<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>RAPPORTEN AAN DE REGERING

</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid werd in voorlopige vorm
ingesteld in 1972. Bij wet van 30 juni 1976 (Stb. 413) is de positie van de raad
definitief geregeld. De huidige zittingsperiode loopt tot 31 december 2002.
Ingevolge de wet heeft de raad tot taak ten behoeve van het regeringsbeleid
wetenschappelijke informatie te verschaffen over ontwikkelingen die op langere
termijn de samenleving kunnen beïnvloeden. De raad wordt geacht daarbij tijdig
te wijzen op tegenstrijdigheden en te verwachten knelpunten en zich te richten
op het formuleren van probleemstellingen ten aanzien van de grote beleidsvraag-
stukken, alsmede op het aangeven van beleidsalternatieven.
Volgens de wet stelt de wrr zijn eigen werkprogramma vast, na overleg met de
minister-president die hiertoe de Raad van Ministers hoort.
De samenstelling van de raad is (tot 31 december 2002):
prof.mr. M. Scheltema (voorzitter)
prof.dr.ir. J. Bouma
prof.dr. F.A.G. den Butter
prof.dr. M.C.E. van Dam-Mieras
prof.dr. G.A. van der Knaap
prof.dr. P.L. Meurs
prof.dr. J.L.M. Pelkmans
prof.dr.mr. C.J.M. Schuyt
Secretaris: prof.dr. J. van Sinderen
De wrr is gevestigd:
Plein 1813, nr. 2-4
Postbus 20004
2500 EA ’s-Gravenhage
Telefoon 070-356 46 00
Telefax 070-356 46 85
E-mail info@wrr.nl
Website http://www.wrr.nl
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>                                    WE TEN S CHAP P ELI JKE RA AD VOOR HE T RE GER I NG SBELEI D
rapporten aan de regering
                                                                                           66
                          nederland handelsland
                          het perspectief van de
                          transactiekosten
                                Sdu Uitgevers, Den Haag, 2003
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>isbn 90-12-098 122</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>UWRR

WETENSCHMAPFELIMKH BAAD VOOK HET LEC ERINCSHELEID

Adan de Minister-P resident
Minisher van Aigemene faker
De heer mir. dr. J.P. Baicenende
Postbus 2001

2500 EA Den Haag

ons kenmerk doorkbesnu miner telefax

20030 10/msyal 070-755 4690 ffei56 4685
ondenvip Email datum
Raapart nr. 66 infoGrear.ol 20 janueel 2003

Hierbij renden wij u het rapport "Nederland handelsland: het perspectlel ven de
transactiekosten’.

Nederfand is van oudsher een handeband. De bulteniandse handel vonmt een belangrijke
drijvende kracht voor de economische ontwikkeling, Het staat echter niet vast dat Medertand in
de tockomst zijn sterke handelspositie zal weten te handhaven. Als gavolg van de

van mondialisering en informatisering deen zich belangrijke veranderingen voor
in de wijre ven handeldrijven. DR rapport analyseert de gevolgen hiervan voor de positie van
Nederland als handelsnatic. Hierbij wordt de internationale handel bezien vanuit het perspectief
van de trensectlekostentheorie. In deze benadering ligt de nadruk niet op het produceren van
concurrerende goederen en diensten, maar op de kesten van het handeldrijven zelf. Zonder af
te willen doen aan het belang van de meer traditionele benadering van de handel, wil de raad
hiennee meer licht werpen op een aspect van de Intemationale handel dat wiak onderbeticht

blir.

oir eialtie nib hsro al awh enetgrngwor hate emechaepre acinar
voor de omvang van de handel. Voortzetting van de Nederlandse handelstraditie betexent

pnb tn di esther dolled -cialipeprag ico pany irl
onderkennen, De kansen en uldagingen die een verdere mondiaieering en informatisering
ibieden, impliceren dat ook het handeisbeleid met zijn tiid moet meegaan. Tegen deze
achtergrond, en vanuit het perspectef van de transactiekosien, wil de raed aangeven welke
aspecten van het beleid speciale aandacht verdienen. Omdat dit een nheuwe on nekatlet
onontgonnen benadering is hebben de beleidsaanbevelingen van de raad een globaal en
aanvullend karakter,

Volgens de procedure van de Instellingswet wer ziet de raad grag de bevindingen van de
minkterraad tegemnoet.

Be woorzitter, De secretaris,
a 3
prdfamr. M4. Scheltema profdr, J, van Sinderen
Plein (Arg ors aen4, Peete soeeng, Spo0 1A Dem Haag

Leiden Pozo) pg gt on, webeine bogs aweerrenl
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>4</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>                                                                                 inhoudsopgave
inhoudsopgave
Samenvatting                                                                       9
Ten geleide                                                                       17
1      Inleiding                                                                 19
1.1    Inleiding                                                                 19
1.2    Probleemstelling                                                          20
1.3    De transactiekostenbenadering als invalshoek van het rapport               21
1.4    Doel van het rapport                                                      24
1.5    De inhoud van dit rapport                                                 25
2      De positie van Nederland als handelsland                                   31
2.1    Inleiding                                                                  31
2.2    Een beknopte geschiedenis van de Nederlandse handel                        31
2.3    Oriëntatie en samenstelling van de Nederlandse handel                     38
       2.3.1       De geografische oriëntatie van de buitenlandse handelsstromen 38
       2.3.2       De samenstelling van het Nederlandse invoer- en uitvoerpakket 40
2.4    Nederland als distributiecentrum: het belang van de wederuitvoer          43            5
2.5    De rol van multinationals in de Nederlandse handel                        49
2.6    Werkgelegenheid en handel                                                 58
2.7    Conclusie                                                                 60
3      Theorie en empirie van de internationale handel                           63
3.1    Inleiding                                                                 63
3.2    Theorieën van de internationale handel                                    63
       3.2.1       Het (neo)klassieke model: comparatieve voordelen              63
       3.2.2       De nieuwe handelstheorie: schaalvoordelen                     65
       3.2.3       Handel in diensten                                            66
       3.2.4       Handelsbeleid                                                 67
3.3    Empirisch onderzoek naar handelsstromen                                   69
       3.3.1       Het standaardmodel                                            69
       3.3.2       De nieuwe handelstheorie                                      70
       3.3.3       Gravitatievergelijkingen                                       71
       3.3.4       Conclusie                                                      72
3.4    Verklaring van de Nederlandse handelspositie                               73
       3.4.1       De samenstelling van de Nederlandse handel                     73
       3.4.2       De omvang van de Nederlandse handel                           76
3.5    Conclusie                                                                 77
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>  neder l a nd h a ndel sl a nd
  4           Welvaart, instituties en transactiekosten                                     81
  4.1         Inleiding                                                                     81
  4.2         De economische rol van instituties                                            82
              4.2.1             Informele en formele spelregels                            84
              4.2.2             Transactiekosten                                           86
              4.2.3             De juiste prijs                                             87
  4.3         De kosten en opbrengsten van handeldrijven                                   88
  4.4         Conclusie                                                                    90
  5           De stille kracht van de handel – de rol van organisaties en instituties      93
  5.1         Inleiding                                                                    93
  5.2         Netwerken                                                                    97
              5.2.1             Inleiding                                                  97
              5.2.2             Netwerken en transactiekosten                              97
              5.2.3             Twee soorten vertrouwen                                  100
              5.2.4             Netwerkvorming en vertrouwen                             103
              5.2.5             Inbeddingsproblemen bij netwerkvorming                   105
              5.2.6             Handel en vertrouwen: een empirische verkenning          107
  5.3         Intermediairs                                                                113
6             5.3.1             Inleiding                                                  113
              5.3.2             De theorie van intermediairs                               113
              5.3.3             Makelaars en koopmannen                                   116
              5.3.4             Hybride handelaren                                        118
              5.3.5             Financiële intermediairs                                 120
              5.3.6             Informatiemakelaars                                       123
  5.4         Multinationals                                                              126
              5.4.1             Inleiding                                                126
              5.4.2             De theorie van de multinationale onderneming              127
              5.4.3             Empirie                                                   136
              5.4.4             De bijdrage van multinationals aan de Nederlandse handel 142
  5.5         Spelregels en arbiters voor de internationale handel                       146
  5.6         Conclusie                                                                  150
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>                                                                                  inhoudsopgave
6       Kansen en bedreigingen voor de Nederlandse handel: mondialisering
        en informatisering                                                       155
6.1     Inleiding                                                                155
6.2     Mondialisering                                                           156
        6.2.1       Drie dimensies van mondialisering                            157
        6.2.2       Kanttekeningen bij het verschijnsel mondialisering           159
        6.2.3       Mondialisering en transactiekosten                           162
        6.2.4       Gevolgen van de mondialisering                              164
        6.2.5       Mondialisering en de rol van netwerken, intermediairs,
                    multinationals en instituties                               166
        6.2.6       Kansen en bedreigingen voor de Nederlandse handel           169
        6.2.7       Mondialisering en het Nederlandse handelsbeleid              173
6.3     Informatisering en internationale handel                                 175
        6.3.1       Inleiding                                                    175
        6.3.2       Kernbegrippen en slagingsvoorwaarden                        176
        6.3.3       Informatisering en transactiekosten                         179
        6.3.4       Feitelijke ontwikkelingen                                   180
        6.3.5       Verwachte gevolgen in de relaties tussen de economische
                    actoren                                                      185
        6.3.6       Juridische randvoorwaarden                                  190             7
        6.3.7       Een beleidsredenering ten aanzien van de kansen en
                    bedreigingen                                                 191
        6.3.8       Conclusie en de gevolgen voor netwerken, intermediairs,
                    multinationals en instituties                               196
6.4     Conclusie                                                                197
7       Conclusies en aanbevelingen                                             203
7.1     Inleiding                                                               203
7.2     Het transactiekostenperspectief op de handel                            203
7.3     Uitgangspunten voor het overheidsbeleid                                 209
7.4     Het handelsbeleid bezien in het licht van de transactiekostenbenadering  211
7.5     De toekomst van het handelsbeleid: mondialisering                        213
        7.5.1       Analyse                                                      213
        7.5.2       Beleidsaanbevelingen                                         215
7.6     De toekomst van het handelsbeleid: informatisering                       221
        7.6.1       Analyse                                                      221
        7.6.2       Beleidsaanbevelingen                                         222
7.7     Samenvatting                                                            226
Literatuur                                                                       227
Bijlage 1: Welvaartsvoordelen van een vermindering van transactiekosten
           in de handel                                                         239
Bijlage 2: Het Nederlandse buitenlandse economische beleid                      245
Bijlage 3: Afleiding van de relatieve handelsprestatie van Nederland            247
Bijlage 4: Verklarende woordenlijst                                             249
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>  neder l a nd h a ndel sl a nd
8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>                                                                                   samenvatting
samenvatting
Nederland is al eeuwenlang een vooraanstaand handelsland. Hoewel Nederland
niet meer de dominante positie inneemt die het in de zeventiende en achttiende
eeuw had, heeft het toch nog altijd een relatief sterke handelspositie. Met een
kwart procent van de wereldbevolking en iets minder dan 1 procent van de
mondiale productie neemt Nederland 3,2 procent van de wereldhandel voor zijn
rekening. Dat is bijna viermaal zoveel als men louter op grond van de omvang van
de economie zou verwachten.
De buitenlandse handel is voor Nederland dan ook van grote economische
betekenis: de waarde van de Nederlandse invoer en uitvoer bedraagt ongeveer de
helft van het bruto binnenlands product. De internationale handel vormt een
belangrijke motor voor de economische groei en, als men ook de binnenlandse
handel meetelt en een ruime definitie hanteert, is meer dan een kwart van de
beroepsbevolking werkzaam in handelsactiviteiten.
Dit rapport tracht de vraag te beantwoorden of Nederland ook in de toekomst
zijn positie als vooraanstaande handelsnatie zal weten te behouden en aan welke                 9
voorwaarden daarvoor moet worden voldaan. De reden om deze vraag nu te
stellen is niet gelegen in de – waarschijnlijk tijdelijke – teruggang in de Neder-
landse export ten gevolge van de conjuncturele neergang of in de verslechtering
van de concurrentiepositie als gevolg van oplopende loonkosten. De reden is wel
gelegen in twee structurele ontwikkelingen die op langere termijn ingrijpende
gevolgen kunnen hebben voor de wereldhandel en voor de positie van Nederland
als handelsnatie: de mondialisering en de informatisering. Deze ontwikkelingen
kunnen ongunstig voor Nederland uitpakken, maar kunnen evengoed kansen
creëren.
De mondialisering komt onder meer tot uitdrukking in de komst van nieuwe
spelers in de internationale handel, zoals de landen in Zuidoost-Azië, waardoor
de concurrentie voor Nederlandse handelaren toeneemt. Tegelijkertijd biedt de
mondialisering voor Nederlandse handelaren mogelijkheden om nieuwe markten
te betreden en daarmee de handelsrelaties uit te breiden.
De informatisering – de opmars van nieuwe informatie- en communicatietech-
nologieën (ict) – kan de kosten van communicatie over grote afstanden sterk
verlagen. Dit biedt enerzijds grote mogelijkheden om (handels)relaties aan te
gaan die nu nog worden verhinderd door te hoge informatie- en communicatie-
kosten. Het kan anderzijds echter ook tot gevolg hebben dat er in de internatio-
nale handel minder behoefte is aan bemiddeling door intermediairs, een activiteit
waarin Nederland nu juist een vooraanstaande positie inneemt. Hiervan zou een
bedreiging voor de Nederlandse handelspositie kunnen uitgaan.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>   neder l a nd h a ndel sl a nd
               De centrale probleemstelling van dit rapport luidt: op welke wijze kan Nederland
               de kansen die de mondialisering en de informatisering bieden, benutten voor een
               verdere bijdrage van de buitenlandse handel aan de welvaart, en hoe kan worden
               voorkomen dat de bedreigingen die van deze ontwikkelingen kunnen uitgaan, een
               ongunstige uitwerking hebben op de positie van Nederland als handelsnatie?
               De kern van dit rappor t
               Dit rapport benadert de internationale handel vanuit het perspectief van de trans-
               actiekostentheorie. In de traditionele economische benadering wordt internatio-
               nale handel gezien als het resultaat van verschillen tussen landen in de kosten
               van de productie van te verhandelen goederen en diensten. Landen specialiseren
               zich volgens die benadering in de export van die producten die zij relatief goed-
               koop kunnen aanbieden, doordat zij beschikken over comparatieve voordelen in
               de productie daarvan. In de transactiekostentheorie wordt de aandacht gericht op
               het feit dat ook het verhandelen van goederen en diensten, los van de productie,
               kosten met zich meebrengt. Deze transactiekosten bestaan onder meer uit de
               kosten om een geschikte handelspartner in een ander land te vinden, de kosten
               van het onderhandelen over en afsluiten van een contract, de kosten van het
               controleren van de naleving van het contract en het opleggen van sancties indien
10             de afspraken worden geschonden. Maar ook de investeringen in kennis over de
               zeden en gewoonten in andere landen, het leren van vreemde talen, het opbou-
               wen van een handelsnetwerk of rechtssysteem of het instellen van een arbitrage-
               instituut, die mede tot doel hebben om de directe kosten die aan een transactie
               verbonden zijn te verlagen, behoren tot de transactiekosten.
               De transactiekosten van buitenlandse handel kunnen dusdanig hoog zijn dat een
               op zichzelf profijtelijke handelsrelatie niet totstandkomt. Een sterke handelsposi-
               tie, zo luidt in een zin samengevat de boodschap van dit rapport, vereist naast het
               kunnen voortbrengen van concurrerende goederen en diensten, evenzeer het
               vermogen de transactiekosten van de handel dusdanig laag te houden dat het
               loont om een handelstransactie tot stand te brengen. De wrr beoogt met dit
               rapport, in lijn met zijn opdracht, nieuwe wetenschappelijke inzichten onder de
               aandacht van beleidsmakers te brengen en tijdig contextveranderingen te signale-
               ren die op langere termijn belangrijke gevolgen kunnen hebben voor het beleid.
               Constanten in de Nederlandse handel
               Hoofdstuk 2 schetst in vogelvlucht de ontwikkeling van de Nederlandse handel
               in de afgelopen vijf eeuwen. Ondanks de grote veranderingen die zich hebben
               voorgedaan, kan een vijftal constanten in de Nederlandse handel worden vastge-
               steld. Een eerste constante is de sterke afhankelijkheid van de Nederlandse handel
               van internationale ontwikkelingen, zoals conjunctuurbewegingen, oorlogen en
               protectionisme. Een tweede constante van de Nederlandse handel is de sterke
               oriëntatie op Europa. Momenteel is bijna tweederde van de Nederlandse invoer
               afkomstig uit een Europees land en heeft 85 procent van de uitvoer een Europees
               land als bestemming. Een derde constante, die nauw met de vorige samenhangt,
               is de positie van Nederland als stapelmarkt, als distributiecentrum voor Europa.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>                                                                                  samenvatting
Al eeuwenlang bestaat bijna de helft van de Nederlandse uitvoer uit goederen die
elders zijn geproduceerd en worden doorgevoerd naar andere Europese landen.
Een vierde constante is de grote rol van multinationale ondernemingen in de
handel. Meer dan tweederde van de buitenlandse handel van Nederland komt
voor rekening van (Nederlandse en buitenlandse) multinationals. Een vijfde
constante is het relatief grote aandeel van landbouwproducten en voedingsmid-
delen in het Nederlandse exportpakket. Weliswaar is dit aandeel gestaag terugge-
lopen tot eenvijfde van de totale uitvoer, maar toch is dit aandeel nog altijd
opvallend groot in vergelijking met het belang van deze sectoren voor de Neder-
landse economie.
De traditionele handelstheorie en de ‘ontbrekende’ handel
De traditionele, neoklassieke handelstheorie, waarin sprake is van ‘frictieloze’
transacties, biedt slechts beperkt houvast om de wereldwijde handelsstromen en
de specifieke kenmerken van de Nederlandse handel te verklaren, zo wordt
uiteengezet in hoofdstuk 3. De samenstelling van het Nederlandse invoer- en
uitvoerpakket kan slechts voor een klein deel worden verklaard uit de beschik-
baarheid van hulpbronnen (zoals grondstoffen en land), het opleidingsniveau en
het niveau van technologische ontwikkeling. De traditionele leer van de interna-
tionale handel ‘voorspelt’ veel grotere handelsstromen tussen landen dan feitelijk             11
worden waargenomen. Blijkbaar zijn er grote belemmeringen voor het totstand-
komen van handelsrelaties die in beginsel voor alle deelnemende partijen profij-
telijk zouden kunnen zijn.
Het belang van transactiekosten in de handel
Hoofdstuk 4 zoekt een verklaring voor dit verschijnsel in het bestaan van trans-
actiekosten. Transactiekosten omvatten de kosten van het handelen zelf en de
investeringen in ‘handelskapitaal’, die het gemakkelijker en goedkoper maken om
handelstransacties tot stand te brengen. Voorbeelden hiervan zijn het leren van
een vreemde taal, het vergaren van kennis over buitenlands (handels)recht en het
ontwikkelen van een ook voor buitenlanders doorzichtig rechtsstelsel.
Een verlaging van de transactiekosten van de buitenlandse handel kan aanzien-
lijke welvaartsvoordelen opleveren. Enerzijds maakt zij bestaande handelstrans-
acties goedkoper. Anderzijds kan zij ertoe leiden dat er nieuwe transacties
totstandkomen die anders, bij hogere transactiekosten, niet rendabel zouden zijn.
Lagere transactiekosten dragen daardoor bij aan verdere specialisatie en arbeids-
deling, die belangrijke bronnen van welvaart zijn.
De rol van netwerken, intermediairs, multinationals en instituties
Organisaties en instituties zijn van grote invloed op de hoogte van de transactie-
kosten in de internationale handel, zo wordt in hoofdstuk 5 uiteengezet.
Handelsnetwerken spelen een belangrijke rol bij het verminderen van vertrou-
wensproblemen die handelaren ervaren wanneer zij een handelsrelatie willen
aangaan. Verschillende soorten intermediairs, zoals makelaars, handelshuizen en
banken, brengen aanbieders en vragers van producten in verschillende landen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>   neder l a nd h a ndel sl a nd
               met elkaar in contact door zich te specialiseren in het verzamelen van informatie
               of het spreiden van risico’s. Multinationale ondernemingen leveren een belang-
               rijke bijdrage aan het verlagen van transactiekosten doordat zij markttransacties
               internaliseren en ten dele overbodig maken. Ongeveer 40 procent van de Neder-
               landse invoer en uitvoer bestaat uit leveringen tussen vestigingen van hetzelfde
               bedrijf in verschillende landen.
               Behalve deze organisaties oefenen ook de bestaande instituties een sterke invloed
               uit op de transactiekosten waarmee handelstransacties gepaard gaan. Zo kan een
               goed functionerend en doorzichtig rechtssysteem een belangrijke basis vormen
               voor het aangaan van een handelsrelatie. Ook internationale arbitrage-instituten
               spelen in de internationale handel een belangrijke rol.
               Mondialisering en informatisering
               Hoofdstuk 6 gaat nader in op de gevolgen van de mondialisering en de informa-
               tisering voor de Nederlandse handelspositie.
               Mondialisering in economische zin is de toename van grensoverschrijdende acti-
               viteiten waardoor nationale economieën steeds meer geïntegreerd raken in de
12             wereldeconomie. Dit proces komt onder meer tot uitdrukking in de sterke groei
               van de internationale handel in goederen, diensten en kapitaal. Het aandeel van
               de wereldhandel in goederen en diensten in de wereldproductie groeide van
               ongeveer 10 procent in 1985 naar bijna 15 procent in 2000. Het aandeel van de
               buitenlandse investeringen (handel in kapitaal) in het wereld-bbp groeide zelfs
               van minder dan 4 procent in 1985 naar 14 procent in 2000.
               De mondialisering schept voor Nederland nieuwe kansen, maar kan ook een
               bedreiging zijn. De kansen vloeien voort uit de te verwachten verdere groei van
               de wereldhandel en de mogelijkheid om nieuwe markten bloot te leggen.
               Hierbij gaat het overigens niet alleen om potentiële afzetmarkten, maar ook om
               toeleveringsmarkten. Als belangrijk distributiecentrum heeft Nederland er
               namelijk ook belang bij om de uitvoer van opkomende economieën naar
               (West-)Europa via Nederland te laten verlopen. De mondialisering zou voor de
               Nederlandse handelspositie een bedreiging kunnen vormen doordat er nieuwe
               concurrenten ten tonele verschijnen, waardoor het denkbaar is dat Nederland
               terrein moet prijsgeven aan andere landen.
               Naarmate de formele handelsbelemmeringen (zoals tarieven en quota) voor de
               internationale handel afnemen, worden informele belemmeringen (zoals
               vertrouwensproblemen als gevolg van taal- en cultuurverschillen) belangrijker.
               Nederlandse handelaren lijken er relatief goed in te zijn om deze informele
               handelsbelemmeringen te overwinnen. Hierin lijken dan ook de belangrijkste
               kansen voor Nederland gelegen om ook in de toekomst zijn positie in de wereld-
               handel in stand te houden.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>                                                                                  samenvatting
De verwachtingen ten aanzien van de gevolgen van ict voor de handel lopen
sterk uiteen. Dit rapport gaat uit van de verwachting dat zich op korte termijn
geen radicale veranderingen zullen voordoen, maar dat op langere termijn de
gevolgen voor de wijze van handeldrijven verstrekkend kunnen zijn. De elektro-
nische handel, bijvoorbeeld via het internet, zal naar verwachting de traditionele
fysieke handel niet verdringen, maar zal daarop vooral een aanvulling zijn.
Handelsovereenkomsten via het internet dienen bijna altijd te worden aangevuld
met fysieke handel, bijvoorbeeld om de bestelde goederen ter bestemde plekke te
brengen (tenzij het om digitale producten als software en informatie gaat).
Ook het toekomstbeeld van een volkomen frictieloze directe handel tussen
producent en consument, zonder tussenkomst van intermediairs, is weinig
realistisch. De rol van intermediairs is nog allerminst uitgespeeld. De meeste
redenen waarom intermediairs in de fysieke handel een belangrijke rol spelen,
gelden evenzeer voor de elektronische handel. Er is geen reden om te verwachten
dat intermediairs in de internationale handel sterk aan belang zullen inboeten,
maar zij zullen hun functie deels wel op een andere manier gaan vervullen.
De uitgangspositie van Nederland met betrekking tot de toepassing van ict in de
internationale handel is niet slecht. Nederland bevindt zich momenteel in de                   13
mondiale kopgroep – en binnen de oecd in de subtop – als het gaat om de
verspreiding van ict.
Herbeoordeling van het handelsbeleid
Wat is, in het licht van de analyse van de buitenlandse handel vanuit het trans-
actiekostenperspectief, de gewenste rol van de overheid bij het stimuleren van de
handel? Hoofdstuk 7 tracht hierop een antwoord te geven.
Evenals op andere terreinen van economische politiek is er ook ten aanzien van
de handel alleen een rol voor de overheid weggelegd indien er sprake is van
marktfalen. Dat wil zeggen dat de markt, indien deze niet op enigerlei wijze
wordt gecorrigeerd of gereguleerd, suboptimale uitkomsten oplevert. Bij over-
heidsoptreden dient men steeds na te gaan of de negatieve gevolgen van eventu-
eel overheidsfalen niet groter zijn dan de kosten van marktfalen die men tracht te
verminderen.
Het handelsbeleid in ruime zin valt in drie onderdelen uiteen: (1) (vrij)handels-
beleid, (2) vestigings- en investeringsbeleid en (3) informatieverstrekking,
bemiddeling en ondersteuning. Het vrijhandelsbeleid is gericht op het verminde-
ren van formele belemmeringen voor de internationale handel. Het vestigings-
en investeringsbeleid kan bijdragen aan versterking van de comparatieve voor-
delen van ons land. Informatieverstrekking, bemiddeling en ondersteuning zijn
bedoeld om het opzetten en onderhouden van handelsrelaties met andere landen
te vergemakkelijken.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>   neder l a nd h a ndel sl a nd
               De transactiekostenbenadering werpt geen geheel nieuw licht op deze drie
               vormen van beleid, maar kan wel aanleiding zijn om in het beleid andere accenten
               te zetten. Een goed vestigings- en investeringsklimaat is vanuit het transactie-
               kostenperspectief niet alleen belangrijk om de productieactiviteiten van onderne-
               mingen te stimuleren, maar ook om de vestiging van bedrijven die primair een
               handelsfunctie hebben, aan te moedigen, aangezien deze een bijdrage leveren aan
               de verlaging van de transactiekosten van de internationale handel. Het gaat hier-
               bij met name om multinationals die de kosten van transacties op de markt
               kunnen verminderen door deze te internaliseren.
               Bij de factoren die van invloed zijn op het vestigings- en investeringsklimaat
               dient men niet alleen te denken aan zaken als de fysieke infrastructuur en een
               gunstig belastingklimaat, maar ook aan de sociale en culturele infrastructuur.
               Vanwege het belang van informele belemmeringen voor de handel, zijn juist ook
               publieke goederen als onderwijs en gezondheidszorg, veiligheid, een deugdelijk
               rechtssysteem en culturele voorzieningen van belang om multinationals naar
               Nederland te lokken.
               Het transactiekostenperspectief biedt een nieuwe theoretische onderbouwing
14             voor het beleid van voorlichting, bemiddeling en ondersteuning.
               Potentieel rendabele handelstransacties komen vaak niet tot stand door een
               gebrek aan kennis van en vertrouwen tussen de handelspartijen.
               Voorzieningen die hieraan kunnen bijdragen, zoals informatievoorziening en
               voorlichting, hebben veelal een publiekgoedkarakter, waardoor hier een taak
               voor de overheid kan zijn weggelegd.
               Het is belangrijk dat men zich realiseert dat het handelsbeleid zich niet alleen
               dient te richten op de bevordering van de export, maar ook van de import.
               Vanuit theoretisch perspectief is de invoer (ook als deze bestemd is voor de
               wederuitvoer naar derde landen) niet minder belangrijk voor het behalen van
               welvaartswinst dan de uitvoer. Het is dan ook niet terecht om de Nederlandse
               handelsprestatie louter af te meten aan de ontwikkeling van de uitvoer van zelf
               geproduceerde goederen en diensten.
               Als gevolg van de eerder geschetste ontwikkelingen van mondialisering en ict is
               een handhaving van de handelspositie van Nederland bij voortzetting van het
               huidige beleid niet gegarandeerd. Het is in de eerste plaats de verantwoordelijk-
               heid van de handelende partijen – producenten en intermediairs – om de bedrei-
               gingen die hiervan uitgaan af te wenden en de kansen die zij bieden optimaal te
               benutten. De overheid kan echter wel een belangrijke ondersteunende rol ver-
               vullen. Vanuit het transactiekostenperspectief bezien bestaat de taak van de over-
               heid er vooral uit om de opbouw van handelskapitaal, dat bijdraagt aan verlaging
               van transactiekosten, te stimuleren, vooral waar dit kapitaal het karakter heeft
               van een publiek goed. In aanvulling op het beleid dat nu al wordt gevoerd,
               vraagt de raad aandacht voor een aantal andere beleidsaspecten. Deze kunnen als
               volgt worden samengevat.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>                                                                                samenvatting
Op het gebied van voorlichting, informatie en kennis heeft de overheid een taak
bij:
• de versterking van de voorlichtingsfunctie van en ondersteuning door ambas-
     sades en de kwaliteit van handelsmissies;
• de informatieverstrekking aan buitenlandse partijen over de kredietwaardig-
     heid en betrouwbaarheid van potentiële Nederlandse handelspartners;
• de invoering van een kwaliteitskeurmerk voor elektronische handel;
• het scheppen van faciliteiten voor het midden- en kleinbedrijf om te leren
     van elkaars ervaringen en expertise;
• het ondersteunen van experimenten door het bedrijfsleven op het gebied van
     ict en e-commerce.
Op juridisch gebied dient de aandacht van de overheid uit te gaan naar:
• steun bij de opbouw van de rechtsinfrastructuur in ontwikkelingslanden;
• snelle, heldere en effectieve implementatie van internationale regels en
     afspraken;
• snelle en doorzichtige beslechting van geschillen tussen buitenlandse en
     Nederlandse partijen;
• het scheppen van de mogelijkheid om in Nederland in het Engels te contrac-
     teren en te procederen;                                                                 15
• het bevorderen dat er een internationaal arbitrage-instituut op het gebied van
     e-commerce wordt opgericht.
Op het gebied van het onderwijs kunnen de volgende maatregelen bijdragen aan
het opbouwen van handelskapitaal:
• aandacht voor het aanleren van algemene handelsvaardigheden in het middel-
     baar onderwijs: gedegen kennis van vreemde talen en culturen, handels-
     kennis als apart vak in het curriculum;
• in samenwerking met private partijen oprichten van een internationaal
     opleidingsinstituut op het gebied van de handel.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>   neder l a nd h a ndel sl a nd
16
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>                                                                                      ten geleide
ten geleide
Dit rapport is voorbereid door een interne projectgroep van wrr. Voorzitter
was prof. dr. F.A.G. den Butter, lid van de raad. Verder maakten de volgende
raads- en stafleden deel uit van de projectgroep: dr. P.T. de Beer (projectsecretaris
vanaf 1 oktober 2001), dr. H.P. van Dalen (projectsecretaris tot 1 oktober 2001),
mr. dr. F.J.P.M. Hoefnagel, mr. drs. R.H.J. Mosch, prof. mr. M. Scheltema en
drs. I. Verhoeven.
Bij de analyses in dit rapport is mede gebruik gemaakt van een onderzoek naar de
werkgelegenheid in handelsfuncties door dr. A. van Vuuren. De uitkomsten van
dit onderzoek zullen worden gepubliceerd als wrr-discussiepaper:
H.P. van Dalen en A. van Vuuren (2003) Greasing the wheels of trade. Measuring
the size of the transaction sector with Dutch occupational data.
Bij het opstellen van dit rapport is dankbaar gebruik gemaakt van gegevens die ter
beschikking zijn gesteld door het Centraal Bureau voor de Statistiek (cbs).
Door de projectgroep zijn gesprekken gevoerd met een aantal externe deskundi-
gen. Op 8 maart 2002 organiseerde de raad in samenwerking met het ministerie                      17
van Financiën een workshop over ‘Juridische infrastructuur als internationale
concurrentiefactor: de financiële sector’. Een verslag van deze workshop is gepu-
bliceerd in het Nederlands Juristenblad van 24 januari 2003. Voorts organiseerde
de raad op 24 oktober 2002 een workshop met een aantal handelaren uit de
praktijk, waarin de eerste resultaten van het onderzoek werden besproken.
De raad dankt het cbs, de heer Van Vuuren, de externe deskundigen en de deel-
nemers aan de workshops van harte voor hun bijdrage. Voor de inhoud van het
rapport is alleen de raad verantwoordelijk.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>   neder l a nd h a ndel sl a nd
18
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>                                                                                         inleiding
1   inleiding
1.1 inleiding
    Nederland is van oudsher een handelsnatie. Adam Smith beschreef in zijn Wealth
    of nations hoe Holland in de achttiende eeuw mede dankzij de internationale
    handel tot een van de rijkste naties van de wereld behoorde. Hij zette uiteen hoe
    Hollandse handelaren in Polen graan opkochten en naar Portugal vervoerden, om
    vervolgens fruit en wijn van Portugal naar Polen terug te brengen (Smith 1776:
    370-371). Niet zozeer dankzij hoge winstmarges, maar vooral door een flink
    aandeel in de wereldhandel en door handige logistiek wist Holland zijn welvaart
    te vergaren. In moderne termen geformuleerd wisten de Hollanders de transac-
    tiekosten van de internationale handel te verlagen en daarmee de mondiale
    arbeidsverdeling te bevorderen. Hun welvaart ontleenden zij aan hun vermogen
    om van de welvaartswinsten die daaruit voortvloeiden, een flink graantje mee te
    pikken.
    Natuurlijk had Nederland zijn welvaart ook te danken aan binnenlandse produc-
    tieactiviteiten, zoals de agrarische productie, de nijverheid en later de industrie.           19
    Toch is Nederland nooit een echte agrarische of industriële natie geweest.
    Het aandeel van de diensten in de economische activiteiten van Nederland was
    altijd al relatief groot en de handel maakte daar een belangrijk deel van uit.
    De positie van Nederland als een van de rijkste landen ter wereld was dan ook in
    belangrijke mate te danken aan de bekwaamheid van de Nederlanders in de
    handel.
    Het begrip handel moet hier ruim worden opgevat. Niet alleen de vrijwillige,
    wederkerige ruil van goederen, diensten of geld tussen twee partijen vallen onder
    het handelsbegrip, maar ook alle activiteiten die nodig zijn om deze ruil tot stand
    te brengen. In dit rapport richt de aandacht zich in het bijzonder op de internatio-
    nale handel, dat is de handel tussen partijen in verschillende landen. Het gaat
    bijvoorbeeld om het hebben van een goede neus voor het feit dat op de ene plaats
    iets geproduceerd wordt of kan worden waaraan op een andere plaats behoefte
    bestaat. Zo valt ook een belangrijk deel van de werkzaamheden van de Nederlan-
    ders in de eigen multinationals en in buitenlandse multinationals in Nederland
    onder het begrip handel: het organiseren van de productie in de verschillende
    vestigingen in het buitenland en het organiseren van de verkoop en distributie in
    de landen waar behoefte aan de producten bestaat. Handel kan een makelaars-
    functie impliceren, maar ook het zelf kopen en doorverkopen. Deze handels-
    functie is overigens niet volledig los te zien van de kennis van producten,
    productieprocessen en dienstverlening. Dit rapport sluit aan bij de brede
    omschrijving van de handelsfunctie. Bij handelsbekwaamheden gaat het in
    beginsel om alle kennis en vaardigheden die nodig zijn om handel te kunnen
    bedrijven.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>   neder l a nd h a ndel sl a nd
               Helaas blijkt het bij de presentatie van statistische gegevens en empirische analy-
               ses, vanwege de beperkte beschikbaarheid van de benodigde gegevens, lang niet
               altijd mogelijk om bij deze ruime opvatting van het handelsbegrip aan te sluiten.
               Het grote belang van de internationale handel voor de Nederlandse economie kan
               op basis van de beschikbare gegevens niettemin afdoende worden geïllustreerd.
               Zo bedraagt de waarde van de goederenuitvoer 52 procent van het bruto binnen-
               lands product (bbp). Daarnaast duiden traditionele sectorale groeitoerekenings-
               exercities op een aanzienlijke bijdrage van de buitenlandse handel aan de econo-
               mische groei (zie bijv. Van Ark 2000). De wederuitvoer, dat wil zeggen
               ingevoerde goederen die (vrijwel) zonder nadere bewerking weer worden uitge-
               voerd, is in het afgelopen decennium gestegen van 20 procent tot 40 procent van
               de totale goederenuitvoer. Uit een onderzoek naar het belang van handelsberoe-
               pen in Nederland blijkt dat in 1997 1,75 miljoen mensen in de handel – in de
               meest brede zin van het woord, inclusief de binnenlandse handel – werkzaam
               zijn. Dit is 29 procent van de werkzame beroepsbevolking van zes miljoen perso-
               nen. Indien men een enge definitie van handel aanhoudt, komt men nog steeds
               tot het respectabele aantal van 776.000 in de handel werkzame personen (13%
               van de beroepsbevolking) (Van Dalen en Van Vuuren 2003). Kortom, een
               aanzienlijk deel van de Nederlandse welvaart en werkgelegenheid vloeit voort uit
20             de (internationale) handel.
   1.2         probleemstelling
               Volgens de economisch historicus David Landes valt uit de opkomst en neergang
               van naties de les te trekken dat de neergang van een land vaak een aanvang neemt
               als een gevoel van superioriteit gaat overheersen (Landes 1998). Een lange
               periode van economische voorspoed kan ertoe leiden dat men deze als vanzelf-
               sprekend gaat beschouwen en daardoor onvoldoende oog heeft voor verande-
               rende omstandigheden.
               Het aandeel van Nederland in de wereldhandel is de afgelopen halve eeuw opval-
               lend stabiel geweest en de omvang van de buitenlandse handel in verhouding tot
               de binnenlandse productie is gestaag toegenomen. Het is verleidelijk om als gege-
               ven aan te nemen dat dit ook in de toekomst het geval zal zijn. Weliswaar klinken
               er recent bezorgde geluiden over het achterblijven van de Nederlandse export bij
               de wereldhandel. Deze zorg lijkt echter vooral te zijn ingegeven door de huidige
               ongunstige conjuncturele ontwikkeling. De verslechtering van de Nederlandse
               concurrentiepositie op korte termijn is zeker een punt van zorg dat serieuze
               aandacht verdient. Los van deze conjuncturele ontwikkeling is er echter ook
               reden om de relatief sterke positie van Nederland als handelsnatie op de langere
               termijn niet als een vaststaand gegeven te beschouwen. Het spreekt immers niet
               voor zich dat de factoren die in het verleden mede hebben bijgedragen aan de
               sterke handelspositie van Nederland, zoals de gunstige ligging en de grote rol van
               de zeevaart in de internationale handel, in de toekomst even belangrijk zullen
               blijven. In het bijzonder kunnen twee ontwikkelingen op termijn ingrijpende
               gevolgen hebben voor de wijze waarop de internationale handel plaatsvindt en
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>                                                                                     inleiding
voor de rol die Nederland daarin speelt, namelijk de mondialisering en de infor-
matisering. De mondialisering gaat weliswaar gepaard met een sterke groei van
de wereldhandel, maar betekent ook dat Nederland te maken krijgt met een
toenemende concurrentie vanuit nieuwe handelsnaties. De informatisering, die
het gevolg is van de snelle verspreiding van ict, beïnvloedt de wijze van handel-
drijven en de organisatie van de productie ingrijpend. Door de sterke verlaging
van de transactiekosten zal de handel verder kunnen toenemen, maar zal ook de
voorsprong van Nederland op andere landen kunnen verminderen. Bovendien
versterken beide ontwikkelingen elkaar wederzijds. Gezien het belang van de
internationale handel voor Nederland en de structurele aard van beide ontwikke-
lingen acht de raad het gewenst om deze krachten op waarde te schatten.
De centrale vraag van dit rapport is derhalve hoe Nederland in een mondialise-
rende en informatiserende wereld zijn positie als handelsnatie kan handhaven.
Hiermee gaat de raad voorbij aan de prealabele vraag of het ook gewenst is dat
Nederland zijn positie als handelsnatie weet te behouden. Een onderbouwd
antwoord op deze vraag kan men pas geven indien men de bijdrage van de
buitenlandse handel aan de Nederlandse welvaart zou kunnen kwantificeren en
indien men zou kunnen berekenen in welke mate Nederland in dit opzicht een
comparatief voordeel heeft ten opzichte van andere naties. Voor een dergelijk                  21
empirisch onderzoek ontbreekt vooralsnog het benodigde statistische materiaal.
Daartoe zou men over internationaal vergelijkbare gegevens over de toegevoegde
waarde van de handelsfunctie in verhouding tot de factorinzet dienen te beschik-
ken.1 De bovengenoemde, zij het wat fragmentarische gegevens over het belang
van de handel voor Nederland – en ook de verdere empirische analyses in dit
rapport – maken het wel aannemelijk dat behoud en zelfs uitbouw van de Neder-
landse positie als handelsland wenselijk is voor de toekomstige welvaart van ons
land. In dit verband is het belangrijk dat men zich realiseert dat door de mondiali-
sering en informatisering de handelspositie van Nederland weliswaar zou
kunnen worden aangetast, maar dat deze ontwikkelingen tegelijkertijd ook
nieuwe mogelijkheden bieden. In dit licht kan de probleemstelling van dit
rapport als volgt worden geformuleerd:
Op welke wijze kan Nederland de kansen die de mondialisering en de informatise-
ring bieden, benutten voor een verdere bijdrage van de handel aan de welvaart, en
hoe kan worden voorkomen dat de bedreigingen die van deze ontwikkelingen
kunnen uitgaan, een ongunstige uitwerking hebben op de positie van Nederland als
handelsnatie?
Zoals de volgende paragraaf toelicht, wordt deze probleemstelling in dit rapport
vanuit een specifieke invalshoek benaderd, namelijk die van de transactiekosten-
theorie.
Hoewel de probleemstelling zich richt op de internationale handel, staat zij niet
geheel los van de vraag hoe ook binnen Nederland de handel is georganiseerd en
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>   neder l a nd h a ndel sl a nd
               of daaraan welvaartsvoordelen zijn te ontlenen. Immers, in vele gevallen zijn
               institutionele arrangementen en handelsbekwaamheden zowel voor de buiten-
               landse als voor de binnenlandse handel van belang. Toch zal, wanneer in dit
               rapport wordt gesproken over Nederland als handelsnatie, steeds worden gedoeld
               op de buitenlandse handel van Nederland.
   1.3         de tr ansactiekostenbenadering als invalshoek van
               het r apport
               Dit rapport benadert de probleemstelling vanuit een specifieke invalshoek,
               namelijk die van de transactiekostentheorie. Deze paragraaf licht de transactie-
               kostenbenadering nader toe.
               Internationale handel in goederen en diensten is het resultaat van verschillen
               tussen landen in hulpbronnen en technologie, maar ook van de organisaties en
               instituties rond de handel. In de traditionele, neoklassieke leer van de internatio-
               nale handel vloeit handel voort uit de comparatieve voor- en nadelen van landen
               ten aanzien van de productie van verschillende goederen en diensten. In deze
               benadering blijft buiten beeld dat internationale handel niet spontaan totstand-
22             komt, maar moet worden georganiseerd. De reden daarvan is dat handel gepaard
               gaat met transactiekosten. Deze kosten hangen in belangrijke mate samen met
               informatieproblemen die zijn verbonden aan de ruil van eigendomsrechten.
               Deze transactiekosten kunnen dusdanig hoog zijn, dat handelstransacties die uit
               het oogpunt van comparatieve productievoordelen voor beide partijen voordelig
               zijn, toch niet totstandkomen. Bij het totstandkomen van een handelsrelatie
               spelen dus zowel allocatieproblemen (de optimale inzet van de beschikbare
               productiefactoren) als informatieproblemen (resulterend in transactiekosten) een
               essentiële rol. Hoewel beide soorten problemen onderling sterk verweven zijn en
               in de praktijk niet van elkaar kunnen worden gescheiden, richt dit rapport zich
               toch uitsluitend op de informatieproblemen rond de ruil en, in meer brede zin,
               op de transactiekosten die aan internationale handel verbonden zijn.
               Transactiekosten worden hierbij ruim opgevat. De kosten van een transactie
               omvatten alle kosten die de marktpartijen in staat stellen om de overdracht van
               goederen, diensten of ideeën mogelijk te maken. Daartoe behoren allereerst de
               ‘traditionele’ kosten die handelstransacties met zich meebrengen, zoals trans-
               portkosten, omzetbelastingen en invoertarieven. Andere transactiekosten zijn de
               kosten van het zoeken van een potentiële handelspartner, de kosten van het
               onderhandelen en contracteren, de kosten van het controleren en afdwingen van
               contracten, maar ook de kosten om een systeem van regels en wetten te onder-
               houden dat ertoe bijdraagt dat de gemaakte afspraken worden nageleefd en
               kunnen worden afgedwongen. Deze laatste voorbeelden maken duidelijk dat een
               deel van de transactiekosten niet direct verband houdt met de feitelijke
               handelstransacties. Het gaat ook, in de meest brede zin, om investeringen in juri-
               disch, sociaal, cultureel en fysiek kapitaal, die de direct met ruiltransacties
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>                                                                                      inleiding
verbonden kosten kunnen (helpen) verlagen. Het zijn primair investeringen door
bedrijven en handelaren zelf: het verwerven van technische handelskennis
(contracten, levertermijnen, productkennis), de opbouw van handelsnetwerken,
de verwerving van een goede reputatie en naamsbekendheid, het vergaren van
kennis van de taal en cultuur van de handelspartners, enzovoorts. Deze investe-
ringen in wat men ‘handelskapitaal’ zou kunnen noemen hebben vaak echter ook
positieve externe effecten, waardoor zij in meerdere of mindere mate het karakter
van een publiek goed hebben. In dat geval kan er ook een rol voor de overheid zijn
weggelegd om de investeringskosten laag te houden. Dit vormt een belangrijk
aangrijpingspunt voor het Nederlandse handelsbeleid vanuit het perspectief van
de transactiekosten.
Vanwege het sterk uiteenlopende en diffuse karakter van de transactiekosten is
de omvang ervan moeilijk te kwantificeren. Er zijn overigens wel enkele pogin-
gen gedaan om de orde van grootte van de transactiekosten te schatten. Zo schat-
ten Wallis en North (1988) dat de transactiekosten van de Amerikaanse economie
in 1970 tussen 47 en 55 procent van het bruto nationaal product bedroegen.
Furubotn en Richter (2000: 51) komen voor Duitsland zelfs tot een schatting van
60 à 70 procent van het bnp. Hoewel deze schattingen met zeer grote onzeker-
heidsmarges zijn omgeven, geven zij wel een indicatie van het grote belang van                  23
transactiekosten in de hedendaagse economie. In dit rapport wordt geen poging
gedaan de omvang van de transactiekosten en het belang ervan voor de buiten-
landse handel van Nederland te bepalen. Het belang van de transactiekosten
wordt ten dele als een bewijs uit het ongerijmde afgeleid: uit het feit dat de tradi-
tionele neoklassieke handelstheorie slechts in beperkte mate de omvang en de
aard van de internationale handelsstromen kan verklaren, volgt dat ook andere
factoren van belang zijn. Daarmee is weliswaar niet bewezen dat de transactie-
kosten verantwoordelijk zijn voor deze ‘onverklaarde’ handel, maar in combina-
tie met andere, zowel theoretische als empirische aanwijzingen, kan wel aanne-
melijk worden gemaakt dat de transactiekosten een belangrijke rol spelen.
Het empirische materiaal waarvan in dit rapport gebruik wordt gemaakt, heeft
echter wel in hoge mate een kwalitatief karakter.
Een kwantificering van de transactiekosten is overigens vanuit een ander
oogpunt minder relevant. Immers, een verlaging van de transactiekosten kan
leiden tot meer handel, resulterend in efficiëntere arbeidsverdeling en meer
welvaart, doordat potentieel voordelige ruiltransacties totstandkomen die nu
nog niet worden uitgevoerd vanwege te hoge transactiekosten. Een verlaging van
de transactiekosten maakt dus niet alleen bestaande handel goedkoper, maar
zorgt ook voor nieuwe handel. Kwantificering van de transactiekosten op
geaggregeerd niveau zou alleen licht werpen op het eerste aspect.
De focus op transactiekosten en op de welvaartsvoordelen die een verlaging van
deze kosten kan opleveren, impliceert niet dat de raad het beleid van handels-
bevordering via een versterking van de concurrentiepositie onwenselijk vindt of
onbelangrijk acht. Integendeel. Productiviteitsverhoging door het vergroten van
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>   neder l a nd h a ndel sl a nd
               de doelmatigheid van de productie, waardoor comparatieve voordelen ontstaan
               of gehandhaafd blijven, is en blijft van groot belang voor de handelspositie en de
               welvaart van ons land. Alom wordt onderkend dat beleidsaandacht hiervoor
               noodzakelijk is. Het gaat hierbij onder meer om beleid op het gebied van onder-
               zoek en ontwikkeling (r&d), onderwijs, technologische ontwikkeling en fysieke
               infrastructuur (zie bijv. ser 2002). Dit beleid is met name bedoeld om de export
               van in Nederland geproduceerde goederen te bevorderen en is sterk verbonden
               met het industriebeleid in ruime zin. De bevordering van de invoer en van de
               wederuitvoer krijgt hierbij doorgaans veel minder aandacht.
               Dit rapport richt zich echter niet op de productie van concurrerende goederen en
               diensten ten behoeve van de export, maar op de handelsactiviteit zelf, die naar
               het oordeel van de raad evenzeer van groot belang is voor de Nederlandse
               handelspositie. Het inzicht in de profijtelijkheid van de handel zelf heeft er mede
               toe bijgedragen dat Nederland eeuwenlang een vooraanstaande positie als
               handelsnatie heeft weten te handhaven. Juist door de transactiekosten van de
               handel en daarmee de handelsmarges laag te houden, bouwde Nederland een
               sterke handelspositie op die ons land grote welvaart heeft gebracht.
24             Om de positie van Nederland als handelsnatie ook in de toekomst in stand te
               houden, zullen handelaren en productiebedrijven moeten inspelen op de veran-
               deringen die voortvloeien uit de mondialisering en de informatisering. Maar ook
               voor de overheid kan hierbij een rol zijn weggelegd, vanwege het feit dat het
               handelskapitaal ten dele het karakter heeft van een publiek goed. In aanvulling op
               het beleid dat is gericht op het versterken van de concurrentiepositie van de
               industrie en dienstverlening, kan de overheid de Nederlandse handelspositie ook
               ondersteunen door te investeren in publieke goederen die bijdragen aan de verla-
               ging van transactiekosten. Dit is zeker geen nieuw onderdeel van het handels-
               beleid, aangezien de overheid al lange tijd tal van activiteiten verricht op het
               terrein van voorlichting, juridische ondersteuning, sociale en fysieke infrastruc-
               tuur, en dergelijke. Met dit rapport biedt de raad wel een nieuwe wetenschappe-
               lijke fundering voor deze aspecten van het handelsbeleid en onderstreept hij
               daarmee het grote belang van dit beleid.
   1.4         doel van het r apport
               Met dit rapport beoogt de raad een aanvullend perspectief te bieden op de Neder-
               landse handelspositie en op het handelsbeleid. Het transactiekostenperspectief,
               dat in dit rapport centraal staat, heeft geenszins de pretentie een geheel nieuwe
               visie op de handel te bieden die bestaande inzichten en theorieën overbodig zou
               maken. Het heeft vooral de bedoeling om, naast de ‘traditionele’ aandacht voor de
               productiefunctie, het belang van de handelsfunctie voor de handelspositie van
               ons land voor het voetlicht te brengen. In het beleid wordt al lange tijd onderkend
               dat buitenlandse handel niet alleen een kwestie is van een sterke concurrentie-
               positie, maar ook te maken heeft met tal van formele en informele barrières die
               – in onze terminologie – transactiekosten met zich meebrengen. Dit rapport biedt
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>                                                                                        inleiding
    hiermee in zekere zin een nieuwe wetenschappelijke onderbouwing voor een
    deel van het handelsbeleid dat tot nog toe in de economische theorie onderbelicht
    is gebleven.
    Deze studie is primair een toekomstverkenning en richt zich dan ook in sterke
    mate op ontwikkelingen die zich in de toekomst zullen voordoen. De mondiali-
    sering en de informatisering kunnen zowel een kans als een bedreiging voor de
    Nederlandse handelspositie betekenen. Dit rapport probeert deze kansen en
    bedreigingen zo evenwichtig mogelijk in kaart te brengen, om zodoende recht te
    doen aan de complexiteit van de relatie tussen deze factoren en de internationale
    handel. De raad hoopt aldus bij te dragen aan het debat over de toekomst van de
    Nederlandse handel en welvaart en de rol van de overheid daarbij. Dit rapport
    concentreert zich op het vermogen van de overheid om via het stimuleren,
    scheppen en in stand houden van publieke goederen de opbouw van handelska-
    pitaal te bevorderen, om zo de transactiekosten te kunnen verlagen. Nadrukkelijk
    is het daarbij niet de bedoeling een alternatief handelsbeleid te presenteren.
    Deze bijdrage van de wrr is bedoeld als aanvulling op het vigerende beleid dat is
    gericht op verhoging van efficiëntie in de productiesfeer en op verbetering van de
    concurrentiepositie.
                                                                                                  25
    Om de huidige en toekomstige positie van de Nederlandse handel op waarde te
    kunnen schatten, is een goede doordenking nodig van de wijze waarop de Neder-
    landse handelspositie werd, wordt en zal worden beïnvloed door de handelsinsti-
    tuties en de daaraan gerelateerde transactiekosten. Een aantal relatief nieuwe
    theoretische en empirische inzichten uit de institutionele economie, de sociolo-
    gie en de rechtswetenschappen biedt aanknopingspunten om de handel vanuit
    een ander dan gebruikelijk perspectief te bezien. Dit rapport bestaat dan ook voor
    een belangrijk deel uit het bij elkaar brengen en in onderling verband plaatsen van
    deze nieuwe theoretische inzichten en het bijpassende empirische materiaal.
    Daarmee beoogt de raad zijn opdracht te vervullen om vanuit nieuwe weten-
    schappelijke inzichten het beleid te attenderen op belangrijke toekomstige
    ontwikkelingen en mogelijke problemen.
1.5 de inhoud van dit r apport
    De indeling van dit rapport is als volgt. Hoofdstuk 2 brengt de buitenlandse
    handel van Nederland in verleden en heden in kaart. Na een korte schets van vijf
    eeuwen handelsgeschiedenis komt de huidige handelspositie van Nederland in
    meer detail aan bod. Hierbij wordt aandacht besteed aan de geografische oriën-
    tatie van de handel en de samenstelling van het Nederlandse invoer- en uitvoer-
    pakket. Speciale aandacht gaat uit naar de rol van Nederland als stapelmarkt en
    distributiecentrum en naar de grote rol van de multinationals in de Nederlandse
    handel. Verder wordt kort ingegaan op de handel als bron van werkgelegenheid.
    Het hoofdstuk besluit met het signaleren van vijf constanten die de Nederlandse
    handel al eeuwenlang kenmerken.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>   neder l a nd h a ndel sl a nd
               Om het verschil tussen het transactiekostenperspectief en de meer traditionele
               visie op de handel duidelijk te maken, geeft hoofdstuk 3 een beknopt overzicht
               van enkele bekende handelstheorieën. Het gaat hierbij om de (neo)klassieke
               handelstheorie, waarin comparatieve voordelen die voortvloeien uit technologie-
               verschillen en de beschikbaarheid van hulpbronnen centraal staan, en de ‘nieuwe’
               handelstheorie, die op het belang van schaalvoordelen wijst. Een kort overzicht
               van het empirische onderzoek op basis van deze theorieën leidt tot de conclusie
               dat zij slechts in beperkte mate in staat zijn een verklaring te bieden voor de feite-
               lijke ontwikkelingen en kenmerken van de internationale handel en voor de
               handelspositie van Nederland.
               De gebrekkige verklaringskracht van de (neo)klassieke handelstheorie is aanlei-
               ding om in hoofdstuk 4 de aandacht te richten op een aantal factoren die in die
               theorie onderlicht blijven of als gegeven worden aangenomen, maar die essen-
               tieel zijn om de ontwikkeling van de handel op de lange termijn te kunnen
               verklaren en voorzien. Economisch rendabele handel komt niet ‘vanzelf’ tot
               stand, maar moet worden georganiseerd. Deze organisatie van de ruil brengt
               aanzienlijke transactiekosten met zich mee. Verschillende organisaties en institu-
               ties zijn van invloed op de hoogte van deze transactiekosten. Voor vergroting van
26             de handel is dus onderzoek nodig naar organisaties en instituties die deze trans-
               actiekosten kunnen verlagen. Hoofdstuk 4 gaat in algemene en abstracte termen
               in op deze problematiek, waarbij wordt aangesloten bij de nieuwe institutionele
               economie, en in het bijzonder bij het gedachtegoed van Williamson.
               Hoofdstuk 5 bespreekt vervolgens enkele concrete organisaties en instituties die
               een belangrijke rol spelen bij het verlagen van de transactiekosten van de interna-
               tionale handel. Het gaat achtereenvolgens om netwerken, intermediairs, multi-
               nationals en formele en informele instituties. Netwerken zijn in het verleden van
               groot belang geweest bij het bewerkstelligen van handel, bijvoorbeeld wanneer
               formele instanties ter bescherming van eigendomsrechten ontbraken. Ook in de
               huidige internationale economie lijken netwerken nog een belangrijke rol te
               spelen, al is hierover helaas weinig bekend. De aandacht gaat in het bijzonder uit
               naar de opbouw en het onderhoud van netwerken en de rol die onderling
               vertrouwen hierbij speelt. Tot de intermediairs behoren onder meer handelaren
               en kooplieden, handelshuizen, makelaars, banken en verzekeraars. Zij hebben
               zich gespecialiseerd in het verlagen van bepaalde soorten transactiekosten en zijn
               daardoor van belang bij het tot stand brengen van (internationale) handelsrela-
               ties. Multinationals zijn een belangrijke drijvende kracht achter internationale
               handelsstromen en de mondialisering van de economie. Zij nemen ruwweg drie-
               kwart van de buitenlandse handel van Nederland voor hun rekening. Multinatio-
               nals hebben het probleem van de transactiekosten van de handel opgelost door
               deze transacties te internaliseren, dat wil zeggen binnen de eigen onderneming
               onder te brengen. Daarnaast vervullen zij vaak een spilfunctie in internationale
               netwerken. Ten slotte zijn er de formele en informele instituties, die de spelregels
               van de internationale handel vormen. Deze instituties zijn van groot belang voor
               de wijze waarop internationale handelstransacties worden vormgegeven.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>                                                                                     inleiding
Hoofdstuk 6 schetst de kansen en bedreigingen die de mondialisering en infor-
matisering voor de Nederlandse handelspositie zouden kunnen hebben.
De mondialisering is een uitvloeisel van een daling van transactiekosten ten
gevolge van het verminderen van formele handelsbarrières, zoals invoerrechten
en quota, en van de ontwikkeling van nieuwe vervoers- en communicatietechno-
logieën. Door de daling van de transactiekosten zou een van de sterke kanten van
Nederland, namelijk het vermogen om de transactiekosten van de internationale
handel te verminderen, aan belang kunnen inboeten. Daardoor zou de Neder-
landse handelspositie onder druk kunnen komen te staan. Het is echter aanneme-
lijk dat tegelijkertijd het relatieve belang van informele barrières voor de handel,
zoals een gebrek aan vertrouwen, taal- en cultuurverschillen en verschillen in
rechtssysteem, toeneemt. Internationale handel blijft, met andere woorden, met
hoge transactiekosten gepaard gaan en er valt dus nog veel te winnen voor de
partij die het beste in staat is deze transactiekosten te verlagen. Nederland zou
deze kans kunnen benutten door hierop alert in te spelen en zijn sterke kanten uit
te buiten.
De vooruitgang op ict-gebied betekent een sterke verlaging van transactiekosten.
Daardoor zou de behoefte aan intermediairs in de internationale handel kunnen
afnemen. Dit zou een bedreiging voor de Nederlandse handelspositie kunnen                      27
betekenen, aangezien Nederland een belangrijke intermediaire rol in de inter-
nationale handel vervult. Het is echter allerminst zeker dat intermediairs in het
algemeen aan belang zullen inboeten. Terwijl sommige intermediairs verdwijnen,
verschijnen er ook nieuwe ten tonele die ict op een efficiënte wijze benutten om
de transactiekosten te verlagen. Het land dat er het beste in slaagt gebruik te
maken van de mogelijkheden van ict, vooral in de handel tussen bedrijven, zal
zijn handelspositie in de toekomst kunnen versterken.
Hoofdstuk 7 bespreekt de rol van de overheid op het terrein van de internationale
handel in het licht van de transactiekostenbenadering. Dit hoofdstuk beoogt niet
een nieuw handelsbeleid te formuleren, maar tracht het huidige en toekomstige
handelsbeleid te beoordelen vanuit het oogpunt van transactiekostenverlaging.
De neoklassieke handelstheorie vestigt vooral de aandacht op het belang van het
wegnemen van formele belemmeringen voor de handel, zoals invoerrechten en
quota, en van het versterken van de comparatieve voordelen bij de productie van
goederen en diensten. Zulk beleid bevordert de export en de economische bedrij-
vigheid in ons land. Ook vanuit het transactiekostenperspectief bezien zijn dit
belangrijke aandachtspunten, maar daarnaast dient de aandacht te worden
gericht op het creëren van gunstige voorwaarden voor het aangaan en onder-
houden van handelsrelaties. Investeringen in handelskapitaal dragen op termijn
bij aan het verlagen van de transactiekosten en daarmee aan het vergroten van de
buitenlandse handel. De opbouw van dit handelskapitaal is in de eerste plaats een
verantwoordelijkheid voor het bedrijfsleven. Een deel van het handelskapitaal
heeft echter het karakter van een publiek goed. Daarbij valt onder meer te denken
aan het vigerende rechtssysteem, aan het vertrouwen dat Nederland in het
buitenland geniet en aan bepaalde vormen van informatievoorziening.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>   neder l a nd h a ndel sl a nd
               Dit publiekgoedkarakter van sommige vormen van handelskapitaal rechtvaardigt
               een actieve rol van de overheid. Hoofdstuk 7 geeft hiervoor geen gedetailleerde
               beleidsaanbevelingen, maar schetst in algemene lijnen welke aspecten van het
               handelsbeleid in brede zin bezien vanuit het transactiekostenperspectief de
               meeste aandacht verdienen. Tevens formuleert de raad in dit hoofdstuk een
               agenda voor nader onderzoek naar het belang van transactiekosten in de inter-
               nationale handel.
28
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>                                                                                     inleiding
noten
1
      Hiervoor zou een functionele herordening van gegevens nodig zijn die volgens
      de systematiek van de Nationale Rekeningen nu op basis van een sectorale inde-
      ling geordend zijn en waarin de toegevoegde waarde van de handelsfunctie deel
      uitmaakt van de totale toegevoegde waarde van meerdere sectoren.
                                                                                               29
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>   neder l a nd h a ndel sl a nd
30
</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>                                                                de positie van nederland als handelsland
2   de positie van nederl and als handelsl and
2.1 inleiding
    Nederland behoort tot de belangrijkste handelslanden in de wereld. Op de wereld-
    ranglijst van exporteurs en importeurs neemt Nederland de achtste plaats in.
    Dit hoofdstuk brengt de positie van Nederland als handelsnatie meer gedetail-
    leerd in beeld. Paragraaf 2.2 schetst beknopt de geschiedenis van de Nederlandse
    handel sinds de late Middeleeuwen en brengt aan de hand van een aantal kwanti-
    tatieve indicatoren enkele specifieke kenmerken van Nederland als handelsland
    in kaart. Paragraaf 2.3 gaat in op de geografische oriëntatie en sectorale samen-
    stelling van de Nederlandse handel. Paragraaf 2.4 besteedt aandacht aan een
    opvallend kenmerk van de Nederlandse handel, namelijk het grote aandeel van
    de wederuitvoer. Deze wederuitvoer vloeit mede voort uit de dominante rol van
    multinationale ondernemingen in de buitenlandse handel van Nederland.
    Aan deze actoren is paragraaf 2.5 gewijd. Vervolgens belicht paragraaf 2.6 de posi-
    tie van Nederland als handelsland in termen van werkgelegenheid. Het hoofdstuk
    sluit af met een concluderende paragraaf die een aantal ‘constanten’ in de Neder-
    landse handel signaleert.                                                                            31
2.2 een beknopte geschiedenis van de nederl andse
    handel
    Nederland geldt al zo’n vijfhonderd jaar als een belangrijke handelsnatie.1 Al voor
    1500 dreven de inwoners van de noordelijke Nederlanden handel op en rond de
    Oostzee. In de zestiende eeuw verwierf Holland zich een dominante handels-
    positie in Noordwest-Europa, mede dankzij zijn gunstige ligging. Holland lag
    juist op het knooppunt van de handel langs de Europese westkust naar het
    Iberisch schiereiland en de handel met het Oostzeegebied (De Vries en Van der
    Woude 1995: 414). De oorlog met de Spaanse Habsburgers die in 1568 begon,
    veroorzaakte aanvankelijk een crisis in de buitenlandse handel, maar al snel
    herstelde de Hollandse handel zich en nam Amsterdam de positie als handels-
    centrum van Noordwest-Europa over van Antwerpen. In de eerste helft van de
    zeventiende eeuw had de Republiek vrijwel een monopolie in de handel op de
    Oostzee en langs de Franse kust en wist zij ook een flink aandeel in de handel op
    de Middellandse Zee te verwerven.
    De ontdekking van Amerika door Columbus in 1492 en de ronding van Kaap de
    Goede Hoop door Vasco da Gama in 1498 openden de weg naar de intercontinen-
    tale handel. In de zestiende eeuw beheersten Spanje en Portugal de wereldzeeën.
    De Spanjaarden concentreerden zich op de handel met Amerika en de Portugezen
    richtten zich vooral op Zuid-Azië. In de zeventiende eeuw voegden andere West-
    Europese landen zich hierbij, in het bijzonder de Nederlanden en Engeland, die
    de drukbevaren handelsroutes tussen Europa en Amerika en Azië onderhielden.
    De Vereenigde Oost-Indische Compagnie (voc) wist al snel een dominante
</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre>   neder l a nd h a ndel sl a nd
               positie in de handel op Zuidoost-Azië te veroveren. De West Indische Compag-
               nie (wic), die zich op de handel met West-Afrika en Amerika richtte, was
               minder succesvol; haar belangrijkste ‘commerciële’ succes was de verovering van
               de Spaanse zilvervloot in 1628. De intercontinentale goederenhandel bestond uit
               (exotische) landbouwproducten, zoals suiker en katoen uit Amerika, specerijen
               (zoals peper, gember, nootmuskaat en foelie), zijde, koffie en thee uit Zuidoost-
               Azië, en edelmetaal uit Japan en Perzië. Ook handelde men in arbeidskrachten.
               Vanuit West-Afrika werden slaven naar de Nieuwe Wereld getransporteerd om
               op plantages tewerkgesteld te worden. De Nederlandse handelaars onderscheid-
               den zich doordat zij niet alleen het transport van en naar hun eigen land verzorg-
               den, maar ook tussen andere landen. Zo vervoerden zij onder meer katoen vanuit
               India naar Indonesië en China, zijde vanuit China, India en Perzië naar de Filip-
               pijnen en Nieuw-Spanje (Mexico) en slaven vanuit Afrika naar Amerika en Azië
               (Landes 1998: 145). Tegelijkertijd ontwikkelden de Nederlanden zich tot de
               stapelmarkt van Europa, waar producten uit de andere continenten werden heen-
               gevoerd om vandaar te worden gedistribueerd over Europa. Zo werd de Repu-
               bliek in de zeventiende eeuw de leidende handelsnatie.
               In de loop van de achttiende eeuw begon het Nederlandse marktaandeel echter te
32             krimpen door de opkomst van de Britse economie en een verschuiving van
               handelsstromen, waardoor Amsterdam als stapelmarkt steeds meer concurrentie
               ondervond van andere havens. De Napoleontische oorlogen en de Franse invasie
               in 1795 betekenden het definitieve einde van de dominantie van Nederland als
               handelsnatie. Het verbod dat Napoleon in 1806 afkondigde op de handel met
               Engeland (het Continentale Stelsel) reduceerde de internationale handel tot een
               fractie van het oude niveau. Terwijl de omvang van de buitenlandse handel
               (invoer plus uitvoer) halverwege de achttiende eeuw wellicht zo’n 80 procent
               van het nationaal inkomen beliep,2 was dit aandeel in 1808 teruggelopen tot
               minder dan 30 procent. Na het herkrijgen van de onafhankelijkheid in 1813
               herstelde de buitenlandse handel zich aanvankelijk. Het aandeel van invoer plus
               uitvoer in het bbp groeide tot 44 procent in 1817. Ook het marktaandeel van
               Nederland in de totale uitvoer van Nederland, Groot-Brittannië, Frankrijk, de
               Verenigde Staten en Rusland groeide van 7,5 procent in 1814 naar 12 procent in
               1817 (Horlings 1995: 128). Maar tussen 1820 en 1830 raakte de Nederlandse handel
               in een diepe crisis. De uitvoer zakte in van 22 procent naar 7 procent van het bbp
               en dekte in 1829 nog slechts 36 procent van de invoer. Horlings (1995) schrijft dit
               toe aan twee factoren: protectionistische maatregelen door andere landen, terwijl
               Nederland nauwelijks belemmeringen opwierp voor de invoer van goederen, en
               een gebrek aan concurrerende exportproducten.
               De oprichting van de Nederlandsche Handel-Maatschappij in 1824 en de instel-
               ling van het Cultuurstelsel in Nederlands-Indië leidden tot herstel van de handel
               met de koloniën en luidden een nieuwe periode van sterke groei van de Neder-
               landse handel in. Hoewel ook de wereldhandel vanaf ongeveer 1830 sterk
               toenam, wist Nederland zijn marktaandeel toch aanzienlijk te vergroten.
               In 1829 bedroeg de export van Nederland circa 4 procent van die van Nederland,
</pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 37 ======================================================================

<pre>                                                                                                                   de positie van nederland als handelsland
               Groot-Brittannië, Frankrijk, de Verenigde Staten en Rusland tezamen, in 1850
               was dit aandeel opgelopen tot circa 6 procent (Horlings 1995: 128).
               De technologische ontwikkelingen aan het begin van de negentiende eeuw vorm-
               den een belangrijke stimulans voor de internationale en vooral ook de interconti-
               nentale handel. De uitvinding van de stoomtrein, het stoomschip en bijvoorbeeld
               ook de koeltechniek vergrootten de mogelijkheden en verlaagden de kosten van
               transport over grote afstanden enorm. Volgens O’Rourke en Williamson (1999)
               zijn er weinig aanwijzingen dat de transportkosten van vracht tussen landen en
               continenten tussen 1500 en 1800 substantieel daalden, maar vanaf het midden
               van de negentiende eeuw lieten veel vrachttarieven een scherpe daling zien. Zo
               liep het tarief voor vervoer van suiker van Java naar Amsterdam tussen 1870 en
               1914 terug met 50 à 60 procent (O’Rourke en Williamson 1999: 16).
               Figuur 2.1 laat zien dat de buitenlandse handel van Nederland vanaf 1830, toen die
               iets minder dan een kwart van het bbp bedroeg, snel groeide, tot de helft van het
               bbp in 1850, 100 procent van het bbp in 1863 en zelfs bijna 140 procent van het
               bbp in 1871. Het aandeel van Nederland in de wereldhandel verdubbelde in deze
               periode, van 1,9 procent in 1844 naar 3,8 procent in 1870 (Smits 1999).
                                                                                                                                                               33
 Figuur 2.1           Aandeel van de Nederlandse handel (invoer + uitvoer) in het bbp, 1807-2000
% 160
                              goederen
  140                         diensten
                              totaal
  120
  100
   80
   60
   40
   20
    0
        1800   1810    1820    1830   1840   1850   1860   1870   1880   1890   1900   1910   1920   1930   1940     1950   1960   1970   1980   1990   2000
 Bron: cbs (2001a); cbs (b); wrr-bewerking
               In de tweede helft van de negentiende eeuw raakte Nederland technologisch
               evenwel achterop bij de buitenlandse concurrentie, doordat de technologische
               revolutie (stoomkracht) aanvankelijk grotendeels aan Nederland voorbijging.
               Zo bestond in 1880 nog slechts 20 procent van de Nederlandse koopvaardijvloot
               uit stoomschepen, tegen respectievelijk 41 procent en 87 procent in Groot-Brit-
               tannië en België (Horlings 1995: 184). Het Nederlandse exportpakket was zeer
</pre>

====================================================================== Einde pagina 37 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 38 ======================================================================

<pre>   neder l a nd h a ndel sl a nd
               eenzijdig samengesteld, met een groot aandeel van tropische en agrarische
               producten, waardoor Nederland nauwelijks profiteerde van de sterke groei van de
               handel in industriële producten. Amsterdam en Rotterdam prijsden zich steeds
               meer uit de markt doordat zij in vergelijking met andere Europese havens relatief
               duur waren (Smits 1995: 100). De buitenlandse handel van Nederland kon daar-
               door geen gelijke tred houden met de sterk groeiende wereldhandel. Vooral de
               handel met Indonesië liep in deze periode sterk terug, maar tegelijkertijd werd de
               handel met Duitsland belangrijker, onder meer als gevolg van een verlaging van
               de doorvoerrechten. Terwijl het aandeel van de handel in het Nederlandse bbp
               zich stabiliseerde, liep het Nederlandse aandeel in de wereldhandel gestaag terug,
               van 3,8 procent in 1870 naar 2,6 procent in 1913 (Smits 1999).
               Wel veranderde de samenstelling van de Nederlandse handel in deze periode
               aanzienlijk. Het aandeel van tropische landbouwproducten (vooral koffie en
               katoen) liep sterk terug en het aandeel van industriële producten groeide.
               Dit hield enerzijds verband met de ontmanteling van de Gouvernementscultures
               in Nederlands-Indië en anderzijds met de (late) opkomst van de Nederlandse
               industrie (Lindblad en Van Zanden 1989). In deze jaren ontstonden de eerste
               Nederlandse multinationale ondernemingen, die ook momenteel nog tot de
34             grootste Nederlandse bedrijven behoren: Koninklijke Olie/Shell, Van den Bergh
               en Jurgens (nu: Unilever), Enka (nu: Akzo Nobel) en Philips. De buitenlandse
               handel van Nederland raakte daardoor meer verweven met de productiestructuur
               van de Nederlandse economie.
               Het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog betekende het einde van een halve
               eeuw van ‘mondialisering’ en expansie van de internationale handel (zie par. 6.2).
               Ook de Nederlandse handel ondervond hiervan de gevolgen: tussen 1913 en 1917
               halveerde de waarde van de buitenlandse handel. De jaren twintig lieten echter
               een sterk herstel zien, waardoor het aandeel van Nederland in de wereldhandel
               toenam tot 3,7 procent in 1931 (Smits 1999). De diepe economische crisis van de
               jaren dertig leidde echter opnieuw tot een sterke terugval van de handel, tot een
               vergelijkbaar niveau als honderd jaar eerder. Hoewel zich een vergelijkbaar
               patroon in veel andere landen voordeed, werd de Nederlandse uitvoer extra
               zwaar getroffen doordat Nederland lang vasthield aan de gouden standaard.
               De gulden werd hierdoor erg duur in vergelijking met andere munten die wel
               devalueerden. Als gevolg hiervan daalde het Nederlandse aandeel in de wereld-
               handel naar 3,0 procent in 1936 (Smits 1999).
               Na de Tweede Wereldoorlog herstelde de internationale handel zich en de Neder-
               landse handel volgde deze internationale trend. De omvang van de buitenlandse
               handel keerde snel terug naar het niveau van de eerste jaren na de Eerste Wereld-
               oorlog (figuur 2.1). Aanvankelijk importeerde Nederland in het kader van het
               Marshallplan vooral veel goederen uit de Verenigde Staten, waardoor een groot
               tekort op de handelsbalans ontstond. Aan het eind van de jaren vijftig begon
               echter ook de uitvoer sterk te groeien. Figuur 2.2 toont de ontwikkeling van het
               aandeel van de Nederlandse handel (invoer plus uitvoer) in de wereldhandel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 38 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 39 ======================================================================

<pre>                                                                                    de positie van nederland als handelsland
            tussen 1950 en 2000. Dit aandeel groeide aanvankelijk fors, van minder dan
            3 procent in het begin van de jaren vijftig tot iets meer dan 4 procent in het begin
            van de jaren zeventig. Dit is opmerkelijk omdat uit figuur 2.1 blijkt dat de handel
            als percentage van het Nederlandse bbp in deze periode licht terugliep.
            De verklaring hiervoor is dat het aandeel van het Nederlandse bbp in de wereld-
            productie beduidend sneller groeide dan de handel. Wordt de verhouding
            berekend tussen het Nederlandse aandeel in de wereldhandel en het Nederlandse
            aandeel in de wereldproductie, dan blijkt dit verhoudingsgetal tussen 1950 en
            1980 meer dan te halveren: van 8,5 naar minder dan 3 (de dalende curve in
            figuur 2.2).
Figuur 2.2 Aandeel van Nederland in de wereldhandel en het wereld-bbp (waarde), 1950-2000*
 8                                                                                            handel
                                                                                              bbp
 7                                                                                            verhoudingsgetal
 6
 5
                                                                                                                               35
 4
 3
 2
 1
 0
     1950       1955     1960      1965      1970       1975      1980       1985          1990        1995      2000
* Het aandeel van de Nederlandse handel is berekend op basis van het gemiddelde van de invoer en uitvoer.
  Het wereld-bbp is berekend op basis van gegevens uit de Penn World Table 6 (cic 2002).
Bron: cbs (b), wto (2002a), cic (2002); wrr-bewerking
            Na 1970 versnelde de groei van de wereldhandel, hetgeen mede de huidige
            belangstelling voor het mondialiseringsproces verklaart (zie hoofdstuk 6).
            Ook Nederland profiteerde hiervan: het aandeel van de in- en uitvoer in het bbp
            nam toe van 70 procent in 1969 naar 100 procent in 1984 en 107 procent in 2000
            (figuur 2.1). Toch bleef de groei van de Nederlandse handel achter bij die van de
            wereldhandel, waardoor het aandeel van Nederland in de wereldhandel vanaf
            1973 geleidelijk terugliep van 4,2 procent in 1973 naar 3,2 procent in 1993.
            In dezelfde periode liep het aandeel van Nederland in de wereldproductie echter
            ook licht terug, waardoor het verhoudingsgetal tussen het handelsaandeel en het
            productieaandeel van Nederland tussen 1974 en 2000 per saldo gelijk bleef op een
            niveau van 3,7. De buitenlandse handel van Nederland was in het laatste kwart
            van de vorige eeuw dus bijna vier maal zo groot als men op grond van het
</pre>

====================================================================== Einde pagina 39 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 40 ======================================================================

<pre>     neder l a nd h a ndel sl a nd
                     Nederlandse bbp zou verwachten. Het verhoudingsgetal tussen handelsaandeel
                     en productieaandeel schommelde in deze periode echter sterk. In de eerste helft
                     van de jaren tachtig schoot het omhoog: de oorzaak daarvan was dat na de tweede
                     oliecrisis in 1979 de economische activiteit in Nederland verhoudingsgewijs nog
                     sterker terugliep dan de waarde van de buitenlandse handel, waarvan de prijs
                     sterk steeg. In de tweede helft van de jaren tachtig keerde de verhouding tussen
                     het handelsaandeel en het productieaandeel weer terug naar het niveau van rond
                     1970. Uit een nadere analyse blijkt dat deze fluctuaties vrijwel volledig worden
                     verklaard door veranderingen in relatieve prijzen. Figuur 2.3 geeft daarom de
                     overeenkomstige cijfers op basis van de volumeontwikkeling van de internatio-
                     nale handel en productie.3 Het aandeel van Nederland in zowel de wereldhandel
                     als de wereldproductie blijkt nu zeer stabiel te zijn. Gedurende vrijwel de gehele
                     periode 1950-2000 lag het Nederlandse aandeel in de wereldhandel tussen
                     2,8 procent en 3,1 procent, met alleen in de perioden 1951-1953 en 1993-1994 een
                     kleine afwijking naar beneden. Ook de verhouding tussen het handelsaandeel en
                     het productieaandeel van Nederland was opvallend stabiel. Alleen tussen het
                     midden van de jaren zeventig en het eind van de jaren tachtig vertoonde deze een
                     licht stijgende trend, om daarna weer terug te vallen naar het niveau van de jaren
                     zestig en zeventig.
36
       Figuur 2.3 Aandeel van Nederland in de wereldhandel en het wereld-bbp (volume), 1950-2000
     % 11
         10
          9
          8
          7
                                                                                       handel
                                                                                       bbp
          6
                                                                                       verhoudingsgetal
          5
          4
          3
          2
          1
          0
              1950       1955        1960   1965   1970    1975    1980     1985    1990        1995      2000
       Bron: cbs (b), wto (2002a); wrr-bewerking
                     Concluderend kan worden gesteld dat het Nederlandse aandeel in de wereld-
                     handel in de afgelopen halve eeuw stabiel was en dat schommelingen in dit
                     aandeel voornamelijk zijn toe te schrijven aan verschillen in prijsstijging
                     tussen de handel en de totale productie.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 40 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 41 ======================================================================

<pre>                                                                         de positie van nederland als handelsland
          De afgelopen decennia worden onder meer gekenmerkt door de intrede van
          nieuwe landen op het speelveld van de internationale handel. Hierbij valt met
          name te denken aan een aantal landen in Oost-Azië, zoals Taiwan, Hongkong,
          Singapore en China. Het is opmerkelijk dat Nederland, in een periode waarin het
          aantal ‘partijen’ in de wereldhandel fors groeide, zijn aandeel in de wereldhandel
          op peil wist te houden. Het is daarom interessant na te gaan hoe deze handels-
          prestatie van Nederland zich verhoudt tot die van andere westerse landen.
          Hiertoe wordt in tabel 2.1 het aandeel van Nederland in zowel de wereldhandel
          als de Europese handel in de jaren tachtig en negentig vergeleken met het aandeel
          van een aantal andere landen.
          Sinds 1980 is het aandeel van Nederland in de wereldhandel licht teruggelopen,
          van 3,8 procent naar 3,4 procent. In dezelfde periode daalde het aandeel van
Tabel 2.1       Aandeel van een aantal landen in de wereldhandel en de Europese handel* (in %),
                1980-1999
                                                 1980        1990          1999            Mutatie
                                                                                          1980-1999               37
                                                                                         in %-punten
 Aandeel in de wereldhandel
 Nederland                                          3,8        3,7           3,4              -0,4
 België & Luxemburg                                 3,3        3,3           3,0              -0,3
 Duitsland                                          9,2       10,6           8,6              -0,5
 Frankrijk                                          6,6        6,6           5,2              -1,5
 Verenigd Koninkrijk                                5,9        5,9           5,4              -0,4
 eu-15                                            40,3        44,1          39,1              -1,2
 West-Europa                                      44,0        48,3          42,4              -1,6
 Europa                                           50,5        51,1          46,0              -4,5
 vs                                               11,3        13,3          15,4               4,1
 Japan                                              6,6        7,6           6,4              -0,2
 Aandeel in de Europese handel
 Nederland                                          7,6        7,2           7,5              -0,1
 België & Luxemburg                                 6,5        6,5           6,6               0,1
 Duitsland                                        18,2        20,7          18,8               0,6
 Frankrijk                                        13,2        13,0          11,3              -1,9
 Verenigd Koninkrijk                              11,6        11,5          11,8               0,2
 eu-15                                            79,7        86,4          84,9               5,2
 West-Europa                                      87,0        94,6          92,1               5,1
* Het gaat om het gemiddelde van de invoer en de uitvoer
Bron: wto (2001, 2002b, 2002c); wrr-bewerking
</pre>

====================================================================== Einde pagina 41 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 42 ======================================================================

<pre>   neder l a nd h a ndel sl a nd
               Europa in de wereldhandel ongeveer even sterk, zodat Nederland zijn handelspo-
               sitie binnen Europa heeft weten te handhaven (zie de onderste helft van tabel 2.1).
               Binnen Europa verloren de voormalige communistische landen na 1989 sterk
               terrein. Verder zagen ook de Scandinavische landen en Italië hun aandeel dalen,
               terwijl het aandeel van Spanje, Portugal en vooral Ierland sterk groeide.
               Wereldwijd groeide het handelsaandeel van Noord-Amerika en van Azië (maar
               niet van Japan) en kromp het aandeel van Afrika en het Midden-Oosten.
               Dat Nederland zijn positie in de wereldhandel wist te handhaven is in zoverre niet
               zo bijzonder, dat de groei van de wereldhandel zich voor een belangrijk deel voltrok
               binnen de traditionele handelsblokken (zie hoofdstuk 6). In 1980 had 62 procent
               van de wereldhandel West-Europa, de Verenigde Staten of Japan als herkomst of
               bestemming; in 1999 was dit 64 procent. De dominantie van deze zogeheten
               Triade is per saldo dus nog toegenomen (al neemt het aandeel sinds 1990 wel af).
               Handhaving van de Nederlandse handelspositie binnen dit blok is dus voldoende
               om het aandeel van Nederland in de wereldhandel op peil te houden.
   2.3         oriëntatie en samenstelling van de nederl andse
               handel
38
   2.3.1       de geogr afische oriëntatie van de buitenl andse
               handelsstromen
               Hoewel Nederland in de Gouden Eeuw een dominante positie verwierf in de
               handel met Azië en Amerika, was ook toen de buitenlandse handel in de eerste
               plaats op Europa gericht. Halverwege de zeventiende eeuw was niet meer dan 11
               procent van de invoer van buiten Europa afkomstig, terwijl slechts 4 procent van
               de uitvoer een niet-Europees land als bestemming had. Een eeuw later ging het
               om ongeveer een kwart van de invoer en 8 procent van de uitvoer (De Vries en
               Van der Woude 1995: 577).4 In 1830 was 18 procent van de metrische inhoud van
               Nederlandse schepen die in een Nederlandse haven afmeerden, afkomstig van
               buiten Europa, terwijl 34 procent van de vertrekkende schepen een niet-Euro-
               pees land als bestemming had (Horlings 1995: 395-396).
               De figuren 2.4 en 2.5 laten zien dat de Nederlandse handel ook in de twintigste
               eeuw zeer sterk op Europa was gericht. Zo was aan het begin van de jaren vijftig
               58 procent van de invoer afkomstig uit Europa en ging 66 procent van de export
               naar een Europees land. Deze gerichtheid op Europa is sindsdien verder toegeno-
               men. Sinds begin jaren negentig loopt het aandeel van Europa in de invoer wel
               gestaag terug. In 2000 was 63 procent van de invoer afkomstig uit een Europees
               land en liefst 85 procent van de uitvoer had een Europees land als bestemming.
               Binnen Europa heeft zich vanaf de jaren zeventig een verschuiving voorgedaan
               van handel met de buurlanden Duitsland en België (44% van de Nederlandse
               invoer en 47% van de uitvoer in 1970 tegenover resp. 28% en 38% in 2000) ten
               gunste van andere eu-landen (19% van de invoer en 26% van de uitvoer in 1970
               tegenover resp. 28% en 39% in 2000).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 42 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 43 ======================================================================

<pre>                                                                                de positie van nederland als handelsland
 Figuur 2.4a Herkomst van de Nederlandse invoer, 1917-2001
% 100
   90
   80
   70
   60
   50
   40
                                                                                     Australië en Oceanië
   30                                                                                Afrika
                                                                                     Azië
   20                                                                                Amerika
                                                                                     Europa
   10
    0
     1917   1922   1927  1932  1937  1942  1947 1952 1957  1962  1967  1972   1977   1982    1987    1992  1997
 Bron: cbs (c, e); wrr-bewerking
 Figuur 2.4b Bestemming van de Nederlandse uitvoer, 1917-2001                                                            39
%   100
     90
     80
     70
     60
     50
     40
                                                                                     Australië en Oceanië
     30                                                                              Afrika
                                                                                     Azië
     20                                                                              Amerika
                                                                                     Europa
     10
      0
       1917   1922  1927  1932  1937  1942 1947 1952 1957 1962  1967  1972  1977   1982   1987    1992    1997
 Bron: cbs (c, e); wrr-bewerking
          Wat de intercontinentale handel betreft, laat vooral het aandeel van Amerika in
          de in- en uitvoer een opvallende afname zien, terwijl het aandeel van Azië in de
          Nederlandse invoer is gegroeid. Dit laatste is het gecombineerde effect van een
          afname van de invoer uit Indonesië (die rond 1950 nog 7 à 8% van de totale
          Nederlandse invoer omvatte, waarmee Indonesië de vijfde handelspartner van
          Nederland was) en een toename van de invoer uit andere Oost-Aziatische landen
          (zoals Japan en China; van minder dan 1% van de Nederlandse invoer in 1950 naar
          8% in 2000). In de jaren negentig liep het aandeel van Azië in de invoer snel op,
</pre>

====================================================================== Einde pagina 43 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 44 ======================================================================

<pre>   neder l a nd h a ndel sl a nd
     Figuur 2.5 Nederlandse handelsrelaties met het buitenland
     1950
     2001
40
     Bron: cbs (c, e); wrr-bewerking
               van 12 procent in 1990 naar 21 procent in 2000. Bij de uitvoer werd de neergang
               van Indonesië als afzetmarkt niet gecompenseerd door een evenredige toename
               van de uitvoer naar andere Aziatische landen, waardoor het aandeel van Azië in de
               Nederlandse export is teruggelopen van 11 procent in 1950 naar 7 procent in 2000.
   2.3.2       de samenstelling van het nederl andse invoer- en uit voerpakket
               Rond 1600 luidde een verandering in de samenstelling van de Nederlandse in- en
               uitvoer de opmars van Nederland als leidende handelsnatie in. Terwijl de Neder-
               landse handel zich in de zestiende eeuw nog voornamelijk tot laagwaardige bulk-
               goederen (‘stortgoederen’) zoals hout, graan en zout beperkte, richtten de Neder-
               landse handelaren zich in de zeventiende eeuw op meer hoogwaardige producten
               (‘rijke handel’), zoals specerijen, textiel en edelmetalen uit Azië (Israel 1996).
               Tot halverwege de negentiende eeuw bleef de buitenlandse handel voor een groot
               deel uit koloniale goederen bestaan. Zo maakten tropische landbouwproducten
               in 1850 nog 58 procent van de invoer en 38 procent van de uitvoer uit (Horlings
               1995: 375-376). Het grote aandeel van koloniale goederen in de uitvoer wees toen
               al op het belang van de wederuitvoer en de rol van Nederland als stapelmarkt.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 44 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 45 ======================================================================

<pre>                                                                            de positie van nederland als handelsland
  Figuur 2.6a Samenstelling van de Nederlandse invoer naar productgroep, 1920-1996
% 100
    90
    80
    70
    60
    50
    40
    30
    20
    10
      0
       1920 1925   1930    1935    1940    1945  1950 1955 1960 1965 1970 1975   1980   1985  1990  1995
                 Vervoermiddelen
                 Machines
                 Overige fabrikaten                                                                                  41
                 Metaal
                 Textiel
                 Chemische producten
                 Minerale brandstoffen
                 Grondstoffen, oliën en vetten
                 Voeding, dranken en tabak
  Bron: cbs (c )
  Figuur 2.6b Samenstelling van de Nederlandse uitvoer naar productgroep, 1920-1996
 % 100
     90
     80
     70
     60
     50
     40
     30
     20
     10
      0
       1920 1925   1930    1935    1940     1945 1950 1955 1960 1965 1970 1975   1980    1985 1990  1995
  Bron: cbs (c )
</pre>

====================================================================== Einde pagina 45 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 46 ======================================================================

<pre>   neder l a nd h a ndel sl a nd
               In 1850 bestonden de in- en uitvoer voor ongeveer driekwart uit agrarische
               producten. Vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw liep het aandeel van
               agrarische producten in de buitenlandse handel echter snel terug.
               Figuur 2.6 geeft een indruk van de veranderingen in de samenstelling van het
               Nederlandse invoer- en uitvoerpakket sinds de Eerste Wereldoorlog. Allereerst valt
               op dat de samenstelling van het invoerpakket (figuur 2.6a) weinig verschilt van die
               van het uitvoerpakket (figuur 2.6b). Het belangrijkste verschil is dat de uitvoer
               voor een iets groter deel bestaat uit voeding, dranken en tabak, en chemische
               producten, en de invoer voor een groter deel uit machines en vervoermiddelen.
               In de tweede plaats laat ook de ontwikkeling van het aandeel van diverse produc-
               ten in de invoer en in de uitvoer globaal een parallel beeld zien. Het aandeel van
               voeding, dranken en tabak, en van grondstoffen, oliën en vetten is bij zowel de
               invoer als de uitvoer afgenomen, terwijl het aandeel van chemische producten,
               machines en vervoermiddelen bij beide is gegroeid. Verder fluctueert het aandeel
               van de minerale brandstoffen in zowel de invoer als de uitvoer sterk. Deze fluctu-
               atie wordt voornamelijk veroorzaakt door prijsschommelingen (zoals de explosie
               van de olieprijzen in de jaren zeventig).
42             Tabel 2.2 geeft een meer gedetailleerd beeld van de samenstelling van het Neder-
               landse invoer- en uitvoerpakket in 2000. Doordat hier een andere indeling wordt
               gehanteerd dan in figuur 2.6, zijn de cijfers niet direct vergelijkbaar.
               In 2000 maken agrarische producten (landbouw- en visserijproducten en
               voedings- en genotmiddelen) nog slechts 10 procent van de invoer en 16 procent
               van de uitvoer uit. Het belangrijkste in- en uitvoerartikel zijn de elektrotech-
               nische producten (waarvan ruim eenderde kantoormachines en computers), die
               ruim eenvijfde deel van de in- en uitvoer uitmaken. Het gaat hierbij voor het
               overgrote deel (80%) om zogenaamde wederuitvoer, dat zijn goederen die niet in
               Nederland worden gefabriceerd of (substantieel) worden bewerkt, maar via
               Nederland naar andere landen worden vervoerd. De elektrotechnische producten
               beslaan nog geen 10 procent van de in het binnenland geproduceerde uitvoer,
               maar zij vormen wel bijna de helft van de wederuitvoer. Ook de uitvoer van
               textiel, kleding en leder bestaat voor meer dan de helft uit wederuitvoer.
               Hun aandeel in de wederuitvoer is met 5,6 procent dan ook aanzienlijk groter dan
               hun aandeel in de binnenlands geproduceerde uitvoer (1,6%). De wederuitvoer is
               de laatste tien jaar sterk gegroeid: in 1990 beliep de wederuitvoer 20 procent van
               de totale uitvoer van goederen en in 2000 42 procent (cpb 2001: 143). In paragraaf
               2.5 wordt nader op de betekenis van deze wederuitvoer ingegaan.
               Van de producten die in Nederland worden gefabriceerd of bewerkt zijn de
               chemische, rubber en kunststofproducten de belangrijkste exportartikelen.
               Van de netto-uitvoer, na aftrek van de wederuitvoer, beslaan zij 16 procent.
               Negen procent van de waarde van de invoer en 13 procent van de uitvoer bestaat
               in 2000 uit diensten. Daarbij gaat het voornamelijk om vervoer en communica-
               tie, zakelijke diensten en toerisme.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 46 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 47 ======================================================================

<pre>                                                                             de positie van nederland als handelsland
 Tabel 2.2         Samenstelling van de Nederlandse handel in 2000 (in miljarden euro)
                                               Invoer   Uitvoer      Waarvan         Saldo     Saldo in %
                                                                      weder-       (uitvoer – van invoer
                                                                      uitvoer       invoer)
  Landbouw- en visserijproducten                 9,9       14,3          3,6             4,4        44
  Aardolie, aardgas en overige delfstoffen     17,0         5,3          0,5          -11,7        -69
  Voedings- en genotmiddelen                   13,8        28,7          2,9           14,9        108
  Textiel, kleding en leder                    10,7         7,3          5,2            -3,4       -32
  Hout en bouwmaterialen                        5,2         3,0          1,0            -2,2       -43
  Papier, papierwaren en drukwerk               6,8         5,9          1,2            -0,9       -13
  Aardolieproducten                              5,9       15,1          2,2             9,2       155
  Chemische, rubber en kunststofproducten      30,0        41,2         12,9           11,2         37
  Basismetalen en metaalproducten              14,2        13,1          5,1            -1,1        -8
  Machines                                     13,5          13          6,1            -0,5        -4
  Elektrotechnische producten                  57,0        57,3         45,9             0,4         1
  Transportmiddelen                            17,9        12,2          3,7            -5,6       -32
  Overige goederen                               5,9        4,4          2,3            -1,5       -26
  Vervoer en communicatie                        4,4       17,0                        12,6        284                43
  Financiële diensten                            1,2        1,1                         -0,1        -7
  Zakelijke diensten                           16,3        16,3                         -0,1         0
  Overige diensten                             20,5        15,5                          0,3        38
  Totaal                                      249,9      269,6          92,5           19,8          8
 Bron: cbs (2001b, d); wrr-bewerking
2.4        nederl and als distributiecentrum: het bel ang van de
           wederuit voer
           Nederland heeft een lange geschiedenis als stapelmarkt en doorvoerhaven en
           fungeert al eeuwenlang als een belangrijk distributiecentrum voor Europa. In de
           Gouden Eeuw verliep zowel een groot deel van de handel tussen het Oostzee-
           gebied en het Iberisch schiereiland als tussen Azië en Europa via Nederland.
           Halverwege de zeventiende eeuw bestond ongeveer de helft van de goederen die
           Nederland uitvoerde uit doorvoer en wederuitvoer van eerder ingevoerde goederen.
           Honderd jaar later ging het zelfs om meer dan tweederde van de uitvoer (tabel 2.3).
 Tabel 2.3        Geschat aandeel van de doorvoer en wederuitvoer in de totale uitvoer van goederen
                  door Nederland (in %), 1567-2000
                                              1567       1650          1720          1770        2000
  Aandeel doorvoer/wederuitvoer                  31          50           53             69         41
 Bron: De Vries en Van der Woude (1995: 423-424, 577); cbs (d); wrr-bewerking
</pre>

====================================================================== Einde pagina 47 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 48 ======================================================================

<pre>   neder l a nd h a ndel sl a nd
     Tabel 2.4         Invoer, uitvoer en wederuitvoer in Nederland, Hongkong en Singapore (in %), 1995-2001
                           Invoer*    Uitvoer*           Wederuitvoer t.o.v.     Binnenlands geproduceerde
                                                                                       uitvoer** t.o.v.
                          t.o.v. bbp   t.o.v. bbp   bbp      Totale   Goederen-      bbp           Totale
                                                            uitvoer    uitvoer                   uitvoer
      Nederland
      1995                     51,5         57,4    15,4        26,8       32,1     42,1             73,2
      1996                     52,2         57,9    16,0        27,6       33,3     41,9             72,4
      1997                     55,2         61,1    18,2        29,9       36,0     42,8             70,1
      1998                     55,5         61,0    19,5        32,0       38,8     41,4             68,0
      1999                     56,3         60,6    19,8        32,7       39,9     40,8             67,3
      2000                     62,4         67,2    23,1        34,3       41,3     44,2             65,7
      Hongkong
      1996                    143,2        142,1    99,5        70,0       84,8     42,7             30,0
      1997                    135,6        132,5    94,0        70,9       85,5     38,5             29,1
      1998                    127,9        129,3    92,1        71,2       86,0     37,3             28,8
44    1999                    127,8        133,5    96,0        72,0       87,4     37,4             28,0
      2000                    145,2        150,1   109,9        73,2       88,5     40,2             26,8
      2001                    138,4        143,9   105,2        73,1       89,6     38,8             26,9
      Singapore
      1995                    148,7        141,2    58,2        32,9       41,2    118,6             67,1
      1996                    142,4        135,6    55,9        33,3       41,2    111,8             66,7
      1997                    140,2        132,3    55,7        33,9       42,1    101,2             66,1
      1998                    123,4        133,5    56,6        36,1       42,4     83,2             63,9
      1999                    134,3        138,7    55,7        33,3       40,1         .            66,7
      2000                    145,2        148,7    63,7            .      42,8         .                .
      2001                    135,3        142,1    64,9            .      45,7         .                .
      * Voor Singapore exclusief diensten.
      ** Inclusief diensten.
      Bron: berekend o.b.v. cbs (b; d); Hong Kong Census & Statistics Department (2002); Singapore
      Ministry of Trade and Industry (2002a); wto (2001)
               Ook nu maakt de wederuitvoer nog altijd een belangrijk deel uit van de Neder-
               landse in- en uitvoer. De wederuitvoer bestaat uit goederen die Nederland noch
               als herkomst noch als bestemming hebben, maar wel door Nederland heen
               worden vervoerd en daarbij (tijdelijk) eigendom worden van een in Nederland
               gevestigde onderneming. De wederuitvoer moet worden onderscheiden van de
               doorvoer, waarvan sprake is als goederen, die via Nederland worden vervoerd,
               niet (tijdelijk) eigendom worden van een Nederlandse ingezetene. Doordat de
               doorvoer niet in de handelsstatistieken wordt geregistreerd, is hierover weinig
</pre>

====================================================================== Einde pagina 48 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 49 ======================================================================

<pre>                                                            de positie van nederland als handelsland
bekend. In het hiernavolgende betoog blijft de doorvoer via Nederland dan ook
buiten beschouwing.
Nederland is niet uniek in zijn omvangrijke wederuitvoer. Ook in enkele andere
kleine open economieën, zoals Hongkong en Singapore, maakt de wederuitvoer
een groot deel van de buitenlandse handel uit. Deze landen worden wel aange-
duid als stapelmarkten of entrepôt-economieën.
Tabel 2.4 geeft enige informatie over de buitenlandse handel van de drie
genoemde landen. In Nederland bedraagt de waarde van de uitvoer ongeveer
tweederde van het bbp en daarvan is weer ruim een derde (bijna een kwart van
het bbp) wederuitvoer. In Hongkong en Singapore zijn de aandelen van de
buitenlandse handel en van de wederuitvoer nog aanzienlijk groter.5 De waarde
van de uitvoer van deze landen is groter dan hun bbp en in Hongkong bestaat
deze bovendien voor bijna driekwart uit wederuitvoer. In Singapore is het
aandeel van de wederuitvoer in de totale uitvoer vergelijkbaar met Nederland
(circa eenderde), maar het gaat daarbij wel om een bedrag dat bijna tweederde van
het bbp bedraagt.
Alle drie landen laten in recente jaren zowel een groeiend aandeel van de buiten-                    45
landse handel in het bbp als een groeiend aandeel van de wederuitvoer in de
totale uitvoer zien. Het groeiende exportaandeel wordt in elk van de landen
volledig verklaard door de groei van de wederuitvoer, aangezien het aandeel van
de in het binnenland geproduceerde export (inclusief diensten) min of meer
stabiel is of zelfs daalt (in Singapore). Op langere termijn is de groei van de
wederuitvoer overigens nog aanzienlijk groter dan uit tabel 2.4 naar voren komt.
Tussen 1990 en 2000 verdubbelde het aandeel van de wederuitvoer in de Neder-
landse goederenuitvoer, van minder dan 20 procent naar 42 procent (cpb 2001:
139). In Hongkong groeide het aandeel van de wederuitvoer van nog geen 20
procent van de goederenuitvoer in 1970 naar 90 procent momenteel (Findlay en
Wellisz 1993; Hongkong Census & Statistics Department 2002). In Singapore
nam het aandeel in de goederenuitvoer toe van 34 procent in 1980 naar 46
procent in 2001 (Lim et al. 1993; Singapore Ministry of Trade and Industry 2002a).
De tekstboxen 2.1 en 2.2 gaan nader in op de betekenis van de wederuitvoer voor
respectievelijk Hongkong en Singapore. Daaruit blijkt dat de ontwikkeling van de
wederuitvoer sterk samenhangt met specifieke ontwikkelingen in de desbe-
treffende regio (Oost-Azië).
Dit geldt ook voor de wederuitvoer door Nederland. Volgens het Centraal Plan-
bureau wordt de sterke groei van de wederuitvoer in de afgelopen tien jaar
verklaard door de aantrekkelijkheid van Nederland als vestigingsplaats voor
Europese distributiecentra van (buitenlandse) multinationals in combinatie met
het wegvallen van de binnengrenzen in de eu in 1992. De vorming van de Euro-
pese interne markt maakte het voor bedrijven van buiten Europa gemakkelijker
en goedkoper om de (Noordwest-)Europese markt vanuit één punt te bedienen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 49 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 50 ======================================================================

<pre>   neder l a nd h a ndel sl a nd
     Tekstbox 2.1 Wederuitvoer door Hongkong
      Hongkong ontwikkelde zich na de Tweede Wereldoorlog tot een zeer flexibele economie, die werd
      gedomineerd door kleine, sterk op de export gerichte industriële bedrijven. Deze wisten zich snel
      aan te passen aan veranderingen in de internationale vraag, waardoor Hongkong zich achtereen-
      volgens specialiseerde in textiel, kleding, plastic, speelgoed, pruiken (!), horloges en elektronica.
      Dat kleine bedrijven een sterke positie in de internationale handel wisten te verwerven, was te
      danken aan de combinatie van lage loonkosten, hechte onderlinge netwerken en ondersteunende
      overheidsdiensten, onder meer in de vorm van informatie- en scholingscentra, promotie in het
      buitenland via de Hong Kong Trade Development Council en verzekering van risico’s via de Hong
      Kong Credit Insurance Corporation.
      Hongkong bekleedde vanouds een belangrijke positie als entrepôthaven, vooral voor de handel
      met China. Hoewel deze rol na de Tweede Wereldoorlog door het economische isolement van
      China sterk verminderde, nam het belang van Hongkong als verbindingshaven tussen China en de
      rest van de wereld vanaf de jaren zeventig, toen China zich meer openstelde, weer sterk toe.
      Het aandeel van de wederuitvoer in de export van Hongkong groeide daardoor van 19 procent in
      1970 naar 38 procent in 1984 en 90 procent in 2001.
46    Enkele recente studies wijzen uit dat de handelaren in Hongkong vooral een rol spelen bij de
      selectie en controle van de kwaliteit van goederen die uit China naar derde landen worden
      vervoerd (Young 1999; Feenstra en Hanson 2000). Daarnaast bestaat de wederuitvoer van
      Chinese goederen voor een aanzienlijk deel uit producten waarvan bedrijven in Hongkong de
      fabricage uitbesteden aan Chinese bedrijven (outsourcing). Deze producten worden vervolgens
      weer via Hongkong gedistribueerd naar derde landen. Veertig procent van de buitenlandse handel
      van Hongkong geschiedt dan ook met de Volksrepubliek China (Hong Kong Census & Statistics
      Department 2002).
      Bedrijven in Hongkong behalen een hoge marge op de wederuitvoer: tussen 1997 en 2000 liep
      deze op van 18 procent tot 21 procent van de waarde van de wederuitvoer. Deze marge is het
      hoogst voor consumptiegoederen (27%) en kapitaalgoederen (22%). Als aandeel van het bbp liep
      deze marge op van 17 procent in 1997 tot ruim 22 procent in 2001 (berekend op basis van gegevens
      van de Hong Kong Census & Statistics Department 2002). Dit is bijna viermaal zo veel als het
      aandeel van de industrie in het bbp (6% in 2000), zodat het grootste deel van deze marge in ieder
      geval niet het resultaat kan zijn van fysieke bewerking. Dat de marge op de wederuitvoer via
      Hongkong tweemaal zo groot is als die op de Nederlandse wederuitvoer wordt wellicht verklaard
      door het feit dat de informatie- en sorteerfunctie die Hongkong vervult ten aanzien van Chinese
      producten, veel minder van toepassing is op de wederuitvoer door Nederland.* Daarbij gaat het
      immers voor een belangrijk deel om producten die geleverd worden door gerenommeerde, inter-
      nationaal opererende bedrijven.
     * Dit verschil zou echter ook kunnen samenhangen met verschillen in definitie en meetmethode,
        zie noot 3.
     Bron: de informatie is grotendeels ontleend aan Findlay en Wellisz (1993) en Castells (2000: 270-276)
</pre>

====================================================================== Einde pagina 50 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 51 ======================================================================

<pre>                                                                           de positie van nederland als handelsland
Tekstbox 2.2 Wederuitvoer door Singapore
 Al in de negentiende eeuw fungeerde Singapore, dat toen een belangrijke Britse marinebasis was,
 als een stapelmarkt en doorvoerhaven voor Maleisische rubber en als doorgangshaven voor
 arbeidsmigranten. Kort voor de onafhankelijkheid, rond 1960, bestond 94 procent van de export
 van Singapore uit wederuitvoer. Na de onafhankelijkheid in 1965 ontwikkelde Singapore zich tot
 een dynamische economie met een grote aantrekkingskracht op multinationals. In toenemende
 mate ging het land eigen producten exporteren (zoals halfgeleiders en diskdrives). Singapores rol
 als doorvoerhaven werd daardoor minder belangrijk en het aandeel van de wederuitvoer in de
 totale export daalde tot eenderde in 1980. De snelle groei van andere economieën in de regio, zoals
 Thailand, Maleisië en Indonesië, droeg er echter toe bij dat Singapore in de jaren tachtig en negen-
 tig een positie als regionaal handelsknooppunt verwierf. De wederuitvoer van producten uit
 andere landen in de regio nam daardoor weer toe tot bijna de helft van de export.
 Singapore onderhoudt een enigszins vergelijkbare relatie met Maleisië als Hongkong met China.
 Zo heeft bijna een kwart van de wederuitvoer (excl. olie) van Singapore Maleisië als bestemming.
 Daarnaast zijn zowel de Verenigde Staten en de Europese Unie (gezamenlijk 23%) als een aantal
 Oost-Aziatische landen (Hongkong, Japan, Taiwan en Thailand, tezamen 27%) belangrijke
 bestemmingen voor de wederuitvoer van Singapore (Singapore Ministry of Trade and Industry
 2002b).                                                                                                            47
 Recent staat Singapores positie als doorvoerhaven overigens onder druk als gevolg van stijgende
 (arbeids)kosten en toenemende concurrentie van goedkopere Maleisische havens (Giebels 2002).
 De wederuitvoer van Singapore bestaat voor 69 procent uit machines, waarvan het grootste deel
 (40% van de totale wederuitvoer) elektrische machines en generatoren betreft, en daarnaast een
 aanzienlijk deel kantoormachines (15% van de wederuitvoer) (Singapore Ministry of Trade and
 Industry 2002a).
Bron: de informatie is grotendeels ontleend aan Lim et al. (1993) en Castells (2000: 259-262)
         Veel van deze bedrijven kozen Nederland als vestigingsplaats voor hun Europese
         distributiecentrum. Van de Nederlandse wederuitvoer heeft dan ook 87 procent
         een ander eu-land als bestemming (cpb 2001: 141).
         In subparagraaf 2.3.2 werd geconstateerd dat de samenstelling van de Nederlandse
         wederuitvoer sterk afwijkt van die van de uitvoer van binnenlands geproduceerde
         goederen. De wederuitvoer bestaat voor 55 procent uit elektrotechnische produc-
         ten, textiel, kleding en leder, die slechts 5 procent van de in Nederland geprodu-
         ceerde uitvoer uitmaken. Deze cijfers suggereren dat er geen sterke band bestaat
         tussen productie en distributie. Blijkbaar is Nederland goed in staat producten in te
         voeren en te distribueren over Europa zonder dat het is gespecialiseerd in de
         productie van die goederen. Kennis van het productieproces lijkt derhalve geen
         noodzakelijke voorwaarde te zijn voor de handel in bepaalde producten.
         Een niet-onbelangrijke vraag is welke bijdrage de wederuitvoer levert aan de
         Nederlandse welvaart. Het mag dan om grote bedragen gaan (bijna een kwart van
</pre>

====================================================================== Einde pagina 51 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 52 ======================================================================

<pre>   neder l a nd h a ndel sl a nd
     Tabel 2.5         Marge op de wederuitvoer, 1995-2000
                                 Wederuitvoer        Marge op             Marge in % van
                                 (in mln euro’s)   wederuitvoer   Wederuitvoer            bbp
      1995                             46.445          4.577            9,9              1,5
      1996                             50.435          5.398           10,7              1,7
      1997                             60.878          6.552           10,8              2,0
      1998                             69.133          7.667           11,1              2,2
      1999                             73.897          8.411           11,4              2,3
      2000                             92.488          9.664           10,4              2,4
     Bron: cbs (2002); wrr-bewerking
               het bbp), maar hoeveel verdient Nederland hieraan? Een indruk hiervan krijgt
               men door de marge op de wederuitvoer te berekenen. Deze is gelijk aan het
               verschil tussen de prijs waarvoor de wederuitgevoerde producten worden
               verkocht en de prijs waarvoor zij zijn ingekocht.
48             Tabel 2.5 laat zien dat de marge op de wederuitvoer in de tweede helft van de
               jaren negentig schommelde tussen 10 en 11 procent van de exportwaarde van de
               wederuitvoer. In verhouding tot het bbp groeide de handelsmarge op de weder-
               uitvoer echter aanzienlijk: van 1,5 procent in 1995 naar 2,4 procent in 2000.
               Hoewel de toegevoegde waarde van de wederuitvoer kleiner is dan deze handels-
               marge (daarvoor moet op deze marge nog het verbruik van intermediaire goede-
               ren en diensten in mindering worden gebracht), gaat het toch om een niet te
               verwaarlozen en bovendien groeiend deel van het binnenlands product. De
               toegevoegde waarde op de binnenlands geproduceerde uitvoer is echter aanzien-
               lijk groter, namelijk circa 60 procent (cpb 2001: 140), zodat deze een vele malen
               grotere bijdrage levert aan het binnenlands product, namelijk circa 25 procent.
               Hieruit mag niet worden geconcludeerd dat wederuitvoer als handelsactiviteit
               voor Nederland onaantrekkelijk is en dat ons land zich beter kan concentreren op
               het exporteren van ‘eigen fabrikaat’. Deze afweging hangt immers af van de
               inspanning die het vergt om een bepaalde toegevoegde waarde voort te brengen.
               Het is niet uitgesloten dat men voor de binnenlands geproduceerde export
               verhoudingsgewijs (d.w.z. per euro toegevoegde waarde) meer schaarse middelen
               moet aanwenden dan voor de wederuitvoer. Met andere woorden, de bijdrage
               van de wederuitvoer aan de Nederlandse welvaart in verhouding tot de bijdrage
               van de binnenlands geproduceerde export kan pas naar waarde worden geschat
               indien men weet hoeveel arbeidsinzet met beide vormen van export is gemoeid
               en hoeveel negatieve externe effecten zij oproepen in de vorm van congestie,
               vervuiling en uitputting van schaarse grondstoffen en energie. Helaas is deze
               informatie niet voorhanden, zodat het op dit moment niet mogelijk is tot een
               evenwichtige beoordeling te komen van de bijdragen van de wederuitvoer en van
               de binnenlands geproduceerde uitvoer aan de nationale welvaart.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 52 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 53 ======================================================================

<pre>                                                                           de positie van nederland als handelsland
2.5       de rol van multinationals in de nederl andse handel
          De buitenlandse handel van Nederland komt voor het overgrote deel voor reke-
          ning van grote ondernemingen. Ongeveer 85 procent van de Nederlandse uitvoer
          is afkomstig van multinationale ondernemingen en 77 procent van de invoer
          heeft een multinationale onderneming als bestemming (berekend op basis van
          cbs 1999: 97-99). Een rapport dat de Nederlandse handel als onderwerp heeft,
          kan dan ook niet voorbijgaan aan de cruciale rol van de multinationals.
          Deze paragraaf biedt enige feitelijke informatie over multinationale bedrijven in
          Nederland en hun rol in de buitenlandse handel. Hoofdstuk 5 gaat uitgebreid in
          op de theorie van de multinationale onderneming en hun betekenis voor de inter-
          nationale handel.
          De voc, die in 2002 400 jaar geleden werd opgericht, wordt wel beschouwd als
          de eerste onderneming met vestigingen in meerdere landen. De voc vestigde
          handelsposten, in- en verkoopkantoren, plantages en factorijen in Zuid- en Oost-
          Azië en Zuid-Afrika en de wic deed hetzelfde in Noord-, Midden- en Zuid-
          Amerika en West-Afrika. Sindsdien hebben Nederlandse ondernemers en kapi-
          taalbezitters steeds aanzienlijke bedragen in het buitenland geïnvesteerd. In de
          zeventiende en achttiende eeuw investeerden Nederlanders ook omvangrijke                                  49
          kapitalen in Europa, bijvoorbeeld in ijzer- en kopermijnen in Zweden, papierfa-
          brieken in Duitsland en houtzagerijen in Rusland. Tijdens de Franse bezetting
          (1795-1814) en de economische recessie die daaruit voortvloeide, zakten de
 Tekstbox 2.3 Korte ontstaansgeschiedenis van enkele belangrijke Nederlandse multinationals
  In 1871 begon Jurgens met de fabricage van margarine, kort daarna gevolgd door Van den Bergh; in
  1927 fuseerden zij tot de Margarine Unie en in 1929 met de Britse Lever Company tot Unilever.
  In 1890 werd de Koninklijke Nederlandsche Petroleum Maatschappij opgericht, die in 1907 met
  het Britse Shell Transport fuseerde tot De Koninklijke/Shell.
  In 1891 startte Philips de eerste gloeilampenfabriek.
  In 1901 werden De Staatsmijnen opgericht, dat zich na de sluiting van de mijnen in de jaren zestig
  ontwikkelde tot het chemieconcern DSM.
  In 1911 begon de naamloze vennootschap Enka met de productie van kunstvezels, in 1929 fuseerde
  zij met het Duitse Glanzstoff tot de Algemene Kunstzijde Unie, die in 1968 met Koninklijke Zout
  Organon opging in Akzo, dat sinds de overname van Nobel Industries AB in 1994 Akzo Nobel
  heet.
  In 1918 werd Hoogovens opgericht, dat, na een tijdelijke verbintenis met het Duitsce Hoechst in
  de jaren zeventig, in 1999 met British Steel fuseerde tot Corus.
  In 1824, 1861, 1863 en 1871 werden respectievelijk de Nederlandsche Handel-Maatschappij, de
  Twentsche Bank, de Amsterdamsche Bank en de Rotterdamsche Bank opgericht; in 1964 fuseer-
  den de eerste twee tot de Algemene Bank Nederland en de laatste twee tot de AmRo-bank, die op
  hun beurt in 1991 samengingen in abn amro.
 Bron: Van Zanden (1997: 50-58); http://www.abn-amro.nl/frameset.html?/debank/
 overaa/indexframe; http://www.akzonobel.com/company/history.asp.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 53 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 54 ======================================================================

<pre>   neder l a nd h a ndel sl a nd
                Nederlandse investeringen in het buitenland in, maar in de loop van de negen-
                tiende eeuw namen de Nederlandse activiteiten in het buitenland een hoge vlucht
                (De Goey 1999). Aan het eind van de negentiende en het begin van de twintigste
                eeuw ontstonden de eerste moderne Nederlandse multinationals, waarvan de
                meeste nog steeds de ranglijst van grootste Nederlandse ondernemingen aan-
                voeren (zie tekstbox 2.3).
                Deze bedrijven richtten in tal van andere landen vestigingen op, niet alleen in
                Europa, maar ook in Nederlands-Indië en Amerika. Vooral de Verenigde Staten
                werden een populaire bestemming voor Nederlandse investeerders.
     Tabel 2.6a        Buitenlandse directe investeringen (stromen), 1996-2000
                                              in miljarden dollars            in % van bruto investeringen
                                  1996      1997      1998     1999   2000   1996    1997     1998    1999
      Uitgaande investeringen
50    Vanuit alle landen tezamen    392       466       712    1.006  1.150    6,2     7,4     11,6    15,4
      Vanuit Nederland               31         25       37       61     73   40,0    33,7     49,5    81,1
      Nederland in % van wereld      8,0        5,3      5,3      6,1    6,4
      Inkomende investeringen
      In alle landen                385        478      693    1.075  1.271    5,9     7,5     10,9    16,3
      In Nederland                   15         11       38       43     55   19,3    15,3     50,2    56,4
      Nederland in % van wereld      3,9        2,3      5,5      4,0    4,3
     Bron: unctad (2001); wrr-bewerking
     Tabel 2.6b        Buitenlandse directe investeringen (voorraden), 1985-2000
                                             in miljarden dollars                   in % van bbp
                                  1985      1990      1995     1999   2000   1985    1990     1995    1999
      Uitgaande investeringen
      Vanuit alle landen tezamen    708     1.717     2.879    5.005  5.976    6,4     8,6     10,2    16,7
      Vanuit Nederland               48       103       168      253    326   37,3    36,2     42,4    65,7
      Nederland in % van wereld      6,8        6,0      5,8      5,1    5,5
      Inkomende investeringen
      In alle landen                894     1.889     2.938    5.196  6.314    7,8     9,2     10,3    17,3
      In Nederland                   25         67      112      193    248   19,5    23,6     28,4    50,1
      Nederland in % van wereld      2,8        3,5      3,8      3,7    3,9
     Bron: unctad (2001); wrr-bewerking
</pre>

====================================================================== Einde pagina 54 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 55 ======================================================================

<pre>                                                           de positie van nederland als handelsland
Tussen beide wereldoorlogen zakte de wereldhandel in ten gevolge van een zich
snel uitbreidend protectionisme en de diepe economische recessie van de jaren
dertig (zie hoofdstuk 6). Dit vormde echter juist een stimulans voor buitenlandse
investeringen, omdat bedrijven trachtten de handelsbarrières te omzeilen door
hun productie naar het buitenland te verplaatsen. Tussen 1914 en 1938 verdrie-
voudigden de Nederlandse investeringen in het buitenland, van 925 miljoen
dollar naar 2.700 miljoen dollar; het aandeel van Nederland in het wereldtotaal
van buitenlandse investeringen verdubbelde van 5 à 6 procent naar 10 procent
(De Goey 1999: 49). Vooral de investeringen in Nederlands Oost-Indië en de
Verenigde Staten namen in het interbellum sterk toe. De Tweede Wereldoorlog
vormde een ernstige terugslag voor de buitenlandse investeringen, maar daarna
herstelden zij zich snel, al zou het Nederlandse aandeel in de wereld niet meer
boven de 7 à 8 procent uitkomen.
De tabellen 2.6a en 2.6b geven een overzicht van de ontwikkeling van de directe
investeringen door Nederlandse bedrijven in het buitenland (uitgaande investe-
ringen) en de directe investeringen door buitenlandse bedrijven in Nederland
(inkomende investeringen), zowel op basis van de jaarlijks geïnvesteerde bedra-
gen in de tweede helft van de jaren negentig (‘stromen’) als op basis van de gecu-
muleerde voorraden aan buitenlandse bezittingen in de afgelopen vijftien jaar.6                     51
Hoewel de jaarlijkse buitenlandse investeringen door Nederlandse bedrijven
sinds 1996 meer dan verdubbeld zijn tot een bedrag van 73 miljard dollar in 2000,
is het aandeel van Nederland in de wereldwijde buitenlandse investeringen iets
teruggelopen, tot 6,4 procent (tabel 2.6a). Toch behoort Nederland daarmee nog
altijd tot de belangrijkste internationale investeerders. De waarde van de buiten-
landse investeringen bedroeg in 1999 81 procent van de totale Nederlandse inves-
teringen, een verdubbeling ten opzichte van 1996. De totale waarde van Neder-
landse bezittingen in het buitenland is sinds 1985 zevenmaal zo hoog geworden,
ten bedrage van naar schatting 326 miljard dollar in 2000, ofwel 5,5 procent van
de wereldvoorraad aan buitenlandse investeringen (tabel 2.6b). Ook dit aandeel is
de afgelopen decennia teruggelopen, doordat de totale buitenlandse investerin-
gen wereldwijd nog sneller groeiden. De bezittingen van Nederlandse bedrijven
in het buitenland vertegenwoordigden in 1999 een waarde van ongeveer twee-
derde van de totale Nederlandse productie.
Nederland is niet alleen een belangrijke bron van buitenlandse investeringen,
maar ook een belangrijke ontvanger. Ongeveer 4 procent van de wereldwijde
buitenlandse investeringen heeft Nederland als bestemming. Ter vergelijking:
het aandeel van Nederland in de wereldproductie bedraagt minder dan 1 procent.
De buitenlandse investeringen in Nederland zijn de afgelopen jaren niet alleen in
absolute bedragen sterk toegenomen (van 15 miljard dollar in 1996 naar 55 miljard
dollar in 2000; tabel 2.6a), maar ook als percentage van de wereldwijde buiten-
landse investeringen. Terwijl Nederland als donor van buitenlandse investeringen
dus enigszins terrein verliest, wordt Nederland als ontvanger van buitenlandse
investeringen steeds belangrijker. De waarde van de buitenlandse investeringen
in Nederland bedraagt momenteel al ongeveer de helft van het bbp (tabel 2.6b).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 55 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 56 ======================================================================

<pre>   neder l a nd h a ndel sl a nd
               Volgens de theorie van de multinationale onderneming, die in hoofdstuk 5 wordt
               besproken, zijn kleine, technologisch hoogontwikkelde landen met een hoog-
               opgeleide beroepsbevolking geliefde vestigingsplaatsen voor hoofdkantoren van
               multinationale ondernemingen. Nederland levert, samen met Zwitserland, een
               overtuigend bewijs voor deze stelling. Nederland telt momenteel elf 7 onder-
               nemingen op de Fortune 500 lijst (evenveel als Zwitserland), waarvan vijf in de
               top 100: De Koninklijke/Shell, ing, Ahold, Unilever en abn amro. De eerste
               en vierde hiervan zijn overigens gecombineerd Nederlands-Brits eigendom.
               Ter vergelijking: Australië heeft niet meer dan zes, Zweden vijf, België vier, en
               Finland, Luxemburg en Noorwegen twee ondernemingen in de Fortune 500 lijst
               (Fortune 2002). Ook dit zijn – gezien de omvang van deze landen – nog relatief
               grote aantallen. Tabel 2.7 geeft enkele kerncijfers van de grootste Nederlandse
               multinationals.
               Tabel 2.8 geeft een beeld van de geografische herkomst en bestemming van
               directe investeringen naar en uit Nederland. Nederlandse multinationals zijn
               sterk op Europa en de Verenigde Staten gericht: de helft van de buitenlandse
      Tabel 2.7          Omzet en werkgelegenheid van enkele Nederlandse multinationals, 2001
52
                                    Koninklijke                           Akzo                        abn
                                       Shell    Unilever Philips         Nobel     Corus   dsm       amro        ing  Ahold
                                        mln $     mln €      mln €       mln €     mln € mln € mld €a mld €a          mln €
       Omzet
       Wereldwijd                    149.146     52.206      32.339      14.110 12.428   7.970          350       254 66.593
       Waarvan (in %):
       Nederland                              -      13b          5          18       23      59         38        49     13
                                              c
       Overig Europa                       46         26        19d          45       57      18           -       40     19
       Noord-Amerika                       42e        27         28          23       12      16         38         7    59e
       Rest van de wereld                   12        35         49          14        8       7         23f        4      8
       Werkgelegenheid
       wereldwijd (x 1.000)                 90       265        206          66       65      22        112       113    271
       waarvan (in %):
       Nederland                            11        9b         18          19       20      48         33        30     21
       Overig Europa                        31        18           -         43       75      24           -       33     11
       Noord-Amerika                       42e         8           -         16        5      20           -       21     45e
       Rest van de wereld                   16        65           -         22        0       8           -       16     22
     a                                           c                                       e
       Het betreft hier de kredietverlening.       Inclusief Nederland.                     Verenigde Staten.
     b                                           d                                       f
       Schatting voor Nederland plus het           Duitsland, Frankrijk en Verenigd         Inclusief overig Europa
       Verenigd Koninkrijk.                        Koninkrijk.
      Bron: Jaarverslagen en websites van de multinationals; wrr-bewerking
</pre>

====================================================================== Einde pagina 56 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 57 ======================================================================

<pre>                                                                            de positie van nederland als handelsland
Tabel 2.8        Geografische spreiding van directe buitenlandse investeringen in en door Nederland
                 (miljarden euro’s)
                                           Stromen in 2001                     Standen in 2000
                                        Naar        Naar bestem-           Naar            Naar bestem-
                                    herkomstland      mingsland       herkomstland          mingsland
 Totaal alle landen                     62,1             49,6            252,5              323,6
 Europa                                 36,8             18,8            166,7              193,6
 Waarvan Europese Unie                  34,0             13,4            151,1              161,1
   Waarvan België                        5,0              6,9              38,3              35,1
        Duitsland                        3,9             -2,8              33,8              33,9
        Frankrijk                        2,4              3,0              13,7              18,5
        Verenigd Koninkrijk             18,2             -1,0              36,8              34,5
  Overig West- en Midden-Europa          2,5              4,2              15,5              21,8
  Waarvan Zwitserland                    1,9              3,6              12,3              15,6
  Oost-Europa                            0,3              1,2               0,1              10,7
 Amerika                                23,3             28,6              73,5             102,9
 Waarvan Verenigde Staten               22,9             23,6              58,1              84,8
 Azië                                    1,9              1,5              11,5              19,5                    53
 Waarvan Japan                           0,4             -0,1               9,2               1,1
 Afrika                                  0,0              0,4               0,1               4,2
 Oceanië                                 0,1              0,3               0,6               2,8
Bron: dnb (2002)
          bezittingen bevindt zich in de Europese Unie (eu) (waarvan weer de helft in
          België, Luxemburg en het Verenigd Koninkrijk) en een kwart in de Verenigde
          Staten (dnb 2002a). In de jaren zeventig was de geografische oriëntatie iets
          minder eenzijdig: het aandeel van de overige landen (buiten de eu en de vs)
          bedroeg toen nog 35 procent, tegenover 24 procent in 2000. Aan het begin van de
          jaren tachtig groeiden de Nederlandse investeringen in de vs explosief, waardoor
          in 1985 41 procent van de buitenlandse bezittingen zich in de vs bevond en nog
          slechts 31 procent in de eu. Nederland nam toen een kwart van alle buitenlandse
          investeringen in de vs voor zijn rekening en was daarmee, na het Verenigd
          Koninkrijk, de tweede investeerder in de vs. Deze sterke groei van investeringen
          in de vs was ten eerste het gevolg van de devaluatie van de dollar na de beëindi-
          ging van het Bretton Woods-akkoord, waardoor de vs een relatief goedkoop land
          werd. Ten tweede trachtte men (de dreiging van) protectionistische maatregelen
          door de vs te omzeilen door zelf in de vs te investeren (Narula en Hogenbirk
          1999; Feenstra 1999). Vanaf het eind van de jaren tachtig is, mede onder invloed
          van de totstandkoming van de Europese interne markt in 1992, het aandeel van de
          eu in de Nederlandse bezittingen in het buitenland weer sterk toegenomen, tot
          50 procent in 2000 (Van Hoesel en Narula 1999: 11; dnb 2002a).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 57 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 58 ======================================================================

<pre>   neder l a nd h a ndel sl a nd
               De laatste twee decennia laten een opvallende verschuiving zien in de sectorale
               verdeling van de buitenlandse investeringen (tabel 2.9). Terwijl in 1980 nog
               80 procent van de Nederlandse investeringen in het buitenland betrekking had
               op industriële activiteiten (waarvan het grootste deel olie, chemie, metaal en
               elektrotechnische industrie), is dit aandeel in 2000 geslonken tot 43 procent en
               maken diensten 57 procent van de buitenlandse investeringen uit. Daarbij gaat
     Tabel 2.9         Sectorale verdeling van directe buitenlandse investeringen in en door Nederland
                       (standen)
                                                            Buitenlandse investeringen in Nederland
                                                     In miljarden euro’s                 In % van totaal
                                                 1986                2000             1986             2000
      Landbouw en visserij                         0,0                0,2               0,1              0,1
      Industrie                                   16,9               87,0              52,5             34,5
      Waarvan delfstoffenwinning,
          aardolie en chemie                      11,2               45,1              34,9             17,9
          Metaal en elektrotechniek                2,0               15,8               6,1              6,3
54        Voedings- en genotmiddelen               2,3               13,0               7,3              5,2
      Bouwnijverheid en installatiebedrijven       0,3                1,3               0,8              0,5
      Dienstverlening                             15,0              164,0              46,7             65,0
      Waarvan handel                               5,5               41,9              17,0             16,6
          Transport, opslag en communicatie        0,5               16,4               1,5              6,5
          Bank- en verzekeringswezen               2,7               16,0               8,5              6,3
      Totaal                                      32,2              252,5            100,0            100,0
                                                    Nederlandse investeringen in het buitenland
                                                     In miljarden euro’s                 In % van totaal
                                                 1986                2000             1986             2000
      Landbouw en visserij                         0,0                0,3               0,1              0,1
      Industrie                                   34,2              137,5              62,1             42,5
      Waarvan delfstoffenwinning,
          aardolie en chemie                      21,7               55,2              39,5             17,1
          Metaal en elektrotechniek                6,8               36,6              12,4             11,3
          Voedings- en genotmiddelen               4,7               30,4               8,5              9,4
      Bouwnijverheid en installatiebedrijven       0,1                1,4               0,2              0,4
      Dienstverlening                             20,7              184,5              37,5             57,0
      Waarvan handel                               3,6               32,5               6,5             10,0
          Transport, opslag en communicatie        0,7               24,8               1,2              7,7
          Bank- en verzekeringswezen               8,1               59,5              14,8             18,4
      Totaal                                      55,0              323,6            100,0            100,0
     Bron: dnb (2002); wrr-bewerking
</pre>

====================================================================== Einde pagina 58 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 59 ======================================================================

<pre>                                                           de positie van nederland als handelsland
het voornamelijk om financiële dienstverlening (in 2000 goed voor 18% van de
buitenlandse investeringen), handel (10%) en overige dienstverlening (voorna-
melijk zakelijke diensten: 20%) (Van Hoesel en Narula 1999: 14-15; dnb 2002a).
Nederland huisvest een relatief groot aantal filialen en dochterondernemingen
van buitenlandse multinationals. Van de 2.751 grote ondernemingen (met elk een
balanstotaal van minimaal € 12,5 miljoen) die Nederland in 1999 telde, waren er
941 (34%) buitenlands eigendom. In deze bedrijven werkten in totaal ruim
400.000 personen (in fulltime equivalenten; berekend op basis van cbs (a)).
Nederland huisvest onder meer een aantal grote raffinaderijen van buitenlandse
oliemaatschappijen: Exxon, Texaco, bp en Kuwait Petroleum. Daarnaast heeft een
aantal buitenlandse multinationals zijn Europese hoofdkantoor in Nederland
gevestigd of heeft plannen hiervoor (o.a. Cisco en Starbucks Coffee). Nederland
blijkt ook populair te zijn als distributiecentrum voor (West-)Europa (o.a. Sony
en Nissan). Een deel van de buitenlandse vestigingen in Nederland heeft dan ook
voornamelijk een distributiefunctie. Deze buitenlandse ondernemingen zijn
mede verantwoordelijk voor het grote aandeel van de wederuitvoer in de Neder-
landse export, die in paragraaf 2.4 is besproken.
De multinationals nemen een groot deel van de buitenlandse handel van Neder-                        55
land voor hun rekening. Aan het eind van de jaren negentig exporteerden de
Nederlandse vestigingen van (Nederlandse en buitenlandse) niet-financiële
multinationals jaarlijks voor een totaalbedrag van circa 150 miljard euro, dat is
ruim 80 procent van de totale goederenuitvoer van Nederland. De invoer van
multinationals bedroeg rond 120 miljard euro, ruim 70 procent van de totale
goedereninvoer.8 Tabel 2.10 geeft een overzicht van de in- en uitvoer door grote
ondernemingen in Nederland.
Hoewel de grote Nederlandse bedrijven gezamenlijk meer dan anderhalf maal
zoveel verkopen en inkopen als de grote buitenlandse bedrijven, voeren de
buitenlandse bedrijven beduidend meer uit en in. De Nederlandse vestigingen
van buitenlandse multinationals zijn dus sterker op de buitenlandse handel
gericht dan de Nederlandse bedrijven. Dit hangt samen met de eerder gesigna-
leerde functie van Nederland als distributiecentrum en doorvoerhaven voor het
Europese achterland. Dit betekent overigens niet dat de Nederlandse multinatio-
nals in het algemeen een minder sterke internationale oriëntatie hebben dan de
buitenlandse multinationals. Integendeel, Nederlandse multinationals zijn over
het algemeen juist sterk geïnternationaliseerd, zoals bijvoorbeeld blijkt uit de
door de unctad berekende ‘transnationaliteitsindex’ (unctad 2001).9 Het
gegeven dat de buitenlandse multinationals in Nederland meer in- en uitvoeren
kan worden verklaard uit het feit dat de Nederlandse vestigingen (waaronder het
hoofdkantoor) van Nederlandse multinationals meer op indirecte activiteiten
(management, r&d, marketing, e.d.) zijn gericht dan op productie en distributie.
Een belangrijk deel van de handel van multinationals bestaat uit leveringen door
of aan buitenlandse vestigingen van dezelfde onderneming, de zogenaamde
</pre>

====================================================================== Einde pagina 59 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 60 ======================================================================

<pre>   neder l a nd h a ndel sl a nd
     Tabel 2.10        Omzet, uitvoer, inkopen en invoer door grote niet-financiële ondernemingen in
                       Nederland, 1999
                                          In miljarden euro’s              Aandeel van grote ondernemingen
                                                                              in totale uitvoer/invoer in %
                        Alle onder-        Grote ondernemingen
                         nemingen Totaal      Nederlands Buitenlands       Totaal Nederlands Buitenlands
      Omzet                         423            269        153
      Uitvoer
      - Industrie                     84            45         38             45           24           21
      - Handel                        44             8         36             24            4           19
      - Overige                       26            15         11             14            8            6
      Totaal                   185  154             68         85             83           37           46
      Intrafirm uitvoer
      - Industrie                     43            22         21             23           12           11
      - Handel                        22             2         20             12            1           11
56    - Overige                         7            2           5             4            1            3
      Totaal                          71            25         46             39           14           25
      Inkopen                       321            193        128
      Invoer
      - Industrie                     51            25         26             30           15           15
      - Handel                        53            13         41             31            8           24
      - Overige                       16             6         10             10            4            6
      Totaal                   170  121             44         77             71           26           45
      Intrafirm invoer
      - Industrie                     28            13         15             16            7            9
      - Handel                        34             1         32             20            1           19
      - Overige                         9            1           8             5            0            5
      Totaal                          70            15         56             41            9           33
     Bron: wrr-berekening op basis van door de divisie Bedrijfseconomische statistieken van het cbs
     verstrekte gegevens afkomstig uit de Statistiek financiën van grote niet-financiële ondernemingen.
               intrafirm trade. Bij de grote Nederlandse ondernemingen bestaat ongeveer een
               derde van de in- en uitvoer uit intrafirm trade, bij de buitenlandse multinationals
               in Nederland gaat het om ruim de helft van de uitvoer en zelfs driekwart van de
               invoer (tabel 2.10). De totale intrafirm trade bedroeg in 1999 39 procent van de
               export en 41 procent van de import van goederen door Nederland.
               Onder de Nederlandse ondernemingen zijn het vrijwel uitsluitend industriële
               bedrijven die goederen aan een buitenlandse vestiging leveren of van een buiten-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 60 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 61 ======================================================================

<pre>                                                                            de positie van nederland als handelsland
Tekstbox 2.4 Buitenlandse handel door het mkb
 Hoewel het overgrote deel van de invoer en uitvoer in Nederland voor rekening komt van grote
 bedrijven, neemt ook een substantieel deel van het mkb deel aan de buitenlandse handel. Van de
 ondernemingen in het mkb (tot 100 werkzame personen) importeert 23 procent goederen en/of
 diensten; 19 procent van de mkb-ondernemingen exporteert;* 10 procent voert zowel goederen
 en/of diensten in als uit (De Graaff en Overweel 2002: 9, 14). De waarde van de invoer bedraagt
 naar schatting 25 procent van het totale verbruik van het mkb; voor het grootbedrijf is dit 35
 procent (De Graaff en Overweel 2002: 14). De exportquote (in procenten van de totale omzet)
 bedraagt voor het mkb gemiddeld 16 procent; voor het grootbedrijf beloopt dat verhoudingscijfer
 36 procent (berekend op basis van mkb-Nederland 2000: 12, en door het cbs verstrekte gegevens).
 Buitenlandse activiteiten hangen sterk samen met de grootte van het bedrijf. Van de bedrijven met
 maximaal 10 werkzame personen importeert slechts 22 procent; van de bedrijven met 75-100
 werkzame personen is dit 34 procent (De Graaff en Overweel 2002: 10). Het aandeel exporteurs
 varieert van 12 procent onder de kleinste bedrijven (minder dan 5 werkzame personen) tot 45
 procent onder de middelgrote bedrijven (50-250 werkzame personen) (mkb-Nederland 2000: 15).
 De meeste kleine importeurs en exporteurs richten zich op landen in de directe nabijheid van
 Nederland. Van de mkb-export gaat 30 procent naar België en Luxemburg en 28 procent naar
 Duitsland (mkb-Nederland 2000: 17). Van de mkb-import is bijna de helft afkomstig uit Duits-                        57
 land en bijna eenderde uit België en Luxemburg (De Graaff en Overweel 2002: 16). Dit resultaat
 komt overeen met een onderzoek onder Franse bedrijven, waaruit bleek dat 38 procent van de
 exporterende bedrijven slechts naar één land uitvoert en 47 procent van de importerende bedrij-
 ven slechts uit één land invoert (Eaton et al. 2001). De spreiding van herkomst- en bestemmings-
 landen is onder de kleine Franse bedrijven echter veel groter dan onder de Nederlands bedrijven:
 8 procent exporteert naar België en Luxemburg, 6 procent naar Zwitserland, 5 procent naar Duits-
 land en 2 procent naar Italië.
 Op basis van de kenmerken van de kleine en middelgrote bedrijven die wel exporteren, heeft het
 Economisch Instituut voor het Midden- en Kleinbedrijf (eim) het onbenutte exportpotentieel in
 het mkb geschat. Volgens het eim zou het aantal exporterende bedrijven bijna kunnen verdubbe-
 len en zou (in de industrie) de waarde van de export met 37 procent kunnen stijgen (mkb-Neder-
 land 2000: 13; eim 2000). Hierbij is nog geen rekening gehouden met de mogelijkheid dat de
 exporterende bedrijven meer zouden kunnen uitvoeren dan momenteel het geval is.
 De belangrijkste reden voor ondernemingen in het mkb om niet te exporteren is overigens dat zij
 er eenvoudigweg geen behoefte aan hebben: 60 procent vindt de Nederlandse markt groot genoeg.
 Verder stelt 35 procent van de bedrijven dat hun product niet geschikt is voor de export. Onbe-
 kendheid met de buitenlandse markt en met buitenlandse handelsgebruiken en wetten wordt
 door respectievelijk 14 procent en 6 procent genoemd als reden om niet te exporteren (mkb-
 Nederland 2000: 18).
* Volgens een onderzoek van het nipo in opdracht van mkb-Nederland bedraagt het aantal expor-
   teurs echter niet meer dan 13 à 15 procent van het aantal bedrijven in het mkb (mkb-Nederland
   2000: 12).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 61 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 62 ======================================================================

<pre>   neder l a nd h a ndel sl a nd
               landse vestiging ontvangen. Bij de buitenlandse multinationals komt intrafirm
               trade ook veel voor in handelsondernemingen. Deze zijn zelfs verantwoordelijk
               voor bijna tweederde van de intrafirm-invoer door buitenlandse multinationals
               in Nederland. Het gaat hierbij waarschijnlijk voornamelijk om distributiecentra
               die goederen aangeleverd krijgen door het buitenlandse moederbedrijf. Ook deze
               cijfers onderstrepen het belang van de distributiefunctie van buitenlandse multi-
               nationals in Nederland.
               Dat het grootste deel van de Nederlandse handel voor rekening komt van grote
               bedrijven en multinationals, betekent niet dat de buitenlandse handel voor het
               midden- en kleinbedrijf (mkb) van geen belang zou zijn. Ongeveer eenderde van
               de bedrijven in het mkb drijft handel met het buitenland en de invoer en uitvoer
               maken ongeveer een kwart van de inkopen respectievelijk eenzesde van de
               verkopen van het mkb uit. Tekstbox 2.4 geeft nadere informatie over de buiten-
               landse handel van het mkb.
   2.6         werkgelegenheid en handel
               De omvang van de buitenlandse handel van Nederland duidt erop dat deze
58             handelsstromen van groot belang zijn voor de Nederlandse welvaart en werk-
               gelegenheid. Helaas zijn er geen cijfers beschikbaar over de omvang van de werk-
               gelegenheid die direct of indirect is gerelateerd aan de buitenlandse handel.
               Buitenlandse handel is immers een activiteit die door velerlei soorten bedrijven
               en in uiteenlopende beroepen wordt uitgeoefend. Buitenlandse handel wordt
               niet alleen gedreven door handelsbedrijven (zoals handelshuizen), maar ook door
               industriële bedrijven en dienstverlenende bedrijven. Het grootste deel van de
               handel komt dan ook voor rekening van bedrijven die niet tot de bedrijfstak
     Tabel 2.11        Werkgelegenheid en loonsom van handelsfuncties in Nederland, 1997
      Definitie handelsfunctie                   Absoluut                          In % van totaal
                                    Werkgelegenheid       Loonsom          Werkgelegenheid      Loonsom
                                        (x 1.000)        (x fl. 1 mld.)
      Handel in enge zin                    776              33,4                12,8              11,5
      Complementaire
      handelsactiviteit                     335                8,4                5,5               2,9
      Handel in ideeën en
      informatie                            177              13,1                 2,9               4,5
      Voorwaardenscheppende
      handelsactiviteiten                   126                6,4                2,1               2,2
      Transport en distributie              336              14,0                 5,5               4,8
      Totaal                              1.750              70,6                28,8              25,7
     Bron: Van Dalen en Van Vuuren (2003)
</pre>

====================================================================== Einde pagina 62 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 63 ======================================================================

<pre>                                                           de positie van nederland als handelsland
handel behoren. De gebruikelijke sectorindeling geeft daardoor geen goed inzicht
in het belang van de buitenlandse handel voor de Nederlandse welvaart en werk-
gelegenheid.
Om toch enig inzicht te krijgen in de omvang van de handelsactiviteiten hebben
Van Dalen en Van Vuuren (2003) in opdracht van de wrr onderzocht hoeveel
werkzame personen in Nederland een activiteit verrichten die als onderdeel van
de handel kan worden beschouwd en welk aandeel zij hebben in de totale werk-
gelegenheid en in de totale loonsom. Dit onderzoek is verricht op basis van gege-
vens uit het Loonstructuuronderzoek (lso) van het Centraal Bureau voor de
Statistiek. Helaas was het hierbij niet mogelijk een onderscheid te maken tussen
binnenlandse handel en buitenlandse handel. De hier gepresenteerde cijfers
betreffen derhalve de totale handel (tabel 2.11).
De omvang van de werkgelegenheid in de handel hangt vanzelfsprekend sterk af
van de gehanteerde definitie van handelsactiviteiten. In de meest enge definitie
gaat het uitsluitend om ‘handeldrijven in het groot’, ‘inkopen’ en ‘verkopen’ (al
dan niet als vertegenwoordiger). Het gaat dan om ruim driekwart miljoen werk-
zame personen, dat is bijna 13 procent van de totale werkgelegenheid. Wordt een
veel ruimere definitie gehanteerd, waarbij ook complementaire handelsactivitei-                     59
ten (zoals ontvangen, afrekenen en opslaan), de handel in ideeën en informatie
(zoals advisering en voorlichting), voorwaardenscheppende handelsactiviteiten
(zoals inspecteren en bewaken) en transport en distributie (zoals laden en lossen,
bezorgen en het besturen van een vervoermiddel) worden meegerekend, dan zijn
1,75 miljoen mensen in de handel werkzaam, dat is 29 procent van de totale werk-
gelegenheid. Deze personen ontvingen in 1997 gezamenlijk bijna 71 miljard
gulden aan loon, dat is bijna 26 procent van de totale loonsom. Dat het aandeel
van de handelsfuncties in de loonsom iets kleiner is dan het aandeel in de werk-
gelegenheid heeft twee oorzaken. In de eerste plaats wordt in de handel gemid-
deld iets korter gewerkt dan in andere functies, waardoor het aandeel van de
handelsfuncties in het arbeidsvolume (het totale aantal gewerkte uren) met
27,6 procent iets kleiner is dan het aandeel in de werkgelegenheid in personen.
In de tweede plaats is het gemiddelde uurloon voor handelsfuncties lager dan het
gemiddelde loon in Nederland. Dit hangt onder meer samen met het feit dat het
functieniveau van handelsactiviteiten en het opleidingsniveau van de personen
die in deze functies werken wat lager zijn dan het gemiddelde voor de beroeps-
bevolking.
Hoewel deze cijfers, zoals gezegd, geen inzicht bieden in het belang van de
buitenlandse handel voor de Nederlandse werkgelegenheid en welvaart, maken
zij wel duidelijk dat een groot deel – meer dan een kwart – van de Nederlandse
beroepsbevolking werkzaam is in een functie die direct of indirect op handel is
gericht. Het belang van handelsactiviteiten voor Nederland is daarmee aanzien-
lijk groter dan men louter op basis van de werkgelegenheid in de sector handel
(die zo’n 16% van de werkgelegenheid omvat10) zou verwachten.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 63 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 64 ======================================================================

<pre>   neder l a nd h a ndel sl a nd
   2.7         conclusie
               In een periode van meer dan vijfhonderd jaar heeft de Nederlandse handel met
               het buitenland natuurlijk grote veranderingen ondergaan. Toch lopen, als men de
               specifieke kenmerken van de Nederlandse handel overziet, de constanten en
               overeenkomsten met het verleden meer in het oog dan de veranderingen en
               discontinuïteiten. Met name wordt de Nederlandse handel al eeuwenlang door de
               volgende vijf ‘constanten’ gekenmerkt.
               Een eerste constante is dat Nederland als kleine open economie altijd erg gevoelig
               is geweest voor internationale ontwikkelingen. Oorlogen gingen, vooral als
               Nederland daarin zelf betrokken was, meestal gepaard met een sterke terugval
               in de buitenlandse handel (het uitbreken van de Tachtigjarige Oorlog, de zee-
               oorlogen met Engeland in de achttiende eeuw, de Napoleontische oorlogen en de
               Eerste en Tweede Wereldoorlog11). Nederland is als kleine handelsnatie vanzelf-
               sprekend ook erg gevoelig voor protectionistische maatregelen van, met name de
               grote, handelspartners.
               Een tweede constante van de Nederlandse handel is de sterke oriëntatie op
60             Europa. Zelfs halverwege de achttiende eeuw, toen de voc-handel met Azië zijn
               hoogtepunt bereikte, maakten koloniale goederen minder dan de helft van de
               totale handel uit en was slechts een kwart van de invoer rechtstreeks afkomstig
               uit een niet-Europees land (De Vries en Van der Woude 1995: 577). Mede ten
               gevolge van de Europese eenwording is de gerichtheid op Europa de laatste
               decennia eerder toe- dan afgenomen.
               Een derde constante, die nauw met de voorgaande samenhangt, is de positie van
               Nederland als stapelmarkt en distributiecentrum voor Europa. In de zeventiende
               en achttiende eeuw bestond meer dan de helft van de Nederlandse uitvoer uit
               doorvoer en heruitvoer van geïmporteerde goederen, momenteel beloopt de
               wederuitvoer ongeveer 40 procent van de uitvoer van goederen.
               Een vierde constante is de voorname rol van grote en multinationale onder-
               nemingen in de handel. In de zeventiende en achttiende eeuw had de voc, die
               wel als de eerste multinational wordt beschouwd, een monopolie in de handel
               met Oost-Indië en tegenwoordig komt meer dan tweederde van de buitenlandse
               handel voor rekening van (Nederlandse en buitenlandse) multinationals.
               Een vijfde constante is het relatief grote aandeel van landbouwproducten en
               voedingsmiddelen in het exportpakket. Weliswaar is dit aandeel gestaag terug-
               gelopen, van circa driekwart van de uitvoer in de eerste helft van de negentiende
               eeuw (Horlings 1995: 376) naar zo’n 20 procent aan het eind van de twintigste
               eeuw. Toch is dit exportaandeel nog altijd opvallend groot in vergelijking met
               het relatief geringe belang van deze sectoren voor de Nederlandse economie.
               Het aandeel van de toegevoegde waarde van de landbouw en de voedings-
               middelenindustrie in het bbp bedroeg in 2000 immers niet meer dan 5 procent.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 64 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 65 ======================================================================

<pre>                                                           de positie van nederland als handelsland
Het signaleren van deze constanten in de positie van Nederland als handelsland
roept twee vragen op. In de eerste plaats: hoe zijn deze constanten te verklaren?
In de tweede plaats: zullen deze constanten ook in de toekomst kenmerkend
blijven voor de Nederlandse handelspositie? Dit rapport heeft niet de pretentie
deze vragen volledig te kunnen beantwoorden. De kenmerken van de handels-
positie van een land vloeien onvermijdelijk mede voort uit historische toeval-
ligheden en padafhankelijkheden, waardoor het onmogelijk is om specifieke
handelspatronen volledig uit de handelstheorie te verklaren. Toekomstige
ontwikkelingen zijn doorgaans zo ongewis, dat deze onmogelijk volledig zijn te
voorzien. Niettemin wordt in dit rapport gepoogd enig licht op beide vragen te
werpen.
In de hoofdstukken 3 tot en met 5 wordt mede een antwoord gezocht op de eerste
vraag. Daartoe wordt eerst nagegaan of de ‘traditionele’ neoklassieke theorie van
de internationale handel een verklaring biedt voor de Nederlandse handelspositie
en wordt vervolgens een aanvullende verklaring geschetst die is gebaseerd op de
transactiekostentheorie.
De tweede vraag komt aan de orde in hoofdstuk 6, waarin twee ontwikkelingen
worden beschreven die van grote invloed zouden kunnen zijn op de toekomstige                        61
ontwikkeling van de internationale handel en de rol die Nederland daarin speelt,
te weten de mondialisering en de opmars van ict.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 65 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 66 ======================================================================

<pre>   neder l a nd h a ndel sl a nd
   noten
   1
               Deze paragraaf is voornamelijk gebaseerd op De Vries en Van der Woude (1995),
               Horlings (1995), Smits (1995; 1999), Israel (1996), Landes (1998) en O’Rourke en
               Williamson (1999).
   2
               Dit percentage is berekend op basis van het gemiddelde van de geschatte buiten-
               landse handel in 1720 en 1770 (De Vries en Van der Woude 1995: 577) en een
               schatting van het nationaal inkomen in 1742 (De Vries en Van der Woude 1995:
               810).
   3
               Deze cijfers zijn echter erg gevoelig voor de berekening van de prijsstijging van
               zowel de handel als de productie. Aangezien de prijs- en volumecijfers voor
               Nederland en voor de wereld uit verschillende bronnen afkomstig zijn, is niet
               uitgesloten dat zij onderling niet goed vergelijkbaar zijn.
   4
               Het veel grotere aandeel van koloniale goederen in het in- en uitvoerpakket (zie
               par. 2.4) wordt verklaard door het feit dat een aanzienlijk deel van deze goederen
               via andere Europese landen, met name Engeland en Frankrijk, werd doorgevoerd.
   5
               Hierbij moet de kanttekening worden geplaatst dat de verschillen deels het
               gevolg kunnen zijn van verschillen in definities en meetmethoden. Afhankelijk
62             van hoe strikt men het criterium hanteert dat de wederuitgevoerde producten
               geen substantiële bewerking hebben ondergaan, zal het aandeel van de wederuit-
               voer groter of kleiner zijn.
   6
               Directe buitenlandse investeringen (foreign direct investment of fdi) zijn bedoeld
               om zeggenschap in het bestuur van de buitenlandse onderneming te verkrijgen.
               Deze dienen te worden onderscheiden van zogenoemde portfolio-investeringen,
               waarbij het gaat om aankopen van buitenlandse aandelen om louter financiële
               redenen. Deze portfolio-investeringen blijven hier verder buiten beschouwing.
   7
               Hierbij wordt Fortis als een Belgisch bedrijf aangemerkt.
   8
               Berekend op basis van cbs (1999: 97-99) en door het cbs verstrekte gegevens.
               Gegevens over de in- en uitvoer van diensten door multinationals zijn niet
               beschikbaar.
   9
               Deze index wordt berekend als het gemiddelde van drie quotiënten: het buiten-
               landse vermogen ten opzichte van het totale vermogen, de buitenlandse verko-
               pen ten opzichte van de totale verkopen en de buitenlandse personeelsomvang
               ten opzichte van de totale personeelsomvang.
   10
               Het arbeidsvolume van de groothandel, detailhandel en reparatie, en autohandel
               en -reparatie gezamenlijk bedroeg in 1997 971.000 arbeidsjaren, dat is 16 procent
               van het totale arbeidsvolume van 5.992.000 (cbs f).
   11
               In de eerste jaren van de Tweede Wereldoorlog groeide de uitvoer naar Duitsland
               weliswaar sterk (een verviervoudiging tussen 1939 en 1941), maar dit werd meer
               dan tenietgedaan doordat de handel met andere landen, in het bijzonder
               Amerika, Groot-Brittannië en Indonesië, instortte. Als gevolg daarvan halveerde
               de totale buitenlandse handel van Nederland tussen 1939 en 1941 (cbs c).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 66 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 67 ======================================================================

<pre>                                                            theorie en empirie van de internationale handel
3     theorie en empirie van de internationale
      handel
3.1   inleiding
      Dit rapport beziet de internationale handel vanuit het transactiekostenperspectief.
      Om duidelijk te maken wat dit perspectief toevoegt aan de bestaande inzichten,
      schetst dit hoofdstuk zeer beknopt de traditionele leer van de internationale
      handel, waarin transactiekosten geen rol spelen. Dit hoofdstuk heeft geenszins de
      pretentie een uitputtend overzicht te bieden van het theoretische en empirische
      onderzoek naar de mechanismen en determinanten van de internationale handel.
      Dit zou de ruimte van een compleet rapport vergen. Vele belangrijke bijdragen
      aan de theorie van de internationale handel blijven in dit rapport dan ook onbe-
      sproken, zoals de productcyclustheorie en de ‘nieuwe economische geografie’.
      De aandacht beperkt zich in dit hoofdstuk tot de (neo)klassieke handelstheorie
      van de comparatieve voordelen en een moderne variant daarvan die wel als de
      ‘nieuwe handelstheorie’ wordt aangeduid. De nadruk die deze theorieën leggen
      op het belang van comparatieve voordelen in de sfeer van de productie, brengt
      duidelijk het onderscheid met het transactiekostenperspectief op de internatio-                       63
      nale handel voor het voetlicht, aangezien daarin juist de nadruk ligt op compara-
      tieve voordelen in het handelen zelf.
      Dit hoofdstuk is als volgt opgebouwd. Paragraaf 3.2 geeft een overzicht van de
      traditionele leer van de internationale handel in de vorm van de (neo)klassieke
      handelstheorie en de nieuwe handelstheorie. In paragraaf 3.3 wordt nagegaan
      in hoeverre empirisch onderzoek steun biedt voor deze handelstheorieën.
      Paragraaf 3.4 richt zich specifiek op Nederland en tracht de vraag te beantwoor-
      den of het besproken theoretische en empirische economische onderzoek
      houvast biedt om de handelspositie van Nederland te verklaren. Paragraaf 3.5
      trekt een aantal conclusies uit het voorgaande en wijst op enkele belangrijke
      manco’s in de besproken theorieën van de handel.
3.2   theorieën van de internationale handel
3.2.1 het (neo)kl assieke model: compar atieve voordelen
      Waarom drijven landen handel met elkaar? Het standaardantwoord van econo-
      men op deze vraag is dat internationale handel het mogelijk maakt om door
      arbeidsdeling te profiteren van de sterke punten van andere landen. Handel wordt
      gedreven door het bestaan van comparatieve voor- en nadelen. Als Nederland
      relatief goed is in het telen van tomaten en Duitsland in het fabriceren van auto’s,
      dan is het voor beide landen voordelig als Nederland tomaten exporteert naar
      Duitsland en auto’s importeert uit Duitsland. Er ontstaat zo een internationale
      arbeidsverdeling die zowel de welvaart op wereldschaal als de welvaart van
      afzonderlijke landen vergroot. In wezen gaf Adam Smith hetzelfde argument in
</pre>

====================================================================== Einde pagina 67 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 68 ======================================================================

<pre>   neder l a nd h a ndel sl a nd
               zijn Wealth of nations voor de arbeidsdeling binnen en tussen bedrijven. Arbeids-
               deling maakt specialisatie mogelijk, waardoor iedereen – iedere persoon, maar
               ook ieder bedrijf of ieder land – datgene doet waarin hij of zij het beste is. Het
               ‘beste’ moet hierbij niet in absolute, maar in relatieve termen worden begrepen.
               De internationale handel wordt dan ook niet bepaald door absolute, maar door
               relatieve comparatieve kostenvoordelen. Een land heeft een comparatief kosten-
               voordeel indien het een bepaald product in verhouding tot andere producten
               (maar niet noodzakelijkerwijs in absolute zin) goedkoper kan produceren dan een
               ander land. Een land zal goederen en diensten exporteren waarin het een compa-
               ratief voordeel heeft en goederen en diensten importeren waarin het een compa-
               ratief nadeel heeft.
               De Engelse econoom Ricardo, de grondlegger van de klassieke theorie, zocht de
               bron van comparatieve voordelen in technologieverschillen tussen landen die
               resulteren in verschillen in de productiviteit van diverse productiefactoren.
               Aan het begin van de twintigste eeuw legden de Zweedse economen Heckscher
               en Ohlin de nadruk op verschillen tussen landen in de beschikbaarheid van
               productiefactoren. In dit neoklassieke factorproportiesmodel of Heckscher-
               Ohlin-model exporteert een land goederen die worden geproduceerd met
64             productiefactoren die relatief overvloedig aanwezig zijn en importeert het goede-
               ren waarvoor de benodigde productiefactoren in het desbetreffende land relatief
               schaars zijn. Een klein, dichtbevolkt land zal dan naar verwachting arbeidsinten-
               sieve producten exporteren en producten waarvoor veel land nodig is importe-
               ren. Een land met een hoogopgeleide beroepsbevolking zal kennisintensieve
               producten exporteren en kennisextensieve producten importeren.1
               De relatieve omvang van de buitenlandse handel van een land is afhankelijk van
               de mate waarin de beschikbaarheid van productiefactoren in het land afwijkt van
               die in andere landen. Niet alleen een overvloed aan bepaalde productiefactoren,
               maar ook schaarste vormt een stimulans voor handel. Aangezien de diversiteit
               aan productiefactoren in kleine landen doorgaans minder is dan die in grote
               landen, nemen kleine landen vaker een excentrische positie in. In grote landen
               worden de verschillen tussen de regio’s min of meer uitgemiddeld. Daarom drij-
               ven kleine landen over het algemeen relatief veel buitenlandse handel.
               De (neo)klassieke theorie van de internationale handel is gebaseerd op een aantal
               restrictieve vooronderstellingen, waaraan in de praktijk vaak niet wordt voldaan.
               Een belangrijke vooronderstelling van dit standaardmodel is, dat de productie-
               factoren zijn gebonden aan een land, dat wil zeggen dat zij niet internationaal
               mobiel zijn, terwijl de handel in goederen en diensten geen belemmeringen
               ondervindt. De veronderstelling van immobiele productiefactoren is realistisch
               voor grond en voor delfstoffen. Voor de productiefactor arbeid geldt dit al iets
               minder, hoewel de internationale arbeidsmigratie slechts een klein deel van de
               mondiale beroepsbevolking omvat (zie subpar. 6.2.1). Voor kapitaal is de veron-
               derstelling van immobiliteit nog minder realistisch. Naarmate productiefactoren
</pre>

====================================================================== Einde pagina 68 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 69 ======================================================================

<pre>                                                            theorie en empirie van de internationale handel
      mobieler zijn, kunnen internationale handelsstromen deels worden vervangen
      door verplaatsing van productiefactoren (zie par. 5.4 over multinationals).
      Ook de veronderstelling dat er geen handelsbelemmeringen zijn, is niet realis-
      tisch. Internationale handel werd en wordt altijd geconfronteerd met tal van
      hindernissen. Handelsbelemmeringen zijn onder meer het gevolg van transport-
      kosten, handelstarieven (invoerheffingen) en andere in- en uitvoerbelemmerin-
      gen, zoals administratieve procedures, quota en kwaliteitseisen. Hoge handels-
      barrières kunnen ertoe leiden dat landen, ondanks grote verschillen in
      comparatieve voor- en nadelen, toch geen handel met elkaar drijven.
      De weinig realistische veronderstellingen die aan het standaardmodel ten grond-
      slag liggen zijn in de loop van de tijd aanleiding geweest om tal van varianten op
      of alternatieven voor dit model te ontwikkelen, waarin van meer realistische
      veronderstellingen wordt uitgegaan. Hierbij valt onder meer te denken aan de
      productcyclustheorie van Vernon (1966), aan de theorie van de representatieve
      vraag van Linder (1961), waarin vraagfactoren een centrale plaats innemen, en aan
      Myrdals theorie van ‘circular and cumulative causation’ (Myrdal 1957). Aan deze
      varianten op en alternatieven voor de standaard (neo)klassieke theorie wordt hier
      voorbijgegaan. Ter illustratie wordt hier alleen kort aandacht besteed aan één                        65
      variant, de zogenoemde nieuwe handelstheorie, waarin sprake is van schaalvoor-
      delen.
3.2.2 de nieuwe handelstheorie: schaalvoordelen
      Het standaardmodel ‘voorspelt’ dat vooral landen die sterk van elkaar verschillen
      in productiefactoren en technologie onderling handeldrijven. In werkelijkheid is
      de handel tussen landen die veel op elkaar lijken (bijv. tussen de rijke westerse
      landen onderling) echter vele malen groter dan die tussen landen die sterk
      verschillen (bijv. tussen rijke westerse landen en ontwikkelingslanden).
      Verder bestaat volgens het standaardmodel de uitvoer van land a naar land b uit
      een ander soort producten dan de uitvoer van land b naar land a. Het is volgens
      dit model bijvoorbeeld niet mogelijk dat Duitsland zowel auto’s naar de
      Verenigde Staten uitvoert als auto’s uit de vs invoert. Duitsland zou dan immers
      ten opzichte van de vs tegelijkertijd comparatieve voordelen én comparatieve
      nadelen moeten hebben in de productie van auto’s. Toch blijkt dergelijke intra-
      sectorale handel in de praktijk veel voor te komen.
      Ter verklaring hiervan ontwikkelden de economen Krugman en Helpman in de
      jaren tachtig van de twintigste eeuw de ‘nieuwe’ handelstheorie (Krugman 1995;
      Helpman 1998; Krugman en Obstfeld 2000). De neoklassieke theorie veronder-
      stelt dat er sprake is van constante schaalopbrengsten, dat wil zeggen dat een
      verdubbeling van de inzet van productiefactoren tot een verdubbeling van de
      productie leidt. De schaal van de productie is dan niet van invloed op de grootte
      van de comparatieve voordelen. De nieuwe handelstheorie gaat echter uit van het
      bestaan van schaalvoordelen (economies of scale), hetgeen betekent dat een
</pre>

====================================================================== Einde pagina 69 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 70 ======================================================================

<pre>   neder l a nd h a ndel sl a nd
               verdubbeling van de inzet van productiefactoren tot meer dan een verdubbeling
               van de productie leidt. Een land kan dan louter door specialisatie in een bepaald
               product een comparatief voordeel behalen, ook als er (in eerste instantie) geen
               sprake is van comparatieve voordelen in termen van beschikbare productiefactoren
               of technologie. Handelspatronen worden daardoor mede bepaald door histori-
               sche toevalligheden. Een land dat zich ‘toevallig’ als eerste toelegt op de fabricage
               van een bepaald product, kan een comparatief (schaal)voordeel behalen, dat lange
               tijd in stand kan blijven. Er is dan sprake van padafhankelijkheid (denk bijv. aan
               Zwitserse horloges en Nederlandse bloemen).
   3.2.3       handel in diensten
               De meeste handelstheorieën richten zich primair op de handel in goederen. Dit is
               begrijpelijk, aangezien goederen altijd het overgrote deel van de handel hebben
               uitgemaakt. Lange tijd werd ervan uitgegaan dat diensten in beginsel niet verhan-
               delbaar (non-tradable) zijn. Dit geldt echter per definitie niet voor één vorm van
               dienstverlening, namelijk de handel zelf. Niet alleen het vervoeren van goederen
               (en personen) tussen landen, maar ook het optreden als intermediair tussen de
               aanbieders en afnemers van producten in verschillende landen is een vorm van
66             internationale handel in diensten. In deze categorie van internationale dienst-
               verlening heeft Nederland altijd een prominente rol gespeeld. Zowel in de
               (neo)klassieke als in de nieuwe handelstheorie krijgt de activiteit van het hande-
               len zelf echter zo goed als geen aandacht (afgezien van het belang van transport-
               kosten). De reden daarvan is dat handel als een frictieloos proces wordt
               beschouwd, waarin alle betrokken partijen over volledige informatie beschikken
               en zonder kosten transacties met elkaar kunnen aangaan. Het handelen zelf is dan
               geen economische activiteit waarmee iets te verdienen valt. Pas wanneer het
               belang van transactiekosten wordt onderkend, ontstaat in de theorie ruimte om
               aan de activiteit van het handelen zelf een belangrijke plaats toe te kennen.
               Hierop gaan de hoofdstukken 4 en 5 uitvoerig in.
               De veronderstelling dat diensten – afgezien van handel en vervoer – niet interna-
               tionaal verhandelbaar zijn, lijkt steeds minder op te gaan. Zo is het aandeel van de
               diensten in de buitenlandse handel van Nederland de laatste decennia geleidelijk
               toegenomen: van circa 11 procent halverwege de jaren tachtig naar circa 18
               procent momenteel (cbs (b)). Daarom wordt hier kort stilgestaan bij de factoren
               die de handel in diensten beïnvloeden.
               Internationale handel in diensten kan in beginsel langs drie wegen plaatsvinden.
               In de eerste plaats is het mogelijk dat de dienst wordt geïncorporeerd in een
               fysiek product. Dit is bijvoorbeeld het geval bij gecodificeerde informatie, zoals
               boeken, software, muziek, computerspelletjes, tv-programma’s en films.
               Deze vorm van dienstenhandel wordt in principe door dezelfde factoren beïn-
               vloed als de handel in fysieke goederen. Wel is hierbij vaak sprake van schaal-
               voordelen, doordat de productie van deze diensten dikwijls zeer kostbaar is,
               terwijl de kosten van distributie dankzij moderne communicatietechnologieën
</pre>

====================================================================== Einde pagina 70 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 71 ======================================================================

<pre>                                                            theorie en empirie van de internationale handel
      juist erg laag zijn. Dit vormt een stimulans voor specialisatie en productdifferen-
      tiatie en zal doorgaans leiden tot een marktvorm van monopolistische concurren-
      tie (zie ook wrr 2002a: hoofdstuk 4). In handelsstatistieken rekent men deze
      diensten overigens tot de handel in goederen.
      In de tweede plaats kan de buitenlandse consument zich naar de producent van
      de dienst begeven. Hoewel de dienst dan in het land van de producent wordt
      geleverd, wordt deze door een buitenlandse afnemer betaald en daarom als
      onderdeel van de uitvoer beschouwd. Het bekendste voorbeeld hiervan is
      toerisme, maar er valt ook te denken aan het (tegen betaling) bijwonen van een
      congres in een ander land of het volgen van een buitenlandse opleiding.
      In de derde plaats kan de binnenlandse producent van de dienst naar de buiten-
      landse afnemer reizen om de dienst aldaar te leveren. Dit komt bijvoorbeeld voor
      bij advieswerk en consultancy, maar ook bij optredens van theater- en muziek-
      groepen en popsterren.
      Essentieel voor de tweede en derde vorm van handel in diensten is, dat een
      belangrijke veronderstelling van de standaardhandelstheorie, namelijk dat de
      productiefactoren internationaal niet mobiel zijn, niet opgaat. De steeds snellere                    67
      en goedkopere internationale vervoersmogelijkheden vormen dan ook een
      belangrijke stimulans voor de handel in diensten.
      Een belangrijk alternatief voor handel in diensten is het uitbesteden van de dienst
      aan een lokaal (buitenlands) bedrijf. In dit geval wordt niet de dienst zelf, maar
      het kenniskapitaal dat benodigd is om de dienst te verlenen naar het land van
      bestemming geëxporteerd. Hiervan is bijvoorbeeld sprake als een bedrijf een
      licentie verleent aan een buitenlands bedrijf voor een bepaalde vorm van dienst-
      verlening (bijv. een bekende winkelformule of banknaam). Het is ook mogelijk
      dat een bedrijf een eigen vestiging in een ander land opent, vanwaaruit lokaal
      personeel de dienstverlening verzorgt. Er is dan sprake van een dienstverlenende
      multinational. Op deze vormen van handel in diensten wordt in paragraaf 5.4
      nader ingegaan.
3.2.4 handelsbeleid
      Een belangrijk inzicht van Ricardo was dat (bilaterale) handel altijd in het voor-
      deel is van beide handelspartners. Doordat handel bijdraagt aan een optimale
      internationale arbeidsverdeling op basis van comparatieve voordelen, vergroot
      handel de bestedingsmogelijkheden in beide landen. Dit geldt ook voor een land
      met een lagere productiviteit dan zijn handelspartner – al is het welvaartsniveau
      in het minder productieve land wel lager. Dit inzicht vormt een sterk argument
      vóór vrijhandel en is in feite nog steeds het belangrijkste economische argument
      voor de liberalisering van de internationale handel.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 71 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 72 ======================================================================

<pre>   neder l a nd h a ndel sl a nd
               Ook op grond van de factorproportiestheorie (het Heckscher-Ohlin-model) is
               bilaterale handel voordelig voor beide handelende naties. Dit geldt echter niet
               voor alle (bevolkings)groepen binnen beide landen. Liberalisering van de handel
               leidt ertoe dat sommige groepen – in termen van inkomen – winnen en andere
               verliezen. Volgens het zogenaamde Stolper-Samuelson-theorema zal in het alge-
               meen de (relatief) overvloedig beschikbare factor winnen en de (relatief) schaarse
               factor verliezen. Immers, door handelsliberalisatie neemt de vraag naar de dien-
               sten van de overvloedige factor toe, terwijl de schaarse factor meer concurrentie
               uit het buitenland ondervindt. Deze theorie wordt wel aangevoerd om te verkla-
               ren waarom de afgelopen twee decennia in het rijke westen de loonverschillen
               tussen hoog- en laagopgeleiden zijn toegenomen (vgl. Wood 1994). De laag-
               opgeleiden (een relatief schaarse factor in de rijke landen) ondervinden toe-
               nemende concurrentie van laagopgeleiden in de lagelonenlanden, terwijl de vraag
               naar de diensten van hoogopgeleiden (een relatief overvloedige factor in de rijke
               landen) ten gevolge van handelsliberalisatie juist toeneemt, waardoor hun belo-
               ning stijgt. Overigens zijn de meeste onderzoekers op dit gebied van mening dat
               de invloed van de internationale handel op de binnenlandse loonverhoudingen
               gering is. Bovendien lijken de arbeidsmarkteffecten van buitenlandse handel in
               Europa, als gevolg van instituties als het minimumloon en collectieve arbeids-
68             overeenkomsten, minder dan in de Verenigde Staten in de loonverhoudingen tot
               uitdrukking te komen. De meeste economen schrijven de toename van de loon-
               verschillen daarom aan andere factoren toe, zoals de technologische ontwikke-
               ling (zie bijv. Freeman 1995).
               De standaardhandelstheorie levert vooral argumenten voor liberalisering van de
               handel. Invoerheffingen en andere handelsbelemmeringen (zoals quota) zijn
               vanuit dit gezichtspunt ongewenst.2 Wel kan het uit sociaal oogpunt wenselijk
               zijn de binnenlandse verliezers ten gevolge van vrijhandel te compenseren
               (bijv. via inkomensoverdrachten). Dit verdient, uit de optiek van sociale welvaart,
               de voorkeur boven het afschermen van potentiële verliezers van internationale
               concurrentie.
               De nieuwe handelstheorie biedt in beginsel meer ruimte voor een actief over-
               heidsbeleid. Comparatieve voor- en nadelen zijn volgens deze theorie immers
               geen natuurlijk gegeven, maar kunnen (al dan niet bewust) worden beïnvloed
               door het overheidsbeleid. Een voorbeeld daarvan is het ingrijpen van een natio-
               nale overheid op een oligopolistische wereldmarkt om daarmee een bedrijf uit
               eigen land een beslissende voorsprong te bezorgen. Deze mogelijkheid kan zich
               voordoen als er, vanwege zeer hoge investeringskosten en grote schaalvoordelen,
               op de wereldmarkt slechts plaats is voor één producent van een nieuw product,
               bijvoorbeeld een bepaald vliegtuigtype. Als meer dan één bedrijf het des-
               betreffende product ontwikkelen, is de kans groot dat geen enkele onderneming
               winst zal maken. Daardoor bestaat het risico dat geen van de bedrijven de inves-
               tering aandurft. Als echter een nationale overheid een deel van de ontwikkelings-
               kosten voor haar rekening neemt, kan dit een bedrijf in het desbetreffende land
               over de streep trekken, terwijl een concurrerend bedrijf in een ander land dat
</pre>

====================================================================== Einde pagina 72 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 73 ======================================================================

<pre>                                                              theorie en empirie van de internationale handel
      geen overheidssteun ontvangt, ervan zal afzien het product op de markt te bren-
      gen. Het overheidsoptreden levert dan een strategisch handelsvoordeel op.
      Vandaar dat van ‘strategische handelspolitiek’ wordt gesproken (vgl. Brander
      1995).
      Strategische handelspolitiek is echter een riskante zaak, waarvan het succes
      geenszins is verzekerd. De nationale regering dient over voldoende betrouwbare
      informatie te beschikken om te kunnen beoordelen of er daadwerkelijk strate-
      gisch handelsvoordeel valt te behalen. Vanzelfsprekend hebben bedrijven er veel
      belang bij om hun regering ervan te overtuigen dat overheidssteun noodzakelijk
      is. Maar zelfs als het bedrijf dankzij de overheidssteun een dominante positie op
      de wereldmarkt verovert, staat nog niet vast dat deze overheidssteun wenselijk is
      voor de verhoging van de maatschappelijke welvaart. De kosten van overheids-
      steun moeten immers ten minste worden goedgemaakt door de extra inkomsten
      van het bedrijf (Feenstra 1995). Het risico bestaat dat overheidssteun in de prak-
      tijk vooral neerkomt op steunverlening aan de buitenlandse afnemers. Verder kan
      nationale winst ten koste gaan van de welvaart van een ander land, waardoor het
      maar de vraag is of de wereldwijde welvaart gediend is met strategische handels-
      politiek. Zij kan ook aanleiding geven tot een handelsoorlog, waardoor uiteinde-
      lijk geen enkel land beter af is. Internationale coördinatie van handelspolitiek                        69
      biedt doorgaans meer uitzicht op een optimale uitkomst.
      Hoewel actief overheidsoptreden op zichzelf consistent is met de inzichten uit de
      nieuwe handelstheorie, volgt hieruit dus niet dat zo’n optreden in het algemeen
      wenselijk is. Bovendien levert de nieuwe handelstheorie geen argumenten voor
      algemene handelsbelemmeringen (zoals generieke invoertarieven), maar uitslui-
      tend voor tijdelijke en selectieve (d.w.z. op specifieke bedrijven of sectoren
      gerichte) steun of invoerbeperkingen.
3.3   empirisch onderzoek naar handelsstromen
3.3.1 het standaardmodel
      Hoewel het in paragraaf 3.2.1 besproken Heckscher-Ohlin-model onder econo-
      men nog altijd een grote populariteit geniet, heeft empirisch onderzoek keer op
      keer uitgewezen dat het model er niet of nauwelijks in slaagt internationale
      handelsstromen te verklaren. Zoals Davis et al. (1997) het formuleren: “… the
      Heckscher-Ohlin (ho) model has consistently performed poorly in empirical
      tests.”
      Volgens Trefler (1995) voorspellen de comparatieve voor- en nadelen met betrek-
      king tot de beschikbaarheid van productiefactoren in een groep van 33 landen
      slechts in de helft van de gevallen de richting van de bilaterale handelsstroom
      (dat is het saldo van export en import) juist. De worp van een munt zou geen
      slechter resultaat opleveren! Bovendien constateerde hij dat in ongeveer negen
      van de tien gevallen de wederzijdse handel vrijwel nihil was, terwijl men op
</pre>

====================================================================== Einde pagina 73 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 74 ======================================================================

<pre>   neder l a nd h a ndel sl a nd
               grond van de theorie een substantiële handelsstroom zou verwachten. De varian-
               tie in de feitelijke nettohandelsstromen bedraagt slechts 3 procent van de varian-
               tie die men op grond van de theorie zou verwachten. Trefler spreekt in zijn artikel
               dan ook over het raadsel van de missing trade.
               De verklaringskracht van het Heckscher-Ohlin-model wordt beduidend groter
               als in de empirische analyse ook rekening wordt gehouden met verschillen in
               technologie tussen landen, zoals ook Ricardo deed (zie onder meer Trefler 1995;
               Harrigan 1996; Davis et al. 1997). Schott (2001) en Davis en Weinstein (2001)
               wijzen erop dat technologieverschillen ook een verklaring kunnen bieden voor
               intrasectorale handel. Als twee landen soortgelijke producten met elkaar verhan-
               delen, wil dit nog niet zeggen dat zij daarvoor dezelfde technologie en dus
               dezelfde combinatie van productiefactoren gebruiken. Bij wederzijdse handel in
               confectie is het bijvoorbeeld mogelijk dat het ene land deze zeer arbeidsintensief
               produceert en het andere juist kapitaalintensief. Volgens Davis en Weinstein
               (2001) kan op deze wijze in 60 à 70 procent van de gevallen de richting van de
               bilaterale nettohandel goed worden voorspeld. Hoewel een verfijning de verkla-
               ringskracht van het Heckscher-Ohlin-model dus kan vergroten, moet de conclu-
               sie niettemin luiden dat de empirische steun voor de standaard (neo)klassieke
70             handelstheorie beperkt is. Daar komt nog bij dat het Heckscher-Ohlin-model
               uitsluitend geschikt is om het saldo van invoer en uitvoer te analyseren en niet de
               totale handelsstroom, die in veel opzichten relevanter is.
   3.3.2       de nieuwe handelstheorie
               Empirisch onderzoek op basis van de nieuwe handelstheorie, waarin schaalvoor-
               delen een belangrijke rol spelen, levert over het algemeen wat betere resultaten
               op dan het Heckscher-Ohlin-model. Antweiler en Trefler (2002) vinden in een
               onderzoek van 34 sectoren in 71 landen een gemiddelde schaalelasticiteit van
               1,05. Dit betekent dat bij een verdubbeling van de schaal de gemiddelde produc-
               tiekosten met 5 procent dalen. Dit lijkt niet veel, maar het betekent wel dat als
               de schaal van de productie in de Verenigde Staten tienmaal zo groot is als in
               een klein concurrerend land, de gemiddelde productiekosten in dit land liefst
               55 procent hoger zijn dan in de vs. Als met deze schaalvoordelen rekening wordt
               gehouden, blijkt de missing trade beduidend kleiner te zijn dan in de analyse van
               Trefler (1995).
               Overigens levert niet elk empirisch onderzoek een eenduidige bevestiging op van
               het belang van schaalvoordelen (vgl. het overzicht in Helpman 1998). Zo vinden
               Head en Ries (2001) in een analyse van de handel tussen de Verenigde Staten en
               Canada alleen steun voor een model met schaalvoordelen in een dwarsdoorsne-
               deanalyse, waarbij verschillende bedrijven op één moment worden vergeleken,
               maar niet in een tijdreeksanalyse, waarbij dezelfde bedrijven op verschillende
               momenten in de tijd worden vergeleken.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 74 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 75 ======================================================================

<pre>                                                              theorie en empirie van de internationale handel
3.3.3 gr avitatievergelijkingen
      Empirisch onderzoek op basis van andere handelstheorieën dan de twee die hier-
      voor zijn besproken, levert soms een veel betere verklaring op van de waargeno-
      men handelspatronen. Een nadeel van veel van dit onderzoek is dat het een ad
      hoc-karakter heeft, waardoor de resultaten ervan weinig robuust zijn. Zo kan de
      verklaringskracht van modellen van de internationale handel aanzienlijk toene-
      men indien daarin, anders dan in de (neo)klassieke en nieuwe handelstheorie,
      expliciet rekening wordt gehouden met de geografische dimensie. De afstand
      tussen en de ligging van landen, de kosten om goederen te transporteren en de
      drempels voor het passeren van grenzen (zoals invoerheffingen en douaneforma-
      liteiten) zijn van grote invloed op handelsstromen. In zogeheten ‘gravitatieverge-
      lijkingen’ speelt de geografie wel expliciet een rol. In deze vergelijkingen wordt
      verondersteld dat de handelsstroom tussen twee landen evenredig is met het
      product van de omvang van beide landen (meestal gemeten met het bbp) en
      omgekeerd evenredig met de afstand tussen de landen. Daarnaast kunnen in
      gravitatievergelijkingen andere factoren worden opgenomen die de handel
      belemmeren dan wel bevorderen, zoals invoerheffingen. Gravitatievergelijkingen
      zijn niet erg populair onder economen, omdat er geen duidelijke theorie aan ten
      grondslag ligt; het gaat in feite om herleidevormvergelijkingen waarvan het                             71
      onderliggende structurele model onbekend is. Bovendien voegt men vaak op ad
      hoc-basis allerlei additionele variabelen als dummies aan het model toe. Evenett
      en Keller (1998) hebben echter laten zien dat bepaalde specificaties van een gravi-
      tatievergelijking zijn af te leiden uit zowel een Heckscher-Ohlin-model als uit
      een model met schaalvoordelen. Eerder had Bergstrand (1985) al aangetoond dat
      (een variant op) een gravitatievergelijking kan worden afgeleid uit een algemeen
      evenwichtsmodel van de internationale handel.
      Haaks op de geringe populariteit staat de opvallend grote verklaringskracht van
      gravitatievergelijkingen. Zij kunnen zo’n 60 tot 80 procent van de variantie in de
      bilaterale handel verklaren (Bergstrand 1985; Frankel en Rose 2000). Uit schattin-
      gen van gravitatievergelijkingen blijkt dat de bilaterale handel snel afneemt met
      de afstand tussen twee landen. Bergstrand (1985) vond een elasticiteit van de
      brutohandelsstroom ten opzichte van de afstand tussen twee landen van –0,7 (in
      de periode 1965-1976) en Frankel en Rose (2000) vonden een elasticiteit van –1,1
      (voor de periode 1970-1995). Dit betekent dat de handel met een land dat op
      tweemaal zo grote afstand ligt als een ander land, ruwweg de helft minder
      omvangrijk zal zijn en de handel met een land op viermaal zo grote afstand drie-
      kwart lager zal uitvallen.3
      Wat precies dit sterke effect van de afstand op de handelsstromen veroorzaakt, is
      overigens niet duidelijk. Naast transportkosten is het aannemelijk dat ook
      cultuurverschillen een rol spelen. Armington (1969) veronderstelt dat consu-
      menten een voorkeur hebben voor producten die in eigen land zijn gefabriceerd,
      zelfs als deze duurder zijn dan geïmporteerde goederen (home bias). Het blijft dan
</pre>

====================================================================== Einde pagina 75 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 76 ======================================================================

<pre>   neder l a nd h a ndel sl a nd
               echter de vraag welke factoren verantwoordelijk zijn voor deze ogenschijnlijk
               irrationele consumentenvoorkeur.
               Naast de afstand oefenen ook andere geografische factoren een substantieel effect
               uit op de omvang van de bilaterale handel. De handel tussen buurlanden is
               ruwweg tweemaal zo groot als de handel tussen landen op dezelfde afstand die
               geen gemeenschappelijke grens hebben (Bergstrand 1985; Frankel en Rose
               2000).4 Tussen twee landen die aan zee liggen is de bilaterale handel 80 procent
               omvangrijker dan tussen twee door land ingesloten landen.
               De omvang van de bilaterale handel wordt in gravitatievergelijkingen ook
               bepaald door (het product van) het bbp van beide landen. Doordat deze elastici-
               teit kleiner is dan één, is de buitenlandse handel van kleine landen in verhouding
               tot hun bbp groter dan de handel van grote landen. Als het bbp van een land
               verdubbelt, neemt het aandeel van de handel in het bbp met zo’n 10 à 13 procent
               af (Bergstrand 1985).
               Zoals is opgemerkt, worden in gravitatievergelijkingen vaak ook andere factoren
               opgenomen die de handel tussen landen belemmeren of stimuleren. Een gemeen-
72             schappelijke taal doet de bilaterale handel bijvoorbeeld met zo’n 70 procent
               toenemen (Frankel en Rose 2000). De handel met een kolonie of ex-kolonie is
               liefst zesmaal zo groot als de handel met een vergelijkbaar land waarmee men
               geen koloniale band heeft of heeft gehad (Frankel en Rose 2000). Als beide
               landen deel uitmaken van een douane-unie, politieke unie of muntunie is de
               handel ook beduidend groter, al lopen de schattingen van dit effect sterk uiteen
               (van een toename met eenderde tot een vervijfvoudiging van de handel)
               (Bergstrand 1985; Eaton en Kortum 2001). Eaton en Kortum (2001) hebben bere-
               kend dat indien afstand en handelsbelemmeringen geen enkele rol zouden
               spelen, de handel in industrieproducten ongeveer vijfmaal zo groot zou zijn als
               feitelijk het geval is.
               Hoewel de schattingen van deze verschillende elasticiteiten vaak een ruime
               onzekerheidsmarge kennen, laten zij er geen twijfel over bestaan dat de omvang
               van de handelsstromen door meer factoren wordt bepaald dan in de (neo)klas-
               sieke en nieuwe economische handelstheorie een rol spelen. Niettemin blijft een
               bezwaar tegen het gebruik van gravitatievergelijkingen dat zij vaak in sterke mate
               een ad hoc-karakter hebben en dat zij alleen de omvang van de handelsstromen
               verklaren, maar geen inzicht bieden in de factoren die de samenstelling van de
               handel – en de specialisatie van landen – bepalen.
   3.3.4       conclusie
               De (neo)klassieke economische theorie van de internationale handel – het Heck-
               scher-Ohlin-model – verklaart de internationale handel uit verschillen in de
               beschikbaarheid van productiefactoren. De theorie schiet bij een empirische toets
               echter in twee opzichten tekort. In de eerste plaats kan zij slechts een klein deel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 76 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 77 ======================================================================

<pre>                                                           theorie en empirie van de internationale handel
      van (de richting van) de feitelijke handelsstromen verklaren. Bovendien biedt zij
      geen verklaring voor de veelvoorkomende intrasectorale handel. In de tweede
      plaats zouden volgens het model de (netto)handelsstromen tussen landen vele
      malen groter moeten zijn dan feitelijk wordt waargenomen.
      Door rekening te houden met technologieverschillen (het Ricardiaanse model)
      en met schaalvoordelen (de nieuwe handelstheorie) kan de verklaringskracht van
      het model wel aanzienlijk worden vergroot. Niettemin biedt het Heckscher-
      Ohlin-model ook met deze toevoegingen of amenderingen nog geen bevredi-
      gende verklaring voor de omvang, richting en samenstelling van de werkelijke
      handelsstromen. Hiervoor dient men ook rekening te houden met geografische
      factoren, die in het standaardmodel meestal worden genegeerd. De afstand
      tussen landen blijkt een zeer grote invloed te hebben op de omvang van de
      handelsstromen. Het is overigens niet duidelijk of de afstand zo belangrijk is
      vanwege hoge transportkosten, vanwege cultuurverschillen of vanwege een
      voorkeur van consumenten voor producten van eigen bodem. Behalve de afstand
      zijn ook factoren zoals een gemeenschappelijke grens of taal, een ligging aan zee,
      een gemeenschappelijk koloniaal verleden en het lidmaatschap van een politieke,
      douane- of muntunie van invloed op de omvang van de bilaterale handel.
                                                                                                           73
3.4   verkl aring van de nederl andse handelspositie
      Nederland staat al eeuwenlang bekend als een handelsnatie (zie hoofdstuk 2).
      Indien men inzicht wil krijgen in de toekomstige kansen en bedreigingen voor
      de Nederlandse handelspositie, is het van groot belang inzicht te hebben in de
      achtergronden daarvan. In hoeverre werpt het in de vorige twee paragrafen
      besproken theoretische en empirische onderzoek nu licht op de positie van
      Nederland als handelsnatie? Om deze vraag te beantwoorden, wordt eerst inge-
      gaan op de verklaring van de samenstelling van de Nederlandse in- en uitvoer
      (subpar. 3.4.1) en vervolgens op de omvang van de Nederlandse handel (subpar.
      3.4.2).
3.4.1 de samenstelling van de nederl andse handel
      Om de samenstelling van het Nederlandse import- en exportpakket te verklaren,
      biedt de standaardtheorie van de handel in beginsel een aanknopingspunt.
      Op grond van deze theorie mag worden verwacht dat Nederland goederen
      uitvoert waarin het een comparatief voordeel heeft en goederen invoert waarin
      het een comparatief nadeel heeft. Een comparatief voordeel kan het resultaat zijn
      van een relatief overvloedig aanwezige productiefactor die voor de productie van
      het desbetreffende goed nodig is, maar ook van een technologische voorsprong.
      In veel empirisch onderzoek op basis van de factorproportiestheorie (of het
      Heckscher-Ohlin-model) worden drie factoren onderscheiden, te weten land,
      arbeidskrachten en kapitaal. Omdat comparatieve voordelen worden bepaald
      door de relatieve overvloed of schaarste van deze factoren, zijn de onderlinge
      verhoudingen tussen de productiefactoren van belang. Figuur 3.1 laat deze
</pre>

====================================================================== Einde pagina 77 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 78 ======================================================================

<pre>   neder l a nd h a ndel sl a nd
                  verhoudingen zien voor de 20 belangrijkste handelspartners van Nederland.5
                  Het gaat om de verhouding tussen bevolking (als benadering voor de factor
                  arbeid) en land, oftewel de bevolkingsdichtheid, en de verhouding tussen kapi-
                  taal en arbeidskrachten (de waarde van het productiekapitaal per werknemer).
                  Om het contrast tussen de landen zo groot mogelijk te maken is voor beide indi-
                  catoren de laagste waarde voor de 21 landen gelijkgesteld aan 0 en de hoogste
                  waarde aan 100. Nederland heeft van deze landen de hoogste score voor bevol-
                  kingsdichtheid en een min of meer gemiddelde score voor kapitaalintensiteit.
                  Op grond hiervan zou men verwachten dat Nederland vooral arbeidsintensieve
                  goederen uitvoert en landintensieve goederen invoert, terwijl kapitaalintensieve
                  goederen slechts een klein deel van de in- en uitvoer uitmaken.
     Figuur 3.1                Relatieve factorbeschikbaarheid
              Australië
                  België
                Canada
          Denemarken
              Duitsland                                                          bevolkingsdichtheid
                Finland                                                          kapitaal per werknemer
               Frankrijk
           Griekenland
                 Ierland
                    Italië
74                 Japan
             Nederland
        Nieuw Zeeland
           Noorwegen
             Oostenrijk
               Portugal
                 Spanje
    Verenigd Koninkrijk
      Verenigde Staten
               Zweden
           Zwitserland
                           0                  20               40   60               80                  100
     Bron: cia (2001); u.s. Bureau of the Census (2002); cic (2002); wrr-bewerking
     Figuur 3.2 Relatieve score technologie
              Australië
                  België
                Canada
          Denemarken
             Duitsland
                Finland
              Frankrijk
           Griekenland
                Ierland      *
                   Italië    *
                  Japan
            Nederland
        Nieuw Zeeland
           Noorwegen
            Oostenrijk
                                                                                        opleidingsniveau
               Portugal
                                                                                        innovatieindex
                Spanje       *
    Verenigd Koninkrijk
      Verenigde Staten
               Zweden
           Zwitserland
                            0                  20               40   60               80                 100
                            * onbekend
     Bron: un Statistics Division (2001); World Economic Forum (2000); wrr-bewerking
</pre>

====================================================================== Einde pagina 78 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 79 ======================================================================

<pre>                                                       theorie en empirie van de internationale handel
Figuur 3.2 geeft een beeld van hoe landen scoren op twee technologie-indicato-
ren, te weten het gemiddelde opleidingsniveau van de bevolking (gemeten als het
gemiddelde aantal jaren onderwijs dat men volgt) en de innovatiekracht van het
bedrijfsleven (ontleend aan World Economic Forum 2000). Op beide indicatoren
scoort Nederland boven het gemiddelde, maar behoort het zeker niet tot de top
(een zevende plaats voor het opleidingsniveau en een negende voor de innovatie-
index). Op technologisch gebied lijkt Nederland dan ook nauwelijks compara-
tieve voordelen te hebben. Natuurlijk gaat het hier om zeer grove indicatoren,
maar in ieder geval maken deze duidelijk dat Nederland alleen ten aanzien van
de arbeid-landverhouding temidden van de andere 20 landen een uitgesproken
positie inneemt.
Worden deze comparatieve voor- en nadelen vergeleken met de samenstelling
van de invoer en uitvoer zoals deze is geschetst in hoofdstuk 2 (tabel 2.2), dan is
het niet eenvoudig hiertussen een verband te ontdekken. Nederland realiseert de
grootste netto-export in landbouw- en visserijproducten, voedings- en genot-
middelen, aardolieproducten en chemische, rubber en kunststofproducten.
Gezien de hoge landintensiteit van agrarische producten en de hoge kapitaal-
intensiteit en de grondstoffenintensiteit van aardolieproducten en chemische
producten, is dit allerminst het specialisatiepatroon dat men zou verwachten op                        75
grond van de factorproportiestheorie. Dit geldt evenmin voor de relatief grote
netto-import van textiel, kleding en leder, waarvan de productie traditioneel
relatief arbeidsintensief is. De grote netto-invoer van aardolie, aardgas en overige
delfstoffen valt natuurlijk wel te verklaren uit de schaarste van delfstoffen (met
uitzondering van aardgas) in Nederland.
Hoewel Nederland ten aanzien van opleidingsniveau en innovatiekracht geen
uitzonderlijke positie inneemt, is het wel denkbaar dat Nederland over specifieke
(technologische) kennis beschikt die mede de uitvoerspecialisatie verklaart.
Zo kan het grote aandeel van landbouwproducten en voedingsmiddelen in de
uitvoer samenhangen met de vooraanstaande positie van Nederland op het
gebied van agrarische en voedingsmiddelentechnologie. Deze verklaring roept
echter onmiddellijk de vraag op waarom Nederland zich nu juist in kennis en
technologie op dit terrein heeft gespecialiseerd. Kortom, de standaardtheorie van
de internationale handel biedt weinig aanknopingspunten om de specialisatie van
de Nederlandse in- en uitvoer te verklaren. Gezien de slechte prestaties van het
standaardmodel in eerder empirisch onderzoek is dit overigens geen verrassende
uitkomst.
Het specialisatiepatroon van de Nederlandse handel zou wel in overeenstemming
kunnen zijn met de nieuwe handelstheorie, die uitgaat van schaalvoordelen.
Om vast te stellen of hiervan sprake is, zou men moeten nagaan of de sectoren
met een handelsoverschot (met name de landbouw, de voedings- en genotmidde-
lenindustrie, de aardolie-industrie en de chemische industrie) schaalvoordelen
hebben ten opzichte van hun buitenlandse concurrenten. Het eerder aangehaalde
onderzoek van Antweiler en Trefler (2002) biedt hiervoor slechts beperkte steun,
</pre>

====================================================================== Einde pagina 79 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 80 ======================================================================

<pre>   neder l a nd h a ndel sl a nd
               aangezien zij de grootste schaalvoordelen meten bij onder meer veeteelt,
               farmaceutische producten en olieraffinaderijen, maar niet bij akkerbouw,
               voeding, drank, tabak, basischemie en plastic producten.
               Andere theoretische benaderingen, die in dit hoofdstuk niet zijn besproken,
               bieden wellicht meer aanknopingspunten om het specialisatiepatroon van de
               Nederlandse handel te verklaren. Zo richt de productcyclustheorie de aandacht
               op verschuivingen in de internationale arbeidsverdeling in opeenvolgende
               levensfasen van een product. Ontwikkelde landen zouden zich vooral richten op
               relatief nieuwe en geavanceerde producten, waarvan de productie hoogwaardige
               kennis en technologie vereist, terwijl minder ontwikkelde landen zich toeleggen
               op massaproductie van ‘volgroeide’ producten waarvan de productie in hoge
               mate is gestandaardiseerd en geen specialistische kennis (meer) vereist.
               Hoewel deze benadering een deel van de specialisatie van Nederland kan verkla-
               ren (bijv. in chemische producten), moet zij voor andere kenmerken van de
               Nederlandse handel, zoals het relatief grote exportaandeel van agrarische produc-
               ten en voedingsmiddelen, toch weer een beroep doen op ad hoc-argumenten.
   3.4.2       de omvang van de nederl andse handel
76
               Bieden de hiervoor besproken theorieën wellicht meer houvast om de omvang
               van de Nederlandse handel te verklaren? Hiervoor vormen de gravitatievergelij-
               kingen een geschikt uitgangspunt. Hoewel gravitatievergelijkingen zijn bedoeld
               om de omvang van bilaterale handelsstromen te verklaren, kunnen ze worden
               geaggregeerd om daarmee de omvang van de totale invoer en uitvoer van afzon-
               derlijke landen te schatten. Op basis van de door Frankel en Rose (2000)
               geschatte gravitatievergelijking voor de bilaterale handel, kan worden nagegaan
               of de omvang van de Nederlandse handel groter of kleiner is dan wat men op
               grond van een aantal kenmerken van Nederland zou verwachten (zie bijlage 3
               voor de berekeningswijze). De kenmerken waar het hier om gaat zijn het bbp in
               dollars, het bbp per capita, de oppervlakte, de ligging aan zee en het lidmaatschap
               van een douane-unie. De feitelijke omvang van de buitenlandse handel van
               Nederland (gemeten als de som van invoer en uitvoer als percentage van het bbp)
               is vergeleken met de omvang die men op grond van de door Frankel en Rose
               geschatte gravitatievergelijking zou verwachten. Vervolgens is de Nederlandse
               prestatie vergeleken met die van 16 andere Europese landen. (Omdat in de gravi-
               tatievergelijking ook de afstand tussen handelspartners een belangrijke invloed
               heeft, is alleen een vergelijking mogelijk met landen die zich niet al te ver van
               Nederland bevinden, zodat mag worden verondersteld dat de afstand tot de
               handelspartners voor elk van deze landen bij benadering gelijk is.) Figuur 3.3 laat
               de resultaten zien. Hieruit blijkt dat de handelsprestatie van 14 van de 16 landen,
               in vergelijking met wat de gravitatievergelijking voorspelt, achterblijft bij die van
               Nederland. Alleen België en Ierland scoren beter dan Nederland. Vooral België
               springt eruit: diens handelsprestatie is verhoudingsgewijs liefst 39 procent hoger
               dan die van Nederland. Denemarken is daarentegen een land dat veel minder
               handel drijft dan men op grond van de gravitatievergelijking zou verwachten.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 80 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 81 ======================================================================

<pre>                                                                            theorie en empirie van de internationale handel
 Figuur 3.3             Relatieve handelsprestatie van 16 Europese landen ten opzichte van Nederland
                        (Nederland = 100)
             België
      Denemarken
         Duitsland
            Finland
          Frankrijk
       Griekenland
            Ierland
               Italië
       Luxemburg
        Nederland
       Noorwegen
        Oostenrijk
           Portugal
            Spanje
Verenigd Koninkrijk
           Zweden
       Zwitserland
                      0             25             50            75            100             125            150
 Bron: wrr, op basis van Frankel & Rose (2001) (zie bijlage 3)
              Naar de oorzaak van de ‘betere’ prestatie van België ten opzichte van Nederland                               77
              valt slechts te gissen. Gezien de kleine verschillen in objectieve kenmerken
              tussen België en Nederland (zoals oppervlakte, ligging, bevolkingsdichtheid,
              opleidingsniveau, enz.) ligt het voor de hand de oorzaak eerder te zoeken in
              sociale en culturele factoren. Wellicht staat het drietalige België meer dan
              Nederland open voor de in Europa dominante taal- en cultuurgemeenschappen
              van Frankrijk, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk. Daarnaast zou de aan-
              wezigheid van eu-instituten in Brussel een rol kunnen spelen.
3.5           conclusie
              Dit hoofdstuk geeft een beknopte uiteenzetting van de (neo)klassieke en de
              ‘nieuwe’ handelstheorie, als contrast met de transactiekostenbenadering van de
              handel die in dit rapport centraal staat. Tal van andere theoretische benaderingen
              zijn hiermee buiten beschouwing gebleven.
              De (neo)klassieke handelstheorie, die handel verklaart uit comparatieve kosten-
              voordelen die voortvloeien uit technologieverschillen en de relatieve overvloed
              of schaarste aan productiefactoren als arbeid, land en kapitaal, biedt in de praktijk
              weinig houvast om de handel tussen landen te verklaren. Enerzijds voorspelt zij
              de richting van de nettohandelsstromen tussen landen nauwelijks beter dan de
              worp van een munt, anderzijds blijkt de omvang van de internationale handel
              vele malen kleiner te zijn dan men op grond van deze theorie zou verwachten.
              De ‘nieuwe’ handelstheorie, die uitgaat van specialisatie op basis van schaal-
              voordelen, kan de verklaringskracht van de economische theorie slechts in
              beperkte mate vergroten. Ook als het erom gaat de specifieke kenmerken van
              de Nederlandse handel te verklaren, zoals de samenstelling en geografische
</pre>

====================================================================== Einde pagina 81 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 82 ======================================================================

<pre>   neder l a nd h a ndel sl a nd
               oriëntatie van de invoer en de uitvoer, bieden deze theorieën maar weinig
               aanknopingspunten.
               Voor een beter begrip van de Nederlandse handelspositie lijken vooral twee soor-
               ten factoren van belang, die in de (neo)klassieke leer van de internationale handel
               – in tegenstelling tot diverse andere theoretische benaderingen – geen of onvol-
               doende aandacht krijgen. De eerste soort factoren heeft betrekking op de geogra-
               fie. Ook in een internationaliserende economie blijken fysieke ligging en afstand
               nog altijd van groot belang te zijn. Zoals al vaker is geconstateerd, heeft de
               toename van de wereldhandel in de laatste decennia eerder het karakter van
               regionalisering dan van mondialisering (zie hoofdstuk 6). Een belangrijke vraag is
               dan waarom de verbetering van transport- en communicatiemogelijkheden en de
               liberalisering van de wereldhandel er niet toe hebben geleid dat het belang van
               fysieke nabijheid en ligging sterk is afgenomen.
               Een tweede categorie factoren betreft sociaal-culturele aspecten, die vaak een
               lange geschiedenis kennen. De constanten in de Nederlandse handel die in
               hoofdstuk 2 werden vastgesteld, suggereren dat tradities een belangrijke rol
               spelen. Deze constatering sluit op zichzelf aan bij het belang dat de nieuwe
78             handelstheorie toeschrijft aan padafhankelijkheden. Deze theorie biedt echter
               weinig inzicht in de herkomst van specialisatiepatronen en bovendien gaat het
               daarin vooral om specialisatie in de productie van goederen. Kenmerkend voor
               Nederland is daarentegen de specialisatie in handelsactiviteiten zelf. Deze leidde
               er in de achttiende eeuw bijvoorbeeld toe dat de buitenlandse handel grotendeels
               losstond van de binnenlandse economische structuur (De Vries en Van der
               Woude 1995: 529-538). Dit roept het vermoeden op dat er zoiets bestaat als een
               Nederlandse handelstraditie die van generatie op generatie wordt overgedragen.
               Ook het belang van factoren als een (ex-)koloniale band en een gemeenschappe-
               lijke taal voor de verklaring van de omvang van de handel (zie subpar. 3.3.3) duidt
               op het gewicht van sociale en culturele factoren in de buitenlandse handel.
               De activiteit van het handelen zelf, van het optreden als intermediair tussen
               aanbieders en vragers van goederen en diensten in verschillende landen, krijgt in
               de traditionele handelstheorie echter geen aandacht. Ook het belang van institu-
               ties die de handelsactiviteit kunnen ondersteunen of belemmeren, blijft daarin
               onderbelicht. In de volgende hoofdstukken wordt de aandacht daarom gericht op
               het proces van de handel zelf. Behalve door de overvloed of schaarste aan produc-
               tiefactoren en de mate van technologische geavanceerdheid resulterend in een
               bepaalde productiespecialisatie, wordt de positie van Nederland als handelsnatie
               namelijk ook in sterke mate bepaald door geografische, sociaal-culturele en insti-
               tutionele factoren die een comparatief voordeel opleveren in de activiteit van het
               handeldrijven zelf.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 82 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 83 ======================================================================

<pre>                                                               theorie en empirie van de internationale handel
noten
1
      Het standaard Heckscher-Ohlin-model heeft betrekking op een situatie met twee
      landen, twee producten en twee productiefactoren (de zogeheten 2x2x2-casus).
      Vanek (1968) heeft laten zien dat als men de aandacht niet richt op de te verhan-
      delen producten zelf, maar op de factorinhoud van deze producten, het model
      eenvoudig is te generaliseren tot een willekeurig aantal producten en productie-
      factoren. In deze vorm wordt het model ook wel aangeduid als het Heckscher-
      Ohlin-Vanek-model (hov-model).
2
      Dit geldt echter alleen zonder voorbehoud in een partieel evenwichtsmodel,
      waarin het invoertarief geen invloed uitoefent op de wereldhandelsprijzen.
      Voor een groot land als de Verenigde Staten hoeft dit niet op te gaan.
      Een invoerheffing op een bepaald product vermindert de vraag en vergroot het
      aanbod op de wereldmarkt van dit product, waardoor de wereldhandelsprijs van
      het product daalt en de ruilvoet van de vs verbetert. Bij een relatief beperkt
      invoertarief is het mogelijk dat de welvaartswinst ten gevolge van de ruilvoet-
      verbetering groter is dan het welvaartsverlies ten gevolge van de verstoring van
      binnenlandse productie- en consumptiebeslissingen (vgl. Krugman en Obstfeld
      2000: hoofdstuk 5).                                                                                      79
3
      Immers, 2– 0,7 = 0,64 en 2–1,1 = 0,47 en 4– 0,7 = 0,38 en 4–1,1 = 0,22.
4
      Doordat de afstand wordt gemeten tussen de hoofdsteden van beide landen is de
      afstand tussen aangrenzende landen niet gelijk aan nul.
5
      De handel met deze landen omvat meer dan 77 procent van de invoer en
      86 procent van de uitvoer van Nederland.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 83 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 84 ======================================================================

<pre>   neder l a nd h a ndel sl a nd
80
</pre>

====================================================================== Einde pagina 84 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 85 ======================================================================

<pre>                                                              welvaart, instituties en transactiekosten
4   welvaart, instituties en tr ansactiekosten
4.1 inleiding
    Waarom is het ene land rijker dan het andere? Wat is de bron van de enorme
    productiviteitswinsten die de afgelopen eeuw zijn behaald? De (neo)klassieke
    theorie van de comparatieve voordelen die in hoofdstuk 3 is besproken, vormt
    nog altijd een hoeksteen voor de verklaring van internationale handel en groei.
    Volgens O’Rourke en Williamson (1999) biedt de theorie van comparatieve voor-
    delen wel een bevredigende verklaring voor de globaliseringstendensen van de
    negentiende eeuw, maar veel minder voor de internationale handelsstromen in
    de twintigste eeuw. Weliswaar is vanuit deze op de productiefunctie gerichte
    theorie meer inzicht gekregen in de relatie tussen technologische ontwikkeling,
    groei en handel (zie voor een overzicht bijv. Den Butter en Van Zijp 1995: hoofd-
    stuk 2). Toch blijkt ook uit het voorgaande hoofdstuk dat de ontwikkeling van de
    Nederlands handel niet eenvoudig valt te verklaren met uitsluitend de standaard-
    theorie, waarin de productiefunctie centraal staat.
    De belangrijkste reden van de gebrekkige verklaring van handel en welvaartsgroei                    81
    in de standaardtheorie is dat handel daarin voornamelijk als een allocatieprobleem
    wordt gezien. De productie van goederen en diensten wordt daarmee geredu-
    ceerd tot een kwestie van techniek: het op efficiënte wijze combineren van
    productiefactoren als arbeid en kapitaal. Het empirische onderzoek beperkt zich
    tot relatief eenvoudig te meten productiefactoren, zoals het aantal arbeidsuren of
    de gecumuleerde hoeveelheid investeringen uit het verleden. De praktijk blijkt
    echter ingewikkelder te zijn. Een aanzienlijk deel van de welvaartsgroei valt niet
    toe te schrijven aan de inzet van de bekende productiefactoren, maar is te danken
    aan een onbekende factor die economen meestal met ‘technische vooruitgang’
    aanduiden. De meeste gangbare theorieën van de internationale handel abstraheren
    hierbij echter van transactiekosten en de achterliggende instituties die transacties
    mogelijk maken. Mancur Olson geeft hiervoor in zijn boek The logic of collective
    action (1965) een eenvoudige verklaring, namelijk dat bijna alle economen sinds
    Adam Smith afkomstig zijn uit landen waar de essentiële basisvoorwaarden voor
    economische groei zijn vervuld en deze daarom als gegeven aannemen. In de
    woorden van Olson: “Economics developed, loosely speaking, in a particular
    type of society, namely democratic societies with secure rights and independent
    judiciaries, so people haven’t bothered to think about these things very much in
    economics” (Olson 1965).
    In dit hoofdstuk staat de vraag centraal waarom handelsinstituties en -organisa-
    ties van belang zijn voor de handel. Voortbouwend op de zogenoemde ‘nieuwe
    institutionele economie’ (Williamson 1998; 2000) – die overigens als een onder-
    deel van de mainstream neo-klassieke economie kan worden opgevat – worden
    handel en productie niet louter benaderd als een technologisch, maar ook als een
    organisatorisch vraagstuk. Deze benadering werpt een nieuw licht op handel en
</pre>

====================================================================== Einde pagina 85 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 86 ======================================================================

<pre>   neder l a nd h a ndel sl a nd
               welvaartsgroei en geeft aanleiding tot een nuancering van de beleidsaanbevelin-
               gen van de standaardhandelstheorie.1 In de traditionele handelstheorie is de
               gewenste overheidsrol zeer beperkt, doordat men de welvaart louter als een allo-
               catieprobleem ziet, waarbij de kosten van het tot stand brengen van de ruil van
               goederen en diensten, de zogenaamde transactiekosten, worden verwaarloosd.
               Maar het streven naar vermindering van de transactiekosten is in werkelijkheid
               juist het bestaansrecht van tal van organisaties en instituties. De transactiekosten
               zijn van doorslaggevend belang in de internationale handel. Bij het overbruggen
               van fysieke, administratieve en culturele ‘afstanden’ op internationale markten
               spelen transactiekosten een cruciale rol. Naast de vaardigheid om op efficiënte
               wijze te produceren vormt het vermogen om die kosten te verminderen een
               belangrijke bron van welvaart. Net als het fabriceren van goederen en het verle-
               nen van diensten is het drijven van handel of, algemener gesteld, het tot stand
               brengen van transacties een techniek die, naarmate men haar beter beheerst,
               meer welvaart oplevert (Greif 2000).
               In dit rapport gaat de raad derhalve op zoek naar de micro-structuur van (handels)-
               transacties. Vaak richt men zich bij een dergelijke benadering op de ‘factor’ onder-
               nemer of op de heersende ondernemerscultuur als verklaring voor economisch
82             succes (Baumol 1990). In dit rapport staat echter de ‘handelaar’ centraal, dat wil
               zeggen de persoon of organisatie die zich specialiseert in het oplossen van de orga-
               nisatorische problemen rond de ruil van goederen, diensten en ideeën.
               De opbouw van dit hoofdstuk is als volgt. Paragraaf 4.2 besteedt aandacht aan de
               institutionele kant van handel en welvaart. Paragraaf 4.3 laat zien hoe een inter-
               mediair de kosten van het handeldrijven kan verminderen. Paragraaf 4.4 vat de
               belangrijkste conclusies samen.
               Dit hoofdstuk beschrijft de rol van instituties en de activiteiten van intermediairs
               alleen in zeer algemene termen. Hoofdstuk 5 gaat dieper in op de wijze waarop
               verschillende soorten organisaties de transactiekosten van de handel kunnen
               verminderen en op de rol die formele en informele instituties daarbij spelen.
               Hoofdstuk 5 geeft hiermee een meer concrete uitwerking aan de algemene en
               enigszins abstracte noties uit dit hoofdstuk.
   4.2         de economische rol van instituties
               Voordat de organisatorische problemen rond de ruil aan de orde komen, is het
               goed eerst in algemene zin uiteen te zetten wat hier onder instituties wordt
               verstaan, op welke niveaus zij een rol spelen, hoe zij de welvaart van een land
               kunnen beïnvloeden en waarom hierbij een benadering vanuit verschillende
               disciplines van belang is.
               In de traditionele benadering van welvaart en handel wordt impliciet veronder-
               steld dat zich continu aanpassingen voordoen en dat er geen kosten gemoeid zijn
               met het verhandelen van goederen en diensten. Investeringen en extra inzet
</pre>

====================================================================== Einde pagina 86 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 87 ======================================================================

<pre>                                                                          welvaart, instituties en transactiekosten
       van arbeid leiden in deze gedachtegang direct tot een hogere productie.
       In werkelijkheid zit hier echter een belangrijke stap tussen. Internationale handel
       vereist veel activiteiten voordat men een transactie afsluit en goederen over-
       draagt. Deze activiteiten brengen kosten met zich mee. Het zoeken van en het
       afstemmen van de wensen tussen vragers en aanbieders vereisen – zeker wanneer
       de handel over grote afstand plaatsvindt – dat er enige zekerheid bestaat dat de
       overdracht daadwerkelijk totstandkomt en dat de verhandelde goederen overeen-
       komen met de afgesproken kwaliteit. Informatie – of exacter: asymmetrische
       informatie – speelt een belangrijke rol bij het totstandkomen van handel.
       Talrijke instituties en organisaties zijn ingesteld om handelsproblemen te
       verminderen of te omzeilen. Transacties komen tot stand op grond van allerlei
       formele en informele spelregels. De formele spelregels met betrekking tot (de
       overdracht van) eigendom zijn vastgelegd in wetten en codes die staten en orga-
       nisaties zichzelf opleggen. De informele spelregels hebben betrekking op onge-
       schreven normen, gewoonten of tradities die beperkingen opleggen aan het
       handelen in het economisch verkeer.
       Deze spelregels zijn van invloed op het gedrag en de organisatie van de spelers –
       bedrijven, individuen en overheden. Coase (1937) merkte reeds op dat het verla-
       gen van transactiekosten in feite de raison d’être van bedrijven is. Daarbij defi-                           83
       nieert hij transactiekosten als de kosten die gemoeid zijn met het gebruik van
       markten, ofwel marketing costs. De scheidslijn tussen transacties via de markt en
       de hiërarchie van een (interne) organisatie wordt daar getrokken waar de trans-
       actiekosten van beide coördinatiemechanismen in de marge aan elkaar gelijk zijn.
       Alvorens in te gaan op de rol van instituties is het goed kort stil te staan bij het
       belang van geografische factoren. Soms wordt de fysieke geografie van een land
       genoemd als de factor die op (zeer) lange termijn voorafgaat aan de vorming van
       instituties en technologieën. Verschillen in economische ontwikkeling zouden
       voor een groot deel zijn te verklaren uit geografische, klimatologische of ecologi-
       sche verschillen tussen landen. Een uitgesproken vertegenwoordiger van deze
       visie is Diamond (1997), die stelt dat “the striking differences between the long-
       term histories of peoples of the different continents have been (…) due to diffe-
       rences in their environments”. Deze opvatting is echter omstreden. Acemoglu et
       al. (2001) concluderen bijvoorbeeld op grond van de ontwikkelingen op zeer
       lange termijn dat de geografie geen factor van betekenis is. Instituties, vooral die
       van West-Europese snit, zijn volgens hen van veel groter belang geweest. Er lijkt
       geleidelijk een zekere consensus te ontstaan dat zowel geografie als instituties
       (cultuur en formele regels) van belang zijn (Sachs 2001; MacArthur en Sachs
       2001). Dit is ook de bevinding van David Landes, die op basis van zijn studie naar
       de opkomst en neergang van naties stelt:
“Any story of economic development is complex and involves an interplay of factors. There is
always an element of chance. But in the final analysis the response to these adventitious events
or random events or to the problems posed by geography will be shaped largely by culture”
(Challenge 1998: 14).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 87 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 88 ======================================================================

<pre>   neder l a nd h a ndel sl a nd
               De samenhang tussen instituties, organisaties, welvaart en de mogelijke rol van
               de overheid is schematisch weergegeven in figuur 4.1, die is ontleend aan Oliver
               Williamson (1998). Hoewel zijn indeling in veranderingsfrequenties enigszins
               arbitrair is, geeft het schema een aardig beeld van de verschillende niveaus
               waarop instituties transacties kunnen beïnvloeden. De ononderbroken pijlen
               geven aan dat een hoger niveau als een restrictie werkt op een lager niveau.
               De stippellijnen tussen niveaus betreffen terugkoppelingen: een lager niveau
               beïnvloedt op indirecte wijze een hoger niveau. Over de aard van die wederzijdse
               beïnvloeding kan men van mening verschillen. Een voorbeeld is de ontstaans-
               geschiedenis van het rechtssysteem. Zonder een rechtssysteem maken handela-
               ren in een relatief zwakke positie op een vrije (‘anarchistische’) markt zeer hoge
               transactiekosten, waardoor niet het optimale handelsniveau totstandkomt
               (Anderson en Young 2000). Deze transactiekosten kunnen een stimulans zijn om
               een rechtssysteem in te stellen dat de eigendomsrechten beschermt. De totstand-
               koming van zo’n systeem kan echter worden gehinderd door marktpartijen die
               juist voordeel hebben bij een anarchistische markt. Dit voorbeeld maakt duidelijk
               dat instituties en organisaties elkaar direct kunnen beïnvloeden en dat het niveau
               van analyse in Williamsons schema nog niets zegt over de causaliteit van ontwik-
               kelingen in de economie.
84
   4.2.1       informele en formele spelregels
               Het eerste en het tweede niveau in figuur 4.1 hebben betrekking op wat Douglass
               North de instituties of spelregels van een maatschappij noemt (North 1991; 1995).
               De informele spelregels zijn terug te vinden op het eerste niveau, L1. Informele
               instituties, zoals normen, religies en gewoonten, worden soms samengevat onder
               de noemer sociaal kapitaal. In de meeste economische theorieën worden infor-
               mele instituties echter als een gegeven beschouwd. Het formuleren van beleids-
               aanbevelingen in relatie tot transacties is op dit punt bijzonder lastig.
               De rol van de overheid is een geheel andere op het terrein van formele instituties
               (L2). Hier heeft de overheid een duidelijke taak om eigendomsrechten te creëren
               en te beschermen. Een economie, zeker een moderne economie, kan niet bestaan
               zonder de formulering en bestendiging van eigendomsrechten. De vorming en
               verdeling van eigendomsrechten lijken vaak een kwestie van gewoonte, maar in
               feite zijn zij het resultaat van formele dan wel informele spelregels die de deel-
               nemers aan het maatschappelijk verkeer overeenkomen. Zo wordt in de vs en
               Canada een patent toegekend aan de partij die bewijst dat hij een uitvinding
               daadwerkelijk als eerste heeft gedaan. In Japan en veel andere landen wordt een
               patent echter toegekend aan de partij die als eerste een patentaanvraag indient
               voor de desbetreffende uitvinding. Dit ogenschijnlijk kleine verschil in spelregels
               heeft in zijn uitwerking grote gevolgen, doordat onder het Japanse model van
               intellectueel eigendomsrecht uitvindingen sneller openbaar worden gemaakt dan
               onder het Amerikaanse systeem. Zo zijn er veel meer economische gevolgen van
               verschillen in wetten en regels. Dit geldt ook voor het terrein van de handel.
               De Navigation Acts van Engeland, die van kracht waren van 1651 tot 1849, zijn
</pre>

====================================================================== Einde pagina 88 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 89 ======================================================================

<pre>                                                                         welvaart, instituties en transactiekosten
Figuur 4.1    De economie van instituties
                Niveau van analyse                         Veranderings-  Doel
                                                           frequentie
                                                           (in jaren)
                  Inbedding: informele instituties,        100 tot 1000   Vaak niet doelbewust
      L1
                  gewoontes, tradities, normen, religie                   spontaan
                   Institutionele omgeving: formele        10 tot 100     Zorg voor optimale
                   regels van het spel – voornamelijk                     institutionele omgeving
      L2
                   rondom eigendomsrechten (politieke
                   gemeenschap, recht, en bureaucratie)
                   Organisatie en beheer: hoe het spel     1 tot 10       Zorg voor optimale
                   gespeeld wordt – voornamelijk rond                     beheersstructuur
      L3
                   contracten (aanpassen van
                   beheersstructuren op transacties)
                                                                                                                   85
                  Allocatie van middelen en inzet van      continu        Zorg voor juiste prijzen
                  productiefactoren: optimale keuze                       en optimale inzet middelen
      L4
                  van prijs- en hoeveelheid; optimale
                  beloningsstructuur
L1: Sociale theorie
L2: Economie van eigendomsrechten/politieke theorie/public choice
L3: Transactiekosteneconomie
L4: Neoklassieke economie/agency theorie
Bron: Williamson (1998: 26)
         een voorbeeld van (negatieve) invloed van regels op de internationale handel.
         Deze wetten maakten het buitenlandse handelaren onmogelijk om handel te
         drijven met Britse kolonies, waardoor deze kolonies gedwongen waren om via
         Britse havens hun goederen te exporteren. Dit leidde tot een patroon van
         handelsstromen waarbij een groot deel van de Britse invoer onmiddellijk weer
         werd geëxporteerd.
         De spelregels vormen als het ware de impliciete beloningsstructuur van een
         economie. De innovatiekracht en groeipotentie van een economie zijn daarom
         sterk afhankelijk van de aard en de naleving van de spelregels. Vooral de naleving
         van regels is belangrijk. Regels die uitvinders de vrijheid geven om hun uitvin-
         ding onbeperkt te exploiteren, vormen toch geen goede prikkel voor nieuwe
         initiatieven en investeringen als de overheid de naleving van het intellectuele
         eigendomsrecht niet kan of wil afdwingen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 89 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 90 ======================================================================

<pre>   neder l a nd h a ndel sl a nd
               Bij veel economische theorievorming en in empirische studies wordt het niveau
               waarop spelregels worden gevormd, voor gegeven aangenomen. Dit is begrijpe-
               lijk gezien de lange termijn waarop, althans volgens Williamson, de spelregels
               veranderen. Een standaardtijdreeksanalyse over een beperkt aantal jaren zou
               hierin geen inzicht verschaffen. Daarom zijn institutionele economen vooral te
               vinden onder economische historici, die zich vaak beperken tot beschrijvende
               analyses. Een alternatieve wijze om instituties te bestuderen is via cross-sectie-
               analyses. Een vergelijking van verschillende landen kan informatie verschaffen
               over de welvaartsconsequenties van formele en informele spelregels (Acemoglu
               et al. 2001). Dit leidt vaak tot beleidsaanbevelingen aan ontwikkelingslanden en
               landen in transitie om instituties te creëren die eigendomsrechten beschermen.
               Zo lijkt er overeenstemming over te bestaan dat internationale handel en kapi-
               taalstromen een belangrijke bron van welvaartsgroei kunnen zijn indien landen
               een institutionele omgeving creëren die ruilproblemen indamt.
               Institutionele vernieuwingen zijn niet alleen nodig in ontwikkelingslanden en in
               landen in transitie, maar ook in ontwikkelde, westerse landen. Ten eerste verei-
               sen ontwikkelingen op ict-gebied nieuwe wetgeving of nieuw beleid om intel-
               lectuele eigendomsrechten te beschermen (zie par. 6.3). Ten tweede is er steeds
86             het risico dat rechtencreatie de welvaart verstoort in plaats van bevordert.
               Een voorbeeld hiervan is patentwetgeving. Het verlenen van een patent roept
               altijd een monopolie in het leven. Hoewel dit op zichzelf wenselijk is om
               voldoende prikkels voor innovatie te creëren, kan hiervan een verstorend effect
               uitgaan indien hierdoor een suboptimale standaard wordt geschapen die door
               onomkeerbare processen een langdurig effect op de economie heeft. Ten derde
               kan het voor de oplossing van maatschappelijke problemen als milieuvervuiling,
               files, en congestie, wenselijk zijn om nieuwe eigendomsrechten te creëren of om
               eigendomsrechten te herverdelen. Verhandelbare emissierechten en rekening-
               rijden zijn voorbeelden van beleid waarbij de overheid nieuwe eigendomsrechten
               creëert en deze adequaat prijst.
   4.2.2       tr ansactiekosten
               Het derde niveau van analyse, L3, is het niveau van de transactiekostentheorie en
               betreft de organisatie en het beheer van het economische ‘spel’. Lange tijd is de
               dominante opvatting onder economen geweest dat de overheid alleen zorg hoeft
               te dragen voor een juridisch systeem dat eigendomsrechten definieert en
               bekrachtigt. In deze gedachtegang staat de marktwerking borg voor een verdere
               optimale verdeling van middelen. De impliciete veronderstelling hierbij is dat
               eigendomsrechten eenvoudig kunnen worden gedefinieerd en bekrachtigd en
               geen kosten met zich meebrengen. Coase (1960) heeft echter laten zien dat veel
               transacties niet aan deze veronderstelling voldoen. In vervolg hierop is veel
               economisch en juridisch onderzoek gedaan naar de wijze waarop private partijen
               contracten sluiten en beheren, teneinde de kosten van transacties te minima-
               liseren. De transactiekostenliteratuur richt de aandacht voornamelijk op ‘the
               theory of the firm’. De kernachtige beleidsaanbeveling die Williamson hierover
</pre>

====================================================================== Einde pagina 90 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 91 ======================================================================

<pre>                                                                   welvaart, instituties en transactiekosten
      formuleert is: ‘get the governance structure right’. Op dit terrein blijft de rol voor
      de overheid beperkt tot die van een marktmeester die de mededinging in de gaten
      houdt (Van Damme 1999). Maar ook deze opvatting over de bemoeienis van de
      overheid met de transactiekosten is te beperkt. In feite oefent de overheid via veel
      meer en vaak onvermoede kanalen invloed uit op de hoogte van transactiekosten.
      Daarbij gaat het in het bijzonder om publieke goederen, zoals onderwijs, infra-
      structuur, informatiebronnen en netwerken via ambassades, die het mogelijk
      maken om de kosten van transacties te verminderen.
4.2.3 de juiste prijs
      Op het vierde niveau in figuur 4.1, L4, geldt de neoklassieke allocatietheorie.
      Op dit niveau moeten de deelnemers aan het economische verkeer trachten de
      ‘juiste’ prijzen vast te stellen om daarmee tot een optimale allocatie te komen.
      Hierbij staat niet bij voorbaat vast wie hiervoor verantwoordelijk is. Anders dan
      in het verleden wordt hiervoor aan de overheid tegenwoordig meestal geen
      belangrijke rol meer toegekend. De overheid zou vooral moeten zorgen dat
      belastingen en sociale premies de prijsvorming op de markt zo weinig mogelijk
      verstoren. In een internationale context betekent dit ook dat verschillen in
      belastingen, premies en subsidies tussen landen niet als handelsbarrières mogen                        87
      werken. Daarom wordt de afbraak van tarifaire en regelgevingsbarrières, om een
      level playing field te creëren, doorgaans als de belangrijkste opdracht van de over-
      heden op dit niveau beschouwd.
      Men kan aan de ‘juiste prijs’ echter ook nog een andere interpretatie geven,
      namelijk het aloude idee van de iustum pretium, de rechtvaardige prijs. Aan de
      opdracht ‘zorg voor een optimale inzet van middelen’ geeft men dan een ethische
      interpretatie. Als men het er in een land over eens is om geen producten te kopen
      waarvoor bijvoorbeeld kinderarbeid is gebruikt, dan dient men hiervoor een
      hogere prijs te betalen, die doorwerkt in de binnenlandse handel en productie.
      Om te voorkomen dat een dergelijk beleid tot oneerlijke concurrentie leidt, is het
      van belang hierover internationale afspraken te maken die garanderen dat ook
      hier een level playing field wordt gecreëerd. Dit is overigens een gecompliceerde
      zaak die hier niet kan worden behandeld (zie Bagwell en Staiger 2001; Brown
      2001). Hoe dit ook zij, in ieder geval dient men erop bedacht te zijn dat normstel-
      ling bij een level playing field wel eens zodanig hoog kan zijn dat dit juist belem-
      merend voor de handel werkt en dat een level playing field daarom geen conditio
      sine qua non voor de internationale handel hoeft te zijn.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 91 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 92 ======================================================================

<pre>   neder l a nd h a ndel sl a nd
   4.3         de kosten en opbrengsten van handeldrijven
               In deze paragraaf komen de problemen rond transacties en handeldrijven aan de
               orde en wordt in algemene termen aangegeven hoe intermediairs deze proble-
               men kunnen (helpen) oplossen. Het onderscheid tussen nationale en internatio-
               nale handel is hierbij voor een deel kunstmatig, omdat de problemen die men bij
               binnenlandse handel ontmoet grotendeels van dezelfde aard zijn als die bij
               buitenlandse handel. Analoog aan cultuurverschillen tussen landen kunnen er
               binnenslands ook cultuurverschillen tussen marktpartijen zijn, al krijgen die pas
               voluit gewicht bij de handel tussen bijvoorbeeld een Chinese en een Nederlandse
               handelaar (zie echter tekstbox 5.2, waaruit blijkt dat er ook tussen Nederlanders
               en Vlamingen nog belangrijke cultuurverschillen bestaan). Verschillen in taal,
               religie, gewoonten of netwerken maken dat er een ‘culturele afstand’ bestaat,
               waarvan de overbrugging de nodige inventiviteit van de handelaar vraagt.
               Om culturele verschillen te overbruggen worden in de praktijk uiteenlopende
               organisatievormen gekozen. Een gebruikelijke strategie was en is om gebruik te
               maken van tussenpersonen uit de inheemse bevolking. Zo ontkomt men er in de
               handel in aardnoten ook tegenwoordig niet aan om Indonesiërs in te schakelen
88             als handelaar. Zelfs bij e-commerce kan men die strategie herkennen: de internet-
               boekhandel Amazon.com heeft bijvoorbeeld in verschillende landen aparte
               websites opgezet. Deze voorbeelden illustreren dat internationale handel met
               tal van problemen gepaard gaat die kosten met zich meebrengen, die via uiteen-
               lopende organisatievormen kunnen worden verminderd.
               Bij het handelen verdient het vaak de voorkeur om niet direct met een vrager of
               aanbieder een transactie aan te gaan, maar een intermediair in te schakelen. In een
               moderne economie is dit de gangbare praktijk. Het inschakelen van een inter-
               mediair kan voordelen hebben doordat deze zich toelegt op specifieke activiteiten
               die voor een individuele agent bij een directe transactie te veel tijd of geld kosten
               of waarvoor hij de kennis mist. Eenieder die handelt maakt transactiekosten,
               doordat ieder te verhandelen goed of elke dienstenlevering wordt gekenmerkt
               door onzekerheid. Deze onzekerheid kan men weliswaar reduceren door een
               contract af te sluiten, maar de kosten verbonden aan het opstellen van zo’n
               contract zullen de baten ervan al snel overtreffen.2 Het doorslaggevende argu-
               ment waarom men handel of transacties uitbesteedt aan een intermediair is dat
               deze door specialisatie de transactiekosten vermindert.
               Een eenvoudig, gestileerd voorbeeld kan de rol van een intermediair verduidelij-
               ken. Stel dat twee partijen een handelstransactie willen uitvoeren: een verkoper
               biedt een product aan waarvan de productiekosten C bedragen en een koper is
               bereid voor het product het bedrag V (> C ) te betalen. Bij directe ruil, zonder
               tussenkomst van een intermediair, moeten de koper en verkoper onderhandelen
               over de condities van levering, zoals de prijs en de kwaliteit van het te leveren
               product. Daarvoor maken zij transactiekosten T. De transactie zal dan alleen
               totstandkomen indien de baten van de ruil positief zijn, dat wil zeggen indien
</pre>

====================================================================== Einde pagina 92 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 93 ======================================================================

<pre>                                                             welvaart, instituties en transactiekosten
V – C – T > 0. De onderhandelingen gaan onder meer over de verdeling van deze
baten tussen de koper en de verkoper.
Stel nu dat een derde partij, de intermediair, bereid is het desbetreffende product
van de verkoper in te kopen tegen een prijs PI en het aan de koper te verkopen
tegen een prijs PV. De tussenpersoon verzorgt het gehele ruilproces en neemt dus
alle transactiekosten op zich. Door specialisatie of kennis van het ruilproces zijn
zijn transactiekosten, K, lager dan bij directe ruil tussen de verkoper en koper het
geval is: K < T. Als de intermediair bereid is het voordeel T – K te delen met de
koper en de verkoper en als zij hem vertrouwen, is het voor beide partijen voor-
delig om met de intermediair in zee te gaan. Hieruit blijkt dat een intermediair in
economisch opzicht alleen bestaansrecht heeft indien hij een transactiekosten-
voordeel weet te behalen. Of, nauwkeuriger gezegd, wanneer het transactiekos-
tenvoordeel dat de intermediair weet te behalen, groter is dan de kosten die hij
moet maken om dat voordeel te behalen.
In dit eenvoudige voorbeeld is er geen concurrentie tussen intermediairs.
De enige beperking van de macht van de intermediair is dat de koper en verkoper
ook direct, zonder tussenkomst van de intermediair met elkaar kunnen handelen.
Concurrentie tussen verschillende intermediairs kan echter de handelsmarge van                         89
de tussenpersoon, PV – PI, en de hoogte van de transactiekosten beïnvloeden.
Over de mate waarin concurrentie de transactiekosten beïnvloedt, is weinig
bekend. Wel is duidelijk dat indien de intermediair een monopolist is, hij vrijwel
de gehele winst, in dit geval het transactiekostenvoordeel T – K, kan opeisen.
De partijen die hem inschakelden hebben dan weinig profijt. Als er tussen de
intermediairs scherpe concurrentie is, valt daarentegen vrijwel het gehele profijt
verbonden aan de ruil, V – C – K, toe aan de kopers en verkopers en maken de
intermediairs geen winst.
De macro-economische consequenties van transactiekostenverlaging door inter-
mediairs hangen dan ook direct samen met de marktstructuur. In beginsel kan
een verlaging van de transactiekosten die tot uitdrukking komt in een verhoging
van de efficiëntie van de handel, op twee manieren doorwerken in de welvaart
(zie bijlage 1 voor een grafische weergave). Een eerste, extreme mogelijkheid, is
dat de handelsmarge van handelaren gelijk blijft, zodat het welvaartsvoordeel van
de productiviteitsverhoging geheel ten goede komt aan de handelsfunctie zelf.
In dit geval is voor de Nederlandse welvaart van belang of de handelaren, of dege-
nen die van hun productiviteitsverhoging profiteren, ingezetenen van ons land
zijn. Voorzover buitenlanders minder factorinzet nodig hebben om de handels-
marges in de wacht te slepen, vloeit deze welvaartswinst dus weg naar het
buitenland. Het andere extreme, maar in de praktijk veel relevantere geval is dat
de dankzij de productiviteitsverhoging de handelsmarges kleiner worden. In dit
geval heeft de efficiëntieverhoging van de handel tot gevolg dat de handel
toeneemt omdat de verkoopprijs van producten en diensten kan dalen en/of de
kostprijs van de producten kan stijgen. Het welvaartsvoordeel van de grotere
handel, en daarmee van de verdere arbeidsdeling, komt dan tot uitdrukking in
</pre>

====================================================================== Einde pagina 93 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 94 ======================================================================

<pre>   neder l a nd h a ndel sl a nd
               een groter consumentensurplus en/of producentensurplus. Opmerkelijk is dat in
               deze situatie de productiviteitsverhoging van de handelsfunctie niet tot uitdruk-
               king hoeft te komen in een hogere productiviteit van de handelssectoren zelf.
               Dankzij de concurrentie tussen intermediairs stijgt weliswaar het volume van de
               handelstransacties, maar niet de toegevoegde waarde per eenheid factorinzet van
               de intermediairs. Het betekent dat in dit geval de bijdrage van de handel aan de
               productiviteitsverhoging in de traditionele sectorale groeitoerekeningsexercities
               verborgen blijft, en dat het feit dat volgens deze exercities de bijdrage van
               (sommige onderdelen van) de handel gering is, niet hoeft te impliceren dat de
               handelsfunctie onbelangrijk voor de welvaartstoename is geweest.
               De vraag is wel in hoeverre dit welvaartsvoordeel van een grotere efficiëntie van
               de handel voor Nederland behouden kan blijven. Immers, in de internationale
               handel kan een deel van het consumentensurplus en het producentensurplus
               naar het buitenland weglekken. Over het algemeen lijkt dit weglekken onvermij-
               delijk, maar de mate waarin het gebeurt hangt af van de marktcondities op de
               binnenlandse en buitenlandse markten. Een belangrijk vraagpunt bij deze verde-
               lingsvraag van de welvaartsvoordelen is, in geval van voordeel voor de handels-
               functie zelf, of de toegenomen verdiensten uit de handel op macro-niveau bijdra-
90             gen aan de toegevoegde waarde in Nederland, of dat deze verdiensten via
               beloningen voor buitenlandse handelaren of aandeelhouders naar het buitenland
               wegvloeien. Wanneer het welvaartsvoordeel van de verlaging van de transactie-
               kosten zich vertaalt in een toename van het consumentensurplus en/of produ-
               centensurplus kan wellicht weglekken naar het buitenland deels door prijsdiscri-
               minatie worden voorkomen.
   4.4         conclusie
               Het totstandkomen van internationale handel vereist meer dan in de traditionele
               economische handelstheorie, die in hoofdstuk 3 is besproken, wordt veronder-
               steld. Relatieve verschillen in preferenties, productietechnologieën en aanwezig-
               heid van hulpbronnen vormen een bron voor wederzijds voordelige handel en
               daarmee van welvaartsgroei, maar het daadwerkelijk tot stand brengen van
               (internationale) handelstransacties vereist meer. Om dit aspect van de (interna-
               tionale) handel te begrijpen is inzicht vereist in de instituties – de informele en
               formele spelregels – die de voorwaarden scheppen voor handel en in de organisa-
               tievormen die bestaan om de problemen rond de ruil van goederen, diensten of
               ideeën te verminderen of omzeilen. De instituties vormen in zekere zin de impli-
               ciete beloningsstructuur van economische activiteiten. Niet alleen de concrete
               vorm van de instituties, bijvoorbeeld de inhoud van bepaalde wetten, zijn hierbij
               van belang, maar ook de wijze waarop deze worden uitgevoerd. Een ‘goede’ wet
               die niet wordt nageleefd kan even schadelijk zijn als een ‘slechte’ wet. Organisa-
               ties zijn tot op zekere hoogte een weerspiegeling van de instituties van een land,
               omdat zij zich aanpassen aan de geldende spelregels.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 94 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 95 ======================================================================

<pre>                                                            welvaart, instituties en transactiekosten
Als gevolg van verschillen in taal, cultuur, religie en dergelijke, kan het tot stand
brengen van een handelstransactie met een partij in een ander land hoge kosten
met zich meebrengen. Daardoor is het mogelijk dat een op zichzelf rendabele
handelsrelatie toch niet totstandkomt. Verschillende organisatievormen kunnen
er evenwel toe bijdragen deze transactiekosten te verlagen en de handel te stimu-
leren. Zo specialiseren intermediairs zich in bepaalde aspecten van de handel,
waardoor zij deze efficiënter en dus tegen lagere kosten tot stand kunnen bren-
gen dan de aanbieders en de vragers van bepaalde goederen. In het algemeen zal
het kostenvoordeel van deze specialisatie worden verdeeld over de intermediair
en de handelende partijen. Wie hiervan het meeste profijt trekt, hangt in belang-
rijke mate af van de marktverhoudingen.
Het volgende hoofdstuk gaat dieper in op specifieke organisaties en instituties
die een rol spelen bij het verminderen van de transactiekosten van de internatio-
nale handel.
                                                                                                      91
</pre>

====================================================================== Einde pagina 95 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 96 ======================================================================

<pre>   neder l a nd h a ndel sl a nd
   noten
   1
               Dat organisatorische veranderingen productiviteitsverhogend kunnen werken, is
               op overtuigende wijze geïllustreerd door Schmitz (2001), die de arbeidsproducti-
               viteit in Amerikaanse en Canadese ijzerertsbedrijven traceert tot organisatori-
               sche veranderingen en niet zozeer tot technologische veranderingen of de inzet
               van meer kapitaal of arbeid.
   2
               Dit is overigens niet alleen door economen opgemerkt. De socioloog Durkheim
               (1893/1964) stelde al dat economische transacties vaak gehinderd worden door
               contractimperfecties en dat het eenvoudige beeld van een perfect werkende
               markt geen algemene geldigheid heeft.
92
</pre>

====================================================================== Einde pagina 96 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 97 ======================================================================

<pre>                                        de stille kracht van de handel – de rol van organisaties en instituties
5   de stille kr acht van de handel – de rol
    van organisaties en instituties
5.1 inleiding
    In hoofdstuk 4 is uiteengezet waarom transacties, waaronder (internationale)
    handel, in de praktijk vaak niet vanzelf, spontaan, totstandkomen, maar dat zij
    moeten worden georganiseerd. Transacties gaan gepaard met kosten die het tot
    stand brengen van handel tussen twee partijen kunnen bemoeilijken of zelfs
    verhinderen. Het ideaaltypische neoklassieke model van de ‘vrije markt’ gaat
    voorbij aan het handelen zelf, dat wil zeggen het zoeken van een geïnteresseerde
    partij, het onderhandelen over en het vaststellen van de prijs en van andere voor-
    waarden voor de ruil en het daadwerkelijk uitvoeren van de ruil. In de praktijk is
    de wijze waarop de transactie totstandkomt echter cruciaal om het verschijnsel
    handel te begrijpen. Casson (1985) spreekt in dit verband over ‘het maken van de
    markt’ (market-making activities). Om het maken van de markt in theorie en
    praktijk te doorgronden, bespreekt dit hoofdstuk de verschillende organisatie-
    vormen die de internationale handel mogelijk maken.
                                                                                                                93
    Economische transacties kunnen op verschillende manieren totstandkomen.
    Het is gebruikelijk onderscheid te maken tussen transacties die op een markt
    totstandkomen en transacties via de hiërarchie van een onderneming.
    Tussen deze beide ideaaltypen van coördinatie bevindt zich echter nog een derde
    vorm, namelijk transacties in interorganisationele netwerken. Ebers (1997)
    onderscheidt deze drie manieren van economische transactievorming aan de
    hand van drie kenmerken, te weten (de verwachtingen ten aanzien van) de aard
    van de relatie tussen de betrokken partijen, de wijze van informatie-uitwisseling
    tussen de partijen en het dominante coördinatiemechanisme (zie tabel 5.1).
    Bij markttransacties gaat het om kortstondige relaties op basis van een formele,
    contractuele overeenkomst, die het resultaat is van onderhandeling en concur-
    rentie, waarbij de informatie-uitwisseling zich beperkt tot de desbetreffende
    transactie. Netwerken onderscheiden zich hiervan doordat de relaties tussen de
    partijen mede zijn gebaseerd op informele, ongespecificeerde wederzijdse
    verplichtingen en verwachtingen. De relaties binnen netwerken zijn bovendien
    duurzamer dan op de markt, doordat ze niet zijn gericht op een of enkele transac-
    ties, maar op langdurige samenwerking waarin men een sociale relatie vormt.
    Aan deze samenwerking kan overigens een einde komen als het gezamenlijke
    doel is gerealiseerd. Netwerken onderscheiden zich verder van marktrelaties door
    de intensieve communicatie tussen de partners over meer onderwerpen dan
    alleen de transacties zelf. Ten slotte komen transacties in netwerken tot stand
    door overleg en overeenstemming in plaats van via onderhandeling en concur-
    rentie.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 97 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 98 ======================================================================

<pre>   neder l a nd h a ndel sl a nd
      Tabel 5.1        Markt, netwerk en onderneming
      Karakteristieken           Markt                       Interorganisationeel         Onderneming
                                                             netwerk
      Wederzijdse                Geringe verwachtingen,      Hogere verwachtingen,        Hogere verwachtingen,
      verwachtingen tussen       blijven beperkt tot de      inclusief ongespecificeerde  inclusief ongespecifi-
      actoren over hun relatie contractuele voorwaarden wederkerige verplichtingen        ceerde wederkerige
                                                             en wederzijdse verwachtingen verplichtingen en weder-
                                                                                          zijdse verwachtingen
                                 Kortetermijnrelatie gericht Langeretermijnrelatie        Langeretermijnrelatie
                                 op economische ruil         met sociale elementen        met sociale elementen
                                 Beperkte duur               Beperkte duur (gebaseerd     Onbeperkte duur
                                                             op bereiken van doel) of
                                                             onbeperkte duur
      Informatiestromen          Blijven beperkt tot         Meer gedeelde informatie,    Meer gedeelde informa-
94    tussen actoren             ruilvoorwaarden (prijs,     op basis van een grotere     tie, op basis van een
                                 hoeveelheid, kwaliteit en   variëteit aan informatie     grotere variëteit aan
                                 levering)                                                informatie
      Belangrijkste coördi-      Onderhandeling en           Overleg en                   Autoriteit en
      natiemechanismen            concurrentie               overeenstemming              identiteit
     Bron: wrr op basis van Ebers (1997: 23)
               Transacties binnen ondernemingen onderscheiden zich op dezelfde punten van
               markttransacties als transacties binnen netwerken. Er is echter een cruciaal
               verschil tussen netwerken en ondernemingen ten aanzien van het dominante
               coördinatiemechanisme. Bedrijfsinterne transacties zijn niet gebaseerd op overleg
               en overeenstemming, maar op autoriteit en identiteit. Binnen ondernemingen is
               altijd sprake van hiërarchische gezagsrelaties, waarbij de ondergeschikte partij de
               autoriteit van de andere partij erkent omdat de eerste deel uitmaakt van en zich
               identificeert met dezelfde organisatie. Dit formele onderscheid tussen een onder-
               neming en een netwerk neemt overigens niet weg dat veel transacties binnen
               ondernemingen feitelijk (mede) op basis van overleg en overeenstemming
               totstandkomen. Een ander verschil tussen ondernemingen en netwerken is de in
               beginsel onbeperkte duur van ondernemingen (al hoeft dit niet te gelden voor de
               band van individuele leden met een bedrijfsorganisatie), terwijl de duur van
               netwerken beperkt kan blijven tot het realiseren van een welomschreven doel.
               Netwerken en bedrijven zijn twee belangrijke organisatievormen om de transac-
               tiekosten van de internationale handel te verminderen en het totstandkomen van
               transacties te vergemakkelijken. In netwerken is sprake van een duurzame relatie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 98 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 99 ======================================================================

<pre>                                     de stille kracht van de handel – de rol van organisaties en instituties
tussen verschillende partijen waartussen een zekere mate van vertrouwen
bestaat, hetgeen de kosten van transacties tussen de betrokken partijen vermin-
dert. Evenmin als markttransacties komen netwerken echter vanzelf tot stand.
De partijen die deel uitmaken van een netwerk moeten elkaar eerst leren kennen
en vertrouwen in elkaar krijgen. Uiteenlopende organisaties kunnen behulpzaam
zijn bij het totstandkomen en onderhouden van netwerkrelaties, maar ook bij
marktrelaties. Het gaat hierbij om intermediairs die zich hebben gespecialiseerd
in (bepaalde aspecten van) het maken van de markt, bijvoorbeeld in het vergaren
en verstrekken van informatie of in het spreiden van risico’s waarmee transacties
gepaard gaan. Deze specialisatie levert schaalvoordelen op ten opzichte van de
situatie waarin alle afzonderlijke handelende partijen deze activiteiten zouden
ondernemen.
Een geheel andere manier om de transactiekosten te verminderen is de transactie
te internaliseren, dat wil zeggen binnen een bedrijfsorganisatie te laten plaats-
vinden. In het geval van internationale handel gaat het dan om multinationale
ondernemingen met vestigingen in meerdere landen. Terwijl netwerken en inter-
mediairs erop zijn gericht om handel aantrekkelijker te maken door de transactie-
kosten ervan te verlagen, kan een multinational ook transactiekosten verminde-
ren door handel overbodig te maken. Een interessante vraag is dan ook in                                     95
hoeverre de activiteiten van multinationals een substituut vormen voor interna-
tionale handel dan wel internationale handel bevorderen.
Het is belangrijk vooraf te benadrukken dat de verschillende organisatievormen
voor de handel die in dit hoofdstuk worden besproken, elkaar niet uitsluiten.
Integendeel, vaak zijn netwerken, intermediairs en multinationals sterk met
elkaar verweven en combineren organisaties verschillende van deze vormen in
zich. Zo maken intermediairs en multinationals vaak deel uit van een internatio-
naal netwerk. Niet zelden vormen zij zelfs de spil daarvan. Intermediairs kunnen
zich ontwikkelen tot multinationals indien zij vestigingen oprichten in de
verschillende landen waarmee zij handelen, of indien zij fuseren met toeleve-
ringsbedrijven of afnemers in verschillende landen. Multinationals kunnen
tevens functioneren als intermediair, doordat zij duurzame relaties onderhouden
met enerzijds de aanbieders van grondstoffen en componenten en anderzijds
afnemers als groothandelaren en lokale dealers.
De verschillende manieren om de transactiekosten te verminderen staan niet los
van de context waarin de transacties totstandkomen. Het maakt veel uit onder
welke spelregels (instituties) het spel gespeeld wordt en wie de spelers (organisa-
ties) zijn. De centrale stelling in het werk van Douglas North (1990) is dat de
voortdurende wisselwerking tussen spelregels en de spelers, dat wil zeggen
tussen instituties en organisaties, ten grondslag ligt aan het succes of falen van
een economie. Hierbij gaat het niet alleen om formele instituties, zoals wettelijke
regels en voorschriften. Ook informele instituties zijn van groot belang.
Deze omvatten sociaal-culturele verschijnselen zoals de heersende normen en
waarden, het vertrouwen dat men in anderen heeft en de handels- of koopmans-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 99 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 100 ======================================================================

<pre>   neder l a nd h a ndel sl a nd
               vaardigheden die in een land aanwezig zijn. Het belang van formele en informele
               instituties kan uiteenlopen voor de verschillende organisatievormen voor het
               verminderen van transactiekosten. Bij het totstandkomen en onderhouden van
               netwerken spelen informele instituties, in het bijzonder vertrouwen, een grote
               rol. Bij multinationals ligt de nadruk meer op formele instituties, dat wil zeggen
               de wettelijke eigendoms- en zeggenschapsverhoudingen. Dit neemt echter niet
               weg dat het totstandkomen en functioneren van netwerken mede wordt beïn-
               vloed door formele instituties, zoals het rechtssysteem, en dat binnen (multina-
               tionale) ondernemingen ook informele normen en waarden een belangrijke rol
               kunnen vervullen.
               Kleine veranderingen in de instituties van een land kunnen grote en langdurige
               veranderingen tot gevolg hebben. De wisselwerking tussen organisaties en insti-
               tuties leidt tot een padafhankelijkheid, die de mogelijkheden om de ontwikke-
               lingsrichting van een land op korte termijn bij te sturen sterk beperkt. Tegelijker-
               tijd kunnen veranderingen in het beleid of in informele instituties die op korte
               termijn weinig effect lijken te sorteren, op langere termijn ingrijpende gevolgen
               hebben. Zo spelen landen als Spanje, Portugal en China, die in het verre verleden
               een dominante positie hadden in de wereldhandel, tegenwoordig nog slechts een
96             marginale rol. Meer recent zijn we getuige geweest van de snelle opmars van
               Japan en de Oost-Aziatische ‘Tijgers’ (Hongkong, Singapore, Taiwan en Zuid-
               Korea) in de internationale handel. Algemeen wordt aangenomen dat de overheid
               en vigerende instituties hierbij een cruciale rol hebben gespeeld. In dit opzicht is
               het opmerkelijk dat Nederland sinds de Gouden Eeuw weliswaar mindere perio-
               den heeft gekend, maar toch nooit echt achterop is geraakt en nog steeds een
               belangrijke handelsnatie is.
               De opbouw van dit hoofdstuk is als volgt. In paragraaf 5.2 staat de rol van netwer-
               ken in de internationale handel centraal. Daarbij wordt nader ingegaan op het
               onderscheid tussen netwerken en marktrelaties en de rol die verschillende
               vormen van vertrouwen hierin spelen. Paragraaf 5.3 bespreekt de rol van interme-
               diairs bij het totstandkomen van (internationale) handelstransacties, zowel in
               netwerken als op de markt. Meer specifiek gaat de aandacht uit naar makelaars en
               koopmannen (waaronder detail- en groothandelaren), ‘hybride’ handelaren,
               financiële intermediairs en (informatie)makelaars. Paragraaf 5.4 behandelt de
               factoren die van invloed zijn op de vorming van multinationale ondernemingen
               en de wijze waarop multinationals de transactiekosten van internationale handel
               trachten te verminderen. Hierbij gaat het ook om de vraag of er sprake is van
               substitutie of complementariteit tussen de activiteiten van multinationals en de
               internationale handel. Paragraaf 5.5 gaat in op de verschillende soorten instituties
               en hun belang voor de internationale handel. Het hoofdstuk sluit af met enkele
               conclusies (par. 5.6).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 100 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 101 ======================================================================

<pre>                                           de stille kracht van de handel – de rol van organisaties en instituties
5.2   netwerken
5.2.1 inleiding
      Internationale handelsnetwerken zijn te omschrijven als patronen van relatief
      duurzame samenwerking tussen kopers en verkopers in verschillende landen, voor-
      namelijk gebaseerd op overleg en overeenstemming.1 Volgens tabel 5.1 onderschei-
      den netwerken zich van marktrelaties door meer wederzijdse verwachtingen
      tussen kopers en verkopers, ongespecificeerde verplichtingen, langeretermijn-
      relaties met sociale elementen, meer gedeelde informatie, en overleg en overeen-
      stemming in plaats van onderhandeling en concurrentie. Het belangrijkste onder-
      scheid met ondernemingen is gelegen in de coördinatie van de ruilrelaties door
      overleg en overeenstemming in plaats van door autoriteit en identiteit.
      Netwerken kenmerken zich door de relatief open communicatie tussen de part-
      ners. Volgens Casson (1997: 118) is deze relatieve openheid gebaseerd op het
      wederzijdse vertrouwen tussen kopers en verkopers. Vertrouwen zorgt voor een
      hoge kwaliteit van informatie tegen lage kosten, waardoor handelsnetwerken tot
      een vermindering van transactiekosten leiden. De literatuur over netwerken laat
      echter zien dat het realiseren van zo’n vermindering eerst economische en sociale                            97
      investeringen in de samenwerkingsrelaties vereist. Vooral bij internationale
      handelsnetwerken kunnen deze investeringen aanzienlijk zijn en de inzet van
      gespecialiseerde bemiddelaars vergen.
      Deze paragraaf gaat nader in op de bijdrage van internationale handelsnetwerken
      aan verlaging van transactiekosten en op de daarvoor benodigde investeringen.
      Subparagraaf 5.2.2 bespreekt de theoretische relatie tussen netwerken en transac-
      tiekosten en concludeert dat vertrouwen binnen netwerken een basis vormt voor
      het verminderen van transactiekosten. Subparagraaf 5.2.3 gaat nader in op het
      begrip vertrouwen, dat wordt onderscheiden in calculatief en moreel vertrou-
      wen. Subparagraaf 5.2.4 bespreekt het verband tussen netwerkvorming en
      vertrouwen en de rol die de juridische infrastructuur, reputatiemechanismen en
      relationele aspecten van netwerkvorming hierbij spelen. Vervolgens behandelt
      subparagraaf 5.2.5 inbeddingsproblemen bij netwerkvorming in de internationale
      handel. Subparagraaf 5.2.6 sluit af met een empirische analyse van het verband
      tussen handel en vertrouwen.
5.2.2 net werken en tr ansactiekosten
      Netwerken in de handel
      Een deel van de internationale handel is via netwerken georganiseerd. Hoe groot
      dit deel is, is echter moeilijk aan te geven. Greif (1989) beschrijft hoe in de
      Middeleeuwen het grootste deel van de handel tussen de landen rond de Middel-
      landse Zee was georganiseerd in netwerken van agenten die overwegend met
      andere leden van het netwerk handelden. Tegenwoordig kennen we de zeer
      gesloten Chinese handelsnetwerken, die wereldwijd opereren. Deze vormen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 101 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 102 ======================================================================

<pre>   neder l a nd h a ndel sl a nd
               echter slechts het topje van de ijsberg, in de zin dat ze exclusief en op basis van
               etniciteit zijn georganiseerd. Veel groter in aantal zijn de netwerken rond
               bepaalde producten, die als kenmerk hebben dat de handelaren in een specifiek
               product elkaar van haver tot gort kennen. Hierover is helaas weinig empirisch
               onderzoek beschikbaar (zie voor een voorbeeld van netwerken in de productie
               van textiel en confectie: Gereffi 1999). Dat het empirische onderzoek zich voor-
               namelijk beperkt tot netwerken op basis van etniciteit of ondernemingsclusters,
               zoals de Japanse keiretsu en de Koreaanse chaebol, heeft meer te maken met hun
               zichtbaarheid dan met hun relatieve belang in de handel (Rauch 2001).
               Het bestaan van deze netwerken is op zichzelf al een aanwijzing dat ze een
               belangrijke functie vervullen in het handelsverkeer.
               Informatie
               Uitwisseling van informatie is een karakteristieke functie van netwerken (zie
               ook Casson 1997: 117). Betrouwbare informatie is cruciaal voor het welslagen van
               handelstransacties. Informatie over de kwaliteit, prijs en beschikbaarheid van de
               te verhandelen goederen en diensten is onontbeerlijk, maar nog niet voldoende.
               De onzekerheid over de vraag of gemaakte afspraken zullen worden nagekomen,
               roept de behoefte op aan extra informatie over het toekomstige gedrag van
98             handelspartners.
               Een netwerkstructuur, die zich kenmerkt door de sociale banden tussen de leden
               van het netwerk, verlaagt de kosten van de verwerving van informatie en
               verhoogt de kwaliteit van de verworven informatie. Dit wordt veroorzaakt door
               het feit dat informatie binnen een netwerk als een publiek goed kan worden
               beschouwd. Alle leden van het netwerk profiteren ervan als een individuele partij
               informatie openbaart (non-rivaliteit) en geen van de leden kan hiervan worden
               uitgesloten (non-exclusiviteit).
               Er kan echter een free-rider-probleem ontstaan als partijen wel informatie willen
               ontvangen maar deze niet willen uitzenden. Dit probleem is in netwerken echter
               aanzienlijk kleiner dan op volledig vrije markten, doordat de partijen een duur-
               zame band met elkaar hebben. De sociale structuur van netwerken legt enerzijds
               de verplichting op om zelf informatie te zenden en heeft anderzijds het voordeel
               dat informatie van andere partijen snel wordt ontvangen. Anders dan op een
               markt is er regelmatig contact tussen de netwerkleden, zodat de informatie rela-
               tief efficiënt kan worden doorgegeven. Op volledig vrije markten wordt ofwel
               informatie minder snel en minder volledig gegenereerd en verspreid, ofwel is er
               een aparte organisatie nodig die de taak van informatieverspreiding als publiek
               goed op zich neemt. Het onderlinge vertrouwen van de leden van het netwerk
               verhoogt bovendien de kwaliteit van de informatie (Casson 1997: 118).
               Vertrouwen bevordert immers coöperatief gedrag van de deelnemers, waardoor
               free-riding en cheating ten aanzien van informatieoverdracht worden voor-
               komen. (De relatie tussen vertrouwen en netwerken wordt verder uitgewerkt
               in subparagraaf 5.2.4.)
</pre>

====================================================================== Einde pagina 102 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 103 ======================================================================

<pre>                                     de stille kracht van de handel – de rol van organisaties en instituties
Ex ante-transactiekosten en ex post-transactiekosten
Netwerken leveren een besparing op informatiekosten op. Voor een beter begrip
hiervan kunnen twee vormen van transactiekosten worden onderscheiden:
‘ex ante-transactiekosten’ en ‘ex post-transactiekosten’ (Casson 1997: 120).
De ex ante-transactiekosten zijn de kosten die partijen maken voordat zij een
contract overeenkomen. In een netwerk kunnen de betrokken partijen het als een
morele verplichting zien om tot overeenstemming te komen over een redelijke
prijs voor de beoogde transactie. Betrouwbare informatie over de kwaliteit en
over de gebruikelijke prijs-kwaliteitverhoudingen draagt, tezamen met de
bereidheid van de transactiepartners om snel tot overeenstemming te komen, bij
tot een relatief efficiënt onderhandelingsproces, zowel met betrekking tot de duur
en de kosten van het onderhandelingsproces (de eigenlijke transactiekosten) als
met betrekking tot de allocatie van middelen.
De ex post-transactiekosten zijn het gevolg van de onzekerheid over de naleving
van een gesloten contract. Dit probleem komt voort uit het feit dat bij de meeste
ruiltransacties de partijen niet op hetzelfde moment hun prestatie leveren.
Afhankelijk van de gemaakte afspraken of de geldende gewoonte vindt eerst de
betaling plaats, waarna de betalende partij moet afwachten of de levering                                    99
totstandkomt, of omgekeerd. Deze volgtijdelijkheid van de ruil leidt, in de termi-
nologie van Greif (2000), tot het ‘fundamentele ruilprobleem’: een actor zal geen
objectief profijtelijke ruilrelatie aangaan tenzij de andere partij zich ex ante weet
te committeren om ex post zijn verplichtingen na te komen. In speltheoretische
termen is hier sprake van een gevangenendilemma. De uitkomst van dit spel is
suboptimaal: voor beide spelers is het rationeel om zich opportunistisch te gedra-
gen, terwijl de hoogste gezamenlijke uitkomst wordt bereikt als beide spelers
zich coöperatief opstellen.
Hetzelfde mechanisme doet zich voor bij specifieke investeringen in duurzame
handelsrelaties, waardoor het hold-up-probleem ontstaat. Ook hierbij gaat het
om de vraag of ex ante-afspraken (vóór de investering) ex post worden nageko-
men. Wie specifieke, onomkeerbare investeringen doet om te voldoen aan een
contract, kan worden ‘gegijzeld’ door de tegenpartij die (nog) geen kosten of
minder kosten heeft gemaakt. Deze kan de eerste partij nieuwe voorwaarden
opleggen, omdat de gedane investeringen anders hun waarde volledig verliezen.
Deze machtsasymmetrie leidt tot onderinvestering, waardoor het optimale
handelsniveau niet wordt bereikt.
Als gevolg van het fundamentele ruilprobleem en het hold-up-probleem is
wederzijds vertrouwen van de betrokkenen in het nakomen van de afspraken
over respectievelijk de ruil en de investering in de handelsrelatie essentieel om
handelstransacties tot stand te brengen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 103 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 104 ======================================================================

<pre>    neder l a nd h a ndel sl a nd
    5.2.3       t wee soorten vertrouwen
                Verschillende wetenschappelijke disciplines, zoals de sociologie en de bedrijfs-
                kunde, besteden al meer dan 30 jaar aandacht aan het thema vertrouwen.
                Deze aandacht heeft geresulteerd in een grote diversiteit aan definities (Noote-
                boom 2002). Binnen de economische discipline schenken vooral de institutioneel
                economen aandacht aan vertrouwen, omdat zij zich in hun analyses sterk richten
                op het ruilproces, waarin vertrouwen samenwerking bevordert en transactie-
                kosten vermindert. Dit inzicht heeft inmiddels in brede kring ingang gevonden
                (zie bijv. Balkenende et al. 1997). Ring (1997: 117-118) verklaart dit uit het feit dat
                vertrouwen een voorwaarde vormt voor het ontstaan van netwerken als regule-
                rend ruilmechanisme. Vertrouwen vermindert de transactiekosten doordat het
                een substituut is voor formele controlemechanismen. Ring onderscheidt twee
                soorten vertrouwen die elk één functie vervullen: fragile trust en resilient trust.
                Een duidelijker begrippenpaar, waaraan hier de voorkeur wordt gegeven, is echter
                calculatief en moreel vertrouwen (zie ook Mosch en Verhoeven 2003).
                Calculatief ver trouwen
                Het begrip calculatief vertrouwen is ontleend aan Williamson (1985) en verwijst
100             naar de strikt instrumenteel-rationele aspecten van gedrag. Calculatief vertrouwen
                wordt zorgvuldig berekend als reactie op de risico’s van economische transacties.
                De relatieve baten en lasten van ‘betrouwbaarheid’ en ‘vertrouwen’ worden verge-
                leken binnen de grenzen van de relatie of het spel. Calculatief vertrouwen is naar
                zijn aard toekomstgericht. Actoren zijn alleen betrouwbaar of vertrouwend voor-
                zover ze verwachten dat dit hen direct economisch voordeel oplevert.
                Bij calculatief vertrouwen staat de betrouwbaarheid van de andere partij – in dit
                geval de (potentiële) handelspartner(s) – centraal. Betrouwbaarheid is hier op te
                vatten als de intentie van de andere partij om bij transacties af te zien van oppor-
                tunistisch gedrag. Indien men een transactie overweegt, is het cruciaal informatie
                over de betrouwbaarheid van de andere partij te verkrijgen. Op basis van deze
                informatie kan men een calculatie (lees: rationele inschatting) maken van de
                kosten en baten van het schenken van vertrouwen (Gambetta 1988: 216;
                Williams 1988: 5). Pas als men overtuigd is van de betrouwbaarheid van de ander,
                zal men bereid zijn deze zijn vertrouwen te schenken en kan er een transactie
                totstandkomen (zie ook Dasgupta 1988; Buskens en Weesie 2000).
                Welke factoren dragen bij aan een positieve beoordeling van de betrouwbaarheid
                van de andere partij? Anders gezegd, hoe ontstaat calculatief vertrouwen?
                Het antwoord op deze vraag is te vinden in het werk van Sztompka (1999), die
                een onderscheid maakt tussen primaire betrouwbaarheid en secundaire betrouw-
                baarheid. Dit onderscheid is gebaseerd op een complex van actorgebonden facto-
                ren en institutionele factoren.
                Actorgebonden factoren (primaire betrouwbaarheid in Sztompka’s terminologie)
                hebben betrekking op de inschatting van de betrouwbaarheid van de andere
</pre>

====================================================================== Einde pagina 104 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 105 ======================================================================

<pre>                                    de stille kracht van de handel – de rol van organisaties en instituties
partij, bijvoorbeeld een potentiële handelspartner. Het inschatten gebeurt aan de
hand van drie indicatoren, namelijk reputatie, prestaties en representatie.
Reputatie is op te vatten als een getuigenis van daden in het verleden, die wordt
opgebouwd op basis van consistent gedrag. Bij prestaties gaat het om de daden
zelf, om het huidige gedrag en de resultaten die dit oplevert. Representatie, ten
slotte, hangt af van een breed scala van factoren, zoals persoonlijkheid, identiteit
en status. Om een mogelijke transactiepartner te beoordelen, maakt men door-
gaans gebruik van een combinatie van reputatie, prestaties en representatie.
Mensen maken als het ware meerdimensionale inschattingen van de betrouw-
baarheid van een persoon of instantie op een wijze die van geval tot geval en van
persoon tot persoon varieert (Sztompka 1999: 70-97).
Institutionele factoren (secundaire betrouwbaarheid in Sztompka’s terminologie)
hebben betrekking op de informatie die de omgeving over de ander verschaft.
Het gaat om afgeleide vormen van betrouwbaarheid. Sztompka onderscheidt drie
omgevingsgebonden factoren die de betrouwbaarheid beïnvloeden: aansprake-
lijkheid, zelfbeperking en vertrouwenwekkende situaties. Aansprakelijkheid
houdt in dat de betrouwbaarheid kan worden afgedwongen, bijvoorbeeld door
instanties die het gedrag van de te vertrouwen partij controleren en deze bestraf-
fen in geval het vertrouwen wordt beschaamd. De (juridische) aansprakelijkheid                              101
vormt zo een prikkel voor betrouwbaar gedrag. Zelfbeperking als bron van
vertrouwen wil zeggen dat de te vertrouwen partij de omgeving van het eigen
handelen dusdanig aanpast dat een grotere mate van betrouwbaarheid extern kan
worden afgedwongen. Het gaat om vormen van zelfregulering die de betrouw-
baarheid van een partij vergroten, bijvoorbeeld doordat deze zich periodiek laat
controleren door een instantie die een keurmerk verleent. Vertrouwenwekkende
situaties, ten slotte, komen voor in kleine hechte gemeenschappen, waarin
vertrouwen gemakkelijker ontstaat dan in grote anonieme groepen. In dergelijke
gemeenschappen is het individuele gedrag beter zichtbaar en zijn de leden sneller
geneigd om vertrouwen te schenken en het vertrouwen van anderen niet te
beschamen (Sztompka 1999: 70-97).
Moreel ver trouwen
Het begrip moreel vertrouwen is geïntroduceerd door Casson en Cox (1997).
Volgens hen ontstaat moreel vertrouwen door endogene prikkels in de sociale
relatie tussen actoren. Deze opvatting is echter problematisch, omdat zij moreel
vertrouwen eenzijdig opvat als resultante van instrumenteel-rationeel gedrag.
De socioloog Weber (1921) betoogde al dat gedrag niet alleen instrumenteel-
rationeel van aard is, maar tevens op waarden, emoties en tradities gebaseerd kan
zijn. Uitgaande van deze vier ideaaltypische gedragsoriëntaties van Weber is het
aannemelijk dat vertrouwen bij economisch handelen altijd gebaseerd is op een
mix van rationele en niet-rationele gedragselementen, op een combinatie van
materiële prikkels en morele regels en codes. Deze veronderstelling vindt empiri-
sche steun in een groot aantal micro-economische gedragsexperimenten,
waaruit blijkt dat spelers niet altijd de meest rationele optie kiezen, maar coöpe-
ratief gedrag vertonen waarmee ze (onbewust) hogere opbrengsten genereren
</pre>

====================================================================== Einde pagina 105 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 106 ======================================================================

<pre>    neder l a nd h a ndel sl a nd
                dan zuiver rationeel opererende actoren. Hun gedrag wordt beïnvloed door
                sociale normen als eerlijkheid, wederkerigheid, gelijkheid en betrouwbaarheid
                (Mosch 2000: 23-30). Sociale normen hebben invloed op het gedrag door de
                bewuste of onbewuste neiging van individuen om zich aan regels en codes te
                houden. Volgens Van de Klundert (1999) ontlenen mensen zelfrespect en goed-
                keuring aan anderen door zich conform specifieke morele normen te gedragen.
                Omgekeerd leidt het schenden van de norm vaak tot gevoelens van schaamte en
                schuld. De genoemde experimenten duiden erop dat moreel vertrouwen vooral
                ontstaat uit waarden, emoties en tradities binnen sociale relaties.
                Moreel vertrouwen stoelt op sociale mechanismen als normen en waarden, over-
                tuigingen en gewoonten, die het gedrag binnen een sociale en culturele context
                beïnvloeden. Gezien de inbedding in de context is moreel vertrouwen, in de
                termen van Weber, vooral een product van waarde-rationele, emotionele en
                traditionele gedragsoriëntaties. Wanneer moreel vertrouwen het beoogde resul-
                taat is van morele of ethische principes, wordt het waarde-rationeel. De actor
                erkent dan een moreel imperatief om betrouwbaar te handelen. Een actor met een
                emotionele gedragsoriëntatie kan bijvoorbeeld betrouwbaar handelen om gevoe-
                lens van respect voor de handelspartner te uiten. Bij een actor met een traditio-
102             nele gedragsoriëntatie komt (gebrek aan) vertrouwen in een relatie voort uit een
                bepaalde routine of geïnstitutionaliseerde manier van zaken doen.
                Bij emotionele en traditionele gedragsoriëntaties is moreel vertrouwen niet
                bewust gecreëerd door de partijen, maar de resultante van het navolgen van
                informele, cultureel bepaalde regels of codes. Deze regels en codes kunnen
                betrekking hebben op eerlijkheid, wederkerigheid, gelijkheid en andere kenmer-
                ken van betrouwbaar handelen. Zij kunnen zich op alle mogelijke niveaus
                vormen, zowel op individueel als op bedrijfs-, sector-, netwerk- en landelijk
                niveau. In tegenstelling tot de toekomstgerichte oriëntaties van calculatief
                vertrouwen, is moreel vertrouwen gericht op het verleden. De informele regels
                en codes zijn op te vatten als uitvloeisel van menselijk gedrag in het verleden, als
                een accumulatie van de interacties die als het ware zijn neergeslagen in het collec-
                tieve geheugen, het sociaal bewustzijn, of het moreel bewustzijn van een groep,
                een organisatie, een netwerk of een samenleving.
                Bij de interacties tussen kopers en verkopers kunnen de onvoorspelbaarheid van
                het gedrag van de ander en de risico’s waarmee deze gepaard gaat, tot op zekere
                hoogte rationeel worden geschat en afgedekt. Niettemin stuit het schatten van
                risico’s op grenzen, vanwege onvolledige informatie, onvolledige contracten, en
                dergelijke. De resterende risico’s kan men al dan niet voor lief nemen; men zal
                altijd onvolledige informatie op de koop toe moeten nemen. Als dezelfde kopers
                en verkopers vaker met elkaar handelen, ontwikkelt zich een sociale relatie, die
                zich kenmerkt door groeiend moreel vertrouwen op basis van gedeelde waarden,
                emoties of tradities: er vormt zich een netwerk.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 106 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 107 ======================================================================

<pre>                                         de stille kracht van de handel – de rol van organisaties en instituties
5.2.4 net werkvorming en vertrouwen
      Een netwerk ontstaat als het vertrouwen tussen de samenwerkende actoren
      toeneemt. De wijze waarop dit vertrouwen wordt gegenereerd hangt af van een
      combinatie van factoren, zoals het type netwerk, de mate van integratie, de
      omvang van de groep, de omgeving en de aard van het product. Deze combinatie
      bepaalt in welke mate gebruik wordt gemaakt van het rechtssysteem, van reputa-
      tiemechanismen (beide bijdragend aan calculatief vertrouwen) en van normen,
      waarden en loyaliteit binnen de groep (elementen van moreel vertrouwen)
      (vgl. Ebers 1997).
      Hoewel in de praktijk in elk netwerk verschillende mechanismen tegelijkertijd
      worden benut, wordt hier een analytisch onderscheid gemaakt tussen de juridi-
      sche infrastructuur, reputatiemechanismen en relationele aspecten. Deze volg-
      orde sluit aan bij de ontwikkeling van vertrouwen in de levensloop van een
      netwerk, waarbij er vaak geleidelijk een verschuiving optreedt van calculatief
      naar moreel vertrouwen. Naarmate de banden tussen de leden van het netwerk
      hechter worden en men meer gedeelde ervaringen heeft, doet men minder een
      beroep op formele instituties en meer op informele instituties. Dit is een logische
      ontwikkeling, aangezien de transactiekosten lager zijn naarmate men minder een                             103
      beroep hoeft te doen op gespecificeerde en extern afdwingbare verplichtingen.
      Het vergt echter enige tijd voor de sociale mechanismen die het moreel vertrou-
      wen ondersteunen, zich ontwikkelen.
      Juridische infrastructuur en netwerkvorming
      Het rechtssysteem vormt een essentiële voorwaarde voor netwerkvorming,
      omdat bij niet-nakoming van contracten sancties kunnen worden opgelegd in de
      vorm van boetes, schadevergoeding en gevangenneming. Daarmee vormt het
      rechtssysteem een belangrijke basis voor calculatief vertrouwen. Een vereiste
      voor het goed functioneren van het contractrecht is evenwel dat de partijen zoda-
      nige contracten opstellen, dat de rechter eenvoudig kan verifiëren of aan de bepa-
      lingen van het contract is voldaan. Zowel het opstellen van een gedetailleerd
      contract als een juridische procedure voor de rechtbank brengt echter hoge
      kosten met zich mee. Bovendien is het niet mogelijk om alle eventualiteiten en
      hun gevolgen contractueel vast te leggen, terwijl sommige prestaties alleen door
      de partijen zelf, maar niet door de rechter te verifiëren zijn (zie subpar. 5.5.2).
      Internationale handelsrelaties vergroten deze problemen. Elk land heeft immers
      zijn eigen rechtssysteem, zodat het afdwingen van contracten en het gebruik van
      het recht territoriaal zijn bepaald. Terwijl men bij binnenlandse transacties een
      beroep kan doen op de nationale overheid, die als monopolist recht creëert en
      afdwingt, heeft men bij internationale transacties te maken met meerdere rechts-
      systemen. Hierdoor kan de rechtszekerheid van een transactie door een staat
      alleen worden gegarandeerd binnen zijn eigen territorium en bestaan er zowel
      tegenstrijdigheden als lacunes tussen de bepalingen van verschillende rechts-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 107 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 108 ======================================================================

<pre>    neder l a nd h a ndel sl a nd
                systemen. Dit maakt het zeer tijdrovend, kostbaar en soms onmogelijk om tot
                een gerechtelijke uitspraak te komen.
                In gevallen waarin het nationale of internationale rechtssysteem met zijn alge-
                mene regels niet garant staat voor een efficiënte en betaalbare afdwinging van
                contracten, kunnen partijen uitwijken naar alternatieve private rechtsstructuren
                (zie hierover verder par. 5.5; Yarbrough en Yarbrough 1994; Rauch 2001).
                Reputatiemechanisme en netwerkvorming
                Bij netwerkvorming speelt het reputatiemechanisme eveneens een belangrijke
                rol. In een zuiver bilaterale (markt)relatie heeft een partij alleen kennis van de
                ervaringen met zijn directe tegenpartij. Hij leert zo of de andere partij betrouw-
                baar is en kan deze eventueel straffen door na een misstap alle banden te verbre-
                ken en geen wederzijds profijtelijke handelstransacties meer aan te gaan.
                Dit wordt ook wel de grim norm of de tit-for-tat-strategie genoemd. Coöperatief
                gedrag wordt daarin met coöperatief gedrag beantwoord, maar eenmalig oppor-
                tunistisch gedrag is voldoende om alle banden te verbreken. Hiervan moet een
                zodanige dreiging uitgaan, dat opportunisme wordt voorkomen. De winst van
                het eenmalige bedrog moet, zuiver instrumenteel-rationeel, lager zijn dan de
104             gecumuleerde toekomstige winsten bij voortgaande samenwerking.
                Coöperatief gedrag in het verleden vertegenwoordigt dus een economische
                waarde voor de toekomst: een reputatie is waardevol en dient te worden gekoes-
                terd. Men heeft een prikkel om een goede reputatie op te bouwen en niet te
                verspelen door oncoöperatief gedrag. Reputaties vormen hiermee een basis voor
                calculatief vertrouwen.
                In netwerken is het reputatiemechanisme nog veel belangrijker dan in bilaterale
                handelsrelaties, doordat zowel de leer- als de controle-effecten groter zijn
                (Buskens 1999). Het leereffect heeft betrekking op de informatie die in het
                netwerk circuleert over de ervaringen met individuele leden. Deze informatie
                beïnvloedt de verwachtingen van alle leden van het netwerk over de toekomstige
                betrouwbaarheid van de transactiepartners. Het controle-effect houdt in dat alle
                leden van het netwerk ertoe kunnen overgaan de grim norm toe te passen.
                Een goede reputatie wordt daarmee zeer belangrijk voor individuele handelaren.
                Een slechte reputatie verspreidt zich snel naar alle leden van het netwerk, waar-
                door iemand die zijn afspraken niet is nagekomen het risico loopt dat geen enkel
                lid van het netwerk meer handel met hem wil drijven. Dit maakt het systeem
                zelfhandhavend. Met name bedrijven kunnen dan ook vanwege hun lange tijds-
                horizon en hoge herkenbaarheid (merk) als reputatiedragers worden gezien.
                Relationele aspecten en netwerkvorming
                Netwerkvorming is niet los te zien van de relationele aspecten van de onderlig-
                gende sociale relaties. Het vertrouwen in samenwerking tussen kopers en verko-
                pers kan groeien op basis van opeenvolgende transacties, maar het kan ook al
                aanwezig zijn op basis van bestaande sociale banden (familie, vrienden, etnische
                groep). Als er geen bestaande sociale banden zijn, veronderstelt netwerkvorming
</pre>

====================================================================== Einde pagina 108 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 109 ======================================================================

<pre>                                          de stille kracht van de handel – de rol van organisaties en instituties
      wel een zekere vertrouwensbasis. Dit initiële vertrouwen kan bijvoorbeeld
      gebaseerd zijn op de reputatie van de ander of op duidelijke en afdwingbare
      contracten. In eerste instantie is er dan alleen sprake van calculatief vertrouwen.
      Er vormt zich echter pas een netwerk tussen kopers en verkopers als zij bij
      opeenvolgende transacties de wederzijdse verwachtingen op elkaar afstemmen
      en een sociale band ontwikkelen. Ebers (1997: 28) merkt hierover op: “Flows of
      mutual expectations among the parties to an exchange influence actors’ percep-
      tions of the opportunities and risks of co-operation and thus significantly shape
      the formation of inter-organizational networks.”
      Deze afstemming van de wederzijdse verwachtingen ontstaat door een combina-
      tie van formele en informele aspecten van het transactieproces. De formele
      aspecten zijn achtereenvolgens het onderhandelen, het bereiken van overeen-
      stemming en het daaraan uitvoering geven. Bij informele aspecten gaat het om
      betekenisgeving, het creëren van wederzijds begrip en het aangaan van verplich-
      tingen (Ring 1997). De combinatie van formele en informele aspecten van het
      transactieproces bepaalt of het calculatieve vertrouwen toeneemt en of er tevens
      moreel vertrouwen ontstaat.
                                                                                                                  105
5.2.5 inbeddingsproblemen bij net werkvorming
      Netwerken komen het eenvoudigst tot stand via relaties waarin zich al een zekere
      mate van calculatief en moreel vertrouwen heeft gevormd, zoals familiebanden,
      vriendschappelijke relaties en bestaande relaties tussen kopers en verkopers
      (Ring 1997). Voorbeelden hiervan zijn het handelsnetwerk van de Maghribi’s in
      de elfde eeuw in het gebied rond de Middellandse Zee (Greif 1989; 1993; 1994;
      2000), de hechte netwerken tussen joodse diamanthandelaren in New York
      (Wechsberg 1966, geciteerd door Buskens 1999) en het op etnische banden
      gebaseerde wereldwijde financiële netwerk van de Indonesische Lippo Group
      (zie tekstbox 5.1).
      Voor de vorming van internationale handelsnetwerken is het echter niet altijd
      mogelijk terug te vallen op bestaande sociale relaties. In dat geval is er sprake van
      een inbeddingsprobleem. Er moet een netwerk worden opgebouwd op basis van
      opeenvolgende transacties met dezelfde kopers of verkopers. Dit vergt aanzien-
      lijke economische en sociale investeringen om tot afstemming van wederzijdse
      verwachtingen te komen. De potentiële samenwerkingspartners kennen elkaar
      nog onvoldoende om ongespecificeerde verplichtingen aan te gaan, die de trans-
      actiekosten zouden verlagen.
      Het belang van inbeddingsproblemen vindt enige empirische steun in gegevens
      over de handelsbarrières die bedrijven in de dienstverlening ondervinden. Tabel 5.2
      geeft een overzicht van ondervonden handelsbelemmeringen in verschillende
      landen. Nederland en Ierland steken gunstig af met zo’n 10 procent aan vermelde
      barrières, maar in grote landen als Frankrijk en Duitsland ervaart een op de drie
      dienstenexporteurs handelsbarrières.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 109 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 110 ======================================================================

<pre>    neder l a nd h a ndel sl a nd
      Tekstbox 5.1 De netwerkstrategie van de Lippo Group
       Een voorbeeld van netwerkvorming op basis van etnische banden is de Indonesische Lippo Group,
       een wereldwijd financieel netwerk met activa ter waarde van 11 miljard dollar in 1996. Het geheim
       van het succes is dat de bedrijfsstrategie permanent is gericht op het opbouwen en uitbouwen van
       netwerken met regeringen en grote bedrijven, waarbij voornamelijk ingangen worden gecreëerd via
       etnische banden met Chinese gemeenschappen over de gehele wereld.
       Het netwerk van de Lippo Group begon klein, toen de oprichter, dr. Riady, een zoon van Chinese
       immigranten, in 1960 via Chinese connecties de mogelijkheid kreeg om een bank van de ondergang
       te redden. Hij vond een etnische markt onder Chinese immigranten in Indonesië en met geld van
       Chinese geldschieters slaagde hij erin de bank winstgevend te maken. Hij wist op dat moment niets
       van bankieren, maar was ervan overtuigd dat bankieren een kwestie is van het kopen en verkopen
       van vertrouwen en het vinden van nichemarkten. Eind jaren tachtig van de vorige eeuw richtte
       Riady de Lippo Bank op, die zich richtte op financiering van de detailhandel. Door agressieve
       marketing en het uit de grond stampen van filialen, realiseerde de bank al snel een grote omzet
       onder voornamelijk Chinese bevolkingsgroepen.
       Ook bij het opzetten van zijn internationale activiteiten maakte de Lippo Group, waarin de Lippo
106    Bank inmiddels was opgegaan, handig gebruik van etnische banden met Chinezen. Een voorbeeld
       hiervan was de penetratie van de Amerikaanse markt, waarbij de Lippo Group gebruikmaakte van
       het zogenaamde ‘bamboenetwerk’ aan de Westkust. Door de reputatie en bekendheid van Riady in
       de grote Chinese gemeenschap in Californië en door intensieve marketing groeiden de activiteiten
       van de Lippo Group in Californië zeer snel.
       Kenmerkend voor de netwerkstrategie van de Lippo Group is dat jonge stafleden voor periodes van
       twee jaar naar Amerika worden gestuurd om ervaring op te doen met Amerikaanse bankiers-
       praktijken. Ook moeten zij daar een persoonlijk netwerk zien op te bouwen. Behalve door training
       van zijn eigen medewerkers versterkt de Lippo Group zijn netwerk ook door ervaren kosmopoli-
       tisch ingestelde managers bij multinationals weg te kopen en door te leren van strategisch gekozen
       joint venture-partners. Doordat de Lippo Group zijn netwerk via vriendschapsbanden ook naar
       China en Hongkong heeft uitgebreid, vormt het netwerk een belangrijke schakel in de end-to-end-
       financiering van handel rond de Grote Oceaan.
      Bron: Moss Kanter (1996)
                Onder handelsbelemmeringen vallen zowel wettelijke, administratieve als soci-
                aal-culturele belemmeringen (zie ook tekstbox 5.2). Zij beïnvloeden de transac-
                tiekosten die een bedrijf en/of afnemer maakt bij het verhandelen van diensten.
                Tabel 5.3 biedt enig inzicht in de aard van deze belemmeringen.
                De voornaamste handelsbelemmeringen die de afnemers van diensten ervaren,
                zijn taalmoeilijkheden, de noodzaak van het vestigen van een lokale reputatie,
                het opleggen van nationale standaarden, de complexiteit van buitenlandse wetten,
                verschillen in lokale tradities en het ontbreken van transparantie in regels. In deze
                belemmeringen zijn de drie theoretisch onderscheiden elementen van netwerk-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 110 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 111 ======================================================================

<pre>                                                     de stille kracht van de handel – de rol van organisaties en instituties
  Tabel 5.2      Meningen van dienstverleners over handelsbarrières in de Europese Unie*
                                     Land als handelsbelemmerend aangemerkt (% van ondervraagden)
  Ierland                                                             9
  Nederland                                                          11
  Spanje                                                             16
  Portugal                                                           17
  Verenigd Koninkrijk                                                18
  België/Luxemburg                                                   21
  Zweden                                                             23
  Finland                                                            31
  Denemarken                                                         35
  Duitsland                                                          36
  Frankrijk                                                          36
  Oostenrijk                                                         39
  Italië                                                             40
  Griekenland                                                        64
  * In dit onderzoek werden 186 dienstverlenende bedrijven ondervraagd. Zij hadden alle exportervaring in het                107
     heden of het verleden en waren afkomstig uit allerlei verschillende landen.
 Bron: cses (2001)
           vorming te herkennen. De problemen met de buitenlandse standaarden, de
           complexiteit van wetten en de transparantie van regels duiden op belemmeringen
           die voortvloeien uit de formele juridische infrastructuur. De noodzaak van een
           lokale reputatie vormt een bevestiging van het belang van het reputatiemecha-
           nisme bij internationale netwerkvorming. Blijkbaar ondervinden veel onderne-
           mingen problemen bij het vestigen van een goede reputatie op buitenlandse
           markten. Ten slotte verwijzen taalmoeilijkheden en verschillen in lokale tradities
           naar sociale en culturele aanpassingsproblemen, die het opbouwen van moreel
           vertrouwen belemmeren.
           Deze gegevens suggereren dat inbeddingsproblemen een reëel fenomeen zijn bij
           de vorming van internationale handelsnetwerken. Indien men niet kan putten uit
           reeds bestaande sociale banden met familie of etnische groep of als men niet kan
           voortbouwen op bestaande contacten met bedrijven in het buitenland, moet een
           alternatief worden gezocht in het aanknopen van relaties met handelaren die al
           een netwerk hebben of met organisaties die op andere wijze een intermediaire rol
           kunnen vervullen. Deze intermediaire functies staan centraal in paragraaf 5.3.
5.2.6      handel en vertrouwen: een empirische verkenning
           Het voorgaande betoog over vertrouwensproblemen in de handel heeft overwe-
           gend een theoretisch karakter. Deze paragraaf tracht op basis van een empirische
           analyse het belang van vertrouwen(sproblemen) voor de handel aannemelijk te
</pre>

====================================================================== Einde pagina 111 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 112 ======================================================================

<pre>    neder l a nd h a ndel sl a nd
      Tekstbox 5.2 Cultuurverschillen
       Bij internationaal zakendoen komt meer voorbereiding kijken dan een taalcursus en een korte
       oriëntatie op de ter plaatse geldende regelgeving. Niet-onderkende cultuurverschillen kunnen tot
       onoverbrugbare (vertrouwens)problemen leiden, zelfs wanneer het de buurlanden en voornaam-
       ste handelspartners België en Duitsland betreft. De volgende voorbeelden dienen ter illustratie.
       De Nederlandse Kamer van Koophandel in België ziet zich genoodzaakt cursussen te organiseren
       voor Nederlandse ondernemers die in België actief willen worden (De Jong 2002). Weliswaar
       grenst Vlaanderen aan Nederland en delen zij dezelfde taal, maar de verschillen in zakendoen zijn
       zo groot, dat menige poging hiertoe in onbegrip en misverstand is gestrand. De Vlaamse cultuur
       heeft meer raakpunten met de Franse dan met de Nederlandse. Dit uit zich bijvoorbeeld in de ster-
       kere nadruk op hiërarchische verhoudingen. De directeur is de baas en een ondergeschikte onder-
       neemt niets waarvoor hij geen goedkeuring van de directeur heeft gekregen. Als een Nederlander
       een Belg een vraag stelt, verbaast hij zich er over dat het antwoord zo lang op zich laat wachten.
       De Belg neemt echter eerst contact op met zijn superieur, zodat hij met rugdekking kan antwoor-
       den. De Belg is op zijn beurt verbaasd wanneer hij op zijn vraag wel een snel antwoord van de
       Nederlander krijgt. Argwaan over de degelijkheid van dit antwoord ligt in het verschiet.
108    Ook de directe, botte of assertieve houding van Nederlanders kan stevig botsen met de meer
       afwachtende houding die men in België gewoon is. Een Belgische ondernemer wil eerst zijn
       zakenpartner leren kennen, voordat hij contracten afsluit. Dat betekent netwerken, zakenlunches
       en informeel babbelen over familie, vrienden en vakantie, in plaats van ‘recht op het doel af’
       zakendoen.
       De meest gemaakte fout in de contacten met potentiële partners uit Duitsland is het in Duitse
       ogen Nederlandse gebrek aan hoffelijke omgangsvormen. De Nederlander die met ongepoetste
       schoenen binnenkomt en zonder expliciete toestemming zijn Duitse collega tutoyeert, maakt
       geen goede eerste indruk en zorgt voor stroever verlopende onderhandelingen dan nodig is.
       Een tweede punt van verschil is dat de Duitse manier van zakendoen veel formeler van aard is dan
       Nederlanders gewend zijn. De laatsten zijn gewend afspraken op hoofdlijnen te maken, waarbij de
       details later – in de geest van het contract – worden ingevuld. De oosterburen zijn erop ingesteld
       alle afspraken vooraf tot in detail vast te leggen, zodat hij niet met onzekerheden worden gecon-
       fronteerd.
       Net als met betrekking tot België lijken Nederlanders in hun contacten met Duitse handelspart-
       ners te snel tot een overeenkomst te willen komen. Men is zich er niet altijd van bewust dat het
       jaren kan duren voor er een zodanige vertrouwensband is opgebouwd, dat werkelijk zaken gedaan
       kunnen worden.
      Bron: Workshop wrr over de toekomst van de handel, 24 oktober 2002; De Jong (2002)
</pre>

====================================================================== Einde pagina 112 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 113 ======================================================================

<pre>                                                  de stille kracht van de handel – de rol van organisaties en instituties
 Tabel 5.3        Handelsbarrières in de praktijk volgens dienstverleners in de Europese Uniea (in %)
                                                    Handel vanuit thuisbasis        Handel via lokale kantoren
 Noodzaak van lokale reputatie                                  29                                76
 Noodzaak om lokale taal te gebruiken                            40                               52
 Opleggen van nationale standaarden                             30                                46
 Complexiteit van buitenlandse wetten                           25                                44
 Verschillen in lokale tradities                                 23                               37
 Geen transparantie in regels                                    21                               37
 Gesubsidieerde lokale aanbieders                                23                               35
 Moeilijk verkrijgbare informatie over tenders                   23                               30
 Hoge administratieve kosten van bieden                          23                               30
 Geen transparantie in toepassing van regels                     15                               28
 Uitzonderingsregels in publieke aanbesteding                    16                               28
 Onacceptabele vertraging in betalingen                          16                               24
 Ruimtelijk-ordeningsrestricties                                  9                               17
 Restricties op grensoverschrijdende marketing                    8                               17
 Slechte bescherming van intellectueel eigendom                  10                               15
 Verschillen in handelspraktijken                                10                               13                      109
* Het betreft het aantal bedrijven dat de belemmeringen als ‘zeer belangrijk’ voor de praktijk ervaart als
  percentage van het aantal bedrijven dat gebruikmaakt van de in de kolom vermelde organisatievormen voor
  de export van hun diensten.
Bron: cses (2001: 55)
          maken. In een drietal figuren, ontleend aan Den Butter en Mosch (2002), wordt
          het verband tussen vertrouwen en handel geschetst, waarbij de positie van
          Nederland speciale aandacht krijgt. Vervolgens wordt een gravitatiemodel van
          bilaterale handelsstromen geschat, waarin ook vertrouwensindicatoren als
          verklarende variabelen zijn opgenomen.
          De relatie tussen ver trouwen en handel
          Figuur 5.1 toont, op basis van gegevens uit de Eurobarometer, hoeveel vertrou-
          wen de inwoners van verschillende landen gemiddeld in andere landen hebben
          en in welke mate zij zelf gemiddeld door inwoners van andere landen worden
          vertrouwd.2 Samen met onder andere Zwitserland en de Scandinavische landen
          wordt Nederland als relatief vertrouwenswaardig beoordeeld. ‘Zelf vertrouwen’
          en ‘vertrouwd worden’ blijken redelijk sterk met elkaar samen te hangen.
          Het vertrouwen dat andere landen gemiddeld in een land hebben, is ongeveer
          even groot als het gemiddelde vertrouwen van de burgers van dat land in de
          bewoners van andere landen. Het spreekwoord ‘zoals de waard is, vertrouwt hij
          zijn gasten’ lijkt hier van toepassing.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 113 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 114 ======================================================================

<pre>      neder l a nd h a ndel sl a nd
        Figuur 5.1                               Zelf vertrouwen in andere landen en vertrouwd worden door andere landen
      3,2
                         Vertrouwensindicator: 1 = geen vertrouwen; 2 = weinig vertrouwen; 3 = een beetje vertrouwen; 4 = veel vertrouwen
      3,0                                         zelf vertrouwen
                                                  vertrouwd worden
      2,8
      2,6
      2,4
      2,2
      2,0
      1,8
      1,6
                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                       Zwitserland
              Turkije     Rusland    Slowakije    Tsjechië
                                                                Polen
                                                                                Hongarije
                                                                                                Griekenland
                                                                                                              Italië          Japan         Ierland
                                                                                                                                                          GB
                                                                                                                                                                     Portugal
                                                                                                                                                                                       VS
                                                                                                                                                                                                    Frankrijk
                                                                                                                                                                                                                 Spanje           België
                                                                                                                                                                                                                                                                Duitsland
                                                                                                                                                                                                                                                                                Finland
                                                                                                                                                                                                                                                                                                Nederland      Luxemburg       Denemarken      Noorwegen
                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                            Zweden
                                                                                                                                                                                                                                            Oostenrijk
110     Bron: Europese Commissie (1997)
        Figuur 5.2                               Vertrouwen van Nederland in andere landen en het vertrouwen van andere landen in
                                                 Nederland
      3,6
                         Vertrouwensindicator: 1 = geen vertrouwen; 2 = weinig vertrouwen; 3 = een beetje vertrouwen; 4 = veel vertrouwen
      3,4                                         vertrouwen van Nederland
                                                  vertrouwen in Nederland
      3,2
      3,0
      2,8
      2,6
      2,4
      2,2
      2.0
                                                                                                                                                                                                                                                                                          Zwitserland
               Rusland     Turkije
                                       Italië
                                                    Slowakije
                                                                  Griekenland
                                                                                    Frankrijk
                                                                                                      Polen
                                                                                                                  Hongarije
                                                                                                                                 Tsjechië        Spanje    Ierland          Portugal
                                                                                                                                                                                            Japan
                                                                                                                                                                                                                VS
                                                                                                                                                                                                                          Duitsland
                                                                                                                                                                                                                                           GB
                                                                                                                                                                                                                                                         Oostenrijk
                                                                                                                                                                                                                                                                            België                          Finland
                                                                                                                                                                                                                                                                                                                           Luxemburg        Noorwegen
                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                           Zweden
                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                     Denemarken
            Bron: Europese Commissie (1997)
</pre>

====================================================================== Einde pagina 114 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 115 ======================================================================

<pre>                                                                    de stille kracht van de handel – de rol van organisaties en instituties
                            Figuur 5.2 toont dezelfde variabelen als figuur 5.1, maar dan specifiek voor Neder-
                            land. Opvallend is dat de bevolking van bijna alle landen relatief veel vertrouwen
                            in Nederland heeft – overeenkomstig het vertrouwen dat Nederland in deze
                            landen heeft –, op de Grieken en Portugezen na, die Nederland relatief weinig
                            vertrouwen.
                            De variabele ‘vertrouwd worden’ laat een duidelijke samenhang zien met de positie
                            in de internationale handel, zo blijkt uit figuur 5.3. Landen die relatief veel
                            vertrouwd worden, voeren een groot deel van hun bbp uit naar het buitenland.
                            Het beeld wordt echter enigszins verstoord door enkele landen, met name Ierland,
                            België en Nederland, die een opmerkelijk hoog exportniveau hebben in relatie tot
                            hun vertrouwensniveau. Klaarblijkelijk spelen ook andere factoren dan vertrouwen
                            een rol. Bij de genoemde drie landen valt te denken aan gemeenschappelijke karak-
                            teristieken als de ligging aan zee en het feit dat zij relatief klein zijn.
          Figuur 5.3             Vertrouwd worden en export (in % van het bbp)
                 70
                                                                                    Ie                 Be
                 60
                                                                                                                                              111
                                                                                                                  Ne
                 50                                                                                                    No
export (% bbp)
                 40                                   Tsj
                                                             Ho
                                                                                                                            Zwe
                                                                                                                  Fi
                                                                                                                       De
                 30                                                                                                         Zwi
                                                                                                             Oo
                                                                                    GBPo                     Du
                                                       Pol                    It
                 20                                                                             FrSp
                            Tu                                          Gr
                 10                                                            Ja          VS
                 0
                      1,8           2,0         2,2               2,4               2,6                2,8                   3,0   3,2
                                                                    vertrouwd worden
          Bron: oecd en Europese Commissie (1997)
                            Gravitatiemodel met ver trouwen
                            Om voor de invloed van andere factoren te corrigeren kan een gravitatievergelij-
                            king worden geschat. Zoals in subparagraaf 3.3.3 is opgemerkt, verklaren gravita-
                            tievergelijkingen doorgaans 60 tot 80 procent van de variantie in bilaterale
                            handelsstromen door gebruik te maken van verklarende variabelen als de afstand
                            tussen landen, de (economische) omvang van de landen en dummy’s voor buur-
                            landen, een zeeverbinding, gemeenschappelijke taal, koloniale banden, en derge-
                            lijke. Den Butter en Mosch (2002) voegen twee variabelen toe aan deze ‘stan-
                            daard’-gravitatievergelijking: de variabele ‘vertrouwd worden’ (VERTROUWEN)
                            en een dummyvariabele die aangeeft of twee landen hetzelfde type rechtssys-
                            teem hebben (RECHT). De variabele VERTROUWEN lijkt als een indicator voor
</pre>

====================================================================== Einde pagina 115 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 116 ======================================================================

<pre>    neder l a nd h a ndel sl a nd
                vertrouwen met een relatief sterk moreel karakter te kunnen worden beschouwd,
                aangezien het is gebaseerd op een algemene vraag die aan de inwoners van
                verschillende landen is voorgelegd. Het is aannemelijk dat het antwoord op deze
                vraag eerder voortkomt uit de perceptie van culturele verschillen en het daaruit
                voortvloeiende (gebrek aan) vertrouwen dan uit de concrete mogelijkheden om
                een vertrouwensprobleem op formele of juridische wijze aan te pakken. Als indi-
                cator voor het tweede type vertrouwen, calculatief vertrouwen met een meer
                formele basis, wordt de dummyvariabele RECHT gebruikt, die aangeeft of de
                handelende landen een vergelijkbaar rechtssysteem hebben.
                Schatting van de gravitatievergelijking levert het volgende resultaat op:
                ln(HANDEL) = –29,4** – 0,85 ln(AFSTAND)** + 0,73 ln(BBP)** +
                0,66 ln(BBP/CAPITA)** + 0,34 VERTROUWEN** – 0,21 LAND** + 0,20 BUUR*
                – 0,10 TAAL + 0,42 RECHT**3
                Naast de verklarende variabelen voor afstand (AFSTAND), economische omvang
                (BBP) en welvaartsniveau (BBP/CAPITA) zijn dummyvariabelen gebruikt die
                aangeven of een land of beide landen door land zijn omsloten (LAND), of de
112             landen aan elkaar grenzen (BUUR) en of de landen dezelfde taal hebben (TAAL).
                Naast AFSTAND, BBP en BBP/CAPITA blijkt ook de variabele VERTROUWEN
                sterk significant te zijn en een substantieel effect op de handelsstromen uit te
                oefenen. Eén punt toename in vertrouwen (op een vierpuntsschaal) leidt tot een
                handelsstroom die e0,34 ≈ 1,4 maal zo groot is. Meer concreet betekent dit dat als
                de Turken, die nu het minst worden vertrouwd door de Nederlanders (2,20),
                evenveel vertrouwen zouden verwerven als de Denen, die het meest vertrouwd
                worden (3,36), de handelsstroom tussen Nederland en Turkije ceteris paribus met
                47 procent zou groeien.4
                Ook de indicator voor calculatief vertrouwen, de dummy RECHT, is statistisch
                sterk significant en levert een substantiële bijdrage aan de verklaring van de
                handelsstromen. De handel tussen twee landen met hetzelfde rechtsstelsel is
                ongeveer anderhalf maal zo groot als die tussen twee landen met een verschillend
                rechtsstelsel. Aangezien de variabelen VERTROUWEN en RECHT beide signifi-
                cant zijn, lijken zij inderdaad indicatoren voor verschillende soorten vertrouwen
                te zijn. Tezamen met de constatering dat de dummy voor een gemeenschappe-
                lijke taal, TAAL, anders dan gebruikelijk in dit type modellen, geen significante
                invloed heeft op de handelsstromen, bevestigt dit de veronderstelling dat de
                variabele VERTROUWEN met name moreel vertrouwen meet.
                De conclusie luidt dat zowel vertrouwen op een informele basis als vertrouwen
                op een formele basis – indicatoren voor respectievelijke moreel en calculatief
                vertrouwen – van wezenlijk belang is voor de verklaring van handelsstromen.
                Deze bevindingen ondersteunen de stelling dat internationale handel gebaat is bij
                het verminderen van vertrouwensproblemen. Dit onderzoek suggereert dat hier-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 116 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 117 ======================================================================

<pre>                                         de stille kracht van de handel – de rol van organisaties en instituties
      bij twee factoren een rol spelen. Ten eerste dragen kennis van en aanpassing aan
      sociaal-culturele regels en codes bij aan de opbouw van moreel vertrouwen.
      Ten tweede bevordert een rechtssysteem dat in internationaal verband eenvoudig
      is te doorgronden bij aan het tot stand brengen van calculatief vertrouwen.
      Van deze factoren mag verwacht worden dat ze een belangrijke rol kunnen spelen
      bij het verminderen van handelsbarrières door de vorming van netwerken en de
      verlaging van transactiekosten.
5.3   intermediairs
5.3.1 inleiding
      Intermediairs zijn organisaties die zich in het handelen zelf hebben gespeciali-
      seerd door de hieraan verbonden transactiekosten te verlagen. Subparagraaf 5.3.2
      bespreekt de theorie van intermediairs, waarna de daaropvolgende subparagrafen
      een aantal specifieke intermediairs onder de loep nemen. Achtereenvolgens gaat de
      aandacht uit naar makelaars en koopmannen (subpar. 5.3.3), ‘hybride’ handelaren
      die handelsactiviteiten combineren met productie of distributie (subpar. 5.3.4),
      financiële intermediairs, zoals banken en verzekeraars (subpar. 5.3.5) en informa-
      tiemakelaars (subpar. 5.3.6).                                                                              113
5.3.2 de theorie van intermediair s
      In paragraaf 4.3 is in algemene termen de rol van intermediairs in de handel
      belicht. Intermediairs verminderen de transactiekosten van het aangaan en
      onderhouden van een (buitenlandse) handelsrelatie en bevorderen daardoor de
      handel. Deze subparagraaf gaat nader in op de aard van de transactiekosten en de
      wijze waarop intermediairs deze door specialisatie kunnen verminderen.
      De functies die intermediairs vervullen om de transactiekosten in het ruilproces
      te verminderen kunnen in de volgende categorieën worden verdeeld:
      1 het verminderen van de kosten van zoeken en afstemmen (matching);
      2 het aggregeren en spreiden van risico’s;
      3 het tegengaan van averechtse selectie;
      4 het verminderen van opportunisme.
      1.     Zoek- en afstemmingsfunctie
      Intermediairs coördineren de acties van kopers en verkopers. Bedrijven die
      handelen, voeren transacties uit, houden financiële rekeningen bij, beheren hun
      voorraden en registreren tal van zaken die essentieel zijn voor het functioneren
      van markten. Bovenal fungeren handelaren als een (fysieke of virtuele) plek waar
      kopers en verkopers elkaar ontmoeten. Handelaren kunnen ook een bron van
      innovatie zijn doordat zij nieuwe technologieën en nieuwe goederen op een
      (nationale) markt introduceren. De inschakeling van een intermediair levert
      kostenbesparingen op. De voornaamste daarvan is de vermindering van de
      zoekkosten om een geschikte aanbieder of vrager te vinden. Deze zoekkosten
</pre>

====================================================================== Einde pagina 117 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 118 ======================================================================

<pre>    neder l a nd h a ndel sl a nd
                omvatten niet alleen de tijd en de communicatiekosten om een handelspartner te
                vinden, maar ook de kosten van het vergaren en verwerken van informatie over
                de potentiële contractpartij. Intermediairs verlagen deze zoekkosten door zich
                aan te bieden als gemakkelijk te identificeren handelspartner. Daardoor kunnen
                consumenten gemakkelijker een aanbieder van een bepaald product vinden en
                hoeven de aanbieders van het product geen individuele klanten te zoeken, maar
                kunnen zij volstaan met het bezoeken van een centrale marktplaats, zoals een
                winkel of een beurs. Vanwege de (vaste) kosten van het opzetten van een centrale
                marktplaats levert het centraliseren van de handel schaalvoordelen op.
                Bovendien kan gecentraliseerde handel netwerkexternaliteiten opleveren:
                centrale handel maakt besparingen mogelijk op de kosten van marketing, doordat
                men veel consumenten op een plek kan bereiken.
                Figuur 5.4 illustreert het voordeel hiervan in een situatie met drie consumenten
                en drie producenten. In geval van decentrale handel zijn er negen kanalen nodig
                om tussen alle producenten en consumenten contact te leggen. Bij gecentrali-
                seerde handel via de intermediair kan worden volstaan met zes kanalen.
                Wanneer er N consumenten en M aanbieders zijn en ieder kanaal K euro kost,
                dan reduceert de intermediair de transactiekosten met [N x M – (N + M)]K euro.
114             In een markt met hoge transactiekosten, waarin consumenten en producenten
                tamelijk geïsoleerd zijn, kunnen intermediairs dan ook zeer grote kosten-
                besparingen opleveren.
                In de internationale handel is dit kostenbesparende effect van niet te onderschat-
                ten belang. Netwerkorganisaties en (jaar)beurzen ontlenen hieraan hun bestaans-
                recht. Deze organisaties gaat het overigens uitsluitend om het bevorderen van
                contacten tussen bedrijven; zij sluiten niet zelf transacties af. In Nederland is het
                Nederlands Centrum voor Handelsbevordering (nch) hiervan een voorbeeld.
                2       Aggregatie en spreiding van risico’s
                Een andere functie van intermediairs is om risico’s te aggregeren en daarmee te
                spreiden. Een handelaar kan zich bijvoorbeeld aan vaste bied- en verkoopprijzen
      Figuur 5.4        Decentrale handel versus gecentraliseerde handel via intermediair
                                                  (a) decentrale handel
                 consument 1                                                              producent 1
                 consument 2                                                              producent 2
                 consument 3                                                              producent 3
                                            (b) centrale handel via intermediair
                 consument 1                                                              producent 1
                 consument 2                                                              producent 2
                 consument 3                                                              producent 3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 118 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 119 ======================================================================

<pre>                                    de stille kracht van de handel – de rol van organisaties en instituties
houden door met een voorraadbeleid fluctuaties in vraag en aanbod op te vangen.
Door deze bufferfunctie heeft de handelaar een dempende invloed op de markt-
prijzen. De intermediairs die zich bij uitstek in risicospreiding in de handel
hebben gespecialiseerd, zijn de financiële intermediairs, zoals verzekeraars en
banken. Verzekeren is immers een kwestie van het aggregeren van risico’s.
3      Vermindering van averechtse selectie
In veel markten zijn de kopers en verkopers niet volledig geïnformeerd over de te
verhandelen goederen. Asymmetrische informatie is eerder regel dan uitzonde-
ring. Verkopers weten niet precies wie de consumenten zijn en wat zij willen.
Kopers zijn vaak niet volledig op de hoogte van de kwaliteit, duurzaamheid of
veiligheid van het product dat zij willen kopen. Intermediairs kunnen deze
asymmetrie ten dele oplossen door informatie te verzamelen en aan te bieden aan
hun klanten. Door zich te specialiseren in het vergaren en verspreiden van infor-
matie kunnen zij schaalvoordelen behalen en daardoor handelstransacties tot
stand (helpen) brengen die anders door gebrek aan informatie van een van de
partijen niet zouden worden gerealiseerd.
Asymmetrische informatie kan zelfs het voortbestaan van een markt in gevaar
brengen doordat ‘slechte’ producten de ‘goede’ uit de markt prijzen (Akerlof                                115
1970). Biglaiser (1993) laat zien dat een intermediair het probleem van averechtse
selectie kan opheffen door te investeren in de beoordeling van en de controle op
de kwaliteit. Hij is daardoor beter in staat goede van slechte goederen te onder-
scheiden. Bovendien heeft de intermediair belang bij een accurate vermelding
van de kwaliteit van de verhandelde goederen omdat dit zijn reputatie als
betrouwbare partner en daarmee de opbrengsten van zijn bemiddelingsactivitei-
ten vergroot. Op grond hiervan valt te verwachten dat goederen van hoge kwali-
teit in het algemeen via een intermediair worden verhandeld en goederen met een
lage kwaliteit vaker via de directe handel.
4      Vermindering van oppor tunisme
Bij iedere transactie tussen twee partijen doet zich in mindere of meerdere mate
het zogenaamde hold-up-probleem voor (zie subpar. 5.2.2). Een manier om
opportunisme in bilaterale contracten te voorkomen is om een bindende over-
eenkomst aan te gaan met een derde partij. Intermediairs kunnen deze rol vervul-
len door ‘marktinstituties’ te creëren: zij vervangen de kostbare decentrale
handelstransacties door het aanbieden van coördinerende markttaken. Een inter-
mediair kan voor kopers en verkopers een geloofwaardig alternatief bieden door
zich garant te stellen dat de transactie volgens de overeengekomen voorwaarden
totstandkomt. Daarmee voorkomt de intermediair het hold-up-probleem en zal
een transactiepartij bereid zijn een investering te doen, zonder het risico te lopen
dat de tegenpartij zich als een free rider gedraagt. De intermediair is hiertoe alleen
in staat indien hij door specialisatie de transactiekosten kan verlagen.
De theoretische uiteenzetting over de wijze waarop intermediairs via specialisa-
tie verschillende soorten transactiekosten kunnen verminderen, wordt in de
</pre>

====================================================================== Einde pagina 119 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 120 ======================================================================

<pre>    neder l a nd h a ndel sl a nd
                volgende subparagrafen toegepast op een aantal concrete intermediairs die in de
                internationale handel een belangrijke rol vervullen. Subparagraaf 5.3.3 besteedt
                aandacht aan handelaren en koopmannen, die voornamelijk zijn gericht op het
                verminderen van de zoek- en afstemmingskosten. In subparagraaf 5.3.4 komen
                ‘hybride’ handelaren aan bod, die zich ook in andere activiteiten hebben gespe-
                cialiseerd, zoals transport en distributie. Subparagraaf 5.3.5 bespreekt de finan-
                ciële intermediairs, die helpen bij het spreiden van (financiële) risico’s.
                Subparagraaf 5.3.6 gaat ten slotte in op de informatiemakelaars, wier functie
                vooral is gelegen in het verminderen van zoekkosten en in het terugdringen van
                averechtse selectie.
    5.3.3       makel aar s en koopmannen
                Op het terrein van de handel in goederen zijn de twee klassieke organisatievor-
                men de makelaar en de koopman. De koopman is een intermediair die goederen
                koopt en verkoopt om de ruil tussen de oorspronkelijke verkopers en de eind-
                kopers te faciliteren. Als beloning voor deze dienst ontvangt hij de winst die, na
                aftrek van de transactiekosten, overblijft van de handelsmarge, dat is het verschil
                tussen de inkoopprijs en de verkoopprijs. De koopman heeft derhalve een rest-
116             claim op de opbrengst van de ruil. De makelaar biedt een ruildienst aan zonder
                zelf te kopen of te verkopen. De beloning van de makelaar bestaat uit een
                commissie die in relatie staat tot de inkomsten die voortvloeien uit de ruil.
                Makelaars en koopmannen verschillen derhalve in de toewijzing van eigendoms-
                rechten en in de beloning. De koopman is de meest geschikte intermediair bij
                handel in goederen waarvan de vraag weinig fluctueert, maar die wel zeer gevoe-
                lig is voor de inspanningen van de koopman. De makelaar is beter toegerust voor
                omstandigheden waarin de vraag sterk fluctueert maar weinig samenhang
                vertoont met de inspanningen van de makelaar (Hackett 1992).
                In de internationale handel concentreren de makelaar en koopman zich vooral op
                export, verscheping en import. Strikt genomen is men geen internationale
                handelsintermediair indien men alleen exporteert of importeert, aangezien men
                dan slechts een zijde van de transactie behartigt. Pas wanneer een intermediair in
                het ene land een goed verwerft voor export en tevens zorgdraagt voor de distri-
                butie in een ander land, is er sprake van een internationale handelsmaatschappij
                (ihm). Deze is per definitie een multinational, hoewel het ook denkbaar is dat zij
                joint ventures aangaat met soortgelijke intermediairs in het buitenland. Een ihm
                kan zowel een makelaar als een handelsbedrijf (d.w.z. een koopman) zijn. Figuur
                5.5 geeft het verschil schematisch weer. Een makelaar organiseert de export voor
                een producent en de import voor de buitenlandse klanten. De zwart aangegeven
                activiteiten in figuur 5.5a (export en import) worden verricht door de makelaar,
                de lichtgrijze pijlen (van productie tot import) geven het eigendom van de
                producent aan en de donkergrijze pijl (van import tot consument) het eigendom
                van de buitenlandse klant. Een koopman (figuur 5.5b) neemt het gehele traject
                van de export van het goed tot de verkoop in het buitenland voor zijn rekening.
                Gedurende het transport blijft het goed eigendom van de koopman. In geen van
</pre>

====================================================================== Einde pagina 120 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 121 ======================================================================

<pre>                                                 de stille kracht van de handel – de rol van organisaties en instituties
        beide gevallen is het overigens noodzakelijk dat men zelf het transport van het
        goed verzorgt.
Figuur 5.5    Schematische illustratie van makelaar en koopman in de internationale handel
                                       (a) multinationale makelaar
    productie            export                  transport               import             consumptie
                         (b) multinationale koopman (handelsmaatschappij)
    productie            export                  transport               import             consumptie
                                      activiteiten door de handelsmaatschappij
Bron: Casson (1998: 28)                                                                                                  117
        Multinationale makelaars komen in de internationale handel relatief weinig voor,
        doordat het bedienen van de buitenlandse markt veel kennis vereist. Alleen als
        men reeds bekend is met een buitenlandse markt, zoals bij landen waarmee men
        ooit een koloniale band onderhield, zal een makelaar het buitenland bedienen.
        Het belang van koopmannen en makelaars verschilt tussen handelsbedrijfstak-
        ken. Om buitenlandse markten te betreden wordt in 80 procent van de gevallen
        een intermediair gebruikt en bij het betreden van ontwikkelingslanden is dit zelfs
        vrijwel altijd het geval (Ellis 2000). In de internationale goederenhandel komt de
        koopman vaker voor dan de makelaar. Voor een deel heeft dit te maken met de
        kenmerken van het te verhandelen goed en voor een deel met de prikkels die aan
        het koopmanschap verbonden zijn.
        In een eenvoudig geval lijkt een makelaar een voordeel te hebben boven een
        koopman, doordat een makelaar slechts eenmaal een transactie afsluit, terwijl
        een koopman twee transacties uitvoert, namelijk de inkoop en de verkoop.
        In het laatste geval moet zowel de koper als de koopman informatie vergaren.
        In meer gecompliceerde gevallen, vaak samenhangend met de aard van het
        product, speelt de reputatie die de intermediairs kunnen opbouwen, een
        belangrijke rol. Vanwege de verschillen in beloning zullen producenten bij
        complexe goederen over het algemeen een koopman prefereren boven een
        makelaar, omdat de eerste meer risico op zich neemt. Door zijn restclaim op de
        opbrengst van de handelstransactie zal de koopman zich meer inzetten dan de
        makelaar om het product te verkopen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 121 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 122 ======================================================================

<pre>    neder l a nd h a ndel sl a nd
                Er zijn vele variaties op het organisatieschema van figuur 5.5 mogelijk. Een koop-
                man kan zich bijvoorbeeld specialiseren in speculatie in (toekomstige) goederen-
                handel, zonder het verhandelde goed daadwerkelijk in handen te krijgen.
                Het verwerven van de exportgoederen en het distribueren van de importgoede-
                ren kan hij dan aan makelaars overlaten. De koopman wordt dan een arbitrageur
                of speculant.
                Een andere vorm van specialisatie is het transport van goederen. In de Gouden
                Eeuw, toen de koopman veelal ook de schipper was, was deze handel uit de
                ‘eerste hand’ heel gebruikelijk. Later gingen handelaren zich sterker specialiseren,
                waarbij de koopman en de makelaar in de groothandel de ‘tweede hand’ vormden
                en de detailhandel en de tussenhandel de ‘derde hand’.
    5.3.4       hybride handel aren
                Een bijzondere variant van het schema van figuur 5.5 zijn de hybride handels-
                maatschappijen, die uit strategische overwegingen hun activiteiten verbreden.
                Zo brengen sommige handelsmaatschappijen ook de productie van goederen
                binnen het bedrijf. Figuur 5.6 geeft een gestileerde weergave van het ontwikke-
118             lingspad dat handelsmaatschappijen kunnen doorlopen. Sommige handelsmaat-
                schappijen blijven dicht bij hun kernactiviteiten en ontwikkelen zich vooral
                door product- en functionele diversificatie, zoals in Nederland Hagemeyer en
                Buhrmann. Andere handelsmaatschappijen ontwikkelen zich tot een multina-
                tional door ook te investeren in buitenlandse productiefaciliteiten. Een bekend
                Nederlands voorbeeld hiervan is abn-amro. Deze bank is voortgekomen uit de
                in 1824 opgerichte Nederlandsche Handels-Maatschappij, die zich echter geleide-
                lijk terugtrok uit de oorspronkelijke handelsactiviteiten en zich concentreerde op
                bankactiviteiten (zie ook par. 2.5).
      Figuur 5.6        Evolutionaire ontwikkeling van handelsmaatschappijen
                                           stadium 1
                                      handelsmaatschappij
                         verticale                             product-
                     integratie                                    diversificatie
                 producent-                   verticale              stadium 2
                 exporteur                   integratie        handelsmaatschappij
                                        strategische investe-                            functionele
                                   ringen in productie                                       diversificatie
                                        multinational-                                        stadium 3
                                    handelsmaatschappij                                  handelsmaatschappij
                                                              strategische investeringen
                                                                      in productie
      Bron: Ellis (2001: 242)
</pre>

====================================================================== Einde pagina 122 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 123 ======================================================================

<pre>                                    de stille kracht van de handel – de rol van organisaties en instituties
Er zijn ook voorbeelden van productiemaatschappijen die zich om hun export te
stimuleren tot handelsmaatschappij ontwikkelden. In Nederland zijn verschil-
lende handelsmaatschappijen voortgekomen uit samenwerking tussen individu-
ele handelaren die te klein waren om zich afzonderlijk in de internationale handel
staande te houden. Zo richtten acht Nederlandse groothandelaren in reactie op de
vorming van het Rheinisches-Westphälisches Kohlen Syndicat in 1896 een
collectief op dat handelde in Duitse kolen: de Steenkolen Handels Vereeniging
(shv). Al snel breidde de shv zijn activiteiten uit naar de detailhandel en de Rijn-
vaart en nog later nam zij deel in een aantal belangrijke Nederlandse industrieën
en in het transport en de opslag van olie. In de jaren zestig startte shv een cash-
and-carry-groothandel (Makro). Dit voorbeeld laat zien hoe complex de activitei-
ten van een handelsonderneming kunnen worden, waardoor de grens tussen een
handelsmaatschappij en een productieonderneming vervaagt.
Casson (1998) ziet in het investeringsgedrag van handelsmaatschappijen die de
grenzen van hun core business overschrijden een aanwijzing dat zij in het handels-
proces informatie verzamelen met het karakter van een publiek goed. Deze infor-
matie kan ideeën opleveren voor nieuwe activiteiten. Indien men deze activiteiten
zelf onderneemt, kan de verzamelde informatie wellicht beter als een club good
worden aangeduid, dat wil zeggen dat de handelaar zich de opbrengst van deze                                119
informatie kan toe-eigenen, hetgeen bij een publiek goed niet het geval is.
Een onderneming kan activiteiten die in de productieketen voorafgaan aan haar
kernactiviteit integreren – het zogenaamde achterwaarts integreren – omdat zij
ofwel een hogere productkwaliteit nastreeft of hierop meer greep wil krijgen,
ofwel de grenzen van specialisatie ervaart, waardoor handel zonder grondige
kennis van de productie wordt belemmerd. Het omgekeerde kan zich echter ook
voordoen, namelijk dat een onderneming activiteiten afstoot en zich specialiseert
in een onderdeel van de keten van productie tot consumptie. Het is echter essen-
tieel dat men de vaardigheid in de handel, het transport en de communicatie
behoudt. Het is daarom interessant om na te gaan of er tussen landen verschillen
zijn in de vaardigheid in handel en transport.
In de transport- en communicatiesector heeft Nederland al lange tijd een sterke
positie. Tabel 5.4 laat zien dat de arbeidsproductiviteit in Nederland tot de hoog-
ste ter wereld behoort.
Rotterdam was in 2000 de grootste haven ter wereld, met een vrachtbehandeling
van 322 miljoen ton (Port of Rotterdam 2002). Schiphol was in 2001 met
1,2 miljoen ton per jaar de veertiende luchthaven op het gebied van vrachtvervoer
en met 39 miljoen passagiers per jaar de negende op het gebied van passagiersver-
voer (aci 2002). Voor een deel dankt Nederland deze sterke positie aan de
gunstige ligging, maar het onderscheidt zich daarnaast door voldoende aantrek-
kingskracht uit te oefenen op multinationals om Nederland te kiezen voor een
distributiecentrum of Europees hoofdkantoor (zie par. 2.5). Tevens heeft Neder-
land geïnvesteerd in nieuwe technologieën op het gebied van transport en distri-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 123 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 124 ======================================================================

<pre>    neder l a nd h a ndel sl a nd
       Tabel 5.4        Arbeidsproductiviteit in transport en communicatie, 1990 (VS =100)
       Land                                       Arbeidsproductiviteit      Arbeidsproductiviteit
                                                     per werknemer             per gewerkt uur
       Nederland                                           97,7                     113,2
       Australië                                          106,3                     100,7
       Verenigde Staten                                   100,0                     100,0
       Finland                                             82,3                      86,1
       Frankrijk                                           66,0                      74,6
       Duitsland                                           61,8                      66,3
       Zweden                                              57,2                      59,2
       Japan                                               53,8                      43,9
       Korea                                               60,8                      43,4
       Taiwan                                              43,8                      33,6
       Polen                                               14,4                      14,5
      Bron: Van Ark en Timmer (2001)
120             butie. Zo maakt de zogenaamde value added logistics (val) het mogelijk om het te
                verhandelen product in het centrale voorraadpunt vlak voor de uitlevering aan te
                passen aan de eisen en wensen van de afnemer. Op deze wijze kan de voorraad
                goederen verderop in de keten worden beperkt en kan beter op markteisen
                worden ingespeeld (Andriessen 1995).
    5.3.5       financiële intermediair s
                Financiële intermediairs, zoals durfkapitalisten, banken en verzekeringsmaat-
                schappijen, vervullen een dubbele rol in de handel. Enerzijds is het product van
                financiële intermediairs per definitie een handelsproduct, anderzijds kan het
                product van de financiële intermediair een bijdrage leveren aan de ontwikkeling
                van de handel en de productie van andere bedrijven.
                Financiële intermediairs hebben op velerlei wijze invloed op handelsstromen,
                zowel direct door krediet te verlenen voor handelsactiviteiten, als indirect door
                hun kennis van de handel en door hun netwerk van specifieke intermediairs
                (zie Chirinko et al. 1999 voor de werking van Nederlandse banken). Dit is het
                duidelijkst het geval bij venture capitalists of durfkapitalisten en bij (handels-)
                banken, die weliswaar naar hun aard een financiële dienst leveren, maar in de
                praktijk ook vaak hun netwerk aanbieden aan hun klanten.
                Venture capitalists zijn intermediairs tussen enerzijds investeerders, zoals
                pensioenfondsen, banken, verzekeringsmaatschappijen en individuele beleggers,
                en anderzijds bedrijven die durfkapitaal nodig hebben. Het gaat bij durfkapitalis-
                ten om meer dan alleen het doorsluizen van geld. Hun activiteiten variëren van
</pre>

====================================================================== Einde pagina 124 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 125 ======================================================================

<pre>                                                         de stille kracht van de handel – de rol van organisaties en instituties
          managementassistentie tot monitoring van prestaties en het bieden van krediet-
          waardigheid bij derden.
          Hoe presteren Nederlandse venture capitalists in vergelijking met buitenlandse
          venture capitalists? Uit de spaarzame studies op dit terrein blijkt dat Nederlandse
          venture capitalists niet zoveel verschillen van collega-investeerders in het buiten-
          land. Wel concentreren Nederlandse investeerders zich veel meer dan Ameri-
          kaanse of Engelse venture capitalists op de expansiefase van bedrijven,5 terwijl
          Amerikanen zich sterker op de startfase van bedrijven richten. Investeringen in
          de startfase zijn riskanter, maar kunnen ook meer opleveren. Voorts blijkt uit het
          werk van Sapienza et al. (1996) dat Nederlanders – net als de Fransen overigens –
          veel minder tijd spenderen aan hun investeringen dan Amerikaanse of Engelse
 Tabel 5.5       Waarde en betrokkenheid van venture capitalists in vier landen
                                               Verenigd            Frankrijk            Nederland        Verenigde
                                             Koninkrijk                                                     Staten
 Mate van betrokkenheid                                                                                                          121
 Face-to-face interactiea                         3,4                   2,7                  3,1              3,2
 Aantal uren besteed per
 investeringsproject per jaar                  153,7                     79                  75            194,1
                                          Belang     Effect.      Belang Effect.      Belang Effect.   Belang Effect.
                               b
 Waarde in strategische rollen
 Klankbord                                  8,8          8,1        8,4       6,8       8,6      8,0      9,0      8,1
 Financier                                  8,4          7,9        8,8       8,2       8,6      8,0      7,8      7,7
 Bedrijfsadviseur                           8,4          7,6        8,2       6,9       7,2      7,5      8,8      7,8
 Waarde in interpersoonlijke rollenb
 Mentor/coach                               7,2          7,0        6,8       5,5       7,2      7,0      7,8      7,2
 Vriend/vertrouwensman                      6,8          6,9        6,0       6,0       6,0      6,3      6,6      6,6
 Waarde in netwerkrollenb
 Bron van beroepsmatige contacten           5,8          6,1        6,4       6,0       6,2      6,7      5,8      6,1
 Bron van zakelijke contacten               5,2          4,9        6,0       5,2       5,0      6,3      5,2      4,0
 Management recruiter                       5,6          6,2        5,4       3,9       6,2      6,2      5,8      4,8
 Gemiddelde waardeb                         7,2          6,8        7,0       6,2       6,8      7,2      7,2      7,4
 a Face-to-face interactie wordt als volgt gemeten: 1 = minder dan een keer per kwartaal; 2 = een keer per
    kwartaal; 3 = een keer per maand; 4 = twee keer per maand; 5 = een keer per week; 6 = twee keer per week;
    7 = iedere dag.
 b De venture capitalist is gevraagd om het belang en de effectiviteit van zijn rol aan te geven met een cijfer varië-
    rend van 1 (= totaal niet belangrijk) tot 5 (= zeer belangrijk) (voor de vergelijkbaarheid met andere rapportcijfers
    zijn deze met twee vermenigvuldigd), respectievelijk 1 (= geheel niet effectief) tot 10 (= extreem effectief).
Bron: Sapienza et al. (1996: 454)
</pre>

====================================================================== Einde pagina 125 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 126 ======================================================================

<pre>    neder l a nd h a ndel sl a nd
                venture capitalists, hoewel de ontmoetingsfrequentie vergelijkbaar is (zie tabel
                5.5). Het relatief grote aantal uren dat Amerikanen aan een investering besteden,
                hangt samen met het feit dat zij zich concentreren op de startfase van bedrijven,
                terwijl Nederlanders in een latere ontwikkelingsfase in een bedrijf investeren.
                De omvang van durfinvesteringen is relatief gering: in de meeste landen van de
                eu bedragen zij ongeveer 0,3 procent van het bbp, waarbij Nederland, Zweden en
                het Verenigd Koninkrijk relatief hoog scoren met aandelen van respectievelijk
                0,5, 0,6 en 0,8 procent. Verder valt op dat Nederlandse durfkapitalisten relatief
                veel in het buitenland investeren (zie tabel 5.6). Binnen Europa is Nederland de
                grootste grensoverschrijdende durfkapitalist, hetgeen een aanwijzing zou
                kunnen zijn voor de vitaliteit van de Nederlandse ‘handelstraditie’. Het zou
                echter ook kunnen duiden op een gebrek aan investeringsmogelijkheden in het
                binnenland, maar dan is het toch opvallend dat Nederlandse durfkapitalisten wel
                bereid zijn hun geld te investeren in riskante buitenlandse activiteiten.
122    Tabel 5.6        Verdeling van Europese fondsen voor private financiering volgens het ‘land van
                        management’-beginsel en het bronlandbeginsel, 1999 (in miljoenen dollars)
                                           Land van       Fondsen beheerd          Fondsen         Bronland:
                                          management:    door binnenlandse         beheerd          bron van
                                        fondsen beheerd    bedrijven met        door Europese      Europese
                                       door binnenlandse    binnenlandse       bedrijven met        fondsen
                                           bedrijven          middelen          binnenlandse
                                                                                  middelen
                                                 1                 2                    3          4=2+3
       Europa, totaal                       27.069           15.459                 5.759            21.216
       eu                                   26.229           14.847                 3.284            18.130
       Verenigd Koninkrijk                  10.518             3.772                  551             4.323
       Duitsland                             4.062             2.861                  989             3.850
       Frankrijk                             4.559             3.513                  274             3.787
       Nederland                             1.127             1.113                1.079             2.192
       Italië                                1.870               885                    0               886
       Finland                                 670               625                  177               801
       België                                  822               645                  144               789
       Zwitserland                             640               412                  206               618
       Zweden                                1.055               505                   41               547
       Totaal buiten Europa                                                                           5.853
       w.o. vs                                                                                        4.347
       Totaal                               27.069                                                   27.069
      Bron: Baygan en Freudenberg (2000)
</pre>

====================================================================== Einde pagina 126 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 127 ======================================================================

<pre>                                          de stille kracht van de handel – de rol van organisaties en instituties
      Voor een economie kunnen de langetermijnconsequenties van de aanwezigheid
      van deze intermediairs groot zijn. Uit onderzoek naar ‘latent’ ondernemerschap is
      bekend dat veel mensen ervan afzien zelfstandig ondernemer te worden vanwege
      gebrek aan kapitaal (Blanchflower 2000; Blanchflower et al. 2001). Dit speelt in
      sterke mate bij (potentiële) ondernemers die zich richten op buitenlandse markten,
      waar het risico van investeringen nog groter is dan in het eigen land.
      Hoe belangrijk durfkapitaal ook mag zijn voor de start en groei van bedrijven, de
      dominante financiële intermediair is toch het reguliere bank- en verzekerings-
      wezen. Getuige de waardering van het bedrijfsleven voor deze sector lijkt Neder-
      land op tal van aspecten van het bank- en verzekeringswezen tot de top van de
      wereld te behoren (World Economic Forum 2001).
      Financiële intermediairs verlagen de transactiekosten en verbeteren de allocatie
      van investeringen door vijf functies te vervullen. Allereerst stellen banken inves-
      teerders in staat om risico’s af te dekken, te spreiden en te verhandelen door risi-
      covolle investeringen te poolen. Ten tweede kan een bank, door besparingen te
      mobiliseren en verschillende soorten investeringen te stimuleren, consumenten
      meer gediversifieerde, minder risicovolle en liquide portfolio’s aanbieden.
      Ten derde vergaren banken en verzekeraars informatie over investeringsopties.                               123
      Ten vierde houden banken toezicht op het beheer van de investerings- en spaar-
      gelden. Tot slot vergemakkelijken banken de handel in goederen en diensten door
      hun voortdurende aandacht voor geld als ruilmiddel.
      Meer specifiek voor de buitenlandse handel is de rol van verzekeraars van belang
      die de risico’s van internationale handelstransacties verzekeren. Deze functie, die
      voor het grootste deel door particuliere verzekeraars wordt vervuld, verschilt in
      wezen niet van de verzekering van andere ondernemingsrisico’s, zoals brand-
      schade en ongevallen. Niet alle risico’s van internationale handel zijn echter
      commercieel te verzekeren, doordat sommige risico’s onvoldoende op de private
      markt kunnen worden afgedekt. In dit geval kan de overheid, indien zij van
      mening is dat hiermee een publiek belang is gediend, een verzekering aanbieden.
      Tekstbox 5.3 gaat hier nader op in.
5.3.6 informatiemakel aar s
      Informatie is cruciaal bij handelstransacties om voldoende vertrouwen tussen de
      potentiële handelspartners te creëren (zie subpar. 5.2.3). Informatieverschaffers
      die kennis hebben van zeer verschillende informatiestromen en op basis daarvan
      netwerken aan elkaar kunnen koppelen, kunnen hierbij een belangrijke rol
      spelen.
      Volgens de socioloog Burt (2001) circuleert informatie vaak enige tijd binnen een
      groep alvorens door te dringen tot een andere groep. Doordat de banden tussen
      personen in verschillende groepen veel zwakker zijn dan de banden binnen
      groepen, zijn er ‘gaten’ (structural holes) die de verspreiding van informatie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 127 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 128 ======================================================================

<pre>    neder l a nd h a ndel sl a nd
      Tekstbox 5.3 Exportkrediet- en investeringsverzekering
       De Nederlandse overheid biedt ter ondersteuning van het internationaal opererende bedrijfsleven
       twee verschillende herverzekeringsfaciliteiten aan: de exportkredietverzekering en de investe-
       ringsverzekering. Hiertoe heeft de staat een herverzekeringsovereenkomst afgesloten met Gerling
       ncm, dat als loket van de overheid fungeert voor deze faciliteiten.
       Exportkredietverzekering
       De exportkredietverzekering (ekv) is bedoeld voor exporteurs die risico’s bij de levering van
       producten aan buitenlandse afnemers willen afdekken. Te onderscheiden zijn het fabricatierisico
       (de buitenlandse partij kan of wil het product na fabricatie niet afnemen) en het kredietrisico (de
       afnemer komt zijn betalingsverplichtingen niet na). Het kredietrisico kan worden onderverdeeld
       in het landenrisico (wanbetaling wegens een door de overheid opgelegde transferrestrictie) en
       debiteurenrisico (wanbetaling wegens betalingsproblemen van de afnemer). Met name bij afne-
       mers in opkomende markten en bij lange risicoperioden kunnen exporteurs problemen ondervin-
       den om op de private markt dekking voor hun risico’s te vinden. De ekv-faciliteit biedt hier
       uitkomst. Van de totale Nederlandse kapitaalgoederenexport naar opkomende markten werd in
       2000 zo’n 5 procent door de overheid herverzekerd.
124    De exposure uit hoofde van de ekv nam in de jaren zeventig sterk toe toen het bedrijfsleven naar
       nieuwe afzetmarkten in opec-landen en in andere opkomende economieën zocht (zie figuur 5.7).
       De piek aan het begin van de jaren negentig was het gevolg van enkele dekkingstoezeggingen op
       Saoedi-Arabië, waarvan de exportorders uiteindelijk niet doorgingen. De definitieve exposure
       bleef dan ook vrijwel constant in deze periode. De ‘dip’ in de groei van opkomende markten en de
         Figuur 5.7         Exposure uit hoofde van exportkrediet- en investeringsverzekering, 1970-2002 (in
                            miljarden euro’s)
       30                                                                                                 1,2
                            totaal exposure exportkredietverzekering
       25                   definitief exposure exportkredietverzekering                                  1,0
                            totaal exposure investeringsverzekering, schaal rechts
       20                                                                                                 0,8
       15                                                                                                 0,6
       10                                                                                                 0,4
        5                                                                                                 0,2
        0                                                                                                 0,0
         1970          1974              1978           1982            1986       1990 1994    1998  2000
         Toelichting: De weergegeven exposure's zijn niet gecorrigeerd voor prijsontwikkelingen.
                        Totaal exposure = exposure uit hoofde van polissen en dekkingstoezeggingen.
                        Definitief exposure = exposure uit hoofde van polissen.
         Bron: dnb (2002: 63)
</pre>

====================================================================== Einde pagina 128 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 129 ======================================================================

<pre>                                              de stille kracht van de handel – de rol van organisaties en instituties
toenemende ‘vermarkting’ van risico’s hebben geleid tot een dalende exposure in de laatste jaren.
De vermarkting van risico’s houdt in dat zij in toenemende mate door de particuliere markt
worden geabsorbeerd. De overheid trekt zich hier terug, omdat zij alleen risico’s herverzekert die
niet verzekerbaar zijn bij private banken en verzekeringsmaatschappijen. Dit aanvullende karakter
van door de overheid gesteunde exportkredietverzekering is in eu-verband vastgelegd. Een
andere afspraak op eu- en oecd-niveau is, dat exportkredietverzekeringsfaciliteiten op de
middellange termijn kostenneutraal moeten worden aangeboden, zodat geen oneigenlijke staats-
steun plaatsvindt. Met betrekking tot de regionale spreiding valt op dat de opkomende markten in
Azië, Midden- en Oost-Europa en Latijns Amerika meer dan 80 procent van de ekv-exposure
voor hun rekening nemen.
Investeringsverzekering
De Regeling herverzekering investeringen (rhi) biedt Nederlandse investeerders in het buiten-
land de mogelijkheid bepaalde politieke risico’s te herverzekeren. Het gaat om politieke risico’s
vanwege oorlog, onteigening, transferbelemmeringen en dergelijke, die afbreuk doen aan de
waarde van de investering. Met name nutsbedrijven maken gebruik van deze regeling, al neemt
het aandeel van het mkb de laatste jaren toe. Anders dan bij de ekv neemt het beroep op de rhi de
laatste jaren toe (figuur 5.7). Met name China en Rusland zijn belangrijke exposure-landen.
                                                                                                                      125
        belemmeren. Aan weerskanten van zo’n structureel gat circuleren verschillende
        informatiestromen (Burt 2001: 208). Deze scheiding tussen informatiestromen
        biedt mogelijkheden voor informatieverschaffers (makelaars) die toegang hebben
        tot de informatiestromen in beide groepen, om handelaren in verschillende groe-
        pen en netwerken bij elkaar te brengen.
        Op het gebied van (internationale) handel zijn schaalvoordelen te behalen door
        zoveel mogelijk informatie over handel met en netwerken in andere landen
        centraal te verzamelen en te distribueren. Op dit terrein is in Nederland een scala
        van organisaties actief. Handelsattachés op ambassades van zowel andere landen
        in Nederland als van Nederland in het buitenland ondersteunen de handel.
        Handelsbevordering in het algemeen is een verantwoordelijkheid van het minis-
        terie van Economische Zaken en het ministerie van Buitenlandse Zaken.
        Daarnaast bevordert een groot aantal intermediairs tussen overheid en bedrijfs-
        leven de export en import: banken, beroepsverenigingen, juridische adviesbu-
        reaus, advocatenkantoren, consultancy-firma’s, kamers van koophandel, de
        Nederlandse Export Combinatie, het Nederlands Centrum voor Handelsbevor-
        dering (nch), de Federatie voor de Nederlandse Export (Fenedex) en de onder-
        nemersorganisaties mkb-Nederland en vno-ncw. Zij spelen een belangrijke rol
        bij de informatieverschaffing, bijvoorbeeld over plaatselijke gewoonten en
        gebruiken, maar ook bij het bevorderen van persoonlijke contacten. Face-to-face-
        contacten zijn nog altijd van groot belang om een vertrouwensband te scheppen.
        Vakbeurzen en handelsmissies met de staatssecretaris worden in dit verband als
        zeer behulpzaam beoordeeld.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 129 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 130 ======================================================================

<pre>    neder l a nd h a ndel sl a nd
                Over de ondersteuning van ambassades bestaat onder Nederlandse ondernemers
                de nodige onvrede, zo bleek uit gesprekken die de wrr met handelaren voerde.
                Men beoordeelt deze ondersteuning als erg ad hoc en sterk afhankelijk van de
                desbetreffende persoon op een ambassade, waardoor ook het netwerk erg fragiel
                is. Hoewel het belang van diplomatieke ondersteuning van het Nederlands
                bedrijfsleven in het buitenland bij de overheid steeds meer wordt onderkend,
                valt niet altijd de indruk weg te nemen dat ondersteuning van de handelsfunctie
                een lage prioriteit wordt toebedeeld. Overigens ligt het in de rede dat indien de
                overheid de dienstverlening professioneler zou aanpakken, daarvoor ook een
                vergoeding zou worden gevraagd, omdat de ambassade daarmee een quasi-
                publiek goed zou leveren waarvan het bedrijfsleven profiteert. In het verleden
                maakte het bedrijfsleven ook geen bezwaar tegen het betalen van een prijs voor
                deze informatiedienst (Lodewijks en Siemons 1999).
                Deze analyse sluit aan bij de bevindingen van Rauch (2001) en Rauch en Watson
                (2002), die concluderen dat de marktpartijen te weinig aan netwerkintermediatie
                doen. Verschillende nationale overheden hebben daarom getracht internationale
                handelsnetwerken op te zetten. Succesvolle voorbeelden hiervan zijn de Japanse
                sogo shosha, de Koreaanse en Hongkongse general trading companies en de
126             Turkse foreign trade companies. Deze bedrijven werden met (in)directe over-
                heidssubsidies opgezet en bleken zo succesvol te zijn, dat ze inmiddels op eigen
                benen kunnen staan. Het is dus mogelijk om met gericht overheidsbeleid inter-
                nationale netwerken op te zetten. Niet alle pogingen hiertoe zijn echter even
                succesvol. Taiwan en de Verenigde Staten zijn er bijvoorbeeld niet in geslaagd
                hun buitenlandse handelsondernemingen ‘in de lucht’ te houden (Rauch en
                Watson 2002). Buitenlandse handelsondernemingen lijken meestal wel in staat
                om voordelen te genereren op het gebied van het aanbieden van productvariëteit,
                diffusie van technische kennis, economische schaalvoordelen, marketing,
                douaneformaliteiten, enzovoorts, maar veel minder bij het daadwerkelijk in
                contact brengen van kopers en verkopers (Rauch 2001: 1195). Hierin blijken
                immigranten en etnische netwerken vaak succesvoller te zijn.
    5.4         multinationals
    5.4.1       inleiding
                In de voorgaande paragrafen ging de aandacht uit naar organisaties en instituties
                die de transactiekosten van de ruil tussen twee marktpartijen verminderen.
                Transactiekosten kunnen echter ook worden verlaagd door de ruil te internalise-
                ren, dat wil zeggen door de twee partijen die met elkaar handelen binnen een
                organisatie onder te brengen. Wanneer de partijen zich in verschillende landen
                bevinden en het dus om de transactiekosten van buitenlandse handel gaat, houdt
                deze mogelijkheid in dat er een multinationale onderneming wordt gevormd.
                Een transactie die eerst tussen twee marktpartijen plaatsvond, wordt dan binnen
                een onderneming gerealiseerd. Wanneer binnen een multinational de cruciale
                productiefactor mobiel is, is het zelfs mogelijk dat handel wordt vervangen door
</pre>

====================================================================== Einde pagina 130 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 131 ======================================================================

<pre>                                        de stille kracht van de handel – de rol van organisaties en instituties
      verplaatsing van die productiefactor. Afhankelijk van de wijze waarop multi-
      nationale ondernemingen de transactiekosten verlagen, kunnen zij zowel de
      buitenlandse handel stimuleren als deze vervangen door mobiliteit van produc-
      tiefactoren.
      De relevantie van de multinationale onderneming voor de handelspositie van
      Nederland behoeft nauwelijks betoog. In hoofdstuk 2 is gebleken dat Nederland
      als kleine open economie opmerkelijk veel multinationale ondernemingen huis-
      vest, waarvan enkele tot de grootste ter wereld behoren. Bovendien heeft een
      aantal buitenlandse multinationals in Nederland zijn Europese hoofdkantoor of
      distributiecentrum gevestigd. De grote multinationals nemen in Nederland niet
      alleen een belangrijk deel van de productie voor hun rekening, zij spelen ook een
      belangrijke rol in de buitenlandse handel en daarmee in de toegevoegde waarde
      die handelstransacties genereren. Illustratief hiervoor is dat de wortels van een
      aantal multinationals, zoals De Koninklijke/Shell, Unilever en shv, mede in de
      handel zijn gelegen.
      Deze paragraaf onderzoekt de rol van de multinationals in de internationale
      economie en in de handelsfunctie van Nederland. Op welke wijze verminderen
      multinationals de transactiekosten waarmee handel tussen afzonderlijke bedrij-                            127
      ven gepaard gaat? Dragen zij daarmee bij aan vergroting of juist aan verkleining
      van de internationale handel?
      Om een antwoord op deze vragen te vinden bespreekt subparagraaf 5.4.2 de
      theorie van de multinationale onderneming. Subparagraaf 5.4.3 geeft een over-
      zicht van het empirische onderzoek naar het belang van multinationals en de
      factoren die de opmars van de multinationale onderneming verklaren.
      Subparagraaf 5.4.4 tracht de vraag te beantwoorden in welke mate multinationals
      bijdragen aan een vermindering van de transactiekosten en daarmee de positie
      van Nederland als handelsnatie ondersteunen.
5.4.2 de theorie van de multinationale onderneming
      Vergeleken met de economische theorie van de internationale handel, die zo’n
      twee eeuwen oud is, staat de theorie van de multinationale onderneming nog in
      de kinderschoenen. Pas vanaf de jaren tachtig van de vorige eeuw worden pogin-
      gen gedaan om de factoren die het ontstaan en de opmars van multinationals
      verklaren, in een consistent theoretisch kader te plaatsen. De basis hiervoor
      wordt gevormd door het zogenaamde oli-raamwerk van Dunning (1981).
      Volgens Dunning dient aan drie voorwaarden te zijn voldaan wil een bedrijf zich
      tot multinational ontwikkelen:
      1 Er dient sprake te zijn van een eigendomsvoordeel (O: ownership advantage).
      2 Er dient sprake te zijn van een locatievoordeel (L: location advantage).
      3 Er dient sprake te zijn van een internaliseringsvoordeel (I: internalisation
          advantage).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 131 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 132 ======================================================================

<pre>    neder l a nd h a ndel sl a nd
                Dit raamwerk is de afgelopen twee decennia door verschillende economen verder
                uitgewerkt tot een algemene theorie van de multinationale onderneming, waar-
                van hier de hoofdlijnen worden geschetst.6
                Ad 1          Eigendomsvoordelen
                De neoklassieke handelstheorie van Heckscher en Ohlin verklaart internationale
                handel uit de comparatieve voordelen van landen die voortvloeien uit de (relatief)
                overvloedige beschikbaarheid van bepaalde hulpbronnen, zoals delfstoffen, een
                gunstige ligging, een vruchtbare bodem of een hoogopgeleide beroepsbevolking
                (zie hoofdstuk 3). Het is echter denkbaar dat comparatieve voordelen niet aan een
                land, maar aan een bedrijf zijn gebonden. Het gaat daarbij vooral om immateriële
                activa (intangible assets) waarover bedrijven beschikken, in het bijzonder om
                bedrijfsspecifiek kenniskapitaal, die hun een voorsprong bieden ten opzichte van
                andere bedrijven.7 Hierbij valt te denken aan een (gepatenteerd) product of
                productieproces, een merknaam of reputatie, r&d en marketing (Markusen
                1995). Kenmerkend voor dergelijke vormen van kenniskapitaal is dat zij tot op
                zekere hoogte het karakter hebben van een publiek goed, in de zin dat zij niet-
                rivaliserend zijn. Een bedrijf kan zijn reputatie of r&d aanwenden voor nieuwe
                activiteiten of een uitbreiding van zijn bestaande activiteiten (bijv. in het buiten-
128             land) zonder dat dit ten koste gaat van de huidige activiteiten. In de terminologie
                van Dunning (1981) beschikt het bedrijf daardoor over een eigendomsvoordeel
                ten opzichte van andere bedrijven.
                Ad 2          Locatievoordelen
                Als een bedrijf over een comparatief eigendomsvoordeel beschikt ten opzichte
                van bedrijven in een ander land, heeft het in beginsel de keuze tussen het expor-
                teren van zijn producten naar het desbetreffende land en het verplaatsen van de
                productie naar dat land. Deze keuze wordt bepaald door de vraag of het bestem-
                mingsland een locatievoordeel heeft ten opzichte van het moederland van het
                bedrijf. Er kunnen verschillende redenen zijn waarom productie in het bestem-
                mingsland met minder kosten gepaard gaat en daardoor voordeliger is dan
                productie in het moederland en export naar het bestemmingsland.
                Analoog aan de redenering in de neoklassieke handelstheorie kan het bestem-
                mingsland comparatieve voordelen hebben die voortvloeien uit de beschikbaar-
                heid van hulpbronnen. Als daardoor bijvoorbeeld de loonkosten lager of de beno-
                digde grondstoffen of energiebronnen goedkoper zijn, kan productie in het
                bestemmingsland goedkoper zijn dan in het moederland. Ook andere factoren,
                zoals belastingtarieven en de beschikbare infrastructuur, kunnen productie in het
                bestemmingsland aantrekkelijker maken. Alleen de voor de productie benodigde
                kennis wordt dan naar het bestemmingsland ‘geëxporteerd’. Zijn de compara-
                tieve voordelen van het bestemmingsland ten opzichte van het moederland
                voldoende groot en de transportkosten en handelsbarrières relatief beperkt, dan
                zal het bedrijf zijn productie volledig naar het andere land verplaatsen en het
                moederland en eventuele andere afnemende landen vanuit dit gastland van
                producten voorzien. Er ontstaat dan een verticale multinational, waarvan alleen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 132 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 133 ======================================================================

<pre>                                     de stille kracht van de handel – de rol van organisaties en instituties
het hoofdkantoor (inclusief management, administratie, r&d, marketing e.d.) in
het moederland is gevestigd en waarvan de productievestigingen zich in andere
landen bevinden. Verticale multinationals ontstaan vooral wanneer er tussen
landen grote verschillen bestaan in beschikbaarheid van hulpbronnen, zoals
grondstoffen of een geschoolde beroepsbevolking, en wanneer transportkosten
en handelsbelemmeringen van ondergeschikt belang zijn. In overeenstemming
met de theorie van de comparatieve voordelen vormen de verschillen tussen
landen dan een prikkel voor een internationale arbeidsverdeling waarin het ene
land zich specialiseert in management, r&d en dergelijke, en het andere land in
de productie van fysieke goederen. Anders dan in de klassieke handelstheorie zijn
in dit geval echter niet alleen relatieve, maar ook absolute comparatieve voordelen
van belang.
Markusen en Maskus (1999a) laten zien dat, indien de activiteiten in het hoofd-
kantoor van een onderneming relatief hooggekwalificeerd zijn in vergelijking
met die in een productievestiging, verhoudingsgewijs veel hoofdkantoren van
(verticale) multinationals zich zullen vestigen in kleine landen met een hoog-
opgeleide beroepsbevolking, zoals Nederland, Zweden en Zwitserland.
Een geheel andere reden om productie te verplaatsen naar een ander land kan zijn                             129
gelegen in de toegankelijkheid van de afzetmarkt. Hoge transportkosten en
handelsbarrières kunnen verhinderen dat er tussen twee landen, ondanks het
bestaan van comparatieve voordelen, handel totstandkomt. Indien deze handels-
barrières evenwel niet – of in veel mindere mate – de overdracht van kennis-
kapitaal naar het bestemmingsland belemmeren, kan het voor een bedrijf
aantrekkelijk zijn om zijn producten, in plaats van te exporteren, in het andere
land te (laten) fabriceren en daarmee transportkosten te vermijden en handels-
barrières te omzeilen (Markusen en Venables 2000). De transactiekosten waar-
mee internationale handel gepaard gaat, worden dan verminderd door de produc-
tie naar het land van bestemming te verplaatsen.
Indien een bedrijf zijn productie ten dele naar een ander land verplaatst om daar-
mee goedkoper toegang te krijgen tot de lokale afzetmarkt, ontstaat een horizon-
tale multinational, die in verschillende gastlanden vergelijkbare (productie)acti-
viteiten uitvoert. Horizontale multinationals ontstaan over het algemeen
wanneer landen veel op elkaar lijken ten aanzien van de beschikbaarheid van
hulpbronnen, maar de handelsbarrières relatief hoog zijn (Markusen en Venables
2000).
Ad 3       Internaliseringsvoordelen
Ook indien de eigendomsvoordelen van een bedrijf in combinatie met de locatie-
voordelen van het bestemmingsland het aantrekkelijk maken om (een deel van)
de activiteiten elders te laten plaatsvinden, staat nog niet vast dat de vestiging van
een filiaal of dochterbedrijf in het bestemmingsland de beste optie is. Het is
immers ook mogelijk om samen te werken met een bestaand bedrijf in het
bestemmingsland, bijvoorbeeld door een licentie te verstrekken, een joint venture
</pre>

====================================================================== Einde pagina 133 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 134 ======================================================================

<pre>    neder l a nd h a ndel sl a nd
                aan te gaan of een strategische alliantie te vormen. In deze gevallen wordt het
                kenniskapitaal waaraan het bedrijf zijn eigendomsvoordeel ontleent, gedeeld met
                een ander bedrijf. Een bedrijf zal alleen kiezen voor een eigen vestiging in het
                bestemmingsland indien het voordelen biedt om het kenniskapitaal in eigen
                hand te houden in plaats van met andere bedrijven te delen. In de terminologie
                van Dunning (1981) is er dan sprake van een internaliseringsvoordeel.
                Het internaliseringsvoordeel sluit aan bij de theoretische verklaring van Coase
                voor verschillen in bedrijfsomvang. De optimale omvang van een bedrijf wordt
                volgens Coase (1937) bepaald door de afweging van de transactiekosten van
                verschillende vormen van coördinatie. Coördinatie van productie kan zowel via
                de markt of een netwerk als via de hiërarchie van een bedrijfsorganisatie plaats-
                vinden. De bedrijfsomvang is optimaal wanneer de transactiekosten van coördi-
                natie via de markt of een netwerk in marginale zin gelijk zijn aan de transactie-
                kosten van coördinatie binnen de organisatie. Een bedrijf zal dus een vestiging in
                een ander land oprichten indien de transactiekosten die gepaard gaan met de
                overdracht van kenniskapitaal binnen het bedrijf kleiner zijn dan de transactie-
                kosten van overdracht via de markt.
130             De transactiekosten van het overdragen van kenniskapitaal aan een andere onder-
                neming bestaan onder meer uit de kosten van het onderhandelen over en het
                afsluiten van een licentieovereenkomst of het vormen van een joint venture of
                strategische alliantie, het monitoren van de naleving van het contract en het
                opleggen van sancties indien de partner de overeenkomst schendt.
                Casson (1985) onderscheidt vier soorten transactiekosten waardoor transacties
                binnen een organisatie voordeliger kunnen zijn dan markttransacties en die
                derhalve in een internaliseringsvoordeel resulteren. In de eerste plaats is het
                moeilijk om kennis die niet kan worden gepatenteerd op de markt te verhande-
                len. Door het publiekgoedkarakter van kennis kan deze immers eenvoudig door
                afnemers worden gekopieerd, waardoor de marktprijs naar nul tendeert (vgl.
                wrr 2002a: hoofdstuk 4).
                In de tweede plaats is het vaak moeilijk om langetermijncontracten af te sluiten
                met leveranciers van grondstoffen en halffabrikaten of met afnemers van het
                eindproduct. Om de onzekerheid die hiervan het gevolg is, te reduceren, kan het
                aantrekkelijk zijn de leverantie van deze intermediaire goederen te internaliseren
                door de productie ervan zelf ter hand te nemen (bijv. door een producent van
                componenten over te nemen). Er is dan sprake van achterwaartse integratie. Als
                het bedrijf zelf een producent is van intermediaire goederen, kan het ook de acti-
                viteit van de afnemer overnemen, in welk geval er sprake is van voorwaartse inte-
                gratie (zie ook subpar. 5.3.4).
                In de derde plaats kan er sprake zijn van asymmetrische informatie over de kwali-
                teit van producten. Deze asymmetrie kan worden verminderd door een zo groot
                mogelijk deel van de productieketen binnen dezelfde onderneming onder te
</pre>

====================================================================== Einde pagina 134 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 135 ======================================================================

<pre>                                    de stille kracht van de handel – de rol van organisaties en instituties
brengen. Als de kwaliteit van intermediaire goederen die als input in het produc-
tieproces dienen, van groot belang is, kan de controle op de kwaliteit daarvan
soms het beste worden gerealiseerd door zelf deze intermediaire goederen te
produceren (achterwaartse integratie). Als de kwaliteit van het product dat aan de
consument wordt geleverd, mogelijk verslechtert door nalatigheid van de eindle-
verancier, kan het aantrekkelijk zijn om ook de distributie van het product zelf te
verzorgen (voorwaartse integratie).
Asymmetrische informatie kan ook een belemmering zijn voor de financiering
van ondernemingsactiviteiten met een onzekere opbrengst. Een bedrijf dat een
nieuwe, risicovolle activiteit wil ondernemen zal vaak moeite hebben om daar-
voor externe financiers te vinden, omdat deze minder goed zicht hebben op de
kwaliteit van het ondernemingsplan. Vanwege de eerstgenoemde reden zal een
bedrijf vaak geen volledig inzicht willen geven in zijn plannen. Grote bedrijven
hebben een ruimere financiële armslag dan kleine bedrijven. Binnen grote bedrij-
ven kan men derhalve, bij het vaststellen van de profijtelijkheid van een transac-
tie, rekening houden met infant-industry-argumenten ten aanzien van bepaalde
bedrijfsonderdelen. Kleine bedrijven zijn in dergelijke gevallen aangewezen op
externe financiers met durfkapitaal die accepteren dat de ‘verliezers’ failliet gaan.
                                                                                                            131
In de vierde plaats kunnen verschillen in belastingen en tarieven tussen landen
het aantrekkelijk maken om kosten en opbrengsten in verschillende landen te
laten neerslaan. Door manipulatie van de interne verrekenprijzen is het bijvoor-
beeld mogelijk om het grootste deel van de winst te boeken in het land met de
laagste winstbelasting (zie hierna).
Met uitzondering van de laatste reden speelt het (gebrek aan) vertrouwen in
andere (markt)partijen steeds een belangrijke rol bij het internaliseren van ruil-
relaties. Als het niet mogelijk is via netwerken of intermediairs voldoende
vertrouwen te genereren (zie de paragrafen 5.2 en 5.3), kan het integreren van de
relatie binnen een onderneming dit tekort aan vertrouwen ondervangen.
Internalisering van transacties brengt echter ook kosten met zich mee. De oprich-
ting van een nieuwe vestiging in een ander land kan met hoge vaste kosten
gepaard gaan, zoals het bouwen, kopen of huren van bedrijfsruimte, de aanschaf
of het transport van kapitaalgoederen, het aantrekken en opleiden van personeel,
enzovoorts. Daarnaast kunnen er specifieke belemmeringen zijn voor buiten-
landse investeringen. Het kan hierbij gaan om formele, wettelijke belemmerin-
gen, zoals de formaliteiten waaraan een buitenlandse investeerder dient te
voldoen om een onderneming te kunnen oprichten. Het kan ook gaan om infor-
mele belemmeringen, die kunnen samenhangen met (het gebrek aan kennis van)
de cultuur en de gebruiken van het desbetreffende land en met de benodigde rela-
ties om een bedrijf te vestigen en distributiekanalen te vinden. Als dergelijke
kosten en belemmeringen voldoende hoog zijn in verhouding tot de voordelen
van internalisering, zal een bedrijf eerder een partner in het bestemmingsland
zoeken dat deze kosten niet (meer) hoeft te maken dan zelf een filiaal oprichten.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 135 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 136 ======================================================================

<pre>    neder l a nd h a ndel sl a nd
                De samenwerkingsrelatie met de buitenlandse partij kan verschillende vormen
                aannemen. Men kan een joint venture aangaan (dat wil zeggen gezamenlijk met
                een buitenlands bedrijf participeren in een nieuwe onderneming), een minder-
                heidsaandeel verwerven in een buitenlands bedrijf, een licentie verstrekken aan
                een buitenlands bedrijf, een bedrijf het recht op franchising verlenen of een
                strategische alliantie vormen (zie Buckley 1985a voor een overzicht van uiteen-
                lopende samenwerkingsvormen).
                In algemene termen geformuleerd wordt de afweging tussen internalisering en
                externalisering van een transactie bepaald door de verhouding tussen de vaste
                kosten op ondernemingsniveau en de vaste kosten op vestigingsniveau (Buckley
                en Casson 1985; Markusen en Venables 1995; 2000). Bij vaste kosten op onder-
                nemingsniveau gaat het bijvoorbeeld om de kosten van (top)management, r&d
                en marketing. De vaste kosten op vestigingsniveau betreffen onder meer de
                kosten van bedrijfsruimten en machines. Naarmate de vaste kosten op onder-
                nemingsniveau hoger zijn in vergelijking met de vaste kosten op vestigings-
                niveau, wordt het aantrekkelijker om meerdere eigen vestigingen in het buiten-
                land te openen. Als daarentegen de vaste kosten van een extra vestiging hoog zijn
                in verhouding tot de vaste kosten van de onderneming, is het aantrekkelijker om
132             samenwerking te zoeken met een andere bestaande onderneming.
                Buckley en Casson (1985) schetsen een evolutionair model waarin bedrijven,
                naarmate zij groter worden, hun activiteiten geleidelijk meer internationaliseren.
                Met het groeien van de onderneming zullen over het algemeen de vaste kosten op
                ondernemingsniveau kleiner worden in verhouding tot de vaste kosten op vesti-
                gingsniveau. Een bedrijf dat groeit en zijn afzetmarkt naar het buitenland wil
                uitbreiden, zal eerst zijn producten exporteren, vervolgens bij verdere expansie
                een licentie verstrekken of een ander samenwerkingsverband aangaan met een
                buitenlandse onderneming en ten slotte zelf een buitenlandse vestiging oprichten.
                Hierbij is het overigens mogelijk dat de fase van licentiëring wordt overgeslagen
                omdat deze onvoldoende kosteneffectief is.
                Enige empirische steun voor dit evolutionaire model kan worden gevonden in
                een onderzoek van Eaton et al. (2001) naar het exportpatroon van Franse bedrij-
                ven. Hieruit blijkt dat bijna 40 procent van de bedrijven niet of slechts naar één
                land exporteert, terwijl een kleine groep van 0,3 procent van alle bedrijven met
                een groot aantal landen handelt en meer dan een kwart van de totale export voor
                zijn rekening neemt. Dit suggereert dat er grote initiële kosten zijn om een
                buitenlandse (handels)relatie aan te gaan en dat intensieve relaties met het
                buitenland pas vanaf een bepaalde schaal lucratief worden.
                Twee ideaaltypen van multinationals
                Samenvattend zijn er volgens de theorie van de multinationale onderneming
                twee ideaaltypen van multinationals die onder verschillende omstandigheden
                ontstaan:
</pre>

====================================================================== Einde pagina 136 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 137 ======================================================================

<pre>                                    de stille kracht van de handel – de rol van organisaties en instituties
1   Verticale multinationals ontstaan ten gevolge van uitgesproken locatievoorde-
    len. Zij hebben hun hoofdkantoor in een rijk land met een hoogopgeleide
    beroepsbevolking en productievestigingen in arme landen met een laagopge-
    leide beroepsbevolking. Investeringen in een ander land zijn geen substituut
    voor export. Wel worden de handelsstromen omgeleid: van het moederland
    als herkomstland van export naar de landen met productievestigingen.
2   Horizontale multinationals ontstaan als gevolg van eigendoms- en internalise-
    ringsvoordelen, en wanneer er tussen het moederland en het gastland weinig
    verschillen zijn in relatieve en absolute factorbeschikbaarheid en factorprijzen.
    Buitenlandse vestigingen zijn bedoeld om toegang te krijgen tot andere afzet-
    markten door transportkosten te reduceren en handelsbarrières te omzeilen
    (het market-access-argument). Buitenlandse directe investeringen zijn een
    substituut voor de export van eindproducten.
In de besproken theorie van de multinationale onderneming blijft een belangrijk
motief voor bedrijven om buitenlandse vestigingen te verwerven onderbelicht
(vgl. Feenstra 1999). Terwijl in het oli-raamwerk een eigendomsvoordeel als een
noodzakelijke voorwaarde voor een bedrijf geldt om een multinational te
worden, is het ook mogelijk dat een bedrijf juist een multinational wordt om een
eigendomsvoordeel te verwerven. Dit is het geval indien een onderneming een                                 133
buitenlands bedrijf overneemt of met een buitenlandse bedrijf fuseert dat over
specifiek kenniskapitaal beschikt waarover zij zelf niet beschikt. Vooral als de
combinatie van het kenniskapitaal van het moederbedrijf en het kenniskapitaal
van het buitenlandse bedrijf synergie-effecten genereert, kan een dergelijke over-
name of fusie aantrekkelijk zijn. Een overname of fusie is in dit geval een alterna-
tief voor het zelf ontwikkelen van de desbetreffende kennis door middel van r&d
dan wel het inkopen van die kennis door een licentie af te sluiten.
Multinationals in de dienstensector
De theorie van de multinationale onderneming maakt geen onderscheid tussen
industriële ondernemingen en dienstverlenende ondernemingen. In beginsel
gelden voor beide soorten ondernemingen dezelfde overwegingen bij de beslis-
sing om al dan niet een buitenlandse vestiging op te richten. Er zijn echter
verscheidene redenen waarom een dienstverlenend bedrijf eerder de voorkeur zal
geven aan een buitenlandse vestiging dan een industrieel bedrijf (vgl. Stibora en
De Vaal 1999). De eerste reden is dat bij dienstverlening de reputatie van het
bedrijf vaak van groot belang is, onder meer doordat diensten zeer heterogeen
zijn en vaak het karakter van een ervaringsgoed hebben. In het oli-raamwerk van
Dunning betekent dit, dat een dienstverlenend bedrijf eerder een eigendoms-
voordeel ten opzichte van andere bedrijven zal hebben dan een bedrijf dat goede-
ren produceert waarvan de kwaliteit min of meer objectief is vast te stellen.
De tweede reden is dat diensten over het algemeen moeilijk te vervoeren zijn
(zie subpar. 3.2.3), zodat bij dienstverlening doorgaans ofwel de leverancier van
de dienst zich naar de afnemer dient te begeven, ofwel de afnemer naar de produ-
cent. Indien leverancier en afnemer zich in verschillende landen bevinden, kan
dit vaak het beste worden gerealiseerd door in het land van de afnemer een lokale
</pre>

====================================================================== Einde pagina 137 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 138 ======================================================================

<pre>    neder l a nd h a ndel sl a nd
                vestiging op te richten die aldaar de dienst verleent. Bij dienstverlening heeft het
                bestemmingsland daardoor haast per definitie een locatievoordeel ten opzichte
                van het moederland van het bedrijf, doordat transport van de dienst naar het
                bestemmingsland kostbaar of zelfs onmogelijk is. Een derde reden vloeit voort uit
                de internaliseringsvoordelen bij dienstverlening. De transactiekosten van het
                overdragen van de specifieke kenmerken van diensten waaraan het bedrijf zijn
                eigendomsvoordeel ontleent aan een ander, buitenlands bedrijf (via een licentie
                of joint venture) zijn doorgaans hoger dan bij fysieke producten. Het risico van
                reputatieverlies doordat dienstverlening door een ander bedrijf ten koste gaat van
                de kwaliteit van de dienst, is groot. Indien de dienstverlening impliciete, niet-
                gecodificeerde kennis (tacit knowledge) vereist, kan deze alleen via direct
                persoonlijk contact aan een ander bedrijf worden overgedragen. Over het gebruik
                van dergelijke kennis zijn echter moeilijk expliciete afspraken te maken, waar-
                door het opstellen van een contract en controle op de naleving daarvan wordt
                bemoeilijkt. Een onderneming zal er dan vaak de voorkeur aan geven om derge-
                lijke kennis binnen het eigen bedrijf te houden.
                Het toenemende belang van multinationals
                De theorie van de multinationale onderneming wijst op enkele factoren die
134             kunnen verklaren waarom multinationals een steeds grotere rol in de wereldeco-
                nomie zijn gaan spelen. Het ontstaan en de groei van horizontale multinationals
                worden bevorderd door de convergentie tussen landen in welvaart en productivi-
                teit. Markusen en Venables (2000) zien hierin de belangrijkste verklaring voor de
                toename van buitenlandse investeringen tussen de rijke landen onderling.
                Een daling van transportkosten en een vermindering van formele handelsbarriè-
                res door verdergaande liberalisering van de wereldhandel vormen een stimulans
                voor internationale handel. Aangezien horizontale multinationals een substituut
                vormen voor handel in eindproducten, zou men op grond hiervan verwachten
                dat multinationals in belang afnemen. Het effect van handelsbarrières op hori-
                zontale multinationals is echter minder eenduidig als ook rekening wordt gehou-
                den met het belang van intermediaire handel. Verticale multinationals zijn
                veeleer complementair met buitenlandse handel en zullen dus wel worden gesti-
                muleerd door vermindering van handelsbarrières.
                Hier komt bij dat een vermindering van handelsbarrières tot scherpere interna-
                tionale concurrentie kan leiden. Als er sprake is van schaalvoordelen op onderne-
                mingsniveau zullen in deze concurrentiestrijd alleen de grootste bedrijven zich
                kunnen handhaven. Vooral voor ondernemingen in een klein land als Nederland
                kan uitbreiding van de activiteiten naar andere landen daardoor noodzakelijk zijn
                om te overleven.
                Ook een vermindering van belemmeringen voor buitenlandse investeringen als
                gevolg van liberalisering van het internationale kapitaalverkeer kan de vorming
                en groei van multinationals bevorderen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 138 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 139 ======================================================================

<pre>                                    de stille kracht van de handel – de rol van organisaties en instituties
Veranderingen in consumentenvoorkeuren kunnen ertoe leiden dat het imago
van producten steeds belangrijker wordt. Hierdoor zullen bekende merken
(brands) die door wereldwijde reclamecampagnes worden gepromoot kleine,
lokale merken steeds meer verdringen. Alleen grote, in meerdere landen opere-
rende concerns kunnen zich de hoge marketingkosten waarmee dit gepaard gaat,
permitteren.
Ten slotte kan het toenemende belang van diensten in de wereldeconomie een
stimulans zijn voor de opmars van multinationals, aangezien, zoals hiervoor is
uiteengezet, een dienstverlenend bedrijf eerder de voorkeur zal geven aan een
buitenlandse vestiging dan een goederenproducerend bedrijf.
De invloed van het overheidsbeleid op multinationale ondernemingen
Diverse vormen van overheidsbeleid en instituties kunnen van invloed zijn op
inkomende en uitgaande buitenlandse investeringen en op de productie en groei
van (binnenlandse en buitenlandse) multinationals. De belangrijkste vormen van
overheidsbeleid zijn in dit verband het handelsbeleid, het investeringsbeleid en
het fiscale beleid (vgl. Navaretti et al. z.j.).
Handelsbarrières, zoals invoerrechten en quota, en handelsfaciliteiten, zoals                               135
exportsubsidies, zijn gericht op het belemmeren of bevorderen van buitenlandse
handel. Zij kunnen echter ook van invloed zijn op de activiteiten van multi-
nationals, omdat handelsbarrières voor bedrijven een prikkel vormen om de
productie te verplaatsen naar de afgeschermde afzetmarkt. Invoerrechten,
doorgaans bedoeld om het nationale bedrijfsleven af te schermen van buiten-
landse concurrentie, kunnen aldus voor buitenlandse ondernemingen juist een
stimulans zijn om een filiaal te vestigen of een binnenlands bedrijf over te
nemen. Zo wordt de sterke groei van buitenlandse investeringen in de Verenigde
Staten in de jaren tachtig van de vorige eeuw doorgaans toegeschreven aan de
(dreiging van) protectionistische maatregelen door de Amerikaanse regering.
Handelsbarrières kunnen buitenlandse investeringen echter ook belemmeren
indien een buitenlandse vestiging is aangewezen op de invoer van grondstoffen
of halffabrikaten en de productie van die vestiging grotendeels is bestemd voor de
export. Hetzelfde geldt voor invoerbelemmeringen in het land van het moeder-
bedrijf. Deze kunnen ook een negatief effect hebben op buitenlandse investerin-
gen van verticale multinationals, namelijk als een deel van de buitenlandse
productie (bijv. componenten) weer door het moederbedrijf wordt geïmporteerd.
In het algemeen stimuleren handelsbarrières derhalve de komst van horizontale
multinationals, maar ontmoedigen zij vestigingen van verticale multinationals.
Voor handelsfaciliteiten geldt in beginsel het omgekeerde: zij ontmoedigen de
komst van horizontale multinationals, doordat zij buitenlandse handel bevorderen,
maar stimuleren daarmee investeringen door verticale multinationals.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 139 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 140 ======================================================================

<pre>    neder l a nd h a ndel sl a nd
                Investeringsbelemmeringen hebben een eenduidig negatief effect op de komst
                van buitenlandse multinationals. Dit wordt in het algemeen als de belangrijkste
                verklaring gezien voor de geringe omvang van de buitenlandse investeringen in
                Japan. Voorzover investeringsbelemmeringen ook de export van kapitaal
                bemoeilijken, vormen zij ook een belemmering voor de expansie van nationale
                bedrijven in het buitenland.
                Verschillen in fiscaal beleid tussen landen kunnen een belangrijke prikkel zijn
                voor de vorming van multinationale ondernemingen als alternatief voor markt-
                transacties. Een bedrijf met vestigingen in meerdere landen beschikt over meer
                arbitragemogelijkheden, waardoor het de kosten en opbrengsten van transacties
                daar kan laten neerslaan waar de fiscale implicaties het gunstigst zijn. In het alge-
                meen zal een multinational ernaar streven de (boekhoudkundige) kosten te maxi-
                maliseren in het land met de hoogste belastingtarieven en de winst in het land
                met de laagste belastingtarieven.
                Naast deze specifieke vormen van overheidsbeleid zijn er tal van lokale omstan-
                digheden en instituties die van grote invloed kunnen zijn op de beslissing van
                een bedrijf om al dan niet een vestiging in een bepaald land op te richten.
136             Te denken valt aan het kwalificatieniveau van de beroepsbevolking, de hoogte
                van de loonkosten, de arbeidsrust, de (vervoers)infrastructuur, de beschikbaar-
                heid van land of grondstoffen, enzovoorts. Veel van deze factoren lenen zich in
                meerdere of mindere mate voor beïnvloeding door de overheid, waarmee deze
                het vestigingsklimaat van het land in positieve of negatieve zin kan veranderen.
                Wanneer verschillende landen tegelijkertijd maatregelen nemen om buiten-
                landse investeringen te lokken (beleidsconcurrentie), kan het effect op de feite-
                lijke investeringen echter beperkt zijn en vloeien de opbrengsten grotendeels in
                de vorm van hogere winsten naar de investerende multinationals (Navaretti et al.
                z.j.: 21).
    5.4.3       empirie
                Mondiale ontwikkelingen
                Het belang van multinationale ondernemingen in de wereldeconomie kan op
                verschillende manieren worden gemeten. De meest gebruikte maatstaf is de
                omvang van de zogenaamde buitenlandse directe investeringen (foreign direct
                investment, fdi).8 Het gaat hierbij om de investeringen van een in het moeder-
                land gevestigde onderneming in een bedrijf in een ander land (het gastland).
                Deze investeringen kunnen zowel een nieuw bedrijf betreffen als een bestaand
                bedrijf dat wordt overgenomen of waarmee de onderneming fuseert (mergers
                and acquisitions). Het bedrag dat jaarlijks in buitenlandse bedrijven wordt geïn-
                vesteerd, dat wil zeggen de stroom van buitenlandse directe investeringen (fdi
                flow), vertoont de laatste decennia een indrukwekkende groei. In 1982 werd
                wereldwijd voor 37 miljard dollar in andere landen geïnvesteerd, in 2000 was dit
                bedrag ruim dertigmaal zo groot, bijna 1.150 miljard dollar (unctad, diverse
                jaren). Ook als percentage van de mondiale bruto-investeringen is er sprake van
</pre>

====================================================================== Einde pagina 140 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 141 ======================================================================

<pre>                                                        de stille kracht van de handel – de rol van organisaties en instituties
          een spectaculaire toename van de directe buitenlandse investeringen: van 1,7
          procent in 1982 naar 15,4 procent in 1999 (figuur 5.8).
          Wellicht een betere indicator voor het belang van multinationals is de hoeveel-
          heid buitenlands kapitaal die in de loop der jaren is opgebouwd. Het gaat dan om
          de stand of voorraad van buitenlandse investeringen (fdi stock).9 Deze nam
          tussen 1982 en 2000 toe van 570 miljard dollar naar 6.000 miljard dollar. Afgezet
          tegen de totale wereldproductie10 is dit een toename van 5,4 procent in 1982 naar
          16,7 procent in 1999 (figuur 5.8).
  Figuur 5.8    Belang van buitenlandse investeringen en buitenlandse vestigingen van multinationals,
                1982-1999
60
                   buitenlandse investeringsstroom in % van totale investeringen
50
                   buitenlandse investeringsvoorraad in % van wereldproductie
                   brutoproductie van buitenlandse vestigingen in % van wereldproductie
                   export van buitenlandse vestigingen in % van wereldexport
40
30                                                                                                                              137
20
10
 0
              1982                           1990                            1995                  1999
  Bron: unctad (diverse jaren); wrr-bewerking
          De totale productie van buitenlandse vestigingen (foreign affiliates) van multina-
          tionals bedroeg in 1999 ruim 10 procent van de wereldproductie, een verdubbe-
          ling ten opzichte van 1982 (de productie van de vestigingen van multinationals in
          het moederland is hierbij niet meegeteld). Het belang van multinationals voor de
          internationale handel komt het duidelijkst tot uitdrukking in de waarde van de
          verkopen van buitenlandse vestigingen: deze was in 2000 tweeënhalf maal zo
          groot als de totale wereldexport. De export van de buitenlandse vestigingen van
          multinationals maakte in 2000 meer dan de helft (57%) van de wereldexport uit;
          halverwege de jaren negentig was dit nog ‘slechts’ eenderde.
          Een belangrijk deel van de export van multinationals heeft een andere vestiging
          van dezelfde onderneming als bestemming. Er is dan sprake van intrabedrijfs-
          handel (intrafirm trade). Nauwkeurige informatie hierover is schaars en beperkt
          zich grotendeels tot de Verenigde Staten. Van de uitvoer van de vs betreft circa
          36 procent intrafirm-export en van de invoer naar de vs is 43 procent intrafirm-
          import (Zeile 1997). Voor Nederland zijn deze percentages respectievelijk 39 en
</pre>

====================================================================== Einde pagina 141 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 142 ======================================================================

<pre>    neder l a nd h a ndel sl a nd
                41 (zie par. 2.6). Hogenbirk en Narula (1999) schatten dat ten minste een kwart
                van de totale handel binnen de oecd intrabedrijfshandel betreft.
                De tabellen 5.7 en 5.8 geven een overzicht van de geografische verdeling van de
                buitenlandse investeringsstromen en -voorraden. Directe investeringen in
                andere landen zijn voor het overgrote deel een zaak van de rijke, ontwikkelde
                landen. Niet alleen is zo’n 90 procent van de buitenlandse investeringen afkom-
                stig uit de ontwikkelde landen (de z.g. Triade: de Europese Unie, de Verenigde
                Staten en Japan), ongeveer driekwart van deze investeringen heeft ook een rijk
       Tabel 5.7       Buitenlandse directe investeringen (stromen), 1996-2000
                                               In % van totaal               In % van bruto-investeringen
                                    1996 1997        1998   1999   2000       1996 1997      1998 1999
       Inkomend
       Totaal                         100     100     100     100    100         5,9    7,5   10,9   16,3
       Ontwikkelde landen             57,1   56,8     69,8   77,2   79,1         4,8    6,1   10,6   17,0
       eu                             28,5   26,7     37,7   43,5   48,6         6,5    8,1   15,7   27,7
138    Nederland                       3,9     2,3     5,5     4,0    4,3       19,3   15,3   50,2   56,4
       Duitsland                       1,7     2,6     3,5     5,2  13,9         1,3    2,7    5,4   11,8
       Verenigd Koninkrijk             6,3     6,9    10,2     7,7  10,3        12,5   15,1   28,7   32,5
       Frankrijk                       5,7     4,9     4,5     4,4    3,5        7,6    9,2   11,7   17,5
       België en Luxemburg             3,7     2,5     3,3   11,1     6,9       24,2   22,2   40,3 213,4
       Verenigde Staten               22,0   21,6     25,2   27,4   22,1         7,0    7,9   11,3   17,9
       Japan                           0,1     0,7     0,5     1,2    0,6        0,0    0,0    0,0    1,1
       Ontwikkelingslanden            42,9   43,2     30,2   22,8   20,9         9,1   10,9   11,7   13,8
       Totaal in mld $                385     478     693   1.075  1.271
       Uitgaand
       Totaal                         100     100     100     100    100         6,2    7,4   11,6   15,4
       Ontwikkelde landen              85    85,2     94,4     94     91         7,2    8,9   14,7   19,4
       eu                             46,8   47,3     63,8   71,6   67,2        11,0   14,0   27,2   42,6
       Nederland                       8,0     5,3     5,3     6,1    6,4       40,0   33,7   49,5   81,1
       Duitsland                      13,0     9,0    12,4   10,9     4,2       10,3    9,2   19,6   23,1
       Verenigd Koninkrijk             8,7   13,2     17,1   20,5   21,7        17,4    28    49,5   80,6
       Frankrijk                       7,8     7,6     6,8   12,0   15,0        10,5   14,1   18,3   45,0
       België en Luxemburg             2,0     1,6     4,0   12,2     7,2       13,8   13,4   50,9   218
       Verenigde Staten               21,6   20,6     18,4   14,2   12,1         7,0    7,9   11,3   17,9
       Japan                           6,0     5,6     3,4     2,3    2,9        1,7    2,2    2,4    1,9
       Ontwikkelingslanden            15,0   14,8      5,6     6,0    9,0        3,8    3,9    2,8    3,3
       Totaal in mld $                392     466     712   1.006  1.150
      Bron: unctad (2001); wrr-bewerking
</pre>

====================================================================== Einde pagina 142 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 143 ======================================================================

<pre>                                                  de stille kracht van de handel – de rol van organisaties en instituties
          land als bestemming. Halverwege de jaren negentig nam het aandeel van de
          ontwikkelingslanden in de (inkomende) investeringen aanzienlijk toe, tot meer
          dan 40 procent in 1996 en 1997, maar de laatste jaren is dit aandeel weer geslon-
          ken, tot 21 procent in 2000 (unctad, diverse jaren).
          Het aandeel van de Verenigde Staten in de uitgaande investeringen is de laatste
          jaren sterk teruggelopen: van een kwart van het wereldtotaal in 1995 naar 12
          procent in 2000. De vs blijven echter ongeveer een kwart van alle buitenlandse
 Tabel 5.8       Buitenlandse directe investeringen (voorraden), 1985-2000
                                        In % van totaal                             In % van bbp
                              1985 1990       1995     1999    2000         1985 1990       1995 1999
 Inkomend
 Totaal                         100    100      100      100     100          7,8      9,2   10,3   17,3
 Ontwikkelde landen            61,1    74,0    69,8     64,5    66,7          6,1      8,4    9,2   14,5
 eu                            26,5    39,2    38,5     35,3    37,6          8,3     11,0   13,4   22,2
 Nederland                       2,8     3,5     3,8      3,7     3,9        19,5     23,6   28,4   50,1                  139
 Duitsland                       4,1     6,3     6,6      5,5     7,3         5,3      7,3    8,0   13,7
 Verenigd Koninkrijk             7,2   10,8      6,8      7,1     7,6        14,0     20,8   18,0   26,8
 Frankrijk                       3,8     5,3     6,3      4,6     4,2         6,4      8,4   12,1   17,1
 België en Luxemburg             2,1     3,1     4,0      5,5     5,9        22,0     28,3   40,1 108,3
 Verenigde Staten              20,7    20,9    18,2     18,4    19,6          4,6      7,1    7,6   11,1
 Japan                           0,5     0,5     1,1      0,9     0,9         0,4      0,3    0,7    1,0
 Ontwikkelingslanden           38,9    25,8    28,9     33,5    31,3         14,1     13,4   15,6   28,0
 Totaal in mld $                894 1.889     2.938    5.196   6.314
 Uitgaand
 Totaal                         100    100      100      100     100          6,4      8,6   10,2   16,7
 Ontwikkelde landen            95,4    95,3    91,0     87,5    87,8          7,5      9,8   11,8   19,0
 eu                            41,4    46,0    45,6     48,9    52,1         10,3     11,7   15,5   29,6
 Nederland                       6,8     6,0     5,8      5,1     5,5        37,3     36,2   42,4   65,7
 Duitsland                       8,5     8,6     9,0      7,9     7,4         8,6      9,1   10,7   18,9
 Verenigd Koninkrijk           14,2    13,4    10,6     13,7    15,1         21,9     23,4   27,4   49,8
  Frankrijk                      5,2     7,0     7,2      7,0     8,3         7,1     10,1   13,5   24,7
 België en Luxemburg             1,4     2,4     3,1      5,1     5,7        11,4     19,7   30,4   97,5
 Verenigde Staten              35,5    25,1    24,3     22,6    20,8          6,2      7,8    9,9   13,0
 Japan                           6,2   11,7      8,3      5,0     4,7         3,3      6,8    4,6    5,7
 Ontwikkelingslanden             4,6     4,6     8,8    12,2    11,9          1,6      2,6    4,8   10,1
 Totaal in mld $                708 1.717     2.879    5.005   5.976
Bron: unctad (2001); wrr-bewerking
</pre>

====================================================================== Einde pagina 143 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 144 ======================================================================

<pre>    neder l a nd h a ndel sl a nd
                investeringen ontvangen. De helft daarvan is afkomstig uit slechts drie landen:
                het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk en Nederland (unctad 2001: 15).
                Binnen de ontwikkelde wereld neemt de eu driekwart van de uitgaande investe-
                ringen en drievijfde van de inkomende investeringen voor zijn rekening. Het gaat
                hierbij overigens voor het grootste deel om investeringsstromen tussen eu-
                landen onderling: 72 procent van de inkomende investeringen in de eu was in
                1999 afkomstig uit een ander eu-land (unctad 2001: 18). In de investeringsstro-
                men kunnen zich van jaar tot jaar grote fluctuaties voordoen, die vaak samenhan-
                gen met omvangrijke fusies en overnames. Zo werd de sterke stijging van de
                inkomende investeringen in Duitsland in 2000 veroorzaakt door de overname
                van Mannesmann door het Britse Vodafone, terwijl de extreem hoge inkomende
                en uitgaande investeringen in België in 1999 mede het resultaat waren van de
                fusie tussen PetroFina en het Franse Total.
                Determinanten van multinationale ondernemingen
                De laatste decennia is veel empirisch onderzoek verricht naar de factoren die van
                invloed zijn op de vestiging en omvang van multinationals. Doordat voor de
                meeste landen slechts weinig gegevens over de activiteiten van multinationals
140             beschikbaar zijn, heeft het grootste deel van dit onderzoek betrekking op de
                Verenigde Staten, waarvoor relatief gedetailleerde gegevens van multinationals
                voorhanden zijn.
                Bijna ieder onderzoek concludeert dat multinationals overwegend een ‘horizon-
                taal’ karakter hebben (Markusen en Maskus 1999a; 1999b; Barrios et al. 2000;
                Carr et al. 2001). Gezien het feit dat het overgrote deel van de buitenlandse inves-
                teringen tussen rijke landen onderling plaatsvindt, is deze uitkomst niet verras-
                send. De omvang van de verkopen of de productie van buitenlandse vestigingen
                van multinationals hangt doorgaans positief samen met de grootte van het gast-
                land en het moederland (gemeten als de som van het bbp van beide landen) en
                met barrières voor de export naar het gastland, en negatief met het verschil in bbp
                tussen beide landen, met het verschil in bbp per capita, met belemmeringen voor
                investeringen in het gastland en met de afstand tussen beide landen. Deze resul-
                taten stemmen, met uitzondering van het laatstgenoemde, overeen met de theo-
                retische verwachtingen. Het effect van verschillen in opleidingsniveau tussen de
                beroepsbevolking van het moederland en van het gastland is niet eenduidig
                (Markusen en Maskus 1999a; Barrios et al. 2000). Er zijn aanwijzingen dat een
                relatief hoog opleidingsniveau van het moederland de omzet van buitenlandse
                vestigingen van multinationals bevordert (Markusen en Maskus 1999a), maar de
                empirische steun voor de (theoretische) veronderstelling dat dit vooral geldt voor
                kleine landen met een hoogopgeleide beroepsbevolking loopt uiteen (Markusen
                en Maskus 1999b; Carr et al. 2001).
                Dat een grotere afstand tussen landen een negatief effect heeft op vestigingen van
                multinationals wordt niet voorspeld door de hiervoor besproken theorie. Als een
                grotere afstand samengaat met hogere transportkosten, zou men immers
</pre>

====================================================================== Einde pagina 144 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 145 ======================================================================

<pre>                                   de stille kracht van de handel – de rol van organisaties en instituties
verwachten dat een buitenlandse productievestiging juist aantrekkelijker wordt
als alternatief voor export naar het gastland. Ook de ‘culturele’ afstand lijkt van
invloed te zijn op de activiteiten van multinationals. Zo bevordert een gemeen-
schappelijke taal van moederland en gastland de verkopen door buitenlandse
vestigingen van multinationals (Brainard 1997). Bell (1999) laat zien dat naarmate
het moederland en het gastland cultureel sterker verschillen, Nederlandse onder-
nemers eerder de voorkeur geven aan een joint venture met een bedrijf in het
gastland dan aan de oprichting van een volledig eigen dochteronderneming.
Dit duidt erop dat multinationals slechts ten dele in staat zijn de transactiekosten
als gevolg van cultuurverschillen te verminderen en dat zij daarvoor vaak (mede)
zijn aangewezen op andere (intermediaire) organisaties die over meer gespeciali-
seerde ervaring en kennis beschikken.
Empirisch onderzoek naar het effect van belastingen op ondernemingen op de
omvang van directe buitenlandse investeringen toont over het algemeen een
significant negatief effect (Gresik 2001). Op basis van een meta-analyse conclu-
deren De Mooij en Ederveen (2001) dat een stijging van het belastingtarief met 1
procentpunt in het gastland gemiddeld in een vermindering van de buitenlandse
investeringen met circa 3,3 procent resulteert.
                                                                                                           141
Dat multinationals overwegend een horizontaal karakter hebben, suggereert dat
productie in een buitenlandse vestiging een substituut is voor export van
hetzelfde product van het moederland naar het gastland. Markusen en Venables
(1995) schetsen zelfs een toekomstperspectief waarin de groei van multinationals
geleidelijk de internationale handel verdringt. Empirisch onderzoek levert voor-
alsnog echter geen eenduidige steun op voor de veronderstelling dat multinatio-
nals en internationale handel substituten zijn. Weliswaar ging in de periode
1914-1945 een terugval van de wereldhandel gepaard met een toename van
buitenlandse investeringen, maar de laatste twee decennia is er sprake van zowel
een snelle groei van de wereldhandel als van een indrukwekkende opmars van
multinationals. Ook onderzoek op gedesaggregeerd niveau levert meer aan-
wijzingen op voor complementariteit tussen multinationals en handel dan
voor substitutie (Brainard 1997).
Hiervoor zijn verschillende verklaringen aan te voeren. Volgens de theorie zijn
buitenlandse vestigingen van horizontale multinationals alleen een substituut
voor handel in eindproducten. Het is heel wel mogelijk dat de handel in inter-
mediaire producten (grondstoffen, componenten, halffabrikaten) door de groei
van multinationals wordt gestimuleerd. Het gaat hierbij waarschijnlijk voor een
aanzienlijk deel om handel binnen multinationale ondernemingen. Het is dus
denkbaar dat de groei van (horizontale) multinationals tegelijkertijd de inter-
nationale handel tussen bedrijven verkleint en de handel binnen bedrijven
vergroot, waardoor de totale buitenlandse handel niet hoeft af te nemen.
Een tweede mogelijke verklaring voor de (ogenschijnlijke) complementariteit
tussen multinationals en buitenlandse handel is dat andere ontwikkelingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 145 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 146 ======================================================================

<pre>    neder l a nd h a ndel sl a nd
                zowel de groei van multinationals als de groei van buitenlandse handel bevorde-
                ren. Zo hebben de laatste decennia veel landen zowel belemmeringen voor
                handel als voor buitenlandse investeringen verminderd, waardoor de buiten-
                landse handel én de buitenlandse investeringen tegelijkertijd werden gestimu-
                leerd. De complementariteit tussen multinationals en handel zou in dit geval
                slechts schijn zijn.
                Een derde verklaring kan zijn dat het belangrijkste motief voor horizontale multi-
                nationals om een buitenlandse vestiging op te richten of te verwerven niet is om
                daarmee handelsbarrières te omzeilen en toegang te verkrijgen tot een buiten-
                landse markt, maar om (technologische) kennis te verwerven (Feenstra 1999).
                Het grootste deel van de buitenlandse directe investeringen is niet gericht op het
                oprichten van een nieuw bedrijf, maar op het overnemen van of fuseren met een
                bestaand bedrijf. Een belangrijk doel daarvan kan zijn om specifieke kennis te
                verwerven waarover het buitenlandse bedrijf beschikt en die synergie oplevert
                met de eigen kennis. Fusies en overnames zijn daarmee ten dele een substituut
                voor investeringen in r&d. Als daardoor de concurrentiekracht van de onderne-
                ming wordt versterkt, kan dit ook tot een grotere (buitenlandse) afzet en meer
                handel leiden.
142
    5.4.4       de bijdr age van multinationals aan de nederl andse handel
                In hoofdstuk 2 is geconstateerd dat multinationals het grootste deel van de
                buitenlandse handel van Nederland voor hun rekening nemen. Zo bezien leveren
                multinationals een cruciale bijdrage aan de positie van Nederland als handels-
                natie. Zou deze bijdrage wegvallen, dan zou de Nederlandse handel tot circa
                eenvijfde van de huidige omvang inkrimpen. Men kan echter ook op een andere
                manier tegen multinationals aankijken. De totale omzet van buitenlandse vesti-
                gingen van Nederlandse multinationals is groter dan de totale Nederlandse
                uitvoer.11 Zouden de multinationals hun productieactiviteiten volledig in Neder-
                land hebben ondergebracht en hun productie vervolgens hebben geëxporteerd,
                dan zou de Nederlandse uitvoer minimaal tweemaal zo groot zijn geweest.
                In deze visie leiden multinationals juist tot een sterke vermindering van de
                Nederlandse handel. Beide extreme visies bevatten een kern van waarheid, maar
                doen onvoldoende recht aan de complexiteit van de relatie tussen multinationals
                en internationale handel. Er is noch sprake van volledige complementariteit
                tussen de activiteiten van multinationals en buitenlandse handel (de eerste visie),
                noch van volledige substitutie (de tweede visie). Bovendien kan de relatie
                verschillen al naar gelang de soort van multinational die in ogenschouw wordt
                genomen. Multinationals kunnen immers op verschillende manieren bijdragen
                aan vermindering van transactiekosten. Het hierna volgende kwalitatieve over-
                zicht probeert meer recht te doen aan de diversiteit van de multinationals in
                Nederland.
                Hoewel een (horizontale) multinationale onderneming door verplaatsing van
                productieactiviteiten naar het bestemmingsland de internationale handel in eind-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 146 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 147 ======================================================================

<pre>                                   de stille kracht van de handel – de rol van organisaties en instituties
producten vermindert, kan zij wel leiden tot meer intermediaire handel. Dit lijkt
ook voor een aantal belangrijke Nederlandse multinationals te gelden. Bedrijven
als AkzoNobel, Unilever en Philips realiseren het overgrote deel (minimaal 80%)
van hun wereldwijde productie in buitenlandse vestigingen. Hoewel zij ook in
Nederland nog belangrijke productievestigingen hebben die een groot deel van
hun productie exporteren, concentreren de activiteiten in Nederland zich op
zaken als r&d, marketing, administratie en management.
Voor een bedrijf als Philips zou men kunnen stellen dat de handelsfunctie in
ruime zin een van de belangrijkste Nederlandse activiteiten is. Immers, wanneer
het Nederlandse hoofdkantoor coördineert waar de componenten van cd-spelers
worden gefabriceerd, waar deze worden geassembleerd tot een compleet apparaat
en welk land de distributie over de rest van de wereld verzorgt (waarvan uiteinde-
lijk slechts een klein deel in Nederland terechtkomt), dan gaat het in wezen om
een handelsfunctie. Hoewel deze activiteit in Nederland niet met productie
gepaard gaat en de handel evenmin via Nederland verloopt, kan de toegevoegde
waarde van deze handelstransactie – het verschil tussen de productie- en ontwik-
kelingskosten enerzijds en de opbrengst bij verkoop anderzijds – via salarissen van
Nederlandse werknemers en via het rendement op aandelen in Nederlands bezit
toch bijdragen aan de Nederlandse welvaart (zoals gemeten op basis van het bbp).                           143
Ook van de grootste Nederlandse multinational, De Koninklijke/Shell, is het
grootste deel van de productiefaciliteiten in het buitenland gevestigd. De buiten-
landse productie is in dit geval echter geen substituut voor productie in Neder-
land, aangezien de daarvoor benodigde grondstof (olie) in Nederland nauwelijks
voorhanden is. De productielocatie wordt voornamelijk bepaald door de aanwe-
zigheid van noodzakelijke hulpbronnen, die sommige landen een comparatief
voordeel bezorgt. Een deel van de ruwe olie wordt evenwel naar Nederland
getransporteerd om hier te worden bewerkt (raffinage) en vervolgens grotendeels
naar andere landen te worden uitgevoerd. Daarnaast zijn de distributieactivitei-
ten (bijv. in de vorm van benzinestations) in de lokale afzetmarkten onderge-
bracht. De coördinatie van deze wereldwijde productie- en distributieactiviteiten
en ondersteunende activiteiten, zoals onderzoek en marketing, vinden wel voor
een belangrijk deel in de beide ‘moederlanden’ (Nederland en het Verenigd
Koninkrijk) plaats. Hoewel slechts een beperkt deel van de wereldwijde handel
van De Koninklijke/Shell via Nederland verloopt en dus in de Nederlandse
handelsstatistiek tot uitdrukking komt, zijn de daarvan afgeleide opbrengsten en
werkgelegenheid in Nederland aanzienlijk groter.
Een aantal andere, over het algemeen wat kleinere Nederlandse multinationals
heeft nog wel het grootste deel van de productie in Nederland geconcentreerd.
Het gaat hierbij doorgaans om technologisch hoogwaardige productie, waarvoor
gekwalificeerd, hoger opgeleid personeel nodig is. Een voorbeeld hiervan is dsm,
dat 59 procent van zijn wereldwijde omzet in Nederland produceert en het groot-
ste deel hiervan (meer dan 80%) exporteert. De buitenlandse activiteiten van
dergelijke multinationals zijn niet of nauwelijks een substituut voor handel,
</pre>

====================================================================== Einde pagina 147 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 148 ======================================================================

<pre>    neder l a nd h a ndel sl a nd
                maar zijn mede bedoeld om de export van de in Nederland geproduceerde goede-
                ren te bevorderen.
                Voor een aantal grote dienstverlenende bedrijven gelden andere overwegingen
                om zich tot multinational te ontwikkelen. Factoren als de Europese eenwording
                en de liberalisering van het kapitaalverkeer leiden tot toenemende internationale
                concurrentie in het bank- en verzekeringswezen. Schaalvergroting is in dit geval
                voor veel bedrijven noodzakelijk om zich te kunnen handhaven. Gezien de kleine
                Nederlandse thuismarkt zijn banken en verzekeringsmaatschappijen gedwongen
                om hun activiteiten in het buitenland uit te breiden. Omdat diensten over het
                algemeen moeilijk zijn te exporteren en ondernemingen hun bedrijfsspecifieke
                kennis vaak niet kunnen of willen delen met andere bedrijven, vereist schaal-
                vergroting dat het bedrijf vestigingen in andere landen opent en zich tot multi-
                national ontwikkelt. Grote banken en verzekeringsmaatschappijen als ing en
                abn amro verlenen inmiddels meer dan de helft van hun kredieten aan buiten-
                landse partijen, terwijl liefst 86 procent van de premie-inkomsten van ing uit
                het buitenland afkomstig is. Tweederde van het personeel van deze concerns is in
                het buitenland werkzaam. Een soortgelijke ontwikkeling doet zich voor bij
                detailhandelsconcern Ahold, dat zich vooral in Amerika door overnames van
144             lokale bedrijven een sterke positie heeft verworven. Nog slechts 13 procent van de
                omzet van Ahold wordt in Nederland gerealiseerd en 21 procent van het perso-
                neel is in Nederland werkzaam.
                Deze ondernemingen beschikken blijkbaar over een eigendomsvoordeel in de
                vorm van een winkelformule, distributiesysteem of vertrouwde naam, waarvan de
                transactiekosten van het overdragen aan een ander bedrijf via de markt hoog zijn.
                Er is sprake van een internaliseringsvoordeel en de ondernemingen geven er de
                voorkeur aan dochterbedrijven in andere landen op te richten of over te nemen.
                De buitenlandse activiteiten van deze dienstenmultinationals hangen slechts in
                beperkte mate samen met de buitenlandse handel van Nederland, omdat het niet
                om internationaal verhandelbare producten gaat. Financiële multinationals
                kunnen als intermediair wel een belangrijke rol spelen bij het totstandkomen van
                buitenlandse handel tussen andere partijen (zie subpar. 5.3.5).
                De vestigingen van buitenlandse multinationals in Nederland vallen ruwweg in
                twee categorieën uiteen. In de eerste plaats huisvest Nederland productievesti-
                gingen van buitenlandse multinationals die zowel voor de Nederlandse markt als
                voor andere (meestal Europese) landen produceren. Enkele van de grootste van
                deze vestigingen zijn raffinaderijen van oliemaatschappijen (Exxon, bp, Texaco,
                Kuwait Petroleum) in het Botlekgebied. Ook chemische bedrijven (Dow, DuPont
                de Nemours, basf) en voedingsmiddelenconcerns (Sara Lee/de, Nestlé) hebben
                in Nederland belangrijke productievestigingen. Deze bedrijven lijken met name
                te worden aangetrokken door de gunstige ligging en transportmogelijkheden van
                Nederland en daarnaast door factoren als de goed opgeleide beroepsbevolking en
                het gunstige fiscale klimaat. Deze bedrijven voeren zowel grote hoeveelheden
</pre>

====================================================================== Einde pagina 148 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 149 ======================================================================

<pre>                                                  de stille kracht van de handel – de rol van organisaties en instituties
         grondstoffen en halffabrikaten in als eindproducten uit en leveren daarmee een
         belangrijke bijdrage aan de totale Nederlandse handel. In de tweede plaats heeft
         een aantal buitenlandse multinationals een regionaal hoofdkantoor en/of distri-
         butiecentrum in Nederland (bijv. Nissan, Sony, Cisco, Starbucks). Hierbij spelen
         vergelijkbare overwegingen een rol als bij de vorige categorie (zie tekstbox 5.4).
         Hoewel de productieactiviteiten van deze bedrijven in Nederland over het alge-
         meen gering zijn, spelen ze een belangrijke rol in de wederuitvoer, die een relatief
         groot deel van de Nederlandse export uitmaakt (zie hoofdstuk 2).
Tekstbox 5.4 Waarom vestigen buitenlandse bedrijven zich in Nederland?
 Nederland telt een opmerkelijk groot aantal regionale hoofdkantoren en distributiecentra van buiten-
 landse multinationals. Ook recent hebben verschillende buitenlandse ondernemingen aangekondigd
 hun Europese of regionale hoofdkantoor in Nederland te vestigen. Uit de argumenten die de bedrijven
 zelf geven voor hun komst naar Nederland, blijkt dat hierbij niet alleen traditionele ‘harde’ vestigings-
 factoren, zoals de gunstige ligging, de goede infrastructuur en het aantrekkelijke belastingklimaat, een
 belangrijke rol spelen. Ook meer ‘zachte’ factoren, zoals de kwaliteit en mentaliteit van de beroepsbe-
 volking en het woon- en werkklimaat in Nederland, zijn van belang.
 Zo kondigde Cisco Systems, wereldleider op het gebied van internetsystemen, in maart 2000 aan zijn                       145
 Europese hoofdkantoor in Amsterdam te zullen vestigen. Als redenen voor deze locatiekeuze voerde
 het bedrijf niet alleen ‘de uitstekende infrastructuur, de centrale Europese ligging en het uitstekende
 distributienetwerk’ aan, maar de ondernemingsleiding noemde ook enkele andere voordelen:
 “Nederland biedt een aantal hele duidelijke voordelen voor een groeiende internationale organisatie
 als Cisco Systems, onder meer het hoge opleidingsniveau en de gedegen technische kennis, de taal-
 kundige vaardigheden en de multinationale handelsgeest van de Nederlanders” (Cisco Systems
 Nederland 2000).
 Starbucks Coffee, de grootste ‘koffieketen’ ter wereld, besloot in april 2002 om zijn Europese hoofd-
 kantoor van Londen naar Amsterdam te verplaatsen. Deze beslissing werd niet alleen ingegeven door
 de centrale ligging in Europa. Volgens Mark McKeon, president van Starbucks Europa en Midden-
 Oosten, werd ook voor Amsterdam gekozen “omdat de open mentaliteit van Amsterdam goed bij ons
 past” (Baltesen 2002; Van der Heijden 2002).
 In oktober 2002 opende het Amerikaanse softwarehuis Sanchez Computer Associates zijn Europese
 hoofdkantoor in Amsterdam. De keuze voor de Nederlandse hoofdstad werd niet alleen bepaald door
 ‘het prettige fiscale klimaat’ en de nabijheid van een vliegveld. “Het is ook goed toeven in Amster-
 dam, zegt Sanchez. The quality of life is good here” (Laan 2002).
 In dezelfde maand opende de bouwmachinetak van het Japanse elektroconglomeraat Hitachi, dat zijn
 Europese hoofdkantoor reeds in Oosterhout had gevestigd, eveneens in Amsterdam een nieuwe
 fabriek, een kantoor en een demonstratie- en trainingscentrum. Behalve door de ‘goede logistieke
 infrastructuur, de goede achterlandverbindingen, de nabijheid van Schiphol’ werd deze beslissing
 ingegeven door ‘de goede naam van Amsterdam als business-centrum en een prettig woon- en werk-
 klimaat’ (Amsterdam 2001).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 149 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 150 ======================================================================

<pre>    neder l a nd h a ndel sl a nd
    5.5         spelregels en arbiters voor de internationale
                handel
                In de voorgaande paragrafen zijn drie soorten spelers de revue gepasseerd:
                netwerken, intermediairs en multinationals. Zij spelen een belangrijke rol bij het
                verlagen van de transactiekosten van de internationale handel. Deze spelers
                opereren niet in een vacuüm, maar vervullen hun rol binnen de grenzen van de
                informele en formele spelregels waarmee zij in de internationale handel worden
                geconfronteerd. Een belangrijke vraag is welke rol de overheid hierbij speelt.
                Werpen de formele regels, vastgelegd in wetten, extra barrières op voor de inter-
                nationale handel of ondersteunen zij juist de internationale handel waar infor-
                mele regels tekortschieten? Met andere woorden, dragen de formele regels bij aan
                verhoging of verlaging van de transactiekosten?
                In het transactiekostenperspectief zijn de markt en de overheid in sterke mate
                van elkaar afhankelijk, omdat de overheid het rechtssysteem, dat onder meer de
                eigendomsrechten definieert, inricht en beschermt. De spelregels die de overheid
                formuleert, vormen als het ware de impliciete beloningsstructuur voor burgers in
                hun verschillende rollen als consument en producent. Zonder eigendomsrechten
146             is in een moderne maatschappij geen goed functionerend economisch verkeer
                mogelijk. Bij internationale handel doet zich het probleem voor dat eigendoms-
                rechten en toezicht op de naleving van contracten niet gebonden kunnen zijn aan
                één natiestaat. De eerder besproken organisaties trachten elk op hun eigen wijze
                hiervoor een alternatief te bieden.
                Markten functioneren niet naar behoren zonder instituties die de transactiekos-
                ten verlagen. Het tot stand brengen en onderhouden van deze instituties vereist
                collectieve actie. Ingrijpen door de overheid is hierbij een publiek belang indien
                het om zaken gaat die het belang van individuele handelspartners overstijgen.
                Om de toezichtsstructuur goed te laten functioneren moet deze aansluiten bij de
                aard van de transacties. Economische activiteiten kunnen op grond van de mate
                waarin geleverde prestaties waarneembaar en verifieerbaar zijn, in drie catego-
                rieën worden onderscheiden:
                1 Activiteiten die alleen door de handelende partij kunnen worden geobser-
                      veerd. Deze kunnen het beste worden gereguleerd door aan de handelende
                      partij zoveel residuele claims toe te kennen dat deze er zelf op toeziet dat het
                      contract wordt nageleefd (self-monitoring).
                2 Activiteiten die voor beide handelspartners waarneembaar zijn. Deze kunnen
                      het beste worden gereguleerd door een bekrachtigingmechanisme, zoals het
                      toekennen van residuele claims, maar ook door in te spelen op de wederkerig-
                      heid van de relatie en het feit dat het een herhaalde activiteit betreft.
                3 Activiteiten die behalve voor de twee handelspartners ook voor een derde
                      partij waarneembaar zijn. Deze soort activiteiten kan, behalve door de eerder-
                      genoemde bekrachtigingsmechanismen, ook worden gereguleerd door een
                      derde partij, de overheid of een ander collectief, in te schakelen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 150 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 151 ======================================================================

<pre>                                    de stille kracht van de handel – de rol van organisaties en instituties
Over het algemeen heeft de (nationale) staat een monopolie ten aanzien van het
afdwingen van een formeel contract. Als de meeste transacties zijn gebaseerd op
onpersoonlijke en expliciete overeenkomsten die door de staat worden bekrach-
tigd, is er sprake van een systeem van rule-based governance. Een dergelijk
systeem is vooral ondersteunend voor het ontstaan van calculatief vertrouwen.
In de terminologie van Sztompka (1999) gaat het om aansprakelijkheid als basis
voor secundaire betrouwbaarheid (zie subpar. 5.2.3).
Een moeilijkheid voor internationale handel is dat niet ieder land een rule-based
governance-systeem kent. In veel ontwikkelingslanden en zogenoemde emerging
markets fungeren netwerkrelaties als een toezichtsstructuur. Dan is sprake van
een regime van relation-based governance, waarbij de transacties zijn gebaseerd
op persoonlijke of impliciete, informele overeenkomsten. Voorzover transacties
self-enforcing zijn, onderscheidt dit systeem zich niet wezenlijk van rule-based
governance. Er treedt echter een belangrijk verschil aan het licht wanneer een
derde partij wordt ingeschakeld om een contract af te dwingen. In het geval van
relation-based governance legt de gemeenschap of het netwerk sancties op aan
partijen die hun verplichtingen niet nakomen.
Relation-based governance werkt over het algemeen goed in kleine groepen of                                 147
netwerken, maar is minder geschikt voor grote, minder gestructureerde netwer-
ken (Ostrom 1990; Ellickson 1991). Relation-based governance berust veel sterker
dan rule based governance op moreel vertrouwen (vgl. subpar. 5.2.3). Het is de
vraag in hoeverre een dergelijk systeem kan (blijven) functioneren in een sterk
internationaliserende wereld. Dit is overigens geen nieuw vraagstuk. Greif (1994)
laat zien dat gebrek aan cohesie de Genuese handelaren in de Middeleeuwen
ertoe dwong om boekhoudregels en een formeel rechtssysteem te ontwikkelen.
Dit stelde hen in staat ook niet-Genuese werknemers in te schakelen in de
handel, waarmee de weg vrij werd gemaakt voor het ‘veroveren’ van nieuwe
afzetmarkten. In tegenstelling hiermee hadden de Maghribi-handelaren welis-
waar een hecht handelsnetwerk, maar uiteindelijk stonden de beperkingen hier-
van een uitbreiding van de handel buiten het netwerk in de weg, omdat dit te
hoge transactiekosten met zich meebracht.
Li (1999) verklaart dit verschil uit het feit dat relation-based governance lage vaste
transactiekosten heeft, maar hoge en snel stijgende marginale transactiekosten.
Iedere toevoeging aan het relatienetwerk vergt sociale investeringen in het
creëren van reputatie. Zodra men nieuwe afzetmarkten betreedt, worden de
verbanden losser, hetgeen extra investeringen vergt om de fragiliteit van de rela-
ties te compenseren. Rule-based governance kent een omgekeerde kostenstruc-
tuur: er zijn hoge vaste transactiekosten om een rechtssysteem op te zetten, maar
wanneer deze investeringen eenmaal zijn gedaan, zijn de marginale kosten laag
en redelijk constant.
Doorgaans bestaan, ook in ontwikkelde landen, beide systemen naast elkaar.
Naarmate de omvang van de handel groeit, valt echter te verwachten dat steeds
</pre>

====================================================================== Einde pagina 151 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 152 ======================================================================

<pre>    neder l a nd h a ndel sl a nd
                meer landen op een systeem van rule-based governance zullen overgaan. Dit bete-
                kent overigens niet dat informele relaties geen rol meer spelen. Het is soms nood-
                zakelijk om persoonlijke relaties met hoge ambtenaren of politici aan te knopen of
                hen zelfs om te kopen, teneinde een handelsrelatie in het desbetreffende land te
                kunnen aangaan of een dochterbedrijf te kunnen vestigen. Ook als dat niet nodig
                is, blijven persoonlijke contacten en vertrouwensbanden met handelspartners in
                andere landen in de internationale handel van groot belang. Een systeem van rule-
                based governance neemt de behoefte aan informele relaties dus niet weg, maar
                biedt juist een solide basis waarop men dergelijke relaties kan bouwen en waarop
                men, in geval van een ernstig conflict, kan terugvallen.
                Nederland heeft in dit opzicht een relatief goede uitgangspositie, aangezien het
                Nederlandse rechtssysteem alom wordt geprezen als betrouwbaar en onafhanke-
                lijk. De arm van de Nederlandse overheid inzake het handelsbeleid reikt echter
                niet ver genoeg om hiermee alle juridische problemen voor handelaren te onder-
                vangen. Voor een Nederlandse handelaar zijn de belangrijkste problemen niet
                gelegen in de regels van de eigen overheid, maar in de belemmeringen die men in
                andere landen ondervindt. De cijfers in tabel 5.2 lijken dit te bevestigen.
                Bedrijven die binnen de eu diensten verlenen, geven aan dat ze in Nederland
148             weinig belemmeringen ervaren. In andere eu-landen worden ze wel met wezen-
                lijke barrières geconfronteerd en dit is nog sterker in landen buiten de eu (zie ook
                World Economic Forum 2001).
                In landen die eveneens een systeem van rule-based governance hebben, zijn de
                problemen eenvoudiger te ondervangen dan in landen met een andere toezichts-
                structuur. Om internationale transacties gemakkelijker te laten verlopen, kunnen
                overheden verdragen afsluiten met andere landen, bijvoorbeeld in het kader van de
                World Trade Organization (wto) en de eu. Een andere mogelijkheid is dat private
                actoren een internationale coalitie vormen om voor de rechtsgang zorg te dragen.
                In dit geval wordt het (calculatief) vertrouwen gestimuleerd door een vorm van
                zelfbeperking (Sztompka 1999; zie ook subpar. 5.2.3). Een voorbeeld hiervan is het
                in Parijs gevestigde Internationale Hof van Arbitrage (zie tekstbox 5.5).
                Buitenlandse handel wordt voor een Nederlandse ondernemer beduidend lastiger
                wanneer hij te maken heeft met een land waar het principe van relation-based
                governance dominant is. Aangezien relation-based governance is gebaseerd op
                een geringe transparantie, niet-verifieerbare informatie en relatiespecifieke
                investeringen, is het opzetten van een internationaal governance-mechanisme
                welhaast onmogelijk. Voor de handel met een dergelijk land is men veelal aange-
                wezen op tussenpersonen uit het desbetreffende land, met alle risico’s van dien.
                De omvang van de handel zal daardoor meestal geringer zijn dan bij handel met
                een land met een meer gelijksoortig governance-systeem. Om handel met derge-
                lijke landen toch te ondersteunen kan de Nederlandse overheid in instituten als
                het Internationale Monetaire Fonds (imf), de Wereldbank en de wto pleiten
                voor een publieke informatie-infrastructuur die een systeem van rule-based
                governance ondersteunt.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 152 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 153 ======================================================================

<pre>                                                de stille kracht van de handel – de rol van organisaties en instituties
Tekstbox 5.5 Het Internationale Hof van Arbitrage
 Het in Parijs gevestigde Internationale Hof van Arbitrage (International Court of Arbitration, ica)
 is in 1923 door het bedrijfsleven ingesteld om conflicten in de internationale handel te beslechten.
 Arbitrage is in de internationale handel een gebruikelijke vorm van conflictbeslechting. Volgens
 het Nederlands Arbitrage Instituut (nai) is in meer dan 80 procent van de private contracten een
 clausule opgenomen dat geschillen worden beslecht via arbitrage. Sinds de oprichting heeft het
 Internationale Hof van Arbitrage meer dan 10.000 zaken behandeld met partijen en ‘arbiters’ uit
 meer dan 170 landen. Het aantal arbitragezaken is sterk toegenomen met de groei van de interna-
 tionale handel. Zo werden in 2001 566 nieuwe zaken behandeld, waarbij 1.492 partijen uit 116
 landen waren betrokken. Over het algemeen worden door het ica geschillen behandeld waarmee
 grote bedragen zijn gemoeid. Meer dan de helft van de zaken in 2001 betrof bedragen van meer
 dan een miljoen dollar.
 Internationale arbitrage kenmerkt zich door een aantal zaken. Allereerst maakt het arbitragehof
 nationale gerechtshoven niet overbodig. Arbitrage is voor de bekrachtiging van uitspraken uitein-
 delijk afhankelijk van nationale gerechtshoven. Internationale arbitrage is dus geen puur private
 oplossing voor contractgeschillen tussen partijen, hoewel internationale arbitrage veel ruimte
 krijgt om zich onafhankelijk van nationale wetten te ontwikkelen.
                                                                                                                        149
 Ten tweede neemt arbitrage in internationale geschillen een bijzondere positie in. Internationale
 verdragen maken het gemakkelijker om internationale arbitrage-uitspraken af te dwingen dan
 nationale rechterlijke uitspraken. Speciale onderdelen van nationale wetten maken het moeilijker
 om tegen internationale uitspraken in beroep te gaan dan tegen nationale arbitrage-uitspraken. De
 geprivilegieerde positie van de internationale arbitrage wordt ook door handelaren zelf bevorderd,
 doordat zij deze ‘rechtsgang’ vaak prefereren boven de onzekere en onbekende rechtsgang bij
 buitenlandse gerechtshoven. Het ica wordt ook als meer capabel en betrouwbaar gezien dan
 nationale rechters.
 Een derde punt betreft de specialisatie van het ica. Via het ica hebben handelaren toegang tot
 rechters die bekend zijn met het ‘klappen van de zweep’ in de handel en die ook de technische
 kanten van een handelstransactie begrijpen. Verder is het arbitrageproces bij het ica vertrouwelijk
 en kunnen de partijen zelf de arbiters, de plaats van arbitrage, de wetten die van toepassing zijn en
 zelfs de taal waarin het proces wordt gevoerd, kiezen. Het ica zoekt ook neutrale experts die
 kunnen helpen om de technische en financiële details van een zaak te doorgronden.
 Tot slot is internationale arbitrage vooral weggelegd voor grote bedrijven, omdat internationale
 arbitrage een kostbare zaak is. Een groot deel van de arbitragekosten moet vooraf worden voldaan
 door de aanklager. Daarbij komt dat een internationale arbitragezaak slechts lonend is bij grote
 zaken. Kleinere bedrijven kunnen zich de kosten veelal niet veroorloven en kiezen eerder voor een
 rechtsgang via nationale arbitrage-instituten, zoals het Nederlands Arbitrage Instituut
 (http://www.nai-nl.org).
 De kracht van het internationale arbitragehof is dat het een mondiaal publiek goed levert dat
 handel mogelijk maakt die anders niet zou plaatsvinden (zie Casella 1996). Internationale arbitrage
 vergroot daarmee de omvang van internationale markten.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 153 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 154 ======================================================================

<pre>    neder l a nd h a ndel sl a nd
    5.6         conclusie
                Handelstransacties komen niet vanzelf tot stand, als geleid door een onzichtbare
                hand, maar moeten worden georganiseerd. De barrières voor de buitenlandse
                handel zijn zowel formeel als informeel van aard. De formele barrières worden
                gevormd door de hindernissen die overheden opwerpen voor het importeren en
                exporteren van goederen en diensten. Het gaat hierbij onder meer om (fiscale)
                maatregelen die de relatieve prijzen beïnvloeden en om restricties op hoeveel-
                heden die geïmporteerd of geëxporteerd worden. De informele barrières spelen
                in de internationale handel echter een minstens zo grote rol. Taalverschillen,
                verschillen in tradities en handelspraktijken, de wijze van conflictbeslechting,
                het vinden van de beste aanbieder en het onderhouden van relaties op grote
                afstand maken dat het veroveren of behouden van buitenlandse afzetmarkten een
                tijdrovende en onzekere bezigheid is. De transactiekosten die hiermee gepaard
                gaan, kunnen zo hoog zijn dat een op zichzelf profijtelijke transactie niet
                totstandkomt. Een van de belangrijkste oorzaken van hoge transactiekosten is
                een gebrek aan vertrouwen tussen de potentiële handelspartners. Om een
                handelsrelatie aan te gaan zal men een minimaal vertrouwen in de andere partij
                dienen te hebben. Taal- en cultuurverschillen tussen landen bemoeilijken de
150             totstandkoming van dit minimaal noodzakelijke vertrouwen.
                In dit hoofdstuk zijn verschillende organisatievormen en instituties besproken
                die deze transactiekosten verminderen en daardoor de internationale handel
                bevorderen. Iedere organisatievorm en institutie kan worden beschouwd als een
                middel om vertrouwensproblemen te ondervangen en daarmee de transactiekos-
                ten te verlagen.
                Netwerken zijn een samenwerkingsvorm waarin niet het eigenbelang op korte
                termijn centraal staat, maar waarin het gemeenschappelijke belang op langere
                termijn vooropstaat. Dit vereist voldoende vertrouwen in de andere partijen om
                in de relatie te investeren. Naarmate men langer deel uitmaakt van een netwerk,
                is het aannemelijk dat dit vertrouwen steeds minder gebaseerd is op een rationele
                afweging van de directe kosten en baten van de relatie (calculatief vertrouwen)
                en steeds meer voortvloeit uit de morele band die men met de andere leden van
                het netwerk heeft opgebouwd (moreel vertrouwen). Hierdoor kunnen in een
                netwerk aanzienlijke besparingen worden gerealiseerd op de kosten van het
                onderhandelen over en het formuleren van formele contracten, en op de controle
                en eventuele afdwinging van de naleving ervan.
                Wanneer er geen directe vertrouwensband is met de potentiële handelspartner in
                een ander land, zal deze moeten worden opgebouwd. Diverse intermediaire orga-
                nisaties kunnen hierbij van dienst zijn. Omdat deze zich hebben gespecialiseerd
                in het verminderen van bepaalde transactiekosten, zoals informatievergaring of
                risicospreiding, en daardoor schaalvoordelen weten te realiseren, bevorderen zij
                dat handelstransacties tussen partijen die elkaar (nog) onvoldoende vertrouwen,
                totstandkomen. Makelaars en koopmannen kunnen een rol spelen indien er
</pre>

====================================================================== Einde pagina 154 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 155 ======================================================================

<pre>                                   de stille kracht van de handel – de rol van organisaties en instituties
sprake is van asymmetrische informatie tussen de handelende partijen, zoals
wanneer kopers onvoldoende zeker zijn over de kwaliteit van het aangeboden
product. Financiële intermediairs investeren in riskante internationale trans-
acties met een onzekere opbrengst. Om hun rol te kunnen vervullen, moeten
intermediairs wel eerst zelf voldoende vertrouwen wekken bij de handelende
partijen. Door hun specialisatie in een bepaald marktsegment kunnen zij een
reputatie opbouwen die voldoende vertrouwenwekkend is voor partijen die
zich slechts incidenteel in die markt begeven.
De meest radicale oplossing voor het vertrouwensprobleem tussen potentiële
handelspartners is dat zij in één bedrijf opgaan. Deze mogelijkheid doet zich voor
wanneer een onderneming een toeleverancier of een afnemer overneemt of een
eigen toeleverend of afnemend bedrijf opricht. Indien het moederbedrijf en de
toeleverancier of afnemer zich in verschillende landen bevinden, ontstaat aldus
een multinationale onderneming.
Welke oplossing wordt gekozen om met het vertrouwensprobleem om te gaan en
daarmee internationale handelstransacties tot stand te brengen, is van veel facto-
ren afhankelijk. Niet één vorm is bij voorbaat superieur aan een andere. De keuze
hangt af van de aard van het product waarin wordt gehandeld, het land waarmee                              151
wordt gehandeld, en vooral ook de formele en informele instituties in het
moederland en in het gastland. Deze instituties kunnen zowel belemmerend
werken voor internationale handel, doordat zij de transactiekosten verhogen, als
stimulerend, doordat zij de transactiekosten verlagen. Elk van de besproken orga-
nisatievormen speelt op een of andere wijze op deze instituties in. De vigerende
instituties bepalen dus mede welke (combinaties van) organisatievormen
– netwerken, intermediairs en multinationals – in de handel actief zijn.
Maar omgekeerd zijn deze organisaties van invloed op de mate waarin instituties
belemmerend of stimulerend zijn voor de internationale handel.
Om handelstransacties te kunnen organiseren en om het onderlinge vertrouwen
op te kunnen bouwen, is er een bepaald bestuurssysteem nodig. In algemene zin
kunnen twee soorten bestuurssystemen worden onderscheiden. Een systeem
van relation-based governance berust in sterke mate op informele instituties die
vooral van invloed zijn op directe, persoonlijke relaties in netwerken en sterk
afhankelijk zijn van moreel vertrouwen. Een systeem van rule-based governance
berust voornamelijk op formele instituties die door nationale en supranationale
overheden worden opgelegd, waardoor handelsrelaties veeleer worden gebaseerd
op calculatief vertrouwen.
Informele instituties spelen een grote rol bij het totstandkomen van internatio-
nale handelstransacties. Behalve op rationele calculatie van de verwachte kosten
en baten, berust vertrouwen vaak voor een belangrijk deel op subjectieve
(voor)oordelen en cultuurgebonden normen en waarden. De ‘goede naam’ van
een land is niet alleen gebaseerd op objectieve kenmerken als gebrek aan corruptie
en bureaucratie, maar kan ook berusten op bekende sportfiguren (Cruijff) of
</pre>

====================================================================== Einde pagina 155 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 156 ======================================================================

<pre>    neder l a nd h a ndel sl a nd
                clichébeelden (tulpen, windmolens). Uiteindelijk zal het vertrouwen in een
                handelspartner echter alleen stand kunnen houden indien het ‘morele’ vertrou-
                wen wordt gestaafd door het daadwerkelijke gedrag van de partner. Calculatieve
                elementen geven op den duur de doorslag. Een goede reputatie blijft dan ook van
                groot belang in de internationale handel. Niettemin kunnen subjectieve factoren
                als imago en beeldvorming belangrijker zijn om het vertrouwen van een nieuwe
                handelspartner te winnen dan een subtiel verschil in belastingtarieven of subsi-
                dieregelingen. Dit betekent enerzijds dat een nationale overheid zich wellicht
                minder zorgen hoeft te maken over haar score op de gebruikelijke indicatoren van
                de concurrentiekracht van een land, maar anderzijds dat de factoren die er het
                meest toe doen zich mogelijk veel minder lenen voor bewuste beïnvloeding door
                het overheidsbeleid.
152
</pre>

====================================================================== Einde pagina 156 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 157 ======================================================================

<pre>                                             de stille kracht van de handel – de rol van organisaties en instituties
  noten
1
        Een discutabel punt in deze omschrijving is de symmetrie in de verhoudingen
        tussen de samenwerkingspartners. Ideaaltypisch gezien zijn netwerken niet-
        hiërarchisch, doordat er geen centrum is dat de handelingen binnen het netwerk
        coördineert. Er vindt overleg plaats op basis van gelijkwaardigheid en er wordt
        uiteindelijk overeenstemming bereikt. In de praktijk van netwerken kan er
        tussen kopers en verkopers echter wel degelijk een zekere asymmetrie in de
        (machts)verhoudingen zijn. Er wordt weliswaar op basis van gemeenschappelijke
        belangen samengewerkt, maar tegelijkertijd blijven er tegengestelde belangen
        bestaan. Als dit niet het geval zou zijn, zou een samengaan van de partijen meer
        voor de hand liggen.
2
        De indicator voor vertrouwen is ontleend aan de Eurobarometer uit 1996, een
        enquête waarin aan de inwoners van de vijftien lidstaten van de eu is gevraagd
        hoeveel vertrouwen zij hebben in de bewoners van 25 verschillende landen
        (Europese Commissie 1997). Vertrouwen wordt gemeten op een vierpuntsschaal,
        variërend van 1 (geen vertrouwen) tot 4 (veel vertrouwen).
3
        Handelsstromen tussen 22 landen in het jaar 1996; gecorrigeerde R2 = 0,94.
        De asterisken * en ** geven de significantie aan op respectievelijk 0,10-niveau en                           153
        0,01-niveau.
4
        (3,36 – 2,20) x [(e0,34) – 1] x 100%.
5
        Cijfers van de Nederlandse Vereniging van Participatiemaatschappijen (nvp)
        (zie www.nvp.nl) geven eenzelfde beeld: 35 procent van de venture-investerin-
        gen gaat naar de financiering van expansie, terwijl ongeveer 20 procent wordt
        besteed aan de startfase en 23 procent aan management buy-outs.
6
        Er zijn ook andere theoretische verklaringen voor het bestaan van multinationals.
        De bekendste daarvan is de productcyclusthese van Vernon, die stelt dat nieuwe
        producten in technologisch hoogontwikkelde landen worden geproduceerd,
        terwijl de productie van meer ‘gerijpte’ en gestandaardiseerde goederen naar
        minder ontwikkelde landen wordt verplaatst (zie voor een beknopte uiteenzet-
        ting bijv. Buckley 1985a).
7
        Materiële activa, zoals fysieke productiemiddelen, zijn in beginsel vrij verhandel-
        baar en zijn dus niet aan het bedrijf gebonden. Wel is het mogelijk dat in deze
        materiële activa immateriële activa zijn geïncorporeerd, die het bedrijf niet
        zonder meer aan concurrerende bedrijven wil overdragen.
8
        De toevoeging direct dient ter onderscheiding van zogenoemde portfolio-inves-
        teringen, die aankopen om louter financiële redenen van buitenlandse aandelen
        op de effectenbeurs omvatten. Bij directe investeringen is het de bedoeling om
        zeggenschap in het bestuur van de buitenlandse onderneming te verkrijgen.
9
        Cijfers over fdi-voorraden hebben slechts beperkte betekenis, omdat investerin-
        gen uit eerdere jaren meestal op basis van historische kostprijzen worden
        gewaardeerd. Er wordt daardoor geen rekening gehouden met waardeveranderin-
        gen van de buitenlandse bezittingen.
10
        Betrouwbare cijfers van de wereldkapitaalgoederenvoorraad, die een betere
        vergelijkingsmaatstaf zou bieden, zijn niet beschikbaar.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 157 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 158 ======================================================================

<pre>    neder l a nd h a ndel sl a nd
    11
                Gebaseerd op gegevens van Ahold, Akzo Nobel, Corus, dsm, ing,
                Koninklijke/Shell, Philips en Unilever. De totale buitenlandse omzet van deze
                ondernemingen bedroeg in 2001 naar schatting 325 miljard euro, terwijl de totale
                Nederlandse export 278 miljard euro bedroeg.
154
</pre>

====================================================================== Einde pagina 158 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 159 ======================================================================

<pre>                       kansen en bedreigingen voor de nederlandse handel: mondialisering en informatisering
6   kansen en bedreigingen voor de
    nederl andse handel:
    mondialisering en informatisering
6.1 inleiding
    De voorgaande hoofdstukken zijn uitgebreid ingegaan op de theorie en de prak-
    tijk van de internationale handel, bezien vanuit het perspectief van de transactie-
    kosten. In dit hoofdstuk richt de aandacht zich op de kansen en de bedreigingen
    voor de Nederlandse handel in de nabije toekomst. Hoewel de uitgangspositie
    van Nederland als handelsnatie ogenschijnlijk uitstekend is, is het niet vanzelf-
    sprekend dat Nederland zijn sterke positie in de wereldhandel in de komende
    jaren zal weten te handhaven.
    Dit hoofdstuk poogt geen uitputtend overzicht te bieden van de factoren die van
    invloed kunnen zijn op de Nederlandse handelspositie, maar concentreert zich
    op twee ontwikkelingen die waarschijnlijk het meest ingrijpend de toekomstige
    internationale handel zullen beïnvloeden, te weten de mondialisering en de                              155
    informatisering. Beide ontwikkelingen bieden allereerst nieuwe kansen, doordat
    zij samengaan met een verlaging van de transactiekosten en derhalve met een
    vermindering van de belemmeringen voor de buitenlandse handel. Wanneer men
    de aandacht specifiek op de Nederlandse handelspositie richt, brengen deze
    ontwikkelingen echter ook risico’s met zich mee. Juist doordat Nederland relatief
    goed is in het verminderen van de transactiekosten van de handel, zoals in de
    voorgaande hoofdstukken is betoogd, zou een autonome vermindering van die
    transactiekosten tot gevolg kunnen hebben dat Nederland zijn voorsprong op
    andere landen verliest. In deze zin kunnen de mondialisering en informatisering
    ook een bedreiging voor de Nederlandse handelspositie vormen.
    Het mondialiseringsproces uit zich onder meer in een toename van de wereld-
    handel, waarvan Nederland als kleine handelsnatie bij uitstek zou kunnen
    profiteren. De mondialisering kan echter ook betekenen dat de concurrentie die
    Nederlandse handelaren ondervinden, toeneemt, waardoor het aandeel van
    Nederland in de wereldhandel onder druk komt te staan.
    De informatisering, oftewel de opkomst en diffusie van ict, draagt bij aan
    vermindering van transactiekosten en kan daardoor voor de wereldhandel een
    belangrijke stimulans vormen. Zij leidt echter ook tot veranderingen in de wijze
    van handeldrijven en in de opkomst van nieuwe handelspartners, waardoor het
    niet vanzelfsprekend is dat Nederland zijn positie in de wereldhandel zal kunnen
    handhaven.
    De centrale vraag van dit hoofdstuk luidt: welke kansen en bedreigingen bieden
    de trends van mondialisering en informatisering voor de handelspositie van
</pre>

====================================================================== Einde pagina 159 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 160 ======================================================================

<pre>    neder l a nd h a ndel sl a nd
                Nederland? Deze vraag zal zoveel mogelijk vanuit het transactiekostenperspectief
                worden benaderd om inzicht te krijgen in de gevolgen van beide ontwikkelingen
                voor de transactiekosten in de internationale handel. Bij de mondialiseringstrend
                zal dit overigens iets lastiger zijn dan bij de informatisering, doordat verminde-
                ring van de transactiekosten eerder een oorzaak dan een gevolg van mondialise-
                ring is.
                De opbouw van dit hoofdstuk is als volgt. Paragraaf 6.2 beschrijft het verschijnsel
                mondialisering en de kansen en bedreigingen die daarvan uitgaan voor de Neder-
                landse handel. Paragraaf 6.3 bespreekt de kansen en bedreigingen van de ontwik-
                kelingen op het gebied van ict voor de handelspositie van Nederland. Het hoofd-
                stuk besluit in paragraaf 6.4 met een aantal conclusies en aandachtspunten voor
                het beleid.
    6.2         mondialisering
                De mondialisering wordt algemeen beschouwd als een van de belangrijkste maat-
                schappelijke ontwikkelingen van het afgelopen decennium, waarvan de invloed
                in vele sferen van de samenleving doordringt. Dit rapport richt zich alleen op de
156             economische aspecten van de mondialisering. Hiermee is geenszins gezegd dat
                de mondialisering uitsluitend een economisch verschijnsel is. Zij manifesteert
                zich ook op tal van andere terreinen, bijvoorbeeld op sociaal-cultureel gebied in
                de vorm van wederzijdse beïnvloeding van nationale culturen via de massamedia
                of vorming van internationale gemeenschappen via het internet en op het gebied
                van vrede en veiligheid via de verbreiding van massavernietigingswapens en de
                vorming van internationale criminele en terroristische organisaties (vgl. Beck
                1997; Castells 1996). Aan deze aspecten van de mondialisering gaat deze paragraaf
                echter voorbij.
                Er zijn vele definities van mondialisering als economisch verschijnsel in omloop.
                Hier wordt uitgegaan van een definitie die een breed scala van interpretaties dekt,
                maar zich wel beperkt tot de economische aspecten van mondialisering: mondia-
                lisering is de toename van grensoverschrijdende activiteiten waardoor nationale
                economieën steeds meer geïntegreerd raken in de wereldeconomie.
                Deze paragraaf gaat achtereenvolgens in op de vraag in welke verschijnselen de
                mondialisering tot uitdrukking komt (subpar. 6.2.1), of de mondialisering een
                eenduidig en nieuw verschijnsel is (subpar. 6.2.2), wat de drijvende krachten
                achter de mondialiseringstrend zijn (subpar. 6.2.3), welke algemene gevolgen de
                mondialisering heeft (subpar. 6.2.4), wat de consequenties van de mondialisering
                zijn voor de organisaties en instituties die in hoofdstuk 5 zijn besproken (subpar.
                6.2.5) en welke kansen en bedreigingen uitgaan van voortgaande mondialisering
                op de toekomstige handelspositie van Nederland (subpar. 6.2.6).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 160 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 161 ======================================================================

<pre>                                    kansen en bedreigingen voor de nederlandse handel: mondialisering en informatisering
6.2.1         drie dimensies van mondialisering
              De grensoverschrijdende activiteiten die het verschijnsel van economische
              mondialisering bepalen, kunnen betrekking hebben op drie soorten grootheden:
              goederen en diensten, kapitaal en mensen.
              Internationale handel
              Bij goederen en diensten gaat het om internationale handel: het transport van de
              output van productieve activiteiten naar andere landen. De sterke groei van de
              internationale handel in de afgelopen decennia is dan ook een van de ontwikke-
              lingen die aanleiding hebben gegeven om over mondialisering te spreken.
              Tussen 1980 en 2000 groeide het volume van de wereldhandel met 188 procent
              (gemiddeld 5,4% per jaar), terwijl de wereldproductie met niet meer dan 71 procent
              groeide (2,7% per jaar). In het jaar 2000 werd ter waarde van 6.225 miljard dollar
              handel gedreven tussen landen (wto 2001; 2002).
              Figuur 6.1 toont de ontwikkeling van de wereldhandel, uitgedrukt in procenten
              van de wereldproductie, tussen 1950 en 2000. Terwijl de wereldhandel in de
              periode 1950-1970 slechts iets sneller groeide dan de wereldproductie, verdrie-
              voudigde het aandeel van de handel bijna in de jaren zeventig. Deze explosieve                               157
              groei was echter uitsluitend het gevolg van de sterke prijsstijging van olie-
              producten en grondstoffen als uitvloeisel van de oliecrises van 1973 en 1979.
              Daardoor verviervoudigde de prijs van de wereldhandel tussen 1970 en 1980.
              Gecorrigeerd voor deze prijsstijging bleef het aandeel van de wereldhandel in de
              wereldproductie in de jaren zeventig stabiel.
 Figuur 6.1         Aandeel van de wereldhandel en buitenlandse investeringen (fdi) in het wereld-bbp,
                    1950-2000
% 16
                         waarde wereldhandel
  14
                         volume wereldhandel
                         fdi
  12
  10
   8
   6
   4
   2
   0
       1950       1955       1960       1965     1970     1975      1980      1985     1990      1995     2000
 Bron: wto (2002); unctad (2001); cic (2002); wrr-bewerking
</pre>

====================================================================== Einde pagina 161 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 162 ======================================================================

<pre>    neder l a nd h a ndel sl a nd
                De daling van energie- en grondstoffenprijzen en de internationale economische
                recessie in de eerste helft van de jaren tachtig gingen gepaard met een tijdelijke
                terugval in de wereldhandel. Het volume van de wereldhandel daalde tussen
                1980 en 1982 met 3 procent terwijl het wereld-bbp met 3 procent groeide.
                Vanaf 1985 laat het aandeel van de wereldhandel in de wereldproductie echter
                weer een opgaande lijn zien, waardoor het huidige aandeel op basis van de
                volumeontwikkeling bijna het dubbele is van dat in 1983. Door de lagere prijzen
                is de waarde van de wereldhandel in relatie tot het wereld-bbp echter nog altijd
                iets kleiner dan in het piekjaar 1980.
                Minder duidelijk zichtbaar, maar niet minder indrukwekkend is de explosieve
                groei van het internationale kapitaalverkeer. Onder deze term worden twee
                ontwikkelingen gevat die slechts ten dele met elkaar samenhangen. In de eerste
                plaats gaat het om ‘reële’ kapitaalstromen, dat wil zeggen om buitenlandse
                directe investeringen (foreign direct investment, fdi) in bedrijven in andere
                landen. Paragraaf 5.4 heeft hieraan al uitgebreid aandacht besteed. De buiten-
                landse directe investeringen zijn nog aanzienlijk sneller gegroeid dan de interna-
                tionale handel: tussen 1980 en 2000 met ruim 1.800 procent ofwel gemiddeld
                16 procent per jaar (berekend o.b.v. Buckley 1985b en unctad 20011).
158             Uitgedrukt in procenten van de wereldproductie groeide de voorraad aan buiten-
                landse investeringen van 4 procent in 1980 naar 14 procent in 2000 (figuur 6.1).
                De opmars van de multinationals in de wereldeconomie is hiervan de meest
                opvallende uitingsvorm.
                Internationaal kapitaalverkeer
                In de tweede plaats komt de groei van het internationale kapitaalverkeer tot
                uitdrukking in de internationalisering van kapitaalmarkten waardoor dagelijks
                onvoorstelbaar grote bedragen tussen de kapitaalmarkten van verschillende
                landen heen en weer stromen. Het gaat hierbij voor het grootste deel om ‘virtu-
                ele’ kapitaalstromen, dat wil zeggen dat zij niet gepaard gaan met reële investe-
                ringen in ondernemingsactiviteiten. Als een belegger op de Amsterdamse effec-
                tenbeurs aandelen verkoopt en met de opbrengst daarvan in New York aandelen
                koopt, stroomt er virtueel kapitaal van Nederland naar de Verenigde Staten,
                terwijl er feitelijk niets verandert (tenzij deze transactie de aandelenkoersen
                beïnvloedt). De bedragen die hiermee zijn gemoeid, stellen alle andere aspecten
                van mondialisering in de schaduw. Dagelijks gaat het wereldwijd om financiële
                transacties ter waarde van circa 1.200 miljard dollar (in april 2001). Enkele jaren
                geleden (in 1998) bedroeg de dagomzet zelfs 1.500 miljard dollar, dat is circa 4
                procent van de jaarlijkse wereldproductie (Heerma en Van der Wal 2002)! Er
                wordt dan ook wel gesproken van flitskapitaal.
                Internationale migratie
                De derde vorm van economische mondialisering betreft grensoverschrijdend
                verkeer van personen, oftewel internationale migratie. Evenals internationale
                kapitaalstromen is dit een vorm van internationale mobiliteit van productie-
                factoren. Hoewel een groot deel van de internationale migratie formeel niet
</pre>

====================================================================== Einde pagina 162 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 163 ======================================================================

<pre>                         kansen en bedreigingen voor de nederlandse handel: mondialisering en informatisering
      wordt gedreven door economische motieven maar door een poging te ontvluch-
      ten aan oorlogsgeweld en onderdrukking, lijken met name de vluchtelingen-
      stromen naar de rijke westerse landen mede door economische factoren te
      worden gedreven. Sowieso heeft migratie altijd economische effecten, al hangen
      deze wel samen met de reden om te migreren (bijv. arbeidsmigranten versus poli-
      tieke vluchtelingen). Anders dan de handel in goederen en diensten en de kapi-
      taalhandel wordt omvangrijke internationale migratie door nationale regeringen
      en internationale organisaties niet gestimuleerd, maar over het algemeen juist
      ontmoedigd. Handel in personen wordt als een verwerpelijk verschijnsel
      beschouwd. Toch is ook de internationale migratie de laatste decennia toege-
      nomen. Zo nam het jaarlijkse aantal immigranten naar de Verenigde Staten toe
      van circa 300.000 in de jaren vijftig naar circa 700.000 in de jaren tachtig en de
      jaren negentig van de vorige eeuw (World Bank 2002: 23). De jaarlijkse immigra-
      tiestroom naar Nederland zwol aan van circa 50.000 personen in de jaren vijftig
      en 70.000 in de jaren zestig naar zo’n 90.000 in de jaren zeventig en tachtig en
      110.000 in de jaren negentig (cbs (g)). Aan de oorzaken en gevolgen van interna-
      tionale migratie wordt hier verder geen aandacht besteed, aangezien er geen
      duidelijke directe relatie is met de internationale handel in goederen en diensten.2
      Bovendien heeft de wrr in een eerder rapport aandacht geschonken aan de
      gevolgen van de toenemende immigratie (wrr 2001a).                                                      159
6.2.2 k anttekeningen bij het ver schijnsel mondialisering
      Hoewel de cijfers in de vorige subparagraaf duidelijk wijzen op een toename van
      grensoverschrijdende activiteiten, is er reden om een aantal kanttekeningen te
      plaatsen bij de omvang en de algemeenheid van de mondialiseringstrend. Er mag
      dan sprake zijn van een trendmatige ontwikkeling naar een meer mondiale,
      wereldwijd geïntegreerde economie, dat wil zeker niet zeggen dat er in de huidige
      situatie al van een geïntegreerde wereldeconomie sprake is. De hierna volgende
      kanttekeningen betreffen het regionale karakter van de internationalisering, de
      golfbeweging van de mondialisering, de verschillen tussen de drie dimensies van
      mondialisering en het blijvende belang van locaties en grenzen. Bondig geformu-
      leerd luidt de conclusie, in de woorden van Jeffrey Frankel: “Globalization is
      neither new, nor complete, nor irreversible” (Frankel 2000: 23).
      Geen mondialisering, maar regionalisering
      Uitgaande van de hiervoor gegeven definitie zijn de toename van internationale
      handel in goederen, diensten en kapitaal en de toenemende internationale mobi-
      liteit van personen nog niet voldoende om van mondialisering te kunnen spre-
      ken. Daarvoor dienen deze grensoverschrijdende activiteiten immers te leiden
      tot wereldwijde integratie van nationale economieën. Er is al vaker op gewezen
      dat de internationale verwevenheid zich tot nog toe voor het grootste deel
      afspeelt binnen een aantal regionale blokken. Het gaat hierbij in het bijzonder om
      de eu, Noord-Amerika en Japan, ook wel aangeduid als de Triade. Tweederde van
      de wereldhandel speelt zich af binnen en tussen deze blokken – en dan nog voor-
      namelijk binnen elk van deze blokken afzonderlijk. Zo heeft 64 procent van de
</pre>

====================================================================== Einde pagina 163 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 164 ======================================================================

<pre>    neder l a nd h a ndel sl a nd
                uitvoer van de landen van de eu een ander eu-land als bestemming (wto 2001).
                Zou men de eu als één land beschouwen, dan zou de wereldhandel met een
                kwart afnemen. Voor de internationale investeringsstromen geldt iets soortge-
                lijks: zo’n driekwart van de buitenlandse directe investeringen vindt binnen de
                Triade plaats (unctad 2001). Van de buitenlandse investeringen in de eu-landen
                heeft 60 procent een Europese herkomst of bestemming (unctad 2001: 18). Van
                wereldwijde economische integratie is zo bezien (nog) geen sprake.
                Geen rechtlijnige trend, maar golfbeweging
                Beschouwingen over mondialisering wekken nogal eens de indruk dat het om
                een rechtlijnige trend gaat, die zich onvermijdelijk zal voortzetten: de economie
                wordt steeds ‘mondialer’. Op zeer lange termijn blijkt er echter geen sprake te
                zijn van een eenduidige rechtlijnige trend die zonder meer naar de toekomst kan
                worden geëxtrapoleerd. Er is eerder sprake van een golfbeweging van beurtelings
                toenemende en weer afnemende mondialisering.
                De eerste mondialiseringsgolf deed zich voor in de tweede helft van de negen-
                tiende eeuw. Tussen 1820 en 1913 nam het aandeel van de wereldhandel in de
                wereldproductie toe van circa 1 procent naar 8 procent (Findlay en O’Rourke
160             2001: 46). In een aantal opzichten was de wereldeconomie toen niet minder
                onderhevig aan mondialisering dan momenteel. Zo bedroeg het aandeel van de
                buitenlandse investeringen in de ontwikkelingslanden in 1914 circa 32 procent,
                terwijl dit momenteel niet meer dan 22 procent is (World Bank 2002: 25, 43).
                De Eerste Wereldoorlog bracht een einde aan deze eerste periode van economi-
                sche mondialisering. De wereldhandel viel terug, herstelde zich aanvankelijk na
                het einde van de oorlog, maar zakte tijdens de recessiejaren verder in tot ongeveer
                de helft van het niveau aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog (Findlay en
                O’Rourke 2001: 46). Het gehele interbellum en de twee wereldoorlogen waren
                een periode van protectionisme en isolationisme. Pas na de Tweede Wereld-
                oorlog begon de internationale handel weer te groeien en nam de tweede
                mondialiseringsgolf een aanvang. Het aandeel van de wereldhandel in de wereld-
                productie groeide van 4,2 procent in 1950 naar 15,6 procent in 2000 (zie figuur 6.1).
                Vooral vanaf het midden van de jaren tachtig is de wereldhandel gestaag gegroeid
                en is de omvang van de directe buitenlandse investeringen explosief toegenomen.
                Verschillende trends in verschillende dimensies
                In nog een ander opzicht is mondialisering evenmin een eenduidige trend.
                Deontwikkelingen in de drie dimensies van economische mondialisering gaan
                namelijk niet per se in dezelfde richting. Er kan zelfs sprake zijn van substitutie,
                dat wil zeggen dat mondialisering op de ene dimensie compensatie biedt voor
                ‘nationalisering’ op een andere dimensie. Zo is de internationale handel in goede-
                ren tot op zekere hoogte een substituut voor de mobiliteit van de productiefacto-
                ren arbeid en kapitaal. In vergelijking met de eerste mondialiseringsgolf in de
                negentiende eeuw kenmerkt de huidige periode zich door een relatief geringe
                omvang van de internationale migratie. Ondanks de vele aandacht en zorgen voor
                de huidige migratiestromen vallen deze in het niet bij die in de negentiende eeuw.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 164 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 165 ======================================================================

<pre>                    kansen en bedreigingen voor de nederlandse handel: mondialisering en informatisering
Toen ging het voornamelijk om migratie vanuit de ontwikkelde westerse landen
naar de Nieuwe Wereld van Amerika en Australië. Tussen 1820 en 1914 verlieten
naar schatting 60 miljoen Europeanen (ca. 15% van de toenmalige bevolking3)
hun vaderland om elders een nieuw bestaan op te bouwen (O’Rourke 2001: 14).
In deze eerste mondialiseringsgolf migreerde mogelijk 10 procent van de wereld-
bevolking naar een ander land (World Bank 2002: 3). Momenteel woont ‘slechts’
2,3 procent van de wereldbevolking (circa 120 miljoen mensen) in een ander land
dan waar men geboren is. In West-Europa gaat het, ondanks het vrije verkeer van
personen binnen de eu, om niet meer dan 22 miljoen personen (6,1% van de
bevolking) (O’Rourke 2001: 15; cijfers voor 1990).
Een ander voorbeeld van divergerende trends in de verschillende dimensies van
mondialisering deed zich voor in het interbellum. Terwijl in deze periode de
internationale handel, als gevolg van protectionisme en isolationisme, sterk
terugliep, namen de buitenlandse directe investeringen toe. Door in andere
landen te investeren trachtten bedrijven de barrières voor internationale handel
te omzeilen en zo toch buitenlandse afzetmarkten te betreden.
Het blijvende belang van grenzen en locaties
In een werkelijk mondiale economie doet de plek waar economische activiteiten                            161
plaatsvinden, er niet meer toe. Alle locaties zijn in beginsel uitwisselbaar.
Bedrijven kiezen voor hun activiteiten de plek waar op dat moment de voorwaar-
den het gunstigst zijn. Korte tijd later kunnen de omstandigheden al weer veran-
derd zijn en verplaatst het bedrijf zijn activiteiten naar een andere plek die op dat
moment gunstiger scoort. Bedrijven zijn volledig footloose. Het heeft dan geen
zin meer om van Nederlandse bedrijven te spreken, aangezien noch het eigen-
dom, noch de locatie van bedrijven aan enigerlei nationaliteit of staat gebonden is
(Castells 1996).
Het is zeer de vraag of dit een realistische toekomstvisie is. Storper (1997) wijst
erop dat het belang van locaties en territoirs in de economie zeer groot blijft.
Een belangrijke reden daarvan is dat veel kennis die een essentiële productie-
factor vormt in de moderne economie, alleen via direct face-to-face-contact kan
worden overgedragen. Het gaat hierbij niet alleen om formele kennisoverdracht,
maar vooral ook om kennis die men opdoet via andere, deels informele relaties.
Storper spreekt in dit verband van untraded relations. De relaties die men onder-
houdt met andere bedrijven en instanties vormen volgens Storper een belangrijke
kapitaalfactor voor ondernemingen. Fysieke nabijheid blijft daardoor van groot
belang in de economie. In de terminologie van dit rapport zou men kunnen
zeggen dat de transactiekosten van contacten over grote fysieke afstanden,
ondanks moderne communicatietechnieken, hoog blijven. Uit schattingen van de
in hoofdstuk 3 besproken gravitatievergelijkingen blijkt dat het effect van afstand
op de handelsstromen tussen landen sinds de jaren zestig zelfs is toegenomen
(zie ook bijlage 3).4 Dit verklaart waarom sommige activiteiten sterk zijn gecon-
centreerd in bepaalde gebieden, hoewel daarvoor geen objectieve redenen zijn in
de vorm van duidelijke locatievoordelen, zoals ligging, aanwezigheid van grond-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 165 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 166 ======================================================================

<pre>    neder l a nd h a ndel sl a nd
                stoffen, fysieke infrastructuur, enzovoort. Voorbeelden hiervan zijn Hollywood
                voor de filmindustrie, Sillicon Valley voor de ict-sector en in Nederland Amster-
                dam voor de reclamesector.
                Ook in een internationaliserende wereld zullen locaties en gebieden een belang-
                rijke rol blijven spelen. Plaatsen zijn in de praktijk vrijwel nooit voor elkaar uitwis-
                selbaar. Dit sluit echter niet uit dat bedrijven zich steeds meer op het buitenland
                richten en relaties aangaan met partijen in vele landen. Mondialisering en territo-
                rialisering staan dus niet haaks op elkaar, maar kunnen samengaan. Ook in een
                mondiale economie zullen (lands)grenzen en locaties een zeer grote rol blijven
                spelen (vgl. Helliwell 1998). Er zijn zelfs aanwijzingen dat het belang van locaties
                toeneemt. De mondialisering blijkt samen te gaan met geografische concentratie en
                segmentatie. Zo worden grote steden (metropolen) steeds belangrijker als knoop-
                punten in wereldwijde economische netwerken (vgl. Sassen 1991; Castells 1996).
    6.2.3       mondialisering en tr ansactiekosten
                De huidige mondialiseringstrend kan worden verklaard uit het feit dat de (trans-
                actie)kosten waarmee het grensoverschrijdende economische verkeer gepaard
162             gaat, in de afgelopen decennia fors zijn afgenomen. De technische en institutio-
                nele belemmeringen voor internationale handel zijn aanzienlijk kleiner gewor-
                den. Hieraan liggen met name de volgende twee ontwikkelingen ten grondslag:
                de technologische ontwikkeling en het gevoerde overheidsbeleid.
                De fysieke afstand is eeuwenlang een belangrijke barrière geweest voor integratie
                van nationale of regionale economieën in de wereldeconomie. De ontwikkeling
                van nieuwe transportmiddelen, zoals de trein en het stoomschip, waardoor
                reizen over grote afstanden aanzienlijk sneller en goedkoper werd, vormde een
                belangrijke stimulans voor de eerste mondialiseringsgolf in de negentiende eeuw.
                De technologische ontwikkeling speelt ook momenteel weer een belangrijke rol
                bij het bevorderen van grensoverschrijdende activiteiten. Daarbij gaat het niet
                alleen om snellere en goedkopere transportmiddelen, zoals vliegtuigen en contai-
                nervervoer, maar ook om de snelle verbreiding van nieuwe communicatiemidde-
                len. Computers en telecommunicatieverbindingen maken het mogelijk om
                wereldwijd 24 uur per dag zaken te doen. De moderne ict biedt grote mogelijk-
                heden om de transactiekosten van internationale economische relaties verder te
                verlagen. Op deze ontwikkeling wordt in paragraaf 6.3 verder ingegaan.
                Technische mogelijkheden alleen zijn echter geen voldoende voorwaarde voor
                voortgaande mondialisering. De technologie deed in het interbellum immers
                geen stap terug, maar toch zakte de wereldhandel in. Formele instituties, die het
                resultaat zijn van het beleid van nationale en supranationale overheden, vormen
                eveneens een belangrijke bron van (potentiële) belemmeringen voor de inter-
                nationale handel. Invoerrechten, quota en andere handelsbelemmeringen
                kunnen verhinderen dat handelsrelaties totstandkomen, die uit technisch en
                economisch oogpunt voor beide partijen rendabel zouden zijn. Een tweede
</pre>

====================================================================== Einde pagina 166 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 167 ======================================================================

<pre>                    kansen en bedreigingen voor de nederlandse handel: mondialisering en informatisering
belangrijke verklaring voor de huidige mondialiseringstrend is dan ook dat veel
nationale regeringen sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw de belemmeringen
voor grensoverschrijdende economische activiteiten hebben verminderd. Voor
een belangrijk deel gebeurt dit in het kader van internationale afspraken, zoals in
het verleden de General Agreement on Tariffs and Trade (gatt) en tegenwoordig
in het kader van de wto. Vooralsnog is van een volledige afschaffing van de
formele barrières overigens geen sprake: vrijwel alle landen kennen nog beper-
kingen voor de internationale handel. Voor een deel zijn de handelsbarrières wel
opgeschoven van nationale grenzen naar de grenzen van douane-unies of vrij-
handelsassociaties. Zo zijn de formele handelsbelemmeringen binnen de eu vrij-
wel opgeruimd, maar wordt de Europese interne markt nog voor diverse, met
name agrarische producten afgeschermd van concurrentie van buiten de eu.
Vergelijkbare ontwikkelingen doen zich voor in de handelsassociaties van Noord-
Amerika (nafta), Zuid-Amerika (mercosur) en Zuidoost-Azië (asean). Het
imf streeft de liberalisering van het internationale kapitaalverkeer na. Ook op dit
terrein is belangrijke vooruitgang geboekt, hoewel ook hier nog geen sprake is
van een volledig vrije wereldmarkt.
Op het gebied van de internationale mobiliteit van arbeid is er eerder sprake van
een toename dan van een afname van belemmeringen. Steeds meer westerse                                   163
landen proberen de immigratie te beperken, vooral van asielzoekers, maar in veel
gevallen ook van arbeidsmigranten. Alleen voor bepaalde specialistische functies
(zoals topmanagers en computerspecialisten, maar bijvoorbeeld ook voor
topsporters en kunstenaars) maken de meeste landen een uitzondering.
Overigens wordt recent in een aantal westerse landen wel gediscussieerd over de
vraag of de vergrijzing van de bevolking niet een soepeler houding tegenover
arbeidsmigratie wenselijk maakt. Dit heeft in de meeste landen echter nog niet
tot een beleidswijziging geleid. Het is ook twijfelachtig of immigratie een struc-
turele bijdrage kan leveren aan het opvangen van de gevolgen van de vergrijzing
(vgl. wrr 2001a). Binnen de eu zijn de belemmeringen voor de mobiliteit van
personen in de loop van de jaren wel aanzienlijk verminderd. Tot op heden heeft
dit echter slechts in een beperkte toename van de intra-Europese arbeidsmobili-
teit geresulteerd. In dit opzicht verschilt de huidige mondialiseringsgolf dan ook
sterk van die in de tweede helft van de negentiende eeuw, waarvan de massale
internationale migratie juist een van de opvallendste kenmerken was.
Het mondialiseringsproces heeft niet direct invloed op de transactiekosten van
de handel, maar is juist het gevolg van een daling van transactiekosten die elders
(in technologische en beleidsmatige ontwikkelingen) zijn oorsprong vindt.
Wel kunnen met het voortschrijden van de mondialisering de aard en het belang
van de transactiekosten van de internationale handel veranderen. Hoewel de
mondialisering tot nog toe hoofdzakelijk het karakter heeft van regionalisering,
is het aannemelijk dat zich in de toekomst steeds meer landen op het speelveld
van de internationale handel zullen begeven. De diversiteit aan talen, culturen en
instituties, die belemmerend kunnen zijn voor het aangaan van internationale
handelstransacties, zal daardoor eerder toe- dan afnemen. Terwijl de formele
</pre>

====================================================================== Einde pagina 167 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 168 ======================================================================

<pre>    neder l a nd h a ndel sl a nd
                handelsbelemmeringen in de vorm van invoerrechten en andere regulerings-
                barrières afnemen, zouden de informele belemmeringen voor handel dan belang-
                rijker worden. Dit betekent dat ook in de toekomst de handelspositie van een
                land mede zal worden bepaald door het vermogen om de transactiekosten te
                verminderen.
                Een ander gevolg van de mondialisering, dat direct met het voorgaande samen-
                hangt, is dat met de toename van het aantal spelers de internationale concurren-
                tie scherper zal worden. Als meer lagelonenlanden zich toeleggen op productie
                voor de export, zullen de rijke landen hun handelspositie alleen kunnen hand-
                haven door zich te specialiseren in kwalitatief hoogwaardige producten en
                diensten en in de activiteit van het handelen zelf. Juist de handel met nieuwe
                markten gaat vaak met hoge transactiekosten gepaard als gevolg van de onbe-
                kendheid met de taal en cultuur en gebrek aan vertrouwen. Handelaren die het
                beste erin slagen deze transactiekosten te verlagen kunnen een sterke positie in
                deze nieuwe markten verwerven. Daarbij gaat het overigens evenzeer om de
                invoer uit als de uitvoer naar deze nieuwe handelspartners.
    6.2.4       gevolgen van de mondialisering
164
                De huidige trend van mondialisering wordt niet door iedereen als een wenselijke
                ontwikkeling gezien. De opkomst van de zogenoemde ‘antiglobaliseringsbewe-
                ging’ en de luidruchtige protesten bij een reeks bijeenkomsten van wereldleiders
                in de afgelopen jaren, begonnen bij de wto-top van 1999 in Seattle, maken dat
                duidelijk. De bezwaren van de antiglobalisten richten zich vooral tegen de
                vermeende negatieve sociale en ecologische gevolgen van de mondialisering.
                Veel economen menen echter dat deze bezwaren ongefundeerd zijn en op een
                onjuiste beoordeling van de gevolgen van de mondialisering berusten.
                Dit rapport is niet de plaats om uitgebreid in te gaan op de argumenten van de
                voor- en tegenstanders van mondialisering. Volstaan wordt met een korte
                aanduiding van de belangrijkste discussiepunten en een verwijzing naar andere
                relevante literatuur.
                De antiglobaliseringsbeweging is bevreesd voor de mogelijke negatieve sociale en
                ecologische gevolgen van verdergaande mondialisering, vooral voor ontwikke-
                lingslanden, maar volgens sommigen ook voor (delen van) de bevolking in de
                rijke westerse landen. De mondialisering zou leiden tot een verdieping van de
                wereldwijde kloof tussen arm en rijk, tot een verslechtering van de arbeids-
                omstandigheden, tot een toename van kinderarbeid in arme landen, tot een
                afbraak van de economische basis van traditionele agrarische samenlevingen,
                tot een aantasting van het milieu en uitputting van natuurlijke hulpbronnen.
                Multinationale ondernemingen zouden de nieuwe kolonisten zijn die arme
                landen uitbuiten en de winst naar de kapitaalbezitters in het rijke westen laten
                vloeien.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 168 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 169 ======================================================================

<pre>                    kansen en bedreigingen voor de nederlandse handel: mondialisering en informatisering
Inderdaad is de wereldwijde kloof tussen arm en rijk de afgelopen decennia sterk
toegenomen. Terwijl in 1960 het gemiddelde inkomen van de rijkste 20 procent
van de wereldbevolking 30 maal dat van de armste 20 procent bedroeg, was deze
verhouding in 1995 opgelopen tot een factor 82 (undp 1998). Het is echter
omstreden of de mondialisering hiervoor verantwoordelijk is. Veel economen
stellen, met een verwijzing naar de klassieke theorie van Adam Smith en David
Ricardo, dat de mondialisering juist in het voordeel is van de landen die eraan
deelnemen en leidt tot welvaartsgroei (zie hoofdstuk 3). De armoede concentreert
zich in gesloten landen die geen deel hebben aan het mondialiseringsproces. Als
buitenlandse handel de welvaart van een land bevordert, zouden daarmee uitein-
delijk ook de arbeidsomstandigheden, de arbeidsvoorwaarden en het milieu
gebaat zijn, aangezien de waardering daarvoor stijgt naarmate het inkomen hoger
is. Een wereldwijde economische integratie zou bijdragen aan een geleidelijke
wereldwijde convergentie in welvaartsniveaus (vgl. O’Rourke 2001; World Bank
2002).
Een tweede effect van de mondialisering is dat nationale economieën steeds meer
onderling verweven raken en van elkaar afhankelijk worden. Het is niet zonder
meer duidelijk of dit effect positief of negatief moet worden gewaardeerd.
Een geïntegreerde wereldeconomie heeft het voordeel dat positieve ontwikkelin-                           165
gen, zoals nieuwe technologieën, in een bepaald land zich snel naar andere landen
kunnen verbreiden. Maar hetzelfde geldt voor negatieve ontwikkelingen.
Te verwachten valt dat economische schommelingen, zoals de conjunctuurcycli,
meer synchroon zullen gaan verlopen. Dit bergt het risico in zich dat de fluctu-
aties in verschillende landen elkaar versterken in plaats van dempen, zodat de
volatiliteit van de economieën groter wordt. Dit verschijnsel ziet men al op de
aandelenbeurzen, waar de wereldwijde integratie het verst is voortgeschreden.
In de reële economie is hiervan vooralsnog in mindere mate sprake (al lijkt de
huidige economische teruggang in verschillende delen van de wereld gelijk op te
gaan), maar dit zou kunnen veranderen indien de mondialiseringstrend zich
voortzet. Behalve economische kunnen ook niet-economische factoren in korte
tijd een wereldwijde invloed hebben. Zo bracht de aanslag van 11 september 2001
in de Verenigde Staten wereldwijde onrust en onzekerheid teweeg.
Een derde effect van mondialisering, dat nauw met de twee voorgaande samen-
hangt, is dat het de beleidsruimte voor nationale overheden beperkt (vgl. Beck
1997). Naarmate nationale economieën meer verweven raken met de wereldeco-
nomie, wordt de ruimte voor een eigen nationaal economisch beleid kleiner.
Dit kan leiden tot beleidsconcurrentie tussen nationale overheden die volgens
sommigen zal ontaarden in een race to the bottom: landen offeren hun sociale
beleid op om economisch aantrekkelijker te worden als vestigingsplaats voor
(buitenlandse) ondernemingen. De meningen over het realiteitsgehalte van dit
gevaar lopen uiteen. De aantrekkelijkheid van een land voor het bedrijfsleven
wordt niet alleen bepaald door financieel-economische factoren, zoals belasting-
tarieven, subsidieregelingen en vestigingseisen, maar ook door het sociaal-
culturele klimaat, zoals een goed opgeleide beroepsbevolking, arbeidsrust, goede
</pre>

====================================================================== Einde pagina 169 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 170 ======================================================================

<pre>    neder l a nd h a ndel sl a nd
                sociale en culturele voorzieningen en veiligheid (zie par. 5.4). Het nadeel van
                hoge belastingen kan dus (ten dele) worden gecompenseerd door het voordeel
                van gunstige sociaal-culturele vestigingsfactoren. De grote en hardnekkige
                verschillen die er nog altijd bestaan tussen bijvoorbeeld de sociale stelsels en de
                belastingstelsels van de eu-landen ondersteunen de stelling dat nationaal beleid
                er nog wel degelijk toe doet. Voor ontwikkelingslanden, die in kwalitatief opzicht
                weinig te bieden hebben, zou de toenemende concurrentiedruk echter wel tot
                een afbraak van nationale beschermende regels en voorzieningen kunnen leiden.
                Dit is ook het geëigende niveau om mogelijke negatieve gevolgen van de mondia-
                lisering op het terrein van milieu, arbeidsomstandigheden, kinderarbeid, en
                dergelijke aan de orde te stellen. De nationale beleidsruimte is op dit terrein
                zeer beperkt en wordt al snel als protectionisme of concurrentievervalsing aan-
                gemerkt, maar in internationale fora kan worden gezocht naar een aanvaardbare
                balans tussen de economische voordelen van vrijhandel enerzijds en mogelijke
                negatieve sociale en ecologische gevolgen anderzijds. Men kan er overigens
                vraagtekens bij zetten of dit in het recente verleden op een bevredigende wijze is
                gebeurd (vgl. Stiglitz 2002).
                Voor een deel is de afname van de nationale beleidsruimte het resultaat van een
166             bewuste keuze om verantwoordelijkheden over te dragen aan supra- en interna-
                tionale instellingen als de eu en de wto. Het verlies aan beleidsmogelijkheden
                op nationaal niveau wordt dan gecompenseerd door ruimere beleidsmogelijk-
                heden op bovennationaal niveau.
    6.2.5       mondialisering en de rol van net werken, intermediair s ,
                multinationals en instituties
                In hoofdstuk 5 is ingegaan op de organisaties en instituties die een belangrijke rol
                spelen bij het verminderen van de transactiekosten van internationale handel.
                Deze subparagraaf gaat in op de vraag wat er in het licht van de hiervoor geschet-
                ste mondialiseringstrend te zeggen valt over de rol die deze organisaties en insti-
                tuties in de toekomst zullen spelen.
                Voorzover de mondialisering voortvloeit uit het verminderen van de barrières
                voor de internationale handel in goederen, diensten en kapitaal, lijkt er in de
                toekomst minder behoefte te bestaan aan specifieke organisaties en instituties
                die de transactiekosten verminderen. Naarmate formele handelsbelemmeringen
                zoals invoerrechten afnemen, communicatie en transport sneller en goedkoper
                worden en markten doorzichtiger worden, gaat de internationale handel meer
                lijken op de ideaaltypische markt uit de neoklassieke theorie: een markt waarop
                vraag en aanbod door een onzichtbare hand bij elkaar worden gebracht. Op een
                dergelijke markt is er geen plaats voor de zichtbare hand van intermediaire orga-
                nisaties en regulerende instanties. Het is echter de vraag of de markt van de inter-
                nationale handel met het voortschrijden van de mondialisering daadwerkelijk
                zoveel meer op de neoklassieke markt zal gaan lijken.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 170 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 171 ======================================================================

<pre>                    kansen en bedreigingen voor de nederlandse handel: mondialisering en informatisering
Daarvoor zijn twee redenen. In de eerste plaats is de mondialiseringstrend juist
mede te danken aan de in hoofdstuk 5 besproken organisaties en instituties.
Het waren de internationale handelsnetwerken, de intermediairs van allerlei
soort, de multinationale ondernemingen en de veranderingen die veel landen en
supranationale instanties in de formele instituties hebben doorgevoerd, die
hebben bijgedragen aan de groei van grensoverschrijdende economische activi-
teiten in de achterliggende decennia. Anders gezegd, zonder deze organisaties en
instituties zou er wellicht van mondialisering in economische zin veel minder
sprake zijn geweest. In de toekomst zal dit waarschijnlijk niet anders zijn.
Nationale en supranationale overheden blijven essentieel om de internationale
handel in goede banen te leiden.
In de tweede plaats is het aannemelijk dat door het afnemende gewicht van
formele handelsbelemmeringen de informele belemmeringen (taal-, cultuur-,
informatiebarrières) in de internationale handel in belang zullen toenemen.
In de denkbeeldige situatie dat er geen formele belemmeringen voor de handel
meer zouden resteren, zouden de transactiekosten ten gevolge van informele
belemmeringen nog zo groot zijn, dat de internationale handel nog altijd ver
achter zou blijven bij de in theorie optimale omvang van de handel. Verdere groei
van de handel zou dan nog alleen mogelijk zijn door deze informele belemmerin-                           167
gen te verminderen. Het zijn bij uitstek de genoemde organisaties en instituties
die zich hebben gespecialiseerd in het verlagen van deze transactiekosten.
Op grond hiervan valt te verwachten dat hun rol in de internationale handel, als
de formele belemmeringen verminderen, eerder groter dan kleiner zal worden.
Richt men de aandacht op de verschillende organisatievormen afzonderlijk, dan
lijkt de toekomst van handelsnetwerken het meest onzeker. Netwerken berusten
doorgaans in sterke mate op persoonlijke contacten en hechte sociale (bijv. etni-
sche) banden, waardoor zij haast per definitie kleinschalig en homogeen van
samenstelling zijn. Het is de vraag of dit geschikte kenmerken zijn om een grote
rol te blijven spelen als de wereldhandel expandeert en er steeds meer nieuwe
spelers op het speelveld van de handel verschijnen. Dit hoeft echter niet uit te
sluiten dat netwerken in bepaalde segmenten van de internationale handel toch
van groot belang blijven. Zo zullen nieuwe markten (toeleverings- of afzet-
markten) in eerste instantie vaak het beste kunnen worden betreden via lokale
of regionale netwerken. Als een Nederlandse handelaar op een nieuwe markt in
bijvoorbeeld Azië of Latijns Amerika wil gaan opereren, is de kans van slagen
waarschijnlijk het grootst als hij aansluiting weet te vinden bij een reeds bestaand
netwerk van handelaren in de desbetreffende regio.
Ook binnen productieketens zullen netwerken een belangrijke rol blijven spelen.
Hoewel deze ketens deels op kortstondige en ‘onpersoonlijke’ marktrelaties zijn
gebaseerd, komen duurzame netwerkrelaties vaak beter tegemoet aan de eisen
van betrouwbaarheid, stipte levering, kwaliteitsbeheer en wederzijdse informa-
tie-uitwisseling. Dergelijke netwerken vormen zich vaak rond multinationals en
</pre>

====================================================================== Einde pagina 171 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 172 ======================================================================

<pre>    neder l a nd h a ndel sl a nd
                grote intermediairs die duurzame relaties onderhouden met hun toeleveranciers
                en afnemers.
                Ook de rol van intermediairs lijkt allerminst uitgespeeld te zijn als de internatio-
                nale handel verder groeit. Paragraaf 6.3 plaatst kanttekeningen bij het soms
                veronderstelde afnemende belang van intermediairs ten gevolge van de versprei-
                ding van ict. De functies van intermediairs die in subparagraaf 5.3.2 zijn bespro-
                ken, blijven onverminderd van belang: het verminderen van zoek- en afstem-
                mingskosten, het spreiden van risico’s, het tegengaan van averechtse selectie en
                het verminderen van opportunisme. Naarmate de internationale handel groeit en
                meer landen met uiteenlopende culturen en rechtssystemen daaraan deelnemen,
                zou het belang van deze functies zelfs kunnen toenemen.
                De sterke groei van multinationals is een van de belangrijkste uitingsvormen van
                de mondialiseringstrend. Het spreekt haast vanzelf dat voortgaande mondialise-
                ring gepaard zal gaan met een groeiende rol van multinationale ondernemingen.
                Het is echter onduidelijk hoe de groei van multinationals en de groei van de inter-
                nationale handel zich precies tot elkaar verhouden. Het is aannemelijk dat multi-
                nationale ondernemingen een steeds groter deel van de internationale handel
168             voor hun rekening zullen nemen. Het is echter onzeker of dit vooral zal leiden tot
                een verdere groei van de handel binnen multinationals (intrafirm trade), of dat
                multinationals de handel in goederen en diensten steeds meer zullen vervangen
                door het verplaatsen van de productie en de dienstverlening naar het land van
                bestemming (zie subpar. 5.4.2). In het laatste geval zou voortgaande mondialise-
                ring steeds minder tot uitdrukking komen in een groei van de internationale
                handel, maar vooral in de groei van de wereldwijde activiteiten van multinatio-
                nals. Hoe dit ook zij, in beide gevallen is het voor een land dat zijn positie in de
                wereldhandel wil handhaven essentieel om een voldoende aantrekkelijke vesti-
                gingsplaats voor multinationals te zijn.
                Ten slotte zal ook het belang van de nationale en supranationale instituties voor
                de handel naar verwachting niet afnemen. Zoals is opgemerkt, kan de mondiali-
                seringstrend voor een belangrijk deel worden verklaard uit de wijzigingen in deze
                instituties, met name de vermindering van formele handelsbelemmeringen.
                Dit betekent echter niet dat regels en instituties er steeds minder toe doen.
                Voorlopig zijn er tussen landen nog zeer grote verschillen in zowel formele als
                informele instituties. Daarbij valt enerzijds te denken aan verschillen in vesti-
                gingseisen, marktregulering, mededingingsbeleid, belastingen en subsidies, en
                anderzijds aan verschillen in taal, omgangsvormen, corruptie, en dergelijke.
                De hindernissen die men moet overwinnen om met een land een handelsrelatie
                op te bouwen en de risico’s die men daarbij loopt, zullen ook in de toekomst in
                sterke mate door dergelijke factoren worden bepaald. Ook wanneer het handels-
                beleid in enge zin grotendeels een supranationale aangelegenheid is geworden
                (hetgeen in de eu feitelijk al het geval is), blijven het nationale beleid en nationale
                instituties van groot belang voor de transactiekosten die het aangaan en onder-
                houden van een buitenlandse handelsrelatie met zich meebrengen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 172 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 173 ======================================================================

<pre>                         kansen en bedreigingen voor de nederlandse handel: mondialisering en informatisering
6.2.6 k ansen en bedreigingen voor de nederl andse handel
      Welke gevolgen zal het mondialiseringsproces, als dit zich de komende jaren
      voortzet, hebben voor de positie van Nederland als handelsnatie? Biedt de voort-
      schrijdende mondialisering vooral nieuwe kansen, doordat zij mogelijkheden
      schept voor een verdere groei van de Nederlandse handel, of vormt zij veeleer een
      bedreiging, doordat Nederland zijn comparatieve voordelen ten opzichte van
      andere landen dreigt te verliezen?
      Om een antwoord op deze vragen te vinden, dient men een onderscheid te
      maken tussen de verschillende drijvende krachten achter de mondialisering.
      In subparagraaf 6.2.3 is uiteengezet dat het hierbij enerzijds gaat om de tech-
      nologische ontwikkeling en anderzijds om het overheidsbeleid. Aangezien het
      belangrijkste aspect van de technologische ontwikkeling, de opmars van ict, in
      paragraaf 6.3 uitvoerig wordt besproken, hoeft daarover in deze paragraaf niet
      veel te worden gezegd. Volstaan wordt met de constatering dat nieuwe tech-
      nologieën, ten aanzien van zowel vervoer als ict, niet betekenen dat afstanden
      en locaties hun betekenis verliezen in de internationale handel. Er is vooralsnog
      geen sprake van een death of distance.
                                                                                                              169
      Het feit dat de Nederlandse handel sterk op relatief nabije landen in Europa is
      gericht, hoeft in dit perspectief niet per se zorgen te baren. Er zijn zoveel andere
      hindernissen voor handel over grote afstanden dan alleen de kosten en snelheid
      van vervoer en communicatie, dat een verdere ontwikkeling van deze technolo-
      gieën niet automatisch betekent dat vooral de handel tussen ver uiteengelegen
      landen zal toenemen. Dit neemt niet weg dat op langere termijn de perspectieven
      voor uitbreiding van de handel met landen buiten Europa groter zijn dan die voor
      de intra-Europese handel, eenvoudigweg omdat het hier om, qua bevolkings-
      aantallen, zeer grote markten gaat, waarin de Nederlandse handel tot nog toe
      slechts een zeer klein aandeel heeft. De mogelijkheden voor expansie buiten
      Europa zijn in beginsel het grootst, maar dit wil niet zeggen dat deze ruimte
      automatisch zal worden benut wanneer de technologische ontwikkeling voort-
      schrijdt.
      Het resterende deel van deze subparagraaf richt zich op de mogelijke gevolgen
      van een verdere liberalisering van de wereldeconomie voor de Nederlandse
      handel. Daarbij is het goed nogmaals te benadrukken dat er niets onvermijdelijks
      is aan de trend naar verdere liberalisering. Gezien de golfbewegingen die het
      handelsbeleid in het verleden heeft doorgemaakt, staat het geenszins vast dat de
      liberaliseringstrend van de afgelopen decennia zich de komende decennia onver-
      minderd zal voortzetten. De aankondiging in maart 2002 door de regering van de
      vs van protectionistische maatregelen ten aanzien van de invoer van staal illus-
      treert nog eens dat er geen sprake is van een eenduidige trend naar het opheffen
      van handelsbelemmeringen. Ook een grote internationale crisis of een omvang-
      rijke oorlog zou de groei van de internationale handels- en investeringsstromen
      ernstig kunnen verstoren. Niettemin wordt hier uitgegaan van de veronder-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 173 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 174 ======================================================================

<pre>    neder l a nd h a ndel sl a nd
                stelling dat de mondialiseringstrend zich onder invloed van een verdere liberali-
                sering van de wereldhandel de komende jaren zal voortzetten. De Nederlandse
                handel is altijd sterk afhankelijk geweest van de trends in het internationale
                handelsbeleid (zie hoofdstuk 2). Het ligt dan ook voor de hand dat een verdere
                liberalisering van de wereldhandel de groei van de buitenlandse handel van en
                naar Nederland zal stimuleren. Kleine open economieën, zoals de Nederlandse,
                hebben in beginsel het meest te winnen bij een gunstige ontwikkeling van de
                wereldhandel.
                Bedreigingen
                De voortgaande mondialisering levert voor Nederland niet alleen nieuwe kansen
                op. De liberalisering van de wereldhandel zou ook de comparatieve voordelen
                waaraan Nederland nu zijn sterke handelspositie dankt, onder druk kunnen
                zetten. Een vermindering van invoerheffingen en andere regelgevingsbarrières,
                zoals invoerquota en kwaliteitseisen, leiden tot een daling van de kosten van
                internationale handel. Nederlandse bedrijven die handel drijven met het buiten-
                land, zouden daardoor in toenemende mate kunnen worden geconfronteerd met
                nieuwe concurrenten, die door het wegvallen van formele handelsbelemmeringen
                kans zien zich op het meer gelijke speelveld van de internationale handel te bege-
170             ven. Als bijvoorbeeld de handelsbelemmeringen aan de buitengrens van de eu
                worden teruggedrongen, zou de intra-Europese handel, waarin Nederland een
                zeer sterke positie inneemt, meer aan concurrentie bloot kunnen komen te staan
                van handel uit en naar de rest van de wereld. Zo is Nederland nu een belangrijk
                distributiecentrum voor producten uit Amerika en Azië die in Europa worden
                afgezet. Als de Europese markt meer open wordt, is het denkbaar dat deze handel
                in de toekomst rechtstreeks naar de Europese bestemmingslanden wordt getrans-
                porteerd in plaats van via Nederland te lopen.
                Ook voor bedrijven die zich nu louter op de binnenlandse markt richten, zoals
                het grootste deel van het mkb, kan een voortgezette mondialisering gevolgen
                hebben. Markten die voorheen waren afgeschermd van buitenlandse concurren-
                tie zullen daaraan in de toekomst wel worden blootgesteld. Deze ontwikkeling
                doet zich bijvoorbeeld reeds voor op het terrein van de financiële en zakelijke
                dienstverlening. Vanuit het buitenland zijn er de laatste jaren in Nederland heel
                wat banken, verzekeringsmaatschappijen, accountants, consultancybedrijven ten
                tonele verschenen. Omgekeerd zijn Nederlandse bedrijven in deze sectoren zich
                sterker op buitenlandse markten gaan richten.
                Overigens is het, ook als de positie van individuele Nederlandse bedrijven onder
                druk komt te staan, aannemelijk dat de buitenlandse handel van Nederland hier-
                door zal toenemen, namelijk in de vorm van een grotere invoer. In deze zin vormt
                toenemende buitenlandse concurrentie geen bedreiging voor de positie van
                Nederland als handelsnatie, maar juist een kans.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 174 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 175 ======================================================================

<pre>                   kansen en bedreigingen voor de nederlandse handel: mondialisering en informatisering
Kansen
De bedreigingen die van mondialisering uitgaan op de Nederlandse handelsposi-
tie, komen voort uit een vermindering van de formele handelsbelemmeringen.
Naarmate de formele handelsbelemmeringen aan belang inboeten, neemt echter
het relatieve belang toe van de informele belemmeringen, die samenhangen met
zaken als (gebrek aan) vertrouwen, taal- en cultuurverschillen, en onvolledige en
asymmetrische informatie. Nederlands sterke handelspositie lijkt mede te
danken aan het vermogen van Nederlandse organisaties en instituties om de
transactiekosten ten gevolge van deze informele belemmeringen te verminderen
(zie hoofdstuk 5). Het wegvallen van formele handelsbelemmeringen zou daar-
door de sterke kant van Nederland als handelsnatie juist kunnen accentueren.
De toekomstige kansen voor de Nederlandse handel moeten wellicht dus nog
meer dan in het verleden worden gezocht in het vermogen om informele
handelsbelemmeringen weg te nemen.
Een zekere relativering van het belang van formele handelsbelemmeringen voor
de Nederlandse handelspositie is ook op zijn plaats in het licht van de geografische
oriëntatie van de Nederlandse handel: 85 procent van de uitvoer en 63 procent
van de invoer van Nederland vinden immers binnen de eu plaats. Aangezien er
binnen de eu weinig formele handelsbelemmeringen meer bestaan, lijkt een                                171
verdere liberalisering van de internationale handel nauwelijks consequenties te
zullen hebben voor dit Europese deel van de Nederlandse handel.
Het belang van informele handelsbelemmeringen is ook een reden om de hier-
voor gesignaleerde dreiging van het afbrokkelen van de handelsmuur rond de eu
te relativeren. De positie van Nederland als toegangspoort tot de Europese markt
hangt immers niet alleen samen met de formele belemmeringen waarmee
handelspartners van buiten de eu worden geconfronteerd, maar vooral ook met
informele belemmeringen. Factoren als de gunstige ligging, de goede fysieke
infrastructuur, het betrouwbare rechtssysteem, de talenkennis en de internatio-
nale oriëntatie van de Nederlandse beroepsbevolking verklaren waarom veel
bedrijven die de Europese markt willen betreden in eerste instantie in Nederland
een handelspartner zoeken. Door de liberalisering van de internationale handel
zullen deze factoren zeker niet aan belang inboeten. Integendeel, als de buiten-
grenzen van Europa opengaan, zouden de verschillen tussen de eu-landen in
dit opzicht juist van grotere invloed kunnen worden op hun handelspositie.
Nederland zou zijn sterke uitgangspositie wellicht kunnen benutten door met
name de invoer en distributie over West-Europa van producten uit opkomende
markten in Oost-Europa en Azië te vergroten. Mondialisering biedt dan kansen
aan Nederland om zijn handelspositie te versterken, mits ons land erin slaagt om
de genoemde comparatieve voordelen te handhaven of te versterken.
Behalve in een toename van de internationale handel kan de mondialisering ook
tot uitdrukking komen in een groei van buitenlandse investeringen. In paragraaf
2.5 bleek dat Nederland de afgelopen vijftien jaar een steeds populairder bestem-
mingsland is geworden voor buitenlandse investeerders. Of deze trend zich de
</pre>

====================================================================== Einde pagina 175 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 176 ======================================================================

<pre>    neder l a nd h a ndel sl a nd
                komende jaren zal voortzetten, is moeilijk te voorspellen. Dit hangt in belang-
                rijke mate af van de vraag of het vestigingsklimaat in Nederland voldoende
                gunstig blijft – of nog gunstiger wordt – voor buitenlandse bedrijven. In Neder-
                land, waar buitenlandse bedrijven een groot aandeel hebben in de in- en uitvoer
                en meer dan de helft van hun productie exporteren, lijken multinationals vooral
                complementair te zijn met de handelsfunctie. Daarom valt te verwachten dat een
                verdere toename van de buitenlandse investeringen in Nederland een stimulans
                zal zijn voor de Nederlandse handel. Niet alleen de liberalisering van de inter-
                nationale handel, maar ook verdere liberalisering van het internationale kapitaal-
                verkeer zal dus waarschijnlijk bijdragen aan verdere groei van de Nederlandse
                handel met het buitenland.
                De mondialiseringstrend raakt de verschillende segmenten van de Nederlandse
                economie niet in gelijke mate. Vooralsnog loopt er een scherpe scheidslijn tussen
                het midden- en kleinbedrijf en het grootbedrijf, in het bijzonder de multinatio-
                nals. Het grootste deel van het mkb onderhoudt geen noemenswaardige econo-
                mische relaties met het buitenland. Een belangrijke verklaring hiervoor is dat het
                aangaan en onderhouden van een handelsrelatie met een partner in het buiten-
                land dusdanig hoge transactiekosten met zich meebrengt, dat dit alleen voor
172             grotere bedrijven aantrekkelijk is. Dit betekent echter niet dat het mkb geen
                invloed ondervindt van de mondialiseringstrend. Kleinere ondernemingen
                kunnen immers op de binnenlandse markt worden geconfronteerd met concur-
                rentie van buitenlandse invoer of van Nederlandse vestigingen van buitenlandse
                multinationals. Ook het mkb zal zich daarom bewust moeten zijn van de kansen
                en bedreigingen die de mondialisering biedt.
                Concluderend kan worden gesteld dat de voortgaande mondialisering als gevolg
                van de verdere liberalisering van de wereldhandel zowel kansen als bedreigingen
                oplevert voor de Nederlandse handelspositie. De kansen vloeien vooral voort uit
                de te verwachten volumegroei van de wereldhandel, waarvan Nederland als
                kleine open economie in belangrijke mate kan profiteren. De bedreiging is gele-
                gen in de mogelijkheid dat de comparatieve voordelen die Nederland heeft ten
                aanzien van internationale handel zullen verminderen door het wegvallen van
                formele handelsbelemmeringen. Daardoor zou het aandeel van Nederland in de
                wereldhandel kunnen teruglopen, waardoor een deel van de welvaartsvoordelen
                die de mondialisering biedt, aan Nederland voorbij zou gaan.
                Dit risico dient echter om twee redenen te worden gerelativeerd – maar zeker niet
                gebagatelliseerd. In de eerste plaats speelt het grootste deel van de Nederlandse
                handel zich af binnen een gebied waarin formele handelsbelemmeringen al
                nauwelijks meer een rol spelen (nl. de interne markt van de eu). Verdere liberali-
                sering van de wereldhandel zal voor de intra-Europese handel waarschijnlijk
                geen grote consequenties hebben. In de tweede plaats is de sterke handelspositie
                van Nederland mede te danken aan het vermogen om informele handelsbelem-
                meringen te verminderen of te omzeilen. Dit vermogen om transactiekosten te
                verlagen zou in een meer geliberaliseerde wereldeconomie zelfs aan belang
</pre>

====================================================================== Einde pagina 176 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 177 ======================================================================

<pre>                          kansen en bedreigingen voor de nederlandse handel: mondialisering en informatisering
      kunnen winnen. Indien Nederland in staat is om zijn comparatieve voordelen op
      dit terrein in stand te houden of zelfs te vergroten, biedt de mondialisering aan
      Nederland kansen om zijn positie als handelsnatie te handhaven of zelfs te
      versterken.
      Ook een verdere toename van de buitenlandse investeringen in Nederland, die
      het gevolg kan zijn van de verdere liberalisering van het internationale kapitaal-
      verkeer en van de handhaving of versterking van het gunstige vestigingsklimaat
      van ons land, zal waarschijnlijk bijdragen aan de groei van de buitenlandse
      handel van Nederland.
6.2.7 mondialisering en het nederl andse handelsbeleid
      Nederland heeft als kleine handelsnatie veel te winnen bij een verdere voort-
      schrijding van het mondialiseringsproces. Aangezien de groei van de wereldhan-
      del in belangrijke mate wordt bepaald door het beleid van nationale en supra-
      nationale overheden ten aanzien van de internationale handel, heeft Nederland er
      alle belang bij om vast te houden aan zijn traditioneel positieve opstelling ten
      opzichte van vrijhandel en dit standpunt in internationale fora, zoals de eu en
      wto, te (blijven) bepleiten. Dit betekent overigens geenszins dat Nederland de                           173
      ogen zou moeten sluiten voor mogelijke negatieve sociale en ecologische gevol-
      gen van een liberalisering van de internationale handel in goederen, diensten en
      kapitaal. Juist door op supranationaal niveau afspraken te maken waaraan zoveel
      mogelijk landen gebonden zijn, kunnen economische, sociale en ecologische
      doelstellingen meer in elkaars verlengde komen te liggen. Maatschappelijk
      verantwoord handeldrijven hoeft dan niet op gespannen voet te staan met de
      belangen van het Nederlandse bedrijfsleven.
      Hoewel vrijhandel van groot belang is voor de Nederlandse economie, mag niet
      voetstoots worden aangenomen dat Nederland zijn handelspositie zal weten te
      handhaven als de wereldhandel verder groeit. De mondialisering betekent voor
      de Nederlandse handel niet alleen extra kansen, maar mogelijk ook bedreigingen.
      Om zijn sterke positie in de internationale handel te kunnen handhaven, dient
      Nederland zijn sterke kanten uit te buiten en waar mogelijk de zwakkere kanten
      te versterken.
      Ten aanzien van het vermogen van bedrijven om te profiteren van verdere
      mondialisering moet onderscheid worden gemaakt tussen grote, met name
      multinationale ondernemingen en het mkb. Beide categorieën bedrijven vragen
      om eigen instituties en overheidsbeleid. Multinationals zijn per definitie sterk
      internationaal georiënteerd en hebben slechts in geringe mate behoefte aan
      ondersteuning van hun internationale (handels)activiteiten door nationaal over-
      heidsbeleid. Hun internationale economische relaties worden immers in belang-
      rijke mate intern gerealiseerd en gecoördineerd door middel van contacten
      tussen vestigingen van dezelfde onderneming in verschillende landen.
      Het nationale overheidsbeleid is nauwelijks van invloed op de transactiekosten
</pre>

====================================================================== Einde pagina 177 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 178 ======================================================================

<pre>    neder l a nd h a ndel sl a nd
                waarmee de internationale handel van dergelijke ondernemingen gepaard gaat.
                Multinationals hebben natuurlijk wel belang bij internationale verdragen over de
                handel in goederen, diensten en kapitaal.
                Specifieke Nederlandse instituties en beleidsinspanningen zijn vooral van belang
                voorzover zij van invloed zijn op de aantrekkelijkheid van Nederland als vesti-
                gingsplaats voor multinationale ondernemingen. Gezien de sterke groei van de
                buitenlandse investeringen in Nederland sinds het midden van de jaren tachtig
                – ook in vergelijking met de wereldwijde groei van buitenlandse directe investe-
                ringen – kan het investeringsklimaat in Nederland als uitstekend worden aange-
                merkt. Dit wordt met enige regelmaat bevestigd door de hoge plaats van Neder-
                land op concurrentieranglijsten van internationale organisaties als het World
                Economic Forum (2001) en het International Institute for Management Develop-
                ment (2001). Ten aanzien van het vestigingsklimaat staat Nederland dan ook
                vooral voor de taak om de huidige gunstige positie te handhaven en waar moge-
                lijk te verbeteren. Daarbij gaat het, zoals eerder is opgemerkt, niet alleen om
                zaken als de fysieke infrastructuur, belastingtarieven, arbeidskosten en grond-
                prijzen, maar ook om de kwaliteit en inzet van de beroepsbevolking en de soci-
                aal-culturele infrastructuur. De kwaliteit van de beroepsbevolking wordt op
174             langere termijn in hoge mate bepaald door het onderwijs, waarbij met name
                zaken als talenkennis en kennis van en openheid voor andere culturen om
                speciale aandacht vragen. Bij de sociaal-culturele infrastructuur gaat het om het
                woon-, werk- en leefklimaat en de beschikbaarheid van hoogwaardige sociale en
                culturele voorzieningen (zorg, recreatie, theater, enz.). Het overheidsbeleid op dit
                terrein draagt weliswaar niet direct bij aan een verlaging van de transactiekosten
                van de internationale handel, maar kan wel indirect een positief effect hebben.
                Immers, als Nederland een groot aantal (vestigingen van) multinationals blijft
                huisvesten, profiteert de Nederlandse handel van de mogelijkheden die multi-
                nationale bedrijven hebben om via internalisering van handelsrelaties (intrafirm
                trade) de transactiekosten van de internationale handel te verminderen.
                Het mkb heeft op dit moment slechts een klein aandeel in de buitenlandse handel
                van Nederland (zie tekstbox 2.4). Zoals is opgemerkt, moet de oorzaak daarvan
                worden gezocht in de hoge (vaste) kosten die handel met het buitenland met zich
                meebrengt. Voor een deel gaat het hier om transactiekosten die inherent zijn aan
                buitenlandse handel. Ook als de liberalisering van de wereldhandel voortschrijdt,
                zal het aandeel van het mkb in de internationale handel daardoor relatief klein
                blijven. Juist bij het mkb is het echter aannemelijk dat een actieve overheidsrol
                kan bijdragen aan een verlaging van de transactiekosten, die de handel met het
                buitenland nu in de weg staan. Sommige transactiekosten zijn immers alleen of
                het meest efficiënt te verlagen door middel van collectieve actie. Te denken valt
                aan de kosten die optreden bij het vergaren van informatie over de kansen en
                belemmeringen voor handel met een bepaald land, of bij het beheersen van het
                risico dat een buitenlandse handelspartner zijn verplichtingen niet nakomt. Via
                collectieve arrangementen kunnen schaalvoordelen worden gerealiseerd, waar-
                door de transactiekosten voor individuele kleine bedrijven dalen. Dit betekent
</pre>

====================================================================== Einde pagina 178 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 179 ======================================================================

<pre>                          kansen en bedreigingen voor de nederlandse handel: mondialisering en informatisering
      niet automatisch dat de overheid hiervoor verantwoordelijk is. Ook particuliere
      bedrijven en instanties, zoals brancheorganisaties, kamers van koophandel en
      verzekeringsmaatschappijen, kunnen collectieve arrangementen aanbieden.
      Overheidsoptreden is pas aan de orde wanneer dergelijke private arrangementen
      niet totstandkomen. Hiervan is doorgaans sprake bij zuiver publieke goederen,
      waarvan belanghebbende partijen niet kunnen worden uitgesloten, zodat zich
      free rider-gedrag kan voordoen. In hoofdstuk 7 wordt hier nader op ingegaan.
6.3   informatisering en internationale handel
6.3.1 inleiding
      Naast de mondialisering is er een tweede belangrijke trend die de toekomstige
      ontwikkeling van de internationale handel ingrijpend zou kunnen beïnvloeden,
      te weten de opmars van ict, ofwel informatisering. De meningen over de mate
      waarin ict de handel zal veranderen, lopen echter sterk uiteen. Aan de ene kant
      wordt een ‘maximalistische’ visie geschetst waarin ict op korte termijn leidt tot
      revolutionaire, economische en maatschappelijke verschuivingen. Aan de andere
      kant is er een ‘minimalistische’ visie, gekenmerkt door de debunking-gedachte,
      die ict reduceert tot een aanvullend instrument.                                                         175
      De algemeen erkende zwakte van de maximalistische variant is het technologisch
      determinisme. De maatschappelijke verwerking van ict hangt immers af van een
      groot aantal factoren. Zo noemt Pieper (2000) de wil om informatie te delen een
      van de belangrijkste voorwaarden voor een succesvol maatschappelijk en econo-
      misch gebruik van ict. Deze randvoorwaarde voor de toepassing van ict impli-
      ceert niet alleen een culturele attitudeverandering, maar ook machtsverschuivin-
      gen – zaken die allerminst vanzelfsprekend zijn.
      De minimalistische variant onderkent onvoldoende dat de toepassing van ict pas
      in een eerste stadium van ontwikkeling verkeert. Daarmee gaat zij voorbij aan de
      mogelijkheid dat deze toepassing op termijn kan leiden tot ingrijpende verande-
      ringen in de interne en externe organisatie van bedrijven, waaronder de handel.
      In de recente literatuur lijkt er echter consensus te ontstaan over een soort ‘derde
      weg’-visie, die zowel de maximalistische als de minimalistische variant verwerpt.
      In deze situatie kan een beschouwing over ict, e-commerce, e-business en kansen
      en bedreigingen voor de Nederlandse handel niet meer zijn dan een verkenning
      van mogelijkheden en waarschijnlijkheden. Daarbij dient men rekening te
      houden met de les uit het recente verleden, dat veel eerdere verkenningen zeer
      speculatief waren. Veel verwachtingen bleken achteraf onjuist, zoals het idee
      van toenemende centrale bureaucratisering in de jaren tachtig, de scheiding van
      de virtuele en fysieke wereld, de overgang van een ‘oude’ naar een ‘nieuwe’
      economie, het verlies aan grip van nationale overheden, en de irrelevantie van
      geografische plaatsbepaling. Dit speculatieve element is een direct gevolg van
</pre>

====================================================================== Einde pagina 179 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 180 ======================================================================

<pre>    neder l a nd h a ndel sl a nd
                drie algemene karakteristieken van de maatschappelijke en economische gevol-
                gen van ict, te weten:
                1 de onvoorspelbaarheid van de gevolgen;
                2 de meerduidigheid van de gevolgen, bijvoorbeeld tegelijkertijd decentralisatie
                      en centralisatie;
                3 de complexiteit, vanwege de relevantie van andere factoren en de invloed op
                      meerdere niveaus: op het vlak van de concepten, de doelen en de middelen
                      (wrr 1998).
                In zijn rapport Van oude en nieuwe kennis concludeerde de raad dat ict als een
                doorbraaktechnologie aangemerkt kan worden, in de zin dat er sprake is van
                ruimte voor verbetering, een grote variëteit aan toepassingen, een groot
                bereik en complementariteit met bestaande en potentiële nieuwe technologieën
                (wrr 2002a). Deze visie ligt in het verlengde van de voorgaande beschouwing.
                Ook de daar genoemde vertragende factoren, zoals de tijd die de organisatie van
                de innovatie en het leerproces vragen, de verzonken kosten en de onzekerheid,
                zijn hierbij relevant. De raad kiest hier derhalve voor de optiek van een evolutio-
                nair proces met op termijn mogelijk diep ingrijpende, maar vooraf moeilijk vast
                te stellen gevolgen.
176
                De paragraaf is als volgt opgebouwd. Na de definiëring van de kernbegrippen en
                het aangeven van de voorwaarden voor het slagen van e-commerce (subpar. 6.3.2)
                komen in subparagraaf 6.3.3 de in de literatuur onderkende voorwaarden en
                gevolgen voor de transactiekosten aan de orde. Deze algemeen-theoretische
                beschouwingen vinden hun complement in een empirische beschrijving (subpar.
                6.3.4). De subparagrafen 6.3.5 en 6.3.6 richten zich op enkele specifieke aspecten,
                te weten de gevolgen voor de positiebepaling van de actoren, de deterritorialise-
                ring en het zich ontwikkelende juridische raamwerk. Deze bouwstenen worden
                gebruikt voor het formuleren van een beleidsredenering, van waaruit de kansen
                en bedreigingen van ict voor de Nederlandse handelsfunctie worden besproken
                (subpar. 6.3.7). Besloten wordt met een terugkoppeling naar de besproken institu-
                ties van hoofdstuk 5 (subpar. 6.3.8).
    6.3.2       kernbegrippen en sl agingsvoorwaarden
                Om inzicht te verwerven in de achtergronden van ict, economie en handel,
                voorziet deze subparagraaf in een korte inleiding in deze materie aan de hand
                van kernbegrippen en slagingsvoorwaarden.
                Kernbegrippen
                Het meest brede begrip voor de toepassing van ict in de economie is electronic
                commerce (e-commerce). Dit is te omschrijven als het geheel van zakelijke hande-
                lingen dat op elektronische wijze wordt uitgevoerd ter verbetering van de effi-
                ciëntie en effectiviteit van een bedrijf (Ministerie van Economische Zaken 1998).
                Dit kan via verschillende netwerken: intern (intranet), tussen een beperkt aantal
</pre>

====================================================================== Einde pagina 180 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 181 ======================================================================

<pre>                    kansen en bedreigingen voor de nederlandse handel: mondialisering en informatisering
partijen (extranet) of via het reguliere, open internet, waaraan alle partijen op elk
moment zonder voorafgaande afspraken kunnen deelnemen.
Een eerste relevant onderscheid binnen het bredere begrip e-commerce betreft de
aard van de actoren. Er kan onderscheid worden gemaakt tussen Business to Busi-
ness-relaties (b2b) en Business to Consumers-relaties (b2c). Een bedrijf kan uiter-
aard tegelijkertijd zowel b2b- als b2c-relaties onderhouden. Bedrijven kunnen
bovendien worden onderverdeeld in enerzijds fysieke, gevestigde bedrijven van
‘steen en cement’ (bricks and mortar), die bij het zaken doen mede gebruikmaken
van ict, en anderzijds zuiver virtueel opererende bedrijven, die speciaal zijn
opgericht om van de nieuwe technologische mogelijkheden profijt te trekken.
Een tweede onderscheid is dat naar het type van goederen en diensten. Aan de
ene kant is er de handel in fysieke goederen en diensten die online worden
verkocht maar offline, in de fysieke wereld, worden geleverd. Aan de andere kant
is er de handel in goederen en diensten die ook online worden geleverd, zoals
computersoftware of muziek die kan worden gedownload. Een voorwaarde voor
online-levering is uiteraard dat het product in digitale vorm kan worden aan-
geboden. Men maakt in dit verband ook wel onderscheid tussen indirecte en
directe e-commerce.                                                                                      177
Een derde onderscheid is dat naar het type handelingen dat met behulp van ict
wordt verricht. Hier zijn drie fasen te onderscheiden.In de fase vóór de verkoop
gaat het om het geven van algemene informatie over de onderneming, om de
marketing (adverteren) en om het versterken van de klantenbinding, bijvoor-
beeld via elektronische nieuwsbrieven.Onder de daadwerkelijke verkoopfase
vallen handelingen als het verstrekken van informatie over producten en
diensten, het zoeken en vergelijken met behulp van intermediairs op het inter-
net, de in- en verkoop, de betaling en de distributie. In de derde fase, na de
verkoop (after sales), kan worden gedacht aan het oplossen van problemen bij de
gebruikers (Frequently Asked Questions, faq’s), het raadplegen van gebruiks-
aanwijzingen op het internet en de evaluatie.
Een vierde onderscheid betreft de ontwikkelingsfase waarin het bedrijf zich
bevindt met betrekking tot de mate van integratie van e-commerce-toepassingen
in de ‘normale’ bedrijfsvoering.
In de eerste fase wordt slechts een beperkt aantal zakelijke handelingen van het
bedrijf met behulp van elektronische middelen uitgevoerd. Ieder bedrijf zal hier-
bij een eigen selectie maken van te automatiseren handelingen, verdeeld over de
verschillende genoemde stadia. Wanneer het product zich minder goed leent
voor verkoop online, zal de nadruk op de eerste en derde van de hiervoor bespro-
ken fasen liggen (voor en na de verkoop). De meeste (Nederlandse) bedrijven
bevinden zich in deze groep.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 181 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 182 ======================================================================

<pre>    neder l a nd h a ndel sl a nd
                Een stap verder zijn bedrijven die de externe communicatiekanalen van het
                bedrijf, waaronder het internet, integreren en koppelen aan de interne processen.
                Op het internet gedane verzoeken om brochures worden bijvoorbeeld direct
                doorgegeven aan de postkamer voor de verzending.
                Een principiële fase verder bevindt zich de extended enterprise, waarbij ook
                sprake is van externe integratie en waarbij informatiesystemen van verschillende
                economische eenheden aan elkaar worden gekoppeld en met elkaar kunnen
                communiceren. De externe integratie kan zowel de klanten als de toeleveranciers
                betreffen. Klanten kunnen via de computer bestellingen op maat doen en vervol-
                gens nagaan hoe de verwerking van hun opdracht door het bedrijf vordert.
                Toeleveranciers hebben online toegang tot de informatie van het bedrijf, zodat ze
                op de hoogte zijn van wat de klant bestelt. Dit derde stadium wordt ook wel
                ketenintegratie (integrated value chain) of e-business genoemd.
                Wereldwijd is deze derde fase voor nog slechts een zeer klein aantal bedrijven
                realiteit. Dit is van belang, omdat de werkelijk ingrijpende veranderingen ten
                gevolge van ict (en de daarmee gepaard gaande verlaging van transactiekosten)
                zich pas zullen voordoen wanneer deze derde fase wordt bereikt. Veel beschou-
178             wingen hierover zijn derhalve niet meer dan verwachtingen. Zeker op dit terrein,
                waar het niet om de nieuwe technologieën op zich gaat, maar om hun economi-
                sche acceptatie en verwerking, bevat iedere evaluatie ex ante onvermijdelijk een
                speculatief element. Hier komt bij dat ook rekening moet worden gehouden met
                vertragende factoren, waarop de invoering van een doorbraaktechnologie onver-
                mijdelijk stuit. Er zijn niet alleen de voor de hand liggende problemen van tech-
                nische standaardisatie. Veel belangrijker zijn allerlei niet-technologische voor-
                waarden, die een conditio sine qua non zijn voor succesvolle invoering, maar
                traditioneel worden onderschat. Juist de meer ‘zachte’ voorwaarden, van psycho-
                logische en culturele aard, kunnen een onvermoede barrière vormen.
                Slagingsvoor waarden
                Aan welke voorwaarden moet worden voldaan wil e-commerce werkelijk een
                succes worden? Allereerst zijn er de basale technologische voorwaarden waaraan
                moet worden voldaan, zoals voldoende capaciteit van het netwerk en de snelheid
                van de elektronische overdracht van gegevens. Er blijkt een positieve samenhang
                te bestaan tussen de mate waarin bedrijven investeren en de recente liberalisatie
                van de markten voor telecommunicatie (Coppel 2000: 13). Landen die hiertoe
                eerder overgingen, zoals de Angelsaksische en Scandinavische landen, hebben
                de grootste netwerkcapaciteit en het grootste aantal sites voor e-commerce.
                Liberalisatie blijkt een duidelijk positief effect te hebben op de productiviteit en
                de kwaliteit van de diensten en een negatief effect op de hoogte van de prijzen.
                Daarnaast doen zich vele problemen voor die door een combinatie van technische
                en juridische middelen moeten worden opgelost. Deze problemen hebben te
                maken met vereisten van (rechts)zekerheid, waarvoor in de virtuele sfeer nieuwe
                maatregelen moeten worden getroffen. De duidelijkheid die in de fysieke wereld
</pre>

====================================================================== Einde pagina 182 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 183 ======================================================================

<pre>                          kansen en bedreigingen voor de nederlandse handel: mondialisering en informatisering
      bestaat, moet in de virtuele sfeer opnieuw worden opgebouwd. Het gaat bijvoor-
      beeld om de identificatie en plaatsbepaling van de partijen, de vaststelling van de
      jurisdictie en van het toepasselijke rechtsstelsel, de veiligstelling van privacy en
      bescherming van de consument, de betrouwbaarheid van elektronische betaling
      en de zekerheid van naleving van de contracten in de fysieke sfeer. Het overzicht
      in subparagraaf 6.3.6 laat overigens zien dat het nieuwe juridische kader op
      hoofdlijnen vorm begint te krijgen.
6.3.3 informatisering en tr ansactiekosten
      Van de ontwikkelingen op ict-gebied wordt alom een verlaging van de trans-
      actiekosten in de economie verwacht. Hierbij denkt men met name aan het ver-
      lagen van de kosten van het zoeken, vergaren, bewaren, analyseren en verzenden
      van informatie. Deze algemene transactiekostenverlaging wordt globaal op drie
      manieren zichtbaar (Litan en Rivlin 2001).
      1 De kosten van productie en verspreiding van veel goederen en diensten dalen.
          Denk hierbij met name aan digitale producten.
      2 De efficiëntie van het management neemt toe, met name op het gebied van
          logistiek en voorraadbeheer, doordat er efficiënter kan worden gecommuni-
          ceerd met leveranciers en klanten.                                                                   179
      3 Markten worden transparanter en groter, waardoor de concurrentie toeneemt
          en ondernemingen efficiënter gaan produceren. De toegenomen transparantie
          vermindert ook de mogelijkheden voor ondernemingen om zich onopge-
          merkt en ongestraft opportunistisch te gedragen.
      Coppel (2000) geeft een overzicht van het onderzoek naar prijsdalingen en
      verbeterde efficiëntie in de b2c-sfeer. De resultaten lopen zozeer uiteen, dat
      slechts met grote omzichtigheid kan worden gesteld dat de genoemde voordelen
      zich daadwerkelijk voordoen. Hij refereert aan een studie van Goldman Sachs
      (2000), waaruit blijkt dat op het terrein van b2b door het gebruik van e-
      commerce besparingen mogelijk zijn die uiteenlopen van 2 procent tot 40 procent
      (tabel 6.1). Dit onderzoek is echter gebaseerd op hoogst onzekere veronderstellin-
      gen, zodat de uitkomsten zeer speculatief zijn. Op basis van dit onderzoek kan
      wel worden geconcludeerd dat de verwachte kostenbesparingen sterk variëren
      tussen de bedrijfstakken.
      Het is niet uitgesloten dat door ict de transactiekosten ook kunnen toenemen
      (Herings en Schinkel 2000). De kosten voor de levering van fysieke goederen
      kunnen stijgen, wanneer e-commerce leidt tot een toename van de verzending
      van kleine pakketten (bij het wegvallen van intermediairs). Tevens kan het inter-
      net tot een zodanige toevloed van informatie leiden, dat men door de bomen het
      bos niet meer ziet. Enerzijds leidt dit tot problemen van opslag- en verwerkings-
      capaciteit, anderzijds ontstaat onduidelijkheid over de betrouwbaarheid van
      informatie. Dit leidt tot extra zoek- en verificatiekosten.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 183 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 184 ======================================================================

<pre>    neder l a nd h a ndel sl a nd
      Tabel 6.1         Potentiële kostenbesparingen als gevolg van b2b e-commerce in Amerikaanse
                       bedrijfstakken
       Bedrijfstak                                     Kostenbesparingen (in % van totale inputkosten)
       Luchtvaart en ruimtevaart                                            11
       Chemie                                                               10
       Steenkool                                                             2
       Communicatie                                                        5-15
       Computers                                                          11-20
       Elektronische componenten                                          29-39
       Levensmiddelen                                                      3-5
       Hout                                                               15-25
       Vrachttransport                                                    15-20
       Gezondheidszorg                                                       5
       Levenswetenschap (Life sciences)                                   12-19
       Machines                                                             22
       Media en reclame                                                   10-15
       Beheer- en reparatiediensten                                         10
180    Olie en gas                                                         5-15
       Papier                                                               10
       Staal                                                                11
      Bron: Coppel (2000)
                Een consequentie van deze tegengestelde invloeden op de hoogte van de transac-
                tiekosten is dat tegelijkertijd zowel intermediairs verdwijnen als nieuwe verschij-
                nen. De mogelijkheid die ict schept voor ondernemingen en hun toeleveranciers
                en klanten om directe contacten met elkaar aan te gaan, kan ertoe leiden dat
                bestaande intermediairs en makelaars overbodig worden. Tegelijkertijd verschij-
                nen echter nieuwe intermediairfuncties op het gebied van informatieverwerking,
                -selectie en -waardering: de zogenaamde infomediairs (zie Van Tuyl en Ribbers
                2002 voor een overzicht).
    6.3.4       feitelijke ont wikkelingen
                Het is niet eenvoudig om vast te stellen hoe wijdverspreid en omvangrijk e-
                commerce inmiddels is. Nog lastiger is het om de toekomstige ontwikkeling van
                deze vorm van handel te voorspellen. Deze subparagraaf presenteert verschil-
                lende indicatoren die pogen tezamen een zo goed mogelijk beeld te geven van de
                grootte en de ontwikkeling van e-commerce. Daarbij wordt zoveel mogelijk
                gebruikgemaakt van internationaal vergelijkende data, die een indruk geven van
                de relatieve positie van Nederland. Hoewel getracht is zo recent mogelijk cijfer-
                materiaal te gebruiken, berusten sommige indicatoren op gegevens van enige
                jaren oud. Dit vraagt enige voorzichtigheid bij de interpretatie van deze gegevens
</pre>

====================================================================== Einde pagina 184 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 185 ======================================================================

<pre>                                                                        kansen en bedreigingen voor de nederlandse handel: mondialisering en informatisering
                   voor de huidige toestand. De dynamiek van de sector leidt soms tot aanzienlijke
                   verschuivingen in korte tijd.
                   Verspreiding van en mogelijkheden voor e-commerce
                   Twee basisvereisten voor e-commerce zijn het pc-bezit onder de inwoners van
                   een land en het aantal internetgebruikers (figuur 6.2). De eerste factor is een
                   indicator voor de aanbodkant (hardware) van ict, de tweede factor voor de mate
                   van gebruik. Op beide indicatoren scoort Nederland in vergelijking met andere
                   oecd-landen redelijk hoog, op enige achterstand van de Angelsaksische en
                   Scandinavische landen, maar met een aanzienlijke voorsprong op de Zuid- en
                   Oost-Europese landen.
 Figuur 6.2                            Aantal pc’s en internetgebruikers per 100 inwoners, 1999
60
                                       pc's per 100 inwoners
                                       internetgebruikers per 100 inwoners
50
40
                                                                                                                                                                                                                                                   181
30
20
10
 0
     Tsjechië
                                                                                                                                                                             Denemarken
                Hongarije   Portugal
                                        Griekenland
                                                      Spanje
                                                               Italië
                                                                        Frankrijk
                                                                                    Oostenrijk
                                                                                                 Ierland   België           Korea
                                                                                                                                    Luxemburg   Nederland   Duitsland
                                                                                                                                                                        VK
                                                                                                                                                                                          Australië
                                                                                                                                                                                                      Finland   Canada
                                                                                                                                                                                                                         VS
                                                                                                                                                                                                                              Zweden
                                                                                                                                                                                                                                       Noorwegen
                                                                                                                    Japan
 Bron: cbs (2001)
                   Een indicator die meer direct met e-commerce samenhangt, is de ontwikkeling
                   van het aantal secure servers per miljoen inwoners (figuur 6.3). Secure servers
                   maken het via encryptietechnieken mogelijk om op een veilige manier gegevens
                   uit te wisselen. Webwinkels maken van deze technologie gebruik om de veilig-
                   heid van de persoons- en creditcardgegevens van hun klanten te garanderen.
                   Het aantal secure servers is daarmee een indicatie voor het aantal webwinkels in
                   een land. Het valt op dat de stijging van jaar tot jaar opmerkelijk hoog is.
                   Hoewel het aantal secure servers op dit moment niet bijzonder hoog is, doet zich
                   wel een zeer snelle groei voor (oecd 2001). Deze groei concentreert zich in de
                   eerste wereld van de oecd en daarbinnen in het bijzonder in de Angelsaksische
                   en Scandinavische landen. Met betrekking tot het aantal secure servers heeft
                   Nederland enige achterstand op deze kopgroep.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 185 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 186 ======================================================================

<pre>      neder l a nd h a ndel sl a nd
                  Een volgende indicator is het aantal internet hosts per 1000 inwoners (figuur 6.3).
                  Het gaat hierbij om “computers die direct met het internet zijn verbonden, hun
                  eigen ip-adres en volledige tweerichtingstoegang tot andere ‘nodes’ op het
                  netwerk hebben” (cbs 2001a). Nederland volgt wederom direct na de leidende
                  Angelsaksische en Scandinavische landen.
                  In figuur 6.4 is ten slotte het percentage online- en offline-shoppers onder inter-
                  netgebruikers weergegeven. “Online-shoppers zijn personen die via internet iets
                  bestellen of kopen. Offline-shoppers zijn personen die op grond van via internet
                  verkregen informatie via een ander kanaal iets bestellen of kopen” (cbs 2002:
                  207). Binnen de oecd neemt Nederland hier een middenpositie in.
        Figuur 6.3 Secure servers en internethosts, 2000
      300
                                                                                                                                                                        secure servers per miljoen inwoners
                                                                                                                                                                        internethosts per duizend inwoners
      250
      200
182
      150
      100
       50
         0
                                                                                                 Denemarken
             VS
                  Australië
                              Zwitserland
                                            Zweden
                                                     OECD
                                                            VK
                                                                 Finland   Ierland
                                                                                     Noorwegen
                                                                                                              Duitsland
                                                                                                                          EU
                                                                                                                               Nederland
                                                                                                                                           België   Japan
                                                                                                                                                            Frankrijk
                                                                                                                                                                        Spanje   Tsjechië
                                                                                                                                                                                            Italië
                                                                                                                                                                                                     Portugal   Hongarije
                                                                                                                                                                                                                            Griekenland
                                                                                                                                                                                                                                          Korea   Polen   Turkije
        Bron: oecd (2001)
                  De hiervoor besproken indicatoren leiden tot twee conclusies. De eerste is dat het
                  aanbod en het gebruik van ict snel groeien, hoewel het niveau soms nog laag is.
                  De tweede conclusie is dat de oecd-landen een leidende positie innemen en
                  daarbinnen vooral de Angelsaksische en Scandinavische landen. Nederland heeft
                  mondiaal gezien een plek in de kopgroep, maar binnen deze kopgroep heeft het
                  niet meer dan een middenpositie.
                  Niveau van e-commerce
                  Het meten van de omvang van e-commerce staat nog in de kinderschoenen.
                  Slechts weinig statistische bureaus verzamelen hierover op systematische wijze
                  gegevens. Tabel 6.2 geeft schattingen van een aantal consultancyfirma’s van de
                  omvang van wereldwijde e-commerce. De zeer grote verschillen tussen de
</pre>

====================================================================== Einde pagina 186 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 187 ======================================================================

<pre>                               kansen en bedreigingen voor de nederlandse handel: mondialisering en informatisering
         schattingen onderstrepen nog eens de onzekerheid over deze omvang.
         Wel bestaat er overeenstemming over de snelle jaarlijkse groei.
Tabel 6.2        Schattingen van de omvang van wereldwijde e-commerce (x $ 1 mld)
                                            1999                   2003         Gemiddelde jaarlijkse
                                                                                             groei (%)
e-Marketer                                      98                 1.244                            89
idc                                           111                  1.317                            85
ActivMedia                                      95                 1.324                            93
                 a
Forrester Low                                   70                 1.800                           125
Forrester Higha                               170                  3.200                           108
Boston Consulting Group                     1.000                  4.600                            46
a
  Inclusief edi.
Bron: Coppel (2000)
         In de e-commerce overheerst b2b momenteel in sterke mate ten opzichte van b2c.
         Schattingen van het aandeel van b2b lopen uiteen van 65 procent tot 80 procent
         (Coppel 2000; oecd 2001). Een verklaring hiervoor is dat er bij de toelevering                             183
         van onderdelen veelal sprake is van langdurige relaties tussen leveranciers en
         producenten. Dit maakt het mogelijk om op korte termijn b2b e-commerce-tech-
         nieken te implementeren en een aanzienlijke reductie van (transactie)kosten te
         realiseren. Deze langdurige relaties tussen een beperkt aantal partijen zijn karak-
         teristiek voor b2b-relaties, maar ontbreken in het algemeen in de b2c-sfeer, waar-
         door b2c e-commerce relatief minder makkelijk van de grond komt.
         In 2000 gaf zo’n 40 procent van alle ondernemingen in de oecd aan via het
         internet aan- en/of verkopen te doen (oecd 2001). Twee zaken vallen hierbij
         verder op. Ten eerste richten ondernemingen zich meer op het inkopen dan op
         het verkopen via internet. Ten tweede doen grote bedrijven meer aan e-commerce
         dan kleinere bedrijven. Het ligt voor de hand om de verklaring hiervoor te
         zoeken in de hoge initiële investeringskosten van het zakendoen via het internet,
         die makkelijker door een groot dan een klein bedrijf kunnen worden opgebracht.
         Een andere reden is dat het mkb voorzichtiger is met de implementatie van
         nieuwe technieken, omdat deze ondernemingen grotendeels afhankelijk zijn van
         één kernproces. Dit maakt dat de consequenties van falen veel groter zijn.
         De omvang van e-commerce verschilt sterk tussen sectoren. Naast de high
         technology-sector zijn in de b2b ook traditionele sectoren als de auto- en
         scheepsbouw en de chemische industrie goed vertegenwoordigd. Het aandeel
         van e-commerce in de omzet van de detailhandel in de vs bedroeg in 2000
         echter slechts 0,8 procent. Daarmee had deze bedrijfstak het kleinste aandeel van
         e-commerce in de omzet. Bovendien werd daarvan zo’n driekwart gerealiseerd
         door voormalige postorderbedrijven (cbs 2001a). Het aandeel van e-commerce
         was in 1999 het grootst in de sectoren industrie (12%), groothandel (5%) en reizen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 187 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 188 ======================================================================

<pre>    neder l a nd h a ndel sl a nd
                (21%). De hoge percentages in de industrie en groothandel worden toegeschreven
                aan het gebruik van oudere netwerksystemen, bekend als electronic data inter-
                change (edi), waarbij ook zonder papieren drager commerciële gegevens worden
                uitgewisseld.
                In Nederland beliep de waarde van e-commerce in 1999 0,2 procent van de totale
                waarde van de onderlinge leveringen van goederen en diensten tussen bedrijven
                (cbs 2001a). Hierbij werd in driekwart van de gevallen geen gebruikgemaakt van
                het internet, maar van gesloten netwerken.
                In de b2c-sfeer worden voornamelijk zaken gedaan via het internet bij de
                aanschaf van financiële diensten, computerhardware en -software, boeken,
                toegangskaartjes voor evenementen, consumentenelektronica, muziek en video,
                reizen en speelgoed (Coppel 2000, cbs 2001a). In juni 2000 gaf 6 procent van de
                Nederlanders (zo’n 400.000 huishoudens) aan in het afgelopen jaar elektronisch
                gewinkeld te hebben (cbs 2001a). In 1999 werd door Nederlandse huishoudens
                voor 212 miljoen euro aan goederen en diensten via het internet gekocht (0,3%
                van de omzet van de detailhandel). Overigens werd zo’n 30 procent van deze
                bestellingen bij niet-Nederlandse websites gedaan.
184
                De relatieve omvang van e-commerce is dus nog klein, maar de groei in de laatste
                jaren was wel aanzienlijk. Tabel 6.3 geeft een overzicht van redenen waarom
                mensen terughoudend zijn met elektronisch winkelen. Deze hangen vooral
                samen met de veiligheid en daarnaast met het ‘virtuele’ karakter van elektronisch
                winkelen. Volgens een onderzoek van het onderzoeksbureau Multiscope besloten
                150.000 klanten van Nederlandse webwinkels in 2000 om voorlopig geen online-
                bestellingen meer te doen, omdat een op de vier bestellingen niet werd bezorgd,
                er lange levertijden waren (34% van de klachten), er problemen optraden bij de
                afboeking (13%), of fraude met creditcard-gegevens werd gepleegd (9%) (Volks-
                krant 2001).
      Tabel 6.3         Motieven van internetgebruikers om niet elektronisch te winkelen, 2000
                                                                                                %
      Ik maak me zorgen over de beveiliging van mijn creditcard-gegevens                       49
      Ik wil een product kunnen zien, voelen of passen, voordat ik het koop                    43
      Ik maak me zorgen over het vrijgeven van persoonlijke gegevens                           33
      Ik kan niet op de door mij gewenste manier betalen                                       30
      Ik maak me zorgen over de garanties van het product                                      23
      Ik moet te veel persoonlijke gegevens invullen                                           14
      Ik maak me zorgen over de service van het bedrijf                                        10
      Bron: cbs (2001a)
</pre>

====================================================================== Einde pagina 188 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 189 ======================================================================

<pre>                         kansen en bedreigingen voor de nederlandse handel: mondialisering en informatisering
6.3.5 verwachte gevolgen in de rel aties tussen de economische
      actoren
      De toepassing van ict kan ingrijpende gevolgen hebben voor de organisatie van
      de relaties tussen verschillende economische actoren. Achtereenvolgens passeren
      de relaties tussen bedrijf, klant, en intermediair de revue. Vervolgens wordt
      aandacht besteed aan het belang van vertrouwen en van de fysieke plaats waar
      activiteiten plaatsvinden. Tekstbox 6.1 geeft enige voorbeelden uit de praktijk van
      veranderingen in de handel door informatisering.
      De relatie met de klant
      In vergevorderde fasen van e-commerce, waarin sprake is van interactiviteit en
      externe integratie tussen de actoren, wordt algemeen een omkering in de keten
      verwacht van aanbodgestuurd naar vraaggestuurd: ‘de klant produceert mee’.
      Hij kan dan immers dieper penetreren in de bedrijfsprocessen. Bovendien geven
      de toenemende markttransparantie en tijds- en plaatsonafhankelijkheid de klant
      meer marktmacht. Het internet stelt hem in staat de prijzen van verschillende
      aanbieders op verschillende locaties relatief snel en eenvoudig te vergelijken.
      Tevens wordt het eenvoudiger voor klanten om zich gezamenlijk te organiseren,
      zodat zij bijvoorbeeld prijsvoordelen kunnen bedingen of een blok kunnen                                185
      vormen in geval van een ondeugdelijk product.
      Voor ondernemingen biedt ict nieuwe mogelijkheden voor de analyse van klant-
      karakteristieken, wat kan leiden tot een meer individuele benadering: mass one-
      to-one communication. Het wordt belangrijker voor bedrijven om aandacht aan
      klantenbinding te besteden, omdat de klant dankzij ict gemakkelijker kan
      zappen.
      Er ontwikkelen zich ook nieuwe vormen van prijsvergelijking en prijsvorming.
      Zoekmachines op het internet genereren overzichten van de voordeligste aan-
      bieders. Het bestaan van deze zoekmachines voor prijsvergelijking bewijst overi-
      gens dat de (verwachte) transparantie op het internet nog niet is bereikt.
      Bij volledige transparantie zullen alle prijzen immers naar hetzelfde niveau
      tenderen, doordat alle kopers hun producten bij de aanbieder met de laagste prijs
      betrekken. De aanzienlijke prijsverschillen tussen aanbieders op het internet
      vormen het bestaansrecht van prijsvergelijkers. Veilingen zullen naar verwach-
      ting belangrijker worden. Het internet maakt het relatief eenvoudig veilingen te
      organiseren, waarop bedrijven en particulieren goederen te koop of te ruil
      aanbieden.
      Intermediairs
      De nieuwe communicatie- en distributiekanalen, zoals call-centers en het inter-
      net, maken een directe relatie tussen de producent en de eindafnemer mogelijk,
      zonder tussenkomst van tussenpersonen of intermediairs. ict leidt op deze wijze
      tot disintermediatie. Aan de andere kant gaat de opmars van ict ook gepaard met
      een overvloed aan informatie, waardoor er behoefte ontstaat aan nieuwe inter-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 189 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 190 ======================================================================

<pre>    neder l a nd h a ndel sl a nd
      Tekstbox 6.1 De invloed van ict op de handel
       Wat is de invloed van ontwikkelingen op het gebied van ict op de handel? De deelnemers aan de
       door de wrr georganiseerde workshop over de toekomst van de handel, onder wie velen die in de
       dagelijkse praktijk met de handel van doen hebben, constateerden en voorspelden meer of minder
       ingrijpende veranderingen al naar gelang de fase van het handelsproces zich hiertoe leent.
       In de contactfase is de invloed volgens de deelnemers zeker merkbaar. ict en met name het inter-
       net vergemakkelijken en versnellen het ‘zoeken’ en het ‘vindbaar zijn’. Het is eenvoudiger om
       klanten en aanbieders te vinden en om het eigen bedrijf (internationaal) te presenteren. Ook vindt
       er een kostenbesparing plaats door de catalogus op het internet te zetten in plaats van deze te laten
       drukken en enigszins ‘op goed geluk’ te verspreiden. Tevens maakt ict het voor de klant mogelijk
       om gerichter te zoeken (bijv. met behulp van zoekmachines).
       Een praktische implicatie is dat bijvoorbeeld de aard van het beursbezoek verandert. Vroeger
       kwam dit vaak neer op het langsgaan van alle aanwezige stands om te bezien wat er op de markt
       was; nu kan met behulp van ict vooraf een selectie van interessante stands worden gemaakt,
       zodat op de beurs zelf in kortere tijd gericht bepaalde stands kunnen worden bezocht. Het beurs-
       bezoek wordt hierdoor efficiënter voor zowel de standhouders als de bezoekers. De standhouders
186    ontmoeten alleen vooraf reeds geïnteresseerde en geïnformeerde klanten, de standbezoekers
       verspillen geen tijd aan voor hen oninteressante stands.Een tweede praktische implicatie is dat
       ict een directer contact mogelijk maakt tussen toeleverancier, producent en eindgebruiker. Deze
       directe relatie tussen maker en eindgebruiker maakt sommige intermediairs overbodig en schept
       de mogelijkheid voor de producent om veel directer te communiceren met de consument.
       Na het contact volgt de fase waarin het vertrouwen tussen aanbieder en vrager moet worden opge-
       bouwd. Hier speelt ict slechts een bescheiden rol. Alleen via een persoonlijke relatie tussen de
       twee partijen kan vertrouwen worden opgebouwd. Persoonlijke contacten zijn hierbij essentieel
       en kunnen in eerste instantie niet worden vervangen door communicatie in de vorm van e-mail of
       video conferencing. Deze hulpmiddelen komen pas in een latere fase in beeld, wanneer wederzijds
       vertrouwen voldoende is ontwikkeld. Dan kan ict wel helpen door frequente communicatie
       makkelijker en efficiënter te maken, waardoor bijvoorbeeld vliegreizen overbodig worden.
       ict speelt wel een rol in de verspreiding van reputaties. Informatie over vroegere transacties en
       ervaringen met huidige handelspartners kunnen makkelijker en sneller worden verspreid, waar-
       door de transparantie op dit punt toeneemt. De reputatie van een bedrijf neemt hierdoor in belang
       toe bij het vinden van nieuwe handelspartners.
       Ten slotte voorspelden de workshopdeelnemers een mogelijk zeer grote invloed van ict in de
       laatste fase waarin bedrijfsprocessen tussen verschillende ondernemingen met behulp van ict op
       elkaar worden afgestemd en met elkaar vervlochten raken.
      Bron: Workshop wrr over de toekomst van de handel, 24 oktober 2002
</pre>

====================================================================== Einde pagina 190 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 191 ======================================================================

<pre>                     kansen en bedreigingen voor de nederlandse handel: mondialisering en informatisering
mediairs: reïntermediatie. Het gaat hierbij ten eerste om intermediairs voor
informatie en advies: de infomediairs. Voorbeelden hiervan zijn informatie-
portalen en intermediairs voor product- en prijsvergelijking op het internet.
Ten tweede valt te denken aan intermediairs voor de verwijs- en onderhande-
lingsfunctie: aggregators. In de b2c-markt is met wisselend succes een aantal
inkoopcombinaties voor consumenten opgericht die als doel hebben de (onder-
handelings)macht van individuele consumenten te bundelen teneinde gunstigere
prijs- en leveringsvoorwaarden bij de producent of leverancier af te dwingen.
In de b2b-sfeer kunnen inkoopportalen als aggregators worden aangemerkt.
De positie van de traditionele intermediairs, de klassieke tussenhandel die voor
eigen rekening en risico producten van diverse toeleveranciers doorlevert aan
klanten (zie subpar. 5.3.3), staat onder druk. Ervaringen in de vs wijzen uit dat zij
zeker niet op de oude voet kunnen doorgaan, maar in de nieuwe situatie wel hun
sterke punten kunnen benutten. Bestaande bedrijven hebben minder problemen
met het nakomen van aangegane verplichtingen jegens de consument, doordat zij
meerdere distributiekanalen kunnen gebruiken en beschikken over een gevestigd
merk.
Ver trouwen                                                                                               187
Zowel in de b2b- als in de b2c-sfeer verhinderen vertrouwensproblemen een
snelle verbreiding van e-commerce-activiteiten (zie tekstbox 6.2). Bij b2b valt op
dat voornamelijk bedrijven die al van oudsher met elkaar handelen, gebruik
(durven) maken van nieuwe ict-toepassingen in de handel. Een efficiënte
toepassing vergt grote investeringen in techniek, organisatorische aanpassingen
en intensieve samenwerking tussen de beoogde e-commerce-partners. Zo’n rela-
tie gaat men daarom zelden aan met een partij waarmee men nog geen vertrou-
wensband heeft. Het vertrouwensprobleem in de b2c-sfeer komt voornamelijk
voort uit het feit dat het lastig is om, indien een transactie niet naar tevredenheid
is verlopen, ‘je recht te halen’. Transactiepartners kunnen zo anoniem zijn als een
e-mailadres en bij grensoverschrijdende transacties zijn de kosten van een
gerechtelijke procedure al snel hoger dan de mogelijke opbrengst – als er al duide-
lijkheid is over het geldende recht in de desbetreffende situatie.
Zoals is besproken in paragraaf 5.2 is reputatie een van de factoren die het
vertrouwenstekort kunnen opheffen, naast bijvoorbeeld juridische instituties.
Hierbij moet een onderscheid gemaakt worden tussen de eigen reputatie van een
bedrijf en het voordeel dat een bedrijf kan putten uit het feit een Nederlands
bedrijf te zijn. In dit laatste geval wordt het etiket ‘Nederlands’ als een merknaam
gebruikt, dat voor betrouwbaarheid staat. De informatisering werkt op twee
manieren op dit reputatiemechanisme in. Ten eerste ontstaan op het internet
aanvullende instituties die het vertrouwensprobleem mitigeren, zoals technische
protocollen bij de toelating tot gesloten netwerken als extranet. Belangrijker is de
tweede ontwikkeling. Dit betreft het gegeven dat ict de mate waarin overeen-
komsten worden nagekomen, beter zichtbaar maakt, zodat informatie over het
falen van ondernemers zich sneller verspreidt. Er is dan ook reden om het belang
</pre>

====================================================================== Einde pagina 191 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 192 ======================================================================

<pre>    neder l a nd h a ndel sl a nd
      Tekstbox 6.2 b2b e-commerce en vertrouwen
       De invoering van b2b e-commerce gaat gepaard met grote onzekerheden op het gebied van veilig-
       heid en betrouwbaarheid, die het vertrouwen tussen partners beïnvloeden. De onzekerheid
       belemmert de samenwerking en leidt tot onderbenutting van het groeipotentieel. De vraag hoe er
       vertrouwen tussen bedrijven ontstaat, zodat het groeipotentieel van b2b e-commerce kan worden
       benut, wordt beantwoord in een van de zeldzame empirische onderzoeken op dit terrein, het
       proefschrift van Pauline Ratnasingam (2001). Vanzelfsprekend dient men terughoudend te zijn in
       het generaliseren van de uitkomsten van één empirisch onderzoek.
       Uit het onderzoek van Ratnasingam blijkt dat het aangaan van samenwerking bij b2b e-commerce
       een grote en continue inspanning vergt van alle betrokken partijen om voldoende vertrouwen te
       genereren. Dit is een geleidelijk proces, waarbij de betrokkenen hun verwachtingen en doelen op
       elkaar moeten afstemmen. Hierbij zijn twee elementen van belang.
       Ten eerste moeten er afspraken worden gemaakt over in te bouwen technologische mechanismen
       die voldoende vertrouwen in de samenwerking genereren. Deze mechanismen verdisconteren
       calculatieve elementen van vertrouwen in systeemprotocollen, die gebaseerd zijn op contracten,
       regels en beleidsafspraken (Ratnasingam 2001: 46-49). Ten tweede wordt vertrouwen gegene-
188    reerd in een geleidelijk proces, waarin de wijze waarop men met elkaar omgaat binnen de samen-
       werkingsrelatie centraal staat. In dit proces zijn meestal drie fasen te onderscheiden (Ratnasingam
       2001: 150-151):
       1 In de eerste fase richten de partijen zich voornamelijk op de ‘calculatieve’ elementen van
          vertrouwen. Zij besteden veel tijd aan het vermogen van de andere partij om de technologie op
          een zodanige wijze toe te passen dat de beoogde economische en organisatorische resultaten
          worden bereikt. Dit heeft tot doel om de foutmarges in de toepassing van de technologie en
          externe veiligheidsrisico’s te beperken.
       2 In de tweede fase zijn eveneens overwegend calculatieve elementen van vertrouwen in het
          spel, hoewel deze een meer routinematig karakter krijgen. Als de prestaties goed blijven,
          vergroot dit wederzijds de geloofwaardigheid en betrouwbaarheid, waardoor de partners
          opener met elkaar gaan communiceren en bereid zijn om meer informatie met elkaar te delen.
          Er vindt een verschuiving plaats naar moreel vertrouwen.
       3 In de derde fase steunt de samenwerking nog sterker op elementen van moreel vertrouwen.
          Wederzijdse welwillendheid en inschikkelijkheid kenmerken het vertrouwen. De strategische
          opbrengsten van de samenwerking op de lange termijn komen centraal te staan. In deze fase
          ontwikkelen de partners als het ware een gemeenschappelijk denkkader en een gemeenschap-
          pelijke handelscultuur.
       Uit de fasegewijze ontwikkeling van de samenwerking op het gebied van b2b e-commerce lijken
       sterkere relaties tussen partners te ontstaan dan bij niet op e-commerce gerichte vormen van
       handel tussen bedrijven. De partners zijn in deze vorm van handel zowel economisch, technisch
       als sociaal sterker op elkaar aangewezen. Het bewustzijn van de vertrouwensrisico’s bij deze vorm
       van samenwerking en van het belang van het vinden van adequate oplossingen daarvoor is essen-
       tieel. Ratnasingam suggereert daarom dat organisaties die b2b e-commerce-activiteiten overwe-
       gen zich zouden kunnen verenigen in werkgroepen, waarin ervaringen worden uitgewisseld over
</pre>

====================================================================== Einde pagina 192 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 193 ======================================================================

<pre>                            kansen en bedreigingen voor de nederlandse handel: mondialisering en informatisering
de gewenste inzet om dergelijke activiteiten van de grond te krijgen. Een ander belangrijk hulp-
middel bij het opbouwen van vertrouwen in b2b e-commerce zijn volgens Ratnasingam duidelijke
formele spelregels die de partners met elkaar afspreken. Ten slotte moet worden geconstateerd dat
b2b e-commerce, los van de technische mechanismen en de volgtijdelijke opbouw van calculatief
naar moreel vertrouwen, een kwetsbare vorm van samenwerking is met hoge externe risico’s.
Dit maakt de vraag naar effectieve en betrouwbare mechanismen voor het beveiligen van informa-
tiestromen via internet urgent.
       van ‘Nederland’ als handelsmerk in een sterk door ict beïnvloede economie en
       handel te relativeren ten gunste van het belang van een goede eigen reputatie van
       ondernemingen. Samenwerkingsrelaties tussen ondernemingen berusten in
       toenemende mate op de overdracht van individuele reputaties (zie Gelauff
       2002b).
       Deterritorialisering
       Van ict wordt vaak een sterke impuls voor deterritorialisering verwacht, waar-
       mee bedoeld wordt dat de fysieke locatie van economische activiteiten er steeds
       minder toe doet. Dit effect wordt echter veelal overdreven (zie hierover ook
       subpar. 6.2.2 met betrekking tot mondialisering). ict als techniek leidt weliswaar                        189
       tot het verdwijnen van afstand, maar gezien de verwevenheid van de virtuele en
       de fysieke wereld betekent dit nog niet dat het belang van de geografische
       bepaaldheid afneemt (Economist 2001). Dit geldt met name bij de indirecte e-
       commerce.
       Een aantal factoren is hierbij van belang. Allereerst vervangt ict meestal niet
       bestaande communicatievormen, maar is zij in hoge mate aanvullend op
       bestaande, veelal sterk territoriaal bepaalde communicatiepatronen (wrr 2002a:
       124). De grote vlucht van ict in vooral b2b-relaties is mede te danken aan het feit
       dat het hierbij gaat om zakelijke partners die elkaar al jaren kennen en met elkaar
       vertrouwd zijn. Ten tweede is er sprake van een global/local-paradox: de
       mondialisering leidt tot een herwaardering van de directe fysieke omgeving
       waarin men leeft en werkt en waarop men nog vat heeft. De geografische ruimte
       wordt op een andere manier belangrijk. Ten derde volgt de nieuwe fysieke
       infrastructuur voor ict en internet, zoals kabels, meestal de bestaande infra-
       structuur, die zijn knooppunten in de steden heeft. Ten slotte blijven de behoef-
       ten van de consument deels ook lokaal of landelijk bepaald. Voortdurend zullen
       e-burgers en e-bedrijven switchen tussen het lokale en het internationale niveau.
       Mondiale, met name Amerikaanse netwerken zijn voortdurend in concurrentie
       met die op een lager niveau. De culturele factor met zijn inherente hardnekkig-
       heid werkt de ongebreidelde verspreiding van het Amerikaanse sociaal-economi-
       sche en juridische gedachtegoed tegen. Amerikanisering mag dan een mondiale
       trend zijn, er zijn grote verschillen in de mate waarin (Europese) landen hierte-
       gen weerstand bieden. Bovendien zijn er grote verschillen tussen sectoren, door-
       dat de mogelijkheden voor wereldwijde standaardisatie verschillen per product.
       Naar verwachting zal met name in het mkb het belang van culturele verschillen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 193 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 194 ======================================================================

<pre>    neder l a nd h a ndel sl a nd
                groot blijven, terwijl de Amerikanisering van handel(sgewoonten) zich vooral bij
                de multinationals in de financiële sector zal voordoen. Zolang er ruimte blijft
                voor differentiatie, blijft het vermogen van Nederland om in de handel met zeer
                verschillende culturen om te gaan een relatief voordeel, dat ook in de toekomst
                om onderhoud vraagt.
    6.3.6       juridische r andvoorwaarden
                In verband met de juridische randvoorwaarden voor de toepassing van ict in de
                handel zijn twee vragen van belang. De eerste vraag betreft de territoriale afbake-
                ning van overheidsbevoegdheden en de tweede de keuze tussen overheidsregule-
                ring en zelfregulering.
                Beginnend met de tweede vraag kan als uitgangspunt worden genomen dat zelf-
                regulering prevaleert. Dit bevestigt immers het primaat van de directe actoren,
                burgers en bedrijven, wat in overeenstemming is met de principiële ketenomke-
                ring die ict bewerkstelligt. Inherent aan ict is dat het burgers en bedrijven de
                mogelijkheid biedt zichzelf te certificeren (en te controleren) voor het gebruik
                van informatienetwerken. Zelfregulering is ook goed te realiseren doordat ict
190             sanctioneringsmogelijkheden biedt in de vorm van uitsluiting. Een tweede argu-
                ment waarom nationale overheidsregulering minder op zijn plek is, betreft de
                traditie van de dominante Amerikaanse rechtscultuur op het terrein van ict.
                Met betrekking tot de eerste vraag kan worden opgemerkt dat de overheidssfeer
                zich kenmerkt door het beginsel van territoriale differentiatie. In het algemeen
                vindt kaderstelling plaats op een hoger niveau en gebeuren de uitwerking en
                uitvoering op een lager niveau. Zowel mondiale, Europese als nationale overhe-
                den treden op als regelsteller.
                Op supranationaal niveau spelen diverse organisaties een rol. In het verband van
                de Verenigde Naties is een modelwet voor elektronisch rechtsverkeer opgesteld.
                Het belangrijkste uitgangspunt van deze modelwet is dat elektronisch rechts-
                verkeer geen oneigenlijke voor- of nadelen mag bieden ten opzichte van het klas-
                sieke, papieren rechtsverkeer. Vervolgens speelt de World Intellectual Property
                Organization (wipo) een rol als de organisatie die zich sterk maakt voor regels
                inzake intellectuele eigendomsrechten. De wto richt zich met name op markt-
                liberalisatie. Onderhandelingen tussen oecd-landen hebben onder andere geleid
                tot (niet-bindende) regels inzake fiscale en consumentenaspecten. Ten slotte is de
                regelgeving door de eu van belang. In eu-verband zijn diverse richtlijnen uitge-
                vaardigd die regels bevatten over zaken als contracteren op afstand, elektronische
                handtekeningen, elektronisch betalen, auteursrechten en privacy. Het belangrijk-
                ste uitgangspunt van deze regelgeving is het beginsel van de country of origin.
                Dit houdt in dat internetondernemers moeten voldoen aan de vereisten van het
                land waarin zij zijn gevestigd. Vooral het (Nederlandse) bedrijfsleven heeft zich
                sterk gemaakt voor dit principe. Op nationaal niveau beperkt de (Nederlandse)
                overheid zich voornamelijk tot de uitwerking en toepassing van eu-regelgeving.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 194 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 195 ======================================================================

<pre>                          kansen en bedreigingen voor de nederlandse handel: mondialisering en informatisering
      Naast regelgeving door (supranationale) overheden zijn er tal van initiatieven op
      het gebied van zelfregulering. Op mondiaal niveau gaat het hierbij om organisa-
      ties als de Internet Society en internic. Deze organisaties bevorderen de standaar-
      disatie van internettalen en -toepassingen, ontwikkelen het protocollenbeheer en
      beheren de uitgifte van domeinnamen. Een belangrijk initiatief in Nederland is de
      Gedragscode electronic commerce platform Nederland, met als kernbegrippen:
      transparantie, betrouwbaarheid en vertrouwelijkheid. Tevens worden keurmer-
      ken uitgevaardigd, onder andere door consumentenorganisaties (bijv. de Webtra-
      dercode) en door brancheverenigingen (bijv. de Thuiswinkel waarborg).
6.3.7 een beleidsredenering ten aanzien van de k ansen en
      bedreigingen
      De opmars van ict maakt de afbakening van de nationale ruimte minder vanzelf-
      sprekend. De gedeeltelijke deterritorialisering roept lastige vragen op: hoe dient
      men vast te stellen wat het Nederlandse belang is? Wanneer is er nog sprake van
      een Nederlandse economische activiteit? Gaat het om bedrijven naar Nederlands
      recht of om bedrijven die in Nederland gevestigd zijn? Wat is het Nederlands
      belang bij complexe samenwerkingsprojecten over de grenzen heen?
      Wanneer komt een project in aanmerking voor facilitering, bijvoorbeeld in de                             191
      vorm van kredietgaranties, door de Nederlandse overheid? Het moge duidelijk
      zijn dat het bij de beantwoording van deze vragen niet alleen om de aard van de
      actoren gaat, maar met name om de neerslag van de activiteit op de Nederlandse
      economie. Het Nederlandse belang is steeds minder verbonden met de vraag of
      een bedrijf zich in juridische termen in Nederland heeft gevestigd, maar meer
      met de vraag of een bepaalde economische activiteit uitstralingseffecten gene-
      reert voor de rest van de Nederlandse economie in termen van werkgelegenheid,
      belastinginkomsten, innovaties, enzovoort. De overheid staat ook voor een
      instrumenteel probleem. Zelfs als het gewenste ambitieniveau duidelijk is, is het
      de vraag welke beleidsinstrumenten de Nederlandse overheid ter beschikking
      staan, gegeven ontwikkelingen als internationalisering en deterritorialisering.
      Kansen en bedreigingen: algemene aspecten
      Gezien de onzekerheid van de toekomstige ict-ontwikkelingen is het niet moge-
      lijk harde uitspraken te doen over de kansen en bedreigingen die ervan uitgaan
      voor de Nederlandse handelspositie. ict fungeert primair als attractor voor
      bepaalde economische ontwikkelingen, maar de mate waarin en de wijze waarop
      dit het geval is, hangt van allerlei factoren af die losstaan van de nieuwe techno-
      logie. Bovendien zal de werkelijke invloed van ict zich pas manifesteren in de
      ontwikkelingsfase van e-business, waarin momenteel mondiaal slechts enkele
      bedrijven verkeren. Ten slotte heeft ict vaak een ambivalente uitwerking:
      tegengestelde effecten vinden tegelijkertijd plaats. Zo is er op het gebied van de
      intermediairs tegelijkertijd sprake van disintermediatie en reïntermediatie.
      De huidige intermediairs zijn in de nieuwe situatie bovendien niet kansloos,
      doordat op bepaalde punten hun historisch bepaalde voorsprong relevant blijft.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 195 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 196 ======================================================================

<pre>    neder l a nd h a ndel sl a nd
                Het is minder zinvol om deze tendensen verder uit te werken dan om de vraag te
                beantwoorden met welke strategieën men hen tegemoet dient te treden. Aller-
                eerst is het onverstandig om de ontwikkelingen te negeren vanuit de gedachte dat
                het ‘zo’n vaart niet zal lopen’. Even onverstandig is het om louter te kijken naar
                de instrumentele gevolgen van ict en niet naar de meer ingrijpende gevolgen op
                het niveau van het speelveld en voor de aard van de spelregels en de spelers.
                Het gaat erom vast te stellen welke aspecten van de huidige relatieve voorsprong
                – comparatieve voordelen – van Nederland toekomstbestendig zijn en bovendien
                vatbaar blijven voor eigen beleid. Een inventarisatie van elementen die essentieel
                zijn voor een goede uitgangspositie levert de volgende (niet uitputtende) lijst van
                aandachtspunten op:
                1 de kwaliteit van de fysieke infrastructuur;
                2 de mate van maatschappelijke inbedding en acceptatie van ict;
                3 het juridische en fiscale regime;
                4 kennis en expertise;
                5 het ondernemersklimaat.
                1       De kwaliteit van de f ysieke infrastructuur
                Bij de fysieke infrastructuur gaat het onder meer om de kwantiteit, de kwaliteit
192             en het geografische patroon van de elektriciteitsvoorziening, de infrastructuur
                voor telecommunicatie en de infrastructuur voor de feitelijke distributie.
                Ten dele zijn deze een verantwoordelijkheid van de nationale overheid zelf, ten
                dele kan de nationale overheid een gunstig klimaat scheppen voor private inves-
                teringen.
                Bij de infrastructuur voor telecommunicatie is niet alleen de prijs, maar vooral
                ook de kwaliteit van belang voor de transactiekosten. Doordat Nederland klein
                en dichtbevolkt is, is het relatief goedkoop om (glasvezel)kabels aan te leggen.
                Hoewel er al verschillende glasvezelnetwerken in Nederland liggen, is de meer-
                derheid van de huishoudens en bedrijven hierop nog niet aangesloten (zie ser
                2002 voor een beschouwing over de ‘laatste kilometer’-problematiek). Het is
                echter niet zeker dat de voorsprong in ‘bekabeling’ ook in de toekomst van belang
                zal zijn, aangezien er nieuwe, concurrerende typen van infrastructuur in
                opkomst zijn. De beste strategie is hier niet eenduidig vast te stellen. De overheid
                staat voor de keuze tussen enerzijds overlaten aan de markt en afwachten welk
                type infrastructuur het meest concurrerend is, en anderzijds in overleg met de
                private partners een zekere richting geven, op basis van een regelmatige herbe-
                oordeling van nieuwe technologieën, maatschappelijke behoeften, de organisatie
                van aanbiedende marktpartijen en bestuurlijke wensen, zoals een heldere verant-
                woordelijkheidsverdeling tussen publieke en private actoren.
                Ook de verdeling van risico’s over de actoren is een belangrijk aandachtspunt.
                Dit wordt geïllustreerd door de veiling van de umts-frequenties. Aanvankelijk
                werd in de hoge verwachte opbrengst voor de telecommunicatiebedrijven een
                rechtvaardiging gevonden om een deel van de toekomstige winsten naar de over-
                heid te sluizen. Inmiddels is er veel meer aandacht gekomen voor de risico’s en
</pre>

====================================================================== Einde pagina 196 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 197 ======================================================================

<pre>                    kansen en bedreigingen voor de nederlandse handel: mondialisering en informatisering
wordt betwijfeld of de geïnvesteerde miljarden ooit zullen worden terugver-
diend. Dit roept de vraag op of het terecht is dat alleen de private sector deze risi-
co’s voor zijn rekening dient te nemen.
Het volledig overlaten aan de markt heeft het gevaar dat er onvoldoende investe-
ringen plaatsvinden omdat bedrijven terugschrikken voor de hoge risico’s. Als de
overheid de ontwikkeling daarentegen in een bepaalde richting stuurt, bestaat
het gevaar dat zij een te sterke wissel trekt op een onzekere toekomst. De beste
strategie lijkt daarom een combinatie van beide. Zowel in het scheppen van
geconditioneerde markten voor de infrastructurele sector als in het entameren
van samenwerking met private partijen in met name de precompetitieve fase, is
ons land vergeleken met andere landen relatief vergevorderd, zodat hierop voort-
gebouwd kan worden (Ministerie van Economische Zaken 2002).
Ten aanzien van de infrastructuur voor de feitelijke distributie geldt het volgende.
Juist voor de indirecte e-commerce is de mate waarin aan de leveringsverplichtin-
gen voor materiële goederen kan worden voldaan, een cruciale factor in de
concurrentiestrijd. Problemen met de feitelijke nakoming van transacties kunnen
immers razendsnel tussen (potentiële) afnemers worden gecommuniceerd. De
relatieve voorsprong van Nederland op het (grotendeels organisatorische) terrein                         193
van distributie en logistiek blijft derhalve ook in de toekomst van groot belang.
Een adequate binnenlandse transportinfrastructuur is hierbij een belangrijke
voorwaarde.
Twee mogelijke toekomstige ontwikkelingen zijn hierbij relevant. De klanten-
binding, die juist bij e-business zeer belangrijk is, vergt wellicht een versterking
van de after sales-functie, zodat niet met louter distribueren kan worden
volstaan. Daarnaast biedt ict mogelijkheden om functies af te splitsen. Zo is het
denkbaar dat, mede gezien problemen van congestie en milieu in ons land, de
feitelijke distributie zich naar elders verplaatst. De vraag is of de regiefunctie dan
nog in Nederland blijft, al speelt bij deze functie taciete praktijkkennis een
belangrijke rol, die ook in de toekomst in sterke mate plaatsgebonden zal zijn.
2      De mate van maatschappelijke inbedding en acceptatie van ict
Gezien de wisselwerking tussen consumenten- en producenteninnovatie is de
mate van maatschappelijke inbedding en acceptatie van ict in een land in hoge
mate bepalend voor de ontwikkeling ervan. Juist omdat de inpassing van ict in
het economische proces een zaak is van trial and error en learning by doing, dient
er ruimte te zijn voor experimenten (zie ook wrr 2002a). Dit geldt zowel voor de
productiefunctie als voor de handelsfunctie. Aangezien Nederland, mondiaal
gezien, al een hoge acceptatiegraad van ict kent (zie subpar. 6.3.5) heeft het hier
een goede uitgangspositie. De Nederlandse overheid streeft naar een intensiever
gebruik van ict in de publieke sector en vervult hiermee een voorbeeldfunctie
voor de particuliere sector.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 197 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 198 ======================================================================

<pre>    neder l a nd h a ndel sl a nd
                3       Het juridische en fiscale regime
                De mogelijkheden voor nationaal beleid met betrekking tot het juridische en
                fiscale regime zijn beperkt. De hoofdlijnen hiervan worden op internationaal
                niveau en bovendien maar in beperkte mate binnen de overheidssfeer bepaald.
                Eerder is erop gewezen dat de dominante Amerikaanse traditie en het eigen
                karakter van de nieuwe technologie zelfregulering bevorderen. Een klein land kan
                hierin niet trendsettend zijn.
                Voor de elektronische handel moet de economische rechtsorde in belangrijke
                mate nog worden opgebouwd, doordat wat offline geldt niet zonder meer online
                kan worden toegepast. Het onderscheid tussen normstelling en uitvoering is hier
                cruciaal. Bij de normstelling kan de Nederlandse overheid niet meer zijn dan een
                actieve gesprekspartner op supranationaal niveau. Bij veel vormen van zelfregule-
                ring is zij überhaupt geen partij. Bovendien is het raamwerk voor deze normering
                al in belangrijke mate ontwikkeld. Het accent zal in de toekomst verschuiven naar
                de implementatie. Juist hier heeft een klein land aanknopingspunten om compa-
                ratieve voordelen te verwerven door de snelheid, doorzichtigheid (ook voor
                buitenlandse bedrijven) en de kwaliteit waarmee het deze internationale regels in
                het nationale recht verwerkt. In bredere zin kan de nationale overheid een juridi-
194             sche infrastructuur bieden die een snelle, ook voor niet-Nederlandse bedrijven
                betrouwbare geschillenbeslechting garandeert.
                Een stap verder zou zijn om de wet- en regelgeving die van belang zijn voor
                e-commerce in samenhang met de Nederlandse comparatieve voordelen te
                herzien. Niet alleen op het terrein van kwaliteitsborging en geschillenbeslech-
                ting, maar ook op het gebied van virtuele veiling- en handelssystemen en intel-
                lectueel eigendomsrecht ligt het juridische landschap nog voor een groot deel
                braak, waardoor er kansen voor Nederland zijn om internationaal een voortrek-
                kersrol te vervullen. Wanneer dit systeem internationaal zou worden aanvaard,
                zou dit bijdragen aan een level playing field met lage transactiekosten.
                Tot nog toe lijkt de Nederlandse overheid geen prioriteit te geven aan regelgeving
                op het gebied van ict. Er is nauwelijks specifieke Nederlandse regelgeving voor
                internetactiviteiten. Zonder duidelijke politieke sturing bestaat het gevaar dat
                ambtenaren op ministeries en Nederlandse vertegenwoordigers in internationale
                organen op dit terrein eenzijdig worden beïnvloed door direct belanghebbenden
                als het bedrijfsleven. Juist hier is voor de overheid een rol weggelegd om als
                beschermer van het publieke belang op te treden en zo de stem van de burger in
                de discussies en bij regelgeving te laten horen.
                4       Kennis en exper tise
                Een belangrijk onderdeel van handelskennis is het vermogen om efficiënt rele-
                vante informatie te vergaren en combineren. Taciete, niet-codificeerbare kennis
                en expertise blijven in een informatiserende wereld in hoge mate territoriaal
                bepaald (zie ook wrr 2002a). Zeker bij de internationale handel is het taciete
                kenniselement vrij groot, zodat de relatieve voorsprong van ons land in dit
</pre>

====================================================================== Einde pagina 198 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 199 ======================================================================

<pre>                   kansen en bedreigingen voor de nederlandse handel: mondialisering en informatisering
opzicht van belang blijft. Toch kan men de vraag stellen in hoeverre informatie-
vergaring en -koppeling in de informatiserende wereld andere kwaliteiten vragen
dan voorheen. In het huidige beleid richt de aandacht zich vooral op het onder-
wijs, met de nadruk op de algemene gebruikskennis van het internet en de
computer. Gezien de wijde verspreiding van computers en het bedieningsgemak
van de standaardcomputerprogrammatuur is het echter de vraag of zich hier een
vorm van marktfalen voordoet die een speciale rol voor de overheid rechtvaar-
digt. Van veel groter belang is dat de overheid zorg draagt voor adequaat onder-
wijs. Leerlingen en studenten kunnen, gebruikmakend van de mogelijkheden
van ict, samenwerkingsrelaties en netwerken opbouwen waarin de eigen talen-
ten en aanleg zo goed mogelijk tot hun recht komen. Het gaat daarbij om sociale
vaardigheden, taalvaardigheid, creatief vermogen, een heldere redeneerwijze en
voldoende flexibiliteit om in nieuwe situaties beslissingen te kunnen nemen
(zie ook Den Butter 2001). Ondersteuning van fundamenteel onderzoek op het
gebied van ict en computertoepassingen zelf is daarbij gewenst om de nodige
deskundigheid te behouden, maar is geen doel op zich.
Handelstransacties lijken, in de terminologie van Grossman en Maggi (2000),
een supermodulair karakter te hebben. Daarbij draagt de verhoging van de
productiviteit van de ene medewerker bij aan het marginale product van degene                           195
waarmee hij of zij samenwerkt. Landen zoals Nederland, maar ook Zweden en
Duitsland, waar de spreiding van de vaardigheden in de bevolking minder groot
is dan in bijvoorbeeld de vs, Canada en het vk, hebben comparatieve voordelen
bij productie met een dergelijk supermodulair karakter. Vanuit de optiek van de
handelsfunctie ligt het dan voor de hand om zich te richten op het ontwikkelen
van de mogelijkheden van ict om zakelijke transacties te vergemakkelijken,
waarbij het nut van de computer als rekentuig gecombineerd wordt met de
communicatie- en informatiefunctie van het internet. Voorbeelden zijn veiling-
systemen voor virtuele markten, zekerheden voor internationale leveringen en
betalingen, kwaliteitsborging van transacties (in e-commerce) en logistieke orga-
nisatie van distributie. Het rendement op deze kennisinvesteringen zal moeten
worden verkregen uit first mover-voordelen, maar vooral ook uit de koppeling
van deze technische kennis aan niet-codificeerbare, moderne handelskennis,
waardoor die kennis in ons land een zekere mate van exclusiviteit behoudt.
5     Het ondernemingsklimaat
Het ondernemingsklimaat in Nederland is, in vergelijking met andere eu-landen,
goed te noemen, maar zeker vergeleken met de Verenigde Staten valt er nog veel
te verbeteren, zoals op het punt van de administratieve lastendruk (Ministerie
van Economische Zaken 2002). Een belangrijk aandachtspunt is verder dat ten
gevolge van de onzekerheid van ict-ontwikkelingen ook goede ondernemers
(tijdelijk) kunnen falen. Zij moeten dan de ruimte krijgen voor een nieuwe start
of doorstart. Het is de vraag of onze faillissementswetgeving hierop voldoende is
ingesteld. Ook op het punt van corporate governance en transparantie van
besluitvorming loopt Nederland achter (Ministerie van Economische Zaken
2002).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 199 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 200 ======================================================================

<pre>    neder l a nd h a ndel sl a nd
                Vanwege de grote onzekerheid omtrent ict en nieuwe vormen van elektronisch
                zakendoen, zou de overheid experimenten op dit gebied op enigerlei wijze
                moeten faciliteren. Dit vermindert het risico van falen voor individuele bedrijven
                en het vergroot de mogelijkheid om opgedane ervaringen en kennis te delen met
                andere ondernemingen. Gezien de risico’s verdient het de voorkeur vooral expe-
                rimenten door bestaande bedrijven te ondersteunen, omdat deze meer veer-
                kracht hebben dan nieuwe ondernemingen.
    6.3.8       conclusie en de gevolgen voor net werken, intermediair s ,
                multinationals en instituties
                Een eerste algemene conclusie van de voorgaande beschouwingen is dat de gevol-
                gen van ict voor handel en economie zich pas werkelijk zullen doen gevoelen in
                de derde ontwikkelingsfase, die van de extended enterprise, waarin met behulp
                van ict externe integratie tussen economische actoren wordt gerealiseerd.
                Aangezien wereldwijd nog slechts enkele bedrijven deze fase hebben bereikt,
                gaat het hierbij in hoge mate om toekomstmuziek. De beschouwingen in dit deel
                van het rapport richten zich dan ook niet zozeer op aanpassingen aan de huidige
                situatie, maar op het zo goed mogelijk anticiperen op toekomstige ontwikkelin-
196             gen. Dit geldt ook als leidraad voor het (nationale) overheidsbeleid, waarvoor,
                zoals uit het voorgaande duidelijk is geworden, meer aanknopingspunten zijn in
                een door ict beïnvloede economie dan meestal wordt verondersteld. Vooral niet-
                economische beleidsterreinen, zoals onderwijs, cultuur en justitie, bieden
                aangrijpingspunten voor voorwaardenscheppend beleid.
                De verklaring hiervoor ligt in een tweede algemene conclusie, namelijk dat ict in
                de economie en handel niet leidt tot een aparte virtuele wereld die concurrerend
                en vervangend zou zijn ten opzichte van de klassieke ‘fysieke’ wereld. Er is
                veeleer sprake van toenemende verstrengeling van beide werelden. Veel ‘traditio-
                nele’ netwerken, voorzieningen, organisaties en instituties in de fysieke wereld,
                die in hoofdstuk 5 zijn besproken, blijven dus van belang. Wel staan zij voor de
                taak hun positie te heroverwegen en zich af te vragen wat hun sterke punten zijn,
                wat ze (nog) goed kunnen en waaraan behoefte blijft bestaan. Deze noodzaak van
                periodieke heroverweging vormt de derde algemene conclusie.
                Deze algemene conclusies hebben de volgende implicaties voor de in hoofdstuk 5
                besproken netwerken, intermediairs, multinationals en instituties. Met betrek-
                king tot netwerken kan worden opgemerkt dat ict nieuwe netwerken mogelijk
                maakt, in termen van nieuwe verbindingen en uitsluitingen. Dit geldt zowel voor
                de handelsfunctie als voor de productiefunctie. Hierbij dient men te waken voor
                technologisch determinisme, waardoor men ten onrechte zou concluderen dat
                ict tot een ongelimiteerde uitbreiding van netwerken leidt. Juist doordat er tech-
                nisch meer mogelijk is, worden andere, sociaal-culturele factoren die netwerken
                bepalen, zoals vertrouwen en instituties, verhoudingsgewijs belangrijker.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 200 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 201 ======================================================================

<pre>                        kansen en bedreigingen voor de nederlandse handel: mondialisering en informatisering
    Ten aanzien van intermediairs resulteert ict in een complex proces van disinter-
    mediatie en reïntermediatie. ict schept nieuwe behoefte aan intermediairs op het
    terrein van informatie, advies en verwijzing. Tevens creëert zij nieuwe mogelijk-
    heden voor de bundeling van intermediaire en andere economische functies
    binnen één organisatie, waardoor nieuwe concurrentieverhoudingen tussen
    gevestigde intermediairs en nieuwkomers ontstaan. Gevestigde intermediairs
    kunnen niet zonder meer op de oude voet doorgaan. Soms hebben zij evenwel
    ook voordelen ten opzichte van nieuwkomers, doordat zij reeds een reputatie
    hebben opgebouwd en deel uitmaken van een netwerk dat hun de mogelijkheid
    biedt gebruik te maken van verschillende oude en nieuwe kanalen.
    Ook voor multinationals schept ict nieuwe concurrentieverhoudingen tussen
    gevestigde ondernemingen en nieuwkomers. De meest saillante verandering lijkt
    hier te zijn dat ook relatief kleine spelers zonder een omvangrijk financieel kapi-
    taal en/of fysiek handelsvermogen een krachtige speler kunnen worden op
    mondiaal of Europees niveau, doordat de nieuwe technologieën het eenvoudiger
    en goedkoper maken om de eigen handelswaar internationaal te presenteren.
    Ten slotte heeft ict consequenties voor de instituties die de spelregels voor de
    internationale handel vormen. Op het niveau van de formele instituties zijn voor                         197
    de virtuele sfeer nieuwe, aanvullende regels nodig, die ook online rechtszekerheid
    en vertrouwen waarborgen. Op hoofdlijnen zijn inmiddels de juridische kaders
    ontwikkeld, die zich kenmerken door hun sterk internationale karakter en het
    hoge aandeel van zelfregulering. De nationale overheid kan zich hier met name
    onderscheiden door aanvullende regels, bijvoorbeeld met betrekking tot certifica-
    ten, en door de uitvoering, bijvoorbeeld via adequate voorzieningen voor ict het
    vertrouwensprobleem verminderen, anderzijds kan ict bestaande vertrouwens-
    mechanismen versterken, vooral het reputatiemechanisme. ict kan het falen van
    ondernemers beter zichtbaar maken.
6.4 conclusie
    De toekomstige handelspositie van Nederland zal mede worden bepaald door
    twee ontwikkelingen, die zich weliswaar al geruime tijd aftekenen, maar waar-
    van pas in de toekomst duidelijk zal worden hoe ingrijpend zij werkelijk zijn:
    mondialisering en informatisering. In dit hoofdstuk is aandacht besteed aan de
    kansen en bedreigingen voor de Nederlandse handel die van deze ontwikkelingen
    uitgaan.
    De mondialisering, oftewel de toename van grensoverschrijdende economische
    activiteiten die leiden tot een geïntegreerde wereldeconomie, is het gevolg van
    zowel de technologische ontwikkeling als van het gevoerde nationale en supra-
    nationale overheidsbeleid. Nieuwe vervoers- en communicatietechnologieën en
    de liberalisering van de handel in goederen, diensten en kapitaal hebben de
    belemmeringen voor internationale handel verminderd. De invloed van de tech-
    nologie werkt eenduidig in één richting, namelijk de vermindering van handels-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 201 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 202 ======================================================================

<pre>    neder l a nd h a ndel sl a nd
                belemmeringen. Voor het beleid geldt dit niet. Perioden van liberalisering van de
                handel hebben perioden van protectionisme afgewisseld en er is dan ook geen
                garantie dat het proces van mondialisering zich in de toekomst onverminderd zal
                voortzetten. Niettemin is in dit hoofdstuk van de veronderstelling uitgegaan dat
                dit het geval zal zijn.
                Door de vermindering van formele handelsbelemmeringen, zoals invoertarieven
                en quota, worden de informele belemmeringen voor het totstandkomen van
                internationale handelstransacties verhoudingsgewijs belangrijker. Het gaat hier-
                bij bijvoorbeeld om verschillen in taal en cultuur en het gebrek aan vertrouwen in
                en kennis van elkaar. Er zijn aanwijzingen dat Nederlanders relatief goed met
                dergelijke informele belemmeringen weten om te gaan en daardoor in staat zijn
                de transactiekosten van het aangaan en onderhouden van handelsrelaties te verla-
                gen. Dit geeft Nederland een goede uitgangspositie om zijn positie in de wereld-
                handel te behouden als het proces van liberalisering van de handel voortschrijdt
                en formele handelsbelemmeringen aan belang inboeten.
                Toch is handhaving van de handelspositie van Nederland in de toekomst niet
                verzekerd. Als gevolg van de verdere liberalisering van de wereldhandel zullen
198             Nederlandse handelaars meer concurrentie ondervinden van nieuwe spelers op
                de wereldmarkt. De sterke oriëntatie van Nederland op de West-Europese markt
                is in dit opzicht zowel een voordeel als een nadeel. Zij is een voordeel omdat de
                interne Europese markt al zo sterk is geliberaliseerd dat zich daar waarschijnlijk
                geen al te grote veranderingen meer zullen voordoen. Zij is echter een nadeel
                indien Nederland mogelijkheden onbenut zou laten om handelsrelaties te
                ontwikkelen met de grote nog ‘onontgonnen’ markten in Midden- en Oost-
                Europa, Azië en Latijns Amerika en indien Nederland zich onvoldoende zou
                voorbereiden op de concurrentie van nieuwe landen die de Europese markt
                zullen betreden. Als Nederland zijn positie als toegangspoort tot Europa wil
                behouden, lijkt het gewenst om de aandacht de komende jaren sterker te richten
                op deze nieuwe markten – en mogelijke nieuwe concurrenten én samenwer-
                kingspartners.
                Daarnaast is het in meer algemene zin wenselijk dat Nederland een van zijn sterk-
                ste punten – het vermogen om de transactiekosten ten gevolge van informele
                handelsbelemmeringen te verminderen – onderhoudt en verder versterkt.
                Dit vereist vooral investeringen in de meer zachte sectoren, zoals onderwijs
                (m.n. kennis van vreemde talen en culturen) en cultuur. Deze investeringen zijn
                enerzijds gewenst om de internationale oriëntatie van de Nederlandse beroeps-
                bevolking en het vermogen om bij buitenlandse partners vertrouwen te wekken
                in stand te houden of te vergroten, en anderzijds om Nederland als vestigings-
                plaats voor buitenlandse multinationals nog aantrekkelijker te maken. Dit laatste
                vereist, behalve investeringen in de sociale en culturele infrastructuur, natuurlijk
                ook een goede fysieke infrastructuur, hetgeen over het algemeen voldoende
                wordt onderkend.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 202 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 203 ======================================================================

<pre>                    kansen en bedreigingen voor de nederlandse handel: mondialisering en informatisering
De buitenlandse handel wordt momenteel voor het grootste deel gedragen door
grote ondernemingen en in het bijzonder door multinationals. Ook in de
toekomst zal dit waarschijnlijk zo blijven, maar dit neemt niet weg dat het
belangrijk is om de kansen van het mkb in de internationale handel niet onbenut
te laten. Vanwege de hoge (initiële) kosten van een buitenlandse handelsrelatie, is
het wenselijk hierbij meer collectief te opereren om daarmee schaalvoordelen te
boeken. Voorzover dergelijke collectieve actie niet door private partijen, zoals
brancheorganisaties en verzekeraars, kan worden georganiseerd, kan hierbij een
rol voor de overheid zijn weggelegd.
De verwachtingen over de gevolgen van ict lopen sterk uiteen. In dit hoofdstuk
gaat de raad uit van een evolutionair perspectief, waarin sprake is van geleidelijke
veranderingen waarvan het eindpunt nu nog niet valt te voorzien. Dit betekent
dat in ieder geval rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat ict
op termijn verstrekkende gevolgen zal hebben, maar dat de exacte aard daarvan
op dit moment nog moeilijk is te bepalen.
De toepassing van ict draagt er in beginsel toe bij dat transacties gemakkelijker
totstandkomen: de informatie-uitwisseling wordt goedkoper en sneller, markten
worden transparanter. Om tal van redenen is het effect van ict op de transactie-                         199
kosten in de praktijk echter minder eenduidig. De omvang van de handel via
elektronische media (e-commerce) is vooralsnog dan ook zeer bescheiden.
Voor de toekomst wordt verwacht dat vooral de elektronische relaties tussen
bedrijven in belang zullen toenemen, meer dan die tussen bedrijven en consu-
menten. De elektronische handel zal ook in de toekomst nauw verbonden blijven
met fysieke activiteiten, eenvoudigweg omdat de meeste producten niet in digi-
tale vorm kunnen worden geleverd. Het aandeel volledig virtuele bedrijven en
handelstransacties zal derhalve klein blijven. E-commerce zal er ook niet toe
leiden dat de rol van intermediairs is uitgespeeld. Wellicht zullen sommige inter-
mediairs verdwijnen (disintermediatie), maar tegelijkertijd zullen nieuwe inter-
mediairs ten tonele verschijnen (reïntermediatie). Ook is het een illusie om te
menen dat plaatsen en locaties in de toekomst niet meer van belang zullen zijn
(deterritorialisering).
De uitgangspositie van Nederland op het gebied van digitale handel is niet slecht,
maar ook niet leidend. Nederland behoort tot de internationale subtop als het
gaat om het gebruik van het internet en de beschikbaarheid van fysieke en digi-
tale voorzieningen.
Met het oog op de te verwachten of denkbare toekomstige ontwikkelingen
kunnen enkele aandachtspunten voor het overheidsbeleid worden aangegeven.
Allereerst is een herbezinning nodig op de vraag wat in een digitale wereld nog
als het Nederlandse belang kan worden aangemerkt. Bepalend daarvoor dient niet
zozeer de nationaliteit van de actoren te zijn, maar de vraag of bepaalde activitei-
ten in het voordeel zijn van de Nederlandse economie. Vervolgens dient de over-
heid de aandacht te richten op publieke goederen die medebepalend zijn voor de
</pre>

====================================================================== Einde pagina 203 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 204 ======================================================================

<pre>    neder l a nd h a ndel sl a nd
                uitgangspositie van een land bij de verdere ontwikkeling van e-commerce.
                Hierbij gaat het ten dele om dezelfde factoren die van belang zijn in verband met
                het mondialiseringsproces: de fysieke, sociale, culturele en juridische infrastruc-
                tuur, en het ondernemingsklimaat. Vanuit het perspectief van de elektronische
                handel ligt de nadruk soms wel op andere aspecten. Bij de fysieke infrastructuur
                is speciale aandacht vereist voor de telecommunicatie. Bij het juridische regime
                gaat het om de wijze (doorzichtigheid voor buitenlandse partijen, snelheid)
                waarop Nederland inspeelt op veranderende regels en standaarden die op supra-
                nationaal niveau worden vastgesteld. Verder is speciale aandacht gewenst voor de
                maatschappelijke inbedding van ict en voor de kennisontwikkeling en vooral
                kennisverspreiding ten aanzien van e-commerce.
                Samenvattend roepen de mondialisering en informatisering niet de noodzaak op
                van radicale wijzigingen in het Nederlandse beleid. Het gaat er vooral om dat
                Nederland zijn relatief goede uitgangspositie weet te handhaven of zo mogelijk
                weet te versterken, zodat voldoende wordt geprofiteerd van de kansen die deze
                ontwikkelingen bieden. Tegelijkertijd dient er oog te zijn voor de mogelijke
                bedreigingen die van de mondialisering en informatisering uitgaan op de Neder-
                landse handelspositie. Deze bedreigingen bestaan er voornamelijk uit dat Neder-
200             landse handelaren nieuwe mogelijkheden onbenut laten en daardoor worden
                gepasseerd door nieuwe spelers op het veld van de wereldhandel.
                In dit hoofdstuk is in het bijzonder de aandacht gevestigd op het belang van de
                meer zachte factoren die de toekomstige positie in de wereldhandel mede bepa-
                len. Hoewel de traditionele harde economische en fysieke factoren niet mogen
                worden verwaarloosd, lijken de kansen voor Nederland vooral te liggen in het
                versterken van de sociale, culturele en juridische factoren. Juist naarmate formele
                en fysieke belemmeringen voor de handel ten gevolge van mondialisering en
                digitalisering aan belang inboeten, zijn deze zachte factoren van groot belang
                voor het vermogen om de resterende transactiekosten ten gevolge van informele
                belemmeringen te verlagen en daarmee een sterke handelspositie te behouden.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 204 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 205 ======================================================================

<pre>                          kansen en bedreigingen voor de nederlandse handel: mondialisering en informatisering
noten
1
      Hierbij zijn nominale bedragen omgerekend naar volumina op basis van de prijs-
      index van het bbp van de Verenigde Staten.
2
      Indirect kan er overigens wel een belangrijke relatie bestaan. Als rijke landen
      belemmeringen opwerpen voor de invoer van goederen uit arme landen, zou dit
      de kloof tussen arm en rijk kunnen verscherpen en daardoor een stimulans
      kunnen zijn voor migratie van arme naar rijke landen.
3
      De totale Europese bevolking bedroeg rond 1900 circa 400 miljoen personen
      (bron: http://pstalker.com/migration/mg_history_3.htm#).
4
      Bergstrand (1985) vond dat de elasticiteit van bilaterale handel met betrekking tot
      de afstand zowel in 1965 als in 1975 –0,72 bedroeg; Frankel en Rose (2000)
      vonden voor de periode 1970-1995 een elasticiteit die, afhankelijk van de selectie
      van andere verklarende variabelen, varieert tussen –1,06 en –1,22. Eigen schattin-
      gen van gravitiatievergelijkingen voor afzonderlijke jaren laten zien dat de elasti-
      citeit van de afstand in de jaren vijftig en zestig ongeveer –0,7 bedroeg, in de jaren
      zeventig en tachtig ongeveer –1,0 en in de jaren negentig –1,3. Dit levert derhalve
      sterke aanwijzingen op voor een toenemend belang van afstand in de internatio-
      nale handel.                                                                                             201
</pre>

====================================================================== Einde pagina 205 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 206 ======================================================================

<pre>    neder l a nd h a ndel sl a nd
202
</pre>

====================================================================== Einde pagina 206 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 207 ======================================================================

<pre>                                                                           conclusies en aanbevelingen
7   conclusies en aanbevelingen
7.1 inleiding
    Nederland is al eeuwenlang een vooraanstaande handelsnatie. Dit is opmerkelijk,
    aangezien vele andere handelsnaties na een periode van bloei een periode van
    verval hebben gekend. Een belangrijk deel van de Nederlandse welvaart was en is
    nog steeds aan de handel te danken. Het is voor de Nederlandse welvaart nodig
    dat het bedrijfsleven een sterke concurrentiepositie heeft en op de wereldmarkt
    zijn producten winstgevend kan afzetten. Daarnaast is de welvaart die de handel
    heeft gebracht vooral ook te danken aan bekwaam handelaarschap. Hierbij gaat
    het om kennis en inzicht. Men moet weten waar in de wereld handelswaar te
    koop is of kan worden geproduceerd en waar die handelswaar tegen aantrekke-
    lijke winstmarges kan worden verkocht. Deze handelsfunctie speelt een centrale
    rol in de continuïteit van Nederland als handelsnatie. Daarbij valt te denken aan
    de aloude stapel- en distributiefunctie, maar tegenwoordig vooral ook aan de
    organisatie van de productie, de inkoop en de verkoop en aan de logistieke
    functie. In die zin vereist de handel specifieke en vaak geavanceerde technische
    kennis.                                                                                            203
    De continuering van de positie van Nederland als handelsnatie is echter niet
    vanzelfsprekend. Dit hoofdstuk gaat na welke bijdrage de overheid kan leveren aan
    het handhaven of zo mogelijk versterken van de positie van Nederland als handels-
    land. De transactiekosten nemen daarbij een centrale plaats in. Paragraaf 7.2 zet nog
    eens kort het belang van de transactiekostenbenadering uiteen. Omdat deze theo-
    retische benadering nog slechts ten dele met het beschikbare empirische onder-
    zoek kan worden onderbouwd, wordt tevens een onderzoeksagenda voor de
    komende jaren geformuleerd. Paragraaf 7.3 schetst enkele algemene uitgangs-
    punten voor het handelsbeleid in brede zin. Vervolgens geeft paragraaf 7.4 aan
    welke accenten er vanuit dit perspectief te zetten zijn bij het huidige handels-
    beleid. Paragraaf 7.5 gaat in op de gevolgen van de mondialisering voor het
    gewenste handelsbeleid en de lering die hierbij vanuit het transactiekosten-
    perspectief kan worden getrokken. Paragraaf 7.6 neemt vanuit dit perspectief de
    kansen en bedreigingen die van de opmars van ict uitgaan onder de loep.
    Paragraaf 7.7 vat de beleidsaanbevelingen nog eens samen.
7.2 het tr ansactiekostenperspectief op de handel
    Handelsstromen, en internationale handelsstromen in het bijzonder, komen niet
    uit zichzelf tot stand. Het tot stand brengen van handel is net zo goed een tech-
    niek als het produceren van goederen en diensten. Kenmerkend voor de techniek
    van de handel is dat zij gepaard gaat met aanzienlijke transactiekosten.
    Deze transactiekosten van de handel vormen het perspectief van waaruit dit
    rapport de positie van Nederland als handelsland en de gevolgen van de mondia-
    lisering en informatisering daarvoor beziet.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 207 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 208 ======================================================================

<pre>    neder l a nd h a ndel sl a nd
                Waarom is op dit moment meer beleidsaandacht voor de transactiekosten in de
                handel van belang? De voornaamste reden is dat zich twee ontwikkelingen voor-
                doen die de verhoudingen in de internationale handel fundamenteel kunnen
                veranderen. Ten eerste is er de steeds verdergaande mondialisering, die de
                concurrentie op velerlei markten doet toenemen en vergaande gevolgen kan
                hebben voor de wereldwijde handelsstromen en de positie die Nederland temid-
                den daarvan inneemt. Hierdoor zal het vermogen om de transactiekosten van
                internationale handelsrelaties te verlagen, waarschijnlijk nog aan belang winnen.
                De tweede verandering is de informatisering: de opkomst van ict en het daar-
                mee verbonden toegenomen belang van informatie in transacties. De belangrijk-
                ste consequentie van informatisering is dat bepaalde transactiekosten (zoekkos-
                ten, informatiekosten, voorraadkosten) zullen dalen, waardoor intermediairs die
                hun bestaansrecht ontlenen aan dergelijke transactiekosten, zullen verdwijnen.
                Daarnaast neemt dankzij deze informatisering de transparantie van markten toe,
                waardoor concurrentie en mondialisering nog eens worden versterkt.
                Beide ontwikkelingen – mondialisering en informatisering – bieden in de eerste
                plaats nieuwe kansen voor de Nederlandse handel. Maar wanneer Nederland niet
                adequaat op deze ontwikkelingen inspeelt, zouden zij ook een bedreiging
                kunnen vormen voor de Nederlandse handelspositie.
204
                Het perspectief van de transactiekosten biedt een ander zicht op het handelsbe-
                leid. Dit betekent overigens niet dat het huidige beleid verkeerd zou zijn, integen-
                deel. Het transactiekostenperspectief onderbouwt juist onderdelen van het
                handelsbeleid die tot nu toe een degelijke theoretische economische basis ontbe-
                ren en zet daarbij extra accenten. Hierbij laat dit perspectief zien hoe handel en
                een efficiënte uitoefening van de handelsfunctie op indirecte wijze bijdragen aan
                de groei van de productiviteit en de welvaart.
                Opgemerkt zij dat de reden om op dit moment een rapport over ‘Nederland
                handelsland’ uit te brengen niet is gelegen in de zorgelijke geluiden die recent
                over de Nederlandse handelspositie te beluisteren zijn. Het achterblijven van de
                Nederlandse export bij de wereldhandel en de stijging van de loonkosten ten
                opzichte van de concurrenten zijn verschijnselen die vooral conjunctureel van
                aard zijn. De raad onderkent het belang hiervan en de noodzaak om hierop
                adequaat te reageren. De aandacht richt zich in dit rapport echter op andere,
                structurele factoren, die hun invloed op veel langere termijn doen gelden.
                Transactiekosten in de handel
                Waarom benadrukt de raad in dit rapport het belang van de transactiekosten voor
                de analyse van de handel en het handelsbeleid? De aanleiding daarvoor is dat de
                transactiekosten essentieel zijn voor een goed begrip van hoe handel totstand-
                komt en derhalve ook voor een evenwichtige beoordeling van de handelspresta-
                ties van ons land. Vanuit wetenschappelijk oogpunt is er echter het probleem dat
                in de traditionele economische benadering van de handel de organisaties en insti-
                tuties van de handel onderbelicht blijven. Het werk van economen als Coase,
                Williamson en North heeft duidelijk gemaakt dat instituties, of ‘de spelregels van
</pre>

====================================================================== Einde pagina 208 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 209 ======================================================================

<pre>                                                                       conclusies en aanbevelingen
de economie’, zoals North deze noemt, van groot belang zijn voor een goed
begrip van de economische ontwikkeling. Deze zogenaamde Nieuwe Institutio-
nele Economie biedt in veel opzichten een aanvullend perspectief op de traditio-
nele analyse van de veronderstelde frictieloze handel. Dit perspectief van de
transactiekostentheorie is in het bijzonder van belang voor de handelsfunctie.
Zo kan men het bestaan van intermediairs in de handel alleen begrijpen wanneer
men zich realiseert dat er transactiekosten zijn. Natuurlijk is de aandacht van de
economische theorie voor transactiekosten en instituties niet nieuw: Coase
formuleerde zijn denkbeelden hierover al 65 jaar geleden. Maar de uitwerking en
toepassing van deze theorie voor ruiltransacties in de (internationale) handel,
door bijvoorbeeld Greif en Rauch, is van meer recente datum. Dit rapport bouwt
voort op deze recente inzichten en poogt daaruit conclusies af te leiden voor het
handelsbeleid.
Wat zijn transactiekosten?
De traditionele verklaring van de internationale handel legt de nadruk op de
comparatieve voor- en nadelen van landen in de productie van verschillende
goederen en diensten. Hierbij wordt verondersteld dat er welhaast vanzelf inter-
nationale handel totstandkomt als er tussen landen prijsverschillen bestaan.
In werkelijkheid gaat hieraan echter een aantal essentiële stappen vooraf. Het tot                 205
stand brengen van een (internationale) handelstransactie gaat met tal van kosten
gepaard. Voorbeelden hiervan zijn de kosten van het zoeken van een handels-
partner, van het onderhandelen over en afsluiten van een contract en van het
controleren en afdwingen van de gemaakte afspraken. Dit zijn allemaal trans-
actiekosten. Zowel de directe kosten die men maakt om een concrete transactie
tot stand te brengen als de indirecte kosten die men maakt om transacties in het
algemeen te vergemakkelijken, worden tot deze transactiekosten van de inter-
nationale handel gerekend.
De barrières voor de internationale handel die transactiekosten veroorzaken, zijn
formeel en informeel van aard. De formele barrières bestaan uit de hindernissen
die overheden opwerpen voor het importeren en exporteren van goederen en
diensten. In veel gevallen betreft dit fiscale maatregelen, zoals invoerheffingen,
die de relatieve prijzen beïnvloeden of restricties op hoeveelheden die geïmpor-
teerd of geëxporteerd mogen worden. De informele barrières spelen in de inter-
nationale handel echter een nog grotere rol en hebben in dit rapport dan ook
speciale aandacht gekregen. Taalmoeilijkheden, verschillen in tradities en
handelspraktijken, een moeizame toegang tot lokale netwerken en de kosten van
het onderhouden van relaties op afstand leiden ertoe dat handelskansen worden
gemist. Het betreft hier zowel een informatieprobleem als een vertrouwens-
probleem. Alvorens een overeenkomst te sluiten, willen de contractpartijen zich
vergewissen van de betrouwbaarheid van de andere partij. Bij internationale
transacties is een juridische waarborg moeilijker te realiseren dan bij binnen-
landse transacties. Daarnaast wordt de opbouw van vertrouwen tussen poten-
tiële handelspartners bemoeilijkt door de genoemde informele barrières, die het
veroveren of behouden van buitenlandse afzetmarkten tot een tijdrovende en
</pre>

====================================================================== Einde pagina 209 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 210 ======================================================================

<pre>    neder l a nd h a ndel sl a nd
                onzekere bezigheid maken. Intermediairs die zich hebben gespecialiseerd in het
                verlagen van informele transactiekosten kunnen de internationale handel bevor-
                deren door vraag en aanbod nader tot elkaar te brengen.
                Lage transactiekosten voor de Nederlandse handel
                In hoofdstuk 3 is geconstateerd dat het relatief grote aandeel van Nederland in de
                wereldhandel slechts voor een klein deel valt te verklaren uit ‘objectieve’ compa-
                ratieve voordelen. Nederland heeft, in vergelijking met andere oecd-landen, niet
                of nauwelijks comparatieve voordelen ten aanzien van kapitaal, grond, oplei-
                dingsniveau van de beroepsbevolking en technologie (par. 3.4). Wordt ook reke-
                ning gehouden met factoren als het gemiddelde inkomensniveau en de gunstige
                ligging aan zee, dan blijkt Nederland, tezamen met België en Ierland, méér inter-
                nationale handel te drijven dan andere eu-landen in vergelijking tot wat men op
                basis van een gravitatievergelijking zou verwachten. Aangezien binnen de
                interne markt van de eu de formele handelsbelemmeringen tussen landen geen
                noemenswaardige invloed kunnen hebben op de relatieve handelsprestaties van
                landen, duidt dit erop dat de sterke handelspositie van Nederland – maar overi-
                gens ook die van België en Ierland – voornamelijk moet worden toegeschreven
                aan het vermogen om informele belemmeringen te overwinnen en de daaraan
206             verbonden transactiekosten te verlagen. Deze argumenten vormen een aanwij-
                zing dat de handelaren van Nederlandse bodem een comparatief voordeel bezit-
                ten in het verlagen van transactiekosten.
                Reikwijdte van dit rappor t
                Vooralsnog is het helaas niet mogelijk deze hypothese van comparatieve handels-
                voordelen formeel en op directe wijze te toetsen op basis van internationaal
                vergelijkbare gegevens. Mede hierdoor mondt het transactiekostenperspectief op
                de handel in dit rapport niet uit in gedetailleerde beleidsaanbevelingen. De raad
                beperkt zich daarom tot het schetsen van een algemeen beleidsperspectief en een
                aantal generieke aanbevelingen. Afgezien van de praktijkvoorbeelden die in de
                tekstboxen zijn geschetst, gaat dit rapport niet in op de verschillen tussen speci-
                fieke (handels)sectoren.
                Een belangrijke aanbeveling van de raad is daarom om in de toekomst vanuit het
                transactiekostenperspectief nader onderzoek te verrichten naar een aantal aspec-
                ten van de buitenlandse handel. Dit onderzoek zou beter gefundeerde keuzen in
                het handelsbeleid in brede zin mogelijk moeten maken.
                In de eerste plaats gaat het daarbij om een andere ordening van statistische gege-
                vens. In de systematiek van de nationale rekeningen is het gebruik om de gege-
                vens over productie en toegevoegde waarde vanuit de verschillende sectoren in
                de economie op te bouwen. Deze beschikbaarheid van gegevens verklaart de
                dominante beleidsmatige aandacht voor de sectorale productiestructuur en
                productiviteitstoerekening. De handelsfunctie maakt echter deel uit van de
                economische bedrijvigheid in alle sectoren en blijft niet beperkt tot de traditio-
                nele handelssectoren uit de nationale rekeningen (detailhandel, groothandel,
</pre>

====================================================================== Einde pagina 210 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 211 ======================================================================

<pre>                                                                       conclusies en aanbevelingen
verkeer en vervoer). Voor een goede empirische analyse van het belang van de
transactiekosten voor de handel is daarom een functionele opsplitsing van gege-
vens naar enerzijds de productiefunctie en anderzijds de handelsfunctie nodig.
Het ontbreken van dergelijke gegevens is stellig een reden dat het belang van de
handelsfunctie en de rol van de transactiekosten daarbij tot nu toe onderbelicht is
gebleven.
In de tweede plaats is naar het oordeel van de raad nader onderzoek gewenst naar
drie aspecten die in dit kader van belang zijn, namelijk:
1 de bijdrage van de wederuitvoer aan de Nederlandse welvaart;
2 de relatie tussen handelskennis en productkennis;
3 de factoren die bepalend zijn voor goed handelaarschap.
Deze drie onderzoeksvragen worden hierna verder toegelicht.
1     De bijdrage van de wederuitvoer aan de Nederlandse welvaar t
Ten eerste is nader onderzoek gewenst naar de mate waarin de wederuitvoer een
eigenstandige bijdrage levert aan de Nederlandse welvaart. Wegen de hier
behaalde handelsmarges op tegen de gemaakte kosten, ook in maatschappelijke
zin? Onderdeel van dit onderzoek is ook de relatie tussen de fysieke distributie-
functie van ons land en de handelsfunctie. In hoeverre draagt de wederuitvoer bij                  207
aan congestie en levert hij milieukosten op? Er zijn indicaties dat de fysieke
distributiefunctie, in de zin van het stapelen en doorvoeren van goederen, in de
toekomst wel eens van minder belang zou kunnen worden. Zo nam het totale
gewicht van de goederen die in de Rotterdamse haven worden behandeld, tussen
1990 en 2001 met gemiddeld slechts 2,2 procent per jaar toe (cbs (h); Port of
Rotterdam 2002), terwijl de activiteiten op de luchthaven Schiphol in die periode
met respectievelijk 6,1 procent (vracht) en 8,2 procent (passagiers) per jaar toena-
men (cbs (h); Amsterdam Airport Schiphol 2002). Deze gegevens duiden op een
zekere ‘dematerialisatie’ van de handel, dat wil zeggen dat het gewicht of het
volume van de verhandelde goederen per euro toegevoegde waarde afneemt. Ook
bij een dergelijke dematerialisatie van de handel blijft logistieke kennis echter van
groot belang voor een verlaging van de transactiekosten. Wel verandert het karak-
ter van deze logistieke kennis. Voor het behoud van de handelspositie van Neder-
land is het daarom belangrijk om met de investeringen in logistieke kennis op
deze veranderingen te anticiperen. De nadere onderzoeksvraag is dan op welke
wijze het belang van de wederuitvoer, de distributiefunctie en de logistieke
kennis op elkaar afgestemd moeten worden en welke gevolgen dit heeft voor de
infrastructuur. Op voorhand kan overigens niet worden gesteld dat de snelle
toename van het aandeel van de wederuitvoer in de totale uitvoer een nadelige
ontwikkeling voor Nederland is.
2     De relatie tussen handelskennis en productkennis
Een tweede onderzoeksvraag is in hoeverre productkennis een voorwaarde
vormt voor de handel. Bestudering van cases en informatie van deskundigen in
de handel doen vermoeden dat, naast informatie over de kwaliteit van de produc-
ten, vooral kennis van het mogelijke gebruik ervan tot goede handelsprestaties
</pre>

====================================================================== Einde pagina 211 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 212 ======================================================================

<pre>    neder l a nd h a ndel sl a nd
      Tekstbox 7.1 Kennis en handel
       Welke kennis is nodig om succesvol in een bepaald product te kunnen handelen? Is het essentieel
       om van het product (en het productieproces) zelf kennis te dragen of is enkel een goede handels-
       techniek vereist? De deelnemers aan de door de wrr georganiseerde workshop wezen erop dat voor
       de beantwoording van deze vraag met name moet worden gekeken naar waar voor de handelaar zijn
       toegevoegde waarde ligt. Dit verschilt van product tot product. Kennis over de kwaliteit van het
       product is een beginvoorwaarde, maar andere soorten kennis kunnen eveneens essentieel zijn.
       Een interessant voorbeeld is dat van de internationale bloemenhandel waarin Nederlanders een grote
       rol spelen, ook met betrekking tot bloemen die in Nederland gekweekt noch voor de Nederlandse
       markt bestemd zijn (zie Gelauff 2002a). Van oudsher opgedane technologische kennis, productken-
       nis en logistieke kennis spelen een rol om het transport (en de kweek) van kwalitatief hoogwaardige
       bloemen mogelijk te maken. Daarnaast zijn ook innovatie (onderzoekscentrum Wageningen) en
       kennis van de afzetmarkt van groot belang om de bestaande handelspositie te handhaven.
       Een ander voorbeeld betreft de onderneming Dépex, een van oorsprong Nederlands productiebe-
       drijf dat momenteel als onderdeel van een Duits concern actief is als distributeur van technologi-
       sche producten voor laboratoria en medische elektronica. Door alert te zijn op waaraan in de
208    markt latent behoefte was (marktkennis), kon het handelshuis, mede dankzij interne kennis over
       hoe processen in een klinisch lab werken (proceskennis), in samenwerking met een buitenlands
       productiebedrijf een nieuw product ontwikkelen (productiekennis). De kennis over alle facetten
       van het product kon vervolgens worden ingezet om een uitgebreid pakket aan technisch advies,
       onderhoud en nazorg aan te bieden. De handel in dit product werd een succes. Innovatieve oplos-
       singen boden een meerwaarde op basis van zowel kennis over ‘behoefte’, over ‘gebruiken’, als
       over ‘maken’, zonder dat het product overigens daadwerkelijk door het handelshuis zelf geprodu-
       ceerd hoefde te worden.
       Er lijkt zich in veel gevallen in de ontwikkeling van een onderneming een proces voor te doen
       waarbij de kernactiviteit transformeert van het zelf produceren van een bepaald product naar
       internationale handel in het product. De productie wordt naar het (goedkopere) buitenland
       verplaatst of uitbesteed, terwijl de regie over de productie, r&d en de vermarkting van de produc-
       ten in het thuisland geconcentreerd blijven. Een bekend voorbeeld hiervan is Philips, dat begon-
       nen is als fabrikant en zich op basis van de verworven productkennis sluipenderwijs heeft
       getransformeerd tot een handelshuis in elektronica. De productie wordt zorgvuldig uitbesteed
       naar landen waar zij het goedkoopste kan plaatsvinden, terwijl Nederland nog de thuishaven is
       voor het hoofdkantoor (regie en marketing) en een belangrijk deel van de onderzoeks- en ontwik-
       kelingsactiviteiten (Natlab). Ook schepenbouwer Damen Shipyards vertoont kenmerken van dit
       proces. Oorspronkelijk bouwde het bedrijf alle schepen zelf, tegenwoordig laat het de rompen van
       schepen in de Oekraïne en China vervaardigen, terwijl de technisch hoogwaardige afbouw van
       het binnenschip en de regie over de bedrijfsactiviteiten nog grotendeels in Nederland plaatsvin-
       den. Het ligt in de lijn der verwachting dat de afbouw over enige jaren ook buiten Nederland zal
       geschieden. Regie, vermarkting en innovatie blijven Nederlandse activiteiten.
      Bron: Workshop wrr over de toekomst van de handel, 24 oktober 2002;
              Gelauff (2002a); Damen Shipyards: http://www.damen.nl;
              Dépex: http://www.depex.nl; Philips: http://www.philips.nl.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 212 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 213 ======================================================================

<pre>                                                                           conclusies en aanbevelingen
    kan bijdragen. De mate waarin productkennis nodig is, hangt sterk samen met de
    vraag waarin de toegevoegde waarde van de handelaar is gelegen. Voor sommige
    producten ligt deze toegevoegde waarde vrijwel geheel bij de verkoop van het
    product, zodat een goede marktkennis essentieel is. Voor andere producten is
    kennis van het product belangrijker, zodat de meerwaarde van de handelaar mede
    is gelegen in technisch advies, onderhoud en nazorg (zie voor een nadere uitwer-
    king tekstbox 7.1).
    3.     Factoren die bepalend zijn voor goed handelaarschap
    Misschien wel de belangrijkste onderzoeksvraag met het oog op het vergroten
    van de efficiëntie van handelstransacties is: welke factoren zijn bepalend voor
    goed handelaarschap? Hoe kan de Nederlandse handelstraditie, die tot ons cultu-
    rele erfgoed behoort, worden voortgezet, zodat Nederland ook in de toekomst
    zijn sterke handelspositie kan handhaven? Net als bij de verwante vraag naar de
    determinanten van goed ondernemerschap kan een wetenschappelijke analyse
    hierop moeilijk vat krijgen (vgl. de onderzoeken van Van Praag 1996 en van Uhla-
    ner et al. 2002, naar de factoren die ondernemerschap verklaren). Goed onderwijs
    en een voortrekkersrol in de ontwikkeling van kostenverlagende handelstechnie-
    ken vormen randvoorwaarden voor het voortzetten van die handelstraditie.
    Hierop wordt nog teruggekomen. Maar uiteindelijk zijn het de intuïtie en de                        209
    grotendeels ‘taciete’ kennis van de handelaar zelf, die succesvolle handel opleve-
    ren. Voorkomen moet worden dat, in het streven om Nederland conform de
    afspraken van de Europese top van Lissabon in 2000 als vooraanstaande kennis-
    economie in de vaart der volkeren op te stoten, de kennis vergeten wordt die
    nodig is om deze aloude koopmanstraditie in stand te houden. De nadruk op
    transactiekosten in dit rapport poogt de kunde van het handelaarschap in een
    nieuw beleidsperspectief te plaatsen.
7.3 uitgangspunten voor het overheidsbeleid
    De centrale vraag van dit hoofdstuk luidt: hoe dient de Nederlandse overheid,
    bezien vanuit het transactiekostenperspectief, om te gaan met de buitenlandse
    handel, mede in het licht van de ontwikkelingen van mondialisering en informa-
    tisering? Vanuit het traditionele wetenschappelijke perspectief van de transactie-
    kostenloze handel lijkt de rol van de overheid inzake de handel eenvoudig:
    laissez faire. Ingrijpen komt al snel neer op neo-mercantilistisch beleid dat de
    export stimuleert en de import hindert ten faveure van binnenlandse onder-
    nemers die worden afgeschermd van buitenlandse concurrentie. Met name libe-
    rale economen verkondigen sinds jaar en dag de boodschap van free trade.
    Eenvoudig vertaald komt deze opvatting neer op de boodschap: laat de markten
    hun werk doen en bemoei je als overheid niet te veel met handel.
    Laat markten werken
    In het licht van het transactiekostenperspectief verdient deze boodschap ten
    minste enige nuancering. De boodschap dient veeleer te luiden ‘laat markten
    werken’ in plaats van ‘laat markten hun werk doen’. Deze stelregel impliceert dat
</pre>

====================================================================== Einde pagina 213 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 214 ======================================================================

<pre>    neder l a nd h a ndel sl a nd
                de overheid de taak heeft om als goede marktmeester te waken over de werking
                van markten. Immers, hoe beter de markten werken, des te lager zijn de transac-
                tiekosten op die markten.
                De handelaren maken niet alleen uit welke handelstransacties tegen welke prijs
                op de markten plaatsvinden, hun bekwaamheid in het handelen bepaalt ook de
                kosten van de transactie en de inspanning die zij zich moeten getroosten om de
                handelsmarge te verkrijgen. Om zo efficiënt mogelijk te kunnen handelen, verla-
                gen de handelaren de directe kosten die met handelstransacties gemoeid zijn.
                Daarmee investeren zij in wat in dit rapport als ‘handelskapitaal’ is aangeduid
                (zie hoofdstuk 4 en 5). Voor het overgrote deel zijn de handelaren zelf verant-
                woordelijk voor de opbouw van hun handelskapitaal. Dit kenmerkt nu juist de
                bekwaamheden en professionaliteit van de handelaar.
                De nationale overheid komt pas in beeld met de constatering dat de opbouw van
                het handelskapitaal (positieve) externe effecten heeft en dat, in meer algemene
                zin, het handelskapitaal deels het karakter heeft van een publiek goed.
                Dit completeert de algemene les van de transactiekostenbenadering voor het
                handelsbeleid: goed marktmeesterschap met borging van het handelskapitaal
210             met een publiekgoedkarakter. Het handelskapitaal met een publiekgoedkarakter
                omvat publieke voorzieningen en instituties die de directe kosten van transacties
                en de investeringskosten voor de opbouw van handelskapitaal door de handelaren
                zelf verlagen. Opgemerkt zij dat deze beleidslijn op zich natuurlijk niet nieuw is:
                goed marktmeesterschap en borging van het publiek belang gelden ook in alge-
                mene zin als kenmerken van goed overheidsbeleid (zie wrr 2000).
                Met deze nadruk op marktmeesterschap en voorziening van handelskapitaal met
                een publiekgoedkarakter wordt een ruime interpretatie gegeven aan het handels-
                beleid. Het omvat niet alleen het exportbevorderingsbeleid, maar alle beleid dat
                erop is gericht om de handelspositie van Nederland te ondersteunen en te
                versterken.
                Bij de concrete vormgeving van dit overheidsbeleid spelen drie belangrijke afwe-
                gingen een rol.
                1 De afweging tussen de kosten van marktfalen die de overheid tracht te
                      verminderen en de mogelijke kosten van overheidsfalen. Overheidsoptreden
                      is alleen zinvol als de laatstgenoemde kosten lager zijn dan de eerste.
                2 De afweging tussen het zelf voorzien in publieke goederen en het overlaten
                      daarvan aan private partijen. Zo levert een particuliere organisatie als
                      icc/The World Business Organisation een belangrijke bijdrage aan het
                      formuleren van spelregels en standaarden die op basis van zelfregulering de
                      internationale handel bevorderen. In beide gevallen heeft de overheid overi-
                      gens de taak om de voorziening van de publieke goederen te waarborgen,
                      maar in het geval van particuliere initiatieven kan zij hierbij volstaan met
                      faciliteren en regisseren.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 214 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 215 ======================================================================

<pre>                                                                          conclusies en aanbevelingen
    3   De afweging tussen het beleid dat de nationale overheid nog zelfstandig kan
        voeren en het beleid dat een verantwoordelijkheid is voor supranationale
        overheden, zoals de eu en de wto. Ook wanneer de normstelling een verant-
        woordelijkheid is van supranationale overheden, kan een nationale overheid
        overigens een belangrijke bijdrage leveren in de uitvoering van dit beleid.
7.4 het handelsbeleid bezien in het licht van de
    tr ansactiekostenbenadering
    Bijlage 2 geeft een kort overzicht van het Nederlandse buitenlandse economische
    beleid. Het handelsbeleid in brede zin valt ruwweg in drie categorieën uiteen:
    1 (vrij)handelsbeleid in enge zin;
    2 verbetering van het vestigings- en investeringsklimaat;
    3 informatieverstrekking, bemiddeling en ondersteuning in het buitenland ten
        behoeve van de Nederlandse handel.
    De traditionele leer van de internationale handel levert aanknopingspunten en
    argumenten op voor de eerste twee soorten beleid. Volgens deze leer levert (inter-
    nationale) handel altijd welvaartsvoordeel op – anders zouden de partijen immers
    niet handelen – en veroorzaakt iedere belemmering van handel welvaartsverlies.                    211
    Het beste handelsbeleid is in deze visie dan ook, zoals gezegd, vrijhandelsbeleid.
    Vanuit het oogpunt van de nationale staat kunnen daarnaast het vestigings- en
    investeringsbeleid bijdragen aan de versterking van de comparatieve (productie)-
    voordelen van het land. Als dit beleid bijdraagt aan verhoging van de productivi-
    teit, levert dit ook een welvaartsverhoging op. De rol van imperfecte en asymme-
    trische informatie als belemmering voor de handel krijgt in deze traditionele
    economische onderbouwing van het beleid geen aandacht. Daarom zijn er ook
    geen aanbevelingen uit af te leiden op het gebied van informatieverstrekking,
    bemiddeling en andere vormen van ondersteuning die helpen handelstransacties
    tot stand te brengen. Impliciet wordt in de traditionele theorie verondersteld:
    ‘goede waar verkoopt zichzelf’, zodat het niet nodig is dat de overheid daaraan
    ondersteuning verleent, zoals door het organiseren van handelsmissies.
    Aanvullende beleidsondersteuning vanuit het transactiekostenperspectief
    Het feit dat het handelsbeleid sinds jaar en dag instrumenten omvat die geen
    steun vinden in de traditionele leer van de internationale handel – men denke aan
    voorlichting en bemiddeling – duidt erop dat dit beleid impliciet is gebaseerd op
    een andere notie van de mechanismen achter de internationale handel dan de
    neoklassieke economische theorie. De transactiekostenbenadering van de handel
    biedt voor deze elementen van het beleid een betere theoretische fundering.
    Tot welke aanvullende inzichten voor de drie genoemde aspecten van het
    handelsbeleid leidt dit nu?
    Voor het vrijhandelsbeleid levert de transactiekostentheorie geen geheel nieuwe
    argumenten op. Wel kan zij het belang ervan nog eens onderstrepen: het over-
    winnen van handelsbelemmeringen brengt immers hoge (transactie)kosten met
</pre>

====================================================================== Einde pagina 215 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 216 ======================================================================

<pre>    neder l a nd h a ndel sl a nd
                zich mee, die kunnen verhinderen dat internationale handelstransacties totstand-
                komen.
                Voor het vestigings- en investeringsbeleid draagt de transactiekostentheorie wel
                extra argumenten aan. Dit beleid is namelijk niet alleen van belang voor de vesti-
                ging van bedrijven die concurrerende producten voortbrengen, maar ook voor de
                vestiging van bedrijven die een belangrijke handelsfunctie vervullen doordat zij
                in staat zijn de transactiekosten te verlagen. Het gaat hierbij met name om multi-
                nationals die de kosten van transacties via de markt verminderen door deze te
                internaliseren. Ook als vestigingen van deze bedrijven geen productiefunctie
                maar louter een handels- en distributiefunctie vervullen, kunnen zij een belang-
                rijke bijdrage leveren aan de handelspositie van Nederland en indirect ook aan de
                welvaart van Nederland. De aandacht dient hierbij niet eenzijdig te worden
                gericht op de bijdrage aan de uitvoer, maar evenzeer op de invoer en op de inter-
                mediaire functie (wederuitvoer, doorvoer). De eenzijdige nadruk van het beleid
                op de uitvoerprestatie en op de concurrentiepositie vloeit voort uit de gebruike-
                lijke en traditionele benadering vanuit de productiefunctie en de comparatieve
                voordelen bij de inzet van productiefactoren. Bezien vanuit de handelsfunctie en
                het transactiekostenperspectief zijn een goede inkoop en intermediatie echter
212             evenzeer van belang voor de handelsprestatie en de welvaart. In de volgende
                paragraaf wordt nader ingegaan op de aard van dit beleid.
                Voor informatieverstrekking, bemiddeling en ondersteuning levert het
                transactiekostenperspectief een nieuwe theoretische rechtvaardiging op. In de
                transactiekostenbenadering behoren asymmetrische informatie, gebrek aan
                vertrouwen en taal- en cultuurverschillen immers tot de belangrijkste belemme-
                ringen voor internationale handel. Omdat het tot stand brengen van een handels-
                transactie met tal van transactiekosten gepaard gaat, is het aannemelijk dat veel
                potentieel rendabele transacties niet totstandkomen. Voorzieningen die helpen
                deze transactiekosten te verlagen, zoals informatievoorziening en voorlichting,
                hebben veelal een publiekgoedkarakter, waardoor hierin een taak voor de over-
                heid kan zijn gelegen. Ook andere vormen van marktfalen kunnen een argument
                opleveren voor overheidsbemoeienis, zoals onverzekerbare risico’s van de handel
                met politiek instabiele landen.
                Meer nadruk op de ‘zachte’ kanten van het beleid
                Concluderend kan worden gesteld dat het transactiekostenperspectief geen
                geheel nieuwe inzichten oplevert voor het huidige handelsbeleid in ruime zin,
                maar wel een ander licht werpt op dit beleid en andere accenten zet. De meer
                ‘zachte’ kanten van het beleid, zoals de informatiefunctie en de sociale infrastruc-
                tuur, krijgen meer nadruk in verhouding tot het ‘harde’ beleid dat gericht is op
                versterking van de concurrentiepositie in enge zin. Het handelsbeleid in brede zin
                dient dan ook niet louter als een verantwoordelijkheid van het ministerie van
                Economische Zaken te worden opgevat, maar dient tevens een aandachtspunt te
                zijn voor andere departementen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 216 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 217 ======================================================================

<pre>                                                                             conclusies en aanbevelingen
      Hoe duurzaam zijn de vijf constanten van de Nederlandse handel?
      In hoofdstuk 2 werd een vijftal constanten in de Nederlandse handel van de afge-
      lopen eeuwen gesignaleerd: de grote gevoeligheid voor internationale ontwikke-
      lingen, de sterke oriëntatie op Europa, de positie als stapelmarkt en distributie-
      centrum, de grote rol van de multinationals en het relatief grote aandeel van
      landbouwproducten en voedingsmiddelen. Door de invloed van mondialisering
      en informatisering is het niet vanzelfsprekend dat deze constanten ook in de
      toekomst voor de Nederlandse handel zullen blijven gelden. Dit geldt ongetwij-
      feld wel voor de eerste constante. De sterke afhankelijkheid van internationale
      ontwikkelingen zal, onder invloed van de mondialisering en de Europese integra-
      tie, naar verwachting zelfs nog toenemen. Voor de andere constanten is dit
      minder zeker. Als daadwerkelijk steeds meer sprake zal zijn van mondialisering
      in plaats van regionalisering, is het de vraag of Nederland zijn positie in de
      wereldhandel kan behouden indien het zich zo sterk op de West-Europese markt
      blijft richten. De rol die Nederland vervult als stapelmarkt en distributiecentrum
      kan onder druk komen te staan ten gevolge van een vermindering van formele
      handelsbarrières en een grotere transparantie van markten, waardoor landen
      meer rechtstreeks met elkaar gaan handelen, en door een toenemende demateria-
      lisatie van de handel. De rol van multinationals in de handel zal naar verwachting
      eerder toenemen dan afnemen, maar het spreekt niet voor zich dat deze een                          213
      sterke voorkeur voor Nederland als vestigingsland zullen blijven houden. Ten
      slotte lijkt het, gezien de veranderingen in de samenstelling van de wereldhandel,
      onvermijdelijk dat het aandeel van de landbouwproducten en voedingsmiddelen
      in de Nederlandse handel geleidelijk zal teruglopen.
      Er kan dan ook niet voetstoots worden aangenomen dat voor de toekomst met
      voortzetting van het huidige beleid kan worden volstaan. Integendeel, het is niet
      uitgesloten dat de Nederlandse handelspositie onder invloed van de mondialise-
      ring en informatisering geleidelijk zal afkalven. Nieuwe ontwikkelingen vragen
      om een aanpassing van het handelsbeleid om de relatief sterke positie van Neder-
      land in de wereldhandel te kunnen handhaven. Ook bij deze nieuwe ontwikke-
      lingen is het van belang om de gevolgen voor het handelsbeleid (mede) vanuit het
      transactiekostenperspectief te bezien. De twee volgende paragrafen gaan in op de
      consequenties van de mondialisering en van de informatisering voor het handels-
      beleid.
7.5   de toekomst van het handelsbeleid: mondialisering
7.5.1 analyse
      De mondialisering in economische zin is in dit rapport gedefinieerd als de
      toename van grensoverschrijdende activiteiten waardoor nationale economieën
      steeds meer geïntegreerd raken in de wereldeconomie. De mondialisering komt
      tot uitdrukking in de sterke groei van de handel in goederen, diensten en kapitaal.
      De groei van de wereldhandel en van de buitenlandse investeringen (handel in
      kapitaal) kan voornamelijk aan twee factoren worden toegeschreven: de vooruit-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 217 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 218 ======================================================================

<pre>    neder l a nd h a ndel sl a nd
                gang op het gebied van vervoers- en communicatietechnologie en de liberalise-
                ring van de internationale handel. Beide ontwikkelingen leiden tot een vermin-
                dering van de transactiekosten van internationale handel die samenhangen met
                vervoer, communicatie en het overschrijden van landsgrenzen. De formele en
                materiële barrières voor internationale handel zijn lager geworden. Aangezien de
                technologische ontwikkeling en de liberalisering van de internationale handel in
                de nabije toekomst waarschijnlijk zullen voortgaan, mag worden verwacht dat
                ook de mondialiseringstrend zich zal voortzetten.
                Hoewel de mondialisering in de eerste plaats een gevolg is van een vermindering
                van de transactiekosten die verbonden zijn aan grensoverschrijdende economi-
                sche activiteiten, kan zij op haar beurt ook zelf weer van invloed zijn op de trans-
                actiekosten. Door verscherping van de internationale concurrentie neemt de druk
                op handelende partijen toe om de transactiekosten te verlagen. Hierdoor vormt
                de mondialisering op zichzelf een stimulans voor een verdere verlaging van trans-
                actiekosten. Tegelijkertijd nemen, door het afnemen van de transactiekosten die
                voortvloeien uit formele handelsbarrières, de informele handelsbarrières verhou-
                dingsgewijs in belang toe. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om taal- en cultuurver-
                schillen en gebrek aan kennis van en vertrouwen in potentiële handelspartners.
214             Naarmate de internationale handel daadwerkelijk een meer mondiaal in plaats
                van regionaal karakter krijgt en de handel dus vaker zal plaatshebben tussen
                partijen in zeer verschillende landen en culturen, nemen deze informele barrières
                waarschijnlijk ook in absolute zin toe. De transactiekosten die hiervan het gevolg
                zijn, zullen ook in de toekomst een belangrijke belemmering voor internationale
                handel blijven. Het penetreren van de verre markten betekent dus enerzijds dat
                de handel toeneemt, maar anderzijds dat de transactiekosten in die nieuwe
                handel verhoudingsgewijs hoger zijn dan in de regionale handel. Een verdere
                verlaging van deze transactiekosten zal dan ook een belangrijke stimulans zijn
                voor de voortgaande groei van de wereldhandel. De raad onderstreept het belang
                voor Nederland om op dit punt niet achterop te raken en in de toekomst
                voldoende te kunnen profiteren van de verdere groei van de wereldhandel.
                Regionalisering maar ook verre nieuwe markten zijn belangrijk
                Tot op heden betekende mondialisering vooral regionalisering. Daardoor kon
                Nederland zijn handelspositie handhaven zonder zich nadrukkelijk op nieuwe
                markten te richten. Ook in de toekomst blijft handhaving, en zo mogelijk uitbrei-
                ding van de handelsfunctie binnen de huidige lidstaten van de eu van belang,
                omdat dit gebied een omvangrijk deel van de Nederlandse handel zal blijven
                uitmaken. Bovendien is binnen de eu nog steeds sprake van aanzienlijke transac-
                tiekosten ten gevolge van informele belemmeringen, zodat hier voor Nederland
                nog winst valt te behalen.
                Tegelijkertijd is het onwaarschijnlijk dat de ‘constante’ van een sterke gerichtheid
                op de traditionele Europese handelspartners ook in de toekomst een voldoende
                basis zal blijven bieden voor het handhaven van de Nederlandse handelspositie.
                Daarom zal Nederland zich ook een positie moeten zien te verwerven op nieuwe
</pre>

====================================================================== Einde pagina 218 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 219 ======================================================================

<pre>                                                                             conclusies en aanbevelingen
      groeimarkten. Enerzijds zullen door de toetreding van nieuwe lidstaten tot de eu
      de handelsstromen binnen Europa verschuiven. Anderzijds zal ook de handel met
      andere delen van de wereld (m.n. Oost-Azië en Latijns Amerika) toenemen.
      Vooral de invoer uit deze regio’s neemt toe, zodat het ook hier van belang is dat
      Nederland zijn distributiefunctie voor (West-)Europa weet te handhaven, waar-
      door ook in de toekomst de ‘constante’ van stapelmarkt en distributiecentrum zal
      blijven gelden. Maar vanwege de toenemende dematerialisatie van de handel zal
      het belang van de stapelfunctie binnen de distributiefunctie, en a fortiori binnen
      de handelsfunctie, geleidelijk afnemen. Bij de distributiefunctie in Europa is het
      bevorderen van de invoer van goederen uit landen buiten de huidige eu zeker zo
      belangrijk als de uitvoer naar deze landen, waarop traditiegetrouw de meeste
      nadruk ligt. Het is dus van groot belang dat Nederland ook op nieuwe markten
      een reputatie als betrouwbare handelspartner en als toegangspoort tot Europa
      weet te vestigen.
7.5.2 beleidsaanbevelingen
      Welke consequenties heeft de voorgaande analyse voor het gewenste overheids-
      beleid? De raad formuleert hierna een reeks beleidsaanbevelingen.
                                                                                                         215
      Vermindering van formele handelsbarrières
      Nederland heeft als kleine handelsnatie er veel belang bij dat de trend naar
      vermindering van formele handelsbarrières doorzet. Nederland zal ook in de
      toekomst een warm pleitbezorger moeten blijven van liberalisering van de inter-
      nationale handel. Dit betekent overigens niet dat Nederland doof zou moeten zijn
      voor de kritiek op de negatieve kanten van de mondialisering, die de afgelopen
      jaren steeds luider klinkt. Hoewel Nederland zelf vooral heeft te winnen bij vrij-
      handel, dient het tegelijkertijd oog te hebben voor mogelijke negatieve gevolgen
      voor met name ontwikkelingslanden. Vrijhandel mag in beginsel dan een goede
      zaak zijn, dit wil nog niet zeggen dat het voor alle landen onder alle omstandig-
      heden het beste is om de buitenlandse handel op korte termijn volledig te libera-
      liseren. In internationale fora als de eu en de wto dient Nederland dan ook te
      pleiten voor internationaal bindende afspraken die aan de gerechtvaardigde
      wensen van deze landen tegemoetkomen. Tegelijkertijd dient Nederland kritisch
      te staan tegenover belemmeringen die de eu opwerpt voor invoer uit niet-eu-
      landen. Een pleidooi voor vrijhandel verliest vanzelfsprekend aan kracht indien
      men om het eigen handelsblok voor bepaalde producten aanzienlijke barrières
      handhaaft. Op termijn zullen de hoge heffingen op de invoer van landbouw-
      producten van buiten de eu dan ook moeten worden afgeschaft.
      Zoals gezegd, zouden door de afname van formele handelsbelemmeringen de
      transactiekosten die het gevolg zijn van informele barrières verhoudingsgewijs
      aan belang kunnen winnen. Het handelsbeleid dient zich dan ook met name op
      deze factoren te richten. De taak van de overheid hierbij is, zoals in paragraaf 7.3
      is aangegeven, vooral gelegen in het borgen van, en zo nodig zelf voorzien in
</pre>

====================================================================== Einde pagina 219 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 220 ======================================================================

<pre>    neder l a nd h a ndel sl a nd
                publieke goederen die de transactiekosten van de internationale handel helpen te
                verminderen.
                Juridische infrastructuur
                De Nederlandse overheid dient te streven naar een helder nationaal én internatio-
                naal rechtssysteem met betrekking tot de internationale handel. Internationaal
                dient het streven te zijn dat er zo weinig mogelijk lacunes of tegenstrijdigheden
                zijn in de wetgeving van verschillende landen ten aanzien van de buitenlandse
                handel. Via diplomatieke kanalen, maar ook via het beleid van ontwikkelings-
                samenwerking, kan worden getracht een ‘egaal transactiekostenspeelveld’ te
                creëren. Voorzover de ontwikkelingssamenwerking is gericht op het bevorderen
                van de handel van ontwikkelingslanden, zou dit veeleer de vorm moeten krijgen
                van investeringen in de rechtsinfrastructuur en in menselijk kapitaal dan van
                investeringen in de fysieke infrastructuur.
                Op het terrein van het binnenlandse recht kan Nederland gunstige condities
                scheppen door, in vergelijking met andere landen, sneller en op een voor buiten-
                landse partijen heldere manier internationale regels, zoals Europese richtlijnen
                voor e-commerce, in het eigen rechtsbestel te vertalen. Daarnaast heeft Nederland
216             binnen zijn autonome bevoegdheid mogelijkheden om handelspartijen te stimu-
                leren van het Nederlandse rechtsbestel gebruik te maken. In zijn advies
                De toekomst van de nationale rechtsstaat (wrr 2002b: 270) heeft de raad gepleit
                voor een algemene strategie van de regering voor het privaatrecht, strafrecht en
                bestuursrecht met betrekking tot de internationalisering. De mogelijkheden van
                ondersteuning van internationale handelsrelaties van Nederlandse partijen
                zouden in deze strategie uitdrukkelijk moeten worden betrokken (zie ook Mosch
                en Van den Berg 2003).
                Vanuit het handelsbelang kan concreet worden gedacht aan de mogelijkheid om
                binnen het Nederlandse rechtsbestel in de Engelse taal te contracteren, Engels-
                talige algemene voorwaarden te hanteren en om in deze taal ook bij Nederlandse
                rechtbanken te procederen. In organisatorische zin kan worden gedacht aan een
                kwalitatieve versterking van de werking van de Nederlandse publieke instituten
                voor beslechting van geschillen, toezicht en rechtshandhaving.
                Handelsmerk Nederland
                In de buitenlandse handel zijn formele wetten en regels in verhouding tot infor-
                mele belemmeringen vaak van beperkte betekenis. Dit geldt zeker voor de handel
                met ontwikkelingslanden. Allerlei sociale en culturele, niet-juridische belemme-
                ringen blijven een grote rol spelen. Het is in de eerste plaats de verantwoordelijk-
                heid van het bedrijfsleven om deze barrières te overwinnen, bijvoorbeeld door
                een gedegen reputatie op te bouwen. De Nederlandse overheid kan hierbij een
                beperkte ondersteunende rol vervullen. Langs twee wegen kan zij grosso modo
                informele handelsbelemmeringen trachten te verminderen, namelijk door de
                reputatie en bekendheid van Nederland in het buitenland te vergroten en door
                bedrijven te ondersteunen bij het opbouwen van een buitenlandse handelsrelatie.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 220 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 221 ======================================================================

<pre>                                                                       conclusies en aanbevelingen
In de eerste plaats kan de overheid bevorderen dat de bekendheid met en het
vertrouwen in Nederlandse partijen in het buitenland worden vergroot.
Het vertrouwen dat buitenlanders hebben in ‘de’ Nederlander of ‘het’ Neder-
landse bedrijfsleven is een vorm van sociaal kapitaal waarvan iedereen profiteert
en vormt daarom een belangrijk onderdeel van het handelskapitaal met een
publiekgoedkarakter. Nog altijd heeft Nederland in het buitenland een goede
naam vanwege zijn betrouwbaarheid, deskundigheid, degelijkheid en zijn status
van relatief klein land zonder machtsambities. Deze goede naam draagt bij aan
het verlagen van de transactiekosten. Het is daarom van belang de merknaam
‘Nederland’ te onderhouden en deze zo nodig aan de eisen van de tijd aan te
passen en te versterken. Zo kan men zich afvragen hoelang Frau Antje in Duits-
land en de tulipani in Italië nog zullen voldoen voor een bij deze tijd passend
imago van Nederland. De rol van de overheid bestaat in algemene zin vooral uit
voorlichting en informatievoorziening. Deze taak kan zij bijvoorbeeld uitvoeren
via de handelsfunctie van ambassades en door het organiseren van handelsmis-
sies naar landen waarmee Nederland nog weinig handelsrelaties onderhoudt.
Hierbij valt vooral te denken aan nieuwe, opkomende markten in Zuidoost-Azië
en Latijns Amerika, maar ook in Midden- en Oost-Europa. Het belang van diplo-
matieke ondersteuning van het Nederlandse bedrijfsleven in het buitenland dient
hierbij niet veronachtzaamd te worden. Ambassades zouden (nog) meer behulp-                        217
zaam kunnen zijn bij het slechten van barrières die bedrijven in andere landen
ondervinden bij het aangaan van handelsrelaties. Ten aanzien van handelsmissies
gaat het niet om het aantal, maar om de kwaliteit ervan. Handelsmissies dienen
een duidelijke meerwaarde te hebben in het uitdragen van de algemene reputatie
en merknaam van Nederland en dienen dan ook zorgvuldig te worden afgestemd
op de specifieke culturele en commerciële context van het land waar de handels-
missie naartoe gaat. Overigens zij ook hier aangetekend dat het belang van deze
missies niet uitsluitend in exportbevordering en verkoop van Nederlandse
producten is gelegen, maar dat zulke missies ook van belang zijn om zicht te krij-
gen op voordelige en kwalitatief goede inkoop, en op mogelijkheden tot dienst-
verlening en intermediatie in de handel.
Investeren in Nederlandse handelsvaardigheden
Het vertrouwen van een land als geheel moet worden onderscheiden van het
vertrouwen van een individuele handelspartner. De merknaam Nederland is
vooral van belang bij initiële investeringen in de opbouw van een handelsnet-
werk en het vestigen van een reputatie van betrouwbaarheid. Een goede naam
van Nederland kan de kosten hiervan verlagen. Wanneer men eenmaal een duur-
zame handelsrelatie met het daarbijbehorende vertrouwen heeft opgebouwd,
wordt de merknaam Nederland minder belangrijk en is conformering aan de
lokale cultuur en gewoonten veelal de beste strategie om de transactiekosten te
verlagen. Uiteindelijk is de verkoop van Nederlandse producten in een ander land
natuurlijk het meest gediend met het scheppen van voldoende vertrouwen in de
kwaliteit ervan. Omgekeerd is het ook voor de inkoop van kwalitatief goede en
aantrekkelijk geprijsde producten in het buitenland van belang dat men
voldoende vertrouwen wekt dat men de gemaakte afspraken zal nakomen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 221 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 222 ======================================================================

<pre>    neder l a nd h a ndel sl a nd
                In moderne handelsrelaties neemt het vertrouwen in de merknaam van een
                bedrijf en in de wijze waarop dit bedrijf op de lokale preferenties weet in te
                spelen steeds meer de plaats in van het vertrouwen dat het land van de handelaar
                of van de producent uitstraalt (zie Gelauff 2002a).
                Naast het vergroten van de bekendheid en reputatie van Nederland dient de over-
                heid daarom, in de tweede plaats, voorzieningen te creëren die bedrijven zelf
                beter in staat stellen om de transactiekosten ten gevolge van sociale en culturele
                belemmeringen te beperken. Een belangrijke rol is hierbij weggelegd voor het
                onderwijs. Het onderwijs dient ertoe bij te dragen de Nederlandse ‘handels-
                bekwaamheid’ in stand te houden door de daarvoor benodigde kennis en vaardig-
                heden over te dragen. Een goede beheersing van vreemde talen is nog steeds van
                groot belang in de internationale handel. Vanuit de praktijk van de handel klinken
                evenwel geluiden dat men tekortkomingen ervaart in de talenkennis van afgestu-
                deerden. Kwalitatief goed onderwijs in vreemde talen blijft dan ook onvermin-
                derd een belangrijk aandachtspunt. Hierbij dient het niet alleen om Engels als
                wereldtaal te gaan, maar ook om de talen van andere belangrijke handelspartners
                (Duits en Frans en daarnaast Spaans voor Latijns Amerika).
218             De raad bepleit niet om specifieke leergangen met handelsvakken in het leven te
                roepen. Wel zou het onderwijs in meer algemene zin de Nederlandse handels-
                vaardigheden moeten prikkelen en ondersteunen. Naast de al genoemde kennis
                van vreemde talen en culturen valt bijvoorbeeld te overwegen om het vak
                handelskennis weer in het curriculum van het middelbaar onderwijs op te
                nemen. Daarnaast blijft het natuurlijk van belang dat men in voortgezette
                beroepsopleidingen ook specifieke productkennis opdoet. Overigens zij hier
                opgemerkt dat zowel goede handelsvaardigheden als productkennis voor een
                groot deel spelenderwijs en in de handelspraktijk worden gevormd.
                Onderwijs en culturele bagage dragen tot deze vorming bij, maar een goed
                handelaarschap vergt toch bekwaamheden die men al doende in de praktijk moet
                ontwikkelen.
                De opbouw en uitbouw van handelskennis zelf heeft deels ook het karakter van
                een publiek goed. Naast de aandacht voor handelsvaardigheden in brede zin in
                het algemeen vormende onderwijs, is het raadzaam ook te investeren in speci-
                fieke op de handel gerichte opleidingen. Zo valt te overwegen in Nederland een
                internationaal opleidingsinstituut op het gebied van de juridische, technische,
                financiële, bedrijfskundige en culturele kennis van de handel in te stellen.
                Een dergelijk opleidingsinstituut zou zich onderscheiden van de bestaande busi-
                ness schools door specialisatie in een combinatie van internationaal privaatrecht,
                internationaal publiekrecht en economie op het gebied van handel, aandacht voor
                distributie, transport en logistiek en aandacht voor culturele verscheidenheid.
                Zo’n instituut dient op internationale leest geschoeid te zijn, met docenten en
                studenten uit vele landen, en zou een grote uitstraling kunnen hebben, zowel
                voor de handelsreputatie van Nederland als voor toekomstige handelsnetwerken
                waarin Nederland een spilfunctie zou kunnen vervullen. In deze zin kan een
</pre>

====================================================================== Einde pagina 222 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 223 ======================================================================

<pre>                                                                     conclusies en aanbevelingen
dergelijk instituut worden gezien als een investering in handelskapitaal die op de
lange termijn zijn vruchten zal afwerpen in de vorm van een verlaging van trans-
actiekosten. Nederlandse studenten zullen met hun buitenlandse medestudenten
contacten blijven onderhouden en handelsrelaties opbouwen, hetgeen hen een
grote voorsprong op derden biedt. Immers, die buitenlandse studenten leren niet
alleen de handelstechnieken en Nederlandse handelstraditie kennen, maar ook de
Nederlandse cultuur. Anderzijds komen de Nederlandse studenten als toekom-
stige handelaars op zo’n instituut alvast in aanraking met vele andere culturen.
Juist het kunnen functioneren en samenwerken in een grote culturele verschei-
denheid vormt een van de belangrijkste bekwaamheden van een goede handelaar.
Hetzelfde argument geldt natuurlijk voor de buitenlandse studenten die een
opleiding op het Nederlandse instituut krijgen: ook zij leren spelenderwijs om te
gaan met een grote verscheidenheid aan cultureel bepaalde waarden en normen.
Voor de buitenlandse studenten draagt de in zo’n instituut opgedane kennis
tevens bij tot de opbouw van handelskapitaal in hun eigen land. Wanneer het
studenten uit ontwikkelingslanden betreft, kan dit instituut een belangrijke rol
vervullen in het kader van de ontwikkelingssamenwerking, waarbij recht wordt
gedaan aan het tweezijdige belang (zie wrr 2001b: subpar. 4.3.2). Gezien dit
oogmerk ligt publiek-private samenwerking bij de opzet en de financiering van
dit instituut voor de hand. De overheid zou hierbij evenwel het voortouw                         219
kunnen nemen. Het hoeft hierbij overigens niet noodzakelijkerwijze om een
geheel nieuw instituut te gaan. Denkbaar is dat het internationale opleidings-
instituut de vorm krijgt van een samenwerkingsverband tussen verschillende
bestaande opleidingsinstellingen.
Ondersteuning van het midden- en kleinbedrijf
Ondersteuning door de overheid van de buitenlandse handel is vooral van belang
voor het mkb. Voor kleine bedrijven zijn de initiële kosten om een buitenlandse
handelsrelatie aan te gaan vaak zo hoog, dat deze onvoldoende lonen.
Deze initiële kosten hebben doorgaans ten dele een publiekgoedkarakter, bijvoor-
beeld waar het gaat om het vergaren van informatie over de geschreven en de
ongeschreven regels in een ander land. Er zijn dan ook schaalvoordelen te behalen
indien bedrijven de krachten bundelen en gezamenlijk, bijvoorbeeld via een
brancheorganisatie, informatie verzamelen en contacten leggen in een ander land.
De overheid kan hierbij een aanvullende rol spelen voorzover deze private initia-
tieven onvoldoende van de grond komen, bijvoorbeeld doordat zij het branche-
niveau overstijgen.
In het algemeen kan de overheid de transactiekosten van buitenlandse handel
voor het mkb verlagen door:
• buitenlandse partijen toegang te bieden tot voorzieningen die op eenvoudige
    wijze de kredietwaardigheid en betrouwbaarheid van Nederlandse partijen
    transparant maken;
• een infrastructuur te creëren die het voor kleine bedrijven eenvoudiger maakt
    van elkaar te leren en gebruik te maken van elkaars expertise (vgl. de ervarin-
    gen hiermee in Denemarken);
</pre>

====================================================================== Einde pagina 223 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 224 ======================================================================

<pre>    neder l a nd h a ndel sl a nd
                •     Nederlandse bedrijven de mogelijkheid te bieden onverzekerbare financiële
                      risico’s eenvoudig af te dekken;
                •     de mogelijkheid te bieden om klachten over niet-levering op een eenvoudige
                      manier in te dienen en te laten onderzoeken (vgl. de ombudsman voor secto-
                      ren van het bedrijfsleven);
                •     buitenlandse partijen de mogelijkheid te bieden om juridische geschillen op
                      een snelle en geloofwaardige wijze te laten beslechten.
                Bij dergelijke voorzieningen dient men wel steeds een zorgvuldige afweging te
                maken tussen de kosten (voor de overheid) en de baten (voor het bedrijfsleven).
                Zo stelt de Nederlandse overheid zich, door het aanbieden van een exportkrediet-
                verzekering, garant voor risico’s van buitenlandse handel die niet via private
                verzekeringsmaatschappijen kunnen worden gedekt, omdat de desbetreffende
                handelspartners als te risicovol bekend staan (zie subpar. 5.3.5). De wenselijkheid
                van een dergelijke publieke exportkredietverzekering is afhankelijk van de afwe-
                ging van de maatschappelijke baten – in de vorm van het bieden van nieuwe
                handelsmogelijkheden voor met name kleinere bedrijven – tegen de kosten in
                termen van de publieke middelen die hiermee zijn gemoeid. Dit neemt niet weg
                dat het van belang blijft om kleine en middelgrote bedrijven in staat te stellen de
220             risico’s te dekken van handelsrelaties met politiek minder stabiele landen die voor
                de langere termijn veel perspectief bieden.
                Lokken van multinationals
                Vooralsnog zullen multinationals het grootste deel van de buitenlandse handel
                voor hun rekening blijven nemen. Er is geen reden om aan te nemen dat deze
                constante in de Nederlandse handel het komende decennium drastisch zal wijzi-
                gen. Voor het grootbedrijf en met name de multinationals zijn echter andere
                factoren van belang dan voor het mkb. Doordat deze bedrijven vaak een uitge-
                breid internationaal netwerk onderhouden en een aanzienlijk deel van de trans-
                actiekosten van internationale handel hebben geïnternaliseerd via intrafirm trade
                en mobiliteit van productiefactoren, is de rol van de nationale overheid bij het
                verminderen van de transactiekosten voor deze bedrijven beperkt. Internationale
                afspraken over vrijhandel en afstemming van rechtssystemen zijn overigens ook
                voor multinationals van belang.
                Het nationale beleid met betrekking tot multinationale ondernemingen dient er
                met name op gericht te zijn de aantrekkelijkheid van Nederland als vestigingsland
                te vergroten. Hierbij gaat het zowel om de aantrekkelijkheid van ons land voor
                Nederlandse multinationals als voor buitenlandse multinationals. Dit is een van
                de hoofddoelen van het economische beleid dat tracht het vestigings- en investe-
                ringsklimaat te verbeteren via factoren als vestigingsvoorwaarden, beschikbaar-
                heid en kwaliteit van bedrijfsterreinen, fysieke infrastructuur, belastingen en
                subsidies. Hoewel deze factoren ook in de toekomst van groot belang blijven, zal
                de ruimte voor een eigen nationaal beleid op dit terrein steeds kleiner worden als
                gevolg van internationale afspraken over onder meer fiscale regelingen, die
                bedoeld zijn om oneerlijke concurrentie te voorkomen. Bovendien dreigt hier een
</pre>

====================================================================== Einde pagina 224 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 225 ======================================================================

<pre>                                                                             conclusies en aanbevelingen
      onwenselijke race to the bottom als landen vooral proberen zich te onderscheiden
      door aan buitenlandse bedrijven gunstige belastingfaciliteiten en subsidies te
      bieden. Het verdient daarom de voorkeur dat Nederland zich van andere landen
      tracht te onderscheiden in de meer ‘zachte’ voorwaarden voor de vestiging van
      buitenlandse bedrijven. Een goede sociale en culturele infrastructuur is niet
      minder belangrijk dan de fysieke en economische infrastructuur. Ook de beschik-
      baarheid van goede huisvesting, gezondheidszorg, onderwijs (bijv. internationale
      scholen), culturele voorzieningen en een veilige en gezonde woon- en werkom-
      geving zijn van invloed op de beslissing van multinationals om zich in Nederland
      te vestigen. Zeker niet het minst belangrijk is de kwaliteit van de beroepsbevol-
      king. Voor een land dat, afgezien van zijn gunstige ligging, weinig natuurlijke
      comparatieve voordelen heeft, is een hoogwaardige beroepsbevolking een van de
      belangrijkste voorwaarden voor een sterke internationale positie. Een hoogopge-
      leide beroepsbevolking met voldoende talenkennis en een open, internationale of
      zelfs ‘kosmopolitische’ houding is dan ook een belangrijke concurrentiefactor om
      buitenlandse investeerders aan te trekken.
      In dit verband is ook aandacht gewenst voor de problemen die (multinationale)
      bedrijven ondervinden bij het aantrekken van buitenlandse specialisten. Enige
      vereenvoudiging en versnelling van de procedures waarmee dit gemoeid gaat,                         221
      lijken op hun plaats.
7.6   de toekomst van het handelsbeleid: informatisering
7.6.1 analyse
      ict is een doorbraaktechnologie met potentieel grote positieve gevolgen op tal
      van terreinen. De transactiekosten in de handel worden direct door ontwikkelin-
      gen in de ict beïnvloed. Op drie manieren hebben deze ontwikkelingen een
      positieve uitwerking op het functioneren van ondernemingen, markten en
      handel. In de eerste plaats betreft dit het verlagen van de kosten van de transacties
      die nodig zijn voor het produceren van goederen of het distribueren van goede-
      ren en diensten. Ten tweede vergroot de informatisering de efficiëntie van de
      bedrijfsvoering, in het bijzonder door het mogelijk te maken om voorraden effec-
      tiever te beheren en communicatie binnen het bedrijf te vergroten en te verbete-
      ren. Ten derde wordt het functioneren van markten beïnvloed, doordat de infor-
      matisering de transparantie over prijzen, leveringsvoorwaarden en reputaties
      vergroot, waardoor de concurrentie wordt geïntensiveerd en de markten voor
      kopers en verkopers in omvang toenemen.
      Geen revolutie door ict in de handel
      Hierbij dient echter benadrukt te worden dat de potentieel meest ingrijpende
      gevolgen van informatisering voor de handel zich pas in de toekomst zullen
      manifesteren. Daarom neemt de raad de nodige voorzichtigheid in acht met
      betrekking tot het formuleren van verwachtingen en daarop aansluitende aan-
      bevelingen. Bij de toepassing van ict in de handel is integratie het sleutelwoord.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 225 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 226 ======================================================================

<pre>    neder l a nd h a ndel sl a nd
                De fysieke wereld en de virtuele ict-wereld zijn niet van elkaar gescheiden, maar
                verstrengeld en complementair. De nieuwe technologieën vormen veeleer een
                aanvulling op de bestaande manieren van samenwerken en handeldrijven in
                plaats van deze te vervangen. Dit betekent dat verbetering van de digitale infra-
                structuur geen substituut is voor maar complementair met verbetering van de
                fysieke infrastructuur. Vanwege de grote onzekerheden over de toekomstige
                ontwikkelingen dient de leidraad in de beschouwingen over beleidsopties te zijn
                om niet alles op één paard te verwedden, maar vooral flexibel in te spelen op
                nieuwe ontwikkelingen.
    7.6.2       beleidsaanbevelingen
                In het verlengde van wat in paragraaf 7.3 over de rol van de overheid is opgemerkt,
                gelden op het terrein van ict drie beperkingen ten aanzien van het overheids-
                beleid. Ten eerste is op dit gebied veelal sprake van zelfregulering door onder-
                nemingen en gebruikers op het gebied van technische standaarden, gedragscodes,
                samenwerkingsprotocollen, en dergelijke. Dit vormt in beginsel een negatieve
                indicatie voor de behoefte aan overheidsoptreden. Zelfs wanneer zelfregulering
                op praktische problemen stuit, moet nog eerst de afweging worden gemaakt of de
222             baten van overheidsoptreden groter zijn dan de kosten, alvorens er van een over-
                heidstaak kan worden gesproken. De tweede beperking voor nationaal overheids-
                optreden ligt in het feit dat op bovennationaal niveau al diverse instanties op dit
                terrein actief zijn, zoals de vn, wto, wipo, oecd en eu. Naast de inbreng van de
                Nederlandse opvattingen in deze internationale fora, beperkt de nationale over-
                heidstaak zich hierbij voornamelijk tot het snel effectueren van internationale
                afspraken in het nationale beleid. De derde beperking betreft de eerder geconsta-
                teerde onzekerheid over de toekomstige ict-ontwikkelingen.
                Deze drie beperkingen tezamen, die met name op regulering betrekking hebben,
                betekenen niet dat er geen rol is weggelegd voor de nationale overheid. De over-
                heid dient vooral voor goede basisvoorzieningen met een publiek karakter zorg te
                dragen, zoals de (digitale) infrastructuur, goed onderwijs en een goed, aan digi-
                tale transacties aangepast rechtssysteem. Het automatiseren en standaardiseren
                van onderdelen (bijvoorbeeld kwaliteitsbeoordelingen, kredietbrieven, vracht-
                brieven) van de handelsfunctie die bij gebruik van ict tot een verlaging van de
                transactiekosten leiden, kan positieve externe effecten hebben, bijvoorbeeld
                vanwege netwerkexternaliteiten, zodat de overheid hier een faciliterende rol
                heeft. Hierna wordt gewezen op een aantal specifieke aandachtsgebieden, waar
                mogelijkheden bestaan voor beleidsmatige beïnvloeding en voor het scheppen
                van bredere voorzieningen, die zich met name concentreren op het waarborgen
                en creëren van een zo gunstig mogelijke uitgangspositie voor Nederland als
                handelsland. Het betreft achtereenvolgens de infrastructuur, de juridische
                concurrentie en kennis en innovatie.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 226 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 227 ======================================================================

<pre>                                                                      conclusies en aanbevelingen
Infrastructuur
Omdat de fysieke en virtuele wereld met elkaar zijn verweven, blijft een goede
fysieke infrastructuur van groot belang om distributie en logistieke processen
naar wens te laten verlopen. Een toename van de digitale handel tussen bedrijven
en consumenten (e-commerce) kan ertoe leiden dat meer (kleinere) pakketten
worden getransporteerd, doordat de verkoop buiten intermediairs met een
magazijnfunctie, zoals groothandels en winkels, om plaatsvindt. Tevens kan het
belang van een adequate fysieke infrastructuur toenemen, doordat de snelheid
en de kwaliteit van het voldoen aan de leveringsverplichting bij indirecte
e-commerce belangrijker worden vanwege de toegenomen transparantie.
Nu ict bijdraagt aan de mogelijkheid om verschillende bedrijfsfuncties te split-
sen, bestaat tevens het gevaar voor Nederland dat ondernemingen, wegens
congestie en milieubezwaren, de productie naar het buitenland verplaatsen.
Een bijkomend argument is hier dat een goede fysieke infrastructuur als visite-
kaartje kan dienen voor buitenlandse handelspartners die Nederland bezoeken,
waarbij de kwaliteit van de infrastructuur als het ware een afspiegeling vormt
van de reputatie en betrouwbaarheid van Nederland als handelspartner.
Ook de infrastructuur voor telecommunicatie is een belangrijke voorwaarde voor
een snelle en succesvolle verspreiding van ict-toepassingen. Hoewel Nederland                     223
door zijn hoge bevolkingsdichtheid en vlakke landschap onmiskenbaar kosten-
voordelen heeft ten opzichte van andere landen bij het opzetten van een landelijk
dekkend (glasvezel)net voor snelle datacommunicatie, is de aansluiting van grote
groepen bedrijven en burgers tot op heden achterwege gebleven. Geen enkele
partij blijkt de kosten van de benodigde investeringen voor de ‘laatste kilometer’
te willen dragen. Enige huiver voor dit soort investeringen is wel begrijpelijk na
de ervaringen met het veilen, opzetten en bovenal vermarkten van de umts-
netwerken. Bij dit soort investeringen dient de overheid tussen Scylla en Charib-
dys te navigeren. Het geheel overlaten van investeringen in de telecommunicatie-
infrastructuur aan de markt bergt het gevaar in zich dat deze infrastructuur niet
of slechts gedeeltelijk totstandkomt, omdat de grote risico’s private partijen
afschrikken. Actief overheidsingrijpen in een bepaalde richting heeft echter het
gevaar dat wordt gegokt op het verkeerde van meerdere mogelijke ontwikkelings-
scenario’s. De beste oplossing lijkt om een middenweg te bewandelen, waarin
samenwerking tussen private partijen en overheid, vooral in de precompetitieve
(verkennings)fase, tot een afgewogen investeringsbeslissing en financierings-
structuur moet leiden.
Juridische concurrentie
Een succesvolle toepassing van ict vereist meer dan alleen technologische voor-
uitgang. Minstens zo belangrijk is de maatschappelijke acceptatie van deze
nieuwe technologieën en toepassingen. Zowel in de b2b- als in de b2c-sfeer
vormen vertrouwensproblemen een belangrijke hindernis bij een verdere groei
van e-commerce. Er is bezorgdheid over de rechtsgeldigheid van transacties via
elektronische netwerken, over potentieel misbruik van de ter beschikking
gestelde persoonlijke en financiële gegevens en over de beperkte mogelijkheden
</pre>

====================================================================== Einde pagina 227 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 228 ======================================================================

<pre>    neder l a nd h a ndel sl a nd
                voor het afdwingen van correcte nakoming van afgesloten overeenkomsten,
                met name als transacties grensoverschrijdend zijn.
                Hoewel ict de fysieke kosten van communicatie vermindert, zal het belang van
                informele factoren, zoals cultuur en reputatie, niet afnemen. Zaken als kennis
                van vreemde talen en culturen nemen mogelijk zelfs in belang toe. Om vertrou-
                wensbanden op te bouwen blijft face-to-face communicatie een onontbeerlijk
                hulpmiddel. Het is ook niet toevallig dat de meeste b2b-contacten bestaan tussen
                bedrijven die al van oudsher met elkaar handelen en elkaar daardoor voldoende
                vertrouwen om met moderne ict-toepassingen hun onderlinge leveringen beter
                op elkaar af te stemmen. Er is nog een lange weg te gaan om de rechtszekerheid
                die offline bestaat ook te garanderen voor online-overeenkomsten. Op drie
                wijzen kan de overheid op juridisch gebied de helpende hand toesteken.
                Ten eerste dient het nationale beleid garant te staan voor een snelle, heldere en
                effectieve implementatie van internationaal-rechtelijke regelgeving op dit gebied.
                Ten tweede kan worden gedacht aan het opzetten van een monitorsysteem door
                een onafhankelijke instantie, die een kwaliteitslabel verstrekt aan ondernemin-
                gen die met betrekking tot hun handelsactiviteiten via elektronische netwerken
224             aan zekere kwaliteitseisen voldoen. Dit keurmerk moet het potentiële transactie-
                partners in een oogopslag duidelijk maken dat zij van doen hebben met een
                betrouwbare leverancier. Meer specifiek kan een keurmerk een steun zijn voor
                mkb-ondernemingen die hun waren in het buitenland willen slijten. ict biedt
                het mkb de mogelijkheid om zich tegen relatief lage kosten internationaal te
                presenteren. Een terugkerend probleem hierbij is evenwel dat individuele mkb-
                ondernemingen te klein en te anoniem zijn om zich als een betrouwbaar merk te
                profileren. Een keurmerk van betrouwbaarheid kan dit probleem voor een deel
                ondervangen. Ten derde kan worden gedacht aan een instrument om een effec-
                tieve afdwinging van grensoverschrijdende e-commerce-overeenkomsten te
                bevorderen. Nederland kan zich, in lijn met het hierboven besproken keurmerk,
                een reputatie proberen te verwerven van betrouwbaarheid in e-commerce-trans-
                acties als ook buitenlanders relatief gemakkelijk via gerechtelijke weg genoeg-
                doening kunnen krijgen in geval van niet-nakomen van overeenkomsten.
                De raad adviseert de Nederlandse overheid om te bevorderen dat private partijen
                komen tot de oprichting van een internationaal arbitrage-instituut, dat zich
                specifiek richt op een snelle en effectieve geschilbeslechting in de e-commerce-
                sfeer en dat goed is in te passen in het Nederlands recht. Hierbij dient het moge-
                lijk te zijn dat ook in het Engels wordt geprocedeerd en dienen de uitspraken van
                het instituut snel bindend te worden verklaard door de rechtbank.
                Meer in het algemeen valt te denken aan een vorm van juridische concurrentie,
                waarbij Nederland in internationaal verband het voortouw neemt in de regelge-
                ving op het gebied van virtuele veilings- en handelssystemen, kwaliteitsborging,
                geschillenbeslechting en intellectueel eigendomsrecht. Internationale aanvaar-
                ding van zulke regels zou leiden tot een egaal speelveld met lage transactiekosten,
                hetgeen de internationale handel zou bevorderen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 228 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 229 ======================================================================

<pre>                                                                          conclusies en aanbevelingen
    Kennis en innovatie
    Kennis en innovatie hebben een hoog publiekgoedkarakter in de zin dat zij externe
    effecten hebben die de gehele maatschappij ten goede komen. Kennis over en
    innovatieve toepassingen van ict verdienen het daarom door de overheid gesti-
    muleerd te worden. Een belangrijk onderdeel van de handelskennis is immers het
    vermogen om efficiënt de relevante informatie te vergaren en combineren.
    Als concrete voorbeelden van maatregelen die deze strategie effectueren, denkt
    de raad aan het ondersteunen van brancheorganisaties die hulpvaardig zijn bij het
    doorgeleiden van kennis naar de praktijk van de (mkb-)ondernemer. Dit betreft
    het element kennisverspreiding. Met betrekking tot kennistoename is het van
    belang ook hier het beleid toe te spitsen op de praktijk. De raad heeft met betrek-
    king tot de ontwikkeling van ict-toepassingen uitdrukkelijk de voorkeur voor
    een innovatiebeleid dat gestoeld is op drie elementen:
    1 een beleid dat specifieke experimenten stimuleert in plaats van een generiek
         (fiscaal) beleid;
    2 een beleid dat is gericht op bestaande bedrijven;
    3 een beleid dat hoge eisen stelt aan de openbaarheid en overdraagbaarheid van
         de kennis die wordt opgedaan als resultaat van de experimenten (vgl. wrr
         2002a).                                                                                      225
    Een stimuleringsbeleid dat op deze wijze is vormgegeven verschilt van het alge-
    mene innovatiebeleid, dat veel meer een generiek karakter heeft. De reden is dat
    het hier gaat om stimulering van innovaties die bijdragen aan een verlaging van
    de transactiekosten en vanuit dit perspectief het karakter van een publiek goed
    hebben.
7.7 samenvatting
    Hoewel de internationale handel in de eerste plaats de verantwoordelijkheid is
    van de handelende partijen zelf – producenten, intermediairs en consumenten –,
    kan de overheid wel een belangrijke ondersteunende rol vervullen. Vanuit het
    transactiekostenperspectief bezien bestaat de taak van de overheid, zo is in de
    voorgaande paragrafen betoogd, er in de eerste plaats uit om de opbouw van
    handelskapitaal, dat bijdraagt aan verlaging van transactiekosten, te stimuleren,
    vooral waar dit kapitaal het karakter heeft van een publiek goed. In aanvulling op
    het beleid dat nu al wordt gevoerd, vraagt de raad aandacht voor een aantal andere
    aspecten. Worden de beleidsaanbevelingen in de voorgaande paragrafen inge-
    deeld naar beleidssector, dan kunnen deze als volgt worden samengevat.
    Voorlichting, informatie en kennis
    Op het gebied van voorlichting, informatie en kennis heeft de overheid een taak
    bij:
    • de versterking van de voorlichtingsfunctie van en ondersteuning door ambas-
         sades en de kwaliteit van handelsmissies;
</pre>

====================================================================== Einde pagina 229 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 230 ======================================================================

<pre>    neder l a nd h a ndel sl a nd
                •     de informatieverstrekking aan buitenlandse partijen over de kredietwaardig-
                      heid en betrouwbaarheid van potentiële Nederlandse handelspartners;
                •     de invoering van een kwaliteitskeurmerk voor elektronische handel;
                •     het scheppen van faciliteiten voor het mkb om te leren van elkaars ervaringen
                      en expertise;
                •     het ondersteunen van experimenten door het bedrijfsleven op het gebied van
                      ict en e-commerce.
                Regelgeving
                Op juridisch gebied dient de aandacht van de overheid uit te gaan naar:
                • steun bij de opbouw van de rechtsinfrastructuur in ontwikkelingslanden;
                • snelle, heldere en effectieve implementatie van internationale regels en
                      afspraken;
                • snelle en doorzichtige beslechting van geschillen tussen buitenlandse en
                      Nederlandse partijen;
                • het scheppen van de mogelijkheid om in Nederland in het Engels te contracte-
                      ren en te procederen;
                • het bevorderen dat er een internationaal arbitrage-instituut op het gebied van
                      e-commerce wordt opgericht.
226
                Onder wijs
                Op het gebied van het onderwijs kunnen de volgende maatregelen bijdragen aan
                het opbouwen van handelskapitaal:
                • aandacht voor het aanleren van algemene handelsvaardigheden in het middel-
                      baar onderwijs: gedegen kennis van vreemde talen en culturen, handels-
                      kennis als apart vak in het curriculum;
                • in samenwerking met private partijen oprichten van een internationaal
                      opleidingsinstituut op het gebied van de handel.
                Vanuit het analytische perspectief van de transactiekosten is in dit rapport een
                generieke invulling gegeven aan de algemene beleidslijn dat de overheid een
                goede marktmeester behoort te zijn en het handelskapitaal met het karakter van
                een publiek goed dient te borgen. Het initiatief waarin en met wie te handelen,
                moet aan de handelaren zelf worden overgelaten. Wel dient de overheid zoveel
                mogelijk de belemmeringen daarvoor weg te nemen. Deze vrijheid van handelen
                en goed handelaarschap hebben ervoor gezorgd dat Nederland eeuwenlang een
                sterke handelspositie heeft weten te handhaven. Mondialisering en informatise-
                ring doen echter de omstandigheden veranderen. Een kennisintensieve samen-
                leving stelt andere en nieuwe eisen aan het beleid. Dit rapport heeft deze veran-
                deringen gesignaleerd en wil daarmee op het belang van deze veranderingen voor
                het toekomstige handelsbeleid wijzen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 230 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 231 ======================================================================

<pre>                                                                                                literatuur
liter atuur
Acemoglu, D., S. Johnson and J.A. Robinson (2001) Reversal of fortune: Geography and
           institutions in the making of the modern world income distribution, nber
           Working Paper no. 8460, Cambridge (ma): nber.
aci (2002) The world’s busiest airports, aci Traffic Data (http://www.airports.org).
Akerlof, G.A. (1970) ‘The market for lemons: Quality uncertainty and the market mecha-
           nism’, Quarterly Journal of Economics 84: 488-500.
Amsterdam (2001) Hitachi kiest voor Amsterdamse haven. Persbericht gemeente Amster-
           dam, 7 augustus 2001 (http://www.amsterdam.nl/nieuwsactueel/2001/pb/pb-
           70.html).
Amsterdam Airport Schiphol (2002) Statistical annual review 2001, Schiphol.
Anderson, J.E. and L. Young (2000) Trade implies law: The power of the weak, nber
           Working Paper no. 7702, Cambridge (ma): nber.
Andriessen, J.E. (1995) ‘Nederland – dé Europese distributieregio met toegevoegde
           waarde’, blz. 161-169 in L. van der Geest en J. van Sinderen (red.) Kracht en zwakte
           van de Nederlandse economie, Rotterdam/Tilburg: Barjesteh, Meeuwes en
           Co/Syntax Publishers.
Antweiler, W. and D. Trefler (2002) ‘Increasing returns and all that: A view from trade’,                  227
           American Economic Review 92: 93-119.
Ark, B. van (2000) ‘De Nederlandse productiviteitsparadox’, ESB, 85: 974-976.
Ark, B. van and M. Timmer (2001) PPPs and international productivity comparisons:
           Bottlenecks and new directions, paper voor ‘ilo seminar on productivity compa-
           risons’, Genève, 26 januari 2001.
Armington, P.S. (1969) ‘A theory of demand for products distinguished by place of
           production’, International Monetary Fund Staff Papers 16: 159-178.
Bagwell, K. and R.W. Staiger (2001) ‘The wto as a mechanism for securing market access
           property rights: Implications for global labor and environmental issues’, Journal
           of Economic Perspectives 15: 69-88.
Balkenende, J.P., E.J.J.M. Kimman en J.P. van den Toren (1997) Vertrouwen in de economie:
           het debat, Van Gorcum: Assen.
Baltesen, F. (2002) ‘Koffieketen Starbucks naar A’dam’, NRC Handelsblad, 13 april 2002.
Barrios, S., H. Görg and E. Strobl (2000) Multinational enterprises and new trade theory :
           Evidence for the convergence hypothesis, Nottingham: Centre for Research on
           Globalisation and Labour Markets.
Baumol, W.J. (1990) ‘Entrepreneurship: productive, unproductive, and destructive’,
           Journal of Political Economy 98: 893-921.
Baygan, G. and M. Freudenberg (2000) The internationalisation of venture capital activity
           in OECD countries: Implications for measurement and policy, sti Working Paper,
           Paris: oecd.
Beck, U. (1997) Was ist Globalisierung? Irrtümer des Globalismus – Antworten auf Globa-
           lisierung, Frankfurt am Main: Suhrkamp Verlag.
Bell, J. (1999) ‘Entry modes and location decisions’, blz. 172-190 in R. van Hoesel and R.
           Narula (eds.) Multinational enterprises from the Netherlands, London/New York:
           Routledge.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 231 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 232 ======================================================================

<pre>    neder l a nd h a ndel sl a nd
    Bergstrand, J.H. (1985) ‘The gravity equation in international trade: Some microeconomic
                foundations and empirical evidence’, The Review of Economics and Statistics 67:
                474-481.
    Biglaiser (1993) ‘Middlemen as experts’, Rand Journal of Economics 24: 212-223.
    Blanchflower, D.G. (2000) ‘Self-employment in oecd countries’, Labour Economics 7:
                471-505.
    Blanchflower, D.G., A. Oswald and A. Stutzer (2001) ‘Latent entrepreneurship across
                nations’, European Economic Review 45: 680-691.
    Brainard, S.L. (1997) ‘An empirical assessment of the proximity-concentration trade-off
                between multinational sales and trade’, American Economic Review 87, 4: 520-
                544.
    Brander, J.A. (1995) ‘Strategic trade policy’, blz. 1395-1455 in G.M. Grossman and K.
                Rogoff (eds.) Handbook of international economics, volume III, Amsterdam:
                Elsevier Science.
    Brown, D.K. (2001) ‘Labor standards: Where do they belong on the international trade
                agenda’, Journal of Economic Perspectives 15: 89-112.
    Buckley, P.J. (1985a) ‘New forms of international industrial co-operation’, blz. 39-59 in P.J.
                Buckley and M. Casson (eds.), The economic theory of the multinational
                enterprise, London/Besingstoke: MacMillan.
228 Buckley, P.J. (1985b) ‘Testing theories of the multinational enterprise: A review of the
                evidence’, blz. 192-211 in P.J. Buckley and M. Casson, The economic theory of the
                multinational enterprise, London/Besingstoke: MacMillan.
    Buckley, P.J., en M. Casson (1985) ‘The optimal timing of a foreign direct investment’, blz.
                98-112 in: P.J. Buckley en M. Casson (eds.), The economic theory of the multina-
                tional enterprise, London/Besingstoke: MacMillan.
    Burt, R.S. (2001) ‘The social capital of structural holes’, in M.F. Guillén et al., New direc-
                tions in economic sociology, New York: Russel Sage Foundation.
    Buskens, V.W. (1999) Social networks and trust, ics dissertation series.
    Buskens, V. and J. Weesie (2000) ‘An experiment on the effects of embeddedness in trust
                situations’, Rationality and Society 12, 2: 227-253.
    Butter, F.A.G. den (2001) ‘Een nieuwe gouden eeuw met ict’, Economisch Statistische
                Berichten 86: 208-210.
    Butter, F.A.G. den en R.H.J. Mosch (2002) ‘Het belang van vertrouwen in de internatio-
                nale handel: Een empirische verkenning’, Maandschrift Economie 66: 314-336.
    Butter, F.A.G. den en R.W. van Zijp (1995) Technologie en werkgelegenheid, Beleidsstudies
                Technologie Economie nr. 28, Den Haag: Ministerie van Economische Zaken.
    Carr, D.L., J.R. Markusen and K.E. Maskus (2001) ‘Estimating the knowledge-capital
                model of the multinational enterprise’, American Economic Review 91, 3: 693-
                708.
    Casella, A. (1996) ‘On market integration and the development of institutions: The case of
                international commercial arbitration’, European Economic Review 40: 155-186.
    Casson, M. (1985) ‘Transaction costs and the theory of the multinational enterprise’, blz.
                20-38 in P.J. Buckley and M. Casson (eds.), The economic theory of the multina-
                tional enterprise, London/Besingstoke: MacMillan.
    Casson, M. (1997) Information and organisation, Oxford: Clarendon Press.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 232 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 233 ======================================================================

<pre>                                                                                           literatuur
Casson, M. (1998) ‘The economic analysis of multinational trading companies’, blz. 22-47
         in G. Jones (ed.) The multinational traders, London: Routledge.
Casson, M. en H. Cox (1997) ‘An economic model of inter-firm networks’, blz. 174-196 in
         M. Ebers, The formation of inter-organizational networks, Oxford: Oxford
         University Press.
Castells, M. (1996) The rise of the network society. The information age: 1, Oxford/Malden
         (ma): Blackwell Publishers.
Castells, M. (2000) End of Millennium. The information age: economy, society and culture,
         volume iii (second edition).
cbs (a) Statistiek financiën grote ondernemingen (Statline:
         http://www.cbs.nl/nl/cijfers/statline/index.htm).
cbs (b) Historische reeksen nationale rekeningen (Statline:
         http://www.cbs.nl/nl/cijfers/statline/index.htm).
cbs (c) Historie economische relaties met het buitenland vanaf 1917 (Statline:
         http://www.cbs.nl/nl/cijfers/statline/index.htm).
cbs (d) Goederen en diensten: invoer en uitvoer (Statline:
         http://www.cbs.nl/nl/cijfers/statline/index.htm).
cbs (e) Handel naar landen(groepen) volgens SITC-indeling (Statline:
         http://www.cbs.nl/nl/cijfers/statline/index.htm).
cbs (f) Arbeidsrekeningen (Statline: http://www.cbs.nl/nl/cijfers/statline/index.htm).                229
cbs (g) Historie bevolking (Statline: http://www.cbs.nl/nl/cijfers/statline/index.htm).
cbs (h) Statistiek historie verkeer en vervoer vanaf 1900, (Statline:
         http://www.cbs.nl/nl/cijfers/statline/index.htm).
cbs (1999) BV Nederland. Financieel overzicht Nederlands bedrijfsleven, Voorburg/Heer-
         len: Centraal Bureau voor de Statistiek.
cbs (2001a) De digitale economie, Voorburg/Heerlen: Centraal Bureau voor de Statistiek.
cbs (2001b) De Nederlandse economie 2000, Voorburg/Heerlen: Centraal Bureau voor de
         Statistiek.
cbs (2001c) Tweehonderd jaar statistiek in tijdreeksen, 1800-1999, Voorburg/Heerlen:
         Centraal Bureau voor de Statistiek.
cbs (2002) De digitale economie, Voorburg/Heerlen: Centraal Bureau voor de Statistiek.
Challenge (1998) ‘Culture counts – Interview with David S. Landes’, Challenge 41, 14-30.
Chirinko, B., H. van Ees, H. Garretsen and E. Sterken (1999) Firm performance, financial
         institutions and corporate governance in the Netherlands, CESifo Working Paper
         no. 210, München.
cia (2001) The world factbook 2001, Washington (http://www.odci.gov/cia/publica-
         tions/factbook).
cic (2002) Penn World Table Version 6.1, Center for International Comparisons, Philadelp-
         hia: University of Pennsylvania (http://pwt.econ.upenn.edu).
Cisco Systems Nederland (2000) Cisco Systems maakt nieuwbouwplannen in Amsterdam
         bekend, persbericht 20 maart 2000, Amsterdam
         (http://www.cisco.com/global/NL/news/berichten2000/news_persberich-
         ten_032000a.shtml).
Coase, R.H. (1937) ‘The nature of the firm’, Economica 4: 386-405.
Coase, R.H. (1960) ‘The problem of social cost’, Journal of Law and Economics 2: 1-40.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 233 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 234 ======================================================================

<pre>    neder l a nd h a ndel sl a nd
    Coppel, J. (2000) E-commerce: Impacts and policy challenges, Working Paper no. 252,
                Parijs: oecd (Economics Department).
    cpb (2001) Macro-economische verkenning 2002, Den Haag: Centraal Planbureau.
    cses (2001) Barriers to trade in business services, final report commissioned by the Euro-
                pean Commission, Brussel: Centre for Strategy & Evaluation Services.
    Dalen, H.P. van and A. van Vuuren (2003) Greasing the wheels of trade. Measuring the size
                of the transaction sector with Dutch occupational data, wrr-discussiepaper, Den
                Haag: Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid.
    Damme, E.E.C. van (1999) ‘De markt meester’, blz. 163-176 in R.S.G. Lenderink en J. van
                Sinderen (red.), Langs lijnen van geleidelijkheid, Groningen: Wolters-Noordhoff.
    Dasgupta, P. (1988) ‘Trust as a commodity’, blz. 49-72 in D. Gambetta et al., Trust, making
                and breaking cooperative relations, Oxford/New York: Basil Blackwell.
    Davis, D.R., D.E. Weinstein, S.C. Bradford, and K. Shimpo (1997) ‘Using international
                and Japanese regional data to determine when the factor abundance theory of
                trade works’, The American Economic Review 87: 421-446.
    Davis, D.R. and D.E. Weinstein (2001) Do factor endowments matter for North-North
                trade?, nber Working Paper no. 8516, Cambridge (ma): nber.
    Diamond, J.W. (1997) Guns, germs and steel: The fate of human societies, New York: W.W.
                Norton.
230 dnb (2002a) Betalingsbalans en directe investeringen, De Nederlandsche Bank
                (http://www.statistics.dnb.nl/statbalans.html).
    dnb (2002b) ‘Tachtig jaar exportkredietverzekering’, Kwartaalbericht, september 2002:
                61-68.
    Dunning, J. (1981) International production and the multinational enterprise, London:
                Allen & Unwin.
    Durkheim, E.M. (1964) The division of labour in society (vertaling van De la division du
                travail social, oorspronkelijke uitgave 1893), New York: The Free Press.
    Eaton, J. and S. Kortum (2001) Technology, geography, and trade, Boston University/
                nber (forthcoming in Econometrica).
    Eaton, J., S. Kortum and F. Kramarz (2001) An anatomy of international trade: Evidence
                from French firms (preliminary paper), Cambridge (ma): nber.
    Ebers, M. (1997) ‘Explaining inter-organizational network formation’, blz. 3-40 in M.
                Ebers, The formation of inter-organizational networks, Oxford: Oxford Univer-
                sity Press.
    Economist, The (2001), ‘Internet auctions. Doing eBay’s bidding’, The Economist, 10
                november 2001: 87.
    eim (2000) Ontwikkeling van export en exportpotentie van het industriële MKB. Persbe-
                richt 1 februari 2000, Zoetermeer: eim.
    Ellickson, R.C. (1991) Order without law: How neighbours settle disputes, Cambridge:
                Harvard University Press.
    Ellis, P. (2000) ‘Social ties and foreign market entry’, Journal of International Business
                Studies 31: 443-469.
    Ellis, P. (2001) ‘Adaptive strategies of trading companies’, International Business Review
                10: 235-259.
    Europese Commissie (1997) Eurobarometer, Report 46
                (http://europa.eu.int/comm/public_opinion/archives/eb/eb46/eb46_en.htm
</pre>

====================================================================== Einde pagina 234 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 235 ======================================================================

<pre>                                                                                              literatuur
Evenett, S.J. and W. Keller (1998) On theories explaining the success of the gravity
         equation, nber Working Paper no. 6529, Cambridge (ma): nber.
Feenstra, R.C. (1995) ‘Estimating the effects of trade policy’, blz. 1553-1595 in G.M. Gross-
         man en K. Rogoff (eds.) Handbook of international economics, volume III, Amster-
         dam: Elsevier Science.
Feenstra, R.C. (1999) ‘Facts and fallacies about foreign direct investment’, blz. 331-350 in
         M. Feldstein (ed.) International capital flows, Chicago: University of Chicago
         Press/nber.
Feenstra, R.C. and G.H. Hanson (2000) Intermediaries in entrepôt trade: Hong Kong re-
         exports of Chinese goods, preliminary paper, Cambridge (ma): nber.
Findlay, R. and K.H. O’Rourke (2001) Commodity market integration, 1500-2000, paper
         presented at the nber conference ‘Globalization in historical perspective’, Santa
         Barbara, May 2001.
Findlay, R. and S. Wellisz (1993) ‘Hong Kong’, blz. 16-92 in: R. Findlay and S. Wellisz
         (eds.) Five small open economies. Washington/New York: The World
         Bank/Oxford University Press.
Fortune (2002) ‘Fortune Global 5 Hundred: The world’s largest corporations’, Fortune
         July 22, 2002: F1-F43.
Frankel, J. (2000) ‘Globalization of the economy’, blz. 45-71 in J. Nye and J. Donahue
         (eds.) Governance in a globalizing world, Washington (dc): Brookings Institu-                   231
         tion.
Frankel, J. and A. Rose (2000) An estimate of the effect of common currencies on trade and
         income, nber Working Paper no. 7857, Cambridge (ma): nber.
Freeman, R.B. (1995) ‘Are your wages set in Beijing?’ Journal of Economic Perspectives 9:
         15-32.
Furubotn, E.G. en R. Richter (2000) Institutions and economic theory. The contribution of
         the new institutional economics, Ann Arbor: The University of Michigan Press.
Gambetta, D. (1988) ‘Can we trust trust?’, blz. 213-237 in D. Gambetta et al., Trust, making
         and breaking cooperative relations, Oxford/New York: Basil Blackwell.
Gelauff, G.M.M. (2002a) ‘De vitaliteit van het handelsbeleid - commentaar’, blz. 285-288
         in C.A. Hazeu en G.J. Kronjee (red.) De vitaliteit van de nationale staat in een
         internationaliserende wereld, Den Haag: Wetenschappelijke Raad voor het Rege-
         ringsbeleid/Wolters-Noordhoff.
Gelauff, G.M.M. (2002b) ‘Sociaal kapitaal, een onmisbaar bezit in de kenniseconomie’,
         M&O Tijdschrift voor Management en Organisatie 56: 44-60.
Gereffi, G. (1999) ‘International trade and industrial upgrading in the apparel commodity
         chain’, Journal of International Economics 48: 37-70.
Giebels, R. (2002) ‘Arrogantie kost Singapore klanten’, NRC Handelsblad 24 mei 2002.
Goey, F. de (1999) ‘Dutch overseas investments in the very long run (c. 1600-1990)’, blz.
         32-60 in R. van Hoesel and R. Narula (eds.) Multinational enterprises from the
         Netherlands, London/New York: Routledge.
Goldman Sachs (2000) The shocking economic effect of B2B, Global Economics Paper
         no. 37.
Graaff, C.C. van de en M.J. Overweel (2002) Het belang van importen voor het MKB,
         Zoetermeer: eim.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 235 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 236 ======================================================================

<pre>    neder l a nd h a ndel sl a nd
    Greif, A. (1989) ‘Reputation and coalitions in medieval trade: Evidence on the Maghribi
                traders’, Journal of Economic History 49, 4: 857-82.
    Greif, A. (1993) ‘Contract enforceability and economic institutions in early trade:
                The Maghribi traders coalition’, American Economic Review 83, 3: 525-48.
    Greif, A. (1994) ‘Cultural beliefs and the organization of society: A historical and theore-
                tical reflection on collectivist and individualist societies’, Journal of Political
                Economy 102: 912-950.
    Greif, A. (2000) ‘The fundamental problem of exchange: A research agenda in historical
                institutional analysis’, European Review of Economic History 4: 251-284.
    Gresik, T.A. (2001) ‘The taxing task of taxing multinationals’, Journal of Economic Litera-
                ture 39: 800-838.
    Grossman, G.M. and G. Maggi (2000) ‘Diversity and trade’, American Economic Review
                90: 1255-1275.
    Hackett, S.C. (1992) ‘A comparative analysis of merchant and broker intermediation’,
                Journal of Economic Behavior and Organization 18: 299-315.
    Harrigan, J. (1996) ‘Technology, factor supplies and international specialization: estima-
                ting the neoclassical model’, The American Economic Review 87: 475-494.
    Head, K. and J. Ries (2001) ‘Increasing returns versus national product differentiation as
                an explanation for the pattern of U.S.-Canada trade’, American Economic Review
232             91: 858-876.
    Heerma, M. en D. van der Wal (2002) ‘Euro, fusies en elektronische handel’, Economisch
                Statistische Berichten 6 september 2002: 632-634.
    Heijden, T. van der (2002) ‘Starbucks komt’,
                (http://www.mt.nl/magazine/mt082002/89284?version=2)
    Helliwell, J.F. (1998) How much do national borders matter?, Washington (dc):
                Brookings Institution Press.
    Helpman, E. (1998) The structure of foreign trade, nber Working Paper no. 6752,
                Cambridge (ma): nber.
    Herings, P.J.J. en M.P. Schinkel (2000) ‘World-Wide-Welfare: een micro-economische
                analyse van de nieuwe economie’, blz. 137-176 in L. Soete (red.) ICT en de nieuwe
                economie – Preadviezen van de Koninklijke Vereniging voor de
                Staathuishoudkunde, Utrecht: Lemma.
    Hoesel, R. van and R. Narula (1999) ‘Outward investment from the Netherlands: Intro-
                duction and overview’, blz. 1-31 in R. van Hoesel and R. Narula (eds.) Multina-
                tional enterprises from the Netherlands, London/New York: Routledge.
    Hogenbirk, A. and R. Narula (1999) ‘Globalisation and the small economy: The case of the
                Netherlands’, in: D. van den Bulcke and A. Verbeeke (eds.) Globalisation and the
                small economy, Edward Elgar.
    Hong Kong Census & Statistics Department (2002) Frequently asked statistics
                (http://www.info.gov.hk/censtatd/eng/hkstat/index1.html).
    Horlings, E. (1995) The economic development of the Dutch service sector 1800-1850: Trade
                and transport in a premodern economy, Amsterdam: neha.
    ilo (2001) Life at work in the information economy, Genève: International Labour Office.
    International Institute for Management Development (2001) World competitiveness year-
                book 2001, Lausanne: International Institute for Management Development
                (http://www.imd.ch).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 236 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 237 ======================================================================

<pre>                                                                                              literatuur
Israel, J.I. (1996) De republiek, 1477-1806, Franeker: Van Wijnen.
Jansen, A.M. (2001) E-commerce en de factor arbeid, Den Haag: Ministerie van Sociale
           Zaken en Werkgelegenheid.
Jong, R. de (2002), ‘Zakendoen in taalgenoot België vol valkuilen’, Het Financieele
           Dagblad, 19 juni 2002.
Klundert, Th. van de (1999), ‘Economic efficiency and ethics’, De Economist 147, 2: 127-
           149.
Kollock, P. (1999a) ‘The economies of online cooperation: Gifts and public goods in
           Cyberspace’, blz. 220-239 in M. Smith and P. Kollock (eds.) Communities in
           cyberspace, London: Routledge.
Kollock, P. (1999b) ‘The production of trust in online markets’, blz. 99-123 in E.J. Lawler,
           M. Macy, S. Thyne and H.A. Walker (eds.) Advances in group processes (vol. 16),
           Greenwich ct: jai Press.
Krugman, P.R. (1995) ‘Increasing returns, imperfect competition and the positive theory
           of international trade’, blz. 1243-1277 in G.M. Grossman en K. Rogoff (eds.)
           Handbook of international economics, volume III, Amsterdam: Elsevier Science.
Krugman, P.R. and M. Obstfeld (2000) International economics: Theory and policy (5th
           ed.), Reading (ma): Addison-Wesley.
Laan, M. (2002) ‘Hoofdzetel Sanchez in A’dam’, Het Parool, 26 oktober 2002.
Landes, S. (1998) The wealth and poverty of nations, New York: W.W. Norton.                              233
Li, S. (1999) The benefits and costs of relation-based governance: An explanation of the East
           Asian miracle and crisis, Working Paper, Department of Economics and Finance,
           City University of Hong Kong.
Lim, L., P.E. Fong and R. Findlay (1993) ‘Singapore’, blz. 93-139 in R. Findlay and S.
           Wellisz (eds.) Five small open economies, Washington/New York: The World
           Bank/Oxford University Press.
Lindblad, J.Th. en J.L. van Zanden (1989) ‘De buitenlandse handel van Nederland, 1872-
           1913’, Economisch- en sociaal-historisch jaarboek 52, Den Haag: Nijhoff/Vereni-
           ging Het Nederlandsch Economisch-Historisch Archief, 231-269.
Linder, S.B. (1961) An essay on trade and transformation, New York: John Wiley and sons.
Litan, R.E. and A.M. Rivlin (2001) ‘Projecting the economic impact of the internet’,
           American Economic Review, Papers and proceedings, 313-317.
Lodewijks, A.J.V.C. en J.C.M.M. Siemons (1999) Handels- en investeringsbevordering –
           Een internationale benchmarkstudie, Utrecht: Ernst & Young Consulting.
MacArthur, J.W. and J.D. Sachs (2001) Institutions and geography: Comment on Acemoglu,
           Johnson and Robinson, nber Working Paper no. 8114, Cambridge (ma): nber.
Markusen, J. (1995) ‘The boundaries of multinational enterprises and the theory of inter-
           national trade’, Journal of Economic Perspectives 9: 169-189.
Markusen, J.R. and K.E. Maskus (1999a) Multinational firms: Reconciling theory and
           evidence, nber Working Paper no. 7163, Cambridge (ma): nber.
Markusen, J.R. and K.E. Maskus (1999b) Discriminating among alternative theories of the
           multinational enterprise, nber Working Paper no. 7164, Cambridge (ma): nber.
Markusen, J.R., and A.J. Venables (1995) Multinational firms and the new trade theory,
           nber Working Paper no. 5036, Cambridge (ma): nber.
Markusen, J.R. and A.J. Venables (2000) ‘The theory of endowment, intra-industry and
           multi-national trade’, Journal of International Economics 52: 209-234.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 237 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 238 ======================================================================

<pre>    neder l a nd h a ndel sl a nd
    Ministerie van Economische Zaken (1998) Nota electronic commerce, Den Haag.
    Ministerie van Economische zaken (2002) Concurrentietoets IV, Den Haag.
    mkb-Nederland (2000) Vol gas naar het buitenland. Een pleidooi voor een krachtige
                exportstimulans voor het MKB. Delft: mkb-Nederland.
    Mooij, R.A. de and S. Ederveen (2001) Taxation and foreign direct investment. A synthesis
                of empirical research, cpb Discussion Paper no. 003, Den Haag: Centraal Planbu-
                reau.
    Mosch, R.H.J. (2000) Institutions, trust and the Dutch labor market, mimeo, Amsterdam.
    Mosch, R.H.J. en R.G. van den Berg (2003) ‘Het recht als internationale concurrentiefac-
                tor: de financiële sector’, Nederlands Juristenblad 78, 4: 182-184.
    Mosch, R.H.J. en I. Verhoeven (2003) Vertrouwen in economische samenwerkingsverban-
                den, wrr Discussiepaper, Den Haag: wrr (te verschijnen).
    Moss Kanter, R. (1996) ‘Using networks for competitive advantage’, in: Strategy + Busi-
                ness, 4.
    Myrdal, G. (1957) Economic theory and under-developed regions. London: Gerald Duck-
                worth.
    Narula, R. and A. Hogenbirk (1999) ‘Dutch manufacturing mnes in the United States
                1950-1995’, blz. 210-240 in R. van Hoesel and R. Narula (eds.) Multinational
                enterprises from the Netherlands, London/New York: Routledge.
234 Nooteboom, B. (2002) Vertrouwen, Schoonhoven: Academic Service.
    North, D.C. (1990) Institutions, institutional change and economic performance,
                Cambridge: Cambridge University Press.
    North, D.C. (1991) ‘Institutions, transaction costs, and the rise of merchant empires’, blz.
                22-40 in J.D. Tracy (ed.) The political economy of merchant empires, Cambridge:
                Cambridge University Press.
    North, D.C. (1995) ‘Institutional competition’, blz. 27-37 in H. Siebert (ed.) Locational
                competition in the world economy, Tübingen: J.C.B. Mohr.
    oecd (a) Main economic indicators (http://www.sourceoecd.org).
    oecd (2001) Science, technology and industry scoreboard 2001 – Towards a knowledge-
                based economy (http://www1.oecd.org/publications/e-book/92-2001-04-1-
                2987/).
    Olson, M. (1965) The logic of collective action, Cambridge (ma): Harvard University Press.
    Oosterhaven, J.A. (2000) E-business voor gevestigde ondernemers, Den Haag: Stichting
                Managementstudies.
    O’Rourke, K.H. (2001) Globalization and inequality: Historical trends, nber Working
                Paper no. 8339, Cambridge (ma): nber.
    O’Rourke, K.H. and J.G. Williamson (1999) The Heckscher-Ohlin model between 1400 and
                2000: When it explained factor price convergence, when it did not, and why, nber
                Working Paper no. 7411, Cambridge (ma): nber.
    Ostrom, E. (1990) Governing the commons: The evolution of institutions for collective
                action, New York: Cambridge University Press.
    Pieper, R. (2000) E-wereld, inaugurele rede, Enschede: Universiteit Twente.
    Port of Rotterdam (2002) Port statistics 2001, Rotterdam.
    Praag, C.M. van (1996) Determinants of successful entrepreneurship, Dissertatie, Amster-
                dam: Thesis Publishers.
    Pro Active (2000) The internet monitor, Amsterdam.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 238 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 239 ======================================================================

<pre>                                                                                               literatuur
Ratnasingam, P.P. (2001) Interorganizational trust in business to business e-commerce,
          Rotterdam: Erasmus Research Institute of Management.
Rauch, J.E. (2001) ‘Business and social networks in international trade’, Journal of Econo-
          mic Literature 39: 1177-1203.
Rauch, J.E. and J. Watson (2002) Entrepreneurship in international trade, nber Working
          Paper no. 8708, Cambridge (ma): nber.
Ring, P.S. (1997) ‘Processes facilitating reliance on trust in inter-organisational networks’,
          blz. 113-145 in M. Ebers (ed.), The formation of inter-organizational networks,
          Oxford: Oxford University Press.
Sachs, J.D. (2001) Tropical underdevelopment, nber Working Paper no. 8119, Cambridge
          (ma): nber.
Sapienza, H.J., S. Manigart and W. Vermer (1996) ‘Venture capitalist governance and
          value added in four countries’, Journal of Business Venturing 11: 439-469.
Sassen, S. (1991) Global cities: New York, London, Tokyo, Princeton (nj): Princeton Univer-
          sity Press.
Schott, P.K. (2001) One size fits all? Heckscher-Ohlin specialization in global production,
          nber Working Paper no. 8244, Cambridge (ma): nber.
ser (2002) Sociaal-economisch beleid 2002-2006, Den Haag: Sociaal-Economische Raad.
Singapore Ministry of Trade and Industry (2002a) Economic Survey of Singapore 2002-I
          (http://www.mti.gov.sg/public/eda).                                                             235
Singapore Ministry of Trade and Industry (2002b), Review of 2001 trade performance and
          outlook for 2002 (http://www.mti.gov.sg/public/eda).
Smith, A. (1776) An inquiry into the nature and causes of the wealth of nations, Oxford:
          Clarendon Press, 1976 (oorspr. 1776).
Smits, J.P.H. (1995) Economische groei en structuurveranderingen in de Nederlandse dien-
          stensector, 1850-1913, proefschrift, Amsterdam: Vrije Universiteit.
Smits, J.P.H. (1999) ‘Economische ontwikkeling, 1800-1995’, blz. 15-33 in R. van der Bie
          en P. Dehing (red.) Nationaal goed: feiten en cijfers over onze samenleving (ca.)
          1800-1999, Voorburg/Heerlen/Amsterdam: Centraal Bureau voor de Statis-
          tiek/Stichting beheer iisg.
Stibora, J. and A. de Vaal (1999) ‘Services fdi and the Dutch economy’, blz. 138-171 in R.
          van Hoesel and R. Narula (eds.) Multinational enterprises from the Netherlands,
          London/New York: Routledge.
Stiglitz, J. (2002) Globalization and its discontents, New York: W.W. Norton and
          Company.
Storper, M. (1997) The regional world. Territorial development in a global economy, New
          York/London: The Guilford Press.
Sztompka, P. (1999) Trust, a sociological theory, Cambridge: Cambridge University Press.
Trefler, D. (1995) ‘The case of missing trade and other mysteries’, American Economic
          Review 85: 1029-1046.
Tuyl, M. van en P. Ribbers (2002) ‘Electronic commerce en het verdwijnen van de inter-
          mediair: feit of fictie?’, Maandschrift Economie 66: 101-120.
Uhlaner, L.M., R. Thurik and J. Hutjes (2002) Post-materialism as a cultural factor influ-
          encing entrepreneurial activity across nations, Research Report H200202, Zoeter-
          meer: eim/scales.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 239 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 240 ======================================================================

<pre>    neder l a nd h a ndel sl a nd
    unctad (2001) World investment report 2001: Promoting linkages, New York/Genève:
                United Nations Conference on Trade and Development.
    unctad (diverse jaren) World investment report, New York/Genève: United Nations
                Conference on Trade and Development.
    undp (1998) Human development report 1998. New York: Oxford University Press.
    un Statistics Division (2001) (http://www.un.org/Dpts/unsd/social/education.htm).
    U.S. Bureau of the Census (2002) International database, Washington
                (http://www.census.gov).
    Vanek, J. (1968) ‘The factor proportions theory: The n-factor case’, Kyklos 21: 749-756.
    Vernon, R. (1966) ‘International investment and international trade in the product cycle’,
                Quarterly Journal of Economics 80: 190-207.
    Volkskrant (2001), ‘Webwinkels stellen klanten teleur door slechte service’, de Volkskrant,
                24 november 2001.
    Vries, J. de en A. van der Woude (1995) Nederland 1500-1815: De eerste ronde van moderne
                economische groei, Amsterdam: Uitgeverij Balans.
    Wallis, J.J. en D.C. North (1988) ‘Measuring the transaction sector in the American
                economy, 1870-1970’, blz. 95-161 in S.L. Engerman and R.E. Gallman (eds.) Long-
                tem factors in American economic growth, Chicago/London: University of
                Chicago Press.
236 Weber, M. (1921) Wirtschaft und Gesellschaft, Fünfte revidierte Auflage besorgt von
                Johannes Winckelmann, Tübingen: J.C.B. Mohr (Paul Siebeck).
    Wechsberg, J. (1966) The merchant bankers, New York: Bedminster Press.
    Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (1998) Staat zonder land. Een verken-
                ning van bestuurlijke gevolgen van informatie- en communicatietechnologie,
                Rapporten aan de regering nr. 54, Den Haag: Sdu Uitgevers.
    Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (2000) Het borgen van publiek belang,
                Rapporten aan de regering nr. 56, Den Haag: Sdu Uitgevers.
    Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (2001a) Nederland als immigratiesa-
                menleving, Rapporten aan de regering nr. 60, Den Haag: Sdu Uitgevers.
    Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (2001b) Ontwikkelingsbeleid en goed
                bestuur, Rapporten aan de regering nr. 58, Den Haag: Sdu Uitgevers.
    Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (2002a) Van oude en nieuwe kennis. De
                gevolgen van ICT voor het kennisbeleid, Rapporten aan de regering nr. 61, Den
                Haag: Sdu Uitgevers.
    Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (2002b) De toekomst van de nationale
                rechtsstaat, Rapporten aan de regering nr. 63, Den Haag: Sdu Uitgevers.
    Williams, B. (1988) ‘Formal structures and social reality’, blz. 3-13 in D. Gambetta et al.
                (eds.), Trust, making and breaking cooperative relations, Oxford/New York: Basil
                Blackwell.
    Williamson, O.E. (1985) The economic institutions of capitalism, New York: Free Press.
    Williamson, O.E. (1998) ‘Transaction cost economics: How it works, where it is headed’,
                De Economist 146: 23-58.
    Williamson, O.E. (2000) ‘The new institutional economics: Taking stock, looking ahead’,
                Journal of Economic Literature 38: 595-613.
    Wood, A. (1994) North-South trade, employment and inequality: Changing fortunes in a
                skill-driven world, Oxford: Clarendon Press.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 240 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 241 ======================================================================

<pre>                                                                                           literatuur
World Bank (2002) Globalization, growth, and poverty: Building an inclusive world
        economy, Washington (dc)/New York: The World Bank/Oxford University
        Press.
World Economic Forum (2001) The global competitiveness report 2001, New
        York/Oxford: Oxford University Press.
wto (2001) International trade statistics 2000, World Trade Organization
        (http://www.wto.org/english/res_e/statis_e/stat_toc_e.htm).
wto (2002a) Merchandise exports, production and gross domestic product, 1950-2001,
        World Trade Organization
        (http://www.wto.org/english/res_e/statis_e/statis_e.htm).
wto (2002b) World merchandise trade by region and selected economy, World Trade
        Organization (http://www.wto.org/english/res_e/statis_e/stat_toc_e.htm).
wto (2002c) World trade in commercial services by selected region and economy, World
        Trade Organization
        (http://www.wto.org/english/res_e/statis_e/stat_toc_e.htm).
Yarbrough, B.V. and R.M. Yarbrough (1994) ‘International contracting and territorial
        control: The boundary question’, Journal of Institutional and Theoretical Econo-
        mics 150, 1: 239-264.
Young, A. (1999) Transport, processing and information: value added and the circuitous
        movement of goods (preliminary mimeo University of Chicago).                                  237
Zanden, J.L. van (1997) Een klein land in de 20e eeuw. Economische geschiedenis van Neder-
        land 1914-1995, Utrecht: Het Spectrum.
Zeile, W.J. (1997) ‘U.S. intrafirm trade in goods’, Survey of Current Business (February
        1997), 23-38.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 241 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 242 ======================================================================

<pre>    neder l a nd h a ndel sl a nd
238
</pre>

====================================================================== Einde pagina 242 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 243 ======================================================================

<pre>                                        welvaartsvoordelen van een vermindering van transactiekosten in de handel
          bijl age 1: welvaartsvoordelen van een
                                 vermindering van
                                 tr ansactiekosten in de handel
          Een verlaging van de transactiekosten in de handel kan op verschillende manie-
          ren een welvaartsvoordeel opleveren. Hierbij zijn twee aspecten van belang,
          namelijk de toename van de welvaart vanwege de grotere efficiëntie waarmee de
          transactie plaatsvindt en de verdeling van die welvaartstoename. Bij de verdeling
          gaat het erom aan wie het welvaartsvoordeel toevalt: aan de handelaren zelf of
          aan de consumenten en/of producenten. Een tweede aspect van de verdelings-
          vraag is of het welvaartsvoordeel aan binnenlandse handelaren, consumenten
          en/of producenten toevalt of dat het (voor een deel) naar het buitenland
          wegvloeit. Deze bijlage illustreert de verschillende mogelijkheden aan de hand
          van diagrammen met vraag- en aanbodcurven.
          Figuur B1.1 geeft het algemene geval weer van een verlaging van transactiekosten
          die een intermediair realiseert op een bepaalde goederen- of dienstenmarkt.
          In de figuur zijn de vraagcurve V en de aanbodcurve A getekend. Op de verticale                         239
          as staat de prijs en op de horizontale as de hoeveelheid van het goed of de dienst.
          Indien er geen transactiekosten zouden zijn, zouden de prijs en verhandelde
          hoeveelheid worden bepaald door het snijpunt van de vraag- en aanbodcurve.
          Er wordt echter verondersteld dat in de uitgangssituatie de transactiekosten gelijk
          zijn aan t1, dat is Pv – Pa. De verhandelde hoeveelheid is dan v1 met Pa de prijs die
          de producent krijgt en Pv de prijs die de consument betaalt. Indien nu dankzij
          een grotere efficiëntie van de handel de transactiekosten worden verlaagd van t1
          naar t2, zijn er twee extreme mogelijkheden voor de doorwerking op de markt.
  Figuur B1.1 Welvaartsvoordelen van vermindering van transactiekosten
P
                                                                                          A
 Pv
       HM/CS                    CS
 Pv*
                          t1            t2
 Pa*
       HM/PS                    PS
 Pa
                                                                                          V
                             v1            v2
                                                                                                    V
</pre>

====================================================================== Einde pagina 243 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 244 ======================================================================

<pre>    neder l a nd h a ndel sl a nd
                De eerste extreme mogelijkheid doet zich voor indien de intermediair een mono-
                polie heeft. De intermediair zal in dit geval de winst van de verlaging van de
                transactiekosten zelf behouden, zodat zich geen veranderingen voordoen in de
                producenten- en consumentenprijs en in de verhandelde hoeveelheid v1. De
                beide rechthoeken met HM geven dan het welvaartsvoordeel voor de interme-
                diair aan. De verlaging van de transactiekosten komt in dit geval volledig tot
                uitdrukking in een verhoging van de productiviteit van de handel.
                Het andere extreme geval doet zich voor wanneer er sprake is van scherpe
                concurrentie tussen intermediairs, waardoor de daling van de transactiekosten
                volledig doorwerkt in een verlaging van de prijs. Nu worden de producentenprijs
                Pa* en de consumentenprijs Pv* en wordt een hoeveelheid v2 verhandeld. In deze
                situatie ontlenen de intermediairs zelf geen voordeel aan de verlaging van de
                transactiekosten, maar valt het welvaartsvoordeel volledig als extra consumen-
                tensurplus toe aan de consumenten (driehoek CS plus rechthoek HM/CS) en als
                extra producentensurplus aan de producenten (driehoek PS plus rechthoek
                HM/PS). In dit geval is het totale welvaartsvoordeel groter dan wanneer de
                handelaren of intermediairs het voordeel in eigen zak steken.
240             Opmerkelijk is dat een verlaging van de transactiekosten, die kan worden gezien
                als een efficiëntieverhoging van de handel, zich nu niet manifesteert als een
                productiviteitsverhoging van de handel, maar als een productiviteitsverhoging op
                de markten van goederen en diensten, die resulteert in een grotere economische
                bedrijvigheid. Weliswaar neemt dankzij de verlaging van de transactiekosten het
                volume van de handel toe, maar de toegevoegde waarde per eenheid factorinput
                blijft gelijk. Aldus blijkt dat er geen eenduidig verband bestaat tussen efficiëntie-
                verhoging in de handel en productiviteitsverhoging in de handelssectoren.
                De hierna volgende figuren illustreren de gevolgen van een verlaging van de
                transactiekosten in het geval van internationale handel. In de figuren B1.2a en
                B1.2b, waarin ABi de binnenlandse aanbodcurve en VBi de binnenlandse vraag-
                curve zijn, ligt de wereldhandelsprijs van het product, in de uitgangssituatie P1,
                onder het snijpunt van binnenlandse vraag en aanbod. Een deel van de binnen-
                landse vraag, VBi, wordt in het binnenland geproduceerd en het overige deel,
                Vtot –VBi, uit het buitenland geïmporteerd. In tegenstelling tot figuur B1.1 zijn in
                deze figuren de transactiekosten inbegrepen in de aanbodcurve, zodat een verla-
                ging van de transactiekosten die aan de consumenten wordt doorgegeven in een
                verschuiving van de aanbodcurve resulteert.
                Veronderstel nu dat door een verlaging van de transactiekosten de wereldprijs
                van P1 naar P2 zou kunnen zakken, maar dat vanwege een monopoliepositie van
                de handelaren deze prijsverlaging niet wordt geëffectueerd. Indien deze verlaging
                van de transactiekosten uitsluitend de buitenlandse handel betreft, is het
                welvaartsvoordeel van de internationale handel gelijk aan het rechthoekje WH in
                figuur B1.2a. Aan welk land dit welvaartsvoordeel toevalt, hangt af van het domi-
                cilie van de handelaren. Indien de verlaging van de transactiekosten niet alleen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 244 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 245 ======================================================================

<pre>                                         welvaartsvoordelen van een vermindering van transactiekosten in de handel
          voor de buitenlandse handel maar ook voor de binnenlandse handel geldt, levert
          dit voor de binnenlandse handel een welvaartsvoordeel gelijk aan het rechthoekje
          WHBi op. Het totale welvaartsvoordeel voor de handelaren is dan gelijk aan beide
          rechthoekjes WH en WHBi.
  Figuur B1.2a Welvaartsverschillen bij invoer zonder verlaging wereldprijs
P
                                                                                     ABi
 P1
                    WHBi                    CS   WH
 P2
                                                                                           VBi                     241
                                     VBi                     Vtot
                                                                                                     V
  Figuur B1.2b Welvaartsverschillen bij invoer met verlaging wereldprijs
P
                                                                               ABi
                                                                                    ABi*
 P1
        CS                                  CS                  CS
                     CS/PS
                      WHBi
 P2
                                                                                           VBi
               VBi*        VBi                               Vtot        Vtot*
                                                                                                     V
          In figuur B1.2b wordt verondersteld dat de verlaging van de transactiekosten wel
          volledig doorwerkt in een prijsverlaging, van P1 naar P2. Wanneer deze verlaging
          van de transactiekosten mede de binnenlandse handel betreft, zal de binnen-
          landse productie bij prijs P2 gelijk zijn aan de binnenlandse productie die voor-
          heen bij prijs P1 werd gerealiseerd. De aanbodcurve verschuift van ABi naar ABi*.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 245 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 246 ======================================================================

<pre>    neder l a nd h a ndel sl a nd
                In dit geval van een gelijke verlaging van de transactiekosten in de binnenlandse
                en buitenlandse handel blijft de vraag naar het binnenlands geproduceerde
                product gelijk aan VBi en verschuift de invoer van Vtot – VBi naar Vtot* – VBi.
                Nu houden handelaren en producenten aan deze verlaging van de transactie-
                kosten geen welvaartsvoordeel over. De binnenlandse consumenten zien hun
                welvaart met het consumentensurplus ter grootte van het driehoekje CS plus de
                aansluitende rechthoek CS vermeerderen. Indien de verlaging van de transactie-
                kosten uitsluitend de buitenlandse handel betreft, verschuift de binnenlandse
                aanbodcurve niet en wordt tegen de wereldprijs P2 de binnenlandse productie
                VBi* verhandeld, zodat de invoer toeneemt van Vtot – VBi naar Vtot* – VBi*.
                Het additionele consumentensurplus blijft gelijk aan die in het voorgaande geval,
                maar daar staat een welvaartsverlies voor de producenten tegenover die gelijk is
                aan het driehoekje PS met het producentensurplus.
                Ten slotte is in figuur B1.3 de situatie weergegeven waarin het snijpunt van de
                binnenlandse vraag VBi en het binnenlandse aanbod AcBi onder de wereldhan-
                delsprijs, in de uitgangssituatie P1, ligt. In dit geval wordt een deel van de binnen-
                landse productie uitgevoerd. In de uitgangssituatie is het binnenlandse aanbod
                gelijk aan ABi, waarbij met VBi aan de vraag in het binnenland is voldaan, zodat
242             ABi –VBi wordt uitgevoerd. In geval van een volledig monopolie in de handel
                werkt de verlaging van de transactiekosten niet door in een verlaging van de
                wereldprijs naar P2 en eigenen de handelaren zich de welvaartswinst toe, die
                gelijk is aan de gehele gearceerde rechthoek. De andere uiterste situatie is, dat de
                verlaging van de transactiekosten volledig doorwerkt in een verlaging van de prijs
                van P1 naar P2, waarbij de binnenlandse productiekosten niet veranderen, zodat
                de aanbodcurve verschuift van PBi naar PBi*. Nu neemt de binnenlandse vraag
                toe van VBi naar VBi* en daalt de uitvoer van ABi – VBi naar ABi – VBi*. In het
                binnenland valt nu het welvaartsvoordeel toe aan de consumenten, te weten
                het driehoekje CS plus het aansluitende rechthoekje CS met het consumenten-
                surplus. In hoeverre de welvaartswinst wegvloeit naar het buitenland, hangt af
                van de buitenlandse vraagcurve.
                Ook is het denkbaar dat het transactiekostenvoordeel uitsluitend betrekking
                heeft op de transactiekosten van de buitenlandse handel zodat de binnenlandse
                aanbodcurve niet verschuift. In dit geval neemt de uitvoer nog eens extra af,
                namelijk naar ABi* – VBi*. Tegenover het driehoekje CS plus rechthoekje CS als
                welvaartsvoordeel voor de consument staat nu het driehoekje PS als welvaarts-
                nadeel vanwege de afname van het producentensurplus.
                Samenvattend laten deze figuren zien dat de vertaling van een grotere efficiëntie
                in de transacties naar binnenlandse en buitenlandse welvaartsvoordelen en daar-
                mee naar een verhoging van de productiviteit, direct samenhangt met de markt-
                vorm en met de vraag of vermindering van de transactiekosten uitsluitend de
                buitenlandse handel betreft of ook betrekking heeft op de binnenlandse handel.
                Daarnaast kan met soortgelijke figuren worden geïllustreerd hoe in het geval dat
                de internationale concurrentieverhoudingen prijsdiscriminatie toelaten, het deel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 246 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 247 ======================================================================

<pre>                                         welvaartsvoordelen van een vermindering van transactiekosten in de handel
  Figuur B1.3 Welvaartsverschillen bij uitvoer
P
                                                                             AcBi
 P1
                                                                                    AcBi*
          CS      CS                       CS                        PS
 P2
                                                                                           VBi
              VBi        VBi*                              ABi*         ABi
                                                                                                     V
          van het de welvaartsvoordelen dat toevalt aan de binnenlandse consumenten,
          producenten en handelaren gewijzigd kan worden ten opzichte van het                                      243
          welvaartsvoordeel dat naar het buitenland wegvloeit.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 247 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 248 ======================================================================

<pre>    neder l a nd h a ndel sl a nd
244
</pre>

====================================================================== Einde pagina 248 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 249 ======================================================================

<pre>                                                    het nederlandse buitenlandse economische beleid
bijl age 2: het nederl andse buitenl andse
                    economische beleid
Algemeen
Een goede afbakening van het buitenlandse economische beleid wordt door een
aantal factoren bemoeilijkt. Ontwikkelingen zoals internationalisering leiden tot
een sterkere verstrengeling van het algemene binnenlandse en buitenlandse
economische beleid. Te denken valt aan het loon- en prijsbeleid. Bovendien is
organisatorisch en beleidsmatig vooral één onderdeel van het buitenlandse
economische beleid goed uitgewerkt, namelijk de exportbevordering. Echter, het
beleid gericht op de bevordering van buitenlandse investeringen in Nederland is
als aparte beleidscategorie veel minder zichtbaar.
Er is één informatief beleidsinstrument, waarin het buitenlandse economische
beleid als geheel aan de orde komt, te weten de Toets op het Nederlandse concur-
rentievermogen. Dit document wordt sinds 1994 om de twee of drie jaar door de
minister van Economische Zaken gepubliceerd. De landen die in de economische
vergelijking worden betrokken en de onderwerpen die worden vergeleken,
wisselen. Er is in toenemende mate sprake van een verbreding van de thema’s. Zo                     245
krijgt in de toets van 2002 ook de sociale en ecologische duurzaamheid aandacht.
Deze toets versterkt derhalve het facetkarakter van het buitenlandse economische
beleid. Ook niet strikt economische factoren worden op hun belang voor de
externe economische positie van Nederland gewogen.
Specifiek: bevordering van de Nederlandse expor t
De twee hoofddoelen van het beleid van de Nederlandse overheid betreffen:
1 de bevordering van een economische rechtsorde en van marktwerking op
    internationaal niveau;
2 de facilitering van Nederlandse bedrijven bij het exporteren, het investeren
    in het buitenland en bij andere vormen van internationale economische
    samenwerking.
Er is een tendens in het beleid tot verlegging van het zwaartepunt naar de eerste
doelstelling, de bevordering van een internationale marktordening, waardoor
Nederlandse bedrijven op gelijke voet met andere landen internationaal kunnen
concurreren. De directe overheidssteun moet zich beperken tot vooralsnog reële
barrières en marktimperfecties.
Op Europees niveau wordt het eerste hoofddoel op meerdere wijzen geoperatio-
naliseerd. Bij de vervolmaking van de bestaande interne markt gaat het om een
betere kwaliteit van de regelgeving en van de uitvoering, onder andere ten
aanzien van het verbod op staatssteun, en om het wegnemen van resterende
handelsbelemmeringen. Ook wordt uitdrukkelijk een proces van best practices
van nationaal beleid gestimuleerd.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 249 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 250 ======================================================================

<pre>    neder l a nd h a ndel sl a nd
                De beoogde versterking van het overleg over de uitbreiding van de EU heeft
                vooral betrekking op de strenge beoordeling van de termijnen en de ontwikkeling
                van krachtige economische instituties in de kandidaat-lidstaten.
                Het Nederlandse beleid op wereldniveau wordt uitgevoerd via de EU en de OECD.
                Ook hier is het eerste hoofddoel richtinggevend. Belangrijke operationele doelen zijn:
                1 de versterking van de internationale toegang en marktwerking;
                2 een krachtige WTO waarin ook de ontwikkelingslanden adequaat participeren;
                3 een goede afstemming van WTO-regels met in andere internationale verbanden
                      te ontwikkelen afdwingbare spelregels voor publieke belangen als het milieu;
                4 bevordering van een vrij investeringsklimaat dat voldoet aan eisen van door-
                      zichtigheid, stabiliteit en maatschappelijk verantwoord ondernemen.
                De derde groep van operationele doelen vormt een uitwerking van het tweede
                hoofddoel en richt zich specifieker op de positie van Nederlandse bedrijven en
                producten op de internationale markt. Binnen deze groep is een drietal catego-
                rieën van subdoelen te onderscheiden:
                a De eerste categorie richt zich op het verstrekken van informatie en kennis aan
                      Nederlandse bedrijven en de bevordering van contacten tussen Nederlandse
246                   en andere bedrijven. Middelen hiertoe zijn voorlichting en promotie, missies
                      en goodwill-reizen, en specifieke maatregelen voor bepaalde typen onderne-
                      mers, zoals starters, en voor ons land potentieel belangrijke marktgebieden,
                      waarvoor aparte steunpunten worden ingericht. Een belangrijk aandachts-
                      punt is hier de samenwerking tussen de betrokken Nederlandse instanties:
                      departementen, uitvoeringsorganisaties als Senter en de EVD (Economische
                      Voorlichtingsdienst), de buitenlandse dienst, kamers van koophandel en
                      particuliere exportplatforms. Daarnaast heeft de ontwikkeling van gemeen-
                      schappelijke informatiesystemen de volle aandacht. Blijkens de toets van 1997
                      waren verkokering en gebrek aan samenwerking op beleids- en operationeel
                      niveau relatief zwakke punten. Er viel een achterstand in te halen. Een
                      aandachtspunt in het beleid is verder een meer gedifferentieerde, effectieve
                      inzet van instrumenten op basis van periodieke evaluatie.
                b De tweede categorie beoogt de financiële knelpunten en de oneerlijke concur-
                      rentieverhoudingen waarvan Nederlandse bedrijven last hebben, zoveel moge-
                      lijk te reduceren. Dit beleid heeft met name betrekking op ontwikkelingslanden
                      en op opkomende markten buiten de EU. Middelen hiertoe zijn investeringsfa-
                      ciliteiten, rentesubsidies en, in speciale gevallen, compensatie van Nederlandse
                      bedrijven die worden geconfronteerd met oneerlijke praktijken. Vooral bij deze
                      categorie zijn er gemeenschappelijke regels van de ministeries van Economi-
                      sche Zaken en van Buitenlandse Zaken/Ontwikkelingssamenwerking.
                c De derde categorie betreft het herverzekeren van Nederlandse bedrijven voor
                      risico’s die redelijkerwijs niet commercieel verzekerbaar zijn. Nederland wil
                      zich hierbij sterk concentreren en bevordert internationaal overleg teneinde
                      concurrentieverstoring bij exportverzekering tegen te gaan. De eerder gecon-
                      stateerde verschuiving in het accent op de beide hoofddoelen wordt hier
                      zichtbaar.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 250 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 251 ======================================================================

<pre>                                                                            afleiding van de relatieve handelsprestatie van nederland
                bijl age 3: afleiding van de rel atieve
                                           handelsprestatie van nederl and
                De gravitatievergelijking van Frankel en Rose (2001) over de periode 1970-1995
                luidt als volgt:
                Xij = c (Yi Yj)0,94 (yi yj)0,48 (Oi Oj)-0,15 Aij-1,06 exp{0,63 DGij – 0,32 (DIi +DIj) +
                0,56 DTij + 0,40 DKij + 1,95 DEKij + 0,97 DPUij + 1,07 DVHAij + 1,36 DMUij}
                waarin:
                Xij            = bilaterale handel tussen land i en land j
                Yi             = BBP van land i
                yi             = BBP per capita van land i
                Oi             = landoppervlakte van land i
                Aij            = afstand tussen land i en land j
                DGij           = dummy-variabele voor gemeenschappelijke grens van land i en j
                DIi            = dummy-variabele voor het al dan niet ingesloten zijn door land van
                                 land i
                DTij           = dummy-variabele voor gemeenschappelijke taal van land i en j                                         247
                DKij           = dummy-variabele voor gemeenschappelijke kolonisator van land i en j
                DEKij          = dummy-variabele voor relatie van (ex-)kolonie – (ex-)kolonisator
                                 tussen land i en j
                DPUij          = dummy-variabele voor lidmaatschap van land i en j van dezelfde
                                 politieke unie
                DVHAij = dummy-variabele voor lidmaatschap van land i en j van dezelfde vrij-
                                 handelsassociatie
                DMUij = dummy-variabele voor lidmaatschap van land i en j van dezelfde
                                 muntunie
                De totale buitenlandse handel van land i kan worden berekend door Xij te
                sommeren over alle landen j. De verhouding tussen de totale handel van land i en
                de totale handel van een ander land k is dan gelijk aan:
                  0,94        0,48        −0,15
 Xi
       =
X k  Yk
          Yi   
                
                
                        yi 
                        
                       y 
                                    Oj 
                                   
                                   O 
                                                  {                 }
                                                exp −0,32 ( DI − DI ) •
                                                              i    k
                       k         k
      N
                    exp 0,63DGij + 0,32 DI j + 0,56DTij + 0,40DKij + 1 ,95DEK ij + 0,97 DPUij + 1 ,07DVHA + 1 ,36 DMUij 
            −1 ,06
      ∑ A
   j =1≠i ij                                                                                              ij              
                        (                                                                                                    (
    N      −1 ,06
    ∑ A            exp 0,63DGkj + 0,32 DI j + 0,56DTkj + 0,40DK kj + 1 ,95DEK kj + 0,97 DPU kj + 1 ,07DVHAkj + 1 ,36 DMUkj
j = 1 ≠ k kj
                Voor landen die niet al te ver van elkaar liggen, zullen de sommaties boven en
                onder de breukstreek niet sterk verschillen, zodat deze breuk bij benadering gelijk
                is aan 1. De verhouding die op basis van de gravitatievergelijking kan worden
                verwacht tussen de handel van land i en land k is dan bij benadering gelijk aan het
                product van de termen voor de breuk. Anders gezegd, de verhoudingen tussen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 251 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 252 ======================================================================

<pre>    neder l a nd h a ndel sl a nd
                BBP, BBP per capita en oppervlakte en de vraag of de landen aan zee liggen bepalen
                dan de verwachte verhouding tussen de handel van beide landen.
248
</pre>

====================================================================== Einde pagina 252 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 253 ======================================================================

<pre>                                                                     verklarende woordenlijst
bijl age 4: verkl arende woordenlijst
Bruto Binnenlands Product (BBP): Totale bruto toegevoegde waarde (tegen
marktprijzen) die in een jaar in een land is gecreëerd.
Bruto Nationaal Product (BNP): Het bruto binnenlands product plus het saldo
van de uit het buitenland ontvangen primaire inkomens.
Business to Business (B2B): Elektronische handel tussen ondernemingen
onderling.
Business to Consumer (B2C): Elektronische handel tussen onderneming en
consument.
Calculatief vertrouwen: De inschatting van de betrouwbaarheid van een partij,
gebaseerd op instrumenteel-rationele aspecten van gedrag. Materiële prikkels,
die voortvloeien uit de wet of uit reputatiemechanismen, sturen het gedrag. (Zie
ook: Vertrouwen)
                                                                                              249
Comparatief (kosten)voordeel: Het gegeven dat een land een bepaald product
in verhouding tot andere producten (maar niet noodzakelijkerwijs in absolute
zin) goedkoper kan produceren dan een ander land.
Dematerialisatie van de handel: Afname van het gewicht of het volume van de
verhandelde goederen per euro toegevoegde waarde.
Deterritorialisering: Vermindering van het belang van de fysieke locatie van
economische activiteiten, met name als gevolg van mondialisering en de ontwik-
kelingen in de ICT.
Directe buitenlandse investeringen: Internationale investeringen in het kader
van het voornemen van een in een economie gevestigde investeerder een duur-
zaam belang in een onderneming die werkzaam is in een andere economie te
verwerven. (Ook Foreign direct investment of FDI)
Disintermediatie: Het verdwijnen van intermediairs en tussenpersonen ten
gevolge van de opkomst van nieuwe communicatie- en distributiekanalen, die
een directe relatie tussen producent en eindafnemer mogelijk maken.
Doorvoer: Goederen die uit een ander land afkomstig zijn en via Nederland
worden vervoerd naar een derde land, maar niet (tijdelijk) eigendom worden van
een Nederlandse ingezetene.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 253 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 254 ======================================================================

<pre>    neder l a nd h a ndel sl a nd
                Durfkapitaal: Risicodragend vermogen dat ter beschikking wordt gesteld aan
                niet-beursgenoteerde ondernemingen om activiteiten in met name de startfase te
                financieren. (Ook Venture capital).
                Durfkapitalist: Intermediair tussen investeerders, zoals pensioenfondsen,
                banken, verzekeringsmaatschappijen en individuele beleggers, en bedrijven die
                durfkapitaal nodig hebben. Het gaat hierbij niet alleen om het doorsluizen van
                geld, maar ook om onder meer managementassistentie, monitoring van presta-
                ties en het bieden van kredietwaardigheid bij derden. (Ook Venture capitalist)
                E-business: Het geheel van zakelijke handelingen dat op elektronische wijze
                wordt uitgevoerd ter verbetering van de efficiëntie en effectiviteit van een bedrijf,
                waarbij sprake is van externe integratie en waarbij informatiesystemen van
                verschillende economische eenheden aan elkaar worden gekoppeld en met elkaar
                kunnen communiceren. Dit vergevorderde stadium van e-commerce wordt ook
                wel ketenintegratie (integrated value chain) genoemd.
                E-commerce (electronic commerce): Het geheel van zakelijke handelingen
                dat op elektronische wijze wordt uitgevoerd ter verbetering van de efficiëntie en
250             effectiviteit van een bedrijf (brede definitie). Het elektronisch bestellen van
                goederen en diensten ongeacht de wijze van betalen en afleveren (enge definitie).
                Entrepôt-economie: Zie Stapelmarkt.
                Ex ante transactiekosten: De transactiekosten die gemaakt worden voordat een
                contract wordt overeengekomen, zoals zoekkosten. (Zie ook: Transactiekosten)
                Ex post transactiekosten: De transactiekosten die gemaakt worden nadat een
                contract is overeengekomen, zoals controle- en afdwingingskosten. (Zie ook:
                Transactiekosten)
                Exportkredietverzekeringsfaciliteit (EKV): Door de overheid geregelde
                herverzekeringsfaciliteit van risico’s die voortkomen uit individuele exporttrans-
                acties van goederen en diensten naar opkomende markten.
                Foreign direct investment (FDI): Zie Directe buitenlandse investeringen.
                Free rider: Persoon of organisatie die profiteert (meelift) van de positieve
                externe effecten van een niet-exclusieve publieke voorziening, zonder zelf aan de
                totstandkoming ervan bij te dragen.
                Fundamenteel ruilprobleem: Het probleem dat het optimale handelsniveau
                niet totstandkomt als gevolg van het volgtijdelijke karakter van veel ruiltransac-
                ties. Een actor zal geen objectief profijtelijke ruilrelatie aangaan tenzij de andere
                partij zich ex ante weet te committeren om ex post zijn verplichtingen na te
                komen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 254 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 255 ======================================================================

<pre>                                                                          verklarende woordenlijst
Gravitatievergelijking: Econometrische vergelijking waarin wordt veronder-
steld dat de handelsstroom tussen twee landen evenredig is met het product van
de omvang van beide landen (meestal gemeten met het BBP) en omgekeerd even-
redig met de afstand tussen de landen.
Handel: Vrijwillige wederkerige ruil van goederen, diensten of geld tussen twee
partijen en alle activiteiten die nodig zijn om deze ruil tot stand te brengen.
(Zie ook: Internationale handel)
Handelsactiviteiten: In de meest enge definitie gaat het uitsluitend om ‘handel
drijven in het groot’, ‘inkopen’ en ‘verkopen’ (al dan niet als vertegenwoordiger).
Een ruimere definitie omvat ook complementaire handelsactiviteiten (zoals
ontvangen, afrekenen en opslaan), de handel in ideeën en informatie (zoals advi-
sering en voorlichting), voorwaardenscheppende handelsactiviteiten (zoals
inspecteren en bewaken) en transport en distributie (zoals laden en lossen,
bezorgen en het besturen van een vervoermiddel).
Handelsbekwaamheden: Alle kennis en vaardigheden die nodig zijn om
handel te drijven.
                                                                                                   251
Handelsfunctie: Het kopen en verkopen van producten, in tegenstelling tot het
produceren. (Zie ook: Productiefunctie)
Handelskapitaal: Investeringen van handelaren in voorzieningen, instituties,
netwerken, reputatie, taalkennis, enzovoort, om zo efficiënt mogelijk te kunnen
handelen door de directe kosten die met handelstransacties gemoeid zijn te verla-
gen. Het handelskapitaal met een publiekgoedkarakter omvat publieke voorzie-
ningen en instituties die de directe kosten van transacties en de investeringskos-
ten voor de opbouw van handelskapitaal door de handelaren zelf verlagen.
Handelsnetwerk (internationaal): Patroon van relatief duurzame samen-
werking tussen kopers en verkopers (in verschillende landen), voornamelijk
gebaseerd op overleg en overeenstemming.
Handelsvaardigheden: Zie Handelsbekwaamheden.
Heckscher-Ohlin-model: Zie Neoklassieke handelstheorie.
Hold-up probleem: Het probleem dat een transactie tussen twee partijen
vereist dat een van beide partijen een investering doet die specifiek is voor deze
transactie. Door de onzekerheid of ex ante afspraken (vóór de investering) ex post
worden nagekomen, zal men minder investeren dan optimaal is. Wie specifieke,
onomkeerbare investeringen doet om te voldoen aan een contract, kan immers
worden ‘gegijzeld’ door de tegenpartij die (nog) geen kosten of minder kosten
gemaakt heeft. Deze kan de eerste nieuwe voorwaarden opleggen doordat de
investeringen anders hun waarde volledig verliezen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 255 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 256 ======================================================================

<pre>    neder l a nd h a ndel sl a nd
                Horizontale multinational: Multinationale onderneming waarvan de buiten-
                landse vestigingen vergelijkbare activiteiten uitvoeren; bedoeld om toegang te
                krijgen tot andere afzetmarkten door transportkosten te reduceren en handels-
                barrières te omzeilen.
                Infomediair: Intermediair op het gebied van informatieverwerking, -selectie en
                -waardering.
                Informatie- en communicatietechnologie (ICT): Technologie op het gebied
                van informatieopslag en -verwerking (met name d.m.v. computersystemen) en
                communicatie (via onder meer telefonie en internet).
                Informatisering: De opkomst van nieuwe informatie- en communicatietechno-
                logie (ICT) en het daarmee verbonden toenemende belang van informatie in trans-
                acties.
                Instituties: De spelregels van een maatschappij die de (impliciete) belonings-
                structuur voor het (economisch) handelen bepalen. Deze spelregels bestaan uit
                informele instituties (zoals waarden, normen, religie en gewoonten) en formele
252             instituties (zoals wetten en regelgeving) en hun afdwingingsmechanismen.
                Integrated value chains: Zie E-business.
                Intermediairs: Organisaties die zich in (een specifiek onderdeel van) het hande-
                len zelf hebben gespecialiseerd door de hieraan verbonden transactiekosten te
                verlagen.
                Internationale handel: Buitenlandse handel; omvat in ruime zin behalve de ruil
                van goederen en diensten ook de organisatie van de inkoop, productie, marke-
                ting, verkoop en distributie in verschillende landen.
                Intrafirm trade: Handel tussen de vestigingen van een multinational in
                verschillende landen.
                Investeringsverzekering: Verzekering tegen politieke risico’s van investerin-
                gen in het buitenland.
                Ketenintegratie: Zie E-business.
                Koopman: Intermediair die goederen koopt en verkoopt om de ruil tussen de
                oorspronkelijke verkopers en de eindkopers te faciliteren. Als beloning voor deze
                dienst ontvangt hij de winst die, na aftrek van de transactiekosten, overblijft van
                de handelsmarge, dat is het verschil tussen de inkoopprijs en de verkoopprijs.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 256 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 257 ======================================================================

<pre>                                                                       verklarende woordenlijst
Makelaar: Intermediair die een ruildienst aanbiedt zonder zelf te kopen of te
verkopen. De beloning van de makelaar bestaat uit een commissie die in relatie
staat tot de inkomsten die voortvloeien uit de ruil.
Mercantilisme: Handelsbeleid dat gericht is op stimulering van de export en
beperking van de import.
Midden- en kleinbedrijf (MKB): Ondernemingen met minder dan 250 werkne-
mers.
Mondialisering: De toename van grensoverschrijdende activiteiten waardoor
nationale economieën steeds meer geïntegreerd raken in de wereldeconomie.
Moreel vertrouwen – De inschatting van de betrouwbaarheid van een partij,
gebaseerd op ‘niet-rationele’ gedragselementen, zoals waarden, emoties en tradi-
ties. Morele regels en codes, die voortkomen uit sociale netwerken en innerlijke
motivatie, vormen het gedrag.
Multinationale onderneming (multinational): Onderneming met vestigin-
gen in meerdere landen.                                                                         253
Neoklassieke handelstheorie: Theorie die (internationale) handel verklaart uit
verschillen in relatieve factorbeschikbaarheid en verschillen in technologie
tussen landen en de daardoor veroorzaakte comparatieve voor- en nadelen in de
productie van bepaalde goederen en diensten. (Ook standaardmodel of Heck-
scher-Ohlin-model)
Netwerk: Zie Handelsnetwerk.
Nieuwe handelstheorie: Theorie die de internationale handel mede verklaart
uit schaalvoordelen in de productie die in comparatieve voordelen resulteren.
Hierdoor kan wederzijdse handel in gelijksoortige goederen worden verklaard.
Offline-shoppers: Personen die op grond van via internet verkregen informatie
via een ander kanaal iets bestellen of kopen.
Online-shoppers: Personen die via internet iets bestellen of kopen.
Primaire betrouwbaarheid: Betrouwbaarheid die berust op actorgebonden
factoren, zoals reputatie, prestatie en representatie.
Productiefunctie: Het maken of fabriceren van een product, in tegenstelling tot
het verhandelen. (Zie ook Handelsfunctie)
</pre>

====================================================================== Einde pagina 257 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 258 ======================================================================

<pre>    neder l a nd h a ndel sl a nd
                Regionalisering: Trend naar intensivering van economische relaties en integra-
                tie van nationale economieën op regionaal (in plaats van mondiaal) niveau. In het
                bijzonder wordt hierbij gedoeld op de Europese Unie, Noord-Amerika en Oost-
                Azië.
                Reïntermediatie: Het ontstaan van nieuwe intermediairs en tussenpersonen in
                de handel. Een oorzaak ligt in de opmars van ICT, die gepaard gaat met een over-
                vloed aan informatie, waardoor er behoefte ontstaat aan nieuwe intermediairs.
                Relation-based governance: Bestuurssysteem op basis van persoonlijke of
                impliciete, informele relaties.
                Rule-based governance: Bestuurssysteem op basis van onpersoonlijke en
                expliciete formele relaties die door de staat worden bekrachtigd via wet- en regel-
                geving.
                Secundaire betrouwbaarheid: Betrouwbaarheid die is gebaseerd op institutio-
                nele of omgevingsgebonden factoren, zoals aansprakelijkheid, zelfbeperking en
                vertrouwenwekkende situaties.
254
                Stapelmarkt: Land waar relatief veel goederen worden aangevoerd uit andere
                landen om zonder substantiële bewerking te worden uitgevoerd of doorgevoerd
                naar derde landen. De wederuitvoer maakt dan een groot deel van de totale
                uitvoer uit. (Ook Entrepôt-economie)
                Taciete kennis: Kennis die niet codificeerbaar is, maar in mensen, in hun vaar-
                digheden, gewoontes, of in de cultuur van een onderneming zit en alleen via
                direct face-to-face contact overdraagbaar is. (Ook Tacit knowledge)
                Traditionele handelstheorie: Zie Neoklassieke handelstheorie.
                Transactie: De overdracht van de eigendomsrechten van goederen, diensten of
                ideeën.
                Transactiekosten: Alle kosten die marktpartijen maken om tot de overdracht
                van goederen, diensten of ideeën te komen. Hiertoe behoren zowel de ‘traditio-
                nele kosten’ die handelstransacties met zich meebrengen, zoals transportkosten,
                omzetbelastingen en invoertarieven, als de meer indirecte kosten van het zoeken
                van een potentiële handelspartner, het onderhandelen en contracteren, het
                controleren en afdwingen van contracten, en ook de kosten om een systeem van
                regels en wetten te onderhouden dat ertoe bijdraagt dat de gemaakte afspraken
                worden nageleefd en kunnen worden afgedwongen.
                Transactiekostentheorie: Theorie die het functioneren van een economisch
                systeem verklaart uit het bestaan van transactiekosten.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 258 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 259 ======================================================================

<pre>                                                                        verklarende woordenlijst
Venture capital: Zie Durfkapitaal.
Verticale multinational: Multinationale onderneming waarvan de buitenlandse
vestigingen andere (voornamelijk productie-)activiteiten uitvoeren dan het
moederbedrijf (voornamelijk management, marketing, onderzoek en ontwikke-
ling); bedoeld om te profiteren van de comparatieve kostenvoordelen van het
gastland.
Vertrouwen: De inschatting dat de andere partij betrouwbaar is, dat wil zeggen
dat de andere partij de intentie heeft om in een bepaalde (handels)relatie af te zien
van opportunistisch gedrag.
Wederuitvoer: Goederen die Nederland noch als herkomst noch als bestem-
ming hebben, maar wel door Nederland heen vervoerd worden en daarbij (tijde-
lijk) eigendom worden van een in Nederland gevestigde onderneming.
                                                                                                 255
</pre>

====================================================================== Einde pagina 259 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 260 ======================================================================

<pre>    neder l a nd h a ndel sl a nd
256
</pre>

====================================================================== Einde pagina 260 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 261 ======================================================================

<pre>                                                                                                rapporten aan de regering
   rapporten aan de regering
   Eerste raadsperiode (1972-1977)
 1 Europese Unie*
 2 Structuur van de Nederlandse economie*
 3 Energiebeleid
   Gebundeld in één publicatie (1974)*
 4 Milieubeleid (1974)*
 5 Bevolkingsgroei (1974)*
 6 De organisatie van het openbaar bestuur (1975)*
 7 Buitenlandse invloeden op Nederland: Internationale migratie (1976)*
 8 Buitenlandse invloeden op Nederland: Beschikbaarheid van wetenschappelijke en technische kennis (1976)*
 9 Commentaar op de Discussienota Sectorraden (1976)*
10 Commentaar op de nota Contouren van een toekomstig onderwijsbestel (1976)*
11 Overzicht externe adviesorganen van de centrale overheid (1976)*
12 Externe adviesorganen van de centrale overheid (1976)*
13 Maken wij er werk van? Verkenningen omtrent de verhouding tussen actieven en niet-actieven (1977)*
14 Interne adviesorganen van de centrale overheid (1977)*
15 De komende vijfentwintig jaar – Een toekomstverkenning voor Nederland (1977)*                                          257
16 Over sociale ongelijkheid – Een beleidsgerichte probleemverkenning (1977)*
   Tweede raadsperiode (1978-1982)
17 Etnische minderheden (1979)*
   A. Rapport aan de Regering
   B. Naar een algemeen etnisch minderhedenbeleid?
18 Plaats en toekomst van de Nederlandse industrie (1980)*
19 Beleidsgerichte toekomstverkenning
   Deel 1: Een poging tot uitlokking (1980)*
20 Democratie en geweld. Probleemanalyse naar aanleiding van de gebeurtenissen in Amsterdam op 30 april 1980*
21 Vernieuwingen in het arbeidsbestel (1981)*
22 Herwaardering van welzijnsbeleid (1982)*
23 Onder invloed van Duitsland. Een onderzoek naar gevoeligheid en kwetsbaarheid in de betrekkingen tussen
   Nederland en de Bondsrepubliek (1982)*
24 Samenhangend mediabeleid (1982)*
 * Uitverkocht
</pre>

====================================================================== Einde pagina 261 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 262 ======================================================================

<pre>    neder l a nd h a ndel sl a nd
                        Derde raadsperiode (1983-1987)
                 25     Beleidsgerichte toekomstverkenning
                        Deel 2: Een verruiming van perspectief (1983)*
                 26     Waarborgen voor zekerheid. Een nieuw stelsel van sociale zekerheid in hoofdlijnen (1985)
                 27     Basisvorming in het onderwijs (1986)
                 28     De onvoltooide Europese integratie (1986)
                 29     Ruimte voor groei. Kansen en bedreigingen voor de Nederlandse economie in de komende tien jaar (1987)
                 30     Op maat van het midden- en kleinbedrijf (1987)
                        Deel 1: Rapport aan de Regering;
                        Deel 2: Pre-adviezen
                 31     Cultuur zonder grenzen (1987)*
                 32     De financiering van de Europese Gemeenschap. Een interimrapport (1987)
                 33     Activerend arbeidsmarktbeleid (1987)
                 34     Overheid en toekomstonderzoek. Een inventarisatie (1988)
                        Vierde raadsperiode (1988-1992)
                 35     Rechtshandhaving (1988)
                 36     Allochtonenbeleid (1989)
                 37     Van de stad en de rand (1990)
258              38     Een werkend perspectief. Arbeidsparticipatie in de jaren ’90 (1990)
                 39     Technologie en overheid (1990)
                 40     De onderwijsverzorging in de toekomst (1991)
                 41     Milieubeleid. Strategie, instrumenten en handhaafbaarheid (1992)
                 42     Grond voor keuzen. Vier perspectieven voor de landelijke gebieden in de Europese Gemeenschap (1992)
                 43     Ouderen voor ouderen. Demografische ontwikkelingen en beleid (1993)
                        Vijfde raadsperiode (1993-1997)
                 44     Duurzame risico’s. Een blijvend gegeven (1994)
                 45     Belang en beleid. Naar een verantwoorde uitvoering van de werknemersverzekeringen (1994)
                 46     Besluiten over grote projecten (1994)
                 47     Hoger onderwijs in fasen (1995)
                 48     Stabiliteit en veiligheid in Europa. Het veranderende krachtenveld voor het buitenlands beleid (1995)
                 49     Orde in het binnenlands bestuur (1995)
                 50     Tweedeling in perspectief (1996)
                 51     Van verdelen naar verdienen. Afwegingen voor de sociale zekerheid in de 21e eeuw (1997)
                 52     Volksgezondheidszorg (1997)
                 53     Ruimtelijke-ontwikkelingspolitiek (1998)
                 54     Staat zonder land. Een verkenning van bestuurlijke gevolgen van informatie- en communicatietechnologie (1998)
</pre>

====================================================================== Einde pagina 262 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 263 ======================================================================

<pre>                                                                                                                         rapporten aan de regering
                    Zesde raadsperiode (1998-2002)
             55     Generatiebewust beleid (1999)
             56     Het borgen van publiek belang (2000)
             57     Doorgroei van arbeidsparticipatie (2000)
             58     Ontwikkelingsbeleid en goed bestuur (2001)
             59     Naar een Europabrede Unie (2001)
             60     Nederland als immigratiesamenleving (2001)
             61     Van oude en nieuwe kennis. De gevolgen van ict voor het kennisbeleid (2002)
             62     Duurzame ontwikkeling: bestuurlijke voorwaarden voor een mobiliserend beleid (2002)
             63     De toekomst van de nationale rechtsstaat (2002)
             64     Beslissen over biotechnologie (2003)
             65     Slagvaardigheid in de Europabrede Unie (2003)
Rapporten aan de Regering en publicaties in de reeks Voorstudies en achtergronden zijn verkrijgbaar in de boekhandel of via Sdu
Servicecentrum Uitgeverijen, Plantijnstraat, Postbus 20014, 2500 EA ’s-Gravenhage, tel. 070-3789880, fax 070-3789783.
                                                                                                                                                   259
</pre>

====================================================================== Einde pagina 263 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 264 ======================================================================

<pre>    neder l a nd h a ndel sl a nd
260
</pre>

====================================================================== Einde pagina 264 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 265 ======================================================================

<pre>                                                                                                voorstudies en achtergronden
    voorstudies en achtergronden
    Hieronder worden de publicaties uit de wrr-serie Voorstudies en achtergronden opgesomd vanaf de
    vierde raadsperiode. Een volledig overzicht van de voorstudies is beschikbaar op de wrr-website
    (http://www.wrr.nl) of aan te vragen bij het bureau van de wrr (070 - 356 46 25).
    Vierde raadsperiode (1988-1992)
V63 Milieu en groei. Verslag van een studiedag op 11 februari 1988 (1988)
V64 De maatschappelijke gevolgen van erfelijkheidsonderzoek. Verslag van een conferentie op 16-17 juni 1988 (1988)
V65 H.F.L. Garretsen, H. Raat (1989) Gezondheid in de vier grote steden
V66 P. de Grauwe e.a. ( 1989) De Europese Monetaire Integratie: vier visies
V67 Th. Roelandt, J. Veenman (1990) Allochtonen van school naar werk
V68 W.H. Leeuwenburgh, P. van den Eeden (1990) Onderwijs in de vier grote steden
V69 M.W. de Jong, P.A. de Ruijter (red.) (1990) Logistiek, infrastructuur en de grote stad
V70 C.A. Bartels, E.J.J. Roos (1990) Sociaal-economische vernieuwing in grootstedelijke gebieden
V71 W.J. Dercksen (ed.) (1990) The Future of Industrial Relations in Europe. Proceedings of a conference in honour of
    prof. W. Albeda
V72 Sociaal-economische gezondheidsverschillen en beleid; preadviezen (1991)
V73 F.J.P.M. Hoefnagel (1992) Cultuurpolitiek: het mogen en moeten
V74 K.W.H. van Beek, B.M.S. van Praag (1992) Kiezen uit sollicitanten. Concurrentie tussen werkzoekenden zonder baan         261
V75 Jeugd in ontwikkeling. Wetenschappelijke inzichten en overheidsbeleid (1992)
V76 A.M.J. Kreukels, W.G.M. Salet (ed.) (1992) Debating institutions and Cities. Proceedings of the Anglo Dutch
    Conference on Urban Regeneration
V77 H.R. van Gunsteren en P. den Hoed (1992) Burgerschap in praktijken
V78 F. Bletz, W. Dercksen and K. van Paridon (ed.) (1993) Shaping Factors for the Business Environment in the
    Netherlands after 1992
V79 N.T. Bischoff, R.H.G. Jongman (1993) Development of Rural Areas in Europe. The Claim for Nature
V80 Verslag en evaluatie van de vierde raadsperiode (1993)
V81 F.J.P.M. Hoefnagel m.m.v. H.G.M. Hendriks en M.D. Verdaasdonk (1993) Het Duitse Cultuurbeleid in Europa
    Vijfde raadsperiode (1993-1997)
V82 W.J. Dercksen e.a. (1993) Beroepswijs onderwijs. Ontwikkelingen en dilemma’s in de aansluiting van onderwijs en
    arbeid
V83 W.G.M. Salet (1994) Om recht en staat. Een sociologische verkenning van sociale, politieke en rechtsbetrekkingen
V84 J.M. Bekkering (1994) Private verzekering van sociale risico’s
V85 C. Lambers, D.A. Lubach, M. Scheltema (1994) Versnelling juridische procedures grote projecten
V86 cshob (1995) Aspecten van hoger onderwijs. Een internationale inventarisatie
V87 T. van der Meij e.a. (1995) Ontwikkelingen in de natuur. Visies op de levende natuur in de wereld en scenario’s
    voor het behoud daarvan
V88 L. Hagendoorn e.a. (1995) Etnische verhoudingen in Midden- en Oost-Europa
V89 H.C. Posthumus Meyjes, A. Szász, Christoph Bertram, W.F. van Eekelen (1995) Een gedifferentieerd Europa
V90 J. Rupnik e.a. (1995) Challenges in the East
V91 J.P.H. Donner (rapporteur) (1995) Europa, wat nu?
V92 R.M.A. Jansweijer (1996) Gouden bergen, diepe dalen: de inkomensgevolgen van een betaalbare
    oudedagsvoorziening
V93 W. Derksen, W.A.M. Salet (red.) (1996) Bouwen aan het binnenlands bestuur
</pre>

====================================================================== Einde pagina 265 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 266 ======================================================================

<pre>    neder l a nd h a ndel sl a nd
                V94     seo/Intomart (1996) Start-, slaag- en faalkansen van hoger opgeleide startende ondernemers
                V95     L.J. Gunning-Schepers, G.J. Kronjee and R.A. Spasoff (eds.) (1996) Fundamental Questions about the Future of
                        Health Care
                V96     H.B.G. Ganzeboom en W.C. Ultee (red.) (1996) De sociale segmentatie van Nederland in 2015
                V97     J.C.I. de Pree (1997) Grenzen aan verandering. De verhouding tussen reorganisatie en structuurprincipes van het
                        binnenlands bestuur
                V98     M.F. Gelok en W.M. de Jong (1997) Volatilisering in de economie
                V99     A.H. Kleinknecht, R.H. Oostendorp, M.P. Pradhan (1997) Patronen en economische effecten van flexibiliteit in de
                        Nederlandse arbeidsverhoudingen
               V100     J.P.H. Donner (1998) Staat in beweging
               V101     W.J. Vermeulen, J.F.M. van der Waal, H. Ernste, P. Glasbergen (1997) Duurzaamheid als uitdaging. De afweging van
                        ecologische en maatschappelijke risico’s in confrontatie en dialoog
               V102     W. Zonneveld en A. Faludi (1998) Europese integratie en de Nederlandse ruimtelijke ordening
               V103     Verslag en evaluatie van de vijfde raadsperiode (1998)
                        Zesde raadsperiode (1998-2002)
               V104     Krijn van Beek (1998) De ondernemende samenleving. Een verkenning van maatschappelijke verandering en
                        implicaties voor beleid
               V105     W. Derksen et al. (1999) Over publieke en private verantwoordelijkheden
262            V106     Henk C. van Latesteijn (1999) Land use in Europe. A methodology for policy-oriented future studies
               V107     Aart C. Liefbroer en Pearl A. Dykstra (2000) Levenslopen in verandering. Een studie naar ontwikkelingen in de
                        levenslopen van Nederlanders geboren tussen 1900 en 1970
               V108     Bart Wissink (2000) Ontworpen en ontstaan. Een praktijktheoretische analyse van het debat over het provinciale
                        omgevingsbeleid
               V109     H. Mommaas, m.m.v. W. Knulst en M. van den Heuvel (2000) De vrijetijdsindustrie in stad en land. Een studie naar
                        de markt van belevenissen
               V110     H. Dijstelbloem en C.J.M. Schuyt, red. (2002) De publieke dimensie van kennis
               V111     M.C.E. van Dam-Mieras en W.M. de Jong, red. (2002) Onderwijs voor een kennissamenleving. De rol van ict
                        nader bekeken
               V112     Wendy Asbeek Brusse, Harry van Dalen en Bart Wissink (2002) Stad en Land in een nieuwe geografie.
                        Maatschappelijke veranderingen en ruimtelijke dynamiek
               V113     G.A. van der Knaap (2002) Stedelijke bewegingsruimte. Over veranderingen in stad en land.
               V114     F.J.P.M. Hoefnagel (2002) Internet en cultuurbeleid. Over de gevolgen van ict voor het cultuurbeleid van de
                        Nederlandse overheid
               V115     Gabriël van den Brink (2002) Mondiger of moeilijker? Een studie naar de politieke habitus van hedendaagse
                        burgers
               V116     Willem Witteveen, Bart van Klink, met bijdragen van Wouter de Been en Peter Blok (2002) De sociale rechtsstaat
                        voorbij. Twee ontwerpen voor het huis van de rechtsstaat
               V117     Rein de Wilde, Nikki Vermeulen en Mirko Reithler (2003) Bezeten van genen. Een essay over de innovatieoorlog
                        rondom genetisch gemodificeerd voedsel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 266 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 267 ======================================================================

<pre>                                                                                               rapporten aan de regering
Overige publicaties
Voor de eenheid van beleid. Beschouwingen ter gelegenheid van vijftig jaar Ministerie van Algemene Zaken (1987)
Eigentijds burgerschap. wrr-publicatie onder leiding van H.R. van Gunsteren (1992)
Mosterd bij de maaltijd. 20/25 jaar wrr (1997)
De vitaliteit van de nationale staat in een internationaliserende wereld (2002)
                                                                                                                         263
</pre>

====================================================================== Einde pagina 267 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 268 ======================================================================

<pre>    neder l a nd h a ndel sl a nd
264
</pre>

====================================================================== Einde pagina 268 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 269 ======================================================================

<pre>                     Plein 1813 nrs. 2 en 4, Postbus 20004, 2500 ea Den Haag
telefoon (070) 356 46 00, website http://www.wrr.nl
</pre>

====================================================================== Einde pagina 269 =================================================================

<br><br>