<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>                                            WE TEN S CHAP P ELI JKE RA AD VOOR HE T RE GER I NG SBELEI D
Waarden, normen en
de last van het gedrag
A m s t e r da m U n i v e r s i t y P r e s s
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid werd in voorlopige vorm
ingesteld in 1972. Bij wet van 30 juni 1976 (Stb. 413) is de positie van de raad defi-
nitief geregeld. De huidige zittingsperiode loopt tot 31 december 2007.
Ingevolge de wet heeft de raad tot taak ten behoeve van het regeringsbeleid
wetenschappelijke informatie te verschaffen over ontwikkelingen die op langere
termijn de samenleving kunnen beïnvloeden. De raad wordt geacht daarbij tijdig
te wijzen op tegenstrijdigheden en te verwachten knelpunten en zich te richten
op het formuleren van probleemstellingen ten aanzien van de grote beleidsvraag-
stukken, alsmede op het aangeven van beleidsalternatieven.
Volgens de wet stelt de wrr zijn eigen werkprogramma vast, na overleg met de
minister-president die hiertoe de Raad van Ministers hoort.
De samenstelling van de raad is (tot 31 december 2007):
prof.mr. M. Scheltema (voorzitter)
prof.dr. W.B.H.J. van de Donk
prof.dr. P.L. Meurs
prof.dr. J.L.M. Pelkmans
prof.dr.mr. C.J.M. Schuyt
prof.dr. J.J.M. Theeuwes
prof.dr. P. Winsemius
Secretaris: dr. A.C. Hemerijck
   De wrr is gevestigd:
   Plein 1813, nr. 2-4
   Postbus 20004
   2500 EA ’s-Gravenhage
   Telefoon 070-356 46 00
   Telefax 070-356 46 85
   E-mail info@wrr.nl
   Website http://www.wrr.nl
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>                WE TEN S CHAP P ELI JKE RA AD VOOR HE T RE GER I NG SBELEI D
Waarden, normen en
de last van het gedrag
      Amsterdam University Press, Amsterdam, 2003
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>isbn 90-5356-659-7</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>WRR

WETENSCHAPPELIJKE RAAD VOOR HET REGERINGSBELEID

Aan de Minister-President
Minister van Algemene Zaken
De heer mr.dr. J.P. Balkenende
Postbus 20001

2500 EA Den Haag

ons kenmerk doorkiesnummer telefax
2003196/ms/mn 070 — 356 4662 070 — 356 4685
Onderwerp email datum
Rapport nr. 68 scheltema@wrr.nl 21 oktober 2003

Hierbij zenden wij u het rapport ‘Waarden, normen en de last van het gedrag’, dat de raad uitbrengt als
gevolg van de adviesaanvraag van het kabinet van 8 november 2002.

Het kabinet stelde daarin de vraag welke fundamentele waarden onze samenleving bindt en over welke
waarden conflicten kunnen rijzen, mede gezien in het licht van culturele verschillen. De wrr heeft de
probleemstelling van de adviesaanvraag enigszins verruimd. De achtergrond ervan was immers niet alleen
een gevoel van onzekerheid over de gemeenschappelijkheid van waarden en normen in onze huidige
samenleving. Het ging evenzeer over het gegeven dat het feitelijk gedrag van velen niet in
overeenstemming is met die gemeenschappelijke waarden. Ergernissen daarover liggen aan veel
discussies over het onderwerp ten grondslag.

In het rapport wordt het belang van de problematiek onderschreven, maar wordt wel aangegeven dat een
nadere structurering nodig is om tot een zinvol beleid te komen. De bijdrage die dit rapport wil leveren
bestaat in de eerste plaats uit:
(a) een systematische analyse en structurering van de zeer diverse problematiek die schuilgaat onder
de noemer ‘waarden en normen’;
(b) het afzonderlijk onder de aandacht brengen van de gedragscomponent van de waarden- en
normenproblematiek; en
(c) het aanbrengen van een toekomstperspectief op de centrale en gemeenschappelijke waarden die
van belang zuillen zijn voor de samenleving als geheel in de komende tien tot twintig jaar.

De raad meent dat de taak van de overheid bestaat uit het garanderen van de waarden van een open en
democratische rechtsstaat, en het ondersteunen van de publieke moraal. Voor het overige is het in de
eerste plaats de samenleving zelf die waarden vormt en onderhoudt. Veel instituties als scholen, media en
maatschappelijke organisaties zijn werkplaatsen voor waarden, normen en gedrag. De overheid heeft
daarbij wel de taak hen in die functie serieus te nemen en te stimuleren, en hen niet alleen ‘af te rekenen’
op direct zichtbare prestaties als het bereiken van een bepaald kennisniveau.

Volgens de procedure van de Instellingswet WRR ziet de raad graag de bevindingen van de ministerraad
tegemoet.

De voorzitter, De secretaris

. Scheltema prof.dr. J. van Sinderen

Plein 1813 nrs. 2 en 4, Postbus 20004, 2500 EA Den Haag
telefoon (070) 356 46 00, website http://www.wrr.nl
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>4</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>                                                                              inhoudsopgave
inhoudsopgave
Samenvatting                                                                  09
Ten geleide                                                                    17
1      Inleiding en probleemstelling                                          19
1.1    Aanleiding tot een rapport over waarden en normen                      19
1.2    Waarden en normen in recente openbare discussies                       20
1.3    Probleemstelling van het rapport                                       24
1.4    Maatschappelijke achtergrond van de discussie over waarden en normen   26
1.5    Niet voor het eerst en niet alleen in Nederland                        28
       1.5.1       Voorgangers uit het recente verleden                       28
       1.5.2       De discussie in het buitenland                              32
1.6    De opbouw van het rapport                                               37
2      Een verkenning van de begrippen ‘waarden’ en ‘normen’ en de
       problemen die hiermee samenhangen                                      41
2.1    Zijn waarden definieerbaar?                                            41
2.2    De praktische benadering van Rescher                                   43            5
2.3    Twee problemen: de veelheid en de abstractiegraad van waarden          45
       2.3.1       De waarde van waarden                                      45
       2.3.2       Enkele onderscheidingen van waarden                        46
       2.3.3       De abstractiegraad van waarden                             48
2.4    Waarden en het goede leven                                             52
       2.4.1       Verschillende visies op het goede leven                    52
       2.4.2       Monisme, pluralisme, relativisme                           54
2.5    Analyse van het begrip ‘norm’: om welke normen gaat het?               58
       2.5.1       Eigenschappen van normen en regels                         58
       2.5.2       Morele, juridische en sociale normen                       60
       2.5.3       Van onprettig naar onwettig: een principiële en praktische
                   kwestie                                                    62
2.6    Conclusies                                                             65
3      Waarden, normen en gedrag: de mening van de bevolking                  69
3.1    Inleiding                                                              69
3.2    Het meten van meningen over waarden, normen en gedrag                  70
3.3    Waarden                                                                 72
3.4    Normen                                                                  75
3.5    Gedrag                                                                 77
3.6    Generatie-effecten?                                                    83
3.7    Conclusies                                                             87
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>  wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
              4           Normoverschrijdend gedrag                                                89
              4.1         Inleiding                                                                89
              4.2         Wat verklaart normoverschrijdend gedrag?                                90
              4.3         De dynamiek van normoverschrijding                                       93
              4.4         Buurtproblemen, onveiligheid en criminaliteit                            96
                          4.4.1             Buurtproblemen                                         96
                          4.4.2             Onveiligheid                                           97
                          4.4.3             Criminaliteit en geweld                                98
              4.5         Wangedrag op school                                                      99
              4.6         Jeugdcriminaliteit                                                      101
              4.7         Zinloos geweld en geweld op straat                                     104
              4.8         Voetbalvandalisme                                                      105
              4.9         Wangedrag in het openbaar vervoer                                      107
              4.10        Wangedrag in het verkeer                                                110
              4.11        Wangedrag op het werk                                                   112
              4.12        Fraude                                                                  114
              4.13        Conclusies                                                              119
              Bijlage: Een rationele-keuze-analyse van normen en gedrag                           127
6             5           Pluriformiteit en gemeenschappelijke waarden in de
                          democratische rechtsstaat                                               141
              5.1         Pluraliteit als kenmerk van onze cultuur                                141
              5.2         Gemeenschappelijke waarden                                             143
              5.3         Liberaal denken en gemeenschapsdenken                                  148
              5.4         De waarde en de dynamiek van de democratische rechtsstaat              154
              5.5         Botsende waarden, botsende grondrechten                                 157
              5.6         Afsluitende opmerking: maatschappelijke waarden als voorwaarden voor
                          een goed functionerende rechtsstaat                                    166
              6           Samenleven met verschillende culturele normen                          169
              6.1         Inleiding                                                              169
              6.2         Culturele diversiteit en dynamiek                                       172
              6.3         De betekenis van groepsnormen                                           174
                          6.3.1             Normhandhaving binnen de eigen groep en afvalligheid  178
                          6.3.2             Positie van de vrouw                                 180
                          6.3.3             Positie van het kind ten opzichte van de ouders      185
                          6.3.4             Het opleggen van de groepsnormen aan de samenleving
                                            als geheel                                           188
              6.4         Strategieën                                                            190
              6.5         Conclusies                                                             193
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>                                                                                 inhoudsopgave
7       De bijdrage van de samenleving                                          197
7.1     Inleiding: deel van het probleem, deel van de oplossing                 197
7.2     Waarden, normen, regels en gedrag in een institutionele context        198
7.3     De primaire, secundaire en tertiaire taken van instituties             202
        7.3.1        Onbehagen, voorgestelde oplossingen en andere suggesties  202
        7.3.2        De institutionele focus: instituties als werkplaatsen van
                     waarden en normen                                         204
7.4     Instituties onder druk                                                 208
        7.4.1        Individualisering en verzakelijking                       208
        7.4.2        Gevolgen voor de overdracht en handhaving van waarden
                     en normen                                                 210
        7.4.3        Interacties tussen instituties                             213
7.5     Waarden en normen in het onderwijs                                     216
        7.5.1        Inleiding                                                 216
        7.5.2        Ontwikkelingen in het onderwijs                           216
        7.5.3        Primaire, secundaire en tertiaire taken van het onderwijs 219
        7.5.4        Conclusies over onderwijs                                 228
7.6     Waarden en normen in de inburgering                                    229
7.7     Waarden en normen in de media                                           231
        7.7.1        Inleiding: primaire, secundaire en tertiaire taken         231            7
        7.7.2        De inhoudelijke invloed van de media op waarden en normen
                     in de samenleving                                          232
        7.7.3        Concurrentie en programmering                              233
        7.7.4        Verantwoordelijkheid en verantwoording                    234
7.8     Conclusies                                                              235
8       De rol van de overheid; conclusies en aanbevelingen                    239
8.1     Inleiding                                                              239
8.2     Het belang van een publieke moraal                                     239
8.3     De beantwoording van de onderzoeksvragen                               242
8.4     De praktische taken van de overheid ten aanzien van waarden, normen
        en gedrag                                                              247
        8.4.1        Gedrag: de noodzaak van een consistente rechtshandhaving  247
        8.4.2        Normen: onzekerheid bespreekbaar maken                     252
        8.4.3        Waarden: pluriformiteit handhaven                         254
8.5     Ondersteuning van instituties                                          257
8.6     De opbrengst van investeringen in waarden, normen en gedrag            262
8.7     Samenvattende conclusies en aanbevelingen aan de regering              264
        8.7.1        Algemene conclusies in hoofdlijnen                        264
        8.7.2        Concrete aanbevelingen                                    265
        8.7.3        Tot besluit                                                272
Literatuur                                                                      273
Bijlage: Adviesaanvraag inzake waarden en normen                               288
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>  wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>                                                                                  samenvatting
samenvatting
Dit rapport behandelt de vraag welke gemeenschappelijke waarden onze samen-
leving binden en over welke waarden conflicten kunnen rijzen, mede gezien in
het licht van culturele verschillen. Het toenmalige kabinet legde deze vraag voor
aan de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, in zijn adviesaanvraag
van 8 november 2002, in het kader van het derde spoor van het debat over
waarden en normen.
De wrr heeft de probleemstelling enigszins verruimd. De achtergrond ervan
was immers niet alleen een gevoel van onzekerheid over de gemeenschappelijk-
heid van waarden en normen in onze huidige samenleving. Het ging ook om het
gegeven dat feitelijk gedrag vaak niet in overeenstemming is met die gemeen-
schappelijke waarden of met bepaalde, al dan niet wettelijke, normen. Ergernis-
sen daarover liggen aan veel discussies over waarden en normen ten grondslag. In
dit rapport stelt de wrr derhalve twee hoofdthema’s aan de orde:
1 het vraagstuk van normoverschrijdend gedrag, van fatsoenlijke omgangsvor-
    men en het niet nakomen van vele, vaak niet precies omschreven gedragsnor-
    men; en                                                                                    9
2 het vraagstuk van de gemeenschappelijkheid en de pluriformiteit van waarden
    en het omgaan met uiteenlopende stelsels van waarden en normen, die met
    cultuurverschillen samenhangen.
De raad onderschrijft het belang van beide thema’s, maar geeft in het rapport wel
aan dat een nadere structurering van de zeer algemene problematiek nodig is, om
te komen tot zinvol beleid. Ook behandelt het rapport de bijdrage die de samen-
leving zelf kan leveren aan het onderhouden en overdragen van belangrijke waar-
den en normen en de specifieke rol die de overheid hierbij zou kunnen, en op
sommige punten zou moeten, spelen. De raad meent dat de taak van de overheid
allereerst bestaat uit het tegengaan van wettelijke normoverschrijdingen en uit het
voorzien in een effectieve rechtshandhaving; daarnaast uit het garanderen van de
waarden van een open samenleving en de democratische rechtsstaat, en uit het
ondersteunen van de publieke moraal. Voor het overige is het in de eerste plaats de
samenleving zelf, die waarden vormt en onderhoudt. Instituties zoals scholen,
media en andere maatschappelijke organisaties leveren bij het vervullen van hun
eigen taken ook een bijdrage aan het algemene onderhoud van waarden en nor-
men. De taak van de overheid is hier vooral stimulerend en ondersteunend.
Waarden verschillen van normen
Waarden hebben structureel andere kenmerken dan normen, zodat een automa-
tische koppeling van waarden aan normen eerder verwarrend werkt dan verhel-
derend. Waarden scheppen ruimte, normen brengen beperkingen aan; waarden
geven aan wat in abstracte zin goed, gewenst en waardevol wordt gevonden,
normen geven meestal veel concreter aan wat onjuist en ongewenst wordt geacht.
Waarden bepalen geen specifieke gedragingen, normen geven wel concrete richt-
lijnen voor gedrag. Ook al onderschrijven mensen dezelfde waarden, toch kan
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>   wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                           hun feitelijke gedrag, dat op die waarden is georiënteerd, zeer ver uiteenlopen.
                           Bij normen is het nuttig onderscheid te maken tussen enerzijds rechtsnormen,
                           die voor iedereen verplichtend zijn en anderzijds bepaalde sociale en morele
                           normen, die geen wettelijke bekrachtiging kennen en die beperkt blijven tot
                           bepaalde sociale groepen. Het begrip normoverschrijdend gedrag kan in nega-
                           tieve zin zowel betrekking hebben op sociale en morele, als op wettelijke normen.
                           Op sociale en morele normoverschrijdingen, die niet samenvallen met wettelijke
                           normoverschrijdingen, dient principieel anders te worden gereageerd dan op
                           onduldbare en onwettige gedragingen, al is een precieze grens tussen deze soor-
                           ten gedragingen in een samenleving nooit voor honderd procent scherp te trek-
                           ken. Omdat conflicten over waarden en normen in een samenleving onvermijde-
                           lijk zijn, zijn stabiele manieren om deze conflicten op zo’n manier op te lossen
                           dat de samenleving niet intern wordt verscheurd, van uitermate groot belang. De
                           democratische rechtsstaat en de daarin tot uitdrukking gekomen waarden en
                           normen bieden dit stabiele en gemeenschappelijke kader.
                           De steun van de bevolking voor gemeenschappelijke waarden
                           Het is verre van eenvoudig een goed en betrouwbaar beeld te krijgen van de
                           ontwikkelingen in de tijd ten aanzien van waarden, normen en verschillende
10                         vormen van normoverschrijdend gedrag. Indien men gebruik maakt van bevol-
                           kingsenquêtes, onder andere van het Sociaal en Cultureel Planbureau, dan kan
                           met enige voorzichtigheid worden gezegd dat het pessimisme over de ontwikke-
                           ling van zeden en gedrag in Nederland sterk is toegenomen, terwijl tegelijkertijd
                           de onzekerheid afnam over de vraag wat goed en slecht is. Dit suggereert dat
                           Nederlanders steeds zelfbewuster en kritischer zijn geworden over het gedrag van
                           hun landgenoten. De steun onder de Nederlandse bevolking voor de waarden van
                           de rechtsstaat en de democratie is groot en lijkt eerder toe dan af te nemen.
                           Nederland verschilt hierin niet sterk van andere eu-landen. Bij de steun voor
                           algemene waarden is er geen sprake van eenduidige tendenties die zonder meer
                           kunnen worden geïnterpreteerd als ‘verval van waarden en normen’. Wel kunnen
                           wetsovertredingen rekenen op weinig begrip van de Nederlandse bevolking.
                           Over twee specifieke vormen van wetsovertredingen – sociale zekerheidsfraude
                           en belastingontduiking – zijn Nederlanders in de jaren negentig strenger gaan
                           oordelen. Slechts ten aanzien van softdruggebruik oordelen Nederlanders milder
                           dan inwoners van andere landen. Jongere generaties blijken iets minder streng te
                           oordelen over ‘zeden en gedrag’ van anderen dan de oudere generaties.
                           Normoverschrijdend gedrag
                           Er bestaat een grote variatie aan normoverschrijdend gedrag, dat heel vaak over-
                           last met zich mee brengt voor medeburgers. Naast lichtere vormen van over-
                           schrijdingen van bepaalde sociale, niet-wettelijk voorgeschreven normen die als
                           ‘onprettig’ kunnen worden beschouwd, komen er onbehoorlijke, onduldbare en
                           vooral onwettige gedragingen voor, die zwaardere vormen van normoverschrij-
                           ding inhouden. Enkele zware vormen van onwettig gedrag, waaronder geweld-
                           pleging, zijn de afgelopen tien à vijftien jaar in aantal sterk toegenomen. Het
                           problematische normoverschrijdende gedrag concentreert zich voor een belang-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>                                                                                   samenvatting
rijk deel bij een relatief kleine groep mannelijke adolescenten en jongvolwasse-
nen. Geweld en agressie op school, in het openbaar vervoer, in het verkeer en
rond het voetbalstadion worden voor een groot deel gepleegd door mannen in de
leeftijd tussen vijftien en dertig jaar. Vaak opereren ze in een groep waarbinnen
andere normen gelden dan de algemeen aanvaarde. Dit hoeft echter niet te bete-
kenen dat door de leden van een dergelijke groep in onze maatschappij gangbare
waarden en normen in het geheel niet worden onderschreven. Het normover-
schrijdende gedrag van deze groepen blijkt samen te hangen met hun onvermo-
gen in de gewone maatschappij een plaats te veroveren of erkenning te krijgen.
Dit geldt met name voor veel jongeren uit immigrantenmilieus. Ook gewone
burgers vertonen echter normoverschrijdend gedrag, met name bij emotionele
reacties op onaangename gebeurtenissen, zoals bij agressie in het verkeer of in het
openbaar vervoer. Berekenende vormen van normoverschrijdend gedrag, zoals
zwartwerken en belastingontduiking, worden vaak gerechtvaardigd met een
verwijzing naar het normoverschrijdend gedrag van ‘anderen’.
Er zijn verschillende gradaties van normoverschrijdend gedrag te constateren:
van onprettig tot onwettig gedrag. Reactiewijzen zoals dulden en het bespreek-
baar maken van onbehoorlijk gedrag horen bij lichtere overschrijdingen van soci-
ale normen. Formele overheidsreacties zoals verbieden en handhaven van                          11
normen horen bij zwaardere en onduldbare normoverschrijdingen, maar ook hier
past het bespreken van het gedrag en het confronteren van de daders met de
gevolgen ervan. Een nadere analyse van normoverschrijdend gedrag laat zien dat
voorbij een bepaald omslagpunt een kleine afname van formele sociale controle
kan leiden tot een sterke toename van normoverschrijdend gedrag. Als bepaalde
normen zijn afgekalfd, vraagt herstel een onevenredig grote inspanning. Herstel
van de oorspronkelijke mate van normconform gedrag is dan niet meer uitslui-
tend te bereiken via formele overheidscontrole; het vertrouwen in de norm is dan
al ondermijnd. Informele sociale controle, in tal van sociale instituties en organi-
saties, is voor een dergelijk herstel onmisbaar. Overheid en instituties dragen
daarvoor gezamenlijk verantwoordelijkheid, waarbij de overheid de primaire
taak houdt van een strikte rechtshandhaving. In het rapport beschrijft de wrr
verschillende strategieën om binnen instituties en organisaties en vanuit de over-
heid de vele vormen van normoverschrijdend gedrag te blijven bestrijden.
Pluriformiteit en gemeenschappelijkheid van waarden
Pluriformiteit in waarden en normen is een kenmerk van een moderne samenle-
ving. Door de maatschappelijke veranderingen van de afgelopen dertig jaar is een
geïndividualiseerd waardepatroon beter mogelijk geworden, waarbij overigens
de waarden van persoonlijke vrijheid en gelijkheid als centrale waarden van een
burgerlijke samenleving onveranderd hoog worden gehouden. Een moderne
samenleving staat voor de opgave de grote mate van pluriformiteit te laten
samengaan met voldoende eenheid en gemeenschappelijkheid. Men hoeft niet
precies dezelfde redenen te hebben om bepaalde centrale waarden te onderschrij-
ven, als men deze waarden maar in praktisch gedrag blijft ondersteunen. De
waarden van de democratische rechtsstaat en die van een open samenleving
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>   wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                           vormen een gemeenschappelijke kern, die de pluriformiteit van waarden moge-
                           lijk maakt en zelf bepaalde waarden inhoudelijk ondersteunt. Die kern maakt het
                           tegelijk mogelijk voldoende overeenstemming te behouden over de wijze waarop
                           waardeconflicten moeten worden bijgelegd. Inhoudelijke waarden, die de open,
                           westerse samenleving hebben gevormd en die ook voor de toekomst blijven
                           gelden als belangrijke richtinggevende waarden, zijn onder andere: geloof in de
                           toekomst, de bescherming van persoonlijke vrijheid en autonomie, rede en rede-
                           lijkheid, universaliteit, rechtvaardigheid en gelijkheid. Deze waarden zijn echter
                           zo abstract, dat ze een dynamische ontwikkeling om aan deze waarden concrete
                           inhoud en richting te geven, stimuleren. Dit geldt evenzeer voor de centrale
                           waarden van de rechtsstaat, waaronder grondrechten die telkens een nieuwe,
                           soms verruimende, soms beperkende interpretatie kunnen krijgen. Botsingen
                           van grondrechten zijn onvermijdelijk, maar kunnen door de kracht van de rechts-
                           statelijke instituties in goede banen worden geleid.
                           Botsing van waardestelsels en omgaan met culturele verschillen
                           De culturele diversiteit in de Nederlandse samenleving is toegenomen, maar
                           daardoor is het belang van het beginsel van de waardepluriformiteit niet veran-
                           derd. Het benadrukken van culturele verschillen in termen van afwijkende
12                         normen en waarden kan leiden tot culturele isolatie en reacties gericht op cultu-
                           rele eenvormigheid. De problemen die samenhangen met culturele diversiteit
                           moeten echter wel realistisch bespreekbaar worden gemaakt. Sommige praktijken
                           van leden van bepaalde etnische groepen zijn in strijd met de Nederlandse wet,
                           andere praktijken verhouden zich moeizaam met wat in Nederland belangrijk
                           wordt gevonden, met name het beginsel van persoonlijke auto-nomie, de positie
                           van vrouwen en meisjes en de reacties op afwijkend gedrag in eigen kring.
                           Groepsnormen worden nu nog vaak ingezet om persoonlijke keuzen van de
                           leden van bepaalde groepen tegen te gaan of te onderdrukken. Vaak ontbreekt een
                           exit-optie en dit ontbreken staat op gespannen voet met het algemeen aanvaarde
                           beginsel van de individuele waardekeuze. Er is echter sprake van een glijdende
                           schaal in de mate waarin groepsnormen strijdig zijn met in Nederland aanvaarde
                           normen. Bij het inzetten van strategieën voor de omgang met deze verschillen en
                           strijdpunten is het van belang na te gaan wat wezenlijk in strijd is met de
                           waarden en normen van de democratische rechtsstaat en wat als niet-essentieel
                           bespreekbaar kan worden gemaakt of, al of niet tijdelijk, kan worden geduld.
                           Het spreekt vanzelf dat de overheid de primaire verantwoordelijkheid heeft bij
                           het normeren en verbieden van praktijken die in strijd zijn met de wet. De over-
                           heid zou, meer dan nu gebeurt, zichtbaar moeten optreden en duidelijk moeten
                           maken wat in Nederland niet wordt aanvaard. Aan de andere kant kan de over-
                           heid bevorderen dat verschillen worden geaccepteerd en dat het dulden van
                           verschillen een noodzakelijke voorwaarde is om een pluriforme samenleving in
                           stand te houden. In situaties die niet zonder meer onwettig zijn, maar wel zoda-
                           nig conflictueus dat oplossingen nodig zijn, heeft de overheid een procedurele rol
                           te vervullen: de verschillen bespreekbaar maken en zorgen voor goede conflictbe-
                           slechtende mechanismen, van formele en van informele aard.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>                                                                                   samenvatting
De bijdrage van de samenleving, in het bijzonder van het onder wijs
De samenleving is deel van het probleem van waarden en normen, en is daarmee
tevens een deel van de oplossing. Burgers, maatschappelijke organisaties en insti-
tuties hebben zelf de verantwoordelijkheid om gewenste waarden en normen te
onderhouden, te verbreiden en over te dragen. Deze taak berust niet primair bij de
overheid. Versterking van de eigen inbreng van instituties ten aanzien van waar-
den en normen, is nodig. Die inbreng kan worden bevorderd door meer ruimte en
aandacht te schenken aan de normatieve en morele aspecten van de werkzaamhe-
den binnen instituties; te beginnen met een goede handhaving van gedragsregels
binnen instituties. Instituties zijn evenzeer verantwoordelijk voor de effecten die
zij hebben op de werking van andere instituties en op de samenleving als geheel,
met name wat betreft de handhaving van algemene gedragsnormen.
Aan de school en aan het onderwijs wordt vaak een bijzondere taak toegekend bij
de overdracht van algemene waarden en normen. Dit is in zoverre juist dat in de
verschillende onderdelen van het onderwijs, met name in de lessen, waarden
worden aangeleerd. Maar ook in het algehele klimaat op school, in de gedragsre-
gels die er bestaan en in de discipline die wordt aangeleerd, heeft het onderwijs
een belangrijke morele en pedagogische taak. Deze taak hoeft niet te worden
ondergebracht in een apart vak ‘waarden en normen’, maar dient wel in het                       13
bestuur en beheer van de school en in de beoordeling van de kwaliteit van het
onderwijs expliciet aan de orde te komen. De specifieke overdracht van belang-
rijke waarden van de rechtsstaat, de democratie en burgerschap dient deel uit te
maken van bestaande vakken zoals geschiedenis en maatschappijleer. In leraren-
opleidingen voor met name het voortgezet onderwijs dient meer tijd en aandacht
te worden besteed aan gedragsregels en de handhaving ervan, alsook aan het
omgaan met morele vraagstukken in de klas. Ten aanzien van inburgering bepleit
de raad dat deze bijdraagt aan een aanzienlijke verhoging van de arbeidsparti-
cipatie van nieuwkomers. De raad vindt dat de bureaucratisering rond inburge-
ringcursussen moet worden teruggedrongen. Hierbij dient het vak maatschappij-
oriëntatie meer gericht te zijn op burgerschapsvorming en de beginselen van de
rechtsstaat.
Conclusies en aanbevelingen
Ten aanzien van de rol van de overheid komt de WRR in dit rapport tot twee hoofd-
conclusies.
1 De overheid heeft ten aanzien van de waarden- en normenproblematiek een
    primaire taak in het bewaken van de gemeenschappelijke waarden, met name
    die van de democratische rechtsstaat. Hiervoor dient een publieke moraal te
    worden gestimuleerd, ten behoeve van een vreedzaam en fatsoenlijk verloop
    van de soms gespannen onderlinge verhoudingen tussen burgers. Openbare ge-
    zagsdragers moeten zelf het voorbeeld geven van een integer openbaar bestuur.
2 De overheid heeft een primaire taak in het tegengaan van gedrag dat wettelijke
    normen schendt, maar het tegengaan van de vele vormen van normoverschrij-
    dend gedrag in het algemeen kan niet uitsluitend worden gerekend tot de
    verantwoordelijkheid van de overheid. De pijlers van de samenleving, dat wil
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>   wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                               zeggen burgers, organisaties en instituties, zijn daarvoor ieder op zijn eigen
                               wijze verantwoordelijk. De overheid zal deze eigen maatschappelijke verant-
                               woordelijkheid wel beter moeten ondersteunen.
                           Het rapport eindigt met zeven aanbevelingen.
                           1 Het bestrijden van wettelijke normoverschrijdingen, met name wanneer die de
                               persoonlijke integriteit aantasten en het onderlinge vertrouwen tussen
                               burgers ondermijnen, dient een aanhoudende zorg van de regering te blijven,
                               zoals reeds in het wrr-rapport over de toekomst van de rechtsstaat en in de
                               daarop aansluitende regeringsreactie is gesteld.
                           2 Naast effectieve rechtshandhaving dienen overheid en maatschappelijke
                               instellingen een intensief preventiebeleid te voeren, dat mede gericht dient te
                               zijn op het voorkomen van marginalisering en uitsluiting van groepen, die
                               onvoldoende kunnen voldoen aan de eisen die onze samenleving stelt aan
                               volwaardige participatie.
                           3 Er dient ruimere beschikbaarheid te komen van vrijwillige opvoedingsonder-
                               steuning voor ouders naast een effectievere samenwerking tussen al die instan-
                               ties die opvoedingstekorten proberen op te vangen en op te heffen. Onder-
                               steuning van buurtprojecten die de onderlinge betrokkenheid van bewoners
14                             en sociale controle in de buurt vergroten, dient versterkt te worden. Initiatie-
                               ven van onderop voor het opstellen van buurtregels en stadsetiquettes in
                               probleemwijken dienen door de lokale overheid ondersteund te worden.
                           4 De overheid heeft met maatschappelijke instellingen een taak om verschillende
                               waardeopvattingen, vooral wanneer die samenhangen met cultuurverschillen,
                               op ruime schaal bespreekbaar te maken. De discussies dienen om schadelijke
                               en negatieve stereotyperingen tegen te gaan en om burgers met ogenschijnlijk
                               onverenigbare waarden praktisch met elkaar te laten samenleven.
                           5 Met het oog op te voorziene en onvermijdelijke waardeconflicten heeft de over-
                               heid samen met maatschappelijke instellingen de taak om praktische program-
                               ma’s te ontwikkelen voor conflictpreventie en conflictbeslechting. Hierbij staat
                               de gedrags- en handelingscomponent centraal. Deze programma’s kunnen op
                               scholen, in buurten, in organisaties en instellingen worden geïntroduceerd.
                           6 De overheid dient instituties, organisaties en instellingen, die publieke taken
                               vervullen, op ruimere schaal gelegenheid te geven om de morele dimensie van
                               hun werkzaamheden niet te verwaarlozen. De overheid kan dit doen door zelf
                               deze instellingen ruimer te beoordelen dan alleen op meetbare prestaties.
                               Ondersteuning van instituties door de overheid dient vooral stimulerend te
                               zijn en rekening te houden met de institutionele context.
                           7 Er is een behoefte om de publieke discussie over waarden, normen en norm-
                               overschrijdend gedrag te structureren. Dit kan door gebruik te maken van
                               bestaande instellingen, die hier vaak al mee bezig zijn. In deze werkplaatsen
                               voor waarden en normen gaat het om voorlichting en elektronische informa-
                               tievoorziening, om het entameren van levensbeschouwelijke discussies, om
                               het ontwikkelen van rolmodellen, om conflicten over waarden en normen
                               vreedzaam te laten verlopen en om een verdere wetenschappelijke verdieping
                               van de waardeproblematiek in een pluriforme samenleving.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>                                                                                   ten geleide
ten geleide
Dit rapport is voorbereid door een interne projectgroep van de wrr. Voorzitter
was prof. dr. mr. C.J.M. Schuyt, lid van de raad. Verder maakten de volgende
raads- en stafleden deel uit van de projectgroep: prof. dr. P.T. de Beer (project-
secretaris), drs. D.W.J. Broeders, drs. H. van de Bund, dr. P. den Hoed, prof. dr.
P.L. Meurs, mr. J.C.I. de Pree en prof. mr. M. Scheltema.
De analyses in dit rapport zijn mede gebaseerd op bijdragen die door verschil-
lende auteurs in opdracht van de raad zijn geschreven. Kort na dit rapport
worden gepubliceerd:
P. de Beer en C.J.M. Schuyt (red.) (2004) Bijdragen aan waarden en normen,
wrr Verkenning 2, Amsterdam: Amsterdam University Press, en
G.J.M. van den Brink (2004) Schets van een beschavingsoffensief: over normen,
normaliteit en normalisatie in Nederland, wrr Verkenning 3, Amsterdam:
Amsterdam University Press.
Bij de voorbereiding van dit advies is voorts, zoals ook in de adviesaanvraag is
gevraagd, overleg geweest met (vertegenwoordigers van) de Onderwijsraad, de                    17
Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling (rmo) en het Sociaal en Cultureel
Planbureau (scp).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>   wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
18
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>                                                                        inleiding en probleemstelling
1   inleiding en probleemstelling
1.1 aanleiding tot een r apport over waarden en normen
    Waarden en normen passen niet op een spandoek. De hernieuwde aandacht voor
    de problematiek van waarden en normen in de Nederlandse samenleving is
    voortgekomen uit een zeker onbehagen. De discussie duidt op een niet precies
    omschreven gevoel dat de sociale binding in de huidige samenleving aan het
    verminderen is, het vertrouwen tussen burgers onderling en tussen burgers en
    overheid verslechterd is en dat in toenemende frequentie gedragingen worden
    geconstateerd die in strijd komen met elementaire waarden en normen. Hierbij
    valt onder andere te denken aan voorvallen van geweld op straat, agressie op
    scholen, in ziekenhuizen en in het openbaar vervoer, bedreigingen van politici en
    medeburgers.
    Een discussie over waarden en normen is op de maatschappelijke agenda geko-
    men als uitdrukking van een politiek onderscheid. In de aanloop van de verkie-
    zingen van mei 2002 werd het onderwerp ‘waarden en normen’ onderdeel van
    het politieke programma van het cda en de lpf. Het cda had al enkele jaren                        19
    daarvoor het gemeenschapsdenken, waarin gemeenschappelijk gedeelde
    waarden en normen in een samenleving centraal staan, gesteld tegenover de meer
    op ‘materialistische’ belangen georiënteerde politiek van het tweede Paarse kabi-
    net. De lpf vroeg, in het verlengde van deze kritiek op Paars, eveneens meer
    aandacht voor de lange wachttijden in de zorg, de neergang van bepaalde buurten
    in grote steden, een sterkere handhaving van recht en orde en de problematische
    positie van niet-geïntegreerde allochtonen in de samenleving. In het politiek
    roerige jaar 2002 is de problematiek van ‘waarden en normen’ als thema, dat zeer
    uiteenlopende onderwerpen en maatschappelijke ergernissen met elkaar
    verbond, niet meer van de politieke en maatschappelijke agenda verdwenen. De
    publieke meningsvorming werd erdoor gevoed, zoals omgekeerd het publieke
    debat over waarden en normen in kranten, tijdschriften en andere media de poli-
    tici aanspoorde om de problematiek die eronder schuilgaat, serieus te nemen.
    Het politiek geweld, de moord op Fortuyn voor de verkiezingen en de bedreigin-
    gen aan het adres van andere politici in de periode na de verkiezingen vermeer-
    derden het reeds bestaande gevoel van onbehagen over de sociale en politieke
    situatie in Nederland. Het onbehagen kreeg een nog sterkere morele toon: wat
    was er mis met de waarden en normen, dat zoiets ongehoords onverwacht in
    Nederland kon gebeuren? Zou een moreel herstel niet het antwoord moeten zijn
    op deze onduldbare gebeurtenissen?
    De politieke aardverschuiving van de verkiezingen in mei 2002 resulteerde in de
    vorming van het kabinet-Balkenende I. In de plannen van dit kabinet (Strategisch
    Akkoord 2002: 72-73) en bij de Algemene Politieke Beschouwingen over de rege-
    ringsverklaring, op 18 en 19 september 2002, werd een aanpak van ‘waarden en
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>   wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                           normen in de samenleving’ in het vooruitzicht gesteld. Per brief van 4 oktober
                           2002 aan de Tweede Kamer (Tweede Kamer 2002-2003, 28600, nr. 42) zette
                           minister-president Balkenende drie sporen uit waarlangs de aanpak zou
                           verlopen: 1) een inventarisatie van de voornaamste ergernissen van burgers;
                           2) een departementale inventarisatie van reeds lopende overheidsprojecten, die
                           bij zouden kunnen dragen aan de problematiek van waarden en normen; en
                           3) een adviesaanvraag aan de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid
                           over de vraag welke fundamentele waarden onze samenleving bindt en over
                           welke waarden conflicten kunnen rijzen, mede gezien in het licht van culturele
                           verschillen. Op 8 november 2002 ontving de wrr de officiële adviesaanvraag,
                           die dienovereenkomstig de grondslag vormt voor dit rapport. De adviesaanvraag
                           is als bijlage aan dit rapport toegevoegd.
               1.2         waarden en normen in recente openbare discussies
                           Dat de belangstelling voor het onderwerp waarden en normen in brede lagen
                           van de bevolking werd gedeeld, bleek uit opinieonderzoek van het onderzoeks-
                           instituut nipo, dat in september 2002 bekendmaakte dat “Nederlanders in alle
                           lagen van de bevolking het verval van normen en waarden, overigens samen met
20                         criminaliteit en de problemen in de gezondheidszorg, de voornaamste maat-
                           schappelijke kwestie vinden”. Ongeveer gelijktijdig deed de toenmalige minister
                           Heinsbroek het voorstel om een mediacampagne rond het thema te starten
                           (‘Ook normen kun je met marketing verbreiden’).
                           Het debat in de Tweede Kamer over het specifieke onderwerp van waarden en
                           normen (18 december 2002) gaf op enkele momenten blijk van verwarring. Wat
                           was nu eigenlijk het probleem? Waar moest het debat over gaan? Over welke
                           verschijnselen ging het: over het bijbrengen van fatsoensregels of over de funda-
                           mentele waarden die ten grondslag liggen aan elke samenleving? Over wetten of
                           bijbelse waarden? Het debat zelf was, mede door de strakke vormregels van de
                           parlementaire discussie, een mooi voorbeeld van welke onderwerpen zoal aan de
                           orde kunnen komen in een openbaar debat over waarden en normen. Het ging
                           zowel over het belang van bijbelse waarden in de samenleving als over de plaats
                           van de grondrechten. Er ontspon zich een interessante en pittige discussie over
                           de vraag naar een hiërarchie tussen deze grondrechten. De waarden van gezin en
                           opvoeding kwamen aan de orde, evenals de waarden van solidariteit en het
                           belang van sociale cohesie. Telkens werden deze belangrijke waarden aan
                           beleidsvoornemens van de regering gekoppeld, waardoor enige onduidelijkheid
                           ontstond over het verschil tussen algemene politieke beschouwingen en een
                           parlementair debat over waarden en normen. Het was daarbij soms moeilijk het
                           algemene en abstracte onderwerp van waarden en normen los te blijven zien van
                           allerhande afzonderlijke en bijzonder concrete onderwerpen. Er werden door
                           enkele woordvoerders pogingen gedaan om een grens af te bakenen tussen
                           rechtsnormen en leefregels, die voor iedereen gelden, en andere normen zoals
                           bijvoorbeeld fatsoensregels. Worden de waarden van de samenleving in wetten
                           neergelegd of bestaan er ook daarbuiten nog regels waarvoor de overheid zich
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>                                                                       inleiding en probleemstelling
verantwoordelijk mag of zelfs moet stellen? Over de precieze taak van de over-
heid in deze algemene kwestie werden verschillende standpunten geformuleerd.
Het debat kreeg echter geen vastomlijnde conclusie en dat was, gezien de veel-
heid en abstractiegraad van de besproken onderwerpen, ook zeer lastig (Hande-
lingen Tweede Kamer, 2002-2003, nr. 35 2609-2646).
Hiermee heeft de politiek een belangrijk thema op de maatschappelijke agenda
geplaatst, dat vruchtbaar kan worden uitgewerkt, mits de problematiek niet
eindeloos wordt opgerekt of ongedefinieerd gelaten. Dat is de taak die de wrr in
dit rapport op zich genomen heeft. Want zowel uit het debat in de Tweede
Kamer als uit de daarna veelvuldig gehouden gesprekken en debatten in de media
blijkt dat weinig personen moeite hebben om een concreet maatschappelijk
verschijnsel waaraan problematische kanten zitten, te koppelen aan de veel
ruimere en algemene problematiek van waarden en normen. Men heeft het er
dan over dat mensen in de tram niet meer opstaan voor ouderen of men stoort
zich aan het gedrag van anderen in de openbare ruimte. Men ergert zich aan
rommel en rotzooi, afval en hondenpoep op straat. Er wordt schande gesproken
over onfatsoenlijk gedrag in het verkeer en over onbehoorlijk, assertief en zelfs
agressief gedrag jegens medeburgers. Het zijn stuk voor stuk voorbeelden van
irriterende en bedreigende ervaringen die misschien geen wetsovertredingen                           21
zijn, maar wel een sociale norm overschrijden. Het lijkt alsof burgers niet meer
fatsoenlijk met elkaar om kunnen gaan. Weer anderen weten daaraan toe te
voegen dat scholen en onderwijzers geen opvoedkundige taken meer kennen, of
niet meer aan deze taken toekomen door het lerarentekort of andere negatieve
invloeden van buitenaf. Al met al ontstaat zo een beeld van Nederland waarin de
teloorgang van de publieke en semi-publieke ruimte aan de orde is: bushaltes,
treinperrons en stations zijn plekken waar men zich beter niet kan vertonen;
prullenbakken zijn overvol, reclamezuilen zijn kapot, de verlichting werkt niet.
Men wijst op de verwaarlozing van stadsbuurten als gevolg van verval en leeg-
stand van huizen, verslaafden en dealers op straat, hetgeen een onveilig en
ontheemd gevoel teweegbrengt. Naast deze gevoelens van onveiligheid zijn er
concreet ervaren gevolgen van geweldsmisdrijven, van veelvuldige winkelinbra-
ken met geweld, van lichamelijke en psychische bedreigingen, bij elkaar tastbare
gedragingen die duidelijke wettelijke normen overschrijden.
Dergelijke observaties worden door velen herkend en men staat niet meer stil bij
de vraag in hoeverre dit beeld, gebaseerd op enkelvoudige en niet-systematische
waarnemingen en selectieve gevoeligheid, een overdrijving vormt van de werke-
lijke situatie in Nederland. Wat wel goed gaat en waar het wel goed gaat wordt zo
aan de aandacht onttrokken. Niettemin hebben dergelijke feiten en gevoelens
met elkaar gemeen dat ze vooral een overschrijding van een bepaalde norm
aangeven. Het betreft ofwel een norm die in de wet is vastgelegd en waarvan de
overtreding in principe strafbaar is (kleine criminaliteit, niet betalen in tram of
bus, verkeersovertredingen, geweldsmisdrijven), ofwel een norm die verwijst
naar een idee van algemeen fatsoen en correct gedrag (opstaan in de tram, niet
met de benen op de zitting van bus en tram). Er is een oplopende schaal van
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>   wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                           normoverschrijdingen die gaat van onprettige naar onwettige gedragingen, met
                           als tussenliggende gradaties onbehoorlijke, overlast bezorgende en ronduit
                           onduldbare gedragingen.
                           Er zijn echter ook voorbeelden te noemen van onderwerpen die in discussies
                           over waarden en normen veelvuldig aan bod komen, maar die algemener en
                           abstracter van aard zijn. Hierbij moet gedacht worden aan thema’s als tolerantie
                           (‘Is er te weinig tolerantie of is er juist sprake van doorgeschoten tolerantie?’),
                           gezamenlijkheid, een gevoel van verlies aan gemeenschapszin door de aanwezig-
                           heid van andere culturen en culturele uitingen van andere religies (hoofddoek-
                           jes). Een veelgehoord thema hierbij is dat mensen zeggen niet over dergelijke
                           onderwerpen te durven spreken uit angst om voor racist te worden uitgemaakt.
                           In algemene zin lijkt dit ongenoegen te bestaan in de vrees dat belangrijke
                           waarden in de samenleving, zoals het streven naar gelijkheid tussen mannen en
                           vrouwen, het niet gebruiken van geweld in de opvoeding of tussen partners en
                           de openlijke aanvaarding van homoseksualiteit niet meer door iedereen worden
                           onderschreven.
                           Anderzijds klagen mensen eveneens over het feit dat dergelijke belangrijke
22                         westerse liberale waarden te ver zijn doorgeschoten. De democratiseringsgolf en
                           de emancipatiebewegingen uit de jaren zestig zouden burgers te veel vrijheden
                           hebben opgeleverd, zonder dat daar voldoende controle of grenzen door de over-
                           heid tegenover gesteld werden. Dit patroon van te veel of te weinig vrijheid, te
                           veel of te weinig integratie, te veel of te weinig inleving in de culturele waarden
                           van anderen, schept een diffuus gevoel van onbehagen, dat zich uit in en vast-
                           klampt aan steeds wisselende onderwerpen en concrete probleemgevallen of
                           incidenten. De diffuusheid van dit patroon van bestaande waarden en normen
                           maakt het voor nieuwkomers extra moeilijk om te weten hoe ze zich aan moeten
                           aanpassen en waar ze zich aan moeten houden.
                           Wat kan men leren van deze openbare discussies over waarden en normen?
                           Welke conclusies zou men eruit kunnen trekken? Allereerst een negatieve: een
                           discussie over waarden en normen kan in principe over alles gaan met het niet
                           irreële gevaar dat het dan tot niets leidt. Een waarden- en normendiscussie
                           zonder een duidelijke probleemafbakening (‘Wat is precies het probleem?’)
                           of duidelijke begripsomschrijving (‘Waar hebben we het over?’) levert geen
                           resultaat op en zal op den duur juist gaan irriteren. De waarden- en normen-
                           discussie loopt een constant gevaar een politieke slogan te worden, zoals werd
                           geïllustreerd in de reclametekst van Postbus 51, het voorlichtingsorgaan van de
                           rijksoverheid: ‘Wij zijn vóór waarden en normen’. Welke waarden? Wiens
                           normen? Welk soort gedrag? Waarden en normen lenen zich niet voor een bill-
                           board. Men kan niet vóór waarden en normen zijn, zoals men ook niet vóór het
                           weer kan zijn. Er kunnen in abstracto geen problemen zijn met ‘waarden en
                           normen’, zoals er ook geen problemen kunnen zijn met het weer in zijn alge-
                           meenheid: bedoelt men dat er te lange droogte is (waardoor boeren en burgers
                           gaan klagen), of dat er te veel regen valt (waardoor boeren en burgers gaan
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>                                                                      inleiding en probleemstelling
klagen)? Zonder nadere definiëring van problemen en begrippen wordt een
discussie in zijn algemeenheid over waarden en normen in de samenleving
uitzichtloos.
Daarom is een andere conclusie te trekken uit de vele discussies. Er zijn duidelijk
twee centrale thema’s te benoemen die in de discussies over waarden en normen
telkens aan de orde worden gesteld:
1 fatsoenlijke omgangsvormen en het niet nakomen van vele, vaak niet precies
    omschreven gedragsnormen; dit is het vraagstuk van normoverschrijdend
    gedrag; en
2 het omgaan met uiteenlopende waarden en cultuurverschillen; dit is het vraag-
    stuk van gemeenschappelijkheid en pluriformiteit.
Ad 1. Bij de handhaving van normen gaat het om een veelheid en veelsoortigheid
van normen. Het gaat zowel om praktische fatsoensnormen op school, op het
werk, in het openbaar vervoer en vooral in de publieke ruimte, alsook om regel-
matige overtredingen van rechtsnormen in de vorm van kleine en grotere crimi-
naliteit. Het gaat, kortom, om de zorg over onprettig, onbehoorlijk en onwettig
gedrag. Met dit thema van normhandhaving en normoverschrijdend gedrag
hangen enkele subthema’s samen, zoals (a) het algemenere probleem van crimi-                        23
naliteit en veiligheid, (b) de gevolgen hiervan voor de directe leefomgeving in
verwaarloosde grote stadsbuurten, (c) het ervaren gebrek aan fatsoen op straat en
in de openbare ruimte.
Ad 2. Er is onzekerheid over de rol die andere dan de vertrouwde westerse cultu-
rele waarden in de samenleving spelen. Daarmee hangt het gedrag van immi-
grantengroepen direct samen: wat mag van hen verwacht en verlangd worden in
de integratie in de Nederlandse samenleving? Als subthema’s zijn hier te noemen:
(a) de vraag naar de verenigbaarheid van het karakter van de verschillende
waarden, zowel religieuze waarden als seculiere waarden, en van het samengaan
van zeer uiteenlopende levensstijlen, van zowel jonge als oudere mensen,
(b) de al of niet geslaagde integratie van nieuwkomers en daarmee samenhan-
gende processen van segregatie, (c) de gevolgen van de aanslagen op het wtc en
het Pentagon op 11 september 2001 voor de onderlinge verhoudingen tussen
diverse bevolkingsgroepen en (d) de positie van de islam als tweede grote gods-
dienst in onze samenleving.
In feite vragen beide hoofdthema’s naar de minimaal noodzakelijke gemeen-
schappelijkheid in de huidige, uiterst pluriform geworden samenleving. De
vraag naar minimale gemeenschappelijkheid strekt zich verder uit dan alleen tot
de hierboven aangeduide relatie tussen de islam en westerse waarden. Het
betreft evenzeer de vraag wat eo-jongeren, leden van studentencorpora en de
gay-scene in Amsterdam nog met elkaar verbindt. In vergelijking met vroegere
discussies over ethische kwesties in de samenleving, bijvoorbeeld het ‘ethisch
reveil’ in de jaren zeventig, valt het op dat het eerste thema nu veel meer betrek-
king heeft op allerhande soorten normen en gedragingen en niet uitsluitend op
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>   wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                           ethische normen met betrekking tot abortus, euthanasie en gemeenschapszin,
                           terwijl het tweede hoofdthema nu als nieuw op de morele maatschappelijke
                           agenda naar voren is gekomen. Deze vaststelling heeft gevolgen voor de
                           probleemstelling en de verdere inhoudsbepaling van dit rapport.
               1.3         probleemstelling van het r apport
                           Uit het voorgaande overzicht van de discussie in Nederland komt naar voren dat
                           er verschillende concrete onderwerpen centraal staan in de problematiek van
                           waarden en normen in een samenleving. Het gaat om het belang van gemeen-
                           schappelijke waarden in een heterogeen geworden moderne samenleving, om
                           mogelijke waardeconflicten die samenhangen met cultuurverschillen, om gecon-
                           stateerde ernstige tekorten in normhandhaving en de frequenties van normover-
                           schrijdend gedrag (van onprettig, via onbeschaafd, naar onwettig gedrag), om de
                           ingewikkelde relatie tussen waarden, normen en gedrag. Ook komt de vraag aan
                           de orde of het onderwijssysteem kan worden belast met extra taken, namelijk met
                           het overdragen van waarden die in de multiculturele samenleving als gemeen-
                           schappelijke waarden centraal staan. Heeft de overheid een rol te spelen bij al deze
                           kwesties, die deels in de particuliere sfeer liggen, deels tot de alledaagse en nor-
24                         male onderwerpen van overheidsbeleid gerekend worden? In de adviesaanvraag
                           van het kabinet staan deze onderwerpen duidelijk omschreven. Deze adviesaan-
                           vraag is allereerst een leidraad geworden voor de probleemstelling van dit rapport.
                           De in de adviesaanvraag aan de wrr gestelde vragen dienen in dit rapport in elk
                           geval beantwoord te worden. Daarnaast en daarna mogen ook andere vragen
                           gesteld worden en is de wrr vrij om de gestelde vragen enigszins te kantelen en
                           te herformuleren, of in een ander vruchtbaar perspectief te zetten.
                           Dit resulteert in de volgende algemene probleemstelling.
                           Is er in Nederland sprake van een afnemende steun voor essentiële waarden en
                           normen in onze samenleving? Is er sprake van een afnemende naleving van deze
                           waarden en normen? Op welke wijze kan de overheid de steun voor en naleving
                           van deze waarden en normen bevorderen?
                           Gelet op de adviesaanvraag valt het eerste deel van deze probleemstelling uiteen
                           in vier deelvragen met betrekking tot de waarden en normen.
                           1     Welke gemeenschappelijke waarden en normen zijn essentieel voor het goed
                                 functioneren van onze samenleving?
                           2 In welke mate worden deze waarden en normen door de bewoners van ons land
                                 onderschreven en in welke mate is er sprake van conflicterende waarden en
                                 normen, al dan niet samenhangend met cultuurverschillen?
                           3 Wat is de gewenste en mogelijke rol van de overheid bij het bevorderen van de
                                 gemeenschappelijke waarden en normen?
                           4 Welke waarden zijn vooral van belang voor de toekomstige Nederlandse
                                 samenleving?
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>                                                                     inleiding en probleemstelling
Omdat de aanleiding van de adviesaanvraag in elk geval ook de zorgen om
uiteenlopende afkeurenswaardige gedragspatronen in de samenleving behelsde,
vindt de raad het gewenst om ook expliciet aandacht te besteden aan deze gedra-
gingen. De gedragscomponent heeft de raad, op eigen gezag, aan de probleem-
stelling toegevoegd. Hij is verwoord in het tweede deel van de algemene
probleemstelling. Vanwege de belangrijke rol die instituties spelen in de over-
dracht en de handhaving van waarden en normen, ligt het daarnaast voor de
hand aparte aandacht te wijden aan de rol van instituties. De onvermijdelijkheid
ervan – waarden staan immers nooit los van een institutionele context – dwingt
het rapport als het ware aandacht te schenken aan de sociale mechanismen die de
werking van instituties verzwakken of versterken. Bij dergelijke mechanismen
moet men denken aan de vele vormen van formele en informele sociale controle,
aan het belang van professionele normen en waarden, aan de effecten van schaal
op normbeleving en op het gedrag van personen en aan de verschillende wijzen
waarop sociale binding in die instituties totstandkomt. De rol van instituties in
het algemeen en die van enkele instituties in het bijzonder, zal derhalve, conform
de adviesaanvraag, uitvoerig aan de orde komen.
Dit resulteert in de volgende deelvragen met betrekking tot het (normoverschrij-
dende) gedrag.                                                                                     25
5   In welke mate is er sprake van een toename van gedrag dat strijdig is met
    belangrijke gemeenschappelijke waarden en normen?
6 Welke relatie bestaat er tussen dit gedrag en de waarden en normen die de
    normovertreders al dan niet onderschrijven?
7 Welke rol spelen maatschappelijke instituties, zoals onderwijs, media en inbur-
    gering, bij de overdracht en de handhaving van waarden en normen en bij het
    omgaan met conflicten?
8 Wat is de gewenste en mogelijke rol van de overheid bij het tegengaan van
    normoverschrijdend gedrag, het bevorderen van normconform gedrag en het
    ondersteunen van instituties bij de overdracht en handhaving van waarden en
    normen?
De wrr heeft met deze probleemstelling en onderzoeksvragen de opdracht van
de adviesaanvraag verruimd. De specifieke bijdrage die de raad met dit rapport
wil leveren bestaat uit: (a) een systematische analyse en structurering van de zeer
diverse problematiek die schuilgaat onder de noemer ‘waarden en normen’,
(b) de aparte aandacht die gegeven wordt aan de gedragscomponent van de
waarden- en normenproblematiek, (c) het aanbrengen van een toekomstperspec-
tief op de centrale en gemeenschappelijke waarden die van belang zullen zijn
voor de samenleving als geheel in de komende tien tot twintig jaar, (d) het stimu-
leren van een publieke discussie over het belang van waarden en normen in de
samenleving.
Naast dit rapport brengt de raad nog enkele wetenschappelijke verkenningen uit,
waarin zelfstandige – en vaak kritische – bijdragen zijn opgenomen van een
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>   wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                           groot aantal wetenschapsbeoefenaren uit verschillende disciplines. Uiteenlo-
                           pende aspecten van deze waarden- en normenproblematiek, die specifiek spelen
                           in verschillende maatschappelijke sectoren, worden op deze wijze nog eens
                           uitvoerig belicht.
               1.4         maatschappelijke achtergrond van de discussie over
                           waarden en normen
                           De belangstelling voor waarden- en normenproblematiek komt niet zomaar uit
                           de lucht vallen en is niet plotseling naar voren gekomen als een politieke twist-
                           appel in een spannende verkiezingsstrijd. Er heerst al veel langer onvrede in de
                           westerse landen over de stand van de moraal. Misschien is onvrede over de moraal
                           wel van alle tijden en kan ze gewaardeerd worden als een blijvende impuls tot ver-
                           betering van het samenleven. Zowel in het publieke debat als in de moraalfilosofie
                           van de twintigste eeuw wordt herhaaldelijk de vraag opgeworpen of er sprake is
                           van een neergang van de moraal. Morele overtuigingen zijn aan sterke veranderin-
                           gen onderhevig en deze veranderingen worden vaak ervaren en geïnterpreteerd
                           als ondermijning van een oude en gevestigde moraal. Vooral op het gebied van
                           opvoeding en zedelijkheid zijn de dagelijkse praktijken, als neerslag van normen
26                         en waarden, in snel tempo veranderd. Nogal eens wordt in dit verband het
                           bekende gedicht van de Ierse dichter Yeats aangehaald als symbolische samenvat-
                           ting van een wijdverbreid gevoel van morele verwarring en desintegratie:
                   “Things fall apart; the center cannot hold;
                   Mere anarchy is loosed upon the world,
                   (…)
                   The best lack all convictions, while the worst
                   Are full of passionate intensity.” (Yeats, Collected Poems)
                           Maar Yeats schreef dit in de jaren twintig van de vorige eeuw, zodat het gevoel
                           van desintegratie al veel ouder is dan de laatste twee decennia. De desintegratie-
                           these, dat wil zeggen de bewering dat de moraal in westerse landen uiteengeval-
                           len is in ontelbare individuele en vaak niet met elkaar in overeenstemming te
                           brengen morele overtuigingen, wordt door velen omarmd, maar is tegelijk
                           omstreden (Kekes 1993). Waar het in deze discussie steeds om gaat is de interpre-
                           tatie en waardering van de vaak door iedereen als feitelijkheid aanvaarde maat-
                           schappelijke veranderingen, zoals de groeiende internationale aard van de onder-
                           linge betrekkingen en communicatievormen, de toenemende individualisering
                           en de vele individuele keuzen die mensen moeten maken in hun leven en de
                           overweldigende invloed van de modernisering door wetenschap en techniek.
                           Moderne samenlevingen hebben inderdaad grote veranderingen ondergaan. Ze
                           zijn cultureel veelvormig geworden en naar samenstelling van de bevolking zeer
                           heterogeen, onder andere door immigratiestromen, culturele vermengingen en
                           door het uiteenlopen, als een effect van secularisatie en ontzuiling, van reli-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>                                                                     inleiding en probleemstelling
gieuze en niet-religieuze levensbeschouwingen. Deze diversiteit doorbreekt een
vroeger bestaande dominante orde, die een zekere eenheid oplegde aan de inter-
pretaties van de werkelijkheid. Thans zijn er zeer veel verschillende identiteiten
en levenswijzen (Emberley 1995: 3-5).
De traditionele bronnen van overdracht van morele overtuigingen en gedrags-
wijzen zijn al lange tijd onder vuur komen te liggen. Met name betreft het hier
het gezin, de kerken en traditionele gemeenschappen. Het gezinsleven is open-
gebroken door beroepsarbeid en moderne communicatiemiddelen. De waarden
van een kerkelijke levenswijze staan vaak ver af van de normen die gelden in het
moderne wetenschappelijke onderzoek. Traditionele gemeenschappen, klooster-
of geloofsgemeenschappen, kleine dorpskernen en ambachtelijke verenigingen
hebben het veld geruimd voor grootstedelijke, op rationele grondslag gevestigde,
veelal anonieme levenswijzen met een hoge mate van externe mobiliteit. Ritue-
len en gewoonten die oude morele overtuigingen symboliseerden zijn verbleekt
of verdwenen. Er is door een golf van grootschalige organisatievormen en andere
permanente reorganisaties een grotere afstand opgetreden tussen burgers en
bestuurders. De binding aan en legitimiteit van deze bestuursvormen en organi-
saties is daardoor verminderd en wordt eerder betwist.
                                                                                                   27
Wat ervoor in de plaats is gekomen is een zeer gefragmenteerd scala aan maat-
schappelijke instituties en organisaties, die allemaal op eigen wijze morele codes
uitzenden. In de huidige samenleving kan men dagelijks geconfronteerd worden
met zeer uiteenlopende en soms ook zeer tegenstrijdige morele boodschappen:
televisiemaatschappijen en filmindustrie hebben ieder hun eigen morele wereld
geschapen waarin goed en kwaad, onschuld en geweld bijna niet meer van elkaar
zijn te onderscheiden; religieuze sekten doen van zich horen op landdagen waar-
aan veel publiciteit wordt gegeven; rechtbanken doen in het volle licht van de
schijnwerpers uitspraken over wat wel en niet mag in de maatschappij; commis-
sies voor gelijke rechten en organisaties ter bescherming van mensenrechten
doen veelvuldig een appèl op ieders morele sensitiviteit, reclames voor de auto-
industrie gaan hand in hand met de luide boodschappen van milieuorganisaties,
rapzangers brengen hun eigen moraal of anti-moraal onder de aandacht van hun
jonge leeftijdgenoten, mondiale televisiezenders fungeren als gemeenschappe-
lijke nieuwsvoorziening met hun eigen daaraan verbonden morele codes.
Kortom, de bronnen van moraal, van wat als goed en juist wordt ervaren, zijn
polycentrisch geworden. Het kenmerkende van de huidige situatie is dat geen
van deze centra van morele overtuigingen nog een dwingend gezag heeft over
elkaar, noch over de leden van de samenleving als geheel. Al deze leden ‘kiezen’
uit het overstelpende aanbod wat hun goeddunkt. De moraal is geïndividuali-
seerd. Kritiek over en weer op de feitelijke keuze is afwezig of wordt als ‘onge-
past’ afgewezen (Emberley, ibidem).
Met de fragmentering van de moraal is het gezag van moraal als zodanig veran-
derd. Begrippen als gezag, respect, ethiek en geweten worden minder vaak gebe-
zigd en worden nu aangevuld met begrippen als autonomie, eigen keuze en eigen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>   wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                           verantwoordelijkheid. Sterker gezegd: dat nu de discussie wordt gevoerd in
                           termen van waarden en normen, in plaats van te verwijzen naar een aristoteli-
                           sche deugdenethiek of een christelijke moraal, is zelf al een teken aan de wand
                           van een fundamenteel veranderd moreel besef. Immers, het begrip ‘waarden’
                           komt pas als veelgebruikte term op in de loop van de negentiende eeuw, onder
                           andere in de filosofie van Nietzsche. Aan het einde van die eeuw krijgt het begrip
                           ‘waarde’ opeens veel meer maatschappelijk gewicht in de sociologie van Weber
                           en in de economische nutstheorie van de Oostenrijkse school (vgl. De Vries
                           2004; Emberley 1995: 55; Voegelin 1952: 13-22). Deze geleerden voerden de
                           begrippen ‘waarde’ en ‘waardevrijheid’ in om zich af te zetten tegen de norma-
                           tieve christelijke moraal, die in hun ogen een waardevrije wetenschap onmoge-
                           lijk maakte. Over de inhoud van waarden kon en mocht de wetenschapsbeoefe-
                           naar niet oordelen. Dat was een persoonlijke, vaak irrationele keuze die zich
                           verder niet rationeel liet rechtvaardigen. Met deze positivistisch georiënteerde
                           waardevrijheid bracht Weber een enorme relativering teweeg van de bestaande
                           christelijke moraal en die van alle andere wereldgodsdiensten, die hij uitvoerig
                           beschreef, alsook van alle andere morele oordelen. De beslissingen over waarden
                           komen helemaal voor rekening van het individu, zoals Weber dat in 1918 kern-
                           achtig onder woorden bracht: “Men heeft te kiezen tussen religieuze waardig-
28                         heid, die door deze ethiek wordt gebracht, en de mannelijke waardigheid, die iets
                           heel anders predikt, namelijk: ‘Weersta het kwaad, anders ben je medeverant-
                           woordelijk voor zijn overmacht.’ Naar gelang van de definitieve keuze is voor de
                           enkeling het ene een duivels en het andere een goddelijk gebod. De enkeling
                           moet kiezen wat voor hem goddelijk en wat duivels is. Zo gaat het op alle terrei-
                           nen des levens” (Weber 1970: 24).
                           Geen enkel moreel oordeel lijkt zo nog gezag te hebben voor alle leden van een
                           samenleving. Dit besef had Nietzsche er al eerder toe aangezet om te spreken van
                           een Umwertung aller Werte, een radicale subjectivering en relativering van elke
                           publieke moraal, in het bijzonder de christelijke. Het gevoel van morele verwar-
                           ring dat Yeats zo mooi onder woorden bracht is voortgekomen uit de invloed van
                           Nietzsche, uit de opkomst van een waardevrije weberiaanse sociologie en een
                           economisch denken dat afziet van een inhoudelijk waardeoordeel. Alledrie
                           hebben ze sindsdien een nog sterkere invloed gehad op het openbare leven en het
                           publieke denken in de westerse wereld. De subjectivering van een morele keuze
                           lijkt al bijna een grondrecht te zijn geworden en een vanzelfsprekend uitgangs-
                           punt bij elke inrichting van de hedendaagse westerse samenleving.
               1.5         niet voor het eerst en niet alleen in nederl and
               1.5.1       voorganger s uit het recente verleden
                           Een debat over waarden en normen is in zijn expliciete benaming een bijzonder-
                           heid, maar onderwerpen met die strekking spelen in feite permanent tijdens par-
                           lementaire debatten over wetsontwerpen met een morele connotatie – niet alleen
                           bij zedelijkheidswetgeving in strikte zin, maar ook bij uiteenlopende zaken als
</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>                                                                         inleiding en probleemstelling
rechtspleging, de wetgeving met betrekking tot de kansspelen, de filmkeuring,
het bibliotheekwezen, de zondagsheiliging, de geestelijke verzorging, de inrich-
ting van de sociale zekerheid en de verhouding tussen werk en zorg, de begrafe-
nis- en crematiewetgeving en wetgeving over de regeling van het begin en einde
van het leven. Bijna elk wetsontwerp heeft in deze zin een morele component.
Het is dan ook niet verwonderlijk dat in de naoorlogse parlementaire geschiede-
nis enkele voorlopers van het huidige waarden- en normendebat zijn aan te
wijzen. Hierbij gaat het vooral om kwesties waarbij het initiatief voor een moreel
appèl lag bij politici, die uiteraard in nauwe relatie staan tot initiatieven in de
samenleving als geheel. Als het initiatief bij de politiek of bij afzonderlijke poli-
tici ligt, is dat een bijzonderheid, mede vanwege de gevoelige relatie tussen poli-
tiek en moraal en de angst voor een van bovenaf opgelegde staatsmoraal. Initia-
tieven voor een moreel appèl vanuit de samenleving, zoals bijvoorbeeld de
Morele Herbewapening in de jaren vijftig of het kerkelijke streven naar een
Nieuwe Levensstijl in de jaren tachtig (o.a. Goudzwaard en De Lange 1986)
hebben een andere oorsprong en krijgen daardoor ook een andere beoordeling.
In een levendige civil society ontstaan talloze initiatieven van onderop en van
velerlei aard, waarop de politiek zelfstandig kan en mag reageren. Als de politiek
echter het initiatief neemt, krijgt het morele debat een aparte lading. In verschil-                   29
lende perioden van de naoorlogse parlementaire geschiedenis is zo’n initiatief
aanwezig geweest, waarbij opvalt hoezeer elk debat door de maatschappelijke
situatie en historische context werd bepaald. Niet de gelijkenis, maar juist het
contrast met de huidige onderwerpen van het waarden- en normendebat valt op.
De periode 1945-1956 is een van de tijdvakken waarin een debat over de moraal
in brede kring werd gevoerd. In de eerste jaren na de bevrijding werd een breed
gedragen beschavingsoffensief ingezet in reactie op de veronderstelde en
wellicht ook reële ‘zedenverwildering’ en het afgenomen normbesef tijdens de
bezetting, in het bijzonder onder de jeugd. De morele verontrusting strekte zich
niet alleen uit over seksuele normloosheid, maar ook over aberraties als zwarte
handel, gebrek aan arbeidsethos en de positie van maatschappelijk zwakke gezin-
nen. In de tweede helft van de jaren vijftig baarde vooral de rock-’n-rolljeugd
grote zorgen voor de opvoeders en de samenleving als geheel. Tijdens de toen-
malige algemene beschouwingen zijn elementen van al deze onderwerpen ter
sprake gekomen. Het gehele debat speelde zich echter af binnen de gesloten en
vertrouwde gemeenschappen van een verzuilde samenleving, die zelf bijeen
werd gehouden door een gevoel van nationale verbondenheid (Schuyt en
Taverne 2000: hoofdstuk 9 en 15).
Een tweede periode waarin het normen- en waardendebat vanuit de politiek een
belangrijke impuls heeft gekregen is de tweede helft van de jaren zeventig. Het
cda, met name de toenmalige premier Van Agt, blies toen het ethisch reveil in
reactie op het losser worden van het normen- en waardenpatroon in de jaren
zestig en zeventig, een ontwikkeling waar hij als minister van Justitie veelvuldig
en hardhandig mee was geconfronteerd, bijvoorbeeld in de kwestie rond de
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>   wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                           abortuswetgeving. Het normen- en waardendebat in die periode werd als zoda-
                           nig in het parlement gevoerd rond ethische kwesties als euthanasie en abortus,
                           maar er vonden ook principiële debatten plaats in de Tweede Kamer over de
                           rechtvaardiging en de grenzen van burgerlijke ongehoorzaamheid. Men krijgt
                           een evenwichtiger oordeel over de betekenis van het ethisch reveil, als men
                           bedenkt dat andere politieke partijen, vooral de Partij van de Arbeid, in de jaren
                           zestig en zeventig bijzondere nadruk waren gaan leggen op emancipatie, met
                           name van minderheidsgroepen, op persoonlijke seksuele bevrijding en op een
                           meer gelijke verdeling van schaarse goederen in de samenleving. Hoewel deze
                           kwesties niet in de eerste plaats als morele, maar vooral als politieke kwesties
                           werden gezien, behelsden ze natuurlijk wel nadrukkelijk bepaalde nagestreefde
                           morele waarden. Het morele gelijk dat deze partijen nastreefden deed niet onder
                           voor dat van de tegengestelde waarden van het ethisch reveil. Het was een perio-
                           de waarin de zo vaak geroemde Nederlandse tolerantie wederzijds niet hoog in
                           het vaandel stond. In hoeverre het ethisch reveil is overstemd door de grote
                           zorgen om de nadien snel teruglopende economische ontwikkeling in de jaren
                           tachtig, moet aan het historische oordeel worden overgelaten. Een parallel met
                           de huidige discussie is niet denkbeeldig.
30                         Het ethisch reveil dat aan het eind van de jaren zeventig op de kaart werd gezet,
                           is waarschijnlijk de bekendste voorloper van de huidige discussie over waarden
                           en normen. Toch betrof het debat geheel andere onderwerpen dan die nu aan
                           de orde zijn. Van Agt verzette zich tegen een verruiming van de wetten op het
                           gebied van abortus en euthanasie en bepleitte een morele heroriëntatie in dit
                           land. Het ging Van Agt in de eerste plaats om de waarden en de normen die
                           betrekking hebben op het recht om (medische) hulp te verlenen bij het beëin-
                           digen van het leven van anderen als sprake is van ondraaglijk lijden, of om de
                           mogelijkheden om de ontwikkeling van leven voor de geboorte voortijdig af te
                           breken. Zo beschouwd wekt het misschien minder verwondering dat diezelfde
                           Van Agt zich liet ontvallen geen enkel heil te zien in het huidige debat. Zijn
                           oproep destijds was van levensbeschouwelijke en religieuze aard en hij voelde
                           zich als een roepende in de woestijn. Nu echter is volgens Van Agt aan zo onge-
                           veer iedereen wel bekend wat er mis is met de normen en de waarden en moet
                           de overheid gewoon tot handelen overgaan om een einde te maken aan de mis-
                           standen en verloedering. Zoals echter uit het summiere overzicht van de discus-
                           sieonderwerpen eerder bleek, zijn wel meer mensen van mening dat het zonne-
                           klaar is waar de schoen wringt in dit land, ook al lopen die visies flink uiteen.
                           Een ander debat dat is opgenomen in het collectieve geheugen van de politieke
                           discussies in Nederland, is de tweestrijd die ontstond nadat minister Ruding de
                           zogenaamde ‘jansaliementaliteit’ van werklozen had gehekeld (1984). Niet veel
                           later verklaarde de toenmalige premier Lubbers, in een rede aan de Universiteit
                           van Nijmegen in 1990, Nederland ‘ziek’ vanwege het zeer hoge aantal arbeids-
                           ongeschikten. De overstap in politiek taalgebruik, van de morele sfeer naar een
                           medische metafoor, was opvallend, hoewel de suggestie van ‘ziek door eigen
                           schuld’ de morele connotatie niet ontbeerde.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>                                                                      inleiding en probleemstelling
Deze politieke debatten vertoonden evenmin als het vorige veel overeenkomsten
met de huidige discussie. Dit korte overzicht laat echter wel zien waar het
momenteel niet om gaat en kan als zodanig behulpzaam zijn bij het bepalen van
de thematische afbakening van de huidige discussie. Er zijn zeer vele onderwer-
pen te noemen die met ‘waarden en normen’ van doen hebben, maar die nu
niet in het centrum van de belangstelling staan. Uitkeringsfraude, arbeidsethos,
abortus en euthanasie lijken voorlopig als morele en politieke twistpunten uitge-
doofd.
Een ander initiatief vanuit de politiek vormde in juni 1992 het voorstel van de
toenmalige minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen Ritzen om
meer aandacht te schenken aan morele waarden in het onderwijs. In de nota De
pedagogische Opdracht van het Onderwijs, een uitnodiging tot gezamenlijke actie
werd geconstateerd dat in het onderwijs het een en ander schortte aan de invul-
ling en vormgeving van de opvoedende functie. De moraal moest in het klas-
lokaal terugkeren. Er werd gevraagd hoe een evenwicht bewaard kon worden
tussen vrijheid en individualiteit: “We zullen vanuit een gemeenschappelijk
onderkend belang bij een samenleving die gedragen wordt door gedeelde
waarden en normen, met elkaar in gesprek moeten raken over die waarden en
normen, over de balans tussen individualiteit en gemeenschappelijkheid”                             31
(Ritzen 1992: 3). De waarden die vervolgens genoemd werden zijn: respect,
rechtvaardigheid, eerlijkheid, verantwoordelijkheidsbesef, gemeenschapszin,
solidariteit, tolerantie. Daarnaast werd het belang van omgangsvormen en
sociale vaardigheden in het onderwijs onderkend. Maar ook dit initiatief kreeg
geen gevolg; de aandacht voor de pedagogische functie verslapte, mogelijkerwijs
mede omdat niet goed kon worden aangegeven hoe in de dagelijkse praktijk van
het onderwijs aan de morele dimensie vorm kon worden gegeven.
Veel dichter in de buurt van de zaken die nu nog hoog worden opgespeeld komen
debatten over individualisering, gemeenschapszin en moraal (1995) en het debat
over sociale cohesie (1997). IJkpunten voor het eerste zijn de herdenkingsrede
van koningin Beatrix naar aanleiding van de vijftigste verjaardag van de bevrij-
ding, de publicatie van een artikel van Etzioni in de Volkskrant (‘Wij zijn de stem
van de moraal kwijtgeraakt’) en het rapport van de Teldersstichting Tussen vrij-
blijvendheid en paternalisme. Bespiegelingen over communitarisme, liberalisme en
individualisering (1995). Het onderwerp sociale cohesie brengt het gevoel onder
woorden dat de moderne samenleving onder invloed van een combinatie van
grootschalige commerciële belangen van massaproductie en -consumptie en
gelijktijdige sociale individualisering haar vertrouwde samenhang aan het verlie-
zen is. Het sluit aan bij de al langdurig aanwezige angst voor het uiteenvallen van
de samenleving in een zeer grote hoeveelheid kleine eilandjes, individuen, die
van elkaar niet weten en ook niet hoeven te weten wat ze doen. Vertrouwde
kaders als werk, kerk, vakbond en vereniging vallen hierbij in het niet, hetgeen
vertaald kan worden als een moreel verlies of zelfs verval. Indien hierbij tegelij-
kertijd de invloed van de media in het vertonen van extreme gedragingen en
extravagante opvattingen, bekentenissen en zelfonthullingen (‘de Jerry Springer
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>   wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                           Show en andere programma’s van de vermaakindustrie’) wordt opgeteld, dan is
                           een morele verontrusting over de aard en de beleving van ‘waarden en normen’
                           in onze samenleving niet erg verwonderlijk meer. De uitroepen ‘Wat is er toch
                           aan de hand?’ en ‘Waar gaat het naar toe?’ vullen de huiskamers, waar vaak in
                           sociale afzondering naar dergelijke programma’s wordt gekeken.
                           In de debatten over sociale cohesie wordt een spanning geconstateerd tussen de
                           gevolgen van individualisering en het ontstaan van een ‘ik-tijdperk’ (Wolfe,
                           1976) enerzijds en de blijvende behoefte aan maatschappelijke verbanden, sociale
                           bindingen en gemeenschappelijkheid anderzijds. De uitingen van verminderde
                           sociale binding aan publieke belangen vinden natuurlijk niet uitsluitend plaats
                           aan de onderkant van de samenleving. Aan de top van het internationale
                           bedrijfsleven is eveneens een cultuur te constateren van ‘eigen belang eerst’. Het
                           gedrag van bestuurders van sommige grote ondernemingen (o.a. World Online,
                           Enron) heeft grote schade toegebracht, niet alleen aan de belangen van kleine
                           beleggers, maar minstens net zozeer aan het besef van morele binding aan de rest
                           van de samenleving. Door deze vormen van ‘normoverschrijdend gedrag’ aan de
                           bovenkant van de samenleving is een discussie op gang gekomen over de maat-
                           schappelijke voorbeeldwerking van dergelijke topfiguren en over de beperkingen
32                         die in hun gedrag zouden kunnen worden aangebracht. Er blijft een spanning
                           tussen de ongeremde uitoefening van vrijheid en autonomie en de binding aan
                           een grotere gemeenschap, tussen ‘ik’ en ‘wij’. Deze spanning is typisch voor een
                           moderne westerse samenleving en vormt hiermee een van de diepere drijfveren
                           voor politiek en samenleving om aandacht te schenken aan waarden en normen
                           die een samenleving bij elkaar kunnen houden.
               1.5.2       de discussie in het buitenl and
                           De vraag of het Nederlandse waarden- en normendebat uniek is te noemen, is
                           eenvoudig met ‘nee’ te beantwoorden. Ook in andere landen staat de morele
                           staat van de natie regelmatig in de publieke en politieke belangstelling en
                           ontstaan debatten over waarden en normen. Die debatten kunnen vele vormen
                           aannemen zoals dat in Nederland over de jaren heen ook is gebeurd. Sommige
                           debatten zijn daarbij hardnekkiger dan andere en in een enkel geval leidt een
                           debat over waarden en normen tot overheidsbemoeienis, of wordt het thema
                           door een regering tot speerpunt verheven. De hoofdthema’s van het huidige
                           Nederlandse debat in termen van ‘normhandhaving, normoverschrijdend gedrag
                           en praktische fatsoensnormen in de openbare ruimte’ en in termen van ‘integra-
                           tie en islam’ zijn echter ook elders in Europa terug te vinden.
                           Het probleem van normhandhaving is de breedte van het onderwerp. Nagenoeg
                           al het normoverschrijdend gedrag is onder deze noemer te vangen. Een mogelijk
                           gevaar daarvan is dat het debat over alles gaat en uiteindelijk op niets uitloopt.
                           Dat dit geen denkbeeldig gevaar is, bewijzen de ervaringen van de Noorse
                           commissie voor Menselijke Waarden, het model dat premier Balkenende
                           oorspronkelijk wilde gebruiken voor een Nederlandse commissie voor waarden
</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>                                                                      inleiding en probleemstelling
en normen. Deze commissie, die in 1998 door de toenmalige christen-democra-
tische premier Bondevik werd geïnstalleerd, kreeg een zeer breed mandaat en
werd uitzonderlijk breed en ‘representatief’ samengesteld. Het mandaat van de
commissie was nagenoeg alomvattend: “The main goal of the Commission on
Human Values is to contribute to a broad mobilization for human values and
socio-ethics, in order to enhance positive joint values, and strengthen the
responsibility for the environment and community. It is important to work
against indifference, and promote personal responsibility, participation and
democracy”(http://www.verdikommisjonen.no/goals_strategy_projects.htm).
De commissie zelf werd bovendien bont samengesteld en gepresenteerd als een
‘dwarsdoorsnede’ van de bevolking. Naast de onvermijdelijke professoren bete-
kende dit het lidmaatschap van een boer, een fabrieksarbeider, een ‘artiest’ en een
leerling van ‘Vietnamese afkomst’. Ook was er een voetbalsupporter vertegen-
woordigd die uiteindelijk concludeerde dat de commissie zichzelf te serieus was
gaan nemen en niet meer het debat stimuleerde, maar mensen voor wilde schrij-
ven hoe ze moeten leven (NRC 2002). De commissie heeft de wind eigenlijk vanaf
de eerste dag tegen gehad en ontmoette hoofdzakelijk kritiek en hoon. Het eind-
rapport dat na drie jaar studie werd aangeboden aan een nieuwe, sociaal-demo-
cratische regering omvatte aanbevelingen op bijna elk denkbaar terrein, varië-                      33
rend van de maximumsnelheid, het milieu en immigratie tot de hoogte van het
bedrag dat aan ontwikkelingssamenwerking besteed dient te worden (Reforma-
torisch Dagblad 2001).
In 1993 gaf Major, toen premier van Groot-Brittannië, tijdens een partijbijeen-
komst van de Conservatieven in Blackpool de aftrap voor wat bekend werd als
de back to basics-campagne (The Guardian 1993). De centrale gedachte van
deze campagne verwoordde hij als volgt: “It is time to get back to basics: to self-
discipline and respect for the law, to consideration for others, to accepting
responsibility for yourself and your family, and not shuffling it off on the state.”
Traditionele waarden waren volgens de premier weggevallen of als gedateerd
gebrandmerkt en opzijgeschoven, een proces dat slechts verval had opgeleverd
en moest worden gestopt. Het was tijd om terug te keren naar ‘the old values of
neighbourliness, decency and courtesy’. De back to basics-campagne werd echter
niets minder dan een boemerang voor de Conservatieve Partij. De pers greep de
hoge toon van moraliteit in de speech aan om diep te graven in het privé-leven
van leden van het kabinet en de Conservatieve Partij en diepte vele seks- en
omkopingsschandalen op, die de betrokkenen in de regel politiek gezien de kop
kostten (Daily Telegraph 2002). Door deze negatieve gevolgen voor de regering
werd de campagne het toonbeeld van mislukking en kregen morele campagnes
een bijsmaak in de Britse politiek. De poging van Labourpremier Tony Blair om
in 1999 een campagne te starten ‘to create a new moral purpose in Britain’ werd
door een groot deel van zijn achterban met afgrijzen ontvangen. De titel van een
artikel in The Guardian over de reactie in de Labourpartij spreekt wat dat betreft
boekdelen: “Blair revives back to basics angst” (The Guardian 1999). Dit school-
voorbeeld van een mislukte campagne voor het herstel van waarden en normen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre>   wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                           stortte definitief in elkaar toen in 2002 werd onthuld dat Major zelf een affaire
                           had gehad. Een oproep vanuit de regering aan de bevolking tot een herstel van
                           waarden en normen loopt een permanent risico van hypocrisie, saying the one
                           while doing the other. Geconstateerde hypocrisie is een van de sterkste ondermij-
                           ningen van het vertrouwen in en het gezag van politici.
                           In Frankrijk en Duitsland zijn er op regeringsniveau geen initiatieven genomen
                           voor een nieuw moreel beschavingsoffensief, maar komt het overheidsbeleid op
                           specifieke punten toch zeer overeen met dat in Nederland. Veiligheid en crimi-
                           naliteit, vooral in de grote steden in Frankrijk, vormen een overheersend thema,
                           dat vergelijkbare discussie heeft opgeroepen over tolérance zéro. Verloedering
                           van grotestadsbuurten wordt door Franse criminologen in relatie gebracht
                           met de toename van kleine en grote criminaliteit. Roché gebruikt hiervoor de
                           overkoepelende term incivilités, hetgeen neerkomt op het ergerlijke en onbe-
                           schaafde gedrag in de Nederlandse discussie over waarden en normen (cdv,
                           december 2002). De Franse onderzoekster Bui Trong ziet slordigheid in het
                           omgaan met de publieke ruimte, het op straat laten liggen van rotzooi en het
                           stichten van kleine brandjes als voorliggende stadia van ernstigere vormen van
                           publiek geweld (Bui Trong 2000).
34
                           De Duitse discussie spitst zich toe op weer een ander bekend onderwerp in de
                           waarden- en normendiscussie, namelijk de orde en tucht op scholen en hoffe-
                           lijkheid en discipline in het onderwijs. Hoewel een vergelijking van onderwijs-
                           regimes tussen Europese schoolsystemen aan het licht brengt dat qua orde en
                           ordelijkheid het Nederlandse systeem verreweg de meeste vrijheid laat aan leer-
                           lingen en leerkrachten (Jippes 2003) en het Duitse systeem nog als zeer degelijk
                           wordt beschreven, wijzen de klachten in Duitsland over de ordelijkheid op scho-
                           len in dezelfde richting als in ons land: een heimwee naar oude waarden. Volgens
                           een overgrote meerderheid van de Duitse bevolking, waaronder ook alle jonge-
                           ren, moeten waarden als hoffelijkheid, orde en netheid in het dagelijkse leven
                           weer terugkeren. Kledingvoorschriften op school, liefst in schooluniform, met
                           een verbod op blote buiken, worden door ongeveer de helft op prijs gesteld,
                           evenals het opnieuw invoeren van cijfers voor ‘gedrag en vlijt’, zoals vroeger. De
                           rapportage hierover met enquêtegegevens in Der Spiegel, wordt echter onderbro-
                           ken door de gebruikelijke commerciële boodschappen, zeer sexy ingericht en
                           mét blote buik (Der Spiegel 2003, 28: 124-137). De fragmentatie van en tegenstrij-
                           digheid in de morele boodschappen zetten zich dus ook voort in de mediabe-
                           langstelling voor waarden en normen.
                           Het tweede hoofdthema van het huidige waarden- en normendebat is de integra-
                           tieproblematiek, de positie van immigranten en de rol van de islam. Dit raakt
                           nauw aan de algemene, reeds gevoerde integratiediscussie, die op zijn beurt
                           sinds de aanslagen van 11 september 2001 steeds meer in het licht van de islam is
                           komen te staan. De integratiediscussie zoals die in Nederland wordt gevoerd,
                           kenmerkt zich door een grote nadruk op (vermeende) cultuurverschillen en de
                           vraag of en in hoeverre immigranten zich in culturele zin moeten aanpassen aan
</pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 37 ======================================================================

<pre>                                                                       inleiding en probleemstelling
Nederlandse waarden en normen. Dit roept automatisch de vraag op wat die
Nederlandse waarden en normen waaraan immigranten zich aan moeten passen,
eigenlijk zijn. Zo is het debat over integratie en multiculturaliteit ook in zekere
mate een debat over de onderscheidende kenmerken van de Nederlandse natio-
nale identiteit geworden. Dit debat is zeker geen exclusief Nederlands verschijn-
sel. In heel Europa spelen – vaak al langere tijd – varianten van dit debat met als
belangrijkste element de plaats van de islam, de nationale identiteit, het vraag-
stuk van culturele aanpassing en minimaal gedeelde waarden tussen immigrant
en land van vestiging.
De verhouding tussen moslims en de landen van vestiging is in verschillende
landen al aanleiding geweest voor verhitte debatten. Zo lokte de fatwa tegen
Salman Rushdie in heel Europa heftige reacties uit, enerzijds bij gelovige
moslims, anderzijds bij verlichte kunstenaars en politici, in het bijzonder in het
Verenigd Koninkrijk. De onrusten en de publieke boekverbrandingen in steden
als Bradford brachten een schok teweeg in de Britse samenleving en waren
aanleiding tot een debat over de grenzen van het Britse multiculturalisme en de
vraag wat de “Britse gewoonten en tradities die elke minderheidsgroep dient te
respecteren” eigenlijk zijn (Broeders 2001). Ook de kwesties rondom het dragen
van hoofddoekjes zijn bepaald geen nieuw verschijnsel in Europa. In Frankrijk                        35
werd in 1989 al een publieke strijd gevoerd tussen de neutrale Franse staat en het
openlijk belijden van het moslimgeloof door middel van het dragen van een
hoofddoekje op school in wat bekend is geworden als l’affaire foulard. Deze
affaire werd uiteindelijk met een compromis afgehandeld – toenmalig minister
van Onderwijs Jospin stond het dragen van hoofddoekjes toe zolang de draag-
sters ‘geen bekeerlingen trachten te maken of anderszins de les verstoorden’ –
maar liet bij het Franse publiek een gevoel van onbehagen achter over de verhou-
ding tussen de islam en ‘de ondeelbare republiek’ (Feldblum 1999; Schnapper et
al. 2000). In Noorwegen kwam het debat over integratie gaandeweg ook steeds
meer in het licht van (afwijkende) cultuur en de onverenigbaarheid ervan met de
Noorse cultuur te staan. De voornaamste steen des aanstoots was hier de positie
van vrouwen binnen bepaalde migrantengroeperingen. Zaken als gearrangeerde
huwelijken vallen slecht in een land dat zich voor laat staan op gender-gelijkheid
als een centrale waarde en zorgen voor heftige politieke debatten (Hagelund
2002).
In de afgelopen jaren zijn de debatten over integratie in veel landen steeds meer
en openlijker debatten geworden over nationale identiteit en de mate waarin
immigranten zich daaraan moeten aanpassen. Geconfronteerd met afwijkende
en soms zeer uitgesproken minderheidsculturen en de angst voor het ontstaan
van een etnische onderklasse is culturele aanpassing weer in beeld gekomen en
heeft het multiculturele model afgedaan (Joppke 2003). Bovendien zijn in veel
landen naar aanleiding van het integratievraagstuk stevige debatten ontstaan
over de nationaliteitswetgeving. Strijdpunten waren onder andere de vraag hoe
inclusief of exclusief het nationaliteitsrecht moet zijn en hoe ‘aangepast’ immi-
granten moeten zijn om ervoor in aanmerking te komen (Hansen en Weil 2001).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 37 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 38 ======================================================================

<pre>   wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                           Het meest uitgesproken voorbeeld van een campagne rondom identiteit was die
                           van de Duitse cdu onder de vlag van de Leitkultur. Migranten moesten zich bij
                           de integratie in de Duitse samenleving richten op deze Leitkultur en zich aanpas-
                           sen aan de centrale waarden en normen die daaronder vielen. Pogingen om de
                           Leitkultur te omschrijven zijn echter zeldzaam en komen vaak niet verder dan
                           centrale waarden die veelal breder zijn dan alleen de Duitse samenleving, zoals
                           constitutionele normen, vrouwengelijkheid en de taal. In veel Europese landen
                           heeft zich eenzelfde ontwikkeling voorgedaan, waarbij enerzijds meer culturele
                           aanpassing van immigranten wordt verwacht en anderzijds de politiek moeite
                           heeft om aan te geven wat de culturele standaarden waaraan men zich aan dient
                           te passen precies omvatten. Ook de Britse overheid acht het noodzakelijk dat
                           immigranten een ‘sense of belonging and identity’ hebben met de Britse samen-
                           leving en legt in haar laatste white paper sterke nadruk op burgerschap en natio-
                           naliteit. Maar in de beschrijving van wat de fundamentele beginselen van het
                           Britse burgerschap behelzen, somt de white paper een belangrijk, maar weinig
                           specifiek Brits rijtje op: “that we respect human rights and freedoms, uphold
                           democratic values, observe laws faithfully and fulfill our duties and obligations”
                           (geciteerd in Joppke 2003). Met andere woorden: in de meeste Europese landen
                           wordt de vraag wat de specifieke kernwaarden van de samenleving zijn van een
36                         antwoord voorzien, namelijk dat dit de basisspelregels zijn van de democratische
                           rechtsstaat.
                           Een onderdeel van de discussie over een multiculturele samenleving is steevast
                           een pleidooi voor een vaste plaats voor civic education in alle lagen van het
                           onderwijs. Deze discussie is vooral opgebloeid in landen als de Verenigde Staten
                           en Canada, waar de diversiteit van de bevolking enorm groot is en waar
                           inheemse groepen, taalgroepen, immigrantengroepen en etnische minderheids-
                           groepen allemaal een erkende plaats willen krijgen in het onderwijs en in de
                           samenleving als geheel. Canada is nu een interessant laboratorium geworden van
                           een moderne multiculturele samenleving.
                           Door de grote verscheidenheid echter in particuliere en openbare scholen in
                           beide landen, spitste de discussie zich vooral toe op de vraag of en hoe de over-
                           heid hier een verplichting kan opleggen aan de particuliere, niet-gesubsidieerde
                           scholen (Macedo 2000). Vaak worden de tekorten in moreel gedrag die in de
                           maatschappij worden ondervonden, bestreden door een groot beroep te doen op
                           het onderwijs om tenminste voor de toekomst en tenminste voor de jongere
                           leden van de samenleving deze tekorten te verminderen. De scholen zelf voelen
                           vaak minder voor deze extra taken, mede gevoed vanuit de onzekerheid dat men
                           niet goed weet hóe men deze waarden dan al zo vroeg in het onderwijs moet
                           bijbrengen. Ook de scepsis dat hiermee de verantwoordelijkheid voor morele
                           opvoeding wel erg sterk alleen bij de scholen komt te liggen en niet waar die in
                           eerste instantie thuishoort, bij de ouders en evenzeer bij de rest van de samen-
                           leving, verklaart de terughoudendheid van scholen voor deze opdracht. De civic
                           education in Noord-Amerika kan ondanks deze aarzelingen niettemin bogen op
                           een lange traditie. Er bestaat reeds vanaf begin van de jaren zeventig een sterke
</pre>

====================================================================== Einde pagina 38 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 39 ======================================================================

<pre>                                                                         inleiding en probleemstelling
    aandacht en aparte organisaties voor Values Education (Emberley 1995).
    Oorspronkelijk bedoeld als een moreel tegenwicht tegen een overheersende
    technische cultuur hebben ze zich ontwikkeld tot een expertisecentrum voor de
    wijze van overdracht van waarden en normen in het onderwijs. Verschillende
    modellen zijn hiervoor ontwikkeld (Emberley 1995). Opvoeding tot waardebele-
    ving wordt dus al heel lang als specifiek onderwerp bestudeerd. Er bestaat sinds
    1969 een apart Center for Value Inquiry, met een eigen tijdschrift, het Journal of
    Value Inquiry, en met werkelijk talloze publicaties over verschillende aspecten
    van het onderzoek naar waarden (Hull 1994). Het ontbreekt niet aan kennis en
    wetenschappelijke discussie over het onderwerp, maar tussen weten en doen
    ligt een kloof die wellicht het moeilijkst te vatten onderdeel vormt van de
    huidige problematiek van waarden en normen.
1.6 de opbouw van het r apport
    Dit rapport is als volgt opgebouwd. Het begint met een begripsmatige verken-
    ning van de uiterst algemene en dus lastige begrippen ‘waarden’ en ‘normen’.
    Zonder enige nadere omschrijving van termen en begrippen en van de context
    waarin deze begrippen een belangrijke rol spelen, is een bijdrage aan de discussie
    over waarden en normen nagenoeg onmogelijk. Hier wordt ook het onderscheid                         37
    uitgewerkt tussen onprettig en onwettig gedrag, met andere woorden tussen de
    overschrijdingen van sociale normen en van wettelijke normen. In hoofdstuk 2
    wordt een verkenning van dien aard geboden, die vanwege de uitgebreidheid van
    de twee sleutelbegrippen toch niet uitputtend kan zijn.
    De hoofdstukken 3 en 4 vormen samen het materiaal dat aangedragen wordt om
    het eerste hoofdthema van dit rapport, de problematiek van fatsoensnormen en
    andere vormen van normoverschrijdend gedrag, te analyseren en te beoordelen.
    In hoofdstuk 3 wordt een overzicht geboden van de thans op basis van bevol-
    kingsonderzoeken bekende gegevens, waaronder materiaal dat is verzameld door
    het scp over de (verbale) steun die de bevolking geeft aan centrale waarden en
    normen. De relatie tussen de uit de enquêtes blijkende steun en het gedrag wordt
    daarin ook aan de orde gesteld. Daarna volgt in hoofdstuk 4 een overzicht van de
    beschikbare kennis van de vele vormen van normoverschrijdend gedrag. Dit
    hoofdstuk biedt een analyse van vormen van normoverschrijdend gedrag, hier
    slechts in negatieve zin opgevat. Al het normoverschrijdend gedrag waarmee
    mensen meer doen dan van hen gevraagd wordt en waar een positieve werking
    van uitgaat voor de gehele samenleving – een meestal verwaarloosd onderdeel
    van de discussie over waarden en normen – wordt hier weggelaten. Er zijn
    nauwelijks systematische gegevens over deze vormen van gedrag verzameld,
    zodat men wel heel erg zou moeten steunen op spectaculaire voorbeelden en ad-
    hocsituaties. Het hoofdstuk bevat hoofdzakelijk een overzicht van wat nu vanuit
    wetenschappelijk onderzoek bekend is over de vele vormen van negatief norm-
    overschrijdend gedrag. Het gaat derhalve vooral over die zaken waar veel burgers
    zich zorgen over maken: kleine en grote criminaliteit, buurtoverlast, onveilig-
    heidsgevoelens, straatgeweld en dergelijke. Ook gedrag in het verkeer en in het
</pre>

====================================================================== Einde pagina 39 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 40 ======================================================================

<pre>   wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                           openbaar vervoer wordt behandeld. In het algemeen gaat het vooral om gedrag in
                           de publieke sfeer. De conclusie van dit hoofdstuk is dat er wel degelijk zorgelijke
                           ontwikkelingen zijn waar te nemen als het gaat om daadwerkelijk gedrag. De
                           relatie met waarden is hier complex en kan meestal niet meer rechtstreeks
                           worden gelegd. De oplossing van dergelijke gedragsproblemen moet dan ook
                           niet gezocht worden in de sfeer van het aansporen om ‘waarden’ in abstracte zin
                           meer te eerbiedigen, maar juist in een betere controle op eenvoudige regels en op
                           feitelijk gedrag en in een consistentere handhaving van normen door tal van
                           maatschappelijke instituties, waaronder politie en justitie. Ten slotte biedt het
                           hoofdstuk tevens een analyse van de sociale mechanismen, zoals de verminderde
                           bereidheid om zich aan regels en wetten te houden, die het gevolg kunnen zijn
                           van verminderde sociale controle.
                           Het tweede hoofdthema, de gemeenschappelijkheid en pluriformiteit in waar-
                           den, komt in de volgende twee hoofdstukken aan de orde. Hoofdstuk 5 gaat over
                           de waarden en normen die als gemeenschappelijk en als bindend kunnen worden
                           beschouwd. Een van de meest kenmerkende eigenschappen van moderne demo-
                           cratieën is echter dat zij stelselmatig ruimte bieden voor een grote pluriformiteit
                           van opvattingen en waarderingen. Deze ruimte voor pluriformiteit veronderstelt
38                         echter wel de bereidheid om voorspelbare conflicten over waarden en normen
                           op een vreedzame, al of niet juridische, wijze te beslechten. De grondwet en de
                           beginselen van de rechtsstaat garanderen die ruimte voor diversiteit en plurifor-
                           miteit én bieden tevens de mogelijkheden tot dergelijke conflictbeslechting.
                           Dit leidt tot het enigszins paradoxale inzicht dat het garanderen van deze pluri-
                           formiteit tegelijk een van de meest gemeenschappelijke waarden is die onze
                           samenleving bijeenhoudt. De rol die het recht en de bescherming van grondrech-
                           ten daarbij spelen, komt eveneens aan de orde in hoofdstuk 5.
                           In hoofdstuk 6 staan cultuurverschillen en het samenleven met verschillende
                           culturele normen centraal. Er wordt een overzicht geboden van de discussies die
                           gevoerd zijn over integratie van nieuwkomers en over de mogelijkheden en gren-
                           zen om tot integratie en aanpassing te komen. Niet alle gedragingen die door een
                           groot deel van de bevolking als vreemd of afkeurenswaardig worden beschouwd,
                           kunnen of moeten te vuur en te zwaard bestreden worden, conform de ruimte
                           voor pluriformiteit. Aan de hand van vele gedragsvoorbeelden en conflictsitua-
                           ties wordt voorgesteld de ingewikkelde thematiek op een gedifferentieerde wijze
                           tegemoet te treden. Drie strategieën worden ontwikkeld: 1) het instandhouden
                           van een zone van gelatenheid en tolerantie, waar het om niet-principiële
                           cultuurverschillen gaat; 2) confronteren waar het wel principiële verschillen
                           betreft, maar waar deze verschillen in gedrag en waardebeleving niet ‘met het
                           zwaard’ of van hogerhand kunnen ongedaan worden gemaakt; 3) verbieden van
                           die gedragingen die de integriteit van personen in gevaar brengen en die in strijd
                           zijn met de uitgangspunten van de rechtsstaat en de democratische samenleving.
                           Hierbij wordt ook gewezen op de mogelijkheden en grenzen van een fundamen-
                           talistische geloofsopvatting.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 40 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 41 ======================================================================

<pre>                                                                     inleiding en probleemstelling
Hoofdstuk 7 en 8 geven aan wat de overheid en de samenleving als geheel nu al
doen en eventueel meer zouden kunnen doen aan de overdracht en het onder-
houd van waarden en normen. In hoofdstuk 7 ligt het accent op een beschrijving
van enkele institutionele mechanismen die in de verschillende sectoren van de
samenleving aanwezig zijn en die het onderhouden van een bepaalde waarde-
volle levenswijze versterken of juist verhinderen. Het onderhoud van waarden
en normen is niet uitsluitend een taak van de overheid. Integendeel, uit de
analyse van dit rapport wordt duidelijk dat waarden en normen in de samenle-
ving ontstaan en daar ook worden overgedragen en onderhouden. Instituties en
organisaties hebben allemaal een eigen waardevolle en waardengeoriënteerde
taak, en de samenleving als geheel floreert en functioneert beter wanneer die
primaire taken door organisaties nauwgezet worden uitgevoerd. Het opleggen
van waarden en normen van bovenaf, met name door een centrale overheid,
komt niet alleen in strijd met enkele basiswaarden van de democratische samen-
leving, maar is ook niet erg effectief. We raden derhalve een algemeen beleid van
de overheid op het gebied van waarden en normen af. Wat daarentegen wel
nodig en urgent is, zijn de specifieke taken op het gebied van directe normhand-
having en het tegengaan van die normoverschrijdingen die het grootste deel van
de overlast en ellende voor de samenleving opleveren. Als de overheid haar
primaire taak in dit opzicht vervult, kan al heel veel ergernis worden weggeno-                    39
men.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 41 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 42 ======================================================================

<pre>   wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
40
</pre>

====================================================================== Einde pagina 42 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 43 ======================================================================

<pre>                een verkenning van de begrippen ‘waarden’ en ‘normen’ en de problemen die hiermee samenhangen
2   een verkenning van de begrippen
    ‘waarden’ en ‘normen’ en de problemen
    die hiermee samenhangen
2.1 zijn waarden definieerbaar?
    Het geven van een definitie van waarden is een bijna onbegonnen zaak. Er zijn
    wel honderden definities in omloop. Een van de redenen van de moeilijkheid
    om tot een heldere begripsmatige afbakening van het begrip ‘waarde’ te komen
    is de relatie tussen het zelfstandige naamwoord waarde en het actieve werk-
    woord waarderen. Alles wat gewaardeerd wordt door mensen krijgt waarde. Dit
    kunnen voorwerpen zijn, situaties, landschappen, bijzondere ervaringen, rela-
    ties met andere mensen of abstracte systemen zoals de democratie. Omdat het
    object van waardering niet bij voorbaat inhoudelijk bepaald hoeft te zijn, is het
    aantal daarvan afgeleide inhoudelijke waarden in principe onuitputtelijk. Pepper
    is zich hiervan ten volle bewust en geeft daarom in zijn studie The Sources of
    Value (1959) een omschrijving van waarden in de breedste zin: “anything good or
    bad…” Hij somt vervolgens op: wensen en noden; alles wat plezier geeft en pijn                            41
    vermijdt; voorkeuren, nut en middelen die doelen helpen bereiken; integratie,
    vitaliteit, zelfverwerkelijking; gezondheid, overleven, evolutionaire fitness,
    aanpassing; individuele vrijheid, sociale solidariteit, wets- en plichtsbetrachting;
    gewetensvolheid, deugden, idealen en normen; vooruitgang, oprechtheid,
    schoonheid, waarheid, werkelijkheidszin (Pepper 1959: 7).
    Waarden kunnen dus vele vormen aannemen: voorkeuren en individuele
    smaken, maar ook het voorzien in basisnoden van mensen, de condities waaron-
    der mensen floreren, de belangen waar men voor opkomt of de verlangens die
    men nastreeft. Door de veelheid van mogelijke verschijnselen die van waarde
    worden geacht, eindigt een abstracte discussie over waarden vaak in een ondoor-
    zichtige mist. De kans dat men langs elkaar heen praat, omdat iedere gespreks-
    partner een ander waardevol verschijnsel op het oog heeft, blijft levensgroot.
    Waar het om gaat is, in de woorden van Pepper, “how to bring order and clarity
    into this apparently heterogeneous mass of subject matter” om daarmee enige
    greep te krijgen op de processen van waardetoekenning en waarderingen.
    De moraalfilosofie en de ethiek zijn van oudsher de wetenschappen waarin op
    systematische wijze het verschijnsel van waarden en waarderingsprocessen
    worden bestudeerd. Daarin is vooral na de Tweede Wereldoorlog een aparte tak
    ontstaan, Value Theory, die zich speciaal bezighoudt met ‘waarden’ in hun alge-
    meenheid (axiologie), maar ook met praktische zaken als het analyseren van
    morele dilemma’s, stadia van morele ontwikkeling en met value education
    (Emberley 1995). Maar binnen deze waardeleer zijn er tegelijkertijd talloze
    waardetheorieën ontwikkeld, die onderling net zo verschillen als de waarden op
    zichzelf. Zo legt een utilistische waardetheorie een sterke, bijna uitsluitende
</pre>

====================================================================== Einde pagina 43 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 44 ======================================================================

<pre>   wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                           nadruk op het nastreven van plezier en het vermijden van pijn. Een waarde is
                           dan al hetgeen ten dienste staat van iemands pleasure of wat displeasure tegen-
                           gaat: goed voedsel, geld, een mooi uitzicht, het verhinderen van pijn en lijden
                           (Creel 2001:153).
                           Voor anderen daarentegen is deze verankering van waarden in individuele voor-
                           keuren en nuttigheden te oppervlakkig. Het gaat om het verschil tussen spon-
                           tane, momentane voorkeuren en langdurige en stabiele voorkeuren, die pas na
                           enige reflectie op de gronden en gevolgen van de spontane voorkeuren totstand-
                           komen. Hieraan correspondeert het verschil tussen ‘smaak’ en ‘waarde’. Smaken
                           verschillen en over smaak valt, spreekwoordelijk, niet te twisten. De relativiteit
                           van voorkeuren (‘Is koek lekkerder dan kaas?’) wordt algemeen aanvaard. Bij
                           waarden is dit minder het geval, ze lijken een objectievere, althans een meer
                           intersubjectieve basis te bezitten. Het verschil tussen smaak en waarde wordt in
                           discussies over waarden en normen vaak vergeten, mede door een lange utilita-
                           ristische traditie waarin het onderscheid tussen smaak en waarde of tussen objec-
                           tieve noden en subjectieve wensen niet wordt gemaakt. Alle voorkeuren hebben
                           in deze theorie een subjectieve oorsprong en er is geen mogelijkheid om tussen
                           deze voorkeuren een objectief oordeel te vellen. Het onderscheid tussen smaak en
42                         waarde kan leiden tot twee totaal verschillende benaderingen van waarden en
                           derhalve ook van ethiek en moraal. Het ‘smaakmodel’ heeft als uitgangspunt: iets
                           is waardevol omdat ernaar wordt verlangd. Het tegenovergestelde ‘waardemodel’
                           stelt: iets wordt verlangd ómdat het waardevol is (Griffin 1997: 19-29).
                           Deze twee verschillende benaderingen laten een lang spoor na in de geschiedenis
                           van ethiek en moraal (Hume versus Kant), maar zijn ook praktisch te herkennen
                           in de huidige waarden- en normendiscussie. Immers, als te weinig rekening
                           wordt gehouden met het onderscheid tussen smaak en waarde, tussen willekeu-
                           rige en gereflecteerde voorkeuren, als alles of elke smaakvoorkeur een ‘waarde’
                           wordt genoemd, met daarbij de relativerende houding die bij een smaakdiscussie
                           hoort, dan lijkt het erop alsof alle waarden relatief zijn geworden: ik doe wat ík
                           denk dat goed is; daar heb ik niemand anders meer bij nodig – een typische
                           houding in een postmoderne samenleving. Een van de vragen die in dit hoofd-
                           stuk moeten worden opgelost is de verhouding tussen de veelheid van bestaande
                           waarden en het waarderelativisme (zie paragraaf 2.4)
                           Er is een sceptische traditie in de wetenschap, langdurig gevoed door de sterke
                           invloed van het positivisme, die zegt dat het onmogelijk is om evaluatieve maat-
                           staven te vinden voor goed en slecht in de wereld (Mackie 1977) . De wetenschap
                           kan zich slechts bij de feiten houden. Het meest uitgesproken hierover was Ayer
                           in zijn invloedrijke boek uit 1936 Language, Truth and Logic: “Since the expres-
                           sion of a value judgment is not a proposition, the question of truth and falsehood
                           does not arise here” (Ayer 1971: 29). Hieruit volgt voor Ayer en voor veel van zijn
                           volgelingen: “Ethical concepts are pseudoconcepts and consequently indefina-
                           ble” (ibidem: 149-150). Deze angst voor ethisch geladen begrippen heeft ertoe
                           geleid dat het onderwerp ‘waarden en normen’ binnen de sociale wetenschappen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 44 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 45 ======================================================================

<pre>                een verkenning van de begrippen ‘waarden’ en ‘normen’ en de problemen die hiermee samenhangen
    lange tijd zeer is verwaarloosd. Dit heeft weer indirect bijgedragen aan een
    verdere subjectivering van de moraal en een relativerende houding jegens het
    ‘waardevraagstuk’.
    Recentelijk echter is dit positivistische dogma aan het wankelen gebracht en
    wordt er meer werk gemaakt van wetenschappelijk onderzoek naar waarden en
    evaluatieprocessen (Putnam 2002). Zo schrijft de econoom-filosoof Anderson
    laconiek dat het mysterie van ‘goed en slecht’ gemakkelijk kan worden ontraad-
    seld, als we maar (willen) kijken naar wat de gewone alledaagse ervaringen met
    waarden zijn: “We ervaren dingen niet enkel als goed en slecht, maar altijd als
    goed en slecht in bepaalde opzichten, hetgeen een bepaalde reactie bij ons
    oproept. Er is niets mysterieus aan het feit dat een toetje lekker, een grap schitte-
    rend, een voetbalwedstrijd opwindend en een revolutie bevrijdend worden
    genoemd. Zo vinden we iemands complimenten flemerig, een taak zwaar, een
    toespraak saai. Iets als goed ervaren is dus er gunstig door worden gestemd –
    erdoor te worden geïnspireerd, aangetrokken, geïnteresseerd, aangenaam
    verrast, verwonderd” (1995: 1-2, vertaling wrr).
    Ze geeft vervolgens een omschrijving van het waarderingsproces waaruit waar-
    den resulteren: “Iets waarderen is er een samenstel van positieve houdingen                               43
    tegenover hebben, beheerst door afzonderlijk herkenbare maatstaven voor
    perceptie, emotie, overweging, verlangens en gedrag” (ibidem). Ouders zien
    graag dat het goed gaat met hun kinderen en betreuren het wanneer ze schade
    lijden of gewond raken. Dit betekent dat ze rekening houden met hun noden en
    behoeften, hun welzijn serieus nastreven en in hun eigen gedrag mee laten
    tellen, in actie komen, wanneer ze dat nodig vinden om hun zorg concreet te
    maken. Anderson concludeert hieruit dat dit allemaal de ‘waarde’ van ouderlijke
    liefde uitdrukt. Waarden laten zich in de dagelijkse praktijk van menselijk gedrag
    wel degelijk waarnemen en beschrijven. Niet het bestaan van waarden, maar hun
    onoverzichtelijke hoeveelheid en onderlinge verhoudingen vormen het moei-
    lijkste bestanddeel van een houdbare en bruikbare waardeleer.
2.2 de pr aktische benadering van rescher
    De Amerikaanse filosoof Rescher doet in zijn klassieke studie Introduction to
    Value Theory (1969) geen poging om het begrip waarden te omschrijven. Hij
    vraagt zich slechts af: hoe worden waarden zichtbaar in het dagelijkse leven?
    Deze vraag is wel te beantwoorden: “Waarden weerspiegelen zich in recht-
    vaardigingen van en in aanbevelingen voor gedragingen” (1969: 3). Hij wijst op
    het januskopkarakter van waarden, waarmee hij bedoelt dat het steeds gaat over
    twee aspecten van waarden, namelijk verbal behavior en overt action.
    a Zeg-gedrag (rechtvaardiging van handelingen, aansporingen tot dat handelen
        en inner discourse, inwendige beraadslaging over welke koers van handelen
        gevolgd zal/moet worden).
    b Doe-gedrag (acting in accordance with the value, promoting adoption by
        others).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 45 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 46 ======================================================================

<pre>   wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                           De relatie tussen zeg-gedrag en doe-gedrag is altijd problematisch vanwege:
                           • het gevaar van hypocrisie (saying the one, while doing the other); lippendienst
                                 bewijzen aan de waarde, maar er niet naar handelen; dit leidt tot de ondermij-
                                 ning van vertrouwen, vooral het vertrouwen in gezagsdragers (Matza 1969);
                           • conformiteit in gedrag zonder dat men in de waarde zelf gelooft; dit is het
                                 probleem van de openlijke conformist, die de waarde eventueel geheel
                                 verwerpt als hij/zij de kans krijgt, maar zich wel naar de opgelegde regels
                                 gedraagt;
                           • er zijn altijd meer invloeden op het gedrag dan waarden; men onderschrijft
                                 de waarde, maar leeft er niet naar; dit is het omgekeerde gedrag van dat van de
                                 conformist;
                           • de abstractiegraad van waarden; er zijn vele afleidingen te maken van
                                 waarden in concrete omstandigheden; waarden zijn niet gedragsspecifiek;
                           • de contextafhankelijkheid van waarden en gedrag.
                           Rescher benadrukt het gegeven dat uit de waarden geen specifiek gedrag kan
                           worden afgeleid, maar dat uit het vertoonde gedrag wel waarden kunnen worden
                           afgeleid. N is (of rijdt) voorzichtig betekent dat N voorzichtigheid als waarde
                           aanneemt. Waarden worden zichtbaar ín het getoonde gedrag (Rescher 1969: 9).
44
                           Met de twee aspecten van waarden corresponderen twee methoden van onder-
                           zoek naar waarden.
                           1 Gedragsonderzoek, bijvoorbeeld budgetonderzoek: hoe besteedt men
                                 resources, materiële bronnen, hoe besteedt men tijd? De bestedingen worden
                                 gezien als uitdrukkingen van gekozen waarden.
                           2 Inhoudsanalyse van teksten en toespraken, van gedane uitspraken en van
                                 antwoorden in questionnaires, waarbij hetzelfde lastige probleem speelt van
                                 de relatie tussen zeg-gedrag en doe-gedrag. Vragenlijstonderzoek beperkt
                                 zich vaak tot verbale reacties op verbale vragen (zie verder ook hoofdstuk 3).
                           Rescher verbindt de relevantie van waarden voor het gedrag vervolgens aan het
                           hebben van een bepaalde levensvisie: “Man imputes a value to characterize his
                           vision on the good life or the good society or his vision of how life ought to be
                           lived.” De relevantie van waarden bestaat erin dat waarden functioneren als
                           beperkingen (constraints) en als stimuli, als verboden en als geboden. Rescher:
                           “The fabric of value is woven of the thoughts people entertain about their
                           actions within the framework of their view of the good life” (1969: 6). Omdat
                           waarden ingepast zijn in een bepaalde levensvisie, is er ook sprake van een
                           persoonlijke keuze van de waarden die mensen nastreven. Persoonlijke, existen-
                           tiële ontwikkeling bestaat eruit dat men bepaalde waarden nastreeft en probeert
                           na te leven en andere waarden juist niet verkiest. Omdat deze persoonlijke
                           keuzen in een moderne samenleving zeer uiteenlopen, ontstaat er een grote
                           pluriformiteit en zijn conflicten tussen waarden, zowel in het persoonlijke
                           bestaan als in de maatschappij als geheel, een onvermijdelijk iets (zie voorts para-
                           graaf 2.4 van dit hoofdstuk).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 46 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 47 ======================================================================

<pre>                  een verkenning van de begrippen ‘waarden’ en ‘normen’ en de problemen die hiermee samenhangen
      Een eerste conclusie uit deze praktische benadering van Rescher is de volgende:
      bestudering van waarden kan nimmer los gezien worden van de bestudering van
      gedragingen. Waarden moeten worden geplaatst binnen een bepaalde levensvi-
      sie (het veelvuldig kijken naar televisie is daardoor geen waarde geworden,
      omdat het niet geplaatst is binnen een bepaalde levensvisie; het wordt pas een
      waarde als het nadrukkelijk geplaatst wordt binnen zo’n levensvisie: televisie-
      kijken als belangrijk onderdeel van het leven, bijvoorbeeld van een televisie-
      recensent).
      Een tweede conclusie: de thans in de samenleving als probleem gevoelde
      verwaarlozing van ‘waarden en normen’ bestaat misschien wel vooral uit het feit
      dat een groot en groeiend aantal personen in hun gedragingen niet meer leven
      naar de waarden die ze zeggen aan te houden en na te streven. Dit is de gedrags-
      component van de waarden- en normenproblematiek (in hoofdstuk 4 verder
      uitgewerkt). Dat het daarnaast ook als problematisch wordt ervaren dat andere
      personen en groepen wel leven volgens hún waarden en normen, binnen een
      consistente levensvisie, maar dat deze niet met de westerse waarden overeen-
      komen, wijst op een andere component in de huidige problematiek. Dit is de
      component van de culturele waardeverschillen (in hoofdstuk 6 verder uitge-
      werkt).                                                                                                   45
      Een derde conclusie: waarden zijn niet gedragsspecifiek, dat wil zeggen dat uit
      waarden zeer uiteenlopende en verschillende normen en gedragingen kunnen
      voortvloeien. Men kan in een samenleving wel streven naar een consensus over
      waarden, maar doordat die gemeenschappelijk gedeelde waarden toch tot zeer
      uiteenlopende gedragingen kunnen leiden, zijn de problemen van het samenle-
      ven nog lang niet opgelost. Dit vereist een nadere uitwerking.
2.3   twee problemen: de veelheid en de abstr actiegr aad
      van waarden
2.3.1 de waarde van waarden
      De waarde van waarden is dat ze de reflectiegraad van het handelen van perso-
      nen verhogen. Handelen vanuit waarden is niet ‘zomaar wat doen’ (bijvoorbeeld
      zinloos geweld). Als de dader erover zou hebben nagedacht, zou hij niet tot zulk
      gedrag zijn gekomen. Waarden verhogen daarmee de doorzichtigheid en de
      begrijpelijkheid van het handelen, hetgeen niet gelijkstaat met het aanvaarden
      ervan. Alles begrijpen is niet alles vergeven. Rescher: “The fundamental role of a
      person’s value is to underwrite the evaluation of his actions” (1969: 11). Deze
      evaluatie van gedrag leidt tot praktisch redeneren en tot doelgericht denken over
      welke handelingen er gevolgd moeten worden om een gewenst doel te bereiken,
      inclusief de daarbijbehorende doel-middelrelaties tussen handelingen en doel-
      stellingen. Het praktische nut van een beredeneerde afweging van middelen in
      relatie tot doeleinden in het menselijk gedrag, is reeds door Aristoteles, een van
      de eerste moraalfilosofen, erkend:
</pre>

====================================================================== Einde pagina 47 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 48 ======================================================================

<pre>   wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                   We gaan bij onszelf niet te rade over onze doelen, maar over de middelen om deze te realiseren.
                   Een arts immers denkt er niet over na of hij zijn patiënt gezond zal maken, een redenaar niet of
                   hij zijn gehoor zal overtuigen; een politicus overweegt niet of hij een goede rechtsorde zal reali-
                   seren, en net zo min gaat iemand anders bij zichzelf te rade over zijn doel. Men stelt echter zijn
                   doel en overdenkt dan hoe en door welke middelen het gerealiseerd kan worden. Wanneer het
                   duidelijk is dat het doel door meer middelen tot stand wordt gebracht, bekijkt men door welk
                   middel dit het gemakkelijkst en best gebeurt. Als één middel voldoende is om het doel te verwe-
                   zenlijken, gaat men na op welke wijze dit middel het doel kan realiseren, en welk middel dit
                   middel op zijn beurt realiseert, totdat men bij de eerste oorzaak komt, die bij dit procédé de laat-
                   ste stap is (Ethica Nichomachea 1112b, 12-20; Ned. vertaling 1997: 127).
                           Waarden verhogen de reflexiviteit in een samenleving en vereenvoudigen daar-
                           mee de inzichtelijkheid van het samenleven. Maar hier doen zich enkele compli-
                           caties voor, want over welke waarden hebben we het nu steeds? Waarden zijn
                           naar hun vorm zeer abstract. Zij verwijzen naar zeer abstract geformuleerde doel-
                           einden. Naar de inhoud echter kunnen waarden overal over gaan, kan men er alle
                           kanten mee uit. Het is derhalve noodzakelijk voor elke zinvolle discussie over
46                         waarden zowel het probleem van de veelheid als het probleem van de abstractie-
                           graad onder ogen te zien. Een zekere ordening van de waarden of een classificatie
                           van de belangrijkste waarden is nodig om een toegespitste analyse mogelijk te
                           maken. Gaat de discussie uitsluitend over morele waarden of ook over andere
                           waarden, zoals bijvoorbeeld hoffelijkheid? Zijn alle waarden even belangrijk? Is
                           er bij botsing van waarden een hiërarchie van waarden aan te brengen en op
                           welke grond berust dan zo’n hiërarchie? Kunnen waarden met elkaar in strijd
                           komen, bijvoorbeeld de economische waarde van voorspoed en vooruitgang en
                           de ecologische waarde van behoud van de natuurlijke omgeving?
               2.3.2       enkele onder scheidingen van waarden
                           Voor een beter begrip van waarden is het derhalve nuttig enkele onderscheidin-
                           gen op een rij te zetten (Rescher 1969). Deze onderscheidingen betreffen telkens
                           wisselende dimensies van waarden, die bovendien vaak gelijktijdig aanwezig
                           kunnen zijn bij de actieve waardering van objecten. Van belang hierbij blijft het
                           besef dat in principe alles object van waardering kan worden en dus een waarde
                           kan vertegenwoordigen en ‘van waarde’ kan zijn: dingen en voorwerpen, geeste-
                           lijk en cultureel erfgoed, omgevingen, individuen en relaties tussen individuen,
                           persoonlijke karaktertrekken, groepseigenschappen zoals respect en vertrou-
                           wen, kenmerken van maatschappelijke systemen zoals rechtvaardigheid, rechts-
                           gelijkheid en vrijheid. Daarnaast is het van belang onderscheid te maken naar de
                           personen (of groepen) voor wie de waarde geldt, naar de inhoud van de waarden
                           die men hooghoudt, naar de begunstigde personen die van de waarden profijt
                           trekken en naar het klassieke onderscheid tussen intrinsieke en extrinsieke
                           waarden.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 48 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 49 ======================================================================

<pre>            een verkenning van de begrippen ‘waarden’ en ‘normen’ en de problemen die hiermee samenhangen
1      Wiens waarden?
Een persoon kan persoonlijke waarden kiezen; beroepsgroepen, bijvoorbeeld
artsen en advocaten, kennen specifieke beroepswaarden; een arbeidsorganisatie
of onderneming benadrukt speciale waarden die aan arbeid gerelateerd zijn, zoals
de veiligheid van werknemers; steden hebben hun geschiedenis en hun eigen
waarde; een natie ten slotte heeft nationale waarden ontwikkeld (zoals een besef
tot een nationale gemeenschap te behoren, een historisch bewustzijn, of trots)
die door zeer veel burgers gedeeld worden. De voornaamste dragers van waarden
kunnen steeds wisselen en bestaan uit individuele personen, groepen, organisa-
ties, steden, natiestaten en dergelijke.
2      Wat wordt gewaardeerd?
Welk object of welke toestand wordt gewaardeerd? Welke inhoud heeft een
waarde? Welke noden, wensen, verlangens of belangen worden door de waarden
behartigd? Dit kunnen materiële, economische, morele, sociale, politieke, esthe-
tische, religieuze, wetenschappelijke, intellectuele, professionele of sentimentele
waarden zijn, et cetera. Doordat de inhoud van waarden zo uiteen kan lopen,
mede omdat alles object ‘van waarde’ kan worden, komt de vraag naar een rang-
orde van waarden vanzelf aan de orde. Zijn er ‘hogere’ en ‘lagere’ waarden?
Zijn morele waarden hoger of belangrijker dan materiële waarden? Er is tussen                             47
waarden wel een zekere hiërarchie mogelijk: zo gaat gezondheid boven comfort
en rechtvaardigheid boven hoffelijkheid, maar het is veel moeilijker om tussen
de core values van een samenleving tot een sluitende en alom aanvaarde hiërar-
chie te komen. Behoren de waarden van de rechtsstaat tot de basiswaarden van
een samenleving? Of behoren daartoe óók de materiële welvaart en de voor-
spoed? De nationale veiligheid?
In de discussie over waarden en normen gaat het meestal over morele waarden,
maar juist de onderlinge verhouding tussen verschillende sóórten waarden
(morele versus economische, ethische versus esthetische, hogere versus lagere)
speelt altijd impliciet mee in de discussie. Explicitering van de onderlinge
verhoudingen is daarom ook noodzakelijk.
3      Wie zijn de begunstigden van waarden?
Er kunnen verschillende ontvangers zijn van waardevol geachte activiteiten.
Daarom maakt men onderscheid tussen egoïstische, self-oriented waarden
(succes, privacy) enerzijds en altruïstische, other-oriented waarden anderzijds.
Deze laatste kunnen weer onderscheiden worden naar de groep die men tot
voordeel wil strekken, met name :
• ingroup-waarden (eigen gezin, beroep en reputatie van dat beroep, natie
    (vaderlandsliefde), maatschappij (rechtvaardigheid));
• outgroup-waarden (humanistische waarden, esthetische waarden ten
    behoeve van mankind of humanity).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 49 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 50 ======================================================================

<pre>   wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                           4        Intrinsieke en extrinsieke waarden
                           Extrinsieke waarden verwijzen naar andere waarden of zijn een wenselijk middel
                           in het bereiken van een andere waarde. Bij extrinsieke waarden gaat het steeds
                           om doel-middelrelaties tussen verschillende nagestreefde waarden. Vandaar dat
                           ze ook wel instrumentele waarden worden genoemd. Zo verwijzen spaarzaam-
                           heid en zuinigheid naar welstand of welvaart. Generositeit verwijst naar geluk
                           van en voor anderen. Intrinsieke of niet-instrumentele waarden verwijzen naar
                           zichzelf, zijn doel op zich en staan dus niet in een doel-middelrelatie tot andere
                           waarden: rechtvaardigheid, moraliteit, naastenliefde, blijheid. Deze waarden
                           worden nagestreefd en nageleefd om zich zelfs wille. Vaak botsen extrinsieke
                           waarden (welvaart) met intrinsieke waarden (rechtvaardigheid, moraliteit),
                           zoals ook een instrumentalistische opvatting van waarden kan botsen op een
                           niet-instrumentalistische. Waarden zijn niet bij voorbaat intrinsiek of extrinsiek:
                           gelijkheid kan worden nagestreefd ofwel om meer vrijheid te bereiken (extrin-
                           siek), ofwel omdat zij als een zelfstandige waarde wordt gezien, los van een ander
                           na te streven doel (intrinsiek).
                           5        Op welke termijn heef t de waarde betrekking?
                           Kortetermijnwaarden (jaarlijkse winst, koopkrachtbehoud) en langetermijn-
48                         waarden (continuïteit van de onderneming, begrotingsevenwicht) staan vaak op
                           gespannen voet met elkaar. Dit geldt niet alleen voor één persoon die moet
                           kiezen tussen verschillende waarden in haar of zijn leven, maar ook voor organi-
                           saties en voor grotere sociale systemen. Economische groei kan voor de korte
                           termijn worden nagestreefd, maar kan botsen met andere waarden die vooral op
                           de lange termijn gelden, zoals het behoud van het natuurlijke milieu. Solidariteit
                           tussen generaties is een langetermijnwaarde die opofferingen vraagt op de korte
                           termijn. Dit temporele aspect van waarden is een vaak verborgen factor bij veel
                           waardeconflicten en kan expliciet gemaakt worden bij de analyse van moeilijke
                           en soms pijnlijke afwegingen tussen diverse waarden onderling.
                           De hierboven gemaakte onderscheidingen zijn niet uitputtend, maar ze bieden
                           meer dan een Chinese classificatie. Ze kunnen duidelijk maken waarom er zoveel
                           misverstanden ontstaan als men ongedifferentieerd gaat debatteren over
                           waarden en normen. Steeds moet men zich afvragen: wiens waarden? Welk
                           object of welke toestand wordt gewaardeerd? In wiens voordeel en in wiens
                           nadeel worden waarden nagestreefd? Voor wie zijn de waarden bedoeld? Op
                           welke termijn spelen ze?
               2.3.3       de abstr actiegr aad van waarden
                           In deze opsomming van waarden valt het op hoe algemeen de formuleringen zijn
                           waarmee de waarden worden aangeduid: waarheid, rechtvaardigheid, solida-
                           riteit, respect en hoffelijkheid. De manieren waarop deze waarden kunnen
                           worden bereikt zijn zelf schier onuitputtelijk. Een van de basisbehoeften (en dus
                           basiswaarden) van het menselijk bestaan is het tot zich nemen van voedsel, maar
                           de manier waarop deze behoefte wordt vervuld of deze waarde wordt gereali-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 50 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 51 ======================================================================

<pre>            een verkenning van de begrippen ‘waarden’ en ‘normen’ en de problemen die hiermee samenhangen
seerd, ligt op geen enkele manier vast, naar tijd noch plaats. Men kan op talloze
manieren aan de hongerimpuls tegemoetkomen: een snack, een losse boterham,
een gevulde koek in de kantine, een copieus diner enzovoort. Men kan zelfs
zonder dat men honger heeft, uitvoerig tafelen. Er is, met andere woorden, geen
directe of causale relatie tussen de waarde op zich en de manier waarop die
waarde in een concrete situatie wordt gepraktiseerd. Waarden zijn voor hun
realisatie contextafhankelijk. Als de context verschilt, verschilt de invulling van
de abstracte waarde.
De contextafhankelijkheid is een belangrijk gegeven. Enerzijds verklaart dit de
soms verrassende overeenstemming in waarden tussen culturen onderling,
tussen verschillende tijdperken in de geschiedenis en tussen de grote wereld-
godsdiensten, die allemaal varianten van de tien geboden hebben geformuleerd
(Choraqui 2002). Al deze waarden zijn zodanig abstract geformuleerd (‘eerbied
voor het leven, rechtvaardigheid, naastenliefde, respect voor de medemens’) dat
de verschillen in inhoudsbepaling van die waarden niet scherp kunnen worden
onderscheiden, tenzij men een zeer gedetailleerde studie zou maken van de
totstandkoming en de betekenis van die begrippen in hun historische context,
zoals bijvoorbeeld Lewis gedaan heeft voor het begrip ‘rechtvaardigheid’ vanaf
de Griekse Oudheid, via de Middeleeuwen en de Renaissance tot aan de heden-                               49
daagse samenleving (Murphy 2001). Anderzijds kan dit ook de grote onenigheid
verklaren die herhaaldelijk, in verschillende historische tijden en op verschil-
lende plaatsen, valt waar te nemen als het gaat om de concrete invulling van de
als zodanig door iedereen aanvaarde waarden. De godsdienstoorlogen die Europa
in de zestiende eeuw hebben geteisterd, ontstonden over de juiste uitleg van
bijbelse teksten, waarvan de waarde door niemand werd betwist of over de juist-
heid waarvan men – in abstracto – niet van mening verschilde. Dat men gedoopt
moest worden stond vast, maar wanneer en met welke graad van bewustheid dat
diende te geschieden, leidde tot felle twisten. Evenzo was het gesteld met de
vraag of mensen gedwongen konden worden te geloven, waarbij de waarde van
het christelijke geloof niet werd betwijfeld. Men veroordeelde algemeen het
gedrag van ketters, maar er ontstonden levensgrote verschillen van mening over
de vraag of en om welke reden men die ketters dan mocht doden.
Met andere woorden, er is niet alleen een vraag naar de hiërarchie tussen
waarden, in de waarden zelf is ook steeds een hiërarchische structuur te onder-
kennen. Rechtvaardigheid en gelijkheid zijn als waarden onbetwist, maar wat in
welke situaties als rechtvaardig geldt en wat als gelijk en ongelijk telt, daarover
verschillen de meningen permanent. In deze hiërarchie komt ook de structurele
relatie tussen waarden en normen naar voren. Uit waarden kunnen velerlei
normen worden afgeleid die allemaal, maar allemaal op een verschillende
manier, de waarde kunnen realiseren. Over normen zijn meer twisten mogelijk
dan over waarden, wanneer die maar algemeen en abstract genoeg worden gefor-
muleerd. Om de discussie over morele waarden te verhelderen heeft Rescher in
zijn monumentale studie The Validity of Values (1993: 189-198) een implementa-
tieladder ontwikkeld, die via enkele treden afdaalt van het niveau van de hoogste
</pre>

====================================================================== Einde pagina 51 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 52 ======================================================================

<pre>   wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                           waarden naar concrete (morele) beslissingen in concrete situaties. De vijf treden
                           van deze ladder worden allereerst geïllustreerd voor een van de centrale waarden,
                           waarna overeenkomstig ook andere waarden en normen met deze ladder kunnen
                           worden geïdentificeerd:
                           Niveau 1:         nagestreefde doelwaarde: RESPECT voor de MEDEMENS;
                           Niveau 2:         verwijzende, instrumentele waarden en beginselen: EERLIJKHEID;
                           Niveau 3:         normen: niet liegen, de waarheid spreken;
                           Niveau 4:         gedragsregels: geef geen misleidende informatie bij het afleggen van
                                             verklaringen;
                           Niveau 5:         beslissing over een concrete gedraging: antwoord naar waarheid op
                                             deze vraag van mevrouw Jansen (vrij ontleend aan Rescher 1993:
                                             192; 1997: 137).
                           Dit ladderschema van hoogste doelwaarde, via normen naar eenvoudige gedrags-
                           regels en concrete gedragingen, kan men voor alle doelwaarden aflopen. Enkele
                           voorbeelden ter illustratie.
                           Voorbeeld A
50                         1 Doelwaarde: ZORG VOOR ANDEREN;
                           2 Verwijzende waarden: VEILIGHEID, GENEROSITEIT, EERBIED;
                           3 Normen: doe mensen niet onnodig pijn, bedrieg je medemensen niet, wees
                                gastvrij;
                           4 Gedragsregels: verdoof mensen bij een operatie, speel niet vals, betaal je
                                belasting;
                           5 Beslissing: geef het geld terug dat je van X hebt geleend, gooi je afval niet in
                                de rivier, laat die kinderen niet met lucifers spelen (Rescher ibidem).
                           Voorbeeld B (vrije toepassing van Reschers schema)
                           1 Doelwaarde: wetenschappelijke WAARHEID;
                           2 Verwijzende waarden: ACCURAATHEID, NAUWKEURIGHEID;
                           3 Normen: doe zorgvuldige waarnemingen, verdoezel of vervals geen gegevens,
                                verwijs waar nodig naar het onderzoek van anderen, pleeg geen plagiaat;
                           4 Gedragsregels: verifieer altijd alle gegevens, check alle berekeningen minstens
                                tweemaal, laat het werk door anderen controleren en kritiseren, gebruik géén
                                ad-hominemargumenten;
                           5 Beslissing: organiseer de (financiële) mogelijkheden voor een double blind-
                                experiment.
                           Voorbeeld C (vrije toepassing van Reschers schema)
                           1 Doelwaarde: MACHT;
                           2 Verwijzende waarden: POLITIEKE INVLOED, PRESTIGE;
                           3 Normen: zorg voor een goede reputatie, oefen je in welsprekendheid, geef
                                geen aanstoot aan de kiezers;
                           4 Gedragsregels: zoek zo veel mogelijk de aandacht van de media, controleer
                                het eigen ‘image’ en onderdruk waar mogelijk negatieve berichtgeving; werk
</pre>

====================================================================== Einde pagina 52 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 53 ======================================================================

<pre>           een verkenning van de begrippen ‘waarden’ en ‘normen’ en de problemen die hiermee samenhangen
    ondertussen aan een netwerk van relaties en bouw een imponerend cv op;
    gebruik, waar nodig, ad-hominemargumenten;
5 Beslissing: sta dit interview voor deze krant toe, ga met X dineren.
De laatste twee voorbeelden geven tegelijkertijd aan hoezeer verschillende
waarden die in verschillende sectoren van de samenleving worden nagestreefd,
op gespannen voet met elkaar kunnen staan. Van de twee uiteenlopende en
opzichzelf staande waarden (WAARHEID en INVLOED) kunnen twee lijnrecht
tegenover elkaar staande normen afgeleid worden, namelijk: gebruik geen
respectievelijk wel ad-hominemargumenten. Omdat alle waarden door zeer veel
en zeer uiteenlopende normen worden geïmplementeerd en daarmee gereali-
seerd, zijn de mogelijkheden tot dergelijke botsingen zeer talrijk. Waardecon-
flicten en botsende normen zijn onvermijdelijk in een vrije samenleving.
Maar ook wanneer er binnen de maatschappij volledige overeenstemming
(consensus) bestaat over een doelwaarde (EERBIED VOOR HET LEVEN), of
binnen een bepaalde deelsector van de samenleving volledige overeenstemming
bestaat over de binnen die sector gewenste doelwaarde (WAARHEID voor de
wetenschapsbeoefening), dan nog ontstaan er verschillen van mening (dissen-
sus) over de manier waarop deze waarde via normen moet worden geïmplemen-                                51
teerd of in concrete omstandigheden moet worden toegepast. Geldt de eerbied
voor het leven onder alle omstandigheden, of moet deze basiswaarde wijken
voor bijvoorbeeld de bestrijding of het voorkómen van een terroristische aanval
waarbij zeer veel onschuldige slachtoffers kunnen vallen? Alle wetenschaps-
beoefenaren streven naar waarheid, maar de concrete opvattingen daarover
lopen zeer ver uiteen. Met andere woorden, het bereiken van overeenstemming
over bepaalde grondwaarden zegt nog weinig over de wijze van implementatie,
die voor het samenleven als zodanig van minstens net zo veel gewicht is als de
geformuleerde waarden zelf.
De abstractiegraad van waarden kan mede verklaren waarom er steeds een grote
afstand blijft bestaan tussen de beleden en nagestreefde waarden en het actuele
handelen, dat vaak niet in overeenstemming is met die waarden. We gebruiken
heel vaak het begrip waarden, maar geven ons er bijna geen rekenschap hoe we
dat begrip gebruiken. Vaak slagen we er niet in ernaar te leven. Hoe komt dat?
Omdat we ons de redenen en de motivatie voor het goede handelen niet
voldoende eigen hebben gemaakt, of uit laksheid, inertie, besluiteloosheid, de
onderworpenheid aan andere neigingen, wilszwakte, of gewoon uit gemak-
zucht? In al deze gevallen is er een botsing tussen de waarden en het gedrag dat
niet conform de van de waarden af te leiden norm is. Het volgende is hiervan een
goed en herkenbaar voorbeeld.
Voorbeeld D
1 Doelwaarde: GEZONDHEID;
2 Verwijzende waarden: FYSIEKE EN MENTALE FITHEID, ENERGIE;
3 Normen: gij zult niet roken, gij zult vaak bewegingsoefeningen doen;
</pre>

====================================================================== Einde pagina 53 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 54 ======================================================================

<pre>   wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                           4 Gedragsregels: in dit gebouw wordt niet gerookt, elke maandag joggen;
                           5 Beslissing: ik koop nu geen pakje sigaretten, ik ga naar het fitnesscentrum.
                           Hoewel iedereen weet hoe belangrijk gezondheid is in het leven en hoezeer
                           gezondheid uit onderzoekingen altijd als een van de hoogst gewaardeerde
                           waarden naar voren komt, overtreden zeer velen de vrijwillig aanvaarde
                           normen en andere gedragsregels die de gezondheid bevorderen. Weten dat je
                           niet moet roken geeft kennelijk onvoldoende reden en motivatie om dat ook
                           niet te doen. Het voorbeeld van het roken is uit te breiden tot talloze andere
                           voorbeelden in de waardesfeer, inclusief de waarden die met het wettelijk afge-
                           dwongen gedrag te maken hebben. Tussen de waarde en de norm en tussen de
                           norm en het gedrag liggen brede en diepe kloven die nog onvoldoende zijn
                           verkend.
                           Deze korte analyse van de abstractiegraad van waarden brengt enkele regelmatig-
                           heden over waarden en normen aan het licht:
                           • hoe abstracter waarden worden geformuleerd, des te meer overeenstemming
                                 erover in een samenleving kan worden verwacht en vaak ook zal worden
                                 geconstateerd; dit geldt met name voor de meest fundamentele basis-
52                               waarden;
                           • naarmate men de ladder van abstractie afdaalt, ontstaat er meer onenigheid
                                 over de toepassing en implementatie van waarden, met name tot aan het
                                 niveau van normen; er is geen overeenstemming over welke normen uit de
                                 waarde moeten worden afgeleid;
                           • op het niveau van de gedragsregels en van concrete beslissingen en gedragin-
                                 gen wordt weer gestreefd naar een praktische, zij het vaak tijdelijke consen-
                                 sus;
                           • het handelen is vaak niet in overeenstemming met de waarden die worden
                                 nagestreefd, mede omdat de abstractie van de waarde veel ruimte overlaat.
                           Er is ten slotte een belangrijke conclusie te trekken uit de analyse van de veelheid
                           en de abstractiegraad van waarden: een publieke discussie over de waarden- en
                           normenproblematiek waarin niet voldoende wordt gelet op de vele niveaus
                           waarop men met elkaar over die waarden spreekt en de gezichtspunten van
                           waaruit men spreekt (wiens waarden, welke objecten, welke inhoudelijk nage-
                           streefde doelen etc.), heeft weinig zin. Zo’n discussie kan zelfs tot weerzin
                           leiden, hetgeen jammer is, omdat de problematiek van waarden en normen wel
                           een hernieuwde aandacht in de samenleving verdient.
               2.4         waarden en het goede leven
               2.4.1       ver schillende visies op het goede leven
                           Tot nu toe is in de analyse van het waardebegrip geen onderscheid gemaakt in de
                           soort waarden waarover de discussie primair gaat. De eigenschappen van
                           waarden (veelomvattendheid, abstractie, niet-gedragsbepalend) gelden immers
</pre>

====================================================================== Einde pagina 54 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 55 ======================================================================

<pre>           een verkenning van de begrippen ‘waarden’ en ‘normen’ en de problemen die hiermee samenhangen
evenzeer voor esthetische, economische, ecologische of emotionele waarden.
Maar de waarden- en normendiscussie vindt vooral plaats in een politiek-maat-
schappelijke context, waar de vraag hoe het gesteld is met het morele gehalte van
gedragingen en waarderingen de hoofdaandacht opeist. Het gaat met name om
het samenleven in het gemeenschappelijke politiek bestel van de natiestaat en
internationale verbanden. Daar hebben zich zo veel veranderingen voorgedaan
(onder andere internationalisering, individualisering, interculturalisering en
informatietechnologie) dat een hernieuwde oriëntatie gewenst is omtrent de
waarden die vastgehouden moeten worden of die kunnen veranderen. Die
morele oriëntaties worden vaak samengevat in visies op ‘het goede leven’ en de
daarbij behorende consequenties over de inrichting van de samenleving.
In de westerse samenlevingen zijn in de loop van de geschiedenis verschillende
morele visies op het goede leven ontwikkeld. Taylor (1985) beschrijft kernachtig
de verschillen tussen deze visies, waarin gemakkelijk de verschillende politieke
stromingen te herkennen zijn. In de eerste visie is het leven gericht op persoon-
lijke integriteit, waarin men zichzelf verplicht te handelen in overeenstemming
met de eigen overtuiging en alle druk en dwang van sociale aard probeert te
weerstaan: persoonlijke autonomie is het voornaamste doel. In de tweede visie is
het leven gewijd aan gemeenschappelijke liefde (agapè), waarin men er zo veel                            53
mogelijk naar streeft om een voertuig te worden van Gods liefde voor de
mensen: christelijke naastenliefde is het voornaamste doel. De derde visie is
gericht op bevrijding, zowel zelfbevrijding als bevrijding die voortkomt uit een
gemeenschappelijk streven naar maatschappelijke verandering in het lot van
bepaalde maatschappelijke groepen of klassen: solidariteit is het voornaamste
doel. Ten slotte is er een vierde, niet onbelangrijke visie, die met een beroep op
de rede vraagt om een objectieve blik en die alle interpretaties van de werkelijk-
heid en het leven onderwerpt aan het “koude, illusieloze licht van de moderne
wetenschap” (Taylor 1985: 234; Schuyt 1995a: 14-15).
De invloed van elk van deze verschillende visies en de daarin geconcentreerde
morele waarden op de ontwikkeling van de westerse samenleving is groot
geweest. De Europese verzorgingsstaat wordt vaak beschreven als een per land
verschillende samensmelting van liberale waarden, christelijke naastenliefde en
socialistische solidariteit (Esping-Andersen 1990). Sociaal-economische ontwik-
kelingen hebben ertoe bijgedragen dat de accenten op de verschillende waarden
konden verschuiven. Terwijl de verzorgingsstaat gegrondvest is op sociaal-
democratische solidariteit en christelijke naastenliefde, Taylors tweede en derde
visie, heeft de staat mede geleid (misschien door zijn eigen succes) tot een sterk
individualistische en liberale moraal van de autonome burger (Schuyt 1995a:15).
Politieke keuzes en sociaal-economische ontwikkelingen bevatten aldus steeds
belangrijke morele componenten en de steeds terugkerende vraag hierbij is of de
veranderingen in de publieke moraal en in morele voorkeuren van de burger als
een verslechtering of als een verschuiving moeten worden geïnterpreteerd. Bete-
kent meer vrijheid voor autonome burgers automatisch minder solidariteit of
gemeenschapszin? Dienen nieuwe visies zich aan in een nieuw maatschappelijk
</pre>

====================================================================== Einde pagina 55 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 56 ======================================================================

<pre>   wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                           krachtenveld? Met andere woorden: hoe verhouden de verschillende morele
                           visies zich tot elkaar en hoe gaan ze met elkaar om in een en dezelfde politieke
                           ruimte?
               2.4.2       monisme , plur alisme , rel ativisme
                           Een politieke gemeenschap verschilt in bepaalde opzichten van andere gemeen-
                           schappen, zoals een godsdienstige gemeenschap, een kloostergemeenschap, een
                           familie, een vereniging of genootschap of zelfs een scholengemeenschap. De
                           meeste gemeenschappen bestaan uit gelijkgezinden die op vrijwillige basis bij
                           elkaar horen en ook bij elkaar willen blijven. In een politiek bestel, bijvoorbeeld
                           een natiestaat, moet men met ‘andersdenkenden’ en met alle ‘gezindten’, perso-
                           nen en groepen met andere opvattingen en levenswijzen rekening houden. Dit
                           stelt hoge eisen aan de inrichting van staat en samenleving. Er zal een minimum
                           aan gemeenschappelijke waarden noodzakelijk zijn en tegelijk voldoende ruimte
                           open moeten blijven voor verschillen. Maar welke waarden kunnen als noodza-
                           kelijk minimum gelden en welke als variabele keuzen? Gaat het bij de inrichting
                           van de samenleving vooral om morele waarden of toch ook om andere, niet-
                           morele waarden, zoals de waarde van een eigen beroepskeuze, van een goede
54                         gezondheid, of de mogelijkheden van een goede, ongestoorde nachtrust? In de
                           huidige waarden- en normendiscussie wordt soms gesuggereerd dat die uitslui-
                           tend zou gaan over morele waarden en dat deze morele waarden een hogere
                           status zouden bezitten dan andere, meer seculiere waarden (Kinneging 2003).
                           De liberale filosoof Kekes (1989, 1993) heeft een verhelderende bijdrage geleverd,
                           zowel over de verhouding tussen minimale basiswaarden en andere, ‘vrijere’
                           waarden als over het al of niet samengaan van morele en niet-morele waarden bij
                           het streven naar het goede leven en de daaruit volgende inrichting van staat en
                           samenleving. Allereerst geeft Kekes een korte maar uiterst krachtige definitie van
                           waarden: “Possibilities whose realization may make lives good” (1993: 27). Een
                           prachtige definitie, want ze wijst op het abstracte karakter van waarden, in de zin
                           van mogelijkheden, en tegelijk op de opdracht om die waarden in concreto te
                           realiseren. Pas als waarden gerealiseerd worden, wordt hun werking zichtbaar.
                           Kekes geeft als voorbeeld de mensenrechten, die als onbetwistbare waarden
                           worden erkend. Maar ze zijn lang nog niet overal ter wereld realiteit. De daad-
                           werkelijke realisering ervan zou het leven van vele mensen in vele landen inder-
                           daad tot een goed leven maken. De mensenrechten behoren tevens tot die mini-
                           male waarden waarover een grote eensgezindheid bestaat. Het respecteren van
                           mensenrechten kan tot de basiswaarden van een samenleving gerekend worden,
                           gerelateerd als ze zijn aan de minimaal nood-zakelijke levensbehoeften van de
                           mens: fysiologische behoeften als voedsel, kleding en een dak, psychologische
                           als liefde en vrijwaring van vernedering, sociale als respect en vrijwaring van
                           exploitatie en slavernij. Niet gemarteld worden, niet vernederd worden, niet
                           geëxploiteerd worden als mens of van alle individuele rechten verstoken blijven,
                           zijn minimale voorwaarden voor een beschaafd, menselijk bestaan. Ze kunnen
                           tot basiswaarden van een samenleving gerekend worden. In deze benadering van
</pre>

====================================================================== Einde pagina 56 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 57 ======================================================================

<pre>            een verkenning van de begrippen ‘waarden’ en ‘normen’ en de problemen die hiermee samenhangen
waarden is ook plaats voor idealen. Als men waarden opvat als ‘mogelijkheden
waarvan de realisering het leven tot een goed leven maakt’, dan verwijzen deze
abstracte mogelijkheden naar bepaalde idealen die nagestreefd kunnen (en
moeten) worden. Waarden krijgen zo een aantrekkingskracht die het persoon-
lijke en maatschappelijk handelen een bijzondere motivatie meegeven. Als zoda-
nig zijn waarden, hoe abstract en potentieel ook, onmisbaar voor een decente
samenleving (Van der Burg 2001).
Het abstracte karakter van die basiswaarden laat evenwel in het midden op welke
wijze hieraan wordt voldaan. Naar tijd, plaats en sociale gewoonten kunnen er
andere eisen worden gesteld aan het voorzien in eten, drinken en huisvesting.
Dus zelfs basiswaarden hebben een variabel aspect, gelijktijdig met hun invaria-
bele kern. In de waardetheorie van Kekes is er geen absolute tegenstelling tussen
basiswaarden en conventionele waarden, die afhankelijk van sociale gebruiken
en gewoonten enorm kunnen verschillen. Het geheel van waarden in een samen-
leving of in een cultuur is steeds een bepaalde mengeling van onbetwiste, nader
in te vullen en te concretiseren basiswaarden en een grote reeks van afzonder-
lijke, soms vertrouwde, soms zeer vreemde conventionele waarden (Kekes 1993:
18 e.v.). De verscheidenheid aan culturen en historische perioden heeft dan ook
een even grote verscheidenheid aan dergelijke conventionele waarden te zien                               55
gegeven.
De vraag of het goede leven voornamelijk bestaat uit morele waarden wordt door
Kekes negatief beantwoord: “Het goede van een leven kan afhankelijk worden
gedacht van ofwel de persoonlijke bevrediging die het verschaft aan de hande-
lende persoon, ofwel van de morele verdiensten die het heeft. Discussies over
wat een leven goed maakt zijn daarom ambivalent en helderheid vereist dat die
ambivalentie wordt weggenomen. Een leven wordt goed genoemd, alleen als het
zowel persoonlijk bevredigend wordt gevonden en moreel verdienstelijk is. Elk
van deze componenten alleen zou niet voldoende zijn om een leven goed te
maken. Want persoonlijke bevrediging zou kunnen worden bereikt ten koste
van heel veel leed en kwaad en de prijs van morele verdienste kan een veelvul-
dige frustratie van redelijke verlangens opleveren; noch kwaad noch gefrus-
treerde levens kunnen worden verondersteld goed te zijn” (Kekes 1993: 9, eigen
vert.).
Een goede inrichting van de samenleving geeft dus aan individuen én aan de
samenleving als geheel hun goed recht op een goed leven. Persoonlijke belangen
en voorkeuren, ook al zijn die niet van morele aard, zoals een beroeps- of part-
nerkeuze, het ontwikkelen van een vreemdsoortige hobby, het volgen van een
beroepsloopbaan, financiële onafhankelijkheid verwerven et cetera, leggen wel
degelijk gewicht in de schaal van waarden in een samenleving; al was het alleen
maar om het feit dat het blijvend frustreren van op zichzelf redelijke persoon-
lijke behoeften of keuzen tot sociale wrijvingen en onvrede leidt. Aan persoon-
lijke keuzes wordt aldus een intersubjectieve waarde toegekend. De samenleving
als geheel heeft er belang bij dat personen eigen waarden kiezen en ontwikkelen,
</pre>

====================================================================== Einde pagina 57 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 58 ======================================================================

<pre>   wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                           mits zij daarbij de persoonlijke keuzen van medeburgers geen schade toebren-
                           gen. Het telkens weer aangeven van de verhouding tussen morele en niet-morele
                           waarden en van hun grenzen is een permanente aangelegenheid van praktische
                           politieke besluitvorming. Dit uitgangspunt brengt echter wel enkele consequen-
                           ties en noodzakelijke verplichtingen met zich mee.
                           Een van de consequenties is de onvermijdelijkheid van conflicten over waarden,
                           zowel in het leven van een individu als tussen individuen en in de samenleving
                           als geheel. Juist omdat waarden bestaan uit mogelijkheden tot een goed leven en
                           omdat er zeer veel mogelijkheden zijn om een goed leven te realiseren, kunnen
                           waarden met elkaar in conflict komen. Men kan alle mogelijkheden aanwenden,
                           maar nimmer alle mogelijkheden tegelijk realiseren. Men kan een goed nachtelijk
                           gesprek over waarden en normen hoog op prijs stellen – op zich een weg naar de
                           realisering van een respectabele waarde – en men kan veel waarde hechten aan
                           een goede nachtrust, maar beide, op zichzelf redelijke handelingen, kunnen niet
                           tegelijk gerealiseerd worden. Zo zijn er nog veel meer en veel belangrijker
                           keuzen, zoals tussen een carrière en het opvoeden van kinderen, tussen veel en
                           zwaar tafelen en slank blijven, tussen veel geld verdienen en jezelf opofferen
                           voor de zorg van zieke familieleden. Liefde betekent meer afhankelijkheid van
56                         anderen en is daarom moeilijker met een volstrekte onafhankelijkheid te vereni-
                           gen. Analoog aan persoonlijke keuzes ontmoet men in het maatschappelijke
                           handelen talloze waardeconflicten: tussen meer eigen verantwoordelijkheid en
                           sociale controle, tussen sociale gelijkheid en welvaartsvermeerdering, tussen
                           onpartijdige rechtvaardigheid en vriendschap. Men moet steeds kiezen en dit
                           geldt voor alle waarden en in alle verhoudingen tussen waarden. Berlin heeft
                           deze gelijktijdige onverenigbaarheid van de meest centrale waarden van de
                           westerse wereld – vrijheid en gelijkheid – tot de hoeksteen van zijn politieke filo-
                           sofie gemaakt (Berlin 1969). Ook tussen morele en niet-morele waarden dient
                           gekozen te worden, omdat ze vaak niet beide tegelijk kunnen worden gereali-
                           seerd: een persoonlijke ambitie volgen en zich op morele gronden wegcijferen
                           voor anderen gaan niet samen, hoezeer beide levenskeuzen op zich te eerbiedi-
                           gen zijn. Er zijn verschillende invullingen van het goede leven, die allemaal even
                           moreel juist of waardevol zijn, hoewel ze niet met elkaar zijn te vergelijken of te
                           verenigen: de non, de handelsreiziger of de artieste kunnen alledrie, afhankelijk
                           van hun omstandigheden en wensen, een waardevolle vervulling aan hun leven
                           geven, ook al lopen de drie levens mijlenver uiteen.
                           Waardeconflicten zijn onvermijdelijk en hieruit volgt een verplichting om op de
                           vele niveaus van de samenleving waarin deze conflicten zich voordoen redelijke
                           vormen van conflictbeslechting uit te vinden en te ontwikkelen. De ontwikke-
                           ling van een democratische rechtsstaat kan in dit licht worden gezien als een min
                           of meer stabiele manier om de onvermijdelijke waardeconflicten in een samenle-
                           ving zó op te lossen dat de samenleving niet uiteenvalt en dat de minimale basis-
                           waarden, de mensenrechten, daarbij niet worden geschonden (zie hiervoor ook
                           hoofdstuk 5).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 58 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 59 ======================================================================

<pre>            een verkenning van de begrippen ‘waarden’ en ‘normen’ en de problemen die hiermee samenhangen
Het bestaan en de frequentie van waardeconflicten leiden theoretisch en prak-
tisch tot de vraag of dergelijke conflicten kunnen worden opgelost door het
opstellen van een hiërarchie van waarden of een combinatie van bepaalde
waarden. Dit is een bekend probleem in de geschiedenis van de moraal en het
probleem is op verschillende manieren opgelost. Een monistische oplossing stelt
dat een dergelijke hiërarchie te maken valt (of in de natuur gegeven ligt) en dat
bepaalde waarden te allen tijde en in alle omstandigheden boven andere waarden
gesteld kunnen worden. Met andere woorden: er zijn waarden die andere waar-
den altijd kunnen aftroeven. Een pluralistische oplossing stelt dat een dergelijke
hiërarchie tussen waarden niet te geven valt, omdat de concrete omstandighe-
den, naar tijd en plaats verschillend, nimmer zo’n absolute afweging mogelijk
maken. Waarden zijn, als mogelijkheden die gerealiseerd worden in concrete
gevallen, altijd voorwaardelijk, dus aan bepaalde voorwaarden gebonden. Steeds
zijn er uitzonderingen, zelfs als het gaat om basiswaarden als de eerbied voor het
leven: iemand wil zijn/haar leven offeren om de tirannie te bestrijden, zoals bij
de aanslag op Hitler in 1944, of ter voorkoming van een massale nucleaire
terreuraanval zal men de daders onschadelijk mogen maken. Het monisme en
het pluralisme van waarden verschillen dus principieel in hun antwoord op de
manier waarop waardeconflicten moeten worden beoordeeld. Het monisme stelt
dat er één hoogste goed is, dat op verschillende manieren kan worden bereikt;                             57
het pluralisme stelt dat er verschillende vormen zijn van een hoog goed (in casu
een goed leven) en dat die verschillende vormen ook nog eens op verschillende
manieren te bereiken zijn (vergelijk de drie uiteenlopende levensvervullingen).
Een van de oorzaken van de morele verwarring en gevoelens van morele desinte-
gratie die thans zo veelvuldig te bespeuren zijn, zegt Kekes, ligt in de verschui-
ving van een lange traditie van een waardemonisme naar een pluralisme: “Waar
deze veranderingen vooral op wijzen is dat we van een monistische naar een
pluralistische moraal onderweg zijn en sommige van de veranderingen waar we
rondom ons heen en in onszelf getuige van zijn, zijn diep omdat de overgang van
monisme naar pluralisme zo fundamenteel is als iets in de geschiedenis van onze
moraal ook maar kan zijn (Kekes 1993: 15, eigen vert.).
Leidt dit pluralisme tot relativisme? Relativisten stellen zich op het standpunt
dat er geen enkel rationeel criterium te vinden is om tussen de veelheid van met
elkaar strijdende waarden te kiezen. Relativisten zijn het met pluralisten eens dat
er geen allesoverheersende waarde of combinatie van waarden te vinden is, maar
ze verschillen van pluralisten in de mening dat er geen enkel waardeoordeel
onafhankelijk van een context kan worden gegeven. Alles is conventie. Plura-
listen, zoals Kekes, wijzen dan op de basiswaarden die met de natuurlijke aard
van de mens te maken hebben. Hoewel de concrete realisatie van deze basis-
waarden conventionele elementen bevat (zie boven), bevat de kern van het
menselijk bestaan een op zichzelf staande morele waarde, weliswaar niet abso-
luut (ze kunnen botsen met andere basiswaarden) maar ook niet volstrekt wille-
keurig. Alleen voor wie geen onderscheid wil maken tussen basiswaarden en
conventionele waarden, zijn alle waarden relatief (Kekes 1993: 31). Dat pluralisme
niet tot relativisme leidt, blijkt vooral uit het vasthouden aan de basiswaarde van
</pre>

====================================================================== Einde pagina 59 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 60 ======================================================================

<pre>   wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                           menselijke waardigheid, zoals die concreet in de mensenrechten is beschreven,
                           vastgelegd en beschermd. De mensenrechten hoeven als basiswaarden niet
                           beschouwd te worden als louter toevallige, in de geschiedenis van de westerse
                           wereld opgekomen waarden die – vanwege die historische context – geen
                           universele gelding zouden bezitten. Ook al zijn de omstandigheden waaronder
                           deze mensenrechten worden gerealiseerd historisch, sociaal en cultureel varia-
                           bel, daaruit volgt niet dat individuele personen in andere tijden en streken
                           minder waarde zouden hechten aan hun recht op leven en op een menswaardig
                           bestaan.
               2.5         analyse van het begrip ‘norm’: om welke normen
                           gaat het?
               2.5.1       eigenschappen van normen en regels
                           Waarden en normen worden vaak in een adem genoemd en zijn zo langzamer-
                           hand een gevleugeld begrippenpaar geworden. Toch verschillen ze in belangrijke
                           opzichten van elkaar. Hoewel normen natuurlijk ook abstract en algemeen van
                           aard zijn, hebben waarden in logische zin een hogere abstractiegraad. Waarden
58                         zijn meestal zeer ruim en algemeen geformuleerd. Rechtvaardigheid, gastvrij-
                           heid, gelijkheid, schoonheid zijn allemaal erkende waarden, die juist vanwege
                           hun algemeenheid nog voor zeer wisselende en uiteenlopende uitleg vatbaar
                           zijn. In die abstractie ligt juist de kracht van waarden. Want daardoor kunnen ze
                           fungeren als ruime oriëntatiepunten voor gedrag, als rechtvaardiging voor
                           gedrag, en spelen ze een belangrijke rol bij de beoordeling van handelingen. Maar
                           als gedragsbepalende factor schieten waarden te kort. Waarden kunnen mensen
                           met elkaar verenigen en binden, maar tegelijk kunnen ze ruzie over de uitleg
                           ervan opleveren (vandaar dat een al te grote of al te frequente explicitering van
                           waarden de verschillen doet toenemen en zo kan leiden tot grote en soms onver-
                           zoenlijke maatschappelijke conflicten, zoals godsdienstoorlogen). Waarden zijn
                           meestal positief geformuleerd, geven waardevolle wenselijkheden weer; normen
                           daarentegen zijn zeer vaak negatief geformuleerd en zeggen wat niet mag.
                           Waarden hebben zo een open horizon, normen juist een gesloten ruimte waar-
                           binnen men moet blijven. Waarden zijn onbegrensd, normen trekken per defini-
                           tie een grens.
                           Normen zijn minder algemeen dan waarden, maar moeten ook ‘in actie’ gebracht
                           worden, dat wil zeggen vertaald worden in concreet gedrag, in concrete omstan-
                           digheden. Dit gedragselement komt in alle omschrijvingen van normen terug.
                           Zo omschrijft de Australische rechtsfilosoof Pettit normen als een regelmatig-
                           heid in gedrag waaraan men zich moet conformeren: “First, if a regularity is a
                           norm in a society, then it must be a regularity with which people generally
                           conform; lipservice is not enough on its own. And second that people in the
                           society generally approve of conformity and disapprove of deviance: they may
                           believe that conformity is an obligation of some sort” (Pettit 2002: 311).
                           Anders dan bij waarden gaat er van normen een striktere dwang uit tot confor-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 60 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 61 ======================================================================

<pre>            een verkenning van de begrippen ‘waarden’ en ‘normen’ en de problemen die hiermee samenhangen
miteit aan die normen. Normen (norms) en regels (rules) worden in dit verband
meestal als synoniem gebruikt. Het begrip norm of regel is immers afgeleid van
het Latijnse begrip norma, dat oorspronkelijk meetlat of winkelhaak betekende,
maar gaandeweg wet, regel, maatstaf of richtsnoer (Latijn: regula) is gaan beteke-
nen (Woldring 2004; De Vries 2004). Normen en regels zijn verplichtend ten
opzichte van het gedrag, terwijl waarden door hun ruime uitleg en hun gedrags-
ongespecificeerdheid slechts in morele zin verplichtend zijn. Andere auteurs
benadrukken eveneens de gedragsconformiteit en het verplichtende karakter van
normen. Zo omschrijft Elster in The Cement of Society (1989: 99): “For norms to
be social they must be (a) shared by other people and (b) partly sustained by their
approval and disapproval.” Normen worden ondersteund door gevoelens van
ongemak, verwarring, schuld en schaamte bij overtreding: “Social norms have a
grip on the mind that is due to the strong emotions their violations can trigger”
(ibidem: 100).
De structuur van verplichtende normen en regels is eenvoudig: ‘gij zult’ of ‘gij
zult niet’, ‘do’ of ‘don’t’. Naast verplichtende normen zijn er binnen het geheel
van een normsysteem ook andere regels en normen, zoals procedureregels,
regels over de toepassing of verandering van regels en de zogenaamde rules of
recognition (Hart 1969). Voor de dagelijkse praktijk van het samenleven zijn de                           59
verplichtende normen erg belangrijk, omdat de dagelijkse verwachtingen over
het gedrag van andere mensen erdoor wordt bepaald. Het sociaal vertrouwen
tussen mensen bestaat er vooral in dat de primaire gedragsregels worden geëer-
biedigd. Dit vertrouwen wordt het meest geschokt door schending van de
primaire dagelijkse verwachting, bijvoorbeeld als men op straat door een mede-
burger wordt beroofd.
Sociale normen – in de omschrijving van Pettit en Elster – moeten onderscheiden
worden van morele normen, van rechtsnormen en van beroepsnormen. Deze
normen hebben het verplichtende karakter gemeen, maar ze verschillen in de
mate waarin de normen zijn opgetekend (de geschreven normen van het recht
versus de sociale mores) of de mate waarin overtredingen tot sancties leiden:
morele normen, bijvoorbeeld van vlijt en ijver in het werk, leiden bij niet-nako-
ming tot schaamte bij degene die deze hoge norm aan zichzelf stelt, maar hoeven
niet gesanctioneerd te worden. Rechtsnormen hebben soms geen morele
inhoud, maar leiden wel – als het goed is tenminste – tot sancties bij overtreding.
Fatsoensnormen, bijvoorbeeld de hoed afnemen, groeten, opstaan in de tram,
niet spuwen op straat et cetera, zijn typische voorbeelden van sociale normen, en
zij verschillen van rechtsnormen in de mate waarin ze door de overheid bij over-
treding van sancties mogen worden voorzien. Rechtsnormen verhinderen soms
zelfs dat verregaande sociale sancties worden uitgeoefend bij overtreding van
sociale normen: zo mag ik iemand die mij ’s morgens op het werk niet begroet,
geen klap verkopen als sanctie op de ochtendlijke onbeleefdheid.
Het feit dat in de wetenschappelijke literatuur over normen zo veel nadruk
wordt gelegd op gedragsconformiteit met en nakoming van de normen, leidt
</pre>

====================================================================== Einde pagina 61 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 62 ======================================================================

<pre>   wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                           bijna automatisch tot de gedachte dat een van de maatschappelijke redenen voor
                           het ‘waarden- en normendebat’ zou kunnen liggen in de in ons land veelvuldig
                           gepercipieerde afname van normconformiteit en sanctietoepassing: de normen
                           voldoen niet meer aan de basisverwachting die men van normen heeft, namelijk
                           dat ze worden nageleefd. Kortom, niet de inhoud van waarden en normen vormt
                           als zodanig het probleem, maar hun niet-nakoming (zie hoofdstuk 4).
               2.5.2       morele , juridische en sociale normen
                           Normen zijn overal. Het sociale leven wordt op alle plaatsen en in alle situaties
                           gekenmerkt door de aanwezigheid van normen. De rechtssocioloog Geiger vatte
                           dit kernachtig samen met zijn bewering “Es gibt keine ungenormierte Situation”
                           (Geiger 1947). Zelfs als mensen vrij zijn zich te gedragen zoals ze zelf willen,
                           bijvoorbeeld door een raar hoedje op hun hoofd te zetten (het voorbeeld is van
                           Geiger uit 1947), bestaat er een norm die andere mensen verbiedt dat hoedje van
                           het hoofd te slaan. Vrijheid voor de een brengt een verplichting voor de ander.
                           Inmiddels is het hoedje veranderd in een hoofddoek en moet de rechter uitma-
                           ken of een bepaald hoofddeksel wel of niet mag worden gedragen bij bepaalde
                           gelegenheden. Ook als men, zoals onlangs in Rotterdam is voorgesteld, in een
60                         bepaalde buurt een groetplicht wil instellen voor de buurtbewoners, dan brengt
                           dit toch vragen met zich mee voor degenen die zich daar niet aan (willen)
                           houden. Het voldoen of niet voldoen aan de groetplicht anno 1937 in Duitsland,
                           kreeg in deze geheel andere historische context een speciale betekenis met soci-
                           ale en politieke gevolgen, ondanks het feit dat er geen juridische verplichting tot
                           groeten op een bepaalde wijze bestond. Sociale normen waren toen krachtiger
                           dan juridische (Schuyt 1997).
                           Door de alomtegenwoordigheid van normen is het ondoenlijk een overzichte-
                           lijke ordening aan te brengen in de hoeveelheid bestaande normen en normen-
                           stelsels. Naast zuiver technische normenstelsels, zoals het laadvermogen van
                           vrachtauto’s of het fysieke draagvlak van een brug, bestaan er normen voor de
                           deelname aan en toelating tot de Olympische Spelen, de Cito-toetsen voor advi-
                           sering voor vormen van voortgezet onderwijs, de Zalmnorm voor het begro-
                           tingsbeleid en de Nederlandse Norm voor Gezond Bewegen (dertig minuten per
                           dag, gedurende minstens vijf dagen per week) et cetera. Daarnaast heeft bijna
                           elke sociale groep en elk gezin eigen normen, die slechts aan de groepsleden
                           bekend zijn. Een uitputtende classificatie kan hier dan ook niet gegeven worden,
                           ondanks de soms moedige pogingen die daartoe gedaan zijn (Geiger 1947).
                           Het is voor een beter begrip van de discussie over waarden en normen van belang
                           een onderscheid aan te brengen tussen morele, juridische en sociale normen.
                           Alledrie leiden ze tot verplichtingen, maar de gevolgen van die verplichtingen
                           verschillen. Alledrie worden ze gedragen door brede lagen in de bevolking, maar
                           toch is de bindende kracht ervan verschillend.
                           • Morele normen geven een beoordeling van gedrag in termen van goed en
                                 kwaad.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 62 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 63 ======================================================================

<pre>                   een verkenning van de begrippen ‘waarden’ en ‘normen’ en de problemen die hiermee samenhangen
       •   Juridische normen geven beoordelingen van gedrag in termen van legaal of
           niet legaal, juridisch geoorloofd of niet geoorloofd.
       •   Sociale normen beoordelen gedrag in termen van gepast en ongepast.
Tekening 2.1 Overlappende normen
       Vaak overlappen morele, sociale en juridische normen elkaar, zoals bij diep                               61
       verankerde normen als het verbod te doden of te stelen. De meeste strafbepalin-
       gen in het commune strafrecht hebben ook een morele en sociale grondslag. Dit
       zijn de zogenaamde mala in se: de gedragingen zijn verboden omdat ze moreel
       slecht zijn en door iedereen slecht gevonden worden. Vaker echter hebben
       moderne, ‘gemaakte’ juridische normen geen zware morele lading, zoals het
       percentage af te dragen btw of de verplichting een vergunning aan te vragen
       voor het kappen van een boom of het vissen in een vijver. Dit zijn de mala prohi-
       bita: gedragingen zijn slecht omdat ze verboden zijn. Heel veel moderne rechts-
       normen hebben dit kenmerk.
       De relaties tussen deze drie normenstelsels vormen een groot deel van het
       huidige debat over normen en normhandhaving. Is de gewoonte om hier niet
       met een volledig gesluierd gezicht over straat te lopen nu een sociale, een morele
       of een juridische norm? Een sociale burenplicht tot hulpverlening kan onder
       concrete omstandigheden, bijvoorbeeld bij gevaar voor leven, een juridische
       plicht blijken te zijn, waarvan nalatigheid strafbaar is. Sociale normenstelsels
       hebben zich in aantal sterk vermeerderd en zich van elkaar gedifferentieerd,
       onder meer door het opbloeien van zeer uiteenlopende levensstijlen, van een
       gay-cultuur tot eo-jongerendagen, alsmede door de aanwezigheid van andere
       culturen in ons land. Hierbij blijft het steeds onzeker wanneer en onder welke
       omstandigheden dergelijke sterke sociale normen van een minderhedencultuur
       wel of niet in strijd komen met de Nederlandse rechtsorde. Botsing van normen-
       stelsels in dit opzicht is problematischer dan theoretisch botsende waardestel-
       sels, omdat normen minder vrije interpretatieruimte laten (hoewel die ruimte
       nooit tot nul daalt). Botsingen tussen amorele juridische normen en sociale
       normen kunnen in principe gemakkelijker opgelost worden dan die tussen diep-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 63 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 64 ======================================================================

<pre>   wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                           verankerde morele normen van de ene groep en diep verankerde rechtsnormen
                           van de andere groep (bijvoorbeeld bij de vrije partnerkeuze of bij eerwraak).
               2.5.3       van onprettig naar onwettig: een principiële en pr ak tische
                           kwestie
                           Het hier gemaakte onderscheid tussen morele, juridische en sociale normen is
                           van praktisch én van principieel belang in de waarden- en normendiscussie.
                           Immers, als een minister of een andere regeringsfunctionaris oproept om
                           bepaalde fatsoensregels meer in acht te nemen, dan is zo’n oproep als politieke of
                           morele aansporing nog wel te plaatsen. Maar als de overheid bepaalde fatsoens-
                           regels met sancties zou gaan ondersteunen of burgers zou oproepen zelf sancties
                           uit te oefenen op overtredingen van dergelijke sociale fatsoensregels, dan staat er
                           een staatsrechtelijk principe op het spel. Dit standpunt vereist enige uitwerking.
                           De bestaande onvrede over te geringe handhaving van normen maakt nauwelijks
                           onderscheid in de aard van de frequent overschreden normen. De ergernissen
                           over niet-nakoming en niet-handhaving kunnen betrekking hebben op ernstige
                           tekorten in de opsporing, vervolging en berechting van serieuze misdrijven,
                           bijvoorbeeld winkelkraken en bepaalde geweldsmisdrijven. Maar ze kunnen ook
62                         slaan op gedragingen die liggen in de eigen morele privé-sfeer, zoals de overtre-
                           dingen tegen het derde, vierde, zesde of negende gebod van de tien geboden
                           (Exodus 20: 1-17) of in de sfeer van je fatsoen houden in de openbare ruimte. Met
                           andere woorden, gaat het om onprettige, onbehoorlijke, overlast bezorgende of
                           onduldbare en onwettige handelingen die allemaal in staat zijn ergernis op te
                           wekken?
                           Onprettige gedragingen
                           Voorbeelden van onprettige handelingen zijn legio, maar ze zijn tegelijk erg
                           afhankelijk van de sociale groep of sociale klasse waartoe men behoort (bijvoor-
                           beeld jongeren versus ouderen). Iedereen ergert zich ergens anders aan. De
                           normen van fatsoenlijk gedrag zijn zowel zeer wisselend als zeer onduidelijk en
                           omstreden en bovendien niet aan juridische sancties onderworpen. Neem als
                           voorbeeld het telefoneren in de treincoupé. Zeer veel reizigers storen zich hier-
                           aan, maar de overheid kan er geen paal en perk aan stellen, laat staan een officieel
                           verbod effectief handhaven. Men moet over het algemeen deze onaangename
                           zaken in lijdzaamheid dulden. Wel zou de betreffende maatschappelijke organi-
                           saties, in dit geval de ns, er iets aan kunnen doen, door bijvoorbeeld inventieve
                           voorzieningen te treffen, zoals aparte treincoupés waarin wel en waarin niet
                           gebeld mag worden. Dan verstoren de bellers slechts elkaar. Heel veel onprettige
                           gedragingen in de openbare ruimte moeten worden verdragen in een zone van
                           gelatenheid (niet opstaan in tram of bus, voordringen, niet groeten, niet met
                           twee woorden spreken, snauwen tegen kinderen, telefoneren en niet uitkijken
                           op straat, astrologische rubrieken in kranten en media, spel- en taalfouten in
                           openbare stukken, lelijke of zinnenprikkelende reclame, luidruchtige televisie-
                           spotjes, uitdagende videoclips, enzovoort.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 64 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 65 ======================================================================

<pre>           een verkenning van de begrippen ‘waarden’ en ‘normen’ en de problemen die hiermee samenhangen
Naast de praktische conclusie dat een overheid al deze ergernissen niet kan
verhinderen, is er een principiële kwestie óf de overheid bij dergelijke fatsoens-
normen een rol te spelen heeft. De stelling in de vvd-publicatie Respect en
burgerzin, waarden en normen in liberaal perspectief (vvd 2003: 55) dat
“toezicht op fatsoenlijk gedrag door burgers onderling een zeer belangrijke
manier is om een norm te doen gelden”, is daarom op zijn minst dubbelzinnig te
noemen. Welk soort norm – moreel, juridisch, sociaal – wordt hiermee bedoeld?
Als het erom gaat om burgers aan te sporen elkaar op onprettig en onfatsoenlijk
gedrag aan te spreken, is het slechts aanvaardbaar zolang het bij ‘aanspreken’
blijft (hoewel dat ook vaak onverstandig, want escalerend kan blijken te zijn).
Zodra het aanspreken ‘met harde hand’ vergezeld gaat, wordt een juridische
norm overschreven bij de poging een sociale fatsoensnorm te handhaven. De
hieraan gekoppelde stelling dat “bij wangedrag sociale correctie door medebur-
gers duidelijk dient te worden gesteund” (2003: 55) is evenzeer kwestieus, als die
steun van de overheid dient te komen en als de uitleg van de termen ‘wangedrag’
en ‘sociale correctie’ volledig aan de burgers zelf over wordt gelaten.
De ergernissen over onbehoorlijk gedrag dienen bestreden te worden door in de
organisaties en instellingen waarin het ergerniswekkende gedrag veelvuldig
voorkomt meer aandacht en ruimte te geven voor het bewaren en bewaken van                                63
sociale codes voor fatsoenlijk gedrag (zie hiervoor hoofdstuk 7). In opvoeding en
onderwijs zou meer aandacht kunnen worden besteed aan het bestaan en de
inhoud van dergelijke fatsoencodes; de overheid zou eigen initiatieven van
burgers daartoe bij het beheer van de openbare ruimte kunnen ondersteunen,
maar een van bovenaf opgelegde fatsoenscode en een aansporing aan burgers om
die op willekeurige wijze zelf te handhaven, is tegenstrijdig aan het waarden- en
normenpatroon van een samenleving, waarin een bepaalde vrijheid in de
persoonlijke sfeer wordt geëerbiedigd.
Van onbehoorlijke tot onduldbare gedragingen
De ergernissen om wangedrag, wanordelijk gedrag en onbeschofte en onuit-
staanbare gedragingen kunnen niet met eenzelfde gelatenheid geduld worden. Er
is een oplopende reeks van ergerniswekkend gedrag, waarbij de overlast van deze
gedragingen voor burgers toeneemt en groter en minder duldbaar wordt. Het is
moeilijk om de precieze grenzen tussen onprettig, onbehoorlijk en onuitstaan-
baar te trekken. Maar veel gedragingen van meer bezwarende aard hebben
meestal een juridische component of overschrijden reeds een rechtsnorm. Een
paradigmatisch voorbeeld is hier, net als zojuist, ontleend aan het openbaar
vervoer: reizigers die hun benen op een andere zitbank leggen, iets wat niet
uitsluitend door jongeren in Enkhuizen wordt gedaan, maar ook door vermoeide
yuppies aan het einde van een werkdag. Onprettig? Onbehoorlijk? Onuitstaan-
baar? Onduldbaar? Onwettig? Er kan tegen worden opgetreden, maar dit is
vooral een kwestie van de eigen verantwoordelijkheid van de betreffende organi-
satie en de kosten en moeite die deze hiervoor over heeft. Zo zijn er meer voor-
beelden te geven waar het betreurde gedrag en de irritatie zwaarder van aard
worden, maar de handhaving en sanctionering evenredig lastig of zeer kostbaar
</pre>

====================================================================== Einde pagina 65 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 66 ======================================================================

<pre>   wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                           blijven: zwartrijden in het openbaar vervoer, asbakken legen, vuil of ander afval
                           (bekertjes, aluminium blikjes) wegwerpen op straat, verbale bedreigingen aan
                           medeburgers (‘Ik weet je wel te vinden vanavond’). Van al deze zaken zou men
                           bij de politie aangifte kunnen doen (schade toebrengen aan eigendommen of
                           personen), maar de aard van de klacht is meestal zo dat de politie er weinig mee
                           kan doen. Echter, door de aard en de frequentie van dergelijke onduldbare gedra-
                           gingen zou gelatenheid hier niet op zijn plaats zijn. De maatschappelijke organi-
                           saties die het betreft zouden de confrontatie met dergelijke systematische en
                           frequente normoverschrijdingen zelf kunnen aangaan en vooral op het systeem-
                           niveau van de organisatie (onder andere meer tijd en geld voor toezicht, meer
                           geld naar preventie) oplossingen kunnen vinden die de ergernis bij burger én
                           overheid weg zouden kunnen nemen.
                           De zone tussen onduldbare gedragingen en onwettige gedragingen is vaak grijs.
                           Een goed voorbeeld hiervan levert het pesten op school, dat wettelijk nergens is
                           verboden en dus strikt genomen niet valt onder onwettige gedragingen. Toch is
                           veelvoorkomend pesterig gedrag op scholen niet te dulden en doen scholen er,
                           onder aansporing en ondersteuning van het ministerie van Onderwijs, Cultuur
                           en Wetenschappen, veel aan om dit gedrag tegen te gaan. Wat precies wel en niet
64                         onder pesten valt en in welke frequentie dit gedrag vóórkomt valt onder de
                           oordeelsbevoegdheid van de school zelf, maar de overheid stelt die scholen wel
                           in staat het betreffende kwalijke gedrag te bestrijden. De sociale code van de
                           schoolgemeenschap zelf bestrijdt hier een andere sociale code, die leeft onder
                           bepaalde leerlingen, terwijl de overheid een actief interventiebeleid voert zonder
                           daartoe wettelijk verplicht te zijn. Er is dus sprake van een dynamische interactie
                           tussen de drie soorten normen.
                           Ook in andere gevallen kan de sociale norm vooruitlopen op de juridische norm
                           of die zelfs overbodig maken. Zo sprak de toenmalige minister-president Kok
                           zich in het openbaar negatief uit over de exorbitant hoge extra beloningen die
                           leden van raden van bestuur van grote ondernemingen ontvingen. Later formu-
                           leerde een speciale commissie onder leiding van Tabaksblat normen voor het
                           gedrag van leden van raden van bestuur en voor commissarissen. Net als bij het
                           pesten op school is hier sprake van een sociale code (zelfverrijking onder
                           bestuurders) die openlijk botste met andere sociale codes (tegen zelfverrijking).
                           Het gedrag wordt gereguleerd door een nieuw afgesproken code, met steeds de
                           mogelijkheid om van deze nieuwe sociale code een wettelijk geregelde gedrags-
                           code te maken. De overheid, in casu een minister-president, fungeerde hier als
                           morele aanjager van zelfregulerend gedrag, al of niet vooruitlopend op een parle-
                           mentaire meerderheid die de waarden van een sociale code in wetten neerlegt.
                           Onwettige gedragingen
                           In theorie biedt deze categorie van normoverschrijdingen de minste problemen,
                           in de praktijk echter komt hier het gehele politie- en justititiebeleid aan de orde.
                           Als het voorbeeld van de gedragingen in het openbaar vervoer wordt vastgehou-
                           den, gaat het hierbij om zwartrijden in tram, metro of trein, om het bedreigen of
</pre>

====================================================================== Einde pagina 66 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 67 ======================================================================

<pre>                een verkenning van de begrippen ‘waarden’ en ‘normen’ en de problemen die hiermee samenhangen
    molesteren van treinpersoneel, en om het bedreigen of beroven van medereizi-
    gers. Al deze gedragingen zijn in strijd met wettelijke bepalingen, maar de vraag
    is hier niet of er mag worden opgetreden of geïntervenieerd, maar wanneer. De
    kwestie draait vooral om de opportuniteit en prioriteit van het politie- en justi-
    tieoptreden. Welke normen en normoverschrijdingen komen het eerst en het
    meest in aanmerking voor een straffe aanpak? Moeten alle, veel én weinig voor-
    komende normoverschrijdingen van alle burgers opgespoord en vervolgd
    worden (de zogenaamde zero tolerance) of is een bepaalde mate van selectief
    opsporings- en vervolgingsbeleid te aanvaarden? Een effectieve aanpak van de
    meest bedreigende vormen van onwettige gedragingen kan door burgers van een
    overheid geëist worden (wrr 2002). Hierbij zal het vooral gaan om die norm-
    overschrijdingen die (a) de persoonlijke, fysieke en psychische integriteit van
    burgers aantasten en (b) die de coöperatie en het onderlinge vertrouwen van
    burgers in de samenleving als geheel doen afnemen. Juist deze laatste normover-
    schrijdingen krijgen, als daar niet of niet effectief tegen wordt opgetreden, een
    negatieve spiraalwerking voor ander normoverschrijdend gedrag en voor het
    gedag van andere burgers (zie bijlage hoofdstuk 4).
    Uit deze noodzakelijk korte analyse van de drie soorten normen, namelijk
    morele, juridische en sociale, en van de oplopende reeks van normoverschrij-                              65
    dende gedragingen kan de volgende gevolgtrekking worden gemaakt:
    • bij ‘onprettige’ of ‘onbehoorlijke’ gedragingen hoort onvermijdelijk een zone
        van gelatenheid; ditzelfde geldt voor ‘overlast’ bezorgende gedragingen,
        afhankelijk van de mate van overlast en de ernst en de dreiging van de gedra-
        gingen; bespreekbaar maken van het bekritiseerde gedrag in en door organisa-
        ties ligt meer voor de hand dan het op eigen gezag van burgers ‘aanspreken’
        van medeburgers op hun niet nader gedefinieerde ‘slechte’ gewoonten of
        gedragingen;
    • bij ‘onduldbare’ gedragingen of bij de ernstige ‘overlast’ hoort een stevige
        confrontatie, met name afkomstig van die organisaties die er het meeste aan
        kunnen doen, soms op aandringen van de overheid (pesten) of op aangeven
        van belangrijke overheidsvertegenwoordigers (ministers of de minister-
        president);
    • bij onwettige gedragingen hoort een consistente en effectieve aanpak, door de
        overheid zelf, van de meest bedreigende normoverschrijdingen, met name
        diegene die het onderlinge vertrouwen tussen burgers sterk ondermijnen.
    Een verdere analyse van de vele vormen van normoverschrijdend gedrag en wat
    eraan te doen valt, evenals een discussie over de rol van de overheid, wordt gege-
    ven in hoofdstukken 4, 7 en 8.
2.6 conclusies
    1   Er is een bruikbare definitie van waarden te geven, voorzover die betrekking
        heeft op de inrichting van staat en samenleving: “waarden zijn mogelijkhe-
        den waarvan de realisering het leven tot een goed leven maakt” (Kekes 1993).
    2   Waarden worden structureel door andere kenmerken gekarakteriseerd dan
</pre>

====================================================================== Einde pagina 67 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 68 ======================================================================

<pre>   wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                                 normen, zodat een automatische koppeling van waarden aan normen (of
                                 omgekeerd) meer verwarrend dan verhelderend werkt. Waarden scheppen
                                 ruimte, normen brengen beperkingen aan; waarden wekken op, normen
                                 grenzen af; waarden geven aan wat goed, gewenst en waardevol wordt
                                 gevonden, normen meestal wat onjuist en ongewenst wordt geacht; waarden
                                 zijn abstract, normen geven concrete richtlijnen voor gedrag; waarden bepa-
                                 len geen specifieke gedragingen zijn dus niet gedragsspecifiek, normen bepa-
                                 len specifiek welke gedragingen wel of niet mogen.
                           3     Rechtsnormen zijn voor ieder verplichtend, sociale en morele normen zijn
                                 dat niet, tenzij zij samenvallen met – gecodificeerde – rechtsnormen; rechts-
                                 normen vertegenwoordigen de morele categorie van het ‘moeten’ (ought),
                                 sociale normen die van het ‘behoren’ (shall). Normoverschrijdend gedrag kan
                                 – in negatieve zin – betrekking hebben op sociale, op morele en op rechtsnor-
                                 men. Voor de reacties op normoverschrijdend gedrag maken de onprettige,
                                 onbehoorlijke en overlast bezorgende gedragingen een principieel verschil
                                 uit met onduldbare en onwettige gedragingen, al is de precieze afbakening
                                 tussen deze categorieën niet voor honderd procent scherp te trekken.
                           4     Algemene discussies over waarden en normen hebben weinig zin, tenzij
                                 wordt aangegeven over welke inhoudelijke waarden en normen en op welk
66                               abstractieniveau de discussie gevoerd wordt.
                           5     Indien veel waarden wel worden onderschreven, maar het gedrag van (grote)
                                 groepen in de bevolking tegenstrijdig is aan de onderschreven waarden, heeft
                                 dit meer te maken met motivatie en morele wilszwakte dan met de inhoud
                                 van deze waarden. Andere waarden wegen dan feitelijk zwaarder. Soms wil
                                 men wel de waarde respecteren, maar weet men niet hoe. In dit geval moet
                                 dat dan aangeleerd worden.
                           6     Een algemeen overheidsbeleid ten aanzien van ‘waarden en normen’ heeft
                                 vanwege de ongedefinieerdheid, veelheid en abstractiegraad van waarden
                                 weinig zin, tenzij dit beleid zich richt op specifieke problemen of probleem-
                                 gebieden waarop bepaalde, nader gespecificeerde waarden betrekking
                                 hebben.
                           7     Maatschappelijke waarden kunnen in wetten en rechtsnormen worden vast-
                                 gelegd. Algemene wetten zijn gestolde waarden en bepalen de hier geldende
                                 rechtsnormen. Soms worden deze rechtsnormen voorafgegaan door sociale
                                 normen, neergelegd in speciale sociale codes.
                           8     Uit de veelheid van gekozen waarden door leden van de bevolking en door
                                 groepen uit de bevolking ontstaat een zodanige heterogene stroom (conventi-
                                 onele en persoonlijke) waarden dat sturing door een centrale overheid prak-
                                 tisch onwenselijk wordt. De meeste van deze waarden komen voort uit de
                                 maatschappij zelf (civil society). Een uitzondering hierop betreffen de basis-
                                 waarden van een samenleving, zoals neergelegd in de rechten van de mens en
                                 de grondregels van de democratische rechtsstaat (zie hoofdstuk 5).
                           9     Waardeconflicten zijn onvermijdelijk in een samenleving. Hieruit volgt een
                                 verplichting om op de vele niveaus van de samenleving waar zich deze
                                 conflicten voordoen, redelijke vormen van conflictbeslechting te vinden, te
                                 ontwikkelen en te onderhouden. De ontwikkeling van de democratische
</pre>

====================================================================== Einde pagina 68 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 69 ======================================================================

<pre>       een verkenning van de begrippen ‘waarden’ en ‘normen’ en de problemen die hiermee samenhangen
rechtsstaat kan in dit licht worden gezien als een min of meer stabiele manier
om onvermijdelijke waardeconflicten zó op te lossen dat de samenleving niet
uiteenvalt en dat minimale basiswaarden, neergelegd in de mensenrechten,
daarbij niet worden geschonden (zie ook hoofdstuk 5).
                                                                                                     67
</pre>

====================================================================== Einde pagina 69 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 70 ======================================================================

<pre>   wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
68
</pre>

====================================================================== Einde pagina 70 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 71 ======================================================================

<pre>                                                 waarden, normen en gedrag: de mening van de bevolking
3   waarden, normen en gedr ag: de mening
    van de bevolking
3.1 inleiding
    Voor wie zijn oor in de samenleving te luisteren legt, kan er geen misverstand
    over bestaan: volgens de burgers is er sprake van een schrikbarend verval van
    normen en waarden. Meer dan twee op de drie Nederlanders (69% in 1998;
    Dekker 2001: 38) zijn van mening dat de opvattingen over gedrag en zeden in ons
    land steeds meer achteruitgaan. Steeds meer mensen dringen voor bij het instap-
    pen in bus, tram of trein en staan niet meer op voor een oudere, mensen gooien
    hun afval op straat, fietsers en automobilisten stoppen niet meer voor rood licht,
    voor het minste of geringste krijg je een klap of zelfs een mes tussen je ribben en
    steeds minder mensen zijn nog bereid zonder betaling iets voor een ander te
    doen. Hoe breed deze opvattingen ook mogen worden gedeeld, het is niet
    eenvoudig om een goed beeld te krijgen van de stand van zaken en de ontwikke-
    lingen ten aanzien van waarden, normen en gedrag in Nederland. Klachten over
    verval van waarden en normen zijn van alle tijden en ‘vroeger’ was het altijd al
    beter. Hoe kun je onderscheid maken tussen modieuze grillen en ongenoegens                         69
    en reële ontwikkelingen?
    Dit hoofdstuk wil niet meer dan een overzicht bieden van de publieke opinie
    over waarden, normen en gedrag. Het gaat om gegevens die zijn ontleend aan
    grootschalige persoonsenquêtes waarin een representatieve steekproef uit de
    bevolking wordt gevraagd naar zijn perceptie en opvattingen over een grote
    verscheidenheid aan waarden, normen en gedragingen. De gegevens in dit
    hoofdstuk zijn voor het grootste deel afkomstig uit een rapport dat het Sociaal
    en Cultureel Planbureau in samenwerking met de wrr ten behoeve van het
    project waarden, normen en gedrag heeft opgesteld (Dekker et al. 2003).
    Dit achterliggende rapport biedt niet alleen een uitvoeriger overzicht van het
    beschikbare cijfermateriaal, maar gaat ook in op de representativiteit van de
    gegevens en op een aantal methodologische aspecten. De uitspraken die respon-
    denten in een enquête doen over hun eigen opvattingen en gedragingen en
    over die van hun medeburgers, hoeven natuurlijk niet overeen te komen met de
    werkelijkheid. In paragraaf 3.2 wordt hierop wat nader ingegaan. Niettemin
    bieden deze enquêteresultaten wel enig inzicht in de achtergronden van de
    huidige onvrede over waarden, normen en gedrag en helpen daarmee het
    waarden- en normendebat in het juiste perspectief te plaatsen. In hoofdstuk 4
    worden vervolgens de beschikbare gegevens in kaart gebracht over de feitelijke
    gedragingen van de Nederlandse bevolking die strijdig zijn met gangbare en/of
    wettelijke normen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 71 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 72 ======================================================================

<pre>   wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
               3.2         het meten van meningen over waarden, normen en
                           gedr ag
                           Waarden en normen kun je niet zien, voelen of ruiken: ze zitten verborgen in de
                           hoofden en harten van mensen. Om toch iets te weten te komen over de
                           waarden en normen die mensen aanhangen kun je twee wegen bewandelen: je
                           kunt mensen er rechtstreeks naar vragen en je kunt hun gedrag observeren en
                           daaruit hun waarden en normen proberen af te leiden. In het algemeen leiden
                           beide wegen niet naar dezelfde bestemming. Het zeg-gedrag van mensen hoeft
                           niet overeen te komen met hun doe-gedrag. Zo geven mensen vaak sociaal
                           wenselijke antwoorden die niet overeenkomen met wat zij werkelijk vinden, laat
                           staan met wat zij doen. Over het algemeen levert het waarnemen van gedrag
                           betrouwbaarder uitkomsten op dan het stellen van een opinievraag (economen
                           spreken in dit verband van revealed preference). Toch is het bij het meten van
                           waarden onvermijdelijk om een beroep te doen op het zeg-gedrag van mensen.
                           Waarden zijn over het algemeen namelijk zo abstract dat er geen eenduidige
                           gedragsregels uit kunnen worden afgeleid (vgl. hoofdstuk 2). Dit betekent dat
                           verschillende gedragingen overeen kunnen komen met dezelfde waarde en dat
                           identieke gedragingen kunnen voortvloeien uit verschillende waarden.
70
                           Het is bovendien de vraag of het wel zo erg is als mensen op een vraag naar hun
                           waarden een sociaal wenselijk antwoord geven. Het feit dat iemand een bepaald
                           antwoord sociaal wenselijk acht, betekent immers dat hij of zij van mening is dat
                           de betreffende waarde in de samenleving belangrijk wordt gevonden en dat men
                           zich daarbij dient aan te sluiten (vgl. Dekker 2001: 17). Als iemand bijvoorbeeld
                           zwarten minderwaardig vindt, maar niettemin zegt dat hij alle mensen, onge-
                           acht hun ras, als gelijkwaardig beschouwt, dan erkent hij daarmee dat gelijk-
                           waardigheid een belangrijke maatschappelijke waarde is. Uiteindelijk is het
                           minder interessant wat mensen werkelijk, diep in hun hart vinden dan hoe zij
                           zich publiekelijk uiten en gedragen.
                           Bij normen is de spanning tussen zeg-gedrag en doe-gedrag problematischer. Als
                           iemand zegt een bepaalde norm te onderschrijven, terwijl zijn gedrag daarmee
                           flagrant in strijd is, dan heeft die norm blijkbaar geen betekenis voor hem.
                           Wie zegt belastingontduiking af te wijzen, maar niettemin ieder jaar een valse
                           belastingaangifte doet, geeft daarmee te kennen de betreffende norm niet te
                           onderschrijven. Overigens is het ook in dit geval niet zonder betekenis dat men
                           de betreffende norm toch sociaal wenselijk acht en daarom niet durft te zeggen
                           dat men haar niet onderschrijft. Het komt echter ook veelvuldig voor dat men
                           een norm overschrijdt die men wel degelijk onderschrijft, omdat men aan
                           andere overwegingen een zwaarder gewicht toekent. Zo kan iemand door rood
                           licht rijden omdat hij grote haast heeft, maar toch de betreffende verkeersregel
                           in het algemeen best onderschrijven.
                           Gedragingen kan men, anders dan waarden en normen, wel direct waarnemen.
                           In beginsel zijn ontwikkelingen in het gedrag dan ook gemakkelijker te ‘meten’
</pre>

====================================================================== Einde pagina 72 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 73 ======================================================================

<pre>                                               waarden, normen en gedrag: de mening van de bevolking
dan trends in waarden en normen. Hoofdstuk 4 geeft een overzicht van de
beschikbare gegevens over een aantal uiteenlopende vormen van normover-
schrijdend gedrag. Dit hoofdstuk beperkt zich tot de perceptie van normover-
schrijdend gedrag door de burgers. Zoals bekend hoeft dit niet overeen te komen
met het feitelijke vóórkomen van normoverschrijdend gedrag. De uitspraken die
mensen doen over de toename of afname van gedrag waaraan zij zich storen,
geven echter wel een indruk van de ernst van de problematiek van normen en
gedrag in de visie van de ‘gemiddelde’ burger. Behalve aan normoverschrijdend
gedrag wordt ook enige aandacht besteed aan positief gedrag: mensen die méér
doen dan de algemeen aanvaarde normen voorschrijven, zoals vrijwilligerswerk
en giften aan ‘goede doelen’.
De hierboven geschetste problemen bij het meten van waarden, normen en
gedrag zijn het grootst indien men een uitspraak wil doen over de stand van
zaken op een bepaald moment. Hoeveel procent van de bevolking onderschrijft
vrijheid van meningsuiting? Hoeveel procent vindt dat je je moet houden aan de
maximumsnelheid? En hoeveel procent heeft wel eens zwartgewerkt? De abso-
lute percentages die je hierover uit onderzoek kunt afleiden, zeggen niet veel: de
eerste twee zijn waarschijnlijk veel te hoog en de laatste te laag. Het kan echter
wel zinvol zijn om vergelijkingen tussen percentages te maken. Als de verteke-                       71
ning die optreedt als gevolg van sociaal wenselijke antwoorden en andere versto-
rende factoren (zoals verschillen in interpretatie van een bepaalde vraag) in de
loop van de tijd constant is en niet varieert tussen verschillende groepen, dan is
het mogelijk om redelijk betrouwbare uitspraken te doen over ontwikkelingen
in de tijd en over verschillen tussen bevolkingsgroepen of tussen landen. De
empirische gegevens in dit hoofdstuk beperken zich dan ook voornamelijk tot
dergelijke vergelijkingen. Daarnaast zal ook een poging worden gedaan om de
ontwikkelingen in de tijd te relateren aan de aflossing van generaties. Zijn veran-
deringen in waarden, normen en gedrag (mede) het gevolg van het feit dat
oudere generaties worden opgevolgd door jongere generaties die zich kenmerken
door andere waarden, normen en gedrag? Of doen zich in alle generaties verge-
lijkbare ontwikkelingen voor?
Het was – op een uitzondering na – niet mogelijk voor dit rapport nieuwe data te
(laten) verzamelen. De empirische gegevens in dit hoofdstuk zijn dan ook
afkomstig uit eerder door andere instanties verricht onderzoek. Het is daardoor
onvermijdelijk dat de gepresenteerde gegevens vaak niet aansluiten bij de defini-
ties en interpretaties die in dit rapport van waarden, normen en gedrag worden
gegeven. Dit betekent dat bij voorbaat de nodige terughoudendheid gewenst is
bij het verbinden van conclusies aan het empirische materiaal. In de meeste
gevallen is het alternatief echter dat men afgaat op de eigen persoonlijke ervarin-
gen of op de indrukken die worden opgeroepen door de media. Aangezien deze
waarschijnlijk een nog sterker vertekend beeld van de werkelijkheid geven,
verdient het toch de voorkeur zich bij een analyse van waarden, normen en
gedrag (mede) te baseren op het beschikbare empirische materiaal, hoe gebrekkig
dit ook moge zijn.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 73 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 74 ======================================================================

<pre>   wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                           De meeste gegevens die hier worden gepresenteerd, zijn afkomstig uit groot-
                           schalige enquêtes (surveys) onder een representatieve steekproef van de bevol-
                           king. Voor Nederland gaat het hierbij in het bijzonder om het onderzoek Cultu-
                           rele veranderingen in Nederland (cv) van het Sociaal en Cultureel Planbureau
                           (scp) en het onderzoek Sociaal-culturele ontwikkelingen in Nederland (socon)
                           van de universiteiten van Nijmegen en Tilburg. cv wordt sinds 1975 om de een of
                           twee jaar gehouden. Voor sommige vragen kan op basis van eerdere onderzoeken
                           een tijdreeks vanaf 1970 worden geconstrueerd. socon wordt sinds 1985 iedere
                           vijf jaar gehouden. Om vergelijkingen tussen landen te maken is gebruikgemaakt
                           van enkele internationale onderzoeken. Het gaat om respectievelijk de European
                           Values Study (evs), het International Social Survey Programme (issp) en de
                           Eurobarometer van de Europese Commissie.
               3.3         waarden
                           Meer dan twee derde van de bevolking is van mening dat de opvattingen over
                           gedrag en zeden in ons land steeds meer achteruitgaan. Bovendien groeit dit
                           aandeel sinds 1970 gestaag (zie tabel 3.1). Tegelijkertijd neemt de onzekerheid van
                           de burger over wat goed en verkeerd is af; in 1970 verkeerde ongeveer de helft
72                         van de bevolking hierover in onzekerheid, in 1996 was dit nog maar ongeveer
                           een derde. Een mogelijke interpretatie van deze uitkomst zou kunnen zijn dat
                           mensen steeds negatiever worden over ‘gedrag en zeden in ons land’ doordat zij
                 Tabel 3.1          Mening over achteruitgang van gedrag en zeden en onzekerheid over waarden en
                                    normen (in %), 1970-1998
                                                             1970    1975     1980    1985    1991     1996    1998
                 De opvattingen over gedrag en zeden in         39      53      60       56      .00     61      69
                 ons land gaan steeds meer achteruit
                 Er zijn zo veel verschillende opvattingen      56      52      52       47      43      38      .00
                 over wat goed en verkeerd is dat je soms
                 niet meer weet waar je aan toe bent
                 Alles verandert heden ten dage zo snel         45      44      40       35      34      33      .00
                 dat men vaak nauwelijks meer weet wat
                 goed en wat slecht is
                 Bron: scp (cv ’70-’98)
                           zelf steeds meer uitgesproken opvattingen hebben ‘over wat goed en verkeerd is’.
                           Een andere interpretatie is echter dat mensen hypocrieter worden: wellicht
                           vinden zij het gemakkelijker te oordelen over goed en kwaad omdat zij deze
                           vooral op anderen en niet op zichzelf van toepassing achten.
                           Waarden zijn er in zeer uiteenlopende soorten en maten, zo is in hoofdstuk 2
                           uiteengezet. Het is dan ook onmogelijk om in het bestek van dit hoofdstuk een
</pre>

====================================================================== Einde pagina 74 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 75 ======================================================================

<pre>                                                 waarden, normen en gedrag: de mening van de bevolking
uitputtend overzicht te geven van de steun onder de bevolking voor allerlei
waarden. De aandacht beperkt zich hier daarom tot een aantal waarden die ten
grondslag liggen aan de rechtsstaat en de elementaire burgerrechten. Meer dan
bij veel andere waarden is het immers van groot belang dat deze waarden een
breed draagvlak onder de bevolking hebben (zie ook hoofdstuk 5).
Het Sociaal en Cultureel Rapport 1998 – 25 jaar sociale verandering (hoofdstuk 5
en 6) biedt een overzicht van de ontwikkeling van een aantal waarden sinds het
begin van de jaren zeventig. De steun voor democratische vrijheden als demon-
streren, staken, publiceren wat men wil en in het openbaar zeggen wat men wil,
nam in de jaren zeventig licht af (sic!), maar is sinds 1980 gestaag toegenomen
(scp 1998: 131; de meest recente gegevens zijn echter van 1995). De mate waarin
men godsdienstige groepen vrij wil laten in hun doen en laten loopt sinds 1985
echter terug (scp 1998: 138; scp 2003a: 111). Dit geldt het sterkst voor de vrijheid
die men islamieten gunt (van 80% in 1985 naar 57% in 2000), maar in mindere mate
ook voor katholieke en protestantse groepen. De tolerantie jegens godsdienstige
groepen in het algemeen lijkt dus kleiner te worden. Wellicht hangt dit samen met
het feit dat steeds meer mensen van mening zijn dat politiek en godsdienst los van
elkaar moeten staan: in 1975 vond 57 procent van de bevolking dit, in 1996 73 pro-
cent (scp 1998: 172). Helaas zijn aan de ondervraagden geen concrete activiteiten                      73
van godsdienstige groepen voorgelegd, zodat onduidelijk is ten aanzien van welke
aspecten van bijvoorbeeld de islam men minder tolerant is geworden.
Een internationale vergelijking van de steun voor de waarden van de rechtsstaat
kan worden gebaseerd op de Eurobarometer 47 uit 1997. Hierin werd de steun
van de bevolking van de landen van de eu onderzocht voor een aantal rechten en
vrijheden, waaronder vrijheid van meningsuiting, vrijheid van vereniging, gods-
dienst- en gewetensvrijheid en gelijkheid voor de wet. Tabel 3.2 geeft een over-
zicht van de belangrijkste uitkomsten voor een zevental landen. Over het alge-
meen worden de elementaire rechten en vrijheden door een ruime meerderheid
van de bevolking van de eu-landen gesteund. Alleen de vrijheid van vereniging
en het actieve en passieve kiesrecht worden door een grote minderheid niet
vanzelfsprekend gevonden. Nederland blijkt ten aanzien van een aantal grond-
rechten – vrijheid van meningsuiting, vrijheid van vereniging, recht op eigen
taal en cultuur en kiesrecht – relatief laag te scoren. Ten aanzien van godsdienst-
en gewetensvrijheid en het recht op bescherming tegen discriminatie scoort
Nederland daarentegen wel hoog.
Het is lastig om deze cijfers te interpreteren. Zo is aan de respondenten alleen
gevraagd of de betreffende rechten en vrijheid ‘onder alle omstandigheden
moeten worden gerespecteerd, of dat dit afhangt van de omstandigheden’.
Men kon dus niet antwoorden dat men een recht of vrijheid in zijn algemeen-
heid afwijst, terwijl de ‘omstandigheden’ niet nader werden gespecificeerd.
De ‘omstandigheden’ die de respondenten in gedachten hebben, zouden dan
ook kunnen samenhangen met uiteenlopende ervaringen in de verschillende
landen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 75 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 76 ======================================================================

<pre>                                                                                          74
Tabel 3.2    Percentage van de bevolking dat het betreffende recht of de betreffende vrijheid onder alle omstandigheden wil respecteren, 1997
                Vrijheid van        Vrijheid van        Recht op eigen      Godsdienst- en      Gelijkheid voor    Recht om te stem-      Recht op wette-
               meningsuiting         vereniging         taal en cultuur    gewetensvrijheid         de wet          men en gekozen         lijke bescher-
                                                                                                                   te worden in poli-       ming tegen
                                                                                                                   tieke verkiezingen      discriminatie
Nederland            76                  52                  74                   87                   88                   57                   89
                                                                                                                                                            wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
België               80                  57                  63                   64                   77                   32                   69
Denemarken           79                  51                  74                   74                   91                   54                   80
Duitsland            78                  63                  79                   78                   90                   56                   82
Frankrijk            77                  52                  72                   71                   91                   54                   80
Verenigd
Koninkrijk           71                  55                  74                   71                   75                   68                   83
Zweden               67                  46                  61                   64                   94                   62                   86
eu-15                79                  60                  80                   79                   88                   62                   83
Bron: Europese Commissie (1997), Eurobarometer 47
</pre>

====================================================================== Einde pagina 76 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 77 ======================================================================

<pre>                                                           waarden, normen en gedrag: de mening van de bevolking
           Enkele internationaal vergelijkende cijfers over de steun voor de democratie
           kunnen worden ontleend aan de European Values Study (evs). Tabel 3.3 geeft de
           uitkomsten voor enkele West-Europese landen in 1999/2000.
 Tabel 3.3       Opvattingen over democratie, 1999/2000 (in %)
                                       Een democratisch politiek           Democratie mag dan
                                           systeem hebben is:             problemen hebben, het
                                                                        is beter dan enige andere
                                                                              regeringsvorm:
                                           zeer/tamelijk goed                (sterk) mee eens
 Nederland                                         96                                96
 België                                            89                                82
 Denemarken                                        98                                99
 Duitsland                                         95                                97
 Frankrijk                                         89                                93
 Groot-Brittannië                                  88                                78                          75
 Zweden                                            97                                94
 Gemiddelde West-Europa                            93                                94
 Bron: Dekker et al. (2003)
           De steun voor de democratie als staatsvorm is over het algemeen zeer groot.
           Alleen de Britten en Belgen hebben er wat meer bedenkingen bij. Nederland
           behoort tot de landen die het hoogst scoren. De scepsis van de Britten over de
           democratie als ‘beste’ regeringsvorm is opmerkelijk, aangezien hun steun voor
           actief en passief kiesrecht blijkens tabel 3.2 relatief groot is.
3.4        normen
           Normen kan men onderscheiden in onder meer formele juridische normen en
           informele sociale normen (vgl. hoofdstuk 2). De aandacht beperkt zich in deze
           paragraaf tot formele normen. Niet alleen is daarover meer informatie beschik-
           baar, maar de mate waarin deze normen worden onderschreven is ook gemakke-
           lijker te waarderen. Als een informele norm (bijvoorbeeld elkaar groeten op
           straat) in de loop van de tijd minder steun krijgt, is het niet zonder meer duide-
           lijk of men dit als een ongunstige ontwikkeling moet aanmerken. Als een
           formele, wettelijke norm echter op steeds minder steun kan rekenen, duidt dit in
           het algemeen op een probleem: ofwel de wet dient te worden gewijzigd omdat
           zij achterhaald is, ofwel er is meer aandacht nodig voor de internalisering of de
           handhaving van de norm.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 77 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 78 ======================================================================

<pre>                                                                                                              76
Tabel 3.4         Percentage van de bevolking dat vindt dat het volgende nooit gerechtvaardigd kan zijn, 1999/2000
                          Soc. zek.     Belasting-       Zwart        Smeer-           Te hard      Rijden on-     Joyriding     Zwart-       Softdrugs       Roken         Afval
                            fraude        fraude        betalen         geld           rijden       der invloed                   rijden
Nederland                     82            77             75               73           66              60           47            46            44             31          16
België                        93            58             74               68           79              59           80            38            61             48          27
Denemarken                    96            83             93               93           80              56           62            66            71             26          24
                                                                                                                                                                                    wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
Duitsland                     88            63             78               67           52              56           68            57            54             25          42
Frankrijk                     86            41             66               67           76              45           69            48            54             42          32
Groot-Brittannië              89            67             80               67           48              56           51            55            46             30          33
Zweden                        87            55             83               68           44              38           72            51               .           40          25
Toelichting:
Soc. zek. fraude        = een sociale uitkering aanvragen waar je geen recht op hebt             Joyriding             = een auto van iemand anders nemen en ermee rijden
Belastingfraude         = belasting ontduiken als je daartoe de kans hebt                        Zwart rijden          = zonder kaartje reizen in het openbaar vervoer
Zwart betalen           = contant betalen voor diensten om de belasting te ontlopen              Softdrugs             = de drug marihuana of hasjiesj gebruiken
Smeergeld               = smeergeld aannemen als deel van je werk                                Roken                 = roken in openbare ruimtes
Te hard rijden          = te hard rijden in de bebouwde kom                                      Afval                 = afval weggooien in de openbare ruimte
Rijden onder invloed = rijden onder de invloed van alcohol
Bron: Dekker et al. (2003)
</pre>

====================================================================== Einde pagina 78 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 79 ======================================================================

<pre>                                                   waarden, normen en gedrag: de mening van de bevolking
    In de European Values Study (evs) van 1999/2000 is gevraagd of bepaalde
    vormen van normoverschrijdend gedrag nooit, soms of altijd te rechtvaardigen
    zijn. Tabel 3.4 geeft een aantal uitkomsten die voornamelijk betrekking hebben
    op lichte tot middelzware vormen van wetsovertreding.
    Over het algemeen staan West-Europeanen weinig tolerant tegenover de
    genoemde vormen van wetsovertreding. Voor de meeste overtredingen geldt dat
    de meerderheid deze nooit te rechtvaardigen vindt. Nederlanders oordelen
    streng over socialezekerheids- en belastingfraude en mild over afval weggooien
    en roken in openbare ruimtes. Vergeleken met andere West-Europeanen wijzen
    Nederlanders vooral belastingfraude, smeergeld en rijden onder invloed sterk af
    (hoewel de Denen bij de eerste twee nog strenger zijn), terwijl Nederlanders
    relatief tolerant zijn ten aanzien van socialezekerheidsfraude, softdrugsgebruik,
    joyriding en afval weggooien. Over het geheel genomen wijken Nederlanders in
    hun beoordeling van wetsovertredingen echter niet sterk af van andere West-
    Europeanen.
    Op basis van gegevens uit het internationale onderzoek issp is het mogelijk iets
    te zeggen over veranderingen in de acceptatie van twee vormen van normover-
    schrijdend gedrag, namelijk socialezekerheidsfraude en belastingfraude (tabel                        77
    3.5). Tweemaal, in 1991 en 1998, is gevraagd of men het ‘acceptabel’ vond of
    ‘verkeerd, maar begrijpelijk’ dat ‘iemand niet al zijn inkomsten opgeeft om zo
    minder belasting te hoeven betalen’ of dat ‘iemand de overheid onjuiste informa-
    tie geeft over zichzelf om een uitkering te krijgen waar hij geen recht op heeft’
    (de andere antwoordmogelijkheden waren ‘verkeerd’ en ‘absoluut verkeerd’).
    Net als uit de eerdergenoemde onderzoeken blijkt ook hieruit dat belastingfraude
    eerder wordt geaccepteerd dan socialezekerheidsfraude. Dat iemand niet al zijn
    inkomsten opgeeft voor de belasting vond in 1998 2 procent van de Nederlanders
    ‘acceptabel’ en 37 procent ‘verkeerd, maar begrijpelijk’, terwijl deze percentages
    voor ten onrechte een uitkering aanvragen slechts 0 respectievelijk 3 waren.
    Tussen 1991 en 1998 nam zowel de acceptatie van belastingfraude als van sociale-
    zekerheidsfraude af, zij het sterker bij belastingfraude. In overeenstemming met
    de uitkomsten van de evs oordelen Nederlanders, vergeleken met Italianen,
    Noren, Britten en Amerikanen, relatief mild over belastingontduiking en streng
    over socialezekerheidsfraude. Ook in de andere landen is de tolerantie tegenover
    socialezekerheidsfraude tussen 1991 en 1998 afgenomen (het sterkst in Groot-
    Brittannië), maar het oordeel over belastingfraude is in Italië, Noorwegen en
    Groot-Brittannië juist iets milder geworden.
3.5 gedr ag
    Doordat gedrag – anders dan de waarden en normen die mensen onderschrij-
    ven – direct kan worden waargenomen, is het in beginsel eenvoudiger om hier-
    over gegevens te verzamelen. Bij veel – maar zeker niet alle – gedrag is het boven-
    dien relatief eenvoudig vast te stellen of het in overeenstemming of strijdig is
    met bepaalde normen (denk bijvoorbeeld aan te hard rijden, afval weggooien op
</pre>

====================================================================== Einde pagina 79 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 80 ======================================================================

<pre>                                                                                               78
Tabel 3.5        Acceptatie en afwijzing van belasting- en socialezekerheidsfraude (in %), 1991 en 1998
                                                   Nederland                   Italië                    Noorwegen    Groot-Brittannië   Verenigde Staten
                                                1991       1998         1991            1998    1991           1998   1991       1998    1991       1998
Iemand geeft niet al zijn inkomen op om
zo minder belasting te hoeven betalen
                                                                                                                                                            wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
Acceptabel                                        05         02          11              12         05          05     04         03      04         05
Verkeerd, maar begrijpelijk                       50         37          15              18         18          20     23         25      13         11
(Absoluut) verkeerd                               45         61          74              70         77          75     73         72      83         84
Iemand geeft de overheid onjuiste
informatie over zichzelf om een uitkering
te krijgen waar hij geen recht op heeft
Acceptabel                                        00         00          05              04         00          01     00         00      02         02
Verkeerd, maar begrijpelijk                       04         03          07              10         03          03     08         03      04         03
(Absoluut) verkeerd                               96         97          88              86         97          96     92         97      94         95
Bron: Dekker (2001: 20) (issp)
</pre>

====================================================================== Einde pagina 80 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 81 ======================================================================

<pre>                                                         waarden, normen en gedrag: de mening van de bevolking
        straat en beroving). De variëteit aan gedragingen die kan worden geanalyseerd
        om het vóórkomen van normconform of normoverschrijdend gedrag in kaart te
        brengen is dan ook onuitputtelijk.
        De aandacht beperkt zich hier tot de perceptie van wetsovertreding en crimina-
        liteit door de burgers en enkele vormen van normoverschrijdend gedrag waar-
        over in grootschalige enquêtes informatie wordt verzameld. Hiernaast is het
        interessant om gegevens te verzamelen over ‘lofwaardig’ gedrag, dat wil zeggen
        gedrag dat niet slechts in overeenstemming is met algemeen aanvaarde normen,
        maar doorgaans wordt toegejuicht omdat het getuigt van gemeenschapszin. Te
        denken valt aan vrijwilligerswerk en lidmaatschap of donateurschap van ideële
        organisaties. Vaak wordt verondersteld dat een toename van normoverschrij-
        dend gedrag samengaat met een afname van lofwaardig gedrag. Ook over dit
        soort gedrag zijn niet erg veel gegevens beschikbaar. Bovendien zijn deze groten-
        deels gebaseerd op zelfrapportage, hetgeen gemakkelijk tot een te positieve
        beoordeling kan leiden.
        Perceptie van wetsover treding
        Een zeer grote meerderheid van de bevolking – acht à negen op de tien mensen –
        is van mening dat ‘de misdadigheid in Nederland de laatste tijd toeneemt’. Dit is                      79
        overigens al sinds 1980 het geval (zie tabel 3.6). Een ongeveer even hoog percen-
        tage (83 procent in 1980 en 84 procent in 1996) vindt ‘dat de misdaad in Neder-
        land een echt probleem aan het worden is’ (scp 1998: 638; scp 2002: 656).
Tabel 3.6      Bent u van mening dat de misdadigheid in Nederland de laatste tijd toeneemt, gelijk
               blijft of afneemt? (in procenten)
Jaar                                    Neemt toe             Blijft gelijk             Neemt af
1980                                        89                     10                       1
1996                                        83                     15                       2
2000                                        85                     14                       1
Bron: scp (cv’80, cv’96 en cv2000)
        Een internationale vergelijking van de perceptie van criminaliteit en wetsover-
        treding kan worden ontleend aan de evs van 1999/2000. Hierin is aan de
        respondenten gevraagd hoeveel mensen zich naar hun oordeel schuldig maken
        aan verschillende vormen van wetsovertreding. Het gaat hierbij om een deel van
        de overtredingen en misdrijven die in tabel 3.4 zijn vermeld. Tabel 3.7 geeft de
        resultaten voor zeven landen.
        Hoewel de groeiende onvrede over normvervaging en criminaliteit anders doet
        vermoeden, blijken in Nederland veel minder mensen dan in de meeste andere
        West-Europese landen van mening dat veel van hun landgenoten zich schuldig
        maken aan de in tabel 3.7 genoemde vormen van wetsovertreding. Minder dan
</pre>

====================================================================== Einde pagina 81 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 82 ======================================================================

<pre>   wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                 Tabel 3.7          Hoeveel van uw landgenoten doen volgens u het volgende? (antwoordcategorieën
                                    ‘bijna iedereen’ en ‘veel’ in %), 1999/2000
                                             Soc. zek.     Belasting-      Zwart       Te hard    Rijden on- Softdrugs Afval
                                               fraude        fraude       betalen       rijden   der invloed
                 Nederland                        7            48            46           36          10         9      31
                 België                          33            68            62           60          35        23      38
                 Denemarken                      31            50            76           70          21        26      44
                 Duitsland                       49            64            58           74          36        22      57
                 Frankrijk                       38            40            39           64          50        31      46
                 Groot-Brittannië                61            64            66           77          42        63      76
                 Zweden                          33            52            56           62          13        12      58
                 Toelichting:
                 Soc. zek. fraude         = een sociale uitkering aanvragen waar zij geen recht op hebben
                 Belastingfraude          = belasting ontduiken als zij daartoe de kans hebben
                 Zwart betalen            = contant betalen voor diensten om de belasting te ontlopen
                 Te hard rijden           = te hard rijden in de bebouwde kom
80               Rijden onder invloed = rijden onder de invloed van alcohol
                 Softdrugs                = de drug marihuana of hasjiesj gebruiken
                 Afval                    = afval weggooien in de openbare ruimte
                 Bron: Dekker et al. (2003)
                           een op de tien Nederlanders meent dat veel landgenoten ten onrechte een uitke-
                           ring aanvragen of softdrugs gebruiken. Belastingfraude en zwart betalen worden
                           nog als de meest ‘algemene’ vormen van wetsovertreding beschouwd, maar ook
                           hier scoort Nederland laag in vergelijking met de meeste andere landen. Het is
                           niet duidelijk hoe deze uitkomst moet worden geïnterpreteerd. Men dient te
                           bedenken dat niet is gevraagd naar het vóórkomen van wetsovertreding, maar
                           naar een schatting van het aantal mensen dat zich daaraan schuldig maakt. Het is
                           dus denkbaar dat Nederlanders niet minder wetsovertreding signaleren dan de
                           inwoners van andere Europese landen, maar deze alleen aan een kleiner deel van
                           de bevolking toeschrijven. Indien deze interpretatie juist is, maken Nederlanders
                           veel scherper onderscheid dan andere Europeanen tussen de grote meerderheid
                           van ‘brave’ burgers en een kleine groep wetsovertreders.
                           Zoals opgemerkt is een grote meerderheid van de Nederlandse bevolking al
                           jarenlang van mening dat de criminaliteit toeneemt. Het is echter de vraag of
                           men bij verschillende vormen van wetsovertreding een gelijksoortige ontwikke-
                           ling meent waar te nemen. Enig inzicht hierin kan worden verkregen door de
                           uitkomsten van een onderzoekje dat in 1991 in opdracht van de Volkskrant werd
                           uitgevoerd te vergelijken met een herhaling van dit onderzoek in opdracht van
                           de wrr in het najaar van 2003. In dit onderzoek is gevraagd of men zich schuldig
                           zou maken aan enkele vormen van relatief veelvoorkomende fraude en of men
</pre>

====================================================================== Einde pagina 82 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 83 ======================================================================

<pre>                                                                    waarden, normen en gedrag: de mening van de bevolking
Tabel 3.8          De waarschijnlijkheid zelf te frauderen en de perceptie van fraude door anderen*
                   (in procenten van de bevolking van 18 jaar en ouder)
                                                                        1991                       2003
                                                              Zelf doen     Anderen        Zelf doen   Anderen
Stel dat u iemand als werkster wilt aannemen; u
vindt een goede kandidaat, maar zij wenst uitsluitend
zwart te werken, omdat zij een uitkering heeft                     57           79            46           73
Stel dat u uw keuken wilt laten verbouwen; u vindt
een aannemer, die de verbouwing voordelig wil doen,
maar dan zonder btw                                                64           87            49           71
Stel dat u een belastingvoordeel kunt behalen door
bepaalde inkomsten voor de belasting te verzwijgen,
inkomsten die door de belasting waarschijnlijk niet
te achterhalen zijn                                                45           73            26           60
Stel dat u een reisverzekering heeft afgesloten en
uw koffer is gestolen; de verzekering dekt alleen
schade boven 500 gulden /300 euro; u kunt uw vol-
ledige schade wel vergoed krijgen door ten onrechte                                                                       81
op te geven dat ook uw fototoestel is gestolen                     22           62            25           62
* De introductie van de vraag luidde: ‘Ik ga u nu enkele situaties beschrijven waar je als burger mee te maken
  kunt krijgen. Het gaat om situaties waarbij het lonend kan zijn om je niet aan de wet te houden.
  Wilt u mij steeds zeggen of u in die situatie zeker voor de verleiding zou bezwijken, waarschijnlijk wel, waar-
  schijnlijk niet of zeker niet? (….) En wat denkt u dat de meeste mensen in dat geval zullen doen?’
  (De antwoordcategorieën ‘zeker doen’ en ‘waarschijnlijk doen’ zijn opgeteld.)
Bron: InterView (1991), Interview-nss (2003)
           van mening is dat veel anderen zich daaraan schuldig maken. Tabel 3.8 geeft de
           uitkomsten van dit onderzoek. Zoals geen verbazing zal wekken zijn de onder-
           vraagden van mening dat anderen zich vaker schuldig maken aan fraude dan
           zijzelf. Niettemin geeft ongeveer de helft toe dat zijzelf gebruik zouden maken
           van een ‘zwarte’ werkster of ‘zwart’ hun keuken zouden laten verbouwen. Een
           kwart zegt inkomsten te verzwijgen voor de belasting als dit mogelijk is zonder
           betrapt te worden, en eveneens een kwart schrikt er niet voor terug om een reis-
           verzekeringsmaatschappij op te lichten. In alle gevallen is een ruime meerder-
           heid van mening dat anderen (ook) voor de verleiding van een frauduleus verkre-
           gen voordeel zouden bezwijken.
           Vergelijkt men de uitkomsten in beide jaren, dan valt op dat de burgers in 2003
           beduidend minder vaak erkennen zich aan fraude schuldig te maken dan in 1991.
           Of dit veel zegt over het feitelijke gedrag is de vraag. De afname vormt wel een
           aanwijzing dat meer mensen zich bewust zijn van de sociale ongepastheid van
           belastingontduiking en daarom in ieder geval het sociaal wenselijke antwoord
</pre>

====================================================================== Einde pagina 83 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 84 ======================================================================

<pre>   wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                           geven. Dit is in overeenstemming met de cijfers in tabel 3.5, waaruit blijkt dat
                           belastingontduiking in 1998 minder werd geaccepteerd dan in 1991. Opmerkelijk
                           is wel dat ook minder ondervraagden van mening zijn dat anderen zich aan
                           belastingfraude schuldig maken, al gaat het nog altijd om een grote meerderheid.
                           Het pessimisme over het gedrag van anderen is dus weliswaar groot, maar lijkt
                           het afgelopen decennium niet verder te zijn toegenomen.
                           Lofwaardig gedrag
                           Een veelgebruikte indicator voor gedrag dat getuigt van gemeenschapszin is
                           deelname aan vrijwilligerswerk. Betrouwbare cijfers hierover zijn echter niet
                           eenvoudig te verkrijgen, aangezien veel vrijwilligerswerk uit zijn aard niet wordt
                           geregistreerd. Verschillende onderzoeksmethoden leveren ook niet altijd eendui-
                           dige uitkomsten op. Tabel 3.9 geeft enige cijfers over het percentage van de
                           bevolking dat in een willekeurige week vrijwilligerswerk doet en de tijd die men
                           daaraan per hoofd van de bevolking besteedt op basis van verschillende onder-
                  Tabel 3.9         Vrijwilligerswerk volgens uiteenlopende onderzoeken (percentage van de bevolking
                                    van 18 jaar en ouder dat vrijwilligerswerk doet en gemiddeld aantal uren vrijwilligers-
82                                  werk)
                                        1989 1990 1992 1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002
                  Culturele veran-
                  deringen (scp)
                  percentage                               28,0   26,0    30,0  29,0  27,0 27,0         29,0          31,0
                  uren per week                              6,5    6,6    6,9   6,6   6,8  5,6          7,0           6,2
                  Tijdbestedings-
                  onderzoek (scp)
                  percentage a                  29,0                      32,0                          26,0
                  uren per week                  5,2                       4,9                           4,7
                  Leefsituatie-
                  onderzoek (cbs)
                  percentage b           42,0        40,0  41,0                       43,0 44,0   45,0  45,0  43,0
                  Geven in
                  Nederland
                  percentage                                                    29,0              24,0  25,0          30,0
                  uren per maand                                               15,0               12,4  12,5          18,0
                  a In de afgelopen week.
                  b In de afgelopen maand.
                  Bron: scp (2003b: bijlage 7.3)
</pre>

====================================================================== Einde pagina 84 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 85 ======================================================================

<pre>                                                  waarden, normen en gedrag: de mening van de bevolking
    zoeken. Anders dan vaak wordt verondersteld bieden deze cijfers geen aanwij-
    zing voor een afnemende bereidheid om vrijwilligerswerk te doen. Afhankelijk
    van de geraadpleegde bron verrichtte in de afgelopen decennia steeds een kwart
    tot bijna de helft van de volwassen bevolking vrijwilligerswerk. Ook het aantal
    uren vrijwilligerswerk dat gemiddeld per hoofd van de bevolking wordt verricht
    is weinig veranderd.
    Uitsplitsing van de cijfers leert echter wel dat er aanzienlijke verschillen zijn
    tussen verschillende bevolkingsgroepen. Jongeren zijn steeds minder vrijwilli-
    gerswerk gaan doen, terwijl de deelname van ouderen, in ieder geval tot begin
    jaren negentig, een licht stijgende trend vertoont (zie ook Dekker 2001). Dat de
    gemiddelde deelname aan vrijwilligerswerk betrekkelijk stabiel is, is dus mede te
    danken aan de vergrijzing van de bevolking. Internationaal gezien is de deelname
    aan vrijwilligerswerk in Nederland groot. In de European Values Study zegt exact
    de helft van de Nederlanders onbetaald vrijwilligerswerk te doen, tegenover
    43 procent van de Britten, 37 procent van de Denen, 36 procent van de Belgen en
    slechts 21 procent van de Duitsers. Alleen van de Zweden zegt een nog groter
    percentage (56%) vrijwilligerswerk te doen (Dekker et al. 2003).
    Een andere indicator voor de bereidheid om zich vrijwillig in te zetten voor                        83
    anderen of voor de gemeenschap is het lidmaatschap van ideële organisaties.
    Tabel 3.10 laat zien dat het aantal leden en donateurs van grote maatschappelijke
    organisaties (met minimaal 50.000 leden) tussen 1980 en 2000 met 33 procent is
    gestegen van ruim 26 miljoen naar bijna 35 miljoen. Hierbij dient men wel te
    bedenken dat de nauwkeurigheid van de opgaven door de organisaties te wensen
    kan overlaten en dat veel mensen lid zijn van meerdere organisaties, zodat het
    aantal leden veel groter is dan het aantal personen dat lid is. Bovendien is in de
    beschouwde periode de bevolking van 15 jaar en ouder met 18 procent gegroeid.
    Ook als hiervoor wordt gecorrigeerd is er echter nog altijd sprake van een aan-
    zienlijke ledenaanwas met 16 procent voor alle organisaties tezamen. Ook de
    opbrengst van fondsenwerving door ideële organisaties laat een forse stijging
    zien: van 535 miljoen euro in 1991 naar 1.729 miljoen in 2001 (Dekker et al. 2003).
    Dit wordt vaak geïnterpreteerd als een verschuiving van actieve naar passieve
    participatie (‘giroboeksolidariteit’), hoewel hierboven bleek dat de deelname aan
    vrijwilligerswerk in ieder geval niet is afgenomen.
3.6 gener atie- effecten?
    Veranderingen in waarden, normen en gedrag kunnen onder meer het gevolg
    zijn van veranderingen in de samenstelling van de bevolking. Als bevolkings-
    groepen die een bepaalde norm het sterkst onderschrijven in omvang terug-
    lopen, terwijl groepen die deze norm minder sterk hebben geïnternaliseerd
    groeien, zal de gemiddelde steun voor de betreffende norm onder de bevolking
    afnemen. Het is echter ook mogelijk dat de steun voor een bepaalde norm in alle
    groepen in dezelfde richting verandert. Met betrekking tot waarden, normen en
    gedrag wordt nogal eens verondersteld dat jongere generaties verschillen van
</pre>

====================================================================== Einde pagina 85 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 86 ======================================================================

<pre>   wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                 Tabel 3.10         Leden/donateursaantallen (x 100.000) van grote maatschappelijke organisaties in
                                    Nederland, 1980-2000 a
                                                                          1980                    2000
                 Politieke partijen                                        003                     002
                 Vrouwen                                                   003                     002
                 Kerk en godsdienst b                                      095                     080
                 Omroeporganisaties c                                      036                     034
                 Werknemers                                                015                     018
                 Sport en recreatie                                        041                     047
                 Werkgevers en zelfstandigen                               002                     003
                 Ouderen                                                   004                    00050
                 Consumenten                                               032                     048
                 Gezondheidszorg                                           016                     036
                 Internationale solidariteit                               019                     044
                 Natuur en milieu                                          004                     030
                 Abortus/euthanasie                                        000                     002
84               Totaal                                                    270                     352
                 a Organisaties met in een peiljaar 50.000 of meer leden/donateurs.
                 b Incl. Nederlands gereformeerde kerken en gereformeerde gemeenten in Nederland.
                 c Excl. voo.
                 Bron: Dekker et al. (2003)
                           oudere generaties. De geleidelijke vervanging van de oudere door de jongere
                           generaties zou dan een belangrijke verklaring zijn voor verschuivingen in de
                           waarden, normen en het gedrag. In empirisch onderzoek is het overigens lastig
                           om dergelijke generatie-effecten te onderscheiden van leeftijdseffecten. Het is
                           bekend dat jongeren er vaak andere opvattingen op na houden dan ouderen,
                           maar met het ouder worden zouden de jongeren hun opvattingen weer kunnen
                           aanpassen. Indien men slechts op één moment de opvattingen van verschillende
                           bevolkingscategorieën vergelijkt, kan men dan ook niet vaststellen of het om
                           leeftijdsverschillen of om generatieverschillen gaat. Alleen als men dezelfde
                           opvattingen over een langere periode volgt, kan men hieruit meer inzicht
                           verkrijgen. Met behulp van gegevens uit de onderzoeken Culturele Veranderingen
                           en de European Values Study is het mogelijk voor een aantal waarden en normen
                           te onderzoeken of er daadwerkelijk sprake is van generatie-effecten.
                           Tabel 3.11 geeft een beeld van verschillen tussen generaties in hun opvatting over
                           gedrag en zeden. Verschillende generaties zijn hier onderscheiden op basis van
                           het decennium waarin zij geboren zijn (eigenlijk gaat het dus om geboortecohor-
                           ten). In ieder jaar blijken de oudere generaties vaker dan de jongere generaties
                           van mening dat gedrag en zeden achteruitgaan, al valt op dat deze verschillen in
</pre>

====================================================================== Einde pagina 86 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 87 ======================================================================

<pre>                                                          waarden, normen en gedrag: de mening van de bevolking
        de jaren negentig aanzienlijk kleiner waren dan in de jaren zeventig: de opvattin-
        gen van de generaties lijken naar elkaar toe te groeien. Verder blijkt iedere gene-
        ratie pessimistischer te worden over gedrag en zeden naarmate zij ouder wordt.
        Diagonaal (van linksboven naar rechtsonder) kan men in tabel 3.11 de verande-
        ring in de opvatting van verschillende leeftijdscategorieën in de loop van de tijd
        volgen. Zo was het geboortecohort 1900-’09 in 1975 even oud (nl. 66-75 jaar) als
        het geboortecohort 1910-’19 in 1985 en bij benadering even oud als het geboor-
        tecohort 1920-’29 in 1996. Vergelijkt men de verschillende leeftijdscategorieën
Tabel 3.11     Percentage van de bevolking dat van mening is dat de opvattingen over gedrag en
               zeden in ons land steeds meer achteruitgaan
                                                  Geboortejaar
Jaar        1900-09 1910-19 1920-29 1930-39 1940-49 1950-59 1960-69 1970-79 Totaal
1970          60         56         46       38        24         24         .         .       39
1975          70         73         58       55        46         37         .         .       54
1980          77         76         69       64        56         51        46         .       60
1985            .        80         69       69        56         49        38         .       57               85
1996            .         .         65       72        62         62        59        50       61
Bron: scp (cv ’70-’96); wrr-bewerking
        door de tijd heen, dan lijkt er bij de meeste categorieën een tendens te zijn om
        geleidelijk iets pessimistischer te worden over gedrag en zeden. Nadere analyse
        (zie Dekker et al. 2003) leert dat het toegenomen pessimisme over gedrag en
        zeden voornamelijk moet worden verklaard uit een verandering in de ‘tijdgeest’,
        waardoor over de gehele linie mensen negatiever zijn gaan oordelen. Dit effect is
        enigszins afgezwakt door de vervanging van oudere door jongere generaties,
        aangezien de jongere geboortecohorten minder negatief zijn dan met name de
        generatie die vóór 1920 is geboren.
        Tabel 3.12 geeft een vergelijkbaar overzicht voor de onzekerheid over wat goed en
        wat verkeerd is. In de jaren zeventig en tachtig blijken de verschillen tussen de
        generaties klein te zijn, maar in de jaren negentig tonen de jongere generaties
        zich beduidend minder onzeker dan de oudere generaties. Er is een lichte
        tendens om met het ouder worden minder onzeker te worden, maar alleen bij de
        naoorlogse generaties is dit effect substantieel. Vergelijkt men de verschillende
        leeftijdscategorieën in de loop van de tijd (diagonaal gearceerd in tabel 3.12), dan
        is steeds sprake van afnemende onzekerheid met het vorderen van de tijd. Dit
        suggereert dat hier vooral sprake is van een periode-effect, dat wil zeggen dat alle
        groepen in de loop van de tijd minder onzeker worden. Een meer verfijnde
        analyse bevestigt dat er inderdaad geen significant generatie- of leeftijdseffect is,
        maar uitsluitend een periode-effect.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 87 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 88 ======================================================================

<pre>   wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                 Tabel 3.12         ‘Er zijn zoveel verschillende opvattingen over wat goed en wat verkeerd is dat je soms
                                    niet meer weet waar je aan toe bent’ (percentage van de bevolking dat het hier ‘volko-
                                    men mee eens’ of ‘in grote lijnen mee eens’ is)
                                                                         Geboortejaar
                 Jaar           1900-09 1910-19 1920-29 1930-39 1940-49 1950-59 1960-69 1970-79 totaal
                 1970              64          65        55         54        49        60          .         .         56
                 1975              56          60        57         47        46        51          .         .         52
                 1980              56          54        52         55        45        52         54         .         53
                 1985                .         51        54         50        45        43         45         .         47
                 1992                .         58        55         55        41        36         34       44          43
                 1996                .          .        50         49        39        35         32       35          39
                 Bron: scp (cv ’70-’96); wrr-bewerking
                           Tabel 3.13 geeft een indruk van de verschillen tussen generaties ten aanzien van
                           de mate waarin men socialezekerheidsfraude en belastingfraude afwijst. De
86                         jongere cohorten zijn over het algemeen minder streng dan de oudere cohorten,
                           maar alle cohorten stonden in 1990 sterker afwijzend tegenover fraude dan in
                           1981. Vergelijkt men verschillende leeftijdsgroepen (op de gearceerde diagona-
                           len), dan blijken jongeren over het algemeen minder ‘streng’ te zijn dan ouderen.
                           Uit een nadere analyse blijkt dat bij socialezekerheidsfraude zowel het cohort-
                 Tabel 3.13         Percentage van de bevolking dat van mening is dat socialezekerheidsfraude en
                                    belastingfraude nooit te rechtvaardigen is, naar kalenderjaar en geboortejaar
                                                                          Geboortejaar
                 Jaar                   1920 en 1921-30 1931-40 1941-50 1951-60 1961-70 1971-81                    Totaal
                                         eerder
                 Socialezeker-
                 heidsfraude
                 1981                      87         93        86        80        77         67         .           82
                 1990                      87         88        85        76        71         60        36           73
                 1999                      90         91        89        82        77         73        60           77
                 Belasting-
                 fraude
                 1981                      62         41        43        38        30         28         .           42
                 1990                      67         63        50        40        39         31        35           44
                 1999                      76         65        60        49        39         41        35           46
                 Bron: evs (1981, 1990, 1999); scp-bewerking
</pre>

====================================================================== Einde pagina 88 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 89 ======================================================================

<pre>                                                    waarden, normen en gedrag: de mening van de bevolking
    effect als het periode-effect significant is. Bij belastingfraude is echter alleen het
    periode-effect significant.
3.7 conclusie
    De inventarisatie in dit hoofdstuk van het beschikbare statistische materiaal over
    waarden, normen en gedrag maakt twee dingen duidelijk.
    In de eerste plaats is het verre van eenvoudig om een goed en betrouwbaar beeld
    te krijgen van de ontwikkelingen in de tijd en van de verschillen tussen landen
    ten aanzien van waarden, normen en gedrag. Niet alleen sluit de vraagstelling in
    de beschikbare surveys vaak niet aan bij die van dit rapport, daarnaast zijn er vele
    redenen om te twijfelen aan de betrouwbaarheid en vergelijkbaarheid van de
    gepresenteerde cijfers. Bij het meten van de maatschappelijke steun voor
    verschillende waarden en normen is men onvermijdelijk aangewezen op de
    meningen zoals mensen die in enquêtes uitspreken. Niet alleen kan men vraagte-
    kens zetten bij de oprechtheid van die antwoorden, bovendien is het vaak lastig
    om deze antwoorden te interpreteren. Omdat vrijwel altijd gebruik wordt
    gemaakt van vaste antwoordcategorieën (‘gesloten vragen’), is lang niet altijd
    duidelijk wat de respondenten met hun antwoord bedoelen.                                              87
    In de tweede plaats maken de beschikbare cijfers duidelijk dat men zeer terug-
    houdend dient te zijn met algemene uitspraken over veranderingen in waarden,
    normen en gedrag. De trends die in dit hoofdstuk zijn geschetst en de internatio-
    nale vergelijkingen leveren een nogal diffuus beeld op. Er is geen sprake van
    eenduidige tendensen die zonder meer kunnen worden geïnterpreteerd als
    ‘verval’ van waarden en normen of als een afname van lofwaardig gedrag.
    Met de nodige voorzichtigheid kunnen uit de gepresenteerde cijfers de volgende
    conclusies worden getrokken.
    • Een sterke toename van het pessimisme over de ontwikkeling van ‘zeden en
        gedrag’ in Nederland is samengegaan met een afname van de onzekerheid
        over wat goed en slecht is. Dit suggereert dat Nederlanders steeds zelfbe-
        wuster worden en minder in verwarring verkeren over goed en kwaad, maar
        wel zeer kritisch staan tegenover het gedrag van hun landgenoten.
    • De steun onder de Nederlandse bevolking voor de waarden van de rechtsstaat
        en de democratie is groot en lijkt eerder toe dan af te nemen. Nederland
        verschilt in dit opzicht niet sterk van de meeste andere eu-landen.
    • Wetsovertreding kan over het algemeen op weinig begrip rekenen van de
        Europese bevolking; dit geldt ook voor de Nederlandse bevolking, die alleen
        ten aanzien van softdrugsgebruik duidelijk toleranter is dan de inwoners van
        andere landen (met uitzondering van Groot-Brittannië). Over in ieder geval
        twee specifieke vormen van wetsovertreding – socialezekerheidsfraude en
        belastingontduiking – zijn Nederlanders in de jaren negentig strenger gaan
        oordelen.
    • Al meer dan twintig jaar lang is een overgrote meerderheid van de Nederlan-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 89 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 90 ======================================================================

<pre>   wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                                 ders van mening dat de criminaliteit de laatste tijd toeneemt. Toch zijn
                                 Nederlanders minder vaak dan de inwoners van andere West-Europese
                                 landen van mening dat veel landgenoten zich schuldig maken aan zaken als
                                 belasting- en socialezekerheidsfraude, verkeersovertredingen en zelfs soft-
                                 drugsgebruik.
                           •     Er zijn geen aanwijzingen dat lofwaardig gedrag als vrijwilligerswerk en
                                 lidmaatschap van maatschappelijke organisaties terugloopt. Wel concen-
                                 treert dit gedrag zich in sterkere mate in de oudere leeftijdscategorieën.
                           •     Veranderingen in opvattingen over waarden en normen zijn vooral een uiting
                                 van de ‘tijdgeest’, dat wil zeggen dat zij zich bij alle leeftijdscategorieën en
                                 geboortecohorten manifesteren. Daarnaast blijken de jongere generaties
                                 minder streng te oordelen over wetsovertreding en minder negatief te oorde-
                                 len over ‘zeden en gedrag’ van anderen dan de oudere generaties, hetgeen in
                                 beperkte mate heeft bijgedragen aan een minder sterk ‘normbesef’.
                           In dit hoofdstuk ging het om de opinie van de ‘doorsnee’-Nederlander over de
                           waarden, normen en het gedrag, de ontwikkeling daarin in de loop van de tijd en
                           overeenkomsten en verschillen met andere Europese landen. Het meten van de
                           publieke opinie is belangrijk om inzicht te krijgen in de aard en achtergronden
88                         van het waarden- en normendebat. In hoofdstuk 1 is echter geconstateerd dat de
                           belangrijkste problemen die aanleiding hebben gegeven tot het huidige debat,
                           zijn gelegen in het vóórkomen van allerlei vormen van normoverschrijdend
                           gedrag. Om deze problemen te kunnen aanpakken zal men derhalve meer inzicht
                           moeten verkrijgen in de feitelijke ontwikkelingen ten aanzien van normover-
                           schrijding en wetsovertreding. Dit hoofdstuk met opinies wordt daarom gevolgd
                           door een hoofdstuk waarin de beschikbare feiten over normoverschrijdend
                           gedrag worden geïnventariseerd.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 90 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 91 ======================================================================

<pre>                                                                            normoverschrijdend gedrag
4   normoverschrijdend gedr ag
4.1 inleiding
    Hoewel de gevleugelde woorden ‘waarden en normen’ anders doen vermoeden,
    lijkt de maatschappelijke onvrede die mede aanleiding was tot de adviesaanvraag
    aan de wrr vooral verband te houden met een (vermeende) toename van onge-
    wenst gedrag (zie hoofdstuk 1). In hoofdstuk 3 bleek dat er onder de Nederlandse
    bevolking een hoge mate van overeenstemming bestaat over de gedragsnormen
    waaraan men zich heeft te houden. Tegelijkertijd is een grote meerderheid van de
    bevolking van mening dat het hier juist aan schort: te veel mensen zouden zich
    niet aan de algemeen aanvaarde normen houden. In dit hoofdstuk wordt onder-
    zocht of deze perceptie juist is. Hoe is het gesteld met de feitelijke omvang en de
    ontwikkeling van diverse vormen van normoverschrijdend gedrag in Neder-
    land?
    De ernst en zorgelijkheid van normoverschrijdend gedrag wordt vanzelfspre-
    kend in hoge mate bepaald door de aard van de norm die wordt overschreden.
    Er is een groot verschil tussen het overtreden van een fatsoensnorm als het                       89
    openhouden van een deur en het schenden van het strafrechtelijke verbod op het
    doden van een ander mens. Zoals in hoofdstuk 2 is aangegeven zou men globaal
    een indeling kunnen maken van onprettig gedrag, via onbehoorlijk en onduld-
    baar gedrag tot onwettig gedrag. Gedrag van anderen dat men als onprettig
    ervaart maar waarvan men geen schade ondervindt, dient men in het algemeen
    gelaten te verdragen. Onbehoorlijk gedrag hoeft men niet zonder meer te accep-
    teren. In het algemeen dienen de organisaties en instellingen waarbinnen dit
    ergerlijke gedrag zich voordoet, erop toe te zien dat bepaalde codes voor fatsoen-
    lijk gedrag worden nageleefd. Bij onduldbaar gedrag gaat het om gedrag dat
    weliswaar overlast voor anderen veroorzaakt maar (net) niet strijdig is met een
    wettelijke regel. Doorgaans is dit gedrag wel in strijd met de interne gedragsre-
    gels van organisaties en instellingen, zoals bijvoorbeeld de Nederlandse Spoor-
    wegen of onderwijsinstellingen. Deze organisaties zijn er dan ook verantwoor-
    delijk voor om dergelijk gedrag, zeker wanneer het zich frequent voordoet, aan te
    pakken. Bij onwettig gedrag is het in het algemeen de taak van de overheid
    – meer concreet: politie en justitie – om dergelijk gedrag aan te pakken en tegen
    te gaan.
    Dit hoofdstuk tracht enig inzicht te bieden in de factoren die ten grondslag
    (kunnen) liggen aan diverse vormen van normoverschrijdend gedrag. De para-
    grafen 4.2 en 4.3 geven enige theoretische beschouwingen over de wisselwerking
    tussen formele en informele controle en sancties, en over internalisering van
    normen en normoverschrijdend gedrag. De paragrafen 4.4-4.12 geven vervol-
    gens een overzicht van beschikbaar empirisch onderzoek naar uiteenlopende
    vormen van normoverschrijdend gedrag. Paragraaf 4.4 schetst een aantal alge-
    mene trends in de ontwikkeling van normoverschrijding, variërend van onpret-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 91 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 92 ======================================================================

<pre>   wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                           tig tot onwettig gedrag. Hierbij past bij voorbaat de kanttekening dat over ernsti-
                           ger vormen van normoverschrijding, in het bijzonder zware criminaliteit, meer
                           bekend is dan over de lichtere vormen. De verklaring hiervoor is eenvoudig:
                           vanwege de ernst ervan wordt (zware) criminaliteit veel beter geregistreerd en
                           intensiever onderzocht dan de onprettige gedragingen die geen wetsovertredin-
                           gen inhouden maar niettemin de nodige ergernis kunnen oproepen. Hierover
                           zijn alleen enkele gegevens voorhanden die afkomstig zijn uit grote publieks-
                           enquêtes. Deze hebben echter onvermijdelijk in hoge mate een subjectief karak-
                           ter, doordat hierin alleen de percepties van burgers worden gemeten. De paragra-
                           fen 4.5-4.12 zoomen vervolgens in op een aantal concrete vormen van relatief
                           veelvoorkomend normoverschrijdend gedrag. Deze paragrafen beogen op basis
                           van het beschikbare sociaal-wetenschappelijk onderzoek wat meer inzicht te
                           bieden in de factoren die ten grondslag liggen aan uiteenlopende vormen van
                           normoverschrijding. Dit hoofdstuk pretendeert echter geenszins een uitputtend
                           overzicht te geven van het beschikbare onderzoek naar en datamateriaal over
                           normoverschrijdend gedrag. Het hoofdstuk bevat slechts een kleine selectie
                           hiervan, die echter wel een goed beeld geeft van de grote variatie in normover-
                           schrijding en in de factoren die daaraan ten grondslag (kunnen) liggen. Achter-
                           eenvolgens komen aan de orde:
90                         • wangedrag op school (par. 4.5);
                           • jeugdcriminaliteit (par. 4.6);
                           • zinloos geweld en geweld op straat (par. 4.7);
                           • voetbalvandalisme (par. 4.8);
                           • wangedrag in het openbaar vervoer (par. 4.9)
                           • wangedrag in het verkeer (par. 4.10);
                           • wangedrag op het werk (par. 4.11);
                           • fraude (par. 4.12).
                           De slotparagraaf (4.13) trekt enkele algemene conclusies over de factoren die
                           ten grondslag liggen aan normoverschrijdend gedrag en de strategieën die men
                           zou kunnen volgen om normoverschrijding tegen te gaan of terug te dringen.
                           Dit hoofdstuk neemt de bestaande, breed onderschreven of wettelijke normen
                           als een gegeven aan en gaat niet in op veranderingen in de normen zelf. Een
                           toename van normoverschrijdend gedrag kan echter ook een aanwijzing zijn dat
                           de norm zelf aan verandering toe is. Aan de dynamiek van waarden en normen
                           zelf wordt in de hoofdstukken 5 en 6 aandacht geschonken.
               4.2         wat verkl aart normoverschrijdend gedr ag?
                           Wie alleen afgaat op de berichtgeving in de media kan gemakkelijk de indruk
                           krijgen dat normoverschrijdend gedrag in Nederland inmiddels de regel is
                           geworden en normconform gedrag de uitzondering. Dit is natuurlijk niet juist.
                           Het overgrote deel van de bevolking gedraagt zich nog altijd in het overgrote deel
                           van de gevallen in overeenstemming met de wettelijke regels en ook in overeen-
                           stemming met vele, breed gedragen informele normen. De meeste mensen groe-
                           ten hun buren, gooien hun afval in een vuilnisbak, betalen hun belasting, stop-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 92 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 93 ======================================================================

<pre>                                                                      normoverschrijdend gedrag
pen voor het rode stoplicht, kopen een treinkaartje en plegen geen winkeldief-
stal, hoewel zij er in de meeste gevallen voordeel bij zouden hebben om anders te
handelen.
Waarom gedragen de meeste mensen zich overwegend in overeenstemming met
de geldende normen? Er is een problematische, enigszins raadselachtige relatie
tussen normen en gedrag. Het gedrag in action kan door heel veel verschillende
factoren ontstaan. De aard en de ouderdom van de norm en de mate van navol-
ging in de groep of samenleving als geheel spelen bij normconform gedrag wel
een rol, maar het blijft uiterst lastig om hierover een algemene theorie van norm-
conformiteit op te stellen. Daarvoor zijn de normsferen eenvoudig te uiteenlo-
pend: het gedrag in het verkeer (snelheidsnormen, gevaarzettingen) is totaal
verschillend van het invullen van het belastingbiljet en die twee sferen verschil-
len weer enorm van bijvoorbeeld de normen voor integriteit bij de vervulling
van ambten. Elke normsfeer heeft een eigen dynamiek en regelmaat.
Niettemin kan in het algemeen wel worden gesteld dat mensen normen niet
alleen gehoorzamen uit angst om gepakt en gestraft te worden indien zij de
normen overtreden. In veel gevallen weegt dit risico niet op tegen het verwachte
voordeel van normoverschrijdend gedrag. De meeste mensen worden – behalve                       91
door de externe prikkels van beloning en straf – ook door intrinsieke motivatie
gedreven om zich normconform te gedragen. Soms is dit simpelweg omdat zij
geen voordeel kunnen ontlenen aan overtreding van de norm. Een bekend voor-
beeld hiervan is rechts rijden op de openbare weg: wie deze norm overtreedt,
treft daarmee in de eerste plaats zichzelf, vanwege het grote risico op een aanrij-
ding. Een dergelijke norm vervult primair een coördinatiefunctie en wordt dan
ook vrijwel zonder uitzondering nageleefd, zonder dat daarvoor controle en
sancties nodig zijn. Voor vormen van normoverschrijdend gedrag die wel een
direct voordeel opleveren – variërend van belastingfraude tot door rood licht
rijden en winkeldiefstal – is dit minder vanzelfsprekend. Dat toch relatief weinig
mensen zich hieraan schuldig maken, duidt erop dat de meeste deze normen
hebben ‘verinnerlijkt’: zij ervaren het als een (morele) plicht om de norm na te
leven. In de criminologie is de internalisering van normen als factor in normcon-
form gedrag vooral bestudeerd bij jongeren. Zowel bij de overdracht van
waarden als bij de internalisering van normen zijn voorbeelden van significante
personen het belangrijkst voor het aanleren en in praktijk brengen van normen
(Levering 2004). Ontbreken dergelijke personen met wie kinderen en jongeren
een affectieve relatie onderhouden, dan ontstaat vaak normoverschrijdend
gedrag (zoals ernstige jeugdige delinquenten zeer vaak een disharmonische
opvoeding in een gebroken gezin achter de rug hebben). Maar vanaf een bepaalde
leeftijd worden sociale normen van de eigen leeftijdsgroep minstens even
belangrijk. Wanneer die sociale groepsnormen (peergroup norms) afwijken van
de algemene maatschappelijke normen of van de ouderlijke normen, dan
ontstaan er veel botsingen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 93 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 94 ======================================================================

<pre>   wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                           Heel algemeen gesteld gedragen mensen zich dus normconform omdat norm-
                           overschrijdend gedrag hun geen voordelen oplevert, omdat zij de norm hebben
                           geïnternaliseerd of omdat zij het risico om gepakt en gestraft te worden te groot
                           achten. In veel gevallen gaat het natuurlijk om een combinatie van deze factoren.
                           De ‘externe’ controle en sancties die mensen van normoverschrijdend gedrag
                           kunnen afhouden, omvatten niet alleen de formele controle en sancties door
                           daartoe aangestelde toezichthouders (bijvoorbeeld politie) en rechtsprekers
                           (bijvoorbeeld rechters). Zij omvatten ook de informele sociale controle en sanc-
                           ties die door medeburgers worden uitgeoefend. Het feit dat men door anderen
                           wordt aangesproken indien men een (formele of informele) norm overschrijdt
                           en als gevolg hiervan een sanctie ondervindt, bijvoorbeeld in de vorm van repu-
                           tatieverlies, schaamte of uitstoting uit de groep waarvan men deel uitmaakt, kan
                           een belangrijke prikkel zijn om de norm na te leven.
                           De invloed van sancties op de internalisering van normen is met grote weten-
                           schappelijke onzekerheid omgeven (Malsch 2004). Soms helpen affectieve en
                           cognitieve identificaties met andere personen meer dan welke sanctie dan ook,
                           maar in de meeste situaties zijn jongeren bij een bepaald normbesef wel degelijk
                           gevoelig voor het toepassen van beloningen voor goed gedrag en sancties voor
92                         slecht gedrag. Belonen helpt meestal beter dan straffen. Er is bovendien een
                           verschuiving te zien van de meer morele vormen van sociale controle (groeps-
                           dwang en een appèl op het geweten) naar instrumentele sociale controle (belo-
                           nen en straffen) en van een informele sociale controle naar een formele sociale
                           controle, uitgeoefend door (formele) instanties. In het algemeen kunnen deze
                           formele sancties niet uitsluitend de norminternalisering bewerkstelligen, zoals
                           stelsels die uitsluitend met repressieve maatregelen werken hebben ondervon-
                           den. Het gaat steeds om een subtiele wisselwerking tussen informele en formele
                           sociale controle. Beide vormen vullen elkaar aan.
                           Formele controle valt onder de hoede van de overheid en andere instanties en
                           wordt via rechtsnormen uitgeoefend. Informele controle is minder goed stuur-
                           baar en richtbaar en valt in feite onder de noemer van sociale normen. Deze twee
                           normenstelsels staan in een zeer subtiele verhouding tot elkaar. Soms leidt
                           formele controle, bijvoorbeeld cameratoezicht in de horecabuurten van grote
                           steden, tot een reductie van normoverschrijdend gedrag binnen de gecontro-
                           leerde sfeer, maar leidt ze – onverwacht – tegelijk tot een verzwakking van de
                           informele sociale controle (‘alles wat buiten het oog van de camera valt, is toege-
                           staan’). Soms leidt een sterke informele sociale controle van een groep, bijvoor-
                           beeld van een peergroup of oudere familieleden, tot onweerstaanbare gedragsbe-
                           invloeding, die zelfs tot verhoging van normoverschrijdend gedrag kan leiden.
                           Zo kan een jongen zich door zijn vrienden onder druk gezet voelen om mee te
                           doen aan het vernielen van een bushokje.
                           Van normoverschrijding zal dus in het algemeen sprake zijn indien de combina-
                           tie van deze factoren tekortschiet, dat wil zeggen indien de intrinsieke motivatie
                           om zich normconform te gedragen te gering is en/of de externe formele of infor-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 94 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 95 ======================================================================

<pre>                                                                           normoverschrijdend gedrag
    mele controle tekortschiet en/of men aan een andere, conflicterende norm meer
    gewicht toekent.
4.3 de dynamiek van normoverschrijding
    Internalisering van normen, formele controle en informele controle staan niet
    los van elkaar, maar kunnen elkaar wederzijds beïnvloeden. Dit betekent dat
    wanneer een van deze factoren tekortschiet, ook de andere factoren hierdoor
    kunnen worden verzwakt. Een aanvankelijk kleine toename van normover-
    schrijdend gedrag kan een sterke dynamiek op gang brengen, waardoor zich in de
    loop van de tijd grote verschuivingen kunnen voordoen in zowel de steun voor
    een norm als het gedrag. Als eenmaal een bepaald omslagpunt is gepasseerd, kan
    zich een sneeuwbaleffect voordoen, waardoor een bepaalde vorm van normover-
    schrijdend gedrag steeds algemener wordt en de betreffende norm geleidelijk
    afkalft, tot zij op den duur mogelijk zelfs geheel verdwijnt.
    Dit mechanisme kan worden geïllustreerd aan de hand van een eenvoudig theo-
    retisch model, waarmee de wisselwerking tussen internalisering van normen,
    formele en informele controle en gedrag op het niveau van een groep (bijvoor-
    beeld een buurt of club, of de Nederlandse samenleving als geheel) kan worden                    93
    geanalyseerd. Dit model is gebaseerd op de rationelekeuzetheorie, waarin wordt
    verondersteld dat individuele personen afwegingen maken tussen de kosten en
    baten van verschillende gedragsalternatieven. Anders dan gebruikelijk in ratio-
    nelekeuzemodellen wordt er hier expliciet rekening mee gehouden dat het
    gedrag van mensen niet alleen wordt bepaald door prikkels ‘van buiten’, maar
    ook door intrinsieke motivatie, die het resultaat is van de internalisering van
    bepaalde normen (zie bijvoorbeeld Akerlof 1980 en Coleman 1990). Hier wordt
    volstaan met een verbale beschrijving van het model. De bijlage bij dit hoofdstuk
    bevat een formele, wiskundige uitwerking van het model.
    Stel dat een individu voordeel kan behalen door een bepaalde norm die geldt in
    de groep waarvan hij of zij deel uitmaakt, te overtreden. Door internalisering
    van de norm, formele controle en informele controle kan hij of zij er niettemin
    van worden weerhouden om in strijd met de norm te handelen. Wie de norm
    heeft geïnternaliseerd, krijgt spijt, berouw of een schuldgevoel als hij de norm
    zou overtreden. Wie vindt dat men geen diefstal mag plegen, maar in een winkel
    toch in de verleiding komt om iets te stelen, kan zichzelf daarvan weerhouden als
    hij zich realiseert dat die daad een schuldgevoel zou oproepen – ook als niemand
    anders er weet van zou hebben. Men kan ook van normoverschrijdend gedrag
    afzien uit angst voor de gevolgen indien men wordt betrapt door een officiële
    toezichthouder. De kans dat men door een bewaker of het winkelpersoneel
    wordt betrapt op winkeldiefstal en de straf die daarop zou volgen, kunnen zo
    groot zijn dat ook iemand die winkeldiefstal niet afkeurt, ervan wordt weerhou-
    den. Ten slotte kan men zich normconform gedragen vanwege informele sociale
    controle. Als men niet door een officiële bewaker wordt betrapt, maar wel door
    anderen die men persoonlijk kent, kan dit schaamtegevoelens oproepen of repu-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 95 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 96 ======================================================================

<pre>   wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                           tatieverlies veroorzaken. De kans om door je buren of kennissen erop aangeke-
                           ken te worden als je regelmatig iets steelt, kan voldoende reden zijn om je aan
                           deze norm te houden.
                           Stel nu dat aanvankelijk het overgrote deel van de leden van een groep een
                           bepaalde norm onderschrijft en zich conform de norm gedraagt. Dit doen zij niet
                           alleen omdat zij de norm hebben geïnternaliseerd, maar ook omdat zij zich
                           bewust zijn van de formele en informele sancties die normovertreding met zich
                           mee kan brengen. In de praktijk hoeven deze sancties echter slechts zelden te
                           worden toegepast, doordat bijna niemand de norm overtreedt. In deze situatie
                           lijkt er weinig bezwaar tegen te zijn om de formele controle op normoverschrij-
                           dend gedrag te verminderen. De reden hiervoor kan zijn gelegen in kostenbespa-
                           ring of in een afkeer van controle. Zo werden in Nederland in de loop van de
                           jaren zestig en zeventig tal van controlemechanismen verminderd: de conduc-
                           teurs verdwenen van de trams, het perronkaartje werd afgeschaft en vele winkels
                           gingen over op zelfbediening. Ook de informele controle nam af, onder meer
                           doordat de geografische mobiliteit toenam en de sociale band tussen buurtbewo-
                           ners verzwakte.
94                         Aanvankelijk heeft de afname van formele en informele controle geen merkbare
                           invloed op het gedrag van mensen, doordat de normen voldoende sterk zijn
                           geïnternaliseerd om zich ook bij iets minder controle normconform te blijven
                           gedragen. Dit versterkt de argumenten om de controle nog verder te verminde-
                           ren. Op een gegeven moment zijn de sancties op normoverschrijdend gedrag
                           echter zo sterk verminderd dat sommigen de verleiding niet langer kunnen
                           weerstaan om de norm te overtreden. Het betreft in eerste instantie mensen die
                           ofwel de norm niet geïnternaliseerd hebben, ofwel weinig angst hebben voor een
                           formele bestraffing, ofwel weinig gevoelig zijn voor de effecten van sociale
                           controle en bijvoorbeeld geen schaamte voelen als anderen hen aanspreken op
                           hun gedrag. Zij rechtvaardigen winkeldiefstal bijvoorbeeld als proletarisch
                           winkelen, zwartrijden als een middel om gratis openbaar vervoer te bepleiten en
                           belastingontduiking omdat je anders een dief van je eigen portemonnee bent.
                           Ook al gaat het in eerste instantie om een kleine groep, als anderen zien dat je
                           ongestraft de normen kunt overtreden, tast dit op den duur ook hun geloof in de
                           norm aan. Het is immers aannemelijk dat de mate waarin de leden van een groep
                           een norm onderschrijven mede wordt bepaald door het percentage groepsleden
                           dat zich normconform gedraagt. Naarmate een kleiner deel de norm gehoor-
                           zaamt, zal ook het percentage dat de norm onderschrijft, afnemen. Bovendien is
                           het aannemelijk dat naarmate minder leden van de groep de norm onderschrij-
                           ven, informele sociale controle minder effectief wordt. Immers, iemand die de
                           norm zelf niet onderschrijft, zal een ander er in het algemeen niet op aanspreken
                           als hij ziet dat deze de norm overtreedt. Ook als slechts een relatief kleine groep
                           de norm overtreedt, kan hierdoor op iets langere termijn zowel het geloof in de
                           norm als de sociale controle afkalven. Als gevolg daarvan zullen weer nieuwe
                           mensen in de verleiding komen om de norm te overtreden. Op deze wijze kan er
</pre>

====================================================================== Einde pagina 96 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 97 ======================================================================

<pre>                                                                       normoverschrijdend gedrag
een neerwaartse spiraalbeweging in gang worden gezet, waardoor steeds meer
mensen de norm overtreden, steeds minder mensen de norm onderschrijven en
de sociale controle op het gedrag steeds zwakker wordt. Terwijl een verminde-
ring van controle dus lange tijd geen noemenswaardig effect heeft op de naleving
van een norm, wordt op een gegeven moment een omslagpunt bereikt, waarna
een kleine verdere afname van controle een sterke toename van normoverschrij-
dend gedrag tot gevolg heeft (vgl. Gladwell 2000). Er doet zich dan plotseling een
sneeuwbaleffect voor. Normoverschrijding door de een tast het geloof in de
norm van de ander aan, waardoor de informele sociale controle afneemt en
formele controle minder effectief wordt. Dit verleidt nog meer mensen tot norm-
overschrijdend gedrag, enzovoorts.
Waar dit proces eindigt, valt niet in zijn algemeenheid te zeggen. Het is denkbaar
dat de norm op den duur volledig verdwijnt, doordat niemand de norm meer
gehoorzaamt of onderschrijft. Het is echter ook denkbaar dat een bepaald deel
van een groep zo sterk van de norm overtuigd is dat dit deel zich ook normcon-
form blijft gedragen als de formele en informele controle volledig zijn verdwe-
nen. Zo zou zich een kleine groep ‘orthodoxe gelovigen’ kunnen handhaven te
midden van een grote meerderheid die afscheid heeft genomen van de betref-
fende norm. Ook als vrijwel niemand meer een kaartje voor de tram koopt, blij-                   95
ven er misschien mensen die trouw hun strippenkaart afstempelen.
Vanzelfsprekend is dit theoretische model een sterke vereenvoudiging van de
werkelijkheid. Het is zeker niet bedoeld om te suggereren dat iedere vorm van
normoverschrijdend gedrag op deze wijze kan worden verklaard. Bovendien zijn
zeker niet alle normconforme of normoverschrijdende gedragingen het resultaat
van een rationele afweging tussen intrinsieke motivatie en extrinsieke, formele
en informele controle. Gedrag wordt ook vaak gestuurd door emoties, zonder dat
daaraan een afweging van de kosten en baten voor het individu ten grondslag
ligt. Woede, angst en haat kunnen belangrijke drijfveren zijn voor normover-
schrijdend gedrag, zoals liefde en medelijden dat kunnen zijn voor lofwaardig
gedrag – al geldt soms ook het omgekeerde. Hoewel in dit hoofdstuk de meeste
aandacht uitgaat naar min of meer rationeel gedrag, is daarmee zeker niet gezegd
dat het meeste normconforme of normoverschrijdende gedrag rationeel is. Rati-
oneel gedrag biedt over het algemeen wel meer aanknopingspunten voor beïn-
vloeding dan zuiver emotioneel gedrag.
De mate waarin internalisering van normen en formele en informele controle
afdoende zijn om normoverschrijdend gedrag tegen te gaan, hangt sterk af van
de context waarin dit gedrag zich afspeelt. Thuis wordt het gedrag door geheel
andere factoren beïnvloed dan op het werk, op school of in de publieke ruimte
– op straat, in het openbaar vervoer, in het verkeer, in het voetbalstadion of in
een winkel. Maar ook twee gezinnen of twee scholen zijn nooit hetzelfde. Als
men zich prettig en veilig voelt in een omgeving en/of als men zich bewust is
van de aanwezigheid van formele of informele controleurs, zal men zich eerder
aan de normen houden dan in een omgeving waarin deze factoren geheel of
</pre>

====================================================================== Einde pagina 97 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 98 ======================================================================

<pre>   wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                            gedeeltelijk ontbreken. De institutionele context van normconform en norm-
                            overschrijdend gedrag komt in dit hoofdstuk echter slechts terloops ter sprake.
                            Hoofdstuk 7 gaat uitgebreider in op de rol van instituties bij het tegengaan van
                            normoverschrijdend gedrag.
               4.4          buurtproblemen, onveiligheid en criminaliteit
               4.4.1        buurtproblemen
                            Sinds 1993 wordt iedere twee jaar, als onderdeel van de Politiemonitor Bevol-
                            king, een representatieve steekproef van de Nederlandse bevolking ondervraagd
                            over de ergernissen die men in de eigen buurt ervaart. Tabel 4.1 laat zien dat
                            hondenpoep en te hard rijden de meest voorkomende ergernissen zijn: ongeveer
                            de helft van de bevolking zegt dat dit in zijn of haar buurt vaak voorkomt. Ruim
                            een kwart klaagt over rommel op straat en een op de vijf burgers zegt in de buurt
                            vaak te worden geconfronteerd met vernield straatmeubilair en agressief
                            verkeersgedrag.
96                Tabel 4.1         Buurtproblemen, 1993-2001 (percentage van de bevolking dat zegt dat dit vaak
                                    voor komt)
                                                     1993     1995       1997        1999        2001        Mutatie
                                                                                                            1993-2001
                  Verloedering:
                  Hondenpoep op straat                47        50         53         50          48             1
                  Rommel op straat                    22        25         27         26          29            7
                  Bekladding van muren,
                  gebouwen                            16        15         16         16          13            -3
                  Vernieling van straatmeubilair      16        17         18         19          20            4
                  Geluidsoverlast
                  (niet door verkeer)                 12        11         11          8           9            -3
                  Verkeersoverlast:
                  Te hard rijden                      48        46         46         48          47            -1
                  Geluidsoverlast door verkeer        16        15         15         13          14            -2
                  Agressief verkeersgedrag            20        21         25         20          19            -1
                  Dreiging:
                  Dronken mensen op straat             8         7          7          8           8             0
                  Mensen worden op straat
                  lastiggevallen                       4         4          3          4           3            -1
                  Drugsoverlast                        .         .          8          6           6             .
                  Bron: Politiemonitor Bevolking (2001)
</pre>

====================================================================== Einde pagina 98 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 99 ======================================================================

<pre>                                                                                      normoverschrijdend gedrag
           In de periode 1993-2001 deed zich geen eenduidige trend voor in deze buurtpro-
           blemen. De rommel op straat en vernieling van straatmeubilair namen volgens
           de ondervraagden toe, maar graffiti en geluidsoverlast namen af. Hoe deze erger-
           nissen zich op langere termijn hebben ontwikkeld is onbekend.
4.4.2      onveiligheid
           Uit dezelfde Politiemonitor Bevolking blijkt dat bijna een derde van de bevolking
           zich soms en zes procent zich vaak onveilig voelt (tabel 4.2). Dit percentage is
           tussen 1993 en 2001 niet noemenswaardig veranderd. Ook het percentage van de
           bevolking dat vanwege de ervaren onveiligheid vermijdingsgedrag vertoont, laat
           in de jaren negentig geen eenduidige trend zien.
 Tabel 4.2       Onveiligheidsgevoelens, 1993-2001 (in procenten van de bevolking)
                                    1993         1995           1997        1999 2001     Mutatie
                                                                                         1993-2001
 Voelt zich weleens onveilig          29           29            30          31   29        -1
 Voelt zich vaak onveilig             07           07            06          06   06        -1                  97
 Mijdt bepaalde plekken in
 woonplaats vanwege
 onveiligheid*                        12           11            11          11   10        -2
 Doet ’s avonds en ’s nachts
 niet open vanwege
 onveiligheid*                        14           17            18          17   17         3
 Laat waardevolle spullen
 thuis om beroving/diefstal
 te voorkomen*                        19           19            18          16   15        -4
 Rijdt of loopt om om
 onveilige plekken te mijden*         11           10            10          10    9        -1
 Staat kinderen niet toe
 ergens naar toe te gaan
 vanwege onveiligheid*                20           21            23          25   26         6
 * Het betreft het percentage van de bevolking dat zegt dat dit vaak voorkomt.
 Bron: Politiemonitor Bevolking (2001)
           Uit onderzoek blijkt overigens steevast dat het subjectieve gevoel van onveilig-
           heid niet evenredig is met de objectieve kans om slachtoffer te worden van delic-
           ten of van geweld. Bij ouderen in bepaalde wijken van de grote steden zijn de
           onveiligheidsgevoelens het grootst, terwijl de feitelijke criminaliteit in die
           wijken minder groot is. Vrouwen voelen zich over het algemeen onveiliger dan
           mannen, hoewel zij minder vaak slachtoffer van een misdrijf zijn. Omgekeerd
</pre>

====================================================================== Einde pagina 99 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 100 ======================================================================

<pre>   wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                           voelen mannen onder de 45 jaar zich het minst onveilig, terwijl de kans dat zij
                           betrokken raken bij ernstige criminaliteit, hetzij als slachtoffer hetzij als dader,
                           het grootst is. Dit geldt het sterkst voor de jongeren in de uitgaansgebieden van
                           de vier grote en de middelgrote steden.
               4.4.3       criminaliteit en geweld
                           De geregistreerde criminaliteit in Nederland is sinds 1960 sterk gestegen (figuur
                           4.1). De belangrijkste toename vond plaats in de vermogenssfeer. Na 1970 en nog-
                           maals na 1990 vindt een stijging plaats, maar sinds 1994 is de omvang van de cri-
                           minaliteit per saldo nauwelijks meer veranderd. Binnen dit algemene patroon van
                           stabilisatie doet zich echter, vooral sinds 1990, wel een sterke stijging voor van
                           geweldsmisdrijven. Het aantal geregistreerde gevallen van geweldscriminaliteit
                           steeg van 532 per 100.000 inwoners in 1994 naar 774 in 2001. Andere opvallende
                           kenmerken van de criminaliteitsontwikkeling in de laatste tien jaar zijn de sterke
                           stijging van het aandeel van (met name allochtone) jongeren, een relatieve stijging
                           van het aandeel van vrouwen en meisjes en een stijging van het aandeel van delin-
                           quenten met een psychiatrische aandoening (Ministerie van Justitie 2002).
98               Figuur 4.1         Misdrijven per 100.000 inwoners, 1950-2001
                9000
                                  Totaal
                8000              Geweldsmisdrijven
                                  Vermogensmisdrijven
                                  Vernieling en openbare orde
                7000              Wegenverkeerswet
                6000
                5000
                4000
                3000
                2000
                1000
                  0
                     1950       1955          1960        1965 1970   1975    1980 1985     1990     1995    2000
                 Bron: cbs (Statline)
                           Er is een discussie ontstaan of binnen de stabiliserende criminaliteit de geweld-
                           dadige criminaliteit, met name onder jongeren, daadwerkelijk is toegenomen.
                           Deze stijging wordt namelijk niet bevestigd door slachtofferenquêtes; die laten
                           sinds het midden van de jaren tachtig zelfs een licht dalende trend zien. Bron van
                           deze uiteenlopende oordelen zijn definitiekwesties (wat wordt onder geweld
                           gerekend?), registratieverschillen (enquêtegegevens sporen niet met de politie-
                           registraties), registratie-effecten (sommige zaken worden nu wel geregistreerd en
</pre>

====================================================================== Einde pagina 100 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 101 ======================================================================

<pre>                                                                            normoverschrijdend gedrag
    werden vroeger afgedaan zonder vermelding) en trendextrapolaties (welke jaren
    en tijdreeksen als uitgangspunt worden genomen). Wittebrood en Junger (1999)
    vinden de meest aannemelijke verklaring voor de uiteenlopende cijfers dat de
    registratie door de politie aanzienlijk is verbeterd. Terwijl in het begin van de
    jaren tachtig slechts een op de 25 delicten die in slachtofferenquêtes werden
    gemeld, in de politiestatistieken terechtkwam, was deze verhouding in de
    tweede helft van de jaren negentig toegenomen tot een op de tien. Volgens
    Wittebrood en Junger (1999) geven de slachtofferenquêtes een betrouwbaarder
    beeld. Over het geheel genomen zou de geweldscriminaliteit in de jaren negentig
    dan niet zijn toegenomen. In de meest recente jaren is echter wel sprake van een
    lichte stijging (van 5% in 2000 naar 6% in 2002). Bovendien komt uit de slachtof-
    ferenquêtes al sinds 1996 een toename van het aantal bedreigingen naar voren
    (van 2,5% naar 3,7% in 2002), hetgeen wellicht heeft bijgedragen aan gevoelens
    van onveiligheid, al is het ook denkbaar dat men bepaalde gedragingen eerder als
    ‘bedreiging’ is gaan aanmerken. Daarnaast is ook het aantal gevallen van moord
    en doodslag, waarvan wel betrouwbare registraties beschikbaar zijn, sinds de
    jaren zeventig gestaag gegroeid: van 0,5 per 100.000 inwoners rond 1970 naar
    circa 1,2 halverwege de jaren negentig (Wittebrood en Junger 1999). Verder zijn
    er sterke aanwijzingen dat de geweldscriminaliteit door jongeren wel degelijk is
    toegenomen en niet kan worden afgedaan als een mediahype (zie par. 4.6).                          99
    Hoewel het dus de vraag is of geweldscriminaliteit in het algemeen is toegeno-
    men, geldt dit in ieder geval wel voor de zwaarste vormen (moord en doodslag)
    en voor geweld door jongeren.
4.5 wangedr ag op school
    Klachten over ‘de jeugd van tegenwoordig’ zijn van alle tijden. Zo maakte men
    zich kort na de Tweede Wereldoorlog, een periode die nu vooral associaties
    oproept met knusheid, saaiheid en hard werken, grote zorgen om het gebrek aan
    werklust en het nihilisme van de jongeren. Dit betekent echter niet dat we
    zorgen over de jeugd met een eenvoudig schouderophalen kunnen afdoen. Er
    zijn wel degelijk aanwijzingen dat uiteenlopende vormen van wets- en norm-
    overtreding onder jongeren toenemen. Deze paragraaf richt zich op het wange-
    drag van jongeren op en rond school. Volgens Junger-Tas (2002: 5) is hier sprake
    van serieuze problemen: “Spijbelen, schooluitval, geweld en wangedrag zijn
    actuele problemen waar scholen speciale aandacht aan dienen te besteden.”
    Cijfers van het Sociaal en Cultureel Planbureau, ontleend aan het Nationale
    Scholierenonderzoek (nso), bevestigen dit.
    Tabel 4.3 geeft enkele gegevens over spijbelen, drank- en drugsgebruik en kleine
    criminaliteit voor het begin van de jaren negentig en het jaar 2002. Dit overzicht
    beperkt zich overigens niet tot misdragingen op school, waarover weinig afzon-
    derlijke gegevens beschikbaar zijn. Het spijbelen is in de jaren negentig sterk
    toegenomen, vooral het frequent spijbelen. Meer dan een kwart van de scholie-
    ren zegt de afgelopen maand ten minste één keer te hebben gespijbeld en 7
    procent zelfs tien of meer keer. Mogelijk is dit nog een onderschatting van het
</pre>

====================================================================== Einde pagina 101 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 102 ======================================================================

<pre>    wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                  Tabel 4.3          Normoverschrijdend gedrag door middelbare scholieren (in %), 1990/92 en 2002
                                                                                       1990/92j             2002j
                  Afgelopen maand gespijbeld                                              11c                28 a
                  Afgelopen maand dronken geweest                                         07c                14b
                  Afgelopen maand cannabis gebruikt                                       06c                09b
                  Afgelopen maand paddo’s, xtc of amfetamine gebruikt                     01c                02b
                  Deelgenomen aan serieuze vechtpartij op school                          07c                09c
                  Iemand zo geslagen dat hij/zij verbonden moest worden of
                  naar een dokter moest                                                   08c                09c
                  Fiets gepikt                                                            06c                06c
                  Iets op school gestolen                                                   .c               06c
                  Iets uit een winkel gestolen                                            09c                09c
                  Opzettelijk schooleigendommen vernield                                  05c                07c
                  Opzettelijk iets op straat vernield                                     10c                10c
                  a0200100/00b0199900/00c01994
100               Bron: Wittebrood en Keuzekamp (2000); Wittebrood (2003) wrr-bewerking
                            werkelijke cijfer, omdat degenen die het meest spijbelen de grootste kans hadden
                            niet aanwezig te zijn bij het afnemen van de enquête! Ook overmatig drankge-
                            bruik en drugsgebruik laten een forse stijging zien. Tussen 1996 en 1999 nam het
                            drugsgebruik overigens weer iets af. De andere vormen van normoverschrijdend
                            gedrag, zoals mishandeling, diefstal en vandalisme, waren in de jaren negentig
                            echter stabiel, met uitzondering van vechtpartijen en vernieling van schoolei-
                            gendommen, die wel licht zijn toegenomen.
                            In de bve-sector (Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie, waaronder het
                            mbo) is in 2001 en 2002 onderzoek gedaan naar verschillende vormen van norm-
                            overschrijdend en ander ongewenst gedrag (Neuvel 2002). Hieruit komt naar
                            voren dat 48 procent van de cursisten weleens spijbelt, 7 procent drugs gebruikt,
                            7 procent een wapen draagt, 7 procent andere cursisten pest, 2 procent zich
                            schuldig maakt aan vandalisme, 2,5 procent aan diefstal, 1 procent aan bedreiging
                            en 3 procent weleens lichamelijk geweld gebruikt. Niettemin voelt 91 procent
                            van de cursisten zich veilig in de klas, 85 procent in het schoolgebouw en 80
                            procent op het schoolterrein of de stalling.
                            Hoe is wangedrag op school te verklaren? Een rapport van het onderzoeksbureau
                            Motivaction (1999) concludeert: “De huidige generatie jongeren is een individu-
                            alistische generatie, als groep tolerant, internationaal georiënteerd en in staat om
                            op een strategische wijze om te gaan met maatschappelijke complexiteit en veran-
                            dering. Levensvreugde wordt geput uit beleven, ervaren en genieten. De jongeren
                            van nu zijn sterk gemotiveerd om hun individuele doelen te bereiken en maken
                            zich weinig zorgen over maatschappelijke ontwikkelingen als individualisering
</pre>

====================================================================== Einde pagina 102 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 103 ======================================================================

<pre>                                                                                           normoverschrijdend gedrag
         en het milieu.” Blijkbaar voelen nogal wat jongeren zich niet gehinderd om voor
         het bereiken van die individuele doelen een aantal algemeen aanvaarde normen te
         overtreden. Hierbij moet wel worden aangetekend dat de ernstiger vormen van
         wangedrag zich concentreren bij een relatief kleine groep die wordt gekenmerkt
         door een cumulatie van problemen: overmatig drugs- en drankgebruik, spijbelen,
         slechte schoolprestaties, emotionele problemen en een slechte relatie met ouders
         en leeftijdgenoten (Zeijl 2003). Het is echter niet duidelijk welke causale relatie er
         bestaat tussen deze gedragsproblemen: is spijbelen het voorportaal van crimina-
         liteit of zijn delinquente scholieren eerder geneigd te spijbelen? Of worden wel-
         licht beide problemen veroorzaakt door eerdere problemen thuis?
4.6      jeugdcriminaliteit
         Jeugdcriminaliteit is geen apart soort criminaliteit maar een die wordt gepleegd
         door minderjarigen. Toch is aparte aandacht voor deze vorm van criminaliteit in
         dit overzicht gerechtvaardigd, omdat jeugdcriminaliteit zich in een aantal
         opzichten onderscheidt van de criminaliteit door volwassenen en omdat (een
         deel van) deze criminaliteit als zeer zorgelijk moet worden aangemerkt (vgl.
         Ministerie van Justitie 2002). Men zou verwachten dat, als gevolg van de ‘ont-
         groening’ van de bevolking, het aandeel van de jongeren in de totale criminaliteit                          101
         terugloopt. Figuur 4.2 laat zien dat het aandeel van de minderjarigen in het totale
         aantal verdachten van misdrijven tussen 1961 en 1990 inderdaad sterk vermin-
         derde: van 27 procent naar 15 procent. In de jaren negentig is het aandeel van
         jongeren in de criminaliteit echter weer licht toegenomen. Dit is vooral een
         gevolg van het grotere aandeel van jongeren in geweldscriminaliteit en vernielin-
         gen en ordeverstoringen (misdrijven tegen de openbare orde). In beide vormen
 Figuur 4.2      Aandeel verdachten jonger dan 18 jaar (in % van totaal), 1951-2001
45
40
35
30
25
20
15
10
                                                                                 Totaal misdrijven
                                                                                 Vermogensmisdrijven
 5
                                                                                 Vernieling en openbare orde
                                                                                 Geweldsmisdrijven
 0
   1950     1955      1960     1965     1970      1975      1980      1985      1990         1995        2000
 Bron: cbs (Statline)
</pre>

====================================================================== Einde pagina 103 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 104 ======================================================================

<pre>    wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                            van criminaliteit groeide het aandeel van de jongeren al in de jaren zeventig, om
                            in de jaren negentig opnieuw een aanzienlijke toename te vertonen.
                            Wordt de mate waarin jongeren zich schuldig maken aan criminaliteit op zich
                            bezien – los van de omvang van de totale criminaliteit –, dan is al vanaf het begin
                            van de jaren zestig een trendmatige stijging te signaleren, zo laat figuur 4.3 zien.
                            Werd in 1963 1,5 procent van de jongeren onder 18 jaar gehoord als verdachte van
                            een misdrijf, in 1996 werd een piek bereikt van bijna 4,7 procent. In de laatste
                            jaren is dit percentage overigens weer iets teruggelopen, naar 4,0. Bij gewelds-
                            misdrijven was echter ook in de tweede helft van de jaren negentig nog sprake
                            van een stijging. Jaarlijks wordt op iedere honderd jongeren van 12-18 jaar er een
                            aangehouden vanwege een geweldsmisdrijf. Voorzover sommige jongeren meer-
                            dere malen per jaar worden opgepakt, is het feitelijke percentage jongeren dat
                            wordt aangehouden overigens kleiner.
                   Figuur 4.3        Minderjarige verdachten per 1.000 jongeren van 12-17 jaar, 1952-2001
                 50
                               Totaal misdrijven
                 45            Vermogensmisdrijven
                               Vernieling en openbare orde
102              40            Geweldsmisdrijven
                 35
                 30
                 25
                 20
                 15
                 10
                  5
                  0
                    1950       1955         1960        1965 1970     1975     1980     1985       1990   1995 2000
                   Bron: cbs (Statline)
                            De trend in de jeugdcriminaliteit die kan worden vastgesteld aan de hand van het
                            aantal gehoorde verdachten, hoeft niet overeen te komen met de werkelijke
                            trend indien het opsporingspercentage van misdrijven verandert. Het hiervoor
                            geschetste beeld beperkt zich bovendien tot de meer ernstige vormen van crimi-
                            naliteit waarvan aangifte wordt gedaan en een verdachte wordt aangehouden.
                            Een andere bron van informatie, die niet onder deze tekortkomingen lijdt maar
                            wel andere problemen oproept, is de zelfrapportage door jongeren in het onder-
                            zoek dat het Wetenschappelijk Onderzoek en Documentatiecentrum van het
                            ministerie van Justitie (wodc) sinds 1988 iedere twee jaar uitvoert. Dit onder-
                            zoek laat globaal hetzelfde patroon zien: tussen 1988 en 1996 groeide het percen-
                            tage jongeren dat toegaf bepaalde delicten te hebben gepleegd, in het bijzonder
</pre>

====================================================================== Einde pagina 104 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 105 ======================================================================

<pre>                                                                        normoverschrijdend gedrag
winkeldiefstal (van 5,4 naar 10,0 procent), diefstal op school (van 6,5 procent in
1990 naar 10,1 procent), heling (van 3,5 naar 8,6 procent), vernieling (van 8,9
naar 14,6 procent) en iemand in elkaar slaan (van 1,9 naar 3,3 procent). Maar
tussen 1996 en 1998 lieten al deze delicten weer een aanzienlijke daling zien
(Kruissink en Essers 2001: 22).
Extra zorgelijk is dat vooral de geweldscriminaliteit door jongeren sterk is toege-
nomen. Zo nam het aantal misdrijven tegen het leven (of pogingen daartoe)
gepleegd door jongeren tussen 12 en 17 jaar toe van 1 op de 100.000 in 1952 tot 10
per 100.000 in 1990 en ruim 30 per 100.000 in 1996. Deze stijging zet zich nog
steeds voort (Wittebrood 2000: 23). Het aantal minderjarigen, verdacht van
mishandeling, nam evenzeer toe: van 1952 tot 1970 was dit aantal stabiel, name-
lijk 50 per 100.000. Sinds het begin van de jaren zeventig stijgt dit tot 200 en er
vindt wederom een sterke stijging plaats na 1990 tot 425 per 100.000 jongeren in
de leeftijd 12-17 jaar. Voor de delicten bedreiging met geweld, diefstal met geweld
en afpersing valt eveneens een stijging te constateren, zij het niet zo scherp: van
10 in 1978 tot 80 per 100.000 jongeren in 1996 (Wittebrood 2000: 25). De con-
clusie is gewettigd: zowel in absolute aantallen als in relatieve zin neemt de
geweldscriminaliteit onder jongeren sterk toe.
                                                                                                  103
Hoewel vaak wordt gesuggereerd dat jeugddelinquentie zich op steeds jongere
leeftijd manifesteert, biedt het zelfrapportageonderzoek van het wodc hiervoor
geen aanwijzingen. De leeftijd waarop men zegt voor het eerst een strafbaar feit
te hebben gepleegd is voor alle onderscheiden delicten tussen 1988 en 1998 nage-
noeg gelijk gebleven. Hierop is slechts één uitzondering, maar wel een belang-
rijke: de leeftijd waarop jongeren naar eigen zeggen voor het eerst iemand in
elkaar hebben geslagen daalde van 13,5 jaar in 1988 naar 12,3 jaar in 1994, om
daarna overigens weer te stijgen naar 13,1 jaar in 1998 (Kruissink en Essers 2001:
27). Gegevens van het Openbaar Ministerie wijzen echter wel uit dat het aandeel
zeer jeugdigen (12-14 jarigen) onder de minderjarigen waartegen een strafzaak
aanhangig wordt gemaakt, tussen 1995 en 2000 licht is toegenomen, van 25
procent naar 26,3 procent van alle minderjarige verdachten (Ministerie van Justi-
tie 2002: 27).
Jeugdcriminaliteit wordt vaak in verband gebracht met bepaalde groepen alloch-
tonen, in het bijzonder Marokkanen en Antillianen. Inderdaad zijn er veel aan-
wijzingen voor een toenemende oververtegenwoordiging van allochtonen onder
de jeugdige criminelen, hoewel hierover weinig harde cijfers voorhanden zijn.
Een op de vier verdachten in de leeftijdsgroep 12-24 jaar blijkt in het buitenland
geboren te zijn, vooral in Marokko en in de Nederlandse Antillen. Ook relatief
gezien, in verhouding tot de omvang van de bevolkingsgroep, is het aantal
verdachten van Antilliaanse en Marokkaanse afkomst het grootst (resp. 11% en
8% van de groep 12-24-jarigen) (Ministerie van bzk 2002: 41-43). De tweede-
generatieallochtonen, die in Nederland zijn geboren, ontbreken echter in deze
cijfers, zodat mag worden aangenomen dat het totale aandeel allochtonen onder
de jeugdige verdachten nog beduidend groter is.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 105 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 106 ======================================================================

<pre>    wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                4.7         zinloos geweld en geweld op str aat
                            De maatschappelijke verontrusting over criminaliteit in de afgelopen jaren is
                            mede gevoed door enkele bijzonder ernstige incidenten van zinloos geweld die
                            veel aandacht kregen in de media. Naar aanleiding van de Tjoelker-zaak in
                            Leeuwarden heeft de Tweede Kamer aangedrongen op een specifiek onderzoek
                            naar geweld op straat. In dit onderzoek is ‘geweld op straat’ geïnterpreteerd als
                            geregistreerde misdrijven in de openbare en semi-openbare ruimte (dus niet in
                            winkelcentra of andere particuliere eigendomsruimten). Op basis van een steek-
                            proef van 1300 gevallen van openbaar geweld, in één jaar in twee politiedistric-
                            ten gepleegd, constateerden de onderzoekers drie contexten van geweld op
                            straat. In volgorde van frequentie waren dit: 1) buurtgeweld en buurtonveilig-
                            heid, 2) verkeersgeweld, conflicten tussen weggebruikers en 3) horecageweld en
                            in en om uitgaansgelegenheden, waarbij drankgebruik een belangrijke rol
                            speelde (Terlouw et al. 1999: 27).
                            Uit dit onderzoek kwamen enkele belangrijke kenmerken van straatgeweld naar
                            voren.
                            • Het is vaak toeval wie dader is en wie slachtoffer; aan het fysieke geweld gaat
104                               verbaal geweld van beide kanten vooraf. Bestudering van het verloop van
                                  deze conflicten is onthullend voor het agressieve karakter van alle betrokke-
                                  nen en voor de futiliteit van de conflictaanleiding (vaak symbolische gebaren
                                  of verbale beledigingen).
                            • Er is een stijgend aandeel in dit geweld op straat van jongeren in de leeftijd
                                  van 13-16 jaar; maar bij deze groep gaat het nog vooral om vandalisme.
                                  42 procent van alle gevallen betrof daders in de leeftijd van 12-17 jaar, en
                                  28 procent in de leeftijd van 18-24 jaar, dus in twee derde van alle gevallen
                                  betrof het jongeren.
                            • Het geweld gepleegd door de iets oudere leeftijdsgroep van 17-20 jaar, is
                                  ernstiger van aard en veroorzaakt meer serieus letsel. Dit duidt op een ‘leer-
                                  effect’ en op een vergroving van het geweld naarmate men ouder wordt
                                  (Terlouw et al. 1999: ibidem).
                            Interviews met (een beperkt aantal) daders en slachtoffers van de betrokken inci-
                            denten bevestigen dat de aanleiding voor het incident vaak uiterst gering is en
                            dat de daders zich vaak zelf zien als slachtoffers. Een algehele gevoeligheid voor
                            inbreuk op het eigen psychische territoir, een snelle gekwetstheid van het ego en
                            een geringe rem op gewelddadige reacties valt bij daders (maar ook bij toevallige
                            slachtoffers) waar te nemen (Beke et al. 2001).
                            Een bijzondere vorm van geweld is de beroving van nietsvermoedende personen
                            op straat door middel van straatroof of gekwalificeerde diefstal (diefstal met
                            geweld). Voor de slachtoffers hiervan zijn dit buitengewoon ingrijpende en
                            ernstige ervaringen, met vaak langdurende slapeloosheid, woede, onmacht en
                            schaamte (om de onmacht) als gevolg. In het delict van straatroof komt een gege-
                            neraliseerde bedreiging van de persoonlijke levenssfeer naar voren. Vermoedelijk
</pre>

====================================================================== Einde pagina 106 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 107 ======================================================================

<pre>                                                                                   normoverschrijdend gedrag
          heeft het daarom een enorme impact op algemene gevoelens van onveiligheid.
          De daders hebben vaak een instrumentele houding ten opzichte van de keuze
          van de slachtoffers en van de gebruikte wapens: messen en scheermesjes en
          ander ernstig letsel toebrengende wapens worden welbewust ingezet. Een
          aanzienlijk deel van de daders is jonger dan 18 jaar en van buitenlandse herkomst
          (vooral onevenredig veel Marokkanen). Vaak is het delict gerelateerd aan drugs-
          gebruik: 40 procent van de Amsterdamse straatrovers is verslaafd (Ferwerda et
          al. 2002).
4.8       voetbalvandalisme
          Sport verbroedert, luidt het gezegde. Maar wie bij sport vooral aan wedstrijden
          in het betaald voetbal denkt, zal daarbij wellicht eerder associaties met agressie
          en massaal geweld hebben. Naast de wedstrijd op het veld vindt er de laatste
          decennia immers vaak een tweede wedstrijd plaats, namelijk die tussen de
          supporters van beide ploegen. Voetbalvandalisme, zoals het meestal wordt
          genoemd, of supportersgeweld, wat misschien een toepasselijker aanduiding is,
          is langzamerhand een ‘gewoon’ verschijnsel geworden, dat echter bij het publiek
          toch telkens weer afgrijzen en onbegrip oproept.
                                                                                                             105
          Sinds het seizoen 1986-’87 verzamelt het Centraal Informatiepunt Voetbalvanda-
          lisme gegevens over voetbalvandalisme. Hieraan zijn de cijfers in tabel 4.4
          ontleend over de supporters die in de afgelopen tien jaar door de politie zijn
          aangehouden.
 Tabel 4.4      Aanhoudingen vanwege voetbalvandalisme, 1997-2002
 Seizoen                Totaal        First                  Aandeel in procenten
                        aantal     offenders
                                      (%)      12-18 jaar  19-24 jaar    25-30 jaar   Ouder dan
                                                                                       30 jaar
 1991-’92                0977           .           .           .            .            .
 1992-’93                1012           .           .           .            .            .
 1993-’94                  .            .           .           .            .            .
 1994-’95                1933           .           .           .            .            .
 1995-’96                1550           .         21           44           25           10
 1996-’97                1614           .         20           48           24           08
 1997-’98                1294         70,8        18           37           27           10
 1998-’99                1554         78,4        26           41           23           11
 1999-2000               1568         75,6        22           41           24           13
 2000-’01                1200         75,5        18           45           21           16
 2001-’02                1887         74,9        18           41           24           18
 Bron: civ (1999; 2002); Bol en Netburg (1997)
</pre>

====================================================================== Einde pagina 107 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 108 ======================================================================

<pre>    wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                            Hoewel het aantal aanhoudingen in het voorlaatste voetbalseizoen (2001-’02)
                            tweemaal zo groot was als aan het begin van de jaren negentig, mag hieruit niet
                            worden geconcludeerd dat het supportersgeweld trendmatig toeneemt. Daar-
                            voor zijn de schommelingen van jaar tot jaar te groot. Bovendien hangt het aantal
                            aanhoudingen ook samen met de alertheid waarmee de politie optreedt. Uit
                            tabel 4.4 blijkt dat steeds ongeveer driekwart van de aangehouden supporters
                            voor de eerste maal bij een voetbalwedstrijd wordt aangehouden (‘first offen-
                            ders’) en dat de gemiddelde leeftijd van ‘hooligans’ laag is: zo’n zestig procent is
                            jonger dan 25 jaar. Wel groeit het aandeel van de iets oudere groep: in het laatste
                            seizoen was bijna een op de vijf aangehouden supporters ouder dan 30 jaar.
                            Verder kan nog worden opgemerkt dat de aangehouden supporters vrijwel allen
                            mannen zijn.
                            Waarom gedragen sommige voetbalsupporters zich gewelddadig? Gedegen
                            onderzoek hiernaar is schaars, omdat een onderzoeker zich hiervoor gedurende
                            langere tijd onder de hooligans dient te begeven om te bestuderen wat hen drijft.
                            Adang (1998), die eind jaren tachtig een groot aantal risicowedstrijden bezocht,
                            constateerde dat over het algemeen slechts een zeer klein deel van de supporters
                            zich te buiten gaat aan geweld. Zelfs in de vakken waarin zich rellen voordoen,
106                         neemt in de meeste gevallen hooguit tien procent van de aanwezigen daaraan
                            actief deel. De grote meerderheid van de supporters die niet aan het geweld deel-
                            neemt, geeft vrijwel nooit enige blijk van afkeuring, laat staan dat zij een poging
                            doen het geweld te beëindigen. Volgens Adang maken “hun passieve of actieve
                            ondersteuning en afwezigheid van iedere vorm van afkeuring (…) het ontstaan
                            en de escalatie van geweld mogelijk” (Adang 1998: 40). Wel zijn er aanwijzingen
                            dat de aanwezigheid van vrouwen te midden van de supporters uitbarsting van
                            geweld kan tegengaan (Roberts en Benjamin 2000). Duidelijk zichtbare aanwe-
                            zigheid van politie in de directe nabijheid van de betreffende groep supporters
                            verkleint de kans op geweld, vooral als zij vroegtijdig optreedt, nog voordat er
                            sprake is van daadwerkelijk geweld (Adang 1998: 52, 55). Als er eenmaal geweld
                            wordt gepleegd, draagt politieoptreden er echter niet meer toe bij om dit sneller
                            te beëindigen. De aanwezigheid van videocamera’s lijkt niet van invloed te zijn
                            op het uitbreken van geweld (Adang 1998: 28).
                            Wat drijft hooligans? Gaat het om ontspoorde jonge mannen die zich ook op
                            andere momenten veelvuldig agressief en normoverschrijdend gedragen of
                            betreft het voor het overige eerzame burgers die een aandrang voelen om zich af
                            en toe te buiten te gaan aan gewelddadige uitspattingen? Het beschikbare onder-
                            zoek is niet geheel eenduidig ten aanzien van deze vraag. Volgens Van Netburg
                            en Ter Horst-Van Breukelen (2000) zijn de informele leiders en aanstichters van
                            de rellen vaak wat oudere supporters die al jaren meelopen en meestal niet zelf
                            deelnemen aan de ongeregeldheden. Zij zijn “de meer intellectuele figuren (…)
                            uit de midden- en hogere klasse” die meestal een baan hebben. De supporters die
                            het meeste geweld plegen (de ‘harde kern’) zijn vaak afkomstig uit de lagere soci-
                            ale milieus en hebben geen of nauwelijks schoolopleiding en een laaggekwalifi-
                            ceerde functie (Van Netburg en Ter Horst-Van Breukelen 2000; Dunning 2000).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 108 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 109 ======================================================================

<pre>                                                                            normoverschrijdend gedrag
    Adang (1998) stelt echter: “Hooligans zijn afkomstig uit alle denkbare milieus en
    niet bij uitstek werkeloos e.d.” Wel hebben zij vaker dan andere jonge mannen
    problemen gehad op school (bijvoorbeeld conflicten met leraren) of thuis (afwe-
    zigheid van effectieve sociale controle) (Bol en Van Netburg 1997; Adang 1998:
    39, 40). Hooligans gaan ook in andere situaties relatief vaak tot geweld over of
    maken zich schuldig aan crimineel gedrag (bijvoorbeeld in de vorm van uitgaans-
    geweld). Een aanzienlijk deel, vooral van de iets oudere voetbalvandalen (boven
    de 20 jaar), is al eerder met justitie in aanraking geweest (Bol en Van Netburg
    1997). Opmerkelijk is dat zich onder de hooligans maar weinig jongeren uit de
    etnische minderheden bevinden.
    Belangrijke motieven om geweld te plegen zijn niet alleen de ‘kick’ die men van
    geweld krijgt, maar vooral dat het een manier is om prestige en status te verwer-
    ven (Bol en Van Netburg 1997; Adang 1998: 44). Aandacht van de media vergroot
    de status van voetbalvandalen (Bol en Van Netburg 1997). Verder wordt geweld-
    dadig gedrag vaak gestimuleerd door het gebruik van (hard)drugs, zoals xtc.
    Overmatig drankgebruik lijkt minder voor te komen (Bol en Van Netburg 1997),
    al wordt dit niet door alle onderzoeken bevestigd (vgl. Van Gageldonk 1999 en
    Spaaij en Van der Torre 2003).
                                                                                                      107
    Concluderend lijkt supportersgeweld vooral een uitlaatklep te zijn voor jonge
    mannen die in het dagelijkse leven niet in staat zijn een gerespecteerde maat-
    schappelijke positie en de bijbehorende status te verwerven en daarom langs
    andere wegen proberen een zeker prestige op te bouwen. Behalve bij voetbal-
    wedstrijden vertonen zij vaak ook in andere omstandigheden delinquent of devi-
    ant gedrag. Het schaarse beschikbare onderzoek duidt er niet op dat hooligans
    geheel andere waarden aanhangen dan de doorsnee burger. Er zijn bijvoorbeeld
    geen aanwijzingen dat zij racistische of extreem-rechtse opvattingen huldigen.
    In het voetbalstadion en bij andere confrontaties met ‘vijandige’ supporters
    hanteren zij echter geheel andere normen dan in het normale maatschappelijke
    verkeer. Het grotendeels afwezig zijn van informele controlemechanismen in en
    rond het voetbalstadion lijkt een belangrijke factor om het ontstaan en escaleren
    van geweld te verklaren. Daarom is een zeer intensieve en alerte formele controle
    door de politie vereist om het gebrek aan informele controle en het effect van de
    geïnternaliseerde ‘supportersnormen’ te compenseren. Maar ook het stimuleren
    van semi-informele controle door supporters zelf (bijvoorbeeld in de vorm van
    stewards) in te schakelen bij het toezicht in het stadion zou een matigend effect
    op het supportersgeweld kunnen hebben.
4.9 wangedr ag in het openbaar vervoer
    De populariteit van het openbaar vervoer – bus, tram, trein, metro – blijft ver
    achter bij die van de auto: op een schaal van 1 (zeer negatief) tot 7 (zeer positief)
    krijgt het openbaar vervoer gemiddeld een 3,1 en de auto een 5,5 (scp 2003:
    bijlage 8.1). Dit verschil valt onder meer te verklaren uit de voordelen die de auto
    biedt ten aanzien van directe beschikbaarheid, vrije keuze van bestemming, een
</pre>

====================================================================== Einde pagina 109 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 110 ======================================================================

<pre>    wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                            (meestal) hogere snelheid en meer comfort en privacy. Maar wellicht heeft het er
                            ook mee te maken dat sommigen het openbaar vervoer als onveilig ervaren.
                            Terwijl automobilisten afgeschermd zijn van hun medeweggebruikers, die door-
                            gaans op gepaste afstand blijven (zie echter ook de volgende paragraaf), worden
                            de reizigers in het openbaar vervoer (letterlijk) lijfelijk geconfronteerd met hun
                            medereizigers. Om te voorkomen dat deze confrontatie op conflicten en botsin-
                            gen uitloopt, wordt van de reizigers een grote mate van discipline en zelfbeheer-
                            sing gevraagd. Als een relatief klein deel van de reizigers zich niet aan de geschre-
                            ven en ongeschreven gedragsregels in het openbaar vervoer houdt, kan dit het
                            reisgenot van de grote meerderheid aanzienlijk schaden. Bovendien kan het
                            normoverschrijdende gedrag van de een voor de ander aanleiding zijn om zich
                            ook niet meer aan de regels te houden. Als anderen niet wachten met instappen
                            tot alle passagiers zijn uitgestapt, waarom zou je je daar zelf dan wel aan houden,
                            met het risico dat je geen zitplaats kunt bemachtigen? Zo zou zich een negatieve
                            spiraalbeweging in werking kunnen zetten, die ertoe leidt dat steeds minder
                            mensen zich nog aan de regels houden en steeds meer mensen het openbaar
                            vervoer mijden.
                            Uit periodiek onderzoek van het bureau es&e blijkt dat sinds 1993 het percen-
108                         tage van het rijdend personeel (bestuurders en controleurs) in tram, bus en
                            metro dat zegt het afgelopen jaar slachtoffer te zijn geweest van een ‘incident’,
                            tussen 50 en 75 schommelt, maar geen eenduidige trend vertoont (tabel 4.5). Bij
                            incidenten gaat het om treiteren, lastigvallen, diefstal, bedreiging en mishande-
                            ling. Met de laatste drie soorten strafbare incidenten wordt jaarlijks 37 tot 54
                            procent geconfronteerd. Treinpersoneel (met name conducteurs) is het vaakst
                            slachtoffer, buspersoneel het minst vaak. Niettemin voelt nog altijd bijna de helft
                            van het personeel in het openbaar vervoer (exclusief treinpersoneel) zich veilig
                            of zeer veilig en niet meer dan 12 procent voelt zich onveilig (Jansen et al. 2002).
                   Tabel 4.5         Slachtofferschap personeel openbaar vervoer, 1993-2002 (in procenten)
                                                       1993      1994     1995      1996      1997      2000 2002
                   Totaal incidenten                    75        68       65         69        50       64   61
                   Strafbare incidenten                 51        48       47         54        37       42   44
                   w.v. mishandeling:
                        Trein                           13        22       25         26        25       29    .
                        Metro                           26        07       12         12         9        8   13
                        Tram                            15        11       09         16        14       11   14
                        Bus                             06        07       05         06        06       05   09
                   Bron: Jansen et al. (2002)
                            Van de reizigers in bus, tram en metro is ongeveer een kwart in het voorgaande
                            jaar slachtoffer of getuige geweest van een of meer incidenten: een op de vijf
                            busreizigers en een op de drie tram- en metroreizigers. 3 Procent van de busreizi-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 110 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 111 ======================================================================

<pre>                                                                        normoverschrijdend gedrag
gers en 6 procent van de tram- en metroreizigers is zelf lastiggevallen. Van de
treinreizigers is in het voorgaande jaar 15 procent slachtoffer geweest en nog eens
15 procent ooggetuige van een incident. 0,5 Procent is mishandeld, 3 procent is
bestolen, 4 procent is bedreigd en 16 procent is lastiggevallen.1 Toch waarderen
meer dan negen op de tien bus-, tram-, metro- en treinreizigers de sociale veilig-
heid in het voertuig als voldoende of goed. Doordat de onderzoeksmethode in
het jaar 2002 verschilde van die in eerdere jaren (1993-1997), is het niet mogelijk
om vast te stellen of de onveiligheid voor reizigers in het openbaar vervoer toe-
of afneemt (De Bie en Korpel 2002).
Agressie kan worden onderscheiden in instrumentele agressie en affectieve
agressie. Instrumentele agressie – ook wel intentionele of proactieve agressie
genoemd – is een middel om een bepaald doel te bereiken, affectieve agressie
– ook wel reactieve, situationele, emotionele, boze of vijandige agressie ge-
noemd – is een emotionele reactie op een frustratie. De ene vorm van agressie
sluit de andere overigens niet uit. Bij instrumentele agressie creëert men vaak
doelbewust een aanleiding om geweld te kunnen gebruiken. Het motief voor
agressie in het openbaar vervoer is vaak een combinatie van verveling en
behoefte aan spanning. Het kan echter ook gaan om al dan niet georganiseerde
criminaliteit die is gericht op persoonlijk gewin (zakkenrollerij, beroving).                     109
Meestal wordt deze agressie gepleegd door jonge mannen die vaak in groepsver-
band opereren en alcohol of drugs hebben gebruikt en ook elders (uitgaansleven,
voetbal) geweld plegen (Bunkers 1995). Het kan echter ook gaan om verslaafden
en zwervers die op stations rondhangen en reizigers lastigvallen.
Affectieve agressie in het openbaar vervoer krijgt doorgaans minder aandacht,
maar is waarschijnlijk niet minder belangrijk. Het gaat hierbij over het algemeen
om ‘gewone’ reizigers die agressief reageren op een vervelende gebeurtenis.
Waar instrumentele agressie meestal op medereizigers is gericht, keert affectieve
agressie zich vaker tegen het personeel van het openbaar vervoer. Een veelvoor-
komende aanleiding is controle van een reiziger zonder geldig plaatsbewijs. Of
een reiziger hierop agressief reageert, hangt niet alleen af van zijn persoonlijk-
heid (sommige ‘hoog-agressieve’ mensen reageren sneller agressief dan ande-
ren), maar ook van de houding en het gedrag van de controleur. Zo roept een
controleur eerder agressie op naarmate hij of zij de reiziger onbeleefder en agres-
siever aanspreekt en minder (fysieke) afstand bewaart (Winkel 1995). Ook on-
duidelijkheid en willekeur in het optreden van het personeel kan mede debet zijn
aan agressief gedrag van reizigers. Als iets de ene keer wel en de andere keer niet
wordt geaccepteerd, is de kans op een agressieve reactie in het laatste geval groter
(Hauber 1995). Ook de situatie kan agressief gedrag bevorderen. Als reizigers te
maken hebben met vertragingen en slechte informatie en dan ook nog eens
worden geconfronteerd met het weinig voorkomende gedrag van een conduc-
teur, kan gemakkelijk een agressieve reactie worden opgeroepen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 111 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 112 ======================================================================

<pre>    wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                4.10 wangedr ag in het verkeer
                            In het verkeer ontmoeten dagelijks honderdduizenden ‘anonieme’ mensen elkaar,
                            de meeste met het doel zo snel mogelijk de eigen bestemming te bereiken. Om dit
                            proces soepel en zonder botsingen (zowel letterlijk als figuurlijk) te laten verlopen
                            is een nauwgezette en intensieve coördinatie nodig. Het wegenverkeersreglement
                            is daar een van de middelen voor. Omdat iedere weggebruiker er belang bij heeft
                            dat het verkeer soepel verloopt, is het voor veel regels niet of nauwelijks nodig om
                            normconform gedrag af te dwingen. Zo houdt vrijwel iedereen zich aan de regel
                            dat men op de openbare weg rechts rijdt, aangezien ieder die niet levensmoe is, er
                            geen enkel belang bij heeft deze regel te overtreden.
                            Er zijn in het verkeer echter ook tal van formele en informele regels die niet
                            direct in het belang zijn van de individuele weggebruiker, maar hooguit indirect.
                            Vaak doen zich prisoner’s dilemma’s voor, waarbij navolging van een regel
                            bijdraagt aan het realiseren van het maatschappelijke optimum, maar ieder indi-
                            vidu afzonderlijk niettemin voordeel kan behalen door de regel te overtreden.
                            Dit geldt bijvoorbeeld voor voorrangsregels en voor het zogenaamde ritsen op de
                            snelweg. Zolang ieder zich aan deze regels houdt, is de verleiding om deze te
110                         overtreden doorgaans gering. Maar naarmate het vaker voorkomt dat iemand de
                            regel overtreedt, wordt het ook voor anderen verleidelijker om zich niet meer
                            conform de regel te gedragen. Dit kan leiden tot een toename van onbeschoft of
                            ‘hufterig’ gedrag in het verkeer.
                            Veel mensen lijken van mening dat het inderdaad bergafwaarts gaat met de
                            waarden en normen in het verkeer en vervoer. Het is echter niet zo eenvoudig om
                            vast te stellen of dit ook werkelijk het geval is, doordat veel normovertredingen
                            (vooral als het om informele normen gaat) niet worden geregistreerd. Weliswaar
                            is het aantal bekeuringen wegens verkeersovertredingen sinds het midden van
                            de jaren negentig verdrievoudigd, vooral ten gevolge van de explosieve groei van
                            het aantal boetes voor het overtreden van de maximumsnelheid. Deze toename
                            vormt echter minder een indicatie dat automobilisten steeds vaker te hard rijden
                            dan van een intensivering van de controle door de politie (swov 2003).
                            Richt men de aandacht op de zwaarste vormen van normoverschrijdend gedrag
                            in het verkeer, namelijk de misdrijven op grond van de Wegenverkeerswet, dan
                            tekent zich ook een sterke toename af (figuur 4.4). Tussen 1990 en 2001 is het
                            aantal geregistreerde verkeersmisdrijven met de helft toegenomen, van 82.000
                            naar 120.000. Het gaat hierbij voornamelijk om doorrijden na een ongeval en
                            rijden onder invloed. De stijging in de jaren negentig wordt volledig verklaard
                            door de toename van het doorrijden na een ongeval. Het aantal processen-
                            verbaal wegens rijden onder invloed is in de jaren negentig per saldo zelfs iets
                            teruggelopen. Opmerkelijk is dat het aantal verkeersmisdrijven in de jaren
                            tachtig betrekkelijk stabiel was, na in de jaren zeventig sterk te zijn gegroeid.
                            Hierbij dient men wel te bedenken dat ook deze cijfers worden beïnvloed door
                            de opsporingsintensiteit van de politie. Het is dus niet zeker dat het werkelijke
</pre>

====================================================================== Einde pagina 112 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 113 ======================================================================

<pre>                                                                                 normoverschrijdend gedrag
          aantal verkeersmisdrijven dezelfde ontwikkeling vertoont. Zo komt uit zoge-
          naamde slachtofferenquêtes (cbs, pols) geen duidelijke stijging van het doorrij-
          den na een ongeval in de periode 1992-2002 naar voren. Deze cijfers hebben, van-
          wege de betrekkelijk kleine steekproef, bovendien een grote onzekerheidsmarge.
          Bij de beoordeling van het aantal verkeersmisdrijven dient men ook rekening te
          houden met de verkeersintensiteit: als het verkeer toeneemt, duidt een stijging
          van het aantal verkeersmisdrijven niet per se op een verslechtering van het
          verkeersgedrag. Daarom is in figuur 6.1 het aantal verkeersmisdrijven ook gerela-
          teerd aan het aantal door automobilisten afgelegde kilometers (de bovenste stip-
          pellijn). Het relatieve aantal geregistreerde verkeersmisdrijven blijkt dan tussen
          1985 en 1992 met 17 procent te zijn gedaald, om daarna weer met 25 procent toe te
          nemen, maar het niveau was in 2001 niet veel hoger dan halverwege de jaren
          tachtig.
 Figuur 4.4     Misdrijven op grond van de Wegenverkeerswet, 1957-2001
140.000                                                                                     1400
                  Totaal
120.000           Rijden onder invloed                                                      1200
                  Doorrijden na ongeval                                                                    111
                  Doorrijden na ongeval - slachtoffers
                  Totaal per mld. autokilometers
100.000                                                                                     1000
 80.000                                                                                     800
 60.000                                                                                     600
 40.000                                                                                     400
 20.000                                                                                     200
      0                                                                                     0
        1957     1962         1967          1972       1977 1982 1987 1992    1997
 Bron: cbs (Statline)
          Al met al duiden de meeste ‘objectieve’ indicatoren op een forse toename van
          verkeersovertredingen en verkeersmisdrijven in de jaren negentig, maar is niet-
          temin onzeker of deze cijfers ook de werkelijke ontwikkeling van het normover-
          schrijdende gedrag in het verkeer weerspiegelen. Over lichtere vormen van
          normoverschrijdend of onfatsoenlijk gedrag in het verkeer zijn zo goed als geen
          gegevens beschikbaar.
          Naar agressie in het verkeer – vooral agressie van automobilisten – is het nodige
          onderzoek gedaan (zie bijvoorbeeld Tasca 2000; Levelt 2001; Parker et al. 2002).
          Bij agressief rijgedrag gaat het bijvoorbeeld om ‘plakken’, ‘snijden’, veel te hard
          rijden, onnodig toeteren, obscene gebaren maken en schelden. In extreme geval-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 113 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 114 ======================================================================

<pre>    wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                            len (aangeduid als road rage) kan er ook sprake zijn van fysiek geweld, waarbij
                            men de auto als wapen gebruikt (een andere weggebruiker opzettelijk aanrijden)
                            of de auto verlaat om een andere weggebruiker te lijf te gaan. Levelt (2001) schat
                            op grond van berichten in de pers dat er in Nederland in een periode van 2,5 jaar
                            (halverwege de jaren negentig) 29 van dergelijke excessieve voorvallen zijn
                            geweest. Iets minder dan één op de duizend verkeersdoden zou hieraan zijn toe
                            te schrijven (dat wil zeggen ongeveer één verkeersdode per jaar).2 In een enquête
                            onder Nederlandse automobilisten zei 83 procent het afgelopen jaar last te
                            hebben gehad van agressiviteit in het verkeer (Levelt 2001).
                            Agressie in het verkeer kan, net als agressie in het openbaar vervoer, worden
                            onderscheiden in instrumentele en affectieve agressie. Bij instrumentele agressie
                            gaat het bijvoorbeeld om toeteren in de hoop dat een andere automobilist uit de
                            weg gaat. Affectieve agressie is bijvoorbeeld een boze reactie op een verkeers-
                            overtreding of onbeschoft gedrag van een medeweggebruiker. Hoewel agressie
                            meestal door een concrete ergernis wordt opgeroepen – bijvoorbeeld oponthoud
                            door andere weggebruikers – liggen er vaak ook eerdere gebeurtenissen aan ten
                            grondslag. De stemming waarin men verkeert als men de weg op gaat, heeft een
                            grote invloed op het ontstaan van agressie als men onderweg met een hinderlijke
112                         situatie wordt geconfronteerd. Zowel persoonlijkheidskenmerken als omge-
                            vingsfactoren zijn verder van invloed op het ontstaan van agressie. Agressief
                            rijgedrag komt het meest voor onder jonge, laagopgeleide mannen, die zich vaak
                            ook buiten het verkeer onderscheiden door geweld, crimineel gedrag en drugs-
                            of alcoholproblemen (zoals voetbalhooligans; zie Spaaij en Van der Torre 2003:
                            18). Toch blijken ook eerzame burgers zich soms aan zeer agressief verkeersge-
                            drag te buiten te gaan.
                            Omstandigheden die agressiviteit in het verkeer bevorderen zijn de onverwacht-
                            heid van de gebeurtenis (een onverwachte file roept meer agressie op dan een
                            aangekondigde file), de anonimiteit van de verkeersdeelnemers (als men de
                            bestuurder van een andere auto kan zien, reageert men minder agressief), de
                            mogelijkheid om snel weg te komen, een hoge temperatuur (airconditioning kan
                            de kans op agressiviteit verminderen) en lawaai (Mizell 1997; Connell en Joint
                            1997; Tasca 2000; Levelt 2001).
                4.11        wangedr ag op het werk
                            Hoewel de doorsneeburger slechts een klein deel van zijn of haar leven op het
                            werk doorbrengt (De Beer 2001), zien de meesten hun werk als een belangrijk
                            onderdeel van hun leven. Werk structureert de tijd, brengt sociale contacten met
                            zich mee, levert maatschappelijke waardering en zelfrespect op en biedt moge-
                            lijkheden tot persoonlijke ontplooiing (vgl. wrr 1990). Zaken als waardering,
                            zelfrespect en ontplooiing vereisen echter wel een veilige en respectvolle omge-
                            ving en daar lijkt het ook op de werkvloer nogal eens aan te schorten. Steeds
                            vaker zijn geluiden te horen over werknemers die het slachtoffer zijn van wange-
                            drag van klanten of van hun collega’s. Hoe wijdverbreid is dit verschijnsel?
</pre>

====================================================================== Einde pagina 114 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 115 ======================================================================

<pre>                                                                       normoverschrijdend gedrag
Volgens het evaluatierapport over de Arbowet (Soethout en Sloep 2000: II) heeft
40 procent van de werknemers ervaring met agressie op het werk, 14 procent is
weleens slachtoffer geweest van seksuele intimidatie en 23 procent van de werk-
nemers is weleens gepest. In iets meer dan de helft van de gevallen van agressie
en seksuele intimidatie was de dader een collega (inclusief leidinggevenden);
pesterijen komen zelfs voor 64 procent voor rekening van collega’s. Uit het meer
recente tno Arbeidssituatie Survey (tno Arbeid 2003) blijkt dat in 2002 13
procent van de Nederlandse werkenden werd geïntimideerd door chefs en colle-
ga’s. Er zijn aanwijzingen dat de gevolgen voor het welzijn en de gezondheid van
het slachtoffer ernstiger zijn wanneer de dader een collega dan wanneer deze een
klant is. Niettemin baart ook de bejegening van werknemers door klanten en
bezoekers (waaronder patiënten en leerlingen) soms zorgen. Het tno-onderzoek
wijst uit dat 7 procent van de Nederlandse werkenden slachtoffer is geworden
van fysiek geweld door klanten en 3-7 procent van seksuele intimidatie, terwijl in
totaal 22 procent werd geconfronteerd met intimidatie door klanten.
Vooral de beroepsgroepen die veel met klanten en bezoekers te maken hebben
worden geconfronteerd met wangedrag: agressie en geweld komen bovenge-
middeld vaak voor in de gezondheidszorg, de maatschappelijke dienstverlening
en het vervoer. Pesten gebeurt vooral binnen de handel, horeca, overheid en                      113
overige dienstverlening. Seksuele intimidatie komt het meest voor in de zorgsec-
tor en de horeca (Soethout en Sloep 2000; tno Arbeid 2003).Van den Brink
(2001) ondervroeg professionals uit verschillende maatschappelijke domeinen
naar het door henzelf ervaren wangedrag dat in de uitoefening van hun beroep
tegen hen was gericht. Een derde van de ondervraagden voelde zich meermalen
bedreigd en was daadwerkelijk slachtoffer geweest. Driekwart had in de dienst-
tijd agressief gedrag waargenomen. De hoogste bedreigingsscores werden ge-
vonden bij professionals in de jeugdzorg, in het club- en buurthuiswerk, de poli-
tie, gevolgd door het voortgezet onderwijs en het basisonderwijs. De laagste
scores werden gevonden bij het hoger onderwijs (Van den Brink 2001: 423-429).
Of dergelijke vormen van wangedrag op de werkvloer in frequentie toenemen is
onduidelijk; verschillende indicatoren geven tegenstrijdige ontwikkelingen aan
(Soethout en Sloep 2000: 7).
In een onderzoeksrapport voor het ministerie van Binnenlandse Zaken hebben
Middelhoven en Driessen (2001) een poging gedaan de daders van agressie tegen
werknemers te beschrijven. Het blijken meestal ‘gewone mensen’ te zijn, vooral
mannen, van uiteenlopende leeftijden, van 24 jaar tot 40 jaar. Gewone anwb-
leden blijken hun agressie bij teleurstellende situaties niet te kunnen beheersen
(zie par. 4.10). Hetzelfde geldt voor gewone treinreizigers of cliënten van de
Gemeentelijke Sociale Dienst. De gevolgen voor de organisaties zijn echter
aanzienlijk: bij het Gemeentelijk Vervoersbedrijf in Amsterdam (gvb) kreeg een
kwart van de 4.800 medewerkers te maken met lichamelijke agressie in de
uitvoering van hun functie. Mede hierdoor zit tien procent van het personeel
ziek thuis (hp/De Tijd 2003). Deze schaarse empirische onderzoekingen duiden
erop dat traditionele, relatief geweldsvrije beroepssferen in toenemende mate te
</pre>

====================================================================== Einde pagina 115 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 116 ======================================================================

<pre>    wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                            maken hebben gekregen met ruwere omgangsvormen. Er is een sfeer aan het
                            ontstaan van intimidatie en agressie om bepaalde doeleinden te bereiken in de
                            sociale interacties. Dit doet zich zowel voor tussen burgers onderling als tussen
                            burgers in hun rol als klant en in hun rol als dienstverlener.
                            Bij het wangedrag van collega’s onderling lijkt de relatie tussen formele en infor-
                            mele controle op het werk van belang. In de praktijk worden pesterijen en seksu-
                            ele intimidatie door leidinggevenden vaak gebagatelliseerd of ontkend. Dit
                            versterkt een sfeer waarin dergelijk wangedrag wordt getolereerd. Vooral een
                            sterk hiërarchische of ‘macho’-sfeer op het werk blijkt aanleiding te geven tot
                            seksuele intimidatie, discriminatie en pesterijen (De Vries et al. 2002: 81).
                            Formeel beleid om wangedrag te voorkomen is van belang, maar is pas effectief
                            wanneer de norm van gelijkwaardigheid en wederzijds respect voldoende is
                            geïnternaliseerd en ook tot uitdrukking komt in informele controlemechanis-
                            men. Zo constateren Soethout en Sloep (2000: VI): “Groepsprocessen kunnen
                            algemene waarden als respect, tolerantie en fatsoen naar de achtergrond drukken
                            ten gunste van groepsnormen.” Dit wordt nog versterkt door het tekortschieten
                            van de formele controle: “Het merendeel van de slachtoffers meldt zijn ervarin-
                            gen aan een persoon of instantie die actie kan ondernemen na een dergelijke
114                         melding. Desondanks verandert er vaak niets op het werk of voor het slachtoffer
                            persoonlijk” (Soethout en Sloep 2000: II). Het falen van de formele controle
                            verzwakt op zijn beurt de informele en interne controle; wanneer de bevoegde
                            personen niets doen met meldingen van wangedrag, bevestigen ze daarmee
                            impliciet dat de meldingen niet serieus genomen hoeven te worden. Volgens De
                            Vries et al. (2002: 83) is beleid tegen wangedrag effectiever wanneer zowel strate-
                            gieën van boven uit als van onder uit de organisatie gehanteerd worden. Dit kan
                            worden vertaald in een wederzijdse ondersteuning van formele en informele
                            controle. Ook het aanleren en onderhouden van de vaardigheid om met conflic-
                            ten om te gaan kan helpen om wangedrag tegen te gaan.
                4.12        fr aude
                            De meest zichtbare en tastbare vormen van normoverschrijdend gedrag, zoals
                            verloedering van de openbare ruimte, bedreiging en geweld op straat en in het
                            openbaar vervoer, alsmede inbraak en diefstal roepen doorgaans de meeste zorg
                            en ergernis op. Sommige vormen van normoverschrijdend gedrag blijven echter
                            grotendeels onzichtbaar en trekken minder de aandacht, doordat er geen directe
                            slachtoffers zijn of doordat de slachtoffers niet merken dat zij benadeeld worden.
                            Het gaat hierbij om verschillende vormen van ‘witteboordencriminaliteit’, zoals
                            fraude en corruptie. Vaak is de overheid of een andere publieke instantie (bijvoor-
                            beeld een uitkeringsorgaan) hiervan het slachtoffer, zodat de burger niet direct
                            wordt geconfronteerd met de nadelige gevolgen. Opmerkelijk is dat deze vorm
                            van wetsovertreding in het huidige waarden- en normendebat weinig aandacht
                            krijgt. Alleen recente affaires als de bouwfraude en andere ongeoorloofde prak-
                            tijken in grote ondernemingen (bijvoorbeeld Ahold) en instellingen (bijvoor-
                            beeld fraude in het hbo) worden een enkele keer in verband gebracht met (ver-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 116 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 117 ======================================================================

<pre>                                                                      normoverschrijdend gedrag
val van) waarden en normen, maar deze vormen van normoverschrijding staan
geenszins centraal in het huidige debat. Toch kunnen zich ook op dit gebied
zorgwekkende ontwikkelingen voordoen. Als zaken als misbruik van sociale
voorzieningen en belastingontduiking ongestraft blijven of zelfs oogluikend
worden toegestaan, kan hiervan een eroderend effect uitgaan op het normbesef
en het gedrag van de ‘gemiddelde’ burger. Zoals in paragraaf 4.3 is geschetst zou
hierdoor op den duur een negatieve spiraal van afnemend normbesef en toene-
mende normoverschrijding in beweging kunnen worden gezet. Deze paragraaf
geeft enkele gegevens over de (geregistreerde) omvang van fraude en andere
vormen van witteboordencriminaliteit. Vervolgens wordt iets dieper ingegaan
op een specifieke vorm, te weten uitkeringsfraude. De reden hiervoor is niet dat
deze vorm ernstiger of wijder verbreid zou zijn dan andere vormen, maar dat
hiernaar relatief veel onderzoek is gedaan, zodat over de motieven van de daders
iets meer te zeggen valt dan bij andere vormen van fraude.
Voor alle vormen van fraude geldt dat de werkelijke omvang ervan veel groter is
dan het aantal geconstateerde en vervolgde fraudegevallen. De werkelijke om-
vang kan alleen met indirecte methoden worden geschat (voor een overzicht zie
Lensvelt-Mulders et al. 1999), die elk hun beperkingen hebben. Schattingen van
de omvang van het ‘zwarte circuit’ lopen hierdoor sterk uiteen, van één procent                 115
tot wel 30 procent van het bruto binnenlands product (vgl. De Beer 1994: 30,
Heertje en Cohen 1980: 125 e.v.). Gezien de zeer grote onzekerheidsmarges waar-
mee dit onderzoek onvermijdelijk behept is, kan er ook geen zinnige uitspraak
worden gedaan over de ontwikkeling in de tijd. Men dient er dan ook voor te
waken om de toegenomen aandacht in de media voor zaken als witwaspraktij-
ken, belastingvlucht, effectenhandel met voorkennis, tewerkstelling van illega-
len en corruptie te interpreteren als een aanwijzing dat deze onoorbare praktij-
ken in omvang toenemen. Het is even goed mogelijk dat er simpelweg meer
zaken boven water komen, bijvoorbeeld doordat de opsporing is geïntensiveerd.
Schommelingen in de publieke aandacht voor fraude en het zwarte circuit zeg-
gen dan ook niets over de feitelijke ontwikkeling van de omvang ervan.
Ook in internationaal perspectief is het moeilijk iets te zeggen over de omvang
van de zwarte economie in Nederland. Tabel 4.6 geeft een overzicht van schat-
tingen voor de meeste oeso-landen ontleend aan twee verschillende bronnen.
In beide overzichten neemt Nederland een middenpositie in. De grote verschil-
len tussen de schattingen onderstrepen echter nog eens de grote onzekerheids-
marges waarmee deze berekeningen omgeven zijn. Ook de relatieve positie
van Nederland ten opzichte van de andere landen is allerminst een vaststaand
feit.
Over een aantal specifieke vormen van fraude valt echter iets meer te zeggen.
Figuur 4.5 geeft een beeld van de ontwikkeling van het aantal geregistreerde
gevallen van verduistering en bedrog sinds 1950. Tot het midden van de jaren
vijftig halveerde het aantal processen-verbaal wegens verduistering of bedrog (in
verhouding tot de bevolkingsomvang) ruimschoots, maar vanaf het midden van
de jaren tachtig neemt het aantal weer fors toe. Niettemin was het relatieve
</pre>

====================================================================== Einde pagina 117 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 118 ======================================================================

<pre>    wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                  Tabel 4.6          Twee schattingen van de omvang van de zwarte economie (in procenten van het
                                     bruto binnenlands product)
                                                                                          A                  B
                  Australië                                                             08,4                13,0
                  België                                                                10,9                20,8
                  Canada                                                                10,7                13,5
                  Denemarken                                                            10,1                15,0
                  Duitsland                                                             08,7                12,5
                  Frankrijk                                                             11,4                13,8
                  Griekenland                                                           29,4                  .
                  Groot-Brittannië                                                      06,8                11,2
                  Ierland                                                               03,9                14,2
                  Italië                                                                17,4                24,0
                  Nederland                                                             09,6               12,7
                  Nieuw-Zeeland                                                           .                 09,0
                  Noorwegen                                                             05,5                16,7
                  Oostenrijk                                                            04,2                06,1
116               Portugal                                                              15,6                  .
                  Spanje                                                                11,1                17,3
                  Verenigde Staten                                                      11,3                08,2
                  Zweden                                                                10,1                17,0
                  Zwitserland                                                             .                 06,9
                  Bron: Williams en Windebank (1998: 100) (A); Schneider en Enste (2000: 11) (B)
                            aantal geconstateerde verduisteringen in 1999 nog altijd beduidend lager dan in
                            1950. Het relatieve aantal gevallen van bedrog steeg in de jaren negentig echter zo
                            snel dat het inmiddels ruim boven het niveau van 1950 ligt.
                            Het aantal processen-verbaal dat jaarlijks wordt opgemaakt wegens belasting-
                            fraude schommelt sinds 1983 tussen de 300 en 600, zonder een duidelijke trend
                            te laten zien. Wel is het totale bedrag dat hiermee is gemoeid, sterk gegroeid, van
                            64 miljoen euro in 1983 tot 258 miljoen in 1999, al wordt dit ten dele verklaard
                            door de economische groei in deze periode (wodc 2001: bijlage 4; Belasting-
                            dienst 2002). Het geringe aantal geconstateerde gevallen van belastingfraude in
                            verhouding tot het enorme aantal belastingaangiften dat jaarlijks wordt gedaan,
                            doet vermoeden dat het hier slechts om het topje van de ijsberg gaat. Er zijn
                            echter nauwelijks mogelijkheden om de werkelijke omvang met enige betrouw-
                            baarheid te schatten.
                            Er is weinig reden om aan te nemen dat fraude aan de ‘onderkant’ van de samen-
                            leving vaker voorkomt dan aan de ‘bovenkant’. Integendeel, een onderzoek van
                            het nipo levert aanwijzingen op dat een bevolkingscategorie die als ‘carrière-
                            makers’ wordt aangeduid en voornamelijk bestaat uit hoogopgeleide werkende
</pre>

====================================================================== Einde pagina 118 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 119 ======================================================================

<pre>                                                                                     normoverschrijdend gedrag
 Figuur 4.5      Processen-verbaal wegens verduistering en bedrog (per 100.000 inwoners),
                 1950-1999
80
             Verduistering
             Bedrog
70
60
50
40
30
20
10
 0
   1950     1955         1960   1965     1970     1975      1980      1985     1990     1995    2000
 Bron: cbs (Statline); wrr-bewerking                                                                           117
         mannen met een hoog inkomen, het meest geneigd is om de wet te overtreden
         en antisociaal gedrag te vertonen (Hessing-Couvret en Reuling 2002: hoofdstuk
         5). Hoewel de aard van de wetsovertreding hierbij niet nader is gespecificeerd, is
         het aannemelijk dat (belasting)fraude hier zeker toe behoort. Ook in het onder-
         zoekje naar fraude dat Interview-nss (2003) in opdracht van de wrr heeft
         verricht (zie par. 3.5), geven de hogere inkomensgroepen vaker toe dat zij de
         belasting zouden ontduiken dan de lagere inkomensgroepen.
         Toch worden in de praktijk veel meer gevallen van socialezekerheidsfraude
         geconstateerd dan van belastingfraude. Tabel 4.7 laat zien dat het per jaar om
         zeker 50.000 gevallen gaat (de cijfers met betrekking tot de bijstand betreffen
         een periode van een halfjaar). Jaarlijks wordt bij circa een op de 50 ontvangers
         van een uitkering krachtens een werknemersverzekering (aaw/wao, ww, zw,
         tw, waz en Wajong) fraude geconstateerd, bij circa een op de tien bijstandont-
         vangers en bij niet meer dan een op de 10.000 ontvangers van een volksverzeke-
         ring (vooral aow en kinderbijslag). Dat deze cijfers vele malen hoger zijn dan bij
         belastingfraude (behalve bij de volksverzekeringen) kan onder meer te maken
         hebben met verschillen in prioriteitsstelling en in de moeilijkheid van opspo-
         ring. Een belangrijk verschil is bijvoorbeeld dat ontvangers van een sociale uitke-
         ring moeten aantonen dat zij recht hebben op een uitkering, terwijl bij belasting-
         betalers de bewijslast veeleer bij de Belastingdienst rust.
         Een andere methode om inzicht te krijgen in uitkeringsfraude is de uitkeringsge-
         rechtigden er zelf naar te vragen. Uiteraard kan men bij de betrouwbaarheid hier-
         van vraagtekens zetten, aangezien het de vraag is of veel uitkeringsgerechtigden
</pre>

====================================================================== Einde pagina 119 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 120 ======================================================================

<pre>    wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                  Tabel 4.7          Geconstateerde uitkeringsfraude, 2000-2002
                                                               Werknemers-                      Volks-               Bijstand c
                                                              verzekeringen a             verzekeringen b
                  geconstateerde fraudegevallen                   26734                          390                   17610
                  w.v. witte fraude d                             13162                            .                      .
                        zwarte fraude d                            806                             .                      .
                  fraudegevallen in % van
                  het aantal uitkeringen                            2,0                          0,01                    5,2
                  gemiddelde fraudebedrag
                  (euro)                                           710                             .                    2565
                  a ww, aaw/wao, zw, tw, waz en wajong; de cijfers betreffen het jaar 2000.
                  b aow, anw, akw, pgb en enkele kleinere regelingen; de cijfers betreffen het jaar 2001.
                  c Eerste helft van 2002.
                  d Bij witte fraude gaat het om het verzwijgen van administratief traceerbare inkomsten, bij zwarte fraude om
118                    administratief niet traceerbare inkomsten.
                  Bron: Lisv (2001), svb (2002), cbs (a)
                            – zelfs als hun de garantie wordt geboden van volstrekte anonimiteit – bereid
                            zijn hierover juiste informatie te verschaffen. De schattingen van het aandeel
                            uitkeringsgerechtigden dat informele of zwarte neveninkomsten heeft, lopen
                            dan ook sterk uiteen. Van Eck en Kazemier (1989) vonden dat 11 procent van
                            de uitkeringsgerechtigden zwarte bijverdiensten had, tegenover 9 procent van
                            de werkenden. Koopmans (1989) schatte daarentegen dat iets meer dan de
                            helft (52%) van de werkloze uitkeringsgerechtigden zwartwerkte, tegenover
                            13 procent van de arbeidsongeschikten en 37 procent van de werkenden. Recenter
                            vonden Engbersen en Staring (2002) dat ongeveer een kwart van de langdurig
                            uitkeringsgerechtigden informele arbeid verricht en nog eens een kwart deze in
                            het verleden had verricht. Bij drie op de vijf personen ging het daarbij overigens
                            om een relatief klein bedrag aan bijverdiensten van minder dan 100 euro per
                            maand.
                            Op zichzelf zou het niet verwonderlijk zijn als uitkeringsgerechtigden vaker
                            fraude plegen dan werkenden. Uitkeringsgerechtigden dienen doorgaans aan
                            veel meer regels te voldoen dan werkenden, bijvoorbeeld ten aanzien van het
                            zoeken van werk, het deelnemen aan scholing, het hebben van neveninkomsten,
                            de samenlevingsvorm en het inkomen van de eventuele partner.3 Daar komt
                            nog bij dat zwartwerken uitkeringsgerechtigden in beginsel een groter financieel
                            voordeel oplevert dan personen die geen uitkering ontvangen. Zij sparen hier-
                            mee niet alleen belastingen en premies uit, maar voorkomen tevens dat hun
                            neveninkomsten worden gekort op hun uitkering. Op grond hiervan valt te
</pre>

====================================================================== Einde pagina 120 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 121 ======================================================================

<pre>                                                                            normoverschrijdend gedrag
     verwachten dat uitkeringsgerechtigden relatief vaak zwartwerken. Het feit
     dat het percentage uitkeringsgerechtigden dat zelf toegeeft zwart te werken
     (of te hebben gewerkt) vele malen groter is dan het percentage geconstateerde
     fraudegevallen, duidt erop dat de pakkans voor uitkeringsgerechtigden met
     zwartwerk klein is, waarschijnlijk minder dan 10 procent. Dit suggereert dat
     het niet in de eerste plaats een rationele afweging van de kosten en baten is
     die het merendeel van de uitkeringsgerechtigden ervan weerhoudt zwart bij
     te verdienen.
     Onderzoek onder uitkeringsgerechtigden heeft meermalen uitgewezen dat 10 à
     20 procent van de uitkeringsgerechtigden de officiële regels met betrekking tot
     hun uitkering systematisch negeert (zie bijvoorbeeld Kroft et al. 1989; Engbersen
     1990; Hoff en Jehoel-Gijsbers 1998). Deze ‘alternatieven’, ‘calculerenden’ of
     ‘autonomen’, zoals zij in verschillende onderzoeken worden genoemd, hechten
     weinig waarde aan betaald werk, solliciteren niet (meer) en richten zich op
     andere activiteiten, hetzij onbetaald (zoals vrijwilligerswerk), hetzij zwart. Hun
     uitkering zien zij veelal als een soort basisinkomen. Deze groep heeft afstand ge-
     nomen van het maatschappelijke doel van regulier betaald werk en bedient zich
     bovendien van ongeoorloofde middelen. Over het algemeen achten zij de kans
     op formele sancties klein, terwijl zij vaak in een milieu verkeren waarin mensen                 119
     er niet op worden aangekeken als ze geen betaald werk hebben. Overigens bevin-
     den zich ook onder de overige uitkeringsgerechtigden wel groepen die het niet
     zo nauw nemen met de regels, maar bij hen komt dit niet doordat zij zich van
     regulier betaald werk hebben afgekeerd (Kroft et al. 1989 duiden hen aan als
     ‘ondernemenden’).
4.13 conclusies
     De verschillende vormen van normoverschrijdend gedrag die in de voorgaande
     paragrafen zijn besproken laten zien dat er een gecompliceerde en allerminst
     eenduidige relatie bestaat tussen internalisering van normen, formele en infor-
     mele instituties en normoverschrijdend gedrag. Het is op grond van dit beperkte
     aantal voorbeelden niet mogelijk algemene conclusies te trekken over de relatie
     tussen normen en gedrag. Niettemin valt in deze voorbeelden een aantal zaken
     op die meer algemene geldigheid lijken te hebben.
     Allereerst concentreert het problematische normoverschrijdende gedrag zich
     voor een belangrijk deel bij een relatief kleine groep mannelijke adolescenten en
     jongvolwassenen. Geweld en agressie op school, op straat, in het openbaar ver-
     voer, in het verkeer en in en rond het voetbalstadion wordt voor een groot deel
     gepleegd door mannen tussen vijftien en dertig jaar. Bovendien zijn het voor een
     deel dezelfde personen die in verschillende situaties over de schreef gaan. Voor
     deze groep is normoverschrijdend gedrag een min of meer bewuste keuze op
     basis van een afweging van de baten (de ‘kick’, de status en het geldelijk gewin)
     en de kosten (de kans om gepakt en bestraft te worden). Vaak opereren zij in een
     groep waarin andere normen gelden dan de algemeen aanvaarde (bijvoorbeeld
</pre>

====================================================================== Einde pagina 121 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 122 ======================================================================

<pre>    wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                            toepassing van geweld als middel om een doel te bereiken). Dit hoeft overigens
                            niet te betekenen dat zij de in onze maatschappij gangbare (gedrags)normen in
                            het geheel niet onderschrijven. Een deel van deze groep heeft bijvoorbeeld een
                            betaalde baan en soms ook een gezin, hetgeen impliceert dat zij zich op andere
                            momenten wel aan de gangbare normen (dienen te) houden. Het normover-
                            schrijdende gedrag van deze groep lijkt eerder voort te komen uit hun onvermo-
                            gen om in de ‘gewone’ maatschappij prestige te verwerven en een aantrekkelijke
                            maatschappelijke positie te bereiken. De frustratie die voortkomt uit het feit dat
                            zij niet op ‘normale’, geaccepteerde wijze maatschappelijk aanzien en materiële
                            status kunnen verwerven, brengt hen ertoe gelegenheden te zoeken om op een
                            andere, minder acceptabele wijze aan deze behoeften te voldoen. Deze gelegen-
                            heden – een voetbalstadion, het openbaar vervoer, de openbare weg – worden
                            meestal gekenmerkt door een tekortschietende formele controle en een vrijwel
                            geheel afwezige informele controle.
                            Overigens zou men kunnen stellen dat er in bijna alle tijden en culturen een
                            groep adolescenten en jonge mannen is die mogelijkheden zoekt om hun
                            behoefte aan agressie en geweld op enigerlei wijze te botvieren. Waar zij vroeger
                            jaarmarkten, kermissen en protestdemonstraties aangrepen voor een stevige
120                         vechtpartij, zijn nu voetbalwedstrijden, houseparty’s, het openbaar vervoer en
                            – nog steeds – demonstraties geschikte gelegenheden. De (over)gevoeligheid van
                            de samenleving voor dergelijke vormen van geweld lijkt echter toegenomen,
                            waardoor zij steeds minder worden geaccepteerd als een weliswaar onprettig,
                            maar niettemin ‘normaal’ maatschappelijk (bij)verschijnsel.
                            Zeker niet alle ongewenste, normoverschrijdende gedrag kan echter worden
                            geweten aan een groep jonge mannen met onvoldoende maatschappelijke
                            kansen. Frustraties over niet-gerealiseerde doeleinden en tekortschietende
                            formele en informele controle kunnen ook ‘eerzame’ burgers verleiden normen
                            – die zij op zichzelf wel onderschrijven – te overtreden. Het kan hierbij gaan om
                            een spontane, emotionele reactie op een onaangename gebeurtenis, zoals de
                            agressieve reactie van een automobilist op een medeweggebruiker die hem
                            hindert of van een reiziger in het openbaar vervoer op een conducteur die hem
                            onheus bejegent. Het kan echter ook gaan om meer berekenende vormen van
                            normoverschrijdend gedrag, die men voor zichzelf rechtvaardigt met het argu-
                            ment dat men niet eerlijk wordt behandeld, zoals de uitkeringsgerechtigde die
                            zwart bijverdient of de hardwerkende ondernemer die de belasting ontduikt. Of
                            men rechtvaardigt het normoverschrijdende gedrag met het argument dat ‘ieder-
                            een het doet’, zoals een werkster of aannemer zwart betalen of een collega
                            pesten.
                            Hoe dient men normoverschrijdend gedrag aan te pakken? Zowel de grote varia-
                            tie in de aard als in de ernst van normoverschrijdend gedrag impliceert dat er niet
                            één standaardreactie is die in alle gevallen gepast en effectief is. Zoals in hoofd-
                            stuk 2 een onderscheid is gemaakt tussen onprettig, onbehoorlijk, onduldbaar en
                            onwettig gedrag, zo is er ook een gradatie aan gepaste reacties. In figuur 4.6
</pre>

====================================================================== Einde pagina 122 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 123 ======================================================================

<pre>                                                                                   normoverschrijdend gedrag
              geven de gearceerde vlakken gepaste reacties aan, terwijl de reacties in de witte
              vlakken in het algemeen niet passen bij het betreffende gedrag.
      Figuur 4.6    Mogelijke reacties op normoverschrijdend gedrag
            Handhaven
               en
            Verbieden
REACTIE
            Confronteren
                en
             Bespreken
              Dulden
                               Onprettig        Onbehoorlijk          Onduldbaar    Onwettig
                                                  GEDRAG
              Bij onprettig gedrag waarvan men geen schade ondervindt, dient men in het                        121
              algemeen een zone van gelatenheid in acht te nemen. Wil men in onze pluri-
              forme samenleving daadwerkelijk met elkaar blijven samenleven, dan zal men
              veelvuldig gedragingen van anderen die men als onprettig ervaart, moeten
              dulden. Dit neemt niet weg dat men soms degene die zich onprettig gedraagt,
              hierop kan aanspreken om diens gedrag bespreekbaar te maken en te trachten
              een voor beide partijen bevredigende uitkomst te bereiken.
              Wie zich onbehoorlijk of onfatsoenlijk gedraagt, maar geen wettelijke regels
              overtreedt, dient hier in het algemeen op te worden aangesproken. Soms kan
              echter niet worden volstaan met het gedrag bespreekbaar te maken, maar dient
              men een directe confrontatie aan te gaan om degene die zich misdraagt duide-
              lijk te maken dat diens gedrag niet acceptabel is. In het algemeen kan men bij
              onbehoorlijk gedrag echter geen sanctie opleggen, omdat geen formele nor-
              men worden overschreden. Men zal de ander moeten proberen te overtuigen
              van de onbetamelijkheid van zijn of haar gedrag. Wie de confrontatie met de
              normovertreder moet aangaan, kan van geval tot geval verschillen. In veel
              gevallen is dit de taak van de formele vertegenwoordigers van de institutie
              waar het normoverschrijdende gedrag plaatsvindt, zoals conducteurs, leer-
              krachten, stadionsuppoosten en leidinggevenden in bedrijven. Maar wanneer
              deze formele toezichthouders afwezig zijn, kan het ook wenselijk zijn dat
              burgers elkaar aanspreken: zo kunnen reizigers in het openbaar vervoer een
              medepassagier terechtwijzen die voordringt bij het instappen of kunnen voet-
              gangers een fietser tot de orde roepen die over het trottoir fietst. Het dient
              echter te blijven bij aanspreken en verbaal confronteren: burgers kunnen nooit
              het recht in eigen hand nemen, zeker niet als het gaat om het overtreden van
              informele normen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 123 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 124 ======================================================================

<pre>    wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                            Onduldbaar gedrag vereist doorgaans meer dan een terechtwijzing van de dader:
                            de organisatie of instelling onder wier verantwoordelijkheid dit gedrag valt, zal
                            het daadwerkelijk moeten verbieden en herhaling trachten te voorkomen. Het
                            gaat hierbij immers vaak om een overtreding van de (huis)regels van de institu-
                            tie. Bij het pesten van scholieren of collega’s kan niet worden volstaan met een
                            vermanend woord. Er moet daadwerkelijk actie worden ondernomen om te
                            voorkomen dat het wangedrag wordt voortgezet. Hetzelfde geldt voor misdra-
                            gingen in het openbaar vervoer, zoals roken waar dit verboden is of het beklad-
                            den of vernielen van het interieur.
                            Onwettig gedrag is per definitie verboden en dient in beginsel dan ook niet te
                            worden getolereerd. De overheid en haar vertegenwoordigers, zoals politie en
                            justitie, zijn de aangewezen instanties om onwettig gedrag tegen te gaan. Hierbij
                            kunnen zij vaak echter niet zonder de medewerking van de instanties die het
                            meest direct met het normoverschrijdende gedrag te maken hebben. Zo is
                            winkeldiefstal niet alleen een zaak voor de politie, maar ook een belangrijke
                            verantwoordelijkheid van het winkelbedrijf. Openbaarvervoerbedrijven zijn
                            medeverantwoordelijk voor het bestrijden van vandalisme en agressie in treinen
                            en bussen, scholen moeten bijdragen aan het tegengaan van spijbelen en crimi-
122                         naliteit op school en voetbalclubs hebben een verantwoordelijkheid ten aanzien
                            van het wangedrag van hun supporters. Het daadwerkelijk aanpakken, berechten
                            en bestraffen van de daders is echter een verantwoordelijkheid van politie en
                            justitie. Eigenrichting is te allen tijde uit den boze. Er is overigens een niet onbe-
                            langrijk verschil tussen een formeel, wettelijk verbod op bepaalde gedragingen
                            en het handhaven van dit verbod. Het is vrijwel nooit mogelijk om een verbod in
                            alle gevallen te handhaven. Dit zou permanente controle en een zeer strikt optre-
                            den van de toezichthouders vergen. Als een verbod echter vrijwel straffeloos kan
                            worden overtreden en slechts zelden wordt gehandhaafd, ondermijnt dit het
                            vertrouwen in de betreffende norm. Er is dan een aanzienlijk risico dat de eerder
                            geschetste negatieve spiraal in werking wordt gesteld. Het gaat er dus om een
                            subtiel evenwicht te vinden tussen (te) strenge en (te) soepele handhaving. In
                            ieder geval moet worden voorkomen dat men, door laksheid in de handhaving,
                            een omslagpunt passeert, waarna het zeer moeilijk wordt om de zichzelf verster-
                            kende toename van normoverschrijding nog tot staan te brengen.
                            Aan de voorbeelden van normoverschrijdend gedrag die in dit hoofdstuk zijn
                            besproken, zijn ook enkele meer concrete handelingsstrategieën te ontlenen om
                            dit gedrag tegen te gaan (zie ook Malsch 2004). Het gaat hierbij vooral om strate-
                            gieën die een preventieve werking kunnen hebben of die herhaling van norm-
                            overschrijdend gedrag (recidive) kunnen helpen voorkomen.
                            •     Informatievoorziening: normoverschrijdend gedrag kan soms worden voor-
                                  komen door (potentiële) overtreders tijdig en beter te informeren over de
                                  situatie waarmee zij worden geconfronteerd. Tijdige en adequate informatie
                                  over vertragingen in het openbaar vervoer en over files in het wegverkeer kan
                                  emotionele en agressieve reacties van reizigers en automobilisten helpen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 124 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 125 ======================================================================

<pre>                                                                     normoverschrijdend gedrag
  voorkomen. Informatie over de procedures van rechtszaken en de overwegin-
  gen die tot een strafoplegging hebben geleid, kan de aanvaarding van de straf
  door de dader bevorderen en de kans op recidive verminderen (Malsch 2004).
• Correcte bejegening: een correcte bejegening van (potentiële) overtreders
  door officiële gezagsdragers – politieagenten, conducteurs, leerkrachten –
  vermindert het risico op een agressieve reactie en vergroot de kans dat een
  terechtwijzing wordt geaccepteerd.
• Zichtbare controle: de duidelijk zichtbare aanwezigheid van formele contro-
  leurs, zoals politie, conducteurs, suppoosten, conciërges en dergelijke,
  verkleint de kans dat mensen tot ongeoorloofd gedrag overgaan. Het ‘nut’
  van deze controleurs moet vooral blijken uit het feit dat zij zo weinig moge-
  lijk daadwerkelijk hoeven op te treden. Een geringe frequentie van norm-
  overschrijdend gedrag is op zichzelf dus geen deugdelijk argument om de
  formele controle te verminderen. Overigens dient men er wel voor te waken
  dat een te sterke nadruk op formele controle de informele sociale controle
  niet ondergraaft.
• Voorbeeldfunctie: het is van groot belang dat verantwoordelijke functionaris-
  sen het goede voorbeeld geven. Een leraar die op school rookt, een politie-
  agent die te hard rijdt, een treinconducteur die zich in een eersteklascoupé
  terugtrekt en een leidinggevende die meedoet aan het pesten van een                          123
  impopulaire medewerker, dragen alle bij aan het ondermijnen van normen,
  doordat zij anderen een rechtvaardiging bieden om zich evenmin aan de
  norm te houden. De overheid heeft, als hoogste gezagsdrager, vanzelfspre-
  kend een bijzondere taak om het goede voorbeeld te geven.
• Participatie: de acceptatie van normen kan ook worden vergroot door burgers
  zelf te betrekken bij het opstellen en handhaven van die normen. Dit geldt
  niet alleen voor juridische normen in de vorm van wetten, maar ook voor de
  interne regels en codes van scholen, bedrijven en andere instellingen. Zo
  kunnen leerlingen participeren in het opstellen van het schoolreglement en
  wellicht zelfs in het oordelen over medeleerlingen die de regels hebben over-
  treden (zie ook hoofdstuk 7). Een actievere participatie van verdachten en
  slachtoffers in rechtbankzaken kan de acceptatie van de uitspraak van de
  rechter vergroten (Malsch 2004). Op buurtniveau kunnen burgers gezamen-
  lijk afspraken maken over omgangsvormen om elkaar daarop vervolgens aan
  te spreken (vgl. de Rotterdamse stadsetiquette, zie Diekstra et al. 2002, Diek-
  stra 2004).
• Een prettige omgeving: het vóórkomen van normoverschrijdend en crimineel
  gedrag hangt ook samen met de ‘uitstraling’ van de omgeving. In een vervuil-
  de en verloederde, donkere of onoverzichtelijke omgeving voelen criminelen
  zich wel en eerzame burgers zich niet thuis. Onveiligheidsgevoelens en
  criminaliteit kunnen derhalve ook worden bestreden door (semi-)publieke
  ruimtes schoon te houden, goed te verlichten en overzichtelijk te maken,
  graffiti te verwijderen, kapotte ramen en beschadigd meubilair te herstellen,
  enzovoorts.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 125 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 126 ======================================================================

<pre>    wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                            Van de hier gesuggereerde strategieën om normoverschrijding tegen te gaan
                            mag men geen wonderen verwachten. In die gevallen waarin normoverschrij-
                            ding inmiddels een grote vlucht heeft genomen en het geloof in de normen is
                            aangetast, zal het vaak een grote en langdurige inspanning vergen om de mate
                            van normoverschrijding terug te dringen en het geloof in de norm te herstellen.
                            Dit blijkt uit een nadere analyse van het model van normoverschrijdend gedrag
                            dat in paragraaf 4.3 is besproken.
                            Dit model laat zien dat wanneer eenmaal een bepaald omslagpunt is gepas-
                            seerd, een kleine verdere afname van formele controle en sancties een sterke
                            toename van normoverschrijdend gedrag tot gevolg kan hebben. Stel dat men
                            wil proberen om de norm, die door een steeds kleiner deel van de bevolking
                            wordt onderschreven en nageleefd, in ere te herstellen. Het volstaat dan niet
                            om de kleine afname van controle en sancties ongedaan te maken en terug te
                            brengen op het peil toen normconform gedrag nog de regel was. In de begin-
                            situatie was het normconforme gedrag immers mede het gevolg van een breed
                            gedeeld ‘geloof’ in de norm en van een sterke mate van informele sociale
                            controle. Aangezien deze beide mechanismen om normconform gedrag af te
                            dwingen grotendeels zijn verdwenen, zullen de formele controle en sancties nu
124                         veel groter moeten zijn dan destijds het geval was, om mensen weer in het
                            gareel te krijgen. De formele controle zal ook de functie van internalisering van
                            normen en van informele controle moeten overnemen. Herstel van normcon-
                            form gedrag is dus niet simpelweg een kwestie van het terugdraaien van de
                            eerdere versoepeling van formele controlemechanismen. Meer concreet: om
                            zwartrijden sterk te verminderen volstaat het niet om de conducteur terug te
                            brengen op de tram, omdat inmiddels veel reizigers de norm van ‘betalen voor
                            een rit’ niet meer onderschrijven en de schaamte vanwege het betrapt worden
                            op zwartrijden bij velen is verdwenen. Evenzo zijn bewakers in winkels niet
                            afdoende om het aantal winkeldiefstallen terug te brengen naar het niveau van
                            enkele decennia geleden.
                            Er is dus sprake van een asymmetrie in de dynamiek van normen, formele en
                            informele controle en gedrag. Als bepaalde normen eenmaal zijn afgekalfd,
                            vraagt het een onevenredig grote inspanning om deze te herstellen. Dit
                            verklaart bijvoorbeeld waarom extra inspanningen van politie en justitie om
                            criminaliteit te bestrijden vaak zo weinig effectief lijken. Dit hoeft niet per se te
                            duiden op een gebrekkige efficiëntie en een overmatige bureaucratie van het
                            politieapparaat. Herstel van normconform gedrag vereist eenvoudigweg een
                            veel grotere inspanning dan handhaving van eenzelfde mate van normconform
                            gedrag. Het is dan ook de vraag of herstel van de oorspronkelijke mate van
                            normconform gedrag door uitsluitend aanscherping van de formele controle en
                            sancties te realiseren valt. Die aanscherping mag dan een noodzakelijke voor-
                            waarde zijn, het lijkt wenselijk, zo niet noodzakelijk, om tegelijkertijd ook de
                            directe overdracht van normen en herstel van de informele controle te stimule-
                            ren. Hierbij spelen tal van maatschappelijke instituties en organisaties een
                            belangrijke rol. In hoofdstuk 7 wordt de aandacht gericht op een aantal van deze
</pre>

====================================================================== Einde pagina 126 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 127 ======================================================================

<pre>                                                                      normoverschrijdend gedrag
instituties (in het bijzonder het onderwijs) en de rol die zij (kunnen) spelen bij
zowel de overdracht als de handhaving van normen.
Tot slot is het van belang erop te wijzen dat in dit hoofdstuk normen als iets
statisch zijn opgevat: de inhoud van de normen blijft gelijk, alleen de mate
waarin mensen de normen onderschrijven en overschrijden verandert. In de
praktijk kan de inhoud van normen echter geleidelijk veranderen en kunnen
oude normen worden vervangen door nieuwe. Het beschreven proces van een
norm die door een steeds kleiner deel van de bevolking wordt onderschreven en
nagevolgd, kan daarom niet zonder meer als ‘normverval’ worden aangemerkt.
Het is immers denkbaar dat tegelijkertijd een andere norm aan steun wint en
geleidelijk de oude norm verdringt. Daaraan kunnen vele oorzaken ten grondslag
liggen. Een interessante mogelijkheid is dat de omstandigheden zich zodanig
hebben gewijzigd dat de oude norm minder geschikt is om de omgang tussen de
leden van een samenleving te reguleren, terwijl de nieuwe norm daarop beter
aansluit. De vervanging van oude door nieuwe normen kan dan juist een signaal
zijn van een groot aanpassingsvermogen van de samenleving, terwijl een analyse
van de naleving van de individuele oude normen de suggestie oproept van erosie
en toenemende normloosheid. In zijn studie voor de wrr schetst Van den Brink
(2004) hoe periodes van uitwaaierende normen en normvervaging kunnen                            125
worden afgewisseld door periodes waarin sprake is van convergentie en een
grotere nadruk op normhandhaving. Zo bezien zouden de laatste drie decennia
van de vorige eeuw kunnen worden gekenschetst als een periode van diffusie en
vervaging van normen, waarna in de loop van de jaren negentig een periode van
convergentie en normhandhaving is ingezet. Dit rapport kan dan als een uit-
drukking van deze omslag in het maatschappelijke klimaat worden beschouwd.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 127 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 128 ======================================================================

<pre>    wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                noten
                1
                            Hoe het mogelijk is dat het percentage reizigers dat is lastiggevallen groter is dan
                            het totale percentage dat slachtoffer van een incident is geweest, wordt in het
                            rapport van De Bie en Korpel (2002) niet verklaard.
                2
                            Een inventarisatie van de American Automobile Association leverde over de jaren
                            1990-1996 in de Verenigde Staten zelfs 10.000 extreem agressieve incidenten op,
                            waarbij 12.610 gewonden en 218 doden vielen (Mizell 1997).
                3
                            In feite gaat het er natuurlijk niet om dat men per se aan deze regels moet
                            voldoen, maar dat deze een voorwaarde vormen om rechtmatig een uitkering te
                            ontvangen.
126
</pre>

====================================================================== Einde pagina 128 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 129 ======================================================================

<pre>                                                    een rationele-keuze-analyse van normen en gedrag
bijl age bij hoofdstuk 4:
een r ationele- keuze-analyse van normen en gedr ag
De homo economicus uit de standaard (neoklassieke) economische theorie is een
egoïstisch, normloos individu dat op rationele wijze zijn eigenbelang najaagt.
Deze visie op de mens lijkt wel het minst geschikt om de relatie tussen normen
en gedrag te analyseren. Toch zijn in de loop van de tijd diverse pogingen gedaan
om de homo economicus te verrijken met andere eigenschappen, waardoor hij
meer op een mens van vlees en bloed gaat lijken. Zo hebben verschillende eco-
nomen de homo economicus minder egoïstisch gemaakt door hem te voorzien
van eigenschappen als naastenliefde, altruïsme, solidariteit en normbesef. In
navolging van het werk van economen als Becker en Akerlof en een socioloog als
Coleman wordt in deze notitie de relatie tussen normen en gedrag geanalyseerd
met behulp van een model dat uitgaat van een individu dat rationele keuzen
maakt, maar zich aan meer gelegen laat liggen dan alleen zijn directe eigenbelang.
De analyse wordt verduidelijkt met een aantal grafische voorstellingen.
Formele controle en normoverschrijdend gedrag
De analyse start met de gebruikelijke (neoklassieke) economische veronderstel-                       127
ling van een individu dat zijn of haar ‘nut’ maximaliseert. Dit nut kan alles
omvatten wat de persoon in kwestie positief of negatief waardeert. Het begrip
‘nut’ kan naar believen worden vervangen door termen als welzijn, behoeftebe-
vrediging of geluk.
Stel dat het ‘nut’ van het individu mede wordt bepaald door de vraag of hij een
bepaalde verboden handeling γ verricht. γ = 0 duidt aan dat een individu de
verboden handeling verricht en γ = 1 dat hij/zij zich volgens de heersende norm
gedraagt. De gemiddelde waarde van γ, aangegeven met _γ, is de proportie van de
bevolking die zich normconform gedraagt. De handeling die strijdig is met de wet
of de norm, levert het individu enerzijds een nutsvoordeel ter waarde van G op,
maar roept anderzijds het risico op betrapt en bestraft te worden. Stel dat deze for-
mele controle en bestraffing een verwacht nutsverlies van S0 opleveren. De homo
economicus zal dan de wet overtreden indien G groter is dan S0, oftewel G – S0 > 0.
Normoverschrijdend gedrag kan in dit geval alleen worden voorkomen door de
kans om betrapt en bestraft te worden te vergroten en de strafmaat te verhogen.
Dit is in essentie de benadering van Becker (1968) van crimineel gedrag. Hij laat
zien dat voor personen die risicozoekend zijn, een vergroting van de pakkans een
groter afschrikwekkend effect heeft dan een even sterke verhoging van de straf,
terwijl een verhoging van de straf een groter effect heeft voor personen die risico-
mijdend zijn. Het feit dat uit onderzoek veelvuldig naar voren komt dat de pak-
kans een groter effect heeft dan de strafmaat, duidt erop dat de meeste overtreders
risico’s zoeken. In het vervolg van deze notitie wordt echter geen onderscheid
gemaakt tussen pakkans en straf en wordt verondersteld dat de afschrikwekkende
werking S0 die van beide tezamen uitgaat, voor iedereen gelijk is.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 129 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 130 ======================================================================

<pre>    wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                            Internalisering van normen
                            Laten we nu echter de mogelijkheid bezien dat het individu enig normbesef kan
                            hebben. In navolging van Akerlof (1980) veronderstellen we dat een deel van de
                            mensen de norm die in hun gemeenschap bestaat, heeft geïnternaliseerd en
                            onderschrijft, terwijl een ander deel de norm niet onderschrijft. Als iemand de
                            norm onderschrijft, wordt dit aangegeven met β = 1, als hij de norm niet onder-
                            schrijft met β = 0. De gemiddelde waarde van β, aangegeven met β       _ , is de propor-
                            tie van de bevolking die de norm onderschrijft. Iemand die de norm onder-
                            schrijft, hoeft echter niet per se in overeenstemming met de norm te handelen.
                            Het overtreden van de norm levert de betreffende persoon echter wel spijt,
                            berouw, wroeging, schuldgevoel of gewetensnood op. Als deze spijt zijn nut met
                            een waarde B0 vermindert, dan zal een persoon die de norm onderschrijft, deze
                            toch overtreden indien G – S0 > B0, dat wil zeggen indien het ‘extrinsieke’ voor-
                            deel van normoverschrijding groter is dan de ‘intrinsieke’ spijt.
                            Figuur 4.7 geeft dit grafisch weer. In deze figuur wordt verondersteld dat de spijt
                            B0 die men ondervindt als men de norm overtreedt, varieert tussen degenen die
                            de norm onderschrijven. In figuur 4.7 is de populatie geordend naar aflopende
                            spijt (de stippellijn B0): helemaal links in de figuur staan degenen die de grootste
128                         spijt voelen bij het overtreden van de norm (een waarde van 7 ‘nutseenheden’);
                            naarmate men meer naar rechts gaat, neemt de spijt af. De laatste 30 procent van
                            de bevolking onderschrijft de norm niet en ondervindt derhalve ook geen spijt
                            bij het overtreden van de norm. Verder wordt verondersteld dat de ‘extrinsieke’
                            opbrengst van normoverschrijdend gedrag, G – S0, voor iedereen gelijk is (een
                            waarde van 2). In figuur 4.7 levert normoverschrijdend gedrag aanvankelijk
                            zoveel extrinsiek voordeel op dat alle mensen die de norm niet onderschrijven,
                            deze overtreden (G – S0 > 0). Tegelijkertijd is dit voordeel ook zo klein dat allen
                            die de norm wel onderschrijven, deze naleven (G – S0 < B0). Het aandeel van de
                            bevolking dat de norm naleeft, _γ 0, is dan gelijk aan het aandeel van de bevolking
                            dat de norm onderschrijft, β  _ 0. Dit is een stabiel evenwicht (E0), dat wil zeggen
                            dat degenen die de norm naleven niet geprikkeld worden om deze in de
                            toekomst te overtreden en degenen die de norm overtreden niet geprikkeld
                            worden deze in de toekomst na te leven.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 130 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 131 ======================================================================

<pre>                                                                                    een rationele-keuze-analyse van normen en gedrag
          Figuur 4.7             Kosten en baten van normoverschrijdend gedrag - internalisering en formele controle
                                 (t = 0)
 Kosten/baten
                8
                           B0
                7
                6
                5
Kosten/baten
                           G- S   1
                                                                      E   1
                4
                3
                           G- S   0
                2
                                                                                            E   0
                1
                0
                    0%          10%        20%    30%      40%      50%       60%        70%        80%     90%       100%
                                                                     γ1              β 0 = γ1             Aandeel
                                                                                                          Aandeelpopulatie
                                                                                                                  populatie
                         Stel nu echter dat de extrinsieke opbrengst van normoverschrijdend gedrag                                     129
                         stijgt, bijvoorbeeld doordat er minder gecontroleerd wordt, waardoor de pakkans
                         afneemt en de verwachte straf S daalt. Dus S1 < S0, oftewel G – S1 > G – S0.
                         Aanvankelijk heeft dit geen effect op het percentage _γ 0 van de bevolking dat de
                         norm naleeft. Maar als de sanctie S op overtreding van de norm maar voldoende
                         daalt, zullen op een gegeven moment ook mensen die de norm onderschrijven in
                         de verleiding komen deze te overtreden. Daardoor daalt de proportie van de
                         bevolking die zich normconform gedraagt van _γ 0 naar _γ 1, in figuur 4.7 van 70
                         naar 50 procent (E 1).
                         Het feit dat nu minder mensen de norm naleven dan de norm onderschrijven
                         zou op den duur van invloed kunnen zijn op het geloof in de norm. Akerlof
                         maakt de cruciale veronderstelling dat de proportie van de bevolking die de norm
                         onderschrijft, zich geleidelijk aanpast aan de proportie die de norm naleeft.
                         Als minder mensen conform de norm handelen dan de norm onderschrijven,
                         neemt het geloof in de norm af (de curve B1 in figuur 4.8). Hierbij wordt veron-
                         dersteld dat degenen die de minste spijt voelen bij het overtreden van de norm,
                         als eerste hun geloof in de norm verliezen. Na verloop van tijd ontstaat dan een
                         nieuw evenwicht waarin het percentage van de bevolking dat de norm onder-
                         schrijft weer gelijk is aan het percentage dat normconform handelt, dat wil
                         zeggen β _ 1 = _γ 1 (50% in figuur 4.8). (Hoe lang het duurt voor het nieuwe even-
                         wicht wordt bereikt, is in dit model onbepaald. Het zou kunnen gaan om één of
                         twee jaar, maar ook om tien of nog meer jaren.) Als de netto-opbrengst van
                         normoverschrijdend gedrag vervolgens niet meer verandert, dus als G en S1 gelijk
                         blijven, is dit opnieuw een stabiel evenwicht (E1).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 131 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 132 ======================================================================

<pre>      wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                             Figuur 4.8                Kosten en baten van normoverschrijdend gedrag - internalisering en formele
                                                       controle (t = 1)
                      Kosten/baten
                                     8
                                                 B1
                                     7
                                     6
                   Kosten/baten
                                     5
                                                 G- S   1                                    E   1
                                     4
                                     3
                                                 G- S   0
                                     2
                                     1
                                     0
                                         0%           10%      20%        30%   40%       50%        60%    70%      80%      90%        100%
                                                                                        β
                                                                                         0 = γ 1                         Aandeel populatie
                                                                                                                             Aandeel populatie
130
                                              Stel dat men nu wil proberen het aandeel van de bevolking dat zich normcon-
                                              form gedraagt, terug te brengen naar het oude niveau β    _ 0 (70% in figuur 4.7). Om
                                              dit te bereiken wordt de pakkans of strafmaat van normovertreding verhoogd tot
                                              het oorspronkelijke niveau. Doordat het geloof in de norm inmiddels is afgeno-
                                              men, heeft dit echter geen effect op de naleving van de norm: degenen die hun
                                              geloof in de norm hebben verloren, worden door de hogere sanctie niet voldoen-
                                              de afgeschrikt om zich weer in overeenstemming met de norm te gaan gedragen.
                                              Pas als de (verwachte) sanctie op overtreding hoger wordt dan de opbrengst er-
                                              van, dat wil zeggen als G – S < 0, kiest ook de zuiver egoïstische homo economicus
                                              die de norm niet onderschrijft, eieren voor zijn geld en gaat zich normconform
                                              gedragen. In dit geval zal zelfs de totale bevolking zich normconform gedragen,
                                              dat wil zeggen _γ 2 = 1. Vervolgens zal ook het geloof in de norm weer toenemen
                                              tot uiteindelijk de gehele bevolking de norm onderschrijft, dat wil zeggen β    _ 2 = 1.
                                              Een belangrijke conclusie die uit deze simpele analyse kan worden getrokken, is
                                              dat verval en herstel van normconform gedrag geen symmetrische processen
                                              zijn. Als door een verlaging van de sanctie op normoverschrijdend gedrag meer
                                              mensen zich in strijd met de norm gaan gedragen, kan men de situatie niet
                                              eenvoudig terugdraaien door de (kans op een) sanctie weer op het oude peil te
                                              brengen. Als inmiddels het geloof in de norm onder de bevolking is afgenomen,
                                              zal de sanctie op normovertreding veel hoger moeten worden dan deze aanvan-
                                              kelijk was, om het oorspronkelijke evenwicht te herstellen.
                                              Informele sociale controle
                                              In het bovenstaande voorbeeld gehoorzamen degenen die de norm niet hebben
                                              geïnternaliseerd deze alleen indien de formele sanctie op overtreding zo groot is
</pre>

====================================================================== Einde pagina 132 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 133 ======================================================================

<pre>                                                                                            een rationele-keuze-analyse van normen en gedrag
                          dat een zuiver rationele calculatie iedereen ertoe brengt zich normconform te
                          gedragen. Akerlof stelt echter dat mensen die niet in de norm geloven, deze ook
                          kunnen gehoorzamen als gevolg van informele sociale controle. Hij veronder-
                          stelt dat het overtreden van de norm leidt tot reputatieverlies, hetgeen het nut
                          van de overtreder verlaagt. In plaats van reputatieverlies zou men ook kunnen
                          denken aan de schaamte die men voelt als men in het openbaar door anderen op
                          zijn normoverschrijdende gedrag wordt aangesproken. Het verschil tussen spijt
                          en schaamte is derhalve dat de eerste een intrinsiek karakter heeft (men voelt ook
                          spijt als men de norm overschrijdt en niemand anders daarvan op de hoogte is),
                          terwijl de laatste altijd een extrinsieke oorzaak heeft (men schaamt zich alleen in
                          aanwezigheid van anderen).
                          Een belangrijke veronderstelling die Akerlof vervolgens maakt is, dat het reputa-
                          tieverlies of de schaamte mede wordt bepaald door het percentage β  _ van de
                          bevolking dat de norm onderschrijft. Dit is een plausibele veronderstelling: het is
                          niet aannemelijk dat men door iemand die de norm zelf niet onderschrijft, wordt
                          aangesproken op het overschrijden van de norm. Naarmate meer mensen de
                          norm onderschrijven, wordt de kans op sociale controle en reputatieverlies
                          groter. Verder veronderstelt Akerlof dat de mate waarin men zich schaamt indien
                          men betrapt wordt, uiteenloopt binnen de bevolking. Laten we voor de eenvoud                                         131
                          veronderstellen dat degenen die de norm het sterkst geïnternaliseerd hebben,
                          zich ook het meest schamen indien zij de norm overtreden, terwijl degenen die
                          niet in de norm geloven zich het minst schamen. Het reputatieverlies dat per-
                          soon i lijdt indien hij de norm overtreedt kan dan worden geschreven als β _ R i,
                          waarin β                                                              i
                                   _ het deel van de bevolking is dat de norm onderschrijft en R de persoon-
                          lijke beleving van de schaamte indien men wordt betrapt.
          Figuur 4.9                  Kosten en baten van normoverschrijdend gedrag - internalisering, formele en
                                      informele controle (t = 0)
  Kosten/baten
                 12
                          B +R
                          0      0
                 10
                 8
Kosten/baten
                          B
                          0
                                                                                                                    G- S
                                                                              E   1                                        1
                 6
                 4                                                                                  E   0           G- S   0
                 2
                                                                   R
                                                                   0
                 0
                     0%              10%      20%       30%        40%   50%          60%        70%        80%       90%      100%
                                                                                                                  Aandeel populatie
                                                                                                                    Aandeel populatie
                                                                         γ1                 β 0 = γ0
</pre>

====================================================================== Einde pagina 133 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 134 ======================================================================

<pre>      wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                                            Figuur 4.9 geeft een mogelijke beginsituatie weer die vergelijkbaar is met die in
                                            figuur 4.7. Hierin geeft de lijn R0 het reputatieverlies bij het overtreden van de
                                            norm aan, terwijl de lijn B0 weer de spijt over de normovertreding weergeeft.
                                            Het totale nutsverlies ten gevolge van normoverschrijdend gedrag is dan gelijk
                                            aan B0 + R0 (spijt + reputatieverlies). Alle personen die de norm onderschrijven,
                                            leven in figuur 4.9 de norm na (β   _ 0 = _γ 0 = 70% van de bevolking), terwijl degenen
                                            die de norm niet onderschrijven deze overtreden. Het verschil met figuur 4.7 is,
                                            dat een deel van degenen die de norm onderschrijven (de groep tussen 58% en
                                            70%), deze alleen gehoorzaamt omdat men bang is voor het reputatieverlies of de
                                            schaamte bij het overtreden van de norm. Zonder dit reputatieverlies zou de
                                            spijt die zij voelen bij normovertreding niet groot genoeg zijn om het voordeel
                                            van normovertreding teniet te doen. Dat wil zeggen, voor deze personen geldt:
                                            G – S0 > Bi, maar G – S0 < Bi + β
                                                                            _ 0 Ri. Voor degenen die de norm niet onderschrij-
                                            ven is het reputatieverlies echter niet groot genoeg om hen ervan te weerhouden
                                            de norm te overtreden. Voor hen geldt derhalve G – S0 > Bi + β     _ 0 R i.
                                            Net als in de vorige paragraaf veronderstellen we dat de formele sanctie op norm-
                                            overtreding in de loop van de tijd daalt. Opnieuw gebeurt er aanvankelijk niets,
132                                         maar op een gegeven moment wordt normovertreding zo aantrekkelijk dat ook
                                            sommigen die de norm onderschrijven deze gaan overtreden. Anders dan in de
                                            vorige paragraaf is het nieuwe evenwicht dat ontstaat bij _γ 1 (50%) nu echter geen
                                            stabiel evenwicht (E1). We hebben immers verondersteld dat de grootte van het
                                            reputatieverlies mede wordt bepaald door het percentage van de bevolking dat de
                                            norm onderschrijft. Als β _ zich aanpast aan het percentage van de bevolking dat
                                            de norm overtreedt en dus kleiner wordt (β  _ 1 = _γ 1 <β
                                                                                                    _ 0), zal ook het reputatieverlies
                             Figuur 4.10                Kosten en baten van normoverschrijdend gedrag - internalisering, formele
                                                        en informele controle (t = 1)
                   Kosten/baten
                                  12
                                  10        B +R
                                            1      1
                                  8
                                            B                                            E                                      G- S
                   Kosten/baten
                                            1                                                2                                         1
                                  6
                                  4         R
                                            0
                                  2
                                            R
                                            1
                                  0
                                       0%              10%      20%       30%      40%           50%          60%   70%   80%      90%      100%
                                                                                         γ 1    β
                                                                                                  1 = γ 1                     Aandeel populatie
                                                                                                                                Aandeel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 134 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 135 ======================================================================

<pre>                                                                                          een rationele-keuze-analyse van normen en gedrag
                           bij normovertreding afnemen. De curve R1 in figuur 4.10 ligt dan ook lager dan
                           curve R0 in figuur 4.9.
                           Als gevolg hiervan zal opnieuw een deel van degenen die de norm onderschrij-
                           ven deze niet meer naleven, waardoor het evenwicht nog verder naar links
                           verschuift (E2 in figuur 4.10). In de volgende periode leidt dit tot een nog verder
          Figuur 4.11                 Kosten en baten van normoverschrijdend gedrag - internalisering, formele en
                                      informele controle (t = 0)
  Kosten/baten
                 12
                 10
                           B +R
                           2      2
                 8
                           B                                    E                                               G- S
Kosten/baten
                           2                                        3                                                  1
                 6
                 4
                           R
                           2
                                                                                                                                             133
                 2
                 0
                      0%              10%     20%       30%             40%   50%   60%        70%      80%       90%      100%
                                                          β
                                                           2 = γ 2                                          Aandeel populatie
                                                                                                                Aandeel populatie
                           afkalven van het geloof in de norm en dus tot een nog verdere afname van het
                           reputatieverlies, enzovoorts. In het algemeen staat niet vast waar dit ‘normver-
                           val’ eindigt. Als het reputatieverlies bij normoverschrijdend gedrag door het
                           afbrokkelen van het geloof in de norm sneller afneemt dan het geloof van de
                           ‘marginale’ gelovige toeneemt, dat wil zeggen dat ook degenen die het sterkst in
                           de norm geloven zich uiteindelijk alleen door de angst voor reputatieverlies van
                           normoverschrijdend gedrag laten weerhouden, dan zal het geloof in de norm
                           uiteindelijk geheel verdwijnen, zodat op den duur niemand meer de norm
                           naleeft of onderschrijft. Is de internalisering van de norm bij een deel van de
                           bevolking echter sterk genoeg, dan kan er uiteindelijk een nieuw stabiel even-
                           wicht ontstaan, waarbij een klein deel van de bevolking de norm zowel onder-
                           schrijft als gehoorzaamt en het grootste deel de norm niet onderschrijft en niet
                           naleeft. In figuur 4.11 is een dergelijke situatie weergegeven, waarbij in het
                           uiteindelijke, stabiele evenwicht (E3) nog 36,5 procent van de bevolking de norm
                           zowel onderschrijft (β _ 2) als naleeft (_γ 2).
                           Om naar de oude situatie terug te keren, volstaat het ook in dit model niet om
                           het oude niveau van de formele sancties op normoverschrijdend gedrag te
                           herstellen. Men zal de sancties zo sterk moeten verhogen dat ook degenen die
                           niet (meer) in de norm geloven voldoende worden afgeschrikt om zich weer
</pre>

====================================================================== Einde pagina 135 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 136 ======================================================================

<pre>      wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                                                normconform te gaan gedragen (G – S2 in figuur 4.12). Slaagt men hierin, zodat
                                                na verloop van tijd het bevolkingsaandeel dat de norm naleeft weer is toegeno-
                                                men tot het oorspronkelijke niveau (_γ 3 = 70% in figuur 4.12), dan neemt daardoor
                                                het geloof in de norm geleidelijk ook weer toe. Vervolgens wint tevens de infor-
                                                mele controle weer aan belang. Tot slot schept dit de ruimte om op termijn de
                                                teugel van de formele controle weer enigszins te laten vieren, doordat de infor-
                                                mele sociale controle deze rol weer (ten dele) overneemt.
                                                Dit tweede model laat nog duidelijker dan het eerste model, waarin alleen sprake
                                                was van formele controle en internalisering, zien dat er sprake is van een asym-
                                                metrie tussen normverval en normherstel. Als men de formele controle op
                                                normoverschrijdend gedrag te zeer heeft laten verslappen, kan zich een sneeuw-
                                                baleffect voordoen, waardoor uiteindelijk nog slechts een klein deel van de
                                                bevolking zich normconform gedraagt of de norm zelfs geheel verdwijnt. Het
                                                vergt dan een zeer grote inspanning om de oude situatie te herstellen.
                                 Figuur 4.12            Kosten en baten van normoverschrijdend gedrag - internalisering, formele en
                                                        informele controle (t = 3)
134
                   Kosten/baten
                                  12
                                  10        B +R
                                            2      2
                                  8
                  Kosten/baten
                                            B
                                            2                                    E   3                                        G- S   1
                                  6
                                  4
                                            R
                                            2
                                  2
                                                                                                               E   4          G- S   2
                                  0
                                       0%              10%      20%      30%             40%   50%   60%      70%      80%      90%       100%
                                                                           β
                                                                            2 = γ 2                       γ 3             Aandeel
                                                                                                                              Aandeelpopulatie
                                                                                                                                      populatie
                                                Het model laat ook zien dat er een ingewikkelde relatie bestaat tussen formele en
                                                informele controle. Hoewel de twee soorten controle als substituut van elkaar
                                                kunnen fungeren, beïnvloeden zij elkaar ook wederzijds. Een afname van
                                                formele controle kan een tijdlang worden opgevangen door informele controle.
                                                Maar op een gegeven moment brokkelt ook de informele controle af, waardoor
                                                men in een neerwaartse spiraal terechtkomt. Alleen een zeer sterke toename van
                                                formele controle kan de norm dan weer herstellen. Als men daar uiteindelijk in
                                                slaagt, zal de informele controle echter ook weer toenemen, hetgeen vervolgens
                                                de ruimte schept om de formele controle weer enigszins te verminderen. Daarbij
                                                dient men er echter voor te waken hierin niet te ver te gaan, aangezien het even-
                                                wicht dan opnieuw zou worden verstoord.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 136 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 137 ======================================================================

<pre>                                                      een rationele-keuze-analyse van normen en gedrag
Een gevolg hiervan is dat men voorzichtig dient te zijn met uitspraken over de
effectiviteit en efficiëntie van het politie- en justitieapparaat. Het is denkbaar dat
bij eenzelfde intensiteit van afschrikking door opsporing en bestraffing van
misdrijven de doeltreffendheid ervan in termen van preventie van criminaliteit
in de loop van de tijd sterk kan verschillen. Zolang rechtsnormen breed worden
onderschreven en overtreding daardoor ernstig reputatieverlies oplevert, kan
een geringe inspanning van politie en justitie voldoende zijn om de criminaliteit
binnen de perken te houden. Zijn het geloof in de rechtsnormen en de sociale
controle eenmaal afgebrokkeld, dan kan een veel grotere inspanning toch minder
effect op de criminaliteit sorteren. Ogenschijnlijk is de effectiviteit van politie en
justitie dan sterk afgenomen, hetgeen gemakkelijk kan leiden tot klachten over
de gebrekkige organisatie en de overmatige bureaucratie. De oorzaak van de afge-
nomen effectiviteit is dan echter veeleer gelegen in de gewijzigde maatschappe-
lijke omstandigheden.
Overigens laten beide modellen ook zien dat het op zichzelf niet zorgelijk hoeft
te zijn als een (beperkt) deel van de bevolking de dominante normen niet onder-
schrijft en naleeft. Er kan een stabiel evenwicht zijn waarbij een constante fractie
van de bevolking zich niet aan de regels houdt, zonder dat dit het geloof in en de
naleving van deze normen door de meerderheid hoeft aan te tasten. Het is zelfs                         135
mogelijk dat er een stabiele minderheidsgroep is die in een overwegend ‘norm-
loze’ samenleving vasthoudt aan specifieke eigen normen (denk aan een hechte
geloofsgemeenschap als de orthodox gereformeerden of vegetariërs). Hierbij past
wel de kanttekening dat deze conclusie sterk afhankelijk is van de veronderstel-
ling dat het geloof in een norm zich na verloop van tijd aanpast aan de proportie
van de bevolking die zich normconform gedraagt.
Demografische ontwikkelingen
Met de hiervoor besproken modellen kunnen ook de effecten van demografische
ontwikkelingen op het normbesef en normoverschrijdend gedrag worden geana-
lyseerd. Te denken valt aan immigratie en de opeenvolging van generaties.
Stel allereerst dat de bevolking groeit als gevolg van de toestroom van migranten
en stel bovendien dat deze andere normen hebben dan die van de autochtone
bevolking. In de situatie die in figuren 4.7 en 4.8 is geschetst, waarin alle perso-
nen die de norm hebben geïnternaliseerd deze naleven zonder dat daarvoor
externe (sociale) controle nodig is, heeft immigratie geen gevolgen voor het
absolute aantal personen dat de norm onderschrijft en naleeft. Wel neemt het
percentage van de bevolking dat de ‘autochtone’ normen onderschrijft af, waar-
door het (stabiele) evenwicht naar links verschuift.
In de situatie in figuren 4.9 en 4.10, waarin in het stabiele langetermijneven-
wicht ook sociale controle nodig is om een deel van de bevolking op het rechte
pad te houden, is immigratie wel van invloed op de normnaleving. Als door
immigratie het percentage van de bevolking dat de norm onderschrijft, daalt, zal
immers ook het reputatieverlies bij overtreding van de norm afnemen. Daardoor
</pre>

====================================================================== Einde pagina 137 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 138 ======================================================================

<pre>    wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                            zal een deel van degenen die de norm eerst naleefden, deze nu gaan overtreden.
                            Niet alleen het percentage van de bevolking, maar ook het absolute aantal perso-
                            nen dat zich normconform gedraagt, zal dan dalen. Dit resulteert na enige tijd in
                            een verder afkalven van het geloof in de norm, een verdere vermindering van het
                            reputatieverlies en derhalve nog meer normoverschrijdend gedrag. Immigratie
                            van ‘ongelovigen’ kan aldus een negatieve spiraal in werking zetten, waarvan
                            niet bij voorbaat vaststaat waar deze eindigt. Gezien het ondermijnende effect
                            van de immigratie van een aanzienlijke groep die de heersende normen niet
                            onderschrijft, kan een forse toename van normoverschrijdend gedrag alleen
                            worden voorkomen ofwel door de formele sanctie hierop fors te verhogen, ofwel
                            via ‘inburgering’ de heersende normen zo snel mogelijk aan de immigranten over
                            te dragen.
                            Het effect van de komst van een nieuwe generatie jongeren heeft een vergelijk-
                            baar effect als de komst van immigranten, indien de jongere generatie de traditio-
                            nele normen in mindere mate onderschrijft dan de oudere generatie. Als de
                            oudste generatie die de normen het sterkst onderschrijft, geleidelijk uitsterft,
                            heeft dit in de figuren tot gevolg dat aan de linkerkant een deel van de bevolking
                            afvalt, terwijl er aan de rechterkant een groep bijkomt. Anders gezegd, de curven
136                         die de spijt (B) en schaamte (S) weergeven, verschuiven dan naar links, zodat ook
                            het evenwicht naar links verschuift. Overigens is het natuurlijk heel goed moge-
                            lijk dat de nieuwkomers – of dit nu migranten zijn of een nieuwe generatie –
                            andere normen hanteren dan de oorspronkelijke bevolking die geleidelijk de
                            dominante normen worden. Er is dan niet zozeer sprake van normverval als wel
                            van een vervanging van oude door nieuwe normen.
                            Kanttekeningen
                            Het hierboven gepresenteerde rationelekeuzemodel van de relatie tussen
                            normen en gedrag is gebaseerd op diverse veronderstellingen waarvan de geldig-
                            heid in de praktijk allerminst vanzelf spreekt. In deze paragraaf worden enkele
                            van deze veronderstellingen besproken en wordt bezien op welke wijze het
                            model realistischer kan worden gemaakt en welke consequenties dit zou hebben.
                            De cruciale vooronderstelling van een rationelekeuzebenadering van normen en
                            gedrag is dat het al dan niet navolgen van een norm een rationele keuze is in de zin
                            dat men verschillende gedragsopties tegen elkaar afweegt. Impliciet wordt hier-
                            mee verondersteld dat mensen altijd ertoe kunnen worden gebracht om de nor-
                            men die zij aanhangen te overtreden als de beloning die daartegenover staat maar
                            groot genoeg is. Een norm geldt dan in zekere zin als een preferentie, die wordt
                            afgewogen tegen andere preferenties. Verschillende auteurs bestrijden echter dat
                            normatief of moreel gedrag als een dergelijk keuzeproces kan worden geanaly-
                            seerd (bijvoorbeeld Etzioni 1988, Dan-Cohen 2002). Zo betoogt Dan-Cohen
                            (2002: 125-149) dat bij moreel gedrag in het algemeen geen keuze wordt gemaakt
                            tussen verschillende opties, omdat men alternatieve opties die strijdig zijn met de
                            waarden of normen die men aanhangt, eenvoudigweg niet in overweging neemt.
                            Tegen dit bezwaar zou men kunnen inbrengen dat men ook normen die het aantal
</pre>

====================================================================== Einde pagina 138 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 139 ======================================================================

<pre>                                                     een rationele-keuze-analyse van normen en gedrag
opties waaruit men kan kiezen, inperken, in het rationelekeuzemodel zou kunnen
opnemen, namelijk door de (subjectieve) kosten van het overschrijden van die
norm (hiervoor als ‘spijt’ aangeduid) willekeurig groot te maken. In de figuren in
deze bijlage zou dit betekenen dat de lijn B voor degenen die de norm onderschrij-
ven altijd ver boven de lijn G – S, die het extrinsieke voordeel van normoverschrij-
ding weergeeft, ligt, zodat zij zich altijd normconform gedragen.
In de bovenstaande modellen is verondersteld dat het geloof in de norm en het
reputatieverlies door sociale controle variëren binnen de bevolking, maar niet de
waardering van de opbrengst van het normoverschrijdende gedrag en de formele
sanctie die daarop staat, dat wil zeggen G – S. Nadere inspectie van de figuren 4.7
en 4.9 leert echter dat de eerdere conclusies niet wezenlijk veranderen indien de
lijn G – S een monotoon hellend verloop heeft, dat wil zeggen stijgt of daalt
naarmate men minder in de norm gelooft. Alleen als G – S sterker zou dalen dan
de lijn B + R, zouden de eerder afgeleide conclusies niet meer gelden. Dit zou het
geval kunnen zijn indien degenen die het sterkst in de norm geloven de extrin-
sieke opbrengst van normovertreding het hoogst waarderen, hetgeen weinig
plausibel is.
Een cruciale veronderstelling voor de dynamiek van de besproken modellen                              137
betreft de relatie tussen het geloof in de norm en de mate van normconform
gedrag. De veronderstelling dat het percentage van de bevolking dat een norm
onderschrijft, op den duur afkalft als het percentage dat de norm overschrijdt
toeneemt, is plausibel. Het is echter de vraag of dit ook geldt voor het omge-
keerde: neemt het geloof in de norm op termijn weer toe als meer mensen zich,
onder druk van formele controle, normconform gaan gedragen? Impliciet wordt
hiermee verondersteld dat normen vooral worden overgedragen via de gedragin-
gen van anderen. Dit is zeker geen vanzelfsprekendheid die voor alle vormen van
normoverdracht opgaat. Zo lijkt het aannemelijk dat normconform gedrag dat
via informele, sociale controle wordt afgedwongen een sterker positief effect
heeft op het geloof in de norm dan door formele controle afgedwongen norm-
conform gedrag. Anders gezegd, schaamte lijkt een sterkere drijfveer voor het
internaliseren van een norm dan een bureaucratisch opgelegde sanctie. Het is
bijvoorbeeld niet zo aannemelijk dat iemand die zich aan de maximumsnelheid
houdt om te voorkomen dat hij of zij een bekeuring krijgt, dáárdoor die norm
ook eerder gaat onderschrijven. Wie echter door zijn buurtbewoners erop wordt
aangekeken dat hij in de straat te hard rijdt, zal de norm mogelijk wel gaan
onderschrijven. Kreps (1997) en Frey en Jegen (2001) hebben erop gewezen dat
extrinsieke prikkels zelfs de intrinsieke motivatie om zich normconform te
gedragen zouden kunnen ondermijnen. Hun analyse beperkt zich overigens tot
positieve prikkels: als men vrijwillig lofwaardig gedrag gaat belonen kan dit in
sommige omstandigheden de motivatie verminderen.
Als het juist is dat normoverschrijdend gedrag het geloof in een norm aantast,
maar een toename van normconform gedrag niet automatisch het geloof in de
norm herstelt, wordt de eerdere conclusie over de asymmetrie in de dynamiek
</pre>

====================================================================== Einde pagina 139 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 140 ======================================================================

<pre>    wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                            van normen en gedrag nog versterkt. Als het geloof in en de naleving van een
                            norm eenmaal zijn afgebrokkeld, zal het dan nog meer inspanning vergen om de
                            norm te herstellen. Bovendien zal men dan niet kunnen volstaan met de formele
                            controle op en bestraffing van normoverschrijdend gedrag aan te scherpen, maar
                            zal men ook meer direct moeten trachten het geloof in de norm te versterken via
                            andere vormen van normoverdracht, zoals voorlichting, opvoeding en derge-
                            lijke.
                            De oorsprong van normen
                            Een bezwaar tegen het hiervoor gepresenteerde rationelekeuzemodel is, dat de
                            normen hierin geen ‘nut’ lijken te hebben: normovertreding levert de overtreder
                            direct voordeel op, maar het model zwijgt over de eventuele schade die anderen
                            hiervan ondervinden. Als anderen niet worden geschaad door normovertreding,
                            is het echter lastig te verklaren waarom de betreffende norm überhaupt bestaat.
                            Er zijn diverse pogingen gedaan om (het ontstaan van) normen te verklaren als
                            optimale strategie om een prisoner’s dilemma op te lossen (zie bijv. Coleman
                            1990, Fershtman en Weiss 1998 en Bowles en Gintis 1998). In een prisoner’s
                            dilemma ontmoeten twee personen elkaar, waarbij ieder moet beslissen of hij of
138                         zij zich coöperatief of opportunistisch gedraagt. Coöperatief gedrag van beiden
                            levert een groter sociaal voordeel op dan wanneer beiden zich opportunistisch
                            gedragen. Wanneer de een zich opportunistisch gedraagt en de ander coöpera-
                            tief, behaalt de eerste echter het grootste voordeel, terwijl de ander er nadeel van
                            ondervindt. Zonder coördinatie van de activiteiten zullen daardoor beiden,
                            indien zij rationeel handelen, voor het opportunistische gedrag kiezen, hetgeen
                            maatschappelijk gezien een suboptimale uitkomst oplevert.
                            Als er in de gemeenschap echter een norm bestaat die coöperatief gedrag voor-
                            schrijft en als iedereen zich aan deze norm houdt, wordt het maatschappelijke
                            optimum wel gerealiseerd. In een dergelijke situatie zal ieder individu dat de
                            norm overtreedt, echter een voordeel behalen (het zogeheten free rider-pro-
                            bleem). Het risico bestaat dan dat steeds meer mensen dit slechte voorbeeld
                            navolgen, waardoor de norm afkalft en de maatschappelijke uitkomst verslech-
                            tert. Uiteindelijk zal de norm dan verdwijnen en ontstaat er een maatschappelijk
                            suboptimaal evenwicht. Om een stabiel evenwicht van normconform gedrag in
                            stand te houden, dient er een voldoende hoge sanctie te staan op normover-
                            schrijdend gedrag. In beginsel kan deze sanctie elk van de drie vormen aannemen
                            die hierboven zijn geanalyseerd: spijt als gevolg van het overtreden van een geïn-
                            ternaliseerde norm, schaamte als gevolg van sociale controle en straf als gevolg
                            van formele controle en sancties. Deze sancties fungeren derhalve als sociale
                            mechanismen om het maatschappelijke optimum in stand te houden. Aangezien
                            een gemeenschap waarvan de leden zich normconform gedragen succesvoller is
                            dan een gemeenschap waarin opportunistisch gedrag dominant is, zullen
                            gemeenschappen met sterk gedeelde normen en weinig normoverschrijdend
                            gedrag uiteindelijk overleven en het overheersende patroon vormen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 140 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 141 ======================================================================

<pre>                                                     een rationele-keuze-analyse van normen en gedrag
Een kor te geschiedenis van vijf tig jaar normoverschrijdend gedrag
Hoe simpel en gestileerd het hiervoor beschreven model ook is, het zou een
plausibele verklaring kunnen bieden voor de ontwikkeling die zich de afgelopen
halve eeuw in Nederland heeft voorgedaan. In de jaren vijftig van de vorige eeuw
waren er voor de overgrote meerderheid van de bevolking sterke prikkels om
zich normconform te gedragen: de meeste mensen hadden de heersende normen
geïnternaliseerd en er was sprake van zowel een sterke formele als een sterke
informele (sociale) controle. In de loop van de jaren zestig en zeventig nam de
formele controle evenwel af. Enkele voorbeelden hiervan zijn het verdwijnen
van de conducteur op de bus en tram, het afschaffen van het perronkaartje en de
invoering van zelfbediening in tal van winkels. Aanvankelijk had deze vermin-
dering van de formele controle van normoverschrijdend gedrag geen merkbare
gevolgen, doordat de informele controle en de internalisering van de normen
sterk genoeg waren. Op een gegeven moment werd echter een grens overschre-
den, toen ook een – aanvankelijk klein – deel van degenen die de normen nog
onderschreven, in de verleiding kwam deze te overtreden. In eerste instantie
schaamde men zich daar nog voor. Maar toen men bespeurde dat ook steeds meer
anderen zich niet aan de regels hielden, vond men er een rechtvaardiging voor.
Winkeldiefstal werd proletarisch winkelen, zwartrijden was verantwoord                                139
omdat het openbaar vervoer eigenlijk gratis moest zijn en wie de belasting niet
een beetje ontdook was een dief van zijn eigen portemonnee. Geleidelijk ver-
slapte daardoor ook de sociale controle, waardoor nog meer mensen de regels
gingen overtreden en het geloof in de normen verder afkalfde. In de jaren tachtig
bereikte het normoverschrijdende gedrag zo’n omvang dat de maatschappelijke
tolerantie hiervoor sterk verminderde. Dit werd nog versterkt door de instroom
van grote aantallen migranten die er vaak andere gebruiken en zeden op na hiel-
den en zich niet altijd evenveel gelegen lieten liggen aan de in Nederland gang-
bare normen. Het gedogen van wetsovertreding werd niet langer geaccepteerd.
De roep om meer blauw op straat en hardere straffen (lik-op-stukbeleid, zero
tolerance) weerklonk steeds luider. Dit leidde ertoe dat er vanaf de jaren tachtig
inderdaad steeds strenger werd gestraft en dat er in de loop van de jaren negentig
ook weer financiële ruimte kwam om de sterkte van politie, justitie en andere
controleurs te vergroten. De conducteur kwam terug op de tram, winkels namen
bewakers in dienst en de sociale rechercheur ging op jacht naar zwartwerkers en
dubbele tandenborstels. Vooralsnog resulteerde dit echter niet in een substan-
tiële vermindering van normoverschrijdend gedrag. Dit wordt vaak toegeschre-
ven aan de inefficiëntie van politie, justitie, sociale diensten en andere bureaucra-
tische instellingen. Het hierboven geschetste model biedt echter een alternatieve
verklaring: doordat zowel de sociale controle als de internalisering van normen
sinds de jaren zestig sterk is verminderd, volstaat het niet om de politiesterkte en
de strafmaat terug te brengen op het niveau van de jaren vijftig. Er is een aanzien-
lijk grotere inspanning vereist om weer een nieuw evenwicht tot stand te bren-
gen waarin de meeste mensen de normen onderschrijven én naleven en de soci-
ale controle is versterkt. Behalve via versterking van formele controle en
sanctionering van normoverschrijdend gedrag zou dit ook moeten worden
</pre>

====================================================================== Einde pagina 141 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 142 ======================================================================

<pre>    wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                            bevorderd door meer inspanning te verrichten om de normen over te dragen aan
                            jongeren en aan nieuwkomers (via inburgeringscursussen). Pas als door deze
                            combinatie van externe dwang en normoverdracht het evenwicht weer is
                            hersteld, zullen de formele controle en de strafmaat weer enigszins kunnen
                            worden verlicht zonder dat dit onmiddellijk een nieuwe fase van normverval
                            inluidt.
140
</pre>

====================================================================== Einde pagina 142 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 143 ======================================================================

<pre>                               pluriformiteit en gemeenschappelijke waarden in de democratische rechtsstaat
5   pluriformiteit en gemeenschappelijke
    waarden in de democr atische rechtsstaat
5.1 plur aliteit als kenmerk van onze cultuur
    Hoe wordt een steeds heterogener wordende samenleving bijeengehouden?
    Welke waarden zijn zo bindend dat een bepaalde mate van sociale cohesie door
    en met deze waarden in stand wordt gehouden? Zijn dergelijke waarden inhou-
    delijk te bepalen of te benoemen? Deze vragen zijn de lastigste die in het waar-
    den- en normendebat aan de orde komen. Ze veronderstellen immers dat een
    samenleving vooral bijeen wordt gehouden door waarden en niet door militaire
    kracht, sociaal-economische voorspoed en belangen of praktisch werkzame
    samenwerkingsverbanden zoals goed functionerende instituties. Een samenle-
    ving kan niet zonder enkele richtinggevende ideeën, zoals een van de eerste
    commentatoren van de moderne samenleving, De Tocqueville, anderhalve eeuw
    geleden al constateerde (De Tocqueville 1969: 433). Maar welke? En veranderen
    dergelijke richtingbepalende ideeën (waarden) naarmate een samenleving zelf
    sterk aan verandering onderhevig is?
                                                                                                            141
    Grote maatschappelijke veranderingen hebben ervoor gezorgd dat een moderne
    samenleving steeds minder uit één stuk bestaat. Deze veranderingen zijn:
    a van een min of meer homogeen samengestelde bevolking naar een hetero-
        geen samengestelde bevolking qua herkomst, huidskleur en gezinssamenstel-
        ling;
    b van een min of meer uniform en christelijk waardebestel naar een pluriform
        stelsel van waarden qua religie, levensbeschouwing, politieke gezindheid en
        persoonlijke levensstijl;
    c van een minder gedifferentieerd naar een steeds meer gedifferentieerd maat-
        schappelijk bestel qua arbeidsverdeling, specialisatie van functies, systemen
        van informatieverwerking en allerhande nieuwe beroepen en roepingen;
    d van lokaal naar mondiaal bereik qua informatie, kennis en kennisverwerving
        en beleving van gebeurtenissen.
    De Nederlandse samenleving wordt uiteraard al heel lang gekenmerkt door reli-
    gieuze verscheidenheid, en mede hierdoor eveneens door talloze immigratie-
    stromen die telkens nieuwe ‘inwijkelingen’ brachten, maar de godsdienstige
    verscheidenheid vond plaats binnen het grotere verband van de christelijke
    cultuur. Religieuze tolerantie was langzaam gegroeid. Het uitgangspunt van
    tolerantie echter is het achterwege laten van negatieve reacties op overtuigingen
    of handelwijzen waar men het in principe niet mee eens is (Schuyt 2001: 117).
    Tolerantie veronderstelt vreedzame onenigheid, dus een pluraliteit van opvattin-
    gen. Als men op de traditie van tolerantie wijst als een van de geesteskenmerken
    van de Nederlandse samenleving, dan wijst dat automatisch op een lange traditie
    van verdeelde opvattingen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 143 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 144 ======================================================================

<pre>    wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                            Pluraliteit is een kenmerk van onze cultuur, maar ze is van karakter veranderd
                            (De Boer en Griffioen 1995). Men kan de oorsprong van pluraliteit zoeken bij de
                            principiële verschillen die er bestaan tussen individuele personen, die in positie,
                            levensloop en ervaringen steeds unieke personen zullen zijn (Arendt 1958;
                            Rescher 1993). Elke unieke persoon krijgt zo een eigen perspectief op de werke-
                            lijkheid als geheel, dat nimmer volledig samenvalt met het perspectief van ande-
                            ren. De politiek dient dan, in Arendts opvatting, deze pluraliteit te eerbiedigen.
                            Maar de pluraliteit kan ook gevonden worden in de vrijwillige vereniging van
                            personen rondom politieke ideeën, religieuze voorkeuren en andere vrijwillige
                            verbanden. De civil society is altijd een gezonde broedplaats van pluriformiteit
                            geweest. Voorts zijn de wisseling van generaties en de verschillen tussen oudere
                            en jonge leden van een samenleving een voortdurende bron van nieuwe waarden
                            of accentverschuivingen in waardebelevingen. Internationale migratiestromen
                            brengen daarnaast nog de gebruiken en opvattingen van andere culturen binnen
                            de landsgrenzen, zoals niet-christelijke godsdiensten, niet-westerse opvattingen
                            en andere tradities. De groei van deze pluriformiteit van waarden ging gepaard
                            met een sterke welvaartsgroei, die persoonlijke autonomie, met name in de
                            keuze van levensbeschouwing en levensinrichting, vergemakkelijkte. Personen
                            ‘kiezen’ uit de gegroeide veelheid van waarden en overtuigingen nu meer en
142                         meer hun eigen ‘pakket’. De waarden zijn niet alleen gepluraliseerd, maar ook
                            geïndividualiseerd. Het geïndividualiseerde waardepatroon moet men echter
                            niet al te letterlijk opvatten. Individuen refereren zich nog steeds aan hun nabije
                            omgeving en aan groepen waarin ze verkeren, bijvoorbeeld aan de populaire
                            jeugdcultuur of aan de ‘waarden’ van bekende televisiepersoonlijkheden. Er
                            blijkt een patroon te herkennen in de veelheid van individuele keuzes. De waar-
                            den gelijkheid en vrijheid blijven als de hoofdkenmerken van een burgerlijke
                            samenleving onveranderd bovenaan staan in de European Value Studies. Binnen
                            dit patroon zijn subtiele nieuwe onderscheidingen waar te nemen. Zo komen het
                            onderzoeksbureau Motivaction en het nipo tot een achttal verschillende
                            waardenoriëntaties, of levensstijlen, van traditionele burgers tot postmoderne
                            hedonisten. De keuze voor bepaalde waarden ligt niet bij voorbaat vast via
                            geboorte, klasse of godsdienst, maar de individuele keuze komt nog steeds door
                            sociale invloeden tot stand.
                            Deze onvermijdelijke pluraliteit wekt echter toch ook meermalen zorgen, zoals
                            het volgende citaat laat zien.
                    Het eigentijdse pluralisme werpt echter ook schaduwen af. Op allerlei terrein is de geconstateerde
                    relationaliteit van waarden omgeslagen in een relativisme van waarden. Normen staan op de
                    tocht. Moraal is gemarginaliseerd tot privé-aangelegenheid. Voor hun diepste levensoriëntatie
                    durven mensen vaak nauwelijks uit te komen. Ouders, opvoeders en onderwijzers zien vooral de
                    overdracht van waarden niet meer zitten. Ook levensbeschouwelijke organisaties, zoals christe-
                    lijke scholen en christelijke politieke partijen, waarin zoveel normativiteit geïnvesteerd is,
                    hebben de grootste moeite met haar eigen identiteit. En allochtonen wekken met hun gehecht-
                    heid aan eigen cultuurvormen dikwijls eerder spot en irritatie dan respect. Kortom, het post-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 144 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 145 ======================================================================

<pre>                                     pluriformiteit en gemeenschappelijke waarden in de democratische rechtsstaat
  moderne pluralisme heeft een klimaat van scepsis en cynisme geschapen. Het heeft ook, van de
  weeromstuit, geleid tot kunstmatig opgeschroefde vormen van absolutisme en fundamentalisme.
  Over godsdienstig en moreel verval gesproken! (Klapwijk 1994; Klapwijk 1995: 202)
        Dit citaat is typerend voor de (christelijke) gedachtegang vanwaaruit de vraag
        naar de ‘fundamentele’ waarden en normen al veel eerder, namelijk in 1994,
        gesteld is. Men erkent de veelheid van waarden en levensovertuigingen, maar
        tegelijk vreest men een bijkomend verlies van ‘centrale’ of ‘gedeelde’ waarden.
        De bezorgdheid, vaak nog vergezeld van een negatieve beoordeling van het
        proces van individualisering, leidt derhalve tot de vraag naar de waarden die,
        gegeven de toegenomen pluraliteit, voor een zekere eenheid of sociale binding in
        de samenleving blijven zorgen.
5.2     gemeenschappelijke waarden
        In het waarden- en normendebat wordt herhaaldelijk verwezen naar ‘gemeen-
        schappelijke waarden’, maar zelden durft men deze waarden inhoudelijk aan te
        wijzen. Om welke waarden gaat het? Wat is gemeenschappelijkheid van
        waarden eigenlijk ? Zijn dit waarden die vanouds bij de nationale gemeenschap                             143
        horen en worden overdragen of zijn het waarden waar iedereen, of althans een
        zeer grote meerderheid, bewust mee ingestemd heeft en daar in gedrag en
        houding blijk van geeft? De uitdrukking ‘gemeenschappelijk’ zelf wordt vaak
        willekeurig ingewisseld voor equivalente uitdrukkingen zoals gedeelde waarden
        (shared values), kernwaarden, cruciale waarden, fundamentele of essentiële
        waarden, collectieve waarden- en normenstelsels én noodzakelijke waarden (zie
        onder meer het verslag van het Kamerdebat op 18 december 2002 over waarden
        en normen, Tweede Kamer 2002-2003).
        Op zichzelf zijn deze wisselende woorden heel begrijpelijk. Men zoekt naar ‘iets’
        wat tegelijk zeer moeilijk valt vast te leggen of te grijpen. Vaak ontglipt het meest
        vanzelfsprekende aan de aandacht. Een gemeenschappelijke taal is waarschijnlijk
        fundamenteler dan overeenstemming in bepaalde waarden, want om te begrij-
        pen of men het al of niet met elkaar eens is, moet men in elk geval goed met
        elkaar kunnen communiceren. De taal schept een morele ruimte waarbinnen
        mensen met elkaar kunnen samenwerken of elkaar kunnen bekampen. De
        nadruk die bij inburgering van nieuwkomers wordt gelegd op de beheersing van
        de Nederlandse taal wordt nu vaak gerechtvaardigd met louter instrumentele
        argumenten (‘goed voor het vinden van een baan’), maar wezenlijker is het feit
        dat men door een goede taalbeheersing en moeiteloze communicatie toegang
        heeft tot de morele ruimte en zo de morele sensibiliteiten van een gemeenschap
        leert kennen. Veel morele misverstanden zouden kunnen samenhangen met
        onvoldoende deelname aan de morele gemeenschap van de samenleving. De
        beleving en de betekenis van eigen handelingen en die van anderen wordt pas
        duidelijk als men een taal perfect beheerst. Meer en betere communicatie tussen
        gevestigden en buitenstaanders is daarvoor nodig.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 145 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 146 ======================================================================

<pre>    wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                            Dit geldt zelfs voor onderdelen van de taal, zoals een specifiek jargon. De
                            uitdrukking shared values, een sleutelwoord in de waarden- en normendiscussie,
                            heeft een geheel eigen en specifieke betekenis gekregen. Gedeelde waarden bete-
                            kenen hier niet zomaar gedeeld, zoals men een ruimte deelt met een ander, of een
                            gemeenschappelijk risico deelt. Het gaat, in de betekenis die Etzioni eraan geeft,
                            om waarden die verinnerlijkt zijn, niet van boven opgelegd, maar doorgegeven
                            via opvoeding en onderwijs en in een traditie opgenomen. Gedeelde waarden
                            worden niet ‘overeengekomen’, zoals wanneer men een contract sluit of met
                            elkaar een afspraak maakt (Etzioni 1996: 89-91). Gemeenschappelijke of gedeelde
                            waarden dienen, in deze opvatting, aan heel specifieke kenmerken te voldoen,
                            waardoor men – als men zich hier niet van bewust is – verschillende betekenis-
                            sen hecht aan de sleuteluitdrukking ‘gemeenschappelijk’. Afspraken bijvoor-
                            beeld tussen werkgevers- en werknemersorganisaties of tussen coalitiegenoten
                            leiden in deze opvatting niet tot gedeelde waarden, ook al worden belangrijke
                            zaken voor een bepaalde tijd gemeenschappelijk afgesproken.
                            Gaat het misschien om noodzakelijke waarden, om minimale afspraken die men
                            met elkaar maakt, bijvoorbeeld de afspraak hoe te handelen bij verschillen van
                            inzicht? De uitdrukking agree to disagree wordt vaak beschouwd als het ethisch
144                         minimum op grond waarvan een relatie of een sociaal systeem toch kan blijven
                            bestaan. Maar wat betekent hier ‘noodzakelijk’? Een rechtsorde, in een of andere
                            vorm, is noodzakelijk voor het vreedzaam samenleven van mensen, maar bij
                            ontbreken van een aantal andere, voldoende voorwaarden, zegt de aanwezigheid
                            van deze ene noodzakelijke voorwaarde niet zo veel. Er zal altijd een belangrijk
                            aantal waarden tegelijkertijd of een stelsel van waarden noodzakelijk zijn om een
                            samenleving mogelijk te maken of in stand te houden.
                            Gemeenschappelijk of voor het voortbestaan van een samenleving noodzakelijke
                            waarden worden niet ‘gevonden’, maar zelf gemaakt door de leden van die
                            samenleving en door die leden ook instandgehouden. Die gemaakte waarden en
                            waardevoorkeuren worden in een moderne samenleving, in een democratische
                            rechtsstaat, gewoonlijk neergeslagen in wetten en in een grondwet, die dan ook
                            bij uitstek de moderne ‘vindplaatsen’ zijn geworden van wat een samenleving als
                            geheel belangrijk en waardevol vindt. Als heel veel leden in een samenleving
                            bepaalde materialistische waarden zoals bezit, eigenbelang of economische voor-
                            spoed belangrijker gaan achten dan immateriële waarden als opofferingsgezind-
                            heid of naastenliefde, dan verandert daardoor de samenleving zonder dat deze
                            uiteenvalt of zonder dat er sprake is van een algeheel ‘verval’ van waarden en
                            normen. Een samenleving kan hierdoor heel veel verandering van waarden
                            ondergaan zonder te desintegreren. Dit is een geruststellend inzicht. Samenle-
                            vingen passen zich aan aan veranderingen en vernieuwen zich daardoor. Hoe
                            belangrijk opofferingsgezindheid of naastenliefde ook mogen zijn voor de
                            kwaliteit van de samenleving en voor de onderlinge zorg, als deze waarden en
                            deugden niet in groten getale worden gepraktiseerd door burgers, dan zullen
                            uitspraken daarover dat deze waarden ‘centrale’ of ‘belangrijke’ waarden van de
                            samenleving zijn, niet helpen. Slimme wetten en goed ingerichte en functione-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 146 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 147 ======================================================================

<pre>                          pluriformiteit en gemeenschappelijke waarden in de democratische rechtsstaat
rende instellingen, bijvoorbeeld in belastingwetgeving en gezondheidszorg,
kunnen wél aan de realisering van dergelijke waarden bijdragen, maar men moet
daarbij oppassen voor overvraging van burgers. In de discussie over de noodza-
kelijke gemeenschappelijke waarden worden heel veel good weather values
genoemd, waarden die hogelijk worden geprezen en aangeraden. Maar juist de
vele oproepen tot deze waarden vormen meestal de bevestiging dat ze op een
minder florerende steun kunnen bogen in de samenleving. Verandering van die
betreurde toestand zal vervolgens voornamelijk uit de samenleving zelf kunnen
komen. Elke samenleving krijgt zo de gemeenschappelijke waarden die ze
verdient.
In de zoektocht naar gemeenschappelijke waarden van een samenleving wordt
vaak verwezen naar een reeks bekende deugden, die bepaalde waarden ver-
tegenwoordigen. Er is zelfs een neo-aristotelische herleving in de aandacht voor
deugden die als onmisbaar worden beschouwd voor goed samenleven (Geach
1977; Comte-Sponville 1995; Van Tongeren 2003). Maar de intensieve beschrij-
ving van deze deugden, bijvoorbeeld door Geach die de zeven kardinale deugden
heeft beschreven, of de eenentwintig deugden door Comte-Sponville beschre-
ven, brengen één ding helder aan het licht: ze vragen héél veel van mensen, veel
meer dan waar burgers in enige samenleving toe kunnen worden verplicht.                                145
Wie de deugd van matigheid bepleit als goed voor een samenleving waarin
overvloed en onmatigheid bijna normaal geworden zijn, overvraagt burgers.
Hetzelfde geldt voor moed, naastenliefde, geloof, hoop, rechtvaardigheid en
bezonnenheid. Dergelijke, voor elke samenleving zéér belangrijke waarden,
verhogen zonder twijfel het kwalitatieve peil van het samenleven, maar bena-
drukken juist hun positie: het zijn persoonlijke keuzes en ze berusten op vrij-
willigheid. Zoals elke moraal op vrijwilligheid berust. Lofwaardig gedrag kan
niet worden afgedwongen. In een staatsbestel gaat het steeds om verplichting tot
naleving van normen die nimmer het morele uiterste of het moreel hoogstaande
betreffen.
Mutatis mutandis geldt dit voor andere veelgenoemde en veelgeroemde maat-
schappelijke waarden die als fundamenteel of gemeenschappelijk worden
beschouwd: solidariteit, individuele verantwoordelijkheid, duurzaamheid, vrij-
heid (Woldring 2004; Adriaansens 2004). Afgezien van het probleem van de
inhoudelijke onbepaaldheid van deze waarden, kunnen ze niet verplicht worden
opgelegd. Ze kunnen dienen als inspirerende bakens voor het handelen, niet als
een reeks verplichte figuren die elke burger eerst moet afleggen voor hij/zij tot
een vrije kür mag worden toegelaten. Bij wet worden die verplichtingen vast-
gesteld. Gemeenschapszin, naastenliefde, zorg voor de naaste en solidariteit
kunnen wel sterk worden bevorderd door bepaalde onderlinge verhoudingen in
gezinnen, in organisaties en in de maatschappij als geheel goed te onderhouden,
maar ze kunnen niet bij wet verplicht worden gesteld, althans niet in een samen-
leving waar de persoonlijke vrijheid wordt beschermd. Bij deugden gaat het
niet om absolute beginselen, maar om een opdracht tot praktisch verstandig
handelen. Deugden moeten voortdurend beoefend worden om zo tot praktische
</pre>

====================================================================== Einde pagina 147 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 148 ======================================================================

<pre>    wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                            oplossingen te komen in immer lastige dilemma’s. Het eigen handelen komt
                            erdoor in discussie en niet uitsluitend het handelen van anderen of van de over-
                            heid.
                            Een geheel andere benadering van de vraag naar gemeenschappelijke waarden
                            biedt de Franse studie Refondation du monde van Guillebaud (1999). Hierin
                            beschrijft hij uitvoerig zes grondwaarden van de westerse cultuur die voortgeko-
                            men zijn uit de Griekse, de joodse en de christelijke cultuur. Dit zijn de volgende
                            zes waarden: een geloof in de toekomst, gelijkheid, rede en redelijkheid, univer-
                            saliteit, individualiteit en rechtvaardigheid. Het geloof en vertrouwen in de
                            toekomst is afkomstig van het joods-messianistische denken, de waarden van
                            gelijkheid en universaliteit zijn via de Stoa door het christendom in het Westen
                            wijdverbreid, de rede en redelijkheid vonden hun oorsprong in het Griekse
                            wonder van de wetenschap en hebben een blijvende invloed op de latere wes-
                            terse samenlevingen uitgeoefend. Rechtvaardigheid en individualiteit stammen
                            uit elk van deze grote culturen, die langzaam in een onderlinge bevruchting zijn
                            samengekomen in de hedendaagse westerse cultuur. Via het bijbels humanisme
                            en het geseculariseerde humanisme zijn ze alle zes als uitgesproken waarden van
                            de Verlichting naar voren gekomen. Ze vormen een onderlinge samenhang die
146                         niet gemakkelijk kan worden doorbroken.
                            Volgens Guillebaud verkeren alle zes waarden in een ernstige crisis, omdat ze
                            naar zijn mening allemaal onderhevig zijn aan concurrerende maatschappelijke
                            krachten als excessieve bureaucratisering, een streven naar kortetermijnbevredi-
                            ging, particuliere economische belangen en een excessieve aandacht voor uiter-
                            lijkheid en imagovorming in de moderne massamedia. Hij formuleert enkele
                            gevaren die een discussie over waarden en normen – die hij op zichzelf toejuicht
                            – loopt zoals nostalgie (‘vroeger was alles beter’), het centraal willen opleggen
                            van waarden die al verloren zijn gegaan (‘niemand kan van buiten of van boven
                            af een specifieke leefwijze opleggen aan geëmancipeerde individuen in een vrije
                            samenleving’). Daarnaast wijst hij erop dat het recht in een westerse samenle-
                            ving niet alléén kan zorgen voor een revitalisering. Daarvoor is een krachtige civil
                            society van en voor burgers onderling evenzeer nodig. Ten slotte wijst hij op het
                            gevaar van moedeloosheid: er komt zo veel op gewone burgers af (biotechnolo-
                            gie, klonen, terrorisme, watersnoden, oorlogen en onveiligheid) dat ze het alle-
                            maal niet meer weten en zich op het eigen erf terugtrekken.
                            Het geloof in de waarden van de Verlichting en van de westerse cultuur wordt
                            daarmee verzaakt, een verwijt dat Guillebaud vooral richt tot de Europese elite.
                            Hoe men ook over de enigszins sombere beoordeling van Guillebaud denkt, zijn
                            zes centrale waarden komen ineens in een scherp licht te staan als men ze con-
                            trasteert men hun ‘tegenwaarden’, zoals op verrassende wijze door Schnabel
                            werd gedemonstreerd (Schnabel 2004).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 148 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 149 ======================================================================

<pre>                                       pluriformiteit en gemeenschappelijke waarden in de democratische rechtsstaat
Grondwaarden van de westerse cultuur                             Tegenwaarden
Toekomstgeloof                                                   Eerbied voor verleden
Gelijkheid                                                       Hiërarchie
Rede/redelijkheid                                                Traditie
Universaliteit                                                   Particularisme
Persoonlijke vrijheid, individualiteit                           Collectiviteit
Rechtvaardigheid                                                 Privileges
(Guillebaud 1999)                                                (Schnabel 2004)
         Door het gelijktijdige contrast van de zes waarden ziet men de cultuur van een
         premoderne tijd, die zich echter ook heden ten dage ruimschoots aandient,
         hetzij in een neo-burkeaanse afwijzing van de verlichtingswaarden, hetzij in
         bepaalde islamitische geloofsculturen waarin persoonlijke rechten onderge-
         schikt blijven aan collectieve tradities. Maar ook binnen westerse samenlevingen
         kan men spanningen in de alledaagse praktijk tussen verlichtingswaarden als
         universaliteit en rechtvaardigheid enerzijds en de aantrekkingskracht van parti-
         cularisme en privileges anderzijds ruimschoots waarnemen. Een ongeremd
         economisch neoliberalisme en marktdenken ondermijnt het geloof in de waarde                                147
         van gelijkheidwaardigheid en gelijke rechten voor iedereen. Sociale uitsluiting,
         die door moderne opvattingen over arbeid en arbeidsverhoudingen wordt bevor-
         derd, ondermijnt de universaliteit. Manipulatie van de moderne media onder-
         mijnt rede en redelijkheid.
         Een contrastplaatje maakt ineens duidelijk dat de waarden- en normendiscussie
         voldoende aanleiding kan bieden voor een reflectie op de vraag: welke kant wil
         men individueel en collectief op? Welke waarden blijven richtinggevend? Dit is
         op zichzelf een manifestatie van het geloof in een toekomst! Met elkaar vormen
         de zes centrale verlichtingswaarden de garantie voor een open samenleving
         (Popper 1946). In een open samenleving is ruimte voor zelfstandig en onafhan-
         kelijk wetenschappelijk onderzoek en wordt de vrijheid van meningsvorming en
         meningsuiting als een vanzelfsprekendheid beschouwd. Kritiek op machtheb-
         bers en publieke gezagsdragers wordt niet afgewezen of onmogelijk gemaakt. De
         kracht van een open samenleving bestaat vooral in het bevorderen van variatie
         en pluriformiteit, waardoor een constante vernieuwing van het denken en van
         maatschappelijke verhoudingen mogelijk wordt. De relatief autonome maat-
         schappelijke sectoren (van de vrije markt en het bedrijfsleven, de vrije weten-
         schap, de media, het openbaar bestuur en wetgeving, van de niet-gouvernemen-
         tele organisaties (ngo’s), van kunst en cultuur) houden elkaar in evenwicht en
         zorgen ervoor dat macht niet kan stollen in de handen van enkelingen of van
         kleine elites die niet meer worden gecontroleerd of verantwoording dienen af te
         leggen. In een open samenleving leert men van elkaar en van de eigen fouten.
         Een lerende, open samenleving maakt de weg vrij voor participatie van vele
         burgers en staat in schril contrast tot een gesloten kastenmaatschappij en tot een
         hiërarchisch ingerichte theocratie.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 149 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 150 ======================================================================

<pre>    wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                            Toch zijn ook de hier geformuleerde westerse grondwaarden niet zonder proble-
                            men. Zij zijn, zoals alle waarden, uiterst abstract en onbepaald. De ‘wisselkoers’
                            van hun waarde is in de loop van de laatste twee eeuwen zéér schommelend
                            geweest en ze zijn op zéér uiteenlopende wijzen in wetten en rechten, in institu-
                            ties en organisaties neergeslagen. Bovendien staan ze zelf met elkaar op gespan-
                            nen voet, zoals de eindeloze discussies over de verhouding tussen persoonlijke
                            vrijheid (individualiteit) en gelijkheid bewijzen. Juist vanwege de voortdurende
                            aanwezigheid van dergelijke waardeconflicten is het niet verwonderlijk dat
                            pluralisme en de onvermijdelijkheid van morele waardeconflicten vaak als hét
                            gemeenschappelijke kenmerk van de westerse samenleving wordt genoemd.
                            Waardeconflicten zijn onvermijdelijk vanwege schaarste van te verdelen goede-
                            ren, vanwege de beperkte welwillendheid van de meeste mensen, vanwege de
                            onverenigbaarheid van gelijktijdig nagestreefde waarden en vanwege het onvol-
                            ledige begrip tussen mensen (Gutmann en Thompson 1996: 25). Men kan van
                            deze tekorten, deze nood, een deugd maken. Een democratie, waarin op slimme
                            wijze manieren zijn gevonden om met al deze verschillen redelijk vreedzaam om
                            te gaan, is de minst slechte staatsvorm. Niet het zoeken naar inhoudelijk
                            gedeelde of gemeenschappelijke waarden als zodanig, maar het aanvaarden van
                            blijvende, niet op te lossen verschillen in afwegingen tussen verschillende
148                         waarden, wordt als het uitgangspunt genomen voor de inrichting van de samen-
                            leving. De democratische rechtsstaat biedt ruimte voor pluralisme van waarden
                            en vertegenwoordigt zelf ook belangrijke waarden als vrijheid, gelijkberechtigd-
                            heid en de bescherming van persoonlijke en collectieve rechten. De staat reikt
                            bovendien procedures aan om de onvermijdelijke conflicten over waarden en
                            normen in de samenleving op niet-gewelddadige wijze – en op anderszins niet-
                            destructieve manieren – te behandelen en te beslechten. Pluraliteit als waarde die
                            de realisering van andere verschillend gekozen en geïnterpreteerde waarden
                            mogelijk maakt.
                            De pretenties van deze oplossing, met name het procedurele karakter ervan, zijn
                            de inzet geworden van een stevige discussie tussen liberale filosofen en voor-
                            standers van een communitaristische benadering van de samenleving. Omdat
                            het waarden- en normendebat zeer sterk onder invloed staat van deze theoreti-
                            sche uiteenzettingen over de waarde en de waarden van een procedurele demo-
                            cratie, wordt dit debat als onderdeel van dit rapport hier kort samengevat en van
                            een voorlopige conclusie voorzien.
                5.3         liber aal denken en gemeenschapsdenken
                            Het debat over waarden en normen heeft een politiek-filosofische achtergrond.
                            Al meer dan twintig jaar is er in de voornamelijk Angelsaksische politieke filoso-
                            fie een discussie gaande tussen aan de ene kant voorstanders van een liberale
                            inrichting van staat en samenleving en aan de andere kant critici van deze liberale
                            aanpak, die onder de brede noemer van het communitarisme een benadering
                            voorstaan waar de waarden van traditionele gemeenschappen worden gewaar-
                            deerd en weer centraal worden gesteld bij vragen over de inrichting van een
</pre>

====================================================================== Einde pagina 150 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 151 ======================================================================

<pre>                           pluriformiteit en gemeenschappelijke waarden in de democratische rechtsstaat
goede samenleving. Deze discussies hebben ook in Nederland weerklank gevon-
den. Zo besteedde het Schoordijk Instituut in Tilburg reeds in 1993 in seminars
en congressen zeer ruime aandacht aan de denkbeelden van de diverse protago-
nisten. In het verslag van deze Tilburgse activiteiten onder de titel Gedeelde
normen? wordt reeds ingespeeld op het “verband met het pleidooi in de Neder-
landse politiek voor een herwaardering van waarden en normen (cda) en met de
oproep tot burgerzin (pvda)” (Van Klink, Van Seters en Witteveen 1993: 9). De
uitdrukking ‘waarden en normen’ lijkt rechtstreeks ontleend te zijn aan de
shared values die veelvuldig bij communitaristische auteurs voorkomen. Bij de
korte uiteenzetting van deze relevante politiek-filosofische discussie past echter
een waarschuwing vooraf. De term ‘liberaal denken’ heeft in de Angelsaksische
wereld een andere betekenis dan in de Nederlandse politiek. Het slaat vooral op
personen die de waarden van de Verlichting, met name de instelling van
persoonlijke rechten en andere op gelijkheid gerichte waarden zoals rechtsgelijk-
heid, onpartijdigheid en onbevooroordeeldheid, toegepast willen zien in de poli-
tieke orde en in de staatsinrichting. Deze voorkeur kan samengaan met zowel
een behoudende politieke opstelling ten aanzien van staatsinvloed als met een
meer progressieve opvatting over staatsinmenging. Liberal staat zowel voor libe-
raal in een klassieke betekenis als voor liberaal-progressief. Als zodanig onder-
scheiden de liberale politieke denkers zich ook van de ultraliberale voorstanders                       149
van een ongeremde vrijemarkteconomie die elke vorm van staatsinvloed op het
economische en sociale leven afwijzen. Zij zien de staat uitsluitend als hindernis
of hooguit als instrument voor het eigenbelang en voor een op hedonistische
consumptie gerichte levensstijl. Dit ultraliberalisme staat ver af van politiek filo-
sofen als Rawls, Nozick, Gutman en anderen, die gewoonlijk als liberals te boek
staan.
De liberals staan uitdrukkelijk tegenover een conservatieve houding in staats-
aangelegenheden die bijvoorbeeld in het neo-burkeaanse denken naar voren
komt en die aan de staat een uitdrukkelijke opdracht geeft in morele kwesties
(family values, abortus, patriottisme) krachtig orde op zaken te stellen. Ook de
communitaristen onderscheiden zich van deze conservatieve benadering van het
‘waarden’-vraagstuk (Etzioni 1996). Het communitarisme zoekt als het ware een
middenweg tussen het liberalisme en het conservatisme.
De kritiek van de communitaristen, zoals de spraakmakende filosofen MacIn-
tyre, Sandel, Walzer, Taylor, de politicoloog Barber en de bekende sociologen
Etzioni en Selznick, is vooral gericht op het verschraalde mensbeeld dat uit de
liberale oplossing van de problemen van het menselijk samenleven naar voren
komt. Hun kritische pijlen werden met name gericht op het werk van auteurs als
Rawls (A Theory of Justice), Dworkin, Gautier, Ackerman en Gutmann, die alle-
maal in een of andere versie een neutrale houding van de staat bepleiten ten
aanzien van de vele morele waarderingen die burgers aan de dag kunnen leggen.
Juist door die terughoudendheid en neutraliteit wordt de mogelijkheid van
eenieder om zelf inhoud en vorm te geven aan het goede leven het grootst.
Persoonlijke rechten, bijvoorbeeld het belijden van een eigen godsdienst, zijn in
</pre>

====================================================================== Einde pagina 151 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 152 ======================================================================

<pre>    wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                            grondwet en andere wetten verankerd en dienen ervoor om een zone van indivi-
                            duele vrijheid af te schermen tegen publieke inmenging. Zo ontstaat er een mini-
                            male consensus over hoe de staat zich, vooral via neutrale procedures, ten
                            opzichte van deze precaire zones dient op te stellen.
                            Die minimale consensus als basis voor gemeenschappelijke waarden wordt door
                            de communitaristen niet voldoende geacht. Sterker zelfs, juist vanwege de
                            neutrale en minimalistische opstelling verschralen de waarden in de samenle-
                            ving en krijgen ze te weinig aandacht en bescherming. Waarden en zingeving
                            worden niet in het vrije individu gevonden, maar ontstaan in tradities, in
                            levende gemeenschappen zoals in het gezin, in geloofs- en kerkgemeenschap-
                            pen, op scholen, in buurtgemeenschappen en in andere, grotere eenheden. Een
                            gemeenschap is er eerder dan het individu en een persoonlijke identiteit, zo
                            noodzakelijk in de moderne hedendaagse wereld, bloeit pas op te midden van
                            een groep of gemeenschap. Taylor (1989) noemt ze dan ook treffend sources of the
                            self. De gemeenschappen zijn bronnen van waarden en zo ook van persoonlijke
                            identiteiten. In het communitarisme wordt het individualisme, dat ten grondslag
                            ligt aan de moderne staat, negatief beoordeeld, althans er wordt herhaaldelijk
                            gewezen op de vele negatieve bijverschijnselen die de nadruk op individuele
150                         rechten heeft opgeleverd. Zo is er meer aandacht gekomen voor rechten dan voor
                            plichten (bijvoorbeeld aan de gemeenschap), het mensbeeld is verschraald en
                            versmald tot contracterende en calculerende individuen. Neutrale procedures
                            hebben geleid tot een ‘waarden-loze’ samenleving. Eerherstel voor tradities, voor
                            oude en nieuwe gemeenschappen met hun eigen waarden en voor deugden
                            zouden het antwoord moeten zijn op een steeds verder fragmenterende en
                            atomiserende moderne samenleving waarin de cohesie is gaan ontbreken. Deze
                            opstelling betekent geenszins een heimwee naar vroeger, omdat concrete
                            beleidsvoornemens die van de communitaristische agenda kunnen worden afge-
                            leid ook op moderne problemen betrekking hebben. Etzioni bepleit uitdrukkelijk
                            bijzondere aandacht voor de plaats van het gezin en de familie in de samenleving,
                            voor de positie van sociaal zwakkeren en voor duurzaamheid van het milieu als
                            uitdrukking van een traditionele verbondenheid tussen generaties (Etzioni 1993,
                            1996). De banden die mensen aan elkaar verbinden mogen niet worden doorge-
                            knipt, omdat anders een samenleving uit elkaar valt. ‘Bindende waarden’ is
                            derhalve waar het vooral om gaat.
                            Om te beoordelen in hoeverre deze communitaristische kritiek op het overheer-
                            sende liberale denken helemaal terecht is, moet men allereerst bedenken dat de
                            twee tegengestelde stromingen niet als twee massieve blokken tegenover elkaar
                            gesteld kunnen worden. Er zijn liberal-liberals en communitarian-liberals, zoals
                            er ook liberal-communitarians zijn. Er bestaan vele nuances binnen elk kamp.
                            Sommige auteurs willen zelfs helemaal niet bij een van de kampen worden inge-
                            deeld, zoals MacIntyre die met zijn deugdenleer juist een aanzet heeft gegeven
                            tot de communitaristische kritiek. In alle eerlijkheid mag men ook de liberale
                            opvattingen niet een traditie of waardering voor de traditie ontzeggen, omdat ze
                            hun ideeën over tolerantie, godsdienstvrijheid, gelijkheid en vrijheid uiteraard
</pre>

====================================================================== Einde pagina 152 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 153 ======================================================================

<pre>                            pluriformiteit en gemeenschappelijke waarden in de democratische rechtsstaat
ontlenen aan een lange geschiedenis en hierin voortbouwen op het gedachtegoed
van onder anderen Locke, Kant, Smith en Mill. Het pleidooi voor de scheiding
van kerk en staat is in deze traditie dan ook niet voortgekomen uit een minach-
ting voor godsdienst of godsdienstigheid, maar uit het historische gegeven dat
godsdienst door sommige van zijn aanhangers zó belangrijk wordt gevonden dat
hij kan leiden tot bittere godsdienstoorlogen en andere destructieve daden. Het
liberale denken ontkent ook geenszins het belang van groepen en levende
gemeenschappen voor het reilen en zeilen van een samenleving. Maar er kan en
moet onderscheid gemaakt worden tussen de oorzakelijke totstandkoming van
waarden, identiteiten en individualiteit (daarvoor is een gemeenschap inderdaad
onontbeerlijk) en de politieke toekenning van waarden en rechten aan een indi-
vidu. Het individu is weliswaar geen source of value, maar daarom nog wel een
locus of value. Dit laatste wordt weer door geen enkele communitarist ontkend,
zodat de verschillen tussen de twee politiek-filosofische stromingen eerder van
theoretische dan van praktische aard blijken te zijn.
Rawls heeft trouwens zijn theorie van een rechtvaardige – en voor eenieder
aanvaardbare – inrichting van staat en samenleving naar aanleiding van de
communitaristische kritieken enigszins bijgesteld. In plaats van het zoeken naar
een minimale consensus, pleitte hij in zijn nieuwe studie Political Liberalism                           151
(1993) voor een overlapping consensus, die daarnaast ook niet meer strikt
waardenneutraal hoefde te zijn. Van een overlappende consensus is sprake
indien partijen het eens worden over een bepaald resultaat, zonder dat ze het
eens hoeven te zijn of te worden over de vele redenen waarom men tot dat resul-
taat gekomen is. Zoals een wetgevend lichaam, een rechterlijk college of een
benoemingscommissie het uiteindelijk eens kan worden over een bepaald wets-
ontwerp, over een rechterlijk oordeel of over een voorgestelde kandidaat, terwijl
de beweegredenen om met dit resultaat in te stemmen zeer uiteen kunnen
lopen, zo kan men bij de inrichting van staat en samenleving als geheel vooral
letten op datgene waar men het uiteindelijk over eens is, zonder vervolgens te
letten op de vele mogelijke metafysische, godsdienstige of andere verschillen van
mening en inzicht. Rawls gaat hierbij uit van het realistische inzicht dat het toch
nooit zal lukken dat gelovigen van het ene geloof, gelovigen van een ander geloof
of overtuigde ongelovigen zullen overtuigen (persuasion). Het omgekeerde valt
ook niet te verwachten. Kritiek van ongelovigen op gelovigen heeft meestal
weinig gevolg. In die situatie is het beter om niet te streven naar uiteindelijke,
gemeenschappelijke waarden, maar om het eens te worden over een aantal
beginselen, zonder het eens te hoeven worden over de redenen van de overeen-
stemming (Rawls 1993: 15): “We should not expect citizens to agree on funda-
mentals as a condition for their acceptance of particular political arrangements”,
waarbij hij met deze arrangementen de rechtsstaat en de democratische staats-
vorm bedoelt (1993: 9-11 en 133-172). De voor ieder verschillende redenen zijn
met waarden beladen, zodat de politieke inrichting niet meer als volledig
neutraal kan worden voorgesteld ten opzichte van die waarden. Waarden zijn
vrij en verschillend, de staatsinrichting is dat niet meer.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 153 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 154 ======================================================================

<pre>    wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                            Ten aanzien van de kritiek van de communitaristen dat een liberale staatsinrich-
                            ting louter procedurele oplossingen biedt en dat dit de samenleving qua waarde-
                            beleving en gemeenschapszin verarmt, is een krachtiger weerwoord gekomen
                            van enkele commentatoren. Zo is het begrip gemeenschap bij de communita-
                            risten wel erg vaag gehouden, zoals ook ruiterlijk wordt toegegeven in een van
                            de recente samenvattingen van dit programma, namelijk in Selznicks The
                            Communitarian Persuasion: “for many thoughtful people community is a very
                            troublesome idea – frustratingly vague, elusive, even dangerous” (Selznick 2002:
                            16). Bij Etzioni is de samenleving opgebouwd als een stelsel Chinese doosjes: het
                            individu is ingebed in de gemeenschap van gezin en familie, die weer is ingebed
                            in school en buurt, die weer zijn ingebed in godsdienstige gemeenschappen of
                            beroepsgemeenschappen of in een herkenbare gemeenschap van streek en natie,
                            totdat er uiteindelijk een community of communities ontstaat (Etzioni 1996).
                            Maar al deze gemeenschappen worden volgens enkele critici (Sennett 1997;
                            Shapiro 2003) veel te rooskleurig voorgesteld, alsof er nooit sprake is van conflic-
                            ten binnen en tussen gemeenschappen. Verwijzingen naar het verleden en naar
                            een levende traditie, bijvoorbeeld die van het natuurrecht, doen geen recht aan
                            de historische werkelijkheid. Zo wijst Shapiro erop dat godsdiensten niet uitslui-
                            tend gemeenschapszin hebben voortgebracht, maar in de loop der geschiedenis
152                         juist vele malen zijn verscheurd vanwege de vele meningsverschillen over de
                            juiste uitleg en interpretatie van heilige boeken of teksten. Ook de geschiedenis
                            van het natuurrecht kent meer perioden van onenigheid dan van overeenstem-
                            ming (Shapiro 2003: 176). Vaak worden binnen die gemeenschappen conflicten
                            van velerlei soort ofwel verdrongen en verzwegen ofwel hiërarchisch onder-
                            drukt. Zo heeft de katholieke kerk een lange traditie van autoritaire conflictop-
                            lossing en werden uiterst immorele gedragingen van priesters in de Amerikaanse
                            kerkprovincie jarenlang van hogerhand verborgen gehouden. Ook in gezinnen
                            ontbreekt het vaak aan een goede manier om conflicten tussen ouders en kinde-
                            ren op een niet louter op macht gebaseerde wijze aan de orde te stellen en op te
                            lossen. Shapiro concludeert droogjes dat: “In short, appealing to affective
                            communities such as churches or families as a means of wishing away disagree-
                            ment and conflict of interest seems a less than promising strategy for developing
                            models of legitimate political arrangements” (ibidem). Waar een exit-optie
                            ontbreekt of zeer moeilijk is, zoals in gezinnen en in enkele etnische gemeen-
                            schappen, zou participatie in plaats van hiërarchische onderdrukking, bespreek-
                            baar maken (voice) in plaats van stilzwijgen, juist bevorderd moeten worden (zie
                            ook hoofdstuk 6). Procedures voor conflictbescherming kunnen ook in bloei-
                            ende en levende gemeenschappen niet gemist worden, zodat de voorkeur van
                            liberale denkers zoals Rawls voor goed geregelde procedures voor conflictbe-
                            slechting binnen en tussen groepen en voor de gehele samenleving niet tot een
                            verwijt van bleekheid, maar tot navolging zou moeten leiden. Sennett (1997)
                            vraagt zich in een recensie van Etzioni’s hoofdwerk af waar in de communita-
                            ristische visie conflicten tussen bijvoorbeeld vakbonden en werkgeversorganisa-
                            ties, tussen de ene en de andere buurtgemeenschap, tussen belangenorganisaties
                            onderling, tussen leiders en geleiden en dergelijke een plaats krijgen. Als men tot
                            overeenstemming komt en zich aan de uitkomst gebonden acht, waarom zou dat
</pre>

====================================================================== Einde pagina 154 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 155 ======================================================================

<pre>                           pluriformiteit en gemeenschappelijke waarden in de democratische rechtsstaat
dan minder waard zijn dan shared values die rechtstreeks uit een authentieke
gemeenschap voortkomen? Aan conflicten kan men de eigen visie, de eigen
waardevoorkeuren en de eigen positie scherpen. Verschillen van inzicht worden
des te beter waarneembaar als men tot een vergelijk of compromis komt: “The
scene of conflict becomes a community in the sense that people learn how to
relate to one another, even as they understand better and feel keenly their diffe-
rences” (Sennett 1997: 3). Afspraken en contracten, belangenverschillen en
compromissen, afwijkende meningen en het vinden van een modus vivendi –
conflicten en hun beslechtingen zijn niet minder een noodzakelijk onderdeel van
de moderne samenleving dan gemeenschappelijke waarden die mensen met
elkaar verbinden.
Overigens wordt het belang van een kritische houding jegens oude en gesloten
gemeenschappen niet ontkend door de twee meest vooraanstaande communita-
ristische sociologen, Selznick en Etzioni (Selznick 1992, 2002; Etzioni 1996,
2001). In zijn studies over het belang van een morele orde voor de samenleving
wijst Etzioni herhaaldelijk op de erkenning van persoonlijke rechten, die ook
kunnen worden doorgetrokken naar de sfeer van grote particuliere organisaties
en andere sociale verbanden. Selznick had al veel eerder gewezen op de noodzaak
van participatie in de besluitvorming van grote organisaties en bureaucratieën.                         153
Maar anders dan liberale denkers zijn zij van mening dat dergelijke rechten
moeten zijn ingebed in een sociale orde, die zelf doortrokken is van morele
waarden. Deze liggen ten grondslag aan elke vorm van samenleven. Selznick
gebruikt hiervoor de enigszins vage, maar inspirerende beeldspraak infused with
values. Waarden druppelen, als door een infuus, langzaam door naar organisa-
ties en andere vormen van samenleven, en ze beïnvloeden zo de samenleving als
geheel, die daar alleen maar sterker en frisser van wordt. De sociale orde wordt
aldus een morele orde, een klassiek sociologisch inzicht dat reeds eerder door
Durkheim werd geformuleerd. Die morele orde heeft het primaat. Etzioni gaat
in zijn recentste studie The Monochrome Society (2001) zelfs zover dat hij aan de
staat en de overheid dan ook geen rol wil toekennen in het bevorderen of het
terugroepen van deze morele orde. De revitalisering van ‘waarden en normen’
dient uit de samenleving en uit de zelfstandige sociale en morele verbanden zelf
voort te komen (Etzioni 2001; zie ook Reinders 2003).
Uit het voorgaande valt te concluderen dat de nadruk op gemeenschap en het
wijzen op het belang van levendige tradities waarin verschillende waarden in
stand worden gehouden, zoals dit in het gemeenschapsdenken wordt bevorderd,
op geen enkele manier de noodzaak van een democratische rechtsstatelijke
inrichting van staat en samenleving uitsluit. Er is geen enkele gemeenschapsden-
ker die de persoonlijke rechten van het individu, zoals neergelegd in grondwet
en grondrechten, ondergeschikt zou willen maken aan het behoren tot een
gemeenschap. Grondrechten maken bloeiende gemeenschappen juist mogelijk.
Het zelfstandige belang van dergelijke gemeenschappen en van het ontwikkelen,
onderhouden en doorgeven van morele waarden, zoals door communitaristen
benadrukt, worden daarentegen ook geenszins ontkend door liberale denkers.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 155 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 156 ======================================================================

<pre>    wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                            Het belang van de erkenning van de rechten van het individu moet naar hun
                            mening echter stelselmatig onderscheiden worden van het sociologisch proces
                            van individualisering, waarvan de keerzijden kunnen worden onderkend en
                            benoemd. Maar diezelfde persoonlijke rechten zouden ook de donkere zijden
                            van het behoren tot een gemeenschap kunnen verlichten en verminderen. Zodat
                            uiteindelijk, by the end of the day, de hoog opgegeven verschillen tussen het libe-
                            rale denken en het gemeenschapsdenken niet tot radicaal tegenover elkaar
                            staande standpunten hoeven te leiden. Beide stromingen hechten zeer grote
                            waarde aan de democratische rechtsstaat als onbetwistbare grondslag voor de
                            inrichting van het goede leven, hoezeer de opvattingen over dit goede leven en
                            over de waarden die daarin het meest geëerbiedigd dienen te worden, ook uiteen
                            blijven lopen. De democratische rechtsstaat biedt aldus het gemeenschappelijke
                            uitgangspunt voor een veelheid van uiteenlopende waarden. De rechtsstaat biedt
                            ruimte voor pluralisme, vertegenwoordigt zelf ook belangrijke waarden, zoals
                            neergelegd in grondrechten en andere wetten, en biedt ruime mogelijkheden tot
                            het bijleggen, al is het voorlopig, van talrijke, onvermijdelijke conflicten over
                            waarden en normen en over de concrete interpretaties en realisaties van deze
                            waarden en normen.
154
                5.4         de waarde en de dynamiek van de democr atische
                            rechtsstaat
                            Tot zover is de democratische rechtsstaat geschetst als een kader bij uitstek voor
                            pluriformiteit van waarden. In inhoudelijk opzicht zijn het vooral de klassieke
                            grondrechten die een sfeer van vrijheid tegenover in de eerste plaats de staat
                            beogen te garanderen; ook een democratisch optredende meerderheid moet deze
                            in beginsel ontzien. Van meer procedurele aard zijn het principes als de gelijk-
                            heid van alle burgers voor de wet en de aanwezigheid van een onafhankelijke
                            rechter. Het eerbiedigen van deze waarden van de democratische rechtsstaat is
                            een essentiële voorwaarde voor pluriformiteit van waarden in het algemeen. Er
                            is in zoverre sprake van een verplichtende consensus.
                            De rechtsstaat is een concept dat is ontstaan met het oog op de verhouding staat-
                            burgers: machtenscheiding, het legaliteitsbeginsel, onafhankelijke rechtspraak
                            en klassieke vrijheidsrechten beoogden te beschermen tegen staatswillekeur en
                            zo de achterliggende waarden van individuele vrijheid, voorspelbaarheid en
                            gelijkheid te beschermen. Zo bezien gaat het primair om een neutraal kader dat
                            ruimte laat voor pluriformiteit. De feitelijke pluriformiteit van waarden, het
                            bestaan van een verscheidenheid aan fundamentele opvattingen tussen indivi-
                            duen en tussen groepen, is hiermee bijna een vanzelfsprekendheid. Een verdien-
                            ste van de democratische rechtsstaat is nu dat hij niet alleen ruimte laat voor deze
                            verschillen, maar ook duidelijke aanknopingspunten biedt om de botsing van
                            opvattingen binnen redelijke perken te houden: de democratische rechtsstaat als
                            bindmiddel in een pluriforme samenleving. Kort gezegd: de staat ontziet ieders
                            vrijheden; noodzakelijke beperkingen gelden voor ieder gelijk; beperkend optre-
                            den van individuen of groepen tegen fundamentele waarden van medeburgers
</pre>

====================================================================== Einde pagina 156 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 157 ======================================================================

<pre>                            pluriformiteit en gemeenschappelijke waarden in de democratische rechtsstaat
zal vrijwel altijd op staatsingrijpen (met name strafrecht) kunnen rekenen; groe-
pen hebben de mogelijkheid om hun fundamentele waarden in politieke
programma’s te vertalen en te trachten deze te realiseren, maar ook als hun
standpunt een meerderheid verworven heeft, geldt dat de vrijheidsrechten van
anderen moeten worden ontzien. De werking van democratische en rechtsstate-
lijke principes moet immers een grens vinden waar zij tot hun eigen ondergang
zouden leiden.
De waarde of de betekenis van de democratische rechtsstaat gaat intussen veel
verder. In de eerste plaats gaat het toch om een aantal inhoudelijke waarden, zoals
de gelijkwaardigheid van de burgers, de vrijheid om hun eigen levensovertuiging
te volgen, de mogelijkheid om zich te ontplooien zonder dat een willekeurig
optredende overheid, andere burgers of materieel gebrek daarbij onnodig in de
weg staan. Dat inhoudelijke waarden als vrijheid, gelijkheid en solidariteit geen
scherp omlijnde begrippen zijn, maar zich voor allerlei interpretaties lenen is
bekend, en dat bij hun vaak botsende concretisering allerlei afwegingen onver-
mijdelijk zijn is dat evenzeer. Waar het hier om gaat is dat zij als voorwaarden
voor een samenleving waarin menselijke waardigheid voorop moet staan steeds
een centrale plaats innemen.
                                                                                                         155
Het tweede essentiële element is dat ieders invloed op de overheidsbesluitvor-
ming verzekerd is. De bescherming van de inhoudelijke waarden en hun onder-
linge afweging door de wetgever en door het bestuur kunnen langs de democra-
tische kanalen beïnvloed worden. Dat een reële mogelijkheid tot participatie niet
alleen per definitie een essentiële pijler is van het systeem van de democratische
rechtsstaat spreekt welhaast vanzelf. Tegelijk houdt dit democratische aspect de
mogelijkheid van verandering en aldus een essentiële openheid in. Het is die
veranderbaarheid die ook is waar te nemen in de concretisering van basiswaar-
den als vrijheid en gelijkheid: terwijl de gehuwde vrouw in de democratische
rechtsstaat Nederland tot 1956 nog als (civielrechtelijk) handelingsonbekwaam
werd aangemerkt, kan nu discriminatie wegens (onder meer) iemands geslacht
een inbreuk op het gelijkheidsbeginsel en zelfs een strafbaar feit opleveren.
Bescherming en garanties zijn de trefwoorden waarmee het derde element van de
rechtsstaat kan worden aangeduid. De inhoudelijke waarden kunnen nog zozeer
leidraad zijn bij democratisch gelegitimeerd en gecontroleerd optreden, in een
aantal opzichten zijn extra voorzieningen gewenst; bepaalde inhoudelijke
waarden zijn te belangrijk om met stilzwijgende instemming van een democrati-
sche meerderheid te kunnen worden aangetast. Grondrechten, die in veel geval-
len slechts door de wetgever kunnen worden beperkt (en soms ook door deze
niet), vormen het meest sprekende voorbeeld; de mogelijkheid om geschillen aan
de onafhankelijke rechter voor te leggen kan als een tweede garantie worden
aangemerkt. Dat de grondrechten te beschouwen zijn als uitwerkingen van de
inhoudelijke waarden van vrijheid, gelijkheid en solidariteit is duidelijk, zoals zij
ook het aspect van de democratische participatie beschermen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 157 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 158 ======================================================================

<pre>    wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                            Ten slotte biedt de onafhankelijke rechter in de rechtsstaat een geregelde manier
                            om geschillen zo al niet bij te leggen dan toch in elk geval op vreedzame wijze te
                            beslechten. Samen met de parlementaire besluitvorming staat de rechterlijke
                            beslissingsbevoegdheid model voor een niet gewelddadige, niet fanatieke manier
                            om met onvermijdelijke conflicten om te gaan.
                            De democratische rechtsstaat is zo bezien dus veel meer dan het neutrale kader
                            dat ruimte laat voor pluriformiteit waarvan eerder gesproken werd. Hij drukt wel
                            degelijk zelf ook waarden uit, die weliswaar pas praktische betekenis krijgen als
                            zij worden toegepast en uitgewerkt, maar die tegelijk richtinggevend zijn. De
                            verschillende, meer procedurele en meer inhoudelijke elementen van de demo-
                            cratische rechtsstaat zijn in onze visie niet te scheiden: de keuze voor de ene kant
                            impliceert als vanzelf die voor de andere. En daar is ook weinig mis mee, nu de
                            democratische rechtsstaat in zijn ideale vorm ruimte biedt voor pluriformiteit,
                            openheid, flexibiliteit en dynamiek binnen een geregeld kader dat ieder ruimte
                            biedt om tot zijn/haar recht te komen.
                            Pluriformiteit en dynamiek en zeker vrijheid en dynamiek zijn aldus onlosmake-
                            lijk met elkaar verbonden. Bij de verschillende waardesystemen en plurifor-
156                         miteiten die wij intussen hebben onderscheiden hoort derhalve ook een dyna-
                            miek op vele fronten. Ook de regels en beginselen van de rechtsstaat zelf zijn niet
                            voor eens en altijd gegeven. Door de open interpretaties van deze regels, begrip-
                            pen en beginselen ontstaat er een ingewikkeld netwerk van zich ontwikkelende
                            normen. Belangrijke elementen die de vorm van de rechtsstaat bepalen, zoals de
                            verhoudingen binnen de trias politica, de inhoud van het legaliteitsbeginsel en
                            de positie van de rechter, zijn wezenlijk anders dan een eeuw geleden, en onder-
                            gaan ook nu voortdurend invloed van veranderende omstandigheden. Voor de
                            rol van achterliggende principes als vrijheid en gelijkheid geldt hetzelfde.
                            Wellicht het sterkst zijn de veranderingen geweest bij de grondrechten. In aantal,
                            type en betekenis zijn zij sterk gegroeid, een ontwikkeling die tot een grotere
                            ruimte voor pluriformiteit zou moeten leiden en die, zolang die verscheidenheid
                            zich binnen de kaders van de rechtsstaat blijft bewegen, zeker niet negatief
                            beoordeeld moet worden. In combinatie met de door immigratie, individualise-
                            ring en andere oorzaken sterk gegroeide feitelijke verscheidenheid aan waarden
                            bij de Nederlandse bevolking, blijkt de onderlinge verhouding tussen verschil-
                            lende grondrechten echter steeds vaker vragen op te roepen. De ook in de advies-
                            aanvraag aangekondigde kabinetsnota over grondrechten in een pluriforme
                            samenleving zal, naar de raad heeft begrepen, ook de vereiste feitelijke informa-
                            tie bevatten, reden waarom de volgende paragraaf zich vooral tot een afweging
                            kan beperken.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 158 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 159 ======================================================================

<pre>                               pluriformiteit en gemeenschappelijke waarden in de democratische rechtsstaat
5.5 botsende waarden, botsende grondrechten
    Grondrechten en hun beperkingen 1
    Door de klassieke grondrechten worden bepaalde vrijheden, zo men wil
    bepaalde aspecten van vrijheid, zoals die van godsdienst of van meningsuiting,
    beschermd tegen staatsingrijpen. Pluriformiteit van opvattingen en van hande-
    len is strikt genomen niet de doelstelling van de grondrechten, maar zij is wel als
    vanzelfsprekend vooraf aanwezig en even vanzelfsprekend is zij ook een
    uitvloeisel van de grondrechtelijke vrijheden.
    De bescherming tegen staatsingrijpen is niet onbeperkt: gebruikelijk is dat in één
    adem vermeld wordt in hoeverre en hoe beperking kan worden aangebracht. De
    methode die daarbij wordt voorgeschreven, bijvoorbeeld bij de wet (zie de
    grondwet), of de beperkte redenen waarom tot inperking mag worden overge-
    gaan (zie het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en
    de fundamentele vrijheden, verder evrm) moeten de nodige garanties bieden.
    Intussen kunnen de beperkingen een zeer gevarieerd karakter hebben. In veruit
    de meeste gevallen zijn slechts overwegingen aan de orde die met andere grond-
    rechten niets van doen hebben, zoals overwegingen van rust en orde die de
    oproeping tot gebed of het houden van processies reguleren of bescherming                               157
    tegen belediging of smaadschrift als grenzen – achteraf – aan het gebruik van de
    uitingsvrijheid.
    Een burger of een groep burgers die meent dat een grondrecht te zeer door een
    overheidsmaatregel (wetgeving of bestuur) is beperkt kan, of die beperking nu
    mede is ingegeven door de bescherming van (andere) grondrechten van anderen
    of door volledig andere overwegingen, die maatregel in een lopende procedure
    ter toetsing aan de rechter voorleggen (tenzij het gaat om een formele wet die
    strijdig zou zijn met de grondwet). De rechter zal letten op de kern van het
    grondrecht en op de methode van beperking (bij toetsing aan de grondwet), of
    ook accent leggen op de vraag of de beperking in een democratische samenleving
    nodig is in het belang van de bescherming van een van vele (openbare) belangen
    (evrm). Bij die belangen horen ook (andere) grondrechten, maar men lette op
    (het overigens vooral in relatie tot politieke partijen met extreme opvattingen
    gehanteerde) artikel 17 van het evrm: “Geen der bepalingen van dit Verdrag mag
    worden uitgelegd als zou zij voor een Staat, een groep of een persoon een recht
    inhouden enige activiteit aan de dag te leggen of enige daad te verrichten met als
    doel de rechten of vrijheden die in dit Verdrag zijn vermeld teniet te doen of deze
    verdergaand te beperken dan bij dit Verdrag is voorzien.” Geen misbruik van
    grondrechten dus als argument om andere grondrechten te beperken. In dezelfde
    lijn ligt de algemeen onderschreven opvatting dat de sociale grondrechten geen
    basis vormen voor beperking van de klassieke.
    Botsing van grondrechten (1)
    Als alleen op grond van of zelfs alleen door algemene regels vrijheidsrechten
    beperkt kunnen worden en als ook consequent (via het strafrecht) wordt opge-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 159 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 160 ======================================================================

<pre>    wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                            treden tegen bedreigingen ervan door (groepen) medeburgers, kunnen de grond-
                            rechten hun functie als garanties voor pluriformiteit van waarden in de samenle-
                            ving blijven vervullen.
                            Bij dit soort beperkingen van overheidswege is strikt genomen, en in elk geval
                            direct, van botsing van grondrechten geen sprake; het gaat er slechts om of de
                            beperking aan de daarvoor gestelde formele en materiële eisen voldoet. Van
                            botsing van grondrechten wordt in de literatuur alleen gesproken als in een
                            geschil tussen twee burgers of tussen een burger en een niet-overheidsinstantie
                            beide partijen zich beroepen op een grondrecht, soms zelfs op verschillende
                            aspecten van hetzelfde grondrecht. Als bijvoorbeeld een school zich beroept op
                            de vrijheid van onderwijs om kledingvoorschriften te hanteren en de leerling
                            zich op de vrijheid van godsdienst beroept om zich daaraan niet te hoeven
                            onderwerpen, of, tweede situatie, als zowel het slachtoffer van een verkrachting
                            als de dader zich beroept op het recht op lichamelijke integriteit als zij een aids-
                            test (bij de dader) eisen, respectievelijk weigeren. Indien zich dit soort botsingen
                            van een bepaald type veelvuldig voordoet, dan kan de wetgever richtinggevend
                            optreden door, onder meer, zijn beperkte mogelijkheden tot beperking van een
                            of beide grondrechten te gebruiken. Hij kan dit uiteraard ook, als bepaalde
158                         conflicten verwacht worden, bij voorbaat doen. Botsing van grondrechten in de
                            oorspronkelijke zin doet zich dan niet voor, maar uiteraard is wel sprake van
                            spanning tussen verschillende grondrechtelijk beschermde waarden.
                            Hoe dit ook precies zij, als botsing van grondrechten aan de orde is, is het betrek-
                            kelijk eenvoudige beeld van overheidsterughoudendheid om vrijheden en daar-
                            mee pluriformiteit te waarborgen, ruimschoots verstoord.
                            In de eerste plaats wijst het verschijnsel erop dat grondrechten inmiddels meer
                            zijn dan de formulering van een vrij klein aantal (aspecten van) vrijheden tegen-
                            over de staat (a). In de tweede plaats, en dat is in dit verband van meer belang,
                            roepen meer botsingen meer vragen op tot conflictbeslechting, of dit nu door de
                            rechter of door de wetgever is. Het onvermijdelijke resultaat is beperking, ad hoc
                            of voor een reeks gevallen, van een of meer grondrechten (b). De hier veelgepre-
                            zen ‘pluriformiteit in het rechtsstatelijk kader’ zou dan in de verdrukking
                            kunnen komen. Zowel op de oorzaken (a) als op de gevolgen, de aanpak ervan
                            (b), wordt hier kort ingegaan.
                            De verruimde betekenis van de grondrechten
                            Opvallend is dat juist een aantal ontwikkelingen die elk op zichzelf vooral de
                            bedoeling hebben om de betekenis van de grondrechten te versterken, hoofdoor-
                            zaken zijn van de botsingen en aldus een bedreiging kunnen uitlokken van wat
                            zij juist mede beogen te beschermen. Omdat het hier om vrij algemeen bekende
                            verschijnselen gaat, worden zij nu slechts kort aangeduid.
                            Ten eerste is er de al lang bestaande tendens om het terrein dat bestaande grond-
                            rechten beschermen tegenover staatsingrijpen aan te scherpen (of op te rekken,
</pre>

====================================================================== Einde pagina 160 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 161 ======================================================================

<pre>                            pluriformiteit en gemeenschappelijke waarden in de democratische rechtsstaat
als men deze ontwikkeling minder verwelkomt) en nieuwe klassieke grondrech-
ten te formuleren. De aanscherping heeft vooral plaatsgevonden door precise-
ring en inperking van de beperkingsmogelijkheden in wetgeving en door de
rechter; uiteraard kan dit ook tot een zekere beperking leiden, maar dat is uitzon-
derlijk. De eerbiediging van de lichamelijke integriteit en het recht op familie-
en gezinsleven zijn voorbeelden van nieuwe rechten geformuleerd op nationaal
respectievelijk internationaal niveau. Naast deze voorbeelden die kunnen
worden toegeschreven aan nieuwe inzichten, zijn er verruimingen die vooral
verband houden met technische ontwikkelingen, zoals de uitbreiding van de
vrijheid van meningsuiting in artikel 7 van de grondwet en de garanties voor de
persoonlijke levenssfeer in artikel 10.
De opkomst van internationale grondrechtenverdragen is niet alleen van belang
voorzover zij nieuwe grondrechten geïntroduceerd hebben, maar vooral ook
doordat de betrokken bepalingen in een geval rechtstreekse werking blijken te
hebben en dan door de rechter met voorrang moeten worden toegepast boven
zelfs de nationale formele wet en grondwet. Als dan ook nog een internationale
rechter, zoals het Europese Hof voor de rechten van de mens (ehrm), het laatste
woord mag spreken over de verenigbaarheid van nationale maatregelen met het
verdrag, is duidelijk dat ook hier van een substantiële verruiming gesproken kan                         159
worden.
De invoering van de sociale grondrechten heeft vrijwel alleen in naam voor
uitbreiding van de grondrechten gezorgd. Voor de meeste geldt dat zij geacht
worden de overheid wel tot prestaties te verplichten, maar dat deze toch vooral
het karakter van inspanningsverplichtingen hebben. Slechts bij uitzondering zou
de grondwet de burger aanspraken op de overheid verlenen, maar de omvang
ervan is dan niet omlijnd (zie Prakke, De Reede, Van Wissen 2001: 380, die als
voorbeelden noemen het recht op vrije arbeidskeuze en dat op financiële bijstand
van het derde lid van art. 19, resp. art. 20). Dezelfde auteurs wijzen overigens,
niet als enigen, een strikt onderscheid tussen sociale en klassieke grondrechten
van de hand. Ook als een grondrechtelijke bepaling niet expliciet – zoals bij soci-
ale grondrechten – uitwerking of zelfs optreden voorschrijft, “kan uit een grond-
rechtsnorm een verplichting tot handelen voortvloeien, terwijl men niettemin
van een klassiek grondrecht blijft spreken” (ibid.: 381). Het kiesrecht van artikel 4
heeft zonder verdere uitwerking geen betekenis, maar anderzijds staat bij artikel
7 (vrijheid van meningsuiting) overheidsonthouding voorop. Tegelijk is zelfs bij
deze laatste bepaling een sociale dimensie onderkend, in jurisprudentie en
beleid, onder meer waar de garantie van een pluriforme pers een onderwerp van
overheidszorg zou zijn. Niet onbelangrijk is dat het ehrm de laatste jaren steeds
meer positieve verplichtingen afleidt uit de ‘klassieke’ grondrechten van het
verdrag, als aanvulling op de onthoudingsplichten. Staten blijken dan verplicht
te worden om voorzieningen te treffen die tussen burgers onderling eenzelfde
garantie bieden (bijvoorbeeld door te zorgen dat omwonenden geen gezond-
heidsschade lijden door een particulier bedrijf, of door preventieve maatregelen
te nemen die burgers beschermen tegen aanvallen van particulieren, dit ter
</pre>

====================================================================== Einde pagina 161 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 162 ======================================================================

<pre>    wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                            uitwerking van het recht op gezinsleven, woning enz. van artikel 8 van het
                            evrm, respectievelijk het recht op leven volgens artikel 2).
                            Deze laatste jurisprudentie wordt overigens meestal gerelateerd aan een vierde
                            verruiming, namelijk de toenemende erkenning van horizontale werking van
                            grondrechten, van de gedachte dat de grondrechtelijke waarden ook (moeten)
                            doorwerken in verhoudingen tussen burgers onderling en tussen niet-statelijke
                            instituties en burgers. De bedoelde internationale rechtspraak zou dan vooral
                            compensatie moeten bieden voor het feit dat het ehrm slechts klachten tegen
                            staten behandelt, zodat daar strikt genomen in het geheel geen horizontale
                            werking bestaanbaar is.
                            Afgezien van dit specifieke punt verdient het aspect van horizontale werking
                            aandacht, omdat daardoor botsing van grondrechten in zijn ‘engere’ betekenis
                            het duidelijkst optreedt. De achtergrond van de idee van horizontale werking is
                            dat de waarden die in de grondrechten belichaamd zijn van zo’n fundamentele
                            betekenis zijn dat zij, tot op zekere hoogte, ook buiten de verhouding burger-
                            staat ingeroepen moeten kunnen worden. Men zou ook kunnen zeggen dat de
                            rechtsstaat zijn theoretische bestaansrecht in niet geringe mate ontleent aan de
160                         bescherming van dergelijke waarden in het algemeen. Voor de goede orde: van
                            dit besef wordt ook al lang en op grote schaal blijk gegeven. Uiteraard is al lang
                            bekend dat bijvoorbeeld godsdienstvrijheid pas betekenis heeft als ook wordt
                            opgetreden tegen particulieren die religieuze bijeenkomsten verstoren, en geldt
                            regelgeving ter zake, maar het is het directe beroep op het grondrecht in verge-
                            lijkbare gevallen dat ‘nieuw’ is. Ook de gedachte dat bescherming middels
                            grondrechten ook tegen andere institutionele machten dan de overheid nodig
                            kan zijn leeft al langer: als het gaat om de bescherming van persoonsgegevens of
                            de onaantastbaarheid van het lichaam is het niet relevant of de databeheerder een
                            overheidsinstantie is, respectievelijk of het om een particulier of een gemeente-
                            lijk ziekenhuis gaat.
                            Bij al deze voorbeelden gaat het om optreden van de wetgever. Moeilijker ligt de
                            zaak als de rechter moet beslissen op een direct beroep op een grondrecht door
                            een particulier in een geschil met een andere burger. Zoals Hartkamp (2000: 27)
                            opmerkt zijn de grondrechten niet op dergelijke verhoudingen geschreven,
                            hetgeen in de grondwet met name blijkt uit het feit dat beperkingen (meestal)
                            slechts kunnen worden doorgevoerd bij of krachtens de wet te stellen regels,
                            zodat iemand zich er met succes op zou kunnen beroepen, zelfs tegenover een
                            handelen dat op zichzelf niet onbetamelijk is. Dit zou betekenen dat de hande-
                            lingsvrijheid van burgers buitensporig wordt beperkt, of dat de rechter het
                            grondrecht beperkt zou moeten uitleggen om een aanvaardbaar resultaat te
                            bereiken, een uitleg die het recht ook in zijn verticale werking zou aantasten,
                            aldus Hartkamp. Als beide partijen zich op een grondrecht beroepen zou, waar
                            een rangorde ontbreekt, een impasse ontstaan. Om deze redenen is de aanpak
                            van de ‘indirecte horizontale werking’ ontwikkeld: een mildere vorm van door-
                            werking van grondrechten, namelijk zo “dat zij die rechten – of de erin beli-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 162 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 163 ======================================================================

<pre>                           pluriformiteit en gemeenschappelijke waarden in de democratische rechtsstaat
chaamde waarden – in hun overwegingen betrekken wanneer zij algemene
privaatrechtelijke begrippen toepassen, zoals redelijkheid en billijkheid,
onrechtmatigheid en goede zeden, et cetera. In casusposities waarin aan beide
zijden grondrechten in het spel zijn, worden de onderscheiden partijbelangen
tegen elkaar afgewogen opdat een acceptabele oplossing voor het geschil gevon-
den kan worden” (Hartkamp 2000: 28).
De vijfde en laatste verruiming die hier aan de orde komt, heeft in zekere zin
geleid tot richtsnoeren voor de rechter bij de behandeling van conflicten als
zojuist bedoeld werden. De invoering in artikel 1 van de grondwet van het gelijk-
heidsbeginsel, en vooral van het discriminatieverbod en de uitwerking daarvan
in het strafrecht en in de Algemene wet gelijke behandeling (Awgb), heeft de
praktische betekenis van grondrechtelijke waarden sterk vergroot. Enerzijds zou
men, vrij negatief, kunnen stellen dat het aantal mogelijke botsingen tussen
grondrechten gekwadrateerd wordt. Wat als iemand die strafbare discriminatie
wordt verweten ‘wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid,
ras, geslacht of welke grond dan ook’ zich beroept op zijn eigen vrijheid van
godsdienst of meningsuiting die hem daartoe een vrijbrief zou geven? Ander-
zijds kan men de gevolgen in termen van botsingen van grondrechten – om
andere merites gaat het hier uiteraard niet! – ook positief formuleren. Immers,                         161
de Algemene wet gelijke behandeling (Awgb) geeft voor een aantal veelvoorko-
mende verhoudingen, zoals die tussen school en leerkrachten en leerlingen, en
tussen ondernemers en werknemers, voor allerlei grondrechtelijke botsingen
vrij duidelijke handvatten voor beoordeling die meer toegespitst zijn dan eerder
aangeduide privaatrechtelijke begrippen (naast uiteraard handvatten om onge-
lijke behandeling om andere redenen te beoordelen).
Botsing van grondrechten (2)
Er zijn uiteraard ook meer voor de hand liggende factoren die tot frequentere
botsing tussen grondrechten leiden. De toenemende diversiteit in waardestelsels
bij de bevolking, in het bijzonder de snelle groei van het aantal aanhangers van
godsdiensten met pertinente opvattingen en dito gedragsregels die in allerlei
maatschappelijke situaties gevolgd moeten worden, is één prominente factor, die
al is aangestipt. Een andere is de toegenomen neiging zich minder door gezag
alleen en meer door argumenten te laten overtuigen, in samenhang met de
tendens om zo enigszins mogelijk gelijk te willen krijgen tegenover de overheid
en tegenover medeburgers. Beide ontwikkelingen zijn in vrij recente wrr-
rapporten (Nederland als immigratiesamenleving, De toekomst van de nationale
rechtsstaat) uitgebreid aan de orde geweest.
Voorstellen voor de behandeling van botsingen
Botsing van grondrechten levert uiteraard in de eerste plaats een juridisch
probleem op, een vraagstuk dat als het zich voordoet moet worden opgelost. Te
veel onbevredigend opgeloste botsingen kunnen hierbij een bedreiging opleve-
ren voor de rol van de grondrechten in verband met pluriformiteit van waarden.
In aansluiting op al geleverde suggesties worden hier iets uitvoeriger de verschil-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 163 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 164 ======================================================================

<pre>    wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                            lende mogelijkheden voor een aanpak verkend. Uiteraard gaat het dan weer om
                            botsingen in ruime zin, dat wil zeggen niet alleen concrete conflicten die reeds
                            bij de rechter zijn beland.
                            De eerste figuur waaraan gedacht moet worden is uiteraard de grondwetgever
                            zelf. De eenvoudigste manier is afschaffing van bepaalde grondrechten (zoals
                            Fortuyn – de Volkskrant, februari 2002 – voorstelde ten aanzien van het gelijk-
                            heidsbeginsel, dat hij toen overigens net als de vrijheid van meningsuiting en de
                            godsdienstvrijheid volledig in horizontale relaties, tussen burgers dus, leek te
                            bezien).
                            Een andere methode is het categorisch toekennen van voorrang aan een enkel
                            grondrecht boven andere, zoals Cliteur regelmatig voorstelde voor de vrijheid
                            van meningsuiting tegenover de godsdienstvrijheid. Dergelijke voorkeuren
                            weerspiegelen vrij duidelijk bepaalde opvattingen over politiek en maatschappij.
                            In hoeverre dit ook geldt voor de opvatting van Van der Hoeven die (toen, in
                            1983) een voorrang zag voor een oud, geworteld grondrecht als de godsdienst-
                            vrijheid boven een nieuw zoals het gelijkheidsbeginsel, is minder duidelijk.
                            Persoonlijke opvattingen zouden in elk geval ontbreken bij pogingen om op
162                         grond van objectieve criteria te komen tot een alle grondrechten omvattende
                            hiërarchie. Tal van auteurs hebben zich hiermee beziggehouden, waarbij overi-
                            gens de vraag of die volgorde nu ook expliciet moet worden vastgelegd of dat
                            interpretatie alleen voldoende is, meestal in het midden wordt gelaten. Voor
                            Nederland zijn pogingen ondernomen door Algra en door Van der Hoeven
                            (1983), waarbij de mate waarin beperking mogelijk is wordt vastgesteld op grond
                            van afbakening van het ‘kernrecht’ en het ‘rechtsgoed dat wordt beschermd’. In
                            Duitsland heeft Blaesing de omgekeerde benadering gevolgd door aan de hand
                            van bestaande beperkingsmogelijkheden groepen grondrechten te rangschikken,
                            aangevuld met de idee dat bij botsing van grondrechten uit één groep de mate
                            van betrokkenheid op de menselijke waarde de doorslag moet geven. Burkens
                            (1989: 145 e.v.; zie ook Alkema 1995:53-55) aan wie deze voorbeelden zijn
                            ontleend, beschouwt al deze vormen van conflictoplossing door hiërarchisering
                            als onuitvoerbaar: er zouden twee oriëntatiepunten nodig zijn, de hiërarchie van
                            de grondrechten als zodanig en de hiërarchie van ‘verwezenlijkingsintensiteit’,
                            die na inbreuk resteert. Concreet: “Een minimale inbreuk op een hoog in de
                            hiërarchie figurerend grondrecht zal in voorkomend geval beter aanvaardbaar
                            zijn dan een maximale inbreuk op een laag geklasseerd grondrecht.” Of nog
                            anders: hiërarchie alleen doet onvoldoende recht aan de bijzonderheden van
                            afzonderlijke gevallen.2
                            Dit geldt op het eerste gezicht evenzeer als de gewone wetgever conflicten
                            beslecht, of probeert te voorkomen. De methode die hem ten dienste staat is het
                            aanbrengen van algemeen geldende beperkingen aan grondrechten, een ingreep
                            die hij overigens uit allerlei overwegingen kan doen en waarop al kort is inge-
                            gaan. De Awgb en strafbepalingen inzake vormen van discriminatie, smaad of
                            belediging bijvoorbeeld, kunnen voor groepen gevallen waarbij de artikelen 1 en
</pre>

====================================================================== Einde pagina 164 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 165 ======================================================================

<pre>                           pluriformiteit en gemeenschappelijke waarden in de democratische rechtsstaat
7 betrokken zijn (meer) duidelijkheid verschaffen. Intussen blijven de grond-
rechten zelf beschermd doordat de beperkingsmogelijkheden gelimiteerd zijn.
De Nederlandse grondwet beschermt ze vooral door limitatief aan te geven waar
en hoe (wel of niet ook door lagere wetgevers) beperkingen toegestaan zijn (met
als gevolg dat sommigen het gelijkheidsbeginsel dat geen beperkingsmogelijk-
heid noemt voorop zien staan); grondrechtenverdragen leggen het accent op het
doel van de beperking, met de evrm-formule ‘noodzakelijk in een democrati-
sche samenleving ter bescherming van de veiligheid, gezondheid’, enzovoort als
de bekendste. Hiernaast zijn er diverse theorieën over grenzen waaraan de
wetgever binnen deze kaders gebonden is; de bekendste is vermoedelijk die van
het onaantastbare kernrecht, zoals het censuurverbod bij de vrijheid van
meningsuiting.
De beperkingen en dus de grondrechten zelf zijn derhalve, tot op zekere hoogte,
veranderbaar door de betrokken overheden. Maatschappelijke veranderingen
zullen daarbij een belangrijke motor zijn, of die veranderingen nu bestaan uit de
opkomst van nieuwe minderheden of uit veranderingen in opvattingen, bijvoor-
beeld over de positie van de vrouw. Sommige plannen van de wetgever gaan ver,
in het bijzonder bij privaatrechtelijke wetgeving inzake gelijke behandeling die
zich ook tot handicap, leeftijd, arbeidsduur en type arbeidscontract zou moeten                         163
uitstrekken; het gevaar van ‘inflatie van het discriminatiebegrip’ heeft hier al tot
pleidooien voor enige terughoudendheid geleid (Holtmaat 2003).
Een formule als ‘noodzakelijk in een democratische samenleving’ geeft ook de
rechter invloed op het tempo waarin veranderingen doorwerken. Zo is het Euro-
pese Hof onlangs omgegaan waar het de officiële registratie van het nieuwe
geslacht van transseksuelen betreft, maar werd een opdracht tot invoering van
het homohuwelijk afgewezen, omdat de opvattingen in de meest verdragstaten
uit zouden wijzen dat de tijd voor invoering in het hele ‘evrm-gebied’ nog niet
rijp is. Ook in andere gevallen is de invloed van de rechter onmiskenbaar, met
soms als gevolg dat de duidelijkheid die door de wetgever lijkt te zijn beoogd
afneemt; typische voorbeelden leveren de zaken Van Dijke en El Moumni op
(een directe aanleiding tot de nog in voorbereiding zijnde nota Grondrechten in
een pluriforme samenleving), toen bleek dat godsdienstige achtergronden maak-
ten dat strafbare discriminatie van homoseksuelen niet aanwezig werd geacht.
Formeel gezien is in de praktijk altijd het laatste woord bij de rechter in grond-
rechtelijke zaken. Niet in de zin dat elk verschil van inzicht aan hem wordt voor-
gelegd, maar wel omdat hij steeds ingeschakeld kán worden, en vooral omdat hij
door het brede bereik van rechtstreeks werkende verdragsbepalingen alle natio-
nale wetgeving daaraan kan toetsen, terwijl ook die verdragsbepalingen veel
ruimte voor interpretatie laten. Bij de voornaamste verdragsbepalingen, die van
het evrm, is overigens de internationale rechter degene die het laatste woord
spreekt. Zoals de activiteiten van nationale (grond)wetgever en bestuur getoetst
kunnen worden aan – in dit kader het belangrijkste – de beperkingsmogelijkheden
die het verdrag openlaat, zo kunnen ook de uitspraken van de nationale rechter
</pre>

====================================================================== Einde pagina 165 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 166 ======================================================================

<pre>    wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                            getoetst worden. Als zijn uitspraak leidt tot een beperking van een door het evrm
                            gewaarborgd grondrecht, dan zal die onder meer proportioneel moeten zijn, een
                            beoordeling waarbij hem wel een margin of appreciation wordt gelaten.
                            Overigens zal in de praktijk een eenvoudige afweging tussen twee grondrechten
                            zelden aan de orde zijn. Gewoonlijk zal de ene partij stellen dat op een grond-
                            recht inbreuk is of dreigt te worden gemaakt, waartegenover de andere partij zich
                            met een beroep op ‘zijn’ grondrecht probeert de rechtvaardigen. Zeker in de
                            ‘pluriformiteitszaken’ waar het nu vooral om moet gaan, zal artikel 1 van de
                            grondwet, via het gebod tot gelijke behandeling, de Awgb of strafbepalingen
                            inzake discriminatie, aan één kant een rol spelen. Hiervoor werd de betekenis
                            ervan genoemd als handvat voor de rechter. Het belang van zo’n handvat kan
                            blijken uit het feit dat ten minste vanaf 1983, toen artikel 1 in de grondwet werd
                            ingevoegd, pogingen zijn ondernomen om voor de verschillende rechters richt-
                            snoeren te formuleren bij grondrechtelijke botsingen waarbij het gelijkheidsbe-
                            ginsel betrokken is (bijvoorbeeld Bellekom, Elzinga en Goldschmidt 1983;
                            Waaldijk en Tielman 1984, met reactie van Goldschmidt 1984). Ook na de tot-
                            standkoming van de Awgb in 1994 is de discussie voortgegaan, nu over de
                            uitwerking van de criteria inzake directe en indirecte discriminatie en de uitzon-
164                         deringen. De rechter en de in eerste instantie optredende Commissie Gelijke
                            Behandeling (cgb) hebben nog niet definitief een bepaalde methode gekozen;
                            wel kan een aantal lijnen worden vastgesteld, die mede aan de hand van sugges-
                            ties uit de literatuur zijn ontwikkeld (Mendelts 2002; Gerards 2003, e.v.a.).
                            Zo is de positie van instellingen die zelf door een grondrecht hun bestaan/vrij-
                            heid beschermd weten (onderwijsinstellingen, verenigingen) betrekkelijk groot
                            als het gaat om de eigen identiteit (nog afgezien van hun garanties uit de Awgb);
                            het gelijkheidsbeginsel is in zoverre door hun oprichting en bescherming zelf al
                            grotendeels uitgewerkt. Discriminerende meningsuitingen blijken minder
                            bescherming te krijgen (Centrumdemocraten), dan discriminerende uitingen
                            met een religieuze achtergrond (Van Dijke, El Moumni); het bepleite onder-
                            scheid in behandeling tussen public en private speech (Peters 1981) blijkt hier
                            omgekeerd te werken. Of de El Moumni-zaak nu betekent dat de islam in alle
                            opzichten een gelijke behandeling krijgt is niet duidelijk: bij de vaststelling van
                            algemene vrije dagen speelt deze godsdienst nog geen rol. De islam blijkt overi-
                            gens een zwaar beroep te doen op de kennis van rechters: een bezwaar tegen
                            gemengd zwemmen bijvoorbeeld werd afgewezen met een eigen uitleg van de
                            soera 24, in het bijzonder vers 31 (Gerbranda 2002: 120). De Hoge Raad heeft
                            enerzijds uitgesproken dat het niet de taak van de (overheids)rechter is om zich
                            over dogmatische vraagstukken uit te spreken (HR 15 februari 1957, NJ 201), maar
                            het ging daar wel om een geschil binnen één kerkgenootschap (zodat het beginsel
                            van scheiding van kerk en staat expliciet aan de orde was). Anderzijds heeft de
                            Hoge Raad in het bekende geval van de zuster van Sint Walburga (HR 31 oktober
                            1986, NJ 1987, 173) duidelijk gemaakt dat het enkel stellen dat iets religieus van
                            aard of achtergrond is niet per se voldoende is. Wellicht is de ‘interpretatieve
                            terughoudendheid’ (Vermeulen 2000: 82) met het voordeel van de twijfel in
</pre>

====================================================================== Einde pagina 166 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 167 ======================================================================

<pre>                           pluriformiteit en gemeenschappelijke waarden in de democratische rechtsstaat
beginsel bij hetgeen de ‘bedreigde’ partij stelt, een goede optie. Zo maakte de
cgb in een recente uitspraak discussie over het religiebepaalde karakter van het
dragen van hoofddoeken praktisch overbodig door dit zonder meer te erkennen,
om overigens direct aansluitend het verbod ervan in een katholieke school als
gerechtvaardigd aan te merken (cgb Oordeel 2003-12, www.cgb.nl).
Het lijkt nog te vroeg om een algemene conclusie te trekken. Wellicht is het wel
zinvol om in het oog te houden dat artikel 1 c.a. mede is vastgesteld om minder-
heden een zekere extra bescherming te geven. Enig extra begrip voor minderhe-
den lijkt wel op zijn plaats, bijvoorbeeld door het belang dat betrokkenen aan
hun ‘bijzonderheid’ hechten een speciaal gewicht te geven (Saharso en Verhaar,
2003, die een ‘contextuele’ benadering uitwerken: om mensen rechtvaardig te
kunnen behandelen, moet je juist met hun bijzonderheden rekening houden).
Een andere optie is te verdisconteren welke minderheidsgroep op het moment in
kwestie in de maatschappelijke ontwikkeling het meest bescherming nodig
heeft, zodat men tot de conclusie kan komen dat vrouwen en homo’s minder
behoefte hebben aan artikel 1 van de grondwet dan moslims en streng gerefor-
meerden, althans als het gaat om onderlinge confrontaties (Tigchelaar 2002).
Anderzijds kan het toch niet de bedoeling zijn de sociaal zwakste groep van het
moment alleen daarom een vrijbrief te geven tot discriminatie van ‘gelukkiger’                          165
minderheden, om van slachtoffer dader te worden.
Enkele conclusies
De dynamiek die bij de rechtsstaat hoort doet dat ook bij de grondrechten.
Behalve voor pluriformiteit is er ook ruimte voor ontwikkeling. De opvattingen
over wat grondrechten wel en niet mogelijk maken zullen blijven veranderen.
Dat ‘mogelijk maken’ is intussen wel waar het, in elk geval bij de klassieke
grondrechten, in de eerste plaats om gaat.
Elke algemene beperking, ook als die de strekking heeft de realisering van andere
grondrechten te verzekeren, en ook als die voortvloeit uit de noodzaak een
botsing tussen grondrechten te reguleren, moet met gepast wantrouwen beke-
ken worden. A fortiori hoeft de rechtsstaat niet aan zijn eigen ondergang mee te
werken door aan een fundamentalistische benadering te veel ruimte te geven.
Deze terughoudende opstelling tegenover algemene beperkingen wijst uiteraard
tegelijk op een beginselvoorkeur voor de rechter als het gaat om beslechting van
botsing tussen grondrechten ‘in engere zin’ en ook bij interpretatie in andere
gevallen. De verdergaande nuancering, het rekening kunnen houden met de
soms zeer specifieke kenmerken van het geval en de snellere actualisering bij
veranderende verhoudingen zijn hierbij belangrijke overwegingen. Een duidelijk
voordeel boven ingrijpen door de wetgever, die zich wel op een sterkere demo-
cratische legitimatie kan beroepen, is (juist) het depolitiserende effect dat een
uitspraak van de rechter gewoonlijk heeft doordat deze beperkt is tot het bijzon-
dere geval. Individuele conflicten worden zo ook minder snel geschillen tussen
groepen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 167 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 168 ======================================================================

<pre>    wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                            Ten slotte dient te worden bedacht dat het wel de afzonderlijke grondrechten
                            zijn die ruimte laten voor waardepluriformiteit en als zodanig van grote beteke-
                            nis zijn, maar dat hun strekking niet is om fundamentele waardetegenstellingen
                            tussen (of binnen) bevolkingsgroepen te beslechten.
                            Ook vormen van religieus getint (rechts)pluralisme als aanzetten tot verzuiling
                            in nieuwe gedaante bieden hier geen uitweg. Integendeel, het ehrm heeft een
                            dergelijk stelsel dat de Turkse Welvaartspartij wilde invoeren afgewezen als strij-
                            dig met het non-discriminatiebeginsel van het verdrag (ehrm 13 juli 2001,
                            bevestigd op 13 februari 2003; uitvoeriger hierover Loenen 2003).
                            De betekenis van de grondrechten bij het hanteerbaar houden van conflicten
                            moet, alles tezamen, primair gezien worden in hun functie als onderdeel van de
                            ‘democratisch rechtsstatelijke methode’, die een redelijke omgang met verschil-
                            len als uitgangspunt, methode en doel tegelijk heeft.
                5.6         afsluitende opmerking: maatschappelijke waarden
                            als voorwaarden voor een goed functionerende
166
                            rechtsstaat
                            Het recht en de rechtsstaat kunnen nooit alleen de bindende factor zijn in een
                            pluriforme samenleving. De rechtsstaat garandeert pluriformiteit, maar creëert
                            die niet uit zichzelf en verplicht er ook niet toe. De staatsvorm die oude en
                            nieuwe waarden of de bloei, het onderhoud en behoud van uiteenlopende, zelfs
                            conflicterende waarden mogelijk maakt, moet zelf ook onderhouden worden.
                            Het recht en de rechtsstaat versterken eerder een tendens tot polarisering van
                            meningen en tot aanscherping van tegenstellingen en conflicten dan tot depola-
                            riseren en de-escaleren van conflicten. Om de juiste verhoudingen in een
                            samenleving te vinden en de samenhang tussen tegengestelde delen niet te
                            verliezen zijn bepaalde voorwaarden nodig waaronder de samenbindende
                            werking van de rechtsstaat het best tot uiting komt. Er is immers een verschil
                            tussen je recht hebben en tot elke prijs je recht willen halen, er is onderscheid
                            tussen een juridisch slimme en een maatschappelijk wijze conflictoplossing, er
                            is een maatschappelijk belang bij een verscherping of een verzachting van maat-
                            schappelijke tegenstellingen.
                            Het recht en de werking van het recht moeten derhalve aangevuld worden.
                            Kleine deugden zijn daarvoor nodig, niet de grote, tot absolutisme neigende
                            catch all-uitgangspunten, zoals het hobbesiaanse eigenbelang, het benthami-
                            aanse nutsbeginsel, eeuwige en goddelijke morele wetten of een kantiaans cate-
                            gorisch imperatief. De bloei en ontwikkeling van aristotelische deugden zijn
                            hiervoor belangrijker dan de heroïeke deugden van heldendom, absolute recht-
                            vaardigheid, zendingsdrang en bekeerzucht. Veeleer wordt in de moderne
                            samenleving een afkeer van wreedheid en het toebrengen van leed vereist.
                            Willen de grote waarden van de rechtsstaat, zoals vrijheid, gelijkheid en vertrou-
                            wen, voor een langere duur veiliggesteld worden, dan dient de samenleving de
</pre>

====================================================================== Einde pagina 168 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 169 ======================================================================

<pre>                            pluriformiteit en gemeenschappelijke waarden in de democratische rechtsstaat
kleine deugden te bevorderen, zoals waarheidsgetrouwheid, empathie en sympa-
thie voor anderen, respect voor de mening van anderen en de bereidheid tot het
corrigeren en laten corrigeren van de eigen oordeelsvorming. Sociale vaardighe-
den als flexibiliteit, responsiviteit en verantwoordelijkheidszin, een zeker prag-
matisme en het kunnen verdragen van onzekerheid en ambivalenties vormen
een goede voedingsbodem van een blijvende maatschappelijke pluriformiteit.
Naarmate deze kleine deugden aangeleerd en geoefend worden op scholen en
andere onderwijsinstellingen en naarmate ze in de dagelijkse praktijk worden
beoefend, zullen de grote abstracte waarden van de rechtsstaat en de overige
hoge, maar abstracte waarden van de samenleving als geheel beter tot hun recht
komen en zal hun een langer leven beschoren zijn.
In deze kleinere deugden komt een eigentijds burgerschap naar voren dat aan
belang wint naarmate een samenleving pluriformer geworden is. Alle burgers
dienen te beschikken over bepaalde vaardigheden die de grote en abstracte
waarden van democratie en rechtsstaat dagelijks in praktijk kunnen brengen,
zoals het vermogen tot dialoog en het kunnen relativeren van het eigen gelijk.
Nauta noemt dit burgerschapscompetenties die noodzakelijk zijn om de effec-
ten van individualisering in de moderne samenleving in een juist evenwicht te
houden (Nauta 2000: 110). Geïndividualiseerde burgers die een sterke eigen wil                           167
en identiteit ontwikkelen, dienen tegelijkertijd over het vermogen te beschikken
om zich te kunnen verplaatsten in de situatie van iemand anders, of die andere
nu een ondergeschikte uitvoerende ambtenaar is of een medeburger die niet als
hij/zij over rijke bronnen of competenties beschikt. Daarnaast gaat het om de
vaardigheid om zichzelf ten opzichte van anderen te vertegenwoordigen of zich
te laten vertegenwoordigen door anderen en het daarbij behorende vermogen
om te onderscheiden wat relevante zaken zijn en wat minder relevante bijzaken;
om de vaardigheid om aan te spreken en zelf aangesproken te worden op zowel
gedragingen als meningen en opvattingen. En ten slotte om de vaardigheid om
voor zichzelf op te komen, hetzij door een beroep te doen op de toebedeelde
rechten, hetzij om als burger bij te dragen aan rechtsvorming en andere vormen
van collectieve besluitvorming (Nauta 2000: 110). De hier geschetste vaardighe-
den van burgerschap zijn onontbeerlijk om de essentiële waarden van de demo-
cratische rechtsstaat levend te houden. De overheid zal het in de huidige situatie
van fragmentering van morele bronnen, van individualisering en internationali-
sering, als haar primaire taak dienen te zien om de ontwikkeling van dergelijke
burgerschapsvaardigheden bij zo veel mogelijk burgers aan te moedigen en daad-
werkelijk te bevorderen (zie ook hoofdstuk 8). Omwille van het behoud van de
gemeenschappelijke waarden van de democratische rechtsstaat is een sterk
ontwikkeld, eigentijds burgerschap nodig als een van de noodzakelijke middelen
om de uiterst pluriforme samenleving bijeen te houden, nu en in de toekomst.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 169 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 170 ======================================================================

<pre>    wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                noten
                1
                            De traditionele grondrechten die speciaal op democratische participatie gericht
                            zijn (bijvoorbeeld het kiesrecht) blijven hier buiten beschouwing, evenals het feit
                            dat sommige grondrechten op vrijheid én participatie gericht zijn (uitingsvrij-
                            heid). Ook wordt verder weerstand geboden aan de verleiding om de verbanden
                            met de twee aspecten van de democratische rechtsstaat uit te werken. Ditzelfde
                            geldt voor de parallel met de hiervoor behandelde liberale en communitaristische
                            opvattingen, die zich opdringt als men zich realiseert dat de schijnbaar indivi-
                            duele vrijheidsrechten niet alleen voor het individu van betekenis zijn, maar ook
                            en soms bijna uitsluitend collectief betekenis hebben (vrijheid van vereniging,
                            vergadering, van demonstratie, van godsdienstbelijdenis en zelfs van menings-
                            uiting als men zich realiseert hoe overheersend het belang van persvrijheid
                            hierin is).
                2
                            Een vierde mogelijkheid zou zijn om horizontale werking van grondrechten een
                            duidelijker plaats te geven, hetzij door die werking in een declaratoire bepaling
                            uit te spreken (vergelijk de Zwitserse grondwet), hetzij door de beperkingsclau-
168                         sules mede op die werking toe te snijden.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 170 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 171 ======================================================================

<pre>                                                             samenleven met verschillende culturele normen
6        samenleven met verschillende culturele
         normen
         “Ook vraagt het kabinet de raad in te gaan op eventuele niet algemeen gedeelde
         respectievelijk conflicterende waarden in onze samenleving, al dan niet samen-
         hangend met cultuurverschillen, in relatie tot de vraag of en in hoeverre het
         uiteenlopen van bepaalde waarden maatschappelijk problematisch moet worden
         geacht.” (Adviesaanvraag inzake waarden en normen, 8.11.2002)
6.1      inleiding
         De hernieuwde belangstelling voor waarden en normen wordt in belangrijke
         mate geassocieerd met ‘afwijkende’ leefstijlen, tradities en gedragspatronen van
         migranten in het algemeen en met het ‘failliet’ van de multiculturele samenle-
         ving in het bijzonder. Kranten, commentatoren en ook wetenschappers hebben
         zich uitgeput in voorbeelden van ‘mislukte’ integratie. De onvrede hierover is
         dichter aan de oppervlakte komen te liggen en met name na 11 september 2001                       169
         wordt steeds vaker gesproken van botsende waarden en normen, die mogelijker-
         wijs zouden kunnen uitmonden in conflicten en verdere fragmentatie van de
         Nederlandse samenleving. De vraag van de regering verwijst direct naar deze
         gevoelens van onbehagen: “in hoeverre moet het uiteenlopen van bepaalde
         waarden problematisch worden geacht”. Als aanzet voor dit hoofdstuk volgt
         hieronder een korte schets van het kleine en grote ongenoegen in de Nederlandse
         multiculturele samenleving waarbij feiten, interpretaties en generalisaties – net
         als in het huidige debat – door elkaar heen lopen. Het gaat dus expliciet niet om
         een inventarisatie van ‘het probleem’, maar om een onvolledige inventarisatie
         van percepties van het probleem.
Criminaliteit onder allochtone jongeren, en dan met name de kleine straatcriminaliteit
waarin een oververtegenwoordiging van bijvoorbeeld Marokkanen en Antillianen is te
zien, geeft het beeld van een losgelagen jeugd die de school laat voor wat die is en zich op
het criminele pad begeeft. Moslimmeisjes met verschillende achtergronden die met een
hoofddoek, gesluierd of recentelijk zelfs geheel bedekt in een zogenaamde nikaab over
straat gaan, roepen in Nederland vaak een dubbel onbehagen op. Enerzijds wordt de
vraag gesteld in hoeverre het dragen van deze bedekkingen een middel is om vrouwen te
beperken en is de emancipatie van de vrouw in het geding. Anderzijds wordt het dragen
van hoofddoekjes niet zelden gepropageerd door zelfstandige moslimvrouwen die onder
verwijzing naar Nederlandse grondrechten het recht opeisen om een hoofddoekje te
dragen. Soms is het dus ook de vrije beleving van een sterk geloof die met de ontzuilde en
ver geseculariseerde Nederlandse samenleving botst. En ook daar worden vanuit
sommige hoeken van de Nederlandse samenleving vervolgens vraagtekens bij geplaatst.
Hoe oprecht is een overtuiging die een persoon zelf in een minderwaardige positie
plaatst, hoe sterk is de druk van de omgeving tot conformeren aan de groepsnorm en
</pre>

====================================================================== Einde pagina 171 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 172 ======================================================================

<pre>    wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                moet de Nederlandse overheid daar wel in meegaan onder het mom van religieuze vrijhe-
                den, zijn dan de gehoorde argumenten. De omgang tussen jongens en meisjes is hoe dan
                ook een steen des aanstoots in het debat over multicultureel Nederland. Meisjes worden
                thuisgehouden, afhankelijk gemaakt en klaargestoomd voor het huwelijk en het moeder-
                schap, is een beeld dat niet zelden aan moslimculturen wordt toegeschreven. Jongens
                daarentegen krijgen alle vrijheid, worden te weinig gecorrigeerd op onacceptabel gedrag
                en hebben een beeld van vrouwen dat zich niet verdraagt met de Nederlandse normen.
                Het gevolg is groepsvorming en intimidatie in het zwembad, seksuele toespelingen en
                het lastigvallen van vrouwen op straat en in de disco. Vervolgens wordt dergelijk gedrag
                aan een hele groep gekoppeld en lijden alle groepsleden onder het gedrag van diegenen
                die zich misdragen. Voor je het weet is elke groep jongeren een bende, houden portiers in
                de disco’s er een etnisch deurbeleid op na en is ieder moslimmeisje een onderdrukte sloof
                die klaargestoomd wordt voor een repressief huwelijk, een schare kinderen en een leven
                achter gesloten deuren. Soms wordt Nederland ook opgeschrikt door grote zaken waarbij
                allochtone groepen zich aan de in Nederland geldende normen onttrekken. Eerwraak,
                vrouwenbesnijdenis en gearrangeerde huwelijken komen voor in Nederland en roepen
                vragen op over de verhouding van bepaalde groepen ten opzichte van Nederlandse
                gebruiken, gewoonten en wetten.
170             De aanslagen van 11 september 2001 hebben het debat over de multiculturele samenle-
                ving nog sterker een debat over loyaliteiten gemaakt. Waar de Nederlandse loyaliteit in de
                nasleep van de aanslagen bijna automatisch en onverdeeld in de richting van Amerika
                ging, waren er vanuit sommige groepen andere geluiden te horen. Hoewel er nauwelijks
                tot geen goedkeuring van de aanslagen te beluisteren viel, werden gedachten over ‘de
                andere kant van de zaak’ snel opgevat als een geluid van dissidentie, een breuk in de
                Nederlandse solidariteit.1 Overigens gaat het bij het uitdragen hiervan in de regel om
                Marokkaanse jongeren. Van andere grote groepen moslims in Nederland wordt op dit
                punt weinig gehoord. Marokkaanse jongeren lieten ook van zich horen bij de recente
                oprichting van de Arabisch Europese Liga (ael) in Nederland. Op de Nederlandse tour-
                nee van de voorman van de Belgische ael, Abou Jahjah, kwamen met name veel jonge
                Marokkanen af. In de kranten werd vervolgens heel wat afgediscussieerd over de vraag in
                hoeverre het hier ging om een anti-integratiepartij en bijgevolg anti-integratieallochto-
                nen. Velen hebben de ‘populariteit’ van deze nieuwe partij in ieder geval opgevat als een
                verzet tegen Nederland.
                            Voorbeelden zoals hiervoor aangegeven, worden steeds vaker in het huidige
                            debat over waarden en normen aangetroffen. Het debat kenmerkt zich door
                            generalisatie, polarisatie en simplificatie. Generalisaties treffen we in vele
                            vormen aan. Met gemak wordt gesproken over ‘de’ allochtonen of over ‘de’
                            Nederlandse waarden en normen, daarmee de suggestie wekkend dat er sprake
                            zou zijn van een ondeelbare groep allochtonen met vergelijkbare kenmerken en
                            in dit geval met overeenkomstige waarden en normen. Generalisaties zijn
                            natuurlijk voor een deel onvermijdelijk in de dagelijkse praktijk, maar worden
                            problematisch als ze vervallen in stereotyperingen en vooroordelen. Marokkaans
                            is momenteel nauwelijks meer een gewone aanduiding voor iemands herkomst,
                            maar eerder een stigma waar tal van waardeoordelen aan gehangen worden
</pre>

====================================================================== Einde pagina 172 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 173 ======================================================================

<pre>                                                        samenleven met verschillende culturele normen
(Harchaoui en Huinder 2003). De generalisaties betreffen overigens niet alleen
het gedrag en de opvattingen van anderen, maar ook de beschrijvingen van de
Nederlandse samenleving. Alsof Nederland te kenschetsen is door een ondeel-
bare en door alle Nederlanders gedeelde cultuur. De verscheidenheid en plurifor-
miteit van de Nederlandse samenleving worden vaak niet serieus genomen; in
het aanzien van de vele buitenlanders, zouden Nederlanders opeens één zijn.
Generalisaties kunnen leiden tot polarisatie. Het is een kleine stap om het
‘wij/zij’-sjabloon te hanteren: zij moeten zich aanpassen aan ons of andersom:
zij begrijpen ons niet. Dit stoere taalgebruik kan duiden op een gepolariseerde
visie op de samenleving waarin autochtone en allochtone culturen lijnrecht en
onbemiddelbaar tegenover elkaar komen te staan. In het debat en uiteindelijk
soms ook in gedrag kunnen verschillen tussen groepen worden uitvergroot en in
termen van onverenigbaarheid van opvattingen aan de kaak gesteld. Juist de
verschillen worden belicht en versterkt weergegeven, het anderszijn wordt
beklemtoond. Eén mogelijk gevolg hiervan is dat groepen zich dan ook op de
eigen groep terugtrekken en zich volgens de beeldvorming gaan gedragen. Gene-
ralisatie kan tot simplificatie leiden. Het feit dat een belangrijk deel van het debat
via krant, radio en televisie wordt gevoerd speelt hierbij zeker een rol. In een tijd-
perk waar het gaat om soundbites en slagzinnen is er minder ruimte voor nuance
en voor deliberatie over de complexiteit van vraagstukken zoals deze. Zo wordt                        171
in de pleidooien voor verplichte inburgering nauwelijks onderscheid gemaakt
tussen formele en materiële inburgering, terwijl dit nu juist essentieel is. Bij
formele inburgering gaat het om het respecteren van de Nederlandse rechtsorde
en maatschappelijke inrichting, materiële inburgering staat voor het inhoudelijk
delen van Nederlandse politieke en levensbeschouwelijke normen en waarden.
Het eerste mag van iedereen in een land worden verlangd. Het tweede bij uitstek
niet, aangezien eenvormigheid in levensbeschouwelijke waarden niet in over-
eenstemming is met de Nederlandse geschiedenis, waarin het omgaan met
waardepluralisme nu juist centraal staat.
Het huidige debat over de multiculturele samenleving heeft zeker niet alleen
negatieve gevolgen. Er is ook winst geboekt. Meer dan ooit staat het thema
‘multiculturaliteit’ op de agenda en zijn er mogelijkheden voor voor- en tegen-
standers om zich uit te spreken, argumenten uit te wisselen en invloed uit te
oefenen. In het wrr-rapport Nederland als immigratiesamenleving (2001) is
aangegeven dat ontmoeting en confrontatie noodzakelijk en gewenst zijn in
een immigratiesamenleving. Door de confrontatie is het mogelijk kennis te
nemen van de standpunten van de anderen en kunnen deze ook serieus
worden genomen. Anderzijds is het noodzakelijk de vermenging van het
‘multiculturele’ debat en het debat over waarden en normen met argusogen te
bekijken. Een zekere nuancering en precisering is hier op zijn plaats: aan de
ene kant laat dit hoofdstuk zien dat er ten onrechte sprake is van het ‘bij
elkaar brengen’ van uiteenlopende kwesties onder de noemer van botsende
waarden. Aan de andere kant wordt aandacht besteed aan enkele essentiële
verschillen die mogelijkerwijs een bron van conflict kunnen zijn of in de
toekomst kunnen worden. Het hoofdstuk wordt afgesloten met een beschou-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 173 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 174 ======================================================================

<pre>    wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                            wing over de mogelijkheden om met gesignaleerde verschillen en conflicten om
                            te gaan.
                6.2         culturele diversiteit en dynamiek
                            Daar waar sprake is van culturele diversiteit is het van belang aandacht te beste-
                            den aan de dynamiek en ontwikkeling van migrantengroepen. Diversiteit heeft
                            te maken met de verschillen tussen groepen, verschillen binnen groepen en
                            verschillen tussen generaties. Op individueel en op collectief niveau maken
                            migranten een eigen ontwikkelingsgang door en dat heeft gevolgen voor de mate
                            waarin zij zich identificeren met hun etnische herkomst dan wel door anderen
                            een etnische identiteit krijgen ‘opgeplakt’. De assimilatiedruk van de Neder-
                            landse samenleving legt bovendien een behoorlijk gewicht in de schaal. De wijze
                            waarop migranten met die druk omgaan en de effecten al dan niet incorporeren
                            in hun eigen leefstijl draagt eveneens bij aan een groeiende culturele diversiteit
                            binnen en tussen migrantengroepen.
                            Alvorens we nader op deze aspecten van culturele diversiteit ingaan, dient gewe-
                            zen te worden op het feit dat in dit hoofdstuk verhoudingsgewijs meer aandacht
172                         wordt besteed aan verschillen die te maken hebben met de islam, of beter gezegd
                            met gedragingen van moslims. Daar is een aantal redenen voor te geven. In de
                            eerste plaats staan moslims (terecht of onterecht) in het centrum van het debat
                            over de multiculturele samenleving en worden zij langs deze lijn ook in het debat
                            over waarden en normen ‘gezogen’. Daar waar gesproken wordt over verschillen
                            in culturele normen en waarden wordt vaak de facto gerefereerd aan verschillen
                            die worden toegeschreven aan de islam. In de tweede plaats is de groep moslims
                            in Nederland kwantitatief omvangrijk en lijkt de islam voor velen van hen een
                            belangrijke factor in de bepaling van de eigen identiteit. In het Nederlandse debat
                            zijn moslims bovendien vaak een vrij uitgesproken en assertieve groep. Het
                            aantal moslims in Nederland bedraagt naar schatting ongeveer 736.000 perso-
                            nen, hetgeen neerkomt op 4,6 procent van de bevolking (wrr 2001). Hiermee is
                            overigens nog niets gezegd over de beleving van het geloof of verschillen tussen
                            herkomstlanden en generaties. Ook in dit verband is het van belang rekening te
                            houden met de verschillen binnen en tussen groepen moslims.
                            Verschillen tussen groepen Allochtonen zijn een zeer diverse groep, waarin
                            bovendien alle nationaliteiten meegenomen zijn (inclusief Amerikanen en Euro-
                            peanen die in de regel als ‘niet-problematisch’ ervaren worden). In feite kun je
                            dus niet van een groep spreken. Ter illustratie: in 1998 telde ons land al 110
                            verschillende nationaliteiten (wrr 2001: 45). Verder mag niet onvermeld blijven
                            dat er grote verschillen zijn tussen arbeidsmigranten, asielmigranten en volgmi-
                            granten in het kader van gezinshereniging. Ook is sprake van grote verschillen in
                            termen van streek van herkomst, opleidingsniveau en migratiegeschiedenis. Al
                            deze factoren zijn van invloed op de wijze waarop migranten hun weg vinden in
                            de Nederlandse samenleving, de mate waarin zij zich hier thuis voelen en in staat
                            en bereid zijn om te participeren in de Nederlandse samenleving. In dit verband
</pre>

====================================================================== Einde pagina 174 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 175 ======================================================================

<pre>                                                      samenleven met verschillende culturele normen
is een waarschuwing op z’n plaats. Het overgrote deel van het beschikbare
onderzoeksmateriaal heeft betrekking op groepen migranten die al lange tijd in
Nederland verblijven: Turken, Marokkanen, Antillianen en Surinamers. Over de
nieuwe groepen – met name met een asielgeschiedenis – is veel minder bekend.
Er is nog weinig onderzoek naar gedaan en zij zijn nog niet zo lang in Nederland.2
Gegeven de grote verschillen in termen van opleidingsachtergrond en land van
herkomst is grote voorzichtigheid geboden bij het extrapoleren van de huidige
gegevens over de mate van integratie van migranten naar deze nieuwe groepen.
Dat gebeurt nog te vaak en het risico bestaat dat het een self-fulfilling prophecy
wordt.
Verschillen binnen groepen Verschillen binnen groepen kunnen bijzonder groot
zijn in termen van regionale herkomst, opleidingsniveau en culturele achter-
gronden. In het oog lopende voorbeelden zijn Turken en Turkse Koerden, Marok-
kanen en Marokkaanse berbers, creolen en Hindoestanen binnen de Surinaamse
gemeenschap. Deze verschillen zijn voor buitenstaanders niet altijd zichtbaar en
voelbaar met als gevolg dat de kenmerken waar enkelen aan voldoen ten onrechte
worden bestempeld als kenmerken van de hele groep. Deze verschillen binnen
groepen kunnen leiden tot interne conflicten en spanningen, maar ook tot moei-
zame relaties met autochtonen, omdat migranten als het ware de ‘verkeerde’                          173
identiteit krijgen toegeschreven. In dit verband zijn er natuurlijk ook grote
verschillen als het gaat om de wijze waarop migranten hun weg vinden in de
Nederlandse samenleving en daar passief en actief aan meedoen.
Verschillen tussen generaties Generaties kunnen van elkaar verschillen in termen
van opleiding (zeker bij de ‘gastarbeiders’), taalbeheersing, maatschappelijke stij-
ging en algehele oriëntatie op Nederland. Tevens is de band met het land van
herkomst van een andere orde: kinderen zijn vaak in Nederland opgevoed en niet
zoals hun ouders in het land van herkomst. Er zijn ook grote verschillen in de
oriëntatie van de eerste en tweede generatie op de islam (zie bijvoorbeeld
Waardenburg 2001). Deze generatieverschillen kunnen zowel voor ouders als
voor kinderen problematisch zijn. Schuyt (1995b) heeft het over de dubbele
emancipatieslag die tweedegeneratiejongeren moet maken, te weten die ten
opzichte van de ouders en die ten opzichte van de Nederlandse samenleving. Er
zijn verschillende studies verschenen over de moeilijke dilemma’s waar kinde-
ren van de tweede generatie mee geconfronteerd worden. Meisjes die aan de ene
kant hun familie en de familietradities niet willen verloochenen en zich aan de
andere kant verder willen ontwikkelen (opleiding, werk, zelfstandig wonen)
naar Nederlandse maatstaven. De keuze voor de ene richting gaat in veel gevallen
ten koste van de andere richting.
Assimilatiedruk van Nederland De (vaak sluipende) druk tot aanpassing op aller-
lei vlakken die van de Nederlandse samenleving en feitelijke omstandigheden
uitgaat is zeer groot. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om basale zaken als de huwe-
lijksleeftijd en het kindertal, die snel naar de Nederlandse norm convergeren (zie
bijvoorbeeld De Valk et al. 2001). Maar ook opleiding, media en werk genereren
</pre>

====================================================================== Einde pagina 175 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 176 ======================================================================

<pre>    wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                            een grote oriëntatie op Nederland. Daarnaast is sprake van de ontwikkeling van
                            jongerenculturen waar Nederlandse jongeren van verschillende herkomst met
                            elkaar omgaan en gewoontes en opvattingen van elkaar overnemen. De assimila-
                            tiedruk kent geen lineair maar een grillig verloop. In de praktijk ontstaan allerlei
                            mengvormen waarbij het niet meer zo makkelijk is te onderscheiden wat nu
                            typisch Nederlands is en wat niet. Overigens is het niet denkbeeldig dat de wijze
                            waarop de assimilatiedruk neerslaat op migranten verschilt per stad of gebied.
                            Daar waar veel migranten wonen, verloopt dit proces anders dan in wijken die
                            overwegend ‘wit’ zijn. Bovendien hangt de mate van sociaal-culturele integratie
                            ook samen met andere factoren, die deels zelf alweer als ‘druk’ van de Neder-
                            landse samenleving zijn te omschrijven. Zo constateren Dagevos en Schellinger-
                            hout (2003) van het scp een voortschrijdende sociaal-culturele integratie onder
                            de vier grote groepen wanneer gekeken wordt binnen de groep, en dus met name
                            naar generatieverschillen. Dit effect is veel groter dan puur het effect van de tijd,
                            oftewel de duur van het verblijf in Nederland. Ook de mate waarin deze groepen
                            moderne opvattingen – over bijvoorbeeld gezinsverhoudingen, man-vrouwrol-
                            len en religieus liberalisme – onderschrijven, varieert tussen de generaties en
                            hangt bovendien sterk samen met het opleidingsniveau.
174                         Uit het voorgaande blijkt dat er nauwelijks gesproken kan worden van coherente
                            groepen in de Nederlandse samenleving die keurig samenvallen met etniciteit,
                            religie of land van herkomst. Toch wordt, zoals eerder betoogd, vaak in termen
                            van groepen over migranten gesproken. Dit heeft aan de ene kant te maken met de
                            neiging tot labelling door autochtonen (dit proces van labelling geldt overigens
                            voor allerlei andere groepen zoals ouderen, gehandicapten, studenten enz.). Deze
                            vorm van labelling wordt bovendien vaak gebruikt ter verklaring van een bepaald
                            gedrag van leden van die groepen. De stap naar generalisatie van een bepaald
                            gedrag als kenmerkend voor de totale groep is dan snel gemaakt. Aan de andere
                            kant is ook sprake van zelflabeling. Veel van het normoverschrijdend gedrag dat
                            frictie geeft in de Nederlandse samenleving ontstaat niet zozeer als gevolg van het
                            gedrag van de specifieke etnische of religieuze groep als geheel, maar ontstaat
                            wanneer leden van een groep zich beroepen op een groepsnorm als rechtvaardi-
                            ging van hun gedrag. De groepsnorm wordt gebruikt ter rechtvaardiging van een
                            bepaald gedrag dat op zijn beurt strijdig is met in Nederland gangbare normen.
                6.3         de betekenis van groepsnormen
                            In de hierna besproken voorbeelden gaat het vooral om gedragingen die gerecht-
                            vaardigd worden door te verwijzen naar de eigen cultuur en die tegelijkertijd in
                            strijd (zouden) zijn met ‘het’ Nederlandse normen- en waardenpatroon. Het is
                            moeilijk hard te maken dat diegenen die zich beroepen op een groepsnorm ook
                            daadwerkelijk voor de groep kunnen spreken die ze zeggen te vertegenwoordi-
                            gen: representativiteit is, mede gezien de dynamische ontwikkelingen binnen
                            deze groepen, een probleem in migrantengroepen. Toch wordt het groepsargu-
                            ment vaak in stelling gebracht om gedrag te rechtvaardigen of te verklaren. Als
                            dit gedrag verder geen frictie oplevert met algemene normen en regels in de
</pre>

====================================================================== Einde pagina 176 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 177 ======================================================================

<pre>                                                     samenleven met verschillende culturele normen
Nederlandse samenleving, zal hier in de regel geen probleem van worden
gemaakt. Het gaat dan om een culturele eigenaardigheid die begroet zal worden
met reacties die variëren van irritatie, een onverschillig schouderophalen, tot een
oprechte interesse in een andere cultuur.
Problematisch wordt het wanneer het groepsargument wordt gebruikt om
gedrag te rechtvaardigen dat wel in strijd is met Nederlandse normen, regels en
wetten. In het geval van het overtreden van wetten is het probleem misschien
nog het minst groot, aangezien het dan duidelijk is welke lijn overtreden is. Maar
ook hier spelen culturele achtergronden en het beroep op de groepsnorm nog
een belangrijke rol en wordt de rechter vaak gevraagd rekening te houden met
specifieke omstandigheden. Het argument van de culturele achtergrond en
groepsdwang kan overigens zowel voor als tegen een verdachte worden gebruikt.
In het ene geval zal de rechter er een reden voor strafvermindering in zien en in
een ander geval juist een reden voor een zwaardere straf om een signaal af te
geven aan een bepaalde groep. Het laatste gebeurde bijvoorbeeld in een zaak waar
eerwraak in het geding was (Maris van Sandelingenambacht 2002).
Niet alle problemen die te maken hebben met schurende normen tussen groepen
zijn keurig onderverdeeld in wat wel en wat niet mag volgens de Nederlandse                        175
wet. Steeds moeten keuzes gemaakt worden die principieel samenhangen met
rechtstatelijke waarden als vrijheid en gelijkheid die, zoals in paragraaf 5.4 werd
betoogd, bovendien een grote dynamiek kennen. Veel gedrag dat als afkeurens-
waardig wordt gezien, is niet vastgelegd in wetten en regels, maar staat desal-
niettemin op gespannen voet met normen die in Nederland breed gedragen
worden. Het is moeilijk te duiden wat ‘breed gedragen’ Nederlandse normen
zijn, maar op een elementair niveau is toch wel een aantal normen te benoemen.
Een norm die in dit hoofdstuk centraal staat, is bijvoorbeeld die van de individu-
ele autonomie en het recht van het individu om zijn eigen keuzes te maken.
Hoewel er geen wet op de individualiteit bestaat, zijn de Nederlandse wetgeving
en het beleid er vaak toch op gericht deze te bevorderen. Ook in het emancipa-
tiestreven, dat traditioneel op de verheffing van groepen is gericht, staan juist het
individu en zijn keuzemogelijkheden centraal. Zo zijn de kernpunten van het
emancipatiebeleid van het ministerie van szw bijvoorbeeld: ‘Keuzevrijheid,
Participatie en Rechten & Veiligheid’ en streeft het integratiebeleid van het
ministerie van Justitie naar een actief burgerschap van leden van minderheids-
groepen. Zo bezien kan wel gesproken worden van in de Nederlandse maat-
schappij en overheid verzonken en breed gedeelde normen.
In hoofdstuk 2 werd het onderscheid tussen sociale, morele en juridische
normen geïntroduceerd. Juist de verschillen tussen deze ‘soorten’ normen in
termen van verplichtingen en verwachtingen en het feit dat ze in sommige
gevallen overlappen, maken de indeling een geschikt – maar nog niet eenvoudig
of eenduidig – kader voor de hier besproken problemen. In veel van de in dit
hoofdstuk besproken gevallen gaat het om het naleven van een groepsnorm die
op gespannen voet staat met in de Nederlandse samenleving breed gedragen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 177 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 178 ======================================================================

<pre>    wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                            sociale of morele normen, aangaande zaken als de gelijkwaardigheid van man en
                            vrouw en het belang dat wordt gehecht aan zelfontplooiing en een niet-autori-
                            taire opvoeding van kinderen. Het kan voorkomen dat een beroep wordt gedaan
                            op een eigen groepsnorm om gedrag te rechtvaardigen dat niet overeenkomt
                            komt met breed gedragen sociale en morele normen. Dergelijk gedrag kan irrita-
                            tie oproepen. In het normale sociale verkeer zal de gemiddelde Nederlander niet
                            van mening zijn dat een vrouw drie meter achter haar man aan dient te lopen en
                            wordt er dus een sociale norm overtreden. Op moreel niveau zullen velen
                            bovendien het veronderstelde achterliggende principe (de vrouw is minderwaar-
                            dig aan de man) achter dit gedrag afkeuren en wordt er dus ook een morele norm
                            overschreden. Toch zal het moeilijk zijn een meerderheid te vinden die bereid is
                            deze sociale en morele normen om te zetten in een juridische. Vermoedelijk zal
                            slechts een enkeling bereid zijn de politie in te zetten om man en vrouw naast
                            elkaar te laten lopen dan wel te bekeuren voor het achter elkaar lopen.
                            Er is echter sprake van een glijdende schaal in de verhouding en overlap tussen
                            de drie soorten normen. Hetzelfde morele principe dat de vrouw ongelijk-
                            waardig is aan de man, kan immers ook ‘ingezet worden’ om gedrag te recht-
                            vaardigen dat veel sterker tegen het morele normbesef van grote groepen Neder-
176                         landers ingaat. Indien een man zijn vrouw slaat en dat rechtvaardigt met een
                            verwijzing naar een groepsnorm die de man tot hoofd van het gezin verklaart en
                            het gebruik van geweld sanctioneert, druist dat dusdanig in tegen sociale en
                            morele normen dat het inzetten van een juridische norm die dat gedrag veroor-
                            deelt, door de meerderheid wordt gesteund. De moeilijkste vraagstukken van het
                            omgaan met verschillende normen in een multiculturele samenleving zitten
                            uiteraard op het midden van de glijdende schaal. Welk gedrag dat onder verwij-
                            zing naar een groepsnorm wordt gerechtvaardigd, is binnen de context van de
                            Nederlandse samenleving acceptabel en wanneer overschrijdt het die grens?
                            Wanneer is ‘de’ Nederlandse samenleving bereid om sociale en/of morele afkeu-
                            ring om te zetten in juridische afkeuring? Wanneer is een beroep op een groeps-
                            norm ondanks sociale en morele afkeuring wel gerechtvaardigd of in ieder geval
                            geen aanleiding voor dwingende juridische normen? En wat te doen in het grote
                            grijze tussengebied? Een extra complicatie bij dit soort vragen is bovendien dat
                            ze zich in de praktijk in verschillende contexten afspelen. Een belangrijk verschil
                            in context is bijvoorbeeld al de vraag of het gedrag in kwestie zich afspeelt in de
                            publieke dan wel de private sfeer. De grens tussen het publieke en het private is
                            niet scherp te trekken en daar komt bij dat er verschil van mening is of en onder
                            welke omstandigheden de overheid de meer private sfeer mag binnentreden. Dit
                            alles beïnvloedt de beoordeling van gedrag en de mogelijkheden voor de over-
                            heid om zich uit te spreken en eventueel in te grijpen.
                            We concentreren ons in het uitwerken van deze vragen op een aantal thema’s die
                            verbonden zijn met het beroep op groepsnormen en de spanning die kan ont-
                            staan met Nederlandse normen als een gevolg daarvan. Dergelijke spanningen
                            kunnen twee vormen aannemen. In de eerste plaats kan het gaan om spanningen
                            tussen de groep en haar leden en in de tweede plaats tussen de groep en andere
</pre>

====================================================================== Einde pagina 178 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 179 ======================================================================

<pre>                                                                  samenleven met verschillende culturele normen
        delen van de samenleving. Hierbij kan aangetekend worden dat er legio situaties
        te bedenken zijn waarin de eerste spanning naadloos overgaat in de tweede. In
        het naleven van een eigen groepsnorm ten opzichte van de leden kunnen de
        rechten van een lid van de groep immers zodanig geschaad worden dat dit zich
        niet verdraagt met de normen van de samenleving als geheel. Een ‘intern’ con-
        flict wordt op die manier ook een conflict tussen de groep en de samenleving. In
        het onderstaande schema wordt dit kader samengevat.
Figuur 6.1     Spanningsrelaties tussen individu, groep en maatschappij
                             NEDERLANDSE SAMENLEVING
                                             (normen)
                                                           B
             exit-optie
                                              GROEP
                                             (normen)
                                                                                                                177
                                                           A
                                            INDIVIDU
                        (lid van groep en van Nederlandse samenleving)
        Met deze figuur zijn de belangrijkste conflictlijnen tussen groepen en de bredere
        samenleving in kaart gebracht. De relatie tussen de groep en het individu (relatie
        A) is conflictueus wanneer een groep haar normen dwingend oplegt of probeert
        op te leggen aan een individueel groepslid. Het centrale probleem is hier dat een
        groep een van haar leden een individuele keuze ontzegt, waarmee de in Neder-
        land breed gedeelde norm dat een individu zijn eigen autonome keuzes maakt
        onder druk komt te staan. Bij etnische groepen geldt echter, net als bijvoorbeeld
        bij het gezin en de staat, dat het groepslidmaatschap in eerste instantie geen vrij-
        willige keuze is: men wordt in de groep geboren. Dit brengt bijzondere afwegin-
        gen van loyaliteit en verzet met zich mee, aangezien de prijs van verzet of uittre-
        ding hoog kan zijn. Ook hier spelen tal van ingewikkelde vragen, zeker in relatie
        tot de overheid. Een individueel groepslid dat zich wil onttrekken aan de druk
        van de groep (een groep die bereid is conformisme met geweld af te dwingen) en
        daarbij luidkeels een beroep op de overheid doet, is een relatief eenvoudig geval.
        Hier dient de overheid de exit-optie voor het individu te garanderen. Meer slui-
        pende en in de geslotenheid van de groep verborgen processen van groepsdruk
        op het individuele lid zijn al lastiger te beoordelen, temeer daar in zo’n situatie
        de grens tussen het publieke en het private in het geding is. Betrokkenen doen
        overigens ook een beroep op deze grens om ongewenste externe bemoeienis te
</pre>

====================================================================== Einde pagina 179 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 180 ======================================================================

<pre>    wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                            weren. De moeilijkste vorm in deze categorie is de onderdrukking van individu-
                            ele leden van de groep op basis van een groepsnorm, terwijl die groepsnorm
                            door het lid zelf onderschreven wordt. In dit geval speelt het dilemma of en
                            wanneer een individu tegen zichzelf in bescherming genomen mag worden.
                            Behalve het garanderen van de exit-optie staat er, in termen van Hirschmanns
                            trits exit, voice en loyalty, nog een weg voor de overheid open: namelijk het
                            bevorderen van voice binnen de groep. Dit is de vaak indirecte weg van het
                            stimuleren van discussie en debat met leden van de groep en het bieden van
                            ruimte en een platform aan de verschillende stemmen binnen groepen.
                            De tweede relatie, die tussen de groep en de bredere samenleving (B), is moeilij-
                            ker in een kernwoord te vangen. Grofweg gezegd komen groep en samenleving
                            met elkaar in conflict als de groep haar eigen normen boven die van de Neder-
                            landse samenleving stelt. De relatie is te omschrijven als (het streven naar) ‘het
                            opleggen van de groepsnormen aan de samenleving als geheel’. Voorbeelden
                            waarbij een groep ernaar streeft de eigen normen aan de samenleving als geheel
                            op te leggen, zijn te vinden in de pleidooien van bepaalde minderheidsgroepen
                            voor bijvoorbeeld een verbod op abortus (waarin verschillende geloven elkaar
                            kunnen vinden) of bijvoorbeeld het beperken van de vrijheid van meningsuiting
178                         waar het gaat om geloof. Aan het uiterste eind van het spectrum staat het nastre-
                            ven van politiek en/of religieus fundamentalisme en extremisme.
                            Hieronder worden vier subthema’s uitgewerkt in voorbeelden uit de praktijk die
                            onder de relatie groep-individu (A) of de relatie groep-samenleving (B) vallen,
                            met de kanttekening dat de eerste relatie uiteraard vaak in de tweede overloopt.
                            Het gaat om handhaving van normen binnen de eigen groep, positie van de
                            vrouw en positie van het kind ten opzichte van de ouders (A) en het opleggen
                            van de groepsnormen aan de samenleving als geheel (B). Gepoogd wordt om bij
                            elk thema de glijdende schaal in het normatief handelen en de bijbehorende
                            dilemma’s in kaart te brengen. De gekozen voorbeelden worden dus steeds
                            ‘conflictueuzer’ ten opzichte van breed gedeelde Nederlandse normen.
                6.3.1       normhandhaving binnen de eigen groep en af valligheid
                            Groepen genereren vaak zowel mogelijkheden als belemmeringen; een gegeven
                            dat voor alle soorten groepen geldt en zeker niet voorbehouden is aan etnische
                            groepen. In vele soorten groepen wordt er door de leden onderling op toegezien
                            dat eenieder zich houdt aan de normen of regels van de groep. Dat kan heel expli-
                            ciet, zoals bijvoorbeeld bij een beroepsgroep (professie) waarbij normen vaak
                            vastgelegd zijn in reglementen en soms zelfs in een toezichthoudend orgaan is
                            voorzien (zoals bijvoorbeeld een tuchtcommissie). Vaak zijn zowel de normen
                            als het toezicht op de naleving daarvan implicieter. Maar ook de gevolgen van
                            overtreding van impliciete (sociale) groepsnormen kunnen zeer groot zijn; peer
                            pressure en de druk om zich te conformeren aan de norm zijn in zeer uiteenlo-
                            pende milieus niet te onderschatten. Daarbij gaat het om religieuze en sociale
                            groepen, maar bijvoorbeeld ook meer onverwachte groepen zoals de kraakbewe-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 180 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 181 ======================================================================

<pre>                                                     samenleven met verschillende culturele normen
ging en groepen hooligans. Afhankelijk van de hechtheid van de groep en de
mate waarin bepaalde normen als zeer zwaarwegend worden ervaren, wordt
afwijking meer of minder zwaar gestraft. De journalist of wetenschapper die
(herhaaldelijk) op plagiaat wordt betrapt, kan uitkijken naar een nieuwe baan en
zal die vaak in een nieuw vakgebied moeten bemachtigen. Uitstoting is de
ultieme straf van de groep voor afwijking en afvalligheid. Een groep kan echter
ook veel voordelen bieden aan zijn leden. Beroepsgroepen ontlenen bevoegdhe-
den en een zekere autoriteit aan hun groepslidmaatschap. In de meeste sociale
groepsverbanden biedt een groep een gevoel van saamhorigheid en onderlinge
bijstand (solidariteit) en kan (het netwerk van) de groep kansen creëren.
De voor- en nadelen van een groepslidmaatschap spelen voor (de leden van)
sommige etnische groepen een belangrijke rol. Naarmate groepen hechter zijn
georganiseerd en ook geografisch zijn geconcentreerd geldt dat sterker. Vaak
wordt bijvoorbeeld de sterke cohesie van de Turkse gemeenschap genoemd als
een voorbeeld van groepssamenhang die kansen creëert. Het zelfstandig onder-
nemerschap in deze gemeenschap is groot, nieuwe ondernemingen worden vaak
met geld uit de gemeenschap opgezet en baantjes worden aan leden van de groep
toegespeeld. Ook kan een hechte gemeenschap voordelen bieden bij mobiliteit in
het onderwijs; oudere broers en zussen, neven en nichten en soms ooms en                           179
tantes die een (hogere) opleiding hebben genoten, kunnen een begeleidende rol
vervullen en helpen bij schoolwerk van kinderen als de ouders die rol niet
kunnen vervullen. Dit blijkt een belangrijke factor voor de slaagkansen van
Turkse en Marokkaanse kinderen in het onderwijs (Crul 2000).
Hechte groepen hebben echter ook soms hun schaduwkanten. Naarmate een
groep meer gesloten is en de mogelijkheden heeft haar leden in de gaten te
houden, kan de controle verstikkend werken. Zeker de geografische concentratie
van groepen (in zwarte wijken in de steden, maar ook in blanke dorpen op de
Veluwe) kan een groep sterk isoleren en het moeilijk maken voor een individueel
lid om zich daaraan te onttrekken. In de eerste plaats kan het (zelfgekozen) isole-
ment van groepen het zicht ontnemen op wat er zich achter de schermen alle-
maal afspeelt. Chinezen golden bijvoorbeeld lange tijd als een relatief succesvolle
maar op zichzelf gerichte groep die weinig (overheids)aandacht behoefde.
Achter de façade van het isolement ontwikkelde zich echter ook een realiteit
waarbinnen een specifiek Chinese maffia criminele praktijken binnen de geslo-
tenheid van de eigen groep ontwikkelde. De hechte Turkse gemeenschap is
bijvoorbeeld ook een vehikel geweest voor de illegale Turkse immigratie. Neder-
landse Turken stonden garant voor de toeristenvisa van landgenoten die uitein-
delijk in de illegaliteit verdwenen en de Turkse gemeenschap verzorgde vaak
opvang en werk (Staring 2001). Met de verscherpingen van het illegalenbeleid
van de afgelopen jaren worden illegalen echter steeds dieper de illegaliteit in
gedrongen, afhankelijker gemaakt van landgenoten en komt uitbuiting van
Turkse illegalen door Nederlandse Turken ook steeds meer voor (Engbersen et al.
2002). De hechtheid van een groep waarin men zich kan verbergen, is niet per
definitie een warme hechtheid en kent zijn perverse effecten.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 181 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 182 ======================================================================

<pre>    wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                            In de tweede plaats kan, zeker ook bij migrantengemeenschappen, het gewicht
                            van de groep sterk drukken op individuele leden. Enkelingen die zich willen
                            ontrekken aan de groep hebben vaak maar één echte keuze en dat is breken met
                            de groep. Afwijking wordt soms niet toegestaan en gereduceerd tot een keuze
                            voor aanpassing of uitstoting. Vaak zijn het vrouwen en kinderen die in de moei-
                            lijkste posities geplaatst worden, maar denk ook aan homoseksuelen binnen een
                            groep die homoseksualiteit op bijvoorbeeld religieuze gronden verwerpt. Kinde-
                            ren groeien in de Nederlandse samenleving op en verhouden zich op een andere
                            manier tot de waarden en normen van het land van herkomst die door de ouders
                            vaak hooggehouden worden. Zeker als respect voor en gehoorzaamheid aan de
                            ouders als een belangrijke waarde binnen een groep wordt ervaren, kan dit
                            kinderen in een moeilijke positie plaatsen en processen van integratie bovendien
                            hinderen.3 De klassieke mogelijkheden van de exit, voice en loyalty zijn niet
                            altijd een optie voor kinderen die gevangen zitten tussen hun eigen wensen en
                            loyaliteiten en de normen en eisen van de ouders en de groep. De optie waar in
                            die gevallen wel veel gebruik van wordt gemaakt, is de optie ‘liegen’ (Yerden
                            2001). Net als veel andere kinderen kiezen kinderen uit migrantengroepen ervoor
                            hun feitelijke gedrag te verbergen achter leugens over uitgaan, omgang met de
                            andere sekse enzovoort. Voor een deel betreft het hier de normale problematiek
180                         van opgroeiende kinderen ten opzichte van hun ouders. Voor een ander deel is de
                            situatie echt anders, aangezien men zich niet alleen aan de ouders probeert te
                            ontworstelen, maar aan een gehele groep die toeziet op naleving van normen. De
                            uiteindelijke sanctie kan dan veel groter zijn en leiden tot verstoting uit de groep
                            (vaak inclusief de naaste familie). In de meest extreme – en weinig voorkomende
                            – gevallen gaat de sanctie nog veel verder; het uit de groep stappen of het overtre-
                            den van de normen van de groep wordt dan bestempeld als ‘afvalligheid’ en
                            beschouwd als het (moedwillig) schade toebrengen aan de groep. Een gedrag dat
                            in de ogen van sommige (leden van) groepen extreme en gewelddadige repercus-
                            sies zoals ontvoering en eerwraak rechtvaardigt.
                6.3.2       positie van de vrouw
                            In verschillende groepen in Nederland worden strikte normen gehanteerd voor
                            wat meisjes in de publieke sfeer wel en vooral niet worden geacht te doen. Met
                            name als een bepaalde groep of gemeenschap hecht is georganiseerd en geogra-
                            fisch sterk is geconcentreerd, kunnen de leden door middel van sociale controle
                            toezien op het doen en laten van hun leden. Sociale controle kan soms dicht
                            tegen sociale cohesie aanliggen en wordt in veel gevallen niet als bezwaarlijk
                            gezien maar zelfs als wenselijk. Een deel van de normvervaging die in dit rapport
                            centraal staat wordt, al dan niet terecht, toegewezen aan het verdwijnen van
                            gemeenschappen waarin men een oogje op elkaar houdt en mensen elkaar
                            aanspreken op afwijkend gedrag. Sociale controle kan echter ook verstikkend
                            werken en leden van gemeenschappen ernstig beperken in hun doen en laten. In
                            sommige gemeenschapen wordt aan vrouwen en meisjes weinig toegestaan en
                            wordt er door jongens op toegezien dat meisjes zich niet ‘te buiten gaan’ aan door
                            de groep verboden gedrag. De gemeenschap dwingt dan af dat meisjes zich
</pre>

====================================================================== Einde pagina 182 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 183 ======================================================================

<pre>                                                      samenleven met verschillende culturele normen
binnen die paden bewegen die door de groep – vaak op basis van traditie – als
norm zijn gesteld. Dit beperkt meisjes in hun bewegingsvrijheid en vaak ook in
hun ontplooiingsmogelijkheden. De titel van het boek Ogen in je rug over dit
mechanisme van sociale controle op meisjes in de Turkse gemeenschap, spreekt
wat dat betreft boekdelen (De Vries 1987; Yerden 2001). De dubbele emancipatie
van allochtone jongeren (ten opzichte van de ouders enerzijds en de Nederlandse
maatschappij anderzijds) waaraan eerder werd gerefereerd, is voor meisjes vaak
een driedubbele emancipatie. De derde laag is de (‘klassieke’) emancipatie ten
opzichte van het vrouwbeeld van de eigen groep dat vaak door de mannen wordt
uitgedragen en verdedigd. Dat de klassieke vrouwenemancipatie de laatste vijftig
jaar ook in Nederland zwaar bevochten is, kan worden geïllustreerd met het feit
dat de gehuwde vrouw pas in 1956 bij wet handelingsbekwaam werd verklaard
(Schoonenboom en In ’t Veld-Langeveld 1976). Overigens is de emancipatie nog
geenszins afgerond en nog steeds onderwerp van overheidsbeleid.
Een vaak terugkerend debat over de emancipatie en positie van moslimvrouwen,
is dat over het dragen van hoofddoekjes en het verbieden of toestaan daarvan in
verschillende situaties in het publieke domein. Dit is een debat dat zeker niet
alleen in Nederland wordt gevoerd. In verschillende West-Europese landen
speelt deze kwestie van tijd tot tijd op (Broeders 2001), maar ook in Turkije, dat                  181
een strikte scheiding van religie en staat hanteert, wordt hierover regelmatig
gedebatteerd. Uit verschillende uitspraken van de rechter en de Commissie
Gelijke Behandeling (cgb) aangaande conflicten over hoofddoekjes, blijkt echter
dat het emancipatieargument – de vrije keuze of het gebrek aan vrije keuze – niet
in de argumentatie wordt meegenomen (Verhaar 1999). Er worden steeds andere
argumenten genoemd. Ter illustratie volgen hier verschillende voorbeelden.
Een griffier in Zwolle wenste tijdens de rechtszitting een hoofddoek te dragen.
Zij stelde dat het dragen van een hoofddoek bij haar geloofsovertuiging hoort.
Verbod op het dragen van de hoofddoek zou een vorm van discriminatie zijn, zo
luidde haar stelling, en haar het uitoefenen van haar beroep op oneigenlijke
gronden onmogelijk maken. De wens van deze griffier om tijdens de rechtszit-
ting een hoofddoek te dragen werd niet gehonoreerd. Het dragen van een hoofd-
doek in de rechtszaal werd in strijd geacht met het leerstuk van de scheiding
tussen kerk en staat. De meest gehanteerde betekenis is die van het verbod van
inmenging van de kerk op het terrein van staatszaken. Religieuze symbolen zoals
een hoofddoek horen niet thuis in staatsinstellingen als de rechterlijke macht en
de politie, omdat dan de onafhankelijkheid van de staat in het geding is. Eind
jaren negentig heeft de cgb verschillende zaken behandeld over het dragen van
een hoofddoek in werksituaties. In al deze gevallen ging het om een werkgever
die het dragen van een hoofddoek had verboden en waartegen de vrouw in
kwestie in beroep ging. In al deze zaken heeft de commissie de vrouw in het
gelijk gesteld. De commissie vat de hoofddoek in al deze gevallen op als een van
de voorschriften die rechtstreeks voortvloeien uit de moslimovertuiging. Op
basis van deze argumentatie wordt gesteld dat de werkgever zich schuldig maakt
aan discriminatie op grond van godsdienst. Begin 2003 kwamen enkele moslim-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 183 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 184 ======================================================================

<pre>    wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                            leerlingen aan het roc in Amsterdam gekleed in een nikaab (een gewaad dat
                            lichaam en gezicht volledig bedekt). De directeur van de school weigerde de leer-
                            lingen toe te laten. Na een korte openbare discussie zijn de richtlijnen van het
                            ministerie zodanig aangepast dat de leerlingen bepaalde kledingvoorschriften
                            dienen te volgen. Ook deze zaak is voorgelegd aan de cgb; volgens de leerlingen
                            zou het een vorm van discriminatie zijn op grond van levensovertuiging. De
                            commissie oordeelde in dit geval echter dat het verbod gehandhaafd mocht blij-
                            ven. Hoewel er formeel wel sprake was van indirecte discriminatie op basis van
                            godsdienst, was de grond voor het verbod objectief en voldoende zwaarwegend.
                            Het verbod had volgens het roc een drieledig doel: het bevorderen van de
                            onderlinge communicatie, het kunnen vaststellen van de identiteit van studen-
                            ten en het naleven van de wettelijke taken die op de school rusten. Op basis van
                            deze argumenten achtte de cgb het middel (het verbod) passend en noodzakelijk
                            (cgb 2003a).
                            In alle gevallen stellen de betrokkenen dat er sprake is van discriminatie op grond
                            van levensovertuiging en eisen zij het recht op gelijke behandeling op (Galen-
                            kamp 2002). Wat onder gelijke behandeling wordt verstaan is echter vaak niet
                            duidelijk en op z’n minst voor meerdere interpretaties vatbaar. Om duidelijkheid
182                         te scheppen publiceerde de cgb (2003b) onlangs een advies waarin uiteen werd
                            gezet wat volgens de Algemene wet gelijke behandeling wel en niet mag binnen
                            de context van scholen. Hier stuit men ogenblikkelijk op de andere zijde van de
                            medaille die scheiding van kerk en staat heet. De wet verbiedt zowel directe als
                            indirecte discriminatie op basis van geloof. Directe discriminatie is echter wel
                            toegestaan aan scholen in het bijzonder onderwijs die op basis van hun grondslag
                            onderscheid mogen maken tussen (potentiële) leerlingen. Indirecte discrimina-
                            tie is alleen toegestaan op basis van een ‘objectieve rechtvaardigingsgrond’, zoals
                            naar oordeel van de cgb in de zaak van het roc Amsterdam aan de orde was.
                            Wat duidelijk wordt uit het advies van de cgb is dat de rechterlijke macht zich op
                            grote afstand van religie moet houden. Letterlijk wordt gesteld: “Omdat de rech-
                            ter en de cgb (zoals de Hoge Raad heeft bepaald) niet treden in verschillen van
                            mening over theologische leerstellingen, wordt alleen getoetst of die uiting
                            onder een godsdienstuiting kán vallen.” Deze positie is historisch te verklaren en
                            betreft een belangrijk beginsel van de godsdienstvrijheid, maar levert uiteraard
                            ook wel de nodige problemen op, met name vanuit het perspectief van de positie
                            van de vrouw.
                            De voorbeelden geven aan dat het niet makkelijk is een eenduidig beroep te doen
                            op grondrechten. Er zal altijd sprake moeten zijn van een interpretatie in de
                            specifieke context. Alle genoemde voorbeelden laten zien dat de kwestie van de
                            positie van de vrouw wordt omzeild door argumenten uit een andere sfeer te
                            halen. Aangezien in deze gevallen het recht om een hoofddoek te mogen dragen
                            wordt opgeëist, is deze positie meestal niet als zodanig aan de orde. Het dragen
                            van een hoofddoek is voor veel jonge moslimvrouwen een bewuste keuze en een
                            uiting van trots en een eigen identiteit (Saharso 2000; Phalet et al. 2000). Een
                            vraag die echter ook vaak in deze context wordt gesteld, is in hoeverre het dragen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 184 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 185 ======================================================================

<pre>                                                     samenleven met verschillende culturele normen
van een hoofddoek een individuele keuze is of niet. Wordt de hoofddoek gedra-
gen onder druk van een patriarchale cultuur en dient dan de hoofddoek met een
beroep op het principe van seksegelijkheid verboden te worden, in plaats van
deze toe te laten uit naam van godsdienstvrijheid? Daar komt bij dat met de
directe verbinding van het dragen van een hoofddoek met de islam, per definitie
een bepaalde interpretatie van de islam wordt gehanteerd (Verhaar 1999). Zoals
hierboven echter al werd aangegeven, heeft de rechter zich, bij monde van de
Hoge Raad, onbevoegd verklaard waar het gaat om interpretatie van ‘theologi-
sche leerstellingen’, inclusief hoofddoekjes in welke vorm dan ook. Het gaat in
deze gevallen in essentie om de vraag of er een spanning bestaat tussen ‘multi-
culturalisme’ en feminisme (Saharso 2000). Een debat dat enige jaren geleden op
scherp werd gezet door de Amerikaanse filosofe Okin in een essay onder de veel-
zeggende titel Is multiculturalism bad for women?, een vraag die zij volmondig
met ‘ja’ beantwoorde. Over haar stelling dat vrouwen de verliezers zijn wanneer
er speciale rechten worden toegekend aan minderheidsculturen is binnen en
buiten de kringen van de vrouwenstudies en etnische studies heftig gedebat-
teerd. Het gebrek aan een eenduidig antwoord heeft zowel te maken met theore-
tische posities die worden ingenomen (voor een overzicht zie Saharso 2000) als
met de diversiteit van de groep waarover het debat wordt gevoerd. Voorbeelden
waarbij het dragen van een hoofddoek samengaat met een eigen identiteit en                         183
emancipatie zijn net zo goed te vinden als voorbeelden waarbij de hoofddoek
een uiting en element is van zeer traditionele man-vrouwverhoudingen.
Verwacht mag worden dat een verbetering van de positie van vrouwen meer
gediend is bij pluralisme binnen de moslimgemeenschap en bij een expliciete
afweging tussen het ‘culturele recht’ op het dragen van een hoofddoek en het
recht van vrouwen op keuzevrijheid. Deze twee rechten zijn niet per definitie
strijdig met elkaar; waar het om gaat is de context waarbinnen die culturele rech-
ten worden uitgeoefend: ongelijke machtsverhoudingen kunnen ertoe leiden dat
een recht in de praktijk verwordt tot een plicht (Verhaar 1999). Het lastige is
natuurlijk dat die context (dwang, drang of eigen keuze) veelal niet duidelijk is
en dat de beoordelaars in de rechterlijke macht zich goeddeels onbevoegd hebben
verklaard voor de interpretatie hiervan.
De kwetsbare positie van vrouwen uit zich ook in het slachtofferschap van
huiselijk geweld. Hoewel exacte gegevens hierover niet bekend zijn, nemen
bijvoorbeeld aantallen allochtone vrouwen die zich bij de blijf-van-mijn-lijfhui-
zen melden sterk toe: inmiddels zou het om ruim 60 procent gaan (Ulger 2003).
Uit een recent onderzoek in opdracht van het ministerie van Justitie (Van Dijk et
al. 2002) naar huiselijk geweld onder de vier grote groepen allochtonen bleek
huiselijk geweld minder voor te komen in vergelijking met autochtonen (24% en
35% respectievelijk), maar ging het wel vaak om intenser geweld. De onderzoe-
kers schatten echter in dat er sprake is van een behoorlijke onderrapportage van
huiselijk geweld onder allochtonen. Hoe dan ook gaat het om een significant
probleem onder zowel autochtonen als allochtonen. De vraag is natuurlijk in
hoeverre huiselijk geweld onder allochtone groepen elementen bevat die het
‘apart’ zet van huiselijk geweld in algemene zin. Een mogelijke factor is dan (het
</pre>

====================================================================== Einde pagina 185 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 186 ======================================================================

<pre>    wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                            misbruiken van) een groepsnorm die geweld rechtvaardigt. Het meest gecompli-
                            ceerde geval is ook hier het geval waarin zowel dader als slachtoffer in een norm
                            gelooft die het gewelddadige gedrag rechtvaardigt. Hierbij moet echter worden
                            aangemerkt dat dergelijk gedrag in meer algemene termen vaak voorkomt bij
                            huiselijk geweld; dader maar ook slachtoffer gaat vaak op zoek naar een ‘verhaal’
                            dat het geweld rechtvaardigt. Het is dus moeilijk te zien wat de factor cultuur
                            hier significant maakt.
                            Een zeer specifiek geval van mishandeling betreft de besnijdenis van jonge meis-
                            jes die in Nederland met name voorkomt bij Somaliërs, Ghanezen en Egyptena-
                            ren. Specifieke gegevens over Nederland zijn nauwelijks bekend, mede vanwege
                            het taboe op het onderwerp in de gemeenschappen waarin het voorkomt (Fok-
                            kema et al. 2000). De medische en psychologische gevolgen van besnijdenis zijn
                            zeer groot: de meeste varianten van besnijding brengen grote risico’s met zich
                            mee voor de gezondheid die ook op de lange termijn blijven spelen (bijvoorbeeld
                            bij zwangerschappen). De internationale consensus over de afwijzing van vrou-
                            wenbesnijdenis is zeer groot, ondanks de wijde verspreiding van het verschijn-
                            sel. De wereldgezondheidsorganisatie van de vn veroordeelt vrouwenbesnijde-
                            nis (de organisatie spreekt van genitale verminking) als “een van de meest
184                         ernstige vormen van geweld tegen vrouwen en kinderen, een schending van
                            verscheidene universele mensenrechten (waaronder het recht op leven, vrijheid
                            en onschendbaarheid, lichamelijke zelfbeschikking en integriteit) en een gevaar
                            voor de gezondheid”. Ook de vn namen zelf in 1999 unaniem een resolutie aan
                            die landen oproept vrouwenbesnijdenis uit te bannen (Fokkema et al. 2000). In
                            de ogen van de Nederlandse wetgever gaat het in ieder geval om een mishande-
                            lingsdelict waarvoor de ouders kunnen worden vervolgd (Minister van Justitie
                            2001). Tot op heden is er in Nederland echter nog nooit een veroordeling geweest
                            voor vrouwenbesnijdenis. Bij deze praktijk wordt duidelijk een groepsnorm
                            opgelegd aan individuele, minderjarige kinderen waarbij de meeste ouders
                            zullen handelen vanuit de idee dat ze doen wat het beste voor hun kind is. Door
                            de zware aspecten van gezondheid en psychisch trauma onderscheidt het
                            gebruik zich van besnijdenis van jongens, zoals die voorkomt bij joden en mos-
                            lims en waar ook de lichamelijke integriteit van het kind in het geding is. Ook
                            hier speelt de vraag voor de overheid of en in hoeverre ze in het gezinsleven van
                            haar ingezetenen in wil grijpen. Het beleid zoals het nu geformuleerd is, leunt
                            hoofdzakelijk op informatievoorziening: “Het Nederlandse beleid beoogt door
                            middel van bewustwording op termijn te komen tot uitbanning van vrouwenbe-
                            snijdenis in Nederland” (Minister van Justitie 2001: 8). Hoewel informatievoor-
                            ziening in aanvulling op wetgeving zeker nodig is, zou gezien de ernst van de
                            problematiek toch meer verwacht kunnen worden. Zo handelt de hierboven
                            vermelde brief van de minister van Justitie alleen over Somalische vrouwen,
                            terwijl bekend is dat de praktijk waarschijnlijk wijder verspreid is onder andere
                            migrantengroepen in Nederland. Gezien het feit dat men een redelijk idee kan
                            hebben van de risicogroepen in de Nederlandse samenleving (zie bijvoorbeeld de
                            inschatting daarvan voor Somalische meisjes in de risicocategorie in de brief van
                            de minister van Justitie), zou een meer gerichte aanpak mogelijk en wenselijk
</pre>

====================================================================== Einde pagina 186 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 187 ======================================================================

<pre>                                                           samenleven met verschillende culturele normen
      zijn. De huidige activiteiten wijzen er bepaald niet op dat de bestrijding van
      vrouwenbesnijdenis een speerpunt van het overheidsbeleid is.
6.3.3 positie van het kind ten opzichte van de ouder s
      Opvoeding
      Bij het zoeken naar verklaringen voor culturele verschillen wordt vaak gewezen
      op verschillen in opvoedingspatronen. In de ene cultuur gelden andere waarden
      dan in de andere en die waarden worden bij uitstek via de opvoeding overgedra-
      gen. Ook is de verwachting dat er culturele verschillen zijn in de mate waarin
      waarden van ouders met die van kinderen overeenkomen. Via de opvoeding
      brengen ouders hun kinderen normbesef bij. Het zogenaamde normloos gedrag
      bij jongeren – in het bijzonder criminele jongeren – wordt voor een deel ook
      toegeschreven aan de onmacht en de onwil van ouders om normen over te
      dragen. Opmerkelijk is dat in deze redenering het (impliciete) uitgangspunt is
      dat ouders er wel de gewenste waarden op zouden nahouden, maar deze niet
      kunnen overdragen op hun kinderen (De Regt en Brinkgreve 2000). Uit onder-
      zoek in westerse landen, waaronder Nederland, is echter gebleken dat er sprake is
      van een grote overeenkomst tussen ouderen en jongeren (Rispens 1996; Meeus
      en ’t Hart 1994). Jongeren zijn gemiddeld gesproken economisch iets conserva-                      185
      tiever (meer nadruk op economische vrijheid, op concurrentie en op bezit, en
      voelen zich iets minder aangetrokken tot een egalitaire inkomenspolitiek) en zijn
      cultureel iets progressiever dan ouderen. Jongeren zijn bijvoorbeeld meer gepor-
      teerd voor seksuele vrijheid en voor een egalitaire verhouding tussen mannen en
      vrouwen, waarbij op het laatste punt het sekseverschil groter is dan het leeftijds-
      verschil. Jongeren willen in wezen hetzelfde als hun ouders: een goede baan,
      trouwen, kinderen en een eigen huis.
      De vraag is nu of er etnische verschillen zijn in opvoedingswaarden, of de opvoe-
      dingswaarden sterk afwijken van de Nederlandse (westerse) opvoedingswaarden
      en of er verschillen zijn tussen ouders en kinderen. Van der Hoek (2000) geeft
      een overzicht van vier studies naar opvoedingspatronen in Chinese, Turkse,
      Marokkaanse en Surinaams-creoolse gezinnen. Deze onderzoeken laten zien dat
      deze vier groepen tamelijk overeenkomen in de opvoedingsdoelen die zij nastre-
      ven en in wat zij belangrijk vinden voor hun kinderen. Prestatiedoelen worden
      het meest genoemd (een opleiding halen, werk vinden, persoonlijke inzet)
      gevolgd door conformistische doelen. Het gaat hier om meer dan gehoorzaam-
      heid en respect tonen aan de ouders. Deze aspecten hebben zelfs aan belang inge-
      boet ten gunste van een meer open relatie tussen ouders en kinderen. Genoemd
      worden beleefdheid, goede manieren en bescheiden gedrag. Van der Hoek (2002)
      geeft verder aan dat ouders in alle vier de populaties de term ‘op het rechte pad
      blijven’ gebruiken. Het gaat hier in feite om de morele kant van conformisme:
      weten wat goed en slecht is. Bij jongens ligt de nadruk op zaken zoals stelen,
      drugs gebruiken, op straat rondhangen, bij meisjes staat kuisheid centraal. Na
      maatschappelijke prestatie en conformisme worden in volgorde van belangrijk-
      heid achtereenvolgens genoemd: sociale autonomie, sociabiliteit en welbevin-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 187 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 188 ======================================================================

<pre>    wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                            den. Sociabiliteit en autonomie zijn waarden die voor de vier groepen migranten
                            dicht bij elkaar liggen. Bij sociabiliteit gaat om de sociale eigenschappen die
                            ouders graag in hun kinderen willen zien: behulpzaamheid, sociaal voelend zijn,
                            begrip hebben, betrouwbaarheid, tolerantie en rekening houden met anderen. Bij
                            autonomie gaat het meer om sociale autonomie, omdat ouders in de vier popula-
                            ties – anders dan Nederlandse ouders – niet zozeer de nadruk leggen op puur
                            individuele eigenschappen zoals zelfstandigheid en onafhankelijkheid, maar
                            meer op sociale eigenschappen zoals eerlijkheid, zelfredzaamheid, zelfvertrou-
                            wen en verantwoordelijkheid. Uit onderzoek onder Marokkaanse moeders (Pels
                            1998) komt naar voren dat het vooral gaat om een vorm van praktische zelfstan-
                            digheid: taken in de huishouding op zich kunnen nemen, het helpen van de
                            jongere kinderen, voor zichzelf kunnen zorgen. “Zelfstandigheid in de zin van
                            onafhankelijkheid, zich losmaken van de ouders en de eigen gang gaan komt
                            nauwelijks op het repertoire voor” (Pels 1998). Overigens leggen Surinaams-
                            creoolse ouders wel meer nadruk op individualistische aspecten, zoals weten wat
                            je wilt en voor jezelf opkomen. Zij geven echter aan dat deze eigenschappen
                            vooral belangrijk zijn om je staande te kunnen houden in de Nederlandse samen-
                            leving; deze eigenschappen passen veel minder in de eigen creoolse omgeving
                            (Nijsten 1999).
186
                            Als we deze uitkomsten vergelijken met Nederlandse opvoedingswaarden, dan
                            blijkt dat dezelfde waarden belangrijk worden gevonden, maar dat de volgorde
                            van belangrijkheid anders ligt: autonomie en welbevinden scoren het hoogst.
                            Daarbij wordt autonomie in de Nederlandse context opgevat als een individuele
                            eigenschap met een sterke nadruk op onafhankelijkheid. Maatschappelijke
                            prestaties en conformisme scoren relatief het laagst. Bij deze vergelijking passen
                            twee kanttekeningen. In de eerste plaats zijn de verschillen gradueel en in de
                            tweede plaats worden de verschillen beïnvloed door sociaal-economische
                            omstandigheden. Nederlandse ouders uit de lagere sociaal-economische klassen
                            komen, als het gaat om de hiërarchie van opvoedingswaarden, dicht in de buurt
                            van migrantenouders, die ook overwegend uit de lagere sociaal-economische
                            klassen komen. Bij opvoeding gaat het niet alleen om de opvoedingswaarden
                            maar ook om de opvoedingspraktijk. Met uitzondering van de creoolse populatie
                            blijkt de communicatie tussen ouderen en jongeren veelal beperkt te zijn tot
                            eenrichtingverkeer: de ouders geven hun mening, of houden een belerend
                            verhaal, waarna de jongere zich schikt (Van der Hoek 2000) of tenminste de
                            schijn ophoudt (Yerden 2001). Hier blijkt dat meisjes zich meer dan jongens
                            conformeren aan de wensen van hun ouders. Hoewel de ouders van de onder-
                            zochte groepen van mening zijn dat zij een meer open en vrijere opvoeding
                            geven aan hun kinderen dan de opvoeding die zij zelf hebben genoten, is in de
                            praktijk nauwelijks ruimte voor een gesprek over heikele onderwerpen. Bij
                            conflicten wordt verwacht dat jongeren zich aanpassen aan de ouders.
                            In de hier aangehaalde onderzoeken wordt, zoals gezegd, ook aandacht besteed
                            aan de veranderingen in opvoedingsstijl: ouders voeden zelf minder streng op
                            dan zij zelf zijn opgevoed. Opmerkelijk daarbij is dat de veranderingen – naar
</pre>

====================================================================== Einde pagina 188 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 189 ======================================================================

<pre>                                                      samenleven met verschillende culturele normen
eigen zeggen – primair worden ingegeven door veranderingen in het land van
herkomst. Slechts in beperkte mate worden aspecten overgenomen van de
Nederlandse opvoeding. Voor deze opvoeding hebben zij over het algemeen
weinig waardering: te weinig respect tussen ouders en kinderen, te vrije omgang
tussen de seksen en een te vrije opvoeding van meisjes. Hierbij moet worden
opgemerkt dat deze waardering vooral gebaseerd is op wat zij op school zien en
meemaken. Net zoals dat voor de Nederlanders geldt, hebben zij weinig direct
zicht op opvoedingsstijlen in de thuissituatie. De confrontatie tussen opvoe-
dingsstijlen is het scherpst in de fase van de puberteit. Voor alle onderzochte
ouders geldt dat zij juist in deze fase te maken krijgen met verschillen in normen
en waarden die de opvoeding erg bemoeilijken: grote mond, onbeleefdheid en
openlijke aantasting van het ouderlijk gezag vinden zij ongepast. Zij verwachten
juist dat kinderen op die leeftijd in moreel en sociaal opzicht weten hoe het
hoort en in staat zijn om zelfstandig gezinstaken te vervullen. Het is met name in
de puberteit en de adolescentie dat ouders moeten laveren tussen eigen waarden
en normen en die van de Nederlandse samenleving. Dit geldt overigens ook voor
de kinderen. De invloeden van vriendjes en vriendinnetjes zijn in deze fase sterk
en het is natuurlijk ook de fase waarin belangrijke keuzes worden gemaakt.
Gearrangeerde huwelijken                                                                            187
Het huwelijk of een andere relatievorm wordt in Nederland gezien als een indivi-
duele keuze die vrijwillig aangegaan wordt. Vanuit dit perspectief wordt er in
Nederland veelal met een scheef oog gekeken naar het gearrangeerde huwelijk
dat onder bepaalde groepen in Nederland, zoals Hindoestanen, Turken en
Marokkanen (veel) voorkomt. Hoewel Hooghiemstra (2000) er terecht op wijst
dat het gearrangeerde huwelijk wereldwijd gezien nog steeds de meest voorko-
mende manier is waarop een huwelijk totstandkomt, is het in Nederland in de
afgelopen decennia verdrongen door de vrije partnerkeuze. Een gearrangeerd
huwelijk, waarbij de wederzijdse families het voortouw nemen in het bijeen-
brengen van de partners, moet echter wel onderscheiden worden van een
gedwongen huwelijk waarbij (een van) de partners zelf geen enkele keuze meer
wordt toegestaan, ook niet de keuze om eenvoudigweg nee te zeggen.4 Het gear-
rangeerde huwelijk wordt in Nederland vooral geassocieerd met Marokkanen en
Turken die in relatief groten getale huwelijkspartners over laten komen uit het
land van herkomst. Onder deze huwelijken bevinden zich ook gedwongen
huwelijken, zoals blijkt uit verschillende studies (Hooghiemstra 2003). Alge-
meen gesteld is het moeilijk vast te stellen waar en wanneer advies en ouderlijke
betrokkenheid overgaan in drang of zelfs dwang, zeker als de loyaliteitsgevoelens
van kinderen ten opzichte van ouders groot zijn. Daarnaast speelt mee dat jonge-
ren zelf het passend of zelfs aantrekkelijk kunnen vinden om – net zoals leeftijd-
genoten – met een partner van het land van herkomst te trouwen. Vermeldens-
waard is echter het gegeven dat, hoewel een overgrote meerderheid (75%) van de
migranten van Turkse en Marokkaanse afkomst met een partner trouwt uit het
land van herkomst, er toch sprake is van een lichte kentering. Voor deze groepen
geldt dat er sinds begin jaren tachtig een lichte doch constante daling is opgetre-
den in het percentage mannen en vrouwen dat met een partner uit het land van
</pre>

====================================================================== Einde pagina 189 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 190 ======================================================================

<pre>    wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                            herkomst trouwt, ten gunste van gemengde huwelijken en ten gunste van huwe-
                            lijken met herkomstgenoten in Nederland. Wanneer gekeken wordt naar de
                            verschillen in huwelijksgedrag over de generaties, dan is sprake van een toene-
                            mende gerichtheid op Nederland (bij Marokkanen iets meer dan bij Turken) bij
                            het zoeken van een partner (Hooghiemstra 2003). Bij deze gegevens moet de
                            kanttekening worden geplaatst dat bij deze trends en cijfers de ontbindingen van
                            huwelijken niet zijn meegenomen. Over deze ontbindingen is weinig bekend.
                            Aangezien veel Nederlandse Turken en Marokkanen hun partners uit het land
                            van herkomst over laten komen in het kader van de regelingen voor gezinsvor-
                            ming, heeft de overheid het probleem vooral als een immigratiekwestie be-
                            schouwd. De maatregelen die tot stand zijn gekomen, betreffen het vreemdelin-
                            genbeleid en zijn erop gericht deze migratie tegen te gaan door middel van het
                            ophogen van de voorwaarden om naar Nederland te mogen migreren. Om zoge-
                            naamde importhuwelijken te ontmoedigen worden er financiële eisen gesteld
                            aan de partner die in Nederland verblijft. Deze zijn gedurende de afgelopen jaren
                            verzwaard. Bovendien wordt de vereiste huwelijksleeftijd verhoogd. De binnen-
                            komende partner wordt, als de financiële horden eenmaal genomen zijn, echter
                            nauwelijks door de overheid opgemerkt (Broeders en Meurs 2002). Hoewel het
188                         ondenkbaar is dat de overheid zich direct met de partnerkeuze van haar onderda-
                            nen gaat bemoeien, verhoudt de eenzijdige aandacht voor de immigratiekant van
                            dit vraagstuk zich slecht met de emancipatiedoelstellingen van het overheidsbe-
                            leid. Zo is de afhankelijke verblijfstitel van partners in het kader van gezinsvor-
                            ming voor sommige wetenschappers en politici al jaren een steen des aanstoots,
                            omdat het (vooral) vrouwen in een kwetsbare en afhankelijke positie plaatst (zie
                            bijvoorbeeld Spijkerboer 2002 en Staatssecretaris van Justitie 2000).
                6.3.4       het opleggen van de groepsnormen aan de samenleving als
                            geheel
                            Met het verabsoluteren van de normen van de eigen groep wordt bedoeld dat een
                            groep de eigen waarden niet alleen van toepassing zou willen zien op de eigen
                            groep, maar op de samenleving als geheel. Aangezien dit bijna een definitie van
                            de ‘politieke partij’ behelst, zal duidelijk zijn dat het hier gaat om groepen die
                            daarbij de grenzen van de rechtsstaat en het politieke proces in twijfel trekken of
                            zelfs verwerpen. Meestal spreekt men van politiek en/of religieus fundamenta-
                            lisme. De laatste tijd is de aandacht voornamelijk gericht op islamitisch funda-
                            mentalisme, oftewel islamisme (zie voor een uitgebreide beschrijving van isla-
                            misme Buijs 2002a; Buijs en Harchaoui 2003). In het verleden zijn er echter ook
                            andere groepen geweest die zich radicaal afzetten tegen de Nederlandse samen-
                            leving en rechtsstaat en met extreme middelen een eigen agenda aan de samen-
                            leving probeerden op te leggen. Te denken valt aan de Molukkers in de jaren
                            zeventig die in feite een buitenlandse agenda nastreefden, maar ook aan de kraak-
                            beweging die zich begin jaren tachtig organiseerde onder de veelzeggende slogan
                            ‘Uw rechtsstaat is de mijne niet’. Zeker in de nasleep van de aanslagen in Amerika
                            van 11 september 2001 staat in Nederland echter de vraag centraal in hoeverre
</pre>

====================================================================== Einde pagina 190 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 191 ======================================================================

<pre>                                                      samenleven met verschillende culturele normen
Nederlandse moslims betrokken zijn bij islamistische stromingen en hoe groot
de aantrekkingskracht van deze stroming op moslims in Nederland is. De aivd
(2002) constateerde, in een rapport met de weinig geruststellende titel Rekrute-
ring in Nederland voor de Jihad. Van incident naar trend, dat deze aantrekkings-
kracht ook in Nederland aanwezig is. Ook bij dit onderwerp staan met name
jonge Marokkanen weer in de schijnwerpers. Het is bij het probleem van het isla-
misme moeilijk laveren tussen een effectieve en open aanpak van het probleem
en het voorkomen van stigmatisering en het voeden van (onterechte) angsten.
Buijs en Harchaoui (2003) wijzen erop dat jongeren die het in sociaal-econo-
misch opzicht goed doen maar die gefrustreerd worden in hun ontwikkeling en
weinig respect krijgen – die zich in criminologische terminologie ‘gekrenkt’
voelen – beïnvloedbaar zijn voor handige rekruteurs die “een causaal verband
stellen tussen hun lage welbevinden, het feit dat ze zijn afgedwaald van het ware
geloof en de immoraliteit van de Nederlandse samenleving” (Buijs en Harchaoui
2003: 107).
Hoewel (gewelddadig) politiek en religieus extremisme met alle kracht bestreden
moet worden, is het wel van groot belang te zoeken naar wegen die niet een
bepaalde bevolkingsgroep, zoals jonge Marokkaanse mannen, permanent in de
hoek van de verdachten plaatst. Dat dit geen denkbeeldig scenario is, kan een                       189
beetje afgelezen worden aan de heftige reacties die het oprichten van een Neder-
landse tak van de politieke beweging ael opriep bij sommige politici en com-
mentatoren. Deze organisatie, die een zekere aantrekkingskracht heeft op voor-
namelijk jonge Marokkanen, werd met een voor Nederland ongekende felheid
bekritiseerd en ter discussie gesteld. Er werd zelfs, nog voor oprichting in Neder-
land, in de Tweede Kamer al gezinspeeld op een verbod (Sijses en Huinder 2003).
Hoewel dit een partij is met een aantal scherpe kanten5, presenteert zij zich als
een democratische partij die het debat zoekt met de rest van de samenleving.
Bovendien is het positief dat de ael een groep jonge moslims die voorheen niet
vertegenwoordigd waren, binnen het democratische debat brengt. Dit ondanks
het feit dat bepaalde doelstellingen van de partij (zoals de invoering van de sjaria)
buiten het huidige kader van de democratie en rechtsstaat liggen. Zij willen die
doelstellingen immers binnen het democratische stelsel binnenhalen. cda-sena-
tor Woldring (2003) wijst er terecht op dat Nederland ruim honderd jaar erva-
ring heeft met wat hij ‘tolerantie van antidemocratisch fundamentalisme’
noemt, in de vorm van de sgp, een partij die het beginsel van de theocratie voor-
staat. Die tolerantie is gebaseerd op het feit dat deze partij weliswaar antidemo-
cratische idealen voorstaat, maar “geen rechtstreekse aanvallen doet op de
grondslagen van de rechtsstaat, de vrijheid van anderen niet aantast, geen
gebruikmaakt van geweld of bedreiging, niet aanzet tot haat en zich niet schul-
dig maakt aan discriminatie in strafrechtelijke zin” (Woldring 2003: 89).
Dezelfde redenering zou zijns inziens dus ook voor eventuele fundamentalisti-
sche moslimpartijen moeten gelden.
Zoals ook op andere plaatsen in dit rapport is betoogd, is de meest centrale
waarde van de Nederlandse rechtsstaat immers de waarde van pluriformiteit.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 191 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 192 ======================================================================

<pre>    wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                            Daartoe moeten de spelregels van de democratie en de rechtsstaat wel gewaar-
                            borgd zijn. Dat stelt eisen aan alle deelnemers aan het debat maar ook aan de
                            overheid die de randvoorwaarden voor het debat moet scheppen. In dit licht is
                            het opvallend dat de vvd-Kamerleden Wilders en Hirsi Ali recentelijk een plei-
                            dooi hielden voor een ‘liberale jihad’ waarin de spelregels niet meer gelijkelijk
                            voor iedereen zouden moeten gelden. Letterlijk stelden zij dat “voor het behoud
                            van een tolerant en liberaal Nederland moeten ook elementaire rechten en
                            wetten opzij worden gezet van de mensen die ze misbruiken en vervolgens
                            willen verwijderen als fundament van onze maatschappij”. Het is zeer de vraag
                            of de Nederlandse rechtsstaat en democratie gebaat zijn met een methode van
                            vuur met vuur bestrijden, waarin bijna noodzakelijkerwijs veel verworvenheden
                            verloren zullen gaan. De onderzoeker Buijs ziet gevaren in een dergelijke bestrij-
                            ding van extremisme: “Hier komen we bij de kern van de botsing tussen demo-
                            cratie en terreur, namelijk het gevaar dat de democratie precies die waarden en
                            normen opgeeft die ze juist wilde verdedigen” (Buijs 2002b). Hij bepleit juist een
                            opener debat, een ‘radicaal democratische revival’ waarin men zich afkeert van
                            een hardere opstelling tegenover minderheden in het debat, men meer ruimte
                            laat voor afwijkende meningen en een zelfgenoegzame houding in de trant van
                            ‘zij zijn achterlijk en wij met onze democratie zijn superieur’ vermijdt. Er moet
190                         ook meer moeite gedaan worden om daadwerkelijk een dialoog aan te gaan met
                            (potentiële) aanhangers en rekruten en zo ook de voedingbodem voor extremis-
                            me te adresseren. Hier is een integrale benadering op zijn plaats waarbij juist ook
                            gematigde moslims betrokken worden. Een daadwerkelijk preventief beleid
                            werkt waarschijnlijk het best wanneer extreme elementen binnen de groep door
                            de groep zelf uitgestoten worden (de voice van niet-radicale elementen binnen de
                            gemeenschap zou versterkt moeten worden). In de nasleep van het Molukse
                            terrorisme in de jaren zeventig werden ook niet alleen de daders bestraft, maar
                            werd er tevens een beleid ontwikkeld dat tot doel had Molukkers uit hun poli-
                            tieke isolement te halen (Van Dam, in Fennema 2002: 6).
                6.4         str ategieën
                            In dit hoofdstuk is betoogd dat sprake is van een glijdende schaal die loopt van
                            groepsnormen die niet of nauwelijks in strijd zijn met de normen van de samen-
                            leving als geheel, tot en met normen die daarmee fundamenteel in strijd zijn. Bij
                            het zoeken naar antwoorden en oplossingen is het van belang rekening te hou-
                            den met de verschillende posities op die glijdende schaal. Het gaat steeds om het
                            vinden van een ‘passende’ oplossing. Aan de hand van het onderzoek dat in dit
                            hoofdstuk is besproken, kunnen drie mechanismen worden onderscheiden om
                            problemen aan te pakken die het gevolg zijn van uiteenlopende normen:
                            • dulden;
                            • confronteren en beslechten;
                            • normeren en verbieden.
                            Deze drie mechanismen worden kort toegelicht.
                            Bij dulden gaat het om het aanvaarden van gedragingen/opvattingen van ande-
                            ren, ook al zijn deze niet geheel in overeenstemming met de eigen voorkeuren of
</pre>

====================================================================== Einde pagina 192 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 193 ======================================================================

<pre>                                                     samenleven met verschillende culturele normen
opvattingen. ‘Leven en laten leven’ is immers een belangrijke voorwaarde om te
kunnen samenleven. Dulden heeft te maken met tolerantie in de zin van “het
bewust achterwege laten van een negatieve reactie tegen iets of iemand waar
men reële en serieuze bezwaren tegen heeft” (Schuyt 2001: 117). Het gaat met
andere woorden om ‘een zone van gelatenheid’: situaties die als onprettig
worden ervaren, maar waarbij het niet past om actief tegen op te treden. De
Marokkaanse buurvrouw die op straat drie meter achter haar man loopt, is een
voorbeeld van een zone van gelatenheid: het getoonde gedrag wordt gezien als
een aantasting van het principe van gelijkwaardige verhoudingen tussen man en
vrouw, een reactie wordt echter achterwege gelaten. Ouders die de piercing van
hun dertienjarige dochter dulden, vormen in een geheel andere context een
voorbeeld van hetzelfde mechanisme: ouders keuren het af, want het is in strijd
met de eigen opvattingen over zedelijkheid en schoonheid, maar laten het erbij.
De voorbeelden die hier genoemd worden laten zien dat dulden als mechanisme
kan worden ingezet ter voorkoming van een te grote en zelfs onoverbrugbare
kloof tussen betrokkenen. Het verbieden van de piercing – zo zou de afweging
van de ouders kunnen zijn – kan leiden tot een ongewenste verwijdering tussen
ouders en kind en deze is veel moeilijker te aanvaarden dan de piercing zelf. Het
Marokkaanse echtpaar aanspreken op hun gedrag zou kunnen leiden tot een
ongewenste en wellicht moeilijk te beslechten burenruzie. Bij dulden gaat het                      191
om een min of meer bewuste afweging tussen (de effectiviteit van) het middel en
de aard van de kwaal. Dulden wijst op een zekere terughoudendheid bij het
beoordelen van het gedrag en actief ingrijpen in het gedrag van anderen.
Confronteren verwijst naar een meer actieve opstelling dan dulden. Het ‘er niet bij
laten zitten’ en het bespreekbaar maken en bediscussiëren van verschillen. De
achterliggende gedachte bij dit mechanisme is dat geconstateerde verschillen zo
problematisch zijn dat ze niet onbesproken kunnen blijven. Het bespreken van
verschillen kan behulpzaam zijn bij het accepteren van die verschillen (en dan
wordt het dulden), het verkleinen van verschillen dan wel het zetten van een vol-
gende stap: normeren of verbieden van het gedrag /de opvattingen die de ver-
schillen hebben veroorzaakt. Door de confrontatie aan te gaan worden de posities
duidelijk en worden partijen in hun standpunten ook serieus genomen. Daarnaast
is confrontatie een mechanisme dat kan worden ingezet in situaties waar sprake is
van diffuse grenzen tussen wat geoorloofd is en wat niet, waar niet zonder meer
een eenduidig standpunt kan worden ingenomen. Confrontatie krijgt ook vorm
en inhoud bij een open debat. Hierbij gaat het zeker niet uitsluitend om het debat
tussen groepen, het gesprek en de confrontatie binnen de groep is zeker zo be-
langrijk en in veel gevallen onontbeerlijk om tot veranderingen te komen. Vaak
gaat een debat tussen krantenkoppen over het hoofd van de groep in kwestie heen
en wordt er weinig geïnvesteerd in de direct betrokkenen. Voor uitermate belang-
rijke problemen, bijvoorbeeld de voedingsbodem voor extremisme binnen
bepaalde moslimkringen, is de interne confrontatie echter van het grootste belang
en een noodzakelijke, maar niet voldoende voorwaarde voor oplossingen.
Bij confronteren hoort beslechten. Het gaat immers om de uitwisseling en ver-
scherping van posities als een middel om een stap verder te komen en niet als een
</pre>

====================================================================== Einde pagina 193 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 194 ======================================================================

<pre>    wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                            middel om het conflict in stand te houden. Mechanismen van conflictbeslechting
                            beginnen bijvoorbeeld al bij de spelregels die in een bepaald debat worden afge-
                            sproken: niet op de man spelen, niet vloeken enzovoort. Ook valt te denken aan
                            allerlei vormen van mediation die in de formele en informele sfeer worden inge-
                            zet. Van de drie hier beschreven mechanismen zijn confronteren en beslechten
                            de moeilijkste. Er moet bereidheid zijn om de confrontatie aan te gaan zonder dat
                            er vooraf inzicht is in het resultaat. Het vergt een inspanningsverplichting om
                            problemen aan te kaarten, maar ook om eruit te komen. Bovendien wordt met
                            dit mechanisme uitgegaan van de principiële gelijkwaardigheid van de verschil-
                            lende posities en standpunten, terwijl die gelijkwaardigheid van posities nu juist
                            het strijdpunt is. Overigens, zo laat Ellian (2003) zien, valt op dit uitgangspunt
                            van principiële gelijkwaardigheid van standpunten het nodige af te dingen. Op
                            basis van een analyse van de jurisprudentie van zaken waarin sprake is van kwet-
                            sende meningen (zoals die van Janmaat en El Moumni) stelt hij dat religieuze en
                            niet-religieuze meningen in het strafrecht de facto verschillend worden behan-
                            deld. Zijn conclusie is “dat wie een heilig boek onder zijn arm heeft meer mag
                            zeggen dan iemand die zonder een heilig boek zijn gedachten openbaar maakt”.
                            Normeren – het woord zegt het al – betreft het stellen van een norm. Het gaat om
192                         het bepalen van wat wel en niet geboden en verboden is in een bepaalde situatie.
                            Bij het overtreden van juridische normen is het relatief overzichtelijk wat er
                            moet gebeuren. De rechter moet dat wat verboden is handhaven. In andere of
                            nieuwe situaties wordt een nieuwe norm gemaakt en opgelegd. De wijze waarop
                            met de hoofddoekjes wordt omgegaan in Nederland is hiervan een voorbeeld.
                            Het voorbeeld maakt overigens ook duidelijk dat het bij normeren niet altijd
                            hoeft te gaan om algemeen geldende normen, het kan ook gaan om contextge-
                            bonden normen die in een bepaalde situatie gevolgd moeten worden. Bij dit
                            mechanisme kan het bepalen van de norm lastig zijn. Nog moeilijker is – in
                            sommige van de voorbeelden uit dit hoofdstuk – het handhaven van de norm.
                            Zoals gezien in het voorgaande, gaat het in veel gevallen om gedrag om norm-
                            overschrijdend gedrag dat zich sterk in de privé-sfeer bevindt, hetgeen de moge-
                            lijkheden van de overheid in handelende zin sterk beperkt.
                            In de praktijk van vandaag wordt niet adequaat gebruikgemaakt van deze drie
                            mechanismen. Een beoordeling van wat passend is in een bepaalde situatie
                            wordt te gemakkelijk overgeslagen, met als gevolg dat oplossingen worden geko-
                            zen die de problemen kunnen verergeren in plaats van oplossen. Enkele jaren
                            geleden stelde De Beus (1998) zich nog teweer tegen de Nederlandse cultus van
                            vermijding waarin de Nederlandse samenleving en maatschappij waardegeladen
                            conflicten bij voorkeur uit de weg ging. Nu lijkt het debat alle kanten uit te gaan
                            en geen enkele ‘waarde’ meer te schuwen. Tegelijkertijd is gebleken dat een debat
                            over culturele verschillen en culturele waarden allesbehalve onschuldig is.
                            Woorden treffen hier wel degelijk doel en afhankelijk van de toon en de formule-
                            ringen kunnen wij-zij-tegenstellingen naarmate de tijd vordert behoorlijk
                            verharden. Onder deze omstandigheden gaan groepen migranten zich minder
                            welkom voelen dan voorheen en zich terugtrekken binnen de eigen groep. In de
</pre>

====================================================================== Einde pagina 194 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 195 ======================================================================

<pre>                                                           samenleven met verschillende culturele normen
    praktijk komt het ook voor dat eerst wordt ingezet op normeren en verbieden,
    terwijl confrontatie en beslechten gepast zouden zijn. Het organiseren van
    ‘deugdelijke vormen van confrontatie’ (gemeenschappelijke inzet, duidelijke
    spelregels en gericht op een werkbaar resultaat) is in eerste aanleg de verant-
    woordelijkheid van partijen zelf. Daarnaast kunnen en moeten de media een
    belangrijke bijdrage leveren.
    Voor de overheid geldt dat zij – meer dan nu gebeurt – moet bepalen waar zij zelf
    het debat over wil entameren en waarover niet. Een standpuntbepaling van de
    overheid is nodig in die kwesties die het beginsel van pluriformiteit van waarden
    aantasten, dan wel schuren tegen de principes van de democratische rechtsstaat.
    Deze kwesties kunnen niet in dit rapport of elders limitatief worden opgesomd.
    Het gaat erom dat de overheid alert is en blijft en weet wanneer zij moet ingrij-
    pen en op welke wijze en wanneer dulden en terughoudendheid aan de orde zijn.
    Wat de rol van de overheid betreft moet hier nog worden gewezen op het gege-
    ven dat daar waar problemen en misstanden zich in de privé-sfeer voordoen,
    haar interventiemogelijkheden beperkt zijn. Hiermee is echter niet gezegd dat
    ingrijpen onmogelijk is. Juist daar waar sprake is van ernstige vermoedens van
    groepsdwang moet de overheid garant staan voor een exit-optie en dient de over-
    heid de drempel van deze optie te verlagen. Dit kan de overheid doen door                            193
    bijvoorbeeld blijf-van-mijn-lijfhuizen in woord en daad beleidsmatig en finan-
    cieel te ondersteunen. Ook de versterkte inzet van de kinderbescherming en
    bijvoorbeeld vertrouwenspersonen op scholen kan drempelverlagend werken.
    De opdracht tot alertheid geldt niet alleen voor de overheid maar ook voor indi-
    viduen en instituties, zoals de school, het werk, de vrije tijdsverenigingen. Niet
    alleen de overheid maar ook burgers en organisaties hebben een taak in het lave-
    ren tussen de drie genoemde mechanismen als ingewikkelde culturele verschil-
    len in het geding zijn. Ook zij hebben een verantwoordelijkheid als het gaat om
    het opspelen, nuanceren dan wel downplayen van culturele verschillen. Het
    beginsel van behoud van waardepluriformiteit binnen de context van de demo-
    cratische rechtsstaat dient leidend te zijn bij het zoeken naar oplossingen voor
    die culturele verschillen die het samenleven bedreigen.
6.5 conclusies
    In dit hoofdstuk is de vraag behandeld in hoeverre sprake is van botsing van
    waardestelsels dan wel van uiteenlopende normen die het gevolg zijn van
    verschillen in culturele achtergronden. Meer in het bijzonder is aandacht besteed
    aan de betekenis van groepsnormen, omdat deze vaak door leden van de groep
    worden gebruikt om een bepaald gedrag te rechtvaardigen en door niet-leden om
    datzelfde gedrag af te keuren. Een nadere analyse aan de hand van voorbeelden
    van de werking van deze groepsnormen voor de groep zelf en voor de samenle-
    ving als geheel, heeft duidelijk gemaakt dat het weinig vruchtbaar is verschillen
    in gedrag, uiteenlopende opvattingen over wat hoort en wat niet hoort in alge-
    mene zin te beschouwen als een ‘normen- en waardenkwestie’. Het gevaar – en
    dat is de laatste tijd gebleken – is levensgroot dat het steeds opnieuw labelen van
</pre>

====================================================================== Einde pagina 195 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 196 ======================================================================

<pre>    wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                            verschillen in termen van andere (afwijkende) normen en waarden leidt tot een
                            reactie gericht op eenvormigheid (monoculturaliteit) en onterechte uitvergro-
                            ting van verschillen. Een dergelijke reactie is in strijd met het beginsel van
                            waardepluriformiteit dat in de Nederlandse samenleving centraal staat. Daaren-
                            boven heeft labeling ongewenste neveneffecten zoals het isoleren en stigmatise-
                            ren van groepen, waardoor ook de capaciteiten en talenten van dergelijke groe-
                            pen on(der)benut blijven. De maatschappij heeft hier met andere woorden ook
                            gewoon een welbegrepen eigenbelang (vgl. Veenman 2003).
                            Hiermee is natuurlijk niet gezegd dat er helemaal geen problemen zijn in een
                            samenleving die steeds meer te maken heeft met culturele diversiteit. Sommige
                            praktijken van leden van bepaalde (etnische) groepen zijn in strijd met de Neder-
                            landse wet, andere praktijken verhouden zich zeer moeizaam met wat in Neder-
                            land belangrijk wordt gevonden – bijvoorbeeld het principe van individuele
                            autonomie – en er zijn situaties die als ongemakkelijk zijn te bestempelen. Er is
                            – zo is betoogd – sprake van een glijdende schaal in de mate waarin (groeps)nor-
                            men strijdig zijn met wat in Nederland aanvaarde normen zijn. Bij het inzetten
                            van strategieën om met deze verschillen en strijdpunten om te gaan, is het van
                            belang goed af te wegen wat passend is in welke situatie. Dit criterium van
194                         ‘passendheid’ kan niet zonder meer en op voorhand worden ingevuld. In veel
                            gevallen zal de context waarbinnen verschillen en strijdpunten zich voordoen in
                            ogenschouw moeten worden genomen. Evenmin kan op voorhand worden
                            bepaald wie verantwoordelijk is om wat te doen. In dit hoofdstuk is aan de hand
                            van de verschillende voorbeelden duidelijk gemaakt dat individuen, leden van de
                            groep en instituties, zoals school en werk, hier een taak hebben.
                            De overheid heeft echter een bijzondere verantwoordelijkheid. Uiteindelijk is
                            het aan de overheid om te garanderen dat er een maatschappelijk klimaat is
                            waarin groepen goed met elkaar kunnen samenleven. Dat samenleven vindt
                            plaats binnen de kaders van de democratische rechtsstaat en de gedeelde waarden
                            zoals deze in hoofdstuk 5 zijn beschreven. Het spreekt vanzelf dat de overheid de
                            eerstverantwoordelijke is bij het normeren, verbieden en handhaven van praktij-
                            ken die in strijd zijn met de wet. De overheid zou in dit opzicht – meer dan nu
                            gebeurt – zichtbaar moeten optreden en duidelijk maken wat in Nederland niet
                            geaccepteerd wordt. Aan de andere kant van het spectrum kan de overheid
                            bevorderen dat verschillen geaccepteerd worden en dat het dulden van verschil-
                            len een noodzakelijke voorwaarde is voor het goede leven. De overheid kan en
                            moet zelf het voorbeeld geven en de bepleite zones van gelatenheid ook zelf in
                            ere houden. In het tussengebied waar zich situaties kunnen voordoen die niet
                            zonder meer onwettig zijn, maar wel zodanig conflictueus dat oplossingen nodig
                            zijn, heeft de overheid een procedurele rol te vervullen. Deze rol kan afhankelijk
                            van de situatie andere vormen aannemen. Waar het om gaat is dat verschillen
                            van mening en conflicten op tafel komen en worden besproken en dat er
                            voldoende conflictbeslechtende mechanismen voorhanden zijn om tot een
                            oplossing te komen dan wel tot een aanvaardbaar compromis. Overigens is hier-
                            mee niet gezegd dat deze procedurele rol uitsluitend door de overheid dient te
</pre>

====================================================================== Einde pagina 196 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 197 ======================================================================

<pre>                                                    samenleven met verschillende culturele normen
worden vervuld, integendeel. Instituties en burgers zelf hebben hierin ook een
rol. In meer algemene zin kan gezegd worden dat de overheid ervoor moet
zorgen dat burgers voldoende zijn toegerust om met die confrontaties en conflic-
ten om te gaan. Dit is uiteraard een langetermijnkwestie, maar daarom niet
minder belangrijk. De rol van de overheid is delicaat waar het gaat om groepsnor-
men die primair de privé-sfeer betreffen. Dit betekent niet dat de overheid niets
kan doen. Ten eerste moet zij burgers toerusten om hun stem te laten horen en
in sommige gevallen een podium organiseren. Groepsleden kunnen de geschil-
punten in de openbaarheid brengen, de discussie in eigen geledingen aanzwen-
gelen en bijdragen aan een verandering van knellende of voor hen onaanvaard-
bare normen. Ten tweede is de overheid verantwoordelijk voor de garantie van
de zogenaamde exit-optie, mogelijkheden bieden voor betrokkenen om uit de
groep te stappen.
                                                                                                  195
</pre>

====================================================================== Einde pagina 197 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 198 ======================================================================

<pre>    wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                noten
                1
                            Zie voor een uitgebreide analyse van de berichtgeving in de media na de aansla-
                            gen van 11 september 2001: Fennema (2002).
                2
                            Hierop zijn natuurlijk al de eerste uitzonderingen zoals het onderzoek van
                            Van den Tillaart et al. (2000) onder vluchtelingen uit Afghanistan, Ethiopië en
                            Eritrea, Iran, Somalië en Vietnam.
                3
                            Een heel duidelijk voorbeeld hiervan is te vinden in de aanpak van de integratie-
                            problemen van Somalische jongeren in Den Haag. Aangezien deze problematiek
                            voor een deel veroorzaakt wordt door de integratieproblemen van de oudere
                            generatie, wordt die nu meegenomen in de aanpak van het probleem (Van den
                            Tillaart en Warmerdam 2003).
                4
                            Zie voor dit onderscheid bijvoorbeeld: Working group on Forced Marriage
                            (2000) A choice by right. Londen: Home Office communications directorate,
                            p. 10.
                5
                            Hierbij gaat de aandacht met name uit naar de buitenlandse politiek en het stand-
                            punt van de ael over de staat Israël waarvan zij het bestaansrecht niet erkent.
196                         Overigens tolereert Nederland wel meer organisaties die er een specifieke
                            mening op nahouden over de legitimiteit of het bestaansrecht van soevereine
                            staten, zoals de rms (de Molukken) en Koerdische organisaties.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 198 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 199 ======================================================================

<pre>                                                                         de bijdrage van de samenleving
7   de bijdr age van de samenleving
7.1 inleiding: deel van het probleem , deel van de
    oplossing
    Waarden en normen ontstaan en worden overgedragen in de interacties tussen
    personen, binnen maatschappelijke instituties en organisaties en in de samen-
    leving als geheel. In dit hoofdstuk komt de vraag aan de orde wat de maatschap-
    pij zelf bijdraagt aan de handhaving van door haarzelf ontwikkelde waarden
    en zelf opgestelde normen. Als men zich beklaagt over een mogelijk verval van
    waarden en normen, dan moet de oorsprong daarvan toch in eerste instantie
    gezocht worden in de samenlevingsverbanden zelf. Het is opvallend dat in de
    discussies over waarden en normen vooral het gedrag van anderen wordt bekri-
    tiseerd: zij houden zich niet aan onze normen; jouw gedrag voldoet niet aan
    mijn maatstaven (vgl. de Belevingsmonitor van de regering). De oplossing
    wordt vervolgens van de overheid gevraagd, maar het is duidelijk dat dit een veel
    te eenzijdige benadering van het probleem is. De samenleving is deel van het
    probleem en moet daarom ook een onderdeel van de oplossing uitmaken.
    Maar wie is de samenleving? De bekende Sire-reclame, waarin iemand u met                            197
    een vinger aanwijst en zegt: ‘De samenleving, dat ben jij’, geeft op deze prik-
    kelende vraag een duidelijk antwoord, maar het is eerder een oproep dan een
    vaststelling. Juist de noodzaak van dergelijke reclameteksten duidt op het
    verdwijnen van een vanzelfsprekend wij-perspectief en op de kracht van een
    individualiseringstendens, die het onderlinge vertrouwen mogelijkerwijs aan
    het ondergraven is.
    Want wie zijn die wij? Allereerst zijn dit individuen, in meer of minder losse
    verbanden. Het is een feit dat oude instituties zoals kerkelijke instellingen of
    vakbonden hun invloed hebben zien afnemen. Individuen kiezen meer zelf hoe
    ze hun leven inrichten en kiezen meer voor zichzelf. Ze verbinden zich in minder
    hechte sociale relaties en in vluchtigere netwerken. Hiermee zijn niet alleen
    meer open en informele verbanden ontstaan en is tevens de variëteit aan verban-
    den gegroeid, maar is ook de structurerende invloed van lange tijd dominante
    sociale instituties op het gedrag afgenomen. Ook de invloed van gezin en opvoe-
    ding, een van de oudste primaire sociale verbanden, is afgenomen. Tegelijkertijd
    is het patroon van opvoeding zeer gevarieerd geworden. Er zijn nog steeds
    strenge ouders die hun kinderen met strikte geboden en verboden opvoeden en
    er zijn ouders die een vrije opvoeding geven en die veel minder strenge gedrags-
    regels aan hun kinderen opleggen. Veel kinderen groeien op in eenoudergezin-
    nen of zelfs zonder ouders of opvoeders. Al deze verschillend getrainde kinde-
    ren, komen elkaar voor het eerst tegen op de basisschool, die met deze veelvoud
    aan aangeleerde nette en onnette, beleefde en onbeleefde, prettige en onprettige
    gedragingen moet zien om te gaan. Een groot deel van het probleem van waarden
    en normen is te vinden in veranderde opvoedingspatronen, maar dit is tegelij-
    kertijd een maatschappelijke sfeer waar de overheid het minst in kan of wil inter-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 199 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 200 ======================================================================

<pre>    wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                            veniëren. Opvoeding en onderwijs vormen dus een deel van het probleem en
                            vormen evenzeer een deel van de oplossing.
                            Hetzelfde kan gezegd worden van andere instituties en organisaties binnen die
                            instituties. De moderne media oefenen een enorme invloed uit op het gedrag en
                            op het normbesef van kinderen en volwassenen. Een tendens tot het uitvergro-
                            ten van extreme, conflictrijke en aandachttrekkende gedragingen is niet vreemd
                            aan media als internet, televisie, film en video. Maar tegelijkertijd hoeven de
                            particuliere organisaties achter deze media nauwelijks verantwoording af te
                            leggen voor de mogelijke negatieve gevolgen van hun eigen optreden. Moderne
                            media zijn dus, net als andere sociale instituties, in meer of mindere mate onder-
                            deel van het probleem van waarden en normen, terwijl ze wellicht ook kunnen
                            bijdragen aan de oplossing ervan (bijvoorbeeld door gepopulariseerde program-
                            ma’s waarin deze problematiek kan worden gevisualiseerd of besproken). Veel
                            van deze instituties zijn bovendien op allerhande manieren vervlochten met de
                            overheid (dit geldt niet alleen voor scholen, opvoedingsinstellingen, ziekenhui-
                            zen en andere arbeidsorganisaties, maar eveneens voor (publieke) omroeporgani-
                            saties en andere particuliere instellingen). Een analyse van deze instellingen en
                            organisaties behoort derhalve in dit rapport aan de orde te komen en zal conse-
198                         quenties dienen te hebben voor de aan de regering uit te brengen aanbevelingen:
                            als de samenleving als geheel deel uitmaakt van het probleem, kan de oplossing
                            van dat probleem niet uitsluitend bij de overheid gelegd worden of van de over-
                            heid alleen komen. Individuen, losse en vaste sociale verbanden zoals buurtge-
                            nootschappen, gezinnen en onderwijsinstellingen en andere organisaties en
                            instituties, dragen bij aan de overdracht en het onderhoud van waarden en nor-
                            men. Zij zijn de vanzelfsprekend aangewezen figuren voor de gewenste oplos-
                            sing van tekorten in de samenleving, mede door de minder van zelfsprekende
                            algemene acceptatie van een publieke moraal. In dit hoofdstuk gaat de speciale
                            aandacht uit naar de rol van instituties bij de overdracht van waarden en normen.
                7.2         waarden, normen, regels en gedr ag in een
                            institutionele contex t
                            Waarden en normen komen niet uit de lucht vallen. Het zijn ook geen granieten
                            blokken die als weerbarstige gehelen op elkaar stuiten. De idee dat de verschil-
                            lende stelsels van waarden en normen in een samenleving scherp van elkaar zijn
                            te onderscheiden en de maatschappelijke steun voor waarden gemakkelijk valt
                            vast te stellen, gaat misschien op voor een premoderne samenleving, maar is
                            voor een moderne samenleving, na de Franse Revolutie en de Verlichting,
                            achterhaald. Verschillende waarden en waardestelsels en daarbijbehorende
                            normen hebben zich historisch ontwikkeld binnen sociale instituties (zoals het
                            gezin, de school, de kerk, het werk, de markt, de politiek, verenigingen en de
                            media) en zijn derhalve ingebed in deze instituties. Deze instituties hebben
                            bovendien allemaal een zekere eigen sfeer geschapen waarbinnen sommige
                            waarden en normen benadrukt worden en andere juist buitengesloten worden.
                            Goede voorbeelden van dergelijke relatief autonome instituties zijn het gezin, de
</pre>

====================================================================== Einde pagina 200 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 201 ======================================================================

<pre>                                                                    de bijdrage van de samenleving
kerk, de gezondheidszorg en het onderwijs. Binnen de sfeer van het gezin gelden
andere waarden en normen dan op het werk of op het sportveld. Wat in de ene
sfeer wel kan, hard schreeuwen bijvoorbeeld, kan elders niet en omgekeerd. Inti-
miteit is in het gezin normaal, maar op het werk verboden. Zakelijkheid is een
algemene norm op de markt, maar in het gezin schadelijk voor de goede sfeer.
De Amerikaanse socioloog Tipton heeft in een artikel, ‘Social Differentiation
and Moral Pluralism’ (2002: 15-41), gewezen op de belangrijke rol die instituties
spelen bij de ontwikkeling en overdracht van morele waarden in de (Amerikaan-
se) samenleving. Zijn uitgangspunt is het bestaan van “contrasting styles of ethi-
cal evaluation, structurally arranged within different sectors of social life”
(Tipton 2002: 15). Contrast is een gelukkige term voor de verschillende morele
waarderingen die in institutionele sferen worden gepraktiseerd. Contrast is
immers neutraler dan botsing van waarden, zoals we ook het contrast kennen
tussen voorgrond en achtergrond, zonder te hoeven beslissen of de voorgrond
belangrijker is dan de achtergrond. De verschillen zijn er en hebben een zinvolle
functie. Wel heeft elke institutie een eigen mode of moral understanding en mode
of moral argument ontwikkeld. Binnen de institutionele sfeer kennen de deelne-
mers deze morele standaarden en ze brengen die vaak als vanzelfsprekend in
praktijk. Er is een vertrouwen in elkaar dat men de ‘waarden en normen’ van de                     199
institutie eerbiedigt en handhaaft.
Op basis van een grondige inhoudelijke studie van dergelijke ethische evaluatie-
systemen kwam Tipton met de beschrijving van vier verschillende en goed van
elkaar te onderscheiden stelsels van morele waardering. Waarden evalueren
immers gedrag. Evaluatie is altijd het inroepen van waarden bij de beoordeling
van de wereld om ons heen. Elke evaluatiestijl stelt de vraag: ‘Wat moet ik
doen?’, ‘Hoe moet ik handelen?’ en het antwoord op die vraag – in termen van
gedrag en niet alleen in termen van waarden en normen – is kenmerkend voor
een bepaalde stijl van evalueren. Zo zijn er grosso modo vier stelsels van morele
waardering te beschrijven, die elk op zich een historische oorsprong, wortels en
ontwikkeling hebben.
1   Het religieuze waardestelsel met een beroep op bovennatuurlijk gezag bij de
    vraag ‘Wat moet ik doen?’. Hier aan te duiden met de term: gezagsmoraal
    (naar het bovennatuurlijke gezag van heilige boeken en van de kerkelijke
    leiders).
2 Het seculier humanisme met een verwijzing naar een bepaalde deugd, een
    funderend beginsel of een relevante regel bij de vraag ‘Wat moet ik doen?’.
    Hier aan te duiden met de term: regulatieve moraal (naar Kants regulatieve
    idee).
3 Het utilitair individualisme met een verwijzing naar de bevrediging van
    wensen en noden bij de vraag ‘Wat moet ik doen?’. Hier aan te duiden met de
    term: nutsmoraal (naar de ideeën van Smith, Bentham en Mill).
4 Het expressief (of romantisch) individualisme met een verwijzing naar een
    goed gevoel op de vraag ‘Wat moet ik doen?’. Hier aan te duiden met de term:
</pre>

====================================================================== Einde pagina 201 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 202 ======================================================================

<pre>    wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                                  expressiemoraal (naar de romantici, dadaïsten en postmoderne kunste-
                                  naars).
                            Als die typologie wordt toegepast, ziet men dat de vier stelsels van morele
                            waardering min of meer zijn verspreid over de verschillende maatschappelijke
                            instituties. De gezagsmoraal komt het meest voor in het gezin, in kerkelijke
                            aangelegenheden, in hiërarchisch gestructureerde organisaties, en is bij uitstek
                            aanwezig in theocratische staten. De typische sociale relaties (met bijbehorende
                            symboliek) zijn die van vader en kind, vorst en onderdaan, officier en soldaat,
                            heer en knecht.
                            De regulatieve moraal is typerend voor juridisch-politieke instituties (democra-
                            tie en rechtsstaat als regulatief idee), voor wetenschappelijke gemeenschappen,
                            voor onderwijsinstellingen en voor sommige, vooral vrijzinnige, religieuze broe-
                            derschappen. De gemeenschap en gemeenschapszin worden bevorderd via deli-
                            beratie en argument aan de hand van de relevante regels en beginselen. De typi-
                            sche sociale relatie is hier die van volksvertegenwoordiger en burger, van leraar
                            en leerling, van professionele beroepsgenoten onderling. De relatie is in principe
                            horizontaal, niet verticaal: het gezag komt niet van boven, maar van elkaar. De
200                         nutsmoraal komt – niet verrassend – het meest voor in de markteconomie en in
                            bedrijfsorganisaties. Maar ook bij belangengroepen, bij pressie- en actiegroepen
                            en bij commerciële dienstverlenende beroepen. Contract- en ruilrelaties zijn
                            typerend (koper-verkoper, klant-bedrijf, leverancier-geleverde, dienstverlener-
                            cliënt) en de onderlinge relaties worden beheerst door de eigen nutsoverwegin-
                            gen van de partijen. Voorzover corporate actors zich hebben ontwikkeld tot grote
                            bureaucratieën, vertonen deze bureaucratieën, inclusief grote overheidsdiensten,
                            voornamelijk, maar natuurlijk nooit voor honderd procent, deze stijl van morele
                            waardering. De expressiemoraal, ten slotte, is typerend voor de vrije tijd, voor de
                            kunsten, voor het privé-leven, voor mystieke en occulte clubs. Esthetische en
                            gevoelswaarden overheersen en zijn soms allesbepalend (‘Hoe voelt het? Het
                            voelt goed’). Levensstijl en smaakstijlen zijn een bindende factor tussen soortge-
                            noten. De typische sociale relaties zijn hier de jonge liefdesparen, de minnaar
                            met zijn minnares, de kunstenaar en de kunstliefhebber, de entertainer en de fan,
                            de komediant en de bewonderaar. In de moderne massamedia wordt op vele
                            manieren deze expressiemoraal uitgedragen.
                            Deze analyse in termen van morele stijlen en sociale differentiatie wordt door
                            Tipton benut om een van de meest opvallende kenmerken van de huidige,
                            moderne samenleving op het einde van de twintigste en aan het begin van de
                            eenentwintigste eeuw te typeren, namelijk de mixed moral meanings of modern
                            society (2002: 20). Het meest kenmerkende van een moderne westerse samenle-
                            ving is niet dat keurig van elkaar afgebakende waarde- en normenstelsels van
                            elkaar verschillen en met elkaar concurreren, zoals in een verzuilde samenleving,
                            maar dat er allerlei mengvormen zijn ontstaan van morele codes die, afhankelijk
                            van de situatie en de institutionele context, na en door elkaar heen worden
                            gebruikt en gepraktiseerd. De verschillen tussen de codes manifesteren zich niet
</pre>

====================================================================== Einde pagina 202 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 203 ======================================================================

<pre>                                                                      de bijdrage van de samenleving
alleen tussen de instituties, maar ook binnen één persoon. Dat is de moderne
burger die nu eens iets meer gezagsmoraal volgt, dan weer een professionele
beroepscode naleeft met bijbehorende wetenschappelijke argumentatie, daarna
zich als een nutsmaximerende consument gedraagt, die in zijn privé-ruimten
vooral zijn gevoel laat spreken. Omdat we allemaal deel uitmaken van veel insti-
tuties (maar nooit allemaal tegelijkertijd), zijn we gewend om van ethische code
te switchen zonder ons nadrukkelijk in allerlei bochten te hoeven wringen. Dit
is in feite de beschrijving van een postmoderne ervaringswereld. De morele
verwarring en de vaak uitgesproken zorgen over ‘waarden en normen’ zijn mede
het gevolg van de niet-eenduidigheid van de verschillende gelijktijdig opere-
rende morele codes en morele waarderingen van gedragingen en situaties. Een
roep om ‘herstel’ van waarden en normen gaat vaak gepaard aan een verlangen
naar een overal geldende gezagsmoraal. Kortom: men beoordeelt elkaar vanuit de
telkens wisselende morele evaluaties. De ene institutie wordt beoordeeld naar de
maatstaven van de andere, maar verkeert men in een andere institutionele sfeer,
dan keert men de zaken weer om: men geeft aan God wat God toekomt en aan de
mammon wat de mammon toekomt. Alleen religieuze en politieke fundamenta-
listen kunnen slecht tegen deze wisselingen, hoewel ook fundamentalisten zich
bedienen van een nutsmoraal en van moderne wetenschap en techniek, waar-
door hypocrisie ook bij deze fundamentalisten constant aan te treffen valt.                          201
Naast de – verhelderende – stelling van de gemengde morele codes als typerend
voor de moderne samenleving brengt Tipton nog een tweede en eveneens
fundamentele bewering in stelling, namelijk: elk stelsel van morele waardering
(of morele code) is imperialistisch. Dat wil zeggen, elk moreel stelsel heeft de
neiging om het eigen morele domein uit te breiden en het te laten uitstrekken
over alle andere sociale instituties. Zo had de kerk lange tijd het gezag over de
staat, de juridische instellingen, de scholen, en tot de zestiende eeuw zelfs over
de economie (dit is nog steeds het geval in fundamentalistische moslimstaten).
Zo brengen de rechtsinstellingen langzamerhand alles onder het domein van de
rationele regels en regulatieve beginselen (dit is in feite het voortgaande proces
van juridisering). Zo relativeert het postmoderne levensgevoel alle andere
morele waarderingen. Zo werkt de nutsmoraal, vooral de laatste tijd, door in die
maatschappelijke instituties, die in principe niet van het nutsbeginsel uitgaan,
maar van regulatieve beginselen en van zorg voor elkaar, zoals het onderwijs of
de gezondheidszorg. De marktwerking heeft de neiging alles op haar weg mee te
nemen wat ze tegenkomt, ook de publieke (overheids)diensten. Wat men ervaart
als botsing van waarden, is derhalve vaak een interinstitutionele penetratie van
niet-eigen waarden. In de gezondheidszorg en het onderwijs hebben grosso
modo (er zijn natuurlijk uitzonderingen op de regel) de professionele waarden
het onderspit gedolven ten gunste van de nutsmoraal van markt en bureaucra-
tisch management. De positieve en negatieve gevolgen van deze langetermijn-
processen zijn nog nauwelijks te schatten, maar deze onzekerheid draagt onte-
genzeggelijk bij aan de verzwakking van sociale binding en samenhang in sociale
instituties afzonderlijk als in de samenleving als geheel.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 203 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 204 ======================================================================

<pre>    wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                            De overgang van een monistische moraal naar een pluralistische moraal, zoals
                            die eerder in hoofdstuk 2 is beschreven, wordt goed geïllustreerd door de in deze
                            paragraaf beschreven sociale differentiatie van morele waarderingen in de
                            diverse sectoren van de samenleving. Dit kan de verontrusting over de stand van
                            zaken in de publieke moraal en de wijdverbreide belangstelling voor het debat
                            over waarden en normen in onze samenleving mede verklaren.
                7.3         de primaire, secundaire en tertiaire taken van
                            instituties
                7.3.1       onbehagen, voorgestelde oplossingen en andere suggesties
                            In een sfeer van onzekerheid en onbehagen floreren eenvoudige oplossingen
                            voor het vraagstuk van de tekorten in de publieke moraal die in de samenleving
                            worden ervaren. Een veelvuldige gewoonte hierbij is met een beschuldigende
                            vinger te wijzen naar het onderwijs, dat te kort zou schieten in zijn pedagogische
                            taak van morele opvoeder en in het bijbrengen van waarden en normen. Haast
                            tegelijkertijd wijst men dan op het onderwijs als mogelijke probleemoplosser:
                            ‘Als er nu maar meer aandacht zal worden besteed aan waarden en normen in het
202                         onderwijs, dan zal de situatie in de nabije toekomst verbeteren.’ Kortom, velen
                            stellen hun hoop op het onderwijs. Suggesties als ‘lessen in moraal’ of het apart
                            invoeren van ‘waarden en normen’ als onderdelen van het curriculum komen
                            dan ter sprake. Overdracht van waarden en normen wordt in deze gedachtegang
                            gelijkgesteld aan morele vorming. Er is een hele traditie van value education op
                            deze gedachtegang geschoeid, namelijk de theorie van Kohlberg over de verschil-
                            lende stadia van morele ontwikkeling die kinderen achtereenvolgens doormaken
                            (Emberley 1995). Deze benadering besteedt veel aandacht aan de cognitieve
                            ontwikkeling van leerlingen, die beïnvloed kan worden door discussies over
                            morele dilemma’s en dergelijke. Maar volgens andere pedagogen is dit een te
                            idealistische voorstelling van zaken (vgl. Levering 2004). Morele vorming
                            ontstaat vooral in en door de instandhouding van gedragspraktijken. Het gaat
                            uiteindelijk om het gedrag van volwassenen zelf. Door het zien en overnemen
                            van voorbeelden verbreidt dit gedrag zich over anderen. Ouders geven in het
                            gezin en daarbuiten het voorbeeld, zoals ook leraren en leraressen dat doen op
                            school, conducteurs in de tram, of journalisten bij de omroep. Daarnaast gaat er
                            een sterke voorbeeldwerking uit van het gedrag van medeleerlingen en medepas-
                            sagiers. De overdracht van waarden en normen zit vooral in de imitatie van
                            – goede en slechte – gedragsvoorbeelden: “Het gewichtigste probleem waar we
                            met de huidige wens tot hernieuwde overdracht van waarden en normen tegen
                            aanlopen, is dat ouders kinderen regels willen aanleren, waar ze zichzelf niet aan
                            houden” (Levering 2003). Persoonlijke aandacht en persoonlijke betrokkenheid
                            zijn onmisbaar in de overdracht van moraal. Om nogmaals Levering te citeren:
                            “We moeten nu eens en vooral duidelijk maken dat, als het om morele opvoe-
                            ding en ontwikkeling gaat, de lang alom aangehangen Kohlbergsiaanse benade-
                            ring en de deugdenbenadering eigenlijk uiterst zwak zijn. De sterke, op affecties
                            gerichte benadering, die nog altijd onderbelicht is gebleven, vraagt om een
</pre>

====================================================================== Einde pagina 204 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 205 ======================================================================

<pre>                                                                   de bijdrage van de samenleving
persoonlijke betrokkenheid. (…) Cruciaal is het uitgangspunt dat we niet over
waarden - en normenoverdracht moeten zeuren, als we onze eigen praktijk van
waarden en normen niet op orde hebben. (…) Een groot deel van de kinderen
groeit in een sfeer van onmatigheid op. Dat is geen sfeer waarin je rekening leert
houden met anderen. Daarin moet dan ook expliciet worden geïnvesteerd. Door-
dachte omgangsregels moeten als elegante gewoonten worden aangebracht
opdat en zodat mensen (weer) naar elkaar omzien” (ibidem).
De school kan geen compensatie leveren voor de tekorten in de grotemensen-
maatschappij, zo luidt deze krachtige waarschuwing tegen een overbelasting van
het onderwijs bij de expliciete overdracht van waarden en normen. Impliciet
speelt de school daarbij uiteraard wel een rol, maar die wordt vervuld in een
ingewikkelde context van de sociale organisatie van het onderwijs als geheel, de
steeds zwaardere druk van de maatschappelijke omgeving van het onderwijs en
de overige zelfstandige eisen die de overheid stelt aan het onderwijs, met name
eisen van efficiency en meetbare prestaties. Bij het zoeken naar oplossingen voor
het morele tekort (vgl. hoofdstuk 4) behoort derhalve de gehele institutionele
setting van het onderwijs mede in beschouwing te worden genomen. Simpele
oplossingen blijken in de werkelijkheid van alledag meestal niet te bestaan, of de
uiteindelijke nadelen van invoering van de eenvoudigste blijken groter te zijn                    203
dan de bestaande kwaal.
Wat hier wordt opgemerkt voor de taakverzwaring van de scholen geldt in enigs-
zins andere zin ook voor andere suggesties voor eenvoudige oplossingen. Neem
bijvoorbeeld het vraagstuk van de overlast op straat, veroorzaakt door een grote
groep daklozen en andere zwervers. Wat voorheen Perron Nul heette in Rotter-
dam gold hiervoor lang als standaardvoorbeeld. ‘Jaag ze weg!’ is hier de meest
eenvoudige oplossing, maar de complexiteit van de werkelijkheid dwingt eerst te
vragen waar ze eigenlijk vandaan komen, vervolgens waar ze heen gedirigeerd
kunnen worden en ten slotte of de oplossingen de overlast werkelijk verminde-
ren of slechts verplaatsen naar andere plaatsen of sectoren van de samenleving.
Overlast op straat kan onder andere worden veroorzaakt door op criminaliteit
beluste jongeren en door psychische en psychiatrische patiënten die van een
residentiële behandeling plotseling zijn overgebracht naar een zelfstandig
bestaan buiten de muren van een inrichting. Ook hier is de institutionele context
bepalend voor de veroorzaking van de als te groot ervaren overlast en tegelijk
ook voor de oplossing. Met andere woorden, in een analyse van de bijdrage van
de maatschappij aan de overdracht en het onderhoud van waarden en normen
zullen de betekenis en werking van instituties en de interinstitutionele betrek-
kingen niet mogen ontbreken. Begonnen wordt allereerst met een uiteenzetting
van de institutionele invalshoek.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 205 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 206 ======================================================================

<pre>    wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                7.3.2       de institutionele focus: instituties als werkpl aatsen van
                            waarden en normen
                            Het dagelijkse handelen speelt zich af in de context van instituties. Maar wat wil
                            dat zeggen en wat zijn instituties? Het begrip institutie is een verzamelnaam
                            voor verschillende verbanden van activiteiten die zich tegelijkertijd afspelen in
                            een subsector van de samenleving en gericht zijn op het realiseren van bepaalde
                            doelen of waarden. “By an institution I mean that subdivision of society which
                            consists in social groups, established by means of a charter, together with their
                            customs, laws, material artefacts and organized around a certain aim or purpose”
                            (Feibleman 1987: 33). Huwelijk en gezin, onderwijs en opvoeding, gezondheids-
                            zorg en maatschappelijke hulpverlening, arbeid en onderneming, leger, politie en
                            rechtspraak zijn de bekende voorbeelden van dergelijke instituties. Instituties
                            worden gekenmerkt door vanzelfsprekende gewoonten (mores), maar vaak ook
                            door gespecialiseerde organisaties die gezamenlijk de min of meer uitgesproken
                            doeleinden van de instituties nastreven. Er zijn wetten, statuten van verenigin-
                            gen en stichtingen, gebouwen, vroeger ook nog gesierd met vlaggen, emblemen,
                            verenigingsbladen; er zijn overlegorganen, gespecialiseerde beroepsgroepen met
                            hun eigen normen en waarden, gericht op de institutionele doeleinden; er zijn
204                         cliënten en cliëntvertegenwoordigers, zaakwaarnemers en gespecialiseerde
                            belangengroepen. Gezinnen en familieleven worden meestal ook tot instituties
                            gerekend, zij het dat ze minder in formele organisaties zijn terug te vinden (wel
                            in de algemene maatschappelijke instellingen op dit terrein zoals de Gezinsraad
                            en de Kinderbescherming).
                            De samenleving als geheel is opgebouwd uit een reeks van dergelijke instituties
                            (en hun typerende maatschappelijke organisaties), die vooral van elkaar verschil-
                            len in de specifieke doeleinden en waarden die ze nastreven. Sportbonden
                            vinden andere waarden belangrijk dan ziekenhuizen en artsenorganisaties. In het
                            gezin gelden andere regels, normatieve articulaties en werkwijzen (maar vaak
                            deels wel dezelfde waarden) dan op het werk (vgl. Walzer 1984). Ook de over-
                            heid en overheidsorganisaties vertegenwoordigen aldus een eigen institutie,
                            namelijk die van de staat. De politie vertegenwoordigt bijvoorbeeld belangrijke
                            waarden in de samenleving, heeft daarvoor specifieke normen en regels opge-
                            steld en symboliseert op deze wijze legitiem ‘de sterke arm’ van de maatschappij.
                            Dit sluit samenwerking met andere instituties natuurlijk geenszins uit, maar er
                            zijn principiële verschillen tussen bijvoorbeeld de taken van de school en die van
                            de politie, ook al komt een agent in de klas een les geven over criminaliteit en
                            drugs en krijgt de schoolleiding te maken met crimineel gedrag op school. De
                            specificatie (differentiatie) van taken sluit samenwerking niet uit, maar leidt wel-
                            eens tot spanningen tussen instituties.
                            Men kan de taken van instituties (én van de daarbijbehorende organisaties)
                            onderscheiden in:
                            • primaire taken: het realiseren van doelen en waarden, waar ze voor zijn opge-
                                  richt;
</pre>

====================================================================== Einde pagina 206 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 207 ======================================================================

<pre>                                                                     de bijdrage van de samenleving
•   secundaire taken: het instandhouden van de economische, sociale en morele
    voorwaarden die nodig zijn voor de uitoefening van de eerste taak;
•   tertiaire taken: het leveren van een bijdrage aan sociaal gedrag en publieke
    moraal in andere instituties, door de manieren waarop men die in de eigen
    institutie onderhoudt en bevordert.
Illustraties aan de hand van het onder wijs
Deze drie soorten taken zijn goed te illustreren aan de taken van het onderwijs,
de institutie als geheel, en van afzonderlijke scholen (als de maatschappelijke
organisaties). Zo moet de school zorgen voor de overdracht van kennis en
vaardigheden, van culturele waarden en normen en moet zij voorbereiden op het
participeren in de samenleving als geheel (dit zijn haar primaire taken). Daar-
naast moet de school zelf zorgen voor een zekere orde en regelmaat, zodanig dat
leerkrachten en leerlingen in staat worden gesteld om aan de primaire taken toe
te komen. Als er steevast ongeregeldheden plaatsvinden in en rondom de school,
of als er een sfeer ontstaat waarin het lesgeven voortdurend wordt gestoord, dan
kunnen afspraken en gedragsregels die voor de gehele school gelden, functione-
ren om ‘de rust’ weer terug te brengen. In een bijdrage aan het debat over
waarden en normen schreef Prick in nrc Handelsblad (2003a) dat de beste
bijdrage die de scholen aan ‘waarden en normen’ in Nederland zouden kunnen                          205
leveren was om orde op zaken te brengen in eigen huis en te doen wat ze
moesten doen. In onze terminologie: de secundaire taakvervulling was nodig om
de primaire taak goed te kunnen volbrengen. Zorgen dat leerlingen huiswerk
maken vervult verschillende taken tegelijk: daarmee leren ze wat ze moeten
leren (primair), ze leren enige zelfdiscipline, waardoor het primaire leren verge-
makkelijkt wordt (secundair) en ze oefenen bij zichzelf een algemene gedragsre-
gel, die geldt voor de samenleving als geheel en die hen later als burger ook van
pas komt (tertiair).
Illustraties aan de hand van de spor t
In principe zijn bij alle instituties dergelijke patronen van primaire, secundaire
en tertiaire taken waar te nemen, al zal er altijd wel enige discussie blijven
bestaan welk specifiek taakonderdeel nu tot de primaire of tot de secundaire taak
moet worden gerekend. De primaire taken van sportbeoefening zijn het brengen
van ontspanning en een goede tijdsvervulling, eventueel een bijdrage leveren
aan de gezondheid van de beoefenaren. Secundaire taken zijn het beoefenen van
fair play, het zich (leren) houden aan de regels van het spel, de onderlinge com-
petitie niet vervalsen en dergelijke. Van de primaire en secundaire taken gaat een
maatschappelijk effect uit op de omgeving en op de samenleving als geheel: zich
houden aan de regels van het spel geldt ook voor andere maatschappelijke secto-
ren en voor de maatschappij als geheel. Waarden en normen in de sport (Steen-
bergen et al. 1998) behelzen aldus sportintrinsieke waarden (primair en secun-
dair) én sportextrinsieke waarden (tertiair). De wisselwerking tussen deze
waarden is van belang bij de overdracht en het onderhoud van waarden en
normen in het algemeen. Naarmate de instituties, in hun vele gedaanten, de
eigen primaire en secundaire taken zo goed mogelijk vervullen en daarbij ook
</pre>

====================================================================== Einde pagina 207 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 208 ======================================================================

<pre>    wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                            nog oog hebben voor of tijd en geld schenken aan de tertiaire taken, die met
                            name de relatie met hun maatschappelijke omgeving raken, zijn er gunstige
                            voorwaarden voor het onderhoud van waarden en normen in de samenleving als
                            geheel. Naarmate ze de eigen taken verwaarlozen of minder in staat gesteld
                            worden om die te vervullen, zullen ze ook de algemenere taken minder goed
                            onderhouden. De vraag is hoeveel ruimte er in de verschillende instituties
                            bestaat om de morele dimensie van de eigen werkzaamheden, inclusief de terti-
                            aire taken, te blijven onderhouden.
                            Illustraties aan de hand van de aandacht voor maatschappelijke
                            neveneffecten
                            Een terugkerende vraag bij elke institutie is hoeveel aandacht besteed wordt en
                            kan worden aan de meer algemene, tertiaire taken. Hoeveel aandacht besteden
                            particuliere bedrijven aan internalisering van de maatschappelijke neveneffecten
                            van hun handelingen en aan normen van transparantie en verantwoording et
                            cetera (vgl. wrr 1992; en ook enkele van de aanbevelingen voor corporate gover-
                            nance van de commissie-Tabaksblat). Hoeveel aandacht besteden kerken of parti-
                            culiere verenigingen, naast hun primaire en secundaire taken, aan maatschappe-
                            lijk verantwoord handelen? Hebben de scholen een taak, de tijd en de ruimte om
206                         het algemeen maatschappelijke probleem van de scheiding tussen witte en
                            zwarte scholen mee te helpen oplossen? Dit zijn vragen die in een algemener
                            verband kunnen worden geanalyseerd. Zij verwijzen ook terug naar de doorwer-
                            king van de waardestelsels van Tipton. Botsingen tussen waardestelsels binnen
                            instituties zetten de instituties vaak ook klem. Zo lijken veel instituties in de
                            laatste twee decennia steeds meer onder druk te staan. Enerzijds komt die druk
                            van buiten, van veranderingen in de maatschappij als geheel zoals door individu-
                            alisering en de veranderende samenstelling van de bevolking. Anderzijds komt
                            de druk van boven, van de kant van de overheid, die zowel door intensievere
                            regelgeving als door financiële bezuinigingen een grote invloed heeft uitgeoe-
                            fend op de vervulling van de primaire, secundaire en tertiaire taken van institu-
                            ties. Er zijn eenzijdige vormen van invloed ontstaan, die de nadruk zijn gaan
                            leggen op vooral meetbare prestaties en financiële prioriteiten. Denk hierbij aan
                            kwantitatieve indicatoren in het onderwijs, prestatiecontracten met de politie
                            (vgl. Vollaard 2003), plafondbudgetten in de gezondheidszorg, en reïntegratie-
                            contracten met bedrijven over aantallen wao’ers. Door het eenzijdig benadruk-
                            ken van bepaalde vormen van sturing is niet alleen veel accent komen te liggen
                            op de primaire taken van de organisaties ten koste van de overige en met name
                            de meer algemene tertiaire taken, maar werd de primaire taak bovendien nog
                            versmald tot zichtbare productiecijfers. In dit klimaat van beïnvloeding en taak-
                            vervulling kwamen de meer morele en normatieve aspecten van dezelfde taak-
                            vervulling in de klem, terwijl ze soms ook al werden verwaarloosd. Het laat zien
                            dat we belangrijk maken wat meetbaar is in plaats van meetbaar wat belangrijk is.
                            Dit is van belang voor het debat over waarden en normen, want een overheid (als
                            principaal) die haar burgers (als consumenten, cliënten) en de instituties bijna
                            uitsluitend aanspreekt op berekenbare eenheden en gedragingen, bevordert daar-
                            mee een houding van die burgers, waarin de minder goed berekenbare, morele
</pre>

====================================================================== Einde pagina 208 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 209 ======================================================================

<pre>                                                                     de bijdrage van de samenleving
factor eveneens verwaarloosd wordt (vgl. ook Reinders 2003). Het is ook een
illustratie van de doorwerking van het derde waardestelsel van Tipton dat type-
rend is voor het commerciële bedrijfsleven in andere instituties en sferen.
Illustraties aan de hand van veranderingen in de context van de instituties
Normoverschrijdende verschijnselen binnen bepaalde instituties in de afgelopen
decennia, zoals de hbo-fraude, de bouwfraude en socialezekerheidsfraude,
kunnen beter worden begrepen (uiteraard niet vergeven) door de institutionele
context in ogenschouw te nemen dan door uitsluitend een moreel appèl op het
geweten van burgers te doen.1 En die institutionele context is niet onberoerd
gebleven door de reeds eerdergenoemde processen, waaronder vooral individua-
lisering. In het kader van dit rapport over waarden, normen en gedrag zijn de
belangrijkste aspecten van individualisering de grotere mondigheid, het hogere
opleidingsniveau, de hogere verwachtingen, de toename van de gevoeligheid en
de roldifferentiatie van burgers. Door individualisering, secularisatie en immi-
gratiestromen is de verscheidenheid in soorten gebruikers groter geworden en is
de pluriformiteit en dynamiek in de omgeving van veel instituties toegenomen.
Zo blijken actoren in de maatschappelijke dienstverlening (woningbouwvereni-
gingen, scholen enz.) telkens te worden verrast door de differentiatie binnen de
groepen van nieuwkomers, door onverwachte tegenstellingen maar ook door                             207
onverwachte ad-hoccoalities tussen groepen nieuwkomers en autochtonen
(bijvoorbeeld tussen bepaalde orthodox gereformeerden en islamieten) (vgl.
wrr 2001). En ook al is de samenstelling van een groep bij aanvang homogeen,
dan nog kan na verloop van tijd blijken dat die veelzijdiger is dan gedacht door
verschillen in gekozen levensstijl en mobiliteit. Ten slotte kan blijken dat veron-
derstellingen over de aard van de omgeving van de institutie niet opgaan, omdat
bijvoorbeeld de categorie-indelingen in soorten gebruikers en hun gedrag niet
meer blijken te kloppen; de omgeving blijkt kortom ongekender dan gedacht
(vgl. Van Gunsteren en Van Ruyven 1995). Het gaat om factoren die vanuit de
ruimere maatschappelijke context, dus van opzij, druk uitoefenen op de institu-
ties. Er is echter ook een druk van bovenaf, door de manier waarop de overheid
een deel van de instituties aanstuurt nadat zij deze eerst heeft verzelfstandigd. In
de volgende paragraaf wordt hier nader op ingegaan. Nu kan er reeds over
worden gezegd dat veel instituties in zekere zin klem zijn komen te zitten tussen
de veranderende eisen die van bovenaf door de overheid aan hen worden gesteld
en de nieuwe eisen van de burgers waaraan zij, ten gevolge van de veranderingen
in de bevolkingssamenstelling en in de wensen van de burgers, dienen te
voldoen. Terwijl de overheid van de instituties verlangt dat zij efficiënter en
meer kostenbewust worden, worden zij tegelijkertijd geconfronteerd met meer
en onoverzichtelijkere maatschappelijke problemen (vanwege het samenleven
van verschillende culturen) en hogere eisen van (een deel van de geïndividuali-
seerde) moderne burgers. Terwijl de overheid van instituties en hun organisaties
verlangt dat ze zich laten richten door de vraag, zien zij zich geconfronteerd met
de noodzaak meer nadruk te leggen op hun aanbodfuncties, zoals onderhoud en
overdracht van waarden en normen, ordehandhaving, gedragsnormering en
soms ook bevordering van normbesef en waardevorming. Als zij er niet vanuit
</pre>

====================================================================== Einde pagina 209 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 210 ======================================================================

<pre>    wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                            zichzelf aan denken, is er altijd wel een sociale beweging of actiegroep die hen
                            eraan helpt te herinneren.
                            De conclusie uit het bovenstaande is dat er ruimte moet zijn voor de ontwikkeling
                            van de secundaire en vooral tertiaire taken van de instituties. Op deze niveaus
                            geven instituties invulling en uitvoering aan hun werk, waarbij de differentiatie
                            in maatschappelijke waardestelsels als modes of moral understanding and moral
                            argument (Tipton) een belangrijke rol spelen. Zij verbinden de instituties langs
                            verschillende lijnen met elkaar (bijvoorbeeld door hun stijl van opereren, de
                            manier waarop zij hun externe betrekkingen onderhouden, met gebruikers en
                            met personeel omgaan, conflicten beslechten enz.). Tegelijk bieden zij de institu-
                            ties de mogelijkheid om zich actief van elkaar te onderscheiden door de manieren
                            waarop zij bijvoorbeeld tot normatieve afwegingen komen. Aldus dragen ze ook
                            bij aan de maatschappelijke pluriformiteit en keuzevrijheid (vgl. hoofdstuk 5).
                7.4         instituties onder druk
                7.4.1       individualisering en verzakelijking
208                         Veel maatschappelijke instituties hebben steeds meer moeite om hun in para-
                            graaf 7.3 geschetste rol ten aanzien van waarden en normen naar behoren te
                            vervullen. De oorzaak hiervan is mede gelegen in een aantal maatschappelijke en
                            politieke ontwikkelingen die niet alleen het (interne) functioneren van de insti-
                            tuties niet onberoerd hebben gelaten, maar bovendien ertoe hebben geleid dat er
                            vanuit de samenleving steeds zwaardere eisen aan hen worden gesteld. Er komt
                            een druk van buiten door de individualisering en de toenemende verscheiden-
                            heid van de gebruikers én er komt een druk van boven van overheidseisen: de
                            verzakelijking.
                            Individualisering
                            De term ‘individualisering’ kan worden gebruikt als verzamelnaam voor een
                            breed scala aan sociaal-culturele veranderingen die zich de laatste decennia afte-
                            kenen. In het kader van dit rapport over waarden, normen en gedrag zijn de
                            belangrijkste aspecten van de individualisering de afname van het belang van
                            traditionele sociale kaders en verbanden, de hogere verwachtingen van burgers
                            en de toename van de gevoeligheid en de roldifferentiatie van burgers. Enigszins
                            gechargeerd gesteld werden de waarden en normen van burgers in het verleden,
                            in de tijd van de verzuiling, in hoge mate bepaald door de niet zelfgekozen soci-
                            ale verbanden waarvan men deel uitmaakte: de familie, de wijk, de kerk, enzo-
                            voort. Bovendien oefenden deze sociale verbanden een sterke sociale controle
                            uit op de gedragingen van het individu: wie zich niet aan de regels van de groep
                            hield werd daarop aangesproken en eventueel gestraft, met als uiterste conse-
                            quentie de uitstoting uit de sociale groep. Tegenwoordig hebben individuen een
                            grotere vrijheid om zelf te kiezen tot welke groep zij willen behoren en welke
                            waarden en normen zij aanhangen. Het is daardoor ook niet meer vanzelfspre-
                            kend dat men door anderen op zijn of haar gedrag wordt aangesproken. Dit
</pre>

====================================================================== Einde pagina 210 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 211 ======================================================================

<pre>                                                                   de bijdrage van de samenleving
wordt nog versterkt door het sterk gestegen opleidingsniveau, de secularisatie en
de toegenomen informatievoorziening via de massamedia, waardoor mensen
beter zijn geïnformeerd en mondiger zijn geworden, minder ontzag hebben voor
autoriteit en gezagsdragers en zich minder gemakkelijk door anderen de wet
laten voorschrijven. Als gevolg hiervan neemt de voorspelbaarheid van het
gedrag van burgers af en neemt de pluriformiteit toe. Overigens is de toename
van de keuzevrijheid slechts relatief: het gedrag van mensen blijft in hoge mate
bepaald door de omstandigheden waarin zij verkeren en de invloeden die zij ‘van
buiten’ ondervinden (vgl. wrr 2002).
Een enigszins paradoxaal gevolg van individualisering is dat de moderne
mondige burger enerzijds een grotere keuzevrijheid wenst en minder betutte-
lend en bevoogdend door de overheid wil worden behandeld, maar anderzijds
ook hogere eisen stelt aan de overheid en sneller ontevreden is indien deze daar-
aan niet kan voldoen (vgl. Van den Brink 2002). Overigens moet individualise-
ring niet worden verward met atomisering. Mensen blijven sociale wezens die
een sterke behoefte hebben om deel uit te maken van een groep en zich door-
gaans in hoge mate schikken in de waarden en normen van die groep, al kunnen
zij nu gemakkelijker dan in het verleden van groep wisselen indien die waarden
en normen hen niet bevallen.                                                                      209
Verzakelijking
Aan het begin van de jaren tachtig markeerde het aantreden van het eerste kabi-
net-Lubbers een belangrijke omslag in het overheidsbeleid ten aanzien van de
publieke sector. Na enkele decennia van haast ongelimiteerde uitbouw en expan-
sie van de verzorgingsstaat en de publieke dienstverlening, brak een periode aan
van uitgavenbeheersing en -beperking. Aanvankelijk werd deze beleidsomslag
vooral ingegeven door financiële motieven: de publieke uitgaven dreigden onbe-
heersbaar te worden. Maar gaandeweg werden ook andere argumenten aange-
voerd: verhoging van de doelmatigheid en doeltreffendheid, versterking van de
klantgerichtheid, het bieden van meer keuzevrijheid. Concreet kwam de beleids-
omslag onder meer tot uitdrukking in bezuinigingen op (of in ieder geval beper-
king van de groei van) het budget van tal van maatschappelijke instellingen,
schaalvergroting, introductie van elementen van concurrentie, vraagsturing en
marktwerking, verschuiving van inputsturing naar outputsturing (‘afrekenen op
resultaat’), lump sum-financiering, uitbesteding aan private partijen en vooral
verzelfstandiging van overheidsdiensten, waardoor de afstand naar andere dien-
sten en werken toenam. In algemene zin kunnen al deze verschillende vormen
worden geschaard onder de noemer van verzakelijking: publieke instanties en
maatschappelijke organisaties dienden zich meer te spiegelen aan de private
sector, oftewel de zakenwereld. Het toenemende gebruik van termen als
product, markt en klant, waar vroeger werd gesproken over dienstverlening,
doelgroep en cliënt, geeft hier het meest pregnant uitdrukking aan. Maar ook
intern in de instituties vonden onder dezelfde noemer veranderingen plaats,
door verschuiving van verantwoordelijkheden naar lagere echelons in de hiërar-
chie en door introductie van bijvoorbeeld cliëntenrechten en klachtenregelingen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 211 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 212 ======================================================================

<pre>    wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                            Criteria voor goede instituties
                            Het is hier niet de plaats om een waardeoordeel uit te spreken over de geschetste
                            ontwikkelingen. Het staat buiten kijf dat zij zowel positieve als negatieve gevol-
                            gen hebben gehad. Wel moet duidelijk blijven wat de criteria zijn waaraan insti-
                            tuties moeten voldoen. Een goede institutie:
                            • heeft niet alleen oog voor goed meetbare en kwantificeerbare outputindicato-
                                  ren, maar ook voor de kwaliteit van de output en van het proces waarlangs
                                  deze totstandkomt;
                            • richt zich niet alleen op kortetermijndoelstellingen en op haalbaarheid, maar
                                  heeft ook oog voor de gevolgen van haar activiteiten op langere termijn en
                                  voor legitimiteit;
                            • schuift geen problemen die zij zelf kan aanpakken af op andere instituties;
                            • biedt ruimte aan haar professionals om hun taak, binnen helder gedefinieerde
                                  grenzen, naar eigen inzicht en op basis van vakmanschap en eisen van inte-
                                  griteit uit te voeren;
                            • geeft openheid van zaken over haar doelstellingen ten aanzien van de over-
                                  dracht en handhaving van waarden en normen en over de wijze waarop zij
                                  hieraan in de praktijk gestalte geeft; en
                            • legt verantwoording af aan haar stakeholders, dat wil zeggen zowel aan de
210                               overheid of een ander bevoegd bestuur als aan haar ‘klanten’ en aan derden
                                  die met de gevolgen van haar activiteiten (kunnen) worden geconfronteerd
                                  (bijvoorbeeld buurtbewoners).
                            Daaraan kan worden toegevoegd dat, waar het gaat om een grotendeels of geheel
                            door de overheid gefinancierde institutie, de overheid er zorg voor dient te
                            dragen dat de institutie over voldoende middelen beschikt om het bovenstaande
                            waar te maken. Hieronder wordt ingegaan op de gevolgen van de hiervoor
                            genoemde ontwikkelingen voor het functioneren van instituties, met name voor
                            hun taak van overdracht en handhaving van waarden en normen.
                7.4.2       gevolgen voor de overdr acht en handhaving van waarden en
                            normen
                            Alle instituties vervullen een belangrijke rol in de productie, overdracht en
                            handhaving van waarden en normen. Vaak is dit geen expliciet geformuleerde
                            taak van de betreffende institutie, maar een impliciete functie die iedere institu-
                            tie vervult om überhaupt te kunnen voortbestaan. In iedere institutie gelden
                            bepaalde regels en codes waaraan de medewerkers van organisaties moeten
                            voldoen en (dezelfde of andere) regels en codes voor de omgang met externe rela-
                            ties. Deze regels en codes geven concreet uitdrukking aan de waarden en normen
                            van de institutie. Het kan hierbij gaan om waarden en normen die eigen zijn aan
                            de betreffende institutie (zoals de beroepsethiek van de arts), maar ook om alge-
                            meen geldende waarden en normen (zoals betrouwbaarheid). Elk van deze insti-
                            tuties dient op enigerlei wijze te zorgen dat deze waarden en normen worden
                            overgedragen op nieuwe medewerkers en nieuwe klanten. Vervolgens dienen zij
                            deze waarden en normen ook te handhaven. Medewerkers of klanten die zich
                            niet conform de geldende waarden en normen gedragen, dienen tot de orde te
</pre>

====================================================================== Einde pagina 212 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 213 ======================================================================

<pre>                                                                    de bijdrage van de samenleving
worden geroepen en hun dient in het uiterste geval de toegang te worden
ontzegd. Welke gevolgen hebben de hiervoor besproken trends in concrete orga-
nisaties en instellingen nu voor de productie, overdracht en handhaving van
waarden en normen?
Ten aanzien van de productie en overdracht van waarden en normen duiden de
hiervoor geschetste trends vooral op een meer ‘zakelijke’, formele benadering en
waardering van zowel medewerkers als klanten op basis van objectiveerbare
kenmerken en prestaties. Loyaliteit en vertrouwen worden minder gezien als
vanzelfsprekende kenmerken van een relatie, maar moeten worden ‘verdiend’.
Relaties krijgen daardoor een meer instrumenteel karakter. Dit zou afbreuk
kunnen doen aan hooggewaardeerde ‘deugden’ als naastenliefde, solidariteit,
mededogen en altruïsme. Als je weet dat je organisatie je primair beoordeelt op
kwantificeerbare en objectieve criteria, zul je je minder inspannen om aan andere
criteria te voldoen die daarbij geen rol spelen. Je loopt immers het risico dat het
je door je leidinggevende niet in dank wordt afgenomen als je een collega of klant
een handje helpt, zonder dat dit een onderdeel is van je formele taak. Het gevaar
bestaat dat dergelijk gedrag op den duur ook van invloed is op de normen die
men heeft geïnternaliseerd, waardoor men aan ‘zakelijke’ waarden steeds meer
gewicht gaat toekennen.                                                                            211
Hier staat tegenover dat deze zakelijke benadering ook meer ruimte schept voor
individuele keuzevrijheid, initiatief en autonomie, samenwerking en overleg op
voet van gelijkwaardigheid. Er is minder ruimte voor vriendjespolitiek (nepo-
tisme) en discriminatie. Autoriteit en hiërarchie verliezen hun vanzelfsprekend-
heid en dienen eveneens te worden ‘verdiend’. Vertrouwen blijft een essentiële
waarde voor alle instituties, maar de aard van het vertrouwen zou kunnen veran-
deren. Waar men een ander in het verleden vaak vertrouwen schonk louter op
grond van zijn of haar lidmaatschap van een bepaalde groep (‘informele vertrou-
wensgrondslagen’), wordt vertrouwen nu steeds meer gebaseerd op een beoor-
deling van het (te verwachten) gedrag van de ander (‘formele vertrouwensgrond-
slag’) (vgl. Mosch en Verhoeven, te verschijnen). Maar het kan ook zijn dat waar
de samenleving veranderlijker is, vertrouwen meer gebaseerd wordt op het repu-
tatiemechanisme (je vertrouwt een instelling omdat die een goede reputatie
heeft). Deze veranderingen gelden vooral voor de externe formele (of geformali-
seerde) waarden en normen van instituties. Alle instellingen en organisaties
kennen overigens ook een interne informele cultuur met eigen waarden en
normen die aanzienlijk kunnen afwijken van de formele waarden en normen van
de organisatie. Om door collega’s te worden geaccepteerd en te worden opgeno-
men in de informele groep – hetgeen vaak een noodzakelijke voorwaarde is om
goed te kunnen functioneren – is het net zo belangrijk om aan de informele
waarden en normen te voldoen als aan de formele waarden en normen. Het is
echter niet eenvoudig vast te stellen wat de gevolgen zijn van de geschetste
veranderingen in formele waarden en normen voor deze informele waarden en
normen. Of er moet ook hier sprake zijn van een grens waarboven afbraak van
informele vanzelfsprekendheden, loyaliteiten en compliance, de institutie zo
</pre>

====================================================================== Einde pagina 213 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 214 ======================================================================

<pre>    wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                            veel schade toebrengen dat de institutie zelf in de gevarenzone komt. Is het zo
                            dat een informele cultuur van zorg en betrokkenheid lange tijd overeind blijft in
                            weerwil van verzakelijkingstendenties, maar dat als die informele cultuur op een
                            gegeven moment sneuvelt, ook de betreffende formele organisatie ‘door het ijs
                            zakt’? (Vergelijk voor de redenering de analogie met de grens die niet moet
                            worden overschreden bij opheffing van socialecontrolemechanismen uit hoofd-
                            stuk 4 en de bijlage bij hoofdstuk 4.)
                            Problemen in de aansluiting van formele en informele sociale controle
                            De mechanismen die organisaties hanteren om de naleving van de geldende
                            waarden en normen af te dwingen zijn deels een afspiegeling van deze waarden
                            en normen zelf. Het benadrukken van waarden als prestatie en eigen initiatief
                            gaat doorgaans gepaard met het gebruik van formele controle- en beheersings-
                            instrumenten. Medewerkers worden beoordeeld op grond van de vraag of zij
                            bepaalde targets halen. Ook de beloning en sanctie voor het al dan niet voldoen
                            aan deze normen hebben vaak een formeel karakter: een extra periodiek (of juist
                            geen periodiek), een promotie of degradatie, of zelfs ontslag. Informele controle-
                            mechanismen lijken daardoor aan belang in te boeten, al blijven zij ongetwijfeld
                            een belangrijke rol spelen. Informele controle kan er bijvoorbeeld uit bestaan dat
212                         collega’s elkaar erop aanspreken als iemand zich niet aan bepaalde regels of codes
                            houdt. Ook in de relatie met klanten winnen formele controle- en afrekenme-
                            chanismen aan belang ten opzichte van informele mechanismen. Iemand die niet
                            betaalt voor wat jij levert (een zwartrijder in het openbaar vervoer), of die wel
                            heeft betaald maar zich niet gedraagt zoals de organisatie van hem of haar
                            verwacht, krijgt bijvoorbeeld een boete opgelegd of wordt eenvoudigweg de
                            toegang ontzegd. Een boete voor normoverschrijdend gedrag kan er echter toe
                            leiden dat men dit gaat zien als geoorloofd gedrag waarvoor men een prijs moet
                            betalen. Dit kan worden geïllustreerd met het voorbeeld van een (Israëlische)
                            crèche die boetes ging opleggen aan ouders die hun kind te laat ophaalden (cpb
                            2001: 130). Het gevolg was dat nog méér ouders te laat kwamen: nu zij er een
                            prijs voor betaalden, hadden zij immers een legitimatie en hoefden zich niet
                            langer schuldig te voelen. Toen de boeteregeling werd afgeschaft, liep het aantal
                            laatkomers echter niet meer terug: veel ouders hadden de norm van op tijd
                            komen inmiddels niet meer geïnternaliseerd. Men ziet hetzelfde dilemma ook
                            dichter bij huis bij het al dan niet betalen van vrijwilligers. Daarvoor valt veel te
                            zeggen. Maar is er eenmaal een werknemers-werkgeversrelatie ontstaan, dan is
                            een deel van het goede van het vrijwilligerschap weg.
                            Functieversmalling
                            De in paragraaf 7.4.1 geschetste maatschappelijke ontwikkelingen (individualise-
                            ring en verzakelijking) zijn er – in combinatie met de hiervoor geschetste trends
                            in organisaties – (mede) verantwoordelijk voor dat op een aantal terreinen de in
                            hoofdstuk 4 beschreven negatieve spiraalbeweging van toenemende normover-
                            schrijding en afnemend normbesef zich voordoet of heeft voorgedaan. Aan de
                            ene kant is het minder vanzelfsprekend geworden dat burgers de geldende
                            normen onderschrijven en door hun medeburgers worden gecorrigeerd indien
</pre>

====================================================================== Einde pagina 214 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 215 ======================================================================

<pre>                                                                            de bijdrage van de samenleving
      zij deze normen overschrijden. Aan de andere kant hebben de toenemende
      prestatie- en resultaatgerichtheid en het sterkere kostenbesef van maatschappe-
      lijke instituties ertoe geleid dat organisaties zich minder sterk richten op hun
      secundaire taken ten aanzien van de overdracht en handhaving van normen. De
      afname van sociale controle als gevolg van autonome maatschappelijke ontwik-
      kelingen (individualisering, toenemende grootschaligheid, mobiliteit en anoni-
      miteit) werd dus niet gecompenseerd door een toename van de controle en
      handhaving door formele instituties, maar werd juist versterkt doordat de insti-
      tuties hun controlefunctie verwaarloosden. Het openbaar vervoer vormt hiervan
      een sprekend voorbeeld. Juist in een periode waarin onder de reizigers de
      vanzelfsprekendheid om een kaartje te kopen afnam, werd de formele controle
      hierop verminderd – de conducteur verdween van bus en tram en werd vervan-
      gen door een stempelautomaat; in treinen werd minder gecontroleerd en het
      perronkaartje werd afgeschaft. Tegelijkertijd verminderde ook de informele
      sociale controle: het werd minder gebruikelijk dat reizigers elkaar op hun gedrag
      aanspraken. Niet langer ondersteunden norminternalisering, sociale controle en
      formele controle elkaar wederzijds, zoals voorheen het geval was, maar de
      afname van het ene mechanisme ondergroef de werkzaamheid van de andere
      mechanismen, waardoor een neerwaartse spiraalbeweging in gang werd gezet. In
      andere instituties hebben zich soortgelijke ontwikkelingen voorgedaan. Naar-                         213
      mate de wijkagent steeds minder op straat werd gezien, zag een groep jongeren
      met een gebrek aan geïnternaliseerd normbesef zijn kans schoon dit domein te
      veroveren, waar zij in een anoniemere omgeving ook niet meer door de bewo-
      ners tot de orde werden geroepen. De kruidenier, die persoonlijk toezicht hield
      op zijn waren die achter de toonbank waren uitgestald, maakte plaats voor de
      supermarkt waar alle goederen letterlijk voor het grijpen liggen en informele
      sociale controle door andere klanten heeft plaatsgemaakt voor cameratoezicht
      (en zo nu en dan een alerte filiaalchef, voor wie het vervolgens lastig is te bepalen
      waar de grenzen van zijn bevoegdheden liggen).
7.4.3 inter acties tussen instituties
      De hiervoor beschreven ontwikkelingen in instituties en de gevolgen daarvan
      voor de overdracht en handhaving van waarden en normen worden nog versterkt
      door de sterke verwevenheid van instituties. De wijze waarop de ene institutie
      zich van haar taak ten aanzien van waarden en normen kwijt, blijft vaak niet
      zonder gevolgen voor de wijze waarop haar klanten en medewerkers in andere
      instituties de geldende waarden en normen onderschrijven en naleven. Anders
      gezegd, de overdracht en handhaving van waarden en normen genereren vaak
      externe effecten voor andere instituties. Als gevolg hiervan komen de positieve
      gevolgen van een succesvolle overdracht en handhaving niet volledig ten goede
      aan de hiervoor eerstverantwoordelijke institutie, terwijl de gevolgen van het
      verwaarlozen van deze taak deels worden afgewenteld op andere instituties. Juist
      wanneer instituties steeds meer worden afgerekend op hun prestaties ten
      aanzien van hun eigen primaire taak, kunnen zij in de verleiding komen om de
      problemen waarmee zij worden geconfronteerd af te schuiven naar andere insti-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 215 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 216 ======================================================================

<pre>    wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                            tuties. Het gaat hierbij niet alleen om de wisselwerking tussen formele instituties
                            onderling, maar evenzeer om de wederzijdse beïnvloeding tussen formele en
                            informele instituties (zoals school en gezin).
                            Hiervan kunnen vele voorbeelden worden gegeven: scholen die hun leerlingen
                            onvoldoende orde en discipline bijbrengen dragen bij aan het wangedrag van
                            (sommige) jongeren in het openbaar vervoer, het uitgaansleven en het voetbal-
                            stadion. Openbaarvervoerbedrijven die tolereren dat reizigers hun medereizi-
                            gers overlast bezorgen, doen afbreuk aan het besef van sommige groepen dat
                            men zich in de openbare ruimte op een bepaalde manier heeft te gedragen en
                            rekening dient te houden met anderen. Politieagenten die niet ingrijpen als fiet-
                            sendieven hun slag slaan of te laat ter plekke zijn als winkeliers een winkeldief in
                            de kraag grijpen, ontmoedigen informele sociale controle of nodigen burgers in
                            zekere zin uit om het recht in eigen hand te nemen. Tv-zenders die ‘extreme’
                            gedragingen in de vorm van geweld, seks, drank- en drugsgebruik romantiseren,
                            ondergraven de pogingen van ouders en scholen om kinderen zelfbeheersing en
                            matigheid bij te brengen.
                            Hoe aannemelijk deze wederzijdse invloeden ook mogen zijn, er is weinig
214                         bekend over de omvang van deze effecten. Zo heeft jarenlang onderzoek naar de
                            invloed van televisie op het gedrag van de kijkers nog zo goed als geen onbe-
                            twiste conclusie opgeleverd. Toch mag het gebrek aan degelijk empirisch onder-
                            zoek ter ondersteuning van deze effecten geen reden zijn om ze te negeren.
                            Dat dergelijke effecten bestaan, wordt immers zelden betwist, alleen over het
                            belang ervan lopen de meningen uiteen. Een institutie mag zich dan ook niet
                            verschuilen achter het feit dat niet wetenschappelijk is aangetoond dat zij van
                            invloed is op het gedrag van haar medewerkers of klanten in een andere om-
                            geving.
                            Er doen zich met name twee mechanismen voor waardoor de vervlechting van
                            instituties tot uit maatschappelijk oogpunt suboptimale uitkomsten kan leiden.
                            Het eerste mechanisme is het al genoemde afwentelingsmechanisme: instituties
                            schuiven hun verantwoordelijkheid geheel of ten dele af op andere instituties,
                            met als excuus dat bepaalde activiteiten niet tot hun primaire taken behoren, of
                            dat zij onvoldoende middelen hebben om deze taken uit te voeren. De Neder-
                            landse Spoorwegen verdedigen zich bijvoorbeeld met de stelling dat zij noch de
                            bevoegdheid, noch de middelen hebben om politietaken uit te voeren. Daarmee
                            schuiven de ns de verantwoordelijkheid voor groepen die reizigers beroven of
                            anderszins lastigvallen af op de (spoorweg)politie. Commerciële media beperken
                            zich tot het amuseren van hun kijkers en luisteraars en beschouwen het niet als
                            hun taak om ook een opvoedende en voorlichtende functie te vervullen.
                            Publieke media volgen uit concurrentieoverwegingen dit voorbeeld. En anders
                            dan bijvoorbeeld in het Verenigd Koninkrijk waar voor de commerciële omroe-
                            pen publieke taakstellingen gelden, gecontroleerd door het nieuwe onafhanke-
                            lijke Office of Communications (ofcom), ontbreken dergelijke regelingen in
                            Nederland. Ten slotte zijn er middelbare scholen die menen dat hun taak zich
</pre>

====================================================================== Einde pagina 216 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 217 ======================================================================

<pre>                                                                     de bijdrage van de samenleving
slechts beperkt tot het overdragen van kennis en cognitieve vaardigheden en die
de uitoefening van opvoedkundige taken louter zien als iets van de ouders.
Een tweede mechanisme dat tot suboptimale uitkomsten kan leiden, bestaat
eruit dat van bepaalde instituties juist méér wordt gevraagd dan zij kunnen
waarmaken; wat dan weer de hiervoor genoemde afwentelingsmechanismen
extra kan stimuleren. Vooral bestaat vaak de neiging om het onderwijs te over-
vragen (bijvoorbeeld met de invoering van een cursus weerbaarheid). Doordat
het onderwijs de enige formele institutie is waarin alle jongeren minimaal een
jaar of tien van hun vormende levensfase doorbrengen, is het erg aantrekkelijk
om van het onderwijs te vragen dat het een bijdrage levert aan de oplossing van
zo’n beetje alle problemen die zich later (kunnen) manifesteren. Dit kan echter
een steeds sterkere overbelasting van het onderwijs tot gevolg hebben, waardoor
het niet alleen weinig bijdraagt aan deze afgeleide taken, maar ook tekortschiet in
zijn primaire taken (overdracht van kennis en vaardigheden). Ook de verwach-
tingen ten aanzien van de politie lijken vaak te hooggespannen: naast haar
primaire taak van orde handhaven en wetsovertreders opsporen en aanpakken,
zijn haar in de loop van de tijd ook steeds meer taken op het gebied van leefbaar-
heid en welzijn toebedeeld, mede door de bezuinigingen op het gebied van
welzijnsinstellingen. Politieagenten moesten tevens een soort maatschappelijk                       215
werkers zijn. Nog afgezien van het feit dat zij hiertoe niet zijn opgeleid, legde dit
ook een extra taak op aan de politie, juist op het moment dat steeds duidelijker
werd dat de politie kampte met grote capaciteitstekorten. Die capaciteitstekorten
werden hierdoor extra vergroot, waardoor de politie nog minder toekwam aan
haar primaire taken en haar gezag werd aangetast.
De wederzijdse beïnvloeding van instituties kan echter ook in positieve zin
uitwerken. Zij biedt immers ook mogelijkheden voor ondersteuning en een effi-
ciënte arbeidsverdeling tussen instituties. Het besef dat instituties niet geïso-
leerd opereren maar gezamenlijk voor bepaalde taken staan, kan een stimulans
zijn voor netwerkvorming, waarbij verschillende instituties elkaars inspannin-
gen wederzijds ondersteunen. Men kan leren van elkaars ervaringen en andere
instituties vroegtijdig attenderen indien zich problemen voordoen die zich ook
buiten de eigen institutie kunnen manifesteren. Dit vereist wel dat verkokering
wordt tegengegaan en dat instituties zich niet verschansen op hun eigen terrein,
maar accepteren dat ook andere instituties zich daarmee bemoeien. De weder-
zijdse beïnvloeding van instituties biedt ook mogelijkheden voor een efficiënte
taakverdeling, afstemming en profilering. Door heldere afspraken te maken over
de taken van verschillende instituties kan worden voorkomen dat men elkaar
tegenwerkt, dubbel werk doet of dat juist bepaalde taken door geen enkele insti-
tutie worden aangevat.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 217 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 218 ======================================================================

<pre>    wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                7.5         waarden en normen in het onderwijs
                7.5.1       inleiding
                            Er zijn verschillende redenen om speciale aandacht te besteden aan het onder-
                            wijs. De eerste is dat er in de adviesaanvraag om gevraagd wordt, evenals voor de
                            onderwerpen inburgering en media, die respectievelijk in paragraaf 7.6 en 7.7.
                            aan de orde komen. Ook wordt speciale aandacht besteed aan onderwijs, omdat,
                            zoals reeds in paragraaf 7.3. werd opgemerkt, de verwachtingen ten aanzien van
                            de bijdrage van het onderwijs aan de oplossing van tal van maatschappelijke
                            problemen vaak hooggespannen zijn. Het is dan ook belangrijk om na te gaan op
                            welke wijze en in welke mate het onderwijs aan deze verwachtingen zou kunnen
                            voldoen. Verder is het onderwijs bij uitstek een institutie die van invloed is op en
                            zelf beïnvloed wordt door tal van andere instituties, zowel formele als informele.
                            Scholen hebben te maken met de invloed van de opvoeding door de ouders, de
                            sociale relaties in vriendenkringen (peer groups), de rolmodellen van de televisie,
                            internet, enzovoort. Het onderwijs is zelf weer van invloed op het gedrag van de
                            leerlingen in tal van andere instituties: werk, verkeer, sportverenigingen, maat-
                            schappelijke organisaties, enzovoort. Het onderwijs is als formele institutie
216                         uniek, doordat het zowel taken heeft ten aanzien van de overdracht als ten
                            aanzien van de handhaving van waarden en normen, die bovendien niet alleen
                            gelden binnen de eigen institutie, maar ook een meer algemene maatschappelijke
                            betekenis hebben. Dit geldt met name voor het functioneren van het primaire en
                            secundaire onderwijs, waartoe deze paragraaf zich zal beperken. Het belang van
                            onderwijs voor overdracht van waarden en normen blijkt ten slotte uit het para-
                            doxale gegeven dat, hoewel het aantal uren dat kinderen op school doorbrengen
                            in de loop van de tijd is afgenomen, de betekenis van de school voor overdracht
                            van waarden en normen eerder is toegenomen. Dit komt wellicht omdat het zo
                            ongeveer het enige formele en verplichte institutionele verband is waaraan alle
                            toekomstige volwassen burgers moeten deelnemen ongeacht hun talent, etni-
                            sche achtergrond of sociale klasse. Door de nadruk die aldus wordt gelegd op het
                            schoolsysteem als bindend kader wordt de samenleving overigens ook gecon-
                            fronteerd met het verschijnsel van kinderen die niet passen in een langdurig
                            voortgezet onderwijssysteem en die wellicht meer gediend zijn met het direct
                            leren van een vak (vgl. ook het pleidooi voor herwaardering van laaggeschoolde
                            arbeid, wrr 1996).
                7.5.2       ont wikkelingen in het onderwijs
                            De in paragraaf 7.4.1 geschetste maatschappelijke ontwikkelingen van individua-
                            lisering en verzakelijking, hebben de afgelopen decennia nadrukkelijk hun stem-
                            pel gedrukt op het onderwijs. Hier worden enkele van de meest markante
                            ontwikkelingen besproken: toenemende aandacht voor prestatiemeting, schaal-
                            vergroting, bureaucratisering en cyclische ontwikkelingen in de aandacht voor
                            het ‘pedagogische vraagstuk’.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 218 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 219 ======================================================================

<pre>                                                                     de bijdrage van de samenleving
Prestatiemeting
Er is de laatste jaren steeds meer aandacht voor de prestaties van scholen. Het
ging hierbij aanvankelijk alleen om de cognitieve prestaties van de leerlingen,
zoals die worden gemeten aan de hand van Cito-scores, eindexamenresultaten,
aantallen voortijdige schoolverlaters en dergelijke. Het risico van zulke kwanti-
tatieve outputindicatoren is dat zij scholen stimuleren om zich louter hierop te
richten, ten koste van moeilijk meetbare kwalitatieve resultaten en het proces
waarlangs deze resultaten totstandkomen, zoals de waardevorming in het onder-
wijs en de bijdrage aan normbesef. Het kan ook leiden tot ongewenste selectie-
processen, zoals het weren van leerlingen met leerachterstanden of gedrags-
problemen die afbreuk doen aan de prestaties van de school.2 Hoewel bij het
vaststellen van de schoolprestaties getracht wordt voor allerlei factoren te corri-
geren (door bijvoorbeeld rekening te houden met de sociale en etnische achter-
grond van leerlingen en te corrigeren voor zittenblijvers en voortijdige school-
uitval), blijft het gevaar bestaan dat scholen en schoolbesturen zich te zeer
richten op de kwantitatieve prestatie-indicatoren in plaats van op hun primaire
taak van het geven van zo goed mogelijk onderwijs. Dat gevaar blijft aanwezig,
ondanks het feit dat scholen zich in toenemende mate in het openbaar moeten
verantwoorden over hun eigen ambities en over wat ervan terechtkomt, en
ondanks het feit dat de inspectie een toetsingskader hanteert waarin ook aspec-                     217
ten als het pedagogische klimaat en leerlingzorg belangrijk worden bevonden.
Hierbij lijkt de eenzijdigheid ook niet zozeer te zitten bij de keuze van ouders
van een basisschool – zij blijken vooral te letten op de ‘zachtere’ kwalititeits-
aspecten en zouden dat soms wellicht wat minder moeten doen. Het probleem
ligt veeleer bij de keuzes van scholen voor voortgezet onderwijs en bij de interne
reguleringen binnen deze scholen die leerkrachten moeten prikkelen om vooral
te letten op hun kwantitatieve meetbare resultaten. Rookmaker, rector van een
school, wijst erop dat scholen de neiging zullen hebben om veeleisende docenten
te ontmoedigen, door hen te wijzen op hun verantwoordelijkheden voor de
totaalscores van de school: “Wat meer terughoudendheid met de vakinhoud,
wat meer aanpassen aan de belevingswereld van de kinderen en bij toetsen niet
meer vragen dan wat ook de minder begaafde of gemotiveerde leerling kan
beantwoorden” (Rookmaker 2003). Zij zijn een voorbeeld van de doorwerking in
de wereld van het onderwijs van het derde waardestelsel van Tipton uit paragraaf
7.2, dat hoort bij met elkaar concurrerende bedrijven op eenzelfde markt.
In toenemende mate wordt echter ook gebruikgemaakt van andere verantwoor-
dingsmechanismen en vormen van kwaliteitsbewaking die niet louter op kwan-
tificeerbare indicatoren zijn gebaseerd. Zo kunnen scholen met elkaar kwaliteits-
kringen vormen, waarbij zij zich van tevoren vastleggen op professionele
waarden waarop zij als uitvoerders mogen worden beoordeeld. Als zij niet zelf
dergelijke kringen vormen kan een beroep worden gedaan op de Onderwijsin-
spectie. Het huidige inspectiesysteem kent overigens al twee lagen van inspectie:
een toetsing op punten uit de formele onderwijswetgeving en een toetsing op
punten die uit beleidsregels volgen, zoals doelnormen. Deze laatste stelt de
inspectie vast na overleg met het veld en zij worden gepubliceerd, opdat scholen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 219 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 220 ======================================================================

<pre>    wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                            vooraf weten waarop zij worden beoordeeld. Als deze doelnormen ook betrek-
                            king hebben op de sociale en morele vaardigheden van de docenten, gaat hiervan
                            tevens druk uit op de lerarenopleidingen om hieraan meer aandacht te besteden.
                            Ook het reeds genoemde verplichte openbare jaarverslag biedt de school een
                            kader om verantwoording af te leggen over haar prestaties. Het biedt, anders dan
                            de kwantitatieve outputcijfers, de mogelijkheid om ook te attenderen op de
                            kwalitatieve aspecten van het onderwijs. In een jaarverslag kan bijvoorbeeld een
                            samenvatting zijn opgenomen van een visitatierapport, die ouders en/of leerlin-
                            gen de mogelijkheid biedt om de kwaliteit van de school te beoordelen en te
                            vergelijken met die van andere scholen.
                            Bureaucratisering en schaalvergroting
                            Onder druk van de overheid heeft zich het afgelopen decennium een omvangrijk
                            proces van schaalvergroting in het onderwijs voorgedaan. Zo werd het aantal
                            scholen met name voor voortgezet onderwijs in de jaren negentig meer dan
                            gehalveerd, van ruim 1.400 naar minder dan 600 (scp 2002: 494). Aanvankelijk
                            was die schaalvergroting bedoeld om de overstap van leerlingen van de ene
                            schoolsoort naar de andere te vergemakkelijken, later werd die gestimuleerd
                            door de verzelfstandiging en lump sum-financiering, die weliswaar veel beste-
218                         dingsvrijheid geeft, maar die tegelijkertijd vraagt om een behoorlijke omvang
                            – en eigen vermogensopbouw – om risico’s te kunnen opvangen. Zij heeft ook
                            geleid tot een groei van de overhead en een toename van bureaucratisering in het
                            onderwijs. Zo is er een bureaucratisering opgetreden in de scholen zelf. Dat leer-
                            lingen in bijvoorbeeld de brugklas met soms wel tien verschillende en autonome
                            leerkrachten worden geconfronteerd, leidt tot regels van coördinatie, tot metho-
                            den om meetbaar maken wat leerkrachten doen en tot meer verantwoording aan
                            de schoolleiding. Daarom is er ook niet slechts sprake van een bureaucratisering
                            door verantwoording aan Zoetermeer en Den Haag, maar ook door de vele kleine
                            ‘Zoetermeertjes’ van de grote scholengemeenschappen, die ook weer de ver-
                            schillende eenheden binnen de school moeten coördineren. Er is vaak gewezen
                            op het gevaar dat scholen hierdoor de ‘kwalitatieve’, minder meetbare factoren,
                            zoals hun eigen onderwijskundige en pedagogische niveau en profiel, gaan ver-
                            waarlozen. Zo wees Elchardus voor België – maar het geldt ook voor ons land – op
                            het haasje-over van toenemende autonomie en toenemende bureaucratisering in
                            het onderwijs en op de trivialisering van de waardeprofilering en van de autono-
                            mie van de scholen, die hiervan het gevolg is (Elchardus 1994: 190). Die bureau-
                            cratisering maakt het beroep van leraar er overigens ook niet aantrekkelijker op.
                            Zo verlaat in Nederland circa 25 procent van de nieuw opgeleide leraren binnen
                            vijf jaar het onderwijs en vertrekt over de gehele loopbaan gezien zo’n 30 pro-
                            cent. Maar behalve door sturing op afstand is de overheid ook als subsidiegever
                            voor allerlei vernieuwingsprojecten veel directer actief in het onderwijsveld.
                            Levering (2003) spreekt in dit verband van een ‘projectencarrousel’. Als de over-
                            heid de scholen op die manier direct gaat steunen bestaat volgens Van der Zwan
                            (2001) echter het risico dat deze te zeer afhankelijk worden van overheidsbeleid.
                            De oplossing van dit probleem wordt in de regel gezocht in nog meer ruimte
                            voor de instellingen en in slimmere manieren van sturen (vgl. wrr 2002).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 220 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 221 ======================================================================

<pre>                                                                          de bijdrage van de samenleving
      Cycli in aandacht voor waarden- en normenoverdracht in het onder wijs
      Soms is het thema meer latent aanwezig en soms meer manifest. De aandacht
      van de politiek voor de problematiek van waarden en normen in het onderwijs is
      allerminst van recente datum. Zo is het thema – of het nu vorming heet, de peda-
      gogische opdracht of waarden en normen in het onderwijs – in abstracto telkens
      hetzelfde, maar is de concrete vorm telkens anders. De laatste keer was in 1992
      (de zogeheten ‘Pedagogische opdracht’ van toenmalig minister Ritzen). De
      aandacht lijkt op en neer te gaan met de conjunctuur. Verder blijkt het volgende.
      • Het Nederlandse bestel is van zichzelf sterk waardegeladen (vgl. de norma-
          tieve identiteit van scholen), waarbij de bepaling van die normatieve iden-
          titeit is voorbehouden aan de schoolbesturen (geen staatspedagogiek).
      • De politieke ambivalentie als het gaat om de versterking van gemeenschaps-
          waarden. Het gaat dan immers om de vraag welke waarden van welke
          gemeenschap (te onderscheiden naar schaalniveau: lokaal, nationaal, Euro-
          pees, en naar soort cultuur) spelen.
      • De keuzevrijheid van ouders blijkt in de loop der tijd steeds belangrijker te
          zijn geworden op de ‘markt van het onderwijs’, evenals de invloed van de
          gemeenten met hun instrumenten op het gebied van onderwijsinfrastruc-
          tuur, -achterstanden en -integratie; vergelijk ook het recente advies over
          onderwijs en burgerschap van de Onderwijsraad (2003).                                          219
      • De afkeer van staatspedagogiek blijkt niet te verhinderen dat menig kerndoel
          voor het primair onderwijs nu reeds normatieve doelen bevat, zoals anti-
          discriminatie en tolerantie.
      • Het Nederlandse pluriforme onderwijssysteem fungeert als model in discus-
          sies over waarden en normen en burgerschap in andere landen (vgl. Ravitch
          en Vitteri 2001). 3
7.5.3 primaire , secundaire en tertiaire taken van het onderwijs
      In de adviesaanvraag wordt aandacht gevraagd voor de implicaties van waarden
      en normen voor het onderwijs. Waar zitten hiertoe de aangrijpingspunten in het
      onderwijs, gezien de eerdere indeling in primaire (kennisoverdracht), secundaire
      (het instandhouden van de economische, sociale en morele voorwaarden) en
      tertiaire taken (externe effecten voor andere instituties)?
      Primaire taken
      Op welke wijze zou de aandacht voor de overdracht van waarden en normen in
      het curriculum kunnen worden versterkt? In een openbaar tweegesprek kwamen
      Hofstee en Hirsch Ballin (1993) tot de conclusie dat de enig haalbare vorm er één
      is van deugdenonderricht. Hoe dit moest worden gegeven bleef in dat gesprek
      deels open, maar voor de gemiddelde leerling lijken deugden als vak te hoog
      gegrepen. Hoewel de bijdrage van de school voor de overdracht vooral zit in de
      hieronder te bespreken secundaire en tertiaire taken van de scholen, zit die daar-
      naast ook in de gewone schoolvakken, waaronder met name ook in de gymnas-
      tiek en sport. scp-onderzoek wijst op het belang van sport voor het leren van de
      eigen kracht en hoe die te bedwingen. Gedragsregels worden spelenderwijs
</pre>

====================================================================== Einde pagina 221 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 222 ======================================================================

<pre>    wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                            aangeleerd en hebben een uitwerking op lange termijn. Bovendien wijst onder-
                            zoek op de positieve correlatie van sportbeoefening met schoolprestaties en dus
                            ook met de kwalificerende functie van het onderwijs. Van Lidth de Jeude (2004)
                            houdt in dit verband een prikkelend pleidooi voor kunstenonderwijs. De schrij-
                            ver en oud-leraar Robert Anker (2003) doet dat voor het onderwijs in de Neder-
                            landse literatuur. Hierbij constateert hij overigens wel dat de behoefte om in het
                            literatuuronderwijs aan te sluiten bij de belevingswereld van de leerlingen grote
                            gevolgen heeft gehad voor de culturele waarde van het literatuuronderwijs,
                            zoals: “onvoldoende confrontatie met het onbekende, de verrijkende ervaring
                            van groei en grensverlegging, begeleiding en sturing van zelfwording, kennis-
                            name van andere opvattingen en gedragingen leidend tot vergroting van empa-
                            thie, vergroting ook van sensibiliteit voor ongrijpbare esthetische ervaringen’’
                            (Anker 2003: 79). Naast literatuuronderwijs zijn er meer schoolvakken die raak-
                            vlakken hebben met waarden, normen en gedrag, zoals ook de Onderwijsraad
                            laat zien (Onderwijsraad 2002).
                            Het duidelijkste ligt die relatie traditioneel bij geschiedenis en bij maatschappij-
                            leer. Op de basisschool gaat het hierbij slechts om geschiedenis; naast uiteraard
                            het goed leren beheersen van het Nederlands, al vanaf het eerste begin op school.
220                         Geschiedenis is belangrijk, omdat leerlingen erdoor vertrouwd worden gemaakt
                            met historische oriëntaties en de ‘bronnen van onze beschaving’, waardoor zich
                            bij hen ook een gevoel voor morele en culturele vraagstukken kan ontwikkelen.
                            Een en ander draagt ook bij aan confrontaties en vergelijking met andere tijden
                            en andere waarden, normen en instituties en stelt de veranderingen in de
                            publieke moraal en van de positie van de burger (zijn rechten en plichten) tegen-
                            over de staat aan de orde. Het laat zien dat normen en instituties zijn voortgeko-
                            men uit maatschappelijke strijd tussen volken, standen en klassen, bijvoorbeeld
                            als het gaat om de vrijheid van godsdienst, het eigendomsrecht en de vrijheid
                            van meningsuiting. Geschiedenis biedt ook de mogelijkheid om de eigen
                            publieke moraal in perspectief te zien en een gevoel te krijgen voor de plaats en
                            identiteit van de Nederlandse en Europese geschiedenis.
                            Internationale discussies over de inhoud van het vak laten zien dat er veel in
                            beweging is en dat in veel landen wordt gesproken over de vraag of en hoe moet
                            worden ingespeeld op nieuwe maatschappelijke dynamiek en pluriformiteit. Zo
                            speelt in de Verenigde Staten mede de vraag in hoeverre de etnische heteroge-
                            niteit van de klassen ertoe heeft geleid dat aan de behandeling van normatieve
                            kwesties in bijvoorbeeld geschiedenisonderwijs minder tijd en aandacht wordt
                            besteed dan de bedoeling was en het vak vlak en neutraal wordt overgedragen
                            (Ravitch 2002); een risico dat Bronneman voor Nederland in enkele gevallen ook
                            ziet voor heterogeen samengestelde scholen in de grote steden en meer in het
                            algemeen door de neiging om het niveau van het onderwijs aan te passen aan de
                            omgeving waarin het gegeven wordt (Bronneman 2004). In 2001 verscheen het
                            advies Verleden, heden en toekomst van de commissie-De Rooy (2001). De
                            commissie legt hierin veel nadruk op de historische vaardigheden en de histori-
                            sche oriëntatiekennis die burgers in de huidige pluriforme samenleving nodig
</pre>

====================================================================== Einde pagina 222 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 223 ======================================================================

<pre>                                                                    de bijdrage van de samenleving
hebben. De verantwoordelijkheid voor de bewaking van het niveau van het vak
ligt bij de beroepsgroep en bij onderlinge visitatierondes. Naast Nederlandse taal
en geschiedenis kent het basisonderwijs ook het onderdeel geestelijke stromin-
gen dat verplicht is voor iedere leerling,4 en waarin in principe aandacht kan
worden besteed aan de religieuze waardestelsels van het christendom, de islam,
het jodendom, en het hindoeïsme en het seculiere waardestelsel van het huma-
nisme (vgl. par. 7.2, de waardestelsels van Tipton). Bronneman waarschuwt in
haar bijdrage echter voor al te hoge verwachtingen van waarden en normen in
het basisonderwijs. Zij wijst erop dat normen pas voor de leerlingen gaan leven
als ze hun vanzelfsprekendheid gaan verliezen en als kinderen zich bewust
worden van verschillen in normen en gedrag, en dat is pas vanaf circa hun tiende
jaar (Bronneman 2003). Maar ook dan nog zal het thema een ver-van-mijn-bed-
show blijven, zo vreest zij, laat staan dat het model van de leerkracht als begelei-
der van groepsdiscussies, die hoort bij dit onderwerp, voor het basisonderwijs
geschikt lijkt.
Voor de waarden- en normenthematiek is het meest voor de hand liggende
aanknopingspunt het vak maatschappijleer. Het vak heeft nog steeds een lage
status – vergelijk de Onderwijsraad (2002) en Veugelers (2003) – en is niet
verplicht in het profiel maatschappij en economie in het voortgezet onderwijs,                     221
terwijl men dat juist daar zou verwachten. Gezien de noodzaak van meer
aandacht voor burgerschap (vgl. hoofdstuk 8) meent de raad dat een herwaarde-
ring van het vak meer dan noodzakelijk is; door het verder te professionaliseren
mede in lijn met het vak civic education in enkele andere landen. In dat kader is
het van belang in herinnering te roepen wat Hofstee in 1992 in het kader van de
burgerschapsstudie van de wrr heeft voorgesteld (Hofstee 1992). Hij stelde toen
voor om in het onderwijs veel meer te doen aan bevordering van inzicht in de
collectieve consequenties van individueel handelen ontleend aan de gedragswe-
tenschappen: economie, sociologie en psychologie. Weliswaar onderkende hij
een aantal problemen bij de introductie van een dergelijk vak, zoals de associatie
met bepaalde politieke ideeënstelsels, de mogelijke strijd tussen wetenschappe-
lijke scholen bij het maken van het curriculum en het gevaar van onvoldoende
stabiliteit van het curriculum, doordat uit onderzoek telkens nieuwe gegevens
en inzichten naar voren komen. Toch meende hij dat dit soort kennis moet
worden overgedragen in verband met het zijns inziens grote gebrek aan inzicht
in collectieve consequenties van handelen bij kinderen, wat men ook ziet bij
normoverschrijding.5
Over een dergelijke invulling van het vak maatschappijleer kan wellicht sneller
consensus worden bereikt dan over een curriculum waarden en normen, gezien
artikel 23 Grondwet, de bezwaren tegen een door de staat opgelegde pedagogiek
(vgl. debatten in het verleden over de ‘staatspedagogiek’, en ’De school van je
leven’ van de commissie-De Ruiter) en de ambivalenties rondom handhaving
van groepsidentiteit, die erdoor zouden worden vergroot. De voorgestelde meer
gedragswetenschappelijke invulling van het vak sluit ook goed aan op de secun-
daire taak van de school, als voorportaal voor de oefening in disciplinering en
</pre>

====================================================================== Einde pagina 223 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 224 ======================================================================

<pre>    wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                            handhaving van normen van algemeen menselijk verkeer (zie ook peer group-
                            mechanismen en conflictregulering die hieronder worden behandeld). Maar
                            behalve dat dit vak meer nog dan andere vakken gevoed wordt door de invulling
                            van de secundaire en tertiaire taken van de school, geeft het zelf ook weer steun
                            aan deze taken. Door de meer gedragswetenschappelijke invulling kan het accent
                            in het vak maatschappijleer ook meer komen te liggen op burgerschapsvorming
                            (civic education), zodat hiervoor ook geen nieuw vak behoeft te worden inge-
                            voerd. Vooral het curriculum civic education in het Verenigd Koninkrijk biedt
                            wellicht aanknopingspunten, omdat de nadruk hier ligt op de gedragsregels van
                            burgers in hun verschillende rollen, als consument, werknemer, lid van maat-
                            schappelijke organisaties en lid van de politieke gemeenschap en de openheid
                            om met die verschillende rollen om te gaan. Bij dit laatste is het dan weer van
                            belang om naast de gebruikelijke aandacht voor de nationale rechtsstaat en natio-
                            nale gemeenschap, voor de toekomst meer dan gebruikelijk aandacht te besteden
                            aan de Europese Unie en de Europese Grondwet (vgl. Eijsbouts 2003). De Onder-
                            wijsraad heeft onlangs voorgesteld om in de onderwijswetgeving een algemene
                            doelbepaling op te nemen, waarin een verplichting tot burgerschapsvorming is
                            opgenomen (Onderwijsraad 2003).
222                         Secundaire taken
                            Zoals gezegd is de overdacht van waarden en normen in het onderwijs in die zin
                            bijzonder dat die tevens deel uitmaakt van de primaire taak. Dat komt nu
                            eenmaal door de aard van het onderwijs als institutie. Maar evenals bij alle
                            andere instituties ontleent de overdracht toch vooral haar kracht aan de gedrags-
                            voorbeelden die de leerlingen zien en in de omgang met normen op school, dus
                            in de secundaire taken. De overdracht van waarden en normen zit in het feite-
                            lijke gedrag en de imitatie van gedragsvoorbeelden. “Onderwijsgevenden bieden
                            door hun interacties met leerlingen per definitie een scala van modellen en iden-
                            tificatiemogelijkheden. In feite is de school een integrale leeromgeving, waar-
                            binnen waarden en normen op allerlei manieren worden geleerd” (Van Haaften
                            1992). De ene keer gaat dat bijvoorbeeld via een verhaal, de andere keer via
                            afspraken over regels, of door de manier van lesgeven (bijvoorbeeld klassikaal),
                            of door stages (vgl. ook kpc-groep 2003). Soms staat de leerkracht centraal en
                            soms het kind zelf. Het hangt ervan af waar het over gaat. Van Haaften maakt
                            hierbij verder onderscheid tussen inprenting, onderrichting en aanvaarding.
                            Inprenting impliceert in zijn termen alle soorten van gewoontevorming, van het
                            aanleren van een gedragsrepertoire. Het initiatief ligt hier geheel bij de opvoeder.
                            Hij of zij, en dus niet het kind, bepaalt de inhoud van het gedragsrepertoire. Het
                            kind moet eenvoudigweg leren bepaalde dingen te doen en te laten. “Onderrich-
                            ting omvat alle min of meer dwingende vormen van informatieoverdracht, met
                            als doel dat het kind zich volgens de juiste normen gaat gedragen. Ook hier ligt
                            het initiatief bij de opvoeder. Maar informatieoverdracht vergt altijd ook een
                            beantwoording van dat initiatief; een bereidheid van de kant van de leerling zich
                            ervoor open te stellen. Waarden en normen vragen ook om aanvaarding. Dat
                            aanvaarden, of beter gezegd het op zich willen nemen, is echter iets dat de leer-
                            ling uitsluitend zelf kan doen’’ (Van Haaften 1992). In die fase is de nadruk volle-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 224 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 225 ======================================================================

<pre>                                                                      de bijdrage van de samenleving
dig verlegd in de richting van de zich ontwikkelende persoonlijkheid van de leer-
ling zelf.
De pendant van overdracht van waarden en normen in het onderwijs is derhalve
de handhaving van de (eigen) waarden en normen. Waarden- en normenover-
dracht zal doorgaans niet beklijven indien het gedrag van leerlingen en/of lera-
ren op school zelf hiermee in strijd is. Internalisering van waarden en normen
wordt het beste bevorderd door deze zelf te praktiseren. Scholen dienen dan ook
evenzeer aandacht te besteden aan de controle en correctie van het gedrag van
hun leerlingen. Dit is een van de onderwerpen die al in 1992 aan de orde kwamen
in de discussie over de versterking van de pedagogische functie van scholen
(Ritzen 1992; commissie-De Ruiter 1995). Sedertdien is de belangstelling voor
dit onderwerp alleen maar toegenomen, zoals onlangs bleek uit de aandacht in de
media voor het schoolklimaat op enkele scholen en de vergelijking ervan met dat
op enkele buitenlandse scholen (Jippes 2003). In dezelfde richting wijst een ini-
tiatief en oproep van leraren, ouders en opvoedkundigen (Derkse 2002). Het
schoolklimaat lijkt te (kunnen) worden beïnvloed door verschillende condities.
Hierbij valt te denken aan condities als schoolgrootte, klassengrootte en klassi-
kaal stelsel, de kwaliteit van de gebouwen, de helderheid van de regels op school,
het gebruik van peer group-mechanismen, de steun van de lokale gemeenschap                           223
voor de school en de relatie van de school met de gezinnen van de leerlingen.
Deze condities worden hier kort toegelicht.
1   Schoolgrootte Vaak wordt gewezen op de nadelen van te grote scholen en
    scholengemeenschappen, zoals bijvoorbeeld door de rmo (2000, 2002).
    Deze constateert, zonder te kiezen voor schaalverkleining zonder meer, dat
    grote scholengemeenschappen onvoldoende maatwerk leveren en dat zij hun
    ‘dienstverlening’ te weinig afstemmen op verschillende groepen van gebrui-
    kers, hoewel zij daartoe gezien hun omvang wel in staat zouden zijn. Een te
    kleine schaal is echter weer om andere redenen nadelig, bijvoorbeeld omdat
    leerlingen dan niet binnen de school kunnen schakelen van de ene onder-
    wijssoort naar de andere en de school te klein is voor goede vervangingsrege-
    lingen en voor bijscholingsvoorzieningen voor de docenten.
2   Klassengrootte en klassikaal stelsel Gedragsproblemen zijn lang niet altijd met
    repressie op te lossen. Preventieve strategieën gaan uit van tijd en aandacht
    voor de internalisering van gedragsnormen door het individuele kind. In dit
    verband kan worden verwezen naar onderzoek naar het effect van klassen-
    verkleining. Hieruit blijkt dat alleen een aanzienlijke klassenverkleining
    effect sorteert (bijvoorbeeld terug naar 17 leerlingen per klas; Junger-Tas
    2001). Er zijn echter ook onderzoekingen die tot andere resultaten komen. De
    verschillen in uitkomsten hebben te maken met de samenstelling van de
    groepen, met de diversiteit van de schoolbevolking en met de manier waarop
    de klassenverkleining is georganiseerd (bijvoorbeeld de aanwezigheid van
    remedial teachers, waardoor in sommige gevallen individuele begeleiding
    mogelijk is). Junger-Tas (2001) concludeert bijvoorbeeld dat bij allochtone
    leerlingen klassikaal onderwijs over het algemeen juist succesvol is. Deze
</pre>

====================================================================== Einde pagina 225 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 226 ======================================================================

<pre>    wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                                  vorm van lesgeven leent zich ook goed voor grotere klassen; een grote groep
                                  dwingt juist tot meer orde en structuur in de klas (bijvoorbeeld omdat anders
                                  niemand meer iets kan verstaan). Maar het kan ook afhangen van de manier
                                  waarop het lesgeven is georganiseerd. Men moet zich dan ook niet blind
                                  staren op de voordelen van klassenverkleining. Ook klassenvergroting met
                                  meer leerkrachten tegelijk kan voordelen hebben. Er is bovendien niet één
                                  enkel model. Klassikale methodes en intensieve face to face-relaties kunnen
                                  goed samengaan in grote klassen en groepen als hiervoor tenminste meer
                                  leerkrachten en begeleiders beschikbaar zijn.
                            3 Kwaliteit van de publieke ruimte Grote scholen in het voortgezet onderwijs
                                  hebben vaak ook (te) grote gebouwen, of zij hebben gebouwen van wisse-
                                  lende omvang en kwaliteit, verspreid over de stad.6 Voorts lijkt er onnaden-
                                  kend en onzorgvuldig met de kwaliteit van de openbare ruimte te worden
                                  omgegaan en is er soms sprake van onveilige situaties op schoolpleinen.Vuile
                                  klassen en vuile en onveilige ruimtes zijn niet bevorderlijk voor het pedago-
                                  gische klimaat op school. En waarom zouden schoonheid en architectuur
                                  alleen voor het bedrijfsleven moeten gelden en niet ook voor jeugd en jonge-
                                  ren van belang zijn? De pluriformiteit en de expressieve moraal (vgl. Tipton,
                                  par. 7.2 ) van de school kan er ook mee tot uitdrukking worden gebracht.
224                         4 Consequente handhaving van gestelde normen Het is belangrijk dat er op
                                  school sprake is van heldere regels en dat normen die gesteld zijn ook daad-
                                  werkelijk consequent worden gehandhaafd. Orde begint immers bij een syste-
                                  matische handhaving van aanwezigheidsregels en gedragsregels. Prick (2004)
                                  wijst er terecht op dat gedragsregels alleen dan zin hebben als zij ook daadwer-
                                  kelijk worden gehandhaafd en verwijst hierbij naar het Franse voorbeeld, waar
                                  elke school een aparte functionaris heeft die verantwoordelijk is voor de regel-
                                  geving op school en voor de handhaving hiervan. Daarnaast zijn er voorbeel-
                                  den uit andere landen, zoals de Verenigde Staten. Daar wordt bijvoorbeeld ook
                                  meer wetenschappelijk onderzoek gedaan naar strategieën die wel en die niet
                                  werken bij geweldspreventie en conflictregulering op scholen. In Nederland is
                                  de invloed van onveiligheid op school en in de buurt op het functioneren van
                                  de leerlingen op school echter nog een relatief nieuw onderzoeksgebied.
                            5 Gebruik van peer group-mechanismen Om ongewenst gedrag tegen te gaan
                                  zijn ook de meer informele sociale controlemechanismen van belang, zoals
                                  die van de peer group van de vrienden. In dat kader lijken strategieën die
                                  thans in de Verenigde Staten worden getest en die bekend staan onder de
                                  verzamelnaam social norms approach, interessante aanknopingspunten te
                                  bieden. Het gaat hier om mechanismen waardoor normconform gedrag
                                  wordt uitgelokt. Tot nu toe lijkt de social norms approach succesvol te zijn
                                  toegepast op jongeren met drank- en drugsproblemen, maar de methodes
                                  lijken ook voor andere vormen van problematisch gedrag hanteerbaar
                                  (Perkins 2003; recensie door Sunstein 2003). Eigenlijk zijn die mechanismen
                                  ook niet nieuw, vergelijk de discipline in het voetbalelftal (‘Als je niet komt
                                  opdagen, schaadt je je medespelers’). Door dit soort mechanismen wordt ook
                                  de ruime marge tussen onprettig en onwettig gedrag benut (vgl. hoofdstuk
                                  6). De confrontatie met de formele mechanismen van de overheid en de
</pre>

====================================================================== Einde pagina 226 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 227 ======================================================================

<pre>                                                                   de bijdrage van de samenleving
  rechtsstaat, bijvoorbeeld door het optreden van politie en leerplichtambtena-
  ren, kan immers nooit het enige middel zijn en vernietigt soms ook de ruimte
  om er op andere en meer informele manieren uit te komen, zoals door bevor-
  dering van normconform gedrag door gebruikmaking van vriendennetwer-
  ken.
6 Normhandhaving als onderdeel van de lerarenopleiding Ligt in de pabo-oplei-
  ding weleens te weinig nadruk op de kernvakken, bij de lerarenopleiding lijkt
  soms de sterke vakinhoudelijke oriëntatie van de opleiding weinig ruimte te
  laten voor aandacht aan handhaving van gedragsregels en omgang met de
  multiculturele samenstelling van klassen.
7 Steun van de gemeenschap voor de school Ook de steun vanuit de gemeen-
  schap(pen) is een conditie voor bevordering van sociale controle op school.
  Bij haar taakuitoefening staat een school namelijk niet op zichzelf. Ze maakt
  deel uit van gemeenschappen en het succes van de scholen hangt deels af van
  de vitaliteit van die gemeenschappen. Empirisch onderzoek laat zien dat die
  participatie nog steeds op peil blijft en vergeleken met andere landen opmer-
  kelijk hoog ligt, waarbij deze zich zelfs uitbreidt tot nieuwe gebieden, zoals
  participatie door de gebruikers (overblijfouders, leesouders en leerlingenpar-
  ticipatie). 7
8 Heldere relaties school-huismilieu De uitoefening van sociale controle door de                  225
  ouders is een conditie voor een effectieve werking van sociale controle op
  school. Hoe beter in het gezin sociale controle op het kind wordt uitgeoefend,
  des te beter dit ook op school werkt. Soms wordt gesuggereerd dat de school
  een deel van de taken van de ouders moet overnemen als kinderen thuis
  onvoldoende worden gedisciplineerd en begeleid. Vergeten wordt dan al snel
  dat vooral de basisschool al veel tekorten in de opvoeding op school moet
  opvangen. Zonder tegenwicht tegen deze ontwikkeling vanuit het onderwijs
  zelf is het niet denkbeeldig dat de moeilijke kerntaken van het onderwijs nog
  meer in de knel komen, want ook door de verzakelijking staan ze al onder
  druk. De school is bovendien een instelling van onderwijs en geen instelling
  voor de opvulling van maatschappelijke tekorten. Dat wil echter ook weer
  niet zeggen dat als de ouders meer op hun plichten worden gewezen het hier-
  bij behoeft te blijven. Willems (2003) bekijkt de zaak daarentegen van de
  andere kant. Hij bekritiseert de standaardreactie van ‘het is niet onze taak om
  de ouders te steunen’. Elk probleem met kinderen wordt door instellingen en
  rechters steeds gedefinieerd als een individuele aansprakelijkheid van ouders.
  Konden die ouders bij hun werkzaamheden vroeger nog vaak een beroep
  doen op steun van familie en sociale netwerken en werden zij niet individu-
  eel ‘aansprakelijk’ gesteld voor het doen en laten van hun kinderen, nu lijkt
  dit wel het geval te zijn (alsof het bovendien slechts gaat om een kwestie van
  maakbaarheid). En als zij het niet alleen blijken aan te kunnen, behoort het
  tot hun eigen verantwoordelijkheid om politie, maatschappelijk werk en
  anderen in te schakelen. Aandacht op school voor waardeontwikkeling,
  normbesef en gedragsregels herstelt zo bezien in zekere zin de steun van de
  gemeenschap, zij het in meer georganiseerde vorm. Bovendien sluit het een
  het ander niet uit: én de ouders (mede als burgers) én de school kunnen wat
</pre>

====================================================================== Einde pagina 227 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 228 ======================================================================

<pre>    wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                                  doen aan het bijbrengen van gedragsvormen en normatieve vaardigheden en
                                  kunnen hierover onderling afspraken maken, waarbij zij aangeven wat zij van
                                  elkaar verwachten.
                            9 Systemen van conflictregulering Een interessante en veelbelovende manier
                                  om al doende bij te dragen aan de overdracht en naleving van gedragsnormen
                                  is conflictregulering op school. Conflicten op school worden steeds vaker aan
                                  de rechter voorgelegd, bijvoorbeeld over het dragen van hoofddoekjes, over
                                  schade aan leerlingen vanwege langdurige door de school getolereerde peste-
                                  rijen door medeleerlingen, over onvoldoende kwaliteit van onderwijs
                                  (bijvoorbeeld door uitval van lessen, onvoldoende kwaliteit van docenten
                                  enz.). De vraag dringt zich op waarom de school niet zelf meer aandacht
                                  besteedt aan conflictregulering. De school is immers ook een eigen micro-
                                  civil society, een geheel van sociale betrekkingen tussen leerkrachten en leer-
                                  lingen, leerlingen onderling, school en ouders, directie en bevoegd gezag,
                                  enzovoort. In die betrekkingen doen zich vaak problemen voor, zoals ook
                                  buiten de school het geval is. Naast de reeds genoemde onderwerpen valt te
                                  denken aan intimidatie van leraren door leerlingen of hun ouders en eenzij-
                                  dig machtsgebruik door scholen en leerkrachten, zonder dat hier een juridisch
                                  tegenwicht tegenover staat. In zijn rapport over de nationale rechtsstaat heeft
226                               de wrr ervoor gepleit dat de rechtsbescherming van burgers op peil blijft, nu
                                  steeds meer bevoegdheden worden overgedragen aan de autonomie van de
                                  instellingen. Daarnaast zijn ook andere systemen denkbaar waarbij de school-
                                  gemeenschap in eerste instantie zelf zorgt voor de beslechting en ‘berechting’
                                  van conflicten. In Amerikaanse scholen zijn leerlingen bijvoorbeeld zelf
                                  medespelers in het juridische proces, terwijl in Duitsland scholen een school-
                                  grondwet kennen. Het voordeel van dergelijke methoden is dat men niet
                                  onmiddellijk een beroep hoeft te doen op de formele systemen van conflict-
                                  beslechting door politie en justitie, al blijft die mogelijkheid altijd bestaan.
                                  Tegelijkertijd moet worden voorkomen dat zaken die eigenlijk bij justitie of
                                  politie thuishoren, daar niet terechtkomen. Het een hoeft het ander echter
                                  niet uit te sluiten, zoals ook de meer informele rechtsprocedure bij de Com-
                                  missie Gelijke Behandeling niet in de plaats hoeft te komen van de formele
                                  rechtsgang. Een neveneffect van conflictregulering in de school is bovendien
                                  dat ze ertoe dwingt om afspraken te formaliseren en ook om een etiquette
                                  van omgangsvormen te formuleren. Een ander neveneffect is dat leerlingen
                                  door te oefenen burgerschapsvaardigheden verkrijgen; het instructiemate-
                                  riaal is om zo te zeggen direct bij de hand. In hoeverre dit leereffect ook op-
                                  treedt, hangt onder meer af van de mate waarin de leerlingen zelf betrokken
                                  worden bij de conflictregulering en de mate waarin zij de effecten ervan kun-
                                  nen merken in de verbetering van het schoolklimaat. Overigens moet wel
                                  worden gewaakt tegen het effect van juridisering dat hiervan zou kunnen uit-
                                  gaan, waardoor de informele sociale controle zou kunnen worden uitgehold.
                            Ter tiaire taken
                            De proef van het ministerie van Onderwijs onder tien scholen met vrijwillige
                            stages voor middelbare scholieren bij vrijwilligersorganisaties, ideële clubs en
</pre>

====================================================================== Einde pagina 228 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 229 ======================================================================

<pre>                                                                   de bijdrage van de samenleving
zorginstellingen is een recente vorm van invulling van de derde taak (Tweede
Kamer 2002-2003, 27400). Er moet uiteraard worden afgewacht wat het effect is
voor de leerlingen. Zal er gebruik van worden gemaakt? En draagt het bij tot hun
besef van waarden en normen en zal het invloed hebben op hun latere gedrag?
Of ruimer: in hoeverre draagt onderwijs ook bij aan de algemene maatschappe-
lijke waarden en normen, in hoeverre is het dan alleen de school en in hoeverre
is het vooral de gezinsinvloed? Naar het zich laat aanzien spelen soortgelijke
onzekerheden ook bij de effecten van invoering van het brede schoolconcept op
verschillende scholen (vgl. Emmelot en Van der Veen 2003). Voor de vraag naar
de externe effecten op langere termijn zou men natuurlijk het liefste terugvallen
op gedegen empirisch onderzoek. Wat erover bekend is, is dat voor de doorsnee-
ouder de pedagogische taak van de school ligt bij de maatschappelijke aspecten
en vaardigheden en dat de persoonsgerichte doelstellingen als de vorming van
evenwichtige mensen en bijbrengen van goede manieren eerder door de ouders
wordt gezien als een taak voor henzelf. In de onderzoeken waaraan dit wordt
ontleend komen de allochtone ouders echter nauwelijks aan het woord. En wat
ervan bekend is, wijst erop dat allochtone ouders het Nederlandse onderwijs te
weinig prestatiegericht en de pedagogische aanpak te slap vinden en zeker niet
aansluitend op hun eigen manieren van opvoeden (vgl. Veugelers en De Kat
1998). Voor de eigenlijke vraag wat de externe effecten zijn van de vorming op                    227
school voor het verdere leven, moet vaak een beroep worden gedaan op de plau-
sibiliteit van een bepaalde redenering. Hoewel moeilijk empirisch valt vast te
stellen welke externe effecten de overdracht van waarden en normen in het
onderwijs buiten het onderwijsgebied heeft, is het namelijk wel zeer aanneme-
lijk dát dergelijke effecten bestaan. En dan gaat het om neveneffecten als: op tijd
komen; de gewenning aan leren in interactie met anderen; het kunnen organise-
ren van je werk en de doorwerking van de regel dat je ‘eerst je huiswerk moet
maken’. Andere neveneffecten lijken moeilijker te bewijzen, zoals de houding
ten opzichte van conflicten door ervaringen die zijn opgedaan met de omgang
met conflicten op school. Of de relatie tussen het democratische klimaat op
school (kiezen van klassenvertegenwoordigers) en de democratische gezindheid
in het latere leven. Sommige scholen lijken ervan overtuigd dat elementen van
het schoolklimaat van invloed zijn op het latere leven en profileren zich op
bijvoorbeeld disciplinering en conflictregulering, en anderen daarnaast ook op
expressievakken, zoals schooltoneel. Zij laten nogmaals zien dat scholen zich in
normatieve zin kunnen profileren en zich hiermee willen onderscheiden van
andere scholen. Het is een uitdrukking van de pluriformiteit van het Neder-
landse onderwijs, waarin alle waardestelsels van Tipton terugkeren (religieus,
seculier humanistisch, individueel-utilitaristisch en individueel-expressief).
De eerdergenoemde conflictregulering bevat ook een oefening in meer demo-
cratische en rechtsstatelijke competenties. De relaties tussen onderwijs en
democratie en rechtsstaat, die hierin tot uitdrukking komen, bevinden zich op
microniveau. Op macroniveau zijn er echter ook relaties tussen democratie en
onderwijs, bijvoorbeeld als wordt geconstateerd dat er een relatie ligt tussen het
democratische en rechtsstatelijke project van de twintigste eeuw (invoering alge-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 229 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 230 ======================================================================

<pre>    wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                            meen kiesrecht, uitbreiding van de grondrechten, toename maatschappelijke
                            participatie en mondigheid) en het onderwijsproject (grotere deelname aan en
                            mobiliteit in het onderwijs). Het scharnierpunt in die relatie wordt gevormd
                            door de invoering van een voor alle burgers gelijke en verplichte participatie aan
                            het onderwijs; rijk en arm in één klas, als een vroege oefening in het hebben van
                            gelijke rechten en plichten, hoe maatschappelijk verschillend men ook geboren
                            is.8 De algemene leerplicht onderstreept het gelijkheidsbeginsel dat kenmerkend
                            is voor de democratische rechtsstaat. In Nederland is daarnaast een beginsel van
                            self-government gehanteerd mede als antwoord op het godsdienstig en levensbe-
                            schouwelijke pluralisme. Het is een uitdrukking van de vrijheid van onderwijs
                            (art. 23 Grondwet) en de vrijheid van vereniging. In hoofdstuk 5 is gewezen op
                            de noodzaak om op school meer aandacht te besteden aan de beginselen van de
                            democratische rechtsstaat. Dat kan door de oefeningen in de eerdergenoemde
                            systemen van conflictregulering en bevordering van omgangsvormen, zoals die
                            hierboven zijn genoemd, in samenhang met een meer op burgerschapsvorming
                            gericht vak maatschappijleer. Het zou al met al een nieuwe fase zijn in de ont-
                            wikkeling van de relatie tussen onderwijs en rechtsstaat, in de zin dat die relatie
                            nu ook binnen de schoolpraktijk zelf tot leven moet worden gebracht om die
                            relatie aldus ook op langere termijn te handhaven.
228
                7.5.4       conclusies over onderwijs
                            1     Binnen het kader van de primaire taak moet niet een nieuw vak waarden en
                                  normen op school worden ingevoerd. Het is beter dat een herwaardering van
                                  het bestaande vak maatschappijleer plaatsvindt en dat burgerschapsvorming
                                  erin wordt opgenomen; dit naast de reeds ook door anderen gedane voorstel-
                                  len om in het geschiedenisonderwijs meer aandacht te besteden aan de histo-
                                  rische ontwikkeling van burgerschap in zijn pluriforme verschijningsvormen
                                  en naast het voorstel van de Onderwijsraad (2003) voor een algemene doel-
                                  bepaling over burgerschapsvorming in de onderwijswetgeving.
                            2 Internalisering van normen wordt het beste bevorderd door deze zelf te prak-
                                  tiseren. Waarden- en normenoverdracht zal doorgaans niet beklijven indien
                                  het gedrag van leerlingen en/of leraren op school zelf hiermee in strijd is. De
                                  belangrijkste aangrijpingspunten voor de overdracht van waarden en normen
                                  in het onderwijs zitten derhalve in het schoolklimaat en in de externe betrek-
                                  kingen van de school met haar omgeving, dus in de secundaire en tertiaire
                                  taak van de school.
                            3 In de lerarenopleiding voor het voortgezet onderwijs moet de secundaire (en
                                  tertiaire) taak meer aandacht krijgen, opdat de leerkrachten beter zijn voorbe-
                                  reid op normoverschrijdend gedrag en handhaving van regels in de klas en
                                  voorts op de omgang met morele vragen, samenhangend met de multicultu-
                                  rele samenstelling van de klassen. De betrokken instellingen voor hoger
                                  onderwijs kunnen in de eerste plaats hierbij zelf het initiatief nemen om te
                                  komen tot kwaliteitsregels.
                            4 Er zouden voor schoolbesturen meer methoden moeten worden ontwikkeld
                                  om – met name voor het voortgezet onderwijs – leerlingen meer te betrekken
</pre>

====================================================================== Einde pagina 230 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 231 ======================================================================

<pre>                                                                           de bijdrage van de samenleving
         bij de vaststelling van de regels en bij conflictregulering, bij wijze van voor-
         oefening in de omgang met waarden en normen in een samenleving van
         volwassen burgers. Scholen kennen weliswaar al schoolgidsen, schoolplan-
         nen en (anti-pest)protocollen, maar het bereik en het effect hiervan moeten
         niet worden overschat.
    5    Er zijn vele manieren waarop scholen hun maatschappelijke taak ten aanzien
         van waarden, normen en gedrag kunnen vervullen. Niet één daarvan is de
         beste of in alle situaties toepasbaar. De lokale omgeving waarin scholen func-
         tioneren, de problemen waarmee zij worden geconfronteerd, de samenstel-
         ling van de schoolpopulatie en de wensen van de ouders lopen te zeer uiteen
         voor een standaardoplossing. Er moet meer ruimte komen voor institutionele
         variëteit, overigens zonder dat minimumvereisten van gelijkwaardigheid en
         gelijke toegang worden losgelaten.
7.6 waarden en normen in de inburgering
    In de context van de waarden- en normendiscussie wordt vaak nogal wat
    verwacht van het systeem van inburgering. Hoe reëel is dat? Als voor het onder-
    wijs in het algemeen geldt dat er te veel van wordt verwacht, dan geldt dit zeker
    voor de rol van onderwijsinstellingen bij inburgering. Op dit moment moeten de                        229
    deelnemers verplicht 600 uren deelnemen aan de inburgeringscursussen. Ze
    worden in opdracht van de gemeenten georganiseerd door het roc en zij worden
    formeel na 12 maanden afgesloten met een verplichte toets, waarin wordt aange-
    geven wat de cursus voor de betrokkenen aan rendement heeft gehad op het
    niveau van eindtermen. Is dit niveau te laag, dan kan eventueel nog een verlen-
    ging volgen van een halfjaar. In andere gevallen treedt een vervolgtraject in van
    begeleiding naar de arbeidsmarkt of naar een vervolgopleiding. De inburgerings-
    cursussen zijn de afgelopen jaren meermalen onderwerp geweest van publieke
    en politieke discussies, onder andere vanwege lage scores bij de taaltests, absen-
    tie, motivatieproblemen, uitval van lessen, onduidelijkheid van de toets en
    dergelijke (zie de evaluatie door de Algemene Rekenkamer 2000; Tweede Kamer
    2002-2003). Over de noodzaak van meer duidelijkheid over de status van de
    toets en het belang van inburgering van nieuwkomers zijn de meeste deskundi-
    gen het wel eens. Dit geldt ook voor het vak maatschappijoriëntatie, dat zich
    richt op bevordering van zelfredzaamheid in plaats van ook op burgerschapsvor-
    ming (vgl. Eindtermen 1997), dat slechts op één niveau wordt getoetst en soms
    nauwelijks te onderscheiden is van taalonderwijs (vgl. Verhallen 2001).
    De overdracht van waarden en normen kan slechts zeer gedeeltelijk zitten in de
    maatschappijoriëntatie. Wat eerder is gezegd over value education geldt ook hier.
    De beste manier van overdracht is door imitatie van gedragsvoorbeelden. Dit is
    in de voorgaande paragraaf over onderwijs behandeld als tertiaire taak van insti-
    tuties. De participatie aan de inburgeringsinstituties zelf biedt zo bezien de basis
    voor de overdracht van waarden en normen. De vraag is of dit niet een te smalle
    basis is voor participatie en of aldus niet te veel wordt verwacht van de onder-
    wijsparticipatie van volwassenen (want dat is immers de doelgroep van de inbur-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 231 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 232 ======================================================================

<pre>    wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                            gering). Een bijkomende factor is de heterogene samenstelling van de klassen die
                            niet echt bevorderlijk is voor een snelle imitatie van Nederlandse rolmodellen.
                            Daarom wordt ook wel gepleit voor een ruimere kijk op participatie, waarbij een
                            geslaagde overdracht van waarden en normen fungeert als sluitstuk van een
                            gefaseerd systeem van inburgering via de arbeidsmarkt (de indeling in fases
                            ervan vertoont overigens een analogie met het onderscheid in primaire, secun-
                            daire en tertiaire taken). De eerste fase bestaat eruit dat nieuwkomers, nadat zij
                            een vergunning tot voorlopig verblijf hebben verkregen, gaan deelnemen aan het
                            arbeidsproces (vgl. Tiggelen en Vermaas 2002). De tweede fase is dat de nieuw-
                            komers zich hierbij zo snel mogelijk de vaardigheden en kennis eigen maken om
                            te kunnen participeren en dat zij een examen Nederlandse taal en cultuur afleg-
                            gen. In de laatste fase moet dan de deelname aan arbeid en de samenleving leiden
                            tot een groter commitment aan de Nederlandse samenleving, haar normen en
                            rechtsstatelijke basiswaarden. Het is een neveneffect dat bovendien soms meer,
                            soms minder als apart doel wordt beoogd (vgl. Verhoogt 2001; Couwenberg,
                            Cliteur et al. 2003). Het succes van deze laatste fase is uiteraard afhankelijk van
                            de eerste fase en van de kwaliteit van de inburgeringsvoorzieningen.
230                         De uitvoering van de eerste fase, dus de participatie aan de arbeidsmarkt, blijft in
                            Nederland echter onder de maat. Zo is de arbeidsparticipatie van nieuwkomers
                            vergeleken met bijvoorbeeld Duitsland opmerkelijk laag (Koopmans 2002). Die
                            lage participatie belemmert ook de uitvoering van de tweede fase, omdat nieuw-
                            komers juist in de concrete arbeidspraktijk de taal het beste blijken te leren (zie
                            ook wrr 2001). Daar ziet men ook de rolmodellen. Bovendien biedt de arbeids-
                            situatie naast bijvoorbeeld de buurt een min of meer gestructureerd kader dat
                            gunstig is voor eventuele discussies tussen de betrokkenen (autochtonen en
                            allochtonen, maar ook tussen allochtonen onderling) over gedrag en regels voor
                            gedrag (zie ook hoofdstuk 6). De derde fase van de neveneffecten van de partici-
                            patie en het beheersen van het Nederlands, kan evenmin totstandkomen als de
                            toetreding tot de arbeidsmarkt niet lukt. Belangrijk hierbij is dat ook het omge-
                            keerde kan gaan gelden. Als nieuwe immigranten niet deelnemen aan de arbeids-
                            markt – vanwege de conjunctuur of de eisen voor deelname aan arbeid (bijvoor-
                            beeld diploma’s die niet worden erkend) of om welke andere reden dan ook –
                            bestaat zelfs het gevaar van een voortijdige afwijzing van hier geldende normen
                            en gedragsregels door de nieuwe immigranten.
                            Er is daarom veel voor te zeggen om werk te maken van deelname aan de arbeids-
                            markt door nieuwe immigranten, en om deze participatie als een zaak van de
                            eerst orde te blijven zien. Deelname aan inburgeringscursussen is een kwestie
                            van ondersteuning en daarmee van de tweede orde. In het huidige systeem lijkt
                            die verhouding daarentegen soms omgekeerd en lijkt het middel – de door de
                            overheid georganiseerde inburgeringscursus – te veel in de plaats te komen van
                            het doel. De inburgeringscursus is in dit opzicht een treffend voorbeeld van
                            functieversmalling. Het gaat echter het doel van dit rapport te buiten om een
                            geheel nieuw stelsel voor inburgering voor te stellen. Bovendien wordt er al
</pre>

====================================================================== Einde pagina 232 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 233 ======================================================================

<pre>                                                                          de bijdrage van de samenleving
      geëxperimenteerd met dualiseringstrajecten waarbij van het begin af aan arbeid
      en onderwijs gecombineerd zijn. Ten slotte heeft het kabinet onlangs voorge-
      steld om aan het niet behalen van de toets gevolgen te verbinden, zoals het niet
      verkrijgen door nieuwkomers van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd
      als zij de examens niet gehaald hebben.
7.7   waarden en normen in de media
7.7.1 inleiding: primaire , secundaire , tertiaire taken
      De media (kranten, weekbladen, radio en televisie, omroeporganisaties) en
      nieuwe vormen van elektronische communicatie (internet) zijn een prachtig
      voorbeeld om de dubbele relatie van de maatschappij tot de waarden- en nor-
      mendiscussie te illustreren. Beïnvloeden de media op een geheel zelfstandige
      wijze de maatschappij of geven ze slechts door wat er in de maatschappij leeft?
      Zijn de media, en in het bijzonder televisie, scheppers van nieuwe waarden en
      van het steeds verder opschuiven van normen van betamelijkheid of sluiten
      programma’s aan op wat de mensen altijd al dachten en meenden? De moeilijk-
      heid van een positiebepaling van de media in het waarden- en normendebat is
      dat bijna geen wetenschappelijk verantwoord antwoord te geven valt op boven-                       231
      staande vragen. Ondanks het veel geuite vermoeden dat media een grote invloed
      hebben op het normbesef en de waardebeleving van kijkers en luisteraars, is
      gedegen onderzoek naar de ‘invloed van de media op waarden en normen in de
      samenleving’ zeer schaars. Er is veel speculatie. In deze paragraaf wordt terug-
      houdendheid betracht ten aanzien van uitspraken over de inhoudelijke waarden-
      en normenoverdracht via de media. Wel kunnen uitspraken gedaan worden over
      de rechtsstatelijke positie van de media, de economische invloeden die van de
      toegenomen onderlinge concurrentie in de media uitgaan op bijvoorbeeld
      programmering, én over de primaire, secundaire en tertiaire taken van de media.
      Ook over de verschuivende verhouding tussen deze taken kan iets gezegd
      worden, want bij de media kan men waarnemen – net als bij zoveel andere insti-
      tuties – dat de economische druk van buitenaf gevolgen heeft gehad voor de
      aandacht voor secundaire en tertiaire taken van de media.
      Onder primaire taken van de media vallen bijvoorbeeld de vrije en onafhanke-
      lijke nieuwsgaring, de nieuwsvoorziening, de verantwoordelijkheid voor de
      waarheid en juistheid van de berichtgeving en de dienstverlening aan het grotere
      publiek via kranten, radio en televisie, waaronder de niet onbelangrijke taak van
      het brengen van verstrooiing. De secundaire taken van de media: het instand-
      houden van de pluriformiteit van publieke meningsvorming in een samenleving,
      de media als forum of ontmoetingsplaats voor het open en kritische debat, het
      leveren van openbare kritiek, onder andere op gezagsdragers en vertegenwoordi-
      gers van andere instituties. De tertiaire taken van de media bestaan – net als bij
      de andere instituties – uit de zelfstandige bijdrage aan de publieke zaak, de demo-
      cratie en het democratische gehalte van de samenleving. Deze tertiaire taak krijgt
      voor de media zelfs een bijzonder accent, omdat zij immers inhoud geven aan
</pre>

====================================================================== Einde pagina 233 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 234 ======================================================================

<pre>    wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                            een van de klassieke grondrechten: vrijheid van drukpers en van meningsuiting.
                            Deze rechten steunen op de grondwet én ze kunnen door ruime beoefening
                            ervan door de media in stand worden gehouden. Zonder vrije en onafhankelijke
                            pers is er geen levendige democratie mogelijk.
                            Een tendens is echter waar te nemen dat onder invloed van een moordende
                            concurrentieslag om de kijkersgunst (gemeten via dagelijkse en wekelijkse kijk-
                            cijfers en populariteitspolls) juist de aandacht voor de kritische meningsvorming
                            en pluriformiteit (secundaire taak) én voor de democratische opdracht van de
                            media (tertiair) verloren gaat, zoals Keane (1991) in zijn studie The Media and
                            Democracy aantoonde. Dit ondanks de vele mogelijkheden die de media hebben
                            én zouden kunnen benutten om de democratie te versterken (Keane 1991). Plan-
                            ken (2003) spreekt in dit verband van ‘een pijnlijk tekort aan eigen onafhanke-
                            lijke informatie of informatiebronnen bij de media’.
                7.7.2       de inhoudelijke invloed van de media op waarden en normen in
                            de samenleving
                            Op welke wijze kunnen media nu de waarden en normen in de samenleving
232                         beïnvloeden? Men kan hierbij denken aan de vele op de televisie uitgestalde
                            levenswijzen, die bijvoorbeeld in immens populaire soaps (gtst) of andere
                            programma’s (Big Brother) worden vertoond. Deze levenswijzen krijgen vaak
                            een normatieve meerwaarde. Men wil leven zoals de sterfiguren op de televisie.
                            Jongeren richten hun eigen normen en waarden naar wat ze zien. Of is het toch
                            omgekeerd? Vertoont de televisie de normen die jongeren zelf al geïnternaliseerd
                            hebben? Bij deze vraag komt een oeroude tegenstelling naar voren die reeds
                            tussen Plato en Aristoteles waar te nemen was, namelijk het beeld als aanstich-
                            ter, katalysator, of het beeld als katharsis. Plato wilde de kunst en de kunstenaars
                            uit de stadstaat weren, omdat die naar zijn mening een slechte invloed hadden –
                            via de verbeelding en de fantasieën – op de opvoeding van de jeugd en op het
                            morele besef van de gehele stad. Aristoteles daarentegen zag in de kunsten een
                            mogelijkheid tot ontlading van allerlei reeds bij de stadsbewoners bestaande
                            spanningen, de katharsis. De kunsten leverden de acting out van de innerlijke,
                            reëel bestaande wensen en verlangens.
                            In de hedendaagse discussie over de invloed van de media, in het bijzonder van
                            televisie, op gewelddadig gedrag keert een soortgelijke discussie terug. Geweld,
                            veelvuldig vertoond op televisie, is een voorbeeld van slecht gedrag en van
                            conflictbeslechting én heeft een negatieve invloed op dit gedrag (Plato’s echo).
                            Ofwel de vertoonde beelden van geweld nemen de spanningen juist weg (Aristo-
                            teles’ late invloed). Het vele onderzoek naar de invloed van televisie op geweld,
                            in het bijzonder op het gedrag van kinderen, heeft twee ‘scholen’ opgeleverd: er
                            wordt een negatieve invloed toegekend aan de rol van televisiegeweld; een
                            invloed die door andere onderzoekers weer ernstig wordt bestreden of gerelati-
                            veerd (zie hiervoor Van der Voort 1997; Nikken 2000). De bestrijders van een
                            zelfstandige invloed van media op gewelddadig gedrag beweren dat de media
</pre>

====================================================================== Einde pagina 234 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 235 ======================================================================

<pre>                                                                            de bijdrage van de samenleving
      slechts een afspiegeling bieden van de waarden en normen die de samenleving
      als geheel instandhoudt. Er is een ruime markt in de samenleving voor deze
      vertoningen van geweld (mutatis mutandis ook voor pornografische films). De
      media beantwoorden aan deze vraag, ondanks het feit dat deze vraag naar verto-
      ningen van geweld vergaande consequenties zou kunnen hebben voor de samen-
      leving als geheel (Hamilton 1998). Deze externe effecten van geweld en andere
      vormen van extreem gedrag, bijvoorbeeld in bekentenissenprogramma’s,
      worden verwaarloosd en de concurrentie(positie) domineert de programmering.
      Over de invloed van televisie op gewelddadig gedrag is op dit moment geen een-
      duidig wetenschappelijk antwoord te geven. Dat de onderlinge strijd tussen
      commerciële zenders de tendens tot het veelvuldig vertonen van geweld, conflic-
      ten, extravagant gedrag en dergelijke bevordert, staat wetenschappelijk wél vast
      (Scholten 2004). Maar dergelijke programmakeuzen vallen onder een grondwet-
      telijke bescherming van vrije meningsuiting. Daarnaast vallen ze onder de verant-
      woordelijkheid van privaatrechtelijke organisaties, zoals de commerciële en pu-
      blieke omroepen, zodat de grenzen van overheidsinterventie snel in zicht komen.
      Maar dat wil nog niet zeggen dat er op dit punt geen verschillen zijn tussen de
      stelsels in de verschillende landen. Zo is er eerder op gewezen dat in het Ver-
      enigd Koninkrijk al geruime tijd voor de commerciële omroepen publieke taak-                         233
      stellingen zijn vastgesteld, ter controle waarvan het nieuwe onafhankelijke
      Office of Communications (ofcom) is opgericht.9
7.7.3 concurrentie en progr ammering
      De concurrentie tussen mediaorganisaties is de afgelopen twee decennia toege-
      nomen door de komst van veel nieuwe en wereldwijd opererende commerciële
      zenders en organisaties. Dat geldt ook in het bijzonder voor de concurrentie
      tussen commerciële en publieke omroeporganisaties. Uit angst leden of kijkers te
      verliezen richten de publieke omroeporganisaties zich op de programmering van
      de commerciële omroepen en hebben daar zelfs veel geld voor over (bijvoorbeeld
      nova als concurrent van Barend en Van Dorp). Waar vroeger de publieke
      omroeporganisaties werden beoordeeld om hun ledenaantallen, worden ze nu
      beoordeeld op voornamelijk kwantitatieve prestatienormen in de vorm van kijk-
      cijfers. Net als bij andere instituties (zie 7.3 en onderwijs en inburgering) vindt
      een functieversmalling plaats, wat nadelig is voor de secundaire en tertiaire
      taken van de (publieke) omroep. Welke consequenties deze verschuiving in de
      programmeringsaandacht voor met name de publieke omroepen zullen hebben
      is een vraag die in dit rapport over waarden en normen niet aan de orde kan
      worden gesteld. Wel bereidt de raad een uitvoerige studie voor over het media-
      landschap, waarin ook aandacht wordt besteed aan het omroepbestel (zie Werk-
      programma wrr 2003). Als kijkcijfers bepalend worden voor de inhoud van de
      programma’s, zal de variatie van de programmering vermoedelijk verminderen,
      hetgeen consequenties kan hebben voor de kritische functie van de media; de
      media fungeren dan niet meer als horzel in de pels van de samenleving, maar
      vooral als dekmantel van de maatschappelijke (en politieke 10) favorieten.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 235 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 236 ======================================================================

<pre>    wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                7.7.4       ver ant woordelijkheid en ver ant woording
                            Dit roept de vraag op naar verantwoordelijkheid en verantwoording. Het ligt
                            voor de hand om zorgen uit te spreken over de hierboven kort gesignaleerde
                            functieversmalling van de media. In het voorjaar van 2003 heeft de rmo een
                            advies uitgebracht over ‘medialogica’. De klachten die daarin werden geuit over
                            de media, betroffen het jagen van meutes journalisten op dezelfde nieuwsfeiten,
                            te snelle berichtgeving, te weinig kennis van onderwerpen bij journalisten, de
                            personalisering van de dagelijkse, vooral politieke actualiteit, de vele herhalin-
                            gen van ‘uitsneden’ uit de programma’s waardoor die een te groot accent krijgen
                            en te veel versimpeling van ingewikkelde (politieke) zaken optreedt, met name
                            bij de televisie (rmo 2003). Deze klachten zijn niet nieuw. Niettemin is het de
                            vraag of op deze bekritiseerde ‘medialogica’ moet worden gereageerd met een
                            jaarlijks te organiseren mediapolitiek verantwoordingsdebat, zoals bepleit door
                            de rmo. Anderzijds moet ook niet alle heil worden verwacht van zelfregulering
                            door de professionele beroepsgroep. Journalisten zijn geen professionals in de
                            zin van vrije beroepen met een eigen wettelijke niet-hiërarchische tuchtrecht-
                            spraak. Het is verder de vraag of het in die sfeer van tuchtrechtspraak moet
                            worden gezocht, nog afgezien van het feit dat ook die tuchtrechtspraak in de
234                         gebieden waar die tot voor kort goed functioneerde onder druk lijkt te staan (vgl.
                            Kleiboer en Huls 2001). De wrr volgt hier een andere ‘logica’, namelijk een die
                            geheel in de lijn ligt van wat in dit hoofdstuk over de rol van instituties in het
                            algemeen gezegd is: instituties dienen in de eerste plaats hun primaire taken zo
                            goed mogelijk te vervullen. Zij zijn zelf hiervoor verantwoordelijk en ze zouden
                            onder andere door benadrukking van professionele verantwoordelijkheden deze
                            primaire taak extra gewicht kunnen geven. In het geval van de media betekent
                            dit dat enkele hoofdverantwoordelijkheden van de journalistiek door de media-
                            organisaties en de journalisten zelf (weer) voorop moeten worden gesteld.
                            Norris (2000) heeft enkele van grondregels voor de journalistiek uiteengezet in
                            haar studie A virtuous circle, political communication in postindustrial democra-
                            cies. Daarnaast gaven twee journalisten (Kovack en Rosenstiel 2003) enkele
                            grondregels van professionele ethiek, zoals de volgende.
                            1 De eerste verplichting van de journalistiek is het dienen van de waarheid.
                            2 Haar eerste loyaliteit ligt bij burgers, niet bij organisaties.
                            3 Het wezen van de journalistiek als discipline is verificatie van feiten en bewe-
                                 ringen.
                            4 De beoefenaren moeten onafhankelijk zijn van degenen over wie ze berichten.
                            5 Journalistiek moet dienen als een onafhankelijke inspectie van macht.
                            6 Zij moet een forum voor openbare kritiek en debat verschaffen.
                            7 Zij moet ernaar streven zaken van belang te presenteren als interessant en
                                 relevant.
                            8 Zij moet het nieuws begrijpelijk maken en in de juiste verhouding plaatsen.
                            9 De journalisten moeten hun eigen geweten kunnen volgen (zie hiervoor
                                 Broertjes 2003).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 236 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 237 ======================================================================

<pre>                                                                          de bijdrage van de samenleving
    Deze regels vormen als het ware de waarden en normen van de journalisten en
    werken zo door in de media. Met name de vierde regel dat journalisten onafhan-
    kelijk moeten zijn van degenen over wie zij berichten, sluit een al te gretige jaar-
    lijkse verantwoording aan publiek en politiek uit. Meer ruimte en aandacht voor
    deze primaire taken en primaire regels kan de verantwoordelijkheid van de
    media leggen waar die hoort: bij de media en de mediaorganisaties zelf. Op ana-
    loge wijze zouden de media meer ruimte moeten krijgen om hun secundaire en
    tertiaire taken te vervullen, waar nodig door meer helderheid over wat zij geleerd
    hebben uit media-incidenten, hoe zij bepaalde gebeurtenissen voor zichzelf
    geëvalueerd hebben, welke lessen zij eruit getrokken hebben en welke gevolgen
    de media willen verbinden aan de zelfevaluatie voor hun toekomstig gedrag. Het
    belang van een pluriforme samenleving, waar zeer vele waardestelsels een
    spreekbuis via de media moeten kunnen krijgen, weegt zwaar. De democratische
    rechtsstaat garandeert de vrijheid en onafhankelijkheid van de media (zie hoofd-
    stuk 5). De media zijn derhalve bij uitstek de sociale institutie om zelfstandig
    deze pluriformiteit en levendige democratische verhoudingen uit te dragen. Ze
    vormen een onderdeel van de problematiek van waarden en normen, maar ze
    vormen evenzeer een onderdeel van de oplossing.
                                                                                                         235
7.8 conclusies
    1   Veel onbehagen in de samenleving zal worden weggenomen als de instituties
        hun primaire taken (het realiseren van hun doelen en waarden waarvoor zij
        zijn opgericht) zo goed mogelijk vervullen.
    2 De instituties zijn zelf verantwoordelijk voor een goede vervulling van hun
        secundaire taken (de instandhouding van de randvoorwaarden voor hun
        functioneren), door de gedragsvoorbeelden in de instituties en de handha-
        ving van interne regels. Gaat het goed in de instituties, dan gaat het ook goed
        in de samenleving als geheel en richt het persoonlijke gedrag zich op de posi-
        tieve voorbeelden en effecten ervan. Versterking van de eigen inbreng van
        instituties in de samenleving is nodig en kan onder andere worden bevorderd
        door meer ruimte en aandacht te schenken aan de normatieve en morele
        aspecten van de werkzaamheden binnen instituties, te beginnen met een
        goede handhaving van de gedragsregels binnen instituties. Hierbij zou ook
        meer moeten worden gekeken naar voorbeelden en systemen uit andere
        landen, waar al langer ervaring bestaat met handhaving van gedragsregels
        binnen instituties.
    3 Instituties zijn evenzeer verantwoordelijk voor hun tertiaire taken (externe
        effecten voor andere instituties). Dit betekent dat zij zich er rekenschap van
        moeten geven wat de effecten van hun handelen zijn op andere instituties en
        op de samenleving als geheel. Al met al gaat het bij de versterking van de
        primaire, secundaire en tertiaire taken van de instituties om: bringin’ the
        institutional vitality back in.
    4 Over de manier waarop de instituties meer kunnen worden aangesproken op
        hun verantwoordelijkheden voor een goede vervulling van hun primaire,
        secundaire en tertiaire taken moet meer worden nagedacht. Hierbij moet het
</pre>

====================================================================== Einde pagina 237 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 238 ======================================================================

<pre>    wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                                  gehele spectrum van maatschappelijke sturingsmethodes worden betrokken,
                                  variërend van lichte instrumenten, zoals codes of conduct, zelfregulering,
                                  kwaliteitskringen van instituties en maatschappelijke kenniscentra, tot aan
                                  zwaardere instrumenten, zoals directe aansturing en controle door een onaf-
                                  hankelijke inspectie. De zorg voor de kwaliteit van de instituties is een maat-
                                  schappelijke verantwoordelijkheid. De raad pleit voor meer ruimte voor
                                  institutionele variëteit, onder handhaving van minimumvereisten van gelijk-
                                  waardigheid en gelijke toegang.
                            5 Een goede institutie let op de samenhang tussen de drie taken en verzaakt
                                  geen van de drie taken. De secundaire en tertiaire taken staan echter niet op
                                  zichzelf en dienen er in de eerste plaats toe om de primaire taak goed uit te
                                  voeren. Daarnaast hebben zij belangrijke neveneffecten voor de andere insti-
                                  tuties en voor de samenleving als geheel.
                            6 De raad wijst invoering van een apart vak ‘waarden en normen’ op school af.
                                  In plaats hiervan beveelt de raad een herwaardering aan van het vak maat-
                                  schappijleer, waarin ook de overdracht van rechtsstatelijke waarden en bur-
                                  gerschapsvorming is opgenomen.
                            7 De raad beveelt aan om in de lerarenopleidingen voor met name het voortge-
                                  zet onderwijs meer tijd en aandacht te besteden aan gedragsregels en handha-
236                               ving ervan en aan het thema van omgang met morele vraagstukken in de klas.
                            8 De raad bepleit een zodanige aanpak van inburgering dat deze ertoe bijdraagt
                                  dat de arbeidsparticipatie van nieuwkomers aanzienlijk wordt verhoogd en de
                                  bureaucratisering rond de inburgeringscursussen wordt teruggedrongen.
                                  Voorts is de raad van mening dat het vak maatschappijoriëntatie meer gericht
                                  moet zijn op burgerschapsvorming en kennis van de beginselen van de
                                  rechtsstaat.
                            9 Ten slotte pleit de raad bij de media voor transparante systemen van zelfeva-
                                  luatie, waarbij ook duidelijk wordt welke gevolgen de media willen verbin-
                                  den aan de zelfevaluatie voor hun toekomstig gedrag.
                            Tot slot: er moet ruimte zijn voor de ontwikkeling van de secundaire en vooral
                            tertiaire taken van de instituties. De betekenis van instituties voor waarden en
                            normen ligt vooral op het niveau van hun secundaire en tertiaire taken. Bij de
                            invulling en uitvoering ervan spelen de gedifferentieerde maatschappelijke
                            waardestelsels een belangrijke rol. De gedifferentieerde waardestelsels – modes of
                            moral understanding and moral argument – verbinden de instituties op veel
                            verschillende manieren met elkaar (bijvoorbeeld door hun overeenkomsten in
                            stijl, werkwijze en manieren van conflictbeslechting en omgang met gebruikers).
                            Tegelijk bieden zij de instituties de mogelijkheid om zich actief van elkaar te
                            onderscheiden door de manieren waarop zij bijvoorbeeld tot normatieve afwe-
                            gingen komen en hun externe betrekkingen onderhouden. Aldus dragen ze ook
                            bij aan de maatschappelijke pluriformiteit, in hoofdstuk 5 reeds aangeduid als
                            een groot rechtsstatelijk goed.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 238 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 239 ======================================================================

<pre>                                                                           de bijdrage van de samenleving
noten
1
      Zie voor fraude in ruimer perspectief ook hoofdstuk 4.
2
      Wel is er sinds enige jaren het beleid ‘Weer Samen Naar School’ (wsns) om de
      groei van het speciaal onderwijs in te dammen en de moeilijke leerlingen meer te
      integreren in het reguliere onderwijs, waarvoor de reguliere scholen worden
      gecompenseerd (het ‘rugzakje’).
3
      Overigens moet het systeemniveau worden onderscheiden van de dagelijkse
      uitvoeringspraktijk in de klas en op het schoolplein. Buitenlandse waarnemers
      en bewonderaars van ons pluriforme onderwijsstelsel wekken soms ten on-
      rechte de indruk dat in het Nederlandse onderwijs vanwege de nadruk op iden-
      titeit ook veel aandacht wordt besteed aan waardevorming en burgerschapsvor-
      ming. Dat hoeft echter niet het geval te zijn.
4
      Dit moet worden onderscheiden van godsdienstonderwijs, dat wordt gegeven op
      confessionele scholen uitgaande van één bepaalde overtuiging.
5
      Een tegenargument kan zijn dat zo’n curriculum voor de universiteiten al moei-
      lijk genoeg is, zodat het niet voor de hand ligt om zo’n vak al aan kinderen op de
      middelbare school te geven. Zie echter ook hoofdstuk 4.                                             237
6
      De gemeente is verantwoordelijk voor de huisvesting van de scholen, de school-
      besturen voor het onderhoud.
7
      De organisatie van het onderwijs is in Nederland vooral een zaak van maatschap-
      pelijke actoren. Scholen maken immers deel uit van de civil society, waarin maat-
      schappelijke actoren allerlei publieke functies vervullen (Onderwijsraad 2002).
      Particuliere aanspraken en overheidsbeleid zijn dus op allerlei wijzen met elkaar
      en met het onderwijs vervlochten. In onderzoeken naar de vitaliteit van de civil
      society in het algemeen slaat Nederland geen slecht figuur (Burger en Dekker
      2001). Dit komt niet het minst door het aandeel van de onderwijsparticipatie in
      de Nederlandse civil society; het onderwijs is er welhaast het prototype van.
8
      Sarason wees erop dat dit ook de grootste vooruitgang is geweest in het onder-
      wijs in de afgelopen eeuw. In het bekende rapport A nation at risk (us Depart-
      ment of Education 1983) wordt die relatie tussen democratie en onderwijs expli-
      ciet gelegd (onder verwijzing naar de filosoof Dewey). Het onderwijs heeft
      behalve indirect (via de bijdrage aan de economie) volgens hem ook direct bijge-
      dragen aan de ontwikkeling van de democratie.
9
      Een punt van discussie in het Verenigd Koninkrijk is thans of ook een zich
      commerciëler gedragende bbc in de toekomst onder dit regime moet gaan vallen.
10
      In een recent boek over de Amerikaanse media wordt het beeld opgeroepen van
      een journalistiek die zich sterk laat leiden door de ‘conservatieve’ strevingen van
      de federale regering van dit moment; een beeld dat nogal afwijkt van dat van de
      bekende Amerikaanse liberale media in: Alterman, What liberal media? (zie de
      bespreking van Veldman in Het Financieele Dagblad van 6 September 2003).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 239 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 240 ======================================================================

<pre>    wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
238
</pre>

====================================================================== Einde pagina 240 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 241 ======================================================================

<pre>                                                       de rol van de overheid; conclusies en aanbevelingen
8   de rol van de overheid; conclusies en
    aanbevelingen
8.1 inleiding
    De overheid is op velerlei wijzen betrokken bij de vorming, overdracht en hand-
    having van waarden en normen: als wetgever, als ordehandhaver, als financier en
    ‘regelaar’ van het onderwijs en van tal van andere instituties, als beheerder van
    de openbare ruimte en als bewaker van de integriteit van de openbare dienst.
    Toch zijn de mogelijkheden voor de overheid om direct invloed uit te oefenen op
    de vorming, overdracht en handhaving van waarden en normen beperkt.
    Waarden en normen zijn allereerst een product van menselijk samenleven, in
    welke vorm dan ook. Weliswaar ontwikkelen zij zich niet geheel spontaan
    buiten de invloed van de overheid om, maar het zou een overschatting van de
    invloed van de overheid zijn om te menen dat zij de richting van de waarden- en
    normenontwikkeling en de mate waarin deze worden onderschreven en nage-
    leefd in belangrijke mate zou kunnen bepalen. De rol van burgers en van hun
    instituties is hierbij immers veel meer bepalend. Toch wordt de overheid er vaak
    als eerste op aangesproken als er naar de mening van de burgers iets schort aan                        239
    (de naleving van) de waarden en normen in de samenleving. Het is in zoverre
    niet onterecht dat de overheid verantwoordelijk is om op te treden als wettelijk
    vastgelegde normen worden overschreden – handhaving van de rechtsorde is
    immers de klassieke overheidstaak bij uitstek. Hiernaast draagt zij een belang-
    rijke verantwoordelijkheid om de condities te scheppen waaronder de maat-
    schappelijke instituties de gewenste ontwikkeling, overdracht en handhaving
    van waarden en normen kunnen bevorderen. Ook al moeten burgers en institu-
    ties het uiteindelijk ‘zelf doen’, dan nog dient de overheid wel zorg te dragen dat
    zij hiertoe in staat zijn, door onnodige belemmeringen in regelgeving en subsi-
    dievoorwaarden weg te nemen en ook door hen de juiste prikkels te geven.
    Een belangrijke vraag waarop dit hoofdstuk een antwoord zoekt, is dan ook hoe
    de overheid kan bevorderen dat de instituties zich tot ‘goede’ instituties ontwik-
    kelen. Wat kan de rolverdeling zijn tussen de taken van de overheid en die van
    burgers en instituties in de samenleving? Alvorens het antwoord op deze vraag
    te geven, is het nodig eerst in meer algemene zin in te gaan op het belang van een
    publieke moraal, om vervolgens de onderzoeksvragen te beantwoorden die in
    hoofdstuk 1 van dit rapport zijn geformuleerd.
8.2 het bel ang van een publieke mor aal
    Uit de grote steun voor de essentiële waarden en normen van de democratische
    rechtsstaat kan geen doemscenario van ‘verval’ of een algeheel crisisgevoel
    worden afgeleid. Toch is het onbehagen over het gedrag in de publieke sfeer
    wijdverbreid en geenszins overdreven of uit de lucht gegrepen. Als Kamerleden
    met journalisten op de vuist gaan, als hard schreeuwen de enige manier is gewor-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 241 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 242 ======================================================================

<pre>    wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                            den om aandacht te krijgen en met elkaar te communiceren, als buurtbewoners
                            elke onbekende vreemdeling wantrouwen, dan is er aanleiding voor de samenle-
                            ving als geheel – en niet alleen voor de overheid – om zich af te vragen wat er aan
                            de hand is en wat eraan te doen valt. Er lijkt een sfeer te zijn ontstaan waarin
                            normoverschrijdend gedrag in verschillende, in dit rapport beschreven gradaties
                            vaak niet meer volgens vertrouwde methoden wordt gecorrigeerd. In Rotterdam
                            en Gouda zijn stadsetiquettes ontwikkeld en in praktijk gebracht, op veel scho-
                            len werkt men al met gedragsregels en met schooletiquettes om te voldoen aan
                            de verwachtingen van velen die graag willen weten wat men van elkaar kan
                            verwachten. Er is een behoefte aan enige zekerheid over de vele onzekere morele
                            en sociale gedragsnormen. Men voelt zich vaak bedreigd en gaat daarom uit angst
                            medeburgers op onvriendelijke wijze bejegenen. Er is een kennelijk verlangen
                            naar meer beschaafd gedrag en naar beleefdheid.
                            Onbeschaafde tendenties zijn niet alleen te constateren in de directe uiterlijke
                            gedragssfeer, maar betreffen evenzeer de onderlinge solidariteit. In de loop van
                            de wordingsgeschiedenis van de verzorgingsstaat is de sociale solidariteit geëvo-
                            lueerd van een op de noden van ouderen en sociaal zwakkeren gerichte steun,
                            zoals bij de totstandkoming van de aow in 1956, tot een systeem waarin het
240                         berekenbare eigen voordeel meer op de voorgrond getreden is. Dat ging gepaard
                            met veranderingen in gevoelens en emoties. Er is meer sprake van een ik-gerichte
                            motivatie en morele houding dan van altruïstische emoties. Er is een gebrek
                            ontstaan aan inschikkelijkheid en hoffelijkheid jegens medeburgers (Schnabel
                            2004). De financiële terugtred van de overheid en de sterk outputgerichte
                            sturing hebben de tendens van berekenend eigenbelang slechts versterkt. Ethi-
                            sche verplichtingen en wederkerigheid, die de basis vormden van collectieve
                            solidariteitssystemen, worden vervangen door eigen verantwoordelijkheid,
                            calculatie en eigenbelang. Voor de groepen die niet aan deze hogere eisen van
                            eigen verantwoordelijkheid en eigen rekening kunnen voldoen, wordt het gevaar
                            van sociale uitsluiting en marginalisering groter. De samenleving als geheel,
                            inclusief vele maatschappelijke instellingen, reageert op de uitgeslotenen en de
                            devianten steeds meer met bestraffing en sociale controle. Armen, mentaal en
                            fysiek gehandicapten en werklozen raken meer en meer geïsoleerd van het heer-
                            sende sociale systeem. Bauman spreekt hier van mental separation en Rodges
                            van banishing the poor from the world of ethical duty (Rodges 2003: 418). Door
                            een afname in solidariteit neemt ook het sociaal vertrouwen tussen burgers
                            onderling en tussen burgers en vreemdelingen af (Uslaner 2002).
                            Fysieke onzekerheid, onveiligheid en afnemend sociaal vertrouwen worden
                            onder de grote paraplu gebracht van waarden en normen. Om zinvol met het
                            vraagstuk van waarden en normen om te gaan, dient men er wel de juiste inter-
                            pretatie aan te geven. In de huidige samenleving zijn de bronnen van waarde-
                            oriëntaties zeer uitgebreid en gevarieerd geworden en daardoor ook de mogelijk-
                            heden om individuele keuzes te maken (zie ook hoofdstuk 7). Al deze particuliere
                            voorkeuren krijgen iets ongeremds, juist omdat de anderen, de medeburgers
                            ogenschijnlijk geen bijdrage meer leveren aan die keuzes. Bovendien kan het
</pre>

====================================================================== Einde pagina 242 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 243 ======================================================================

<pre>                                                   de rol van de overheid; conclusies en aanbevelingen
uitwerken en uitleven van deze particuliere keuzes ook niet zonder regels, al was
het maar om voor de anderen nog enige voorspelbaarheid in het eigen gedrag aan
te brengen. Hier raakt men aan de gemakkelijk te vergeten en snel verwaarloosde
publieke functie van de vele private voorkeuren die in de hedendaagse samen-
leving mogelijk zijn geworden. De publieke dimensie van het geïndividualiseerde
gedrag raakt zo verloren. De communitaristische denkers hebben terecht gewe-
zen op deze schaduwkanten van de individualisering en van de nadruk op indivi-
duele rechten, maar hun diagnose hoeft niet uitsluitend te wijzen in de richting
van het terugvinden van gemeenschappelijke waarden in gezinsverband en in
andere kleinere, private gemeenschappen. Hun diagnose kan ook leiden tot een
publieke remedie, namelijk: eigentijds burgerschap.
In de studie onder leiding van de politiek filosoof Van Gunsteren over burger-
schap, die de wrr in 1992 publiceerde, staat de vraag centraal hoe gewone
mensen tot burgers worden gemaakt, hoe ze competenties aanleren om in de
openbare en publieke ruimte met elkaar om te gaan – precies waar het nu vaak
aan lijkt te schorten. De onmiskenbare pluraliteit van mensen komt in het
verband van een staat, de res publica of republiek van burgers, het beste tot
uiting. Burgerschap is in de opvatting van Van Gunsteren (1992) een ambt van
regeerders en van geregeerden gelijkelijk. De publieke zaak, de publieke dimensie                      241
van alle particuliere belangen en verlangens, wordt het beste gediend door het in
praktijk brengen van dit ambt van burgerschap door zo veel mogelijk spelers. In
zekere zin is dit wat nu gebeurt bij het opstellen van stadsetiquettes of schoolre-
gels, die totstandkomen door de actieve participatie van zo veel mogelijk betrok-
kenen. Al doende worden burgerlijke vaardigheden geleerd. Is er nu naast een
stadsetiquette ook behoefte aan een etiquette voor democratie, zoals door Carter
(1998) is bepleit in zijn studie naar Civility, manners, morals and the etiquette of
democracy? De overheid heeft in de ogen van Van Gunsteren en Carter inder-
daad de taak om de competenties van burgers in het omgaan met elkaar en met
de veelheid van meningen en meningsverschillen te bevorderen. Uit het oogpunt
van de publieke zaak is het van groot belang dat vaardig burgerschap wordt
mogelijk gemaakt. Samen regels maken, hetgeen – net als alle andere publieke
aangelegenheden – vaak tot compromissen en tot het rekening houden met
elkaar leidt. Het gaat er in deze publieke moraal niet om allemaal dezelfde
waarden en normen aan te leren, maar juist om blijvend met de verschillen in
moraal en morele waarderingen om te gaan. Er komt eerder nadruk te liggen op
consensus over regels en gedrag op de werkvloer, in de buurtgenootschap, op
school en op de universiteiten, dan dat men het eens wordt over alle achterlig-
gende, abstracte waarden en normen. Doordat men gezamenlijk aan deze prakti-
sche ‘overlappende’ consensus werkt, neemt het onderlinge sociale vertrouwen
toe. Gedragscodes, sociale afspraken en werkbare praktijken vormen de dage-
lijkse producten van dit eigentijdse, vaardige burgerschap. De beoefening van de
kleine deugden, zoals die in hoofdstuk 5 zijn genoemd (waarachtigheid, empa-
thie, respect voor andere meningen, verantwoordelijkheidszin), kan een praktijk
van burgerschap ondersteunen, omdat immers de kenmerken van vaardig
burgerschap soortgelijke eigenschappen behelzen (zich kunnen verplaatsen in
</pre>

====================================================================== Einde pagina 243 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 244 ======================================================================

<pre>    wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                            andermans positie, zichzelf en anderen kunnen vertegenwoordigen, onderschei-
                            dingsvermogen, opkomen voor de eigen en respect voor andermans rechten).
                            Uit de voorbeelden blijkt dat de burgerschapspraktijken niet beperkt blijven tot
                            de overheidsdiensten of overheidszaken. Dit burgerschap strekt zich ook uit tot
                            de maatschappelijke instellingen en andere publieke instituties (sportverenigin-
                            gen, woningbouwcorporaties en dergelijke). Maar ze kunnen ook worden gezien
                            als oefeningen in democratie en rechtsstaat, die immers het overkoepelend kader
                            bieden waarbinnen burgerschap kan worden uitgeoefend.
                            De taak van de overheid bij het mogelijk maken en bevorderen van degelijke bur-
                            gerschapspraktijken volgt uit het publieke belang ervan. Het gaat uiteindelijk om
                            het uitdragen van ‘civiliteit’ en ‘integriteit’. Carter heeft, niet toevallig, aan deze
                            twee belangrijke waarden twee achtereenvolgende studies gewijd. Integriteit is
                            een primaire deugd die de eigenwaarde van de ik-persoon betreft, namelijk
                            instaan voor wat je meent en doet en oprecht menen wat je zegt, er geen show van
                            maken of omwille van de indruk die je wilt maken afwijken van de vereiste eer-
                            lijkheid of van het opkomen voor een eigen mening. Integriteit is een deugd voor
                            regeerders en geregeerden, voor burgers en bestuurders (Carter 1996). De integri-
                            teit van bestuurders is een van de belangrijkste voorwaarden voor het vertrouwen
242                         tussen burgers onderling en tussen burgers en openbaar bestuur. Het recente
                            integriteitsbeleid van de overheid onderkent het publieke belang van deze waar-
                            den, die echter niet uitsluitend gelden voor bestuurders. Civiliteit, beschaafdheid,
                            is de tweede deugd, die vooral te maken heeft met de relatie van het ik met de
                            medeburgers, precies waaraan het nu zo vaak lijkt te ontbreken. De taak van de
                            overheid ten aanzien van waarden en normen betreft vooral de onderliggende en
                            uiterst gewichtige problematiek van het minder als vanzelfsprekend algemeen
                            onderschreven worden van een publieke moraal, een moraal die opkomt voor de
                            publieke zaak en die de res publica instandhoudt, en die door regeerders en gere-
                            geerden als eigentijds burgerschap dagelijks in praktijk wordt gebracht.
                8.3         de beantwoording van de onderzoeksvr agen
                            Zoals in hoofdstuk 1 beschreven was de aanleiding voor het huidige debat over
                            waarden en normen en voor de adviesaanvraag gelegen in de ergernis over het
                            veelvuldig plaatsvinden van normoverschrijdend gedrag, in de onzekerheid over
                            de algemene aanvaarding van bepaalde waarden, in de mogelijkheid tot conflic-
                            terende waarden, samenhangend met culturele verschillen en ten slotte in de
                            vraag wat de juiste rol zou kunnen zijn voor de overheid in al deze kwesties. Op
                            basis van de analyse in voorgaande hoofdstukken komt de raad tot de volgende
                            formulering van de antwoorden op de gestelde vragen.
                            Algemene probleemstelling: Is er in Nederland sprake van een afnemende steun
                            voor essentiële waarden en normen in onze samenleving? Is er sprake van een
                            afnemende naleving van deze waarden en normen? Op welke wijze kan de over-
                            heid de steun voor en naleving van deze waarden bevorderen?
                            In abstracto is de steun voor essentiële waarden groot, in het bijzonder de steun
</pre>

====================================================================== Einde pagina 244 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 245 ======================================================================

<pre>                                                  de rol van de overheid; conclusies en aanbevelingen
voor de democratische rechtsstaat. Indien men let op de resultaten van onder-
zoeken naar waardeopvattingen van de gehele bevolking, zoals onder andere
blijkt uit enquêtes van het Sociaal en Cultureel Planbureau, dan is er geen reden
tot ongerustheid over de steun voor essentiële waarden (zie hoofdstuk 3). Let
men echter op het gedrag van specifieke groepen in de bevolking, dan is er wel
reden tot zorg. Met name zijn bepaalde vormen van normoverschrijdend gedrag
de afgelopen twee decennia fors toegenomen, zoals enkele vormen van geweld-
scriminaliteit: berovingen, bedreigingen, mishandelingen en moord- en dood-
slag (hoofdstuk 4). Ook een aantal andere vormen van wetsovertreding lijkt een
sterke groei te vertonen zoals verkeersovertredingen. Daarnaast lijkt vrij alge-
meen de overtuiging te heersen dat de omgangsvormen in de openbare ruimten
achteruitgaan: hoffelijkheid wordt zeldzamer, onbehoorlijk en onbeschaamd
gedrag zijn in opmars (zie hoofdstuk 4). Het is echter niet goed mogelijk vast te
stellen of de ‘gemiddelde’ burger zich tegenwoordig inderdaad minder fatsoen-
lijk gedraagt dan dertig jaar geleden: vergelijkbaar onderzoek naar deze lichtere
vormen van onbehoorlijk gedrag in het verleden is niet voorhanden. Het is niet
uit te sluiten dat de gevoeligheid van de bevolking voor afwijkend gedrag is
toegenomen.
Bij het optreden van de overheid tegen normoverschrijdend gedrag is het van                           243
belang onderscheid te blijven maken tussen de overtredingen van sociale en
morele normen en van rechtsnormen. Sommige vormen van sociaal onprettig en
onbehoorlijk gedrag dienen geduld te worden; andere, ernstiger vormen van
onbehoorlijk en onduldbaar sociaal gedrag dienen bij voorkeur in onderlinge
confrontaties bespreekbaar gemaakt te worden (zie hoofdstuk 2 en 4).
De overheid heeft echter niet alleen een primaire taak op het gebied van rechts-
handhaving. De waarden van de rechtsstaat ondervinden nu nog een grote steun
onder de bevolking, maar bij een grotere pluriformiteit van waarden is de kans
op conflicten en botsingen tussen groeperingen met uiteenlopende waarden
eveneens groter geworden.De rechtsstaat biedt de garantie voor een niet-
gewelddadige afhandeling van dergelijke conflicten, ook al is het staatsmonopo-
lie op geweldsuitoefening ondermijnd door technologische ontwikkelingen,
onder andere door de beschikbaarheid van goedkope wapensystemen en kleine
handwapens. Een cultuur van gewelddadige conflictoplossing heeft zich in
toenemende mate ook in Nederland gemanifesteerd, zowel in de internationaal
opererende georganiseerde criminaliteit alsook in enkele gevallen van uit andere
culturen afkomstige eerwraak. Naast rechtshandhaving behoort het derhalve tot
de taak van de overheid om de belangrijkste waarden van de rechtsstaat, met
name de geweldloze conflictbeslechting, uitdrukkelijk te ondersteunen en uit te
dragen. Praktijken van burgerschap en inburgering zijn de juiste plaatsen waar
oude en nieuwe burgers kunnen leren om hun onderlinge en soms hoogoplo-
pende conflicten op een democratische wijze bij te leggen.
Welke gemeenschappelijke waarden en normen zijn essentieel voor het goed functi-
oneren van onze samenleving?
</pre>

====================================================================== Einde pagina 245 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 246 ======================================================================

<pre>    wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                            Pluriformiteit aan waarden en normen is essentieel voor het goed functioneren
                            van onze samenleving, die juist daardoor het karakter van een open samenleving
                            houdt met voldoende dynamiek en vertrouwen in de toekomst. De waarden van
                            een open samenleving, zoals persoonlijke autonomie, rede en redelijkheid,
                            gelijkheid en universaliteit, rechtvaardigheid en geloof in de toekomst, vormen
                            een onderlinge samenhang die niet licht verbroken kan worden (zie hoofdstuk 5).
                            De pluriformiteit van waarden wordt bovendien gegarandeerd door de democra-
                            tische rechtsstaat. Democratie en rechtsstaat belichamen in hun unieke combina-
                            tie zelf essentiële waarden en zorgen tegelijkertijd voor het wettelijke en institu-
                            tionele kader dat het mogelijk maakt om andere waarden na te streven en dat
                            onvermijdelijke conflicten over waarden op vreedzame wijze kan behandelen.
                            Door het dynamisch karakter van de rechtsstaat kunnen wel aanzienlijke inter-
                            pretatieverschillen ontstaan tussen bevolkingsgroepen, die niet geheel gene-
                            geerd kunnen worden (zie hoofdstuk 5, tweede deel). Het behoort tot de taak van
                            de overheid de waarden van de rechtsstaat na te komen, uit te dragen en te
                            bevorderen dat de verplichtende consensus over deze waarden behouden blijft
                            (zie hoofdstuk 7).
                            In welke mate worden deze waarden en normen door de bewoners van ons land
244                         onderschreven en in welke mate is er sprake van conflicterende waarden, al dan
                            niet samenhangend met cultuurverschillen?
                            De waarden van pluriformiteit en van de democratische rechtsstaat worden
                            zowel in zeg-gedrag (zie hoofdstuk 3) als in daadwerkelijk gedrag (zie hoofdstuk
                            5) ruimschoots onderschreven. Er is wel sprake van conflicterende waarden die
                            samenhangen met cultuurverschillen, in die zin dat er tegenover elkaar staande
                            opvattingen zijn aan te treffen onder allochtone en autochtone groeperingen. Dit
                            geldt met name op het gebied van de verhouding tussen ouders en kinderen en
                            daarmee samenhangende opvattingen over opvoeding, over de verhoudingen
                            tussen mannen en vrouwen en de gelijke positie van vrouwen en over de tole-
                            rantie ten opzichte van afwijkende gedragingen (hetzij van religieuze, hetzij van
                            sociale aard) in eigen kring (zie hoofdstuk 6). In sommige gevallen conflicteren
                            deze opvattingen en gedragingen met de waarden van de rechtsstaat, bijvoor-
                            beeld bij de vrije partnerkeuze of bij het aanbrengen van verminkingen (zie
                            hoofdstuk 5). De overheid zal hierbij op verstandige wijze moeten kiezen tussen
                            de strategieën van confronteren, verbieden en handhaven. Overigens wordt
                            geconstateerd dat ook de verschillen binnen en tussen allochtone groeperingen
                            zeer groot zijn, zodat moet worden gewaakt tegen al te simpele generalisaties ten
                            aanzien van de conflicterende waarden. Met name blijken jongeren onder deze
                            groeperingen zich sneller aan te passen aan de in Nederland dominante gebrui-
                            ken en gewoonten dan vorige generaties (zie hoofdstuk 6).
                            Wat is de gewenste en mogelijke rol van de overheid bij het bevorderen van de
                            gemeenschappelijke waarden en normen?
                            Waarden en normen komen voort uit de samenleving, zodat de overheid nooit
                            alleen de taak heeft om de gemeenschappelijke waarden en normen te bevorde-
                            ren (hoofdstuk 7). De overheid heeft directe taken waar het gaat om de vervul-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 246 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 247 ======================================================================

<pre>                                                 de rol van de overheid; conclusies en aanbevelingen
ling van de eigen primaire taken, zoals rechtshandhaving en andere essentiële
overheidstaken. Het is weinig zinvol indien de overheid een algemeen beleid ten
aanzien van waarden en normen zou ontwikkelen. Het is echter des te meer
gewenst dat de overheid haar verantwoordelijkheid neemt ten aanzien van de
reële problemen die in dit rapport worden gesignaleerd. De overheid dient zich
te richten op duidelijk omschreven thema’s die zich lenen voor beleid. Wel kan
de overheid de aandacht en alertheid van maatschappelijke instituties voor het
waarden- en normenaspect stimuleren en ze op indirecte wijze steunen bij de
eigen bevordering van de erkenning van de morele dimensie van hun taken,
onder andere door ze niet te eenzijdig te controleren en door meer ruimte te
bieden aan deze instituties of aan professionele dienstverleners die daarin werk-
zaam zijn (zie hoofdstuk 7 en 8.4 en 8.5). Daarnaast heeft de overheid een
uitdrukkelijke taak om de gemeenschappelijke waarden van de democratische
rechtsstaat hoog te houden en in het gedrag van publieke gezagsdragers zichtbaar
uit te dragen, zoals reeds bij de beantwoording van de algemene probleemstel-
ling werd gesteld. De overheid dient deze zelfde waarden ook bij de burgers te
bevorderen, onder andere door de door burgers zelf gecreëerde gunstige condities
en contexten voor eigentijds burgerschap en een publieke moraal ruim te onder-
steunen, en in ieder geval niet door beperkende eisen en maatregelen tegen te
gaan.                                                                                                245
Welke waarden zijn van belang voor de toekomstige Nederlandse samenleving?
De waarden die van belang zijn voor de toekomstige Nederlandse samenleving
zijn die van de open samenleving, zoals in hoofdstuk 5 beschreven en bij de
eerste onderzoeksvraag behandeld. De nadruk zal blijven liggen op persoonlijke
vrijheid, gelijkheid en gelijkwaardigheid, solidariteit, universaliteit, rede en
rechtvaardigheid. Het geloof in de toekomst hangt nauw samen met deze
waarden, zodat dit geloof zelf niet mag worden veronachtzaamd. Een open
samenleving kan zichzelf op tijd corrigeren en kan ervoor zorgen dat eenzijdige
ontwikkelingen worden afgeremd door ruimte te laten voor tegenovergestelde
maatschappelijke krachten. Nieuwe inzichten worden door de waarde van de
open samenleving opgeroepen en verwelkomd. De maatschappelijke dynamiek
die voor de hedendaagse welvaart heeft gezorgd wordt door deze belangrijke
gedeelde waarden voortgezet. Door internationalisering en een voortschrijdende
individualisering is het zeer aannemelijk dat de Nederlandse samenleving in de
komende tien à twintig jaar eenzelfde grote pluriformiteit zal kennen als tegen-
woordig. Hoe in deze toekomstige samenleving de waardeoriëntaties zullen zijn
van de niet onaanzienlijke aantallen burgers van tweede en derde generaties
immigranten is niet volledig te voorspellen, maar veel hiervan hangt af van de
wijze waarop deze jonge Nederlanders zich zullen ontwikkelen. Een grote
inspanning op het gebied van onderwijs en opvoeding, waarin deze universeel
gerichte waarden een vanzelfsprekende plaats innemen, is derhalve op dit
moment de belangrijkste voorwaarde voor de toekomst. Taalvaardigheden,
sociale vaardigheden en deelname in burgerschapspraktijken voor deze speciale
groepen zijn geen luxe voor de open samenleving van de toekomst, maar een-
voudige noodzaak. Hieraan dient de overheid prioriteit te schenken.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 247 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 248 ======================================================================

<pre>    wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                            Welke relatie bestaat er tussen gedrag en de waarden en normen die de normover-
                            treders al dan niet onderschrijven?
                            In het algemeen is de relatie tussen waarden en specifieke gedragingen niet sterk
                            (zie hoofdstuk 2). Normoverschrijdend gedrag komt niet in de allereerste plaats
                            voort uit het niet aanvaarden van bepaalde abstract geformuleerde waarden.
                            Integendeel, vaak beroepen normovertreders zich op dezelfde waarden of op
                            andere waarden, ter rechtvaardiging van hun eigen normovertredend gedrag.
                            Ook wijzen ze vaak, ter rechtvaardiging, op het gedrag van andere burgers die de
                            normen eveneens niet naleven. Dit mechanisme van rechtvaardiging van norm-
                            overschrijding heeft negatieve effecten op het normbesef van de gehele bevol-
                            king (zie hoofdstuk 4 en bijlage bij hoofdstuk 4). Door hun abstracte karakter
                            dienen waarden meer ter rechtvaardiging van al of niet normconform gedrag dan
                            dat ze gedrag op een directe wijze bepalen. Het probleem dat de adviesaanvraag
                            aan de orde stelt en dat wordt besproken onder de algemene noemer van
                            waarden en normen, schuilt minder in de uiteenlopende opvattingen over
                            waarden en normen dan in het feit dat het gedrag daarmee niet in overeenstem-
                            ming is (zie hoofdstuk 2). Daarnaast moet worden geconstateerd dat de meeste
                            mensen zich in de meeste omstandigheden aan de geldende regels houden,
                            zonder dat hiervoor permanente controle nodig is. Men zou zich ook kunnen
246                         verbazen over het feit dat er in een dichtbevolkt land als Nederland, waarin
                            zoveel mensen elkaar dagelijks in anonieme situaties ontmoeten, relatief zo
                            weinig botsingen (in letterlijke en figuurlijke zin) plaatsvinden. Daarenboven
                            houdt een groot deel van de bevolking zich niet alleen aan de regels, maar doen
                            velen meer ten bate van hun medeburgers dan van hen geëist kan worden. Het
                            lidmaatschap van maatschappelijke organisaties – dat overigens weinig zegt over
                            de geleverde inzet of over de spreiding naar leeftijdscategorieën en culturele
                            achtergronden – groeit en de deelname aan vrijwilligerswerk en informele zorg is
                            niet alleen hoog, maar ook opvallend stabiel (zie hoofdstuk 3). In aansluiting op
                            wat op de vierde onderzoeksvraag werd geantwoord ten aanzien van jonge
                            immigranten, is het ook hier van het grootste belang alle jongeren van de nieuwe
                            generaties ervaring te laten opdoen in vrijwillige maatschappelijke verbanden, in
                            sportorganisaties en met burgerschapspraktijken in verschillende instituties.
                            Welke rol spelen maatschappelijke instituties, zoals onderwijs, media en inburge-
                            ring, bij de overdracht en de handhaving van waarden en normen en bij het
                            omgaan met conflicten?
                            Maatschappelijke instituties zijn werkplaatsen voor het vormen en overdragen
                            van waarden, normen en gedragsvormen. Datgene wat zij doen heeft een sterke
                            externe component: het bepaalt mede de wijze waarop men buiten de institutie
                            met waarden, normen en gedrag omgaat (denk aan scholen, sportverenigingen,
                            het openbaar vervoer en vele andere). Instituties zijn zelf in eerste instantie
                            verantwoordelijk voor de instandhouding van hun eigen waarden en normen en
                            voor het vernieuwen en revitaliseren ervan. De overheid heeft echter de afge-
                            lopen tijd onvoldoende oog gehad voor deze betekenis van instituties. Bij regel-
                            stelling, bekostiging en toezicht ligt het accent sterk op de meetbaar gemaakte
                            primaire taak van de instituties, zodat veel instellingen zich daarop (moeten)
</pre>

====================================================================== Einde pagina 248 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 249 ======================================================================

<pre>                                                         de rol van de overheid; conclusies en aanbevelingen
      concentreren. Het is van belang na te gaan hoe deze eenzijdige nadruk van de
      overheid op meetbare prestaties kan worden aangevuld met een benadering
      waarin de tertiaire taak van instituties, die betrekking heeft op de morele dimen-
      sie en op de externe betekenis daarvan, voldoende wordt erkend.
8.4   de pr aktische taken van de overheid ten aanzien van
      waarden, normen en gedr ag
      Wat is de gewenste en mogelijke rol van de overheid bij het tegengaan van norm-
      overschrijdend gedrag, het bevorderen van normconform gedrag en het ondersteu-
      nen van instituties bij de overdracht en handhaving van waarden en normen?
      Meningsverschillen over waarden zijn in het algemeen geen probleem, maar juist
      een positief te waarderen aspect van een democratische rechtsstaat. Over de
      normen die van belang zijn voor een soepele omgang tussen de burgers bestaan
      doorgaans geen al te grote meningsverschillen. Waar het echter aan schort is de
      bereidheid van mensen om zich daadwerkelijk aan deze normen houden. De
      aandacht van de overheid zou zich dan ook primair moeten richten op het voor-
      komen en bestrijden van normoverschrijdend gedrag in negatieve zin (in het
      bijzonder wetsovertreding) en het bevorderen en ondersteunen van positief te
      waarderen gedrag.                                                                                      247
8.4.1 gedr ag: de noodzaak van een consistente rechtshandhaving
      Mensen kunnen zich aan velerlei soorten gedrag storen. Het kan gaan om onpret-
      tig gedrag dat botst met de eigen preferenties of goede smaak, maar geen inbreuk
      maakt op belangrijke sociale normen (denk aan onconventionele kleding). Der-
      gelijk gedrag dient men te tolereren en het verdient de voorkeur er zo weinig
      mogelijk aanstoot aan te nemen. Dulden is hierbij veelal de meest passende
      houding. Onbehoorlijk gedrag heeft een hinderlijker karakter en staat op gespan-
      nen voet met breed gedeelde normen (bijvoorbeeld voordringen in het openbaar
      vervoer, of in een treincoupé luidkeels een telefoongesprek voeren). Desalniette-
      min is dit gedrag niet van dien aard dat het reden kan zijn om de ander er met
      dwang van te weerhouden of ervoor te bestraffen. Wel kan er reden zijn om de
      overtreder erop aan te spreken en te overtuigen van de ongewenstheid van zijn
      gedrag. Onduldbaar gedrag is een graad erger. Dit gedrag is weliswaar niet strij-
      dig met wettelijke normen, maar doorgaans wel in strijd met de interne gedrags-
      regels van maatschappelijke instituties (bijvoorbeeld bij lastigvallen en intimide-
      ren van medereizigers in het openbaar vervoer), die afhankelijk van de situatie
      corrigerend moeten optreden. Onwettig gedrag ten slotte is strijdig met wette-
      lijke regels en dient dan ook bestraft te worden (bijvoorbeeld diefstal). Alleen bij
      het laatste soort normoverschrijdend gedrag is het boven twijfel verheven dat de
      overheid de taak heeft dit gedrag tegen te gaan. Bij de andere gedragsvormen
      spreekt dit veel minder voor zich, al is zeker niet uitgesloten dat de overheid
      hierbij een rol dient te spelen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 249 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 250 ======================================================================

<pre>    wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                            Normoverschrijdend gedrag kan velerlei oorzaken hebben, maar duidt er in het
                            algemeen op dat de combinatie van internalisering van normen, formele controle
                            en informele sociale controle tekortschiet om het voordeel dat iemand aan norm-
                            overschrijdend gedrag kan ontlenen afdoende te compenseren. Het meest directe
                            aangrijpingspunt voor de overheid (en voor tal van maatschappelijke instituties)
                            om normoverschrijdend gedrag tegen te gaan, is het verscherpen van de formele
                            controle en het verzwaren van de sancties die op normovertreding staan. De
                            afname van controle en/of sancties in de afgelopen decennia was in veel gevallen
                            een van de oorzaken van de toename van normoverschrijdend gedrag. In hoofd-
                            stuk 4 is betoogd dat een toename van normoverschrijdend gedrag op den duur
                            ook de informele sociale controle en norminternalisering aantast, nog los van de
                            autonome tendensen die deze mechanismen verminderen (zoals schaalvergro-
                            ting, anonimisering en individualisering). De effectiviteit van verscherping van
                            controle en sancties moet daarom niet worden overschat. Niettemin zijn meer
                            formele controle en consequente toepassing van sancties vaak wel noodzakelijke
                            voorwaarden om een neerwaartse spiraal van normoverschrijding en ‘normver-
                            val’ tot staan te kunnen brengen. Dit vereist een aanzienlijke extra inspanning bij
                            het ondersteunen en faciliteren van formeel toezicht en controle. Hiervoor is in
                            veel gevallen een uitbreiding van het aantal toezichthouders en controleurs
248                         nodig (politieagenten, conducteurs, bewakers, conciërges, enzovoort), maar ook
                            een betere toerusting, in de vorm van adequate scholing, bevoegdheden en
                            hulpmiddelen (wapentuig, communicatiemiddelen en dergelijke). Hiernaast is
                            ook een duidelijke en consequente toepassing van sancties noodzakelijk. Heen-
                            zending zonder bestraffing van (wets)overtreders kan de effectiviteit van for-
                            mele controle en toezicht ernstig aantasten. Ook een lange tijdsduur tussen het
                            moment van overtreding en bestraffing schaadt de afschrikwekkende werking
                            van sancties.
                            Intensievere formele controle en bestraffing zullen echter niet in alle gevallen
                            afdoende zijn. Om de effectiviteit van formele controle en sancties te vergroten
                            dienen zij daarom niet alleen gericht te worden op directe beheersing van het
                            gedrag, maar moeten zij ook ondersteunend zijn voor informele sociale controle
                            en internalisering van normen. Anders gezegd, indien men de formele controle
                            vergroot om een bepaalde vorm van normoverschrijdend gedrag tegen te gaan,
                            dient men zich er niet alleen van te vergewissen dat deze voldoende afschrikkend
                            werkt voor potentiële wetsovertreders, maar dient men zich ook af te vragen of
                            deze controle ertoe bijdraagt hen te overtuigen van het belang van de norm en of
                            zij de sociale controle door andere burgers ondersteunt of juist ondergraaft. Ter
                            illustratie: camera’s die snelheidsovertredingen registreren kunnen weliswaar,
                            indien de boete hoog genoeg is, voldoende afschrikwekkend zijn om het aantal
                            overtredingen te beperken, maar dragen er waarschijnlijk niet toe bij dat auto-
                            mobilisten de maximumsnelheid als een zinvolle norm ervaren die zij ook nale-
                            ven als er geen camera’s zijn. Dat de bestraffing van de overtreding voor andere
                            weggebruikers niet zichtbaar is, lijkt evenmin bevorderlijk voor de steun van
                            deze norm. Hoewel het aantal verkeersboetes de afgelopen zeven jaar is verdrie-
                            voudigd (zie par. 4.10), is het dan ook de vraag of de doorsnee weggebruiker zich,
</pre>

====================================================================== Einde pagina 250 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 251 ======================================================================

<pre>                                                   de rol van de overheid; conclusies en aanbevelingen
ook wanneer hij of zij niet wordt gecontroleerd, hierdoor vaker aan de verkeers-
regels zal houden.
Hoewel formele normen in beginsel voortvloeien uit wettelijke regels, is de
overheid (laat staan de rijksoverheid) lang niet altijd de aangewezen instantie om
de naleving van deze normen te bevorderen of af te dwingen. In veel gevallen
berust deze taak in de eerste plaats bij maatschappelijke instituties die dichter bij
de burger staan: onderwijsinstellingen dienen spijbelen, geweld en criminaliteit
op school tegen te gaan, openbaarvervoerbedrijven dienen zwartrijden, overlast
en criminaliteit in treinen, bussen en trams en op stations en haltes te bestrijden,
bedrijven dienen fraude, diefstal en geweld – zowel door het eigen personeel als
door klanten – aan te pakken, sportverenigingen dienen agressie en verbaal en
fysiek geweld van zowel spelers als toeschouwers te bestrijden, enzovoort.
Vanzelfsprekend betekent dit niet dat deze instituties het recht in eigen hand
kunnen nemen. Als het normoverschrijdende gedrag zich daadwerkelijk voor-
doet, is in veel gevallen de rechterlijke macht de aangewezen instantie om de
overtreder te bestraffen. Dit neemt echter niet weg dat de verschillende institu-
ties zelf het meest kunnen bijdragen aan preventie van normoverschrijdend
gedrag. De taak van de overheid is vooral om deze instituties zowel aan te
moedigen als in staat te stellen hun taken op dit gebied naar behoren te vervul-                       249
len. In de volgende paragraaf wordt nader ingegaan op de wijze waarop de over-
heid dit kan bevorderen.
De overschrijding van informele normen
Heeft de overheid ook een taak als informele normen worden overtreden? Veel
van de huidige onvrede lijkt immers te maken te hebben met onfatsoenlijk en
onbehoorlijk gedrag, veelal als ‘onbeschoft’ aangeduid, dat op zichzelf niet strij-
dig is met formele regels, maar niettemin door velen als uiterst hinderlijk en
onaangenaam wordt ervaren. Het is duidelijk dat, indien er geen sprake is van
wetsovertreding, de overheid de persoon die een informele norm overschrijdt,
niet kan bestraffen. Dit neemt niet weg dat de overheid – of de ambtsdragers die
haar vertegenwoordigen – de normovertreder wel kan aanspreken en wijzen op
diens ongewenste gedrag. Toch dient men hiermee in het algemeen terughou-
dend te zijn. Als men geen sanctie kan opleggen, is het risico aanwezig dat de
terechtwijzing eenvoudig wordt genegeerd. Een overtreder van een informele
norm aanspreken heeft alleen zin indien deze het gezag van de ambtsdrager
erkent. Maar het probleem is nu juist dat ambtsdragers de afgelopen decennia
sterk aan gezag hebben ingeboet. Ambtsdragers zullen dus eerst, langs de hierbo-
ven geschetste weg, hun gezag en autoriteit moeten zien te herstellen alvorens
zij een effectieve rol kunnen spelen bij het corrigeren van informele normover-
schrijding. Hiervoor is het allereerst nodig dat zij hun taak ten aanzien van het
handhaven van formele regels adequaat uitoefenen.
Een ander probleem bij het handhaven van informele normen door formele
ambtsdragers is dat het niet altijd duidelijk is welke informele normen in
bepaalde omstandigheden gelden. Juist vanwege het informele karakter van de
</pre>

====================================================================== Einde pagina 251 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 252 ======================================================================

<pre>    wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                            norm kan een normovertreder claimen dat de betreffende norm voor hem of haar
                            eenvoudigweg niet geldt. Als de overheid dit excuus niet wenst te accepteren,
                            dient zij de informele norm om te zetten in een formele regel, waarvan zij de
                            naleving wel met de wet in de hand kan afdwingen.
                            Overdracht en handhaving van informele normen zijn in de eerste plaats taken
                            van uiteenlopende maatschappelijke instituties. Voorzover het gaat om normen
                            die alleen in de betreffende institutie gelden, spreekt dit voor zich. In de meeste
                            gevallen doen zich hier ook geen grote problemen voor. Mensen gedragen zich
                            overwegend zoals in de specifieke omgeving waarin zij zich bevinden van hen
                            wordt verwacht. Doorgaans zijn zij voldoende doordrongen van de geldende
                            normen – het is eerder opvallend hoe snel mensen zich aanpassen aan de cultuur
                            van de organisatie of groep waarvan zij deel uitmaken. Indien mensen zich niet
                            aan die normen houden, zijn de (vaak informele) sancties die (de leden van) de
                            organisatie hen opleggen doorgaans afdoende om hen van verdere normovertre-
                            ding af te houden. In het uiterste geval kan een onverbeterlijke normovertreder
                            ook buiten de organisatie worden gesloten.
                            Toch lijken zich steeds vaker situaties voor te doen waarin deze mechanismen
250                         niet (meer) adequaat functioneren. Dit kan verschillende oorzaken hebben. Het
                            kan te maken hebben met de toenemende anonimiteit in grootschalige organisa-
                            ties, waardoor mensen elkaar niet meer aanspreken op hun (normoverschrij-
                            dende) gedrag: iemand die je niet persoonlijk kent, roep je minder snel tot de
                            orde, terwijl de ander zich waarschijnlijk minder aan jouw terechtwijzing gele-
                            gen laat liggen. Het kan ook te maken hebben met een minder sterke binding
                            (commitment) van mensen met de instituties en organisaties waarvan zij deel
                            uitmaken, omdat men gemakkelijker naar een andere institutie kan uitwijken.
                            Mensen zouden daardoor vaker een ‘consumptieve’ houding tegenover een insti-
                            tutie aannemen en minder rekening houden met (de opvatting van) andere leden
                            van de organisatie. Denk aan patiënten met licht letsel die op de afdeling spoed-
                            eisende hulp eisen dat zij met voorrang worden geholpen. Een toename van
                            informele normoverschrijding kan ook voortkomen uit het feit dat mensen in
                            steeds meer verschillende domeinen functioneren waarin uiteenlopende
                            normen gelden en niet iedereen in staat (of bereid) is zich steeds weer aan de
                            geldende normen aan te passen.
                            Het is in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van de instituties zelf om te
                            zoeken naar oplossingen voor de geschetste problemen. Hierbij dient men er
                            echter oog voor te hebben dat een toename van normoverschrijdend gedrag
                            binnen de ene institutie ook negatieve gevolgen kan hebben voor andere institu-
                            ties. Wanneer normovertreding in de ene institutie niet wordt gecorrigeerd, kan
                            dit ertoe leiden dat men zich ook in een andere omgeving minder aan de gel-
                            dende normen gelegen laat liggen. Als de ene institutie blijkbaar niet zo zwaar
                            aan de normen tilt, waarom zou dit elders dan niet ook het geval kunnen zijn?
                            Zo zou gebrek aan orde en discipline op school ook het wangedrag van scholieren
                            in andere omgevingen (op straat, in winkels, in het openbaar vervoer) kunnen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 252 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 253 ======================================================================

<pre>                                                   de rol van de overheid; conclusies en aanbevelingen
vergroten. De overheid dient maatschappelijke instituties daarom niet alleen aan
te spreken op de mate waarin zij hun ‘eigen’ waarden en normen overdragen en
handhaven, maar ook op de gevolgen hiervan voor het gedrag van de klanten in
andere domeinen. De wijze waarop de overheid dit dient te doen is overigens
niet zo eenvoudig aan te geven. In paragraaf 8.5 wordt hierop nader ingegaan.
Conflictbemiddeling en vrijwilligerswerk
Zowel bij formele als bij informele normen zijn controle en sancties niet altijd de
aangewezen weg om met normoverschrijding om te gaan. Wanneer normover-
schrijding leidt tot conflicten tussen personen – doordat degene die de norm
naleeft last ondervindt van de normovertreder – kan het soms verstandiger zijn
om deze informeel, via bemiddeling of mediation, te beslechten. In plaats van
een van de partijen als schuldige aan te wijzen, is mediation erop gericht om de
belangen van beide partijen tegen elkaar af te wegen en tot een oplossing te
komen die voor beide aanvaardbaar is. De actieve participatie van beide partijen
in een dergelijk proces kan niet alleen de acceptatie van de uitkomst vergroten,
maar ook bijdragen aan de internalisering van bepaalde regels die conflicten in de
toekomst kunnen helpen voorkomen. Instituties zouden, vaker dan nu het geval
is, van dergelijke conflictbemiddeling gebruik kunnen maken als tussenweg
tussen het tolereren of gedogen van normoverschrijdend gedrag aan de ene kant                          251
en het toepassen van formele sancties aan de andere kant. Voorzover het gaat om
conflicten die zich afspelen in de publieke ruimte (bijvoorbeeld conflicten tussen
buurtbewoners over het gedrag op straat) heeft de (lokale) overheid een taak om
dergelijke bemiddeling te stimuleren.
In hoofdstuk 3 is geconstateerd dat er naast degenen die regelmatig of incidenteel
de geldende normen in negatieve zin overschrijden gelukkig ook velen zijn die
juist méér doen dan volgens die normen van hen kan worden verwacht. Waar de
overheid negatieve normoverschrijding zo veel mogelijk dient tegen te gaan, zou
zij deze positieve ‘normoverschrijding’ juist moeten bevorderen. Het gaat hierbij
in het algemeen om activiteiten die mensen vrijwillig ondernemen en die aan
meer dan alleen hun eigenbelang ten goede komen, zoals vrijwilligerswerk,
buurtactiviteiten, informele zorg, giften aan charitatieve instellingen en milieu-
vriendelijk gedrag. Ook nu al worden sommige van deze activiteiten door de
overheid ondersteund, zoals bij sommige milieuvriendelijke investeringen. Juist
voor activiteiten die niet zozeer geld als wel tijd kosten is de ondersteuning door
de overheid vaak echter minimaal. In het algemeen verdient het niet de voorkeur
om deze activiteiten aantrekkelijker te maken door ze financieel te belonen. Het
omzetten van vrijwilligerswerk in betaald werk, zoals weleens wordt bepleit,
kan ook nadelige effecten hebben, bijvoorbeeld doordat het de intrinsieke moti-
vatie om deze activiteiten te verrichten, vermindert (vgl. Frey en Jegen 2001).
Vrijwilligersactiviteiten dienen veeleer te worden gestimuleerd door het de
burgers gemakkelijker te maken de activiteiten te verrichten. Een andere moge-
lijkheid is dat vrijwilligers worden ondersteund door betaalde beroepskrachten.
Zo is het voor het verrichten van mantelzorg vaak essentieel dat er ook vol-
doende professionele thuiszorg beschikbaar is. Buurtactiviteiten van bewoners
</pre>

====================================================================== Einde pagina 253 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 254 ======================================================================

<pre>    wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                            blijken vaak alleen van de grond te komen of te worden gecontinueerd indien zij
                            worden geholpen door officiële hulpverleners of instanties. Net zoals formele
                            controle van normoverschrijdend gedrag ertoe zou moeten bijdragen om infor-
                            mele sociale controle te versterken, dient formele hulp en dienstverlening zo
                            mogelijk informele, vrijwillige activiteiten te ondersteunen. Fiscale faciliteiten
                            vormen een mogelijkheid hiertoe.
                            Men mag er echter niet voetstoots van uitgaan dat er altijd voldoende vrijwilli-
                            gers beschikbaar en bereid zijn om de noodzakelijke hulp te bieden en andere
                            activiteiten te verrichten. Te vaak missen hulpbehoevenden het sociale netwerk
                            om informele hulpverleners te kunnen inschakelen of ontbreekt in een wijk de
                            sociale samenhang om vrijwillige buurtactiviteiten van de grond te krijgen. In
                            die gevallen zal de overheid (of een andere instantie) haar verantwoordelijkheid
                            moeten nemen om de professionele hulp en ondersteuning te bieden die in de
                            betreffende situatie noodzakelijk is.
                8.4.2       normen: onzekerheid bespreekbaar maken
                            Een hoge mate van normoverschrijdend gedrag is niet alleen onwenselijk van-
252                         wege de (over)last die het vaak voor anderen oplevert, maar ook omdat dit op
                            den duur het geloof in de norm kan ondermijnen. Zo vindt zo’n veertig procent
                            van de bevolking een zekere mate van belastingontduiking weliswaar verkeerd,
                            maar wel begrijpelijk en geeft zo’n zestig procent toe dat men bepaalde diensten
                            ‘zwart’ zou laten verrichten (zie par. 3.4). Ook bepaalde verkeersregels, zoals de
                            maximumsnelheid en het dragen van veiligheidsgordels, lijken lang niet op
                            ieders steun te kunnen rekenen. Het effectief aanpakken van normoverschrij-
                            dend gedrag zou in deze gevallen ook de steun voor de norm zelf ten goede
                            kunnen komen. Het is echter de vraag of strengere controle en hoger en sneller
                            straffen altijd de aangewezen weg zijn. Soms verdient het de voorkeur om regels
                            te vereenvoudigen, waardoor zij beter zijn te handhaven en er minder mogelijk-
                            heden voor overtreding zijn (bijvoorbeeld minder aftrekposten in de belasting).
                            Voorzover normen primair een coördinatiefunctie vervullen, zoals bij veel
                            verkeersregels het geval is, kunnen ze soms overbodig worden gemaakt door een
                            beroep te doen op zelfregulering (bijvoorbeeld verkeerslichten vervangen door
                            rotondes, ritsen op de rijbaan). Soms is tijdelijk gedogen van bepaalde, specifiek
                            benoemde normoverschrijdingen de beste oplossing, ook al dient men hierin
                            zeer terughoudend te zijn (vgl. wrr 2002: 261).
                            Er is echter ook een relatief beperkte groep criminelen (vooral jongeren) die
                            chronisch moeite hebben zich aan rechtsregels te houden. Pogingen om hen te
                            doordringen van het belang van deze normen maken alleen enige kans van
                            slagen als deze onderdeel uitmaken van een voortgezet programma, inclusief
                            strafoplegging, dat erop gericht is hun leven in een andere en betere richting te
                            sturen. Halt-bureaus en de reclassering zijn hiervoor de aangewezen instanties.
                            Op langere termijn dient dit probleem vooral te worden aangepakt met preven-
                            tief beleid. De bron van deviant gedrag is vaak in de vroege jeugd gelegen, zodat
</pre>

====================================================================== Einde pagina 254 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 255 ======================================================================

<pre>                                                  de rol van de overheid; conclusies en aanbevelingen
de opvoeding en de basisschool hierbij een belangrijke rol (kunnen) spelen.
Opvoedingsondersteuning voor ouders van wie een kind probleemgedrag
vertoont en alert reageren van scholen bij aanwijzingen voor deviant gedrag,
zouden ertoe moeten bijdragen dat deze kinderen toch voldoende normbesef
wordt bijgebracht. Vroegtijdig optreden lijkt een belangrijke voorwaarde om
latere ‘ontsporing’ van deze kinderen tegen te gaan. Ontwikkelingspsychologen
wijzen er steevast op dat de morele vorming en de internalisering van belang-
rijke waarden reeds in de vroege kindertijd plaatsvindt. Love and limits zijn
cruciaal voor de vorming van waarden (Lee 2002: 126; Coles 1997: 169). Als er te
weinig liefdevolle opvoeding wordt gegeven, te weinig goede voorbeelden
worden getoond en te weinig grenzen worden gesteld, verschraalt de waardevor-
ming.
Groepen met een andere culturele of religieuze achtergrond dan de ‘doorsnee’-
Nederlander claimen soms dat voor hen andere normen gelden dan de in ons
land algemeen aanvaarde normen. Wanneer deze normen strijdig zijn met
wettelijke regels is er echter geen aanleiding om deze te tolereren. De Neder-
landse wet geldt in gelijke mate voor alle ingezetenen en er is geen enkele reden
om hiervan bepaalde groepen uit te zonderen. Specifieke groepsrechten passen
niet in een moderne democratische samenleving als Nederland. Dit hoeft overi-                         253
gens niet uit te sluiten dat bepaalde cultuur- of geloofsgebonden gebruiken die
strijdig zijn met de Nederlandse wet, maar op zichzelf geen schade aan derden
berokkenen, op een gegeven moment kunnen worden ‘gelegaliseerd’. Voorbeel-
den hiervan zijn ritueel slachten en bepaalde begrafenisrituelen (vgl. hoofdstuk
6). Informele normen die uit een geloof of culturele traditie voortvloeien en niet
strijdig zijn met wettelijke regels dienen te worden geaccepteerd, ook als ze op
gespannen voet staan met de normen die een grote meerderheid van de Neder-
landse bevolking onderschrijft. Confrontatie is in dit geval de gewenste reactie,
mits deze zich beperkt tot een verbale uitwisseling van argumenten en men geen
gebruik maakt van fysieke middelen (geweld) of bedreigingen daarmee.
Bij informele regels spreekt het minder vanzelf dan bij formele regels dat zij op
brede steun kunnen rekenen. Dit is niet zo verwonderlijk omdat in verschillende
groepen en omstandigheden verschillende normen gelden. Wat de ene groep een
minimaal blijk van fatsoen vindt (zoals de ander een hand geven) kan door een
andere groep als betekenisloos of zelfs onfatsoenlijk (een orthodox islamitische
man ten opzichte van een vrouw) worden beschouwd. Op zichzelf is het niet
problematisch dat in verschillende domeinen of instituties verschillende
omgangs- en fatsoensnormen gelden. Meestal zijn mensen uitstekend in staat
bij het wisselen van omgeving zich aan te passen aan de daar geldende normen
(vgl. hoofdstuk 7). Er kunnen zich echter problemen voordoen wanneer mensen
met verschillende normen elkaar ontmoeten in de publieke ruimte, waar het
niet altijd duidelijk is welke informele normen er gelden. Voorzover de naleving
van die verschillende normen niet met elkaar botst (denk aan verschillende
kledingvoorschriften) is ‘gelatenheid’ de aangewezen reactie. Wanneer gedrag
conform de normen van de een hinder of overlast bezorgt voor anderen, die
</pre>

====================================================================== Einde pagina 255 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 256 ======================================================================

<pre>    wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                            andere normen aanhangen, kunnen er conflicten ontstaan (bijvoorbeeld kinde-
                            ren die ’s avonds laat op straat spelen en lawaai maken, of jongeren die samen-
                            scholen op een plein). In ruimten met een duidelijk aanwijsbare beheerder is
                            deze de aangewezen persoon of instantie om dergelijke conflicten te beslechten,
                            bijvoorbeeld door bepaalde informele normen te formaliseren. Zo heeft de ns
                            huisregels opgesteld waaraan alle reizigers zich dienen te houden. Ontbreekt een
                            dergelijke beheerder, dan ligt een oplossing vaak niet voor het grijpen. Een aan-
                            trekkelijke mogelijkheid is dat de personen met verschillende normen die elkaar
                            in de openbare ruimte treffen, zelf afspraken maken over gedeelde normen die
                            voor iedere partij acceptabel zijn (zie de Stadsetiquette in Rotterdam en de
                            Gouden Regels in Gouda). Hiervoor dient echter wel aan de nodige voorwaarden
                            te zijn voldaan. Allereerst dienen er in de betreffende buurt voldoende sociale
                            samenhang en regelmatige interactie tussen de bewoners te zijn. Vervolgens
                            veronderstelt het dat de verschillende partijen de eigen normen niet verabsolute-
                            ren en bereid zijn om water bij de wijn te doen. Bovendien werken dergelijke
                            afspraken alleen indien in de betreffende omgeving weinig ‘vreemden’ komen
                            die geen weet van de betreffende afspraken hebben en er zich ook niet aan gebon-
                            den achten. De directe rol van de overheid hierbij is in het algemeen beperkt. De
                            lokale overheid kan wel initiatieven van burgers om tot dergelijke afspraken te
254                         komen aanmoedigen en ondersteunen (vgl. Diekstra 2003). Komen deze initia-
                            tieven niet van de grond en nemen de botsingen tussen de gedragingen van
                            verschillende groepen onacceptabele vormen aan, dan zal de overheid zelf op een
                            gegeven moment maatregelen moeten nemen om de orde te handhaven en een
                            escalatie van de botsingen tussen de burgers te voorkomen.
                8.4.3       waarden: pluriformiteit handhaven
                            Pluriformiteit van waarden is een wezenskenmerk van onze democratische
                            rechtsstaat. De enige uitzondering hierop vormen de fundamentele waarden van
                            die rechtsstaat zelf. De overheid dient dus de pluriformiteit van waarden te
                            waarborgen en tegelijkertijd de waarden van de rechtsstaat te beschermen. Het
                            gaat hierbij om zulke waarden als vrijheid van (geloofs)overtuiging, vrijheid van
                            meningsuiting, integriteit van het lichaam, gelijkheid voor de wet, enzovoort.
                            Dit zijn echter geen tegenstrijdige taken: bescherming van de rechtsstaat garan-
                            deert immers waardepluriformiteit.
                            Er kan zich wel een probleem voordoen indien bepaalde waarden strijdig zijn
                            met de rechtsstaat, bijvoorbeeld orthodox religieuze of fundamentalistische
                            opvattingen over de ondergeschiktheid van de (rechts)staat aan het geloof of een
                            kerk. De oplossing van dit probleem is niet gelegen in het verbieden van derge-
                            lijke waarden. Waarden schuilen in de hoofden en harten van mensen en laten
                            zich eenvoudigweg niet verbieden. Ook een verbod op het uitdragen van die
                            waarden is geen begaanbare weg, aangezien men daarmee een van de essentiële
                            waarden van de rechtsstaat – vrijheid van meningsuiting – zou beperken om
                            diezelfde rechtsstaat te beschermen. Er wordt echter een grens overschreden als
                            het uitdragen van ‘fundamentalistische’ waarden gepaard gaat met een aanmoe-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 256 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 257 ======================================================================

<pre>                                                   de rol van de overheid; conclusies en aanbevelingen
diging om de rechtsstaat te ondergraven, bijvoorbeeld door geweld uit te lokken.
Het is daarom een taak van de overheid – die zij ten dele kan overlaten aan insti-
tuties als het onderwijs, inburgering en de media – om de burgers zo veel moge-
lijk te doordringen van het belang van de waarden die ten grondslag liggen aan
de rechtsstaat. De overdracht van deze essentiële waarden dient zich met name
te richten op nieuwe ingezetenen, dat wil zeggen op kinderen en immigranten.
Hiernaast is het wenselijk het belang van deze waarden ook bij de gevestigde
burgers onder de aandacht te blijven brengen.
Hoe dient de overheid om te gaan met botsingen tussen waarden of waardestel-
sels? In het algemeen is het vrije publieke debat – in het parlement, in kranten, op
radio en tv, op internet, in debatcentra, maar ook op het werk, op school en in
het gezin – het aangewezen middel voor een vreedzame botsing van waarden en
waardestelsels. De overheid dient dit debat zo veel mogelijk te stimuleren, onder
meer door de pluriformiteit van de media te waarborgen. Juist door met anders-
denkenden in debat te gaan, naar de argumenten van de tegenstander te luiste-
ren, maar deze desgewenst ook ten felste te bestrijden, kan begrip en tolerantie
voor andere opvattingen worden gekweekt en worden voorkomen dat mensen
naar andere middelen (juridische procedures, bedreiging of geweld) grijpen om
‘hun gelijk te halen’.                                                                                 255
Er kunnen zich ook botsingen voordoen tussen de fundamentele waarden die
ten grondslag liggen aan de rechtsstaat, of beter gezegd tussen claims die partijen
ontlenen aan verschillende waarden van de rechtsstaat: de vrijheid van menings-
uiting of de vrijheid van godsdienst kan bijvoorbeeld op gespannen voet staan
met het antidiscriminatiebeginsel (zie hoofdstuk 5). Hoewel ook in dergelijke
gevallen het debat de te verkiezen weg is om het conflict te beslechten, dient in
laatste instantie, als het conflict onoplosbaar blijkt, de rechter een uitspraak te
doen. Hierbij doet zich het probleem voor dat bij de afweging van grondrechten
ook de rechter zich uiteindelijk slechts kan beroepen op de ‘redelijkheid’ van een
bepaalde keuze in dit bijzondere geval (casuspositie). De rechter kan niet oorde-
len over niet-aangebrachte zaken of over ideologische conflicten in het algemeen.
De overheid (eigenlijk: het parlement) kan in haar rol als wetgever door een
heldere formulering van wetten zo veel mogelijk proberen te voorkomen dat
dergelijke conflictbeslechting afhankelijk is van de interpretatie van de rechter.
Maar door de algemeenheid van de wetsteksten biedt ook dit geen definitieve
oplossing. Evenmin is het aan te bevelen om een wettelijke hiërarchie in de
grondrechten aan te brengen, aangezien een dergelijke rangorde onvoldoende
recht zou doen aan de uiteenlopende contexten waarin een beroep op de grond-
rechten kan worden gedaan. In het ene geval zal men bijvoorbeeld aan het gelijk-
heidsbeginsel voorrang willen verlenen en in het andere geval aan de vrijheid
van godsdienst, zonder dat dit in een algemene regel valt te vatten (zie hoofdstuk
5). Wel kan de grondwetgever of, waar de grondwet daarvoor ruimte laat, de
gewone wetgever, desgewenst door precisering/beperking onderlinge verhou-
dingen verduidelijken tussen grondrechten waarvan de toepassing steeds meer
vragen oproept.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 257 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 258 ======================================================================

<pre>    wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                            Behalve de waarden die tot uitdrukking komen in de instituties van de rechts-
                            staat, zijn er ook andere waarden die essentieel zijn voor het goed functioneren
                            van de samenleving. Het gaat dan om waarden als respect en verdraagzaamheid,
                            tolerantie, inschikkelijkheid, gelijkheid en vrijheid, integriteit en mededogen.
                            Deze hebben niet zozeer betrekking op de rechten van individuen die door de
                            staat dienen te worden gewaarborgd als wel op de gewenste omgang tussen indi-
                            viduele burgers onderling. Terwijl discriminatie en geweld bij wet zijn verboden
                            en dus door de overheid dienen te worden bestreden, is het weliswaar wenselijk,
                            maar kan het niet formeel worden voorgeschreven, dat burgers elkaar als gelijk-
                            waardig behandelen, tolerant en verdraagzaam zijn tegenover personen die
                            opvattingen huldigen die zij afwijzen, enzovoort. Als dergelijke waarden onvol-
                            doende worden onderschreven, kan dit op den duur echter ook de steun voor
                            (de waarden van) de rechtsstaat aantasten. Er zijn evenwel weinig mogelijk-
                            heden voor de overheid om de overdracht van deze waarden direct ter hand te
                            nemen. Het gaat hier in de eerste plaats om een verantwoordelijkheid van
                            ouders, opvoeders en leerkrachten en van alle andere gezagsdragers in de overige
                            instituties.
                            Vooral het onderwijs heeft hierin een belangrijke taak. De overdracht van derge-
256                         lijke waarden mag niet ondergeschikt worden gemaakt aan de overdracht van
                            kennis en vaardigheden. Het onderwijs dient echter vrij te worden gelaten in de
                            wijze waarop het deze taak vervult. Zo is het denkbaar dat men hiervoor ruimte
                            vrijmaakt bij vakken als maatschappijleer, geschiedenis en filosofie. Vooral het
                            vak maatschappijleer verdient het een meer volwaardige positie in het curricu-
                            lum te krijgen. De waardeoverdracht in het onderwijs zal echter vooral deel
                            moeten uitmaken van het pedagogische proces in de klas zelf, los van concrete
                            vakken. Anders gezegd, waardeoverdracht dient integraal onderdeel te zijn van
                            de overdracht van kennis en vaardigheden.
                            Dat waarden vrij zijn en waardepluriformiteit dient te worden toegejuicht, bete-
                            kent nog niet dat aan alle waarden evenveel ruimte moet worden geboden om
                            zich te manifesteren. In de publieke ruimte kan het gewenst zijn beperkingen op
                            te leggen aan waarden die de grote meerderheid van de bevolking als verwerpe-
                            lijk of onwenselijk beschouwt. Bij publieke ruimte valt in het bijzonder te den-
                            ken aan de openbare weg en de publieke omroep.
                            De openbare weg is de afgelopen decennia steeds meer een uitstalling geworden
                            van commerciële boodschappen in de vorm van aanplakbiljetten in abri’s, op
                            bussen en trams, op gevels en op speciale borden en zuilen. Los van de vraag hoe
                            men dit verschijnsel in zijn algemeenheid waardeert dient zich de vraag aan of
                            elke vorm van reclameboodschappen moet worden toegelaten. Niet iedereen is
                            ervan gediend om op straat met afbeeldingen van naakte dames of seksueel
                            getint gedrag te worden geconfronteerd. Wanneer zij pontificaal in de openbare
                            ruimte worden tentoongesteld, kan men ze echter moeilijk ontlopen. Daar komt
                            bij dat dergelijke reclame-uitingen vaak een bepaald gedrag of ideaal promoten
                            dat men, vooral voor jongeren, als onwenselijk kan beschouwen. Het verdient
</pre>

====================================================================== Einde pagina 258 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 259 ======================================================================

<pre>                                                       de rol van de overheid; conclusies en aanbevelingen
    daarom aanbeveling dat lokale overheden meer bewust omgaan met de vraag of
    zij alle reclame-uitingen in de publieke ruimte willen toelaten.
    Een belangrijk verschil tussen de openbare ruimte enerzijds en televisie en radio
    anderzijds is dat men met de laatste niet ongewild geconfronteerd hoeft te
    worden: ieder kan immers zelf bepalen waar hij of zij naar kijkt of luistert. Er is
    dan ook geen reden om in het algemeen beperkingen op te leggen aan radio-
    en tv-programma’s. Dit zou al niet kunnen vanwege de gegarandeerde vrijheid
    van meningsuiting. Het spreekt minder voor zich dat de omroepen (zowel
    publieke als commerciële) hierin geen eigen verantwoordelijkheid dragen. De
    rechtvaardiging voor het feit dat publieke omroeporganisaties grotendeels uit
    publieke middelen worden gefinancierd, moet zijn gelegen in het feit dat zij een
    ander programma-aanbod bieden dan commerciële omroepen en zenders.
    Terwijl het vanwege de vrijheid van meningsuiting ongewenst is om zenders te
    beperken in hun vrijheid om programma’s uit te zenden met veel seks, geweld,
    drankgebruik en dergelijke, dienen de publieke omroepen vanuit hun primaire
    taak hoge eisen aan zichzelf te stellen. De meerwaarde van de publieke omroepen
    zou immers mede moeten zijn gelegen in het feit dat zij bepaalde waarden uit-
    dragen die bij de commerciële zenders onvoldoende aan bod hoeven te komen.
    Dit betekent zeker niet dat het publieke programma-aanbod vooraf of achteraf                           257
    moet worden onderworpen aan een toets op de inhoud. Maar bij het toelaten van
    een nieuwe omroepvereniging, of het verdelen van de zendtijd over de omroe-
    pen, zouden dergelijke aspecten in de afspraken die de overheid met de omroe-
    pen maakt wel degelijk een rol mogen spelen. Ook in visitaties van de omroepen
    en in vormen van zelfregulering zouden het onderhoud en de overdracht van
    waarden en normen via de media aan de orde gesteld kunnen worden. Zelfregu-
    lering en vormen van publieke verantwoording van hun keuze in de bijdrage aan
    waarden en normen kunnen ook voor commerciële omroeporganisaties worden
    ontwikkeld, zoals in het Verenigd Koninkrijk is gebeurd.
8.5 ondersteuning van instituties
    In de voorgaande paragraaf is betoogd dat de overdracht en handhaving van
    waarden en normen in veel gevallen geen taken van de overheid zelf zijn, maar
    van uiteenlopende maatschappelijke instituties. Het is wel aan de overheid om te
    waarborgen dat die instituties hun taak naar behoren vervullen, hetzij door hen
    bepaalde verplichtingen op te leggen en deze te controleren, hetzij door de insti-
    tuties de ruimte te geven en te faciliteren bij het uitoefenen van hun taak. Hierbij
    doet zich in het algemeen het probleem voor dat de overheid enerzijds uitgespro-
    ken wensen heeft met betrekking tot het functioneren van die instituties, maar
    anderzijds slechts beperkte mogelijkheden heeft om dat functioneren direct te
    sturen en te beïnvloeden. Bij het vormgeven van haar beleid ten aanzien van die
    instituties staat de overheid hierdoor voor een aantal lastige afwegingen. Het
    gaat hierbij om instituties aan wie de overheid bepaalde taken heeft gedelegeerd
    en die geheel of grotendeels door de overheid worden gefinancierd, maar ook om
    instituties die op particuliere basis belangrijke openbare functies vervullen, zoals
</pre>

====================================================================== Einde pagina 259 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 260 ======================================================================

<pre>    wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                            het openbaar vervoer, de gezondheidszorg en delen van het onderwijs. De over-
                            heid dient hierbij onder meer een afweging te maken tussen:
                            • uitvoeringsvrijheid bieden en prikkels geven;
                            • beleidsruimte bieden en de (rechts)gelijkheid waarborgen;
                            • meer middelen ter beschikking stellen en de kwaliteit en uitrusting van de
                                  professionals verbeteren;
                            • meer discretionaire bevoegdheden geven aan professionals en striktere regels
                                  formuleren voor professionals;
                            • een strikte scheiding van verantwoordelijkheden tussen de overheid en
                                  private actoren en een gedeelde verantwoordelijkheid.
                            Uitvoeringsvrijheid of prikkels?
                            Er bestaat nauwelijks verschil van mening dat het, om instituties in staat te stel-
                            len adequaat in te spelen op maatschappelijke ontwikkelingen en uiteenlopende
                            omstandigheden, gewenst is ze meer vrijheid te bieden om zelf te bepalen hoe zij
                            hun taak willen uitvoeren. Tegelijkertijd wil de overheid zich er natuurlijk wel
                            van vergewissen dat de instituties hun taak naar behoren vervullen. Meer vrij-
                            heid mag niet worden geïnterpreteerd als vrijblijvendheid. Dit betekent dat de
                            overheid er veelal naar streeft om instituties zodanige prikkels te geven dat zij
258                         zich inderdaad op de door de overheid gewenste doeleinden richten. Op zichzelf
                            hoeven meer ruimte bieden en prikkels geven niet strijdig met elkaar te zijn: de
                            prikkels hebben immers betrekking op de doelen (‘afrekenen op resultaat’) en de
                            ruimte op de middelen om deze doelen te bereiken. Financiële prikkels worden
                            echter bijna altijd gekoppeld aan meetbare en kwantificeerbare indicatoren,
                            terwijl doelstellingen juist vaak (mede) een kwalitatief karakter hebben, dat zich
                            lastig laat meten of registreren. Prikkels op basis van objectieve indicatoren
                            kunnen er daardoor toe leiden dat instituties zich vooral op kwantitatieve doelen
                            richten, met verwaarlozing van de kwalitatieve aspecten ervan. Om dit te voor-
                            komen is het wenselijk om bij het ‘afrekenen op resultaat’ niet alleen gebruik te
                            maken van kwantitatieve indicatoren, maar ook van kwalitatieve maatstaven.
                            Deze kunnen bijvoorbeeld worden vastgesteld door een inspecterende instantie
                            (zoals de onderwijsinspectie) of een visitatiecommissie. Ook de direct betrokke-
                            nen (klanten bijvoorbeeld) zouden hierbij een rol kunnen spelen. Zo zou men
                            instanties kunnen verplichten om jaarlijks aan de direct betrokkenen publiekelijk
                            verantwoording af te leggen over hun prestaties.
                            Hiernaast valt te overwegen om de criteria waaraan een institutie moet voldoen
                            niet van bovenaf op te leggen, maar in samenspraak met de betreffende
                            institutie zelf te formuleren. Dit zou zelfs kunnen gelden voor individuele instel-
                            lingen of organisaties. Zo is het denkbaar dat een school – naast uiteraard haar
                            wettelijke taken – in overleg met de ouders van leerlingen eigen prioriteiten stelt
                            en daarop wordt afgerekend. Jaarlijks dient de school dan aan de ouders verant-
                            woording af te leggen over de inspanningen die zij heeft verricht om deze prio-
                            riteiten te realiseren. De school wordt daardoor gedwongen om zelf aan te geven
                            op welke wijze een externe partij kan vaststellen of zij aan haar doeleinden heeft
                            voldaan.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 260 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 261 ======================================================================

<pre>                                                    de rol van de overheid; conclusies en aanbevelingen
Meer beleidsruimte of rechtsgelijkheid?
Meer beleidsruimte bieden aan instituties betekent automatisch dat er grotere
verschillen (kunnen) ontstaan tussen organisaties. Dit kan ertoe leiden dat
personen in vergelijkbare omstandigheden door verschillende organisaties
verschillend worden behandeld. Dit wordt al snel geïnterpreteerd als rechtsonge-
lijkheid. Politici zijn vaak erg gevoelig voor dit bezwaar. Daardoor hebben beslui-
ten tot decentralisatie en delegering vaak iets halfslachtigs: lokale overheden en
instituties mogen zelf over hun beleid beslissen, mits zij maar doen wat ‘Den
Haag’ wil. Het ware beter te erkennen dat twee situaties nooit volledig identiek
zijn en dat rechtsgelijkheid in die zin een fictie is. Vaak is niet ondubbelzinnig
vast te stellen wat in een bepaalde situatie de ‘juiste’ reactie is van een instelling
en is er dan ook geen reden om verschillen in behandeling als een onaanvaard-
bare vorm van rechtsongelijkheid aan te merken. Belangrijker dan de aandacht te
richten op gelijkheid in termen van uitkomsten, is het om te waarborgen dat de
procedures waarlangs een bepaalde behandeling tot stand is gekomen door de
desbetreffende klant of cliënt als rechtvaardig worden ervaren. Dat wil zeggen,
het gaat meer om procedurele rechtvaardigheid dan om distributieve (verde-
lende) rechtvaardigheid (vgl. Malsch 2004). Dit houdt bijvoorbeeld in dat instel-
lingen hun klanten inzicht bieden in de wijze waarop een besluit totstandkomt,
dat zij de klant daarbij zo mogelijk inspraak bieden en dat zij heldere beroepspro-                     259
cedures hebben voor het geval de klant meent onheus bejegend te zijn.
Vrij te besteden middelen of beter personeel?
Als instituties hun taken beter moeten vervullen, leidt dit gemakkelijk tot een
roep om meer vrij te besteden middelen. Dit sluit bovendien aan bij het streven
naar meer uitvoeringsvrijheid. Toch kan het soms beter zijn om extra middelen
niet vrij ter beschikking te stellen, maar te investeren in de kwaliteit en uitrus-
ting van professionals. Als er bijvoorbeeld een tekort is aan gekwalificeerde leer-
krachten, wordt dit probleem niet opgelost door scholen meer geld te geven. Zij
kunnen dan hooguit met elkaar concurreren om de beste leerkrachten aan te
trekken, maar de schaarste wordt daardoor niet minder. Het is dan beter om de
middelen te besteden aan de opleiding van goede nieuwe leerkrachten. Op korte
termijn zullen er dan echter minder middelen beschikbaar zijn voor de instellin-
gen zelf en bovendien wordt hun vrijheid ingeperkt om zelf te bepalen of zij in
personeel dan wel in andere zaken (zoals huisvesting of leermiddelen) willen
investeren.
Discretionaire bevoegdheden of strikte regels?
Organisaties staan voor een vergelijkbare afweging ten aanzien van hun perso-
neel als de overheid ten aanzien van instituties: moeten professionals meer
ruimte krijgen om naar eigen inzicht zo goed mogelijk hun taak uit te oefenen of
moeten zij voldoen aan heldere regels, normen en protocollen die hun ruimte
aanzienlijk inperken? Een sterke inperking van de discretionaire ruimte voor
professionals doet hun status waarschijnlijk geen goed en kan hun motivatie en
gevoel van eigen verantwoordelijkheid voor het werk ondergraven. Dit wordt
nog versterkt indien die regels gepaard gaan met een aanzienlijke bureaucratische
</pre>

====================================================================== Einde pagina 261 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 262 ======================================================================

<pre>    wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                            rompslomp om aan te tonen dat daadwerkelijk conform die regels wordt gehan-
                            deld. Te veel ruimte bieden aan professionals roept echter het gevaar op dat zij
                            hun taak niet naar behoren uitoefenen. Bovendien kan het leiden tot ongelijk-
                            heid in behandeling tussen de klanten van dezelfde instantie, wat problemati-
                            scher lijkt dan verschillen in behandeling tussen instanties van dezelfde soort
                            (bijvoorbeeld leerlingen van dezelfde school dienen gelijk te worden behandeld,
                            maar niet leerlingen van verschillende scholen). Een tussenoplossing kan
                            worden gevonden in beroepsnormen van en controle door de beroepsgroep zelf
                            in plaats van de organisatie waarbij men in dienst is. Dit vereist wel dat de
                            beroepsgroep in kwestie zich voldoende bewust is van en gelegen laat liggen aan
                            de maatschappelijke taak van de beroepsbeoefenaren en zich niet louter als een
                            belangenvereniging opstelt. Bij veel beroepsgroepen is hiervan overigens al
                            sprake (bijvoorbeeld medische beroepen), maar bij andere beroepsgroepen zou
                            dit meer kunnen worden gestimuleerd. Net als andere instituties zouden
                            ook de beroepsgroepen openlijk verantwoording moeten afleggen over het
                            gevoerde beleid.
                            Gescheiden verantwoordelijkheden of gedeelde verantwoordelijkheden?
                            Het gezamenlijk dragen van verantwoordelijkheden is kenmerkend voor het
260                         Nederlandse poldermodel. Dit model heeft in het verleden zijn grote waarde
                            bewezen, maar is ook periodiek aan scherpe kritiek onderhevig geweest. Het
                            grootste bezwaar tegen het delen van verantwoordelijkheden is dat op het
                            moment dat er iets mis gaat, de verleiding groot is de verantwoordelijkheid af te
                            schuiven naar een ander, waardoor het vaak niet duidelijk is wie daarop kan
                            worden aangesproken (het probleem van de ‘vele handen’, zie bijvoorbeeld de
                            conclusie van de commissie-Oosting over de vuurwerkramp in Enschede). Een
                            strikte scheiding van verantwoordelijkheden heeft als bezwaar dat deze kan
                            leiden tot verkokering en ‘afschuifgedrag’. Een instantie die formeel geen verant-
                            woordelijkheid draagt voor een bepaalde zaak, maar feitelijk wel van belang is
                            voor het realiseren van een bepaalde doelstelling kan zich dan te gemakkelijk
                            geheel aan die verantwoordelijkheid onttrekken. Een tussenweg zou kunnen zijn
                            om in die gevallen waarin er sprake is van gezamenlijke verantwoordelijkheden
                            altijd een persoon of instantie aan te wijzen die de eindverantwoordelijkheid
                            draagt en dus kan worden aangesproken op de resultaten. Deze eindverantwoor-
                            delijke heeft dan mede tot taak om te waarborgen dat de andere partijen die
                            medeverantwoordelijk zijn hun verantwoordelijkheid niet ontlopen. Er moeten
                            dan natuurlijk wel voorwaarden worden gecreëerd om te verzekeren dat men
                            deze eindverantwoordelijkheid ook kan waarmaken, bijvoorbeeld doordat men
                            de medeverantwoordelijken verplicht om medewerking te verlenen indien de
                            eindverantwoordelijke dit vraagt.
                            Afleggen van verantwoording
                            Het zou te ver voeren om op basis van bovenstaande afwegingen voor alle insti-
                            tuties die in hoofdstuk 7 zijn genoemd concrete aanbevelingen te doen voor
                            het te voeren overheidsbeleid. In algemene zin kan hierover echter wel iets
                            worden gezegd. Het uitgangspunt voor het aansturen van instituties door de
</pre>

====================================================================== Einde pagina 262 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 263 ======================================================================

<pre>                                                   de rol van de overheid; conclusies en aanbevelingen
overheid zou moeten zijn dat zij worden aangesproken op hun eigen verant-
woordelijkheid ten aanzien van de overdracht en handhaving van waarden en
normen. Afhankelijk van het soort institutie dient de overheid meer of minder
gedetailleerd de taken van de institutie te formuleren. De overheid dient in het
algemeen niet voor te schrijven hoe de instituties hun taak moeten uit-voeren.
Het spreekt voor zich dat de overheid voor een institutie als de politie, die belast
is met de uitvoering van bepaalde wettelijke taken, een veel scherpere en gede-
tailleerder taakomschrijving opstelt dan voor het bedrijfsleven, dat een private
taak uitoefent. Niettemin vervult ook deze laatste institutie bepaalde maatschap-
pelijke taken, waarop de overheid haar kan aanspreken, zoals bescherming van
de gezondheid van werknemers en klanten en het ontzien van het milieu.
Vervolgens is het de vraag hoe de overheid die taken dient te formuleren. Sinds
een aantal jaren is het streven er veelal op gericht om organisaties ‘af te rekenen
op resultaat’ en daarvoor scherpe kwantitatieve doelstellingen op te stellen
waaraan een organisatie dient te voldoen. Zonder hierover in algemene zin
een positief of negatief oordeel te vellen, moet worden geconstateerd dat derge-
lijke kwantitatieve criteria zich vaak minder goed lenen om de prestaties van
instituties ten aanzien van de overdracht en handhaving van waarden en normen
vast te stellen. Het gaat hierbij immers veelal om kwalitatieve aspecten van het                       261
functioneren van organisaties die zich niet in enkele kengetallen laten vangen.
Dit betekent niet dat in het geheel geen gebruik kan worden gemaakt van kwan-
titatieve indicatoren. Zo is het heel wel mogelijk de prestaties van scholen mede
te beoordelen op basis van het percentage spijbelaars of voortijdige schoolver-
laters en kan het openbaar vervoer mede worden ‘afgerekend’ op het percentage
zwartrijders of het aantal incidenten dat zich voordoet. Voorkomen moet echter
worden dat organisaties zich louter gaan richten op het behalen van dergelijke
kwantitatieve resultaten en daardoor minder aandacht besteden aan de lastig
meetbare kwalitatieve prestaties. Het alternatief is evenwel niet dat organisaties
geen verantwoording hoeven af te leggen over hun prestaties. Wel kan het tot op
zekere hoogte aan de instituties zelf worden overgelaten op welke wijze zij hier-
over verantwoording afleggen. Dit dient echter geen vrijblijvende mogelijkheid
te zijn, maar een verplichting die onderdeel uitmaakt van hun taakstelling. Zij
dienen, met andere woorden, zelf aan te geven op welke wijze zij aannemelijk
willen maken dat zij hebben voldaan aan hun taken ten aanzien van de over-
dracht en/of handhaving van waarden en normen. In sommige gevallen geldt
een dergelijke verplichting overigens al. Bij deze verantwoording kunnen zij
zowel gebruikmaken van objectieve, kwantitatieve maatstaven als van meer
intersubjectieve en kwalitatieve indicatoren. Hierbij valt te denken aan een
beoordeling van de prestaties door onafhankelijke externe deskundigen (bijvoor-
beeld een visitatiecommissie of een inspectiedienst), door collega-instellingen
(intervisie) of door de klanten van de betreffende organisatie.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 263 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 264 ======================================================================

<pre>    wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                8.6         de opbrengst van investeringen in waarden, normen
                            en gedr ag
                            Investeren in het onderhoud van instituties is geen goedkope oplossing om de
                            gewenste overdracht en handhaving van waarden en normen te realiseren.
                            Hoewel meer geld zeker niet dé oplossing is van de problemen die in dit rapport
                            in kaart zijn gebracht, is het veelal wel een noodzakelijke voorwaarde om de
                            gewenste verbeteringen tot stand te brengen. Dit roept, zeker in een tijd waarin
                            de overheid zich grote inspanningen moet getroosten om de onvermijdelijk
                            geachte bezuinigingen te realiseren, de vraag op of dit een verstandige manier is
                            om de schaarse beschikbare middelen aan te wenden. Op deze vraag valt geen
                            objectief, wetenschappelijk antwoord te geven. Uiteindelijk gaat het hier om een
                            politieke afweging. Het is wel mogelijk in algemene zin iets te zeggen over de
                            mogelijke opbrengsten van een beleid dat, langs de lijnen die in de voorgaande
                            paragrafen zijn geschetst, erop is gericht om overdracht en handhaving van
                            waarden en normen te ondersteunen.
                            Hoewel de term ‘investeringen’ nog weleens wordt misbruikt om een uitgave te
                            rechtvaardigen die in wezen een consumptief karakter heeft, kunnen extra uit-
262                         gaven die bijdragen aan de steun voor essentiële waarden en de naleving van
                            belangrijke normen wel degelijk als een investering worden aangemerkt. Hier-
                            voor zijn twee, onderling samenhangende redenen. In de eerste plaats gaat het
                            vaak om uitgaven waarvan de opbrengsten pas op langere termijn zichtbaar
                            worden. De kost gaat hier daadwerkelijk (ruim) voor de baat uit. Investeren in
                            betere scholen en leerkrachten betaalt zich terug in minder spijbelen en uitval,
                            minder geweld en een sterker normbesef. Het kost echter tijd om zichtbare resul-
                            taten te boeken. In de tweede plaats kunnen extra uitgaven een lange doorwer-
                            king hebben. In hoofdstuk 4 is geschetst hoe een vermindering van handha-
                            vingsinspanningen (bijvoorbeeld formele controle) in eerste instantie weinig
                            effect heeft op de mate van normoverschrijdend gedrag. Op een gegeven
                            moment kan echter een omslagpunt worden gepasseerd, waarna zich een
                            sneeuwbaleffect voordoet waarvan de gevolgen niet eenvoudig ongedaan zijn te
                            maken. Er is dan een grote en langdurig volgehouden inspanning nodig om op
                            termijn het oude niveau van normhandhaving weer te bereiken. Als dit op den
                            duur de internalisering van normen en de informele sociale controle weer ver-
                            sterkt, schept dit ruimte om de formele controle weer enigszins te beperken. Met
                            andere woorden, een grote inspanning die men nu levert kan op langere termijn
                            ruimte bieden om de inspanning (en dus ook de uitgaven) weer te verminderen.
                            De financiële baten van het in dit hoofdstuk bepleite beleid zijn van tweeërlei
                            aard. Allereerst zijn er de baten van het terugdringen van normoverschrijdend
                            gedrag. Vanwege de zeer diverse vormen van normoverschrijding waarom het
                            hier gaat, kan hiervan geen betrouwbare schatting worden gegeven. Alleen kan
                            een grove indicatie worden gegeven van de directe materiële baten die zouden
                            kunnen worden gerealiseerd indien men erin zou slagen een specifieke vorm van
                            normoverschrijding, namelijk criminaliteit, vergaand terug te dringen. Het
</pre>

====================================================================== Einde pagina 264 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 265 ======================================================================

<pre>                                                  de rol van de overheid; conclusies en aanbevelingen
wodc schatte in 2000 de materiële kosten van criminaliteit voor het bedrijfsle-
ven, particulieren en de overheid gezamenlijk op 3,3 miljard euro, dat is circa één
procent van het bruto binnenlands product. De kosten van opsporing, vervol-
ging en berechting van verdachten en tenuitvoerlegging van straffen beliepen
4,3 miljard euro, ofwel zo’n 1,2 procent van het bbp (Schreuders et al. 2000: 174).
Hierbovenop komen nog de immateriële kosten, zoals het letsel van slachtoffers
van lichamelijk geweld, onveiligheidsgevoelens en dergelijke, die echter onmo-
gelijk in geld zijn uit te drukken. De kosten van andere vormen van normover-
schrijding zijn mogelijk nog groter. Te denken valt aan de kosten van verkeerson-
gevallen ten gevolge van roekeloos rijden, het verlies aan human capital ten
gevolge van voortijdige schooluitval, productieverlies door ziekteverzuim en
arbeidsongeschiktheid ten gevolge van verstoorde relaties op de werkvloer,
enzovoort. Het is een illusie dat deze maatschappelijke kosten van normover-
schrijdend gedrag ooit tot nul kunnen worden gereduceerd. Niettemin staat het
buiten kijf dat beleid dat een aanzienlijke reductie van normoverschrijding zou
kunnen bewerkstelligen, op termijn omvangrijke kostenbesparingen zou ople-
veren.
Waarschijnlijk nog veel omvangrijker dan de baten van een vermindering van
normoverschrijdend gedrag, zijn de mogelijke opbrengsten van een versterking                          263
van het waarden- en normenbesef in de samenleving. Steeds meer onderkennen
sociologen en economen dat het vertrouwen tussen de burgers onderling en
tussen de burgers en maatschappelijke instituties een essentiële voorwaarde is
voor een florerende samenleving en economie (vgl. Hazeu 2003). Recent sociolo-
gisch en economisch onderzoek levert sterke aanwijzingen op dat vertrouwen en
sociaal kapitaal belangrijke bronnen zijn van welvaart(sgroei) (Zak en Knack
2001). Essentieel hierbij is dat burgers de verwachting hebben dat hun medebur-
gers en maatschappelijke instituties zich voorspelbaar en coöperatief gedragen.
Dit sociale vertrouwen is in belangrijke mate gebaseerd op wederkerigheid en
draagt ertoe bij dat mensen wederzijds voordelige relaties met elkaar durven en
willen aangaan, ook als men elkaar (nog) niet persoonlijk kent. Een gebrek aan
vertrouwen tussen burgers kan verhinderen dat vele op zichzelf rendabele trans-
acties totstandkomen, waardoor een enorm welvaartspotentieel onbenut blijft.
Het functioneren van formele en informele instituties wordt gezien als een van
de belangrijkste factoren die verklaren waarom sommige landen welvarend zijn
en andere achterblijven (vgl. North 1990; wrr 2003). Gedeelde waarden en
normen fungeren in zekere zin als de smeerolie van de samenleving. De winst
die men op korte termijn wellicht kan behalen door hierop te bezuinigen zal men
op langere termijn dubbel en dwars moeten terugbetalen, doordat de wrijvingen
tussen burgers onderling toenemen en de motor van de economie begint te hape-
ren.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 265 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 266 ======================================================================

<pre>    wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                8.7         samenvattende conclusies en aanbevelingen aan de
                            regering
                8.7.1       algemene conclusies in hoofdlijnen
                            Dit rapport begon in hoofdstuk 1 met de constatering dat van de vele en uiteenlo-
                            pende maatschappelijke kwesties die onder de noemer van waarden en normen
                            werden gebracht, twee kwesties de meeste aandacht vroegen, namelijk de vele
                            vormen van normoverschrijdend gedrag en de vraag naar gemeenschappelijke
                            waarden in onze samenleving. Beide zijn in dit rapport uitvoerig aan de orde
                            gekomen. Voor beide kwesties geldt dat burgers onderling en instituties zelf veel
                            kunnen doen aan het herstel van onderling vertrouwen en aan het instandhou-
                            den van voor de samenleving essentiële waarden. Maar ook de overheid heeft in
                            beide kwesties een belangrijke rol te spelen. De conclusies van dit rapport over
                            de rol van de overheid ten aanzien van waarden en normen kunnen in twee
                            hoofdlijnen worden samengevat.
                            I. Het bewaken van de gemeenschappelijke waarden en het ondersteunen van een
                            publieke moraal
264                         Er is een duidelijke en ruime steun te constateren voor de essentiële waarden van
                            de democratische rechtsstaat (zie hoofdstuk 3 en 5). Deze waarden zijn als het
                            ware de gemeenschappelijke kern van een moderne open samenleving, die
                            gekenmerkt wordt door een grote mate van geïndividualiseerde keuzevrijheid
                            van burgers en door een groter geworden pluriformiteit in waardeoriëntaties.
                            De rechtsstaat en de democratie bieden een garantie voor deze pluriformiteit en
                            persoonlijke vrijheid. Ze zijn bovendien dynamisch, in de zin dat er nieuwe
                            interpretaties van oude en gevestigde waarden mogelijk blijven. Tegelijkertijd
                            leggen democratie en rechtsstaat verplichtingen op. Men kan hier beter spreken
                            van een verplichtende consensus, namelijk om de waarden van democratie en
                            rechtsstaat en het open karakter ervan in stand te houden. Het is een primaire
                            taak van de overheid om deze verplichtende consensus te bewaken en ervoor te
                            zorgen dat ook in de toekomst de samenleving dit open karakter zal blijven
                            behouden. Concreet betekent dit dat de overheid de waarden van pluriformiteit
                            en de doorwerking ervan in de democratische rechtsstaat zichtbaar zal dienen uit
                            te dragen. Bescherming van mensenrechten als basiswaarde van elke samenle-
                            ving krijgt zo een prominente plaats.
                            Door maatschappelijke ontwikkelingen die met de ruime persoonlijke vrijheden
                            en de vele mogelijkheden tot eigen keuzen te maken hebben, is de praktische
                            ondersteuning voor de publieke zaak verschraald (zie hoofdstuk 7 en het begin
                            van hoofdstuk 8). Het onderlinge vertrouwen van burgers dat anderen zich aan
                            de regels zullen houden is afgenomen, en daarmee de bereidheid om zelf de
                            waarden en normen van het politieke systeem te respecteren. De overheid dient
                            in verband hiermee het bevorderen en ondersteunen van een publieke moraal
                            eveneens tot haar primaire taak te rekenen. Hoewel de overheid zich, naar de
                            mening van de raad, bij de bevordering van religieuze en morele overtuigingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 266 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 267 ======================================================================

<pre>                                                          de rol van de overheid; conclusies en aanbevelingen
      terughoudend dient op te stellen ten aanzien van de vele uiteenlopende inhou-
      delijke overtuigingen, ligt dat bij de publieke moraal anders. De publieke moraal
      gaat vooral over de manieren waarop burgers onderling, juist met hun uiteenlo-
      pende meningen, overtuigingen, standpunten en belangen, toch op vreedzame
      en fatsoenlijke wijze met elkaar willen en kunnen omgaan en hun onderlinge
      conflicten en geschillen leren beslechten. De publieke moraal krijgt vooral vorm
      in praktijken van burgerschap. De overheid dient allerhande vormen van deze
      burgerschapspraktijken te stimuleren (zie hoofdstuk 5).
      II. Het ondersteunen en versterken van de tertiaire taken van instituties
      De tweede hoofdlijn van het rapport betreft het gedrag in relatie tot waarden en
      normen. De relatie tussen waarden, normen en gedrag is ingewikkeld. Veel
      waarden en normen worden onderschreven, maar komen in het uiterlijke gedrag
      van een toenemend aantal burgers niet dienovereenkomstig tot uiting (zie
      hoofdstuk 3 en 4). Normoverschrijdende gedragingen en andere vormen van
      ergerniswekkend gedrag vinden hun oorsprong in de samenleving zelf en in de
      manier waarop instituties functioneren. Instituties dragen derhalve zelf verant-
      woordelijkheid voor het creëren, onderhouden en overdragen van hun eigen
      waarden en normen. Dit wordt zichtbaar in de primaire en secundaire taken van
      instituties (zie hoofdstuk 7). De tertiaire taken van instituties, die bestaan in het                   265
      bijbrengen van gedragingen die ook voor andere instituties van groot belang blij-
      ken te zijn (bijvoorbeeld respect voor anderen, behoorlijk gedrag, eerlijkheid)
      zijn echter, net als de publieke moraal, verwaarloosd en verschraald, zoals de
      analyse van hoofdstuk 7 aangeeft. Ook de overheid heeft bijgedragen aan deze
      verschraling, onder andere door te weinig ruimte te bieden aan de morele dimen-
      sie van instituties (zie hoofdstuk 4 en 7). In dit kader dient de overheid meer
      ruimte te laten aan instituties om allereerst hun primaire en secundaire taken
      goed te verrichten en daarmee hun tertiaire taak te kunnen uitvoeren.
      Op basis van deze twee algemene conclusies worden in de volgende paragraaf
      concrete aanbevelingen gedaan.
8.7.2 concrete aanbevelingen
      De maatschappelijke problemen die onder de noemer van ‘waarden en normen’
      onder de aandacht worden gebracht, zijn zeer divers van aard. Maatschappelijke
      problemen als het onfatsoenlijke gedrag van medeburgers, de uithuwelijking van
      Marokkaanse meisjes, incidentele botsingen tussen de vrijheid van meningsui-
      ting en het verbod op discriminatie, toename van onbeschoft gedrag in het ver-
      keer en uitkeringsfraude, hebben weinig met elkaar te maken. Het is daarom niet
      verstandig deze problemen steeds onder de algemene paraplu van de ‘waarden-
      en normenproblematiek’ samen te brengen, als dat een uniforme aanpak van
      sterk uiteenlopende verschijnselen zou impliceren. Het is naar het oordeel van
      de raad disfunctioneel om een dergelijk uniform en generiek waarden- en
      normenbeleid te voeren. Er is wel, vooral in de sfeer van norm-overschrijdend
      gedrag, sprake van reële problemen die serieuze aandacht van de overheid en
</pre>

====================================================================== Einde pagina 267 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 268 ======================================================================

<pre>    wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                            maatschappelijke instituties verdienen. Dit kan echter het beste geschieden door
                            ieder probleem op zijn eigen merites te beoordelen en voor ieder probleem een
                            gepaste aanpak te kiezen. De volgende aanbevelingen hebben betrekking op een
                            aantal van deze concrete problemen en probleem-gebieden.
                            1        De noodzaak van gedragsregulering en de variaties daarin
                            Bij het tegengaan van normoverschrijdend gedrag dient te worden onderschei-
                            den tussen de overtredingen van lichtere en zwaardere aard en tussen sociale,
                            morele en juridische normen (zie hoofdstuk 2). Het gehele scala van normen
                            loopt van onprettige gedragingen, via onbehoorlijke en overlast gevende gedra-
                            gingen naar onduldbare en onwettige gedragingen. Reactiewijzen op normover-
                            schrijdingen dienen overeenkomstig te variëren, zodanig dat er (1) een zone van
                            dulden in stand wordt gehouden voor de onprettige en sommige onbehoorlijke
                            gedragingen; (2) een zone van confrontatie en bespreekbaar maken ontstaat voor
                            sommige vormen van onbehoorlijk gedrag en voor bepaalde onduldbare, maar
                            wettelijk niet ongeoorloofde gedragingen; (3) een zone van wettelijk verbieden;
                            en (4) een daarop aansluitende zone van consistente wet- en rechtshandhaving
                            voor onwettig gedrag ontstaat (zie het schema in hoofdstuk 4).
266                         Inadequate reacties kunnen bestaan uit het richten van de zwaardere reactievor-
                            men op de lichtere normoverschrijdingen, zoals het wettelijk (willen) verbieden
                            van bepaalde onfatsoenlijke gedragingen, of het willen aanspreken van medebur-
                            gers op elke vorm van als ongewenst of onprettig ervaren gedragingen. Omge-
                            keerd is het met gelatenheid reageren op serieuze en zware vormen van onwettig
                            gedrag evenzeer inadequaat.
                            Aanbevelingen
                            De overheid dient een consistent en helder opsporings- en vervolgingsbeleid aan
                            te houden, waarin in elk geval prioriteit wordt gegeven aan de wettelijke norm-
                            overschrijdingen die de persoonlijke integriteit van burgers aantasten en aan de
                            wettelijke normoverschrijdingen in de openbare ruimte die het onderling
                            vertrouwen tussen burgers ondermijnen (wrr 2002).
                            Omdat zware vormen van criminaliteit en geweldplegingen niet weggenomen
                            worden door bordjes met gedragsregels, stadsregels of de tien geboden op te
                            hangen, dient naast een consistent opsporings- en vervolgingsbeleid ook een
                            preventief programma voorrang te krijgen. Preventieprogramma’s kunnen zich
                            richten op wetsovertreders en op niet-wetsovertreders. In Engeland is uit experi-
                            menten van het Home Office gebleken dat gerichte informatie over de straf-
                            rechtspleging, verstrekt aan niet-wetsovertreders, de ontevredenheid over de
                            rechtspleging en de onveiligheidsgevoelens sterk kan verminderen. Daarnaast
                            werkt een grotere participatie van niet-wetsovertreders bij de rechtspleging in
                            dezelfde richting (Malsch 2004). Van een faire bejegening van wetsovertreders
                            kan een preventieve werking uitgaan die ertoe kan bijdragen de recidive van
                            veelvoorkomende criminaliteit te verminderen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 268 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 269 ======================================================================

<pre>                                                   de rol van de overheid; conclusies en aanbevelingen
2      Antimarginaliseringsbeleid
Veel zwaardere delicten worden gepleegd door groepen die een marginale positie
in de samenleving innemen. Hoe wenselijk het ook is om de repressie van deze
criminaliteit te vergroten door meer effectieve controle, opsporing en gepaste
sancties, hiermee kan niet worden volstaan. Naast repressie past ook een intensief
preventiebeleid. Een deel van de criminaliteit die voor veel maatschappelijke
onrust en overlast zorgt, zoals berovingen op straat, bedreigingen en diefstal,
wordt veroorzaakt door jeugdige criminelen en psychiatrische patiënten die over
straat zwerven. Voor deze groepen dient een specifiek antimarginaliseringsbeleid
te worden gevoerd. Dit dient zich te richten op het voorkomen dat ‘onaangepaste’
individuen al te snel maatschappelijk worden uitgesloten en gemarginaliseerd,
waardoor zij in een vicieuze cirkel van steeds ernstiger criminaliteit en marginali-
sering terechtkomen en de terugweg naar een ‘normaal’ bestaan definitief wordt
afgesloten. Een dergelijk beleid kan ook betekenen dat de instituties per saldo lan-
ger met de zorg voor de betrokkenen worden belast; zo’n afwenteling op andere
instituties of op de samenleving moet zo veel mogelijk vermeden worden.
Aanbevelingen
Naast effectieve repressie dienen de overheid en maatschappelijke instellingen
ook een intensief preventiebeleid te voeren. Dit dient mede gericht te zijn op het                     267
voorkomen van marginalisering en uitsluiting van groepen die onvoldoende
kunnen voldoen aan de eisen die onze samenleving aan volwaardige participatie
stelt. Maatregelen die de samenwerking bemoeilijken tussen de organisaties die
met de opvang van deze groepen zijn belast, moeten worden aangepast, zodat
een effectievere opvang en resocialisatie worden bewerkstelligd.
3      Het belang van opvoeding en onder wijs
Waarden worden primair gevormd en overgedragen in de opvoeding van (jonge)
kinderen. Hoewel de overheid een groot belang heeft bij de kwaliteit en de resul-
taten van deze opvoeding, kan ze zelf niet eenvoudig en niet te snel interveniëren
in dit proces van opvoeden. De belangrijkste vormende waarde van de opvoeding
met betrekking tot de internalisering van waarden en normen komt van:
a het zelf voordoen van die waarden door ouders en ouderen, door leerkrach-
    ten en gezagsdragers waar kinderen mee te maken hebben;
b het met respect behandelen en tegemoet treden van kinderen en leerlingen,
    ze behandelen als personen in wording en niet als ‘ding’;
c het met behoud van liefde stellen van grenzen aan het gedrag van kinderen en
    leerlingen (love and limits). Het stellen van grenzen is moeilijk in een tijd van
    grote welvaart en bijna onbegrensde en onmiddellijke behoeftebevrediging.
    Het gedrag van jongeren volgt hierin het gedrag van ouderen. Het opvoe-
    dingsproces vergt derhalve ook een heroriëntatie van het gedrag van volwas-
    senen (Levering 2004);
d het participeren van kinderen en leerlingen in het opstellen van de noodzake-
    lijke gedragsregels thuis, op school en in de buurt. Het eenzijdig opleggen
    van dergelijke gedragsregels werkt minder effectief dan het gezamenlijk
    vinden van deze regels (Diekstra 2004).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 269 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 270 ======================================================================

<pre>    wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                            Aanbevelingen
                            Opvoedingsondersteuning moet algemener beschikbaar komen voor ouders die
                            dit nodig hebben en moet op vrijwillige basis worden geëntameerd. De lokale
                            overheid en plaatselijke instellingen die met de zorg voor jeugd en gezin belast
                            zijn, zijn de aangewezen instanties om deze opvoedingsondersteuning mogelijk
                            te maken, voorzover dit al niet op ruime schaal geschiedt. Signalering van opvoe-
                            dingstekorten en diagnosestelling kunnen in de samenwerking van plaatselijke
                            instellingen geschieden, waarbij speciale aandacht dient te komen liggen bij
                            vroege signalering en vroege diagnostiek. Verbetering van de samenwerking
                            tussen jeugdhulpverleningsinstellingen, met name voor gezinnen waarin sprake
                            is van een problematische opvoedingssituatie, is hard nodig. Indien bestaande
                            maatregelen deze samenwerking verhinderen, dienen de hindernissen daarvoor
                            weggenomen te worden.
                            Omdat jongeren die thuis tekorten ondervinden in hun sociale of morele opvoe-
                            ding ook de buurt vaak overlast bezorgen met hun gedrag, dienen analoog aan
                            programma’s voor opvoedingsondersteuning buurtprojecten ondersteund te
                            worden die de onderlinge betrokkenheid van buurtbewoners en de sociale
                            controle in de buurt kunnen verbeteren. De lokale overheid is hiervoor de aange-
268                         wezen instantie om de initiatieven, die uit de verschillende buurten zelf komen,
                            van bovenaf te ondersteunen (Diekstra 2003). Buurtregels en stadsetiquettes
                            kunnen een goed middel zijn om de sociale samenhang te bevorderen, maar
                            gezien de grote variatie in plaatselijke en gemeentelijke context zijn algemene
                            voorschriften voor dergelijke gedragsregels niet aan te raden. Op gemeentelijk
                            niveau zouden speciale wijkbudgetten hiervoor beschikbaar kunnen worden
                            gesteld.
                            De raad beveelt de regering niet aan om scholen te verplichten om lessen in
                            ‘waarden en normen’ of in omgangskunde in het curriculum op te nemen.
                            Belangrijker is het dat scholen in hun eigen situatie en context voldoende ruimte
                            krijgen om op hun eigen manier aandacht te besteden aan de morele dimensie
                            van opvoeding en onderwijs, en aan burgerschapsvorming als ‘algemene doelbe-
                            paling’ (Onderwijsraad). Dat kan door het met de leerlingen formuleren van
                            gedragsregels voor de school, voor leerlingen, leerkrachten en ouders. Aan de
                            verscheidenheid van culturele normen en waarden en aan de historische verwor-
                            venheden van democratie en rechtsstaat kan in het huidige curriculum, bijvoor-
                            beeld in de vakken geschiedenis, maatschappijleer of aardrijkskunde, voldoende
                            aandacht besteed worden; de lerarenopleidingen moeten hier uiteraard op voor-
                            bereiden. In het algemeen moet de regering ervoor waken dat morele tekorten
                            die in de maatschappij als geheel worden geconstateerd, vooral of bij voorkeur
                            worden afgewenteld als een taakverzwaring in het onderwijs. Als het goede
                            voorbeeld van moreel correct gedrag niet door volwassenen wordt gegeven,
                            kunnen scholen deze morele taak niet alleen op hun schouders nemen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 270 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 271 ======================================================================

<pre>                                                 de rol van de overheid; conclusies en aanbevelingen
4      Bewaren en bewaken van de pluriformiteit van waarden
Pluriformiteit van waarden is al lang een gegeven van de moderne samenleving.
Ze wordt door de democratische rechtsstaat weliswaar niet aangemoedigd, maar
wel mogelijk gemaakt en gegarandeerd. Er hoeft niet gestreefd te worden naar
een volledige inhoudelijke gemeenschappelijkheid van waarden. Een overlap-
pende consensus is hiervoor voldoende: een moord wordt algemeen afgewezen,
ook al verschillen de morele motieven waarom dit wordt afgewezen enorm
(tegen Gods wil of tegen de menselijke natuur ingaand, vanwege de sociale
consequenties die moord heeft voor het samenleven of omdat moord indruist
tegen de afspraken van een sociaal contract en dergelijke). Wel veronderstelt een
dergelijke pluriformiteit van waarden een bereidheid bij alle partijen om op een
beschaafde wijze verschillen van opvatting en inzicht bespreekbaar te maken en
te houden. Waardepluriformiteit vereist geciviliseerde omgangsvormen in
publieke discussies en in publieke ontmoetingen. Het parlement is bij uitstek een
plaats voor deze geciviliseerde publieke meningsvorming en meningsuiting.
Aanbevelingen
De overheid heeft een taak om, naast de eigen verantwoordelijkheid van andere
instituties, de mogelijkheden voor publieke discussies over waarden en normen
en de vele dimensies van morele pluriformiteit te ondersteunen en, waar nodig,                       269
te verruimen. Confrontaties tussen verschillende waardeopvattingen, vooral
indien ze te maken hebben met cultuurverschillen, dienen gestimuleerd te
worden. Dit betekent echter niet dat elk debat dat gevoerd kan worden ook daad-
werkelijk gevoerd moet worden. Zeker waar het cultuurverschillen betreft, kan
er ook te veel gedebatteerd worden, hetgeen tot labelling en stigmatisering kan
leiden. Met name de overheid dient – meer dan nu het geval is – selectief te zijn in
de kwesties waarover zij het debat wil entameren en waarover niet.
Bij de overheid berust ook een bijzondere taak in het uitdragen en het onderhou-
den van de waarden van democratie en rechtsstaat. De vormen waarin dit
geschiedt en de instanties die dit uitvoeren, kunnen van geval tot geval en van
tijdperk tot tijdperk verschillen. Moderne media kunnen hiervoor een geschikte
vorm bieden.
5      De noodzaak van conflictpreventie
In het verlengde van de erkende pluriformiteit van waarden in de samenleving is
het onvermijdelijk dat er voortdurend sprake is van conflicten over de inhoude-
lijke keuze tussen diverse waarden: conflicten binnen en tussen individuele per-
sonen, binnen en tussen groepen en organisaties, en binnen en tussen instituties.
De Nederlandse samenleving heeft een goede traditie om dergelijke conflicten
te dempen, maar geen traditie in het voluit bespreekbaar maken en ‘uitdiscus-
siëren’ van dergelijke groepsconflicten. De vele vormen van formeel en infor-
meel normoverschrijdend gedrag kunnen daarbij aan de orde komen. Dienen
normoverschrijdingen uitgevochten of uitgepraat te worden, dient men mede-
burgers op hun gedrag aan te spreken of dient dit gedrag in bredere kring
bespreekbaar gemaakt te worden? De houding van bepaalde groepen ten aanzien
</pre>

====================================================================== Einde pagina 271 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 272 ======================================================================

<pre>    wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                            van geweld en gewelddadige conflictbeslechting verdient aparte aandacht te krij-
                            gen in het kader van conflictpreventie.
                            Aanbevelingen
                            Uit het oogpunt van te voorziene en onvermijdelijke waardeconflicten tussen
                            etnische groepen en tussen diverse culturen verdient het speciale aanbeveling te
                            gaan werken aan praktische programma’s voor conflictpreventie en conflictbe-
                            slechting (zie hoofdstuk 7). In deze programma’s zal de nadruk dienen te liggen
                            op de gedrags- en handelingscomponent. Ze kunnen op scholen, in buurten, in
                            diverse organisaties en instellingen, inclusief overheidsorganisaties, worden
                            geïntroduceerd. Omdat er in Nederland, in tegenstelling tot andere immigratie-
                            samenlevingen, weinig wetenschappelijke kennis is ontwikkeld over dergelijke
                            conflictpreventieprogramma’s, dient deze kennis, in het kader van waarden en
                            normen, verbeterd te worden.
                            6        Ondersteuning door de overheid van instituties
                            Zoals in hoofdstuk 7 is betoogd, berust de verantwoordelijkheid voor het onder-
                            houd van waarden en normen bij sociale instituties zelf. Niettemin speelt de
                            overheid een belangrijke rol bij de financiering en de (procedurele) controle van
270                         de vele werkzaamheden van deze instituties, met name als ze publieke taken
                            vervullen die mede met publieke middelen worden bekostigd. De overheid dient
                            deze instituties meer ruimte te laten en, indien nodig, ook te geven om aan de
                            morele dimensie van hun maatschappelijke rol meer aandacht te besteden dan
                            de laatste twee decennia het geval was. Met name zou er weer meer aandacht
                            kunnen worden besteed aan de speciale verantwoordelijkheid van professionele
                            dienstverleners (onder andere leerkrachten, verpleegkundigen en artsen, peda-
                            gogen en jongerenwerkers). Naast het vergroten van de discretionaire bevoegd-
                            heid van deze professionals dient tegelijkertijd aan de morele aspecten van de
                            hulpverlening meer aandacht geschonken te worden. In controles en beoordelin-
                            gen kan deze morele dimensie apart genoemd worden (bijvoorbeeld voor scho-
                            len en andere onderwijsinstellingen). Een verbeterde participatie van de kant van
                            burgers en cliënten van deze instellingen, onder andere ook bij het opstellen van
                            gedragsregels van deze organisaties, analoog aan buurtregels, kan normover-
                            schrijdend gedrag tegengaan en op bepaalde waarden gericht gedrag bevorderen.
                            Er moet lering worden getrokken uit eerdere experimenten met cliëntparticipatie
                            (onder andere in de gezondheidszorg) om hiervoor een vorm te vinden die
                            daadwerkelijk bijdraagt aan het versterken van het draagvlak voor de normen en
                            waarden van een institutie en aan het voorkómen van normoverschrijdend
                            gedrag.
                            Aanbevelingen
                            De overheid dient instituties, organisaties en instellingen die publieke taken
                            vervullen, op ruime schaal gelegenheid te geven meer aandacht te besteden aan
                            de morele dimensie van hun werkzaamheden. Waar nodig kan de overheid deze
                            ‘cultuuromslag’ in organisaties ondersteunen met bepaalde middelen en pro-
                            gramma’s (bijvoorbeeld conflictpreventie, bespreekbaar maken van te lang
</pre>

====================================================================== Einde pagina 272 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 273 ======================================================================

<pre>                                                    de rol van de overheid; conclusies en aanbevelingen
gedoogde normoverschrijdingen, integriteitsdilemma’s). De vorm van deze
ondersteuning moet vooral stimulerend zijn en van tijdelijke aard, en slechts
lichte administratieve verplichtingen met zich meebrengen. De uitvoering van
dergelijke ondersteuning zal gedecentraliseerd, naar gemeente of rekening
houdend met de institutionele context, moeten geschieden.
7      Intensivering van onderzoek naar en discussie over waarden, normen
       en gedrag
De problemen ten aanzien van waarden, normen en gedrag die in dit rapport zijn
beschreven en geanalyseerd, verdienen een maatschappelijke vertaling te krij-
gen. Er is behoefte aan voorlichting en informatievoorziening, aan uitvoerige
publieke discussies over waarden en normen, aan experimenten met de aanpak
van concrete problemen en aan nader onderzoek. Deze activiteiten vinden nu
reeds op tal van plekken in de samenleving plaats, in werkplaatsen voor informa-
tie, overdracht, onderzoek en discussie over waarden, normen en gedrag. Het
gaat hierbij vooral om bestaande instellingen (waaronder de wrr) en niet om
nieuw op te richten instituten. In deze werkplaatsen voor waarden, normen en
gedrag zal in elk geval aan de volgende aspecten aandacht moeten worden
besteed:
a voorlichting en elektronische informatievoorziening, in interactieve vorm,                            271
     over waarden, normen en gedag;
b het entameren van de publieke discussie over waarden, normen en gedrag in
     de vorm van fora, conferenties, publieke geschriften en openbare debatten;
     centraal hierbij staan problemen die worden opgeroepen door de plurifor-
     miteit van waarden, religies en levensbeschouwingen in relatie tot de
     waarden van de democratische rechtsstaat;
c het uitdrukkelijk werken met rolmodellen van voorbeeldige personen in de
     verschillende instituties;
d het ontwikkelen, beschikbaar stellen en verspreiden van conflictpreventie-
     programma’s en het verzorgen van de praktische toepassing van deze pro-
     gramma’s in diverse sociale situaties en instellingen;
e het entameren van wetenschappelijk onderzoek op het terrein van waarden
     (value inquiry), zoals dat al veel langer bestaat in enkele Noord-Amerikaanse
     landen. Centraal dient hierbij te staan het onderzoek naar de manier waarop
     waarden in opvoeding en onderwijs en in een pluriforme samenleving als
     geheel het beste kunnen worden geïnternaliseerd, overgedragen en onder-
     houden. Op dit terrein is er in Nederland te weinig kennis, terwijl die kennis
     nodig is om de overige gewenste activiteiten op het terrein van waarden en
     normen deskundig te begeleiden.
Aanbevelingen
De raad beveelt de regering aan om te bevorderen dat er in bestaande instituten
onderzoek op het punt van waarden, normen en gedrag wordt geëntameerd of
voortgezet dat kan bijdragen aan informatievoorziening, discussie, experimen-
ten en onderzoek met betrekking tot de in dit rapport beschreven problemen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 273 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 274 ======================================================================

<pre>    wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                8.7.3       tot besluit
                            Nederland heeft een zeer lange traditie in het omgaan met verschillen in religie,
                            levensovertuiging en daarmee verbonden waarden en normen. Deze traditie
                            begon ruim vier eeuwen geleden bij Erasmus (1466-1536) met in zijn voetspoor
                            een krachtige vertegenwoordiger in de persoon van Coornhert (1522 – 1590).
                            Gedurende Coornherts leven waren godsdiensttwisten aan de orde van de dag.
                            De discussies over de waarheid en de juistheid van de verschillende godsdien-
                            stige en morele stellingen en opvattingen tierden welig. Hij wijdde zijn hoofd-
                            werk aan deze twisten: Zedekunst dat is Wellevenskunste (1585, laatste editie
                            1982). Coornhert schreef het niet in het Latijn, maar in de taal van het volk. Het
                            begrip ‘wellevendheid’ was toen nog onlosmakelijk verbonden met ethiek en
                            moraal. Wellevendheid in deze meeromvattende betekenis werd als een van de
                            belangrijkste waarden van die tijd beschouwd. Ook lang daarna, in de zeven-
                            tiende eeuw, riep Coornherts wellevenskunst vele discussies en reacties op,
                            bijvoorbeeld door de stichtelijke gedichten van Jan Luyken, die door Coornhert
                            waren geïnspireerd. De kern van Coornherts ethiek was de gulden regel: ‘Behan-
                            del Uw naaste zoals U zelf door die naaste behandeld wilt worden’, ofwel: ‘Wat
                            gij niet wilt dat U geschiedt, doe dat ook een ander niet.’ Die gulden regel heeft
272                         ook voor de eenentwintigste eeuw nog niets van zijn geldigheid verloren.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 274 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 275 ======================================================================

<pre>                                                                                               literatuur
liter atuur
Adang, O. (1998) Hooligans, autonomen, agenten. Geweld en politie-optreden in relsitua-
         ties, z.p.: Samsom.
Adriaansens, H. (2004) ‘Context en verantwoordelijkheid’, in: P. de Beer en C.J.M.
         Schuyt (red.) Bijdragen aan waarden en normen, wrr Verkenning 2, Amster-
         dam: Amsterdam University Press.
aivd (2002) Rekrutering in Nederland voor de jihad. Van incident naar trend, Den Haag:
         aivd.
Akerlof, G.A. (1980) ‘A theory of social custom, of which unemployment may be one
         consequence’, Quarterly Journal of Economics 90: 749-775.
Algemene Rekenkamer (2000) Inburgering en taalonderwijs allochtonen, TK 1999-2000,
         27 275, nr. 1-2.
Alkema, E.A. (1995) ‘De reikwijdte van fundamentele rechten – de nationale en interna-
         tionale dimensies’, blz. 1-129, in: Handelingen Nederlandse Juristen-Vereniging,
         jrg. 125, dl. I, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink.
Anderson, E. (1993) Value in Ethics and Economics, Cambridge, Mass.: Harvard Univer-
         sity Press.
Anker, R. (2003) ‘Over de nog altijd erbarmelijke wijze waarop op de meeste middelbare                    273
         scholen de liefde tot de literatuur en het helder lezen wordt afgeleerd’, Tirade, nr.
         400: 65-79 (Uitgeverij G.A. van Oorschot).
Arendt, H. (1958) The Human Condition, Chicago: Chicago University Press.
Aristoteles, Ethica Nicomachea, vertaald en toegelicht door Ch. Hupperts en B. Poortman
         (1997), Amsterdam: Kallias.
Ayer, A.J. (1952) Language, Truth and Logic, New York: Dover (eerste uitgave 1937).
Bauman, Z. (1998) Work, Consumerism and the New Poor, Buckingham: Open University
         Press.
Becker, G.S. (1968) ‘Crime and punishment: an economic approach’, Journal of Political
         Economy 76: 169-217.
Beer, P. de (1994) Arbeidsmarkt in perspectief, 3e herziene druk, Houten/Diegen: Bohn
         Stafleu Van Loghum.
Beer, P.T. (2001) Over werken in de postindustriële samenleving, Den Haag: Sociaal en
         Cultureel Planbureau.
Beke, B.M.W.A., W.J.M. de Haan en G.J. Terlouw (2001) Geweld verteld. Verklaringen
         van daders, slachtoffers en getuigen van geweld op straat, Den Haag: Weten-
         schappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (wodc) (Ministerie van
         Justititie).
Belastingdienst (2002) Jaarverslag 2001.
Bellekom, Th.L, D.J. Elzinga en J.E. Goldschmidt (1983) ‘Botsing van grondrechten: de
         vrijheid van meningsuiting contra het gelijkheidsbeginsel’, njcm-bulletin 8:
         270-280.
Berlin, I. (1969) Four Essays on Liberty, Oxford: Oxford University Press.
Beus, J. de (1998) De cultus van vermijding, Utrecht: Forum.
Bie, E. de en J. Korpel (2002) Onderweg naar een veiliger openbaar vervoer. Onderzoek
         naar sociale veiligheid in het openbaar vervoer in Nederland, Den Haag: es&e.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 275 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 276 ======================================================================

<pre>    wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                Boer, Th. de en S. Griffioen (red.) (1995) Pluralisme, cultuurfilosofische beschouwingen,
                            Amsterdam: Boom.
                Bol, M.W. en C.J. van Netburg (1997) Voetbalvandalen/voetbalcriminelen, Den Haag:
                            Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (wodc) (Ministerie
                            van Justititie).
                Bowles, S. en H. Gintis (1998) ‘How communities govern: the structural basis of
                            prosocial norms’, blz. 206-230, in: A. Ben-Ner en L. Putterman (red.) Economic,
                            values, and organization, Cambridge: Cambridge University Press.
                Brink, G. van den (2001) Geweld als uitdaging. De betekenis van agressief gedrag bij jonge-
                            ren, Utrecht: nizw.
                Brink, G. van den (2002) Mondiger of moeilijker? Een studie naar de politieke habitus van
                            hedendaagse burgers, wrr Voorstudies en achtergronden V 115, Den Haag: Sdu
                            Uitgevers.
                Brink, G. van den (2004) Schets van een beschavingsoffensief: over normen, normaliteit en
                            normalisatie in Nederland, wrr Verkenning 3, Amsterdam: Amsterdam Univer-
                            sity Press.
                Broeders, D (2001) Immigratie- en integratieregimes in vier Europese landen, wrr Werk-
                            documenten 125, Den Haag.
                Broeders, D. en P. Meurs (2002) ‘Het “importhuwelijk”: weren of inburgeren?’, Beleid en
274                         Maatschappij 29, nr. 2: 110-112.
                Broertjes, P. (2003) Jaarrede voor het Genootschap van Hoofdredacteuren, Amsterdam,
                            25 april 2003.
                Bronneman, R. (2004) ‘De pedagogische opdracht van het onderwijs: aangrijpingspun-
                            ten en beperkingen’, in: P. de Beer en C.J.M. Schuyt (red.) Bijdragen aan waarden
                            en normen, wrr Verkenning 2, Amsterdam: Amsterdam University Press.
                Bui Trong, L. (2000) Violences Urbaines, Paris: Bayard.
                Buijs, F. (2002a) Democratie en terreur. De uitdaging van het Islamitisch extremisme,
                            Amsterdam: uitgeverij swp.
                Buijs, F. (2002b) Inleiding bij boekpresentatie ‘Democratie en terreur. De uitdaging van het
                            Islamitisch extremisme’, Rode Hoed, 11 september 2002.
                Buijs, F. en S. Harchaoui (2003) ‘Islamitisch radicalisme en rekrutering in Nederland.
                            Een verkenning’, Proces, 2003/2, 98-108.
                Bunkers, H. (1995) ‘Agressie tegen reizigers’, blz. 66-76, in: I.H.J. Starmans (red.) Niet
                            alleen normvervaging: achtergronden van de belangrijkste vormen van crimina-
                            liteit en overlast in het openbaar vervoer, Den Haag: Eysink Smeets & Etman.
                Burg, W. van der (2001) De Verbeelding aan het werk, pleidooi voor een realistisch idea-
                            lisme, Kampen: Agora.
                Burkens, M.C. (1989) Algemene leerstukken van grondrechten naar Nederlands constituti-
                            oneel recht, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink.
                Carter, S.L. (1996) Integrity, New York: Basic Books.
                Carter, S.L. (1998) Civility, Manners, Morals and the Etiquette of Democracy, New York:
                            Basic Books.
                cda Verkenningen, interview met Roché, december 2002.
                cgb (2003a) Verweerder maakt geen verboden onderscheid op grond van godsdienst door
                            het hanteren van een verbod op het dragen van een gezichtsbedekkende sluier
                            binnen zijn instellingen, Oordeel 2003-40, 20 maart 2003.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 276 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 277 ======================================================================

<pre>                                                                                           literatuur
cgb (2003b) Advies Commissie Gelijke Behandeling inzake ‘gezichtssluiers en hoofddoeken
        op scholen’, cgb-advies/2003/01, 16 april 2003.
Chouraqui, A. (2000) De Tien Geboden anno Nu, Amsterdam: Meulenhoff.
civ (2002) Jaarverslag seizoen 2001-2002, Utrecht: Centraal Informatiepunt Voetbalvan-
        dalisme.
Coleman, J.S. (1990) Foundations of social theory, Cambridge (MA)/Londen: The
        Belknap Press of Harvard University Press.
Coles, R. (1997) The Moral Intelligence of Children, New York: Random House.
Commissie-De Rooy (2001) Verleden, Heden en Toekomst. Advies van de Commissie histo-
        rische en maatschappelijke vorming, Enschede: slo.
Commissie-De Ruiter (1995) De school van je leven, Eindrapport, opgesteld door het
        Platform pedagogische opdracht van het onderwijs onder voorzitterschap van
        J. de Ruiter.
Comte-Sponville, A. (1997) Kleine verhandeling over de grote deugden, Amsterdam: Atlas
        (oorspr. Frans 1995).
Connell, D. en M. Joint (1997) ‘Driver aggression’, in: Aggressive driving: three studies,
        Washington (dc): American Automobile Association Foundation for Traffic
        Safety.
Coornhert, D.V. (1982) Zedekunst dat is Wellevenskunste (oorspronkelijke editie 1586),
        Utrecht: HES Publishers.                                                                      275
Couwenberg S.W, P. Cliteur et al. (2003) ‘Inburgering een permanente opgave’, Civis
        Mundi, jrg. 42, themanummer inburgering.
cpb (2001), Centraal Economisch Plan 2001, Den Haag: Centraal Planbureau.
Creel, R.E. (2001) Thinking Philosophically, an introduction to critical reflection and
        rational dialogue, Oxford: Blackwell.
Crul, M. (2000) De sleutel tot succes. Over hulp, keuzes en kansen in de schoolloopbanen
        van Turkse en Marokkaanse jongeren van de tweede generatie, Amsterdam: Het
        Spinhuis.
Dagevos, J. en R. Schellingerhout (2003) ‘Sociaal-culturele integratie: contacten,
        cultuur en oriëntatie op de eigen groep’, Rapportage Minderheden 2003,
        Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.
Daily Telegraph, The (2002) Scoop that could have changed the course of history, 30
        september 2002.
Dan-Cohen, M. (2002) Harmful thoughts. Essays on law, self, and morality, Princeton/
        Oxford: Princeton University Press.
Dekker, P. (2001) ‘Morele feiten: opvattingen en ontwikkelingen in Nederland’, blz.
        15-36, in: C. Brinkgreve, R. Gude en S. Noorda (red.) De morele staat van Neder-
        land, Amsterdam: Amsterdam University Press/Salomé.
Dekker, P., J. de Hart, C. Hubers en P. de Beer (2003) Normen en waarden in bevolkings-
        enquêtes, Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau (te verschijnen).
Derkse, W. (red.) (2002) Pleidooi voor een onderwijs ‘Wende’ vitaal leren, Vught:
        Tempora.
Diekstra, R. (2004) ‘Stadsetiquette: over waarden, normen en collectieve zelfredzaam-
        heid van burgers’, in: P. de Beer en C.J.M. Schuyt (red.) Bijdragen aan waarden en
        normen, wrr-Verkenning 2, Amsterdam: Amsterdam University Press.
Diekstra, R.F.W., M. van Toor, M. den Ouden en M. Schweitzer (2002) Vriendelijker,
</pre>

====================================================================== Einde pagina 277 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 278 ======================================================================

<pre>    wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                            verantwoordelijker, veiliger. Stadsetiquette: van idee naar programma – verslag
                            van een pilot, Rotterdam: Bestuursdienst gemeente Rotterdam (Directie Sociale
                            en Culturele Zaken).
                Dijk, T. van et al. (2002) Huiselijk geweld onder Surinamers, Antillianen en Arubanen,
                            Marokkanen en Turken in Nederland. Aard, omvang en hulpverlening, Hilversum:
                            Intomart Beleidsonderzoek.
                Dunning, E. (2000) ‘Towards a sociological understanding of football hooliganism as a
                            world phenomenon’, European Journal on Criminal Policy Research 8, 2: 141-162.
                Eck, R. van en B. Kazemier (1989) Zwarte arbeid. Een empirische en methodologische
                            studie, proefschrift, Amsterdam: Universiteit van Amsterdam.
                Eijsbouts W.T. (2003) ‘Opsteker: “grondwet gebaseerd op burger”; interview met Tom
                            Eijsbouts’, Staatscourant, 29-08-2003.
                Eindtermen maatschappelijke oriëntatie voor nieuwkomers (1997) vastgesteld op basis van
                            het Concept Eindtermen door M. van der Vegt, september sept. 1996.
                Elchardus, M. (1994) ‘Culturele moderniteit en waardevorming’, in: Op de ruïnes van de
                            waarheid; lezingen over tijd, politiek, cultuur, Leuven, uitgeverij Kritak.
                Ellian, A. (2003) ‘Van Janmaat tot El Moumni; de discriminatie tussen gewone en heilige
                            meningen’, Justitiële Verkenningen, jrg. 29, nr. 3: 26-35.
                Elster, J. (1993) The Cement of Society, Cambridge: Cambridge University Press.
276             Emberley, P.C. (1995) Values Education and Technology, Toronto: Toronto University
                            Press.
                Emmelot Y. en I. van der Veen (2003) Brede basisscholen uitgelicht, sco Kohnstamm
                            Instituut, Amsterdam, sco rapport nr. 680.
                Engbersen, G. (1990) Publieke bijstandsgeheimen; het ontstaan van een onderklasse in
                            Nederland, Leiden/Antwerpen: Stenfert Kroese.
                Engbersen, G. en R. Staring (2002) Armoede en informaliteit. De morele economie van
                            lage inkomensgroepen, Rotterdam: risbo/Erasmus Universiteit Rotterdam.
                Engbersen, G. et al. (2002) Illegale vreemdelingen in Nederland. Omvang, overkomst,
                            verblijf en uitzetting, Rotterdam: risbo.
                Esping-Andersen, G. (1990) The Three Worlds of Welfare Capitalism, Cambridge:
                            Cambridge University Press.
                Etzioni, A. (1988) The moral dimension. Toward a new economics, New York: The Free
                            Press.
                Etzioni, A. (1993) The Spirit of Community, New York: Simon and Schuster.
                Etzioni, A. (1996) The new Golden Rule, New York: Basic Books.
                Etzioni, A. (2001) The Monochrome Society, Princeton: Princeton University Press.
                Feibleman, J.K. (1987) Education and Civilization, The Hague: Martinus Nijhoff Publis-
                            hers.
                Feldblum, M. (1999) Reconstructing citizenship. The politics of nationality reform and
                            immigration in contemporary France, New York: State University of New York
                            Press.
                Fennema, M. (2002) ‘Het publieke debat na 11 september’, De Gids, Vol 165, 3 (maart):
                            229-244.
                Fershtman, Ch. en Y. Weiss (1998) ‘Why do we care what others think about us?’, blz.
                            133-150 in: A. Ben-Ner en L. Putterman (red.) Economic, values, and
                            organization, Cambridge: Cambridge University Press.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 278 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 279 ======================================================================

<pre>                                                                                           literatuur
Ferwerda, H., M. Bottenberg, A. Hakkert en A. Eijken (2002) Straatroof: omvang, achter-
         gronden en praktijkervaringen, Cluster Beleidsanalyse en Informatievoorziening,
         Directie jeugd en criminaliteitspreventie, Den Haag: Ministerie van Justitie.
Fokkema, T., C. Huisman en N. Smidtman (2000) ‘Vrouwenbenijdenis’, Demos, jrg. 16,
         juni/juli 2000.
Frey, B.S. en R. Jegen (2001) ‘Motivation crowding theory’, Journal of Economic Surveys
         15, 5: 589-611.
Gageldonk, P. van (1999) Geen woorden maar daden. Het drama van Beverwijk en hoe het
         verder ging met de hooligans van Feyenoord, Amsterdam: Nijgh & Van Ditmar.
Galenkamp, M. (2002), ‘De multiculturele samenleving in het geding; op zoek naar
         Fundamenten’, Justitiële Verkenningen, jrg. 28, nr. 5: p.75-84.
Geach, P.T. (1977) The Virtues, Cambridge: Cambridge University Press.
Geiger, Th. (1947) Vorstudien zu einer Soziologie des Rechts, Neuwied am Rhein: Luchter-
         hand, tweede druk 1964.
Gerards, J.H. (2002) Rechterlijke toetsing aan het gelijkheidsbeginsel, Den Haag: Sdu
         uitgevers.
Gerbranda, Tj. (2002) ‘Botsing van grondrechten: is een botsing onvermijdelijk?’,
         blz. 115-131 in: M. Kroes, J.P. Loof en H.M.Th.D. ten Napel (red.) Gelijkheid en
         rechtvaardigheid. Staatsrechtelijke vraagstukken rondom ‘minderheden’,
         Publikaties van de Staatsrechtkring 6, Deventer: Kluwer.                                     277
Gladwell, M. (2000) The tipping point. How little things can make a big difference, Little
         Brown & Company.
Goldschmidt, J.E. (1984) ‘Een model voor de afweging van botsende grondrechten: een
         moedige, doch mislukte poging’, njcm-bulletin 9: 348-351.
Goudzwaard, B. en H.M. de Lange (1986) Genoeg van te veel/Genoeg van te weinig, Baarn:
         Ten Have.
Griffin, J. (1997) Value Judgment, improving our ethical beliefs, Oxford: Claridon Press.
Guardian, The (1993) Major goes back to the old values, 9 oktober 1993.
Guardian, The (1999) Blair revives back to basics angst, 6 september 1999.
Guillebaud, J.C. (2001) Re-founding the World, New York: Algora Publishing (oorspr.
         Frans 1999).
Gunsteren, H.R. (red.) (1992) Eigentijds burgerschap, Wetenschappelijke Raad voor het
         Regeringsbeleid, Den Haag: Sdu Uitgevers.
Gunsteren H. van en E. van Ruyven (red.) (1995) Bestuur in De Ongekende Samenleving,
         Den Haag: Sdu Uitgevers.
Gutmann, A. en D. Thompson (1996) Democracy and Disagreement, Cambridge, Mass.:
         Harvard University Press.
Haaften, A.W. van (1992) ‘Pedagogiek tussen norm en grondslag’, in: Pedagogisch Tijd-
         schrift, p. 123-138.
Hagelund, A. (2002) ‘De kwestie van cultuur. Noorse debatten over integratie’, Migran-
         tenstudies, jrg. 18, nr. 2: 274-287.
Halman, L. (2001) The European Values Study: a third wave, Tilburg: evs/worc/Tilburg
         University.
Hamilton, J.J. (1998) Channeling Violence, The economic market for violent television
         programming, Princeton: Princeton University Press.
Handelingen Tweede Kamer (2002-2003), Behandeling van de brief van de minister-presi-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 279 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 280 ======================================================================

<pre>    wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                            dent over waarden en normen (28600, nr. 42), vergaderjaar 2002-2003, nr. 35,
                            blz. 2609-2646.
                Hansen, R. en P. Weil (red.) (2001) Towards a European nationality. Citizenship, immigra-
                            tion and nationality law in the EU, Houndmills, Basingstoke, Hampshire:
                            Palgrave.
                Harchaoui, S. en C. Huinder (2003) Stigma: Marokkaan!, Utrecht: forum.
                Hart, H.L.A. (1969) The Concept of Law, Oxford: Oxford University Press.
                Hartkamp, A.S. (2000) ‘De Nederlandse rechter en het evrm’, blz. 25-35, in: R.A.
                            Lawson en E. Myjer (red.) 50 jaar evrm, Leiden: Stichting NJCM-Boekerij.
                Hauber, A.R. (1995) ‘Onveiligheidsgevoelens bij openbaar vervoerpersoneel’, blz. 112-
                            125, in: I.H.J. Starmans (red.) Niet alleen normvervaging: achtergronden van de
                            belangrijkste vormen van criminaliteit en overlast in het openbaar vervoer, Den
                            Haag: Eysink Smeets & Etman.
                Hazeu, C.A. (2003) ‘Wat heeft een econoom aan sociaal kapitaal ?’, in: A.P. Ros en H.R.J.
                            Vollebergh (red.) Liber amicorum prof. dr. P.A. Cornelisse, Rotterdam: Erasmus
                            Universiteit Rotterdam.
                Heertje, A. en H. Cohen (1980) Het officieuze circuit. Een witboek over zwart en grijs geld,
                            Utrecht/Antwerpen: Het Spectrum.
                Hessing-Couvret, E. en A. Reuling (2002) Het WIN-modelTM: waardensegmenten in
278                         Nederland, Amsterdam: nipo.
                Hirsch Ballin, E.M.H (1993) Burgerschap en zijn betekenis voor het publiek domein, in:
                            Beleid en Maatschappij, nr.1, themanummer ‘Burgerschap; De moralisering voor-
                            bij?, p. 10-14.
                Hoek, J. van der (2000) ‘Niet met zoveel woorden; de opvoeding van migrantengezin-
                            nen’, in: I. van der Zande (red.) Deugt de jeugd? Normen en waarden in gezin,
                            school en politiek, Maarssen: Elsevier/De Tijdstroom, blz. 83-107.
                Hoeven, J. van der (1983) Botsing van grondrechten, Amsterdam e.a : B.V. Noord-
                            Hollandsche Uitgevers Maatschappij.
                Hoff, S. en G. Jehoel-Gijsbers (1998) Een bestaan zonder baan. Een vergelijkende studie
                            onder werklozen, arbeidsongeschikten en werkenden (1974-1995), Rijswijk/Den
                            Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau/Elsevier bedrijfsinformatie.
                Hofstee W.K. B. (1993) ‘Oproepen en opvoeden’, in: Beleid en Maatschappij, nr. 1, thema-
                            nummer ‘Burgerschap; De moralisering voorbij?’ p. 15-19.
                Hofstee W.K.B. (1992) ‘Een curriculum voor burgerschap’, in: P. den Hoed en H.R. van
                            Gunsteren Burgerschap in Praktijken, deel I, wrr Voorstudies en achtergronden
                            V77, Den Haag, Sdu Uitgevers, p. 257- 281.
                Holtmaat, R. (2003) ‘Stop de inflatie van het discriminatiebegrip! Een pleidooi voor het
                            maken van onderscheid tussen discriminatie en ongelijke behandeling’, Neder-
                            lands Juristenblad 78, 25: 1266-1276.
                Hooghiemstra, E. (2000) ‘Voor de keuze: een specifieke of algemene blik op partner-
                            keuze van migranten’, Migrantenstudies, 16, nr. 4: 209-228.
                Hooghiemstra, E. (2003) Trouwen over de grens. Achtergronden van partnerkeuze van
                            Turken en Marokkanen in Nederland, Den Haag: scp.
                HP/De Tijd, 24 januari 2003.
                Hull, R.T. (red.) (1994) A Quarter Century of value Inquiry, Atlanta: Rodopi.
                InterView (1991) Verzorgingsstaat op drift, Amsterdam: InterView Nederland B.V.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 280 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 281 ======================================================================

<pre>                                                                                                literatuur
Interview-nss (2003) Fraude anno 2003, Amsterdam: Interview-nss.
Jansen, I., J. Korpel, V. Wijkhuijs en E. de Bie (2002) Sociale veiligheid van het personeel in
         het openbaar vervoer 2002, Den Haag: es&e.
Jippes, H. (2003) ‘Het braafste jongetje van de Europese klas’, nrc Handelsblad Maga-
         zine, mei 2003, p. 13-29.
Joppke, C. (2003) The retreat of multiculturalism in the liberal state, Russell Sage Founda-
         tion working paper 203, January 2003.
Junger-Tas, J. (2001) ‘Normhandhaving op school’, in: Herman Vuijsje (red.) Mores Leren,
         Assen, Van Gorcum, p.47-54.
Junger-Tas, J. (2002) Diploma’s en goed gedrag II, preventie van antisociaal gedrag in het
         onderwijs, Den Haag: Ministerie van Justitie.
Keane, J. (1998) The Media and democracy, Oxford: Polity Press.
Kekes, J. (1989) Moral Tradition and Individuality, Princeton: Princeton University Press.
Kekes, J. (1993) The Morality of Pluralism, Princeton: Princeton University Press.
Kinneging, A. (2003) ‘Kleine fenomenologie van waarden en normen’, in: cda Verken-
         ningen Zomer 2003, p. 18-25, Den Haag: Wetenschappelijk Instituut van het
         cda.
Klapwijk, J. (1994) ‘Pluralism of Norms and Values: on the Claim and Reception of the
         Universal’, in: Philosophia Reformata, 59: 158-192.
Klapwijk, J. (1995) ‘Ethisch pluralisme en de opdringerigheid van het universele’, blz.                    279
         180-203, in: Th. de Boer en S. Griffioen (red.) Pluralisme, cultuurfilosofische
         beschouwingen, Amsterdam: Boom.
Kleiboer M.A. en N.J.H. Huls (2001) Toezicht op de terugtocht? Wettelijke niet hiërarchisch
         tuchtrect. Een vergelijkende analyse, Utrecht: Lemma.
Klink, B. van, P. van Seters en W. Witteveen (red.) (1993) Gedeelde normen? gemeen-
         schappelijk recht, Zwolle: Tjeenk Willink.
Koopmans R. (2002) ‘Zachte heelmeesters... Een vergelijking van het Nederlandse en
         Duitse integratiebeleid en wat de wrr daaruit niet concludeert’, Migrantenstu-
         dies, jrg. 18, nr. 2, p. 87-92.
Koopmans, C.C. (1989) Informele arbeid. Vraag, aanbod, participatie en prijzen, proef-
         schrift, Amsterdam: Universiteit van Amsterdam.
Kovach B. en T. Rosenstiel (2003) A statement op purpose, project for excellence in jour-
         nalism, www.journalism.org/resources/guidelines.
kpc Groep (2003) Scholen voor actief burgerschap, Uitgangspunten, Den Bosch: kpc.
Kreps, D.M. (1997) ‘Intrinsic motivation and extrinsic incentives’, American Economic
         Review, Papers & Proceedings 87, 2: 359-364.
Kroft, H., G. Engbersen, K. Schuyt en F. van Waarden (1989) Een tijd zonder werk. Een
         onderzoek naar de levenswereld van langdurig werklozen, Leiden/Antwerpen:
         Stenfert Kroese.
Kruissink, M. en A.A.M. Essers (2003) Ontwikkeling van de jeugdcriminaliteit: periode
         1980-1999, Onderzoeksnotitie 2001/3. Den Haag: wodc.
Lee, D.E. (2002) Navigating Right and Wrong, Ethical Decision Making in a Pluralistic
         Age, Lanham: Rowman and Littlefield.
Lensvelt-Mulders, G.J.L.M., G.H.C. van Gils en P.G.M. van der Heijden (1999) Een over-
         zicht van schattingsmethoden voor de omvang van fraude, Utrecht: Universiteit
         van Utrecht (iops).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 281 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 282 ======================================================================

<pre>    wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                Levelt, P.B.M. (2001) ‘Boze agressie in het verkeer: een emotietheoretische benadering’,
                            Justitiële verkenningen 27, 1: 95-109.
                Levering, B. (2004) ‘Opvoeding en de overdracht van waarden en normen’, in: P. de Beer
                            en C.J.M. Schuyt (red.) Bijdragen aan waarden en normen, wrr-Verkenning 2,
                            Amsterdam: Amsterdam University Press.
                Lidth de Jeude, J. van (2004) ‘De dynamische gemeente. Over normen en waarden op
                            lokaal niveau’, in: P. de Beer en C.J.M. Schuyt (red.) Bijdragen aan waarden en
                            normen, wrr Verkenning 2, Amsterdam: Amsterdam University Press.
                lisv (2001) Kerncijfers fraude werknemersverzekeringen 2000, Amsterdam: lisv.
                Loenen, M.L.P. (2003) ‘Het gelijkheidsbeginsel en andere grondrechten in de multicultu-
                            rele samenleving – ontwikkelingen sinds 1983’; njcm-bulletin 28, 3a: 259-275.
                Macedo, S. (2000) Diversity and Distrust, Civic Education in a multicultural Democracy,
                            Cambridge, Mass.: Harvard University Press.
                Mackie, J.L. (1977) Ethics: Inventing Right and Wrong, Harmondsworth: Penguin Books.
                Malsch, M. (2004) ‘De aanvaarding en naleving van rechtsnormen door burgers: partici-
                            patie, informatieverschaffing en bejegening’, in: P. de Beer en C.J.M. Schuyt
                            (red.) Bijdragen aan waarden en normen, wrr-Verkenning 2, Amsterdam:
                            Amsterdam University Press.
                Maris van Sandelingenambacht, C.W. (2002) ‘Ik heb mijn namus gezuiverd.’ Over
280                         eerwraak en cultureel verweer’, Justitiële Verkenningen, jrg. 28, nr. 5: 61-74.
                Matza, D. (1969) Delinquency and Drift, New York: Wiley and Sons.
                Meeus, W. en H. ’t Hart (1993) Jongeren in Nederland. Een nationaal survey naar ontwik-
                            kelingen in de adolescentie en naar intergenerationele overdracht, Amersfoort:
                            Academische Uitgeverij.
                Mendelts, P. (2002) Interpretatie van grondrechten. Grondrechtenclaims en verschuivingen
                            in de reikwijdte van grondrechten, Deventer: W.E.J. Tjeenk Willink.
                Middelhoven, L.K. en F.M.H.M. Driessen (2001) Geweld tegen werknemers in de (semi-)
                            openbare ruimte, Utrecht: Bureau Driessen Sociaal Wetenschappelijk Onderzoek.
                Ministerie van bzk (2002) Integrale veiligheidsrapportage 2002, Den Haag: Ministerie
                            van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
                Ministerie van Justitie (2001) Vaststelling van de begroting van de uitgaven en de ontvang-
                            sten van het Ministerie van Justitie (VI) voor het jaar 2001, TK 2000-2001, 27400
                            VI, nr. 83.
                Ministerie van Justitie (2002) Vasthoudend en effectief. Versterking van de aanpak van
                            jeugdcriminaliteit, Den Haag: Ministerie van Justitie.
                Mizell, L. (1997) ‘Aggressive driving’, blz. 1-13, in: Aggressive driving: three studies,
                            Washington (dc): American Automobile Association Foundation for Traffic
                            Safety.
                Mosch, R.H.J. en I. Verhoeven (2003) Blauwe ogen of zwart op wit? Een integraal
                            perspectief op vertrouwensmechanismen, wrr Discussion paper 1, Den Haag
                            (nog te verschijnen).
                Motivaction (1999) De maatschappelijke betrokkenheid van jongeren, een Socioconsult
                            onderzoek voor de Vereniging voor Bestuurskunde, projectnummer B375, Amster-
                            dam: Motivaction.
                Murphy, P. (2001) Civic Justice, From Greek Antiquity to the Modern World, New York:
                            Humanity Press.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 282 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 283 ======================================================================

<pre>                                                                                              literatuur
Nauta, L. (2000) Onbehagen in de Filosofie, Amsterdam: Van Gennep.
Netburg, C.J. van, m.m.v. M.H. ter Horst-van Breukelen (2000) Supportersgeweld,
          Momentopname 2, Den Haag: Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatie-
          centrum (wodc) (Ministerie van Justititie).
Neuvel, J. (2002) Sociale veiligheid in de bve-sector, Monitor 2001-2002, ’s-Hertogen-
          bosch: cinop.
Nijsten, C. (1999) Opvoeding van Turkse gezinnen in Nederland, Assen: Van Gorcum.
Nikken, P. (2000) ‘Media en geweld’, in: Justitiële Verkenningen jrg. 26: 61-72.
Norris, P. (2000) A Virtuous Circle, Political Communications in Post-Industrial Societies,
          New York: Cambridge University Press.
North, D.C. (1990) Institutions, institutional change and economic performance,
          Cambridge: Cambridge University Press.
nrc Handelsblad (2002) Normendebat in Noorwegen sloeg op hol, 3 september 2002.
Onderwijsraad (2002) Samen leren leven, verkenning, Den Haag: Onderwijsraad.
Onderwijsraad(2003) Onderwijs en burgerschap, Een voorname rol voor onderwijsinstel-
          lingen en overheid, Den Haag: Onderwijsraad.
Parker, D., T. Lajunen en H. Summala (2002) ‘Anger and aggression among drivers in
          three European countries’, Accident Analysis & Prevention 34: 229-235.
Pels, T. (1998) Opvoeding van Marokkaanse gezinnen in Nederland. De creatie van een
          nieuw bestaan, Assen: Van Gorcum.                                                              281
Pepper, S. (1957) The Sources of Value, Berkeley: University of California Press.
Perkins, H.W. (2003) The social norms approach to preventing school and college age
          substance abuse; A handbook for educators, counselers and clinicians, San Fran-
          cisco: Jossey Bass.
Peters, J.A. (1981) Het primaat van de vrijheid van meningsuiting, vergelijkende aspecten
          Nederland-Amerika, Nijmegen: Ars Aequi Libri.
Pettit, Ph. (2002) Rules, Reasons and Norms, Oxford: Clarendon Press.
Phalet, K., C. van Lotringen en H. Entzinger (2000) Islam in de multiculturele samenle-
          ving, Opvattingen van jongeren in Rotterdam. Utrecht: ercomer.
Planken, T. (2003) ‘Nuttig hoor, het debat over Moberg’, in: nrc Handelsblad, 20-09-2003,
Politiemonitor Bevolking 2001 (2001), Den Haag/Hilversum.
Popper, K. R. (1946) The Open Society and its Enemies, Vol. I and II, Londen: Routledge
          and Kegan Paul.
Prakke, L., J.L. de Reede en G.J.M. van Wissen (bew.) (2001) Handboek van het Neder-
          lands Staatsrecht door C.W. van de Pot, bewerkt door A.M. Donner, 14e druk,
          Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink.
Prick, L.(2003) ‘Doe er iets aan’, nrc-Handelsblad Wetenschapsbijlage, 8-3-2003.
Prick, L. (2004) ‘Gedragsregels op school en de noodzaak die ook daadwerkelijk te hand-
          haven’, in: P. de Beer en C.J.M. Schuyt (red.) Bijdragen aan waarden en normen,
          wrr Verkenning 2, Amsterdam: Amsterdam University Press.
Putnam, H. (2002) The Collapse of the Fact/Value Dichotomy, Cambridge, Mass.: Harvard
          University Press.
Ravitch, D. (2002) ‘Education after the culture wars’, in: D. Ravitch et al., ‘On education’,
          uitgave Deadalus, summer 2002, p.5-21.
Ravitch, D. en J.P. Vitteri (red.) (2001), Making good citizens. Education and civil society,
          New Haven /Londen: Yale University.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 283 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 284 ======================================================================

<pre>    wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                Rawls, J. (1971) A Theory of Justice, New York: Columbia University Press.
                Rawls, J. (1993) Political Liberalism, Cambridge, Mass.: Harvard University Press.
                Reformatorisch Dagblad (2001) Noors ethisch project afgerond. Rapport Waardencommis-
                            sie grossiert in aanbevelingen, 29 maart 2001.
                Regt, A. de en C. Brinkgreve (2000) ‘De verborgen agenda voor sociale plaatsing’, in:
                            I. van der Zande (red.) Deugt de jeugd; normen en waarden in gezin school en
                            politiek, Maarssen: Elsevier/De Tijdstroom.
                Reinders, H. (2003) ‘Verdere reflecties op het communitarisme van A. Etzioni’, in: cda-
                            Verkenningen, zomer 2003: 132-140.
                Reinders, J.S. (2003) ‘Het evenwicht tussen individu en gemeenschap: een nieuwe
                            gulden regel?’ Christen Democratische Verkenningen zomer 2003: 97-111.
                Rescher, N. (1969) Introduction to Value Theory, Englewood Cliffs: Prentice-Hall.
                Rescher, N. (1993) The Validity of Values, Princeton: Princeton University Press.
                Rescher, N. (1997) Objectivity, Notre Dame: University of Notre Dame Press.
                Rispens J., J.M.A. Hermanns en W.H.J. Meeuws (1996) Opvoeden in Nederland, Assen:
                            Van Gorcum.
                Ritzen, J.M.M. (1992) De pedagogische Opdracht van het Onderwijs, een uitnodiging tot
                            gezamenlijke actie, Zoetermeer: Ministerie van oc&w.
                rmo (2000) Aansprekend burgerschap; de relatie tussen de organisatie van het publieke
282                         domein en de verantwoordelijkheid van burgers, Adviesnr. 10, Den Haag: rmo.
                rmo (2002) Geen woorden maar daden, bijdrage aan het waarden en normendebat,
                            Adviesnr. 23, Den Haag: rmo.
                rmo (2003) Medialogica, over het krachtenveld tussen burgers, media en politiek,
                            Adviesnr. 26, Den Haag, Sdu Uitgevers.
                Roberts, J.V. en C.J. Benjamin (2000) ‘Spectator violence in sports: a North American
                            perspective’, European Journal on Criminal Policy Research 8, 2: 163-181.
                Rodges, J.J. (2003) ‘Social solidarity, welfare and post-emotionalism’, Journal of Social
                            Policy 32, 3: 403-421.
                Rookmaker, H.R. (2003) ‘Echte schoolkwaliteit is niet meetbaar’, Trouw, 25-09-2003.
                Saharso, S. (2000) Feminisme versus multiculturalisme?, Utrecht: forum.
                Saharso, S. en O. Verhaar (2002) ‘Hoofddoeken in Holland. Een verkenning van een
                            contextuele benadering van een multicultureel conflict’, Rechtsfilosofie &
                            Rechtstheorie 31, 3: 282-294.
                Sarason, S.B. (1998) ‘Some features of a flawed educational system’, in: Education yester-
                            day, education tomorrow, speciale uitgave Deadalus (Fall, 1998).
                Schnabel, P. (2004) ‘Sociaal-culturele ontwikkelingen en veranderingen in waarden,
                            normen en gedrag, in: P. de Beer en C.J.M. Schuyt (red.) Bijdragen aan waarden
                            en normen, wrr-Verkenning 2, Amsterdam: Amsterdam University Press.
                Schnapper, D., P. Krieff en E. Peignard (2000) French immigration and integration policy,
                            effnatis working paper, nr. 24, January 2000.
                Schneider, F. en D. Enste (2000) Shadow economies around the world: size, causes, and con-
                            sequences, imf Working Paper 00/26, Washington: International Monetary Fund.
                Scholten, O. (2004) ‘Als de leugen regeert wie brengt hem dan in omloop? Media, over-
                            heid en het debat over waarden en normen’, in: P. de Beer en C.J.M. Schuyt (red.)
                            Bijdragen aan waarden en normen. wrr Verkenning 2, Amsterdam: Amsterdam
                            University Press.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 284 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 285 ======================================================================

<pre>                                                                                            literatuur
Schoonenboom, J. en H. in ’t Veld-Langeveld (1976) De emancipatie van de vrouw, Voor-
         studies en achtergronden voorlopige wrr, Den Haag: Staatsuitgeverij.
Schreuders, M.M., F.W.M. Huls, W.M. Garnier en K.E. Swierstra (2000) Criminaliteit en
         rechtshandhaving 1999. Ontwikkelingen en samenhangen, Onderzoek en beleid
         nr. 180. Den Haag: wodc.
Schuyt, C.J.M. (1997) ‘Bronnen van juridisering en hun confluentie’, in: Nederlands
         Juristenblad 72, 21: 925-930.
Schuyt, C.J.M. (1995a) ‘Het goede leven: moraal en sociaal-economische ontwikkelingen
         in de verzorgingsstaat’, in: C.J.M. Schuyt, Tegendraadse werkingen, Amsterdam:
         Amsterdam University Press, p. 13-23.
Schuyt, C.J.M. (1995b) Kwetsbare jongeren en hun toekomst, Rijswijk: Ministerie van
         vws.
Schuyt, K. (2001) ‘Tolerantie en democratie’, in: D. Fokkema en F. Grijzenhout (red.)
         Rekenschap 1650-2000, deel V Nederlandse Cultuur in Europese Context, p. 115 -
         143.
Schuyt, K. en E. Taverne (2000) 1950: Welvaart in Zwart-Wit, deel 4 Nederlandse
         Cultuur in Europese Context, Den Haag: Sdu Uitgevers.
scp (1998) Sociaal en cultureel rapport 1998: 25 jaar sociale verandering, Rijswijk/Den
         Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau/Elsevier bedrijfsinformatie.
scp (2002) Sociaal en cultureel rapport 2002: de kwaliteit van de quartaire sector, Den                283
         Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.
scp (2003a) Het theorema van Thomas, Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.
scp (2003b) De sociale staat van Nederland 2003, scp-publicatie 2003/12, Den Haag:
         Sociaal en Cultureel Planbureau.
Selznick, Ph. (1992) The moral commonwealth, social theory and the promise of commu-
         nity, Berkeley: University of California Press.
Selznick, Ph. (2002) The Communitarian Persuasion, Baltimore: The John Hopkins
         University Press.
Sennet, R. (1997) ‘The danger of seeking catharsis in shared values’, in: Times Literary
         Supplement, 7-2-1997, blz. 3-4.
Shapiro, I. (2003) The Moral Foundations of Politics, New Haven: Yale University Press.
Sijses, B. en C. Huinder (2003) ‘De Arabisch Europese Liga in Nederland: achtergrond,
         programmapunten en reacties’, forum, 9 mei 2002, http://www.forum.nl/
         pdf/ael.pdf.
Soethout, J. en M. Sloep (2000) Evaluatie Arbowet over seksuele intimidatie, agressie en
         geweld en pesten op het werk, eindrapport, Den Haag: Ministerie van Sociale
         Zaken en Werkgelegenheid.
Spaaij, R. en E. van der Torre (2003) ‘Rotterdamse’ hooligans. Aanwas, gelegenheidsstruc-
         turen, preventie, Alphen aan den Rijn: Kluwer/cot Instituut voor Veiligheids-
         en Crisismanagement.
Der Spiegel (2003) ‘Ordnung, Höflichkeit, Disziplin, Familie’, nr. 28: 124-137, 7 juli 2003
Spijkerboer, T. (2002) Het VN-vrouwenverdrag en het Nederlandse vreemdelingenrecht,
         Discussiestuk voor de Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken, september
         2002.
Staatssecretaris van Justitie (2000) Vreemdelingrechtelijke rechtspositie van vrouwen in
         het vreemdelingenrecht, TK 1999-2000, 27 111, nr. 1.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 285 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 286 ======================================================================

<pre>    wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                Staring, R. (2001) Reizen onder regie. Het migratieproces van illegale Turken in Nederland,
                            Amsterdam: Het Spinhuis.
                Steenbergen, J. en A.J. Buisman (red.) (1998) W en N in de sport, Houten: Bohn Stafleu
                            Van Loghum.
                Strategisch Akkoord (2002) Werken aan vertrouwen, een kwestie van aanpakken, strate-
                            gisch akkoord voor kabinet cda, lpf, v vd, Den Haag: Ministerie van Algemene
                            Zaken.
                Sunstein, C.R. (2003) ‘Sober lemmings; the social norms approach van Perkins et al.’,
                            The new republic, 14 april 2003.
                svb (2002) Overzicht producten svb, Amsterdam: Sociale Verzekeringsbank (http://
                            www.svb.nl).
                swov (2003) Verkeersovertredingen (http://www.swov.nl/nl/kennisbank/index.html/
                            nl/kennisbank/90_gegevensbronnen/inhoud/verkeersovertredingen.htm).
                Tasca, L. (2000) A review of the literature on aggressive driving research, Paper for the first
                            Global Web Conference on aggressive driving issues (http://www.aggressive.
                            drivers.com/papers/tasca/tasca.pdf).
                Taylor, Ch. (1985) ‘The diversity of goods, philosophy and the human sciences’, in:
                            Ch. Taylor, Philosophical Papers, Vol. 2, Cambridge: Cambridge University Press,
                            p. 230-248.
284             Taylor, Ch. (1989) Sources of the Self, the Making of Modern Identity, Cambridge, Mass.:
                            Cambridge University Press.
                Teldersstichting (1995) Tussen Vrijblijvendheid en Paternalisme, Den Haag: vvd.
                Terlouw, G.J., W.J.M. de Haan en B.M.W.A. Beke (1999) Geweld: gemeld en geteld. Een
                            analyse van aard en omvang van geweld op straat tussen onbekenden, Den Haag:
                            Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (wodc) (Ministerie
                            van Justititie).
                Tigchelaar, H. (2002) ‘De politieke partij, de trouwambtenaar en de imam’, Nemesis 18,
                            4: 71-74.
                Tiggelen G. en A. Vermaas (2002) ‘Inburgeren is leren door participeren’, Sociaal Bestek,
                            7-8-2002: 7-11.
                Tillaart, H. et al. (2000) Nieuwe etnische groepen in Nederland. Een onderzoek onder
                            vluchtelingen en statushouders uit Afghanistan, Ethiopië en Eritrea, Iran, Somalië
                            en Vietnam, Ubbergen: Tandem Felix.
                Tillaart, H. van den en J. Warmerdam (2003) Somalische vluchtelingen in de gemeente
                            Den Haag, Nijmegen: its.
                Tipton, S.M. (2002) ‘Social differentiation and moral pluralism’, in: R. Madsen, W.M.
                            Sullivan, A. Swidler en S.M. Tipton (red.) Meaning and modernity, religion,
                            Polity and Self, Berkeley: University of California Press.
                tno Arbeid (2003) Intimidatie door collega’s en leidinggevenden zorgwekkender dan inti-
                            midatie door klanten – Horeca en zorg grootste risicosectoren, tno Arbeid – Pers-
                            kamer (http://www.arbeid.tno.nl/perskamer/20030714).
                Tocqueville, A. de (1969) Democracy in America, New York: Double Day Anchor Books
                            (oorspr. 1848).
                Tongeren, P. van (2003) Deugdelijk leven, Nijmegen: Sun.
                Tweede Kamer (2002-2003) Brief van de minister-president over de aanpak van waarden
                            en normen, vergaderjaar 2002-2003, 28600, nr. 42.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 286 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 287 ======================================================================

<pre>                                                                                            literatuur
Tweede Kamer (2002-2003) Rapportage traject motie Atsma, vergaderjaar 2002-2003,
         27400, nr. 33.
Tweede Kamer (2002-2003) Vragen van het lid Sterk (cda) aan de minister voor vreemde-
         lingenzaken en integratie en aan de staatssecretaris van oc&w, Nijs, over inburge-
         ringscursussen, Kamervragen met antwoord 2002-2003, nr. 195.
Ulger, M. (2003) ‘Huiselijk geweld. Alleen als mijn man voor de deur staat mag ik de poli-
         tie bellen’, Wordt Vervolgd, jrg. 36, nr. 3: 4-7.
United States Department of Education/by the National Commission on Excellence of
         Education (1983) A nation at risk: the imperative for educational reform, a report
         to the nation and the Secretary of Education.
Uslaner, E.M. (2002) The Moral Foundation of Trust, Cambridge: Cambridge University
         Press.
Valk, H. de et al. (2001) Oude en nieuwe allochtonen in Nederland, wrr Werkdocumen-
         ten 123, Den Haag.
Veenman, J. (2003) ‘Stigmatisering en onbegrepen eigenbelang’ in: S. Harchaoui, en C.
         Huinder (red.) Stigma: Marokkaan!, Utrecht: forum.
Verhaar (1999) ‘Maagdenvlieshersteloperaties tussen gedogen en verbieden’, Migranten-
         studies, 12, 2: 128-140
Verhallen, S. (2001) Nieuwe kansen voor taalonderwijs aan anderstaligen, wrr Werkdo-
         cumenten 124, Den Haag.                                                                       285
Verhoogt, J. (2001) ‘Nederland verwaarloost rechtsstaat’, in: Trouw, De verdieping, 13
         oktober 2001.
Vermeulen, B.P. (2000) ‘Godsdienst en gelijkheidsbeginsel’, blz. 77-86, in: R. Holtmaat
         (red.) De toekomst van gelijkheid, Deventer: Kluwer.
Veugelers W. en E. de Kat (1998) Opvoeden in het voortgezet onderwijs, leerlingen, ouders
         en docenten over de pedagogische opdracht en de afstemming tussen gezin en
         school, Assen: Van Gorcum (hoofdstuk 3).
Veugelers, W. (2003) Waarden en normen in het onderwijs, zingeving en humanisering:
         autonomie en sociale betrokkenheid, Utrecht, Universiteit voor Humanistiek
         (oratie).
Voegelin, E. (1952) The New Science of Politics, Chicago: Chicago University Press.
Vollaard, B. (2003) Performance contracts for police officers, cpb Documents, nr. 31, Den
         Haag: Centraal Planbureau.
Voort, T. H.A. van der (1997) De invloed van televisiegeweld, Lisse: Swets & Zeitlinger.
Vries, G.H. de (2004) ‘Politiek van preken en praktijken: het “normen- en waardendebat”
         als reactie op de “verplaatsing van de politiek’’, in: P. de Beer en C.J.M. Schuyt
         (red.) Bijdragen aan waarden en normen, wrr-Verkenning 2, Amsterdam:
         Amsterdam University Press.
Vries, M. de (1987) Ogen in je rug. Turkse meisjes en jonge vrouwen in Nederland, Alphen
         aan den Rijn: Samsom.
Vries, S. de et al. (2002) Gewenst beleid tegen ongewenst gedrag: voorbeelden van goed
         beleid tegen ongewenste omgangsvormen op het werk, Hoofddorp: tno.
vvd (2003) Respect en Burgerzin, Waarden en normen in liberaal perspectief, Den Haag:
         vvd.
Waaldijk, C. en R.A.P. Tielman (1984) ‘Een model voor de afweging van botsende grond-
         rechten’, njcm-bulletin 9: 208-228.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 287 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 288 ======================================================================

<pre>    wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                Waardenburg, J. (2001) Institutionele vormgevingen van de Islam gezien in Europees
                            perspectief, wrr Werkdocumenten 118, Den Haag .
                Walzer, M. (1984) Spheres of Justice, New York: Basic Books.
                Weber, M. (1970) Wetenschap als beroep en roeping, Alphen aan den Rijn: Samsom
                            (oorspr. Duitse uitgave in 1919).
                Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (1990) Een werkend perspectief.
                            Arbeidsparticipatie in de jaren ’90, Rapporten aan de regering nr. 38, Den Haag:
                            Sdu Uitgevers.
                Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (1992) Milieubeleid; strategie,
                            instrumenten en handhaafbaarheid, Rapporten aan de regering nr. 41, Den Haag,
                            Sdu Uitgevers.
                Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (1996) Tweedeling in Perspectief,
                            Rapporten aan de regering nr. 50, Den Haag: Sdu Uitgevers, p. 133 e.v.
                Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (2001) Nederland als immigratie-
                            samenleving, Rapporten aan de regering nr. 60, Den Haag: Sdu Uitgevers.
                Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (2002) De toekomst van de nationale
                            rechtsstaat, Rapporten aan de regering nr. 63, Den Haag: Sdu Uitgevers.
                Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (2003) Nederland handelsland. Het
                            perspectief van de transactiekosten, Rapporten aan de regering nr. 66, Den Haag:
286                         Sdu Uitgevers.
                Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (2003) Kennis van het heden, wegen
                            naar de toekomst, Werkprogramma van de 7 e Wetenschappelijke Raad voor het
                            Regeringsbeleid, Den Haag: wrr.
                Willems, J.C.M. (2003) ‘Als opvoeders gefaald hebben, waar ligt dan de verantwoorde-
                            lijkheid?’, njb, afl. 16 mei, 20: 1019-1022.
                Williams, C.C. en J. Windebank (1998) Informal employment in the advanced economies.
                            Implications for work and welfare, Londen/New York: Routledge.
                Winkel, F.W. (1995) ‘Agressie tegen personeel in het openbaar vervoer’, blz. 52-64, in:
                            I.H.J. Starmans (red.) Niet alleen normvervaging: achtergronden van de belang-
                            rijkste vormen van criminaliteit en overlast in het openbaar vervoer, Den Haag:
                            Eysink Smeets & Etman.
                Wittebrood, K. (2000) ‘Trends in jeugdgeweld’, in: Justitiële Verkenningen 26: 21-34.
                Wittebrood, K. (2003) ‘Preventieve en strafrechtelijke interventies ter voorkoming van
                            jeugdcriminaliteit’, blz. 197-216, in: Rapportage jeugd 2002, scp-publicatie
                            2002/16, Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.
                Wittebrood, K. en M. Junger (1999) ‘Trends in geweldscriminaliteit: een vergelijking
                            tussen politiestatistieken en slachtofferenquêtes’, Tijdschrift voor Criminologie 3:
                            250-267.
                Wittebrood, K. en S. Keuzekamp (2000) Rapportage jeugd 2000, Den Haag: Sociaal en
                            Cultureel Planbureau.
                wodc (2001) Criminaliteit en rechtshandhaving 1999. Ontwikkelingen en samenhangen,
                            Onderzoek en beleid, nr. 180, Den Haag: Ministerie van Justititie (Wetenschap-
                            pelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum).
                Woldring, H. (2003) ‘Tolerantie van antidemocratisch fundamentalisme’, Christen
                            Democratische Verkenningen, Lente 2003: 84-89.
                Woldring, H.E.S. (2004) ‘Bevrijdende waarden en bindende normen in de publieke
</pre>

====================================================================== Einde pagina 288 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 289 ======================================================================

<pre>                                                                                            literatuur
          moraal’, in: P. de Beer en C.J.M. Schuyt (red.) Bijdragen aan waarden en normen,
          wrr-Verkenning 2, Amsterdam: Amsterdam University Press.
Wolfe, Th. (1976) ‘The Me-decade and the third great awakening’, New York Magazine, 23
          augustus 1976.
Working group on Forced Marriage (2000) A choice by right, Londen: Home Office
          communications directorate.
Yerden, I. (2001) Ik bepaal mijn eigen lot. Turkse meisjes in conflictsituaties, Amsterdam:
          Het Spinhuis.
Zeijl, E. (2003) ‘Indicatoren voor een ontwikkelingsstaat’, blz. 17-35 in: Rapportage jeugd
          2002, scp-publicatie 2002/16, Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.
Zwan, A. van der (2001) ‘Het klassieke drama van een nieuwe maatschappelijke onder-
          klasse’, Socialisme en democratie, vol. 58, 4: 131-146.
Zak, P.J. en S. Knack (2001) ‘Trust and growth’, The Economic Journal 111, 47: 295-321.
                                                                                                       287
</pre>

====================================================================== Einde pagina 289 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 290 ======================================================================

<pre>    wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
288
</pre>

====================================================================== Einde pagina 290 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 291 ======================================================================

<pre>adviesaanvraag inzake waarden en normen
                                        289
</pre>

====================================================================== Einde pagina 291 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 292 ======================================================================

<pre>    wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
290
</pre>

====================================================================== Einde pagina 292 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 293 ======================================================================

<pre>                                                                                                rapporten aan de regering
   rapporten aan de regering
   Eerste raadsperiode (1972-1977)
 1 Europese Unie*
 2 Structuur van de Nederlandse economie*
 3 Energiebeleid
   Gebundeld in één publicatie (1974)*
 4 Milieubeleid (1974)*
 5 Bevolkingsgroei (1974)*
 6 De organisatie van het openbaar bestuur (1975)*
 7 Buitenlandse invloeden op Nederland: Internationale migratie (1976)*
 8 Buitenlandse invloeden op Nederland: Beschikbaarheid van wetenschappelijke en technische kennis (1976)*
 9 Commentaar op de Discussienota Sectorraden (1976)*
10 Commentaar op de nota Contouren van een toekomstig onderwijsbestel (1976)*
11 Overzicht externe adviesorganen van de centrale overheid (1976)*
12 Externe adviesorganen van de centrale overheid (1976)*
13 Maken wij er werk van? Verkenningen omtrent de verhouding tussen actieven en niet-actieven (1977)*
14 Interne adviesorganen van de centrale overheid (1977)*
15 De komende vijfentwintig jaar – Een toekomstverkenning voor Nederland (1977)*                                          291
16 Over sociale ongelijkheid – Een beleidsgerichte probleemverkenning (1977)*
   Tweede raadsperiode (1978-1982)
17 Etnische minderheden (1979)*
   A. Rapport aan de Regering
   B. Naar een algemeen etnisch minderhedenbeleid?
18 Plaats en toekomst van de Nederlandse industrie (1980)*
19 Beleidsgerichte toekomstverkenning
   Deel 1: Een poging tot uitlokking (1980)*
20 Democratie en geweld. Probleemanalyse naar aanleiding van de gebeurtenissen in Amsterdam op 30 april 1980*
21 Vernieuwingen in het arbeidsbestel (1981)*
22 Herwaardering van welzijnsbeleid (1982)*
23 Onder invloed van Duitsland. Een onderzoek naar gevoeligheid en kwetsbaarheid in de betrekkingen tussen
   Nederland en de Bondsrepubliek (1982)*
24 Samenhangend mediabeleid (1982)*
 * Uitverkocht
</pre>

====================================================================== Einde pagina 293 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 294 ======================================================================

<pre>    wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                                     Derde raadsperiode (1983-1987)
                            25       Beleidsgerichte toekomstverkenning
                                     Deel 2: Een verruiming van perspectief (1983)*
                            26       Waarborgen voor zekerheid. Een nieuw stelsel van sociale zekerheid in hoofdlijnen (1985)
                            27       Basisvorming in het onderwijs (1986)
                            28       De onvoltooide Europese integratie (1986)
                            29       Ruimte voor groei. Kansen en bedreigingen voor de Nederlandse economie in de komende tien jaar (1987)
                            30       Op maat van het midden- en kleinbedrijf (1987)
                                     Deel 1: Rapport aan de Regering;
                                     Deel 2: Pre-adviezen
                            31       Cultuur zonder grenzen (1987)*
                            32       De financiering van de Europese Gemeenschap. Een interimrapport (1987)
                            33       Activerend arbeidsmarktbeleid (1987)
                            34       Overheid en toekomstonderzoek. Een inventarisatie (1988)
                                     Vierde raadsperiode (1988-1992)
                            35       Rechtshandhaving (1988)
                            36       Allochtonenbeleid (1989)
                            37       Van de stad en de rand (1990)
292                         38       Een werkend perspectief. Arbeidsparticipatie in de jaren ’90 (1990)
                            39       Technologie en overheid (1990)
                            40       De onderwijsverzorging in de toekomst (1991)
                            41       Milieubeleid. Strategie, instrumenten en handhaafbaarheid (1992)
                            42       Grond voor keuzen. Vier perspectieven voor de landelijke gebieden in de Europese Gemeenschap (1992)
                            43       Ouderen voor ouderen. Demografische ontwikkelingen en beleid (1993)
                                     Vijfde raadsperiode (1993-1997)
                            44       Duurzame risico’s. Een blijvend gegeven (1994)
                            45       Belang en beleid. Naar een verantwoorde uitvoering van de werknemersverzekeringen (1994)
                            46       Besluiten over grote projecten (1994)
                            47       Hoger onderwijs in fasen (1995)
                            48       Stabiliteit en veiligheid in Europa. Het veranderende krachtenveld voor het buitenlands beleid (1995)
                            49       Orde in het binnenlands bestuur (1995)
                            50       Tweedeling in perspectief (1996)
                            51       Van verdelen naar verdienen. Afwegingen voor de sociale zekerheid in de 21e eeuw (1997)
                            52       Volksgezondheidszorg (1997)
                            53       Ruimtelijke-ontwikkelingspolitiek (1998)
                            54       Staat zonder land. Een verkenning van bestuurlijke gevolgen van informatie- en communicatietechnologie (1998)
</pre>

====================================================================== Einde pagina 294 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 295 ======================================================================

<pre>                                                                                                                         rapporten aan de regering
                    Zesde raadsperiode (1998-2002)
             55     Generatiebewust beleid (1999)
             56     Het borgen van publiek belang (2000)
             57     Doorgroei van arbeidsparticipatie (2000)
             58     Ontwikkelingsbeleid en goed bestuur (2001)
             59     Naar een Europabrede Unie (2001)
             60     Nederland als immigratiesamenleving (2001)
             61     Van oude en nieuwe kennis. De gevolgen van ict voor het kennisbeleid (2002)
             62     Duurzame ontwikkeling: bestuurlijke voorwaarden voor een mobiliserend beleid (2002)
             63     De toekomst van de nationale rechtsstaat (2002)
             64     Beslissen over biotechnologie (2003)
             65     Slagvaardigheid in de Europabrede Unie (2003)
             66     Nederland handelsland. Het perspectief van de transactiekosten (2003)
             67     Naar nieuwe wegen in het milieubeleid (2003)
Rapporten aan de Regering en publicaties in de reeks Voorstudies en achtergronden zijn verkrijgbaar in de boekhandel of via Sdu
Servicecentrum Uitgeverijen, Plantijnstraat, Postbus 20014, 2500 EA ’s-Gravenhage, tel. 070-3789880, fax 070-3789783.
                                                                                                                                                   293
</pre>

====================================================================== Einde pagina 295 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 296 ======================================================================

<pre>    wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                                     verkenningen
                                     Zevende raadsperiode (2003-2007)
                              1      Jacques Pelkmans, Monika Sie Dhian Ho en Bas Limonard (red.) (2003) Nederland en de Europese grondwet*
294
                            *       Uitgegeven bij Amsterdam University Press
</pre>

====================================================================== Einde pagina 296 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 297 ======================================================================

<pre>                                                                                                 voorstudies en achtergronden
     voorstudies en achtergronden
     Hieronder worden de publicaties uit de wrr-serie Voorstudies en achtergronden opgesomd vanaf de
     vijfde raadsperiode. Een volledig overzicht van de voorstudies is beschikbaar op de wrr-website
     (http://www.wrr.nl) of aan te vragen bij het bureau van de wrr (070 - 356 46 25).
     Vijfde raadsperiode (1993-1997)
 V82 W.J. Dercksen e.a. (1993) Beroepswijs onderwijs. Ontwikkelingen en dilemma’s in de aansluiting van onderwijs en
     arbeid
 V83 W.G.M. Salet (1994) Om recht en staat. Een sociologische verkenning van sociale, politieke en rechtsbetrekkingen
 V84 J.M. Bekkering (1994) Private verzekering van sociale risico’s
 V85 C. Lambers, D.A. Lubach, M. Scheltema (1994) Versnelling juridische procedures grote projecten
 V86 cshob (1995) Aspecten van hoger onderwijs. Een internationale inventarisatie
 V87 T. van der Meij e.a. (1995) Ontwikkelingen in de natuur. Visies op de levende natuur in de wereld en scenario’s
     voor het behoud daarvan
 V88 L. Hagendoorn e.a. (1995) Etnische verhoudingen in Midden- en Oost-Europa
 V89 H.C. Posthumus Meyjes, A. Szász, Christoph Bertram, W.F. van Eekelen (1995) Een gedifferentieerd Europa
 V90 J. Rupnik e.a. (1995) Challenges in the East
 V91 J.P.H. Donner (rapporteur) (1995) Europa, wat nu?
 V92 R.M.A. Jansweijer (1996) Gouden bergen, diepe dalen: de inkomensgevolgen van een betaalbare                              295
     oudedagsvoorziening
 V93 W. Derksen, W.A.M. Salet (red.) (1996) Bouwen aan het binnenlands bestuur
 V94 seo/Intomart (1996) Start-, slaag- en faalkansen van hoger opgeleide startende ondernemers
 V95 L.J. Gunning-Schepers, G.J. Kronjee and R.A. Spasoff (eds.) (1996) Fundamental Questions about the Future of
     Health Care
 V96 H.B.G. Ganzeboom en W.C. Ultee (red.) (1996) De sociale segmentatie van Nederland in 2015
 V97 J.C.I. de Pree (1997) Grenzen aan verandering. De verhouding tussen reorganisatie en structuurprincipes van het
     binnenlands bestuur
 V98 M.F. Gelok en W.M. de Jong (1997) Volatilisering in de economie
 V99 A.H. Kleinknecht, R.H. Oostendorp, M.P. Pradhan (1997) Patronen en economische effecten van flexibiliteit in de
     Nederlandse arbeidsverhoudingen
V100 J.P.H. Donner (1998) Staat in beweging
V101 W.J. Vermeulen, J.F.M. van der Waal, H. Ernste, P. Glasbergen (1997) Duurzaamheid als uitdaging. De afweging van
     ecologische en maatschappelijke risico’s in confrontatie en dialoog
V102 W. Zonneveld en A. Faludi (1998) Europese integratie en de Nederlandse ruimtelijke ordening
V103 Verslag en evaluatie van de vijfde raadsperiode (1998)
     Zesde raadsperiode (1998-2002)
V104 Krijn van Beek (1998) De ondernemende samenleving. Een verkenning van maatschappelijke verandering en
     implicaties voor beleid
V105 W. Derksen et al. (1999) Over publieke en private verantwoordelijkheden
V106 Henk C. van Latesteijn (1999) Land use in Europe. A methodology for policy-oriented future studies
V107 Aart C. Liefbroer en Pearl A. Dykstra (2000) Levenslopen in verandering. Een studie naar ontwikkelingen in de
     levenslopen van Nederlanders geboren tussen 1900 en 1970
</pre>

====================================================================== Einde pagina 297 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 298 ======================================================================

<pre>    wa arde n, nor me n en de l a st va n het gedr ag
                          V108       Bart Wissink (2000) Ontworpen en ontstaan. Een praktijktheoretische analyse van het debat over het provinciale
                                     omgevingsbeleid
                          V109       H. Mommaas, m.m.v. W. Knulst en M. van den Heuvel (2000) De vrijetijdsindustrie in stad en land. Een studie naar
                                     de markt van belevenissen
                          V110       H. Dijstelbloem en C.J.M. Schuyt, red. (2002) De publieke dimensie van kennis
                          V111       M.C.E. van Dam-Mieras en W.M. de Jong, red. (2002) Onderwijs voor een kennissamenleving. De rol van ict
                                     nader bekeken
                          V112       Wendy Asbeek Brusse, Harry van Dalen en Bart Wissink (2002) Stad en Land in een nieuwe geografie.
                                     Maatschappelijke veranderingen en ruimtelijke dynamiek
                          V113       G.A. van der Knaap (2002) Stedelijke bewegingsruimte. Over veranderingen in stad en land.
                          V114       F.J.P.M. Hoefnagel (2002) Internet en cultuurbeleid. Over de gevolgen van ict voor het cultuurbeleid van de
                                     Nederlandse overheid
                          V115       Gabriël van den Brink (2002) Mondiger of moeilijker? Een studie naar de politieke habitus van hedendaagse
                                     burgers
                          V116       Willem Witteveen, Bart van Klink, met bijdragen van Wouter de Been en Peter Blok (2002) De sociale rechtsstaat
                                     voorbij. Twee ontwerpen voor het huis van de rechtsstaat
                          V117       Rein de Wilde, Nikki Vermeulen en Mirko Reithler (2003) Bezeten van genen. Een essay over de innovatieoorlog
                                     rondom genetisch gemodificeerd voedsel
296
                                     Overige publicaties
                                     Voor de eenheid van beleid. Beschouwingen ter gelegenheid van vijftig jaar Ministerie van Algemene Zaken (1987)
                                     Eigentijds burgerschap. wrr-publicatie onder leiding van H.R. van Gunsteren (1992)
                                     Mosterd bij de maaltijd. 20/25 jaar wrr (1997)
                                     De vitaliteit van de nationale staat in een internationaliserende wereld (2002)
</pre>

====================================================================== Einde pagina 298 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 299 ======================================================================

<pre>     w r r r apport a an de r eger ing 68
     Waarden, normen en
     de last van het gedrag
     Verval van waarden en normen wordt dikwijls aangewezen als oor-
     zaak van allerlei soorten ongewenst gedrag – van algemeen gebrek aan
     beleefdheid tot geweld in de trein. Maar wat zijn waarden en normen
     eigenlijk? Is er in onze samenleving nog wel sprake van gemeenschap-
     pelijke waarden? En geldt onze onvrede niet veeleer het gedrag van
     mensen, eerder dan de door hen aanvaarde waarden en normen?
     In dit rapport gaat de Wetenschappelijke Raad voor het Regerings-
     beleid in op het vraagstuk van de gemeenschappelijkheid van
     waarden en het omgaan met uiteenlopende stelsels van waarden en
     normen, die samenhangen met cultuurverschillen. Ook wordt aan-
     dacht besteed aan de problematiek van normoverschrijdend gedrag.
     De raad doet aanbevelingen over hoe de overheid met de lastige
     kwestie van waarden en normen zou moeten omgaan.
A m s t e r da m U n i v e r si t y P r e s s                    w w w. au p. n l
</pre>

====================================================================== Einde pagina 299 =================================================================

<br><br>