in principe professorabele onderzoekers een
grote vrijheid bieden om een nieuwe onderzoekslijn op te zetten of uit te bou-
wen. Ook binnen de geldstromen is dus variatie en correctie mogelijk, waar – in
dit voorbeeld – nwo normaliter de wetenschappelijke vrijheid met hoge verant-
woordingseisen enigszins inperkt.
3 ict bevestigt internationale karakter wetenschapsbeoefening
Wetenschapsbeoefening is, het is hierboven al eerder gezegd, universalistisch van
aard. ict ondersteunt dan ook de geleidelijke en continue verandering van vor-
men van productie en overdracht van wetenschappelijke kennis en informatie.
Hierbij gaat het in het bijzonder om verdere internationalisering. Medewerkers
en studenten vertonen meer ‘stroomgedrag’ dan vroeger; soms wordt er zelfs
gesproken van ‘wetenschapsnomaden’. Dit is de fysieke pendant van de verruim-
de mogelijkheden om grenzeloze contacten te onderhouden – zoals meer in het
algemeen de opkomst van de ict paradoxaal genoeg niet tot minder, maar tot
meer fysieke verplaatsingen leidt. Ook wie fysiek uitvliegt, blijft, gebruikmakend
van de ict-mogelijkheden, relaties onderhouden met (eerdere) fysieke en virtu-
ele wetenschapsgemeenschappen. Men blijft een behoefte behouden aan veran-
kering; mensen en organisaties kunnen alleen functioneren bij de gratie van een
</pre>

====================================================================== Einde pagina 143 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 144 ======================================================================

<pre>    va n oude e n nieu w e k e n nis
                  zekere bestendigheid. Hierdoor kenmerkt iedere organisatie zich ook door een
                  natuurlijk ‘conservatisme’, dat zich uit in een herkenbare cultuur, ervaring, regels
                  en impliciete kennis over ‘hoe we de dingen hier doen’. Wetenschappelijke
                  instellingen die volop te maken hebben met en deelnemen aan de internationali-
                  sering, zoeken daarom tegelijkertijd naar mogelijkheden om hun lokale anker-
                  punten te versterken. Dit is een illustratie van de global-local-paradox: in een
                  wereld waarin alles internationaler wordt, neemt de belangstelling voor zaken
                  waarop men nog wel direct vat heeft, toe, zowel in de publieke en werksfeer als in
                  de familiesfeer.10
                  4 Overheidsbeleid en bekostigingsstructuur
                  Dit hoofdstuk signaleert ook enkele minder wenselijke ontwikkelingen in het
                  wetenschappelijk onderzoek en onderwijs (en de samenhang daartussen), waar-
                  van sommige door ict worden versterkt. Het betreft met name de sterke en een-
                  zijdige incentives om, als belangrijkste universitaire product, in wetenschappelij-
                  ke toptijdschriften te publiceren, de hiermee samenhangende onderwaardering
                  van wetenschappelijk onderwijs en de disincentives voor meer riskant multidis-
                  ciplinair onderzoek. In dit licht dient de overheid zich te beraden op hoe de beko-
                  stigingsstructuur van de universiteiten zou kunnen worden aangepast om minder
140               gewenste en doorgeschoten tendensen te ontmoedigen. Dit zou er bijvoorbeeld in
                  kunnen uitmonden dat in de eerste geldstroom de onderwijsprestaties van uni-
                  versiteiten zwaarder meetellen en dat in de tweede geldstroom meer prioriteit
                  wordt gegeven aan risicovol multidisciplinair onderzoek.
                  5 Prijsstelling bij derdegeldstroomonderzoek
                  Zoals in paragraaf 5.3.4 aangegeven, is meer samenwerking tussen universiteiten
                  en andere publieke en private onderzoeksinstituten zeer gewenst. De financie-
                  rings- en incentivestructuur van het wetenschappelijk onderzoek dient dit eerder
                  te stimuleren dan te belemmeren. Tegelijkertijd dient oneerlijke concurrentie te
                  worden voorkomen. Zo doen universiteiten – en in nog sterkere mate tno en de
                  gti’s – in toenemende mate commercieel opdrachtenonderzoek (derde geld-
                  stroom). Hierdoor begeeft men zich op een markt waarop ook andere (private)
                  partijen (kunnen) opereren. Om oneerlijke concurrentie te voorkomen, is het
                  gewenst dat universiteiten de integrale gemiddelde kostprijs als richtsnoer
                  nemen voor de tariefstelling en niet alleen de kosten van additionele versprei-
                  ding. Nu wordt nog wel eens de klacht gehoord dat universiteiten ‘onder de
                  markt’ werken, doordat zij kennis in huis die al publiek gefinancierd is, niet in
                  rekening brengen. Dit probleem kan deels worden opgelost door opdrachtonder-
                  zoek van universiteiten onder te brengen in verzelfstandigde instituten die zich-
                  zelf moeten bedruipen. Dit bergt wel het gevaar in zich dat er twee gescheiden
                  werelden ontstaan, waardoor de neiging van universitaire wetenschappers om
                  zich terug te trekken op het academische bastion wordt bevorderd en de prikkel
                  en mogelijkheid wordt weggenomen om iets met en voor een externe partij te
                  ondernemen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 144 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 145 ======================================================================

<pre>                                                                        wetenschappelijk onderzoek
6 Complementariteit ict met andere communicatievormen
De nieuwe ict-mogelijkheden vormen niet zozeer een substitie voor andere
communicatievormen; ze zijn er gewoon bijgekomen en ondersteunen deze.
De Open Universiteit gebruikt schriftelijk materiaal, organiseert face-to-face
contacten en investeert tegelijkertijd in toenemende mate in een elektronische
leeromgeving (zie hfdst. 6). Wel maken nieuwe middelen de leerstof toegankelij-
ker en aantrekkelijker, hetgeen de motivatie van de studenten positief kan beïn-
vloeden.
7 Implicaties voor multidisciplinair onderzoek
Doordat veel wetenschappelijk onderzoekers de ‘natuurlijke’ neiging hebben om
verder de diepte in te gaan, leidt dit eerder tot monodisciplinair dan tot multidis-
ciplinair onderzoek. Echter ook de vigerende afrekenmechanismen en de hierop
geënte ‘spelregels’ (zoals die bijvoorbeeld in universitaire onderzoeksvisitaties
worden gehanteerd) bemoeilijken de ontwikkeling van multidisciplinair onder-
zoek in organisaties die langs disciplinaire lijnen zijn gestructureerd en worden
gepremieerd. Multidisciplinair onderzoek kost immers meer tijd en energie (men
dient zich in een ander vak te verdiepen) en de kans op mislukking is er groter.
ict maakt samenwerking op afstand en tussen verschillende disciplines tech-                        141
nisch weliswaar gemakkelijker, maar geeft bij onveranderde incentives multidis-
ciplinair onderzoek toch niet extra wind in de zeilen. Het omgekeerde, dat ict
verdiepend disciplinair onderzoek vergemakkelijkt, is eerder waar. Dit zou een
reden moeten zijn voor de beleidsmakers (overheid, vsnu, universiteiten) om de
vigerende afrekenmechanismen te heroverwegen.
8 Voor tgaande clustering in het kennisbestel bevorder t leer vermogen
Door de opkomst van ict doet ‘plaats’ er ogenschijnlijk minder toe. Toch zijn er
tegelijkertijd lokale concentratiebewegingen te constateren, zoals Silicon Valley
en een aantal Nederlandse technologieclusters. Professionals blijken het liefst
dicht bij elkaar te zitten. Deze gedachte ligt ook ten grondslag aan de onderzoek-
scholen, die naast een lokale promotieopleiding ook een concentratie van topon-
derzoek in een bepaald onderzoeksveld zijn. Binnen Europa zal de concurrentie
om de vestiging van (top)kenniscentra waarschijnlijk toenemen. Dit kan een sti-
mulans zijn voor zowel een meer internationaal als een meer gedifferentieerd
universitair landschap.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 145 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 146 ======================================================================

<pre>    va n oude e n nieu w e k e n nis
       noten
       1
                  gti’s zijn het Energieonderzoekscentrum Nederland (ecn), het Maritiem
                  Research Instituut Nederland (marin), GeoDelft, het Waterloopkundig Labora-
                  torium (WL), en het Nationaal Lucht- en Ruimtevaart Laboratorium (nlr).
       2
                  Sociale wetenschappen spelen ook een rol in technologieontwikkeling, bijvoor-
                  beeld in zaken als Constructive Technology Assessment (cta) of Rapid Prototy-
                  ping. Bij cta wordt tijdens het ontwerpproces van een technologie de terugkop-
                  peling van gebruikers naar ontwerpers al geïntroduceerd, met de bedoeling de
                  latere adaptie en acceptatie te bevorderen. Bij Rapid Prototyping wordt op grond
                  van theoretische overwegingen en een pakket van eisen een prototype (model)
                  gemaakt. Dat wordt vervolgens getoetst in de praktijk, geëvalueerd en verbeterd,
                  en opnieuw geconfronteerd met de praktijk, waarna het procédé herhaald kan
                  worden.
       3
                  Let wel: scheiding van onderwijs en onderzoek wordt hier geenszins bepleit. Het
                  gevaar daarvan is dat beide opdrogen. Daar hebben bijvoorbeeld de Duitse Max
                  Planck (onderzoeks)instituten mee te maken.
       4
                  Dit is ter discussie: sommige auteurs (o.a. Nonaka en Takeuchi 1995) beschouwen
142               het herschikken en ordenen van bestaande kennis ook als een vorm van kennis-
                  generatie. Daarbij zal het dan toch moeten gaan om disciplinaire ‘mixen’ die
                  innovatie bevorderen. In ieder geval is het onderscheid tussen exploitatie van
                  bestaande kennis en exploratie van nieuwe altijd enigszins arbitrair. Bovendien
                  maken de nieuwe mogelijkheden van datamining het onderscheid niet scherper.
       5
                  Frey and Eichenberger (1997) onderscheiden economen in ray economists (die op
                  een zeer klein terrein steeds verder de diepte in willen gaan; ze zijn met name
                  werkzaam aan universiteiten) en core economists (een schaarser wordende groep
                  die het vak nog in de breedte beheerst). De onderscheiding is ook op andere
                  vakken toepasbaar, en duidt op een bredere problematiek dat de academische
                  carrière-incentives gaan richting specialisatie, terwijl de maatschappelijke
                  behoeften eerder vragen om een verbreding van de oriëntatie.
       6
                  Soms gaat het ook de andere kant op en zijn Nederlandse idiosyncratieën (bijv. de
                  oorzaken van ‘Dutch disease’, de werking van het poldermodel, verzuiling als
                  maatschappelijk pacificatiemodel) interessant genoeg om te vertalen naar een
                  internationale context.
       7
                  De professionalisering van de wetenschap, en de bijbehorende cultivering van ‘de
                  academische vrijheid’ (Lehrfreiheit), is hoe dan ook een nog niet zo heel oude
                  ‘uitvinding’; deze is begonnen in het Pruisen van Wilhelm von Humboldt (1767-
                  1835). Hiervoor was wetenschap vooral een bezigheid van gentleman amateurs,
                  die zich zelf sponsorden of gesponsord werden door een hof of een andere ver-
                  mogende instantie.
       8
                  Ook dit ‘voordeel’ heeft een ‘nadeel’: het is niet eenvoudig later wijzigingen te
                  bewerkstelligen in een eenmaal tot stand gekomen en geaccepteerde classificatie.
       9
                  tno kent hiervoor al zo’n twintig jaar het Lorenz-van Iterson-fonds waaruit
                  enkele tientallen bijzondere hoogleraarschappen voor topresearchers van tno
                  worden gefinancierd (Dekker en Schootbrugge 2001).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 146 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 147 ======================================================================

<pre>                                                                      wetenschappelijk onderzoek
10
   Hiervan zijn eindeloos voorbeelden te geven, van de tweetalige plaatsnaambor-
   den in Friesland tot stamboomonderzoek dat nooit eerder zo’n grote vlucht heeft
   genomen, tot de verzotheid van mensen op hun werkkamer of hun bureau.
                                                                                                 143
</pre>

====================================================================== Einde pagina 147 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 148 ======================================================================

<pre>    va n oude e n nieu w e k e n nis
144
</pre>

====================================================================== Einde pagina 148 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 149 ======================================================================

<pre>                                                                                        onderwijs
6   onderwijs
6.1 inleiding
    Het onderwijs is een van de belangrijkste domeinen van de kennissamenleving.
    Kwalitatief goed onderwijs dat voor iedereen toegankelijk is, is een essentiële
    voorwaarde voor de verdere ontwikkeling van de kennissamenleving die de
    talenten en capaciteiten van de bevolking tot hun recht laat komen en de moge-
    lijkheden die de informatie- en communicatietechnologie (ict) biedt, optimaal
    benut. In het onderwijs kan ict een belangrijke rol spelen bij het faciliteren van
    de kennisoverdracht naar en kennisverwerving door de leerlingen en studenten.
    Het gebruik van ict in het onderwijs kan echter niet los worden gezien van de
    maatschappelijke context waarin het onderwijs functioneert en van de gevolgen
    die dit heeft voor de inrichting en vormgeving van het leerproces. Niet alleen met
    betrekking tot de technologie, maar ook met betrekking tot de maatschappelijke
    omgeving (in het bijzonder het domein van arbeid en organisatie) en het denken
    over leren en onderwijs, hebben zich het afgelopen decennium belangrijke veran-
    deringen voorgedaan. Alvorens uitgebreid stil te staan bij de toepassing van ict
    in het onderwijs, is het dan ook belangrijk aandacht te besteden aan veranderin-
    gen in de omgeving van het onderwijs en aan de leertheoretische benadering van                145
    het onderwijs.
    De opbouw van het hoofdstuk is als volgt. Paragraaf 6.2 geeft een overzicht van
    ontwikkelingen in de omgeving van het onderwijs, in het bijzonder in de arbeids-
    organisatie. Het gaat hierbij om de vraag in hoeverre sprake is van verschuiving in
    gevraagde kwalificaties en van een snellere veroudering van kennis. Ook wordt
    kort ingegaan op de onmisbare sociaal-culturele functie van het onderwijs. Ver-
    volgens neemt paragraaf 6.3 veranderingen in het denken over onderwijs onder
    de loep. Er is aandacht voor de veranderende eisen aan het onderwijskundig ont-
    werp, die voortkomen uit de momenteel dominante constructivistische leertheo-
    rie. Dit mondt uit in een beschouwing over het ontwerpen van leeromgevingen.
    In paragraaf 6.4 wordt de aandacht specifiek gericht op ict en het onderwijs. Er
    wordt een overzicht gegeven van de stand van zaken in en ervaringen met het
    gebruik van ict in achtereenvolgens het basis-, voortgezet en hoger onderwijs.
    Dit geeft aanleiding tot een aantal kanttekeningen bij de huidige praktijk van toe-
    passing van ict in het onderwijs. Mede op basis hiervan biedt paragraaf 6.5 een
    reflectie op de positie van het onderwijs in het maatschappelijke veld waarin zij
    opereert. Gewezen wordt op het belang van maatwerk in netwerken. Het hoofd-
    stuk wordt afgesloten met een aantal conclusies (par. 6.6).
6.2 ver anderingen in de omgeving van het onderwijs
    Onderwijs kan worden omschreven als een geïnstitutionaliseerd proces dat
    gericht is op het realiseren van bepaalde, van tevoren vastgestelde leerdoelen
    voor een omschreven doelgroep. De leerdoelen weerspiegelen de doelstelling van
    het onderwijs en bevatten economische, sociale en culturele componenten.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 149 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 150 ======================================================================

<pre>    va n oude e n nieu w e k e n nis
                  De doelgroepen kunnen in grote lijnen worden ingedeeld naar leeftijd en oplei-
                  dings- of ontwikkelingsniveau.
                  Onderwijs en samenleving ontwikkelen zich in onderlinge samenhang en de ver-
                  anderingen in de samenleving laten het onderwijs dan ook niet ongemoeid. Het
                  gaat hierbij onder meer om de technologische ontwikkeling (in het bijzonder op
                  het gebied van ict), de mondialisering en de individualisering. Mede als gevolg
                  van de toenemende mobiliteit en de zich snel ontwikkelende informatie- en
                  communicatietechnologie ondervinden veel maatschappelijke terreinen de
                  invloed van internationale ontwikkelingen. De mondialisering van de economie
                  brengt met zich mee dat activiteiten van ondernemingen en organisaties minder
                  aan een fysieke locatie zijn gebonden. In principe wordt het steeds eenvoudiger
                  de stappen in een productieketen daar uit te voeren waar de waardetoevoeging
                  voor de onderneming het grootst is. De geografische spreiding van onderne-
                  mingsactiviteiten neemt hiedoor toe.
                  Niettemin zijn de meeste mensen nog gebonden aan een bepaalde fysieke omge-
                  ving. Deze gebondenheid wordt onder andere bepaald door geboorte, sociaal-cul-
                  turele factoren en vrije keuze. Op de arbeidsmarkt is de geografische mobiliteit
146               nog vrij beperkt, maar dankzij de ontwikkeling van de ict kunnen handelingen
                  wel een grotere onafhankelijkheid van tijd en plaats krijgen. Voor individuen
                  impliceert de mondialisering van de economie daarom dat de virtuele horizon
                  mogelijk niet meer samenvalt met de fysieke horizon.
                  Naast de sociale en culturele functie van het onderwijs, is de aansluiting op de
                  arbeidsmarkt een belangrijk oriëntatiepunt voor veranderingen in het onderwijs.
                  De vraag welke vaardigheden in het onderwijs aangeleerd moeten worden, dient
                  mede – maar zeker niet uitsluitend – te worden bepaald door de eisen die de
                  hedendaagse arbeidsorganisatie stelt. Daarom wordt hierna nagegaan welke ver-
                  anderingen zich voordoen in de sfeer van arbeid en organisatie en welke rol ict
                  hierbij speelt. Dit kan inzicht bieden in de vraag of en, zo ja, hoe de vaardigheden
                  die in het onderwijs worden geleerd, moeten worden aangepast aan de eisen van
                  de veranderende omgeving van het onderwijs.
       6.2.1      ont wikkeling in gevr aagde kwalificaties
                  De opmars van ict kan ingrijpende gevolgen hebben voor de organisatie van de
                  arbeid en de eisen die aan arbeidskrachten worden gesteld. Net als andere technolo-
                  gische innovaties in het verleden beïnvloedt ict de bedrijfsorganisatie langs drie
                  wegen: via productinnovatie, via vernieuwing van het productieproces en via ver-
                  anderingen in de arbeidsorganisatie. De overheersende opvatting onder onderzoe-
                  kers is dat elk van deze veranderingen gepaard gaat met een verhoging van het ver-
                  eiste kwalificatieniveau en met een verschuiving in de gevraagde kwalificaties van
                  specifieke vakkennis naar meer algemene sociaal-communicatieve vaardigheden
                  en competenties. Deze visie is echter niet onomstreden (vgl. Trommel 1999). Het is
                  daarom goed iets langer stil te staan bij de gevolgen van ict voor arbeid.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 150 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 151 ======================================================================

<pre>                                                                                   onderwijs
De ontwikkeling van ict gaat gepaard met de introductie en opmars van tal van
nieuwe goederen en diensten, zoals pc’s, mobiele telefoons, videospelletjes, soft-
warepakketten en informatiediensten. Nieuwe producten brengen nieuwe werk-
zaamheden met zich mee, die veranderingen in de inhoud van oude beroepen of
de opkomst van geheel nieuwe beroepen (informatici, telemarketeers) tot gevolg
kunnen hebben. Productinnovatie kan hierdoor, zeker op wat langere termijn, tot
omvangrijke verschuivingen in de beroepenstructuur leiden. Doorgaans wordt
aangenomen dat dit gepaard gaat met een stijging van de kwalificaties die van
werknemers worden gevraagd. Zo vraagt de ontwikkeling van software om
hoogopgeleide vakspecialisten. Tegelijkertijd ontstaan echter ook nieuwe werk-
zaamheden waarvoor minder hoge kwalificaties worden gevraagd. Bij de fabrica-
ge van computers en mobiele telefoons zijn bijvoorbeeld ook laaggekwalificeerde
arbeidskrachten nodig, terwijl de dienstverlening in call-centers vooral commu-
nicatieve vaardigheden, maar meestal geen specifieke vakkennis vraagt.
Toepassing van ict kan ook gepaard gaan met ingrijpende veranderingen in het
productieproces. Hierbij kan zowel sprake zijn van vervanging (substitutie) van
arbeidskrachten als van complementariteit met de factor arbeid. ict vervangt
over het algemeen laaggeschoold en routinematig werk (substitutie), maar is
complementair aan hooggeschoolde en ‘creatieve’ arbeid. Zo zijn veel typisten en             147
laaggekwalificeerde administratief medewerkers vervangen door de pc en veel
baliemedewerkers en lokettisten door (betaal-)automaten. Tegelijkertijd levert de
introductie van de pc werk op voor systeembeheerders en andere computer- en
automatiseringsdeskundigen en ondersteunt en versnelt de pc het werk van
(hoger opgeleide) ‘kenniswerkers’. Hierbij gaat het om zulke uiteenlopende
beroepen als architecten, ontwerpers, journalisten, wetenschappelijk onderzoe-
kers, marktanalisten, accountants en consultants.
Bij de kwalificaties die een optimaal gebruik van ict als productiefactor vereist,
gaat het slechts in beperkte mate om specifieke ‘computervaardigheden’ (Borg-
hans en Ter Weel 2000). Deze zijn weliswaar van groot belang voor systeemana-
listen, programmeurs en dergelijke, maar voor de meeste ‘kenniswerkers’ vol-
staat basiskennis van enkele softwarepakketten (zoals tekstverwerking, data-
beheer en -analyse, e-mail). Zij dienen vooral te beschikken over kennis en vaar-
digheden om met informatie om te gaan: het vermogen uit een grote hoeveelheid
informatie de gegevens te selecteren die voor de lokale context relevant zijn, en
deze te vertalen naar de specifieke context, zodat zij in het productieproces kun-
nen worden aangewend.
Computersystemen kunnen ook (helpen) eenvoudige beslissingen (te) nemen en
taken in de toezichthoudende sfeer uitoefenen. De overgebleven taken krijgen
hierdoor een meer dienstverlenend en een minder routinematig karakter. Mensen
moeten steeds meer en beter situationele respons (Hazeu 1989: 43 e.v.) kunnen
geven: adviseren en meedenken met klanten over producten die steeds com-
plexer worden en steeds meer toegesneden zijn op individuele voorkeuren. Dit
vereist vaardigheden om met mensen om te gaan (wrr 2000). Hoogopgeleiden
</pre>

====================================================================== Einde pagina 151 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 152 ======================================================================

<pre>    va n oude e n nieu w e k e n nis
                  lijken in ruimere mate over dergelijke competenties te beschikken dan laagopge-
                  leiden, zodat de vraag naar hoogopgeleiden toeneemt en de vraag naar laagopge-
                  leiden daalt. Per saldo is hiermee sprake van een opwaardering (regradatie) van de
                  beroepenstructuur in termen van vereiste kwalificaties.
                  Het werkgelegenheidsaandeel van de twee hoogste functieniveaus op een schaal
                  van vijf niveaus (hogere en wetenschappelijke beroepen) groeide tussen 1985 en
                  1999 dan ook van 20 naar 29 procent, terwijl het aandeel van het tweede en derde
                  niveau (lagere en middelbare beroepen) kromp van 73 naar 63 procent. Opmerke-
                  lijk is wel, dat het werkgelegenheidsaandeel van het onderste niveau (elementaire
                  beroepen) gelijk bleef: zowel in 1985 als in 1999 bedroeg dit 7 procent. Naast
                  regradatie is er dus ook sprake van een lichte polarisatietendens (De Beer 2001a).
                  Wellicht de meest ingrijpende veranderingen onder invloed van ict doen zich
                  voor in de arbeidsorganisatie. Deze zijn echter met grote onzekerheid omgeven,
                  doordat ict slechts een van de factoren is die deze veranderingen bepalen (andere
                  factoren zijn bijvoorbeeld de mondialisering en de individualisering) en doordat
                  het moeilijk is een goed beeld te krijgen van kwalitatieve veranderingen op
                  ondernemingsniveau. Niettemin beschouwen veel onderzoekers ict als een van
148               de drijvende krachten achter de verspreiding van nieuwe productieconcepten en
                  organisatieprincipes (vgl. Steijn 2001). Gemeenschappelijk kenmerk hiervan is
                  dat de traditionele hiërarchische Tayloristische organisatie plaats maakt voor een
                  nieuwe arbeidsorganisatie die door een of meer van de volgende elementen wordt
                  gekenmerkt (vgl. Scheele 1999: 96-97; Theeuwes 2000):
                  • een plattere organisatie en een vermindering van het aantal hiërarchische lagen;
                  • een netwerkorganisatie waarin zeggenschap en verantwoordelijkheden wor-
                      den gedelegeerd aan ‘zelfstandige business units’, ‘zelfsturende teams’ of
                      ‘autonome taakgroepen’. Controle en beoordeling vinden meer plaats op basis
                      van prestaties (output) dan op basis van aanwezigheid of inzet (input);
                  • een nauwere en flexibeler afstemming tussen de onderdelen van het produc-
                      tieproces, resulterend in ‘just in time’ productie (jit) en een ‘slanke’ (lean)
                      organisatie, waarin voorraden worden geminimaliseerd en het personeel breed
                      en flexibel inzetbaar is;
                  • werken op fysieke afstand van het bedrijf: telewerken, thuiswerken.
                  In deze nieuwe arbeidsorganisatie dienen de werkenden over andere vaardighe-
                  den te beschikken dan in een ‘ouderwetse’ Tayloristische organisatie. Om goed te
                  kunnen functioneren in teams en met collega’s te kunnen samenwerken, zijn
                  sociaal-communicatieve en sociaal-normatieve vaardigheden en competenties
                  (ook wel soft skills of people skills genoemd) vereist: uitdrukkingsvaardigheid,
                  inlevingsvermogen, collegialiteit. Grotere zelfstandigheid en autonomie van het
                  personeel vragen om initiatiefrijke, ondernemende medewerkers die flexibel zijn
                  en risico’s durven nemen.
                  Of de geschetste veranderingen in de arbeidsorganisatie een algemeen verschijn-
                  sel zijn of dit in de nabije toekomst zullen worden, is echter allerminst zeker. Het
</pre>

====================================================================== Einde pagina 152 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 153 ======================================================================

<pre>                                                                                   onderwijs
meeste onderzoek hiernaar behelst case studies van een beperkt aantal, meestal
niet-representatieve ondernemingen. Voor zover meer representatieve gegevens
beschikbaar zijn, bieden deze slechts in beperkte mate ondersteuning voor de
beschreven trends. Zo concluderen Benders, Huijgen en Pekruhl (1998) op basis
van een Europese survey dat in slechts 4 procent van de arbeidsorganisaties in de
eu (in Nederland 7%) teamwerk voorkomt waarbij een groot deel van de werkne-
mers in groepen werkt die uiteenlopende bevoegdheden hebben (een zogenaam-
de sociotechnische organisatie). Steijn (2001: 65-69) vond in een recent onder-
zoek onder Nederlandse werknemers geen eenduidig verband tussen het gebruik
van ict en de aard van de arbeidsorganisatie. Teamwerk komt het meest voor in
bedrijven en functies waarin men veel met mensen werkt, zoals in de gezond-
heidszorg en het onderwijs.
Uit het leefsituatieonderzoek van het cbs blijkt wel dat in Nederland de autono-
mie van de werkenden met betrekking tot de wijze waarop men het werk uit-
voert, groot is en toeneemt: van 64 procent in 1994 naar 71 procent in 2000 (cbs,
pols 20001). Uit het aangehaalde onderzoek van Steijn blijkt dat ict-gebruik
samengaat met een grotere complexiteit van het werk, maar niet van invloed is op
de autonomie. Deze wordt alleen bepaald door het beroep en het gehanteerde
productieconcept: in hogere beroepen en in niet-Tayloristische organisaties is de            149
autonomie van de medewerkers het grootst (Steijn 2001: 104-110).
Hoewel al jarenlang wordt voorspeld dat telewerken dankzij ict een hoge vlucht
zal nemen, zijn hiervoor nog weinig concrete aanwijzingen. In een onderzoek
voor de Europese Commissie wordt het aantal telewerkers die minimaal een dag
per week thuis werken en daarbij gebruik maken van ict in Nederland in 1999 op
niet meer dan 4 procent geschat, tegenover 3 procent in 1997 (Europese Commis-
sie 1998: 28; 1999: 26).
De verschuiving in de arbeidsvraag naar hoger opgeleiden en naar andere (bijv.
sociaal-communicatieve) vaardigheden en competenties kan ook empirisch wor-
den onderzocht door na te gaan welke factoren beloningsverschillen verklaren.
Sinds het begin van de jaren negentig stijgt het rendement op onderwijs in
Nederland: de loonverschillen tussen hoog- en laagopgeleiden nemen, na correc-
tie voor andere factoren, toe. De Beer (2001b: 297) schat dat het rendement op een
jaar extra onderwijs tussen 1991 en 1995 toenam van 5,1 naar 5,9 procent en Leu-
ven en Oosterbeek (2000) vinden een toename van 5,8 in 1994 naar 8,5 procent
in 1999. Pogingen om het effect van ict op de lonen meer direct te meten, leve-
ren echter geen eenduidige uitkomsten op. Weliswaar blijken werknemers die
met computers werken, gemiddeld meer te verdienen dan andere werknemers,
maar het is onduidelijk in hoeverre het computergebruik hiervan de oorzaak is.
Borghans en Ter Weel (2000) concluderen op basis van een onderzoek onder
Britse werknemers in ieder geval dat specifieke computervaardigheden hierbij
nauwelijks een rol spelen.
Een aanwijzing voor de veronderstelling dat impliciete kennis en competenties
belangrijker worden, kan worden gevonden in het feit dat de onverklaarde
</pre>

====================================================================== Einde pagina 153 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 154 ======================================================================

<pre>    va n oude e n nieu w e k e n nis
                  variantie in loonschattingen in de loop van de tijd is toegenomen. Herhaaldelijk
                  is vastgesteld dat de loonverschillen tussen werknemers met hetzelfde oplei-
                  dingsniveau (maar ook: van hetzelfde geslacht, in dezelfde leeftijdsklasse enz.)
                  groter zijn geworden (zie bijv. De Beer 2001b: 256). Aangezien impliciete kennis
                  in het empirische onderzoek niet wordt waargenomen, zou deze hiervoor een
                  verklaring kunnen bieden. Er zijn echter ook andere verklaringen mogelijk, zoals
                  een toenemend belang van andere niet-waargenomen factoren of een onjuiste
                  specificatie van de loonvergelijking, terwijl niet vaststaat welke rol ict hierbij
                  speelt. Dit onderzoek levert dus geen ‘hard’ bewijs op voor het toenemende
                  belang van opleidingsniveau en impliciete kennis en competenties, maar de
                  waargenomen trends – een stijgend rendement op onderwijs en een toename van
                  de ‘onverklaarde’ loonverschillen – zijn hiermee wel in overeenstemming. Nader
                  onderzoek op dit punt lijkt gewenst.
       6.2.2      snellere veroudering van kennis?
                  Onder invloed van ict lijkt niet alleen de aard van de gevraagde kwalificaties te
                  veranderen, maar ook het tempo waarin kennis en kwalificaties verouderen.
                  Dit is een van de redenen waarom steeds meer belang wordt gehecht aan employ-
150               ability en een leven lang leren. Als de introductie van een nieuwe technologie de
                  inhoud van functies doet veranderen of oude functies laat verdwijnen en nieuwe
                  laat ontstaan, vraagt dit van het personeel voldoende aanpassingsvermogen.
                  Om-, her- en bijscholing kunnen het mogelijk maken in de gewijzigde functie
                  werkzaam te blijven of in een nieuwe functie aan de slag te gaan. Op zichzelf is
                  dit niets nieuws. Functiewijzigingen hebben zich altijd al voorgedaan en ook in
                  het verleden zijn vele functies verdwenen en nieuwe functies ontstaan. Vaak
                  wordt evenwel gesteld dat ict het proces van functieveranderingen versnelt.
                  Of dit ook werkelijk zo is, is echter niet eenvoudig vast te stellen. De product-
                  levenscyclus van ict-producten (zoals computers en mobiele telefoons) is welis-
                  waar kort, maar dit geldt ook voor veel andere producten (zoals auto’s en confec-
                  tie). Andere factoren, zoals de verscherping van de (internationale) concurrentie
                  en sneller wisselende consumentenvoorkeuren, lijken aan die versnelling ten
                  grondslag te liggen. Wel biedt ict de mogelijkheden om in het productieproces
                  hierop sneller te reageren (bijv. dankzij kortere omsteltijden van machines). Ook
                  van de frequente veranderingen in arbeidsorganisaties (zie het grote aantal reor-
                  ganisaties) is het twijfelachtig of ict een belangrijke ‘drijvende kracht’ is. Facto-
                  ren als mondialisering, schaalvergroting en een toenemende nadruk op de ‘aan-
                  deelhouderswaarde’ zijn waarschijnlijk van meer belang.
                  Cijfers over de arbeidsmobiliteit bieden vooralsnog weinig steun voor de veron-
                  derstelde grotere ‘turbulentie’ op de arbeidsmarkt. De baan-baanmobiliteit wordt
                  vooral door conjuncturele factoren bepaald: tussen 1990 en 1993 (in een neer-
                  gaande conjunctuurfase) nam zij af van 15 naar 8 procent, om daarna weer toe te
                  nemen tot 11 procent in 1998 (ser 2001: 41-42; De Beer 2001b: 48). Het aantal
                  jaren dat werknemers gemiddeld bij dezelfde werkgever in dienst zijn, is in de
                  jaren negentig licht toegenomen, tot bijna negen jaar (De Beer 2001b: 47). Overi-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 154 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 155 ======================================================================

<pre>                                                                                       onderwijs
gens sluiten deze cijfers niet uit dat de interne mobiliteit – tussen functies binnen
dezelfde onderneming of door veranderingen binnen functies – wel degelijk is
toegenomen, maar daarover zijn geen cijfers beschikbaar.
Zelfs als functies frequenter ontstaan, veranderen en weer verdwijnen, staat nog
niet zonder meer vast dat de kennis en vaardigheden van werknemers sneller ver-
ouderen en dat dus de noodzaak bestaat tot regelmatige om-, her- of bijscholing
of tot permanent leren. In de vorige paragraaf is immers opgemerkt dat het belang
van specifieke vakkennis (die het snelst veroudert) zou kunnen afnemen in ver-
gelijking met impliciete kennis en competenties, zoals sociaal-communicatieve
vaardigheden en creativiteit, waarvoor er weinig reden is om aan te nemen dat zij
snel verouderen. Het gaat hierbij immers om algemene kennis en vaardigheden
die in uiteenlopende functies bruikbaar zijn.
Gezien de onzekerheid over de gevolgen van ict voor de arbeidsorganisatie en de
gevraagde kwalificaties, is het lastig hieraan algemene consequenties te verbin-
den voor het onderwijs. Niettemin biedt bovenstaande overzicht wel enkele aan-
knopingspunten. Hoewel het onderlinge ‘gewicht’ van klassieke vakkennis en
‘moderne’ algemene competenties en vaardigheden moeilijk is vast te stellen,
lijdt het weinig twijfel dat het belang van de laatste toeneemt. Het onderwijs is                151
traditioneel echter meer gericht op het aanleren van vakkennis en vakbekwaam-
heden dan op het ontwikkelen van brede competenties. Hierdoor worden leerlin-
gen en studenten onvoldoende voorbereid op het functioneren in moderne
arbeidsorganisaties, waarin ook sociaal-communicatieve vaardigheden, creativi-
teit, ondernemingszin en flexibiliteit van belang zijn. Zelfs als het hier slechts een
minderheid van de bedrijven betreft, is het van belang dat men ook in een derge-
lijke omgeving goed kan functioneren.
Zoals opgemerkt is het op zichzelf niet nieuw dat mensen in de loop van hun car-
rière regelmatig nieuwe dingen moeten leren om bij te blijven. Vroeger gebeurde
dit al doende in de praktijk op de werkvloer, en ook tegenwoordig is dit nog altijd
een belangrijke manier om nieuwe kennis en vaardigheden op te doen. Hiernaast
hechten ondernemingen echter een toenemend belang aan meer formele her-,
om- en bijscholing buiten de werkplek. Tot op heden wordt in deze vraag naar
(bedrijfs)opleidingen voornamelijk voorzien door private, commerciële oplei-
dingsinstituten. Een belangrijke vraag is in hoeverre in de toekomst ook het
publieke, reguliere onderwijs hierin een rol kan en moet gaan spelen. Anders
gezegd: dient er een educatieve infrastructuur tot stand te komen die de effectivi-
teit van het leven-lang-leren vergroot en welke rol dienen publieke onderwijsin-
stellingen hierin te spelen?
Uit het bovenstaande mag niet worden geconcludeerd dat het onderwijs zich uit-
sluitend zou moeten richten op de wensen van de arbeidsmarkt. Naast een eco-
nomische functie heeft het onderwijs ook een onmisbare sociaal-culturele func-
tie. Vooral in het funderend onderwijs voor jeugdigen neemt de ontplooiings-
gedachte, het tot uitdrukking laten komen van de capaciteiten waarover mensen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 155 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 156 ======================================================================

<pre>    va n oude e n nieu w e k e n nis
                  potentieel beschikken, een belangrijke plaats in. Het is immers niet alleen een
                  persoonlijk, maar ook een gemeenschappelijk belang dat iedere burger over de
                  primaire vaardigheden, kennis en attitudes beschikt om in het leven weloverwo-
                  gen keuzen te kunnen maken en politiek, economisch en cultureel volwaardig in
                  de samenleving te kunnen participeren. Juist de hierboven benadrukte compe-
                  tenties zijn, naast het belang dat er op de arbeidsmarkt aan wordt gehecht, ook
                  uitermate belangrijk voor volwaardige participatie in de moderne maatschappij.
                  Een kwalitatief goede basisopleiding vormt een onmisbare voorwaarde om nieu-
                  we leermiddelen en leerwegen adequaat te kunnen benutten.
       6.3        ver anderingen in het denken over onderwijs
                  In het onderwijs zijn leerlingen en docenten de belangrijkste actoren. Bij leerpro-
                  cessen zijn verder de sociale interactie en de omgeving waarin het proces zich
                  afspeelt, van belang. Dit laatste geldt zowel voor het ‘spontaan’ leren in de prak-
                  tijk als voor geïnstitutionaliseerde leerprocessen in het onderwijs. Het onderwijs
                  probeert een context te bieden die het leerproces van individuen ondersteunt. De
                  leeromgeving wordt dus doelgericht ontworpen, de leerstof wordt gestructu-
                  reerd en het leerproces wordt begeleid en beoordeeld.
152
                  Een leerproces resulteert in een blijvende verandering in het gedrag van een indi-
                  vidu (Boekaerts 1995; De Wolf 2000). Een leerproces vindt altijd plaats in een
                  context, dat wil zeggen een combinatie van fysieke, sociale en virtuele omgevin-
                  gen met een zekere bestendigheid. Omdat een mens steeds in meerdere contex-
                  ten functioneert, dienen de kennis en vaardigheden die men in het onderwijs in
                  een specifieke context leert, ook in andere contexten te kunnen worden gebruikt
                  (transfer).
       6.3.1      ver anderende eisen aan het onderwijskundig ont werp
                  In het onderwijs ligt van oudsher veel nadruk op het leren van feiten. Deze
                  nadruk is in overeenstemming met de klassieke idealen van eruditie en weten-
                  schap. In deze ‘klassieke’ benadering speelt kennisordening binnen specifieke
                  domeinen of disciplines een belangrijke rol; de doelstellingen van het leerproces
                  worden dan ook vaak vanuit deze disciplines geformuleerd. Een analyse daarvan
                  biedt vervolgens zicht op de optimale condities om de onderwijsdoelstellingen te
                  realiseren. Deze benadering kan goed werken voor domeinen die gekarakteri-
                  seerd worden door losstaande leerdoelen, maar voldoet minder in situaties waar-
                  in sprake is van meer geïntegreerde en complexere sets van leerdoelen. Indien
                  men vanuit een specifieke discipline begint, is het resultaat van het onderwijs-
                  ontwerp veelal een relatief gesloten onderwijssysteem. Het formele leerproces
                  speelt zich dan af in een leeromgeving die nogal afgeschermd is van de maat-
                  schappij. Pas nadat hij of zij de opleiding heeft beëindigd, kan de lerende de opge-
                  dane kennis in de beroeps- of maatschappelijke praktijk toepassen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 156 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 157 ======================================================================

<pre>                                                                                       onderwijs
Momenteel doet zich in het onderwijs een verschuiving voor van nadruk op het
kennen van feiten naar meer aandacht voor het ontwikkelen van competenties.
Het verwerven van kennis zal weliswaar een belangrijke doelstelling blijven,
maar de mogelijkheid om kennis actief binnen een praktische context te beheer-
sen, kennis te kunnen vertalen naar een specifieke context, wint aan belang. Voor
het didactische model betekent dit dat de nadruk ligt op een actief, geïndividuali-
seerd leerproces in een rijke en complexe leeromgeving. Dit leren moet individu-
en voorbereiden op het functioneren in complexe omgevingen in maatschappij
en/of bedrijf, waarin men wordt geconfronteerd met een multidisciplinaire
benadering van vraagstukken, een verscheidenheid aan nieuwe vraagstukken en
samenwerking met experts uit verschillende domeinen. In vergelijking met het
traditionele, kennisgerichte onderwijs ligt het accent bij competentiegericht
onderwijs veel meer op de rollen, taken en problemen die een afgestudeerde
moet kunnen vervullen, uitvoeren en oplossen (Jochems en Gerrissen 2000;
Westera, Sloep en Gerrissen 2000).
Een nadeel van het woord competentie is dat het geen eenduidig begrip is. Vanuit
verschillende perspectieven worden er verschillende betekenissen aan toege-
kend. In het onderwijs worden competenties gebruikt in de zin van leerdoelen;
een competentie is dan het vermogen om kennis, inzichten, vaardigheden en                        153
attitudes effectief te hanteren in een taak. Zo’n taak hoeft niet per se een taak bin-
nen een organisatie of bedrijf te zijn. In het onderwijs heeft het competentiebe-
grip een algemene betekenis, die neutraal is ten aanzien van de context waarin
geleerd wordt. Vanuit het bedrijfsperspectief ligt de nadruk op de relatie met
prestaties die voor de organisatie relevant zijn. In bedrijfsopleidingen wordt het
competentiebegrip individualistischer gebruikt, waarbij er meer oog is voor de
specifieke context, zoals de bedrijfscultuur, en een verband wordt gelegd met
gewenste individuele groei (human resource management, hrm).
In een competentiegericht leerproces moet de lerende alleen datgene ontwikke-
len wat hij of zij nog onvoldoende beheerst. Hiertoe dient eerst met behulp van
een ingangstoets te worden vastgesteld welke competenties of componenten van
competenties men reeds beheerst, waarna een doelgerichte taaktoewijzing kan
plaatsvinden. Aan het eind van het leertraject moet weer worden gemeten of de
gewenste competenties inderdaad ontwikkeld zijn. Op deze wijze wordt het leer-
proces geïndividualiseerd en geformaliseerd. Het toetsen van competenties is
echter geen eenvoudige zaak. Voor een betrouwbare meting is immers een goed
gedefinieerde en gecontroleerde toetsomgeving vereist, terwijl de uitvoering van
een taak vaak weinig gestandaardiseerd en gecontroleerd is. Daarom zal de beoor-
deling mede op basis van assessment moeten geschieden.
In tabel 6.1 worden in ideaaltypische vorm enkele essentiële verschillen tussen de
meer traditionele en de competentiegerichte aanpak in het onderwijs samenge-
vat. In de praktijk zijn de verschillen echter zelden zo duidelijk en is veelal sprake
van mengvormen van beide benaderingen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 157 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 158 ======================================================================

<pre>    va n oude e n nieu w e k e n nis
         Tabel 6.1        Verschillen tussen ‘traditioneel’ en competentiegericht onderwijs
         ‘Traditioneel’                                                Competentiegericht
         kennisinhoud en disciplinegerichte vaardigheden             competenties in relevante rollen, taken en
         als uitgangspunt                                            (beroeps)praktijk als uitgangspunt
         student bestudeert afzonderlijke vakken, waarna             student in rol of taak, bij voorkeur binnen een
         integratie plaatsvindt                                      organisatorische setting
         elke student krijgt dezelfde inhoud aangeboden              individualisering: traject hangt af van individuele
                                                                     competentieleemte
       Bron: Jochems en Gerrissen (2000)
                   Bij leren in de praktijksituatie (leerlingwezen en duaal leren) speelt het leerproces
                   zich voor een deel ook af in een ‘echte praktijksituatie’, meestal onder toezicht
                   van een coach binnen de organisatie of het bedrijf. Zo’n coach beschikt echter niet
                   altijd over de benodigde didactische kwaliteiten en affiniteit. Tevens kan de voor
                   begeleiding beschikbare tijd een kritische factor zijn.
                   De gedachte achter duaal leren is dat onderwijsinstellingen en bedrijven geza-
154                menlijk een systeem vorm geven waarin leren en werken elkaar afwisselen. Hoe-
                   wel deze afwisselende periodes van leren en werken elkaar ondersteunen, is er
                   geen sprake van een echte integratie. Leren en werken vinden plaats in verschil-
                   lende omgevingen met verschillende culturen en verschillende mensen en dit
                   kan de vertaling van kennis naar de praktijk in de weg staan (Westera, Sloep en
                   Gerrissen 2000).
                   Er zijn ook benaderingen waarin getracht wordt het leerproces te laten verlopen
                   in een bedrijfscontext. De management games binnen bedrijfsopleidingen zijn
                   een bekend voorbeeld hiervan (Faria 1998). Bij management games wordt de
                   praktijksituatie gesimuleerd, maar er blijft sprake van een gesloten systeem.
                   Voorbeelden van leeromgevingen die echt open zijn en waarin onderwijsdoel-
                   stellingen worden gerealiseerd in een open (bedrijfs)omgeving, zijn GipHouse
                   (een softwarebedrijf aan de kun) en het Virtueel Bedrijf aan de Open Universi-
                   teit Nederland (Westera, Sloep en Gerrissen 2000). Deze initiatieven streven er
                   wel naar leren, werken en doceren volledig te integreren.
                   Bij de laatste voorbeelden is sprake van een gerichtheid op het functioneren bin-
                   nen een bedrijfsomgeving. Competentiegericht leren hoeft zich echter niet tot
                   deze omgevingen te beperken. Aandacht voor het ontwikkelen van competenties
                   naast, maar niet in plaats van, het verwerven van feitenkennis in het onderwijs
                   heeft verschillende aantrekkelijke aspecten. Het bevordert een meer vraaggerich-
                   te organisatie van het onderwijs en integratie van verschillende onderdelen, het-
                   geen betere voorwaarden schept voor transfer naar andere omgevingen. De indi-
                   viduele behoeften van de lerenden komen meer centraal te staan, wat vooral van
                   belang is vanuit het perspectief van een leven lang leren. In het hoger beroepson-
                   derwijs en het wetenschappelijk onderwijs is vooral de afstudeerfase geschikt
</pre>

====================================================================== Einde pagina 158 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 159 ======================================================================

<pre>                                                                                          onderwijs
      voor een competentiebenadering. Zo ontstaat een meer vloeiende overgang naar
      de beroepspraktijk. In de propedeus- of bachelorfase kan competentiegericht
      leren motiverend zijn, maar zal ook de ‘traditionele’ vorm van kennisverwerving
      van belang blijven (Jochems en Gerrissen 2000).
6.3.2 leertheoretische benaderingen van onderwijs: behaviorisme en
      constructivisme
      Om een geïnstitutionaliseerde context, gericht op het stimuleren van leerproces-
      sen, vorm te geven, is theorievorming over leren van belang. Van de vele theo-
      rieën die bestaan, zijn het op dit moment de behavioristische en de cognitivisti-
      sche theorie die aangemerkt kunnen worden als de belangrijkste stromingen
      (Eurelings et al. 2002). Volgens de behavioristische theorie kan leren gelijk wor-
      den gesteld aan het verwerven van observeerbaar gedrag. In deze visie leert men
      door een gedragsreactie op een stimulus te bekrachtigen; de aangeboden infor-
      matie wordt als het ware in afzonderlijke deeltjes in het gedrag ingeslepen. Deze
      behavioristische visie gaat in zekere zin uit van de objectiviteit van kennis (vgl.
      het diffusiemodel in par. 2.2.4).
      Volgens de cognitivistische theorie ontstaan nieuwe kennis en vaardigheden door               155
      de mentale verwerkingsprocessen bij het verwerken van informatie of het aanle-
      ren van gedrag; de aangeboden informatie wordt geïntegreerd in het kennisbe-
      stand waarover de leerling al beschikt. Een belangrijke stroming binnen de cogni-
      tivistische theorie is het constructivisme. Deze stroming gaat ervan uit dat
      mensen hun eigen kennis opbouwen (construeren) en dat de lerende informatie
      steeds interpreteert vanuit zijn of haar voorkennis. De informatie wordt niet
      opgeslagen in de vorm waarin ze wordt aangeboden, maar actief heropgebouwd
      vanuit persoonlijke en contextgebonden inzichten. Sociale interacties tijdens het
      leren geven hierbij aanleiding tot expliciteren van en reflecteren op inzichten,
      strategieën, denkwegen en oplossingsmethoden. Deze activiteiten bevorderen
      zowel begripsvorming als de verwerving van heuristische methoden en metacog-
      nitieve vaardigheden (‘leren leren’). Probleemoriëntatie tijdens het leerproces
      dient als stimulus voor het proces en draagt eraan bij dat de kloof tussen kennis-
      ontwikkeling en kennistoepassing wordt overbrugd. In de sociale omgeving
      komen meningen tot stand tijdens interacties met anderen. Een didactische bena-
      dering om deze interacties tot stand te brengen is samenwerkend leren in groe-
      pen (Kreijns, Kirschner en Jochems 2002).
      In de constructivistische leertheorie is het proces waarin de leerresultaten wor-
      den bereikt, even belangrijk als de leerresultaten zelf. De volgende vier aspecten
      zijn van belang voor het leerresultaat:
      • de leerling verbindt de kennis en vaardigheden waarover hij/zij beschikt met
         de specifieke context waarin de ervaring is opgedaan; metacognitieve vaardig-
         heden (zoals ‘leren leren’) spelen hierbij een belangrijke rol;
      • voorkennis heeft invloed op het leerresultaat en is een belangrijke voorspeller
         van leerprestaties in een nieuwe situatie;
</pre>

====================================================================== Einde pagina 159 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 160 ======================================================================

<pre>    va n oude e n nieu w e k e n nis
                  • versterking van de metacognitieve vaardigheden door middel van een lange-
                     termijnstrategie is effectiever dan het proberen individuele leerstijlen te ver-
                     anderen;
                  • affectieve variabelen zoals motivatie en zelfvertrouwen bevorderen de kwali-
                     teit van het leerproces en beïnvloeden het leerresultaat op indirecte wijze.
                  Sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw is er in de onderwijskundige literatuur
                  een verschuiving zichtbaar van de behavioristische benadering van het leerproces
                  naar de cognitivistische. Toepassingen op basis van de behavioristische theorie
                  worden nog wel van waarde geacht voor het aanleren van automatismen en
                  motorische vaardigheden. Er bestaat echter een grote mate van overeenstemming
                  over het uitgangspunt dat leren een actief proces is, waarin kennisopbouw van
                  individuen gebaseerd is op eerdere (leer)ervaringen, persoonlijke leerstijl, de
                  context waarin het leerproces plaatsvindt en sociale interactie.
       6.3.3      het ont werpen van leeromgevingen
                  Bij het ontwerpen van een leeromgeving worden vanuit een leertheoretisch con-
                  cept de maatregelen en condities gecreëerd die het leerproces optimaal ondersteu-
156               nen. Een verschuiving van de behavoristische naar de constructivistische theorie
                  heeft dan ook invloed op de onderwijsarrangementen die in de praktijk gehanteerd
                  worden. Eurelings et al. (2002) contrasteren de karakteristieken van de op de beha-
                  vioristische theorie gebaseerde instructie met de op de cognitivistische theorie
                  gebaseerde constructie. Bij instructie is de docent de expert, verteller en beoorde-
                  laar, terwijl de lerende een passieve luisteraar is die kennis reproduceert. Bij con-
                  structie treedt de docent meer op als coach en begeleider; de lerende is actief en
                  construeert zelf kennis. Instructie vindt doorgaans plaats in een leeromgeving die
                  weinig mogelijkheden biedt voor interactie en die van een beperkte verzameling
                  informatiebronnen gebruik maakt (zoals bij het klassieke hoorcollege), terwijl con-
                  structie om een kleinschalige leeromgeving vraagt met veel interactie en veel infor-
                  matiebronnen (zoals een werkgroep). Vanzelfsprekend worden de tegenstellingen
                  in deze schets nogal gechargeerd; in de praktijk is er in het leerproces bijna altijd
                  sprake van een mengvorm van instructie- en constructie-elementen.
                  In Nederland overheerst in het onderwijs nog het instructiemodel, maar veel
                  vernieuwingen die in de laatste decennia zijn doorgevoerd, zijn erop gericht de
                  constructie-elementen te versterken. Tevens neemt de aandacht toe voor het
                  genoemde competentiegerichte leren (Lynch 1997; Kerka 1997; Van Loo en Semeijn
                  2000; Mathijsen 2000; Jochems en Gerrissen 2000). In het hoger onderwijs en
                  het middelbaar beroepsonderwijs vormen de competenties die een professional
                  minimaal nodig heeft om op de arbeidsmarkt te kunnen functioneren, het uit-
                  gangspunt. Hierbij kunnen vier groepen van generieke competenties worden
                  onderscheiden: cognitieve competenties (zoals het analyseren van gegevens),
                  metacognitieve competenties (zoals zelfreflectie), sociale competenties (zoals
                  onderhandelen) en affectieve competenties (zoals doorzettingsvermogen).
                  Hiernaast zijn specifieke, beroepsgerichte competenties evenzeer nodig.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 160 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 161 ======================================================================

<pre>                                                                                          onderwijs
      Het voorgaande betreft voornamelijk de ontwikkeling in het geïnstitutionaliseer-
      de initiële onderwijs. Algemeen is de verwachting dat, naarmate kennis een
      steeds belangrijker productiefactor voor bedrijven en organisaties wordt, de
      behoefte zal toenemen aan in de werkomgeving gesitueerde contexten die de
      overdracht van voor de specifieke context relevante kennis ondersteunen.
6.4   ict in het onderwijs
6.4.1 ict en de leeromgeving
      In het onderwijs is het laatste decennium steeds meer gebruik gemaakt van de
      mogelijkheden van ict. Dit heeft echter nog niet geleid tot spectaculaire verande-
      ringen in de onderwijsorganisatie. ict wordt vooral gebruikt voor de administra-
      tie en voorlichting en om onderwijsonderdelen binnen een klassieke onderwijs-
      omgeving op projectmatige wijze te vervangen (De Wolf 1998; Collis en Van der
      Wende 1999; Melief 1999; Pilot et al. 1999; Pilot 1999). Het ict-instrumentarium
      vormt nog geen integraal onderdeel van het onderwijs in al zijn facetten, zoals
      curriculumontwikkeling, ondersteuning van leerprocessen, toetsing en koppe-
      ling met specialistische informatienetwerken en publieke media. Toepassing van
      ict kan onder deze omstandigheden dan ook niet per definitie als een verbetering              157
      van het onderwijs worden aangemerkt. De ervaringen die inmiddels met ict in
      het onderwijs zijn opgedaan, dienen daarom kritisch te worden bezien om er
      lering uit te trekken voor de toekomst.
      Gezien de snelle ontwikkelingen op het gebied van ict, mag worden verwacht
      dat ict in toenemende mate een rol gaat spelen bij het ontwerpen van leeromge-
      vingen in het onderwijs. Hierbij is het van groot belang van welke leertheoreti-
      sche benadering men uitgaat. De behavioristische benadering leidt tot course-
      ware, drill and practice en tutorials: computerondersteund onderwijs, waarbij de
      lerende in interactie met de software een sterk gestuurd traject van informatie-
      verwerking aflegt. De cognitivistisch/constructivistische benadering leidt tot
      informatierijke omgevingen, waarin synchroon en a-synchroon door middel van
      groupware interacties plaatsvinden tussen de leerlingen en studenten onderling
      en met de docent over authentieke vraagstukken.
      In toenemende mate zullen elektronische leeromgevingen een onderdeel gaan
      vormen van het onderwijsproces. Koper et al. (2000) omschrijven een elektroni-
      sche leeromgeving als “een sociaal systeem, gericht op de permanente ontwikke-
      ling en certificering van menselijke kennis en competenties in een bepaald domein
      waarvan de subsystemen gedistribueerd in tijd en plaats kunnen voorkomen, en
      waarbij ict zorg draagt voor de functies integratie, representatie, personalisatie,
      samenwerking en procesbeheer”. Een elektronische leeromgeving bevat een leer-
      stofdeel (een component waarin leerstof kan worden ondergebracht), een com-
      municatiedeel (voorzieningen voor communicatie en samenwerking) en een orga-
      nisatiedeel (instrumenten voor ‘content’, curriculum- en cursusbeheer, student-
      registratiesystemen en studentvolgsystemen) en maakt maatwerkoplossingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 161 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 162 ======================================================================

<pre>    va n oude e n nieu w e k e n nis
                  mogelijk op het gebied van samenwerkend leren. De ervaringen, weliswaar nog
                  nauwelijks een decennium oud, leren dat de toepassingen veelal gericht zijn op
                  het leerproces, met name op het ondersteunen van de interactie. Meestal is er
                  sprake van een hoge mate van maatwerk gericht op een specifieke onderwijscon-
                  text en vaak wordt maar weinig aandacht besteed aan beheersaspecten. Elektroni-
                  sche leeromgevingen die gericht zijn op samenwerkend leren, zijn meestal nog
                  niet commercieel verkrijgbaar, in tegenstelling tot de zogeheten teleleerplat-
                  forms.
                  Een teleleerplatform bestaat uit technische voorzieningen (hardware, software
                  en telecommunicatie-infrastructuur) die de interactie mogelijk maken tussen het
                  leerproces, de communicatie die hiervoor nodig is en de organisatie van het leren
                  (Droste 2000). Een teleleerplatform is er vooral op gericht een basisinformatie-
                  structuur te bieden. Het kent een aantal standaardmogelijkheden tot communica-
                  tie en de interactiemogelijkheden zijn beperkt. Volgens Kanselaar (1999) sluiten
                  de mogelijkheden van teleleerplatforms sterk aan op een instructiemodel waarin
                  de kennis en deskundigheid van de docent centraal staan en de student de rol van
                  min of meer passieve consument van kennis en vaardigheden speelt.
158               Sinds het midden van de jaren negentig wordt er op ruime schaal geëxperimen-
                  teerd met ict-toepassingen in het onderwijs. Omdat echter het gebruik van ict
                  in het onderwijs niet alleen het proces verandert, maar ook de uitkomsten ervan,
                  is vergelijkend onderzoek met controlegroepen moeilijk te organiseren. Veel
                  onderzoek is kwalitatief van aard en er is nauwelijks overeenstemming over eva-
                  luatiekaders en meetinstrumenten. Toch willen de volgende paragrafen een over-
                  zicht bieden van wat de beschikbare onderzoeken en evaluaties over het gebruik
                  van ict in het onderwijs kunnen leren.
       6.4.2      onderwijs onafhankelijk van tijd en pl aats
                  ict-instrumenten bieden de mogelijkheid het proces van kennisoverdracht te
                  organiseren onafhankelijk van tijd en plaats, hetgeen van oudsher een doelstel-
                  ling is van organisaties die afstandsonderwijs verzorgen. Hierbij kan een onder-
                  scheid worden gemaakt tussen het overbruggen van grote geografische afstanden
                  (zoals in landen als de Verenigde Staten, Canada en Australië het geval is) en het
                  vergroten van de persoonlijke studievrijheid (in Europa). In het eerste geval
                  wordt met behulp van hiertoe geëigende media (schriftelijk, radio, tv) het regu-
                  liere onderwijs bij de leerlingen en studenten thuis bezorgd en is de didactiek
                  nauwelijks afgestemd op het leren op afstand. In het tweede geval is de didactiek
                  er speciaal op gericht het onderwijsproces met behulp van daarvoor geschikte
                  media zo te organiseren dat het onafhankelijk is van plaats en tijd. Door de snelle
                  ontwikkelingen op het gebied van ict, en het internet in het bijzonder, zijn deze
                  benaderingen in het afgelopen decennium naar elkaar toe gegroeid. Hiernaast
                  gaan onderwijsinstellingen ook hun reguliere opleidingsaanbod in toenemende
                  mate mede via het internet aanbieden. In eerste instantie ging het hierbij vooral
                  om nascholing via afstandsonderwijs. In toenemende mate worden echter ook
</pre>

====================================================================== Einde pagina 162 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 163 ======================================================================

<pre>                                                                                          onderwijs
      delen van het reguliere initiële en postinitiële onderwijs in digitale vorm aange-
      boden. Ook bij het elektronisch aanbieden van leerstof is de interactie tussen stu-
      denten onderling en tussen student en docent evenwel van belang voor de effec-
      tiviteit van het leerproces (Urban 2000; Graves 2001). Het ligt voor de hand
      hierbij in eerste instantie te denken aan face-to-face contacten. Buiten het regu-
      liere onderwijs, bijvoorbeeld in postinitiële (bedrijfs)opleidingen, waar groeps-
      bijeenkomsten minder eenvoudig zijn in te passen in de agenda’s van de leren-
      den, kan ook aan een digitaal alternatief worden gedacht. De mate van inter-
      activiteit van de e-leeromgeving lijkt dan een van de belangrijke succesfactoren te
      zijn. Onderzoek naar de effectiviteit van dergelijke e-leeromgevingen is dringend
      gewenst.
      Het is weliswaar kostbaar en tijdrovend om cursusinhoud digitaal beschikbaar te
      maken, maar dit kan goed worden gerealiseerd. Het bieden van een digitaal alterna-
      tief voor de ondersteunende interacties die in een leeromgeving plaats vinden,
      staat daarentegen nog in de kinderschoenen. Nieuwe mogelijkheden op dit gebied
      moeten dan ook worden verkend. De ervaringen tot nu toe wijzen uit dat elektro-
      nisch ondersteund samenwerkend leren goede mogelijkheden biedt om zowel
      basisvaardigheden aan te leren als meer algemene competenties te verwerven.
      Hiertoe moeten de voorwaarden voor samenwerking wel expliciet deel uitmaken                   159
      van het ontwerp van de elektronische leeromgeving. Dit kan bijvoorbeeld worden
      gerealiseerd door de interacties tussen studenten onderling en tussen studenten en
      docenten expliciet op te nemen in opdrachten en afspraken (Eurelings et al. 2002;
      Van der Veen 2001; Westera et al. 2000; Kreijns en Bitter-Rijpkema 2001). Verder
      is het bij elektronisch ondersteund samenwerken van belang dat er vertrouwen
      ontstaat tussen de teamleden en dat er sprake is van actieve betrokkenheid van de
      deelnemers bij de gezamenlijke activiteiten. Hierin verschilt elektronisch onder-
      steund teamwerk niet van gewoon face-to-face teamwerk. Binnen het reguliere
      onderwijs kan men hiervoor groepsbijeenkomsten gebruiken; in situaties waarin
      dit niet mogelijk is, kan bijvoorbeeld gebruik worden gemaakt van interactieve
      videoconferenties (Van der Zijl et al. 1998; Fahraeus 2001).
6.4.3 sociale inter actie in elek tronische leeromgevingen
      Een zwaarder accent op de verwerving van competenties impliceert binnen het
      sociaal-constructivistische paradigma dat meer aandacht wordt besteed aan de
      sociale interactie tijdens het leerproces. Deze interactie kan worden gerealiseerd
      door in groepen samenwerkend te leren (collaborative group learning). Hierbij
      gaat het zowel om ongedwongen gesprekken als om taakgeoriënteerde discus-
      sies. In contactbijeenkomsten komt sociale interactie schijnbaar moeiteloos tot
      stand, al moet zij soms wel worden gestimuleerd met behulp van groepsopdrach-
      ten. In computerondersteunde omgevingen voor samenwerkend leren (computer
      supported collaborative learning, cscl) is sociale interactie technisch gezien ook
      mogelijk, maar loopt men in de praktijk het risico in twee valkuilen te stappen.
      De eerste valkuil is dat onderwijskundige ontwerpers er – bewust of onbewust –
      van uitgaan dat de sociale interactie vanzelf plaatsvindt omdat het technisch
</pre>

====================================================================== Einde pagina 163 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 164 ======================================================================

<pre>    va n oude e n nieu w e k e n nis
                  mogelijk is. In een cscl-omgeving is de gelegenheid voor non-verbale communi-
                  catie echter vrij beperkt, waardoor toevoeging van (nog) meer technische moge-
                  lijkheden niet vanzelf in sociale interactie resulteert. De tweede valkuil is dat de
                  sociale interactie in een cscl-omgeving beperkt wordt tot taakgerelateerde com-
                  municatie tussen groepsleden. Hierdoor is er geen of te weinig aandacht voor de
                  sociaal-emotionele dimensie van sociale interactie. Om deze sociaal-emotionele
                  component recht te doen, moeten de studenten in de groep een positieve band
                  met elkaar voelen, elkaar vertrouwen en samenwerking als waardevol ervaren. Bij
                  het ontwerpen van cscl-omgevingen moet daarom zowel aandacht worden
                  besteed aan taak-georiënteerde communicatie als aan sociaal-emotionele com-
                  municatie (Kreijns, Kirschner en Jochems 2002)
                  In de praktijk blijkt nogal eens dat het op afstand samenwerken van een groep
                  weliswaar technisch mogelijk is, maar dat de spontane deelname van individuele
                  groepsleden aan het groepsproces beneden de verwachtingen blijft. Veel onder-
                  wijskundigen vragen zich dan ook af of on-line leren wel geschikt is voor de
                  sociale interactie die nodig is voor een succesvol leerproces. Sociaal isolement en
                  frustratie van de leerlingen en studenten en hierdoor een tegenvallend leerresul-
                  taat zijn zeker niet denkbeeldig. Ook al heeft de sociale interactie op het eerste
160               gezicht weinig raakvlakken met de inhoudelijke kern van het materiaal, zij is een
                  sleutel tot succesvol leren. De sociale interactie moet dus bewust worden ‘inge-
                  bouwd’ en er moeten methoden worden ontwikkeld om deze aan te moedigen, te
                  instrumenteren en te faciliteren. Voor onderwijsontwerpers impliceert dit dat de
                  groepsactiviteit moet worden vormgegeven in een omgeving die in essentie op
                  tekst gebaseerd is. De faalkansen liggen hierbij eerder op het sociale dan op het
                  technische vlak.
                  De beschikbaarheid van nieuwe technologie opent mogelijkheden die om ver-
                  kenning vragen, maar vormt geen garantie voor een grotere effectiviteit van het
                  leerproces. Er moet ervaring worden opgedaan met de nieuwe mogelijkheden,
                  deze ervaringen moeten worden geëvalueerd, en op grond van deze evaluatie kan
                  het onderwijsontwerp worden bijgesteld. In deze fase van het technologische
                  ontwikkelingsproces zijn experimenteren, monitoring, evaluatie, terugkoppeling
                  en het delen van kennis en expertise van groot belang, mede met het oog op de
                  transfer van effectief gebleken ‘good practices’ naar andere contexten.
                  In de afgelopen jaren is er relatief veel aandacht besteed aan het creëren van
                  infrastructurele voorzieningen die het gebruik van ict-instrumenten in het
                  onderwijs mogelijk maken. De volgende paragrafen bieden een (niet uitputtend)
                  overzicht van de ervaringen met ict in de verschillende sectoren van het onder-
                  wijs in de afgelopen jaren. Dit overzicht is mede gebaseerd op twee studies die in
                  opdracht van de wrr zijn uitgevoerd (Sligte en Meijer 2002 en Eurelings et al.
                  2002). Een volledig overzicht is nog niet mogelijk omdat er tot op heden geen
                  sprake is van een systematische evaluatie van de ervaringen op dit terrein.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 164 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 165 ======================================================================

<pre>                                                                                        onderwijs
6.4.4 ict in het basis - en het voortgezet onderwijs
      Het basisonderwijs beoogt, conform artikel 8 van de Wet op het basisonderwijs,
      leerlingen een ononderbroken ontwikkelingsproces te laten doorlopen, waarin
      aandacht is voor de emotionele en verstandelijke ontwikkeling van het kind en
      voor het verwerven van de noodzakelijke kennis en sociale, culturele en lichame-
      lijke vaardigheden. De overheid heeft de gewenste uitkomsten van het onderwijs
      vastgelegd in zogenoemde kerndoelen, die aangeven welke kwalificaties de leer-
      lingen dienen te verwerven.
      Het voortgezet onderwijs is onderverdeeld in enerzijds het algemeen voortgezet
      onderwijs (havo, mavo) en het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs
      (vwo) en anderzijds het beroepsvoorbereidende onderwijs (vbo). Het zesjarige
      vwo bereidt voor op het wetenschappelijk onderwijs, het vijfjarige havo op het
      hoger beroepsonderwijs (hbo) en het vierjarige mavo en vbo op het middelbaar
      beroepsonderwijs (mbo). mavo en vbo worden momenteel geïntegreerd in het
      voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (vmbo). In het havo en vwo werd
      aan het eind van de jaren negentig de zogenaamde tweefasenstructuur ingevoerd.
      De tweede fase wordt gekenmerkt door vier brede opleidingsprofielen (cultuur
      en maatschappij, economie en maatschappij, natuur en gezondheid, en natuur en               161
      techniek) en een nieuwe onderwijsvorm, het studiehuis, die gericht is op actief
      en zelfstandig leren van de leerlingen. De invoering van de tweede fase beoogt
      zowel een betere aansluiting op de basisvorming (de eerste fase) als op het hoger
      onderwijs.
      De ict-Monitor 2000-2001 (Ministerie van oc&w 2001a) geeft een overzicht van
      het huidige gebruik van ict in het onderwijs. In het primair onderwijs is er
      momenteel gemiddeld één computer per 8,5 leerlingen. Dit aantal stijgt. Vrijwel
      alle leraren in het primair onderwijs maken gebruik van ict, vooral voor de les-
      voorbereiding. In het leerproces zelf wordt de computer in veel gevallen ingezet
      voor remediërend werken. De wat oudere leerlingen (groep 7) gebruiken ict ook
      om zelf informatie te zoeken en werkstukken te maken.
      Ook in het voortgezet onderwijs stijgt het computergebruik; momenteel is er één
      computer per 12,6 leerlingen. Op 88 procent van de scholen hebben leerlingen
      toegang tot het internet en de docenten op 96 procent van de scholen. De helft
      van de docenten gebruikt de computer als leermiddel, terwijl driekwart de com-
      puter als hulpmiddel gebruikt. Het ict-gebruik in het voortgezet onderwijs
      neemt snel toe: in 1999-2000 gebruikte 29 procent van de docenten ict in de
      klas, in 2000-2001 al 47 procent.
      De overheid tracht op uiteenlopende wijzen het gebruik van ict in het primair en
      het voortgezet onderwijs te stimuleren (Ministerie van oc&w 2001b). In de nota
      ‘Investeren in Voorsprong’ (Ministerie van oc&w 1997) werden de hoofdlijnen
      van het stimuleringsprogramma geschetst. Sindsdien zijn de programma’s aange-
      scherpt. De huidige subsidieregeling ict-projecten richt zich op projecten waar-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 165 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 166 ======================================================================

<pre>    va n oude e n nieu w e k e n nis
                  in scholen en andere partijen samenwerken in netwerkprojecten, implementatie-
                  projecten en ict-ontwikkelprojecten. Netwerkprojecten zijn meestal kleine
                  regionale projecten gericht op netwerkvorming. Implementatieprojecten zijn
                  gericht op de feitelijke integratie van een bestaand ict-product of ict-lesmetho-
                  de in de dagelijkse onderwijspraktijk. Bij beide soorten projecten komen de
                  resultaten, zo is de bedoeling, tot stand door actieve uitwisseling van ideeën,
                  ervaringen, kennis en initiatieven tussen de betrokken actoren. Bij ict-ontwikkel-
                  projecten gaat het meer om de ontwikkeling van ‘content’, de educatieve inhoud.
                  Zo is er een ict-ontwikkelproject Cultuur, dat als doel heeft relevante culturele
                  content voor het onderwijs te ontsluiten, en een project Diversiteit, om de vorm-
                  geving van een op diversiteit (verschillende groepen leerlingen) gericht school-
                  beleid ten aanzien van ict te ondersteunen. De totale subsidieregeling omvat voor
                  de jaren 2001 en 2002 een bedrag van circa 14 miljoen euro (30 miljoen gulden).
                  In onderstaand kader wordt een voorbeeld gegeven van een project dat gericht is
                  op de invoering van ict in het basisonderwijs.
          Invoering van ict in het basisonderwijs: het ciao-project
          Een voorbeeld van samenwerking tussen verschillende partijen bij de invoering van ict in het
162       basisonderwijs is het project ‘Computers in het Amsterdams onderwijs’ (ciao, zie Sligte en Meijer
          2002). In 1995 werd het initiatief hiertoe genomen door het gemeentebestuur van Amsterdam met
          als doel dat in 2005 op iedere Amsterdamse schoolbank een computer zou staan. In het ciao-pro-
          ject werkt een aantal Amsterdamse basisscholen (oplopend van zes in 1997 tot 75 in 2001) samen
          met onder meer de schoolbegeleidingsdienst abc, het sco Kohnstamm-instituut van de Univer-
          siteit van Amsterdam en de Stichting Academische Rekencentrum Amsterdam (sara). Onder de
          noemer ‘Toegang T-O-T-O’ is het ciao-project niet alleen gericht op de technische aspecten van
          ict-gebruik (toegang: de installatie van netwerkcomputers en de aansluiting van de scholen op
          het intranet), maar ook op training, ondersteuning, toepassing en ontwikkelings- en evaluatie-
          onderzoek. Onder de noemer van training is op de deelnemende basisscholen de functie van ict-
          coördinator in het leven geroepen en hebben de leerkrachten een beperkte ict-scholing gekregen.
          De ondersteuning, die vooral via het internet plaatsvindt, is onder meer gericht op de ict-coördi-
          natoren, maar betreft ook de ontwikkeling van didactisch materiaal en advisering over educatieve
          software. De aandacht voor educatieve toepassingen richtte zich onder meer op het ontwikkelen
          van eigen schoolwebsites en samenwerkingsprojecten tussen scholen met behulp van e-mail.
          Er bleken echter aanzienlijke tekorten te bestaan ten aanzien van geschikte educatieve software en
          de ontwikkeling van elektronische leeromgevingen. Ten slotte wordt regelmatig evaluatieonder-
          zoek verricht naar de voortgang van het ciao-project. Hierin komen veel knelpunten naar voren,
          die onder meer samenhangen met gebrek aan duurzame ondersteuning en begeleiding en de hoge
          tijds- en werkdruk van de docenten. Daarnaast kan worden vastgesteld dat een werkelijk succes-
          volle invoering van ict in het basisonderwijs niet los kan worden gezien van wijzigingen in het
          onderwijskundige concept.
                  Het is van belang scholen en docenten van informatie te voorzien over de beschik-
                  bare educatieve programmatuur. Hiertoe is op Kennisnet een leermiddelenbank
                  geplaatst. De Algemene leermiddelenbank van het nicl (Nationaal Informatie
                  Centrum Leermiddelen, deel van de Stichting Leerplanontwikkeling, slo)
</pre>

====================================================================== Einde pagina 166 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 167 ======================================================================

<pre>                                                                                          onderwijs
      verstrekt informatie over alle leermiddelen die op de Nederlandse markt verkrijg-
      baar zijn. In het kader van de informatievoorziening is verder de Programma-
      matrix (aps) van belang. Deze beschrijft inhoudelijke, onderwijskundige, tech-
      nische en zakelijke aspecten van vrijwel alle Nederlandse en Vlaamse educatieve
      software voor het primair onderwijs. Deze matrix is eveneens via Kennisnet
      beschikbaar. Er wordt ook gewerkt aan een Programma-matrix voor het voortge-
      zet onderwijs. Verder zijn er acht expertisecentra die, naast hun taak ten aanzien
      van de verspreiding van informatie over ict, onderzoek doen naar het gebruik
      van ict voor specifieke vakken en doelgroepen, zoals ‘science’ in het primair
      onderwijs.
      Ten aanzien van de mogelijkheden die ict biedt voor onderwijs op afstand is in
      het project ‘Wadden OnLine’ de afgelopen jaren ervaring opgedaan met telele-
      ren. Het gebruik van ict maakt het mogelijk dat leerlingen pas op vijftienjarige
      leeftijd naar het vervolgonderwijs op het vaste land gaan. De deelnemende
      onderwijsinstellingen zullen zelf zorgdragen voor voortzetting van het project.
      De ict-deskundigheid van leraren is een belangrijk punt van aandacht. De Euro-
      pese Raad heeft in maart 2000 in Lissabon de lidstaten opgeroepen ervoor te zor-
      gen dat alle leraren eind 2002 geschoold zijn in het gebruik van internet en multi-
      media. In diverse landen, ook in Nederland, kan hiertoe een ‘digitaal rijbewijs’              163
      (European computer driver licence, edcl) worden behaald. Voor het primair
      onderwijs is een apart rijbewijs ontwikkeld. Op Kennisnet is een zogenoemde
      didactobank geopend, die voorbeelden (didacto’s) bevat van ict-toepassingen
      die leraren kunnen inspireren. Verder worden er grassroots-projecten opgezet die
      zich richten op het gebruik van ict in de dagelijkse onderwijspraktijk. In dit
      kader onderhoudt de onderwijswereld ook contacten met succesvol geachte
      grassroots-projecten in Canada.
      De Inspectie van het Onderwijs maakt ‘schoolportretten’ van scholen die iets
      bijzonders doen met ict in het onderwijs. Deze portretten zijn onder andere
      bedoeld om andere scholen aan ideeën te helpen voor de integratie van ict in de
      onderwijspraktijk en om te leren van elkaars ervaring. Tot nu toe zijn er ruim 40
      schoolportretten gemaakt. Onlangs is de Stichting ict op School opgericht,
      waarmee de onderwijsorganisaties zelf de verantwoordelijkheid op zich nemen
      om de integratie van ict in scholen voor primair en voortgezet onderwijs te sti-
      muleren. Ook werd recentelijk de stichting Onderwijs & Informatiesamenleving
      opgericht. Deze zal fungeren als aanspreekpunt voor bedrijven die iets willen bij-
      dragen aan ict in het onderwijs.
6.4.5 ict in de bve-sector
      Sedert de invoering van de Wet Educatie en Beroepsonderwijs (web) in 1997
      hebben er ingrijpende veranderingen plaatsgevonden in het beroepsonderwijs.
      Schaalvergroting en een grotere autonomie voor scholen speelden een rol bij het
      samenbrengen van het middelbaar beroepsonderwijs (mbo), het leerlingwezen,
      het voortgezet algemeen volwassenenonderwijs (vavo), de basiseducatie en het
</pre>

====================================================================== Einde pagina 167 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 168 ======================================================================

<pre>    va n oude e n nieu w e k e n nis
                  vormingswerk in zogenaamde regionale opleidingscentra (roc’s). De roc’s heb-
                  ben als primaire taak het onderwijs te verzorgen op basis van een landelijke kwa-
                  lificatiestructuur die wordt ontwikkeld door de landelijke organen voor het
                  beroepsonderwijs. Belangrijke doelen in de sector van de beroeps- en volwasse-
                  neneducatie (bve) zijn het tot stand komen van integraal beleid, afstemming op
                  de beroepspraktijk en een bedrijfsmatige aanpak van de curriculumontwikkeling.
                  Eurelings et al. (2002) geven een beeld van de invoering van ict in de bve-sector.
                  Hieruit blijkt dat van de roc’s ongeveer de helft beschikt over een ict-beleids-
                  plan. Hierin wordt ict beschouwd als hulpmiddel voor de bedrijfsvoering. Het
                  hebben van een ict-infrastructuur wordt gezien als voorwaarde voor een succes-
                  volle inzet van ict, maar de beschikbare, meestal eenvoudige, ict-voorzieningen
                  worden vaak nog onderbenut. Van de docenten ziet 62 procent ict als een hulp-
                  middel voor het onderwijs, 12 procent als verbeterinstrument en 24 procent als
                  een strategisch instrument. Een integraal beleid van de instelling om ict in het
                  onderwijs in te voeren wordt wenselijk geacht, op voorwaarde dat het mogelijk is
                  te differentiëren naar doelgroepen en sectoren. Men verwacht kostenbesparingen
                  te kunnen realiseren met behulp van standaardoplossingen en elders ontwikkel-
                  de toepassingen. De docenten beschikken vaak echter niet over de vaardigheden
164               om ict in de praktijk van het onderwijs in te zetten. Het gevoel overheerst dat er
                  niet voldoende ruimte is voor de scholing van docenten.
                  Terwijl in de bve-sector op nationaal niveau sprake is van gecoördineerd beleid
                  en afstemming met de beroepspraktijk, doet zich op het niveau van de afzonder-
                  lijke instellingen nog vaak een gebrek aan tijd, middelen en deskundigheid voor.
                  Afdelingsmanagement en docenten kunnen hierdoor het beleid dat op bestuur-
                  lijk niveau ontwikkeld wordt, vaak niet realiseren. Het zal naar verwachting nog
                  zeker tien jaar duren, voordat duidelijk is of het ict-beleid een blijvend en inte-
                  graal succes heeft opgeleverd.
                  In 1995 werd het bve-net opgericht als internetproject en adviesorganisatie om
                  de invoering van internettechnologie in het bve-onderwijs te ondersteunen. De
                  bve-netsite dient als ontmoetingsplaats voor docenten en managers uit het bve-
                  onderwijs. bve-net stimuleert bve-instellingen en landelijke organen om zelf
                  demonstratieprojecten te ontwikkelen; de resultaten zijn voor de hele bve-sector
                  beschikbaar via het internet. Internettoepassingen die in het kader van de stimu-
                  leringsprogramma’s van de overheid zijn ontwikkeld, zijn voor iedereen vrij
                  beschikbaar. bve-net vervult hierbij de rol van expertisecentrum voor netwerk-
                  toepassingen, begeleiding en kennisdiffusie. Ontwikkelingssubsidies lopen via
                  het overheidsloket senter. Het beleidskader wordt dus bepaald door de over-
                  heid. Hierdoor is er sprake van een strakkere sturing dan in het hoger onderwijs,
                  waar de instellingen zelf meer invloed op de ontwikkeling van innovatieve pro-
                  gramma’s hebben via de stichting surf (zie hierna).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 168 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 169 ======================================================================

<pre>                                                                                            onderwijs
6.4.6 ict in het hoger onderwijs
      De Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek van 1992 regelt
      het wetenschappelijk onderwijs (wo) en het hoger beroepsonderwijs (hbo). Het
      wo leidt personen op om zelfstandig de wetenschap te kunnen beoefenen en
      wetenschappelijke kennis beroepsmatig te kunnen toepassen. Het hbo is gericht
      op de overdracht van theoretische kennis en vaardigheden die nauw aansluiten
      op de beroepspraktijk. Vanaf de jaren negentig evalueert het hoger onderwijs
      geleidelijk naar een meer open systeem met minder sturing door het Rijk en een
      grotere autonomie voor de onderwijsinstellingen. Er is ook sprake van een ont-
      wikkeling naar een grotere marktgerichtheid: studenten worden consumenten en
      de instellingen worden ondernemend; zij begeven zich op een onderwijsmarkt
      en ontvangen een groter deel van hun inkomsten uit contractactiviteiten. Een
      belangrijke beleidsontwikkeling is de invoering van de zogenaamde bachelor-
      masterstructuur in het wetenschappelijk onderwijs. Deze zou moeten bijdragen
      aan een betere internationale positionering van het Nederlandse hoger onderwijs.
      In opdracht van het ministerie van oc&w is in 1998 en in 2001 onderzoek gedaan
      naar het gebruik van ict in het hoger onderwijs (Geloven et al. 1999; Lubberman
      & Klein 2001). Eurelings et al. (2002) vatten enkele opvallende resultaten uit deze             165
      onderzoeken samen:
      • elektronische materialen worden minder vaak gebruikt dan bibliotheekzoek-
         systemen en internet;
      • voor het werken aan leertaken wordt het meest gewerkt met standaardapplica-
         ties, zoals tekstverwerkers en spreadsheets. Hiernaast maakt men ook gebruik
         van vakspecifieke gereedschappen. Van het samenwerken aan opdrachten lijkt
         nauwelijks sprake te zijn, zoals valt af te leiden uit het zeer beperkte gebruik
         van faciliteiten als groupware en computerconferencing;
      • het invoeren van e-leeromgevingen is zeer actueel: in 24 procent van de instel-
         lingen is er sprake van pilots en in 23 procent van de instellingen is een e-leer-
         omgeving aangeschaft, terwijl 43 procent van plan is hier op korte termijn toe
         over te gaan. De gebruikers van een e-leeromgeving noemen kwaliteitsverbe-
         tering als hun belangrijkste doel. Degenen die de aanschaf overwegen, gaat het
         er vooral om de toegankelijkheid te vergroten. Voor beide groepen geldt dat
         vernieuwing van het onderwijs een belangrijke rol speelt;
      • de e-leeromgeving wordt in het wo vooral ingezet voor algemene doeleinden
         en in het hbo meer voor specifieke vakken, met als nevendoelen communica-
         tie en begeleiding;
      • in het wo is in 63 procent van de gevallen een helpdesk beschikbaar voor
         docenten, in het hbo maar in 27 procent van de gevallen;
      • de mate van tevredenheid is nog niet goed aan te geven; het algemene beeld is
         dat men nog maar aan het begin staat, maar wel zeer gemotiveerd is.
      De overwegende indruk is dat er een positieve houding bestaat ten aanzien van
      het gebruik van teleleerplatforms. Het gebruik van teleleerplatforms vertoont in
      de meeste gevallen kenmerken van een basisinformatie-infrastructuur; van een
      grootschalig herontwerp van het onderwijs zoals bepleit door De Wolf (1998) is
      geen sprake.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 169 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 170 ======================================================================

<pre>    va n oude e n nieu w e k e n nis
                  Het onderzoek van Eurelings et al. (2002) naar het gebruik van ict-instrumenten
                  in het hoger en beroepsonderwijs in Nederland bevestigt dit beeld in grote lijnen.
                  Hun onderzoek is gebaseerd op publiek beschikbare informatie (strategienota’s,
                  jaarverslagen en beleidsplannen over ict en onderwijs) van alle universiteiten en
                  een aantal hbo-instellingen. Hiernaast is bij een aantal faculteiten een enquête
                  afgenomen. De resultaten daarvan worden hieronder samengevat.
                  Universiteiten
                  Universiteiten opereren in een omgeving die steeds verder wordt geliberaliseerd
                  en internationaler wordt. Hierdoor neemt de concurrentie met andere aanbieders
                  van hoger onderwijs, zowel nationaal als internationaal, toe. Verder worden uni-
                  versiteiten geconfronteerd met teruglopende studentenaantallen.
                  Alle universiteiten melden bezig te zijn met het vernieuwen van opleidingen en
                  het opzetten van nieuwe programma’s, veelal op het snijvlak van opleidingen.
                  Vaak is hierbij sprake van strategische allianties met andere universiteiten, veelal
                  in de eigen regio. De samenwerking met hbo-instellingen beperkt zich meestal
                  tot het realiseren van doorstroommogelijkheden. Een uitzondering hierop vormt
                  het consortium Digitale Universiteit (du) bestaande uit vier universiteiten
                  (Open Universiteit, Universiteit van Amsterdam, Vrije Universiteit en Universi-
166               teit Twente) en vijf hbo-instellingen (Fontys Hogescholen, Hogeschool van
                  Utrecht, Hogeschool van Amsterdam, Ichtus Hogescholen en Saxion Hogescho-
                  len). De du wil een toonaangevend centrum worden voor de ontwikkeling,
                  exploitatie en implementatie van hoger onderwijs in een elektronische leeromge-
                  ving. Zij richt zich zowel op de markt van onderwijsinstellingen als op de bedrij-
                  venmarkt. Een aantal universiteiten kent ook strategische allianties met buiten-
                  landse instellingen, waarbij gebruik wordt gemaakt van ict. Ten slotte nemen
                  veel universiteiten deel aan publiek-private samenwerkingsverbanden voor de
                  ontwikkeling van de eigen regio, in de vorm van kennistransferpunten en bedrij-
                  vencentra en de stimulering van start-ups.
                  Bij alle universiteiten is sprake van een overgang van passieve naar meer active-
                  rende vormen van leren, maar de consequenties voor de inrichting van het onder-
                  wijs zijn niet altijd duidelijk; meestal is er een mix van onderwijsvormen. Vaak is
                  er op centraal niveau wel sprake van een onderwijsvisie, maar niet van een geëx-
                  pliciteerde visie op het gebruik van ict hierbij. Het beeld op facultair niveau
                  stemt hiermee overeen. Geen enkele instelling maakt melding van initiatieven
                  om de relatie onderzoek-onderwijs met behulp van ict te innoveren. Slechts de
                  eur en de rug zeggen de invoering van de bachelor-masterstructuur aan te grij-
                  pen om ook ict-gerelateerde innovaties door te voeren. Wel wordt vrij algemeen
                  melding gemaakt van de mogelijkheden die ict biedt om deeltijdvarianten van
                  opleidingen te realiseren.
                  Bij de meeste instellingen lijkt het beleid ten aanzien van ict-gebruik vooralsnog
                  onder invloed van de ‘technology push’ tot stand te komen. Alleen de Universi-
                  teit Utrecht stelt expliciet ict te zien als een integraal onderdeel van modern
                  onderwijs dat moet leiden tot vernieuwingen op didactische gronden.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 170 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 171 ======================================================================

<pre>                                                                                   onderwijs
Op facultair niveau is er een duidelijke trend om vooral de logistieke functies,
zoals het inzien van lesroosters en tentamencijfers, elektronisch te ondersteunen.
Slechts enkele faculteiten maken gebruik van de mogelijkheid samenwerkend
leren elektronisch te ondersteunen. Over het algemeen zijn de universitaire ict-
voorzieningen redelijk. Bijna alle studenten hebben een e-mailadres en hebben
vanaf thuis toegang tot het internet. Toch melden diverse instellingen nog belem-
meringen in de technische infrastructuur. Ten aanzien van de computerfacilitei-
ten lopen de voorzieningen per instelling sterk uiteen. Het aantal pc’s varieert
nogal tussen opleidingen en tussen instellingen, het aantal aansluitingen voor
laptops is beperkt.
Opvallend is dat er weinig wordt gezegd over de kwaliteitsbewaking van onder-
wijsinnovatieprojecten; slechts twee universiteiten melden dat de invoering van
de digitale leeromgeving onderwerp is van een continu proces van monitoring en
evaluatie.
Aandacht voor docentprofessionalisering speelt vooral op faculteitsniveau.
Tot nog toe is er nauwelijks sprake van een beleid gericht op de ontwikkeling van
ict-vaardigheden van docenten. Alleen de Universiteit Utrecht, de Technische
Universiteit Eindhoven en de Rijksuniversiteit Groningen melden dat er een
– aan de diverse functies gekoppelde – basiskwalificatie onderwijs is vastgesteld,           167
waaraan alle docenten moeten voldoen. Vaak is er wel een groot aanbod aan scho-
lingsmogelijkheden in de instellingen voorhanden. Over de hele linie wordt door
de faculteiten de klacht geuit dat er onvoldoende middelen zijn om docententijd
vrij te maken voor onderwijsvernieuwing.
hbo
Het recente fusieproces waarbij brede hbo-instellingen zijn gevormd, heeft
zoveel aandacht gevraagd dat de onderwijsinnovatie in het hbo wat naar de ach-
tergrond is verdrongen, zo komt naar voren uit het onderzoek van Eurelings et al.
(2002). Een uitzondering vormt de Hogeschool van Amsterdam, die een centraal
geformuleerde onderwijsvisie heeft en ict planmatig invoert in het onderwijs.
Ook Lubberman en Klein (2001) constateren dat hbo-instellingen over het alge-
meen nog geen actieve inzet van ict in het onderwijs kennen, behalve waar het
gaat om het verwerven van computervaardigheden voor het toekomstige beroep.
Niettemin is ook in het hbo sprake van een verschuiving van thematisch-cur-
sorisch onderwijs naar meer studentgericht onderwijs. Verder wordt er binnen
de instellingen druk geëxperimenteerd met ict-innovaties, maar deze innovatie-
projecten wortelen zelden in een gezamenlijk geformuleerd beleid op instellings-
niveau. Fontys Hogescholen werkt al enkele jaren samen met Wolters-Noordhoff
binnen het Vespucci-project, dat voor alle opleidingen de nu op papier aangebo-
den lesmaterialen wil digitaliseren en op een gestructureerde manier aan studen-
ten beschikbaar wil stellen. Onder meer vanwege de grote investeringen voor ict
zoeken veel hbo-instellingen samenwerkingspartners. Zo presenteerden de
Hogescholen Fontys Amsterdam, Utrecht en Holland in 1999 het plan ‘Educatief
Partnerschap’, dat onder meer gericht is op het maken van ‘onderwijs-halffabri-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 171 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 172 ======================================================================

<pre>    va n oude e n nieu w e k e n nis
                  katen’ waarin ict een belangrijke rol speelt. Een deel van de ambities is terug te
                  vinden in het consortium du.
                  Binnen hbo-instellingen vindt voortgangsbewaking van ict-innovatieprojecten
                  meestal plaats op projectniveau. Fontys Hogescholen en de Hogeschool van
                  Utrecht maken expliciet melding aandacht te hebben voor deskundigheidsbevor-
                  dering en/of loopbaanbeleid, maar op facultair niveau is hiervoor nog weinig
                  aandacht.
                  In de afzonderlijke hbo-instellingen is dus wel sprake van op ict-innovatie
                  gerichte projecten, maar nauwelijks van strategische planvorming. Op het niveau
                  van de hbo-Raad wordt wel actief gewerkt aan strategische planvorming voor
                  het hele hbo-veld. Deze is gericht op landelijke en internationale samenwerking
                  en standaardisering, zowel voor bedrijfssystemen als voor onderwijsomgevin-
                  gen. De hbo-Raad heeft echter maar een beperkte rol als het gaat om het feitelij-
                  ke ict-beleid van de instellingen. Hiernaast sluit de hbo-Raad convenanten met
                  landelijke partners die de samenwerking tussen het hbo en andere maatschappe-
                  lijke sectoren moeten bevorderen.
                  In de nota ‘net-werken’ (hbo-Raad 2000) beveelt de hbo-Raad – met het oog
168               op het up-to-date houden van het onderwijs – strategische allianties tussen
                  hogescholen en content leveranciers aan; de regie van het onderwijs zou hierbij in
                  handen van de onderwijsinstellingen moeten blijven. De notitie ‘De Hogeschool
                  als Kennispoort’ (hbo-Raad en vno-ncw 1999) geeft een aanzet tot een meer
                  structurele tweezijdige verbinding tussen hogescholen en bedrijfsleven. Hierbij
                  wordt ernaar gestreefd een gezamenlijke kennisinfrastructuur tot stand te bren-
                  gen, het innovatief vermogen bij het ‘afnemend veld’ te versterken en ‘een leven
                  lang leren’ te bevorderen door kennisuitwisseling (bijv. via gastdocentschappen).
                  Het convenant ‘Duaal leren’ bevat afspraken over de oplossing van een aantal
                  knelpunten in de relatie met ‘het afnemend veld’: het tekort aan ict-ers op de
                  arbeidsmarkt, het gebrek aan afstemming tussen hogescholen en het ict-
                  bedrijfsleven, het wegkopen van studenten uit de collegebanken en de geringe
                  afstemming van studieprogramma’s op de wensen van het bedrijfsleven. Duaal
                  leren zou kunnen bijdragen aan de oplossing van deze knelpunten.
                  Stichting surf
                  Bij de ict-innovatie in het hoger onderwijs speelt de stichting surf een stimule-
                  rende rol. De stichting surf werd midden jaren tachtig van de vorige eeuw opge-
                  richt en heeft momenteel het gehele hoger onderwijs als doelgroep, inclusief de
                  academische ziekenhuizen en de grote onderzoeksinstellingen nwo, tno en
                  knaw. De operationele dienstverlening verloopt via een aantal dochters. Het
                  programma surf Educatie<F> richt zich op het stimuleren van innovaties in het
                  onderwijs (surf 1998).
                  Voor ict-innovatie in het hoger onderwijs gaat surf uit van een programmati-
                  sche aanpak, samenwerking en zelfregulering. surf stelt strategische richtingen
                  voor en instellingen kunnen zich door middel van meerjarige samenwerkings-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 172 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 173 ======================================================================

<pre>                                                                                           onderwijs
      overeenkomsten bij de uitvoering van projecten aansluiten. Enkele onderwerpen
      die aan de orde komen in de lopende projecten van surf Educatie<F>, zijn taak-
      gericht teamleren met ict-ondersteuning, een virtueel onderzoeks- en informa-
      tiecentrum, een generieke elektronische leeromgeving voor probleemgestuurd
      onderwijs, schrijfvaardigheidsbevordering in vreemde moderne talen en multi-
      disciplinaire visualisatietoepassingen voor lokaal en afstandsonderwijs. De pro-
      jecten lopen nog te kort voor een gedegen beoordeling. Ook is nog niet duidelijk
      wat de impact zal zijn buiten de instellingen waar ze zijn uitgevoerd. In de prak-
      tijk is er veel interesse voor kennisuitwisseling binnen de surf Educatie<F>
      gemeenschap, maar er bestaan nog nauwelijks relaties met de onderzoeksge-
      meenschap. Monitoring en evaluatie van de projecten lijken onderbelicht te
      blijven.
6.4.7 conclusies en k anttekeningen
      Uit bovenstaand overzicht blijkt dat in het onderwijs op veel niveaus wordt
      gepoogd om stapsgewijs te leren van de ervaringen met ict en de mogelijkheden
      te benutten. Op papier zien de (voorgenomen) activiteiten en plannen er vaak
      veelbelovend uit. In de praktijk echter blijkt de toepassing van ict vaak op veel
      problemen te stuiten en worden de beloftes lang niet altijd waargemaakt. Hierbij               169
      past overigens wel de kanttekening dat veel activiteiten van recente datum zijn
      en dat vaak nog niet duidelijk is wat zij zullen opleveren. Daarbij wreekt zich ook
      het gemis aan gedegen, systematische evaluatie van de vele projecten, waardoor
      het leren van de praktijkervaringen wordt bemoeilijkt.
      In deze paragraaf wordt een aantal belangrijke conclusies over het gebruik van
      ict in het onderwijs samengevat en van kanttekeningen voorzien. De aandacht
      richt zich eerst op ict in het basis- en voortgezet onderwijs en vervolgens op het
      hoger onderwijs.
      ict in het basis- en voor tgezet onder wijs
      Een eerste conclusie luidt dat voor een adequate toepassing van ict in het basis-
      en voortgezet onderwijs de beschikbare middelen vaak tekortschieten. Bij ict in
      het onderwijs gaat het om ‘learn to use’ en ‘use to learn’. Voor het laatste zijn de
      huidige middelen nog niet voldoende. De computers zijn soms oud, de educatie-
      ve software sluit slecht aan op de gehanteerde onderwijsmethoden en veel soft-
      ware heeft onvoldoende kwaliteit en heeft vooral een ‘drill and practice’ karakter.
      Er is weinig adequate vakspecifieke software; in sommige gevallen werkt de soft-
      ware zelfs contraproductief. In het primair onderwijs sluit ook de ict-scholing
      van de leraar niet goed aan op de dagelijkse onderwijspraktijk. Over Kennisnet
      wordt weliswaar lovend gesproken, maar toch maakt men momenteel liever
      gebruik van andere sites, zoals de onderwijssite van de bbc. Aangezien Kennisnet
      snel wordt uitgebouwd, kan dit echter snel veranderen. Hoewel ict veel moge-
      lijkheden biedt voor het personaliseren van producten en activiteiten, wordt toch
      vaak gezocht naar pasklare methoden. Voor sommige toepassingen zou het kun-
      nen helpen als er meer halffabrikaten zouden zijn die aan de specifieke context
      kunnen worden aangepast. Een voorwaarde is daarbij wel dat men voor die aan-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 173 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 174 ======================================================================

<pre>    va n oude e n nieu w e k e n nis
                  passing middelen en tijd beschikbaar heeft. Een praktisch probleem is dat veel
                  scholen een gebrek aan ruimte voor de computers hebben. Deze problemen lijken
                  voor een groot deel van voorbijgaande aard. De problemen worden onderkend en
                  er wordt aan verbetering gewerkt. Toch is er in veel gevallen nog een lange en
                  moeilijke weg te gaan. Het maken van adequate software waarmee men de moge-
                  lijkheden van ict optimaal kan benutten, is geen eenvoudige zaak.
                  Een tweede conclusie luidt dat in veel gevallen de tijd voor reflectie ontbreekt.
                  Er wordt momenteel veel geïnvesteerd in apparaten, maar veel minder in mensen.
                  De invoering van de Tweede Fase in het voortgezet onderwijs heeft geleid tot een
                  hoge werkdruk voor docenten en schoolleiding. Het programma wordt, zo blijkt
                  uit onderzoek van het Tweede Fase Adviespunt, als zeer overladen ervaren en veel
                  scholen hebben moeite het proces van zelfstandig leren goed inhoud te geven.
                  Zelfstandig leren kost veel tijd en hieraan ontbreekt het zowel de leraar als de
                  leerling. De werkwijze in de tweede fase vereist een ruime inzet van ict, maar
                  tegelijkertijd moet worden geconstateerd dat de hoge werkdruk een weloverwo-
                  gen invoering en gebruik van ict frustreert. Dit probleem wordt nog aanzienlijk
                  vergroot door het bestaande lerarentekort
170               Een derde conclusie is dat er nog veel onbekend is over de effecten en de moge-
                  lijkheden van ict in het onderwijs. Is een kleuter die achter de computer zelf-
                  standig aan de slag gaat met een teken- en kleurprogramma, een voorbeeld van de
                  bijdrage van ict aan de creatieve ontwikkeling van kinderen of de voorbode van
                  een nieuwe generatie met gebrekkige fijnmotoriek en vroegtijdige muisarmen?
                  Over de gevolgen van ict en over de mogelijkheden die zij biedt om het onder-
                  wijs te verbeteren, is op veel relevante terreinen nog weinig bekend. Wel is zeker
                  dat een ruime toepassing van ict de leerprocessen diepgaand zal beïnvloeden.
                  Voor een optimaal gebruik van ict is het noodzakelijk onderzoek en onderwijs
                  samen te brengen. Ontwerpers achter de tekentafel en mensen uit de praktijk
                  zouden de programma’s samen moeten ontwerpen en implementeren.
                  De vierde conclusie luidt dat de invoering van ict in het onderwijs in de zin van
                  ‘use to learn’ niet een louter technisch, maar vooral een socio-technisch experi-
                  ment is. Vrijwel alles wordt door de toepassing van ict beïnvloed: de rollen van
                  leraar en leerling, de leerinhouden en de hiermee samenhangende leermethoden
                  en leermaterialen, de toetsing, de organisatorische structuur van de school en de
                  positie van speciale groepen (allochtonen, zwakke leerlingen). Leraren worden
                  meer begeleider dan instructeur en zullen onderling veel meer moeten samen-
                  werken. ict nodigt uit tot interactief onderwijs met mogelijkheden voor maat-
                  werk voor leerlingen. Dit zou op termijn tot vrijwel volledig geïndividualiseerde
                  leerwegen en eindtermen en volledig vrije eindexamen- en instroommomenten
                  kunnen leiden. De vraag is wat dan nog onder ‘de school’ moet worden verstaan.
                  Weliswaar is het nog lang niet zo ver, maar het geeft wel aan dat de invoering van
                  ict in de zin van ‘use to learn’ met grote zorgvuldigheid moet worden uitge-
                  voerd.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 174 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 175 ======================================================================

<pre>                                                                                    onderwijs
In het verlengde van het voorgaande ligt de noodzaak het innovatieproces rond
ict goed te organiseren. Alleen dan kunnen de onderwijskundige mogelijkheden
van ict, die op sommige gebieden ongetwijfeld groot zijn, optimaal worden
benut. Er is al gewezen op het belang om partijen samen te brengen; samen uit-
werken en implementeren is een belangrijke voorwaarde voor duurzame innova-
tie. De leerkrachten moeten worden geïnspireerd en hen moet de tijd worden
gegeven om dingen uit te proberen. Uit het overzicht in paragraaf 6.4.4 blijkt dat
bij de invoering van ict grosso modo wordt gekozen voor stapsgewijze innovatie
met veel ingebouwde leermomenten en veel vrijheid van de scholen om al of niet
mee te doen. In dit kader zijn nog enkele punten van belang. Zo moet worden
voorkomen dat zich een negatieve cumulatie van innovaties voordoet. Er is al op
gewezen dat de invoering van de tweede fase tijd en aandacht weg zuigt. Tevens
moet worden voorkomen dat sprake is van een ‘innovatiefuik’, waarbij het nog
meer werk voor de docenten en schoolleiding met zich meebrengt om een niet
geslaagde innovatie terug te draaien dan om met de innovatie door te gaan. Ver-
der is het van belang de resultaten van experimenten te evalueren en deze evalu-
atie goed in te richten. Meer ict staat niet automatisch gelijk aan een hogere kwa-
liteit van het onderwijs. Scholen moeten daarom, bijvoorbeeld bij inspectie, niet
worden afgerekend op de mate waarin zij van ict gebruik maken. Scholen zou-
den zich ook als ‘traditioneel’ moeten kunnen profileren, ook ten aanzien van                 171
ict. Verder dient een ongewenste bias bij de evaluatie te worden voorkomen.
Schoolportretten van scholen die iets speciaals doen met ict zijn zeker waarde-
vol, maar geven niet altijd een goed beeld van de mogelijkheden die ict biedt op
scholen die nog niet iets speciaals met ict doen. Voor een goede en zo objectief
mogelijke evaluatie is het wenselijk de relatie tussen onderzoek en onderwijs te
versterken.
Een goede vormgeving van de innovatie rond ict vraagt om meer aandacht voor
de leraar. Onder invloed van ict verandert de rol van de leraar, maar deze blijft
wel uiterst belangrijk. Geconstateerd moet worden dat er inmiddels veel in hard-
ware en software wordt geïnvesteerd, maar in verhouding weinig in mensen. In
het voorgaande werd al geconstateerd dat, om een grote endogene inertie te voor-
komen, het noodzakelijk is dat de leerkrachten nauw bij de verdere ontwikkelin-
gen worden betrokken. Daar waar nodig moet ruimte worden geschapen voor
bijscholing. Het gaat het er niet alleen om de leerlingen te motiveren, maar ook de
leraren; ook zij moeten zich kunnen ‘ontplooien’. Het huidige lerarentekort heeft
een sterk negatief effect op het onderwijs en op de vernieuwing daarvan. Ieder-
een is het erover eens dat het lerarentekort zo snel mogelijk moet worden opge-
lost. De vraag moet echter worden gesteld of intensivering van de inspectie (jaar-
lijks), verplichte frequente bijscholing (iedere zes jaar), overladen programma’s
en de verschuiving van lesgeven naar begeleiding het beroep van leraar voldoende
aantrekkelijk maken.
ict in het hoger onder wijs
In het hoger onderwijs speelt voortdurend de vraag van een goede afstemming
op de arbeidsmarkt. Hiernaast wordt de invloed van Europa binnen het hoger
</pre>

====================================================================== Einde pagina 175 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 176 ======================================================================

<pre>    va n oude e n nieu w e k e n nis
                  onderwijs steeds belangrijker. De inzet van ict-instrumenten kan er hier aan bij-
                  dragen dat de effectiviteit van het onderwijs wordt verhoogd en de internationale
                  component in de leeromgeving wordt versterkt.
                  Een opvallend resultaat dat Eurelings et al. (2002) rapporteren, is dat onderwijs-
                  instellingen wel aangeven een nieuwe markt te zien in een leven lang leren, maar
                  dat er nauwelijks tekenen zijn dat zij zich daadwerkelijk op grote schaal op andere
                  doelgroepen en andere vormen van onderwijs gaan richten. Natuurlijk wordt bij-
                  scholing op het gebied van vaardigheden veelal door het bedrijfsleven zelf ver-
                  zorgd. Dit geldt zeker voor de grotere bedrijven, maar in het midden- en kleinbe-
                  drijf is hiervan wellicht in mindere mate sprake. De ‘transmurale’ samenwerking
                  tussen onderwijs en bedrijfsleven op het gebied van kennisoverdracht lijkt dus
                  voor verbetering vatbaar.
                  Een tweede in het oog springend resultaat is dat geen van de universiteiten aangaf
                  inzet van ict-instrumenten te overwegen voor het innoveren van de relatie tus-
                  sen (fundamenteel) onderzoek en onderwijs, terwijl vertaling van onderzoeks-
                  resultaten naar het onderwijs van oudsher toch een van de karakteristieken is van
                  het universitaire onderwijs.
172               Ten slotte kan ten aanzien van het delen van kennis en expertise worden opge-
                  merkt dat het monitoren en evalueren van praktijkervaringen te wensen overlaat.
                  Veelal gebeurt dit alleen op projectniveau. Verder vindt er in de praktijk wel veel
                  interactie plaats tussen docenten die zich bezig houden met ict-innovaties in de
                  reguliere onderwijspraktijk, maar niet van interactie tussen de onderwijsge-
                  meenschap en de onderzoeksgemeenschap. Er is dus (te) weinig interactie tussen
                  ‘tekentafel’ en ‘werkvloer’.
                  Als Nederland een goede positie wil behouden als kennisland, is het van belang te
                  beschikken over een adequate kennisinfrastructuur. De fysieke infrastructuur
                  lijkt momenteel up-to-date, maar hoe staat het met andere elementen in de ken-
                  nisinfrastructuur? De overheid heeft ingezet op liberalisering van het onderwijs,
                  maar zijn de kennisinstellingen ook voldoende geëquipeerd voor de concurrentie
                  die daaruit voortvloeit? In dit verband zijn vooral de human resources van belang.
                  De Nederlandse overheid heeft de middelen voor onderwijs niet in het tempo
                  van de overige bestedingen laten meegroeien. Integendeel, terwijl het aantal stu-
                  derenden toenam, is de vergoeding per student van jaar op jaar verder afgeno-
                  men. De ruimte die overblijft voor instellingen om zelf hun onderwijsvernieu-
                  wing aan te pakken, is evenredig hieraan gedaald. De klacht dat er te weinig
                  ruimte is voor scholing van docenten, wordt over de volle breedte van het hoger
                  onderwijs en de beroeps- en volwasseneneducatie gehoord. Dit impliceert dat de
                  kwaliteit van het onderwijs op middellange termijn serieus bedreigd wordt. ict-
                  innovaties in het onderwijs schieten immers hun doel voorbij indien de basis-
                  kwaliteit van het onderwijs zelf te wensen overlaat.
                  Uiteraard behoort het bieden van kwalitatief goed, op het afnemend veld toege-
                  sneden, onderwijs in de eerste plaats tot de verantwoordelijkheden van het
</pre>

====================================================================== Einde pagina 176 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 177 ======================================================================

<pre>                                                                                            onderwijs
    onderwijsveld zelf. Concurrentie met andere aanbieders kan hierbij stimulerend
    zijn, evenals het aangaan van strategische allianties. Het is de vraag of vanuit het
    perspectief van het publiek gefinancierde onderwijs ook in de toekomst in de eer-
    ste plaats moet worden gedacht in termen van het opleiden van jongvolwasse-
    nen, of dat eerder gedacht moet worden in termen van het bieden van een oplei-
    dingsinfrastructuur voor alle leeftijden. De financiering van het gebruik van deze
    infrastructuur kan natuurlijk naar doelgroep worden gedifferentieerd.
6.5 op zoek naar een nieuw evenwicht tussen onder-
    wijspr aktijk en onderwijscontex t: maatwerk in
    netwerken
    Een karakteristieke eigenschap van kennis is dat deze niet alleen toeneemt, maar
    ook voortdurend verandert bij het gebruik ervan (zie hfdst. 2). Daarom is het van
    belang dat er naast kennisontwikkeling via specifiek daarop gericht onderzoek,
    ook kennisontwikkeling plaats vindt door om te gaan met kennis in de samenle-
    ving. Fundamenteel onderzoek, toepassingsgericht onderzoek, de menselijke
    gave om ‘toevallig’ waardevolle dingen te ontdekken (serendipity), sociale en
    economische innovaties, de implementatie ervan en communicatie spelen hierbij
    alle een rol. Kennis evolueert dus voortdurend onder invloed van maatschappe-                     173
    lijke ontwikkelingen. Investeren in kennis betekent daarom niet alleen investeren
    in fundamenteel en toepassingsgericht onderzoek en in het participeren in inter-
    nationale onderzoeksnetwerken. Het betekent evenzeer investeren in de infra-
    structuur die het mogelijk maakt kennis naar specifieke doelgroepen en contex-
    ten over te dragen en te vertalen. De waarde van kennis komt immers pas tot
    expressie als deze leidt tot handelen (vgl. hfdst. 2). Dit handelen vindt altijd plaats
    in een bepaalde context en daarvoor is een (beroeps)bevolking nodig die beschikt
    over een breed scala aan kennis en vaardigheden. Het is wenselijk de publieke en
    private verantwoordelijkheden voor een dergelijke infrastructuur duidelijk af te
    bakenen.
    Naast het ontwikkelen van nieuwe kennis, is het nationale belang van fundamen-
    teel onderzoek dat het vermogen om wereldwijd beschikbare kennis naar waarde te
    kunnen schatten en te verwerven, op peil wordt gehouden (zie hfdst. 5 en Gibbons
    1998; awt 2001). Fundamentele kennis vormt een voedingsbron voor kennistoe-
    passingen, maar het gebruik van specifieke kennis wordt uiteindelijk bepaald in de
    toepassingen ervan. Het is daarom belangrijk dat de hiervoor aangeduide kennisin-
    frastructuur ook de koppeling tussen fundamenteel onderzoek en toepassingscon-
    texten bevordert. In dit opzicht zou vooral het universitaire onderwijs zich moeten
    bezinnen op het, mede met behulp van ict-instrumenten, revitaliseren van de
    relatie met het fundamenteel onderzoek, die van oudsher dit type onderwijs ken-
    merkt. Hierbij gaat het niet om fundamenteel onderzoek dat uitsluitend binnen de
    eigen instelling wordt verricht, maar ook om de koppeling met nationale en inter-
    nationale onderzoeksnetwerken. Het universitaire onderwijs zou moeten fungeren
    als ‘vertaler’ van de resultaten van fundamenteel en strategisch onderzoek bij uni-
    versiteiten, gti’s (grote technologische instituten) en tno. Ook het hbo, dat van
</pre>

====================================================================== Einde pagina 177 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 178 ======================================================================

<pre>    va n oude e n nieu w e k e n nis
                  oudsher meer is gericht op de toepassingscontext, dient een dergelijke vertaal-
                  functie te vervullen. De koppeling tussen onderzoek en onderwijs zou uitgebreid
                  kunnen worden tot een samenwerkingsnetwerk tussen universiteiten, hoge-
                  scholen, gti’s en tno. De instellingen zouden hierin moeten samenwerken van-
                  uit de eigen identiteit, waarbij de onderwijsinstellingen verantwoordelijk zijn
                  voor de vertaling van kennis naar specifieke contexten en doelgroepen. Als ver-
                  taler van de resultaten van fundamenteel en strategisch onderzoek naar toepas-
                  singscontexten kan het hoger onderwijs tevens een functie vervullen bij de bor-
                  ging van kwaliteit (zie hdst 3). Het onderwijs zou, dankzij de expertise van de
                  docenten, als een poort naar kwalitatief goede kennis kunnen fungeren.
                  Het publiek bekostigde onderwijs richt zich tot op heden hoofdzakelijk op de ini-
                  tiële fase van een leerproces dat in de praktijk vaak een leven lang voortgaat. Dit
                  is een historisch gegroeide situatie. Gezien de snelheid waarmee ontwikkelingen
                  zich voltrekken, is het echter de vraag of dit ook voor de toekomst de optimale
                  keuze is. Deze vraag naar een heroriëntatie van het onderwijs staat in directe rela-
                  tie tot de vraag of ict-instrumenten het proces van kennisoverdracht zouden
                  kunnen optimaliseren en innoveren. ict-instrumenten kunnen de vertaling van
                  wereldwijd beschikbare kennis naar specifieke toepassingscontexten ondersteu-
174               nen en versnellen. Uiteraard kunnen ict-instrumenten deze versnelling niet
                  alléén bewerkstelligen, maar als gereedschap in de handen van mensen die er cre-
                  atief mee omgaan, kunnen ze er wel aan bijdragen. Een belangrijke versnelling
                  van kennisverspreiding via het onderwijs kan echter pas worden verwacht als het
                  ict-instrumentarium een integraal onderdeel van de onderwijsorganisatie in al
                  haar facetten vormt. Hierbij kan men denken aan curriculumontwikkeling, voor-
                  lichting, ondersteuning van leerprocessen, toetsing, bedrijfsorganisatie, koppe-
                  ling met specialistische informatienetwerken en publieke media, en situering van
                  leeromgevingen in praktijksituaties. Volgens de huidige onderwijskundige
                  opvattingen zal de student hierbij in toenemende mate, in interactie met docent
                  en media, (mede) richting geven aan het eigen leerproces. De docent krijgt meer
                  de rol van begeleider van het leerproces en zal hiertoe zijn specifieke kennis
                  voortdurend op peil moeten houden en moeten kunnen integreren in verschil-
                  lende contexten. Hierbij gaat het niet alleen om een eenrichtingsverkeer van
                  onderzoek naar kennistoepassing, maar ook om het feit dat kennis binnen toe-
                  passingscontexten voortdurend groeit; er moet dus ook een kennisstroom van
                  toepassingscontext naar onderwijs zijn.
                  Herontwerp van processen binnen het hoger- en beroepsonderwijs kan een
                  belangrijke bijdrage leveren aan de innovatie van kennistoepassingen en aan het
                  optimaliseren van de transfer van kennis tussen verschillende toepassingscon-
                  texten. Het gebruik van ict is hierbij geen doel op zich, maar in de eerste plaats
                  faciliterend. De invoering van ict-instrumenten kan wel grote veranderingen in
                  de werkprocessen binnen het onderwijs met zich mee brengen. Belangrijke aan-
                  dachtspunten zijn:
                  • vergroting van de snelheid waarmee nieuwe kennis via het onderwijs kan wor-
                      den ontsloten en doorgegeven;
</pre>

====================================================================== Einde pagina 178 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 179 ======================================================================

<pre>                                                                                        onderwijs
• een aanpassing van de onderwijsinfrastructuur bevordert dat nieuw ontwik-
   kelde kennis niet alleen sneller via het initiële onderwijs wordt doorgegeven,
   maar ook via het postinitiële onderwijs;
• een intensievere interactie tussen onderwijsinstellingen en afnemend veld.
Dit roept de vraag op of de invoering van de bachelor-masterstructuur in het
Nederlandse hoger onderwijs niet sterker zou moeten worden doordacht vanuit
het perspectief van een leertraject dat een leven lang duurt. Tijdens de initiële
fase van dit traject is een zekere mate van sturing door onderwijsinstellingen
gewenst, maar tijdens de latere fasen zou er veel meer sprake moeten zijn van
maatwerk. Voor het middelbaar beroepsonderwijs gelden soortgelijke overwe-
gingen.
Een opleidingssysteem dat in een dergelijke richting evolueert, zal om moeten
gaan met veel meer heterogeniteit binnen de doelgroep ten aanzien van voorken-
nis, affiniteit, leerstijl en leerdoel. Het onderwijs dient zich dan ook niet alleen te
richten op vak- of disciplinespecifieke kennis, maar ook op het ontwikkelen van
generieke competenties die het functioneren binnen uiteenlopende contexten
mogelijk maken. In dit verband merkt Abeles (1998) op dat instellingen voor
hoger onderwijs veel energie hebben gestopt in het ontwikkelen van kennis met                     175
een korte ‘halfwaardetijd’, terwijl ondernemingen, die voor hun voortbestaan
vooral afhankelijk zijn van dergelijke kennis, juist het accent hebben gelegd op
het formuleren van hun kerncompetenties. Onderwijsinstellingen zouden zich
moeten bezinnen op hun kerncompetenties teneinde deze op flexibele wijze in
een proces van voortdurende vernieuwing te integreren met kennis met een
korte halfwaardetijd. Deze kerncompetenties omvatten zowel gedegen kennis
van basisvakken, specifieke kennisdomeinen of disciplines als de (sociale) com-
petenties die nodig zijn om in de praktijk te functioneren.
Aangezien kennis altijd afhankelijk is van context en doelgroep en voortdurend
in ontwikkeling is (zie hfdst. 2), is de functie van het onderwijs die van een ver-
taalproces in sterke verwevenheid met maatschappelijke ontwikkelingen. Het
publiek gefinancierde onderwijs moet daartoe evolueren in de richting van een
kennisnetwerk, waarin ook andere publieke en private partijen participeren. Op
nationaal niveau moeten de kaders worden vastgesteld waarbinnen zich op
decentraal niveau een, op de regionale behoefte afgestemd, systeem kan ontwik-
kelen. Bij die centrale kaders zou vooral ook moeten worden gelet op kennis met
een lange ‘halfwaardetijd’. Met andere woorden: naast feitenkennis en beroeps-
gerichte competenties zou ook aandacht moeten worden besteed aan generieke
competenties (cognitieve competenties, meta-cognitieve competenties, sociale
competenties en affectieve competenties, zie par. 6.3.2). Naast heldere nationale
kaders is regionale flexibiliteit gewenst. Het al doende ontwikkelen van flexibele,
op de regionale behoefte afgestemde arrangementen vraagt niet om grootschalige
ingrepen in het onderwijssysteem, maar veel meer om een endogene ontwikke-
ling van het systeem binnen de gestelde kaders.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 179 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 180 ======================================================================

<pre>    va n oude e n nieu w e k e n nis
                  Een netwerk van onderwijsinstellingen en andere publieke en private partijen
                  betekent niet dat het onderwijs minder als een publieke verantwoordelijkheid
                  moet worden gezien. De vormgeving van de onderwijsinfrastructuur, certificering
                  van opleidingen, monitoring en evaluatie van kwaliteit, kwaliteitsborging en een
                  transparant systeem voor de erkenning van individuele leerervaring zijn en blijven
                  publieke taken. Met het oog op de wenselijkheid van postinitiële scholing moeten
                  ten aanzien van die leerervaring zowel via formele leerwegen als in de praktijk
                  opgedane ervaring worden erkend. Ook voor het systematisch monitoren en eva-
                  lueren van innovaties binnen het onderwijs en voor de communicatie ervan bin-
                  nen de sector zouden, gezien het grote belang hiervan voor de innovatie van het
                  onderwijs, algemene kaders moeten worden ontwikkeld. Het onderwijs moet ech-
                  ter niet worden gezien als louter instrumenteel en ‘in dienst’ van de arbeidsmarkt.
                  Ook de sociaal-culturele taak – het bieden van ontplooiingskansen aan individuen
                  binnen de samenleving om hen in staat te stellen politiek, economisch en cultureel
                  te participeren – dient een publieke taak van het onderwijs te blijven.
                  In een redenering vanuit toepassingscontexten en in termen van een netwerk
                  past geen strikte scheiding tussen verschillende sectoren binnen het onderwijs,
                  maar dient sprake te zijn van interacties tussen knooppunten die ieder een eigen
176               identiteit hebben. Vanuit een specifieke toepassingscontext kunnen relaties met
                  verschillende onderwijsknooppunten worden gelegd. In de praktijk zullen bin-
                  nen een team meestal mensen met verschillende disciplinaire achtergronden en
                  met verschillende opleidingsniveaus met elkaar samenwerken; ook dit aspect zou
                  al tijdens de opleiding aan de orde moeten komen. Binnen zo’n kennisnetwerk
                  blijven mensen de belangrijkste bron van creativiteit, maar ict-instrumenten
                  kunnen hun handelen ondersteunen, bijvoorbeeld om kennis en expertise bin-
                  nen het netwerk te delen, het proces van kennisoverdracht onafhankelijk te
                  maken van plaats en tijd, en het proces van samenwerkend leren te faciliteren.
       6.6        conclusies
                  Veranderingen in het onderwijs en de rol die ict daarbij kan spelen, kunnen niet
                  los worden gezien van de bredere ontwikkelingen in de samenleving. Mede onder
                  invloed van de snelle ontwikkelingen op het gebied van informatie- en commu-
                  nicatietechnologie en van de mondialisering van de economie verandert de ken-
                  nissamenleving van karakter (zie hfdst. 1). Hieronder worden enkele bevindingen
                  samengevat.
                  1 Veranderende competenties
                  Invoering van ict in het bedrijfsleven gaat gepaard met veranderingen in de
                  arbeidsorganisatie en in de eisen die aan werknemers worden gesteld. ict-instru-
                  menten nemen veel routinetaken over, waardoor de overgebleven taken een min-
                  der routinematig en meer dienstverlenend karakter krijgen. Van werkenden
                  wordt in toenemende mate een situationele respons gevraagd. Dit vraagt in veel
                  functies om meer autonomie voor werknemers, om een hoger opleidingsniveau
                  en om meer vaardigheden om met mensen om te gaan. Van het onderwijs wor-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 180 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 181 ======================================================================

<pre>                                                                                      onderwijs
den daarom niet alleen kwalitatief goede opleidingen binnen specifieke kennis-
domeinen of disciplines verwacht, maar evenzeer aandacht voor het bijbrengen
van de gewenste, op het functioneren in de praktijk gerichte competenties.
Het up-to-date houden van kennis is altijd al belangrijk geweest, maar dit geldt
onverkort of wellicht nog sterker in de huidige kennismaatschappij. Dit leidt niet
alleen tot een veranderende vraag uit de arbeidsmarkt aan het hoger en beroeps-
onderwijs, maar ook tot een vraag naar meer geïnstitutionaliseerde vormen van
een leven lang leren. Het overheidsbeleid is er dan ook mede op gericht onderwijs
en afnemend veld beter op elkaar af te stemmen. Hierbij blijft de overheid wel
steeds meer op afstand.
De publieke taak van de overheid op het gebied van onderwijs ligt er in dat zij
zorg draagt voor de toegang tot kwalitatief goed onderwijs voor iedereen in de
Nederlandse samenleving. De publieke taak beperkt zich vrijwel uitsluitend tot
het initieel onderwijs, het onderwijs dat kwalificeert voor toetreding tot de
arbeidsmarkt. Her- of bijscholing is in principe een private verantwoordelijkheid
en alleen als groepen uit de boot dreigen te vallen (laag opgeleiden, ouderen), kan
ondersteuning door de overheid wenselijk zijn.
                                                                                                177
2 ict als socio -technisch proces
Een centrale vraag van dit hoofdstuk is of de ontwikkelingen op het gebied van
ict aanleiding vormen om het overheidsbeleid op het gebied van onderwijs aan
te passen. Wat moeten de kerncompetenties van het publiek gefinancierde
onderwijs zijn? Vraagt de huidige kennissamenleving om verdere uitbreiding van
het initiële onderwijs of moet het onderwijs juist meer gespreid worden over de
levensloop? Is er op het gebied van kennisoverdracht aanleiding om de verdeling
van verantwoordelijkheden tussen publieke en private partijen te heroverwegen?
Het zoeken naar een antwoord op bovenstaande vragen start bij het gebruik van
kennis in de samenleving. Kennis is altijd afhankelijk van context en doelgroep, en
bovendien voortdurend in ontwikkeling. Het onderwijs zou meer dan nu kunnen
functioneren als vertaler van kennis naar specifieke doelgroepen en contexten.
Omdat veranderingen in de kennissamenleving snel gaan, is het wenselijk dat er in
aanvulling op goed initieel onderwijs faciliteiten voor postinitieel onderwijs (scho-
ling van werkenden) worden gecreëerd. Zowel initieel als postinitieel onderwijs
moeten flexibel kunnen inspelen op vragen uit de samenleving en de arbeidsmarkt.
Initieel onderwijs moet mensen kwalitatief goed voorbereiden op hun functione-
ren in de samenleving. Het gaat hierbij om basisvaardigheden (lezen, schrijven en
rekenen), grondige kennis van een specifiek kennisdomein of discipline, en om
de (sociale) competenties die nodig zijn om in de maatschappij te participeren.
Het onderwijs heeft niet alleen een economische functie, maar ook een sociaal-
culturele. Tot de vaardigheden die nodig zijn om in de maatschappij te participe-
ren, horen ook ict-vaardigheden. Het lijkt echter niet nodig binnen het onder-
wijs aan iedereen een specifieke training in computervaardigheden te geven.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 181 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 182 ======================================================================

<pre>    va n oude e n nieu w e k e n nis
                  Deze vaardigheden worden in voldoende mate al doende ontwikkeld, mits het
                  gebruik van ict-instrumenten tot de normale leeromgeving behoort. Wel moet
                  worden geïnvesteerd in goede basiskennis en sociale en communicatieve vaardig-
                  heden, leervermogen, het vermogen tot analyseren en reflecteren en flexibiliteit.
                  3 Veranderende leeromgeving en relaties tussen leerlingen en docenten
                  Voor het overdragen van kennis blijft menselijke creativiteit cruciaal; wel kunnen
                  ict-instrumenten hierbij een ondersteunende rol spelen. Docenten moeten dus
                  niet door computers worden vervangen, maar zij moeten ict-instrumenten zin-
                  vol gebruiken. Dit vereist een herontwerp van leeromgevingen. Het huidige
                  gebruik van ict binnen het onderwijs is nog teveel gericht op substitutie, het met
                  behulp van ict anders inrichten van onderdelen van het onderwijsproces, maar
                  van werkelijke innovatie is nog nauwelijks sprake. Gestimuleerd zou moeten
                  worden dat de nieuwe mogelijkheden van ict voor het vormgeven van leerpro-
                  cessen worden verkend. Hierbij moet gezocht worden naar synergie tussen ict-
                  ontwikkelingen en ontwikkelingen op het gebied van de onderwijskunde.
                  Het herontwerpen van leeromgevingen kan vergaande consequenties hebben
                  voor zowel de leerlingen als de docenten. ict-instrumenten voegen aan de leer-
178               omgeving een component toe die, zowel in het ontwerp als in het gebruik, speci-
                  fieke eisen stelt. Het ontwikkelen van leeromgevingen is teamwerk en in een ont-
                  wikkelteam moeten didactische, technologische en vakinhoudelijke kennis
                  samenkomen. Verder is interactie tussen ontwerpers en gebruikers van leerom-
                  gevingen noodzakelijk; dit geldt zowel voor de ontwerpfase als voor de fase van
                  het gebruik. Tijdens de ontwerpfase moeten de ontwerpers gebruik maken van
                  de kennis en ervaring uit de onderwijspraktijk en in latere fasen moeten de erva-
                  ringen van gebruikers worden benut om het ontwerp te verbeteren. Binnen cen-
                  traal gestelde kaders ten aanzien van de kwaliteit van het onderwijsproces, die-
                  nen onderwijsinstellingen de ruimte te hebben om te experimenteren met
                  uiteenlopende toepassingen van ict. Een voorwaarde hiervoor is wel dat er sys-
                  tematische monitoring en evaluatie van praktijkervaringen plaats vindt, evenals
                  terugkoppeling van praktijkresultaten naar het onderwijskundig onderzoeks-
                  veld. Echter, niet alleen het ontwerpen van leeromgevingen is een kwestie van
                  teamwerk, ook het gebruik van ict-ondersteunde leeromgevingen in de onder-
                  wijspraktijk vraagt om samenwerking tussen vakinhoudelijk georiënteerde
                  docenten en meer technologisch georiënteerde collega’s. Zo wordt voorkomen
                  dat de ict-infrastructuur blokkeert in plaats van faciliteert.
                  De traditionele rol van docenten zal gaan veranderen; docenten worden niet ver-
                  vangen door computers, maar ze moeten er wel mee kunnen omgaan. Dit bete-
                  kent meer dan de knoppen kunnen bedienen; het gaat erom de didactische moge-
                  lijkheden van ict te benutten, als aanvulling op andere media en face-to-face
                  contacten. Docenten moeten de mogelijkheid krijgen om binnen de werkomge-
                  ving deze kennis en ervaring op te doen. Hiervoor moeten tijd en middelen
                  beschikbaar worden gesteld. Het recht op bijscholing zou in de collectieve
                  arbeidsovereenkomst moeten worden vastgelegd.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 182 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 183 ======================================================================

<pre>                                                                                      onderwijs
4 Het belang van kennisnetwerken
In een specifieke toepassingscontext van kennis is vrijwel altijd sprake van
samenwerking tussen meerdere disciplines en meerdere niveaus. De verschillende
typen onderwijs zouden dan ook meer de positie binnen een netwerk van
beroeps- en hoger onderwijs als uitgangspunt moeten nemen dan uitsluitend de
eigen zelfstandige positie. Daarom zijn incentives voor het participeren in dergelij-
ke netwerken gewenst. Dit mag echter niet leiden tot eenvormigheid. Onderwijs-
instellingen zouden juist vanuit de eigen identiteit en cultuur samenwerkingsrela-
ties aan dienen te gaan. Via participatie in kennisnetwerken kunnen vooral het
universitair en hoger beroepsonderwijs fungeren als vertaler van fundamentele,
strategische en toepassingsgerichte kennis die in universiteiten, gti’s en tno ont-
wikkeld wordt. Kennisontwikkeling is echter geen eenrichtingsverkeer en er dient
dan ook sprake te zijn van ‘netwerkverkeer’ in beide richtingen tussen kennisin-
stituten, ondernemingen, overheidsorganisaties, ngo’s en onderwijs.
Kennisoverdracht is niet alleen van belang voor de arbeidsmarkt, maar zeker ook
om volwaardig in de samenleving te kunnen participeren. In relatie tot de soci-
aal-culturele taak van het onderwijs ligt denken in termen van netwerken even-
eens voor de hand. In dat geval zullen vooral ook archieven, bibliotheken en
musea deel uit moeten maken van de netwerken (zie hfdst. 7).                                    179
5 Leren gedurende de gehele levensloop
De snelle ontwikkelingen in de kennissamenleving roepen de vraag op of een
strikte geïnstitutionaliseerde scheiding tussen initieel onderwijs en postinitieel
onderwijs op de levenslange leerroute nog wel functioneel is. Zou het gewenst
zijn (de laatste fase van) het initieel onderwijs meer te spreiden over de levens-
loop? Tot welke verschuivingen in publieke en private verantwoordelijkheden
leidt dit? Herbezinning op de publieke waarden die om overheidssteun vragen,
brengt de spanning aan het licht tussen het traditionele gelijkheidsidee en diffe-
rentiatie. Algemene toegankelijkheid van het onderwijs, evenals de kwaliteits-
borging van het onderwijs, zal altijd publieke financiering vragen, maar private
financiering kan het onderwijs gevoeliger maken voor een gedifferentieerde
vraag.
6 Leren en werken; werken en leren
Het gebruik van ict-instrumenten biedt veel mogelijkheden om leeromgevingen
te ontwikkelen en kennisoverdrachtprocessen meer onafhankelijk te maken van
tijd en plaats. Dit geldt zowel binnen onderwijsinstellingen als binnen bedrijven
en organisaties. Deze tijd- en plaatsonafhankelijkheid van ict-instrumenten biedt
ook mogelijkheden om de brug tussen leeromgeving en werkomgeving te verste-
vigen. ict-instrumenten kunnen het vertaalproces van kennis tussen specifieke
doelgroepen en contexten faciliteren, maar de realisering van de mogelijkheden
vereist grote investeringen in de ict-infrastructuur, zowel in de technische com-
ponent als in de menselijke. De investeringen van de afgelopen jaren betroffen
vooral de technische component; de investeringen in de menselijke component
zijn achtergebleven. Het is van groot belang dat deze achterstand wordt ingehaald.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 183 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 184 ======================================================================

<pre>    va n oude e n nieu w e k e n nis
                  Hierbij zou ook voor de menselijke component moeten worden gedacht aan een
                  infrastructuur die zowel door het initiële onderwijs als door het postinitiële
                  onderwijs kan worden benut. Gezien de aard en omvang van de investeringen zal
                  deze niet zonder stimulering uit de publieke middelen tot stand komen.
                  Het voorgaande impliceert niet dat het verzorgen van postinitieel onderwijs een
                  publieke taak is, maar wel dat de interactie tussen publieke en private partijen
                  zich zou moeten uitstrekken over zowel het deel van het initiële onderwijs dat
                  direct op de arbeidsmarkt voorbereidt, als het postinitiële traject. De zorg voor
                  een kwalitatief goede ondersteunende ict-infrastructuur zou hierbij moeten
                  worden gezien als een publieke taak. Voor de toerekening van de kosten van het
                  gebruik van die infrastructuur aan respectievelijk individuele gebruikers, werk-
                  gevers en overheid moet een verdeelsleutel worden ontworpen.
                  Het onderwijs is een zeer belangrijke, zo niet de belangrijkste, schakel in de ken-
                  nismaatschappij. Zorgvuldige en weloverwogen toepassing van de mogelijkhe-
                  den die ict biedt, kan een onmisbare bijdrage leveren om deze schakel te verster-
                  ken.
180
</pre>

====================================================================== Einde pagina 184 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 185 ======================================================================

<pre>                     onderwijs
noten
i
      Zie www.cbs.nl
                               181
</pre>

====================================================================== Einde pagina 185 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 186 ======================================================================

<pre>    va n oude e n nieu w e k e n nis
182
</pre>

====================================================================== Einde pagina 186 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 187 ======================================================================

<pre>                                                                               bibliotheken en archieven
7   bibliotheken en archieven
7.1 inleiding
    Openbare bibliotheken en archieven zijn voorzieningen die van overheidswege
    worden beheerd dan wel grotendeels publiek worden bekostigd. Zij bewaren in
    allerlei vormen opgeslagen kennis en informatie, maken deze algemeen toegan-
    kelijk en – in het geval van openbare bibliotheken – distribueren deze. In dit
    hoofdstuk gaat het over de bibliotheken en archieven en de gevolgen die de
    opkomst van de informatie- en communicatietechnologie heeft voor deze voor-
    zieningen en in het bijzonder voor de redenen voor overheidszorg. Bij deze
    inhoudelijke vraag gaat het er vooral om in hoeverre het publieke belang van deze
    voorzieningen toe- dan wel afneemt in een samenleving waarin ict het kennis-
    domein ingrijpend verandert. Deze vraag sluit aan bij de discussie over de con-
    textafhankelijkheid van kennis in paragraaf 2.2.5 en over de gevolgen van ict
    voor de publieke dimensie van kennis (hfdst. 3).
    Ten tweede wordt gekeken naar de wijze waarop beleid kan worden gevoerd om
    de ontwikkelingen in de gewenste richting te sturen. Deze procedurele vraag                          183
    heeft betrekking op het concept van variatie, verankering en leervermogen, dat in
    hoofdstuk 1 is uiteengezet, en de mate waarin en onder welke condities dit prin-
    cipe ook op openbare bibliotheken en archieven kan worden toegepast.
    In dit rapport gaat het er vooral om oude en nieuwe argumenten te ordenen waar-
    van de geldingskracht in de nieuwe context kan toe- of afnemen en die van
    belang zijn om de politieke besluitvorming te schragen. In dit verband zijn twee
    differentiaties van belang. In de eerste plaats is bij voorzieningen die in hoge mate
    op lokaal, regionaal niveau gesitueerd zijn, de vraag naar wel of geen overheids-
    bemoeienis te globaal geformuleerd. De organisatie binnen de overheid is even-
    eens cruciaal: gaat het om een voorziening die op landelijk niveau gegarandeerd
    en geregeld is en waarvan de uitvoering op een lager niveau plaatsvindt, zoals bij
    veel onderwijsvoorzieningen het geval is? Of gaat het om instellingen die lagere
    overheden desgewenst zelf kunnen bekostigen of beheren, een figuur die op het
    terrein van het welzijnsbeleid dominant is?
    In de tweede plaats gaat het niet zozeer om het instituut, om de organisatorische
    vormgeving als zodanig, maar om de functies die openbare bibliotheken en
    archieven vervullen. Uit het vervolg zal blijken dat beide soorten instellingen
    meerdere maatschappelijke functies vervullen en dat voor elk van deze functies
    een eigen argumentatiekader geldt.
    Andere voorzieningen dan de openbare bibliotheken en archieven komen in dit
    hoofdstuk slechts ter sprake voor zover zij bij de hier aan de orde zijnde thema’s
    direct een rol vervullen. Dit geldt vooral voor de functie van musea ten aanzien
    van het cultuur- en kennisbehoud.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 187 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 188 ======================================================================

<pre>    va n oude e n nieu w e k e n nis
                  Dit hoofdstuk begint met een korte beschrijving van de voorzieningen die hier
                  centraal staan (par. 7.2). Daarna worden in paragraaf 7.3 de gevolgen van ict voor
                  deze voorzieningen beschreven en de reacties die dit in de sector zelf oproept.
                  Paragraaf 7.4 schetst het huidige overheidsbeleid ten aanzien van openbare bibli-
                  otheken en archieven. Vervolgens worden de ontwikkelingen in deze sector gere-
                  lateerd aan drie hoofdthema’s van dit rapport, te weten de toegang, het kwali-
                  teitsbeheer en de toe-eigening van informatie (par. 7.5). Tot slot wordt in
                  paragraaf 7.6 een voorlopig antwoord geformuleerd op de twee hoofdvragen,
                  zoals hierboven omschreven. Het hoofdstuk wordt afgesloten met de belangrijk-
                  ste conclusies (par. 7.7).
       7.2        de aard van de voorzieningen
       7.2.1      bibliotheken
                  In algemene bewoordingen geformuleerd, bestaat de maatschappelijke functie
                  van de openbare bibliotheken uit het beheren, het toegankelijk maken en het
                  distribueren van informatie. In brede kring wordt onderkend dat deze voorzie-
                  ning ook tal van andere functies vervult, zoals de culturele bewaar- en behouds-
184               functie – denk bijvoorbeeld aan boeken uit het recente verleden die niet meer op
                  de markt worden aangeboden – , een educatieve functie – het leren ontsluiten,
                  vinden, kiezen en gebruiken van informatie – en een recreatieve functie. In toe-
                  nemende mate wordt aan de openbare bibliotheek ook een politiek-democrati-
                  sche functie toegeschreven, als aanbieder van informatie over (voorgenomen)
                  overheidsbeleid. Ten slotte vervullen veel openbare bibliotheken een sociale
                  functie door te fungeren als fysieke ontmoetingsplaats voor sociaal-culturele
                  activiteiten.
                  Deze functies zijn neergelegd in een document waarin, op mondiaal niveau,
                  Unesco en de Bibliotheekorganisatie iflo in 1994 de missie van de openbare
                  bibliotheek hebben geherformuleerd. Ook de in hoofdstuk 1 genoemde publieke
                  waarden op het kennisterrein krijgen expliciet aandacht in dit document. De
                  Nederlandse vereniging van openbare bibliotheken nblc heeft een eerdere versie
                  van dit document in een statuut vertaald naar de Nederlandse situatie.
                  Nederland kent een uitgebreid, verfijnd netwerk van landelijke, regionale en
                  lokale openbare bibliotheken. Zij zijn vooral rond 1900 opgekomen, vanuit het
                  educatieve ideaal van volksverheffing. In 1975 werd de openbare bibliotheek bij
                  wet als basisvoorziening erkend. Dit impliceerde een tamelijk centralistisch
                  beleid, waarbij het Rijk als belangrijkste planner en regelgever optrad en, in veel
                  beperktere mate, als bekostiger. In 1987 werd de wettelijke verplichting van lagere
                  overheden om een openbare bibliotheek in stand te houden opgeheven en werd
                  de bibliotheek een vrije welzijnsvoorziening. In 1994 werd deze voorziening
                  opgenomen in de Wet op het specifieke cultuurbeleid, zonder dat de decentrale
                  structuur veranderde.
                  Dat de openbare bibliotheek maatschappelijk een voorziening is die in hoge mate
                  is geaccepteerd en ingeburgerd, blijkt wel uit het feit dat de afschaffing van de
</pre>

====================================================================== Einde pagina 188 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 189 ======================================================================

<pre>                                                                               bibliotheken en archieven
      wettelijke verplichting niet heeft geleid tot een substantiële vermindering van de
      overheidszorg, zoals aanvankelijk binnen de sector werd gevreesd.
      De meeste bibliotheken zijn particuliere non-profit instellingen, met uitzonde-
      ring van de Koninklijke Bibliotheek en enkele grote gemeenten die zelf een open-
      bare bibliotheek beheren. Het huidige stelsel kent 512 lokale organisaties, waaron-
      der 13 met een wetenschappelijke steunfunctie en tien provinciale bibliotheek-
      centrales met een algemeen ondersteunende functie. De landelijke vereniging,
      het nblc, voert mede in opdracht van de rijksoverheid landelijke stelseltaken uit,
      waaronder de regie en coördinatie inzake ict. Van oudsher wordt het stelselka-
      rakter van deze voorziening benadrukt door zowel het veld, de overheid als de
      wetgeving. Dit betekent dat er talloze samenwerkingsverbanden op en tussen de
      verschillende territoriale niveaus bestaan. Dit is onder meer van belang voor het
      beperkte aantal kleine gemeenten die geen eigen openbare bibliotheek hebben en
      gebruik maken van diensten van instellingen elders.
      Openbare bibliotheken onderhouden ook diverse externe samenwerkingsrela-
      ties. Deze betreffen vooral het onderwijs. Vanouds behoort vooral de ondersteu-
      ning van basisscholen tot de kernactiviteiten. In het kader van het levenslang en
      wederkerend leren vindt steeds meer een verbreding plaats naar andere educatie-                    185
      ve doelgroepen. Per instelling kan dit evenwel verschillen. Gemeenten en andere
      overheden maken vaak van de openbare bibliotheek gebruik om informatie over
      hun (voorgenomen) beleid aan te bieden.
      De openbare bibliotheken werden in 1999 voor 80 procent structureel door lagere
      overheden bekostigd, voor een bedrag van ongeveer 350 miljoen euro (800 mil-
      joen gulden). Deze financiering geschiedt geheel op vrijwillige basis, zonder wet-
      telijke verplichting en zonder specifieke rijkscompensatie. Het Rijk bekostigt
      structureel de landelijke vereniging en verstrekt incidenteel subsidies. De bijdra-
      gen van de gebruikers maken 17 procent van de inkomsten van de bibliotheken uit
      (ioo bv 2001: 13 e.v.).
      Dertig procent van de bevolking is geregistreerd gebruiker van de openbare bibli-
      otheek, van de jongeren tot 18 jaar zelfs driekwart. De leden lenen gemiddeld
      28 boeken per jaar.
7.2.2 archieven
      Als ‘opslagplaats’ van het geheugen van de samenleving, vervullen archieven een
      algemene, maatschappelijke en bestuurlijke functie. Hiernaast hebben archieven
      ook een cultuurhistorische functie. De overheidsarchieven vervullen bovendien
      een rechtsstatelijke functie: zij bieden burgers de mogelijkheid hun rechten te
      onderbouwen en overheden te controleren. De wetgeving schrijft de archivering
      van overheidsbescheiden voor, maar laat de private sector grotendeels vrij.
      Bij archivering moet steeds onderscheid worden gemaakt tussen de recente
      archiefbescheiden, jonger dan 20 jaar, waarvan de openbaarheid door de Wet
      openbaarheid bestuur (wob) wordt geregeld, en het beperkte aantal, krachtens
</pre>

====================================================================== Einde pagina 189 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 190 ======================================================================

<pre>    va n oude e n nieu w e k e n nis
                  wettelijke regeling bepaalde, historisch relevante archiefbescheiden. Deze laatste
                  moeten na het verstrijken van de termijn van 20 jaar worden overgebracht naar
                  specifieke archiefbewaarplaatsen, die door professionele archivarissen worden
                  beheerd en waarvan de openbaarheid is geregeld in de Archiefwet 1995.
                  In dit hoofdstuk gaat het vooral om de archivering die de overheid regelt en in
                  stand houdt. De overheidsarchieven bevatten overigens ook veel documenten
                  van burgers en maatschappelijke instellingen, die hun bescheiden vrijwillig heb-
                  ben overgedragen. Overheidsarchieven geven dan ook een veel breder maat-
                  schappelijk beeld dan alleen van het openbaar bestuur.
                  De nadruk in de regelgeving ligt op behoud en beheer en veel minder op de
                  publieksfunctie. In beginsel zijn alle bescheiden die in overheidsarchieven zijn
                  opgeslagen en geordend, openbaar. Soms zijn hierop uitzonderingen, bijvoor-
                  beeld wanneer de privacy van betrokkenen of de staatsveiligheid in het geding is.
                  Ieder overheidsorgaan heeft een directe wettelijke plicht om ervoor te zorgen dat
                  recente archiefbescheiden in geordende en toegankelijke staat worden gebracht
                  en bewaard.
186               Het beheer van de overgebrachte historische archieven is per bestuurslaag anders
                  geregeld. De minister van oc&w is verantwoordelijk voor alle rijksarchieven.
                  Deze worden overgebracht naar het Nationale Archief i.o. in Den Haag of naar de
                  provinciale rijksarchiefdiensten, waar ook, eveneens onder verantwoordelijkheid
                  van de minister, de historische archiefbescheiden van de provincie een plaats
                  krijgen. Gemeenten en waterschappen zijn grotendeels vrij in de wijze waarop zij
                  de zorg voor hun historische archieven organiseren. Het beeld is hier dan ook
                  wisselend. Naast goed geoutilleerde stads- en intergemeentelijke streekarchie-
                  ven, met een professionele archivaris als beheerder, zijn er veel kleine archief-
                  diensten maar ook gemeenten en waterschappen waar iedere vorm van profes-
                  sioneel archiefbeheer ontbreekt. Het toezicht berust bij het college van
                  Gedeputeerde Staten.
                  Om de lokale/regionale samenhang te versterken hebben de provinciale rijksar-
                  chieven zich de laatste jaren ontwikkeld tot Regionale Historische Centra. Deze
                  centra moeten de kern worden van regionale samenwerkingsverbanden, niet
                  alleen met de archieven van de overheden, maar ook met bibliotheken en musea
                  in de regio. Mede vanuit deze centra wordt het regionale netwerk georganiseerd
                  dat de kwaliteit van het beheer en van de toegankelijkheid in de gehele provin-
                  cie/regio garandeert. De juridische en organisatorische vorm van deze samen-
                  werking verschilt sterk per provincie.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 190 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 191 ======================================================================

<pre>                                                                                bibliotheken en archieven
7.3   ict- ontwikkelingen
7.3.1 bibliotheken
      Europees niveau
      In elk Europees land zijn een of meer instellingen van overheidswege verplicht
      publicaties in woord, beeld en geluid te verzamelen, te beheren en voor het nage-
      slacht te bewaren. In de meeste landen zijn uitgevers bij wet verplicht exempla-
      ren van hun publicaties af te staan ten behoeve van de nationale depots. In Neder-
      land gebeurt dit, voor wat betreft de tekstuele documenten, op basis van een
      overeenkomst tussen de Koninklijke Bibliotheek en de uitgeverijen. Het Natio-
      naal Audiovisueel Archief doet dit voor muziek en films.
      In Europees verband overleggen nationale bibliotheken en internationale uitge-
      verijen met elkaar over het verplichte depot van elektronische publicaties. De uit-
      gevers zijn bereid hieraan mee te werken, mits de bibliotheken niet met hen con-
      curreren. Het is de bedoeling om uiteindelijk te komen tot één Europees digitaal
      depot – of bibliotheek, in termen van een dienst voor eindgebruikers. Dit vergt
      een gemeenschappelijke technische infrastructuur en Europese standaardisatie
      van catalogi, waarmee vermoedelijk nog veel tijd gemoeid zal zijn. De huidige                       187
      gemeenschappelijke website van de nationale bibliotheken in Europa, Gabriel, zal
      worden uitgebouwd tot het platform van de komende Europese bibliotheek.
      Gabriel bevat nu vooral verwijzingen en een beperkte gemeenschappelijke zoek-
      functie.
      Nationaal en lager niveau
      In de openbare bibliotheken werd ict in eerste instantie vooral toegepast om de
      operationele processen te automatiseren, zoals registratie, uitleen en betaling.
      Inmiddels zijn, mede dankzij speciale rijkssubsidies, alle openbare bibliotheken
      aangesloten op het internet en hebben de meeste openbare bibliotheken een
      eigen website.
      Op landelijk niveau heeft de nblc eind 2001 een eigen portalsite geopend, Biblio-
      theek Nederland (www.bibliotheek.nl), waarin de branche zich als geheel op het
      internet manifesteert. Het is de bedoeling dat de zoekmachine en de rubrieken de
      centrale toegang bieden tot en de ontsluiting geven van het aanbod van de geza-
      menlijke bibliotheken. Doordat deze portal geen commerciële doelstellingen
      heeft, kan een veel ruimer aanbod worden gevonden en ontsloten dan bij particu-
      liere portalsites het geval is, zo is de redenering. De associatieve zoekmachines
      bieden een overzicht van zoekwoorden die gerelateerd worden aan het zoek-
      woord dat de vrager heeft geformuleerd. Hierbij staat de vrager centraal als
      gebruiker en niet als mogelijke koper.
      Bij de portalsite wordt uitgegaan van een groeimodel. Zo wordt nu gewerkt aan een
      digitale vraagbaak, die bezoekers kan helpen met vragen waarop de site geen direct
      antwoord biedt. Op termijn moet ook een doorkoppeling naar lokale bibliotheken
      worden gerealiseerd, zodat men direct materiaal kan reserveren en opvragen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 191 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 192 ======================================================================

<pre>    va n oude e n nieu w e k e n nis
                  Discussie over de toekomstige plaats en functie van openbare bibliotheken
                  De opmars van ict heeft aanleiding gegeven tot diverse bespiegelingen over de
                  plaats en functie van de openbare bibliotheek in een samenleving waarin men
                  steeds gemakkelijker via andere kanalen informatie kan verkrijgen. Uit een
                  enquête van het Bibliotheekblad (Coers en Stapel 2000) komt naar voren dat de
                  sector zelf in de toekomst vooral de functie wenst te versterken van media-edu-
                  catie en serviceverlening bij het vinden, hanteren en verwerken van informatie
                  op het internet. Een belangrijke vervolgvraag is dan op welke doelgroepen de
                  openbare bibliotheek zich moet richten: op de kansarmen (‘een bezemwagen op
                  de digitale snelweg voor de digibeten’), op andere educatieve instellingen of ook
                  op de gevorderden en het bedrijfsleven? Het antwoord hierop lijkt in belangrijke
                  mate te worden bepaald door de vraag of andere, particuliere informatiediensten
                  de gevorderden en ‘kansrijken’ in de toekomst niet even goed kunnen bedienen.
                  Een tweede functie die men toekent aan de openbare bibliotheek van de toe-
                  komst, betreft een eigen virtuele bibliotheek, die inhoudelijke informatie en ken-
                  nis ontsluit die men cultureel en maatschappelijk van hoge waarde acht maar
                  elders moeilijk toegankelijk is. De bibliotheek kan dan een aanvullende rol ver-
                  vullen om een betrouwbaar, pluriform en kwalitatief hoogwaardig aanbod in
188               stand te houden, waarin de particuliere internetmarkt onvoldoende voorziet (vgl.
                  de website Bibliotheek.nl).
                  Binnen de sector zien weinig mensen de fysieke bibliotheek geheel verdwijnen.
                  De algemene verwachting is dat de toekomst eerder ligt in een koppeling van de
                  virtuele en de fysieke bibliotheek. Digitalisering zal eerder de overhand krijgen
                  als het gaat om informatie die men periodiek moet naslaan dan bij een roman.
                  Anderen wijzen erop dat in een tijd van ontkerstening en individualisering de
                  behoefte aan een fysieke bibliotheek zal toenemen, als ontmoetingsplaats binnen
                  een serieuze culturele, niet-commerciële setting (denk bijv. aan schrijversavon-
                  den, leesclubs e.d.). Ook hier kan echter de vraag worden gesteld of particuliere
                  instellingen, zoals boekhandels, niet ook hierin kunnen voorzien. Versterkte
                  samenwerking tussen boekhandels en bibliotheken is dan een alternatieve optie.
                  De opvattingen die van buiten de sector naar voren worden gebracht, verschillen
                  hier niet sterk van. De verantwoordelijke staatssecretaris Van der Ploeg stelt dat
                  mensen in een kennisintensieve samenleving moeten leren zoeken en kiezen en
                  moeten leren de waarde van informatie te wegen. Dit is een functie waarin open-
                  bare bibliotheken altijd goed zijn geweest. Anderen menen dat sterk tijdgebon-
                  den informatie, zoals juridische informatie, op den duur niet meer in boekvorm
                  te verkrijgen zal zijn, maar culturele informatie wel. De toekomstige functie van
                  de bibliotheek zou er vooral in gelegen zijn betrouwbare informatie te vinden. Bij
                  het ontwikkelen en het helpen gebruiken van associatieve zoeksystemen kan de
                  openbare bibliotheek een belangrijke rol vervullen (Chanowski 2000).
                  Verder wordt geconstateerd dat de boekenmarkt tegenwoordig erg grillig is,
                  waardoor het moeilijk is te voorspellen welke boeken ‘bestsellers’ worden.
                  Daarom moeten uitgevers ook investeren in moeilijke, risicovolle boeken.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 192 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 193 ======================================================================

<pre>                                                                               bibliotheken en archieven
      Hierbij is het aanschafbeleid van bibliotheken van groot belang (Van Krevelen
      1999).
      Er bestaat dus overeenstemming over de gedachte dat de openbare bibliotheek
      ook in een, mede door ict bepaalde, kennissamenleving belangrijke functies
      behoudt. Van een eenduidig concept van de toekomstige positie van de openbare
      bibliotheek als instituut is echter nog geen sprake.
7.3.2 archieven
      Vergeleken met bibliotheken, lopen de archieven wat achter in het gebruik van
      ict. Veel archieven hebben bijvoorbeeld nog geen eigen website. Niettemin biedt
      ict veel mogelijkheden om de toegankelijkheid en samenhang van het gehele
      cultuurhistorische archief te vergroten. Het gaat dan niet alleen om de archieven
      in de traditionele wettelijke betekenis, maar ook om andere archieven, zoals het
      Nationaal Audiovisueel Archief, en om de musea en bibliotheken. Zo kunnen
      met behulp van ict fysiek kwetsbare materialen, die zich niet lenen voor directe
      inzage, wel on-line toegankelijk worden gemaakt. Bovendien wordt momenteel
      slechts een klein deel van de collectie van de musea fysiek tentoongesteld. Digita-
      lisering biedt hier mogelijkheden om de toegankelijkheid van het aanbod dat nu                     189
      in kelders opgeborgen is, te vergroten.
      Verder kenmerkt het huidige beheer van het publieke, cultuurhistorische archief
      zich door een hoge mate van verbrokkeling. Honderden kilometers papier, miljoe-
      nen foto’s, honderdduizenden kaarten en kasten vol audiovisueel materiaal zijn
      verdeeld over meer dan 300 verschillende instellingen. Deze versnippering is niet
      toegesneden op de toenemende gedifferentieerde vraag van de gebruiker, die
      enerzijds het gevolg is van algemene, autonome maatschappelijke ontwikkelingen
      waardoor de historische interesse voor eigen familie, stad of streek groeit. Ander-
      zijds vormen ook specifieke ontwikkelingen in het onderwijs een stimulans, zoals
      de toenemende nadruk op zelfwerkzaamheid, het zelf onderzoeken van de eigen
      leefomgeving en de vaardigheid om met historische bronnen om te gaan. De vra-
      gers beperken zich derhalve al lang niet meer tot de professionele historici.
      Het vraaggericht ontsluiten met behulp van ict verloopt in verschillende stadia.
      Eerst wordt de archiefcatalogus op de website gezet, dan wordt een geselecteerd
      aanbod direct on-line gebracht en ten slotte worden zoekstructuren opgebouwd
      en worden systemen van meerdere archieven en andere cultuurhistorische centra
      aan elkaar gekoppeld.
      Initiatieven
      In de sector worden diverse initiatieven ondernomen om meer gebruik te maken
      van ict. In 1998 hebben de archieven, musea en bibliotheken op nationaal niveau
      en met steun van de rijksoverheid de vereniging ‘Project Digitaal Erfgoed Neder-
      land’ opgericht. Het uiteindelijke doel is om ongeveer 20 procent van het erf-
      goedmateriaal te selecteren, te digitaliseren en op een website publiekelijk ter
</pre>

====================================================================== Einde pagina 193 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 194 ======================================================================

<pre>    va n oude e n nieu w e k e n nis
                  beschikking te stellen. Er wordt nu gewerkt aan de eerste stap, de ontwikkeling
                  van een Cultuurwijzer Digitaal Erfgoed, die een platform moet bieden voor ver-
                  wijzingen. Bijzondere aandacht krijgen het onderwijs als doelgroep en de aan-
                  sluiting op het Kennisnet van de scholen (zie hfdst. 6).
                  De projecten Digitale Atlas en Digitale Stamboom betreffen twee projecten die
                  op deelterreinen zijn gerealiseerd. In het project Digitale Atlas werkten de
                  Koninklijke Bibliotheek en het Rijksmuseum samen om hun collecties over de
                  Gouden Eeuw te digitaliseren en op een gezamenlijke website openbaar te
                  maken. Het project de Digitale Stamboom is het initiatief van de gemeente Delft
                  om een database op te zetten van twee miljoen namen, die on-line opvraagbaar
                  zijn. Andere archieven volgen dit voorbeeld.
                  Er doen zich vele technische, maar ook inhoudelijke harmonisatieproblemen,
                  zoals de opbouw van een gemeenschappelijke catalogus, voor als het erom gaat
                  de samenhang tussen het aanbod van de archieven te versterken. Dit aanbod is
                  immers fysiek over zeer verschillende instellingen verspreid. Een van de grote
                  problemen bij de harmonisatie betreft de aansluiting op standaarden die interna-
                  tionaal ontwikkeld worden. Dit is een moeizaam, niet altijd even doorzichtig
190               proces. Ook moet vooraf goed worden bepaald welk deel van de collectie voor
                  welke doelgroepen in samenhang moet worden gebracht en toegankelijk moet
                  worden gemaakt. Ten slotte vraagt ook dit soort projecten grote investeringen, al
                  valt er mogelijk ook financiële winst te boeken. De kosten voor fysieke ruimte en
                  personeel, die de klassieke manier van openbaarstelling vraagt, zouden kunnen
                  dalen.
                  Problemen bij de archiefopslag van digitale gegevensbestanden
                  Krachtens de wetgeving moet ongeveer 20 procent van de digitale bescheiden
                  blijvend bewaard worden. Primaire, wettelijk verankerde vereisten die aan deze
                  archiefbescheiden gesteld worden zijn: duurzaamheid, houdbaarheid van de
                  informatiedrager, evenals vindbaarheid, kenbaarheid, beschikbaarheid, betrouw-
                  baarheid en authenticiteit van de informatie. Deze vereisten roepen bij digitale
                  bescheiden andere problemen op dan bij traditionele papieren bescheiden.
                  Authenticiteit houdt in dat archiefbescheiden dezelfde inhoud, vorm en struc-
                  tuur hebben als op het moment van ontstaan en dat de kerngegevens van het
                  document vaststaan: wanneer, door wie en waartoe is het opgesteld? De zeker-
                  heid die papieren stukken doorgaans bieden, ontbreekt vaak bij digitale docu-
                  menten. Daarom is extra aandacht nodig voor de kenmerkende elementen van
                  het document, de zogenoemde metagegevens.
                  Uit het oogpunt van duurzaamheid roept digitalisering vooral problemen op
                  door de snelle opeenvolging van technologische systemen, zoals de overgang van
                  WordPerfect naar MS Word. Bij conversie naar een nieuw systeem kan essentiële
                  informatie verloren gaan. Verschillende versies van meerdere malen gewijzigde
                  papieren documenten kunnen goed bewaard worden, zoals plattegronden en
</pre>

====================================================================== Einde pagina 194 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 195 ======================================================================

<pre>                                                                               bibliotheken en archieven
      gegevens van de gemeentelijke basisadministratie. Veel digitale informatiesyste-
      men kennen echter geen archiefsysteem voor veranderingen, waardoor vaak
      alleen de laatste versie van een document bewaard blijft. Ook gegevens die op
      grond van de privacywetgeving niet openbaar gemaakt worden, worden bij veel
      ict-systemen verwijderd, terwijl vergelijkbare papieren stukken veelal wel
      bewaard worden.
      Bij de ontwikkeling van nieuwe hard- en softwaresystemen worden de archief-
      functie en de eisen die hieraan moeten worden gesteld uit oogpunt van goed
      archiefbeheer, veelal verwaarloosd. Noordam pleit daarom voor een gestructu-
      reerde dialoog tussen de archiefwereld en de ict-sector, vooral op Europees
      niveau (De Zwart 1998). De eu stimuleert onderzoek en samenwerking tussen
      overheden en archiefbeheerders. Op nationaal niveau zijn twee projecten van
      het Nationaal Archief i.o. van belang: het Project Depot 2000+ en het ‘Testbed-
      project’.
      Het Project Depot 2000+ heeft tot doel digitale archiefbescheiden zodanig te
      bewaren en te beheren, dat deze kunnen worden teruggevonden, gelezen en in
      hun authentieke vorm gereproduceerd. Hierin gaat aandacht uit naar de relatie
      tussen het depotsysteem in het archief en de digitale archieffunctie van de over-                  191
      heid zelf en naar het anticiperen op technologische veroudering van ict-syste-
      men. Om de duurzaamheid, beschikbaarheid en authenticiteit van de digitale
      documenten te garanderen is nieuwe regelgeving nodig. Het ‘Testbedproject’
      betreft een onderzoek in een laboratoriumsituatie naar het bewaarmodel dat uit-
      eindelijk ten grondslag moet liggen aan de komende regelgeving en de inrichting
      van de archieven bij de Nederlandse overheid.
7.4   feitelijke ontwikkelingen in het overheidsbeleid
7.4.1 bibliotheken
      Internationaal niveau
      Sinds het begin van de jaren negentig is er een eu-richtlijn die de openbare bibli-
      otheken verplicht leenrecht te betalen voor de werken die ze uitlenen. Lidstaten
      zijn vrij in de concrete uitwerking van deze richtlijn. Zo heeft Zweden gekozen
      voor een cultuurpolitiek model waarin de rijksoverheid de kosten voor haar reke-
      ning neemt en de vergoeding direct aan de auteurs uitbetaalt. Nederland heeft
      gekozen voor een regeling binnen het kader van het auteursrecht, waarbij de
      openbare bibliotheken het leenrecht zelf moeten betalen, meestal aan de uitge-
      vers als rechthebbenden. Omdat veel gemeenten hiervoor geen compensatie bie-
      den, betekent het leenrecht een flinke aanslag op het aanschafbudget van de
      openbare bibliotheek.
      Het auteursrecht wil vanouds twee beginselen verzoenen, namelijk de bescher-
      ming van de rechten van de eigenaren van het werk (in de praktijk veelal de uitge-
      vers) en de toegang tot informatie als burgerrecht, als publiek belang. Beide
</pre>

====================================================================== Einde pagina 195 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 196 ======================================================================

<pre>    va n oude e n nieu w e k e n nis
                  beginselen worden in abstracto verzoend in een tweetal vn-verdragen uit 1997
                  (de zgn. wipo-verdragen). Op basis van een recente eu-richtlijn, waarin deze
                  verdragen worden uitgewerkt, moeten zij worden vertaald in nationale wetge-
                  ving.
                  Gegeven haar taakstelling en de belangenconstellatie waarin zij opereert, legt de
                  eu, zeker in de ogen van de bibliotheeksector, een zwaar accent op het beginsel
                  dat de economische rechten van de aanbieder beschermd moeten worden. Dit
                  komt niet alleen tot uiting in deze regeling, maar ook in verwante regelingen op
                  het terrein van software, databanken, verhuur- en leenrecht. De opzet van deze
                  regelingen is dat de toegang tot informatie wordt gerealiseerd door licentieover-
                  eenkomsten tussen de eigenaar en de publieke instellingen. De eu kiest hier der-
                  halve voor het marktmechanisme. Hierbij past echter wel de kanttekening dat de
                  aanbieder van informatie per definitie een monopolist is, terwijl de vrager vaak
                  geen echt private partij is, zoals een openbare bibliotheek. Dit was mede de reden
                  waarom in het vroegere nationale leenrecht de overheid de hoogte van de door de
                  openbare bibliotheek verschuldigde vergoeding bepaalde.
                  De eu-regeling verbiedt bibliotheken, archieven, onderzoeksinstellingen en uni-
                  versiteiten in beginsel om zonder licentieovereenkomst elektronisch materiaal op
192               het scherm te tonen, gebruikers hiervan kennis te laten nemen en het te kopië-
                  ren. De eu biedt de lidstaten echter wel de ruimte om in het kader van het eigen
                  culturele en educatieve beleid te bepalen dat publieke instellingen in mindere
                  mate aan deze verplichting hoeven te voldoen. De eu toetst dit nationale beleid
                  op basis van erg onduidelijke maatstaven. De regeling vertoont dan ook alle ken-
                  merken van een compromis (Cohen Jehoram 2001).
                  De eu laat de nationale overheden dus een zekere vrijheid voor een eigen beleid
                  ten aanzien van de toepassing van het auteursrecht. Deze vrijheid bestaat ook ten
                  aanzien van een nationaal systeem van vaste boekenprijzen, dat een uitzondering
                  vormt op het algemene beginsel van marktliberalisatie en vrije mededinging.
                  Nationaal niveau
                  Op nationaal niveau zijn diverse beleidsinitiatieven van belang voor de positie van
                  de bibliotheken. Zo geeft het wetsvoorstel van 2001 voor herziening van de grond-
                  wettelijke informatievrijheid, de burger het recht op toegang tot informatie die bij
                  de overheid berust (zonder dit verder te concretiseren) en de overheid een globale
                  plicht om te zorgen voor een maatschappelijk pluriform informatieaanbod. Bij de
                  parlementaire behandeling van de nota ‘Grondrechten in het digitale tijdperk’ gaf
                  de regering aan deze zorgplicht niet te willen uitwerken in een meer uitgebreide
                  wettelijke regeling van onder meer de openbare bibliotheken (TK 2000-2002).
                  In sommige andere landen gaat de wettelijke regeling van openbare bibliotheken
                  veel verder. Zo biedt een recente Deense wet de burger het recht op toegang via
                  de bibliotheek tot alle – zowel papieren als digitale – overheidsinformatie en
                  maatschappelijk relevante informatie. De Amerikaanse Freedom of Information
                  Act verplicht overheden tot de zorg voor elektronische bibliotheken en leeszalen
                  waarin iedere burger de benodigde informatie kan vinden (de zgn. ‘civil society
</pre>

====================================================================== Einde pagina 196 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 197 ======================================================================

<pre>                                                                         bibliotheken en archieven
information’). In vergelijking hiermee is het Nederlandse voorstel qua reikwijdte
en uitwerking wat zuinig.
In 1998 stelde de Raad voor de Cultuur voor om te komen tot regionale biblio-
theekeenheden waarin ook de provinciale ondersteuningsdiensten zouden wor-
den ondergebracht. De provincie zou dit proces moeten regisseren en de rijks-
overheid zou een krachtiger kaderstellende functie moeten krijgen. Aanleiding
hiervoor vormden niet zozeer veranderingen in taken en functies van de openba-
re bibliotheek als zodanig, maar de combinatie van toenemende taken, schaarser
wordende middelen en grotere onderlinge afhankelijkheid binnen het biblio-
theeksysteem enerzijds en het gebruik van ict in de bibliotheeksector anderzijds.
Een wettelijke regeling achtte de Raad echter niet nodig. De door de rijksoverheid
ingestelde stuurgroep-Meijer heeft dit advies, na de lagere overheden en de sector
zelf te hebben geconsulteerd, in 2000 verder uitgewerkt. Vooral op het punt van
de regionale eenheden is dit rapport minder stringent en biedt het meer ruimte
voor differentiatie dan het advies van de Raad voor de Cultuur (stuurgroep-
Meijer 2000).
Mede op basis van dit rapport sloten het Rijk, de provincies en de gemeenten in
december 2001 een convenant dat vastlegt dat deze overheden gezamenlijk ver-                       193
antwoordelijk zijn voor de bibliotheken. In vergelijking met de genoemde advie-
zen is de verplichting van lagere overheden en openbare bibliotheken om te
komen tot grootschalige regionale voorzieningen verder afgezwakt. De gewenste
schaal is verkleind en het gaat nu meer om een inspanningsverplichting. Het Rijk
kan hier ook niet dwingend optreden, omdat het maar een beperkte extra finan-
ciële bijdrage wil leveren voor de ontwikkeling van basisbibliotheken.
Onder meer door de grootschalige introductie van ict en de kwaliteitsimpuls
waartoe de operatie moet leiden, zullen de structurele kosten over een periode
van vier jaar toenemen met 19 procent. Op wat langere termijn zal de verbetering
in de samenwerking naar verwachting echter efficiencywinst opleveren (ioo bv
2001: 5).
Het koepelconvenant noemt als hoofddoel dat de centrale plaats van de openbare
bibliotheek in de onafhankelijke publieke informatievoorziening moet worden
gewaarborgd. Inhoudelijke uitgangspunten zijn:
• versterking van de openbare bibliotheek als nationaal stelsel;
• op hoofdpunten gelijke landelijke kwaliteitseisen;
• doelmatigheid;
• een kwalitatief goed en pluriform aanbod;
• verbindingen met andere particuliere en publieke voorzieningen op het brede
   educatieve en culturele terrein;
• omvorming van een aanbodgerichte naar een vraaggerichte organisatie; en
• een adequate spreiding van basisbibliotheken.
De verantwoordelijkheden van de verschillende overheden als zodanig worden
niet wettelijk veranderd. De gemeente blijft de primaire opdrachtgever en
belangrijkste financier, de provincie behoudt vooral een rol als regisseur en de
</pre>

====================================================================== Einde pagina 197 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 198 ======================================================================

<pre>    va n oude e n nieu w e k e n nis
                  rijksoverheid heeft een eindverantwoordelijkheid voor het stelsel als geheel,
                  waaronder een kaderstellende verantwoordelijkheid voor ict en de daarbij beho-
                  rende protocollen. De lagere overheden verplichten zich om van hun bevoegdhe-
                  den gebruik te maken om de openbare bibliotheken te blijven bekostigen en
                  medewerking te verlenen aan de omvorming tot basisbibliotheken van een
                  grotere omvang.
                  Speciale aandacht gaat uit naar kwaliteitsverbetering, vooral van het personeel,
                  en naar de versterking van de positie van de gebruiker. Middelen hiertoe zijn een
                  landelijk statuut, zelfregulering door de branche in combinatie met zelfevaluatie
                  en externe visitatie, en de ontwikkeling van een stelsel van branche-informatie
                  en benchmarking.
                  Tot slot kan nog de projectsubsidie worden genoemd die het ministerie van Bin-
                  nenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in 1999, in het kader van het groteste-
                  denbeleid, beschikbaar heeft gesteld om ict-voorzieningen voor kansarmen op
                  te zetten (zgn. ‘digitale trapveldjes’). De subsidieregeling gaat ervan uit dat Rijk,
                  lagere overheden en het bedrijfsleven verplicht zijn samen te werken en dat de
                  voorzieningen worden ingebed in de lokale infrastructuur. De openbare biblio-
                  theek kan een van de partners zijn in dit samenwerkingsverband; de gemeente
194               beslist hierover.
                  Discussie over het gewenste overheidsbeleid
                  Discussies over marktwerking en privatisering zijn niet aan de bibliotheeksector
                  voorbijgegaan (Smits 2001). Als argument tegen publieke financiering van open-
                  bare bibliotheken wordt er vaak op gewezen dat deze uit de tijd van volksver-
                  heffing stamt. De openbare bibliotheek was bedoeld voor armen die geen boeken
                  konden kopen. Lezen mensen tegenwoordig echter niet, dan is dit veel meer een
                  eigen keuze. Bovendien worden bibliotheken door de publieke financiering niet
                  gestimuleerd tot publieksvriendelijkheid. Hiertegenover wordt het argument
                  naar voren gebracht dat de openbare bibliotheek toegang kan bieden tot betrouw-
                  bare, kwalitatief goede informatie en dat dit een publieke waarde is die over-
                  heidssteun rechtvaardigt.
                  Met enige regelmaat worden ook argumenten aangevoerd om de vaste boeken-
                  prijs af te schaffen. Deze zou leiden tot vervalsing van de markt, waarvan vooral
                  de tussenhandel profiteert. Interne subsidiëring door uitgevers van boeken voor
                  een klein publiek zou door de vaste prijs eerder worden ontmoedigd dan gesti-
                  muleerd. Een vaste boekenprijs zou verder vooral de ‘ingeslapen’, weinig alerte
                  grote uitgevers bevoordelen. Op eu-niveau heeft de discussie over de vaste boe-
                  kenprijs, die als inbreuk op de interne markt kan worden gezien, voorlopig niet
                  geleid tot een wijziging in het beleid. Begin 2001 heeft de Europese Raad de cul-
                  turele argumenten voor handhaving van nationale prijsmaatregelen nog eens
                  bevestigd, met name de bijzondere betekenis die het boek heeft voor een culture-
                  le toegankelijkheid en pluriformiteit. Wel werd de Commissie gevraagd de pro-
                  blematiek te herbezien binnen de nieuwe ict-context van elektronische handel.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 198 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 199 ======================================================================

<pre>                                                                                bibliotheken en archieven
      De openbare bibliotheken hebben steeds gependeld tussen de status van wette-
      lijk gegarandeerde basisvoorziening en de status van een voorziening die de lage-
      re overheden op basis van vrij beleid bekostigen. Het recente Koepelconvenant
      leidt tot een nieuwe tussenpositie, doordat de lagere overheden zich ertoe heb-
      ben verbonden de openbare bibliotheek te blijven bekostigen. Deze klassieke
      politieke vraag van centralisatie versus decentralisatie komt als gevolg van inter-
      nationalisering en ict in een nieuw licht te staan. Het is hierbij vooral van belang
      het systeemkarakter, op nationaal en Europees niveau, te versterken. Dit maakt
      ook een landelijke organisatie van de benodigde expertise wenselijk.
7.4.2 archieven
      Over de eerder genoemde omvorming van provinciale (rijks)archieven tot Regio-
      nale Historische Centra heeft het parlement eind 2000 besloten. Een door de
      regering ingestelde externe adviescommissie, de werkgroep-Van Diepen, heeft in
      zijn rapport ‘Archieven in de etalage’ verdergaande voorstellen geformuleerd
      voor het archiefbestel als geheel (werkgroep-Van Diepen 2000). Volgens de werk-
      groep moet het publieksgericht werken in het nieuwe bestel voorop staan. Waar
      tot nu toe aanbodfuncties als het verwerven en het beheer van bescheiden cen-
      traal stonden, zal het bestel zich moeten gaan richten op een steeds gedifferen-                    195
      tieerder maatschappelijke vraag. Regionale samenwerking en schaalvergroting
      enerzijds en digitalisering anderzijds zijn hiertoe onmisbare voorwaarden. Digi-
      talisering biedt mogelijkheden voor een samenhangend, over verschillende fysie-
      ke plaatsen gespreid aanbod, terwijl regionale schaalvergroting nodig is vanwege
      de onvermijdelijke grote investeringen.
      De werkgroep stelt voor dat de overheid zelf verantwoordelijk blijft voor haar
      archieven. Zij blijft eigenaar van de bescheiden en moet de kwaliteit van het
      beheer en het publieksbereik blijven bepalen. Binnen dit kader is particulier
      beheer in beginsel mogelijk. De taken van de rijksoverheid betreffen de algemene,
      wettelijke kaderstelling voor de kwaliteit van het beheer en van de toegankelijk-
      heid, en de stimulering van regionale samenwerking en integratie. Bij de kwali-
      teitszorg moeten overheids- en zelfregulering, in de vorm van een kwaliteits-
      handvest en certificaten, elkaar aanvullen.
      Voor het toezicht moet de Rijksarchiefinspectie verzelfstandigd worden. Meer
      specifiek is de rijksoverheid verantwoordelijk voor het Nationale Archief; het
      huidige Algemeen Rijksarchief moet hiertoe omgevormd worden. Deze nieuw
      op te richten dienst krijgt ook taken op het terrein van productvernieuwing en
      internationale samenwerking. De provincie heeft vooral een regiefunctie bij de
      integratie van en samenwerking en afstemming tussen alle erfgoedinstellingen,
      niet alleen de archieven, in de regio. De gemeente heeft primair een directe zorg-
      plicht voor goed archiefbeheer en voor een goede afstemming met de lokale edu-
      catieve en cultuurhistorische instellingen. De overheden op verschillende
      niveaus moeten samenwerken door middel van convenanten.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 199 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 200 ======================================================================

<pre>    va n oude e n nieu w e k e n nis
                  De Raad voor de Cultuur (2001a) stelt een bestuurlijk alternatief voor. Dit houdt
                  in dat de functies van behoud en beheer van alle historische archieven een rijks-
                  verantwoordelijkheid wordt; lagere overheden zouden zich dan moeten beper-
                  ken tot de publieksfunctie.
                  Inmiddels heeft de regering het rapport van de werkgroep-Van Diepen groten-
                  deels overgenomen, met één belangrijke uitzondering: wettelijke, landelijke
                  eisen voor de publieksfunctie acht zij ongewenst (Van der Ploeg 2002). De combi-
                  natie van inzet van ict, kwaliteitsverbetering en samenwerking binnen en tussen
                  sectoren moet langs verschillende wegen worden bevorderd: door de koepelver-
                  enging van archieven (diva), door de provincie en door de Regionale Historische
                  Centra.
                  Het juridisch kader om het probleem van de digitale duurzaamheid aan te pakken
                  is recent versterkt door twee landelijke regelingen. De ‘Regeling duurzaamheid
                  archiefbescheiden’ richt zich op de houdbaarheid op lange termijn van alle infor-
                  matiedragers, ongeacht de vorm. Als norm geldt hierbij dat bij raadpleging van
                  het document na honderd jaar geen achteruitgang in kwaliteit mag optreden.
                  Archiefbescheiden op optische schijven of elektromagnetische materialen moe-
196               ten worden overgezet op nieuwe informatiedragers, zodra het gevaar dreigt dat
                  informatie verloren gaat of niet meer leesbaar is. De ‘Regeling geordende en toe-
                  gankelijke staat archiefbescheiden’ verplicht overheden om kenmerkende ele-
                  menten van digitale archiefbescheiden in metadata te beschrijven en vast te leg-
                  gen. Wanneer ten gevolge van technologische veranderingen niet meer aan de
                  norm van authenticiteit kan worden voldaan, moet conversie naar andere pro-
                  grammatuur voor besturing of applicatie plaatsvinden.
       7.5        toegang , kwaliteitsbeheer en toe- eigening
                  In hoofdstuk 3 zijn drie probleemvelden beschreven die met betrekking tot ken-
                  nis en informatie om speciale aandacht vragen: de toegang tot informatie, het
                  kwaliteitsbeheer van informatie en de toe-eigening van informatie. In de volgen-
                  de subparagrafen wordt de relevantie van elk van deze probleemvelden met
                  betrekking tot het kennisdomein van bibliotheken en archieven bezien.
       7.5.1      toegang
                  Feitelijke f ysieke, juridische en financiële toegankelijkheid
                  De toegankelijkheid van de informatie in bibliotheken en archieven wordt aller-
                  eerst bepaald door factoren als geografische spreiding van voorzieningen en juri-
                  dische en financiële drempels. Openbare bibliotheken en archieven zijn primair
                  gesitueerd op lokaal en regionaal niveau. De openbare bibliotheken kennen een
                  fijnmazig netwerk. Voor burgers die thuis geen aansluiting op het internet heb-
                  ben, biedt de openbare bibliotheek derhalve in de directe omgeving een reëel
                  alternatief.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 200 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 201 ======================================================================

<pre>                                                                         bibliotheken en archieven
Voor beide voorzieningen is de algemene juridische toegankelijkheid in de wet
geregeld. Dit geldt ook voor de financiële toegankelijkheid van archiefbescheiden,
aangezien de inzage ter plekke kosteloos is. De bibliotheken streven er zelf naar,
zoals vastgelegd in artikel 4 van hun landelijk statuut, om hun diensten bij voor-
keur en zoveel mogelijk kosteloos aan te bieden. In tegenstelling tot de meeste
andere Europese landen is dit doel in Nederland echter niet gerealiseerd. Voor
jeugdigen is de hoogte van de eigen bijdrage wettelijk vastgesteld, maar voor de
overige gebruikers is de openbare bibliotheek afhankelijk van het beleid van de
bekostigende lagere overheid. De tarieven voor bibliotheekgebruik lopen dan ook
sterk uiteen. Wel overheersen in het gemeentelijke beleid doorgaans de sociale
overwegingen. Zo kunnen gemeenten bijvoorbeeld regelingen treffen voor spe-
ciale groepen, vooral in het kader van het bijstandsbeleid.
In algemene zin kan dan ook geconcludeerd worden dat de feitelijke drempels bij
beide voorzieningen vrij laag zijn.
Ontsluiting van de informatie
Als het gaat om de ontsluiting van informatie, biedt de relatie tussen bibliotheken
en archieven enerzijds en het virtuele systeem van het internet anderzijds goede
mogelijkheden. Zoals al is opgemerkt, kunnen bibliotheken en archieven een sys-
teem van classificatie en ontsluiting bieden dat, anders dan veel particuliere inter-              197
mediairs op het internet, streeft naar inhoudelijke neutraliteit en volledigheid.
Omgekeerd kan ict een oplossing bieden voor het probleem dat door de gebrui-
ker gezocht materiaal verbrokkeld en hierdoor slecht vindbaar is, doordat verza-
melingen over een groot aantal fysieke instellingen zijn verspreid. De vrager is
immers op zoek naar bepaalde informatie, ongeacht de plaats, instelling of sector
waar deze is opgeslagen. ict biedt hier mogelijkheden om zowel de samenhang
in het aanbod binnen een voorzieningenstelsel te versterken als de relatie tussen
de verschillende sectorale stelsels.
Toegangsvaardigheden
Was vroeger het aanbod van informatie schaars, nu schiet het vermogen van de
vrager tekort om een bewuste keuze te maken uit het enorme informatieaanbod,
aan deze informatie betekenis te geven en haar te gebruiken. Aan deze toerusting
worden in de nieuwe context hogere eisen gesteld, zij is minder vanzelfsprekend
en vergt een grotere leerinspanning. Deze ontwikkeling verklaart de toenemende
nadruk op functies als media-educatie en begeleiding bij bibliotheken en archie-
ven. Deze functies betreffen niet alleen de techniek, maar vooral ook de sociaal-
culturele component van de toegankelijkheid van informatie.
In het verlengde hiervan tekent zich bij beide voorzieningen een omslag af van
een aanbodgericht naar een meer vraaggerichte opstelling. Zo worden archieven
geconfronteerd met een steeds gedifferentieerder vraag van onderzoekers, scho-
lieren, bestuurders, historisch geïnteresseerde burgers en burgers die hun recht
zoeken. Zij willen elk vanuit hun specifieke optiek de in de archieven opgeslagen
informatie gebruiken.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 201 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 202 ======================================================================

<pre>    va n oude e n nieu w e k e n nis
       7.5.2      kwaliteitsborging
                  Bij de kwaliteitsborging gaat het om twee zaken: de rol van bibliotheken en
                  archieven bij de waarborging van de kwaliteit van de aangeboden informatie en
                  de kennis en kwaliteit van deze voorzieningen zelf.
                  Kwaliteit van het informatieaanbod
                  Om de kwaliteit en vooral betrouwbaarheid van de aangeboden informatie te
                  waarborgen, kan de openbare bibliotheek een belangrijke rol als poortwachter
                  vervullen. De overheid kan hieraan als bekostiger eigen eisen stellen. De legitimi-
                  teit hiervoor kan worden ontleend aan de voorwaarden voor bekostiging, die in
                  het verlengde liggen van de publieke missie van de bibliotheek. Bij de archieven
                  ligt de zaak eenvoudiger, aangezien de overheid hier een directe beheersverant-
                  woordelijkheid heeft. Hierin kunnen derhalve argumenten worden gevonden
                  voor een borgingsmodel van publieke controle, zoals besproken in hoofdstuk 3.
                  In de sector van bibliotheken en archieven is het model van zelfregulering echter
                  van minstens even groot belang. Beide voorzieningen kennen op het punt van
                  kwaliteitsbewaking immers een uitgesproken eigen professionele traditie. Door
198               middel van de openbare bibliotheken en archieven heeft de overheid in feite een
                  alternatief geschapen voor het door de markt geleverde informatieaanbod, waar-
                  bij commerciële motieven doorgaans doorslaggevend zijn. Deze publieke voor-
                  zieningen bieden extra waarborgen voor de betrouwbaarheid en authenticiteit
                  van informatie en zij kunnen voorzien in materiaal dat niet (meer) of onvoldoen-
                  de op de vrije markt beschikbaar dan wel vindbaar is.
                  Tussen de functies van openbare bibliotheken om de toegankelijkheid van infor-
                  matie te vergroten en de kwaliteit van de aangeboden informatie te bewaken,
                  bestaat onvermijdelijk een spanning. Toegankelijkheid vraagt immers om uitslui-
                  ting van al het beschikbare informatie- en kennismateriaal, terwijl kwaliteitsbor-
                  ging juist gepaard gaat met een zekere hiërarchisering van informatie en kennis
                  en met selectie. Deze spanning, die altijd al heeft bestaan, wordt door de ontwik-
                  keling van het internet verscherpt (vgl. Marres en De Vries 2002). Bij de ontwik-
                  keling van de virtuele bibliotheek doemt dit probleem dus in een nieuwe context
                  op. Hoe dient met deze principiële tegenstrijdigheid te worden omgegaan?
                  Bij het zoeken van een antwoord op deze vraag dient men twee aspecten in het
                  oog te houden. Aan de ene kant is de burger bij de uitoefening van zijn recht op
                  een pluriform, volledig en kwalitatief hoogwaardig aanbod niet alleen aangewe-
                  zen op de openbare bibliotheek. Aangezien andere vormen van informatie volop
                  elders te verkrijgen zijn, schept dit de ruimte voor de openbare bibliotheek om
                  zich vooral te richten op het kwalitatief hoogwaardige informatieaanbod. Aan de
                  andere kant zal te vergaande bemoeienis met de kwaliteit van de informatie op
                  grenzen stuiten en tot ongewenste bevoogding leiden. Het bibliotheekwerk kent
                  immers een traditie dat het de keuzevaardigheid van de burger zelf wil verster-
                  ken, ook waar het om kwaliteitsoordelen gaat. Dit betekent dat de (virtuele)
</pre>

====================================================================== Einde pagina 202 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 203 ======================================================================

<pre>                                                                                 bibliotheken en archieven
      bibliotheek zich in zijn kwaliteitsbeleid niet alleen dient te richten op selectie van
      kwalitatief hoogwaardige informatie, maar ook de burger moet ondersteunen bij
      het maken van eigen keuzen, bijvoorbeeld door te adviseren over (het vaststellen
      van) de betrouwbaarheid en kwaliteit van kennis en informatie.
      Ten aanzien van de kwaliteit van de informatie die in archieven is opgeslagen,
      doen zich vooral problemen voor als gevolg van de turbulente technologische
      ontwikkelingen. De snelle opeenvolging van nieuwe ict-systemen, die onvol-
      doende rekening houden met de eigen eisen die archivering stelt, kan ten koste
      gaan van de duurzame aanwezigheid, volledigheid, beschikbaarheid en vooral de
      authenticiteit van documenten. De authenticiteit komt in gevaar wanneer de
      metagegevens van het document – door wie, waar en wanneer is het document
      geproduceerd – ontbreken. In de digitale sfeer heeft zich nog niet de goede orde-
      ning van informatie ontwikkeld die bij de documenten in de klassieke vorm in de
      loop der tijd tot stand gekomen is. Dit probleem valt in beginsel op te lossen door
      de eerder aangegeven combinatie van technologische en juridische maatregelen.
      Hierbij doen zich wel enkele complicerende factoren voor. De noodzakelijke
      afstemming tussen de bedrijven die ict-systemen produceren, en de archiefwe-
      reld moet primair op internationaal niveau worden gerealiseerd. Veel van deze
      bedrijven hebben bovendien een (bijna) monopoliepositie, waardoor zij zich niet                      199
      veel aan de belangen van de afnemers gelegen hoeven te laten liggen.
      Kwaliteit van de voorzieningen
      Zoals neergelegd in het Koepelconvenant, zal de kwaliteit van het werk van de
      openbare bibliotheek in de toekomst op meerdere wijzen worden gestimuleerd:
      via zelfregulering, een consumentenstatuut, externe evaluatie, benchmarking en
      dergelijke. De moeilijkheid die zich hierbij kan voordoen, is dat de opvattingen
      over kwaliteit niet vanuit iedere optiek (die van de instellingen, de consument,
      overheden) gelijk zijn. Bij de archieven doet zich een gelijksoortig probleem voor.
      Relevant is vooral dat beide sectoren het verband tussen grootschalige toepassing
      van ict en kwaliteitsverbetering onderkennen. Hierbij gaat het niet alleen om
      meer personeelscapaciteit, maar vooral ook om een herziening van de beroepen-
      structuur met meer hoogwaardige functies (ioo bv 2001: 5).
7.5.3 toe- eigening van informatie
      De toe-eigening van informatie speelt vooral een rol bij de bibliotheken. Archie-
      ven beheren primair documenten waarvan het auteursrecht niet relevant is – de
      daarvoor geldende termijnen zijn verstreken – of bij de overheid zelf berust.
      Vooral het internationale bedrijfsleven oefent een sterke druk uit op de eu om
      zoveel mogelijk wettelijke eigendomsrechten op informatie vast te leggen: rege-
      lingen inzake computersoftware, verhuur- en leenrecht, databanken en de recen-
      te regeling van het auteursrecht. De eu gaat hierin verder dan nodig is gezien haar
      marktordenende taak, die erop gericht is handelsbelemmeringen weg te nemen.
      De eu ontwikkelt zich tot een echte auteurswetgever (Cohen Jehoram 2001).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 203 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 204 ======================================================================

<pre>    va n oude e n nieu w e k e n nis
                  In hoofdstuk 4 (par. 4.3.3) is uitgebreider aandacht besteed aan de problematiek
                  van wettelijke bescherming van intellectuele eigendomsrechten (waaronder
                  auteursrechten).
                  Het gaat het bedrijfsleven er niet zozeer om de toegang tot informatie te beper-
                  ken, maar om deze toegang commercieel te kunnen uitbaten door er een prijs
                  voor te vragen, bijvoorbeeld door middel van licentieovereenkomsten. Door de
                  informatie selectief tegen een bepaald tarief aan te bieden, heeft het bedrijf de
                  mogelijkheid de informatiestroom naar de gebruiker te beheersen. De nationale
                  overheid kan hiertegen in beginsel tegenwicht bieden door publieke voorzienin-
                  gen in stand te houden en deze geheel of ten dele te ontheffen van de eu-regels.
                  Een heldere afbakening van deze nationale vrijheid bieden de Europese regels
                  vooralsnog niet. Wel is duidelijk dat deze ontheffing krachtens eu-recht alleen
                  mogelijk is wanneer een voorziening zich ook feitelijk profileert als echte publie-
                  ke instelling en zich duidelijk onderscheidt van private actoren. Dit criterium
                  staat echter op gespannen voet met het feit dat veel bekostigende overheden
                  ernaar streven publieke voorzieningen efficiënter en meer bedrijfsmatig te laten
                  werken.
200
       7.6        wenselijk overheidsbeleid
       7.6.1      de publieke functies van openbare bibliotheken en archieven
                  Openbare bibliotheken en archieven vervullen uiteenlopende maatschappelijke
                  functies. In deze paragraaf wordt bezien in welke mate de opmars van ict in de
                  kennissamenleving het belang van deze functies en vooral het publieke karakter
                  ervan versterkt dan wel verzwakt. Hieraan kunnen vervolgens argumenten wor-
                  den ontleend voor het gewenste overheidsbeleid ten aanzien van deze publieke
                  voorzieningen. De aandacht richt zich eerst op twee bij uitstek publieke functies
                  van openbare bibliotheken en archieven, te weten de functie van cultuur- en ken-
                  nisbehoud en de educatieve functie. Vervolgens komen enkele aanvullende func-
                  ties aan de orde, waarvan het publieke karakter minder vanzelf spreekt, namelijk
                  de bredere informatiefunctie en de recreatieve en sociale functie. Tot slot worden
                  de verschillende argumenten onderling gewogen.
                  Argumenten voor versterking van de publieke functies van cultuurbehoud
                  en educatie
                  Cultuur- en kennisbehoud behoren ook in Nederland tot de oudste overheidsta-
                  ken. Deze overheidstaak is bovendien wereldwijd juridisch verankerd en de
                  meeste Westerse landen kennen wetgeving die de eigendomsrechten van parti-
                  culieren beperkt. Al gaat het hier meer om de maatschappelijke argumentatie en
                  haar relevantie binnen de ict-context, dit biedt op zichzelf een belangrijk aan-
                  knopingspunt.
                  Van oudsher richt het cultuurbehoud zich op fysieke objecten, onroerende en
                  roerende goederen alsmede documenten, die zich kenmerken door onvervang-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 204 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 205 ======================================================================

<pre>                                                                        bibliotheken en archieven
baarheid en beperkte reproduceerbaarheid. Deze onvervangbaarheid is vooral van
belang met het oog op komende generaties, aan wie niet de mogelijkheid ontno-
men mag worden om in aanraking te komen met en eigen keuzen te maken ten
aanzien van deze objecten, die voor de culturele pluriformiteit en kwaliteit zo
belangrijk zijn.
Voor de documenten met informatie en kennis uit het verleden gelden nog enkele
aanvullende overwegingen. Deze dragen ertoe bij dat het geheugen van de
samenleving voor de langere termijn in stand gehouden wordt. Zeker bij ingrij-
pende maatschappelijke veranderingen vervult dit geheugen meerdere functies.
Nieuwe vragen van identiteitsbepaling, die dergelijke veranderingen voor (groe-
pen) mensen en instituties kunnen oproepen, moeten mede vanuit een histo-
risch perspectief worden beantwoord. Zo heeft de internationalisering geleid tot
een grotere belangstelling voor de Nederlandse geschiedenis. Een zo groot moge-
lijk areaal van historisch ontwikkelde kennis en ideeën draagt ook bij aan een ver-
ruiming van het leerpotentieel, waarop kan worden teruggevallen voor de vragen
die ingrijpende maatschappelijke veranderingen oproepen. In het verleden ont-
wikkelde gedachten kunnen in een dergelijke situatie soms een verrassende actu-
aliteit hebben.
                                                                                                  201
Verruiming van het historisch perspectief bevordert bovendien dat men onder-
kent dat gangbare ideeën, normen en concepten, die ogenschijnlijk absoluut en
vanzelfsprekend zijn, vaak hun wortels hebben in het recente verleden en vatbaar
zijn voor relativering. Door de historische bepaaldheid van vanzelfsprekendheden
te onderkennen, kan het proces van culturele veranderingen soepeler verlopen.
Ten slotte is er nog een bestuurlijke reden om de overheidsaandacht voor de
publieke functie van cultuurbehoud te versterken. Bij de periodieke vaststelling
van het cultuurplan van de rijksoverheid blijken de maatschappelijke deelbelan-
gen als pleitbezorger voor overheidssteun zich in verschillende mate te manifes-
teren. De sector van kunstproducenten treedt doorgaans nadrukkelijker op de
voorgrond dan de sector voor het cultuurbehoud, mede doordat het bij cultuur-
behoud niet gaat om belangen van de huidige, maar van komende generaties. Dit
kan leiden tot onevenwichtige besluitvorming ten nadele van belangen die zich
van nature slecht laten presenteren. Een versterkte rol van de overheid als ‘zaak-
waarnemer’ van deze belangen is hier dan ook op zijn plaats.
Versterking van cultuur- en kennisbehoud als publieke functie mag hierbij niet
worden gelijkgesteld met cultureel conservatisme. Iedere ingrijpende maatschap-
pelijke verandering gaat gepaard met verlies van culturele uitingen en processen.
Men kan hier tegenover een conservatief dan wel een progressief standpunt inne-
men en spreken over teloorgang dan wel creatieve constructie. Een pleidooi voor
versterking van cultuur- en kennisbehoud op basis van argumenten als onver-
vangbaarheid, de belangen van komende generaties en handhaving van een ruim
leerpotentieel op langere termijn, overstijgt deze tegenstelling en kan daarom
niet als conservatisme worden afgedaan.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 205 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 206 ======================================================================

<pre>    va n oude e n nieu w e k e n nis
                  Naast de publieke functie van cultuur- en kennisbehoud vervullen openbare
                  bibliotheken en archieven nog een andere publieke functie, namelijk de educatie-
                  ve functie. Juist bij het ontsluiten en vindbaar maken van informatie en in de rol
                  van makelaar tussen het overstelpende informatieaanbod en de zeer diverse vraag
                  van de gebruiker, krijgen de educatieve taken van de bibliotheken en archieven in
                  de nieuwe context een versterkte betekenis, zo kwam hiervoor al naar voren.
                  Vooral waar de dienstverlening verder strekt dan de techniek en een sterke cultu-
                  rele component heeft, zoals het bevorderen van het vermogen van burgers om
                  zelf informatie te kiezen, te waarderen en te gebruiken, bestaat er een relatie met
                  het publieke belang van algemene vorming. In een kennisintensieve maatschap-
                  pij, waarin burgers in verschillende rollen en op verschillende manieren blijven
                  leren, is het algemene karakter van de openbare bibliotheek, dat wil zeggen het
                  bieden van een breed aanbod, een sterk punt. De openbare bibliotheek kan zo
                  tegemoetkomen aan educatieve behoeften, die naar aard en doelgroep sterk ver-
                  schillen.
                  De educatieve functie betreft niet alleen de dienstverlening aan personen, maar
                  ook de ondersteuning van andere (publieke) instituties, zoals scholen. Intensive-
                  ring van de samenwerking tussen openbare bibliotheken en archieven enerzijds
                  en het onderwijsveld anderzijds, verdient dan ook speciale aandacht.
202
                  Argumenten voor en tegen handhaving van andere functies
                  Openbare bibliotheken en archieven vervullen ook een bredere informatieve
                  functie. Bij de archieven behoeft het belang hiervan nauwelijks argumentatie. De
                  informatieve functie van archieven vloeit immers voort uit het rechtstatelijke
                  karakter van deze functies. Bij de bibliotheken spreekt het publieke karakter van
                  deze functie minder voor zich. Gezien het overvloedige aanbod van informatie
                  door private partijen kan men zich de vraag stellen of het nog nodig is dat de
                  overheid zelf voorzieningen in stand houdt die in de vraag naar informatie en
                  kennis voorzien. Het kan immers niet ontkend worden dat in een hoog ontwik-
                  kelde ict-samenleving vragen van geografische, financiële en sociaal-culturele
                  toegankelijkheid anders liggen dan in de tijd waarin de openbare bibliotheek van
                  de grond kwam. Het gaat er niet om hier een definitief antwoord op deze vraag te
                  formuleren, maar om de relevante argumenten te ordenen.
                  De belangrijkste ratio voor publieke ondersteuning ligt in de mate waarin open-
                  bare bibliotheken materiaal aanbieden en ontsluiten dat, gegeven maatschappelij-
                  ke waarden als betrouwbaarheid, authenticiteit, pluriformiteit en kwaliteit van
                  informatie en kennis, daadwerkelijk onderscheidend en in de particuliere sector
                  onvoldoende beschikbaar of toegankelijk is. Hierin dient het eigene van de open-
                  bare bibliotheek als publieke voorziening tot uiting te komen. Het publieke karak-
                  ter van de openbare bibliotheek is dan ook niet primair gelegen in de wijze van
                  bekostiging, maar in de door maatschappelijke waarden bepaalde professionele
                  filosofie. Hierdoor onderscheidt zij zich als onafhankelijke voorziening, die zich
                  richt op de belangen van burgers, van commerciële bedrijven, die louter oog heb-
                  ben voor de koopkrachtige vraag (Robinson en Bawden 2001: 174).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 206 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 207 ======================================================================

<pre>                                                                           bibliotheken en archieven
Vervolgens is de vraag aan de orde of openbare bibliotheken zich in hun aanbod
moeten beperken tot niches die voor commerciële marktpartijen oninteressant
zijn (vgl. de discussie over de publieke omroep). Het gaat hierbij in het bijzonder
om de bredere informatieve, recreatieve en sociale functie van de openbare bibli-
otheek. Bij de publieke omroep wordt wel als argument aangevoerd dat een zeke-
re overlap met vooral het recreatieve aanbod van de commerciële sector het maat-
schappelijk draagvlak versterkt. In de bibliotheeksector geldt vooral de over-
weging dat de culturele dan wel recreatieve functie van de voorziening niet van
boven af kan worden vastgesteld, maar bepaald moet worden vanuit het perspec-
tief van de individuele gebruiker (art. 6 van het Statuut).
Een voorlopige conclusie
De discussie over de diverse argumenten voor en tegen handhaving van de diver-
se functies van openbare bibliotheken en archieven is nog niet voldoende voldra-
gen om tot een definitieve conclusie te kunnen komen. Volstaan wordt daarom
met de schets van een redenering waarin de verschillende argumenten zoveel
mogelijk recht wordt gedaan.
Allereerst dient dan te worden geconstateerd dat er noch in de Europese, noch in
de Nederlandse rechtsorde een algemeen principe is dat marktactiviteiten van                         203
publieke instellingen verbiedt. Ook het recente wetsontwerp Markt en overheid
legt dit nog eens uitdrukkelijk vast. Wel zijn overheden gehouden een zorgvuldi-
ge afweging te maken tussen de behartiging van het publiek belang en de plicht
zich te onthouden van ongerechtvaardigde marktverstoring.
Voor instellingen met een culturele taakstelling die van overheidswege bekostigd
worden, zoals bibliotheken en archieven, is vooral in het Europese recht het
publieke belang uitdrukkelijk erkend, mits wordt voldaan aan eisen als proportio-
naliteit. Hierbij kan zich een zekere overlap voordoen tussen de activiteiten van
publieke en van commerciële instellingen. Zoals de raad in een eerder rapport
(wrr 2000: 96) heeft gesteld is een dergelijke overlap alleen gewenst, indien
deze dienstbaar is aan de publieke taken van de instelling. Het verrichten van
activiteiten die vergelijkbaar zijn met de markt, is alleen zinvol als de publieke
kerntaken daardoor beter tot hun recht komen.
In lijn met het algemene perspectief op de kennismaatschappij in dit rapport, kan
worden geconstateerd dat de ontwikkelingen nog onvoldoende zijn uitgekristal-
liseerd om al definitief te kunnen bepalen in hoeverre nog behoefte bestaat aan de
openbare bibliotheek in haar huidige institutionele vormgeving, als publieke
voorziening. Bij deze afweging zijn verschillende factoren relevant:
• de verdere technologische ontwikkeling;
• de wijze waarop de implementatie in deze sectoren maatschappelijk uitwerkt;
• de mate waarin de door de overheid bekostigde instellingen voldoen aan de
   ook door hen zelf centraal gestelde publieke waarden; en
• de rol van mogelijke concurrenten in de private marktsector (zoals boekhan-
   dels en internetcafés).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 207 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 208 ======================================================================

<pre>    va n oude e n nieu w e k e n nis
                  Op al deze punten bestaat nog onvoldoende duidelijkheid voor een definitief oor-
                  deel. Daarbij komt nog dat het hier gaat om voorzieningen die qua functioneren,
                  beleid en financiering in hoge mate decentraal zijn. Dit vormt een aanvullend
                  argument waarom de rijksoverheid niet te snel algemeen geldende, bindende uit-
                  spraken dient te doen.
                  Ten slotte biedt het genoemde wetsontwerp Markt en overheid de mogelijkheid
                  aan particuliere ondernemers die zich in hun belangen aangetast voelen, om in
                  concrete gevallen het geschil aan de rechter voor te leggen. De jurisprudentie
                  biedt tevens bouwstenen voor de op termijn te formuleren algemene beleidslijn.
                  Voorop staat echter dat de discussie over het beleid ten aanzien van deze publieke
                  voorzieningen op gang dient te komen. Dat bibliotheken en archieven maat-
                  schappelijk breed geaccepteerde voorzieningen zijn, is op zichzelf onvoldoende
                  reden om hen in de nieuwe context in de huidige vorm te handhaven.
       7.6.2      vr agen van bestuurlijke (de)centr alisatie
                  Het beleid ten aanzien van openbare bibliotheken en archieven laat een zekere
                  gemeenschappelijke ontwikkeling zien. Mede als gevolg van de opmars van ict
204               wordt de kaderstellende rol van de rijksoverheid versterkt; de provincie krijgt
                  met het oog op de regionale samenhang een zwaardere regierol en de directe
                  overheidszorg blijft vooral bij de gemeente. Gelet op het voorgaande zou de
                  kaderstelling door het Rijk zich uitdrukkelijk ook moeten uitstrekken tot de
                  functies van cultuur- en kennisbehoud en educatie. Ten aanzien van de overige
                  functies, waarvan het nu nog te vroeg is om een definitieve uitspraak te doen
                  over het publieke belang, is eerder handhaving van bestuurlijke decentralisatie
                  gewenst. Juist decentralisatie biedt immers ruimte om meerdere opties uit te pro-
                  beren.
                  Pas op langere termijn kan dan ook op landelijk niveau een meer definitief ant-
                  woord worden gegeven op de vraag wat de plaats van openbare bibliotheken en
                  archieven dient te zijn in een kennissamenleving die door ict sterk beïnvloed
                  wordt.
       7.6.3      de gewenste wijze van beleidsvoering
                  In hoofdstuk 1 is als algemene beleidslijn voor de overheid in de kennissamen-
                  leving een combinatie van variatie, verankering en leervermogen bepleit. Hierna
                  wordt bezien in hoeverre deze beleidslijn ook in de sector van openbare biblio-
                  theken en archieven gewenst is.
                  Argumenten voor variatie
                  De argumenten om in de sector van openbare bibliotheken en archieven veel
                  variatie toe te laten, zijn grotendeels in het voorgaande al gegeven. ict leidt
                  immers niet tot één uniform concept voor de toekomst. Er is echter nog een aan-
                  vullende overweging.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 208 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 209 ======================================================================

<pre>                                                                         bibliotheken en archieven
De gedachte dat ict op zichzelf zou vragen om een geheel nieuw concept van
openbare bibliotheken en archieven is te eenduidig en monocausaal gedacht. Zij
vloeit voort uit een overschatting van de implicaties van ict voor deze voorzie-
ningen. Zeker in de beginfase waarin ict in de bibliotheken en archieven wordt
ingevoerd, is ict vooral een belangrijk aanvullend instrument. De technologie is
immers ondersteunend bij het realiseren van nieuwe maatschappelijke wensen:
het voldoen aan een steeds gedifferentieerdere vraag en de noodzaak om door
samenwerking het maatschappelijk nut van de voorzieningen te versterken. Dit
vraagt niet om een pasklaar nieuw concept, maar om ruimte voor variatie en
experimenten.
Argumenten voor verankering
Ruimte voor variatie betekent echter niet dat de overheid louter een procedurele,
faciliterende rol dient te vervullen en zich dient te onthouden van bemoeienis
met de ‘inhoud’ van de voorziening. Gegeven de aard van de publieke voorzie-
ning is een inhoudelijke kaderstelling vooraf nodig. De reden voor overheids-
steun is immers gelegen in bepaalde maatschappelijke, publieke waarden. Deze
waarden geven ook globaal richting aan het experimenteerbeleid van instellin-
gen, waardoor experimentele projecten niet ‘alle kanten kunnen opgaan’. Aan het
experimenteerbeleid van instellingen mogen regels worden opgelegd van reken-                       205
schap geven en effectief handelen, die voortvloeien uit de publieke waarden.
Experimenten zijn alleen zinvol als zij erop gericht zijn waarden als informatie-
vrijheid van de burger, toegankelijkheid, pluriformiteit en kwaliteit te verster-
ken. Van de instellingen mag verwacht worden dat zij dit aannemelijk maken.
Daarmee onderscheiden de onderhavige publieke instellingen zich duidelijk van
louter recreatieve voorzieningen, waar de manifeste publieksvraag bepalend is
voor het ontwikkelings- en experimenteerbeleid.
De rijksoverheid moet ook globale inhoudelijke prioriteiten kunnen stellen ten
gunste van de publieke functies waarvan het belang in een ict-samenleving toe-
neemt, zoals cultuur- en kennisbehoud en educatie. Ten slotte maken technologi-
sche ontwikkelingen standaardisering op nationaal en vaak ook internationaal
niveau wenselijk. Dit komt duidelijk naar voren bij de problematiek van digitale
duurzaamheid. Ook hierin kan een reden zijn gelegen om de ruimte voor variatie
te koppelen aan een zekere verankering.
Versterking van het leer vermogen
Het bevorderen van variatie en experimenteerruimte is geen doel op zich, maar is
bedoeld om ervan te leren en hiermee de toekomstige kwaliteit van de voorzie-
ning te vergroten. In relatie tot de openbare bibliotheken en archieven vragen in
dit verband twee punten om aandacht.
Het decentrale karakter van zowel het voorzieningenstelsel als van het over-
heidsbeleid vraagt vooral een structuur voor overdracht van kennis en expertise
tussen de decentrale eenheden, gemeenten en lokale voorzieningen. Aan lokale
experimenten mogen dan ook vooraf eisen worden gesteld op het punt van
</pre>

====================================================================== Einde pagina 209 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 210 ======================================================================

<pre>    va n oude e n nieu w e k e n nis
                  overdraagbaarheid van ervaringen en resultaten. Hierdoor wordt voorkomen dat
                  een (verondersteld) gebrek aan lokale kennis en expertise voor de rijksoverheid
                  en de landelijke koepels een gemakkelijk aangrijpingspunt vormt voor centrale
                  beïnvloeding.
                  Verder is relevant dat zowel bij openbare bibliotheken als bij archieven wereld-
                  wijde consensus bestaat over hun publieke taak. Met erkenning van alle organisa-
                  torische verschillen tussen landen, biedt dit ook een aanknopingspunt om te
                  leren van experimenten en ontwikkelingen elders. Niet alles hoeft in nationaal
                  verband te worden uitgeprobeerd.
       7.7        conclusies
                  Openbare bibliotheken en archieven vervullen een belangrijke, maar vaak onder-
                  schatte rol bij het bewaken van de publieke dimensie van kennis. De snelle opmars
                  van ict in de kennissamenleving laat deze publieke voorzieningen niet onge-
                  moeid. Enerzijds roept de sterke groei in het informatieaanbod, die mede door
                  ict mogelijk wordt gemaakt, de vraag op of er nog wel behoefte bestaat aan de
                  publieke functies die openbare bibliotheken en archieven vervullen. Anderzijds
206               biedt ict deze instellingen juist ook de mogelijkheid om beter in te spelen op
                  nieuwe behoeften die zich in de kennissamenleving manifesteren. Ten aanzien
                  van de verschillende functies die openbare bibliotheken en archieven (kunnen)
                  vervullen, kan het volgende worden geconcludeerd.
                  1 De functie van cultuurbehoud
                  Cultuur- en kennisbehoud zijn van oudsher belangrijke overheidstaken waarin
                  mede door openbare bibliotheken en archieven wordt voorzien. Zij vervullen
                  hiermee een onmisbare rol als geheugen van de samenleving, zowel door infor-
                  matie en kennis te bewaren die anders wellicht verloren zouden gaan, als door de
                  toegankelijkheid van kennis en informatie te vergroten. Juist de digitalisering van
                  informatie dreigt ten koste te gaan van de duurzaamheid en authenticiteit ervan.
                  Archieven hebben een belangrijke taak om ook digitale bescheiden duurzaam
                  toegankelijk te houden.
                  In de hoofdstukken 3 en 4 werd al geconstateerd dat ict en internet niet de volle-
                  dige en neutrale toegankelijkheid van kennis en informatie garanderen die er
                  vaak van wordt verwacht. De openbare bibliotheken en archieven kunnen als
                  publieke voorzieningen op dit terrein dan ook iets bieden waarin de commerciële
                  aanbieders van informatie niet of onvoldoende voorzien, namelijk ontsluiting
                  van de beschikbare informatie op basis van meer objectieve, neutrale en niet-
                  commerciële criteria en met een zekere garantie van kwaliteit, vooral ten aanzien
                  van de betrouwbaarheid en authenticiteit van kennis en informatie. ict biedt de
                  bibliotheken en archieven, die in hoge mate versnipperde voorzieningen zijn, de
                  mogelijkheid om de samenhang in het aanbod te versterken en het aanbod beter
                  te laten aansluiten op de steeds gedifferentieerder vraag naar informatie.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 210 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 211 ======================================================================

<pre>                                                                         bibliotheken en archieven
2 De educatieve functie
In de kennissamenleving is het van groot belang dat burgers niet alleen feitelijke
toegang hebben tot informatie, maar ook over de vaardigheden beschikken om in
het overvloedige aanbod de bruikbare en benodigde informatie te vinden en
selecteren. Op dit punt van toegangsvaardigheden kunnen zowel bibliotheken
als archieven een eigen bijdrage leveren aan de educatieve vraag. Enerzijds ver-
groot ict deze vraag, maar anderzijds biedt zij ook nieuwe mogelijkheden om
hieraan tegemoet te komen. Daarbij gaat het niet alleen om dienstverlening aan
personen, maar ook om de ondersteuning van bijvoorbeeld scholen.
3 Overige functies
Openbare bibliotheken en archieven vervullen ook een bredere informatieve
functie en tevens een recreatieve en sociale functie. Het is nog te vroeg om een
definitieve uitspraak te kunnen doen over de mate waarin de publieke voorzie-
ningen ook bij deze functies een rol dienen te blijven spelen. Voor zover deze
functies overlappen met die van commerciële instellingen is een dergelijke over-
lap echter alleen gewenst, indien deze dienstbaar is aan de publieke taken van de
bibliotheken en archieven.
4 Overheidsbeleid                                                                                  207
In lijn met de algemene boodschap van dit rapport is het niet wenselijk dat de
rijksoverheid voorschrijft op welke wijze openbare bibliotheken en archieven
dienen in te spelen op de ontwikkelingen rond ict. De rol van de overheid is glo-
baal inhoudelijk kaderstellend, faciliterend en bewakend.
De publieke waarden die door de overheid en de sector gezamenlijk worden
onderschreven, bieden de inhoudelijke norm voor het beleid van overheden en
instellingen. Juist deze inhoudelijke normering maakt dat de procedurele eisen
voor het eigen ontwikkelingsbeleid van instellingen, zoals extern rekenschap
geven en effectief handelen, reële betekenis krijgen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 211 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 212 ======================================================================

<pre>    va n oude e n nieu w e k e n nis
208
</pre>

====================================================================== Einde pagina 212 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 213 ======================================================================

<pre>                                                                    naar een samenwerkend kennisbeleid
8   naar een samenwerkend kennisbeleid
8.1 de verdere ontwikkeling van de kennissamenleving
    De ambitie van Nederland en van veel andere westerse landen om een kennissa-
    menleving te zijn, staat hoog op de beleidsagenda. Bij veel veranderingen die zich
    in de kennissamenleving afspelen, ligt het initiatief bij particuliere instellingen of
    ondernemende individuen. De veranderingen komen van vele kanten tegelijk,
    van boven en van beneden. Zij worden door zeer uiteenlopende instanties geïni-
    tieerd en voortgezet, zowel door publieke en private organisaties als door samen-
    werkingsvormen daartussen. En zij komen via de inspanningen van zeer veel
    actoren tot stand, zoals individuele ondernemers, wetenschappelijk onderzoe-
    kers, technici, kunstenaars, beroepsorganisaties en onderwijsinstellingen. De
    vormgeving van een kennissamenleving onttrekt zich voor een belangrijk deel
    aan de overheid. Een centrale overheid die krachtig sturing probeert te geven aan
    al deze cognitieve en maatschappelijke ontwikkelingen, is dan ook achterhaald.
    Het kennisbegrip zal zich verder ontwikkelen. Hierdoor wordt het moeilijker een
    scherp onderscheid te maken tussen kennis en (beroeps)vaardigheden, tussen                         209
    ‘hoge’ en ‘lage’ kennisvormen, zoals ook het onderscheid tussen ‘hoge’ en ‘lage’
    cultuur moeilijk in stand te houden is. In het voetspoor van de moderne weten-
    schappen zullen nu nog gebruikelijke tweedelingen en andere binaire denkwijzen
    worden gerelativeerd. De grenzen tussen kennis en informatie, tussen impliciete
    en expliciete kennis, tussen gecodificeerde en niet-gecodificeerde kennis, alsme-
    de de grenzen tussen traditionele disciplines zullen verschuiven of moeilijker
    precies te trekken zijn. Hoe deze verdere ontwikkeling precies zal geschieden en
    in welk tempo is echter niet voorspelbaar. Zo is in hoofdstuk 1 immers al opge-
    merkt dat een wetenschappelijk-technologische cultuur juist gekenmerkt wordt
    door onvoorspelbaarheid: de precieze aard van de volgende wetenschappelijke
    ontdekking, die weer baanbrekende vernieuwingen teweeg zal brengen, is
    immers nooit te voorzien. De uitkomsten van deze actorgeleide ontwikkelingen
    zullen vaak niet-voorziene en soms niet-bedoelde gevolgen zijn van individuele
    intenties.
    Het precieze ontwerp van deze kennisgeleide samenleving is dus niet te maken.
    Wel valt er in algemene zin iets te zeggen over de vorm ervan. Het zal vooral een
    samenleving zijn die wordt gekenmerkt door veelvuldige connectiviteit, dat wil
    zeggen door een veelvoud van verbindingen tussen mensen, tussen organisaties
    en tussen netwerken. Zo bestaan er verbindingen tussen universiteiten en hun
    studenten in alle delen van de wereld (internationale verbindingen), tussen
    publieke en particuliere kenniscentra, tussen hogere en lagere kenniscentra
    (scholen en universitaire verbanden samen), tussen scholen en bibliotheken,
    enzovoort. Ook binnen dergelijke verbindingen en knooppunten komen vele
    interacties tot stand tussen alle betrokken individuen, groepen en officiële orga-
    nisaties. Het formele en het informele gaan hand in hand.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 213 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 214 ======================================================================

<pre>    va n oude e n nieu w e k e n nis
                  In deze samenleving van netwerken is de variatie van activiteiten op kennisge-
                  bied groot. Eén van de uitkomsten van dit rapport is dat deze onoverzienbare
                  variatie niet kán en niet hoeft te worden tegengehouden. Integendeel zelfs, door
                  variatie zo groot mogelijk te laten worden, kunnen de voordelen van de kennis-
                  maatschappij in een verdere fase van ontwikkeling naar voren komen. Waar
                  variatie nu vaak wordt tegengehouden, doordat instituties niet voldoende open
                  en aangepast zijn of door verstard overheidsbeleid, dient zij bewust te worden
                  gestimuleerd. Uniformiteit in ontwikkeling wordt minder waarschijnlijk én min-
                  der wenselijk.
                  De overheid zal zich moeten bezinnen op haar positie in deze kennissamenle-
                  ving. Vanuit een hernieuwde rol zou zij in algemene zin kunnen stimuleren of
                  mogelijk maken dat van de gegenereerde variatie in de kennisontwikkeling en
                  ontwikkelde kenniscentra ook daadwerkelijk wordt geleerd. Variatie kan hier in
                  tweeërlei opzicht een leidraad zijn voor het beleid. Enerzijds kan variatie gewenst
                  zijn vanuit het oogpunt van pluriformiteit, anderzijds kan variatie leiden tot een
                  uiteindelijke selectie. Het op tijd selecteren van de wezenlijk goede en voordelige
                  vernieuwingen, is echter een aanzienlijke opgave, die zorgvuldig ter hand geno-
                  men moet worden. Dit betekent dat niet alleen het leervermogen van zoveel
210               mogelijk burgers gestimuleerd zal moeten worden, maar ook dat van complexe
                  organisaties, waaronder de overheid zelf. Voor de nationale overheid komt hier
                  bij dat kennisontwikkeling voor een groot deel zo zeer in internationaal verband
                  plaatsvindt dat zij daarop slechts weinig of geen invloed kan uitoefenen. Voor een
                  ander deel, vooral voor de kennis die is opgeslagen in mensen en organisaties, ligt
                  dit echter anders. Een specifieke vraag voor de nationale overheid is dus wat zij
                  ertoe kan bijdragen dat Nederland zo goed mogelijk gepositioneerd wordt in een
                  mondiale kennissamenleving en hoe de rol van oude en nieuwe kennis hierbij
                  centraal kan staan.
                  Hiernaast is de overheid de hoeder van het algemeen of publiek belang. Daar waar
                  principiële waarden, die door de overheid worden beschermd en in internationa-
                  le verdragen zijn vastgelegd, onder invloed van bepaalde tendenties in de kennis-
                  samenleving in het gedrang komen, dient zij deze waarden te verankeren. De
                  technische vernieuwingen in de kennissamenleving als gevolg van ict kunnen
                  met zich mee brengen dat allerlei bestaande negatieve verschijnselen, zoals mis-
                  bruik, fraude of pornografie, in nieuwe vormen en in een nieuwe omgeving
                  terugkeren. Men zal bestaande publieke belangen dus ook in de nieuwe situatie
                  veilig moeten stellen. De in hoofdstuk 1 geformuleerde basiswaarden van sociale
                  cohesie en integratie kunnen hierbij een leidraad blijven. Hiernaast zullen de
                  basiswaarden van vrijheid, gelijkheid en ontplooiing in een kennissamenleving
                  andere arrangementen vereisen. Hier zal de overheid nieuwe wegen dienen te
                  vinden. Het aanmoedigen van variatie is hiervoor een voorwaarde.
                  Variatie leidt tot selectie en lering leidt tot verankering. Het initiatief voor variatie
                  komt van onderop, van individuen en organisaties zelf, en niet van een centraal
                  sturende overheid. De structuren zijn veeleer decentraal, zo niet anarchisch (dit
</pre>

====================================================================== Einde pagina 214 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 215 ======================================================================

<pre>                                                                      naar een samenwerkend kennisbeleid
    is: zonder centraal gezag). Het initiatief voor lering en selectie komt eveneens van
    onderop, maar kan tevens door de overheid gestimuleerd worden. Ook het initia-
    tief voor verankering kan van onderop komen(van de gezamenlijke wensen van
    kennisproducenten of kennisgebruikers). Wel houdt de overheid hier een duide-
    lijke eigen verantwoordelijkheid, die gebaseerd is op langdurige politieke prefe-
    renties van de burgers, wiens belangen zij dient te bewaken. Verankering is
    nodig, opdat variatie niet ten koste gaat van basiswaarden als gelijkheid en vrij-
    heid.
    In het vervolg van dit slothoofdstuk wordt dit rapport samengevat in twee
    hoofdlijnen, die vervolgens worden uitgewerkt in vijf meer gedetailleerde con-
    clusies (par. 8.2). Hierna wordt in paragraaf 8.3 nader ingegaan op de veranderen-
    de rol van de overheid in de kennissamenleving. Ten slotte worden in paragraaf
    8.4 ook de belangrijkste beleidsaanbevelingen ten aanzien van de vier kennisdo-
    meinen opgesomd.
8.2 conclusies
    De conclusies van dit rapport zijn in twee hoofdlijnen samen te vatten. De eerste
    is dat het kennisontwikkeling vooral een socio-technisch proces is. De ontwikke-                     211
    ling van nieuwe kennis en de toepassing van technologische vernieuwingen kun-
    nen niet gezien worden als een louter technische aangelegenheid, waarbij de
    beschikbaarheid van apparatuur volstaat, maar zij vereisen een nauwe wisselwer-
    king tussen sociale en technische aspecten van kennis. Gecodificeerde en niet-
    gecodificeerde kennis spelen allebei een cruciale rol in de opeenvolgende fasen
    van kennisontwikkeling en op de verschillende niveaus van kennisorganisaties.
    De wisselwerking tussen expliciet gemaakte en impliciet blijvende kennis en de
    wisselende verhoudingen hiertussen zorgen voor een variëteit aan nieuwe ont-
    wikkelingen, initiatieven en experimenten. Voor het welslagen van dergelijke
    nieuwe impulsen blijft sociaal vertrouwen, als een bron van impliciete kennis,
    van groot belang. Nieuwe variëteiten van kennis hoeven niet zozeer gezocht of
    geforceerd te worden, maar ontstaan als het ware vanzelf, als een eigenschap van
    vruchtbare lokale of regionale contexten van kennis. Meer aandacht voor deze
    socio-technische aspecten van kennis en innovatie is derhalve vereist.
    De tweede hoofdlijn betreft de heroriëntatie van de overheid die een geavanceer-
    de kennissamenleving veronderstelt, namelijk van direct sturend en ingrijpend
    naar kaderstellend en voorwaardenscheppend. Variëteit van kennis en de selectie
    van de beste leer- of ontwikkelingswegen worden door de maatschappelijke
    actoren, organisaties en instituten zelf ter hand genomen. In het onoverzichtelij-
    ke veld van initiatieven dient de overheid zich terughoudend te tonen, maar zich
    toch niet volledig terug te trekken of geheel afzijdig te houden. De nieuwe
    opstelling van de overheid vergt een subtiel evenwicht. Enerzijds moet zij alge-
    mene kaders blijven stellen en minimale normen formuleren, waaraan particu-
    liere initiatieven dienen te voldoen, anderzijds moet zij op juist gekozen momen-
    ten en op precies aan te geven onderwerpen juist die particuliere initiatieven
</pre>

====================================================================== Einde pagina 215 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 216 ======================================================================

<pre>    va n oude e n nieu w e k e n nis
                  ondersteunen of zelfs mogelijk maken die anders niet van de grond zouden
                  komen. Overheidsbeleid op het terrein van de kennissamenleving wordt zodoen-
                  de een speciale combinatie van algemeen kaderstellend beleid én specifiek beleid.
                  Kaderstelling impliceert niet dat er geen beleid mag worden gevoerd op een aan-
                  tal specifiek te stimuleren punten. Kaderstelling betekent dat de overheid rand-
                  voorwaarden stelt, waarbinnen veel vrijheden en mogelijkheden over blijven.
                  De argumentatie voor deze andere opstelling van de overheid, die hier door de
                  raad wordt aanbevolen voor het kennisbeleid, heeft frappante parallellen met
                  andere gebieden van het overheidsbeleid. Ook daar speelt kennis vaak een grote
                  rol, en ook daar zou de algemene analyse van dit rapport van toepassing kunnen
                  zijn. Deze gebieden zijn in dit rapport echter niet aan de orde gesteld. Het zou
                  kunnen betekenen dat een nieuw en modern kennisbeleid een voorhoede vormt
                  van een anders gericht denken over de plaats van de overheid in een complexe en
                  snel veranderende omgeving.
                  De bovenstaande hoofdlijnen worden hierna uitgewerkt in vijf meer gedetailleer-
                  de conclusies.
212
       8.2.1      experimenteren in een socio -technische omgeving
                  De verdere ontwikkeling van de kennissamenleving is niet uitsluitend afhanke-
                  lijk van een verspreiding of verdere ontwikkeling van hardwareproducten. Hard-
                  waretechnologie vormt wel de onmiskenbare, dus noodzakelijke, voorwaarde
                  voor zo’n ontwikkeling, maar wordt te vaak ook als een voldoende voorwaarde
                  gezien. Dit is een pertinent onjuiste voorstelling van zaken. Een optimale benut-
                  ting van de nieuwe mogelijkheden van de kennissamenleving is sterk afhankelijk
                  van de sociale inbedding en van complexe softwaresystemen, die aansluiten bij
                  de gebruikers. Met andere woorden: wordt een adequate leeromgeving of alge-
                  mener gezegd, de maatschappelijke condities waaronder (potentiële) gebruikers
                  de nieuwe technische mogelijkheden in hun werk of in hun lessen leren benut-
                  ten, verwaarloosd, dan zet dit een rem op de kennismaatschappij. Dit leren
                  omgaan met of benutten van ict is contextgevoelig en kan daarom moeilijk in
                  algemene of uniforme termen worden voorgeschreven. Vaak zal experimenteren
                  en niet standaardiseren het devies moeten zijn, terwijl in andere geval standaar-
                  disatie juist weer wel gewenst is. De theoretische basis voor deze conclusie ligt in
                  het inzicht dat gecodificeerde (expliciet gemaakte) kennis en niet-gecodificeerde
                  kennis (‘tacit knowledge’, persoonsgebonden kennis) altijd complementair zijn
                  aan elkaar en dit ook zullen blijven, ondanks een verdere technische vooruitgang.
                  De optimale benutting van de mogelijkheden van de kennissamenleving is steeds
                  een combinatie van hardware, complexe software, plus de erkenning dat de
                  omgang met hard- en software ook een sociale dimensie heeft. Waar er sprake is
                  van een onderbenutting, zoals in sommige onderwijsinstellingen, ligt dit meestal
                  niet in de eerste plaats aan de beschikbaarheid van technische en financiële mid-
                  delen, maar aan het gegeven dat sociale interactiewijzen en organisatievormen
                  niet bijtijds zijn aangepast.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 216 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 217 ======================================================================

<pre>                                                                      naar een samenwerkend kennisbeleid
8.2.2 koppelingen en ontschottingen
      De ‘oude’ industriële samenleving legde een zwaar accent op onderscheidingen
      die herkenbaar zijn en in sociale instituties zijn neergeslagen, zoals bijvoorbeeld
      het onderscheid tussen hoofd- en handarbeid, tussen klassen, tussen leiding en
      leden, tussen centrum en onderhavig onderdeel. Ook het wetenschappelijk
      inzicht was verdeeld en ingedeeld in talloze afgebakende en zelfstandig opereren-
      de onderdelen. Het geheel werd samengehouden in hiërarchische structuren.
      In de kennissamenleving is deze organisatie van ‘the social system’ niet alleen
      achterhaald, maar ook disfunctioneel. De kennissamenleving maakt zeer veel
      nieuwe verbindingen mogelijk: tussen instituties, tussen disciplines, tussen
      klassen, tussen hoofd- en handarbeid, tussen uiteenlopende kenniscentra, tus-
      sen kennisgeneratie, kennisverspreiding en kennisopname. Dit wordt nog ver-
      sterkt door de komst van de nieuwste ict-media. Al deze nieuwe verbindingen
      en samenvloeiingen kunnen worden aangeduid met het begrip ‘koppeling’ of
      ‘connectiviteit’, verknoping. Geavanceerde kennisontwikkeling vindt juist plaats
      waar nieuwe, en vaak onverwachte, koppelingen tot stand komen: biotechno-
      logie, neurocognities, wiskundige analyses van sociale netwerken, sociale dimen-
      sies van natuurwetenschappelijke en technische ontdekkingen, biologische                           213
      grondslagen van culturen en dergelijke. Interdisciplinair onderzoek zorgt voor
      veel nieuwe ontdekkingen en doorbraken.
      De sociale tegenhanger van deze wetenschappelijke connectiviteit is de ontschot-
      ting van bestaande instituties, de ontgrenzing van bestaande kennisdomeinen en
      het wegvallen van territoriale muren of grenzen. De bekende slagwoorden hier-
      voor zijn geworden: internationalisering, informalisering, interculturalisatie en
      individualisering van toepassingen en toe-eigeningen van kennis. Dit zijn ‘grote’,
      vaak niet uitgewerkte of geoperationaliseerde begrippen. Wil men echter de
      voordelen van een kennismaatschappij ten volle benutten, dan zal de ontwikke-
      ling van nieuwe koppelingen en gelijktijdig optredende ontschotting daadwerke-
      lijk gestimuleerd dienen te worden. Concreet betekent dit dat hoger en weten-
      schappelijk onderwijs internationaler wordt (het onderzoek is al internationaal),
      interdisciplinaire onderzoekteams ook echt bestaan, en dat functionele verbin-
      dingen tussen traditionele kenniscentra, zoals scholen, bibliotheken, archieven
      en universiteiten en bedrijfsleven, ontsloten worden vóór (en door) een grote
      hoeveelheid traditionele én nieuwe gebruikers. Het betekent een nieuwe, en
      losse, organisatie van die gebruikers in samenspraak met de kenniscentra. Omdat
      al deze koppelingsinitiatieven en -activiteiten als vanzelfsprekend van onderop
      komen, is nu niet te voorzien welke koppelingen daadwerkelijk zullen ontstaan,
      zullen opbloeien en weer vergaan of blijvende vernieuwingen zullen opleveren.
      Sturen van deze processen is hachelijk, omdat het verstarrend kan werken; niet
      sturen is – soms – pijnlijk voor bestaande instituties en gezagsstructuren. Koppe-
      ling en ontschotting zijn als het ware twee zijden van dezelfde medaille. Waar
      nieuwe koppelingen optreden door technische mogelijkheden of sociale innova-
      ties, wordt de noodzaak van ontschotting des te sterker gevoeld. Wordt ontschot-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 217 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 218 ======================================================================

<pre>    va n oude e n nieu w e k e n nis
                  ting, dóór de regulering, bevorderd, dan kunnen en zullen er voorziene en princi-
                  pieel onvoorzienbare koppelingen ontstaan. De angst voor ontschotting is vaak
                  groot vanwege de onvoorzienbaarheid. Deze angst kan mede ten grondslag liggen
                  aan het feit dat ontschotting vaak langzamer gaat dan koppeling.
       8.2.3      voorwaardenscheppend beleid
                  Door de nieuwe ict-middelen wordt de heterogeniteit van activiteiten en organi-
                  satievormen groter. Hiermee nemen de mogelijkheden om beleid te uniformeren
                  en activiteiten vanuit centrale instanties te sturen, evenredig af. Dit geldt niet
                  alleen voor de centrale overheid (van centraal naar lokaal), maar ook voor de loka-
                  le overheden, die met meer en met diversere organisaties en burgers te maken
                  krijgen. De observatie dat centrale sturing bemoeilijkt wordt, gaat ook op voor de
                  vele particuliere organisaties, van een multinationale onderneming tot een plaat-
                  selijke afdeling van het Rode Kruis. Er is, over de hele linie, een andere, minder
                  hiërarchische gezagsstructuur aan het ontstaan, waarbij de uiteindelijke conse-
                  quenties van de grotere heterogenisering nog niet overzien kunnen worden. Zo
                  kunnen er nieuwe hiërarchieën ontstaan, gebaseerd op de beschikbare technische
                  kennis of in kennissystemen ingebouwde selecties. Wie maakt de selectie van
214               informatie? Is dat de gebruiker of de provider? De technische wijze waarop deze
                  vragen worden beantwoord, bepaalt mede de mate van heterogenisering en hiër-
                  archie.
                  De theoretische conclusie die uit de voortschrijdende heterogenisering van acti-
                  viteiten, informatie en beheersmogelijkheden kan worden getrokken, is dat cen-
                  trale sturing, van welke instantie dan ook, moeilijker zal worden. Tegelijkertijd
                  komt de conclusie naar voren dat de vraag naar wel of geen overheidssturing te
                  veel gezien wordt als een dichotomie. De aard van het overheidsoptreden zal ver-
                  anderen. De toenemende heterogeniteit en pluriformiteit zouden vooral moeten
                  leiden tot een globaal geformuleerd overheidsbeleid, dat bepaalde minimumnor-
                  men en basiswaarden of basisvoorzieningen garandeert, maar tevens veel ruimte
                  laat voor individuele keuzen en verantwoordelijkheid (van zowel burgers als
                  lokale instanties). In beleidstermen gaat het dus meer om ordening dan om direc-
                  te sturing, meer om het scheppen van voorwaarden en het bieden van mogelijk-
                  heden (faciliterend beleid) dan om het dirigeren en interveniëren.
       8.2.4      het ver sterken van het leervermogen van individuen en
                  organisaties
                  Als de individuele verantwoordelijkheid centraler komt te staan in de organisatie
                  van de samenleving, dan vereist dit mensen die deze verantwoordelijkheid ook
                  kunnen en willen nemen. Het kunnen veronderstelt een leervermogen, het wil-
                  len het vermogen om de consequenties van eigen keuzen voor zichzelf en voor
                  anderen te dragen. Van oudsher bestaan er grote verschillen tussen individuen in
                  een samenleving en tussen individuele bekwaamheden. Als de bekwaamheden
                  van de een ver achter blijven bij die van een ander én als tegelijkertijd de indivi-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 218 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 219 ======================================================================

<pre>                                                                naar een samenwerkend kennisbeleid
duele mogelijkheden groter worden om in de samenleving zelfstandig en naar
eigen inzicht te handelen, dan kan dit ten koste gaan van bepaalde, algemeen aan-
vaarde waarden. Bij grotere individuele ontwikkelingsverschillen dienen de in
hoofdstuk 1 geformuleerde basiswaarden stevig verankerd te blijven.
Dit laatste kan gebeuren door het leervermogen van alle burgers in een ontwik-
kelde kennissamenleving te versterken. Allereerst gaat het hierbij om een robuus-
te kennisuitrusting voor alle burgers, via een kwalitatief uitstekend onderwijs en
de vorming tot een volwaardig en volwassen burger (‘civic education’). Zo’n uit-
stekende vorming gaat vooraf aan alle verdere kennistoepassing en dient te wor-
den gezien als een onmisbare schakel in de kennissamenleving. Worden een
hoogstaand stelsel van onderwijs en een kwalitatief goede vorming niet gehand-
haafd, dan is dit voor de kennissamenleving een slecht voorteken.
Niet alleen de basisuitrusting dient versterkt te worden maar ook het leerver-
mogen, in de zin dat men leert van fouten en verkeerde keuzen en niet in paniek
raakt. Naast de basisuitrusting dient derhalve het vermogen om te leren van
nieuwe ervaringen, versterkt te worden. De uitdrukking die hiervoor meestal
gebruikt wordt is ‘een leven lang leren’. Als het leervermogen van individuen op
het einde van de eerste leerweg voldoende is ontwikkeld, dan wordt ‘een leven                      215
lang leren’ een vanzelfsprekende activiteit: wie leert niet van zijn of haar ervarin-
gen gedurende het leven? In een kennissamenleving heeft dit overigens wel een
meer pregnante betekenis gekregen. Men moet immers niet alleen van ervaringen
leren, maar ook ervaren dat men zich voortdurend nieuwe kennis moet eigen
maken om in de samenleving te blijven participeren. Met een leven lang leren
wordt niet bedoeld dat men gedurende het gehele leven formele, door de over-
heid gefinancierde opleidingen dient te volgen. Er is echter wel plaats voor een
stimulans door de overheid voor langer leren, met de institutionele voorzienin-
gen die hiervoor nodig zijn. Een meer specifieke overheidsinspanning voor leven
lang leren wordt echter noodzakelijk voor die burgers die door omstandigheden
te weinig geleerd hebben in het eerste opleidingstraject (bijv. tot aan de basis-
vorming) of bij wie het leervermogen te weinig is gestimuleerd of ontwikkeld.
Dan zijn mogelijkheden tot wederkerend onderwijs (bijv. in de vorm van vou-
chers) of tot tweedekansonderwijs gerechtvaardigd en deze moeten dan door de
overheid worden gestimuleerd. Blijken er tekorten op de werkvloer – bijvoor-
beeld door veranderende werkeisen of omstandigheden –, dan is een particulier
leertraject van werkgevers/werknemers gezamenlijk aan te raden.
Ook al biedt het ict-tijdperk betere mogelijkheden tot talloze verbindingen tus-
sen mensen en oneindige mogelijkheden tot communicatie, dit staat niet gelijk
met sociale verbindingen. Veelvuldig gebruik van ict kan – paradoxaal genoeg –
zowel leiden tot sociaal isolement en tot sociale non-identificatie, alsook tot ver-
beterde sociale binding en sociale cohesie. Zo kunnen bij jongeren bepaalde
sociale vaardigheden niet ontplooid worden, terwijl bij ouderen daarentegen
juist wel nieuwe mogelijkheden tot sociale communicatie en interactie ontstaan.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 219 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 220 ======================================================================

<pre>    va n oude e n nieu w e k e n nis
                  Een groter beroep op de individuele verantwoordelijkheid dient gepaard te gaan
                  met het verder ontwikkelen van een sociaal zelf, een sociale identiteit, tot een
                  besef dat men deel uitmaakt van talloze sociale verbanden. In onderwijsexperi-
                  menten met ict-media wordt nogal eens verondersteld dat de sociaal-emotionele
                  component van de socio-technische leeromgeving als vanzelf gegeven is. Dat is
                  niet zo. Ook dit aspect moet worden geleerd en versterkt.
                  De verhouding tussen individuen en groep, tussen cliënt en organisatie, tussen
                  burger en staat moet, met de grotere individuele verantwoordelijkheid, zelf ook
                  opnieuw benoemd en gedefinieerd worden. Sociale vaardigheden (het vermogen
                  tot compromissen, zich kunnen verplaatsen in de positie van anderen, open en
                  integere communicatie e.d.) kunnen het best geleerd worden in samenwerkings-
                  vormen. Koppeling alleen is niet genoeg.
                  Niet alleen voor individuen, maar eveneens in grotere verbanden en voor grote
                  organisaties is het leervermogen van belang. Ook organisaties kunnen leren, zij
                  het dat dit leervermogen altijd gelokaliseerd is in de personen waaruit de organi-
                  satie bestaat. Organisaties leren echter op een andere manier van fouten dan indi-
                  viduen. Openheid in en transparantie van communicatie zijn een voorwaarde
216               voor het leervermogen van organisaties. Veel mislukkingen van grote en kleine
                  organisaties komen voort uit miscommunicatie, ‘groupthink’, en van een totaal
                  gebrek om kritisch op de eigen prestaties terug te kijken.
                  Leren evalueren en leren van evalueren is hier het devies. Veel ict-experimenten
                  in het onderwijs worden gekenmerkt door de afwezigheid van systematische eva-
                  luatie. Wanneer er wel geëvalueerd wordt, bieden ze vaak geen goed inzicht in de
                  effecten van de programma’s. Ook op andere kennisgebieden ontbreekt een sys-
                  tematische evaluatie vaak. Als het goed is, worden dergelijke evaluatiesystemen
                  (accounting, external reviews, visitaties) ter hand genomen door de zich zelfstan-
                  dig verder ontwikkelende organisaties. Indien een systematische evaluatie uit-
                  blijft – en hiermee de variatie kan verworden tot wildgroei –, zou de overheid
                  erop dienen toe te zien dat deze wel tot stand komen.
       8.2.5      kwaliteitsborging
                  De kwaliteit en de betrouwbaarheid van informatie is in een kennissamenleving
                  een gevoelige kwestie. Enerzijds kan men wijzen op de eigen verantwoordelijkheid
                  van de gebruikers, die zelf wel kunnen en moeten uitmaken of de opgevraagde
                  informatie betrouwbaar is. Er is weinig verschil met de al twee eeuwen bestaande
                  beoordeling van schriftelijke informatie (bijv. kranten). Het reputatiemechanisme
                  van informatieverschaffende media zou voldoende moeten zijn en een historische
                  les kunnen bevatten. Hiernaast wordt ook vaak gewezen op de toegenomen scho-
                  lingsgraad van de moderne burger. Als iedere burger een kwalitatief goede basisuit-
                  rusting bezit, zouden – zo wordt vaak verondersteld – burgers zelf kunnen oorde-
                  len over de kwaliteit van de aangeboden informatie. In veel gevallen zal het
                  marktmechanisme voldoende functioneren om die kwaliteit te waarborgen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 220 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 221 ======================================================================

<pre>                                                                 naar een samenwerkend kennisbeleid
Anderzijds zijn de toepassingsmogelijkheden van informatievoorziening in het
ict-tijdperk zó veel groter geworden dat informatie vaak diffuus wordt aangebo-
den. Aanbieders hebben juist voordeel bij ondoorzichtigheid, waardoor gegevens
niet met elkaar kunnen worden vergeleken. De machtspositie, die leidt tot een
ongelijke verdeling van kennis, kan zo de individuele keuzevrijheid ernstig
belemmeren. Dit betekent dat ervoor gewaakt dient te worden dat informatie die
relevant is voor het maken van optimale keuzen, ondoorzichtig wordt aangebo-
den of op oneigenlijke gronden wordt afgeschermd. Openheid en transparantie
dienen te worden bevorderd. Wel dient ervoor te worden gewaakt dat een derge-
lijke openheid niet op haar beurt de concurrentie uitschakelt, doordat volledige
transparantie voor ondernemers aanleiding kan zijn om prijsafspraken te maken.
De vergelijking van kwaliteit en prijzen zal dus altijd door consumenten, consu-
mentenorganisaties of door onafhankelijke organisaties moeten geschieden.
Alleen in die gevallen waarbij het algemeen belang in het geding komt, kan er
sprake zijn van een rol voor de overheid. In dat geval is er een reden om een kwa-
liteitsoordeel over de informatie te vellen. Denk aan de vele medische informatie,
die op het internet beschikbaar is, of aan de politiek onwelgevallige informatie
(van atoomgeheimen tot terreurmogelijkheden). De vraag is dan of de overheid
hierbij een rol heeft, bijvoorbeeld door een kwaliteitskeurmerk uit te delen aan                    217
‘gevoelige’ sites. Geredeneerd vanuit de basiswaarde van sociale integratie en sta-
biliteit heeft de overheid een taak om te zorgen voor de ontwikkeling van
betrouwbaarheid en integriteit bij de verspreiding van informatie. Het zou dus op
de weg van de overheid kunnen liggen om minimumnormen van integriteit en
betrouwbaarheid te formuleren bij de ontwikkeling en het gebruik van kennis en
informatie, of in elk geval te zorgen voor de transparantie ervan. In hoofdstuk 3
van dit rapport zijn verschillende vormen aangegeven van kwaliteitsborging.
Hierbij komt het nieuwe gegeven dat providers en portals zélf een macht hebben
over de informatie die zij wel en niet doorgeven. Los van de juridische aansprake-
lijkheden ontstaat zo een nieuwe machthebbende partij, die – voorlopig – onge-
controleerd fungeert als sluiswachter van informatie. Zoals elke machtsvorming
dient in dit geval weer gelet te worden op de ongunstige gevolgen van monopo-
loïde tendenties. De technische mogelijkheden tot machtsvorming zijn groot, de
nieuwste ontwikkelingen nog niet te overzien en de komende ontwikkelingen
onvoorspelbaar. Niet ‘Big brother’ zal de grote controleur worden, zoals George
Orwell veronderstelde, maar ‘the many little sisters’ – het grote netwerk van klei-
ne poortwachters, die beslissen wat iedereen ziet en hoort. Ook hier zou men
kunnen zeggen dat de eigen keuze en de eigen verantwoordelijkheid van de
gebruikers voldoende tegenwicht kunnen geven, maar het is onduidelijk of dit in
de praktijk voldoende zal zijn.
De overheid heeft in dit opzicht zelf ook twee verantwoordelijkheden. Ten eerste
dient de overheid er zorg voor te dragen dat de door haar verstrekte informatie
betrouwbaar en volledig is en dat er geen ongewenste commerciële invloeden
met de overheidsinformatie worden mee ‘verstuurd’ (cf. Dommering et al. 2002).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 221 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 222 ======================================================================

<pre>    va n oude e n nieu w e k e n nis
                  Het Kennisnet in het voortgezet onderwijs wordt echter mede gefinancierd door
                  juist dergelijke commerciële ‘boodschappen’ aan jonge mensen.
                  Ten tweede heeft de overheid een taak om ten minste enkele kenniscentra in staat
                  te stellen als betrouwbare informatieplaats te blijven fungeren. Bibliotheken heb-
                  ben deze openbare functie eeuwenlang gehad en er is geen enkele reden om deze
                  publieke sociaal-culturele functie in de kennismaatschappij – alleen doordat de
                  kennisdragers van vorm veranderen – te verwaarlozen of af te stoten. Integen-
                  deel. Náást de bloei van de particuliere informatievoorzieningen dienen openbare
                  instanties van betrouwbare kennis en informatie (in universiteiten, universiteits-
                  bibliotheken en openbare bibliotheken) behouden te blijven. Wel zullen ook deze
                  publieke kenniscentra koppelingen moeten aangaan met de andere kenniscentra,
                  conform de ontwikkeling geschetst in paragraaf 8.2.2.
       8.3        de rol van de overheid in de kennissamenleving
                  Veel ontwikkelingen in de kennissamenleving zijn min of meer autonome pro-
                  cessen waarop de overheid slechts beperkt invloed heeft. Overheidsoptreden is in
                  het algemeen wenselijk indien bepaalde publieke belangen in het geding zijn. Het
218               kan hierbij gaan om belangen die het individuele belang overstijgen (zoals het
                  waarborgen van het ‘geheugen’ van de samenleving en het garanderen van een
                  pluriforme informatievoorziening) en om individuele belangen die onder
                  invloed van maatschappelijke krachten onvoldoende recht wordt gedaan. Dit
                  laatste kan het geval zijn als er sprake is van externe effecten (bijv. derden profite-
                  ren ongewild van jouw investering) of als bepaalde groepen een (te) zwakke posi-
                  tie innemen (bijv. uitsluiting van de arbeidsmarkt als gevolg van te weinig scho-
                  ling of uitbuiting van een machtspositie door een monopolist).
                  Als activiteiten in de publieke sector worden uitgevoerd omdat er een publiek
                  belang mee gemoeid is (bijv. wetenschappelijk onderzoek, bibliotheken en
                  archieven), ligt het voor de hand dat de overheid bepaalt onder welke condities
                  dit gebeurt, welke budgetten ermee gemoeid zijn en welke prestaties er moeten
                  worden geleverd. In de praktijk betekent dit vaak dat de overheid ook voorschrijft
                  hoe die prestaties moeten worden geleverd. ict biedt in beginsel tal van nieuwe
                  mogelijkheden om de gewenste prestaties tot stand te brengen. Bij voorbaat staat
                  echter niet vast welke toepassingsmogelijkheden de beste zijn. De overheid dient
                  daarom ruimte te bieden aan publieke instellingen om zelf te bepalen op welke
                  wijze zij van de ict-mogelijkheden gebruik wensen te maken. Voorwaarde hier-
                  voor is wel dat de effecten van ict-gebruik deugdelijk worden geëvalueerd, zodat
                  hieruit lering kan worden getrokken.
                  Voor zover bestaande regels en instituties barrières opwerpen voor bepaalde
                  veelbelovende toepassingen van ict (bijv. door belemmeringen voor samenwer-
                  king tussen publieke en private partijen of door negatieve incentives voor oncon-
                  formistisch gedrag), dienen zij te worden opgeruimd. Voor zover bestaande insti-
                  tuties (of hun medewerkers) geen gebruik willen maken van de ruimte voor
</pre>

====================================================================== Einde pagina 222 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 223 ======================================================================

<pre>                                                                  naar een samenwerkend kennisbeleid
variatie die de regelgeving biedt, moet worden bezien of financieringsinstrumen-
ten zodanig kunnen worden aangepast dat zij meer prikkels bieden voor een
experimenterende houding.
Hiernaast vragen twee bestuurlijke aspecten van de veranderende rol van de over-
heid toenemende aandacht, te weten de situering van de overheidsbemoeienis op
de adequate bestuurlijke schaal en de aard van de overheidsinterventie. Ten aan-
zien van de schaal laten recente ontwikkelingen een duidelijke tendens zien waar-
bij de drie territoriale niveaus (lokaal/regionaal, nationaal en internationaal) gelij-
kelijk relevant worden en in afnemende mate sprake is van voorzieningen die
exclusief aan één bestuurslaag kunnen worden toebedeeld. Er ontwikkelt zich een
combinatie van bestuurlijke schaalverkleining én schaalvergroting. Ook lagere
overheden gaan verbindingen aan met het hoger onderwijs in hun stad of regio.
Voor bibliotheken wordt het Europese recht van belang. De verschillende
bestuurslagen gaan steeds meer in onderlinge wisselwerking functioneren.
Dit proces van herverdeling loopt in de praktijk nog erg moeizaam, omdat het
nog te veel wordt opgevat als een intern-bestuurlijke competentiestrijd, waarbij
de winst voor de ene bestuurslaag verlies voor de andere betekent. Bovendien
overheerst nog vaak een retrospectieve optiek, waarbij bestaande competenties                        219
als verworven rechten worden gezien. Dit bestuurlijke veranderingsproces vraagt
derhalve om overheden die hun kracht veeleer ontlenen aan de kwaliteit en door-
dachtheid van hun interventies en die bevoegdheden durven loslaten en overdra-
gen vanuit een prospectieve optiek.
Het verleden speelt eveneens een rol als de aard van de overheidsinterventie in
beschouwing wordt genomen. Veel klassieke overheidsinterventies, met name in
het nationale onderwijsbeleid, waren gericht op een noodzakelijk gevonden uni-
formering. Gegeven de in dit rapport uitgezette lijnen is het een opgave voor
overheden om nieuwe instrumenten te ontwikkelen die een zodanige eenheid
scheppen dat tevens nieuwe vormen van variëteit mogelijk en verantwoord wor-
den. Men kan hierbij denken aan spelregels die internationale en nationale varia-
ties onderling vergelijkbaar en compatibel maken, waardoor nieuwe verbindin-
gen over de nationale grenzen heen kunnen ontstaan. In het bijzonder hoeft het
beleid ten aanzien van een Europese kennisruimte niet zonder meer een uitver-
groting te zijn van het klassieke uniformerende beleid.
Bij dit alles dient de kwaliteit van de prestaties van de publieke instituten echter
voorop te staan. Daarom is en blijft toezicht op de output van de publieke sector
van groot belang. Waar de ruimte voor variatie afbreuk dreigt te doen aan de pres-
taties, dient de variatie te worden ingeperkt. Dit geldt ook wanneer de ruimte
voor variatie de toegang tot de publieke voorziening (voor bepaalde groepen) in
gevaar brengt.
Bij activiteiten buiten de publieke sector is de ruimte voor variatie over het alge-
meen zeer groot. Door het beleid van marktwerking en deregulering wordt deze
</pre>

====================================================================== Einde pagina 223 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 224 ======================================================================

<pre>    va n oude e n nieu w e k e n nis
                  ruimte nog opgerekt. De rol van de overheid in verband met ict is hier in het
                  algemeen dan ook beperkt. Om een aantal redenen is er wel aanleiding voor een
                  mededingingsbeleid op het gebied van ict. Deze redenen worden hieronder toe-
                  gelicht:
                  1 Ten eerste kan kartel- en monopolievorming de ruimte voor variatie aantas-
                     ten. Op informatiemarkten is de kans op monopolievorming groot, enerzijds
                     door de specifieke kenmerken van deze markt (afnemende gemiddelde kosten
                     bij uitbreiding van de productie; hoge vaste en ontwikkelingskosten; hoge
                     switchkosten voor producent en consument; lock-in van de consument),
                     anderzijds door de netwerkeffecten. Beleidsmatig kunnen deze specifieke ken-
                     merken niet ontkend worden. Juist door een tijdelijk monopolie toe te laten, is
                     het aantrekkelijk voor ondernemers om investeringen te plegen in informatie-
                     markten en zo de monopoliewinst te incasseren. Zo zal een monopolie bijdra-
                     gen aan technologische vernieuwing. Hoge winsten zullen het voor potentiële
                     toetreders aantrekkelijk maken om de markt te willen overnemen. Anderzijds
                     zal een monopolist juist proberen deze toetreding te verhinderen, hetgeen de
                     overheid moet zien te voorkomen. Daarom is er veel voor te zeggen om in de
                     ict-markt tijdelijk monopoloïde marktvormen te accepteren, als er op lange
                     termijn maar voor gezorgd wordt dat de concurrentie in stand blijft. In de vs
220                  heeft de overheid hiertoe de mogelijkheid om bedrijven te dwingen zich op te
                     splitsen. Overwogen dient te worden om deze bevoegdheid ook in de Europe-
                     se wetgeving op te nemen.
                  2 Binnen de markt voor informatiegoederen zullen monopolisten trachten hun
                     standaard als wereldstandaard af te dwingen. In dat geval zal de overheid regel-
                     geving moeten hanteren om de negatieve bijeffecten van een dergelijke mono-
                     poliestandaard te neutraliseren. Dit kan bijvoorbeeld door octrooien slechts
                     tijdelijk toe te staan.
                  3 Variatie kan een belemmering vormen voor standaardisatie, wanneer er sprake
                     is van concurrentie. Vooral in een markt met netwerkeffecten heeft standaar-
                     disatie belangrijke positieve effecten. In gevallen waarin het algemeen belang
                     in het geding is, kan er een rol voor de overheid zijn weggelegd wanneer partij-
                     en niet zelf tot standaardisering komen. Dan moet het wel gaan om zaken die
                     spelen wanneer de basiswaarden van de samenleving in het geding zijn. Het is
                     essentieel dat het gaat om een ‘open’ standaard die geen belemmering opwerpt
                     voor nieuwe toetreders tot de markt.
       8.4        aanbevelingen
       8.4.1      algemeen
                  Bij een kennissamenleving hoort een ‘samenwerkend’ kennisbeleid. Hieronder
                  kan worden verstaan dat de verschillende actoren, zoals overheidsinstanties, par-
                  ticuliere partijen, en ondernemingen, samen kennis genereren en op het terrein
                  van ict en kennisontwikkeling intensief contacten onderhouden. De generatie,
                  verspreiding en overdracht van kennis en kennisbestanddelen worden zo op
                  elkaar afgestemd en er wordt maximaal geprofiteerd van de mogelijkheden van
</pre>

====================================================================== Einde pagina 224 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 225 ======================================================================

<pre>                                                               naar een samenwerkend kennisbeleid
ict. Het gaat dus om een samenhangend beleid door samenwerking tussen alle
betrokkenen. Zo’n samenhangend beleid is echter moeilijk te realiseren. In het
algemeen kan men beter aangeven wanneer een groot beleidsterrein géén samen-
hang vertoont dan wanneer dit wel het geval is. Geen samenhangend kennisbe-
leid zou er bijvoorbeeld op neerkomen dat:
• men in het onderwijs heel veel nieuwe ict-media introduceert, maar tegelijk
   het basiskennisniveau van leerlingen en studenten verwaarloost;
• men met veel geld en inspanningen nieuwe wegen voor wetenschappelijk
   onderzoek uitzet, maar vergeet de aantrekkingskracht van wetenschappelijk
   onderzoek (salarisniveaus, klimaat, carrièreperspectieven) te verbeteren,
   zodat er tekorten ontstaan in personeel;
• men het wetenschappelijk onderwijs internationaliseert (o.a. door een bache-
   lors-mastersstructuur te introduceren), maar tegelijk de talenkennis en het
   talenonderwijs in het voortgezet onderwijs en universiteit laat verkommeren.
Kortom : de verschillende kennisdomeinen vormen, schakelgewijs, elkaars voor-
waarde voor een goed en samenhangend kennisbeleid. Zo is een gedegen basis-
uitrusting in het basis- en voortgezet onderwijs voor iedereen een basisvoor-
waarde. Een kwalitatief hoogwaardig en mondiaal concurrerend hoger en
wetenschappelijk onderwijs is een voorwaarde voor een op innovatie gerichte
kennisindustrie. Ook moeten de verschillende onderwijsniveaus (secundair en                       221
tertiair) meer op elkaar aansluiten en, waar nodig,worden angevuld met, post-
initiële leertrajecten. Tot slot zouden alle onderwijsniveaus de traditionele depots
van kennis (bibliotheken en archieven) als ondersteuning moeten benutten. Ver-
schillende schakels kunnen op deze wijze worden gedefinieerd en in hun onder-
linge samenhang getrokken (incl. de samenwerking tussen de betrokken departe-
menten, oc&w, ez).
De nieuwe mogelijkheden van ict maken het niet alleen mogelijk maar ook
noodzakelijk dat de verschillende kenniscentra, waar onderwijs, onderzoek,
innovatie en industriële en technologische toepassingen plaatsvinden, met elkaar
gaan samenwerken. Samenhangend kennisbeleid is een systematische connectivi-
teit van alle onderdelen ten opzichte van elkaar. Deze gekoppelde systemen zijn
hier en daar al ontwikkeld en bieden voldoende uitzicht op vernieuwing. Ze hoe-
ven ook niet allemaal op dezelfde manier ontworpen te worden. Waar het op
neerkomt, is een ruime mate van variatie in de samenwerkingsvormen:
1 tussen universitair wetenschappelijk onderzoek en industrieel onderzoek in
   publieke en particuliere onderzoekscentra;
2 tussen primaire, secundaire en tertiaire onderwijsorganisaties, zoals bij enkele
   ict-introductieprogramma’s;
3 tussen onderwijs en ontwikkelingen op de arbeidsmarkt;
4 tussen scholen, bibliotheken en universiteiten als elkaar aanvullende kennis-
   centra.
Het is mogelijk dat uit al deze intensievere samenwerkingsvormen een nieuw
kennislandschap ontstaat. Onvoorspelbaar is echter, op dit moment, of dit een
verrassend vernieuwde bibliotheek zal zijn, een brede school in een lokale plaats
maar met virtuele verbanden, of een universiteitsstad met veel nieuwe verbin-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 225 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 226 ======================================================================

<pre>    va n oude e n nieu w e k e n nis
                  dingen tussen wetenschapbeoefenaren, technici, industrieel ontwerpers, film-
                  makers, kunstenaars en avant-garde intellectuelen. De toekomst zal leren welke
                  nieuwe initiatieven en sociale verbanden groot élan, aantrekkingskracht en ken-
                  nisproductie zullen opleveren.
                  Onder deze algemene voorwaarden zouden voor de volgende kennisdomeinen
                  specifieke aanbevelingen kunnen worden gedaan. Deze worden belicht in de para-
                  grafen 8.4.2-8.4.5.
       8.4.2      technologiebeleid en innovatie
                  De relatie tussen overheid en markt is in het technologiebeleid altijd precair.
                  Industriële vernieuwing komt niet op bevel van de overheid tot stand, zelfs als
                  alle betrokken partijen inzien hoe belangrijk vernieuwing zou zijn. Dit geldt ook
                  voor de vernieuwing van kennisgoederen en de verdere ontwikkeling van het
                  kennisbeleid, gericht op innovatie in de marktsector. De rol van niet-gecodifi-
                  ceerde kennis bij innovaties wordt vaak onderschat. Bij de ontwikkeling van deze
                  niet-gecodificeerde kennis kan de overheid een belangrijke rol spelen door stimu-
                  lansen te geven en randvoorwaarden en mogelijkheden te scheppen. Het creëren
222               van uitstekende omgevingen voor innovatie zou mede gericht moeten zijn op
                  deze niet-gecodificeerde kennis.
                  Voor het technologiebeleid geeft de raad de volgende concrete aanbevelingen:
                  1 De overheid moet kansen scheppen door voorwaarden voor kennisvernieu-
                     wing optimaal te maken. Zij doet dit nog steeds het beste door het universitai-
                     re onderwijs en onderzoek niet alleen als publiek goed te behoeden, maar hier-
                     in blijvend te investeren. De overheid kan enkele kennisgebieden als
                     speerpunt aanwijzen, zoals al is gebeurd met de topinstituten. Het verdient
                     aanbeveling om dit ook voor de ict-sector zelf te doen, juist omdat de samen-
                     werking tussen de ontwikkeling en de toepassing van ict een specifiek ken-
                     merk van deze sector is. Het gaat hierbij vooral om een samenwerkingsver-
                     band waarin specialisten van verschillende disciplines, en uit particuliere en
                     publieke sectoren, elkaar kunnen ontmoeten en versterken. Doorbraken in
                     innovatie hebben menigmaal een publieke instigatie gehad of zijn in een uit-
                     stekende publieke omgeving tot stand gekomen (Silicon Valley, de ontwikke-
                     ling van internet e.d.).
                  2 Indien samenwerking tussen universitaire onderzoekers en particuliere onder-
                     zoekcentra niet vanzelf van de grond komt, zal de overheid deze samenwer-
                     king moeten bevorderen door universitaire onderzoekers te prikkelen om hun
                     kennis ter beschikking te stellen van de onderzoekcentra. Dit kan door facili-
                     teiten te financieren of door bij de beoordeling van onderzoekers rekening te
                     houden met hun prestaties in de samenwerking met instanties van buiten de
                     universitaire omgeving.
                  3 De hybridisering van publiek en privaat gefinancierde onderzoeksactiviteiten
                     is een kenmerk van het beleid. Dit dient niet afgeremd te worden, maar juist
                     bevorderd. Wel dient er helderheid te ontstaan over de verhouding tussen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 226 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 227 ======================================================================

<pre>                                                                     naar een samenwerkend kennisbeleid
         onderzoekresultaten die met publieke middelen zijn verworven en algemeen
         beschikbaar zijn, en resultaten die deels zijn gefinancierd met publieke, deels
         met particuliere gelden. De Wet Markt en Overheid biedt voldoende waarbor-
         gen dat de publiek gefinancierde kennisinfrastructuur niet oneigenlijk gaat
         concurreren met de particuliere sector en omgekeerd dat samenwerking tus-
         sen bedrijven en onderzoeksinstellingen niet wordt belemmerd.
      4 Soms moet de overheid impasses in de totstandkoming van samenwerkings-
         vormen in de productie van netwerkgoederen (zie hfdst. 4, par. 3.4) doorbre-
         ken, indien de concurrerende aanbieders niet de voordelen van samenwerking
         zien. De overheid kan dit bevorderen door zelf partijen bij elkaar te brengen en
         zo een soort onafhankelijke makelaarsfunctie uit te oefenen. Ook kan zij voor-
         waarden van cofinanciering en samenwerking verbinden aan de subsidies en
         doelfinancieringen die zij aan de onderzoeksinstellingen beschikbaar stelt. Zo
         zijn de eureka-projecten op het gebied van ict (medea en itea) mede door
         actieve overheidsparticipatie tot stand gekomen.
      5 De overheid kan en mag interveniëren bij marktfalen. Dit kan het geval zijn bij
         de bescherming van intellectuele eigendomsrechten (Dolfsma en Soete 2002:
         5). Tegelijkertijd dient de overheid bij deze bescherming te waken tegen ver-
         starrende beschermingsconstructies (patenten, die té lang worden gegeven of
         tot monopolievorming leiden). De overheid houdt de taak om de publieke                         223
         dimensie van kennis te bewaken. Zij dient zich zelf derhalve te onthouden van
         de commerciële uitbating van gegevens, die uit hoofde van haar overheidstaak
         zijn verkregen (cf. Dommering 2002). Wel is het vanzelfsprekend toegestaan
         een prijs in rekening te brengen wanneer er kosten gemaakt worden om de
         gegevens te ontsluiten.
      6 Indien de sectoren van de informatiegoederenmarkt niet zelf tot standaardise-
         ring overgaan en deze standaardisering manifeste voordelen oplevert voor
         gebruikers, dient de overheid niet te aarzelen hier ordenend op te treden (cf.
         Europese marktordening voor mobiele telefonie). Tegelijkertijd dient de
         Nederlandse Mededingingsautoriteit een alert toezicht te houden op het mis-
         bruik van – soms snel – ontstane machtsposities. Het mededingingsbeleid zou
         zich in het algemeen meer op dynamische dan op statische efficiëntie moeten
         richten (cf. hfdst. 4).
8.4.3 wetenschapsbeleid
      Uit de analyse in hoofdstuk 5 blijkt dat de Nederlandse wetenschapsbeoefening
      een relatief goede positie inneemt op het gebied van wetenschappelijke publica-
      ties. Minder goed is de score ten aanzien van verwijzingen naar Nederlandse
      wetenschappelijke publicaties in octrooien, hoewel deze wel zijn toegenomen.
      Ten slotte scoort Nederland niet goed ten aanzien van het benutten van weten-
      schappelijk potentieel, in het bijzonder van vrouwelijke onderzoekers (cf. Voort-
      gangsnota Wetenschapsbeleid 2002). De positie van het Nederlandse weten-
      schappelijke onderzoek moet derhalve worden vastgehouden en zelfs hier en daar
      versterkt, met het oog op de verdere ontwikkeling van de kennissamenleving.
      Hiertoe strekken de volgende aanbevelingen:
</pre>

====================================================================== Einde pagina 227 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 228 ======================================================================

<pre>    va n oude e n nieu w e k e n nis
                  1 De overheid dient samenwerking tussen universitair onderzoek en industrieel
                     onderzoek sterker dan thans het geval is te bevorderen. Zij kan dit doen door
                     samenwerkingsvormen en de financiering hiervan te vergemakkelijken. Het
                     initiatief hiervoor ligt echter voor het grootste deel bij de zelfstandig opereren-
                     de universiteiten en publiek gefinancierde onderzoeksinstellingen (tno,
                     gti’s), die soms bang zijn teveel afhankelijk te worden van particuliere onder-
                     zoeksgelden. Om deze angst weg te nemen moet de overheid, naast de stimu-
                     lering tot samenwerking, tevens het blijvend belang ondersteunen van de
                     publieke functie van zelfstandig en onafhankelijk kennisonderzoek. Dit kan zij
                     doen door een core-financiering voor ongebonden onderzoek te garanderen.
                     Een juiste verhouding van publieke, hybride en particuliere onderzoeksfinan-
                     ciering is niet in zijn algemeenheid te geven – afhankelijk als zij is van disci-
                     pline en onderzoeksgebied –, maar een duidelijke erkenning én garantie, door
                     de overheid, van het publieke aandeel in onderzoek, kan de samenwerking tus-
                     sen verschillende onderzoekcentra eerder versterken dan verzwakken. Daarbij
                     moet oneerlijke concurrentie door publiek gefinancierde kennisinstituten
                     worden voorkomen door te eisen dat deze de integrale kostprijs doorbereke-
                     nen (zie hfdst. 5). Tegelijk moet worden voorkomen dat kennis die in publiek-
                     private samenwerking wordt gegenereerd, uitsluitend door de private partij
224                  wordt toegeëigend, waardoor die kennis haar publieke karakter verliest.
                  2 Naast diepgaand disciplinair onderzoek, wordt interdisciplinair onderzoek
                     van wezenlijk belang voor een geavanceerde kennisontwikkeling. Veel weten-
                     schappelijke en maatschappelijke problemen zijn niet meer langs monodisci-
                     plinaire lijnen oplosbaar. Het maatschappelijke belang van kennis brengt nu
                     met zich mee dat wetenschapsinterne belonings- en financieringsstructuren
                     minder adequaat zijn. Voor zover de financieringsstructuur van het onder-
                     zoek, onder andere door de nwo toewijzingen, de stimulering en verbetering
                     van interdisciplinair onderzoek tegengaat, dient deze financiering veranderd
                     te worden ten gunste van interdisciplinaire initiatieven én werkelijke samen-
                     werkingsvormen. Momenteel zijn er bij nwo al enkele gebiedsbesturen die
                     deze weg hebben ingeslagen.
                  3 Het internationale karakter van wetenschapsbeoefening ligt in de aard ervan
                     zelve. Door de nieuwe mogelijkheden van ict zal dit in de toekomst slechts
                     versterkt worden. Universiteiten dienen deze ontwikkeling op tweeërlei wijze
                     te vergemakkelijken. Enerzijds moeten zij de achterstanden in het gebruik van
                     ict zo snel mogelijk weg werken, anderzijds moeten zij persoonsgerichte
                     internationale uitwisselingen sterk verbeteren. Deze uitwisselingen dienen
                     van twee kanten te komen: van en naar de eu-landen, van en naar Oost-Euro-
                     pese landen die voorheen onder een Sovjetbewind geleefd hebben, van en naar
                     de vs, van en naar Aziatische en Afrikaanse landen.
                  4 De voorwaarden om te kiezen voor wetenschappelijk onderzoek dienen zóda-
                     nig verbeterd te worden dat een ruim voldoende aanbod aan goede afgestu-
                     deerden kiest voor wetenschappelijk onderzoek. Immers, een kennismaat-
                     schappij die alle technische middelen bezit die nodig zijn om internationaal
                     mee te kunnen concurreren, maar niet het personeel kan vinden dat aan die
                     kennismaatschappij vorm geeft en bijdraagt, verwaarloost per definitie haar
</pre>

====================================================================== Einde pagina 228 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 229 ======================================================================

<pre>                                                                       naar een samenwerkend kennisbeleid
          eigen vruchtbare bodem voor kennisontwikkeling: de menselijke nieuwsgie-
          righeid en wil om te onderzoeken.
      5 De aantrekkelijkheid van wetenschapsbeoefening kan sterk bevorderd worden
          door een grotere variatie in het wetenschappelijk onderzoek aan te brengen en
          de uniformiteit van Nederlandse universiteiten sterker dan nu het geval is te
          doorbreken. De regelgeving die een verdere en sterkere differentiatie in het
          wetenschappelijke onderwijs en onderzoek tegengaat, dient te worden gewij-
          zigd. Dan kunnen er in de toekomst specifieke researchuniversiteiten (of
          faculteiten) bestaan naast brede opleidingsuniversiteiten, en veelvormige
          bachelorsopleidingen naast zeer gespecialiseerde mastersopleidingen.
8.4.4 onderwijsbeleid
      Onderwijs is wellicht de allerbelangrijkste schakel in een kennismaatschappij. Er
      dient derhalve veel aandacht uit te gaan naar de vorming en ontwikkeling van
      jonge mensen. ict is hierbij een natuurlijke bondgenoot, omdat de benutting van
      ict van jongs af aan geleerd kan worden. ict is dan ook een vanzelfsprekend
      onderdeel geworden van de veranderende leeromgeving. Het onderwijs vormt
      bovendien de voornaamste input voor wetenschappelijk onderzoek en technolo-
      gische innovatie. Verwaarlozing van het onderwijs of het laten ontstaan van een                     225
      kwalitatieve neergang in de verschillende niveaus van onderwijs – door welke
      oorzaak dan ook – zou een waarschuwingssignaal moeten zijn in de kennissa-
      menleving. Immers, een versterking van de ict-inbreng in het onderwijs en de
      kwalitatieve verbeteringen die ervan verwacht kunnen worden, veronderstellen
      logischerwijs dat de basis hiervoor eveneens sterk blijft. Back to basics betekent
      dus: verwaarloos de kwalitatieve basis van het onderwijs niet.
      De situatie van leerkrachten in het voortgezet onderwijs en de moeizame invoe-
      ring van onderwijsvernieuwingen (basisvorming, tweede fase studiehuis, twee-
      de fase universitair onderwijs, beroepsvoorbereidend onderwijs) geven aanlei-
      ding tot zorg om de kwaliteit. Indien wél de introductie van ict in het onderwijs
      met vaart ter hand wordt genomen, maar de noodzakelijke basiscondities van de
      beschikbaarheid én motivatie van leerkrachten in alle onderwijsniveaus afbrok-
      kelen, dan is toch niet voldaan aan de eisen die de kennismaatschappij stelt. Tege-
      lijk moet worden benadrukt dat ict geen vervangingsmiddel is voor kwalitatieve
      en kwantitatieve investeringen in personeel. ict is geen middel om met minder
      geld de kwaliteit van het onderwijs op peil te houden, maar in beginsel wel om
      met meer geld de kwaliteit te verhogen. Tegen deze achtergrond dienen de vol-
      gende aanbevelingen gelezen te worden:
      1 De introductie van ict in alle niveaus van het onderwijs (primair, secundair,
          tertiair) moet niet in de eerste plaats gezien worden als een technische innova-
          tie (de verschaffing van hardware en andere apparaten), maar vooral als een
          socio-technisch leerproces. Complexe softwareprogramma’s, waar het eigen
          initiatief van de gebruikers wordt gestimuleerd, zijn cruciaal. Hiernaast dient
          de traditionele leeromgeving – gestandaardiseerd, vaak klassikaal onderwijs –
          aangepast te worden aan de nieuwe mogelijkheden.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 229 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 230 ======================================================================

<pre>    va n oude e n nieu w e k e n nis
                  2 Een noodzakelijke voorwaarde voor de succesvolle introductie en verdere
                     benutting van ict in het onderwijs is de bekwaamheid van de leerkrachten
                     (onderwijzers (m/v), docenten en hoogleraren) om met de nieuwe mogelijk-
                     heden adequaat te leren omgaan. Zij dienen voldoende tijd te krijgen om zich
                     via bijscholing hierin te bekwamen. Net als in het beroepsvoorbereidend
                     onderwijs dienen hiertoe in de cao’s afspraken gemaakt te worden, op welke
                     wijze en in hoeveel tijd deze noodzakelijke bijscholing zal plaatsvinden.
                  3 Op dit moment wordt ruimschoots en overal geëxperimenteerd met ict-pro-
                     gramma’s in het onderwijs. Deze programma’s moeten – vanwege de noodza-
                     kelijke lering – zoveel mogelijk voortgezet worden. Wat echter vaak nog ont-
                     breekt, is de systematische evaluatie van ál deze ict-experimenten. De raad
                     beveelt derhalve aan dat de overheid erop toeziet(dus niet noodzakelijk zelf ter
                     hand neemt) dat dergelijke systematische evaluaties en kosten-batenanalyses
                     van ict-onderwijsexperimenten plaatsvinden. Een ‘clearing house’ of experti-
                     secentrum zou hiervoor kunnen worden opgericht.
                  4 Waar ict-gebruik in het onderwijs slechts moeizaam op gang komt, zoals aan
                     de meeste universiteiten en hogescholen in Nederland, dienen deze achter-
                     standen zo snel mogelijk te worden ingelopen. Systematische training van
                     onderwijzend personeel is hiervoor één voorwaarde (zie hierboven, aanbeve-
226                  ling 2), het laten ontstaan van een innovatieve onderwijscultuur, inclusief
                     beloningsstructuren en andere incentives, een andere. Scholen en universitei-
                     ten dienen hier een eigen verantwoordelijkheid te tonen en nieuwe verbindin-
                     gen aan te gaan voor het ‘leren van de toekomst’. Dit kunnen nieuwe verbin-
                     dingen zijn tussen universiteiten en basisonderwijs (bijv. voor de ontwikke-
                     ling en ondersteuning van kennisnetwerken), tussen pabo’s en basisonder-
                     wijs, maar ook tussen universiteiten en hogescholen. Een knelpunt hierbij is
                     dat goede onderwijssoftware ontbreekt of onvoldoende ontwikkeld is. Voor
                     zover hier sprake is van marktfalen (bijv. door de hoge initiële kosten voor de
                     ontwikkeling van dergelijke software), zou de overheid moeten stimuleren dat
                     de software wel beschikbaar komt.
                  5 De kennismaatschappij is per definitie internationaal. De internationalisering
                     van het onderwijs, met name van het hoger en wetenschappelijk onderwijs, is
                     gestart, maar de bestaande initiatieven ( Erasmus-programma’s) moeten,
                     onder andere qua aantallen studenten die er gebruik van maken, worden ver-
                     beterd. Internationale onderwijservaringen en -contacten, inclusief de daarbij
                     behorende taalvaardigheid, zouden bij iedere student in het hoger en weten-
                     schappelijk onderwijs een plaats horen te krijgen. De verdere uitbouw van
                     internationalisering van het onderwijs dient de komende tien jaar prioriteit te
                     krijgen. Hiermee wordt immers de basis gelegd voor de verdere virtuele com-
                     municatie en connectiviteit van de toekomstige kennisdragers.
                  6 Alle bovenstaande aanbevelingen voor het onderwijsbeleid veronderstellen
                     twee vanzelfsprekende voorwaarden, namelijk (a) dat alle burgers beschikken
                     over een voldoende basisuitrusting om in een kennismaatschappij adequaat te
                     functioneren en (b) dat er voldoende leerkrachten zijn om te zorgen voor
                     zowel die basisuitrusting als de verdere scholing. ‘Back to basics’ is derhalve
                     geboden, tezamen met ‘een leven lang leren’. De rust, met name in het voort-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 230 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 231 ======================================================================

<pre>                                                                      naar een samenwerkend kennisbeleid
         gezet onderwijs dat moe is van hervormingen, zal dienen terug te keren, wil
         de Nederlandse samenleving niet het gevaar lopen dat de basis onder de ken-
         nissamenleving wordt weggeslagen.
8.4.5 bibliotheek- en archiefbeleid
      Niemand weet hoe de bibliotheek van morgen eruit zal zien. Eeuwenlang is de
      bibliotheek een centrum geweest van kennis (opslag, verspreiding, benutting,
      vernieuwing). Zo nam Daniel Bell als maatstaf voor kennisintensivering het aantal
      boeken dat gemiddeld per tien jaar werd toegevoegd aan het totale boekenbezit
      van de belangrijkste Amerikaanse universiteiten.De voorraad boeken bleek zich
      iedere tien jaar te verdubbelen (Bell 1973:177). Hoewel in de toekomst alle kennis
      zeker niet meer uitsluitend in boeken zal zijn opgeslagen, dient deze centrale
      functie van opslag van kennis voor bibliotheken en archieven te worden gekoes-
      terd. Deze voorzieningen zijn als het ware het geheugen van een samenleving.
      Het belang van archivering zou verder kunnen worden onderstreept door het risi-
      co dat digitale archieven ontoegankelijk worden als gevolg van de snelle verande-
      ringen in de technologische apparatuur en middelen.
      De belangrijkste aanbeveling is derhalve om de publieke functie, vooral de func-                   227
      tie van kennis en cultuurbehoud en de educatieve functie, van bibliotheken en
      archieven te verankeren. Deze verankering geldt voor de centrale overheid; de
      uitvoering ervan komt neer op de schouders van de lokale overheden. Deze loka-
      le gebondenheid is nodig om optimaal van de lokale context gebruik te kunnen
      maken. In de uitvoering van het bibliotheekbeleid als onderdeel van het kennis-
      beleid zal hiermee een grote variatie blijven bestaan.
      In hoofdstuk 7 van dit rapport werd betoogd dat een periode van snelle verande-
      ring in de vormgeving en uitrusting van bibliotheken, onder invloed van ict, te
      verwachten is. Van de bibliotheken mag worden gevraagd dat zij nieuwe verbin-
      dingen aangaan met andere kenniscentra (scholen, universiteiten, researchcentra)
      en dat zij optimale benutting tonen van ict (elektronische versies van tijdschrif-
      ten kunnen het aantal abonnementen verminderen).
      De educatieve en de behoudsfunctie van zowel bibliotheken als archieven zijn in
      het ict-tijdperk extra belangrijk, omdat ze de publieke taak hebben iets extra’s te
      bieden, te weten educatie en ontsluiting van informatie op basis van neutrale ver-
      wijzingscriteria en vanuit een traditie van kwaliteitsbeheer. Bovendien kan ict
      de effectiviteit van deze voorzieningen versterken. Met behulp van ict kan het
      aanbod immers virtueel openbaar worden gemaakt en kan de samenhang in het
      aanbod, dat nu over zeer verschillende sectoren is verspreid, worden vergroot.
      Dit geldt evenzeer voor het cultuurhistorische aanbod.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 231 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 232 ======================================================================

<pre>    va n oude e n nieu w e k e n nis
                  Vanwege het publieke karakter van deze kennisvoorzieningen kunnen de volgen-
                  de aanbevelingen worden gedaan:
                  1 Voor een optimale bereikbaarheid en toegankelijkheid van bibliotheken die-
                     nen zowel de fysieke als de elektronische ontsluitingsvormen van kennisbron-
                     nen en informatie in de bibliotheken beschikbaar te blijven. Het is hierbij niet
                     noodzakelijk dat alle bibliotheken alle faciliteiten aanbieden.
                  2 Bibliotheken dienen als kenniscentra nauwe samenwerking aan te gaan met
                     scholen en andere onderwijsinstellingen, zodat beide optimaal de mogelijkhe-
                     den van ict gaan benutten.
                  3 De publieke kennisfunctie van bibliotheken dient gehandhaafd te worden, zij
                     het dat in de komende vijf à tien jaar zal moeten worden geëxperimenteerd
                     met de vormen waarin deze functie gestalte krijgt. Hierbij dienen de bibliothe-
                     ken zich primair te richten op hun kerntaken.
                  4 Archieven dienen, als geheugen van de natie, wettelijk als kennisbron gegaran-
                     deerd te blijven, mits zij alle mogelijkheden van ict voor een verdere dienst-
                     verlening aan een groter publiek zullen exploreren.
                  In het kennisbeleid ligt de nadruk op de creatie en de verspreiding van nieuwe
                  kennis. Oude kennis blijft echter altijd waardevol. Het bewaren van kennis, oud
228               én nieuw, opgeslagen in boeken en in digitale vorm, krijgt juist door ict een
                  nieuwe dimensie. Opgetekende herinneringen en opgeslagen kennis vormen het
                  geheugen van een samenleving. Dit mag dus niet vergeten worden.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 232 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 233 ======================================================================

<pre>                                                                                                       literatuur
liter atuur
‘Bibliotheken zijn toe aan cultuuromslag’ (2000), Uitleg 12: 28-29.
Abbate, J. (1999) Inventing the internet, Cambridge, Mass.: mit Press.
Abeles, T. P. (1998) ‘The academy in a wired world’, Futures 30: 603-613.
Adviesraad voor het Wetenschaps- en Technologiebeleid (D. Jacobs en J. Waalkens) (2001) Inno-
         vatie. Vernieuwingen in de innovatiefunctie van ondernemingen, Deventer: Kluwer.
Adviesraad voor het Wetenschaps- en Technologiebeleid (awt) (2001) Verlangen naar de eindeloze
         zee. Rapportage van de Verkenningscommissie ‘Kennis voor de Netwerkeconomie’, awt rap-
         port 47, Den Haag: awt.
Akerlof, G.A. (1970) ‘The market for “lemons”: quality uncertainty and the market mechanism’,
         Quarterly Journal for Economics, 84: 488-500.
Ark, B. van (2000) ‘De vernieuwing van de oude economie. Nederland in een internationaal
         vergelijkend perspectief’, blz. 21-59 in L.L.G. Soete (red.) (2000) ict en de nieuwe
         economie. Preadviezen voor de Koninklijke Vereniging voor de Staathuishoudkunde, Utrecht:
         Lemma.
Arquilla, J. en D. Ronfeldt (reds.) (1997) In Athena’s Camp: Preparing for Conflict in the Informa-
         tion Age, rand Corporation.
Barba Navaretti, G., P.S. Dasgupta, K.G. Maler en D. Siniscalco (1998) ‘Production and transmission               229
         of knowledge: institutions and economic incentives. An introduction’, blz. 1-10 in G. Barba
         Navaretti, P.S. Dasgupta, K.G. Maler en D. Siniscalco (eds.) Creation and transfer of knowl-
         edge: institutions and incentives, Berlin: Springer-Verlag.
Barber, B. (2001) ‘The uncertainty of digital politics’, Harvard International review, spring 2001
         Vol. XXIII no. 1.
Bartelsman, E. en J. Hinloopen (2000) ‘De verzilvering van een groeibelofte’, blz. 61-81 in
         L.L.G. Soete (red.) (2000) ict en de nieuwe economie. Preadviezen voor de Koninklijke
         Vereniging voor de Staathuishoudkunde, Utrecht: Lemma.
Barton, J.H. (2000) ‘Reforming the patent system’, Science, 287: 1933-1934.
Beck, U. (1986) Die Risiko Gesellschaft, Auf dem Weg nach einem anderen Moderne, Frankfurt:
         Suhrkamp.
Beek, W. H. van (2000) ‘De toekomst van arbeid op vrijdagavond’, in R. M. Weehuizen (red.)
         Toekomst@werk.nl, Reflecties op Economie, Technologie en Arbeid (stt63), Den Haag:
         Stichting Toekomstbeeld der Techniek.
Beer, P. de (2001a) ‘Regradatie en polarisatie op de postindustriële arbeidsmarkt’, Tijdschrift voor
         Arbeidsvraagstukken, 17, 1: 7-28.
Beer, P. de (2001b) Over werken in de postindustriële samenleving, Den Haag: Sociaal en Cultureel
         Planbureau.
Bell, D. (1973) The coming of post-industrial society, New York: Basic books (herdruk 1999).
Bemer, R., V.A. Gilsing en T.J.A. Roelandt (2001) ‘Gronslagen voor vernieuwing van het inno-
         vatiebeleid’, blz. 73-84 in Gradus, R.H.J.M., J. van Sinderen en J.J.M. Kremers (red.) (2001)
         Nederland kennisland?, kennis en innovatie: uitdagingen voor het economisch beleid,
         Groningen: Stenfert Kroese.
Benders, J., F. Huijgen en U.Pekruhl (1998) Useful but unused: group work in Europe, Dublin: Euro-
         pean Foundation for the Improvement of Living and Working Conditions.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 233 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 234 ======================================================================

<pre>    va n oude e n nieu w e k e n nis
              Bierlaagh, C. (2000) ‘Bibliotheken, harmonisch evenwicht tussen technologie en cultuur’, Docu-
                        mentatie 3: 116-122.
              Bijker, W. and J. Law (Eds.) (1992). Shaping Technology, Building Society: Studies in Sociotechnical
                        Change, Cambridge, Mass.: mit Press.
              Blokland, D.A. en M.A. Feenstra (2001) ‘Beheerst interveniëren’, in esb Dossier Informatiegoed-
                        eren en Marktwerking, 86: D3-D6.
              Boekaerts, M.P.R.J.S. (1995) Leren en instructie, Assen: Van Gorcum.
              Boomen, M. van den (2000) Leven op het net, Amsterdam: Instituut voor Publiek en Politiek.
              Borghans, L. en B. ter Weel (2000) ‘Hoe computerisering de arbeidsmarkt verandert. De feiten op
                        een rij vanuit een nieuw raamwerk’, in L.L.G. Soete (red.) ict en de nieuwe economie.
                        Preadviezen van de Koninklijke Vereniging voor de Staathuishoudkunde 2000, Utrecht:
                        Lemma.
              Borgman, C. (2000) From Gutenberg to the Global Information Structure, Cambridge, Mass.: mit
                        Press.
              Bouwman, H., R. Hes, T. la Porte en R. Westerveld (2000) ict in huis: de magnetron als infor-
                        matiebron. Trends in informatie- en communicatietechnologie in de huiselijke omgeving in
                        het jaar 2010, scp Cahier nr. 64, Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.
              Boyle, J. (1997) A politics of intellectual property, zie http://www.law.duke.edu/boylesite/
              Bresnahan, T.F., E. Brynjolfsson and L.M. Hitt (1999) Information technology, workplace organisa-
230                     tion and the demand for skilled labor: firm level evidence, nber Working Paper nr. 7136,
                        Cambridge (ma): nber.
              Broekhoven, Th. E. van, en J. Frietman (2000) evc aan de poorten van het hoger onderwijs. Han-
                        dreiking voor de implementatie van evc in hogescholen en universiteiten, Den Haag: Minis-
                        terie van oc&w.
              Brown, J. en P. Duguid (2000) The social life of information, Boston: Harvard Business School
                        Press.
              Butter, F.A.G. den (2001) ‘Een nieuwe gouden eeuw met ict’, esb, 86: 208-210.
              Callon, M. (1994) ‘Is science a public good?’,Science, technology and human values Vol. 19 No. 4:
                        395-42 4, London: sage publications.
              Cameron, H., en C. le Bas (1999) ‘Knowledge dissemination, collaboration between agents, and
                        intellectual property. New evidence for science and technology policy’, Economie
                        Appliquée, 52: 237-266.
              Carraro, C., A. Pomè and D. Siniscalco (2001) Science vs. profit in research. Lessons from the human
                        genome project, CESifo Working Paper no. 541.
              Castells, M. (1996) The rise of the network society, The information age: 1, Oxford: Blackwell pub-
                        lishers.
              Castells, M. (2001) I’nformationalisme en de netwerkmaatschappij’, in Himanen, P. (2001)
                        De hacker-ethiek, Amsterdam: Nieuwezijds.
              Centraal Planbureau (2000) Centraal Economisch Plan 2000, Den Haag: Sdu Uitgevers.
              Centraal Planbureau (2002) De pijlers onder de kenniseconomie: opties voor institutionele
                        vernieuwing, Den Haag: Sdu Uitgevers.
              Cerf, V. G. (2001) A brief story of the internet and related networks, Reston: The internet society,
                        http://www.isoc.org
              Chanowski (2000), ‘Weinig bibliothecarissen hebben de visie het nieuwe onder ogen te zien’,
                        Bibliotheekblad 10/11: 30-31.
              Clever project (1999) ‘Hypersearching the web’, Scientific American, juni 1999.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 234 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 235 ======================================================================

<pre>                                                                                                   literatuur
Coers, R., en J. Stapel (2000) ‘Bibliotheek en Internet, Klaar voor de toekomst?’, Bilbiotheekblad
        16/17: 18-22.
Cohen Jehoram (2001) ‘Europees auteursrecht, steeds horizontaler’, njb 9: 377-383.
Collins, H. (1985) Changing order, London: Sage publications.
Collis, B., en M. van der Wende (1999) ‘Het gebruik van ict in het hoger onderwijs: een interna-
        tionale verkenning’, Tijdschrift voor Hoger Onderwijs, 205-225.
Commissie Financieringsstructuur Onderzoek en Ontwikkeling (1985) Rekenschap van
        creativiteit, Den Haag: Staatsdrukkerij/uitgeverij.
Commissie-Cohen (1997) Markt en overheid, eindrapport, Den Haag: Ministerie van Economische
        Zaken, project mdw, Tweede Kamer 2 4 036, nr. 45.
Cornet, M. (2001) De maatschappelijke kosten en baten van technologiesubsidies als de wbso, cpb
        Document 008, Den Haag: Centraal Planbureau.
Cowan, R., P.A. David en D. Foray (1999) ‘The explicit economics of knowledge codification and
        tacitness’, Working Paper no. 2/99-027, Maastricht: Merit.
Cowan, R., P.A. David, D. Foray (1999) The explicit economics of knowledge codification and tacit-
        ness, paper for the 3rd tipik Workshop in Strasbourg, 2 4th April 1999.
Dalen, H.P. van (1999) ‘The golden age of Nobel economists’, The American Economist, 43: 19-35.
Dalen, H.P. van, en A. Klamer (1996) Telgen van Tinbergen. Het verhaal van de Nederlandse
        economen, Amsterdam: Uitgeverij Balans.
Damme, E.E.C. van (2001) ‘De weg tot stimulering’, esb Dossier Informatiegoederen en Markt-                   231
        werking, 86: D4-D5.
Damme, E.E.C. van, en B.G.C. Dellaert (2001), E-conomie: ict en marktwerking, Amsterdam:
        Infodrome.
Dam-Mieras, M.C.E. van (2001) Biotechnologie in maatschappelijk perspectief, wrr Werkdocu-
        menten 117, Den Haag.
Das, H. (1999) ‘ict en bibliotheken, een kans voor open doel’, Bibliotheekblad 2 4: 6-8.
Dasgupta, P.S. (1988) ‘The welfare economics of knowledge production’, Oxford Review of Eco-
        nomic Policy, 4: 1-12.
Dasgupta, P. en P. David (1992) Toward a New Economics of Science, cepr Publication No. 320,
        Stanford University.
Dasgupta, P.S., and P.A. David (1994) ‘Towards a new economics of science’, Research Policy, 23:
        487-521.
Dasgupta, P.S., and P.A. David (1987) ‘Information disclosure and the economics of science and
        technology’, in: G.R. Feiwel (ed.), Arrow and the accent of modern economic theory, New
        York: New York University Press: 519-542.
David, P.A. (1990) ‘The dynamo and the computer: an historical perspective on the productivity
        paradox’, American Economic Review, 80/2 (Papers and Proceedings): 355-361.
Dekker, J.A., en G.A. van de Schootbrugge (2001) ‘De technologische instituten als brug tussen
        wetenschap en samenleving’, blz. 113-114 in R.H.J.M. Gradus, J. van Ginderen en
        J.J.N. Kremers (2001) Nederland Kennisland? kennis en innovatie: uitdagingen voor het
        economisch beleid, Groningen: Stenfert Kroese.
Dellaert, B.G.C. (2001) ‘Hoe zorg je dat de bron niet opdroogt?’, in esb Dossier Informatie-
        goederen en Marktwerking, 86: D31.
Dijk, L. van, J. de Haan en S. Rijken (2000) Digitalisering van de leefwereld. Een onderzoek naar
        informatie- en communicatietechnologie en sociale ongelijkheid, scp Cahier 167, Den Haag:
        Sociaal en Cultureel Planbureau/Elsevier bedrijfsinformatie.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 235 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 236 ======================================================================

<pre>    va n oude e n nieu w e k e n nis
              Dolfsma, W.A., en L.L.G. Soete (2002) ‘Kennis op markten. Verkenning en betekenis voor over-
                        heidsbeleid’, in H. Dijstelbloem en C.J.M. Schuyt (red.) (2002) De publieke dimensie van
                        kennis, wrr Voorstudies en achtergronden V110, Den Haag: Sdu Uitgevers.
              Dommering, E., B. Hugenholtz en J. Kabel, ‘De overheid en het publieke domein van informatie
                        voor wetenschappelijk onderzoek’, in H. Dijstelbloem en C.J.M. Schuyt (red.) (2002)
                        De publieke dimensie van kennis, wrr Voorstudies en achtergronden V110, Den Haag:
                        Sdu Uitgevers.
              Don, H. (2001) ‘Het Nederlandse groeipotentieel tot 2006’, esb, maart 2001: 284-287.
              Droste, J. (2000) Advies Keuze Teleleerplatform, Utrecht: Stichting surf/cinop.
              Drucker, P. (1969) The age of discontinuity. Guidelines to our changing society, New York: Harper
                        and Row.
              Ducatel, K., J. Webster en W. Herrmann (eds.) (2000) The information society in Europe, New
                        York: Rowman & Littlefield Publishers, Inc.
              eblida (Europese Vereniging van bibliotheken) (2000), Reactie op ontwerp eu-regeling
                        auteursrecht.
              Epstein, S. (1996) Impure science, Berkeley : University of California Press.
              Eurelings, A.M.C., B.M. Melief, H. Plekenpol (2002), ‘Leren in een kennissamenleving. De gevol-
                        gen van de digitale revolutie voor het hoger onderwijs en de beroeps- en volwassenenedu-
                        catie in Nederland’, in M.C.E. van Dam-Mieras en W. M. de Jong (red.) (2002) Onderwijs
232                     voor een kennissamenleving. De rol van ict nader bekeken, wrr Voorstudies en achter-
                        gronden V111, Den Haag: Sdu Uitgevers.
              Europese Commissie (1998) Telework 1998. Status report on European telework, Luxemburg.
              Fahraeus, E. R. (2001) Collaborative learning through forum systems, problems and opportunities,
                        Proceedings Euro-cscl, Maastricht.
              Frank, R.H., en P.J. Cook (1995) The winner-take-all society, New York: Penguin Books.
              Frey, B.S. and R. Eichenberger (1997) ‘Economists: first semester, high flyers and ufo’s’, blz. 15-49
                        in P.A.G. van Bergeijk et al. (eds.) Economic science and practice, Cheltenheim/Lyme:
                        Edward Elgar.
              Funtowicz, S. en J. Ravetz (1990) Uncertainty and quality in science for policy, Dordrecht: Kluwer.
              Gallie, W.B. (1955-6) ‘Essentially Contested Concepts’, Proc. Arist.Soc., 56: 169
              Geest, S.A. van der, en M. Varkevisser (2001) ‘Geen lagere prijs voor software’, esb Dossier Infor-
                        matiegoederen en Marktwerking, 86: D28-D30.
              Gelauff, G.M.M. (2001) Hoe prikkelbaar is de kenniseconomie?, oratie, Nijmegen: kun.
              Gelauff, G.M.M. (2001a) ‘Over oude en nieuwe economie’, blz. 108-115 in H. Klok, T. van Schaik en
                        S. Smulders (red.) Economologues. Liber amicorum voor Theo van de Klundert, Tilburg:
                        kub.
              Geloven, M. P. van, A. Pilot, M.C. van der Wende, B.A. Collis, I. Lam, J.C.M.M. Moonen,
                        E.M.A. Peters, J.W.F. van Tartwijk en W. Veen (1999) ict in het Hoger Onderwijs: gebruik,
                        trends en knelpunten, Den Haag: Ministerie van oc&w.
              Gibbons, M. (1998) Higher Education Relevance in the 21st Century, unesco World Conference on
                        Higher Education, Paris, October 5-9, 1998.
              Gibbons, M. et al. (1994), The New Production of Knowledge: The dynamics of science and research
                        in contemporary societies, London: sage publications.
              Gieryn, T. (1999) Cultural boundaries of science, Chicago: University of Chicago Press.
              Goldman, A. (1999) Knowledge in a social world, Oxford: Clarendon Press.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 236 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 237 ======================================================================

<pre>                                                                                                        literatuur
Gordon, R.J. (2000) ‘Does the “new economy” measure up to the great inventions of the past?’,
        Journal of Economic Perspectives, 14: 49-74.
Gradus, R.H.J.M., J. van Sinderen en J.J.M. Kremers (red.) (2001) Nederland kennisland?, Kennis en
        innovatie: uitdagingen voor het economisch beleid, Groningen: Stenfert Kroese.
Graves, W.H. (2001) ‘Virtual operations’, educause review, march/april 2001.
Griffiths, R. T. (1999) Internet for historians, history of the internet; The development of the inter-
        net, http:// www.let.leidenuniv.nl/history/ivh/internet.htm
Hagstrom, W.O. (1965) The scientific community, New York/London: Basic Books.
Hamermesh, D.S. en S.M. Oster (1998) Tools or toys? The impact of high technology on scholar pro-
        ductivity, nber Working Paper 6761, Cambridge (ma): nber.
Hardey, M. (1999) ‘Doctor in the house’, Sociology of health and illness 21, 6.
Hazeu, C.A. (1983) ‘Voorwaardelijke financiering van onderzoek’, esb, 68: 163-165.
Hazeu, C.A. (1983a) Onderzoek en ontwikkeling in financieel-economisch perspectief, discussion
        paper 8306/P, Rotterdam: Institute for Economic Research van de Erasmus Universiteit
        Rotterdam.
Hazeu, C.A. (1983b) ‘Wetenschappelijk onderzoek als economisch goed’, Openbare Uitgaven, 15:
        291-304.
Hazeu, C.A. (1989) ‘Certificering, openbaarheid en forum. Over de mechanismen van rekenschap
        en verantwoording bij fundamenteel wetenschappelijk onderzoek’, Tijdschrift voor Hoger
        Onderwijs, 7: 11-20.                                                                                       233
Hazeu, C.A. (1989a) Systeem en gedrag in het wetenschappelijk onderzoek. Een model voor toedeling
        van taken en verantwoordelijkheden in een multi-niveau systeem, toegepast op het universi-
        taire onderzoek, Den Haag: Vuga (proefschrift eur).
Hazeu, C.A. (1992) ‘Promoties als de bekostigingssleutel van onderzoek?’, Openbare Uitgaven, 2 4:
        92– 97.
Hazeu, C.A. (2000) Institutionele economie. Een optiek op organisatie- en sturingsvraagstukken,
        Bussum: Coutinho.
Hazeu, C.A., en P.A. Lourens (1993) ‘Changing patterns in the funding of university education and
        research; the case of the Netherlands’, blz. 189-206 in P.G. Altbach en D.B. Johnstone (eds.)
        International perspectives on funding of higher education, New York: Garland Publishing
        Inc.
hbo-Raad (2000) NET-werken. Eindrapport van de bestuurscommissie hbo en ict, Den Haag:
        hbo-Raad.
hbo-Raad en vno-ncw (1999) De Hogeschool als kennispoort, Den Haag: hbo-Raad/vno-ncw.
Hiemstra, Y. (2001) ‘De relatie-economie’, esb Dossier Informatiegoederen en Marktwerking, 86:
        D14-D16.
Himanen, P. (2001) De hacker-ethiek, Amsterdam: Nieuwezijds.
Hodge, A. (1983) Alan Turing. The enigma of intelligence, London: Unwin Hyman limited.
Hoefnagel, F.J.P.M. (1988) Bibliotheken en omroepen als publieke zaak, Den Haag: hrwb/wrr.
Horstman, K., G.H. de Vries en O. Haveman (1999) Gezondheidspolitiek in een risicocultuur:
        burgerschap in het tijdperk van de voorspellende geneeskunde, Den Haag: Rathenau
        Instituut; Studie 38.
iflo/unesco (1994) Public Library Manifesto, Den Haag: ifla, Section of Public Libraries.
Introna, L. en H. Nissenbaum (2000) ‘Shaping the web: why the politics of search engines matters’,
        The information society 16(3).
ioo bv (2001) Open poort tot kennis: de kosten, Zoetermeer.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 237 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 238 ======================================================================

<pre>    va n oude e n nieu w e k e n nis
              Jacobs, D. (2000) ‘Wachten op de voorbije revolutie? De langzame derde industriële revolutie’,
                        blz. 1-20 inL.L.G. Soete (red.) ict en de nieuwe economie. Preadviezen van de Koninklijke
                        Vereniging voor de Staathuishoudkunde 2000, Utrecht: Lemma.
              Jacobs, D., en J. Waalkens (2001) ‘Durfkapitaal vervangt eigen onderzoek’, esb, 86: 864-866.
              Janssen, M.C.W. en J.-L. Moraga (2001) ‘Concurrentie en Internet-gebruik’, Maandschrift
                        Economie, 65: 283-301.
              Jasanoff, S. et.al. (eds.) (1995) Handbook of science and technology Studies, London: sage publica-
                        tions
              Jochems, W., en J. Gerrissen (2000) ‘Competentiegericht leren. Op het grensvlak van ‘leren van’
                        en ‘sturen op’’, in: Tijdschrift voor Hoger onderwijs en Management.
              Kanselaar, G. (1999) ict en onderwijsverbetering?, Utrecht: Universiteit Utrecht.
              Kealy, T. (1996) Economic laws of scientific research, London: McMillan.
              Kennedy, D. (1997),Academic Duty, Cambridge: Harvard University Press.
              Kerka, S. (1997) Constructivism, workplace learning and vocational education, eric Digest.
              Klamer, A. and D. Colander (1990) The making of an economist, Boulder: Westview Press.
              Klemperer, P. (1987) ‘Markets with consumer switching costs’, Quarterly Journal of Economics,
                        102: 375-394.
              Koper, R., J. Lowyck, en W. Jochems (2000) Van verandering naar vernieuwing: onderwijstechno-
                        logische grondslagen van elektronische leeromgevingen, Heerlen: Open Universiteit Neder-
234                     land.
              Krevelen, L. van (1999) ‘Boek blijft kerntaak van bibliotheken’, Bibliotheekblad 6: 16 –18.
              Kreijns, K., M. Bitter-Rijpkema (2001) An exploration of the VirtualBusinessTeam concept: con-
                        structivism and the support for social negotiation, Proceedings Eurocscl, Maastricht,
                        March 2001.
              Kreijns, C.J., P.A. Kirschner en W.M.G. Jochems (2002) ‘The sociability of computer supported
                        collaborative learning environments’, Journal of Education Technology & Society 5, 1.
              Kuhn, T. (1962) The structure of scientific revolutions, Chicago: University of Chicago press.
              Lakoff, G. en M. Johnson (1980) Metaphors we live by, Chicago: University of Chicago Press.
              Lane, R. (1966) ‘The decline of politics and ideology in a knowledgeable society’, American Socio-
                        logical Review 31: 649-662.
              Latour, B. (1987) Science in action, Cambridge, Mass.: Harvard University Press.
              Lawrence, S. en C. L. Giles (1999) ‘Accessibility of information on the web’, Nature 400.
              Leifer, L. (1999) Introducing the Stanford University Learning Laboratory and Wallenberg Global
                        Learning Network, Stanford Learning Lab, Palo Alto.
              Leiner, B. M. et al. (2000) ‘A brief history of the internet 3.31’, Reston: The internet society,
                        http://www.isoc.org
              Leuven, E. en H. Oosterbeek (2000) ‘Rendement van onderwijs stijgt’, Economisch Statistische
                        Berichten 85 (23 juni 2000): 523-52 4.
              Loo, J. van en J. Semeijn (2000) Measuring competencies in schoolleaver surveys, paper presented at
                        the 5th Annual ilm Conference, Aberdeen, Scotland, 11 December 2000.
              Lubbe, J.C.A. van der en D. Nauta (1994) ‘Expert systems, culture and peircean semiotics’, in
                        L.J. Slikkerveer and G.J. van den Broek (eds.) The Expert Sign: Semiotics of Culture, Leiden:
                        dswo Press.
              Lubbe, J.C.A. van der (2002) ‘Van een informatie- naar een kennissamenleving: de rol van de tech-
                        niek’, in H. Dijstelbloem en C.J.M. Schuyt (red.) (2002) De publieke dimensie van kennis,
                        wrr Voorstudies en achtergronden V110, Den Haag: Sdu Uitgevers.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 238 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 239 ======================================================================

<pre>                                                                                                     literatuur
Lubberman, J., en T. Klein (2001) ict in het hoger onderwijs, een quickscan naar het gebruik van ict
        en elektronische leeromgevingen in het Nederlandse hoger onderwijs, Leiden: Research voor
        Beleid.
Lynch, C. (1997) ‘Searching the internet’, Scientific American, maart 1997.
Lynch, R. L. (1997) Designing vocational and technical teacher education for the 21e century, eric
        Clearing House.
Machlup, F. (1962) The production and distribution of knowledge in the United States, Princeton uni-
        versity press.
MacKenzie, D. (1996) Tacit knowledge and the uninvention of nuclear weapons in knowing
        machines: essays on technical change, Cambridge, Mass.: mit.
Marres, N. en G. de Vries, ‘Tussen toegang en kwaliteit – legitimatie en contestatie van expertise
        op het internet’, in H. Dijstelbloem en C.J.M. Schuyt (red.) (2002) De publieke dimensie van
        kennis, wrr Voorstudies en achtergronden V110, Den Haag: Sdu Uitgevers.
Mathijsen, E. (2000) ‘Het hbo: een competentiegerichte leeromgeving?!’, Tijdschrift voor Hoger
        Onderwijs en Management 2.
Melief, B. (1999) ‘Introductie’, in: Integrating Information & Communication Technology in higher
        education, Deventer: Kluwer: 7-16.
Merton, R. (1973) The sociology of science, Chicago/Londen.
Merton, R.K. (1968) ‘The Matthew effect in science’, reprinted in R.K. Merton (1973) The sociology
        of science; Theoretical and empirical investigations, Chicago: University of Chicago Press.             235
Ministerie van Economische Zaken (1994) Elektronische Snelwegen, Den Haag: Ministerie van
        Economische Zaken.
Ministerie van Economische Zaken (2000a) De Digitale Delta: 3-Europe voorbij, Den Haag: Minis-
        terie van Economische Zaken.
Ministerie van Economische Zaken (2000b) Internationale ict-toests, Den Haag: Ministerie van
        Economische Zaken.
Ministeries van Economische Zaken en Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (2000) Concur-
        reren met ict-competenties: Kennis en Innovatie voor de Digitale Delta, Den Haag.
Ministeries van Economische Zaken, Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, Verkeer & Water-
        staat, Grotestedenbeleid, Financiën, Justitie (1999) De Digitale Delta: Nederland OnLine,
        Den Haag (http://info.minez.nl/pdfs/05r105.pdf).
Ministerie van Justitie, Website eu en nationale regeling auteursrecht.
Ministrie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (1997) Investeren in voorsprong, Den Haag.
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (1999) ‘Wie oogsten wil, moet zaaien.’
        Wetenschapsbudget 2000, Tweede Kamer, vergaderjaar 1998-1999, 26 658, nr. 1.
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (1999) Infodrome, kennis en informatie in
        een veranderende samenleving: schaarste in overvloed? Den Haag.
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (2000a) Hoger Onderwijs en Onderzoek-
        plan 2000, Den Haag.
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (2000b) Naar een open hoger onderwijs
        ‘Invoering van een bachelor-masterstructuur in het Nederlands hoger onderwijs, Den Haag.
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (2001) Voortgangsrapportage Wetenschaps-
        beleid 2002, Den Haag: Sdu Uitgevers.
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (2001a) ict-monitor 2000-2001, Den Haag.
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (2001b) Voortgangsrapportage Onderwijs
        OnLine 2001, Den Haag.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 239 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 240 ======================================================================

<pre>    va n oude e n nieu w e k e n nis
              Nationaal Archief i.o. (2001) Regeling geordende en toegankelijke staat archiefbescheiden, Den Haag.
              nblc (1991) Statuut Openbare bibliotheek, Den Haag.
              nblc (2000) Brief aan Kamercommissie bzk over nota Recht op Informatie, Den Haag.
              Net, C.B. van der (2000) Grenzen stellen op het internet, Leiden: Gouda Quint.
              Niet, M. de (2001) ‘De poort tot kennis in Europa’, Informatie Professional 5: 28-31.
              Nijkamp, P., in samenwerking met A.L. Bovenberg en L.L.G. Soete (2000) Kennis is kracht. Het
                        belang van goede kennisinfrastructuur in Nederland, notitie voor mocw.
              Nonaka, I. en H. Takeuchi (1995) The knowledge creating company, Oxford: Oxford University
                        Press.
              Noorderwier, Y. en W. Hermes (2000) ‘kb en Rijksmuseum maken Digitale Atlas Geschiedenis’,
                        Informatie Professional 4.
              Nooteboom, B. (2001) Stabiliteit en verandering in arbeid en organisatie, bijdrage aan de
                        bijeenkomst ‘Arbeid in beweging’, Amsterdam: knaw, 29 januari 2001.
              nwo/ew en ipn (2001) Nationale Onderzoeks Agenda Informatica, Den Haag.
              oeso (2001) The New Economy: Beyond the Hype, Final report on the oecd Growth Project, Paris:
                        oecd.
              Onliner, S.D. en D.E. Sichel (2000) ‘The resurgence of growth in the late 1990’s: is information
                        technology the story?’, Journal of Economic Perspectives, 14: 3-22.
              Pelkmans, J.L.M. (2001) ‘The gsm standard: explaining a success story’, Journal of European Public
236                     Policy, 8:3 Special Issue: 432-453.
              Petegem, W. van, P. Sloep, J. Gerrissen, D. Jansen en R. Schuwer (1999), Proceedings enable 99,
                        Esploo, Finland, september 1999.
              Pilot, A. (1999) ‘ict in het hoger onderwijs: trends in de usa, Tijdschrift voor Hoger Onderwijs:
                        307-315.
              Pilot, A., H. Frencken, M. van Geloven, S. Noorderwier en A. Paulissen (1999) ict in het
                        Amerikaanse Hoger Onderwijs: stand van zaken en trends tijdens de conferentie educause
                        ‘99, Utrecht: surf Educatie<F> (http://www.edusite.nl/educause.html)
              Polanyi, M. (1958) Personal knowledge. Towards a post-critical philosophy, Londen: Routledge and
                        Kegan Paul.
              Polanyi, M. (1967) The tacit dimension, London: Routledge and Keegan Paul.
              Popper, K. (1963) Conjectures and refutations: the growth of scientific knowledge, Londen: Rout-
                        ledge and Kegan Paul.
              Quaedvlieg, A.A. (2001) ‘Auteursrecht, tussen patronen van positief recht, beginselen en waar-
                        den’, RM Themis 5: 131- 146.
              Raad voor de Cultuur (2001a) Cyberpolis, toegang tot overheidsinformatie, Advies aan de minister
                        van oc&w, Den Haag.
              Raad voor de Cultuur (2001b) Grondrechten en digitale informatie, Advies aan de minister van
                        oc&w, Den Haag.
              Ramaekers, G. W. M., en T.G. Huijgen (2000) hbo Monitor 1999, De arbeidsmarktpositie van
                        afgestudeerden van het hoger beroepsonderwijs, Den Haag.
              Rathenau Instituut (2000) Digitale vaardigheden. Geletterdheid in de informatiesamenleving,
                        Werkdocument nr. 66, Den Haag.
              Reich, R. (1991) The Work of Nations: Preparing Ourselves for 21st Century Capitalism, New York:
                        Knopf.
              Reneman, R.S. (2001) Hoe wetenschappelijk is de universiteit? Jaarrede van de president van de
                        Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, Amsterdam: knaw.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 240 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 241 ======================================================================

<pre>                                                                                                      literatuur
Rheingold, H. (1993) The virtual community, Reading, Mass: Addison-Wesley.
roa De arbeidsmarkt naar opleiding en beroep tot 2004, Maastricht: roa.
Robinson, L. en D. Bawden (2001) ‘Libraries and open society; Popper, Soros and digital informa-
         tion’, Aslib Proceedings 53, 5.
Roelandt, Th. J. A., P. Donselaar, J. van Sinderen en J.P. Verbruggen (2000) ‘ez met emeritaat?’,
         blz. 143-160 in R.S.G. Lenderink, A.P. Ros en J. van Sinderen (red.) Langs lijnen van gelei-
         delijkheid: Aanbodeconomie en marktwerking in Nederland, Groningen: Wolters-Noord-
         hoff.
Rogers, R. (ed.) (2000) Preferred placement, Maastricht: Jan van Eyck akademie editions.
Sassen, S. (1999) Globalisering, Amsterdam: Van Gennep.
Scheele, D. (1999) Arbeid en vaardigheid: een literatuurstudie naar de veranderingen in arbeids-
         vaardigheden, wrr Werkdocument nr. W103), Den Haag.
Sent, E.-M. (1999) ‘Economics of science; survey and suggestions’, Journal of Economic Methodolo-
         gy 6: 95-12 4.
Sociaal-Economische Raad (ser) (1999) Hoger Onderwijs en Onderzoekplan 2000, Den Haag:
         Sociaal-Economische Raad.
Sociaal-Economische Raad (ser) (2001) Levensloopbanen: gevolgen van veranderende arbeidspa-
         tronen, Den Haag: Sociaal-Economische Raad (Commissie Sociaal-Economische
         Deskundigen).
Shapiro, C. en H. Varian (1999) De nieuwe economie. Een strategische gids voor de netwerkeconomie,               237
         Amsterdam: Uitgeverij Nieuwezijds.
Shapiro, C. en H. Varian (1999) Information rules. A strategic guide to the network economy, Boston
         (ma): Harvard Business School Press (Nl. editie: De nieuwe economie. Een strategische gids
         voor de netwerkeconomie, Amsterdam: Uitgeverij Nieuwezijds, 2000).
Shinn, T. (1999) ‘Change or mutation? Reflections on the foundation of contemporary science’,
         Social Science Information, 38: 149-176.
Sinderen, J. van (2000) ‘Clusters in beeld’, esb Dossier Clusters in Beeld, 85, 4283: 3.
Sinderen, J. van (2001) ‘Einde van de beleidseconomie?’, ESB, 86, 4325: 734-737.
Sligte, H.W., en J. Meijer (2002) ‘De problematiek van ict-innovatie in het basisonderwijs’ in
         M.C.E. van Dam-Mieras en W. M. de Jong (red.) (2002) Onderwijs voor een kennissamen-
         leving. De rol van ict nader bekeken, wrr Voorstudies en achtergronden V111, Den Haag:
         Sdu Uitgevers.
Smits, R. (2001), ‘Bibliotheken moeten commerciële verhuurder worden’, Bibliotheekblad 13: 26-27.
Soete, L.L.G. (red.) (2000) ict en de nieuwe economie. Preadviezen voor de Koninklijke Vereniging
         voor de Staathuishoudkunde, Utrecht: Lemma.
Solow, R.M. (1987) ‘We’d better watch out’, New York Times Book Review, July 12: 36.
Spence, A.M. (1974) Market signalling: Informational transfer in hiring and related screening
         processes, Cambridge (ma): Harvard University Press.
Stehr, N. (1994) Knowledge societies, Londen: Sage.
Steijn, B. (2001) Werken in de informatiesamenleving, Assen: Koninklijke Van Gorcum.
Stephan, P.E. (1996) ‘The economics of science’, Journal of Economic Literature, 34: 1199-1235.
Steyaert, J. (2001) Digitale vaardigheden.Geletterdheid in de informatiesamenleving, Den Haag:
         awt.
Stiglitz, J.E. (1975) ‘Incentives, risks, and information: notes towards a theory of hierarchy’, Bell
         Journal of Economics, 6: 552-579.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 241 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 242 ======================================================================

<pre>    va n oude e n nieu w e k e n nis
              Stiglitz, J.E. (1999) Public policy for a knowledge economy, Remarks at the Department for Trade
                        and Industry and Center for Economic Policy Research, London.
              Stuurgroep-Meijer (2000), Open poort tot kennis, advies aan oc&w, Den Haag: Sdu Uitgevers.
              surf (1998) ict schudden voor gebruik, surf meerjarenplan 1999-2002, Utrecht.
              Swierstra, T. (1998) De sofokratische verleiding, Kampen: Kok Agora.
              Teichler, U. (1999) ‘Research on the relationships between higher education and the world of work:
                        Past achievements, problems and new challenges’, Higher Education 38: 169-190.
              Theeuwes, J.J.M. (2000) Chips, bits en jobs, seo-rapport 555, Amsterdam: seo.
              Theeuwes, J.J.M. (2001) ‘Voorrang voor innovatie’, esb Dossier Informatiegoederen en Markt-
                        werking, 86: D8-D10.
              Theeuwes, J.M.M. (2000) Chips, bits en jobs, Infodrome (www.infodrome.nl).
              tno (2001), tno &Co, De praktijk van kennisontwikkeling met cofinanciering door bedrijven, Delft:
                        tno.
              Towse, R. (2001) ‘Sterker auteursrecht niet zinvol’, in esb Dossier Informatiegoederen en Markt-
                        werking, 86: D21-D22.
              Trommel, W. (1999) ict en nieuwe arbeidspatronen, Rathenau Instituut, Werkdocument 72,
                        Den Haag: Sdu Uitgeverij.
              Tweede Kamer (1996-1997) Kansen door synergie: de overheid en op innovatie gerichte cluster-
                        vorming in de marktsector, Tweede Kamer vergaderjaar 1996-1997, 25518, nr. 1.
238           Tweede Kamer (2000-2001) Kabinetsstandpunt Rapport commissie ‘Grondrechten in het digitale
                        tijdperk’, Lijst van vragen en antwoorden nr. 170, Tweede Kamer 2000- 2001, 27460 nr. 2.
              unesco, Manifest bibliotheken.
              Urban, T. (2000) Success criteria for e-learning organisations, Red Herring.
              Varian, H.R. (1998) ‘Markets for information goods’, paper University of California.
              Veen, H. (2000) ‘Van Boxtel wil scoren met ict in achterstandwijken’, Informatie Professional 4:
                        14-17.
              Veen, J.T. van der (2001) Telematic support for group-based learning, Enschede: Twente University.
              Vercoulen, F.J.H.M., en M. van Wegberg (2001) ‘Samenwerken via het Internet: zelforganisatie
                        door interactie in netwerken’, Tijdschrift voor Politieke Economie, 22: 91-110.
              Verhoeven, J. en K. de Wit (1999) ‘Hoger onderwijs en beleid in Europa’, Bestuurskunde 8: 346-
                        356.
              Verkenningscommissie ‘Kennis voor de netwerkeconomie’ (2001) Verlangen naar de eindeloze zee,
                        awt-Verkenningen, Den Haag: awt.
              Verkenningscommissie Economische Wetenschappen (1996) Kijk op economische kennis, Amster-
                        dam: Overlegcommissie Verkenningen.
              vng, ipo en oc&w (2001) Koepelconvenant herstructurering openbaar bibliotheekwerk, Den Haag.
              Warkentin, C. (2000) Reshaping World Politics, ngos, the Internet and Global Civil Society, New
                        York: Rowman and Littlefield.
              Webbink, D., en A. Paape (1997), De dynamische relatie tussen hoger onderwijs en arbeidsmarkt,
                        Den Haag: Ministerie van oc&w.
              Wellink, A.H.E.M. (2001) De Nieuw Economie: wat is er over na de hype?, speech 20 november
                        2001 voor de Brabants/Zeeuwse Werkgeversvereniging.
              Werkgroep Van Diepen (2000) Archieven in de etalage, Zoetermeer: Ministerie van oc&w.
              Westera, W., P.B. Slope, en J.F. Gerissen (2000) ‘The design of the virtual company: synergism of
                        learning and working in a networked environment’, in: Innovations in Education and Train-
                        ing International 37: 23-33.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 242 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 243 ======================================================================

<pre>                                                                                                   literatuur
Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (1995) Hoger onderwijs in fasen, Rapporten aan
         de regering nr. 47, Den Haag: Sdu Uitgeverij.
Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (2000a) Het borgen van publiek belang, Rap-
         porten aan de Regering nr.56, Den Haag: Sdu Uitgevers.
Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (2000b) Doorgroei van arbeidsparticipatie,
         Rapporten aan de regering nr. 57, Den Haag: Sdu Uitgeverij.
Wijnberg, N.M. (2001) ‘Reproductie: een muziekgeschiedenisles’, esb Dossier Informatie-
         goederen en Marktwerking, 86: D20.
Wilde, R. de (2001) De kenniscultus, Maastricht: Universitaire Pers Maastricht.
Wildman, P. (1998) ‘From the monophonic university to polyphonic multiversities’, Futures, 30:
         625-633.
Willink, B. (1988) Burgerlijk sciëntisme en wetenschappelijk toponderzoek. Sociale grondslagen van
         nationale bloeiperioden in de negentiende-eeuwse bêtawetenschappen, dissertatie UvA.
Winsemius, P., L. van Driel, F. Leijnse en K. Vuursteen (2001) Naar een nieuwe maatschap,
         Den Haag: Ministerie van Economische Zaken.
Winston, B. (1998) Media technology and society. A history: from the telegraph to the Internet,
         London/New York: Routledge and Keegan Paul.
Wolf, H. C. de (1998) ict in het hoger onderwijs, Alphen a/d Rijn: wtr/Surf/Samson.
Wolf,H. C. de (2000) Leren, opvoeden en onderwijs in de Netwerksamenleving, afscheidsrede Open
         Universiteit Nederland, Infodrome.                                                                   239
Wouters, P.F. (2000) Van ivoren toren naar agora, Amsterdam: Infodrome.
Zijl, A. H. van der, H.D. Sutphin, V. van den Ende en M.C.E. van Dam-Mieras (1998) ‘Collaborative
         learning, sustainability and information-and communication technology’, in Proceedings
         bite, Maastricht March: 25-27.
Zwart C. de (1998) ‘Amnesie in het cyberarchief’, Computable april 1998.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 243 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 244 ======================================================================

<pre>    va n oude e n nieu w e k e n nis
240
</pre>

====================================================================== Einde pagina 244 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 245 ======================================================================

<pre>                                                                                                rapporten aan de regering
   rapporten aan de regering
   Eerste raadsperiode (1972-1977)
 1 Europese Unie*
 2 Structuur van de Nederlandse economie*
 3 Energiebeleid
   Gebundeld in één publicatie (1974)*
 4 Milieubeleid (1974)*
 5 Bevolkingsgroei (1974)*
 6 De organisatie van het openbaar bestuur (1975)*
 7 Buitenlandse invloeden op Nederland: Internationale migratie (1976)*
 8 Buitenlandse invloeden op Nederland: Beschikbaarheid van wetenschappelijke en technische kennis (1976)*
 9 Commentaar op de Discussienota Sectorraden (1976)*
10 Commentaar op de nota Contouren van een toekomstig onderwijsbestel (1976)*
11 Overzicht externe adviesorganen van de centrale overheid (1976)*
12 Externe adviesorganen van de centrale overheid (1976)*
13 Maken wij er werk van? Verkenningen omtrent de verhouding tussen actieven en niet-actieven (1977)*
14 Interne adviesorganen van de centrale overheid (1977)*
15 De komende vijfentwintig jaar – Een toekomstverkenning voor Nederland (1977)*                                          241
16 Over sociale ongelijkheid – Een beleidsgerichte probleemverkenning (1977)*
   Tweede raadsperiode (1978-1982)
17 Etnische minderheden (1979)*
   A. Rapport aan de Regering
   B. Naar een algemeen etnisch minderhedenbeleid?
18 Plaats en toekomst van de Nederlandse industrie (1980)*
19 Beleidsgerichte toekomstverkenning
   Deel1: Een poging tot uitlokking (1980)*
20 Democratie en geweld. Probleemanalyse naar aanleiding van de gebeurtenissen in Amsterdam op 30 april 1980*
21 Vernieuwingen in het arbeidsbestel (1981)*
22 Herwaardering van welzijnsbeleid (1982)*
23 Onder invloed van Duitsland. Een onderzoek naar gevoeligheid en kwetsbaarheid in de betrekkingen tussen
   Nederland en de Bondsrepubliek (1982)*
24 Samenhangend mediabeleid (1982)*
 * Uitverkocht
</pre>

====================================================================== Einde pagina 245 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 246 ======================================================================

<pre>    va n oude en nieu w e k en nis
                               Derde raadsperiode (1983-1987)
                       25      Beleidsgerichte toekomstverkenning
                               Deel 2: Een verruiming van perspectief (1983)*
                       26      Waarborgen voor zekerheid. Een nieuw stelsel van sociale zekerheid in hoofdlijnen (1985)
                       27      Basisvorming in het onderwijs (1986)
                       28      De onvoltooide Europese integratie (1986)
                       29      Ruimte voor groei. Kansen en bedreigingen voor de Nederlandse economie in de komende tien jaar (1987)
                       30      Op maat van het midden- en kleinbedrijf (1987)
                               Deel 1: Rapport aan de Regering;
                               Deel 2: Pre-adviezen
                       31      Cultuur zonder grenzen (1987)*
                       32      De financiering van de Europese Gemeenschap. Een interimrapport (1987)
                       33      Activerend arbeidsmarktbeleid (1987)
                       34      Overheid en toekomstonderzoek. Een inventarisatie (1988)
                               Vierde raadsperiode (1988-1992)
                       35      Rechtshandhaving (1988)
                       36      Allochtonenbeleid (1989)
                       37      Van de stad en de rand (1990)
242                    38      Een werkend perspectief. Arbeidsparticipatie in de jaren ’90 (1990)
                       39      Technologie en overheid (1990)
                       40      De onderwijsverzorging in de toekomst (1991)
                       41      Milieubeleid. Strategie, instrumenten en handhaafbaarheid (1992)
                       42      Grond voor keuzen. Vier perspectieven voor de landelijke gebieden in de Europese Gemeenschap (1992)
                       43      Ouderen voor ouderen. Demografische ontwikkelingen en beleid (1993)
                               Vijfde raadsperiode (1993-1997)
                       44      Duurzame risico’s. Een blijvend gegeven (1994)
                       45      Belang en beleid. Naar een verantwoorde uitvoering van de werknemersverzekeringen (1994)
                       46      Besluiten over grote projecten (1994)
                       47      Hoger onderwijs in fasen (1995)
                       48      Stabiliteit en veiligheid in Europa. Het veranderende krachtenveld voor het buitenlands beleid (1995)
                       49      Orde in het binnenlands bestuur (1995)
                       50      Tweedeling in perspectief (1996)
                       51      Van verdelen naar verdienen. Afwegingen voor de sociale zekerheid in de 21e eeuw (1997)
                       52      Volksgezondheidszorg (1997)
                       53      Ruimtelijke-ontwikkelingspolitiek (1998)
                       54      Staat zonder land. Een verkenning van bestuurlijke gevolgen van informatie- en communicatietechnologie (1998)
</pre>

====================================================================== Einde pagina 246 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 247 ======================================================================

<pre>                                                                                                                         rapporten aan de regering
                    Zesde raadsperiode (1998-2002)
             55     Generatiebewust beleid (1999)
             56     Het borgen van publiek belang (2000)
             57     Doorgroei van arbeidsparticipatie (2000)
             58     Ontwikkelingsbeleid en goed bestuur (2001)
             59     Naar een Europabrede Unie (2001)
             60     Nederland als immigratiesamenleving (2001)
Rapporten aan de Regering en publicaties in de reeks Voorstudies en achtergronden zijn verkrijgbaar in de boekhandel of via Sdu
Servicecentrum Uitgeverijen, Plantijnstraat, Postbus 20014, 2500 EA ’s-Gravenhage, tel. 070-3789880, fax 070-3789783.
                                                                                                                                                   243
</pre>

====================================================================== Einde pagina 247 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 248 ======================================================================

<pre>    va n oude en nieu w e k en nis
                    voorstudies en achtergronden
                    Hieronder worden de publicaties uit de wrr-serie Voorstudies en achtergronden opgesomd vanaf de
                    vierde raadsperiode. Een volledig overzicht van de voorstudies is beschikbaar op de wrr-website
                    (http://www.wrr.nl) of aan te vragen bij het bureau van de wrr (070 - 356 46 25).
                    Vierde raadsperiode (1988-1992)
            V63     Milieu en groei. Verslag van een studiedag op 11 februari 1988 (1988)
            V64     De maatschappelijke gevolgen van erfelijkheidsonderzoek. Verslag van een conferentie op 16-17 juni 1988 (1988)
            V65     H.F.L. Garretsen, H. Raat (1989) Gezondheid in de vier grote steden
            V66     P. de Grauwe e.a. ( 1989) De Europese Monetaire Integratie: vier visies
            V67     Th. Roelandt, J. Veenman (1990) Allochtonen van school naar werk
            V68     W.H. Leeuwenburgh, P. van den Eeden (1990) Onderwijs in de vier grote steden
            V69     M.W. de Jong, P.A. de Ruijter (red.) (1990) Logistiek, infrastructuur en de grote stad
            V70     C.A. Bartels, E.J.J. Roos (1990) Sociaal-economische vernieuwing in grootstedelijke gebieden
            V71     W.J. Dercksen (ed.) (1990) The Future of Industrial Relations in Europe. Proceedings of a conference in honour of
                    prof. W. Albeda
            V72     Sociaal-economische gezondheidsverschillen en beleid; preadviezen (1991)
            V73     F.J.P.M. Hoefnagel (1992) Cultuurpolitiek: het mogen en moeten
244         V74     K.W.H. van Beek, B.M.S. van Praag (1992) Kiezen uit sollicitanten. Concurrentie tussen werkzoekenden zonder baan
            V75     Jeugd in ontwikkeling. Wetenschappelijke inzichten en overheidsbeleid (1992)
            V76     A.M.J. Kreukels, W.G.M. Salet (ed.) (1992) Debating institutions and Cities. Proceedings of the Anglo Dutch
                    Conference on Urban Regeneration
            V77     H.R. van Gunsteren en P. den Hoed (1992) Burgerschap in praktijken
            V78     F. Bletz, W. Dercksen and K. van Paridon (ed.) (1993) Shaping Factors for the Business Environment in the
                    Netherlands after 1992
            V79     N.T. Bischoff, R.H.G. Jongman (1993) Development of Rural Areas in Europe. The Claim for Nature
            V80     Verslag en evaluatie van de vierde raadsperiode (1993)
            V81     F.J.P.M. Hoefnagel m.m.v. H.G.M. Hendriks en M.D. Verdaasdonk (1993) Het Duitse Cultuurbeleid in Europa
                    Vijfde raadsperiode (1993-1997)
            V82     W.J. Dercksen e.a. (1993) Beroepswijs onderwijs. Ontwikkelingen en dilemma’s in de aansluiting van onderwijs en
                    arbeid
            V83     W.G.M. Salet (1994) Om recht en staat. Een sociologische verkenning van sociale, politieke en rechtsbetrekkingen
            V84     J.M. Bekkering (1994) Private verzekering van sociale risico’s
            V85     C. Lambers, D.A. Lubach, M. Scheltema (1994) Versnelling juridische procedures grote projecten
            V86     cshob (1995) Aspecten van hoger onderwijs. Een internationale inventarisatie
            V87     T. van der Meij e.a. (1995) Ontwikkelingen in de natuur. Visies op de levende natuur in de wereld en scenario’s
                    voor het behoud daarvan
            V88     L. Hagendoorn e.a. (1995) Etnische verhoudingen in Midden- en Oost-Europa
            V89     H.C. Posthumus Meyjes, A. Szász, Christoph Bertram, W.F. van Eekelen (1995) Een gedifferentieerd Europa
            V90     J. Rupnik e.a. (1995) Challenges in the East
            V91     J.P.H. Donner (rapporteur) (1995) Europa, wat nu?
            V92     R.M.A. Jansweijer (1996) Gouden bergen, diepe dalen: de inkomensgevolgen van een betaalbare
                    oudedagsvoorziening
            V93     W. Derksen, W.A.M. Salet (red.) (1996) Bouwen aan het binnenlands bestuur
</pre>

====================================================================== Einde pagina 248 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 249 ======================================================================

<pre>                                                                                     voorstudies en achtergronden
 V94 seo/Intomart (1996) Start-, slaag- en faalkansen van hoger opgeleide startende ondernemers
 V95 L.J. Gunning-Schepers, G.J. Kronjee and R.A. Spasoff (eds.) (1996) Fundamental Questions about the Future of
     Health Care
 V96 H.B.G. Ganzeboom en W.C. Ultee (red.) (1996) De sociale segmentatie van Nederland in 2015
 V97 J.C.I. de Pree (1997) Grenzen aan verandering. De verhouding tussen reorganisatie en structuurprincipes van het
     binnenlands bestuur
 V98 M.F. Gelok en W.M. de Jong (1997) Volatilisering in de economie
 V99 A.H. Kleinknecht, R.H. Oostendorp, M.P. Pradhan (1997) Patronen en economische effecten van flexibiliteit in de
     Nederlandse arbeidsverhoudingen
V100 J.P.H. Donner (1998) Staat in beweging
V101 W.J. Vermeulen, J.F.M. van der Waal, H. Ernste, P. Glasbergen (1997) Duurzaamheid als uitdaging. De afweging van
     ecologische en maatschappelijke risico’s in confrontatie en dialoog
V102 W. Zonneveld en A. Faludi (1998) Europese integratie en de Nederlandse ruimtelijke ordening
V103 Verslag en evaluatie van de vijfde raadsperiode (1998)
     Zesde raadsperiode (1998-2002)
V104 Krijn van Beek (1998) De ondernemende samenleving. Een verkenning van maatschappelijke verandering en
     implicaties voor beleid
V105 W. Derksen et al. (1999) Over publieke en private verantwoordelijkheden                                          245
V106 Henk C. van Latesteijn (1999) Land use in Europe. A methodology for policy-oriented future studies
V107 Aart C. Liefbroer en Pearl A. Dykstra (2000) Levenslopen in verandering. Een studie naar ontwikkelingen in de
     levenslopen van Nederlanders geboren tussen 1900 en 1970
V108 Bart Wissink (2000) Ontworpen en ontstaan. Een praktijktheoretische analyse van het debat over het provinciale
     omgevingsbeleid
V109 H. Mommaas, m.m.v. W. Knulst en M. van den Heuvel (2000) De vrijetijdsindustrie in stad en land. Een studie naar
     de markt van belevenissen
     Overige publicaties
     Voor de eenheid van beleid. Beschouwingen ter gelegenheid van vijftig jaar Ministerie van Algemene Zaken (1987)
     Eigentijds burgerschap. wrr-publicatie onder leiding van H.R. van Gunsteren (1992)
     Mosterd bij de maaltijd. 20/25 jaar wrr (1997)
</pre>

====================================================================== Einde pagina 249 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 250 ======================================================================

<pre>    va n oude en nieu w e k en nis
246
</pre>

====================================================================== Einde pagina 250 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 251 ======================================================================

<pre>                     Plein 1813 nrs. 2 en 4, Postbus 20004, 2500 ea Den Haag
telefoon (070) 356 46 00, website http://www.wrr.nl
</pre>

====================================================================== Einde pagina 251 =================================================================

<br><br>