<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>                    M;J;DI9>7FF;B?@A;H77:LEEH>;JH;=;H?D=I8;B;?:
:odWc_[a_d
_ibWc_j_iY^WYj_l_ic[
W W da def_ d]ifk d j [dleeh
Z[ ceYh Wj _i[ h _ d][ dc[ di[ d h [Y^ j [ d
                               7CIJ;H:7CKD?L;HI?JOFH;II
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>Dynamiek in islamitisch activisme</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid werd in voorlopige vorm
ingesteld in 1972. Bij wet van 30 juni 1976 (Stb. 413) is de positie van de raad defi-
nitief geregeld. De huidige zittingsperiode loopt tot 31 december 2007.
Ingevolge de wet heeft de raad tot taak ten behoeve van het regeringsbeleid
wetenschappelijke informatie te verschaffen over ontwikkelingen die op langere
termijn de samenleving kunnen beïnvloeden. De raad wordt geacht daarbij tijdig
te wijzen op tegenstrijdigheden en te verwachten knelpunten en zich te richten
op het formuleren van probleemstellingen ten aanzien van de grote beleidsvraag-
stukken, alsmede op het aangeven van beleidsalternatieven.
Volgens de wet stelt de wrr zijn eigen werkprogramma vast, na overleg met de
minister-president die hiertoe de Raad van Ministers hoort.
De samenstelling van de raad is (tot 31 december 2007):
prof. dr. W.B.H.J. van de Donk (voorzitter)
mw. prof. mr. dr. L. Hancher
prof. dr. P.A.H. van Lieshout
prof. dr. P.L. Meurs
prof. dr. J.L.M. Pelkmans
drs. I.J. Schoonenboom
prof. dr. J.J.M. Theeuwes
prof. dr. P. Winsemius
Secretaris: dr. A.C. Hemerijck
De wrr is gevestigd:
Lange Vijverberg 4-5
Postbus 20004
2500 EA ’s-Gravenhage
Telefoon 070-356 46 00
Telefax 070-356 46 85
E-mail info@wrr.nl
Website http://www.wrr.nl
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>                                  WE TENSCHAP PELI JKE RA AD VOOR HE T REGER I NGSBELEI D
Dynamiek in
islamitisch activisme
a a n k nop i ng s p u n t e n vo or de mo c r a t i s e r i ng
e n m e ns e n r e c h t e n
                                           Amsterdam University Press, Amsterdam 2006
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>Omslagfoto: anp/Robin Utrecht
Omslagontwerp: Studio Daniëls, Den Haag
Vormgeving binnenwerk: Het Steen Typografie, Maarssen
isbn-13 978 90 5356 827 9
isbn-10 90 5356 827 1
nur        741/717
© wrr/Amsterdam University Press, Den Haag/Amsterdam 2006
Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgesla-
gen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op
enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of enige andere
manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.
Voorzover het maken van kopieën uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikel 16B
Auteurswet 1912 jº het Besluit van 20 juni 1974, Stb. 351, zoals gewijzigd bij het Besluit van
23 augustus 1985, Stb. 471 en artikel 17 Auteurswet 1912, dient men de daarvoor wettelijk
verschuldigde vergoedingen te voldoen aan de Stichting Reprorecht (Postbus 3051, 2130 kb
Hoofddorp). Voor het overnemen van gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezingen,
readers en andere compilatiewerken (artikel 16 Auteurswet 1912) dient men zich tot de
uitgever te wenden.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>URR

WETENSCHAPPELIJKE RAAD VOOR HET REGERINGSBELEID

Aan de Minister-president
Voorzitter van de Ministerraad
De heer mr. dr. J.P. Balkenende
Postbus 20001

2500 EA Den Haag

ons kenmerk doorkiesnummer telefax
2006014/wvdd/lt 070-356 4691 070-356 4685
Onderwerp Email datum
WRR-rapport over Dynamiek in voorzitter @wrr.nl 29 maart 2006

Islamitisch Activisme

Bij dezen zenden wij u een door de raad op eigen initiatief geschreven rapport over ‘islamitisch
activisme’, de recente opleving van de islam als politieke factor. Het rapport belicht de
achtergronden, manifestaties en dynamiek van de uiteenlopende vormen van dit activisme
binnen de moslimwereld. In een tijd waarin de communicatie over ‘de islam’ vooral via heftige
beelden en grote woorden verloopt, is het des te belangrijker systematisch kennis te nemen
van feitelijke ontwikkelingen en achtergronden.

Het door sommigen als onvermijdelijk beklemtoonde gegeven van een ‘botsing tussen
beschavingen’ is op grond van die ontwikkelingen stellig te ongenuanceerd, en alleen al daarom
onbruikbaar als leidraad voor Nederlands en Europees beleid. Rondom het islamitisch activisme
doen zich inderdaad spanningen en gewelddadige conflicten voor, maar de raad ziet daarin juist
de noodzaak te zoeken naar aanknopingspunten ter bevordering van mensenrechten en
democratie in moslimlanden. Anders dan vaak wordt verondersteld, blijken de belemmeringen
voor democratisering en mensenrechten in veel van deze landen meestal weinig met de islam
zelf van doen te hebben. Ook hier geldt dat het goed is beelden en woorden van angst te
confronteren met feiten en kennis,

Het in dit rapport ontwikkelde perspectief is vooral gericht op Europees en buitenlands beleid.
Maar juist in deze tijd van mondialisering is het goed te beseffen dat buitenlands en
binnenlands beleid steeds meer met elkaar vervlochten zijn. De raad meent dat het hier

rde beleidsperspectief daarom ook nuttig kan zijn voor de discussies over het
ctivisme in ons eigen land.

Volgené de procedurg-van de Instellingswet ziet de raad graag de bevindingen van de

De secretaris,

7 Kol Hemeri ck

nm,

Lange Vijverberg 4-5, Postbus 20004, 2500 EA Den Haag
telefoon (070) 356 46 oo, fax (070) 356 46 85, website: www.wrr.nl, e-mail: info@wrr.nl
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>6</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>                                                                                   inhoudsopgave
inhoudsopgave
Samenvatting                                                                          9
Ten geleide                                                                          17
1      Inleiding                                                                    19
1.1    Achtergrond en aanleiding                                                    19
1.2    Doel, centrale vragen en begripsbepalingen                                   21
1.3    Beperkingen                                                                 24
1.4    Uitwerking onderzoeksvraag en rapportopbouw                                  25
2      De ontwikkeling van het islamitisch-politiek denken                          29
2.1    Inleiding                                                                    29
2.2    Hervorming door terugkeer naar de bronnen                                    30
2.3    Hervorming door herinterpretatie van de heilige bronnen                      35
2.4    Interpretatie van de dynamiek in het islamitisch denken                      53
2.5    Conclusie                                                                    58
                                                                                                 7
3      De ontwikkeling van islamitisch-politieke bewegingen                         59
3.1    Inleiding                                                                    59
3.2    Islamitisch-politieke bewegingen in de jaren zeventig: achtergronden
       en kenmerken                                                                60
3.3    Islamitisch-politieke activisten aan de macht                                67
3.4    Islamitisch-politieke bewegingen in de politieke en maatschappelijke arena   74
3.5    Interpretatie van de politieke dynamiek                                      92
3.6    Conclusie                                                                  103
4      De ontwikkeling van recht en rechtsstelsels                                109
4.1    Inleiding                                                                  109
4.2    Recente islamisering van recht en rechtsstelsels                            111
4.3    Islamitische en universele mensenrechten                                    132
4.4    Interpretatie van de rechtsdynamiek                                        139
4.5    Conclusie                                                                  147
5      Beleidsperspectief                                                         149
5.1    Inleiding                                                                  149
5.2    De wereldpolitieke situatie                                                150
5.3    Aanknopingspunten                                                          154
5.4    Constructieve betrokkenheid met de moslimwereld                            160
5.5    Europese en bilaterale beleidsopties voor constructieve betrokkenheid      169
5.6    Islamitisch activisme in de Nederlandse democratische rechtsstaat          190
5.7    Conclusie                                                                  201
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>  dy na miek in isla mi t isch ac t i visme
               Literatuur                                                                         207
               Bijlage 1                  Vergelijking van de scores van moslimlanden voor
                                          politieke rechten en burgerlijke vrijheden, begin jaren
                                          zeventig en 2003/2004                                   219
               Bijlage 2                  Classificatie van moslimlanden naar regimetype - 2002    221
               Bijlage 3                  Status van islam en sharia in de grondwet van moslim-
                                          landen                                                  222
               Bijlage 4                  Barcelona-proces, EMP en ENP                            225
               Verklarende woordenlijst                                                           227
8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>                                                                                      samenvatting
samenvatting
Achtergrond
Sinds de jaren zeventig is sprake van een toenemende betekenis van de islam als
politieke factor, het zogenoemde islamitisch activisme. Diverse manifestaties
daarvan hebben geleid tot grote spanningen en gewelddadige conflicten, niet
alleen binnen de moslimwereld zelf, maar ook in (relaties met) het Westen en
Nederland. De verwevenheid tussen wat zich buiten en binnen nationale grenzen
afspeelt, betekent immers dat gebeurtenissen elders ook gevolgen hebben voor de
interne verhouding tussen bevolkingsgroepen. Tussen moslims en niet-moslims,
en soms ook tussen moslims onderling, is een sfeer van wantrouwen en angst
ontstaan. De communicatie over ‘de islam’ verloopt nog slechts via heftige beel-
den en grote woorden, zoals een ‘botsing tussen beschavingen’ of een ‘onverenig-
baarheid van de islam met democratie en mensenrechten’.
Vraagstelling
Dit rapport onderzoekt de kenmerken en dynamiek van het islamitisch activisme.
Het stelt de vraag of en in welk opzicht de verschijningsvormen van dit activisme
sinds de jaren zeventig aanknopingspunten bieden voor democratisering en                           9
verbetering van de mensenrechten. Het onderzoekt ook welk beleidsperspectief
voor Nederland en Europa op langere termijn processen van democratisering en
verbetering van mensenrechten kan ondersteunen.
Doel
Met dit rapport beoogt de raad een beleidsperspectief te formuleren dat bijdraagt
aan het verminderen van de spanningen met en binnen de moslimwereld
rondom vraagstukken van islamitisch activisme. De raad acht het essentieel dit
perspectief te baseren op kennis van de feitelijke ontwikkelingen en kenmerken
van dit activisme. Tegelijkertijd richt hij zich in dit rapport niet op een beschrij-
ving en analyse van alle facetten hiervan, dus inclusief de zo bekende negatieve
manifestaties. Hij zoekt nadrukkelijk naar positieve aanknopingspunten voor
beleid gericht op democratisering en mensenrechten in moslimlanden.
Dit rapport richt zich tot de Nederlandse regering. De internationale ontwikke-
lingen die hier aan de orde zijn, vergen naar hun aard internationale beleidsin-
spanningen. Daarom verkent het rapport vooral de beleidsmogelijkheden die
de Europese Unie (eu) ter beschikking staan. Juist via dat grotere kader kan
Nederland invloed uitoefenen. De uitgangspunten voor het externe eu-beleid
hebben evenwel ook implicaties voor de omgang met het islamitisch activisme
in Nederland.
Aanpak
De relatie tussen islamitisch activisme en democratie en mensenrechten is onder-
zocht op drie dimensies, namelijk:
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>   dy na miek in isla mi t isch ac t i visme
                             • islamitisch-politiek denken,
                             • islamitisch-politieke bewegingen, en
                             • islamitisch recht.
                             Aanknopingspunten
                             De bevinding van het rapport is dat het islamitisch activisme wel degelijk
                             aanknopingspunten biedt voor democratisering en mensenrechten. Ieder van de
                             drie onderzochte dimensies toont ten aanzien hiervan een grote verscheidenheid
                             en dynamiek. Hoewel het om fragiele aanknopingspunten gaat, en er ook nog
                             veel onzekerheid bestaat, is het onjuist te veronderstellen dat ‘de’ islam in alge-
                             mene zin haaks staat op acceptatie van democratie en mensenrechten.
                             Het niveau van het islamitisch-politieke denken laat zien dat er inderdaad veel
                             denkers zijn die belangrijke principes voor de inrichting van de staat, zoals de
                             scheiding van kerk en staat, democratie, rechtsstaat en mensenrechten, afwijzen
                             als strijdig met de islamitische beginselen en de suprematie van het islamitisch
                             recht. Maar naast deze beeldbepalende opvattingen manifesteren zich ook steeds
                             meer denkers die deze principes juist op islamitische gronden nastreven. Zij
                             keren zich tegen dogmatische benaderingen die stellen dat de voorschriften van
10                           de heilige bronnen naar de letter moeten worden nageleefd. Eerder gaat het hun
                             om de geest en de zeggingskracht van deze bronnen voor de huidige omstandig-
                             heden. Denkers met dergelijke opvattingen zijn inmiddels in veel moslimlanden
                             te vinden, bijvoorbeeld in Indonesië, Maleisië en Egypte. Het vernieuwende
                             denken komt zelfs voor in Iran, het land dat nu een kwarteeuw ervaring heeft
                             met een islamitische theocratie.
                             Ook de recente geschiedenis van islamitisch-politieke bewegingen in de moslim-
                             wereld laat een grote verscheidenheid en dynamiek zien. Dergelijke bewegingen
                             vormen geen homogene, onveranderlijk radicale, immer gewelddadige bedrei-
                             ging. Het transnationale terrorisme dat zich toelegt op jihadische acties is natuur-
                             lijk wel bedreigend. Maar daarnaast zijn er tal van islamitische bewegingen met
                             heel uiteenlopende aspiraties, waaronder ook groepen die zoeken naar hervor-
                             mingen binnen de bestaande politieke stelsels. Bovendien hebben islamitisch-
                             politieke bewegingen in veel moslimlanden ook hun aanvankelijk radicale
                             houding laten varen voor een pragmatische politieke opstelling. De bewegingen
                             die zich het meest oriënteren op de politieke arena, zoals de Moslim Broederschap
                             in Egypte, zijn het verst opgeschoven naar acceptatie van democratische begin-
                             selen en normen. Al doende nemen ze afstand van absolute waarheden en leren
                             ze de positieve werking kennen van democratische principes en mensenrechten.
                             Veel moslimlanden hebben de afgelopen decennia blootgestaan aan druk om
                             elementen van het islamitisch recht in te voeren. De opvattingen over wat deze
                             sharia behelst, lopen echter sterk uiteen, van zeer algemene richtlijnen tot
                             concrete gedragsvoorschriften. Daardoor bestaan er niet alleen grote verschillen
                             in op de sharia gebaseerde rechtsregels, maar ook in de praktische toepassing
                             van die regels. De islamisering van het recht vanaf de jaren zeventig heeft in de
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>                                                                                    samenvatting
meeste landen een beperkte reikwijdte gehad; uitzonderingen zijn landen als
Iran, Pakistan en Soedan. Bovendien is de eerste golf van islamisering niet
gevolgd door een tweede; de laatste vijftien jaar is eerder sprake van een afname
van de invloed van strenge interpretaties van de sharia op het nationale recht.
Ook waar de sharia formeel een rol speelt, blijkt deze geleidelijke modernisering
van het recht niet uit te sluiten. Zo heeft de lijn van hervormingen van het huwe-
lijksrecht zich ondanks het activisme in de meeste landen voortgezet. In reactie
op de universele mensenrechten zijn in de moslimwereld ook ideeën ontwikkeld
over islamitische mensenrechten. Tussen beide concepten bestaan naast overeen-
komsten ook belangrijke principiële verschillen. Toch blijkt ook hier onmisken-
baar een tendens van geleidelijke toenadering.
Beleidsperspectief
De lidstaten van de eu kunnen zich een afzijdige houding niet permitteren. Een
in zichzelf gekeerde Unie die afziet van externe ambities creëert slechts een illusie
van veiligheid die de bestaande kwetsbaarheid niet wegneemt. Bovendien bete-
kent afzijdigheid dat Europa kansen onbenut laat die er wel degelijk zijn voor
het ondersteunen van veelbelovende ontwikkelingen in de moslimwereld. De
wrr pleit dan ook voor een actieve en constructieve opstelling van eu-lidstaten.
Dit beleid omvat de volgende uitgangspunten:                                                     11
• rekening houden met de diversiteit van islamitisch activisme;
• onderkennen van islamitisch activisme als potentieel constructieve politieke
    en juridische factor voor de ontwikkeling van moslimlanden;
• aansluiten bij endogene ontwikkelingsprocessen en -trajecten die democratie
    en mensenrechten bevorderen;
• investeren in een geïnformeerde publieke opinie over islamitisch activisme en
    de hoofdlijnen van het daarop gerichte beleid.
Diversiteit
Tussen en binnen moslimlanden bestaan veel verschillende interpretaties van de
manier waarop de islam zich verhoudt tot politiek, democratie en mensenrech-
ten. Of islam en democratie elkaar verdragen, en of islamitische wetgeving op
gespannen voet staat met mensenrechten, is niet in algemene zin te zeggen, maar
verschilt per islam- of sharia-opvatting en/of -praktijk, en ook per tijdsgewricht.
Nederland en de eu zullen moeten investeren in kennis van deze verschillende
opvattingen en -praktijken, als grondslag voor het beleid tegenover moslimlan-
den.
Constructief of niet
In het verleden heeft de eu met pleidooien voor democratisering en verbetering
van mensenrechten in naburige moslimlanden vooral de hoop gevestigd op niet-
religieuze bewegingen en partijen, ook als die groepen nauwelijks politiek draag-
vlak hadden onder de lokale bevolking. Maar steeds duidelijker blijkt dat het
negeren van de politieke en juridische agenda van religieus activisme geen oplos-
sing biedt en zelfs averechts kan uitwerken. Niet alleen ontmoedigt zo’n houding
islamitische groepen met een grote achterban die bereid zijn binnen het bestaande
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>   dy na miek in isla mi t isch ac t i visme
                             stelsel te streven naar geleidelijke politieke liberalisering, maar ze voedt ook de
                             wijdverbreide opvatting onder gewone burgers in de moslimwereld dat secula-
                             risme en (westerse) democratie per definitie antireligieuze belangen dienen.
                             De roep om islamisering wordt zo alleen maar aangewakkerd, hetzij doordat
                             radicalen meer steun van de bevolking krijgen voor hun religieuze opvattingen,
                             hetzij doordat politieke machthebbers zelf de conservatieve ‘islamiseringskaart’
                             gaan uitspelen voor behoud van politieke legitimiteit.
                             De eu en Nederland moeten islamitische bewegingen niet langer op voorhand
                             uitsluiten als potentiële gesprekspartners, maar zich laten leiden door de concrete
                             politieke daden van deze groepen. Ze dienen stromingen die opschuiven naar
                             acceptatie van democratie en mensenrechten krachtig te steunen, en stromingen
                             die zich daarvan verwijderen te veroordelen. Ze moet daarnaast ook meer posi-
                             tieve prikkels ontwikkelen om hervormingen te kunnen stimuleren en belonen.
                             Bovendien moet ze bij ernstige mensenrechtenschendingen bereid zijn ook echt
                             sancties te treffen. In het geval van het Euromediterrane beleid kan dat neerko-
                             men op (tijdelijke) opschorting van een partnerschapsverdrag. De Unie geeft
                             zo ruimte aan gedifferentieerde democratiseringstrajecten en progressieve
                             verwezenlijking van mensenrechten, maar houdt tegelijkertijd vast aan de eigen
12                           waarden op dit terrein.
                             Endogene dynamiek
                             Democratie en mensenrechten kunnen niet duurzaam van buitenaf worden
                             opgelegd. Nederland en de eu zullen moeten beïnvloeden zonder te beleren, en
                             aanvaarden dat binnen een islamitisch referentiekader democratie en mensen-
                             rechten soms (voorlopig) een andere uitwerking krijgen dan gebruikelijk is in
                             westerse landen. Moslimlanden voldoen in veel opzichten niet aan de huidige
                             internationale maatstaven inzake democratie en mensenrechten. Daarin ver-
                             schillen zij overigens niet van veel (andere) ontwikkelingslanden. Maar juist
                             dan wordt de vraag cruciaal of en hoe zij verbetering willen nastreven. Serieuze
                             hervormingen in de richting van de internationale maatstaven verdienen onder-
                             steuning, ook waar deze plaatsvinden vanuit een islamitisch discours. Progres-
                             sieve verbeteringen van mensenrechten zijn in veel moslimlanden nu eenmaal
                             gemakkelijker te aanvaarden als die kunnen worden ingebed in de eigen traditie
                             en cultuur. De nieuwe familiewetgeving in Marokko illustreert dit; onder de vlag
                             van de sharia heeft een aanzienlijke verbetering plaatsgevonden van de rechten
                             van vrouwen.
                             Implicaties voor Nederland
                             Ook de interne Europese en Nederlandse verhoudingen vergen oog voor diver-
                             siteit en dynamiek. Dit vereist echter wel een cultuuromslag. Tot dusver getuigt
                             het politieke en publieke debat in Nederland van onvoldoende kennis van de
                             islam en de vele islamitisch-politieke denkstromingen en bewegingen. Overhe-
                             den dienen actief en vooral structureel initiatieven te ondersteunen die voorzien
                             in verbreding van de informatievoorziening over deze thema’s bij zowel moslims
                             als niet-moslims. Bij uitstek structurele bijdragen kunnen tegenwicht bieden aan
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>                                                                                 samenvatting
eenzijdige informatie- en beïnvloedingsmechanismen van bijvoorbeeld de ‘web-
islam’ van radicale groeperingen.
In de Nederlandse verhoudingen kan partijvorming die (gedeeltelijk) plaatsvindt
op basis van de islam of de moslimidentiteit een constructieve bijdrage leveren
aan het politieke debat. Islamitisch geïnspireerde politieke partijen kunnen een
stem geven aan degenen die zich in de vertegenwoordigende organen van
moslims niet vertegenwoordigd weten. Ze getuigen van het streven naar partici-
patie aan de bestaande instituties en volgens de geldende democratische spelre-
gels.
Conclusie
Een klimaat van confrontatie en sjabloondenken schept geen bestendige voor-
waarden voor veiligheid, democratisering en toenemend respect voor mensen-
rechten. Het enig wenselijke alternatief is in te spelen op aanknopingspunten
voor democratie en mensenrechten in het islamitisch activisme zelf. De in dit
rapport gepresenteerde analyses laten zien dat die aanknopingspunten er wel
degelijk zijn.
                                                                                              13
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>   dy na miek in isla mi t isch ac t i visme
14
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>                                                                                  ten geleide
ten geleide
Dit rapport is voorbereid door een interne projectgroep van de wrr. Deze
bestond uit stafmedewerker dr. W. Asbeek Brusse en raadslid drs. I.J. Schoonen-
boom.
De analyses in dit rapport zijn mede gebaseerd op studies die op verzoek van de
wrr zijn verricht en tegelijkertijd met dit rapport zijn verschenen. Het betreft:
• J.M. Otto (2006) Sharia en nationaal recht. Rechtssystemen in moslimlanden
   tussen traditie, politiek en rechtsstaat, wrr-Verkenning nr. 11, Amsterdam:
   Amsterdam University Press.
• J.M. Otto, A.J. Dekker, L.J. van Soest-Zuurdeeg (red.) (2006) Sharia en natio-
   naal recht in twaalf moslimlanden, wrr-Webpublicatie nr. 13, Amsterdam:
   Amsterdam University Press.
• N. Abu Zayd (2006) Reformation of Islamic Thought. A Critical Historical
   Analysis, wrr-Verkenning nr. 10, Amsterdam: Amsterdam University Press.
• M.S. Berger (2006) Klassieke sharia en vernieuwing, wrr-Webpublicatie
   nr. 12, Amsterdam: Amsterdam University Press.
                                                                                              17
Het Rapport aan de Regering valt onder verantwoordelijkheid van de raad. Voor
de verkenningen en webpublicaties zijn de genoemde auteurs verantwoordelijk.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>   dy na miek in isla mi t isch ac t i visme
18
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>                                                                                        inleiding
1   inleiding
1.1 achtergrond en aanleiding
    De islam is de afgelopen decennia een steeds belangrijkere politieke factor ge-
    worden. De islamitische revolutie van 1979 in Iran markeerde het spectaculaire
    begin van een periode waarin islamitisch activisten zich steeds meer lieten
    gelden als politieke spelers (zie tekstbox 1.1). Aanvankelijk leek hun invloed zich
    grotendeels te beperken tot landen met een moslimmeerderheid (‘moslimlan-
    den’).1 Terroristische aanslagen als die in New York, Madrid en Londen hebben
    echter ondubbelzinnig duidelijk gemaakt dat niet-moslimlanden in het Westen
    ook deel uitmaken van het vijandbeeld van sommige islamitische groeperingen.
    Aan-wijzingen hiervoor waren er al veel langer; aan de Iraanse revolutie bijvoor-
    beeld lag een sterk antiwesterse motivatie ten grondslag. Dit besef bracht de
    Amerikaanse auteur Samuel Huntington er al in 1993 toe te voorspellen dat na
    het verdwijnen van de tegenstelling tussen Oost en West nieuwe conflicten
    vaker zouden plaatsvinden tussen de ‘westerse’ en de ‘islamitische’ beschaving
    (Huntington 1993).
                                                                                                  19
    De laatste twee decennia van de twintigste eeuw gelden bij uitstek als de jaren
    van de derde ‘democratiseringsgolf’ en versterkte aandacht voor de mensenrech-
    ten (Diamond 2003; undp 2002: 14-16).2 Deze trend lijkt belangrijke delen van
    de moslimwereld echter vrijwel ongemoeid te hebben gelaten (Fish 2002). Ook
    nu nog hebben maar vier van de zeventien Arabische landen een kiesstelsel dat
    via regelmatig terugkerende verkiezingen concurrentie tussen meerdere partijen
    toestaat (undp 2002: 15). En in een aantal moslimstaten in Afrika beneden de
    Sahara, in Centraal- en Zuid-Azië is sinds het midden van de jaren negentig zelfs
    sprake van een stagnatie van de politieke liberalisering. Tekortschietende burger-
    lijke en politieke vrijheden, slecht bestuur (dat in het geval van de Arabische
    regio mede dankzij olie-inkomsten kan voortbestaan), gebrek aan rechts-state-
    lijkheid en grote economische en sociale ongelijkheid dragen daar bij aan toene-
    mende onvrede en uitzichtloosheid die mede een voedingsbodem creëren voor
    gewelddadig islamitisch radicalisme (undp 2005; Rabasa 2005). Het geweld
    keert zich deels tegen de eigen bevolking. Het richt zich deels ook tegen het
    Westen, dat zeker in de Arabische wereld geldt als medehandhaver van de status-
    quo omwille van de eigen (energie)belangen, alle westerse retoriek over mensen-
    rechten en democratie ten spijt.
    Er zijn ook andere factoren die bijdragen aan spanningen rondom de islam en de
    moslimwereld. De praktijken van ‘de islam aan de macht’ in landen waar het
    streven naar islamisering leidt tot herinvoering van het islamitisch recht (sharia)
    of in theocratieën als Iran en Saoedi-Arabië, staan op gespannen voet met de
    universele mensenrechten. De soms vergaande segregatie en ongelijkheid van
    mannen en vrouwen, barbaarse straffen, vijandigheid tegenover homoseksua-
    liteit en beperkingen van de vrijheid van meningsuiting in deze landen staan ver
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>   dy na miek in isla mi t isch ac t i visme
                             af van wat velen in Nederland en delen van het Westen als belangrijke (zij het
                             soms vrij recente) verworvenheden beschouwen. Hetzelfde geldt voor verschijn-
                             selen als eerwraak en vrouwenbesnijdenis, die eveneens vaak met de islam in
                             verband worden gebracht. Dankzij de grote aantallen moslims die tegenwoordig
                             in Europa wonen, manifesteren deze verschijnselen zich bovendien steeds dich-
                             terbij. Spanningen rondom de islam zijn hierdoor ook Europese en nationale
                             politieke vraagstukken geworden, die vaak hevig maatschappelijk debat en
                             conflict voortbrengen.
                  Tekstbox 1.1 Politieke mobilisatie onder de vlag van de islam
                    Over de kenmerken en achtergronden van de recente opleving van islamitisch activisme is al een
                    rijke literatuur voorhanden.3 Deze benadrukt een complex van onderliggende factoren en kataly-
                    satoren, waarvan we er hier enkele noemen:
                    • de lange lijn van neergang van de grote islamitische beschaving en de opkomst van westerse
                        mogendheden, resulterend in het verval van islamitische rijken en koloniale overheersing;
                    • hiermee gepaard gaande gevoelens van vernedering, machteloosheid en verloren identiteit,
                        die ook na de koloniale tijd niet zijn verdwenen;
                    • het door postkoloniale regeringen gevoerde beleid gericht op consolidering van de (veelal
20                      seculiere) staat, economische planning en modernisering. Daarmee werden tegelijk grote
                        groepen van de bevolking voor wie de islam een belangrijk referentiepunt was, cultureel
                        buiten het systeem geplaatst;
                    • internationale politieke gebeurtenissen als de Zesdaagse Oorlog, de Arabische olieboycot, de
                        slepende confrontatie tussen Israël en de Palestijnen en recent de oorlog tegen Irak, die in het
                        Midden-Oosten fungeerden als katalysator van onvrede over het falend binnenlands beleid en
                        de westerse aanwezigheid in de regio;
                    • de mobiliserende werking van de islamitische revolutie in Iran en de jihadistische strijd van de
                        Taliban in Afghanistan;
                    • Saoedi-Arabische pogingen om met behulp van ‘oliedollars’ de geloofsleer van het conserva-
                        tieve islamitische wahhabisme uit te dragen in de rest van de wereld, als sunnitisch tegenwicht
                        tegenover het shiietische revolutionaire elan;
                    • het steeds duidelijker politieke falen van postkoloniale regeringen in veel moslimlanden
                        tegen de achtergrond van toenemende internationale economische concurrentiedruk, hoge
                        bevolkingsgroei, omvangrijke migratie naar de grote steden en stijgende verwachtingen van
                        de bevolking als gevolg van hogere opleidingsniveaus;
                    • de opkomst van politieke bewegingen die na de ontspanning tussen ‘Oost’ en ‘West’, het
                        wegvallen van het communisme en de wereldwijde politieke liberaliseringsdruk vanaf begin
                        jaren negentig de islam hanteren als referentiekader voor politieke erkenning; vele streven
                        naar ‘islamisering’ van politiek, staat en recht;
                    • het gebruik van terroristische middelen door radicale, vaak transnationaal werkzame activisti-
                        sche groepen en netwerken die geopolitieke conflicten (zoals de Golfoorlog, de Balkanoorlog,
                        de strijd in Kashmir, Tsjetsjenië, het Palestijnse conflict en de oorlog in Irak) een ‘islamitische’,
                        vooral antiwesterse lading meegeven;
                    • de ervaringen van moslims met uitsluiting en discriminatie in de economische, culturele en
                        politieke arena in westerse landen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>                                                                                           inleiding
    De verwevenheid tussen dat wat zich buiten en binnen onze grenzen afspeelt,
    heeft niet alleen betrekking op de concrete feiten maar ook op de beeldvorming.
    Terroristische acties van moslims elders in de wereld kunnen ertoe leiden dat
    moslims hier plotseling als potentiële terroristen worden gezien, en hun religie
    als intrinsiek antidemocratisch en gewelddadig. Omgekeerd geldt hetzelfde: in
    Europa en in de vs levende moslims kunnen oorlogshandelingen van westerse
    staten tegen moslimstaten interpreteren als nieuw ‘bewijs’ dat het Westen het
    op de islam heeft gemunt. Internationale spanningen en botsingen raken dus niet
    langer alleen de internationale en buitenlandpolitieke betrekkingen tussen
    staten, maar hebben zowel feitelijk als via de beeldvorming grote invloed op de
    interne verhoudingen tussen bevolkingsgroepen. Al zijn onze relaties mét de
    regeringen van de moslimwereld op orde, spanningen en gewelddadige conflic-
    ten binnen en tussen moslimlanden kunnen hier grote gevolgen hebben, zowel
    voor moslims als niet-moslims. Daarmee zijn ook de belangen steeds groter
    geworden bij meer ontspannen verhoudingen tussen en binnen moslimlanden.
1.2 doel, centr ale vr agen en begripsbepalingen
    Doel en centrale vragen
    Dit rapport heeft als doel inzicht te verschaffen in de dynamiek van islamitisch                 21
    activisme in de moslimwereld, en op grond daarvan een beleidsperspectief te
    formuleren ter vermindering van de spanningen daaromtrent en ter ondersteu-
    ning van processen van democratisering en verbetering van de mensenrechten
    in moslimlanden. De centrale vragen zijn de volgende.
    • Welke inzichten zijn te ontlenen aan de ontwikkeling sinds de jaren zeventig van
       islamitisch activisme in relatie tot democratisering en verbetering van mensen-
       rechten?
    • Welke aanknopingspunten biedt islamitisch activisme voor toenadering tot
       concepten van democratie en mensenrechten?
    • Welk beleidsperspectief voor Nederland en Europa kan op de langere termijn
       spanningen rondom vraagstukken van islamitisch activisme binnen de moslim-
       wereld verminderen en processen van democratisering en verbetering van
       mensenrechten ondersteunen?
    Deze vraagstelling veronderstelt uiteraard dat democratie en mensenrechten
    universele waarden vertegenwoordigen, waarvan het actief ondersteunen zich
    niet mag beperken tot enkele regio’s of (religieuze) bevolkingsgroepen.
    Ondiplomatiek gesteld: ook al is de Arabische regio rijk aan olie en terroristisch
    islamitisch activisme, dan is dat geen reden de systematische mensenrechten-
    schendingen door repressieve Arabische regimes te beschouwen als een accepta-
    bele ‘prijs’ voor politieke stabiliteit in die regio. En ook al maken veel autoritaire
    regimes binnen en buiten die regio dankbaar gebruik van de Amerikaanse
    ‘oorlog’ tegen het terrorisme om hun politieke tegenstanders onder de islamitisch
    activisten tot terroristen te bestempelen, dan nog mogen westerse democratieën
    de ogen niet sluiten voor de gerechtvaardigde democratische wens van islamiti-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>   dy na miek in isla mi t isch ac t i visme
                             sche politieke partijen tot deelname aan het reguliere politieke proces in hun
                             land.
                             De vraagstelling van dit rapport is uitdrukkelijk gericht op aanknopingspunten in
                             het islamitisch activisme voor democratisering en verbetering van mensenrechten.
                             Het gaat dus niet om het geven van een representatief beeld van alle facetten van
                             dit activisme, inclusief al zijn aberraties. Deze selectieve benadering is bewust
                             gekozen. De hoofdveronderstelling van dit rapport is namelijk dat juist vanwege
                             de onderlinge verwevenheid van buitenlandse en binnenlandse politiek er voor het
                             Westen op de langere termijn een welbegrepen eigenbelang schuilt in het helpen
                             doorbreken van de politieke en economische stagnatie in delen van de moslimwe-
                             reld. Gebrek aan ontwikkelingsmogelijkheden, slecht bestuur, het ontbreken van
                             reguliere institutionele kanalen voor het uiten van politieke onvrede en repressie
                             vormen een gevaarlijk mengsel dat gemakkelijk aanzet tot (gewelddadig) radica-
                             lisme binnen de moslimwereld. Dit kan zich ook steeds eenvoudiger richten
                             tegen bevolkingsgroepen daarbuiten, zeker in relatief open samenlevingen. Daar
                             staat tegenover dat beleid gericht op het structureel ondersteunen van democrati-
                             sering en mensenrechten op de langere termijn radicalisme kan helpen tegen-
                             gaan. Democratisering en respect voor elementaire mensenrechten bieden bevol-
22                           kingen immers de kans partijen te machtigen die in de volle schijnwerpers van de
                             politieke arena volgens reguliere instituties en garanties voor hun belangen opko-
                             men. Ze bieden hun ook mogelijkheden politieke leiders naar huis te sturen die
                             de ontwikkelingsagenda van hun land verwaarlozen. Zonder die mogelijkheden
                             blijven radicale groeperingen hun massale aantrekkingskracht behouden, want
                             zij zijn als enige in staat de gevestigde orde echt uit te dagen zonder aan de bevol-
                             king verantwoording te hoeven afleggen. Radicale islamitische groepen kunnen
                             onder die omstandigheden hun relatieve voorsprong tegenover andere, concurre-
                             rende politieke groepen zelfs gemakkelijk behouden, doordat ze hun boodschap
                             vooral verspreiden via moskeeën, religieuze welzijnsorganisaties en andere reli-
                             gieuze netwerken, die dankzij de vlag van de islam minder snel blootstaan aan
                             directe overheidsrepressie (Gambill 2004).
                             Het doorbreken van de cyclus van repressie en extremisme in delen van de
                             moslimwereld en het toelaten van werkelijke politieke concurrentie om de stem
                             van de kiezers kan op de langere termijn bijdragen aan matiging van islamitisch
                             extremisme, maar er zijn uiteraard geen zekerheden. Op de korte termijn kunnen
                             processen van democratisering zelfs destabiliserend werken, bijvoorbeeld door-
                             dat in jonge democratieën met een lange geschiedenis van autoritair bestuur de
                             democratische instituties nog zwak zijn, het vertrouwen van de bevolking in
                             democratische procedures gering is en de nieuw gekozen politieke elite inspeelt
                             op nationalistische of populistische sentimenten om binnenlandpolitieke tegen-
                             stellingen te overbruggen. De critici van beleid gericht op democratisering
                             menen zelfs dat deze risico’s op de korte termijn van een machtsovername door
                             islamitische extremisten met de bijbehorende chaos en instabiliteit niet opwegen
                             tegen de mogelijke kansen van democratisering op de langere termijn. De raad
                             benadrukt echter het belang voor Nederland en Europa een strategisch beleid te
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>                                                                                     inleiding
ontwikkelen dat niet alleen oog heeft voor de dilemma’s en risico’s op de korte
termijn, maar ook in staat is op de lange termijn eventuele kansen en aankno-
pingspunten te benutten wanneer en waar die zich voordoen.
Begripsbepalingen
Hoe processen van democratisering zich zullen voltrekken en welke vorm de
democratie uiteindelijk aanneemt, zal van land tot land en ook per tijdsgewricht
verschillen.4 Maar het is duidelijk dat het democratieconcept meer veronderstelt
dan alleen periodieke (vrije) verkiezingen. Democratie moet uiteindelijk ook zijn
gebaseerd op de rule of law, respect voor basale individuele mensenrechten, zoals
de menselijke waardigheid, de vrijheid van meningsuiting, vereniging, vergade-
ring en godsdienst, het recht op onderwijs, grondwettelijk gegarandeerd toezicht
op overheidsbeslissingen door gekozen volksvertegenwoordigers en civiel
toezicht op leger en politie.
De opleving van ‘de islam’ als politieke factor in de moslimwereld benoemt de
raad met de term islamitisch activisme. Dit verwijst naar het streven van mensen
voor wie de islam een belangrijke inspiratiebron is voor het inrichten van de
hedendaagse politiek en samenleving (Fuller 2003: xi). Islamitisch activisme is
hier een koepelbegrip voor allerlei mogelijke doelstellingen en eisen, van het stre-           23
ven naar een (wereldomvattende) islamitische staat tot het tegendeel, namelijk
het op islamitische gronden bepleiten van de scheiding van moskee en staat. Het
woord ‘islamitisch’ benadrukt dat de islam fungeert als een gemeenschappelijk
voertuig en idioom voor de politieke en maatschappelijke bewustwording van
grote groepen moslims. ‘Activisme’ geeft aan dat het veel verschillende soorten
inspanningen betreft, die ook nog eens sterk aan verandering onderhevig zijn.
Begrip daarvan vergt zowel duiding van de symbolen, retoriek en het idioom van
de islam, als van het handelen en het gedrag van de betrokken moslims.
De term ‘islamitisch activisme’ roept – overigens net als begrippen als islamisme,
fundamentalisme, extremisme en politieke islam – in de huidige context soms
associaties op met gewelddadig extremistisch optreden in naam van de islam. Dat
is niet verwonderlijk; het zijn immers de extreme en gewelddadige uitingen die
tegenwoordig in het oog springen. En veel van de turbulentie die zich binnen de
moslimwereld en ook daarbuiten manifesteert onder de vlag van de islam, betreft
uitingen van bewustwording en strijdbaarheid. Dat moet niet onder stoelen of
banken worden gestoken. Maar die strijdbaarheid is niet uitsluitend gewelddadig;
ze bestrijkt het gehele spectrum van vreedzaam, ludiek en provocerend handelen
tot gewelddadig, terroristisch en intimiderend. Ze uit zich ook in allerlei poli-
tieke, maatschappelijke en culturele arena’s en kent vele gezichten, van politieke
bewegingen en partijen, van in de civil society werkende niet-gouvernementele
organisaties (ngo’s), van bewustwording op individueel niveau tot toenemende
wetenschappelijke aandacht voor islamitisch-politiek denken.
Onder het begrip islamisering verstaat dit rapport het funderen van politiek,
staat, recht en samenleving op islamitische grondslagen. Dit begrip is niet vrij
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>   dy na miek in isla mi t isch ac t i visme
                             van ambiguïteit, omdat over die grondslagen en hun betekenis zeer verschillend
                             kan worden gedacht. Zo bestaat niet alleen bij velen in het Westen maar ook bij
                             velen in de moslimwereld de opvatting dat de islam zich niet positief kan verhou-
                             den tot democratie, rechtsstaat en mensenrechten (Huntington 1993 en 1996).
                             Leert de ervaring van Iran, Soedan en Afghanistan tot nog toe immers niet dat de
                             relatie eerder negatief is? Die verhouding kan echter ook naar tijd en plaats veran-
                             deren. Door de schijnwerper te richten op de ontwikkelingen vanaf de jaren
                             zeventig kan blijken welke implicaties islamitisch activisme heeft gehad voor de
                             politiek en het recht, en of zich veranderingen in de voorgestane islamisering
                             hebben voorgedaan. Zijn de oorspronkelijke doelen van islamitische stromingen
                             en bewegingen nog steeds dezelfde, of zijn ze intussen veranderd? Het is immers
                             denkbaar dat islamitisch-politieke bewegingen die zich aanvankelijk als geweld-
                             dadige of antisysteemkrachten presenteren, toch uiteindelijk een constructieve
                             rol gaan spelen binnen het bestaande politieke systeem, en zich steeds meer
                             oriënteren op democratisering en verbetering van de mensenrechten (Fuller
                             2003). Omgekeerd is het ook denkbaar dat bewegingen en groepen die eerst
                             binnen de bestaande stelsels wilden functioneren, steeds extremere eisen for-
                             muleren op het gebied van de islamisering van de staat en het recht.
24                           Dit rapport hanteert de term fundamentalisme voor het streven zich bij politieke
                             hervormingen te baseren op richtlijnen die zijn neergelegd in de heilige bronnen
                             (nl. de koran en de sunna, de handelingen van de Profeet Mohammed).
                             Radicalisme is hier gedefinieerd als het streven naar ingrijpende veranderingen
                             in de politieke en maatschappelijke orde. De termen radicalisme en extremisme
                             worden in dit rapport als synoniem beschouwd.
                1.3          beperkingen
                             Voor alle duidelijkheid beklemtoont de raad dat dit rapport niet in algemene zin
                             de discussie voert over ‘de (on)verenigbaarheid van de islam met democratie
                             en mensenrechten’. Hoewel die vraag vooral de laatste jaren velen (moslims en
                             niet-moslims) in het Westen bezighoudt, is deze discussie weinig vruchtbaar.
                             Het voor een antwoord uitsluitend terugvallen op de heilige geschriften helpt
                             niet. Uiteindelijk zijn het niet zozeer de teksten maar vooral de interpretaties
                             daarvan en de concrete gedragingen van de aanhangers die bepalen of hun religie
                             wel of niet verenigbaar is met democratie en mensenrechten. En juist die vele
                             uiteenlopende interpretaties en gedragingen zijn weer afhankelijk van allerlei
                             verschillende factoren, zoals culturele normen van de betreffende religieuze
                             bevolking en economische en politieke ontwikkelingstrajecten, ofwel factoren
                             die zeer sterk tijd- en plaatsgebonden zijn. Daardoor laat de stelling dat islam,
                             democratie en mensenrechten als zodanig (on)verenigbaar zijn, zich bevestigen
                             noch ontkennen. De raad acht het vruchtbaarder te onderzoeken onder welke
                             omstandigheden en op welke plaatsen in de moslimwereld islamitisch activisme
                             kansen of belemmeringen creëert voor democratisering en verbetering van
                             mensenrechten.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>                                                                                       inleiding
    Dit rapport heeft evenmin als thematiek ‘de ontwikkeling’ (van democratie,
    mensenrechten, etc.) in algemene zin in moslimlanden. De aandacht gaat uit naar
    islamitisch activisme in relatie tot (verdere) democratisering en verbetering van
    de mensenrechten in die landen. Met een beperking tot deze religieus-politieke
    factor meent de raad een bij uitstek relevante invalshoek te belichten. Wel onder-
    kent hij het gevaar dat deze factor daardoor wordt overbelicht en meer gewicht
    krijgt dan feitelijk is gerechtvaardigd. Door expliciet de aandacht op islamitisch
    activisme te richten, kan immers gemakkelijk de indruk ontstaan dat al het
    gedrag van individuele moslims, islamitische bewegingen en regeringen door
    hun religie wordt gemotiveerd, terwijl andere factoren wellicht belangrijker zijn.
    Maar ook waar de islam als religie wel een uitdrukkelijke rol speelt, kan sprake
    zijn van religie als voertuig voor geheel andere doelen, zoals gebruik ervan voor
    het benadrukken van identiteit, verzet tegen corrupte regimes of buitenlandse
    overheersing, nationalistische aspiraties of etnische dominantie. Waar mogelijk
    probeert dit rapport deze nuances recht te doen.
    De analyses van dit rapport hebben niet steeds betrekking op alle moslimlanden.
    Dat zou een veel groter onderzoek vergen dan het onderhavige. Sommige gege-
    vens betreffen inderdaad – voorzover aanwezig – de hele groep moslimlanden,
    maar voor informatie ‘in de diepte’ moest worden volstaan met een selectie. Dit              25
    betreft vooral hoofdstuk 4, waar gebruik is gemaakt van het rechtsvergelijkend
    onderzoek naar twaalf moslimlanden dat de wrr heeft laten verrichten door
    prof. dr. J.M. Otto van het Van Vollenhoven Instituut voor Recht, Bestuur en
    Ontwikkeling van de Universiteit Leiden. Voor hoofdstuk 2, dat ingaat op
    ontwikkelingen in modern islamitisch-politiek denken binnen de hoofdstroom
    van de sunnitische en shiietische islam, heeft de wrr eveneens een verkenning
    laten verrichten, namelijk door prof. dr. Nasr Abu Zayd, Ibn Rushd hoogleraar
    aan de Universiteit voor Humanistiek. De publicaties van beide onderzoeken zijn
    gelijk met dit rapport verschenen (Otto 2006; Abu Zayd 2006).
1.4 uitwerking onderzoeksvr aag en r apportopbouw
    De ontwikkeling van islamitisch activisme in de moslimwereld in relatie tot
    democratisering en mensenrechten wordt in dit rapport onderzocht langs drie
    invalshoeken:
    • islamitisch-politiek denken binnen de sunnitische en shiietische hoofdstroom,
    • islamitisch-politieke bewegingen, en
    • islamitisch recht.
    Deze invalshoeken komen in de hoofdstukken 2 tot en met 4 achtereenvolgens
    aan de orde. Met deze volgorde wordt echter geen causale richting of sequentieel
    verband gesuggereerd, in de zin dat vernieuwingen starten op intellectueel
    niveau, zich vervolgens vertalen in politiek activisme en ten slotte neerslaan in
    recht. Verandering kán zich in deze volgorde voltrekken, maar andere sequenties
    zijn ook denkbaar, terwijl vernieuwing haar oorsprong óók kan vinden buiten
    deze gebieden. Bovendien zijn er meerdere invalshoeken denkbaar om de ont-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>   dy na miek in isla mi t isch ac t i visme
                             wikkeling van het activisme te bezien, zoals die van de in de praktijk ‘geleefde
                             islam’. Vanwege de aandacht in dit rapport voor de relatie van islamitisch
                             activisme met democratie en mensenrechten is hier gekozen voor de genoemde
                             publieke dimensies.
                             In hoofdstuk 2 staat de ontwikkeling van islamitisch-politiek denken centraal.
                             Er blijkt een breed spectrum aan opvattingen te bestaan, juist waar het gaat om
                             de inrichting van staat en samenleving, en de relatie van de islam tot democratie,
                             rechtsstatelijkheid en mensenrechten. De hier onderzochte denkrichtingen be-
                             vinden zich binnen de sunnitische en shiietische hoofdrichtingen. Eerst komen de
                             auteurs aan bod die gelden als de intellectuele vaders van de bewegingen die zich
                             sinds de jaren zeventig beijveren voor het vestigen van een islamitische staat en
                             het invoeren van islamitisch recht (par. 2.2). Zij worden ook wel als fundamen-
                             talisten aangeduid, aangezien ze streven naar politieke hervorming op basis van
                             de oorspronkelijke bronnen van de islam, de koran en de sunna. Voor het door-
                             breken van de stagnatie in de moslimwereld zoeken velen inspiratie in de islam
                             uit de begintijd. Daarna worden denkers besproken die afstand nemen van een
                             letterlijke navolging van deze heilige bronnen; ze laten zich inspireren door de
                             intentie en de zeggingskracht daarvan voor moderne vraagstukken (par. 2.3). Ver-
26                           volgens gaat het hoofdstuk in op de vraag naar de dynamiek in opvattingen en de
                             eventuele toenadering tot concepten van democratisering en de universele men-
                             senrechten (par. 2.4). In paragraaf 2.5 worden tot slot de conclusies getrokken.
                             Hoofdstuk 3 gaat in op de ontwikkeling van islamitisch-politieke bewegingen.
                             Paragraaf 3.2 beschrijft de voornaamste kenmerken van opkomende activistische
                             politieke bewegingen van de jaren zeventig. In sommige landen slaagden zij erin
                             de macht te veroveren (par. 3.3). In de meeste andere landen lukte dat niet of
                             alleen tijdelijk. Ze zijn daar echter wel nadrukkelijk aanwezig in de politieke en
                             maatschappelijke arena (par. 3.4). De wisselwerking met de staat blijkt grote
                             invloed uit te oefenen op de dynamiek en radicaliteit van dit activisme. Paragraaf
                             3.5 schetst deze dynamiek en beoordeelt de kansen voor (verdere) democratise-
                             ring en verbetering van mensenrechten.
                             Hoofdstuk 4 heeft als onderwerp de ontwikkeling van islamitisch recht in mos-
                             limlanden. Het onderzoekt de reikwijdte van de islamisering van het recht (par.
                             4.2) en stelt de relatie aan de orde tussen de universele en islamitische mensen-
                             rechten (par. 4.3). Een belangrijke vraag hierbij is of deze twee rechtscomplexen
                             haaks op elkaar staan dan wel toenadering toelaten. Paragraaf 4.4 interpreteert
                             de rechtsdynamiek, waarna de conclusies worden getrokken (par. 4.5).
                             Dit rapport richt zich uiteraard tot de Nederlandse regering. Maar een deel van de
                             voorgestelde beleidslijnen vergt samenwerking op Europees niveau; juist via dat
                             grotere kader kan Nederland invloed uitoefenen. Hoofdstuk 5 verkent welke
                             beleidsmogelijkheden Nederland (mede in eu-verband) ter beschikking staan om
                             eventuele spanningen te verminderen binnen de moslimwereld rondom vraag-
                             stukken van islamitisch activisme, en om processen van democratisering en
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>                                                                                  inleiding
bevordering van mensenrechten te ondersteunen. Het begint met een typering
van de huidige wereldpolitieke context waarbinnen dit beleid moet worden
gevoerd (par. 5.2). Vervolgens schetst het kort de bevindingen van de voorgaande
hoofdstukken over aanknopingspunten binnen het islamitisch activisme voor
toenadering tot concepten van democratie en mensenrechten (par. 5.3). Deze
bieden de opmaat voor het beleidsperspectief: een richtinggevend kader met
algemene uitgangspunten van beleid voor het constructief omgaan met islami-
tisch activisme en, waar mogelijk, het ondersteunen van democratisering en
mensen-rechten in de moslimwereld (par. 5.4). Paragraaf 5.5 belicht de relevantie
van deze algemene uitgangspunten aan de hand van concrete mogelijkheden
voor de Nederlandse regering om op Europees en bilateraal niveau vorm te geven
aan deze constructieve betrokkenheid met moslimlanden. Ten slotte gaat de
wrr kort in op de implicaties van dit beleidsperspectief voor de omgang met
islamitisch activisme in Nederland zelf, mede in het licht van de toegenomen
verwevenheid tussen externe en interne ontwikkelingen (par. 5.6). De slotpara-
graaf formuleert de eindconclusies (par. 5.7).
                                                                                            27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>   dy na miek in isla mi t isch ac t i visme
                noten
                1            Dit rapport gebruikt de term ‘moslimlanden’ voor landen waar meer dan vijftig
                             procent van de bevolking moslim is. Het betreft 48 landen (zie de bijlagen aan
                             het einde van dit rapport). Een overzicht van landen met een moslimmeerder-
                             heid is onder andere te vinden in Karatnycky 2002. Het bijvoeglijk naamwoord
                             ‘islamitisch’ betekent in dit rapport: de religie van de islam betreffend.
                2            De wereldwijde toename van het aantal democratieën is van relatief recente
                             datum. Rond 1900 verdiende geen enkele staat het predikaat ‘electorale demo-
                             cratie’ – een voor hedendaagse begrippen erg minimalistische en ontoereikende
                             invulling van het democratiebegrip die uitgaat van universeel kiesrecht voor
                             concurrerende meerpartijenverkiezingen. Slechts een handjevol landen (ruim
                             19 procent van alle staten en 12,4 procent van de bevolking) had democratische
                             trekken, maar zelfs de meest democratische daarvan kenden geen vrouwenkies-
                             recht en, in het geval van de vs, geen kiesrecht voor zwarten. Verreweg het groot-
                             ste deel uit deze groep had een politiek stelsel waarin een dominante partij de
                             politieke macht in handen had en een onevenredig grote invloed kon uitoefenen
                             op de media en het verloop van de verkiezingen. Van alle 130 staten hadden maar
28                           liefst 55 de status van kolonie en nog eens 20 die van protectoraat. De meeste
                             daarvan zouden pas tijdens het dekolonisatieproces in de twee decennia daarna
                             onafhankelijkheid verwerven. Illustratief is dat 33 van de huidige 57 lidstaten van
                             de Organisatie van de Islamitische Conferentie (oic) in 1950 nog de status van
                             kolonie of protectoraat hadden. Pas na 1974 steeg het aantal electorale democra-
                             tieën in de wereld in fors tempo: van 27 naar 43 procent in 1987 en uiteindelijk
                             ruim 62 procent aan het eind van de twintigste eeuw (Freedom House 1999).
                3            Zie voor de recentere analyses onder andere het rapport van Rand (Rabasa et al.
                             2005), de Arab Human Development Reports van de undp (undp 2003, 2004 en
                             2005), Roy 2004 en ook de publicaties van de International Crisis Group (icg),
                             zoals icg 2005a.
                4            Over de kenmerken en kwaliteit van democratieën en processen van democrati-
                             sering bestaat een rijke literatuur. Zie voor enkele recente verkenningen en
                             discussies onder andere het Journal of Democracy, bijvoorbeeld Diamond en
                             Morlino 2004. Zie voor een debat over democratisering en democratische tekor-
                             ten in moslimlanden onder andere Karatnycky 2002; Stepan en Robertson 2003
                             en 2004; Fish 2002; Lakoff 2004 en Nasr 2005.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>                                                      de ontwikkeling van het islamitisch-politiek denken
2   de ontwikkeling van het isl amitisch -
    politiek denken
2.1 inleiding
    In dit hoofdstuk wordt onderzocht welke inzichten zijn te ontlenen aan de
    ontwikkeling sinds de jaren zeventig van het islamitisch-politiek denken in rela-
    tie tot democratie en mensenrechten. De vraag hierbij is of hierin aanknopings-
    punten liggen voor het op langere termijn verminderen van spanningen rondom
    het islamitisch activisme en voor het versterken van processen van democratise-
    ring en verbetering van mensenrechten binnen moslimlanden.
    Het zal blijken dat het islamitisch denken over de vormgeving van staat, politiek
    en recht een genuanceerd beeld laat zien. De hier ten tonele gevoerde denkers
    zochten of zoeken allen naar nieuwe zeggingskracht van de islam voor het
    publieke leven. Ze maken deel uit van het islamitisch activisme en zijn allen aan
    te merken als hervormingsdenkers, maar over de richting van de voorgestane
    hervorming bestaan grote verschillen. Om dit zichtbaar te maken zijn ze inge-
    deeld in twee categorieën. De eerste categorie betreft denkers die hun inspiratie                     29
    voor nieuwe zeggingskracht zoeken in de utopie van de begintijd van de islam en
    daartoe de letter van de koran en de sunna als richtsnoer nemen. Deze groep
    wordt besproken in paragraaf 2.2. Hun invloed is groot; veel, ook militante, isla-
    mitische bewegingen, die zich vooral vanaf de jaren zeventig sterk deden gelden,
    zijn door hen opgericht of beïnvloed. Het zijn vooral hun opvattingen die
    voeding geven aan de vrees dat de islam op gespannen voet staat met democratie
    en mensenrechten.
    Er zijn evenwel ook denkers die juist de nadruk leggen op een positief verband
    tussen islam, democratie en mensenrechten; vanwege het belang voor de vraag-
    stelling van dit rapport wordt hier vooral aan hun opvattingen aandacht geschon-
    ken. Deze tweede categorie denkers komt aan de orde in paragraaf 2.3. Anders
    dan de eersten hanteren zij een moderne kennistheorie en benadrukken de
    inherente relativiteit van menselijke interpretaties van de heilige bronnen
    (Filali-Ansary 2003). Door hun nadruk op de geest van de koran en de sunna
    nemen zij afstand van de letterlijke tekst en scheppen zo ruimte voor appreciatie
    van democratie en mensenrechten. De keuze van de hier opgevoerde denkers
    berust niet op hun invloed of aanhang, maar op hun inhoudelijke bijdrage aan het
    ontdoen van de islam van zijn traditionalistische en legalistische interpretatie.
    De selectie is beperkt tot denkers binnen de twee islamitische hoofdrichtingen,
    namelijk de sunnitische en de shiietische richting. Hiermee wordt echter niet
    gesuggereerd dat zich bij andere richtingen, zoals van de alevieten, ahmadi’s
    en sufi-bewegingen geen uit het oogpunt van democratie en mensenrechten rele-
    vante opvattingen voordoen. De keuze is voorts toegespitst op denkers uit een
    beperkt aantal landen. Hierdoor is het mogelijk de context van die landen bij het
    denken en de dynamiek ervan te betrekken.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>   dy na miek in isla mi t isch ac t i visme
                             Dit hoofdstuk gaat in paragraaf 2.4 in op de vraag naar de dynamiek in opvattin-
                             gen en de eventuele toenadering tot concepten van democratisering en verster-
                             king van mensenrechten, terwijl paragraaf 2.5 de conclusies trekt uit de gepresen-
                             teerde inzichten. Het steunt in belangrijke mate (vooral par. 2.3) op een studie
                             voor de wrr door Nasr Abu Zayd, hoogleraar aan de Universiteit van Leiden en
                             de Universiteit voor Humanistiek in Utrecht. Deze studie, getiteld Reformation
                             of Islamic Thought: A Critical Historical Analysis is tegelijk met dit rapport uitge-
                             geven (Abu Zayd 2006). Voor de literatuur van de hieronder behandelde denkers
                             wordt naar Abu Zayds publicatie verwezen.
                2.2          hervorming door terugkeer naar de bronnen
                             Het huidige hervormingsdenken is in sterke mate geïnspireerd door opvattingen
                             die al aan het eind van de negentiende en in de vroege twintigste eeuw zijn
                             ontwikkeld. De toenmalige context van intensieve confrontatie met het Westen
                             en het westers denken leidde in de moslimwereld tot een grote behoefte aan
                             hervorming. Op staat en natie was – direct door kolonisatie of indirect door de
                             invloed van westers denken op het eigen regime – een zeer sterk westers stempel
                             komen te rusten waardoor de islam was verdreven naar de private sfeer. Deze
30                           westerse overheersing leidde in de moslimwereld tot een diepe identiteitscrisis.
                             De vraag waarom het Westen zo machtig was en de moslimwereld – eens een
                             grootmacht – zo zwak, speelde overal in de moslimwereld. De opheffing in 1924
                             van het kalifaat van het Osmaanse rijk – het toenmalige moslimrijk dat zich
                             opwierp als bestuur van de gehele moslimgemeenschap (umma) –vormde een
                             traumatische gebeurtenis, die velen in de moslimwereld beschouwden als een
                             nieuwe nederlaag van ‘de islam’ tegen het zo overheersende Westen. Dit leidde
                             tot een intensieve discussie over het kalifaat. Tegelijk was hiermee de discussie
                             over ‘islam en politiek’ geboren, waarover de twee categorieën hervormingsden-
                             kers zo’n verschillende positie innemen (Abu Zayd 2006).
                             Muhammid Rashid Rida (1865-1935) verdedigde het kalifaat als een authentiek
                             islamitisch politiek systeem. Hoewel niet met zoveel woorden genoemd in de
                             heilige geschriften – koran en sunna –, was het kalifaat zijns inziens noodzakelijk
                             om te voorkomen dat moslims terugvallen naar de staat van heidendom, de jahi-
                             liyya. Daarom zag hij herinvoering als bittere noodzaak; het antwoord op de door
                             westerse invloeden ontstane decadentie was het versterken van op islamitische
                             leest geschoeid recht en orde. Hasan al-Banna (1906-1948) deelde deze opvatting;
                             hij weet het verval van de moslimwereld aan de teloorgang van het elan van het
                             geloof uit de begintijd – de tijd van de Profeet en de zogenoemde ‘rechtgeleide
                             kaliefen’, de eerste vier kaliefen die na zijn dood regeerden. Al-Banna keerde zich
                             sterk tegen de bestaande traditionalistische en een van wereldse zaken afgekeerde
                             geloofspraktijk en tegen de ulama die deze ondersteunden. Zijn ideologische
                             boodschap was dat de islam, die immers berust op de goddelijke openbaring, een
                             orde zonder weerga is die alle aspecten van het menselijk leven dient te doortrek-
                             ken. Moslims moeten terug naar het zuivere geloof van de devote voorvaderen
                             van de umma, een geloof dat nog niet is ‘besmet’ door vreemde invloeden. De
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>                                                   de ontwikkeling van het islamitisch-politiek denken
gelovige kan Allah alleen kennen door de beschrijving die Hij zelf en via Zijn
Profeet heeft gegeven. Al het andere is heidendom. Daarom moeten alle westerse
invloeden worden verwijderd, zoals wetboeken, sociale gewoontes (kleding,
groeten, werktijden, talen), ideeën en instituties, en moet de sharia (islamitische
wetgeving) over de hele linie worden ingevoerd (Abu Zayd 2006).
Om zijn ideeën te verwezenlijken, richtte al-Banna in 1928 de Egyptische Moslim
Broederschap op. Zijn strategie was om met de Broederschap allereerst de Egyp-
tische samenleving te islamiseren. Dit voorbeeld diende elders in de moslimwe-
reld te worden nagevolgd als noodzakelijke weg naar het uiteindelijke kalifaat.
Met deze denkbeelden geldt al-Banna als de vader van het concept van ‘de islami-
tische staat’ (Fuller 2003: 9), die van onderop geleidelijk moet worden opge-
bouwd en moet uitlopen op het kalifaat. De islam zag hij als de alomvattende
oplossing voor alle grote vraagstukken en als het ideologisch alternatief voor
kapitalisme en communisme (Buijs 2002: 68). Van meet af aan richtte de bewe-
ging zich onder zijn leiding op – in huidige terminologie – humanitaire doelen en
maatschappelijk opbouwwerk onder de armere lagen van de bevolking, en paste
ze bij het islamiseren vreedzame middelen toe. Ze creëerde aldus een uitgebreid
netwerk van islamitische scholen, vakverenigingen, jongerenverenigingen e.d.
Al-Banna, die in 1949 werd vermoord, bepleitte ook participatie aan het politieke                      31
proces; islamisering van de staat was immers een belangrijk doelwit, als tussen-
station op weg naar het kalifaat.
De Egyptische Moslim Broederschap wordt gezien als de moeder van de vele
bewegingen die zich tot op heden manifesteren met de eis van islamisering van
staat en samenleving. Die stimulerende rol geldt zeker, maar niet uitsluitend voor
de sunnitische wereld. Hasan al-Banna was sterk beïnvloed door zowel het sala-
fisme als het wahhabisme. Het salafisme voert terug tot de denkbeelden van
Jamal al-Din al-Afghani en Muhammed Abdu, denkers die juist te boek staan als
belangrijke vernieuwers. Deze stroming richtte zich aanvankelijk dan ook vooral
op modernisering. Het oogmerk was de grote tegenstellingen te overwinnen
tussen de sunnitische en shiietische stroming, alsook tussen de vier sunnitische
rechtsscholen. Met het beroep op ‘de utopie van de begintijd’ en de oproep om het
voorbeeld van de vroege umma te volgen, appelleerde ze zowel aan het authen-
tiek-islamitische, in reactie op de westerse culturele en politieke dominantie, als
aan het activisme, in reactie op traditie en lijdzaamheid. Hierdoor zou de gegroei-
de verdeeldheid en verstarring kunnen worden overwonnen. Al-Banna’s streven
naar herstel van het kalifaat voerde hem en de Broederschap echter geleidelijk in
de richting van het zeer conservatieve en intolerante wahhabisme (Abu Zayd
2006). Deze leer, die tevens het geloofssysteem is van het huidige Saoedi-Arabië,
is gebaseerd op de denkbeelden van Muhammed Ibn ‘Abd al-Wahhab (1703-1792).
Hij predikte een absolute theocratie en een zeer puriteinse, ‘ware’ islam zoals
letterlijk neergelegd in de koran, met een zo getrouw mogelijke nabootsing van
de handel en wandel van de profeet. Door middel van de oliedollars heeft dit
geloofssysteem, dat ook een zeer strikte scheiding van seksen predikt, wereld-
wijd grote invloed gekregen in de gehele moslimwereld, zeker ook in het Westen,
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>   dy na miek in isla mi t isch ac t i visme
                             waaronder Nederland (aivd 2004). Externe beïnvloeding vindt overigens vooral
                             plaats onder de vlag van het salafisme, waarvan de hoofdstroom zich met het
                             wahhabisme heeft verbonden. Deze puriteinse beweging benadrukt de transna-
                             tionale islamitische identiteit en gemeenschap (umma) en is sterk gekant tegen
                             westerse invloed (icg 2004a).
                             In de loop van haar geschiedenis heeft de Broederschap in reactie op onderdruk-
                             king door de Egyptische regering periodes van radicalisering gekend en ook
                             tot meer radicale afsplitsingen geleid. Dit betreft bijvoorbeeld uitgesproken revo-
                             lutionaire bewegingen zoals de Jama’a al-Islamiyya en de Egyptische Islamitische
                             Jihad, die vooral in de jaren tachtig van de vorige eeuw in Egypte opbloeiden
                             en evenals de Broederschap elders in de moslimwereld veel navolging kregen.
                             De inhoudelijke inspiratie voor deze radicalisering werd vooral geleverd door
                             Sayyd Qutb (1906-1966), die de Moslim Broederschap in de vroege jaren vijftig
                             leidde.
                             Qutb geldt als de theoreticus van het militante islamitisch activisme. Zijn denk-
                             beelden, die nog veel sterker dan die van al-Banna gericht waren op politisering
                             van de islam, ontwikkelde hij vooral in gevangenschap. Evenals al-Banna
32                           omschreef hij Egypte als verkerend in een staat van jahiliyya (pre-islamitisch
                             heidendom). Deze diagnose betrof niet alleen de meerderheid van de bevolking,
                             maar vooral de gevestigde politieke orde en het religieuze establishment. Waar de
                             koran volgens Qutb de bron van alle ware kennis is en derhalve ook de absolute
                             maatstaf is voor het beoordelen van kennis, moeten filosofie, sociale weten-
                             schappen en politieke systemen zonder uitzondering als heidense uitingen wor-
                             den gezien. Uitgaande van het concept van de absolute en exclusieve soeverei-
                             niteit van God (hakimiyya: alle gezag behoort God en alleen God dient te worden
                             gehoorzaamd) deelde hij de samenleving in twee kampen in: zij die God gehoor-
                             zamen en zij die dat niet doen. Deze manicheïstische opvatting van een absolute
                             tegenstelling tussen goed en kwaad vormt een belangrijke rechtvaardiging van
                             rebellie en strijd. Lag bij al-Banna het accent op (vreedzame) islamisering van
                             onderop, Qutb richtte zijn pijlen vooral op de staat. Anti-islamitische regeringen
                             en neokolonialisme hadden volgens hem geleid tot een gecorrumpeerde en on-
                             gelovige samenleving; de islam stond op de rand van de afgrond. Alle seculiere
                             regeringen waren in zijn ogen goddeloos en moesten omvergeworpen worden
                             om een waarlijk islamitisch bewind (uiteindelijk over de gehele aarde) te vestigen.
                             Hij bepleitte de vorming van een voorhoede-organisatie die deze strijd aanbond.
                             Deze ‘jihad’ tegen primair de zittende macht zag hij als een dwingende en legi-
                             tieme plicht. Volgens Buijs (2002), aan wie deze beschrijving is ontleend, betrof
                             dit niet per se een gewapende strijd. De keuze van de in te zetten middelen zag
                             Qutb als afhankelijk van de concrete situatie en doelstelling. Met deze visie op de
                             jihad-als-vrijheidsstrijd doorbrak hij het traditionele islamitisch-juridisch den-
                             ken dat stabiliteit prefereerde boven rechtvaardigheid en legitimiteit van de staat.
                             Hij bepleitte tegelijk heropening van ‘de poorten van de ijtihad’ (het recht op
                             juridische interpretatie van de concrete implicaties van de geloofsleer) die vanaf
                             de tiende eeuw door de schriftgeleerden gesloten waren verklaard.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>                                                    de ontwikkeling van het islamitisch-politiek denken
Ook de Indiër en latere Pakistaan al-Mawdudi (1903-1979) heeft in belangrijke
mate vorm en inhoud gegeven aan wat later te boek is komen te staan als de
politieke islam. Hij had grote invloed op Qutb, maar miste diens militante
radicalisme; in Pakistan nam hij juist deel aan de politieke instituties. Anders
dan al-Banna was hij een uitgesproken voorstander van islamisering van bovenaf
(Kepel 2002: 34). Maar net als al-Banna en Qutb benadrukte hij het islamitisch-
eigene (van religie, filosofie, cultuur, politiek en economisch systeem en onder-
wijs). Veel sterker dan zij accentueerde hij echter het superieure ervan aan wat
de (materialistische) westerse beschaving bood; er was dan ook geen enkele
noodzaak ook maar iets van het Westen te ‘lenen’. De representatie op aarde van
het allesomvattende universum, waarin alle macht aan Allah toebehoort, komt
toe aan ‘de staat van de islam’. Voor de noodzakelijke islamisering waren er maar
twee gezaghebbende bronnen, namelijk de koran en de sunna, die ook volgens
Mawdudi tot in detail letterlijk moesten worden genomen. Het zijn immers
heilige teksten: de koran als het ‘ongeschapen’ en derhalve eeuwig geldende
geopenbaarde woord van God, en de sunna met de overleveringen over de door
God geïnspireerd geachte uitspraken van Mohammed (Arkoun 1992).
Al-Mawdudi speelde een belangrijke rol in de door hem in 1941 in Pakistan
opgerichte Jamaat-i-Islami beweging (organisatie voor de islamitische wederge-                          33
boorte). Hij was een uitgesproken panislamitisch denker, en keerde zich tegen
het nationalisme. Immers, de moslimidentiteit is een universele, en de nationale
staat is in tegenspraak met dit universele. Het concept van de nationale staat is
hiervoor zelfs gevaarlijk, zowel theologisch als in de praktijk. Theologisch, omdat
de natiestaat zich nooit als gezaghebbend identificatieobject tussen God en mens
kan bevinden, en praktisch, omdat ze de eenheid van de moslimgemeenschap
(umma) bedreigt. Daarom wees hij Pakistan-als-moslimstaat af; Pakistan moest
een islamitische staat worden. De terugkeer naar de islam diende ook bij hem uit
te gaan van hakimiyya; de islam is derhalve een alomvattende ideologie voor
individu en gemeenschap, voor staat en maatschappij. De gelovigen, en niet de
schriftgeleerden (ulama) vormen de hoeders van Gods erfgoed. Strikte en door-
leefde onderwerping aan Gods woord en navolging van het voorbeeld van de
Profeet maken iemand tot een goede moslim, al het andere is een uitdrukking van
ongeloof. Juist onderschikking aan Gods gezag verschaft mensen vrijheid. Het
opstellen van eigen wetten is een uitdrukking van arrogantie, want de sharia
bevat alle noodzakelijke voorschriften. Regeerders moeten niet alleen competent
zijn maar vooral vroom, en ze moeten verstoken blijven van het streven naar
eigenbelang. Ze zijn verplicht de gelovigen te consulteren (het koranische prin-
cipe van shura) om belangen te kunnen verzoenen en een situatie van algehele
harmonie onder de gelovigen te bewerkstelligen (Buijs 2002: 68-70).
Al-Banna, Qutb en al-Mawdudi hadden vooral invloed in de sunnitische wereld,
maar ze vormden ook een belangrijke bron van inspiratie voor de leiders van de
islamitische revolutie in het shiietische Iran (Abu Zayd 2004: 60). De offspring
van hun opvattingen doet zich tot op heden gelden, ook in de vooral sinds ‘11
september’ zo bekende grimmige gedaantes in het Westen. De Palestijn Abdullah
</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>   dy na miek in isla mi t isch ac t i visme
                             Azzam geldt als belangrijke inspirator van extremistische groepen die de gewa-
                             pende jihad voorstaan. Hij is tevens de leermeester van Osama bin Laden, hét
                             symbool bij uitstek van deze gewapende strijd. Azzam is sterk beïnvloed door
                             Qutb en de Salafiyya jihadiyya, de extreem-conservatieve en gewelddadige
                             beweging die ontstond in de context van de oorlog tegen het door de Sovjet-Unie
                             gesteunde regime in Afghanistan (icg 2004a). Kan Qutb worden gezien als de
                             vader van de islam als verzetsideologie gericht tegen de eigen repressieve regi-
                             mes, Azzam verbreedde deze jihad naar de externe vijanden van de islam door
                             wie hij de moslimwereld zag omsingeld en die hij een voor een wilde aanpakken.
                             Hij bestreed de nationalistische oriëntatie van veel bewegingen; de natiestaat zag
                             hij als een product van kolonialisme en imperialisme. “De moslimlanden zijn
                             gelijk aan één land”, zo stelde hij in navolging van de moslimtheoloog en jurist
                             Ibn Taymiyyah (1263-1328). Osama bin Laden heeft Azzams gewapende strijd
                             verbreed naar in principe de gehele wereld (Buijs 2002: 76-80). Diens opvattin-
                             gen sluiten precies aan bij Huntingtons concept van een ‘clash of civilizations’
                             (Huntington 1996).
                             Zoals in het volgende hoofdstuk zal blijken, zijn de vele bewegingen die zijn
                             voortgekomen uit het gedachtegoed van de besproken auteurs slechts ten dele
34                           geslaagd in het islamiseren van staat en samenleving. Dit komt omdat zij niet
                             alleen de regeringen tegenover zich vonden maar vaak ook het religieuze esta-
                             blishment, dat immers volgens die auteurs – overigens alle leken – een deel van
                             het probleem vormde omdat dat zich te zeer had uitverkocht aan het regime
                             (Kepel 2002). Het politieke succes van het islamitisch activisme was echter
                             groot in het shiietische Iran. De intellectuele inspiratie verschafte Ali Shariati
                             (1933-1977), die een grote invloed had op de later zo bekend geworden Ayatollah
                             Ruhollah Khomeini. Shariati was vooral gezaghebbend in de studentenwereld,
                             Khomeini had gezag in de religieuze wereld en daaraan loyale delen van de
                             bevolking. Juist door deze samenwerking kon de islamitische revolutie in Iran
                             slagen.
                             Shariati was sterk beïnvloed door linkse intellectuelen als Jean Paul Sartre en
                             revolutionairen als Ernesto ‘Che’ Guevara en vond hiernaast ook inspiratie in de
                             Algerijnse vrijheidsstrijd. Hij vroeg zich af of de derde wereld, om zich te bevrij-
                             den van corruptie, stagnatie en de economische en culturele dominantie, baat
                             kon hebben bij een westerse ideologie als het marxisme. Zijn antwoord was ont-
                             kennend: alleen door de eigen identiteit te herontdekken was bevrijding moge-
                             lijk. De islam bevat alle theoretische kwalificaties voor een radicale doctrine, en
                             tegelijk een spirituele voeding waarin de moderne materialistische ideologieën
                             niet kunnen voorzien. Voor deze Derde Weg moest de islam zijn oorspronkelijke,
                             revolutionaire elan terugwinnen. De mullahs (geestelijken) beschuldigde hij
                             ervan het shiietisme in een ‘oude vrouwtjes’-religie te hebben veranderd. Dit
                             shiietisme kent een belangrijke rol toe aan het martelaarschap van Imam Hussein,
                             de zoon van de vierde kalief Ali (schoonzoon van de profeet), die als imam in
                             680 werd verslagen en gedood door de sunnitische kalief van Damascus. Deze
                             gebeurtenis, die de shiieten jaarlijks herdenken, werd lang geïnterpreteerd als een
</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre>                                                          de ontwikkeling van het islamitisch-politiek denken
      aanmoediging om zich af te keren van de wereld van politiek en macht. Shariati
      viel dit politiek quiëtisme aan; de gebeurtenis van 680 moest juist worden gezien
      als een aanmoediging om de strijd te hervatten die Ali had aangebonden tegen
      de onrechtvaardigheden van de toenmalige staat. De fundamentele boodschap
      van de islam moest weer worden opgepakt, en er moest gestreden worden tegen
      de gevestigde politieke orde. Met een grote nadruk op ‘de misdeelden’ gaf hij een
      marxistische connotatie aan zijn interpretatie van de islam.
      Ayatollah Khomeini nam dit revolutionaire activisme over, evenals het idee van
      revolutie in naam van de misdeelden en Shariati’s ideeën omtrent het overnemen
      van de staatsmacht. Het verschil was vooral dat waar Shariati de revolutie geleid
      zag door een voorhoede van verlichte intellectuelen, Khomeini deze rol zag weg-
      gelegd voor de clerus. Khomeini werkte hiernaast ook uit hoe een islamitische
      staat vorm zou moeten worden gegeven. Beïnvloed door het Franse constitutio-
      nele denken werd dat een ‘theodemocratie’ (de term die Mawdudi reserveerde
      voor het door hem nagestreefde systeem in Pakistan): een combinatie van theo-
      cratie en democratie. Aan het koranische principe van shura (door de heerser te
      raadplegen vergadering; wel gezien als het equivalent van een parlement) werd
      vastgehouden, maar president en parlementsleden werden wel gekozen volgens
      het algemeen kiesrecht. Beide organen waren evenwel ondergeschikt aan een                               35
      Raad van Hoeders en de Geestelijk Leider, die beide toezicht houden op het isla-
      mitisch gehalte van de kandidaten voor deze organen en de besluiten ervan.
      De belangrijke rol die Khomeini toebedeelde aan de clerus leidde ertoe dat in Iran
      de letterlijke uitleg van koran en sharia in elk geval formeel de boventoon is gaan
      voeren.
      De hier besproken denkers hebben alle grote invloed uitgeoefend op het politise-
      ren van de islam. Hun hervormingsstreven was vooral gericht op islamitische
      bewustwording en het niet langer a priori accepteren van statelijk en traditioneel-
      religieus gezag. Ze leverden gezamenlijk de ingrediënten van een activisme dat
      zich – vooral zichtbaar vanaf de jaren zeventig – in tal van bewegingen mani-
      festeerde, zoals het letterlijk nemen van de koran, de sharia als uitsluitende rechts-
      bron (vooral in de sunnitische wereld), de theocratie, het zich keren tegen het reli-
      gieuze establishment, het afwijzen van wereldlijk gezag, antisecularisme, jihad (in
      de zin van ‘heilige oorlog’), authenticiteit en een sterke antiwesterse gezindheid.
      Dit activisme staat op gespannen voet met democratie en universele mensenrech-
      ten. Tegenover volkssoevereiniteit plaatsten deze denkers godssoevereiniteit op
      een wijze die geen ruimte liet voor onvervreemdbare mensenrechten.
2.3   hervorming door herinterpretatie van de heilige
      bronnen
2.3.1 de wegbereider s
      De in de vorige paragraaf genoemde auteurs zochten een heropleving van de
      islam door terug te keren naar de letter van de koran en de sunna. Zij verzetten
</pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 37 ======================================================================

<pre>   dy na miek in isla mi t isch ac t i visme
                             zich tegen de gegroeide menselijke tradities (met een kleine letter t) door terug te
                             grijpen naar de in hun ogen in deze bronnen zelf neergelegde heilige Traditie
                             (met een hoofdletter T): de begintijd van de islam. Momenteel zijn er echter ook
                             veel auteurs die op zoek zijn naar de geest van deze bronnen en vanuit deze inspi-
                             ratie antwoord proberen te geven op vragen over de inrichting van de samen-
                             leving. Voor dit rapport zijn juist die auteurs van groot belang. Hun politieke
                             denken ontwikkelde zich vooral in de twintigste eeuw, maar het grondwerk hier-
                             voor werd al verricht in de negentiende eeuw. Toen zijn al een aantal belangrijke
                             dogmatische obstakels geslecht die de ontwikkeling van dit politieke denken in
                             de weg stonden. Daarom wordt begonnen met hun denkbeelden.
                             Ook het hervormingsdenken van de wegbereiders kwam op in reactie op de
                             identiteitscrisis van de moslimwereld onder invloed van de westerse overheer-
                             sing. Evenals de eerste categorie hervormingsdenkers stelden zij het idee van
                             verval van de moslimwereld voorop. Hun reactie was echter niet een oproep tot
                             hernieuwde islamisering van de samenleving en staat naar het oermodel, maar
                             tot modernisering van de islam zelf. De oorzaken van het verval zochten ze
                             vooral in het traditionalisme dat in de moslimwereld een vrijwel dogmatisch
                             karakter had gekregen. Ze verzetten zich dus met name tegen de ‘verwording’
36                           van de islam tot een religie die zich uitsluitend bezighield met wat moet en
                             wat niet mag. Die fixatie van de klassieke islam op regels berust op vier bronnen
                             van kennis (in afnemende mate van belangrijkheid).
                             1 De koran als het letterlijke woord van God, waarvan de boodschap geldig is
                                 voor de hele mensheid, dus onafhankelijk van plaats en tijd.
                             2 De profetische Traditie (sunna): de uitspraken en handelingen van de Profeet,
                                 berustend op openbaringen. Als kennisbron door de juristen gaandeweg
                                 gelijkwaardig aan of zelfs belangrijker gevonden dan de koran.
                             3 De doctrine van de ‘consensus van de ulama’ (rechtsgeleerden) voor de geval-
                                 len die niet in de twee eerste bronnen waren geregeld.
                             4 Syllogismen (via analogie) voor de overige gevallen.
                             Beide laatstgenoemde vormen geen zelfstandige bronnen van rechtsvinding,
                             maar betreffen de methoden van interpretatie van de twee eerstgenoemde
                             tekstuele bronnen. Het recht op interpretatie (ijtihad) bestond omdat niet alle
                             regels in de koran en de sunna duidelijk waren, en deze derhalve met behulp van
                             menselijk intellect achterhaald dienden te worden. Deze theorie van de rechts-
                             vinding werd ontwikkeld in de eerste eeuwen van de islam. Vanaf de tiende
                             eeuw werd de rechtsontwikkeling voltooid geacht; hiermee werden ‘de poorten
                             van de ijtihad’ door de schriftgeleerden weer gesloten. Vanaf die eeuw lagen alle
                             regels vast en begon de periode van ‘navolging’ (Berger 2006).
                             Om de islam te bevrijden uit het keurslijf van de zo dogmatisch onderbouwde
                             status van de tradities en zelfs de Traditie moesten zeer principiële stappen
                             worden gezet. Het is dan ook niet verwonderlijk dat dit hervormingsdenken
                             begon met de aanval op één van de minst heilige fundamenten daarvan, het
                             verboden recht op nieuwe interpretatie, en eindigt met het ter discussie stellen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 37 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 38 ======================================================================

<pre>                                                  de ontwikkeling van het islamitisch-politiek denken
van het meest heilige, de koran zelf. De verschillende lagen van de dogmatische
traditionaliteit moesten als het ware als een ui worden afgepeld om bij de kern,
de intenties van de koran en de sunna, uit te kunnen komen. Pas dan kan voluit
sprake zijn van een principiële appreciatie van democratie en mensenrechten.
Ook de in paragraaf 2.2 besproken auteurs, die zich eveneens keerden tegen het
traditionalisme, bepleitten soms een hernieuwd recht op ijtihad maar gingen
niet zover dat ze de status van de sunna en de koran zelf ter discussie stelden.
Integendeel, de denkers en de bewegingen die in hun kielzog ontstonden, wilden
alleen de historische scheefgroei (de menselijke tradities) verwijderen om de
oorspronkelijk voorgeschreven gedragswijzen – de Traditie – in ere te kunnen
herstellen.
Dat alleen de klassieke ulama het monopolie hadden op de interpretatie van de
koran en de sunna (de consensus) werd al vroeg ter discussie gesteld, namelijk in
de achttiende eeuw. Zo verdedigde de Indiër en sufi Shah Wali Allah (1702-1762)
het recht op ijtihad als uitkomst van persoonlijke inspanning van ook anderen
dan de ulama. Hij benadrukte al de geest van de wet. Doordat die altijd en overal
toepasbaar is, kan de vorm van de wet worden aangepast aan de met tijd en plaats
variërende omstandigheden. Op deze wijze kon hij afstand nemen van de klakke-
loze toepassing van de geldende oude gedragsregels. Volgens de Egyptenaar Al-                         37
Tahtawi (1801-1873) waren de schriftgeleerden meer dan louter de hoeders van
een gevestigde en gefixeerde traditie. Evenals Wali Allah bepleitte hij heropening
van de poort van de ijtihad. Door hernieuwde toepassing van rationeel redeneren
moest het principe van consensus worden opengebroken en zou de sharia aan
nieuwe omstandigheden kunnen worden aangepast. Hij suggereerde zelfs dat er
weinig verschil bestond tussen de principes van de sharia en het natuurrecht
waar het Europese recht op is gebaseerd. Dat legitimeerde ook dat een gelovige
onder bepaalde omstandigheden wetten kan accepteren uit andere dan islamiti-
sche wetboeken. Hiermee effende hij de weg voor het opnemen van westerse
wetboeken in het Egyptische recht. Eveneens werd hiermee een proces gestart
van aantasting van het consensusprincipe en van de hiermee samenhangende
hegemonische autoriteit van de traditionele ulama in de gehele moslimwereld,
een proces dat zich tot op heden heeft voortgezet en geïntensiveerd. Dankzij
stijgende opleidingsniveaus en moderne communicatiemiddelen is die autoriteit
sterk verminderd en nemen inmiddels velen, ook buiten de kring van schrift-
geleerden en intellectuelen, deel aan de interpretatie van de voorschriften.
Nadat aldus het dogma van het verbod op menselijke interpretatie van de heilige
bronnen was doorbroken, ontstond de intellectuele ruimte voor het opnieuw
doordenken van de twee heilige bronnen zelf. Belangrijke pioniers in de herinter-
pretatie van de sunna en de koran waren onder meer Jamal al-Din Al-Afghani
(1838-1897), Sayyed Ahmed Khan (1817-1898) en Muhammed Abdu (1845-1905).
De positie die zij innamen over deze twee heilige bronnen is tot op heden in de
moslimwereld controversieel gebleven.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 38 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 39 ======================================================================

<pre>   dy na miek in isla mi t isch ac t i visme
                             Al-Afghani gaf de klaroenstoot tot deze vernieuwing. Evenals de latere, in de
                             vorige paragraaf al besproken Rashid Rida was hij een uitgesproken voorstander
                             van het panislamitische idee. Ook was hij voor het kalifaat, als tegenwicht tegen
                             de Europese dominantie, maar de samenbindende factor, de islam, moest dan wel
                             moderniseren. De achtergebleven situatie van moslims lag zijns inziens niet aan
                             de islam als zodanig, maar aan een verkeerd begrip van de islam door moslims.
                             Meer dan het christendom zag al-Afghani de islam als een religie die in harmonie
                             verkeert met de principes van de wetenschappelijke rede. De islam zou juist de
                             motor kunnen vormen van wetenschap en vooruitgang. Bron van inspiratie
                             vormde voor al-Afghani niet de begintijd van de islam, zoals voor Rida, maar de
                             periode van de tiende tot de veertiende eeuw waarin de filosofie, de wetenschap-
                             pen en het vrijdenken bloeiden; deze periode vormt het bewijs van het samen
                             kunnen gaan van islam en rationele wetenschap. Voor een heropleving hiervan
                             waren ingrijpende sociale, politieke en intellectuele veranderingen nodig; de
                             islam zou zijn rol moeten terugvinden van moreel kompas.
                             Hierop voortbouwend wilden de Indiër Sayyed Ahmed Khan en de Egyptenaar
                             Muhammed Abdu de islam bevrijden van het dogma van de Traditie, zoals beli-
                             chaamd in de sunna. In de klassieke leer kwam de profetische Tradities, hoewel
38                           anders van vorm, hetzelfde gezag toe als de koran zelf; toch ging het daarbij niet
                             om het woord van God, maar om de veel later door mensen opgetekende versla-
                             gen van mondeling doorgegeven uitspraken, handelingen en openbaringen van
                             de Profeet. In de loop van de tijd was de sunna echter steeds meer aanvaard als de
                             juiste uitleg van de koran, die zonder de sunna niet goed begrepen kon worden.
                             Zelfs gold dat de koran niet zonder sunna kon, maar de sunna wel zonder koran.
                             Khan vocht dit aan door de universaliteit van de koran te benadrukken tegenover
                             de historiciteit en daarmee toevalligheid en feilbaarheid van de sunna. Door
                             analoog aan de westerse bijbelkritiek aan te tonen hoezeer de sunna beïnvloed
                             was door heersende opvattingen, poogde hij tegelijk de koranexegese te bevrij-
                             den van de Traditie; de koran werd immers geïnterpreteerd via de sunna. De
                             koran staat geheel op zichzelf, stelde hij, en kan door een verlichte geest met de
                             principes van ‘de rede’ en ‘de natuur’ begrepen worden. Juist de universaliteit
                             maakt het voor iedere generatie mogelijk er een betekenis aan te ontlenen die
                             relevant is voor de dan geldende situatie. Abdu verwierp niet zoals Khan vrijwel
                             iedere hadith als onbetrouwbaar, maar ook hij wilde de koran zelf weer in het
                             centrum van de aandacht van moslims plaatsen. In het begin van de twintigste
                             eeuw leidden deze opvattingen tot heftige polemieken in India en Egypte tussen
                             bewegingen die zich groepeerden rond slogans als ‘Ahl-i-Quran’ (‘volg de koran’)
                             versus ‘Ahl-i-Hadith’ (‘volg de hadith’).
                             Met de bevrijding van de koranexegese van de zware last van de Traditie kwam de
                             koran centraal te staan. Hiermee was tevens de weg geëffend voor een modernere
                             interpretatie van de koran zelf. De (westerse) moderniteit werd in de moslimwe-
                             reld vooral vereenzelvigd met natuurwetenschappelijke vindingen en rationa-
                             liteit. Khan stelde zich voor de opgave de koran te verzoenen met de spectaculaire
                             westerse natuurwetenschappelijke ontdekkingen. Zijn stelling was dat deze
</pre>

====================================================================== Einde pagina 39 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 40 ======================================================================

<pre>                                                     de ontwikkeling van het islamitisch-politiek denken
manifestaties betreffen van Gods beloften in de werkelijkheid, terwijl de koran
Gods beloften in woorden presenteert. In de koran genoemde wonderen en
bovennatuurlijke verschijnselen moeten dan niet letterlijk worden begrepen,
maar als metaforen, allegorieën of andere indirecte uitdrukkingswijzen. Maar via
deze these van harmonie tussen ‘belofte in woorden’ en ‘belofte in de werkelijk-
heid’ was zijn principiële punt dat koran en moderne wetenschap niet in tegen-
spraak zijn. Hiermee staat Khan aan de basis van auteurs en bewegingen die ook
nu opgeld doen, zoals die welke de wetenschappelijke weergaloosheid van de
koran proberen aan te tonen (alle kennis is al in de koran neergelegd), evenals de
huidige beweging die zich richt op ‘islamisering van kennis en wetenschap’.
Anders dan de denkers die zijn besproken in paragraaf 2.2, wees hij kennis als
product van de moderniteit derhalve niet af, maar poogde deze onder de islamiti-
sche vlag te brengen.
Muhammed Abdu hield zich eveneens bezig met de relatie tussen islam,
moderne kennis en rationaliteit. Maar anders dan Khan probeerde hij niet tot
verzoening te komen door vanuit de islam of de koran alle moderne kennis als ten
principale ‘islamitisch’ aan te merken, maar door moderne kennisbronnen in te
zetten voor een fundamenteel onderzoek van de islamitische erfenis, inclusief de
koran zelf. Dit was de eerste poging om de koran te contextualiseren, namelijk                           39
door deze te projecteren tegen de zevende-eeuwse historisch-culturele achter-
grond. Zo bevrijdde hij de koran van de claims van historische en wetenschappe-
lijke onovertroffenheid. De koran moest zijns inziens niet letterlijk worden
begrepen, maar als een literaire tekst, die de boodschap weergeeft in een taal die
het toenmalige Arabische wereldbeeld en intellectuele niveau reflecteert. De
verhalen moeten dus niet letterlijk worden genomen; ze zijn bedoeld voor ethi-
sche, spirituele en religieuze doelen en als zodanig hebben ze ook een belangrijke
functie voor andere tijden en plaatsen. Met zijn contextualisering kwam Abdu
dicht bij het ontmythologiseren van het koranische verhaal alsook van de heilig-
heid van de tekst zelf. Daarmee deed hij zijns inziens echter niet af aan het belang
van religie. Hij zag religie als een essentieel deel van het menselijk bestaan; juist
daarom was echte maatschappelijke hervorming alleen mogelijk door een
hervorming van het islamitisch denken.
Met zijn opvattingen is Abdu de meest vooraanstaande wegbereider voor de
latere hervormingsdenkers. Hij en zijn voorgangers hebben de islam ontdaan van
de identificatie met tradities en Traditie en van de sacrale dwang-van-de-letter en
de daaruit voortvloeiende dogmatische fixatie op geboden en verboden. Hierdoor
ontstond de mentale ruimte om juist de vereenzelviging aan te vechten van de
islam met de macht en de staat, en om tot appreciatie te komen van democratie en
mensenrechten.
In veel moslimlanden hebben hervormingsdenkers voortgebouwd op deze basis.
In de volgende paragraaf zal een aantal voor het voetlicht worden gehaald. Waar
het de bedoeling van dit rapport is te onderzoeken of er in de moslimwereld con-
ceptuele aanknopingspunten zijn voor de ontwikkeling van een democratische
</pre>

====================================================================== Einde pagina 40 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 41 ======================================================================

<pre>   dy na miek in isla mi t isch ac t i visme
                             rechtsstaat, is het niet nodig alle tot deze stroming behorende denkers de revue te
                             laten passeren. De conceptuele uitwerkingen worden ook beïnvloed door de
                             specifieke politieke context van de landen waarbinnen de betrokken denkers
                             opereren. Om hiermee rekening te kunnen houden wordt de schijnwerper vooral
                             gericht op denkers in twee belangrijke sunnitische landen, namelijk Egypte
                             (het intellectuele kernland in de Arabische wereld) en Indonesië (het land met
                             de meeste moslims), en op denkers in het shiietische Iran, het land waar al 25 jaar
                             echte ervaring bestaat met een theocratie, waaronder het klassiek-islamitische
                             rechtsstelsel. Ten slotte wordt ingegaan op enkele vooraanstaande denkers die
                             afkomstig zijn uit andere dan deze drie landen. Ook wordt nog aandacht besteed
                             aan de zeer actieve denkrichting van de feministische hermeneutiek, die de posi-
                             tie van vrouwen in de islam opnieuw doordenkt.
                2.3.2        eigentijdse hervormer s
                             Egypte
                             De onder meer door Abdu – via het eerder bevochten recht op hernieuwde inter-
                             pretatie – ingezette contextualisering van de koran is in de twintigste eeuw
                             door veel denkers voortgezet. Zo verdedigde zijn leerling ‘Ali’ Abd al-Raziq
40                           (1888-1966) begin twintigste eeuw het opheffen van het kalifaat met als argument
                             dat er niet zoiets bestaat als een specifiek islamitisch politiek systeem. Op grond
                             van onderzoek concludeerde hij dat noch uit de koran, de Traditie of de consen-
                             sus van de schriftgeleerden, uit de begintijd of sindsdien, een systeem als het
                             kalifaat valt af te leiden. Wanneer de islam geen politieke theorie kent, bestaat
                             derhalve een keuzevrijheid voor moslims. Op grond van intern-islamitische
                             argumentatie betoonde hij zichzelf een groot voorstander van de scheiding
                             tussen moskee en staat.
                             Het door vele moslims aangehangen idee als zou de koran het letterlijke woord
                             van God zijn, werd aangevochten door met name Taha Husayn, Amin al-Khuli en
                             Ahmad Khalafalla aan de hand van literatuur- en geschiedwetenschappelijke
                             methoden. Zij benadrukten de koran als – menselijke – ‘tekst’, een tekst die voor-
                             al ook gezien moet worden als een literair product. Taha Husayn (1889-1973)
                             zag de koran als een op zichzelf staande literaire categorie. Erin vertelde verhalen
                             bestonden – zo toonde hij aan – al lang voordat de koran ontstond; de koran
                             gebruikte ze om de islam te situeren ten opzichte van de judeo-christelijke tradi-
                             tie en om het monotheïstische karakter te bevestigen. Amin al-Khuli (1895-1966)
                             borduurde hierop voort door te stellen dat de Arabieren de islam accepteerden
                             juist vanwege de literaire kwaliteiten van de koran. Volgens de moderne theorie
                             van de retorica staat de emotionele impact niet los van de esthetische kwaliteit
                             van de tekst en het esthetisch bewustzijn van de ontvanger. Alleen via de metho-
                             den van de moderne literatuurtheorie kan de betekenis van de koran worden
                             (her)ontdekt. Khalafalla (1916-1998) verzamelde de koranische verhalen, heror-
                             dende ze chronologisch en analyseerde ze door ze te relateren aan hun originele
                             context. Hij beschouwde alle verhalen als opzichzelfstaand, ook al slaan ze op
                             eenzelfde gebeurtenis, om aldus hun betekenis en intentie te achterhalen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 41 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 42 ======================================================================

<pre>                                                    de ontwikkeling van het islamitisch-politiek denken
Dusdoende concludeerde hij dat de koranische teksten begrepen moesten wor-
den als allegorieën en niet als historisch-authentieke beschrijvingen. De schrij-
vers van de vele verhalen gebruiken de gebeurtenissen voor een ander doel,
namelijk om ethische en spirituele kwesties te verduidelijken. Met deze literaire
en contextualiserende benadering beoogde Khalafalla de koran te bevrijden van
de last dat het zou gaan om het ultieme boek over geschiedenis, wetenschap,
politieke theorie of recht.
Tot op de dag van vandaag zijn de inzichten van deze auteurs controversieel,
omdat ze de uniciteit en de sacraliteit aan de koranische verhalen ontnemen en
daarmee ook de eruit afgeleide verboden en geboden vergaand relativeren. Ze
zijn dan ook geconfronteerd met heftige oppositie. Dat geldt eveneens voor Nasr
Abu Zayd (geb. 1943). Hij gaat allereerst uit van de koran-als-tekst en wil de
menselijke dimensies ervan zichtbaar maken. Dit geldt zijns inziens allereerst
voor de voltooiing van de uiteindelijke tekst zelf. Namen de openbaringen zelf al
een periode van ruim twintig jaar in beslag, het op schrift stellen gebeurde door
de metgezellen van de Profeet tot na diens overlijden. De periode waarin de
gevocaliseerde versie tot stand kwam, nam zelfs enkele eeuwen in beslag. Alle
fasen van de totstandkoming kennen een menselijke inbreng, zoals het bepalen
van de recitatievolgorde van de verzen die sterk afweek van die van de openbarin-                       41
gen zelf. Voorts laat Abu Zayd zien dat alle methoden die van meet af aan door de
schriftgeleerden zijn toegepast om van koranische teksten tot gedragsregels te
komen, berustten op door henzelf gemaakte, vaak controversiële keuzen. Het
uiteindelijke resultaat, de sharia, inclusief de in de rechtsscholen neergeslagen
verschillen, berust derhalve niet op een ‘objectieve’ interpretatie maar is volledig
door mensen gemaakt; er is niets heiligs aan. Ook blijken alle in de koran zelf
genoemde of door de rechtsgeleerden eruit afgeleide straffen voor misdrijven niet
authentiek islamitisch maar van oudere of jongere datum. Het is dan wel erg
aanmatigend, stelt Abu Zayd, om deze zo historisch bepaalde en door mensen
bedachte eigenschappen vervolgens heilig en derhalve verplicht te verklaren voor
iedere andere plaats en tijd.
Pogingen om eigentijdse wenselijkheden, zoals democratie, naar de koran te
modelleren, wijst hij eveneens af als onjuist of apologetisch. De huidige, ook in
de moslimwereld klinkende roep om democratie wordt zowel door zittende regi-
mes als door islamitische bewegingen gepareerd door te verwijzen naar de ‘isla-
mitische’ democratie, namelijk het koranische concept shura (de verplichting van
de heerser tot raadpleging van onderdanen). Volgens Abu Zayd was dit echter een
pre-islamitische praktijk, passend in de autocratische stammensamenleving van
toen. Het shura-concept komt autocratische regeerders van nu uiteraard ook goed
uit, maar met de islam heeft het – ondanks de claims van regeerders – niets van
doen. Evenmin kan worden volgehouden dat dit concept de embryo is van het
huidige democratiebegrip. De conclusie moet derhalve zijn dat de moslims van
nu niet veroordeeld zijn tot de shura, ook al staat die genoemd in de koran. De
islam beperkt op generlei wijze de vrijheid van moslims hun politiek systeem te
kiezen, en hetzelfde geldt voor het recht.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 42 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 43 ======================================================================

<pre>   dy na miek in isla mi t isch ac t i visme
                             Abu Zayd volstaat niet met de conclusie dat de koran een cultureel product is
                             waarin aan de pre-islamitische cultuur en concepten een nieuwe articulatie
                             wordt gegeven en die geanalyseerd moet worden om de intenties bloot te leggen.
                             Hoewel door historische en literair-wetenschappelijke contextualisering veel
                             ‘heilige’ dogma’s bij nader inzien menselijke producten blijken te zijn, is dit zijns
                             inziens niet voldoende. Iedere hermeneutiek creëert een zwaartepunt van waar-
                             uit de interpretatie wordt opgebouwd; evenals in de geschiedenis ‘alles’ kan
                             worden gelezen, is dat ook mogelijk wanneer de koran slechts als tekst wordt
                             gezien. Wat men in de koran leest, is dan afhankelijk van de ideologische positie
                             van de lezer; zowel de fundamentalist als de liberaal kan er zijn of haar waarheid
                             in vinden. Abu Zayd stelt dat in de structuur van de koran zelf niet alleen een
                             verticale maar ook een horizontale, communicatieve en humanistische dimensie
                             besloten ligt die door een ‘humanistische’ hermeneutiek kan worden blootge-
                             legd. Conceptueel moet de koran niet alleen als tekst worden gezien maar ook als
                             een verzameling discoursen; het is een polyfone, geen monofone (alleen God
                             spreekt) tekst. Juist de dialogen tussen de verschillende stemmen met argumen-
                             tatie, rolwisselingen, verwerping en acceptatie van de eerdere veronderstellingen
                             en beweringen geeft de koran volgens Abu Zayd relevantie voor huidige zinge-
                             vingsvraagstukken op alle niveaus van het leven. De interne tegenspraak die in
42                           de koran op veel punten voorkomt moet dus niet door middel van allerlei regels
                             worden weggedefinieerd, maar als positieve eigenschap worden gezien omdat
                             deze een diversiteit aan opties opent. Aldus nodigt de koran uit tot een actieve
                             zingeving en tot het verder ontwikkelen van de spirituele en ethische dimensies
                             van het bestaan (Abu Zayd 2004).
                             Indonesië
                             Het pleidooi van denkers als al-Afghani en Abdu voor een nieuwe interpretatie
                             van de koran heeft ook in Indonesië weerklank gevonden. Evenals zij wijt
                             Nurcholis Madjid (1939-2005) de stagnatie van het religieus denken niet aan de
                             islam zelf maar aan een foutief begrip ervan door moslims. De grote massa maakt
                             geen onderscheid tussen transcendente en wereldlijke waarden. Alle aan de tra-
                             dities ontleende waarden worden als transcendent beschouwd en daarom zonder
                             uitzondering als heilig. Als gevolg hiervan wordt de islam identiek aan traditie.
                             Het doorbreken van dit traditionalisme vergt allereerst secularisatie. Dat moet
                             niet gezien worden als een levensbeschouwing, maar als een proces waarbij
                             praktijken en geloofsartikelen twee wegen kunnen gaan. Bij de ene, neerwaartse
                             richting, waartoe secularisatie meestal wordt beperkt, wordt een geloofsartikel
                             ontdaan van de eerder eraan toegeschreven heiligheid. Maar er is ook een
                             opwaartse richting, waarbij iets wat werkelijk transcendent en heilig is wordt
                             gesacraliseerd. Veel gedragsvoorschriften zouden zijns inziens inderdaad de
                             eerste weg moeten gaan, en derhalve onderkend moeten worden als louter tradi-
                             ties. Maar de tweede weg moet ook worden bewandeld. Dit geldt bijvoorbeeld
                             voor ‘pluraliteit’, waar veel moslims zo’n moeite mee hebben. In de koran is de
                             positieve waardering van verschil stevig gefundeerd. Essentieel voor het kunnen
                             differentiëren tussen beide wegen is heropening van het recht op ijtihad, en
                             derhalve intellectuele vrijheid zonder enigerlei restrictie. Madjid ontwikkelde
</pre>

====================================================================== Einde pagina 43 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 44 ======================================================================

<pre>                                                  de ontwikkeling van het islamitisch-politiek denken
deze denkbeelden tijdens de Soeharto-episode. Daarom legde hij de nadruk op
vernieuwing van het islamitisch denken langs de culturele weg, met een sterke
nadruk op onderwijs. De ruimte voor de politieke islam zou onder Soeharto’s
Nieuwe Orde altijd te beperkt blijven om werkelijke vernieuwing op te leveren.
Abdurrahman Wahid (geb. 1940), van 1999 tot 2001 president van Indonesië,
propageert eveneens de ‘culturele’ islam. Met name via de pesantrens, het Indo-
nesische systeem van islamitische kostscholen, wil hij de islam dynamiseren
door het benadrukken van positieve waarden en vervangen van negatieve waar-
den. Dynamiek kan ontstaan door de geest van de wet, de innerlijke waarheid,
prioriteit te geven. Door rationele inspanning is het mogelijk de islam de uit-
dagingen van de moderniteit aan te laten gaan. Door herontdekking van de
humanitaire boodschap van de islam, tot uiting komend in tolerantie en zorg
voor sociale harmonie, hoeven moslims geen angst te hebben voor de plurale
aard van de moderne maatschappij en kunnen zij die juist positief waarderen.
Hetzelfde geldt voor democratie, waarvoor hij ook al ten tijde van Soeharto
fervent campagne voerde. Er bestaat geen afstand tussen islam en democratie;
waar democratie een proces is gericht op het realiseren van een betere samenle-
ving, zijn beide in harmonie. Het respecteren van mensenrechten is hieraan
inherent, want daar gaat het juist om bij democratisering. In de teksten van de                       43
koran gaat het om menselijke waardigheid, en die kent drie aspecten:
individuele, sociale en politieke waardigheid.
In de Indonesische situatie vormt niet alleen democratie maar ook religieuze
pluraliteit een gevoelige kwestie. Van de Pancasila, de vijf in de grondwet van
1945 opgenomen pijlers van de staat, maakt godsdienst deel uit: het geloof in de
ene en almachtige God. Met de aldus geformuleerde pijler is de religieuze diver-
siteit formeel geaccommodeerd, maar zeker een deel van de grote moslimmeer-
derheid heeft er vanaf de onafhankelijkheid naar gestreefd een islamitische staat
in te voeren. Daarom legt Wahid grote nadruk op juist de vanuit de islam gezien
positieve betekenis van democratie en pluraliteit. Dit accent is eveneens aanwe-
zig bij andere huidige hervormers. Syafii Maarif bijvoorbeeld beredeneert dat de
belangrijke componenten van democratie expliciet in de koran zijn te funderen,
zoals rechtvaardigheid, gelijkwaardigheid, erkenning van verschillende opvat-
ting en pluraliteit.
Wat deze denkers gemeen hebben is dat ze niet de eigentijdse werkelijkheid
opnieuw willen modelleren naar die van de letter van de koran en sunna, maar
– omgekeerd – de huidige werkelijkheid aanvaarden en aan de koran inspiratie
willen ontlenen voor het verbeteren ervan. Het gaat om een heractualisering
van de betekenis van de islam in de door hen ten principale aanvaarde en ge-
waardeerde moderniteit. Zo ziet Ahmad Wahib (1942-1974) vrijheid van denken
als noodzakelijk voor vernieuwing; vrijdenken is niet alleen een recht maar een
religieuze plicht. Moderniteit kan in zijn optiek niet worden ontlopen en vereist
een positief antwoord. Religieuze vernieuwing is daartoe een conditio sine qua
non. Mohammed is als innovator hiervoor het rolmodel bij uitstek; hij veran-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 44 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 45 ======================================================================

<pre>   dy na miek in isla mi t isch ac t i visme
                             derde de sociale en intellectuele wereld van zijn tijd. Dit voorbeeld verplicht tot
                             navolging, uiteraard in een andere context dan toen. De plicht tot ijtihad is niet
                             voorbehouden aan de elite maar geldt voor iedereen. Ook Munawir Sadzali (geb.
                             1925) roept moslims op tot ijtihad om de islam meer responsief te maken voor de
                             noden en behoeftes in de huidige Indonesische omstandigheden. Zo bepleit hij
                             verandering van het erfrecht; de koranische regel dat mannelijke erfgenamen
                             twee keer het aandeel van vrouwelijke erfgenamen toekomt, staat in de huidige
                             situatie haaks op noties van rechtvaardigheid. Het argument is dat rechtvaardig-
                             heid bij de huidige verhouding tussen man en vrouw een andere uitwerking
                             behoeft dan in de tijd dat de koran tot stand kwam. Ook hier wordt de religieuze
                             tekst gecontextualiseerd en ontdaan van de dwang van de letterlijke interpretatie;
                             de intentie wordt vooropgesteld. Evenzo rekent Sadzali – analoog aan de hiervoor
                             beschreven benadering van al-Raziq – af met de in radicalere kringen in Indone-
                             sië populaire notie van een islamitische staat. Niet alleen omdat geen van de
                             bronnen daartoe zou gebieden, maar ook omdat juist de pluriforme realiteit in
                             Indonesië gebaat is met handhaving van het Pancasila-beginsel.
                             Iran
                             De revolutie in Iran in 1979 is zonder twijfel het meest spectaculaire voorbeeld in
44                           de afgelopen decennia van islamisering van de staat en het politieke en maat-
                             schappelijk bestel. Terwijl elders de islamisering de resultante was van burger-
                             oorlog (Afghanistan) of staatsgrepen (Soedan en Pakistan), ging de islamitische
                             revolutie gepaard met verhoudingsgewijs weinig bloedvergieten en werd breed
                             gesteund. In een referendum stemde een zeer grote meerderheid in met de instel-
                             ling van de Islamitische Republiek. De constitutie laat er geen misverstand over
                             bestaan: het doel is om op basis van islamitische normen een modelsamenleving
                             te creëren. Alle elementen van de ‘terugkeer naar de bronnen’-beweging die in
                             paragraaf 2.2 de revue passeerden, komen in de nieuwe ideologie samen: totali-
                             taire theocratie, sharia, antiverwestersing (in antwoord op de zgn. westoxication),
                             anti-Westen en gewapende strijd ter wille van de ideologische jihad (gericht op
                             de wereldwijde vestiging van Gods soevereiniteit).
                             Juist de zo breed gedragen islamitische revolutie en ook de kans die Iran hierna
                             kreeg om in een periode van ruim 25 jaar in betrekkelijke vrijheid de voorgestane
                             modelsamenleving te realiseren, maken dit ‘experiment’ buitengewoon interes-
                             sant. Dit geldt zowel voor moslims en moslimbewegingen elders die eveneens
                             een theocratie nastreven, als voor degenen die menen dat niet de islam de oplos-
                             sing vormt voor de grote problemen waar moslimlanden mee worstelen, maar
                             eerder democratisering en respect voor mensenrechten. De ontwikkelingen in
                             Iran worden dan ook overal met grote interesse gevolgd.
                             De Iraanse staat definieerde zichzelf in 1979 vrijwel expliciet als antiwesters.
                             In de grondwet wordt vermeld dat de revolutie het land heeft geschoond van het
                             heidense verleden en gezuiverd van vreemde ideologische invloeden, waardoor
                             het terugkeert naar de authentieke intellectuele standpunten en wereldbeschou-
                             wing van de islam. Deze fundering bracht met zich mee dat waarden die gewoon-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 45 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 46 ======================================================================

<pre>                                                   de ontwikkeling van het islamitisch-politiek denken
lijk met het Westen worden geassocieerd, zoals democratie en mensenrechten,
zeker aanvankelijk met grote heftigheid werden afgewezen. Khomeini zelf was
daar zeer duidelijk in: in de relatie tussen mens en God heeft alleen de laatste
rechten. Mensen hebben geen rechten en zeker geen onvervreemdbare, zoals in
het mensenrechtenconcept besloten ligt. Mensen hebben slechts plichten tegen-
over God. Die kan rechten aan mensen toekennen maar ze ook weer afnemen.
Bovendien gaan de rechten van de islamitische gemeenschap boven die van het
individu. Wanneer het belang van de umma dat vereist, gaat dat boven het indivi-
dueel belang. Khomeini zag mensenrechten als het werk van de duivel zelf; van
rechten van het individu tegenover de – islamitische – staat is geen sprake. Het
Westen werd dan ook verweten een antropocentrisch systeem te hebben ontwik-
keld.
Deze antiwesterse houding betreft niet alleen de politieke maar zeker ook de
culturele dimensie. Interessant genoeg wordt bij het hameren op het aambeeld
van ‘het decadente Westen’ ook gebruikgemaakt van westerse cultuurkritiek.
Zo is Heideggers kritiek op het modernisme bij veel Iraanse auteurs populair.
De crisis in het Westen is dermate groot, stelt bijvoorbeeld Reza Davari, dat neer-
gang en uiteindelijk ondergang onvermijdelijk is; de islam zal dan triomferen
(Davari 1980, in Abu Zayd 2006). In de zwart-witsfeer van kort na de revolutie                         45
was iedere poging tot nuancering a priori verdacht en kon een roep om meer
vrijheid en democratie gemakkelijk de kop worden ingedrukt met als argument
dat sprake is van ‘verwestersing’ of ‘westerse decadentie’. Het is daarom des te
opmerkelijker dat juist in dit land een grote en zeer actieve hervormingsstroming
is ontstaan. Er manifesteren zich in Iran inmiddels tal van islamitische denkers
die zowel de theocratische beginselen afwijzen als de fervente antiwesterse
houding. Dit betreft zelfs denkers die hebben bijgedragen aan de conceptuele
onderbouwing van de islamisering van de Iraanse staat en maatschappij.
Afgemeten aan de Iraanse theocratische context, waarin ieder debat op islamiti-
sche leest moet zijn geschoeid, zijn de opvattingen van de zogenoemde ‘nieuwe
theologie’-beweging bijzonder radicaal. Belangrijke protagonisten zijn onder
meer Abdolkarim Soroush en Mohammed Mojtahed Shabestari.
Na ruim 25 jaar ervaring met de dagelijkse praktijk van het islamisme en het
gebleken onvermogen van deze dominante interpretatie van de islam om de
maatschappelijke problemen op te lossen, bepleit Soroush (geb. 1942) – aanvan-
kelijk een enthousiaste participant aan de revolutie – een constructieve betrok-
kenheid op het Westen en diens waarden. Niet het politiek-imperialistisch
gedrag maar wel de westerse wetenschappelijke voorsprong biedt veel inspiratie,
vooral ook ten aanzien van de filosofie en de sociale wetenschappen. Wetenschap
is niet het eigendom van het Westen; er bestaat geen eigendomsrecht op de
vrucht van denken. Filosofische concepten kunnen ook worden overgenomen
zonder te beschikken over de corresponderende intellectuele en historische con-
text. Soroush ziet dan ook niets in de slogan van Shariati (zie par. 2.2) om terug te
keren naar de eigen bronnen: “what our heart and mind is willing to accept,
belongs to us” (Soroush 1993: 121, in Abu Zayd 2006). Terugkeer naar de bronnen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 46 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 47 ======================================================================

<pre>   dy na miek in isla mi t isch ac t i visme
                             zou in Iran immers ook het afschaffen van de islam kunnen betekenen. Een
                             cultuur – stelt hij – is altijd een mengcultuur en waarom zou men niet het beste
                             van elkaar overnemen?
                             Soroush, die in Engeland studeerde en daar onder de indruk raakte van Poppers
                             ‘open samenleving’, ziet de koranische tekst als een ‘open’ tekst die uitnodigt tot
                             interpretatie. Omdat het menselijk inzicht altijd tijdgebonden en afhankelijk is
                             van de stand van kennis, is ook religieus inzicht veranderbaar. Hij maakt hierbij
                             een onderscheid tussen waarden van de eerste en de tweede orde. Waarden van
                             de tweede orde betreffen de details die religies van elkaar doen verschillen (kle-
                             dingvoorschriften, strafpraktijken), maar ze vormen niet de essentie; ze kunnen
                             onder invloed van nieuwe inzichten veranderen. Waarden van de eerste orde,
                             zoals rechtvaardigheid, doen er echter blijvend toe; hun belang wordt door alle
                             religies en de menselijke rede gedeeld. Een waarde als rechtvaardigheid is een
                             religieuze waarde, maar tegelijk ook een universele waarde. In de ogen van
                             Soroush zijn islam, mensenrechten en democratie goed verenigbaar. Maar zijn
                             argument is niet historisch (‘Kijk eens hoe tolerant de islam was voor joden’)
                             of hermeneutisch (‘Wanneer je een tekst van de koran op een bepaalde manier
                             contextualiseert en interpreteert, zie je de mensenrechten al’). Volgens Soroush
46                           zijn mensenrechten in de huidige tijd een eis van de menselijke rede en spreken
                             ze de waarden van de eerste orde ook niet tegen; Gods rechten blijven volledig
                             intact. Dat ze zijn ontwikkeld buiten het religieuze domein
                             is geen reden om ze in een islamitisch staatsbestel buiten beschouwing te laten.
                             Hij gaat er derhalve van uit dat mensen onvervreemdbare natuurlijke rechten
                             hebben, ook al laat de religie zich er in concreto niet over uit.
                             Maar waar is religie goed voor als ze niet de exclusieve basis is voor belangrijke
                             waarden? Soroush neemt hier een pragmatische positie in: mensenrechten
                             kunnen inherent onafhankelijk zijn van religie, maar religie is wel belangrijk voor
                             het overdragen ervan naar het gewone volk. Soroush ziet een democratische staat
                             als het beste systeem voor het realiseren van zowel mensenrechten als religie.
                             Totalitaire systemen vernietigen zowel menselijkheid als heiligheid. In die syste-
                             men wordt religie beschadigd door het machtsmisbruik van de ‘mannen van
                             God’. Door haar respect voor mensenrechten, incl. de vrijheid van godsdienst,
                             beschermt democratie religie tegen machtsmisbruik. De ideale regering is niet
                             alleen democratisch, maar ook religieus wanneer ze de condities creëert waaron-
                             der mensen hun geloof kunnen beleven. Zo’n stelsel is religieuzer dan een stelsel
                             waarin ‘slechts’ de sharia wordt uitgevoerd. Vrijheid van religie, inclusief vrijheid
                             van keuze tegen religie, is de voorwaarde voor een werkelijk religieuze samenle-
                             ving. Gedwongen geloof is immers geen geloof. Door middel van deze redenering
                             komt Soroush uit op een pleidooi voor de scheiding van moskee en staat juist als
                             redding van de religie als individueel geloof, niet als verzameling dogma’s.
                             De islamitische revolutie werd geïnspireerd door de wens de koran weer een
                             positie te geven in het centrum van het dagelijks leven, in plaats van alleen op
                             feestdagen van de tachtsche (de bewaarplaats van de koran: de hoogste plaats in
</pre>

====================================================================== Einde pagina 47 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 48 ======================================================================

<pre>                                                  de ontwikkeling van het islamitisch-politiek denken
huis) te worden gehaald. Soroush heeft ervaren wat dit impliceert; van verbete-
ring ten opzichte van het voorafgaande regime kan moeilijk worden gesproken.
In het theocratische Iran zijn vele duizenden mensen in naam van Allah
vermoord, en het land wordt getekend door grootschalige corruptie, wanbeheer
en nepotisme. Soroush wil de islam zuiveren van alle blaam hiervoor. Juist
daarom moet de koran terug naar de tachtsche, alwaar hij een inspiratie kan zijn
voor kunst en wetenschap en voor de persoonlijke relatie tussen mens en God.
Anders dan de filosoof Soroush kan de hervormer en theoloog Shabestari (geb.
1939) moeilijk door de clericale elite worden genegeerd. Evenals Soroush is hij
zeer goed op de hoogte van zowel de westerse filosofie als de christelijke theolo-
gie. Zijn benadering is een hermeneutische, waarvoor hij zich heeft laten inspi-
reren door Gadamer, Dilthey en vooral Habermas. Hoe tot een zo objectief
mogelijke kennis te komen, temeer waar de interpretatie zo wordt gestuurd
door het ‘epistemologisch belang’ (Habermas) dat de interpretator heeft bij een
bepaalde uitleg? Een tekst, ook die van de koran, antwoordt alleen op de gestelde
vragen; iedereen kan de antwoorden vinden die hij zoekt. Wanneer een tekst
nooit volledig begrepen kan worden, is echter ook een democratische uitleg
mogelijk. Analoog aan de moderne christelijke theologie zoekt Shabestari naar
een antwoord op de vraag welke rol geloof in de moderne wereld kan spelen. Dit                        47
vergt daadwerkelijke modernisering van de islamitische theologie, en dat is iets
geheel anders dan de koran op een cd-rom te zetten. De moderne conditie is er
één van onzekerheid in het menselijk denken. De traditionele geloofszekerheden
bieden hiervoor geen oplossing meer. Een nieuwe rol van het geloof kan alleen
gevonden worden door nieuwe geloofservaringen uit te wisselen. Alle grote
christelijke vernieuwers, zoals Thomas van Aquino, Maarten Luther en Friedrich
Schleiermacher hebben nieuwe definities en functies van religie en theologie
geformuleerd. Essentieel daarvoor is niet alleen de theologie te bevruchten met
inzichten uit bijvoorbeeld de (wetenschaps)filosofie, methodologie en sociologie,
maar ook om een verbinding te zoeken met het gepraktiseerde geloof. De overtui-
gingen en emoties in de geloofspraktijken zelf vormen immers een andere, maar
niet minder belangrijke categorie dan de ooit aan de Profeet geopenbaarde bood-
schappen. Een nieuw begrip van religie kan dus alleen maar ontstaan in een open
klimaat, waarin kritiek op en competitie tussen ideeën aangemoedigd worden.
Shabestari ziet dergelijke aanzetten voor vernieuwing; de politisering die de
islam overal ondergaat, toont dat deze zich naar de wereld en het dagelijks leven
keert. Maar hij acht het wenselijk dat al het geëxperimenteer en geworstel in de
praktijk een vertaling vindt in een theologie die het dogma verruilt voor het
geloof en uitgaat van de religieuze ervaring.
Ook Shabestari’s opvattingen zijn gevoed door negatieve ervaringen met de
theocratie; hij wil voorkomen dat hierdoor de islam zelf in diskrediet raakt en
beredeneert de noodzaak van democratie vanuit zijn theologie. De koran stelt als
enige eis een rechtvaardig politiek systeem, zonder tirannie en onderdrukking,
en niet meer dan dat. Anders dan de leidende clerus beweert, valt een staatsfilo-
sofie dan ook niet van dit ethische imperatief af te leiden. Dit zo zijnde, is er
</pre>

====================================================================== Einde pagina 48 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 49 ======================================================================

<pre>   dy na miek in isla mi t isch ac t i visme
                             derhalve vrijheid van inrichting van het politiek systeem. Evenals voor Soroush
                             moet dit voor Shabestari een democratisch stelsel zijn, omdat daarin het principe
                             van vrijheid het best is gewaarborgd. En alleen een geloof gebaseerd op vrije
                             keuze is een echt geloof.
                             Soroush en Shabestari zijn niet de enigen die democratie en mensenrechten
                             bepleiten, en veel van die andere critici van de theocratische theorie en praktijk
                             zijn net als Shabestari islamitische geestelijken. Juist daarom is de Iraanse discus-
                             sie eveneens van belang voor andere moslimlanden waar bewegingen onder
                             verwijzing naar de koran streven naar een theocratie. Meer dan elders wordt in
                             Iran een theologische discussie gevoerd over wat de islam of de koran al dan niet
                             zou gebieden; inmiddels is tot grote delen van de bevolking doorgedrongen dat er
                             niet sprake is van één uitleg, gebaseerd op een koranisch imperatief (o.a. Bayat en
                             Baktiari 2002, en Bayat te verschijnen). De houding ten aanzien van het Westen
                             is hierbij direct in het geding. Niet alleen vanwege de wetenschappelijke voeding
                             – men is in Iran uitstekend op de hoogte van de wetenschappelijke voortgang in
                             het Westen – maar ook vanwege de affiniteit tot de westerse politieke ‘software’
                             waarvan de Iraanse hervormers blijk geven. De zo grote religieuze dwang van het
                             theocratische systeem leidt bij de hervormers juist tot het benadrukken van reli-
48                           gieuze vrijheid. Abdallah Nuri (geb. 1949), eveneens een geestelijke, stelt dat als
                             mensen worden gedwongen tot religie, er niet langer sprake is van religie. Daar-
                             om is hij een groot voorstander van religieus en politiek pluralisme. Hij ziet
                             Europa als het door Iran na te volgen politieke voorbeeld. Het zijn de Europese
                             democratieën die tegenwoordig de middeleeuwse islamitische traditie van plu-
                             ralisme en democratie voortzetten. Deze herwaardering van westers denkgoed
                             vindt een nog verdergaande expressie bij Mohsen Kadiwar (geb. 1959). Hij
                             concludeert op basis van een uitgebreide analyse dat het islamitisch recht op een
                             aantal belangrijke punten onverenigbaar is met de Universele Verklaring van de
                             Rechten van de Mens. Omdat de moderne mensheid echter wil leven naar huma-
                             nistische principes, moet niet het mensenrechtenconcept maar de islam zich
                             aanpassen. Uit de traditionele, legalistische islam moet zich een spirituele islam
                             ontwikkelen die zelf zeggingskracht heeft ten aanzien van de moderne vragen.
                             Met deze opvattingen hebben de hervormers zich ver verwijderd van de theocra-
                             tische ideologie en ook van de antiwesterse houding die nog steeds door het
                             regime wordt gecultiveerd. Ze tonen dat er veel manieren zijn om de islam op een
                             moderne wijze te interpreteren. Het religieuze denken van de hervormers gaat
                             veel verder dan het opnieuw doordenken van de traditie en de koran. Vanuit een
                             humanistische interpretatie van koran en islam heeft het geleid tot een voluit
                             aanvaarden van de beginselen van mensenrechten, democratie, vrijheid van
                             godsdienst, scheiding van moskee en staat, en individualiteit.
                             Elders in de moslimwereld
                             De lijst van denkers die de hermeneutische vrijheid benutten om de islam te
                             bevrijden van het dogmatische keurslijf van tradities is ver uit te breiden, zowel
                             naar personen als naar landen (van herkomst). Het betreft niet een bepaalde
</pre>

====================================================================== Einde pagina 49 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 50 ======================================================================

<pre>                                                   de ontwikkeling van het islamitisch-politiek denken
school; de auteurs hebben echter gemeenschappelijk dat hun denken is gebaseerd
op moderne epistemologische premissen en zich verzet tegen het a-historisch
essentialisme van de in paragraaf 2.2 beschreven categorie denkers (Filali-Ansary
2003). Ter illustratie wordt hieronder nog ingegaan op een tweetal gezagheb-
bende auteurs, namelijk Abdullah An-Na’im en Mohammed Arkoun, alsook op
een toepassingsgebied dat vanuit de westerse beeldvorming over de islam van
bijzonder belang is, namelijk de feministische hermeneutiek.
Abdullah An-Na’im, afkomstig uit Soedan, beoogt tot een integratie te komen
van zowel het islamitisch erfgoed als het westers denken. Tegen de achtergrond
van intern verval, wanorde, politieke machteloosheid, economische frustratie en
westerse dominantie ziet hij het niet als verwonderlijk dat de moslimwereld voor
een antwoord hierop kracht probeert te putten uit de eigen, authentieke bronnen.
Moslimse volkeren hebben een legitiem recht op zelfbeschikking in termen van
een islamitische identiteit, inclusief islamitisch recht. Tegelijk benadrukt hij het
failliet van de islamisering in landen als Iran, Pakistan en Soedan, die pogen het
premoderne islamitische recht toe te passen in de moderne context. Dat gegeven
dient de basis te vormen voor het zoeken naar een alternatief. In de ogen van
An-Na’im is de vraag of de islam verenigbaar is met politieke ontwikkeling in de
moslimwereld een foutieve. Het gaat hierbij niet om ‘de’ islam maar om ‘welke’                         49
islam. Het concept van de natiestaat is geen product van de eigen geschiedenis
van de moslimwereld. Maar de natiestaat is wel een gegeven, en vergt derhalve
legitimatie in islamitische termen en verzoening met de principes van het isla-
mitisch recht. Maar omdat juist het publiekrecht in de islamitische rechtstheorie
zwak is ontwikkeld, kwam met de natiestaat derhalve ook een seculier publiek-
recht.
De opgave is daarom het publiekrecht te islamiseren, zonder de vruchten van
seculariteit te verliezen. Tot die vruchten behoort het constitutionalisme, met
zijn principes van rule of law, representativiteit, scheiding van machten en
mensenrechten. Dat dit constitutionalisme zijn beste articulatie en toepassing in
het Westen heeft gekregen is geen reden om ervan af te zien, maar moet worden
gewaardeerd als een waardevolle bijdrage aan het totaal van de menselijke erva-
ringen die door iedereen kan worden benut. De noodzakelijke islamisering van
deze verworvenheden kan niet gebeuren door de klassieke sharia toe te passen;
die is hopeloos verouderd, bijvoorbeeld ten aanzien van de positie en rechten van
vrouwen en niet-gelovigen. Waar geschiedkundig onderzoek leert dat het bij die
sharia grotendeels gaat om mensenwerk en om door de historische context
bepaalde regels, is herinterpretatie mogelijk en geboden. Deze moet zijn geba-
seerd op de fundamentele bronnen en dus consistent zijn met de essentiële
morele en religieuze voorschriften. In navolging van zijn leermeester Mahmud
Taha (in 1984 in Soedan wegens afvalligheid geëxecuteerd) maakt An-Na’im een
onderscheid tussen de ‘eerste’ en de ‘tweede’ boodschap van de koran. De eerste
boodschap betreft de openbaringen die Mohammed ontving in Mekka, en de
tweede die in Medina. De eerste boodschap betreft spirituele waarden, zoals
rechtvaardigheid, vrijheid en gelijkheid, en is gaandeweg overvleugeld of vervan-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 50 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 51 ======================================================================

<pre>   dy na miek in isla mi t isch ac t i visme
                             gen door de Medina-boodschap, die recht, orde en gehoorzaamheid benadrukt.
                             Omdat er in Medina bestuurd moest worden, zijn die voorschriften context-
                             bepaald en moeten ze worden geherinterpreteerd naar de huidige context. De
                             eerste boodschap is de meest fundamentele; vanwege de nadruk op de inherente
                             menselijke waardigheid, gelijkheid van man en vrouw, godsdienstvrijheid ligt
                             hierin de basis voor een herziening van de sharia die verenigbaar is met het inter-
                             nationale recht en het mensenrechtenconcept. An-Na’im werkt dit uitgangspunt
                             vervolgens uit voor belangrijke rechtsgebieden.
                             De van oorsprong Algerijn, maar al lang in Frankrijk levende Mohammed
                             Arkoun (geb. 1928) is veel minder programmatisch geïnteresseerd dan An-Na’im.
                             Zijn belangstelling is meer methodologisch en kennistheoretisch en is er vooral
                             op gericht de islam op te nemen in de algemene kennisontwikkeling. Juist het
                             afsnijden van deze ontwikkeling door zowel de orthodoxie als – in alliantie hier-
                             mee – de statelijke autoriteiten, die de (orthodoxe) islam en de ulama onder
                             staatsgezag plaatsten, heeft ieder kritisch denken onmogelijk gemaakt. Daardoor
                             is de islam louter object gebleven van theologie en islamitische rechtsgeleerdheid
                             en niet van de mens- en maatschappijwetenschappen. De ‘dogmatische gesloten-
                             heid’ van de islam kan alleen opengebroken worden door confrontatie met
50                           wetenschappelijk denken. Dit is temeer noodzakelijk omdat de islam nooit het
                             leerproces (van secularisatie, aantasting van het mythische wereldbeeld, opkomst
                             van het burgerschap) heeft gekend dat het Westen, inclusief het christendom,
                             vanaf de achttiende eeuw heeft doorgemaakt.
                             Met het aan de kaak stellen van de dogmatische geslotenheid gaat Arkoun veel
                             verder dan het opnieuw toepassen van de ijtihad volgens het klassieke juridisch-
                             epistemologische model. Het gaat hem niet meer om een nieuwe exegese van de
                             koranische uitspraken, maar om het herinterpreteren van de koran als zodanig
                             en de implicaties hiervan voor de ‘islamitische rede’. In de herinterpretatie staan
                             centraal de mechanismen van betekenisverlening, te beginnen bij ‘het koranische
                             feit’, namelijk de Openbaring zelf: de gesproken woorden die Mohammed aan
                             God toeschreef. Dit feit moet worden onderscheiden van het ‘gesloten officiële
                             corpus’, namelijk de uiteindelijk tot stand gekomen schriftelijke tekst. Het
                             fenomeen ‘Openbaring’, de taal ervan, de historische context, de mythische en
                             symbolische uitdrukkingswijzen, onttrekken zich niet aan onderzoek. Dit geldt
                             evenmin voor wat zich voltrok tussen dat koranische feit, het uiteindelijke boek
                             en de processen van selectie, interpretatie en ‘heiligverklaring’. De dynamische
                             mechanismen van betekenisproductie door de klassieke islamitische rede die
                             uiteindelijk leidden tot orthodoxie en dogmatische geslotenheid staan in enorm
                             contrast tot de openheid en oneindige reeks interpretatiemogelijkheden van de
                             oorspronkelijke tekst. Deze processen en selectiemechanismen, te belichten via
                             een veelheid van wetenschappen (semiotiek, linguïstiek, geschiedenis, sociolo-
                             gie, antropologie, hermeneutiek, comparatieve religiewetenschap) werpen tege-
                             lijk licht op het ‘niet-gedachte’ en ‘ondenkbare’, namelijk wat door de dogmati-
                             sche geslotenheid van de islamitische rede van het denken wordt buitengesloten.
                             Arkouns oogmerk is om deze buitengesloten denkbeelden en issues, zoals rule of
</pre>

====================================================================== Einde pagina 51 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 52 ======================================================================

<pre>                                                  de ontwikkeling van het islamitisch-politiek denken
law, civil society en gelijke status van man en vrouw, zichtbaar te maken, opdat
ze juist opgenomen kunnen worden in een radicale reconstructie van de islamiti-
sche rede en de moslimse samenlevingen.
Hoewel zelf een andere mening toegedaan, wijst Arkoun apologetische redene-
ringen die de verenigbaarheid van de islam met moderniteit pogen aan te tonen
niet af. In bijvoorbeeld de in 1981 aangenomen Islamitische Verklaring van de
Rechten van de Mens wordt gesteld dat de islam als religie niet alleen mensen-
rechten accepteert en wil verdedigen, maar dat deze rechten al beschreven zijn in
de koran zelf, dus ruim voor de revoluties in het Westen die leidden tot codifica-
tie van mensenrechten. Afgezien van de historische juistheid van deze stelling
acht Arkoun deze poging om de mensenrechten te claimen winst, omdat de zaak
van de mensenrechten steun van de religieuze autoriteiten zeer goed kan gebrui-
ken. Vergelijkbare redeneringen zijn volgens hem echter ook het jodendom en
christendom niet vreemd. Maar tegelijkertijd is een kritisch historisch onderzoek
van de inhoud van de heilige geschriften van alle monotheïstische religies in
relatie tot de ontwikkeling van de moderne mensenrechten dringend noodzake-
lijk. Dit kan deze religies tot de erkenning brengen dat ook de meest ontwikkelde
religieuze leringen alsook de Openbaring zelf niet ontkomen aan de historiciteit
en daarmee de ontoereikendheid van de traditionele religieuze verbeelding                             51
(Arkoun 1992: 142-144).
Evenals de meeste van de hiervoor aangehaalde denkers wil Arkoun het voor
moslims mogelijk maken de spirituele kant van de islam te ontdekken. Maar meer
dan de genoemde auteurs doet hij dat door de kenmerken en de fundering van het
orthodoxe – in termen van Foucault – ‘episteem’ zelf te deconstrueren in plaats
van het aanbieden van alternatieve lezingen of interpretaties.
Feministische hermeneutiek
De besproken auteurs zijn allen relevant voor de vernieuwing van opvattingen
van moslims over de inrichting van de staat en de relatie tussen koranische prin-
cipes en democratie en mensenrechten. Hun denkbeelden zijn hiermee ook van
belang voor de positie en rechten van vrouwen. Maar hiernaast is een actieve
stroming opgekomen van – meestal vrouwelijke – denkers die zich expliciet richt
op het thema van islam en vrouwen: de feministische hermeneutiek, een term
die overigens bepaald niet impliceert dat deze denkers westerse vormen van
feminisme zouden omarmen. Evenals in andere religies is de positie van vrouwen
in de islam problematisch, zeker als de interpretatie – zoals van de salafiyya-
beweging – de letter van de heilige teksten volgt en de verhoudingen naar het
patriarchale model van weleer in ere wil herstellen. Volgens Khaled Abou El Fadl
lijkt het zelfs wel of bewegingen, zoals besproken in paragraaf 2.2, de volle last
van hun theologie vertalen in het beknotten van de bewegingsruimte van vrou-
wen (El Fadl 2003).
Net als in het Westen lag in de moslimwereld bij de hervormers aanvankelijk het
accent op emancipatie en gelijke rechten, zowel op het niveau van denken als van
</pre>

====================================================================== Einde pagina 52 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 53 ======================================================================

<pre>   dy na miek in isla mi t isch ac t i visme
                             maatschappelijke actie. Abu Zayd meldt in zijn verkenning voor de wrr (2006)
                             dat in Egypte al in 1909 een feministisch vrouwenverbond werd opgericht, dat
                             zowel vocht voor gelijke rechten in de publieke sfeer (vooral onderwijs) als in het
                             familieverband (polygamie, huwelijk, echtscheiding). De Tunesiër Tahir Haddad
                             was volgens Abu Zayd de eerste die – al in 1930 – wees op de historiciteit van de
                             koranische bepalingen over vrouwenrechten. Deze waren volgens Haddad ten
                             opzichte van de pre-islamitische situatie een enorme stap voorwaarts naar gelijk-
                             berechtiging. De koranische strategie was juist om op grond van waarden als
                             rechtvaardigheid en gelijkheid verbetering aan te brengen ten opzichte van die
                             situatie door polygamie aan beperkingen te onderwerpen, vrouwen te betrekken
                             bij het erfrecht, e.d. Die nieuwe rechten moeten niet worden gesacraliseerd; in de
                             huidige situatie verdienen die beginselen een andere invulling. Emancipatie in de
                             zin van gelijkberechtiging is nog altijd een zeer actueel en omstreden vraagstuk in
                             de moslimwereld, getuige de familiewetten in de meeste moslimlanden en het
                             pas in mei 2005 in Koeweit toekennen van kiesrecht aan vrouwen. Maar de
                             huidige islamitisch-feministische hermeneutiek gaat verder dan gelijke rechten
                             en concentreert zich hiernaast op de bredere genderproblematiek van machtson-
                             gelijkheid tussen mannen en vrouwen en sociale onrechtvaardigheid. Het
                             vanzelfsprekende uitgangspunt is dat het alleenrecht wordt ontkend dat mannen
52                           zich hebben toegeëigend om de islam te definiëren en de patriarchale verhoudin-
                             gen daardoor te legitimeren en bestendigen. Genderbepaaldheid moet worden
                             blootgelegd en bevochten.
                             De feministische hermeneutiek gaat ervan uit dat fundamentele ideeën uit de
                             koran niet door zijn onderdelen mogen worden ontkend. Hiertoe worden drie
                             stappen ondernomen: ten eerste het herinterpreteren van verzen in de koran die
                             door mannen worden gezien als onderbouwing van ongelijkheid; ten tweede het
                             wijzen op verzen die gelijkheid verkondigen, en ten derde het deconstrueren van
                             verzen die wijzen op verschillen tussen mannen en vrouwen (Abu Zayd 2006).
                             Ter illustratie van de eerste stap: Riffat Hassan wijst er met anderen op dat in de
                             koran geen aanwijzing is te vinden dat Eva verantwoordelijk zou zijn voor de
                             zonde van Adam; beiden aten van de verboden appel. Hieraan valt derhalve geen
                             verschil in rechten tussen man en vrouw te ontlenen; de enige norm voor
                             verschil tussen mensen is de vrees voor God. Hassan toont vervolgens – de
                             tweede stap – aan dat de koran zich naast de verzen die de gelijkheid tussen man
                             en vrouw benadrukken in belangrijke verzen richt op mensen, waar mannen vaak
                             geneigd zijn mannen als de geadresseerde te zien. Aziza al-Hibri analyseert in
                             dezelfde geest het centrale koranische begrip tawhid, dat zij niet alleen – zoals
                             gebruikelijk – als monotheïsme interpreteert, maar als principe van eenheid en
                             gelijkheid. De doctrine van khilafa, plaatsbekleder van God, hebben mannen zich
                             ten onrechte toegeëigend. Waar de koran – de derde stap – wel verschil maakt
                             tussen mannen en vrouwen, zoals ten aanzien van polygamie, huwelijk, schei-
                             ding, gehoorzaamheid en rebellie, wijzen de hermeneutici op de historische
                             context (Abu Zayd 2006). Het gaat om de intentie achter de concrete gedragsre-
                             gels; de huidige situatie vraagt vanuit dezelfde intenties om andere gedragsregels.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 53 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 54 ======================================================================

<pre>                                                       de ontwikkeling van het islamitisch-politiek denken
    Waar in de zevende eeuw vrouwen volledig rechteloos waren, impliceerde de
    koran een grote stap voorwaarts. De intentie van de koran is derhalve verbetering
    van de positie van vrouwen. Vanuit het principe van gelijkwaardigheid vraagt de
    huidige context opnieuw om grote stappen (Kugle 2003).
2.4 interpretatie van de dynamiek in het isl amitisch
    denken
    De in dit hoofdstuk geëtaleerde denkbeelden tonen allereerst een zeer gevarieerd
    beeld van de relatie tussen islam en de inrichting van staat en samenleving. Dit
    blijkt niet alleen uit de twee achtereenvolgens behandelde categorieën denkers,
    ook binnen beide categorieën bestaat een breed spectrum aan opvattingen.
    Zo wordt binnen de eerste categorie zeer verschillend gedacht over de rol van
    geweld, over de vraag of de voorgestane islamisering van bovenaf dan wel van
    onderop moet worden bewerkstelligd en of deze bereikt kan worden via deel-
    name aan politieke instituties. De tweede categorie denkers tonen belangrijke
    verschillen in de wijze waarop islam, democratie en mensenrechten worden
    verbonden. Sommigen eigenen zich de concepten van democratie en mensen-
    rechten toe door deze te enten op het eigen denkgoed, met andere woorden
    door te beredeneren dat het hierbij eigenlijk gaat om islamitische waarden.                            53
    Naast deze ‘islamisering van de moderniteit’ zijn er denkers, zoals Soroush,
    Abu Zayd en Wahid, die eerder een ‘modernisering van de islam’ voorstaan.
    In deze redenering worden democratie en mensenrechten aanvaard als vruchten
    van de menselijke rede en wordt de koran beproefd op zijn zeggingskracht voor
    de daaruit voortvloeiende vragen. Pogingen, zoals van An Na’im, om seculiere
    waarden als democratie en mensenrechten door moslims te doen aanvaarden
    door ze op herziene koranische leest te schoeien, of van de feministische herme-
    neutici om de man-vrouwrelatie te herzien door nieuwe interpretaties van de
    koran, bevinden zich tussen beide uitersten. Hierbij is zowel sprake van nieuwe
    interpretaties van de heilige geschriften als een selectieve benadering van het
    moderne bestaan.
    Deze pluraliteit van opvattingen geeft aan dat het onjuist is ‘de’ islam te zien als
    een ongedeelde grootheid. Dat wil zeggen dat de islam niet mag worden geïdenti-
    ficeerd met eigenschappen waarover onder islamitische denkers nu juist zulke
    grote verschillen van opvatting bestaan. Dit inzicht omtrent de interne pluraliteit
    is niet alleen relevant voor de niet-moslim, maar ook voor moslims zelf. Zoals
    Safi aangeeft, wordt de markt in het Westen via brochures en internet over-
    stroomd met titels als ‘de status van vrouwen in de islam’, ‘het concept van God
    in de islam’, enz. Hij noemt dit de ‘pamflet-islam’ en de ‘web-islam’; dergelijke
    informatiestromen voeden bij in hun religie houvast zoekende moslims de idee
    dat er maar één ware uitleg is en dat complexiteit buiten de orde is: ‘Islam is the
    answer’ (Safi 2003: 22). Voorgaande paragrafen lieten zien dat er veel auteurs zijn
    die zich juist verdiepen in ‘de mitsen en maren’ en absolute aanspraken op de
    ‘ware’ islam betwisten.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 54 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 55 ======================================================================

<pre>   dy na miek in isla mi t isch ac t i visme
                             Uit voorgaande bevindingen blijkt tevens dat de opvatting niet houdbaar is als
                             zou ‘de’ islam principieel onverenigbaar zijn met democratie en mensenrechten;
                             deze begrippen maken inmiddels niet alleen als negatieve afzetpunten maar ook
                             als nastrevenswaardig deel uit van het islamitisch discours. Onder invloed van
                             ‘clashdenkers’ in zowel het Westen als in de moslimwereld heeft de idee van
                             onverenigbaarheid desondanks grote invloed gekregen. Ook regeringen van
                             moslimlanden bedienen zich nog wel eens van dit argument bij het afhouden van
                             democratische experimenten waarbij islamitisch geïnspireerde formaties meer
                             politieke invloed zouden krijgen. Deze angst wordt in sterke mate gevoed door de
                             beeldbepalende bewegingen die zich baseren op de in paragraaf 2.2 besproken
                             denkers en zich bedienen van absolute claims. Die interpretaties van de islam
                             verdragen zich conceptueel inderdaad niet met democratie en mensenrechten.
                             Het vóórkomen van denkers die juist een positieve relatie leggen tussen islam,
                             democratie en mensenrechten weerlegt die vermeende principiële onverenig-
                             baarheid. Tegelijk moet onderkend worden dat het loutere bestaan van dit denken
                             nog geen voorspelling oplevert over de verenigbaarheid in de politieke en juridi-
                             sche praktijk. De in paragraaf 2.3 besproken auteurs zijn nevengeschikt behan-
                             deld aan die in paragraaf 2.2; hun mogelijke maatschappelijke of politieke invloed
                             of aanhang is immers geen selectiecriterium geweest. Het zou daarom kunnen
54                           zijn dat hun opvattingen een slechts marginale of geïsoleerde positie (blijven)
                             innemen. De in de volgende hoofdstukken behandelde invalshoeken van poli-
                             tieke bewegingen respectievelijk recht leveren dan ook belangrijke aanvullende
                             indicaties voor de oordeelsvorming over de feitelijke relatie tussen islam, demo-
                             cratie en mensenrechten.
                             Er is echter ook geen reden om het belang van het nieuwe hervormingsdenken
                             op grond van een beperkte, of beperkt zichtbare aanhang op dit moment te baga-
                             telliseren. Vernieuwend denken moet ergens beginnen en kan geleidelijk aan
                             diepgang en invloed winnen, bijvoorbeeld wanneer veranderende politieke
                             omstandigheden of ontwikkelingen in individueel gedrag van moslims een
                             behoefte voortbrengen aan opvattingen die deze ondersteunen en theoretisch
                             kunnen onderbouwen. Paragraaf 2.3 maakte duidelijk dat tijdens de evolutie van
                             het hervormingsdenken gaandeweg belangrijke dogmatische obstakels voor
                             aanvaarding van democratie en mensenrechten zijn geslecht. Dat nu onder de
                             vlag van de islam ook positieve opvattingen schuilgaan over democratie en
                             mensenrechten betekent in ieder geval dat in principe een grotere aanhang hier-
                             voor denkbaar is. De blokkades die voor verspreiding van de betrokken denk-
                             beelden worden opgeworpen, moeten echter ook niet worden onderschat. Het
                             vrije denken en debat worden in veel moslimlanden zowel door de orthodoxie,
                             radicale islamitische bewegingen als regimes gevaarlijk gevonden; al deze partijen
                             hebben baat bij het diskwalificeren van de betrokkenen als afvalligen. Dat deze
                             opvattingen vaak zo heftig worden bestreden en leiden tot ‘clashes within’,
                             vormt overigens wel een aanwijzing voor de potentiële aantrekkingskracht ervan.
                             Uitgerekend in Iran hebben het intellectuele denken en debat over islam, demo-
                             cratie en mensenrechten een hoge vlucht genomen. Dit betreft niet alleen opvat-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 55 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 56 ======================================================================

<pre>                                                   de ontwikkeling van het islamitisch-politiek denken
tingen gericht op een islamitische democratie en islamitische mensenrechten;
inmiddels is er ook een categorie intellectuelen die de wenselijkheid van demo-
cratie en mensenrechten beredeneren op louter humanistische grondslag (Jahan-
begloo 2005). De vereenzelviging door auteurs als Samuel Huntington (1996) en
Bernard Lewis (1990), de vaders van het ‘clashdenken’, van de islamitische denk-
wijze met antidemocratisch en gericht tegen het concept van mensenrechten,
lijkt sterk te zijn geïnspireerd door de denkbeelden achter het militante activisme
van de jaren zeventig en tachtig. Vooral de islamitische revolutie van 1979 in Iran
en de aanvankelijke weerklank daarvan in de hele moslimwereld, maakten grote
indruk. Maar juist de ervaring met ruim 25 jaar theocratie heeft in Iran zelf veel
intellectuelen sindsdien tot het inzicht gebracht dat religie en macht van elkaar
moeten worden gescheiden, dat macht juist via democratie getemd moet worden
en dat mensenrechten bescherming beogen te bieden tegen de staat. Dit geldt ook
voor auteurs die, zoals Soroush, zelf bijdroegen aan de theoretische fundering
van de islamitische republiek. In de jaren zeventig en tachtig vormde ‘de islamiti-
sche utopie’ voor veel moslims een wenkend perspectief. Zolang daarvan alleen
maar gedroomd kan worden, blijven de keerzijden in de schaduw. Voor het leren
kennen ervan is realisatie van de ‘heilstaat’ de beste leermeester. Recent onder-
zoek laat zien dat de ‘lessen’ niet beperkt zijn gebleven tot intellectuelen. Was in
1974 een grote meerderheid van de bevolking voorstander van een grotere rol van                        55
religie in het publieke leven, in 2004 blijkt een grote meerderheid, zeker ook van
de jongeren, voorstander van een vermindering ervan (Asadi et al. 1976;
Goedarzi et al. 2004). Op grond hiervan is het aannemelijk dat de uitslag van de
presidentsverkiezingen van 2005 niet door religieuze overwegingen is bepaald.
De lessen van Iran zijn ook niet beperkt gebleven tot dat land; in de hele moslim-
wereld is het experiment met zeer grote belangstelling gevolgd. Volgens Bayat en
Baktiari is de invloed van voorstanders van een theocratie niet verdwenen maar
wel verminderd, en heeft de Iraanse ervaring bijgedragen aan een geleidelijke
wijziging van de door islamitische bewegingen gehanteerde doctrine, namelijk
van een revolutionaire naar een meer democratische gezindheid (Bayat en
Baktiari 2002: 322-323). Dit biedt een belangrijk aanknopingspunt voor demo-
cratisering. Het is immers een bekend gegeven dat democratie niet opgelegd kan
worden, maar slechts kans van slagen heeft wanneer ze voortvloeit uit endogene
dynamiek (wrr 2001).
Hiermee zijn we aanbeland bij de mogelijke toekomstige dynamiek in de aanhang
voor democratische denkbeelden. Zou inderdaad sprake kunnen zijn van een
verdere verschuiving van revolutionaire naar democratische opvattingen? Net als
eerder de revolutionaire denkbeelden zich snel verspreidden, kan dit ook het
geval zijn voor de in paragraaf 2.3 besproken denkbeelden. Bij de huidige commu-
nicatiemogelijkheden kunnen denkers immers nog wel over de grens worden
gezet, maar hun opvattingen veel moeilijker. Bovendien kan de dynamiek van de
omstandigheden de behoefte aan een andere ‘lezing’ van de religie doen groeien,
zoals bleek bij Iraanse denkers. Het probleem is dat de appreciatie hiervoor van de
bevolkingen zelf zich moeilijk direct laat bepalen. Voorzover al aanwezig zijn in
de meeste moslimlanden de democratische mechanismen van voorkeurspeiling
</pre>

====================================================================== Einde pagina 56 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 57 ======================================================================

<pre>   dy na miek in isla mi t isch ac t i visme
                             nog uiterst zwak ontwikkeld. Verkiezingen worden mondjesmaat gehouden en
                             voorzover die al plaatsvinden, is de deelname van partijen vaak aan allerlei beper-
                             kende voorwaarden gebonden. Desalniettemin laten dergelijke verkiezingen in
                             veel gevallen (Indonesië, Iran, Pakistan, Turkije) een voorkeur zien voor gema-
                             tigde islamitische partijen en/of getuigen van een afkeer van wanbeheer, onvei-
                             ligheid, corruptie, e.d. In het kader van de World Values Survey verricht onder-
                             zoek toont voorts een zeer hoge waardering in een aantal moslimlanden voor
                             democratie en een afwijzing van autocratisch bestuur (Inglehart en Norris 2004).
                             Deze bevinding wordt bevestigd door onderzoek in het kader van The Pew
                             Global Attitudes Project; hieruit blijkt een grote behoefte aan meer politieke
                             vrijheid en openheid, maar ook aan een grote rol van de islam in de politiek.
                             Tezelfdertijd wil men over het algemeen moskee en staat gescheiden houden
                             (Pew Global Attitudes Project 2003). Ook recente acties onder de bevolking in
                             landen als Libanon, Oezbekistan, Egypte, Koeweit en Saoedi-Arabië wijzen in
                             de richting van een behoefte aan meer democratie. Dat zou kunnen betekenen dat
                             de ideologische greep van radicaal-islamitische bewegingen op de bevolkingen
                             beperkt is of beperkter is geworden, dan wel dat deze bewegingen zelf hun anti-
                             democratische gezindheid opgeven om toegang tot de politieke macht te verkrij-
                             gen. Het is wel aannemelijk dat de toenadering tot concepten van democratie en
56                           mensenrechten bij de huidige islamitische bewustwording eerder plaats zal
                             hebben door ze op islamitische dan op humanitaire leest te schoeien.
                             In het volgende hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de vraag of zich bij islamiti-
                             sche bewegingen feitelijk een dynamiek in deze richting voordoet en welke facto-
                             ren hierbij een rol spelen. Vooruitlopend daarop wordt er hier op gewezen dat de
                             in paragraaf 2.2 en 2.3 beschreven denkrichtingen weliswaar grote verschillen te
                             zien geven, maar ook belangrijke overeenkomsten kennen. Beide maken deel uit
                             van het islamitisch activisme: denkrichtingen en bewegingen gericht op politieke
                             en maatschappelijke bewustwording van moslims, met de islam als gemeen-
                             schappelijk voertuig (zie hoofdstuk 1). De hier onderscheiden denkrichtingen
                             zijn beide gericht op activering en derhalve tegen religieus gemotiveerd traditio-
                             nalisme en in zichzelf gekeerde geloofsbeleving. Ze verzetten zich ook tegen de
                             vanzelfsprekende autoriteit van de staat; de ene denkstroming door deze weer te
                             binden aan islamitische normen, de andere door pleidooien voor democratie en
                             mensenrechten. Gemeenschappelijk is dus het streven naar verandering en door-
                             breking van de stagnatie in de moslimwereld. Alle besproken auteurs zoeken deze
                             revitalisering ook in een eerherstel van de eigen islamitische cultuur. Dit geldt
                             ook voor auteurs zoals Arkoun, Soroush en Abu Zayd die juist oog hebben voor
                             de openheid van culturen en revitalisering van de islam zoeken in een moderni-
                             sering ervan. De roep om herstel van de relatie met de eigen ‘authentieke’ cultuur
                             moet worden geplaatst tegen de achtergrond van lange perioden, zowel in de
                             koloniale als in de postkoloniale tijd, waarin de islam werd verdreven naar de
                             privésfeer en als een obstakel voor vooruitgang werd aangemerkt. Deze margina-
                             lisering gaf grote groepen het gevoel ‘buiten de geschiedenis’ te staan (Göle
                             1996). Door in reactie hierop de zeggingskracht van de islam voor de samenleving
                             juist te benadrukken en te laten zien dat aan de eigen islamitische cultuur ook
</pre>

====================================================================== Einde pagina 57 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 58 ======================================================================

<pre>                                                    de ontwikkeling van het islamitisch-politiek denken
trots kan worden ontleend, worden de eerder gemarginaliseerden weer ‘binnen
de geschiedenis’ geplaatst.
Het islamitisch activisme heeft zo gezien een strekking die het vergelijkbaar
maakt met sommige andere emancipatiebewegingen, zowel wat betreft de
interne variatie als de toonzetting en gewelddadige uitwassen van de radicale
vleugels. Dat de behoefte aan erkenning gegoten wordt in radicale frasen is geen
enkele emancipatiebeweging vreemd; de toepassing van geweld hierbij is wél
minder gebruikelijk. In de zwarte beweging heette het ‘black is beautiful, and
white is pig’. Scott wijst erop dat onderliggende partijen bij het verzet tegen hun
positie vaak gebruikmaken van een symbolische omdraaiing van de eigenschap-
pen van henzelf en die van de dominant (Scott 1990). Zo’n retorische omdraaiing
van waarden is ook een functioneel strijdmiddel voor het mobiliseren van de
aanhang. Ze vond onder meer plaats bij de communistische revolutie blijkens de
nagestreefde ‘dictatuur van het proletariaat’. Hoezeer bij deze beweging de
doelen de middelen heiligden is bekend. De heftigheid van de ‘frontmentaliteit’
in de mobiliserende fase en de toepassing hierbij van geweld zijn echter geen
immanente of permanente eigenschappen, maar vormen een functie van de erva-
ren vernedering en van de obstakels die gezien worden als sta-in-de-weg voor
erkenning.                                                                                              57
Radicaliteit van retoriek en middelen in de strijd om erkenning behoeft een latere
democratische gezindheid niet uit te sluiten. De liberale moslimdenker Muqtedar
Khan ziet een uitgesproken samenhang tussen de oproep tot de islam als verzets-
ideologie van de in paragraaf 2.2 besproken radicale denker Qutb en het streven
naar een bestuur dat de vrijheid respecteert. Qutbs opvattingen vormden een
voor de moslimwereld revolutionaire boodschap, omdat ze een aanval behelsden
op de legitimiteit van tirannieke regimes. Zijn oproep tot desnoods gewapende
rebellie tegen deze regimes acht Khan – zelfs naar de gehanteerde terminologie –
vergelijkbaar met die van John Locke in de zeventiende eeuw. Qutbs verabsolu-
tering van de godssoevereiniteit moet volgens Khan dan ook worden gezien als
primair gekeerd tegen de absolute macht van de heerser. De individuele mens
is als goddelijke schepping vrij en slechts aan één autoriteit – God – gehoorzaam-
heid verschuldigd; vanuit deze gedachte kan die mens zich plaatsen tegenover
de regeerder. Volgens Khan is deze visie op de menselijke vrijheid vergelijkbaar
met Locke’s onvervreemdbare natuurlijke vrijheid. Autoriteit is in deze visie
uiteindelijk alleen legitiem als zij berust op de waarden van de geregeerden
(Khan 2003).
Wanneer het bindend element tussen de in dit hoofdstuk besproken auteurs
uiteindelijk is dat ook in de politieke sfeer recht gedaan wordt aan de ‘eigen’
waarden van de regeerden en de macht van de heerser een gebonden macht moet
zijn, is het niet denkbeeldig dat ook meer radicale bewegingen na verloop van tijd
gaan onderkennen dat het bij democratie en mensenrechten precies daar om gaat.
Andere bewegingen hebben laten zien dat de radicale, maximerende eerste fasen
kunnen worden opgevolgd door minder radicale, waarin het eerder gaat om opti-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 58 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 59 ======================================================================

<pre>   dy na miek in isla mi t isch ac t i visme
                             maliseren. Een voorbeeld in eigen land is dat de leus ‘De staat is logen’ van de
                             vooroorlogse sdap evolueerde naar juist een sterke staatsgerichtheid van de
                             naoorlogse pvda; de ervaring dat de staat ten gunste van de eigen desiderata is te
                             beïnvloeden, vormde de basis van deze transformatie. De ervaring van moslims
                             met democratie is nog zeer beperkt, maar hoopvol waar hiervan sprake is. Zo
                             evolueerde de Indiase moslimpartij Jamaat-i-Islami van een aanvankelijk antide-
                             mocratische, op de vestiging van een islamitische staat gerichte partij naar een
                             voluit democratisch georiënteerde partij. Door de ervaring van de voordelen van
                             het participeren aan de Indiase democratie zijn gaandeweg alle aanvankelijk radi-
                             cale islamitische leerstukken afgezworen (Ahmad 2005).
                2.5          conclusie
                             Dit hoofdstuk maakt duidelijk dat het islamitisch-politieke denken een grote
                             verscheidenheid laat zien. Op intellectueel niveau is er zeker toenadering tot
                             concepten van democratie en mensenrechten waar te nemen. Door de in para-
                             graaf 2.3 beschreven denkers zijn gaandeweg de dogmatische obstakels voor een
                             aanvaarding van deze concepten geslecht. De feitelijke politieke doorwerking in
                             moslimlanden is onduidelijk, en verloopt vaak ondergronds. Desalniettemin
58                           hebben vertegenwoordigers van dit denken hoge functies in hun land bekleed,
                             zoals Seyyed Muhammed Khatami in Iran en Abdurrahman Wahid in Indonesië.
                             De pluraliteit maakt duidelijk dat de heilige bronnen van de islam op veel manie-
                             ren kunnen worden gelezen en geïnterpreteerd. Met de opkomst van het islami-
                             tisch activisme is in de moslimwereld de strijd over de juiste interpretatie sterk
                             geïntensiveerd. De invloed van opvattingen die geen afwijking van de letterlijke
                             tekst van de bronnen dulden, is vermoedelijk aanzienlijk, ook omdat hiertoe in
                             veel moslimlanden militante drukmiddelen worden ingezet.
                             Deze verscheidenheid vormt op zichzelf een aanknopingspunt voor een beleid
                             dat processen van democratisering en versterking van mensenrechten in de
                             moslimwereld nastreeft. Het argument dat de islam zich ten principale niet daar-
                             mee verdraagt, is immers niet juist. Hiermee is niet gezegd dat zo’n beleid op
                             korte termijn al grote successen zal boeken. Niet alleen zijn machtsverhoudingen
                             hardnekkig, ook opvattingen veranderen niet van de ene dag op de andere. Aller-
                             lei ontwikkelingen zijn hierop van invloed, zoals hogere opleiding, arbeidsdeel-
                             name van vrouwen, migratie en mediaconsumptie. Daarom betekent een op dit
                             moment nog beperkte invloed van de beschreven positieve opvattingen over
                             democratie en mensenrechten niet dat hun potentiële invloed eveneens beperkt
                             zal zijn. Zowel door individuele gedragsverandering als door verandering van de
                             politieke constellatie kan de behoefte groeien aan interpretaties van de islam die
                             democratie en mensenrechten ondersteunen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 59 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 60 ======================================================================

<pre>                                                      de ontwikkeling van islamitisch-politieke bewegingen
3   de ontwikkeling van isl amitisch - politieke
    bewegingen
3.1 inleiding
    Islamitisch-politieke bewegingen staan al geruime tijd in de belangstelling.
    Ingrijpende politieke gebeurtenissen als de Iraanse revolutie (1979), de strijd van
    de Taliban in Afghanistan sinds de jaren tachtig, de moord op president Sadat
    (1981) en de bloedige burgeroorlog in Algerije na de verkiezingsoverwinning van
    het islamitische fis en de annulering van verkiezingsuitslag (1992) vestigden
    wereldwijd de aandacht op militante islamitische groepen. Ze gaven op geweld-
    dadige wijze uiting aan het streven naar islamisering, het op islamitische grond-
    slagen funderen van politiek, staat, maatschappij en recht (Piscatori 1984: 1). Dat
    deze gebeurtenissen niet op zichzelf stonden, blijkt uit de gewapende strijd van
    islamitische groeperingen elders sinds de jaren tachtig, van gebieden in Azië als
    Tsjetsjenië, Indonesië, Thailand en Pakistan tot Jemen en een Afrikaans land als
    Soedan. Sinds de terroristische aanslagen in onder meer de vs, Indonesië, Turkije,
    Marokko, Spanje en Engeland worden deze islamitisch-politieke bewegingen nu
    ook door niet-ingewijden in het Westen met meer dan gemiddelde belangstelling                          59
    gevolgd. Voorzover ze niet te boek staat als gewelddadig, gelden ze op zijn minst
    als radicaal, in de betekenis van gericht op ingrijpende veranderingen in de poli-
    tieke en maatschappelijke orde. Daarnaast gelden ze veelal ook als fundamenta-
    listisch, ultraconservatief en antidemocratisch, aangezien vele oproepen tot het
    islamiseren van de samenleving naar het voorbeeld van de begintijd van de islam
    (Noyon 2003: 47).
    Dit hoofdstuk analyseert de ontwikkeling van islamitisch activisme aan de hand
    van de invloed van concrete islamitisch-politieke bewegingen op de politieke
    arena in moslimlanden. De centrale vraag luidt: welke inzichten zijn te ontlenen
    aan de ontwikkeling van islamitisch-politieke bewegingen sinds de jaren zeven-
    tig? Welke aanknopingspunten bieden deze bewegingen voor toenadering tot
    concepten van democratie en mensenrechten?
    Het onderzoekt eerst de voornaamste kenmerken en denkbeelden over staat en
    politiek van het opkomende islamitisch-politiek activisme van de jaren zeventig
    (par. 3.2). Vervolgens belicht het de interactie tussen islamitische activisten en
    de staat in de afgelopen decennia, en de invloed daarvan op het politieke bestel in
    de moslimlanden. Eerst wordt gekeken naar de landen waar islamitisch-politieke
    bewegingen sindsdien (tijdelijk) de staatsmacht hebben overgenomen: Iran,
    Soedan en Afghanistan (par. 3.3). Daar werd hun oorspronkelijke ambitie verwe-
    zenlijkt om de seculiere staat te onttronen en een islamitische staat uit te roepen.
    Ook wordt kort ingegaan op de ontwikkelingen in Pakistan, het belangrijkste
    moslimland in de regio Zuid-Azië waar de regering de islamiseringsagenda van
    Pakistaanse islamitisch-politieke bewegingen in vergaande mate overnam. In de
    overige moslimlanden zijn revolutionaire bewegingen niet aan de macht geko-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 60 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 61 ======================================================================

<pre>   dy na miek in isla mi t isch ac t i visme
                             men. Maar ook daar is het politieke bestel niet immuun gebleken voor de druk
                             van islamitisch-politieke activisten. Overal heeft de staat in de jaren tachtig en
                             negentig een eigen nationale islamiseringpolitiek ter hand genomen op terreinen
                             als het onderwijs, het bankwezen, het familierecht, de openbare zeden en de
                             media. En in veel moslimlanden heeft de staat zo niet nationaal dan wel regionaal
                             of lokaal politieke ruimte moeten geven of concessies moeten doen aan islamiti-
                             sche bewegingen (par. 3.4). Daardoor hebben die zelf ook hun strategieën en
                             ambities verlegd. Paragraaf 3.5, ten slotte, interpreteert de voornaamste verande-
                             ringen binnen het brede spectrum van islamitisch-politieke bewegingen en de
                             heersende regimes in de moslimwereld, en geeft een inschatting van de kansen
                             en belemmeringen die daarvan uitgaan voor (verdere) toenadering tot concepten
                             van democratie en mensenrechten.
                3.2          isl amitisch - politieke bewegingen in de jaren
                             zeventig: achtergronden en kenmerken
                3.2.1        staatsvorming , secul arisatie en economische modernisering
                             De lange geschiedenis van de moslimwereld kent tal van episoden waarin
60                           opstandige groepen zich met de koran in de hand verzetten tegen hun heersers.
                             Vaak waren het individuele geestelijk leiders die de gelovigen mobiliseerden
                             rondom specifieke grieven. Later, vanaf eind negentiende eeuw ontstonden ook
                             islamitische bewegingen die de strijd aanbonden met koloniale overheersers.
                             Maar wat is dan het kenmerkende van de islamitisch-politieke bewegingen van de
                             jaren zeventig? Waarin verschillen ze van eerdere (religieus geïnspireerde)
                             protestbewegingen? Recent onderzoek geeft hierop geen eenduidige antwoorden
                             (Piscatori 1984; Wiktorowicz 2004b; Tibi 2001; Esposito en Burgat 2003). Zeker
                             is dat ze werden gevoed door onvrede in veel moslimlanden over de postkoloni-
                             ale fase van geforceerde nationale staatsvorming, van bovenaf opgelegde seculari-
                             satie en geforceerde economische modernisering.
                             Na de onafhankelijkheid bleven veel politieke leiders in de moslimwereld vóór
                             alles streven naar het consolideren van een nationale staat met een sterk gecentra-
                             liseerde, krachtige uitvoerende macht. Het bestuur viel meestal in handen van
                             westers georiënteerde politieke of militaire elites die de staat legitimeerden in
                             seculiere termen, met behulp van nationalistische, liberale of socialistische ideo-
                             logieën en symbolen (Lapidus 2002: 818). Tegelijkertijd schuwden deze elites er
                             niet voor de religie in te zetten als sociaal bindmiddel ter versterking van de
                             nationale staat. Sommige stromingen binnen de islam werden verbonden aan de
                             eigen politieke agenda, terwijl andere, veelal meer volkse of mystieke stromingen
                             daarvan juist werden uitgesloten.
                             Met uitzondering van Saoedi-Arabië en Marokko plaatsten alle landen de reli-
                             gieuze instellingen onder officiële overheidscontrole. Giles Kepel maakt een
                             globaal onderscheid tussen monarchieën waar de traditionele, rurale sociale klas-
                             sen (de tribale aristocratie, grondeigenaren en kooplui van de bazaars) het voor
</pre>

====================================================================== Einde pagina 61 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 62 ======================================================================

<pre>                                                   de ontwikkeling van islamitisch-politieke bewegingen
het zeggen hadden, en staten die werden bestuurd door een nieuwe stedelijke
elite die de oude machthebbers aan de kant hadden geschoven. In de eerste groep
landen (met als extreem voorbeeld Saoedi-Arabië) behielden religieuze leiders
(ulama) en instellingen hun vooraanstaande maar meestal wel afhankelijke posi-
tie in het maatschappelijke leven. Ze werden niet buiten spel gezet maar ingebed
in het regime. In de tweede groep werd beslag gelegd op de grond en het overige
eigendom van religieuze groepen en werd de ulama een salaris in overheidsdienst
uitgekeerd (Kepel 2002: 47).
Het proces van secularisatie had dus meestal het karakter van een onderschik-
king van een officiële versie van de islam aan de staat, én een geforceerde ver-
banning van religieuze aangelegenheden uit het openbare leven. Toch bleven
andere versies van de islam overal een belangrijke rol spelen in het lokale sociale
en culturele leven. Deze ‘volkse’, veelal niet-stedelijke islam kenmerkte zich
door aandacht voor individuele vroomheid, de bemiddelende rol van lokale
geestelijk leiders en mystieke broederschappen (Kepel 2002: 46-54; Yavuz
2003: ix). Hij werd door de meeste regimes getolereerd omwille van de sociale
stabiliteit of, zoals in Turkije (na aanvankelijk te zijn verboden), Algerije en
Saoedi-Arabië, verder in zijn bewegingsvrijheid beknot. Sommige regimes mani-
puleerden vooral de traditionele sufibroederschappen in de positie van buffer                           61
tegen socialistische, communistische en later ook radicale islamitische groeperin-
gen.
De postkoloniale elites gaven de staat het primaat boven de samenleving en het
individu. Het nationalisme dat zij hanteerden beriep zich weliswaar in naam op
de volkssoevereiniteit, maar stond in de praktijk slechts een beperkte, selectieve
deelname toe van de massa aan de politieke macht (Utvik 2003: 43; Fuller 2003:
14). Sheri Berman beschrijft hoe de nieuwe regimes erin slaagden via een grote
bureaucratie en een officiële staatscultuur en -ideologie de massa van de bevol-
king te mobiliseren en tegelijkertijd op grote afstand te zetten. Ze spreekt van
een stilzwijgend contract tussen staat en maatschappij: in ruil voor zelfrespect,
zelfvertrouwen en brede deelname aan onderwijs, gezondheidszorg, werkgele-
genheid en subsidies werden burgers geacht (tijdelijk) hun aanspraken op indivi-
duele politieke en burgerrechten op te schorten (Berman 2003: 259). In econo-
misch opzicht betekende dit een sterk activistische rol voor de staat, die in
sommige landen (o.m. Libië, Egypte, Indonesië, Jemen, Algerije en Irak) een
expliciet socialistisch en/of communistisch programma omarmde. Het bekend-
ste voorbeeld hiervan is ongetwijfeld het Arabisch nationalisme van Gamal
Abdel Nasser. Dit omvatte een ongekend ambitieus socialistisch getint ontwik-
kelingsprogramma dat onder meer voorzag in de nationalisatie van sleutelindus-
trieën, grondhervormingen en prestigieuze projecten zoals de bouw van de
Aswandam.
Uit het impliciete, op economische prestaties georiënteerde contract met de
centrale staat vloeide aanvankelijk een grote tolerantie voort tegenover staats-
inmenging in het dagelijkse sociale, culturele en religieuze leven. Civil society-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 62 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 63 ======================================================================

<pre>   dy na miek in isla mi t isch ac t i visme
                             organisaties werden gedwongen zich vooral loyaal te betonen aan de heersende
                             macht, zonder zich feitelijk te mogen mengen in de politieke arena. Cultureel
                             pluralisme werd onderdrukt ten gunste van het project van de natiestaat. Juist
                             daardoor echter zochten (etnische en religieuze ) groepen en lagen van de bevol-
                             king die min of meer werden uitgesloten van het dit project hun toevlucht in de
                             eigen religie en/of etniciteit. Koerden in Irak en Turkije bijvoorbeeld werden
                             min of meer gedwongen hun heil te zoeken in al die plaatselijke arena’s waarop
                             de staat weinig greep had. Paradoxaal genoeg versterkte dit proces van politieke
                             en maatschappelijke marginalisering op de lange termijn dus juist de betekenis
                             van informele buurt-, clan- en religieuze loyaliteiten en identiteiten (Yavuz 2003:
                             52).
                             Op veel plekken in de moslimwereld liepen de hooggespannen verwachtingen
                             in de jaren zeventig en tachtig spaak op de realiteit van teleurstellende prestaties
                             van de staat. Het sociale contract werd als het ware eenzijdig opgezegd door al
                             die groepen van de bevolking die waren teleurgesteld door de economische
                             wanprestaties en het ontbreken van individuele en politieke rechten (Berman
                             2003: 259-260). Vooral de jongere generatie van de jaren zeventig die de volwas-
                             senheid bereikte tijdens de massale migratie van het platteland naar de steden en
62                           buitenwijken, liet zich steeds meer gelden. Deze generatie had als eerste onder-
                             wijs genoten in de eigen taal, kon lezen en schrijven en koesterde geen enkele
                             herinnering aan de koloniale tijd. De kennis, opvattingen en cultuur van hun
                             (veelal ongeletterde) ouders van het platteland boden deze jongeren te weinig
                             referentiepunten voor de nieuwe levensomstandigheden. Ze wensten de poli-
                             tieke leiders af te rekenen op hun grote beloften en zochten naar manieren om
                             politiek en maatschappelijk gehoor te vinden (Kepel 2002). Het in hoofdstuk 2
                             geschetste gedachtegoed van denkers als Mawdudi, Qutb, al-Banna, Shariati
                             en Khomeini, hoe uiteenlopend ook, voorzag in deze behoefte. Dat gaf immers
                             aanknopingspunten om de nieuwe, moderne samenleving te benoemen, te
                             verklaren en van een eigen kritisch (islamitisch) alternatief te voorzien.
                3.2.2        factoren van mobilisatie
                             Onderzoek naar (revolutionair) activisme en sociale bewegingen laat zien dat een
                             voedingsbodem van malaise en grieven een noodzakelijke maar geen voldoende
                             voorwaarde is voor activistisch politiek protest (Berman 2003: 258; Hafez 2003:
                             17; Baylouny 2004). Lang niet alle samenlevingen die sinds de jaren zeventig
                             blootstaan aan economische, sociale, culturele en demografische druk hebben
                             politieke omwentelingen of invloedrijke (islamitisch-)politieke bewegingen
                             voortgebracht. Er zijn kennelijk andere mechanismen en omstandigheden die
                             bepalen wanneer en hoe maatschappelijke onvrede zich vertaalt in sociale en
                             politieke mobilisatie en in welke richting deze krachten zich ontwikkelen. Hier-
                             voor kunnen we aanknopingspunten vinden bij drie componenten:
                             1 de beschikbaarheid van middelen en mobilisatiestructuren;
                             2 de kansen en belemmeringen in de interne en externe politieke omgeving;
                             3 cultuur en processen van betekenisgeving (Wiktorowicz 2004b).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 63 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 64 ======================================================================

<pre>                                                  de ontwikkeling van islamitisch-politieke bewegingen
Ad. 1 Middelen en mobilisatiestructuren
Materiële, organisatorische en institutionele middelen zijn cruciaal voor het
effectief mobiliseren van bevolkingsgroepen en het coördineren van gezamen-
lijke actie. Islamitisch-politieke activisten weten meestal dankbaar gebruik te
maken van bestaande, wijdvertakte netwerken van moskeeën en religieuze scho-
len, vrijwilligersorganisaties en informele contacten voor het verspreiden van
ideeën, het rekruteren en mobiliseren van (potentiële) aanhangers en het inzame-
len van financiële middelen van zowel gewone gelovigen als rijke donoren en
migranten uit de Golfstaten. In de meeste moslimlanden is het staatstoezicht op
moskeeën en ngo’s sinds de jaren tachtig verscherpt. Desondanks blijven medi-
sche klinieken, ziekenhuizen, onderwijs- en culturele instellingen tamelijk effec-
tieve platforms om de banden met lokale gemeenschappen en bevolkingsgroepen
te versterken en de religieuze en politieke boodschap te verspreiden zonder
onmiddellijk te hoeven vrezen voor staatsrepressie (Bayat 1997; Wiktorowicz
2004a en 2004b; Berman 2003). Openlijke aanvallen op de religie of religieuze
instellingen leiden immers vaak tot verder legitimiteitverlies van de staat.
In veel vroege activistische politieke bewegingen zijn het leiderschap en de shura
belangrijke organisatorische concepten. Over de concrete invulling ervan
verschilden de meningen echter aanzienlijk. Volgens het invloedrijke model van                         63
de Egyptische Moslim Broederschap moest de leider worden gekozen door de
shura. Eenmaal in het zadel was zijn positie vrijwel onaantastbaar, want de shura
zou uitsluitend adviserende bevoegdheden mogen hebben. De leider moest
beschikken over een ondersteunend algemeen uitvoerend comité, speciale
commissies (o.m. voor geloofsverspreiding, dawa, en voor specifieke doelgroe-
pen als studenten, boeren, arbeiders en vrouwen) en eventueel ook een gewa-
pende, al dan niet ondergrondse tak. Radicale gewapende bewegingen legden een
zwaarder accent op het leiderschap dan niet-gewapende varianten.1 Over de
gewenste samenstelling van de shura waren de opvattingen eveneens verdeeld,
en dienden drie modellen tot inspiratie: een shura van alleen geestelijken, alleen
intellectuelen of de gehele gemeenschap (Roy 1994: 44-45). Het eerste model
zien we eigenlijk alleen terug in Centraal-Azië, namelijk bij de Afghaanse Jamaat-
i Islami en de Sovjet Islamitische Renaissance Partij. De meeste andere bewegin-
gen wezen het gezag van de traditionele ulama van de hand. Veel gebruikelijker
(vooral onder sunnibewegingen) was een shura bestaande uit een moderne, vaak
militante voorhoede van stedelijke professionals, studenten en intellectuelen.
De derde (‘Iraanse’) variant had nog het meeste weg van westerse parlementaire
democratieën, en ontmoette juist daardoor veel kritiek van fundamentalisten
(Roy 1994: 45).
Vooral sinds de Iraanse revolutie is er uitgebreid aandacht voor bewegingen die
zich richten op het langs revolutionaire weg overnemen van de staat en het
installeren van een islamitische orde. Sommige door Sayyid Qutb geïnspireerde
groeperingen wilden inderdaad een – desnoods gewelddadige – revolutie van
bovenaf (zie par. 2.2). Andere beschouwden het omverwerpen van het zittende
regime alleen als geoorloofd indien de staat zich extreem islamvijandig opstelde
</pre>

====================================================================== Einde pagina 64 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 65 ======================================================================

<pre>   dy na miek in isla mi t isch ac t i visme
                             en alle andere vreedzame middelen waren uitgeput (Roy 1994: 41-42). Hun meer
                             geleidelijke weg binnen de bestaande politieke orde bestond uit het vormen van
                             politieke bewegingen en partijen, en het infiltreren van delen van de publieke
                             sector en het staatsapparaat (zoals de bureaucratie, het leger, de politie, het onder-
                             wijs, de rechterlijke macht en specifieke ministeries). Onderzoek toont echter
                             aan dat veel van de onderlinge strijd tussen en binnen islamitische bewegingen
                             niet zozeer ging over het gebruik van geweld of grote blauwdrukken voor een
                             islamitische staat, maar over vraagstukken van identiteit en cultuur. In de prak-
                             tijk van alledag ging het erom de problemen en zorgen van de potentiële achter-
                             ban overtuigend te schetsen. Dat lukte het beste door authentieke symbolen en
                             taal te gebruiken (Wiktorowicz 2004b: 16; Yavuz 2003; White 2002; Esposito
                             2003). De sharia, als symbool voor een authentiek islamitisch waardestelsel geba-
                             seerd op sociale rechtvaardigheid en goed bestuur, werd al gauw het brandpunt
                             van de morele strijd (Hourani 1984: 228). Het overnemen of transformeren van
                             de staat werd zo voor veel bewegingen niet een doel op zich, maar slechts een van
                             de vele mogelijke manieren om veranderingen tot stand te brengen.
                             Met de opkomst van islamitisch-politiek activisme zijn ook organisaties voor zen-
                             ding (dawa) onder (afvallige) moslims steeds populairder geworden in de moslim-
64                           wereld. De dawa doet een moreel appèl op de gewone moslims om het persoon-
                             lijke leven te veranderen. Als deze ‘strijd om de harten en hoofden’ voldoende
                             steun ondervindt bij het brede publiek, zo is de gedachte, zal het op de lange ter-
                             mijn mogelijk worden om van onderop islamisering van het bestuur en de wetge-
                             ving af te dwingen, zonder dat het hoeft te komen tot een directe confrontatie met
                             de staat. Moderne dawabewegingen weten burgers vooral te mobiliseren dankzij
                             hun subtiele morele kritiek op het heersende politieke regime.2
                             Ad. 2 Kansen en belemmeringen in de interne en externe politieke
                                        omgeving
                             De aard van het politieke en maatschappelijke bestel (zoals de mate van openheid
                             of geslotenheid van de politieke arena en instituties, de aanwezigheid van politieke
                             bondgenoten en concurrenten, de stabiliteit en legitimiteit van het zittende regime
                             en de mate van gewelddadige repressie door het staatsapparaat) bepaalt in belang-
                             rijke mate of en hoe activisten protest weten te vertalen in collectief handelen. De
                             dominante positie van de staat en de beperkte ruimte voor politieke oppositie en
                             activisme zien we terug in de classificaties van het politieke bestel in de moslim-
                             wereld. Aan de vooravond van de opkomst van het islamitisch activisme van de
                             jaren zeventig golden verreweg de meeste regeringen als autocratisch en ‘niet vrij’
                             (zie tekstbox 3.1 en bijlage 1). Sindsdien hebben ze een steeds geraffineerder instru-
                             mentarium ontwikkeld om te kunnen omgaan met de interne en externe druk van
                             islamitisch activisten. In plaats van elke vorm van politieke oppositie en debat te
                             verbieden, gaan ze bijvoorbeeld over tot het verbieden van politieke partijen met
                             een religieuze signatuur, het manipuleren van verkiezingen via herindeling van
                             kiesdistricten, kiescommissies etc., het beperken van de persvrijheid en toegang
                             tot media, het overnemen van de retoriek en sommige agendapunten van islami-
                             tisch activisten en het lastigvallen en oppakken van politieke tegenstanders.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 65 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 66 ======================================================================

<pre>                                                               de ontwikkeling van islamitisch-politieke bewegingen
Tekstbox 3.1 Het politieke bestel van moslimlanden, begin jaren zeventig
 De zogenoemde Polity IV score is een veelgebruikte samengestelde index ter duiding van regime-
 kenmerken en -types. De Polity iv score meet op een schaal van --10 (sterk autocratisch) tot 10
 (sterk democratisch) het democratische gehalte van politieke stelsels (zie ook de toelichting in
 bijlage 1). Deze index laat zien dat in het Midden-Oosten en Noord-Afrika alleen Libanon begin
 jaren zeventig de status van democratisch land (een polity score van 4 of hoger) had. Noord-
 Jemen, Koeweit en Marokko ontvingen van de bekendere, maar meer omstreden index van
 Freedom House de classificatie ‘deels vrij’; deze landen hadden echter een slechte Polity score.
 De voorzichtige politieke liberalisering tijdens de jaren zeventig en tachtig in landen als Egypte,
 Algerije en Jordanië betekende dat islamitische bewegingen en partijen formeel of informeel
 werden erkend en een politiek platform tot hun beschikking kregen. Van directe substantiële
 invloed op de politieke besluitvorming was meestal nog geen sprake, maar wel van indirecte
 beïnvloeding, doordat ze tijdens verkiezingen of betogingen massale steun ontvingen van de
 achterban. In Afrika beneden de Sahara was het klimaat begin jaren zeventig vrijer, hoewel
 alleen Gambia volgens beide maatstaven als vrij en democratisch gold. Burkina Faso, Nigeria en
 Sierra Leone kregen van Freedom House het predikaat ‘deels vrij’ maar scoorden slecht op de
 Polity iv index. Van de kleine groep onafhankelijke Aziatische moslimlanden golden Maleisië
 en Bangladesh begin jaren zeventig volgens de Polity iv index als relatief democratisch.
 Opvallend is ook dat de gemiddelde scores voor politieke en burgerrechten van deze groep                           65
 landen hoger lagen dan in de andere twee regio’s.
        Naast binnenlandpolitieke factoren zijn er uiteraard ook internationale omge-
        vingsfactoren die mede van invloed zijn op de ontplooiingskansen van islami-
        tisch activisme. Zoals hoofdstuk 2 liet zien, heeft de Iraanse revolutie van 1979
        een belangrijke katalysatorfunctie gehad. Voor het eerst in de recente geschie-
        denis kon een land uit naam van de islam de volledige zeggenschap claimen over
        alle facetten van het statelijk systeem. De revolutie ontketende een proces van
        islamitische bewustwording waartoe politieke denkers als Mawdudi, al-Banna
        en Qutb al eerder de weg hadden geëffend. Het besef van onderlinge verbonden-
        heid van moslims over de hele wereld werd hierdoor versterkt, evenals het elan
        van islamitische intellectuelen, activistische groeperingen en partijen die zich
        verzetten tegen de autoritaire regimes (Kepel 2002: 130-132). De nieuwe Iraanse
        Islamitische Republiek deed zelf ook pogingen de islamitische revolutie (de
        ‘islam van het volk’) te exporteren, mede om langs die weg het leiderschap van
        de umma te kunnen claimen. Vooral het conservatieve Saoedi-Arabische regime
        moest het in de propagandaoorlog ontgelden, maar ook andere sunnitische
        moslimstaten (waaronder de Golfstaten) en Irak raakten daarin betrokken.
        Nadat de Iraanse revolutie al snel een uitgesproken shiietisch karakter kreeg,
        stimuleerde het Saoedische regime op zijn beurt verdere mobilisatie van sunni-
        tische politieke bewegingen met grote hoeveelheden ‘olie-dollars’.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 66 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 67 ======================================================================

<pre>   dy na miek in isla mi t isch ac t i visme
                             Ad 3. Cultuur en processen van betekenisgeving
                             Net als de meeste sociale groepen en bewegingen hebben islamitische sociale
                             bewegingen eigen ideologische betekenis- en denkkaders ontwikkeld. Het betreft
                             bewuste strategieën om de wereld om zich heen en de eigen plaats daarin te
                             kunnen interpreteren, zodat collectieve actie is te legitimeren en motiveren
                             (Hafez 2004: 156). Elk betekeniskader bestaat uit ten minste drie onderdelen: een
                             heldere diagnose van het maatschappelijke probleem en de hoofdverantwoorde-
                             lijken; eenduidige oplossingsrichtingen, tactieken en strategieën, en heldere
                             motieven om tot steun of collectieve actie over te gaan. Hoe beter sociale bewe-
                             gingen erin slagen hun betekeniskader te laten aansluiten bij de potentiële achter-
                             ban, hoe groter de kans is dat ze die groepen ook daadwerkelijk kunnen mobilise-
                             ren (Wiktorowicz 2004b: 16; Hafez 2004).
                             Zoals hoofdstuk 2 liet zien, zagen veel islamitische bewegingen van het eerste uur
                             de verspreiding van westerse invloeden en waarden als belangrijkste oorzaak van
                             alom aanwezige corruptie, inefficiëntie van de staat, massale werkloosheid en
                             grote sociale ongelijkheid. Het Westen had islamitische instellingen, gebruiken
                             en waarden ondermijnd, moslims afgebracht van het juiste pad en de gehele
                             moslimwereld in een staat van crisis en moreel verval gebracht. De oplossing
66                           voor deze problemen vonden velen in het terugkeren van de individuele moslim
                             en de staat tot de zuivere bronnen en praktijken van de islam, het afwijzen van
                             westerse invloeden en waarden en het tot stand brengen van een islamitische
                             staat.
                             De ‘door het Westen bedreigde umma’ had in de ideologie en retoriek een promi-
                             nente mobiliserende functie, maar de concrete tactiek en strategie richtte zich
                             toch vooral op de arena van de eigen nationale staat. Aanhangers van een theocra-
                             tie naar Iraans model onderschreven veelal de visie dat alleen God en niet de
                             mens in staat is het goede te doen. Daarom mocht alleen God – of zijn vertegen-
                             woordigers op aarde – over rechten beschikken en moest de mens zich onderwer-
                             pen aan de belangen van de umma en het leiderschap van de staat. Andere acti-
                             visten verwierpen de notie van een onaantastbare, allesomvattende door God
                             gegeven orde die noopt tot een theocratie. Zij zagen in de concepten van shura,
                             consensus en bekrachtiging door het volk (baya) aanknopingspunten voor een
                             islamitisch democratisch bestuur. Weer anderen onderschreven het belang van de
                             trias politica, maar bleken uiterst beducht voor politieke partijvorming en meer-
                             partijenstelsels, aangezien die de zo cruciaal geachte eenheid en consensus van de
                             moslimgemeenschap zouden ondermijnen (Berger 2006). En een kleine minder-
                             heid concludeerde dat een democratisch stelsel moslims verreweg de beste garan-
                             ties zou bieden om hun geloof te kunnen beleven. Het zou immers waken tegen
                             misbruik van de religie door machthebbers en via de vrijheid van godsdienst een
                             belangrijke voorwaarde creëren voor een daadwerkelijk religieuze samenleving
                             (Abu Zayd 2006).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 67 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 68 ======================================================================

<pre>                                                        de ontwikkeling van islamitisch-politieke bewegingen
3.2.3 conclusie
      In veel landen in de moslimwereld is na 1970 een voedingsbodem ontstaan voor
      politieke onvrede en activisme. Grote groepen goed geschoolde jongeren die
      sindsdien de volwassenheid bereiken, wensten de eigen politieke leiders af te
      rekenen op hun beloften en zoeken naar manieren om politiek en maatschappelijk
      invloed uit te oefenen (Kepel 2002). Het islamitisch geïnspireerde gedachtegoed
      van denkers als Mawdudi, Qutb, al-Banna, Shariati en Khomeini sloot aan bij die
      behoefte. Of die onvrede leidt tot massale steun voor activisme en invloedrijke
      politieke bewegingen hangt echter sterk af van de mate waarin deze bewegingen
      kunnen beschikken over instellingen, financiële middelen en lokale netwerken
      om de eigen politieke boodschap te verspreiden, banden te onderhouden met hun
      potentiële achterban en zich toegang weten te verschaffen tot de binnenlandse of
      internationale politieke arena. Bovendien is van groot belang of zij een wervend
      perspectief kunnen bieden met een heldere diagnose en oplossing van de bestaan-
      de maatschappelijke problemen. Afgemeten aan deze indicatoren, bleken bij uit-
      stek islamitisch activistische bewegingen in veel moslimlanden te beschikken over
      een relatief groot mobilisatiepotentieel.
                                                                                                             67
3.3   isl amitisch - politieke activisten aan de macht
3.1.1 inleiding
      Iran, Afghanistan en Soedan zijn tot nu toe de enige landen die sinds de jaren
      zeventig via een machtsovername van islamitisch activistische bewegingen zijn
      getransformeerd tot een islamitische staat. (Saoedi-Arabië kent al veel langer een
      absolute theocratie, zie tekstbox 3.2.) Pakistan vormt een grensgeval. Het land is
      al sinds de afscheiding van India in 1947 het strijdtoneel van islamitische bewe-
      gingen en politiek leiders die elkaar en de islam voortdurend manipuleren ter
      versterking van hun politieke machtsbasis (Shah 2003). Maar het was vooral
      dankzij de druk van islamitisch-politieke partijen dat Pakistan in 1973 een nieuwe
      grondwet kreeg die de islam tot staatsgodsdienst verklaarde en de staat een
      actieve islamiseringstaak op zich nam (Fair 2005: 272). In Iran verliep de transfor-
      matie via een onverwacht snelle revolutie in 1979 onder leiding van de shiietische
      geestelijkheid en met massale steun van islamitisch-politieke jongeren, gevolgd
      door een periode van islamisering van boven af door de staat; in Afghanistan via
      een burgeroorlog tussen strijders van de oorlog tegen de Sovjet-Unie, die uitein-
      delijk werd gewonnen door de Taliban, een van de vele islamitische bewegingen
      in de regio; en in Soedan via de geleidelijke uitbreiding van de machtsbasis van
      een islamitisch-politieke beweging die in 1989 door een militaire coup de macht
      greep. In het geval van Afghanistan en Soedan vonden deze machtswisselingen
      plaats tegen de achtergrond van diepe etnische, tribale en religieuze verdeeldheid,
      regionale conflicten en externe inmenging. Ze eindigden in het falen van de staat,
      burgeroorlog en politieke chaos, en in het geval van de Soedanese regio Darfur
      ook in massale dood en verderf. Hieronder zullen de concrete ervaringen van
      recent ‘islamitisch activisme aan de macht’ in Iran, Soedan en Afghanistan nader
</pre>

====================================================================== Einde pagina 68 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 69 ======================================================================

<pre>   dy na miek in isla mi t isch ac t i visme
                             worden bekeken. Daarna zullen ook kort de ontwikkelingen in Pakistan de revue
                             passeren.
                  Tekstbox 3.2 Het politieke bestel in Saoedi-Arabië
                    Saoedi-Arabië is een absolute monarchie die sinds de eenwording van het land in 1932 wordt gere-
                    geerd door de koninklijke familie al-Saud. Deze ontleende haar hegemonie over concurrerende
                    stammen door de legitimiteit van het politieke bestel en de staat te koppelen aan een traditionele,
                    wahhabistische interpretatie van de islam. De huidige koning is tevens premier, en zijn troonop-
                    volger wordt door de koninklijke familie zelf uit de eigen kring aangewezen. Hij vervult de positie
                    van vice-minister in het kabinet. De drie sleutelposities in het kabinet (minister van Buitenlandse
                    Zaken, Binnenlandse Zaken en Defensie) worden alle bekleed door leden van de koninklijke fami-
                    lie. Artikel 1 van de grondwet van 1993 stelt dat ‘Gods boek en de Sunna’ de grondwettelijke bepa-
                    lingen van het land vormen. De monarchie heeft tot officiële taak de islam, de heilige plaatsen en
                    de pelgrimstocht naar Mekka (hadj) te beschermen en de sharia uit te voeren. Daartoe draagt de
                    staat mensen op “het goede te doen en het kwade te mijden” (art.23). De staat helpt hen daarbij
                    door het traditionele islamitische discours te verspreiden via de teksten van de vrijdagpreken, de
                    streng gecontroleerde staatsmedia en door andere interpretaties en discoursen zoveel mogelijk uit
                    te bannen. Alle burgers worden bij wet geacht (sunni)moslim te zijn, hoewel in het oosten van
68                  het land ook shiieten wonen. In 1993 heeft de koning mede onder de externe en interne druk die
                    volgde op de eerste Golfoorlog een 120 leden tellend raadgevend lichaam ingesteld (conform het
                    koranische principe van shura) met uiterst beperkte bevoegdheden. In februari 2005 mochten
                    mannen voor het eerst in de geschiedenis van het land hun stem uitbrengen voor de helft van de
                    leden van de gemeenteraad. (De andere helft van de leden wordt benoemd.) Welke bevoegdheden
                    deze raad krijgt is overigens nog onduidelijk. Politieke partijvorming en de vrijheid van vereni-
                    ging en vergadering zijn verboden, en kritiek op het gesloten, corrupte regime wordt genadeloos
                    aangepakt. In de jaren zeventig leek het er even naar uit te zien dat de toegenomen welvaart en de
                    modernisering het traditionele wahhabisme geleidelijk zouden verdringen, maar religieuze
                    conservatieven zetten met succes een tegenoffensief in. Geïnspireerd door het optreden van
                    Khomeini tegen de sjah van Iran, bestormden eind 1979 500 dissidenten de heilige moskee in
                    Mekka. Ze eisten een einde aan het bewind van de al-Sauds, die zij een gebrek aan legitimiteit,
                    corruptie en westerse decadentie verweten. Ook verweten ze de ulama zich te laten misbruiken
                    voor de politieke agenda van de koninklijke familie. Nadat het bewind deze opstand met Franse
                    hulp had afgeslagen, zag het zich gedwongen een nieuw islamiseringsoffensief te voeren ter
                    versterking van de eigen legitimiteit.
                    Bron: Barends en Van Eijk in Otto et al. 2006; Raphaeli 2003.
                3.3.2        ir an
                             Het autoritaire bewind van de sjah van Iran had alle concurrerende politieke
                             partijen en bewegingen verboden, net als alternatieve kanalen van protest. Dank-
                             zij het eenduidige leiderschap en de institutionele middelen van de hiërarchische
                             shiietische geestelijkheid kon de breed gedeelde onvrede onder studenten echter
                             in korte tijd worden gemobiliseerd tot een massale opstand onder islamitische
                             vlag. Het betrof een klassieke protestbeweging: gericht tegen de bestaande orde
</pre>

====================================================================== Einde pagina 69 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 70 ======================================================================

<pre>                                                       de ontwikkeling van islamitisch-politieke bewegingen
      en voor een overname van de staat, maar zonder het coherente ideologische
      programma waar activistische bewegingen in Egypte en Algerije wel over
      beschikten. Dit maakte het voor de geestelijke leiders mogelijk een islamitische
      staat uit te roepen die van bovenaf een proces van islamisering zou doorvoeren
      (Bayat 1997: 168).
      Iran werd zo de eerste islamitische theocratie in de moderne geschiedenis van het
      Midden-Oosten, met een mede op westerse leest geschoeide grondwet en poli-
      tiek stelsel en rechtstreekse algemene verkiezingen voor het parlement en de
      president. Hoewel het Iraanse politieke proces opener en levendiger is dan elders
      in de regio, is het nog altijd onderworpen aan de vilayat-i faqih, de geestelijke
      leider en zijn Raad van Hoeders (Fuller 2003: 103-104; Dekker en Barends in Otto
      et al. 2006).3 Hij wordt geacht boven de politieke partijen te staan en de religieuze
      staat als het ware in moreel opzicht te ‘beschermen’ tegen de democratische rol
      van het gekozen parlement. Anders dan de president wordt hij niet gekozen maar
      geselecteerd door een kring van hoge geestelijken, kan hij democratisch genomen
      beslissingen van het parlement herroepen en is hij geen verantwoording schuldig
      aan het publiek. Bovendien heeft hij de functie van bevelhebber van de strijd-
      krachten (met het recht zelf de oorlog te verklaren en troepen te mobiliseren),
      hoofd van de staatsradio en staatstelevisie, opperbevelhebber van de revolutio-                       69
      naire garde, het gewone leger en de veiligheidsdiensten. Die functies maakten het
      de afgelopen jaren mogelijk het staatsbestel in personeel opzicht grondig te isla-
      miseren. Op vrijwel alle cruciale posten zitten conservatieve getrouwen. Er is een
      eigen staf van ruim 600 personen, onder wie ook adviseurs op militair, econo-
      misch, cultureel en mediagebied. Daaromheen bevindt zich tevens een kring van
      naar schatting 2.000 persoonlijk benoemde of goedgekeurde religieuze
      ‘vertegenwoordigers’ op alle belangrijke posten binnen de ministeries, andere
      overheidsinstellingen, rechtbanken, ‘raden’ en de voornaamste revolutionaire,
      religieuze en culturele organisaties in binnen- en buitenland. Samen met de vele
      veiligheidsdiensten en de conservatieve stichtingen (bonyads) geven deze functi-
      onarissen geestelijk leider Khamenei een stevige greep op de uitvoerende en
      wetgevende macht. Zij hebben zich ook met verve gestort op het handhaven van
      de vele gedragscodes en sociaal-culturele voorschriften die moeten waken over
      de islamitische zeden in het land.
3.3.3 soedan
      De islamisering van het staatsbestel in Soedan volgde in menig opzicht een
      tegengesteld traject. Terwijl in Iran sprake was van een revolutie gevolgd door
      een staatsgeleide islamisering, stond de Soedanese staat sinds de onafhankelijk-
      heid in 1956 bloot aan voortdurende druk binnen en buiten de regeringscoalitie
      tot voortgaande islamisering en ‘arabisering’ van het politieke en juridische
      bestel (Bayat 1997; Köndgen in Otto et al. 2006). Daarnaast woedde ook een
      aanhoudende strijd over de vraag of deze islamisering zich moest beperken tot
      het islamitische noorden of ook het christelijke zuiden zou moeten omvatten,
      alsook de vraag of een orthodoxe dan wel meer liberale interpretatie van de islam
</pre>

====================================================================== Einde pagina 70 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 71 ======================================================================

<pre>   dy na miek in isla mi t isch ac t i visme
                             richtinggevend zou moeten zijn voor de staatsinrichting. Dit alles vormde de
                             ingrediënten voor opeenvolgende burgeroorlogen en legercoups, afgewisseld met
                             korte perioden van democratisch bestuur. Toch zou zich pas in de jaren tachtig
                             een islamitische beweging meester maken van de staat, nadat deze nota bene
                             eerst een leertraject had ondergaan in de oppositie tegen het communistische
                             regime van de latere islamitische activist en coalitiepartner Jafaar Muhammed
                             Numeiri. De Moslim Broederschap en vervolgens het Nationaal Islamitisch Front
                             (een brede coalitie van Moslimbroeders, Sufi’s, stammenleiders, ulama en leger-
                             officieren) voerde onder leiding van Hasan al-Turabi een politiek gericht op het
                             uitschakelen van de meer gematigde islamitisch-politieke bewegingen, het gelei-
                             delijk verbreden van de economische machtsbasis (o.m. via het islamitisch ban-
                             kieren en het in handen krijgen van de olievelden), het uitbreiden van de steun
                             binnen het onderwijs en de rechterlijke macht en het opbouwen van een paral-
                             lelle legerstructuur en een eigen veiligheidsdienst.
                             Eenmaal aan de macht herdoopte de president zich tot ‘leider van de gelovigen’ en
                             veranderde het parlement in een consultatieve raad (conform het koranische
                             principe van shura) die alleen aan hem trouw verschuldigd was. Ook alle belang-
                             rijke overheidsinstellingen inclusief de rechterlijke macht werden bemand door
70                           Turabi-getrouwen. Het nieuwe regime kon vervolgens de shariawetgeving (met
                             de straffen voor de vijf in de koran vastgestelde delicten, hadd), het leger en de
                             financiële reserves inzetten in de slepende burgeroorlog tegen het zuiden. Verdere
                             islamisering van bovenaf werd afgedwongen door de invoering in 1996 van de
                             zogenoemde Khartoum Openbare Orde Wet, die een dam moest opwerpen tegen
                             ‘immoreel gedrag’ in het openbaar, maar tegelijkertijd de vrijheden nog verder
                             inperkte en de rechteloosheid en willekeur deed toenemen. De bestaande zeden-
                             wetgeving en het verbod op alcoholconsumptie, prostitutie en onzedelijkheid
                             werden daartoe verder aangevuld met islamitische kledingvoorschriften voor
                             overheidsgebouwen, scholen en universiteiten en allerhande ver- en geboden.
                             De grondwet van 1998 lijkt vooral een poging van het regime van Omar Hassan
                             Bashir zich internationaal te legitimeren na de onwettige militaire machtsover-
                             name en het opschorten van het democratisch proces. De huidige tekst kenmerkt
                             Soedan niet als een islamitische staat maar als een land “waarin de godsdiensten
                             zich met elkaar verzoenen” en de islam “de godsdienst van de meerderheid is”
                             (Köndgen in Otto et al. 2006). Artikel 24 garandeert de vrijheid van religie, mits
                             de uitoefening daarvan “de gevoelens van anderen niet kwetst” en geen schade
                             berokkent aan de openbare orde. Vergelijkbare vage passages zijn opgenomen
                             over de vrijheid van geweten en meningsuiting en het recht op privacy. De Wet
                             op de Politieke Associaties heeft een einde gemaakt aan het tien jaar durende
                             verbod op politieke partijvorming, waardoor veel nieuwe partijen zijn opgericht.
                             Tegelijkertijd bepaalt diezelfde wet echter dat alle nieuwe partijen de ideologie
                             van de regerende partij moeten onderschrijven. De registratie van partijen is
                             bovendien in handen van een lid van de regeringspartij, terwijl de bewegings-
                             ruimte wordt beperkt door noodverordeningen en intimidaties door veiligheids-
                             diensten (uk Home Office 2005; ifes Sudan, z.d.). Zo kon het bijvoorbeeld
</pre>

====================================================================== Einde pagina 71 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 72 ======================================================================

<pre>                                                      de ontwikkeling van islamitisch-politieke bewegingen
      gebeuren dat zeven leiders van de Nationaal Democratische Alliantie, een brede
      coalitie van de noordelijke en zuidelijke oppositie, een week voor de verkiezingen
      van 2000 werden gearresteerd en beschuldigd van samenzwering met een
      Amerikaanse diplomaat. Aan de presidents- en parlementsverkiezingen van eind
      2000 deden uiteindelijk alleen Bashirs Nationaal Congres en enkele kleine, bij de
      kiezers grotendeels onbekende minderheidspartijen mee; de voornaamste oppo-
      sitiepartijen boycotten de verkiezingen, waardoor het Nationaal Congres 355 van
      de 360 zetels won.
3.3.4 afghanistan
      In Afghanistan was de machtsovername door de uit etnische Pashtun bestaande
      Talibanbeweging de uitkomst van gelegenheidscoalities van binnenlandse en
      internationale krachten. In de tien jaar durende burgeroorlog die volgde op de
      oorlog tegen de Sovjet-Unie streden verschillende etnische groeperingen, clans
      en stammen om de macht onder leiding van lokale krijgsheren. Deze strijd liet
      het land en de bevolking berooid achter; de infrastructuur en de economie waren
      verwoest en het centraal gezag, de overheidsinstellingen en de rechtsstaat afge-
      brokkeld. Intussen bevorderde de ‘heilige oorlog’ van lokale krijgsheren tegen de
      ‘goddeloze’ Sovjet-Unie de verspreiding van radicaal islamitisch gedachtegoed                        71
      onder Pashtungemeenschappen en versterkte de rol van lokale geestelijk leiders
      van de religieuze scholen (madrassa’s), mede dankzij de steun van Pakistan, de vs
      en Saoedi-Arabië (icg 2003b).4 Toen de Talibanstrijders in 1992 aan een opmars
      begonnen, konden ze hun etnische banden met de zuidelijke Pashtungemeen-
      schappen benutten om snelle resultaten te boeken. Vier jaar later slaagden ze er
      mede dankzij financiële en militaire hulp van Al-Qaeda in de hoofdstad Kaboel te
      veroveren. Troepen onder leiding van de afgezette president Rabbani behielden
      in het noorden uiteindelijk nog slechts tien procent van het totale grondgebied
      (icg 2003b; Yassari en Saboory in Otto et al. 2006).
      De islamisering van bovenaf door het Talibanregime begon met het afkondigen
      van het Islamitische Emiraat Afghanistan en het invoeren van haddstraffen.
      Daarop volgden ook draconische sociale en culturele voorschriften van het
      ministerie voor de Handhaving van de Zeden en de Onderdrukking van de
      Onzedelijkheid, die bleken ontleend aan streng-islamitische interpretaties van
      het gedachtegoed van traditionele Deobandi en Afghaans-islamitische tribale
      tradities. Het ging om voorschiften die bewoners in de steden het meest
      troffen, zoals het weren van vrouwen uit het openbare leven, scholen, univer-
      siteiten en overheidsfuncties en het verbieden van televisie, muziek, sport, spel
      en fotografie. Ook minderheidsgroepen zoals de shiietische Hazara en de
      anderhalf miljoen Afghaanse vluchtelingen in het naburige Pakistan moesten
      het ontgelden; de Taliban en hun lokale sympathisanten probeerden deze
      groepen via intimidatie en geweld te onderwerpen aan hun islamitische
      normen en voorschriften (Yassari en Saboory in Otto et al. 2006: 188; Fuller
      2003: 114-117).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 72 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 73 ======================================================================

<pre>   dy na miek in isla mi t isch ac t i visme
                             Na het militaire ingrijpen in Afghanistan door de vs en de overwinning van de
                             noordelijke alliantie in 2001 moest het Talibanbewind het veld ruimen. De
                             nieuwe grondwet van 2004 die is aangenomen door de Loya Jirga (raadgevende
                             vergadering) omschrijft Afghanistan als een islamitische republikeinse staat
                             waarin de direct door de bevolking gekozen president de rol vervult van
                             “beschermheer van de islam, de grondwet en de overige wetten”.5 Het is de taak
                             van de staat “een welvarende en progressieve samenleving te creëren, gebaseerd
                             op sociale rechtvaardigheid, bescherming van menselijke waardigheden en
                             mensenrechten en de totstandkoming van democratie, en ervoor te zorgen dat de
                             nationale eenheid en gelijkheid van alle etnische groepen en stammen” is verze-
                             kerd (art. 6). Er is een wetgevend parlement bestaande uit een direct gekozen huis
                             van afgevaardigden en een (deels via getrapte verkiezingen en directe benoemin-
                             gen) samengestelde senaat. Het recht op politieke partijvorming (art. 35) is even-
                             eens grondwettelijk verankerd, maar is gebonden aan de clausule dat het
                             programma en handvest van partijen niet mag ingaan tegen de principes van de
                             heilige religie van de islam en de bepalingen en waarden van de grondwet. Daar-
                             naast verbiedt dit artikel partijvorming op basis van etniciteit, taal, regio, islami-
                             tische school of leer.6 Tegelijkertijd schrijft artikel 83 maatregelen voor die ervoor
                             zorgen dat het kiesstelsel een “algemene en rechtvaardige vertegenwoordiging is
72                           van alle volkeren”. Artikel 2 erkent de vrijheid van godsdienst (binnen de beper-
                             kingen van de wet), maar artikel 3 voegt daaraan de zinsnede toe: “In Afghanistan
                             mag geen enkele wet strijdig zijn met het geloof en de bepalingen van de heilige
                             religie van de Islam” (International Constitutional Law: Afghanistan z.d.).
                             Hoewel de sharia dus niet expliciet staat vermeld, vrezen gematigde en seculiere
                             krachten dat conservatieve religieuze leiders dit artikel zullen inzetten om het
                             verstikkende sociale en culturele klimaat van de Talibanperiode te handhaven. 7
                             Gezien de lange Afghaanse ervaring met manipulaties van vooruitstrevende
                             grondwetten door conservatieve krachten, is die vrees gegrond. Dit geldt temeer
                             omdat het centraal politiek gezag nog steeds geen volledige militaire controle
                             heeft over het eigen grondgebied en de Afghaanse economie grotendeels afhanke-
                             lijk is van de illegale productie van opium. De opbouw van een democratisch
                             stelsel en het handhaven van politieke en burgerrechten ondervinden hierdoor
                             grote belemmeringen (Freedom House 2004).
                3.3.5        pakistan
                             Na zijn verkiezingsoverwinning en de afscheiding van Bangladesh in 1971
                             probeerde president Zulfikar Ali Buttho zijn legitimiteit te versterken met een
                             politiek van islamisering: het verbieden van alcohol, het invoeren van de islamiti-
                             sche vrijdag en het sluiten van nachtclubs. Ook oriënteerde hij zich mede onder
                             druk van geestelijken in de politieke oppositie steeds nadrukkelijker op de Arabi-
                             sche wereld. Ondanks de nederlaag van de islamitische partijen in de verkiezin-
                             gen gaf hij hun zelfs een rol in het opstellen van een nieuwe grondwet, die de
                             islam tot staatsgodsdienst verklaarde en een Raad voor de Islamitische Ideologie
                             belastte met de verdere islamisering van het land (Fair 2005: 272). Na een militaire
                             coup in 1977 door generaal Zia Ul-Haq zagen sunnitische bewegingen als de
</pre>

====================================================================== Einde pagina 73 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 74 ======================================================================

<pre>                                                         de ontwikkeling van islamitisch-politieke bewegingen
      Deobandi en de Jamaat-i-Islami hun kans schoon om met steun van het leger het
      islamiseringsoffensief uit te breiden. Zia voerde onder meer per decreet klassieke
      islamitische lijfstraffen in, stelde één federaal shariahof in met een shariakamer
      als beroepsinstantie en vaardigde blasfemiewetten uit, vooral gericht tegen niet-
      moslims en ahmadi’s. Hiernaast bevorderde hij het islamitisch bankieren en isla-
      miseerde sectoren als de media, het onderwijs en de overheidsdienst (Barends
      en Otto in Otto et al. 2006: 242-246; igc 2005d).
      Zia’s opportunitische islamiseringsoffensief heeft een gevaarlijke erfenis achter-
      gelaten van institutionele vervlechting tussen religieuze scholen (madrassa’s),
      militant islamitisch activisme en het leger. Ook de huidige president en opper-
      bevelhebber van het leger, Pervez Musharraf, ziet zich bij gebrek aan politieke
      legitimiteit gedwongen te steunen op coalities tussen het leger en religieus-
      extremistische krachten (icg 2005d). Het gevolg is dat Pakistan nog altijd wordt
      geteisterd door instabiliteit, sektarisch geweld en wetteloosheid, en een thuis-
      basis biedt aan uiteenlopende nationaal en transnationaal actieve terroristische
      groepen (Shah 2003; Kurpershoek 2004; icg 2005d). Hierdoor, en door de
      opeenvolgende manipulaties van de verkiezingen, krijgen meer gematigde isla-
      mitische, liberale en seculiere politieke partijen weinig kans zich politiek te doen
      gelden, ondanks hun potentiële aanhang onder brede lagen van de bevolking                               73
      (Kurpershoek 2004: 33).
3.3.6 conclusie
      Welke voorlopige conclusies zijn te trekken uit de ervaringen met machtsuit-
      oefening door islamitisch activisten en hun sympathisanten? De nadrukkelijk als
      islamitisch geafficheerde regimes in Pakistan, Soedan en Afghanistan bleven ge-
      vangen in de ‘klassieke zwakten’ van de eigen politieke cultuur, zoals autoritaire,
      onbegrensde machtsuitoefening, corruptie en grove mensenrechtenschendingen
      (icg 2005d; Fuller 2003: 117-118). Ze slaagden er niet in een door de bevolking
      gelegitimeerd en breed gesteund islamitisch model voor staat en samenleving
      te ontwikkelen (zie ook hoofdstuk 2). In plaats daarvan bleven ze steken in wat
      Bayat treffend ‘goedkope islamisering’ noemt: het met straffe hand opleggen
      van sterk conservatieve islamitische gedragsregels en voorschriften (Bayat 1997).
      Dat geldt nog wel het meest voor Afghanistan onder de Taliban, waar het regime
      onder Mullah Omar letterlijke interpretaties van de koran verbond aan traditio-
      nele tribale codes van de Pashtun en daardoor de rol van vele andere etnische
      groepen en de positie van vrouwen ernstig beknotte. Het geldt ook voor
      Pakistan, waar de coöptatie door de staat van militante, op politieke invloed be-
      luste islamitische groepen de meer liberale en democratische groepen en partijen
      in een wurggreep houdt. Kortom, de islamitische regimes van voormalige islami-
      tisch activisten hebben ook onder moslims zelf weinig krediet opgebouwd.
      Ze hebben zich vervreemd van de gewone burgers die hopen op een beter bestaan
      en een rechtvaardiger maatschappij, en fungeren vrijwel uitsluitend nog als
      bewijs dat ze ‘het Westen’ (of de vs) ruimschoots met hun aanwezigheid kunnen
      tarten.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 74 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 75 ======================================================================

<pre>   dy na miek in isla mi t isch ac t i visme
                             Iran vormt een uitzondering, want dat heeft als geen ander geëxperimenteerd met
                             moderne vormen van politiek, bestuur en rechtspraak op islamitische grondslag.
                             Tegelijkertijd is het niet ontsnapt aan een sterk nationalistische, anti-Amerikaanse
                             en pro-shiietische koers die is uitgemond in steun voor gewelddadige islamitische
                             bewegingen elders, een inperking van politieke vrijheden en mensenrechten-
                             schendingen in naam van de islam. Iraanse intellectuelen en democratisch gezinde
                             politici van de oppositie proberen mede op grond van deze ervaringen islamiti-
                             sche principes te verbinden met nieuwe, meer inclusieve, pluralistische en demo-
                             cratische politieke en bestuurlijke instellingen (Fuller 2003: 118). Zij zijn ervan
                             overtuigd dat democratie en mensenrechten als in zichzelf waardevolle producten
                             van de menselijke rede zich positief verhouden tot de intenties van de koran.
                             Deze stroming wordt ook wel getypeerd als postislamisme (Bayat te verschijnen).
                             In de machtsstrijd met de conservatieve geestelijkheid, die de belangrijkste posi-
                             ties bezet, hebben ze tot dusver echter het onderspit gedolven.
                3.4          isl amitisch - politieke bewegingen in de politieke en
                             maatschappelijke arena
                             In verreweg de meeste moslimstaten zijn islamitische bewegingen er vooralsnog
74                           niet in geslaagd de staatsmacht over te nemen via een revolutie of geleidelijke
                             infiltratie van het staatsbestel. Maar islamitisch-politieke bewegingen hebben
                             zich daar wél gemanifesteerd binnen of aan de randen van de nationale politieke
                             arena, in staatsinstellingen en de maatschappij. Ze ontloken in eerste instantie op
                             de universiteiten van de grote steden in Egypte, Iran, Pakistan en Afghanistan en
                             verspreidden zich vervolgens naar studenten in onder meer de Palestijnse gebie-
                             den, Algerije, Marokko, Tunesië, Maleisië en Indonesië. Bovendien ontwikkelden
                             verscheidene groepen transnationale activiteiten, mede doordat moslimgroepen
                             overal ter wereld dankzij de verbeterde media, informatie- en communicatietech-
                             nologie steeds eenvoudiger onderling contacten onderhouden. Tegelijkertijd
                             hebben buitenlandse regeringen en internationale organisaties de druk opge-
                             voerd op de regerende politieke elites om te komen tot democratisering en verbe-
                             tering van de mensenrechten.
                             Wat is de invloed daarvan op de politieke en maatschappelijke arena? In welke
                             mate en op welke manieren zijn activistische bewegingen erin geslaagd het poli-
                             tieke en maatschappelijke bestel en het discours te islamiseren? Welke conse-
                             quenties heeft dit voor de aard van de regimes en perspectieven voor democrati-
                             sering en verbetering van de mensenrechten? Om die vragen te beantwoorden
                             bespreekt deze paragraaf de interactie tussen hedendaagse islamitisch activisten
                             en de staat, mede aan de hand van de mobilisatiefactoren genoemd in par. 3.2.1.
                             Uiteraard is het onmogelijk een volledige staalkaart van de ontwikkeling van acti-
                             vistische bewegingen te schetsen. Vandaar dat deze analyse een beperkt aantal
                             islamitische landen en bewegingen bespreekt. De ontwikkelingen in Egypte,
                             bakermat van islamitische rechtsregels en filosofie en thuisbasis van de invloed-
                             rijke Moslim Broederschap, zijn in veel opzichten exemplarisch voor wat zich in
                             grote delen van de Arabische wereld afspeelt. De Egyptische ontwikkelingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 75 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 76 ======================================================================

<pre>                                                        de ontwikkeling van islamitisch-politieke bewegingen
      hebben bovendien uitstralingseffecten naar andere regio’s en bewegingen.
      Daarom zullen deze hier eerst uitvoeriger worden behandeld.
3.4.1 egypte
      In de jaren zeventig werd een nieuwe generatie jongeren direct geconfronteerd
      met de tastbare gevolgen van het ideologische, economische en buitenlandpoli-
      tieke failliet van de autoritaire Egyptische staat: overvolle collegebanken, steeds
      slechter onderwijs en ondanks het door de staat voorgespiegelde ‘recht op werk’
      na het diploma vrijwel geen vooruitzicht op een baan en een huwelijk.8 Het
      beleid van economische liberalisering en overheidsbezuinigingen van de opeen-
      volgende regeringen Sadat en Moebarak bemoeilijkte de weg naar de staatsbu-
      reaucratie, en de schaarse banen die wél openlagen betaalden onvoldoende om
      nog rond te komen. De economische recessie van eind jaren tachtig in de Golfsta-
      ten en de eerste Golfoorlog van begin jaren negentig zorgden er bovendien voor
      dat Egyptische arbeidsmigranten uit die landen noodgedwongen moesten terug-
      keren naar de eigen arbeidsmarkt. Zo ontstond een intelligentsia van hoogopge-
      leide jongeren die na negen jaar studie konden beginnen als straatveger en hun
      carrière eindigden als slecht betaald ambtenaar (Rosefsky Wickham 2002: 62;
      Roy 1994: 51). Hun lot stond in schril contrast met dat van het selecte gezelschap                     75
      buitenlanders, lager opgeleide Egyptenaren en (corrupte) ambtenaren dat kon
      profiteren van selectieve economische liberalisering. Deze ‘nieuwe rijken’ betaal-
      den hun huishoudster en kindermeisje het veelvoudige van het salaris van een
      net afgestudeerde. De meeste hoger opgeleide jongeren concludeerden dan ook
      dat westerse consumptiegoederen, sociale mobiliteit en economische status
      zichtbaar aanwezig maar wel ver buiten hun bereik lagen, en dat connecties en
      een dosis geluk meer maatschappelijk succes opleverden dan intellectuele presta-
      ties en hard werken (Rosefsky Wickham 2002: 62). Bij uitstek deze groepen
      behoorden dan ook tot de potentiële aanhang van activistische bewegingen.
      Onvrede en diepe frustratie leiden echter niet zonder meer tot politieke mobilisa-
      tie. Apathie en afzijdigheid zijn op termijn zelfs meer voor de hand liggende reac-
      ties, zeker in autoritaire samenlevingen waarin het voeren van politieke oppositie
      hoge persoonlijke kosten met zich meebrengt. De stap naar mobilisatie werd
      aanvankelijk vergemakkelijkt doordat opeenvolgende regeringen tussen midden
      jaren zeventig en begin jaren negentig overgingen op selectieve politieke liberali-
      sering. De overheidspropaganda van de staatsmedia en het onderwijs werd terug-
      geschroefd en enkele politieke partijen uit de oppositie mochten voor het eerst
      samen met de regerende Nationaal Democratische Partij (ndp) meedingen naar
      parlementszetels. Anders dan zijn seculier nationalistische voorganger Nasser
      presenteerde Anwar Sadat zich publiekelijk als een gelovige, in de hoop via steun
      van islamitische bewegingen een politiek tegenwicht te vormen tegenover de
      linkse oppositie (al-Sayyid 2004: 6). Hij liet leden van de Moslim Broederschap
      vrij uit de gevangenis en terugkeren uit ballingschap. Hij bevorderde de oprich-
      ting van islamitische studentenverenigingen als concurrenten van de toenmalige
      populaire linkse verenigingen en gaf ook steun aan islamitische programma’s op
</pre>

====================================================================== Einde pagina 76 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 77 ======================================================================

<pre>   dy na miek in isla mi t isch ac t i visme
                             scholen, universiteiten en in de media. Een kleine minderheid van radicale mos-
                             limgroepen rondom de universiteitssteden en de armste buurten van de grote
                             steden keerden zich echter fel tegen samenwerking met de staat. Toen Sadat niet
                             alleen gastvrijheid bood aan de uitgezette sjah van Iran, maar in maart 1979 ook
                             nog het Akkoord van Camp David ondertekende, leidde dat tot massale straat-
                             protesten van islamitisch activisten én secularisten. Hoewel het islamitische
                             establishment van de al-Azhar universiteit hem steunde en het Akkoord zelfs
                             in overeenstemming met de islamitische wet verklaarde, bleken enkele kleine
                             radicale groepen ontketend. In oktober 1981 werd Sadat vermoord.
                             Sadats opvolger Hosni Moebarak handhaafde de eerder ingestelde noodtoestand,
                             die nog altijd van kracht is. De president bleef ook de dominante uitvoerende
                             macht en behield zijn positie als opperbevelhebber van het leger en de inlichtin-
                             gendiensten, hoofd van de regering en de regerende partij. Bovendien behield hij
                             de bevoegdheid ministers te benoemen, het parlement naar huis te sturen en bij
                             decreet te regeren als het parlement niet in zitting was. Ook de vrijheid van
                             meningsuiting en vergadering werden niet uitgebreid. De Broederschap, die
                             verreweg de meeste middelen en aanhang had om zich politiek te mobiliseren,
                             werd evenmin formeel erkend als zelfstandige politieke partij.
76
                             De langetermijngevolgen van deze selectieve liberalisering waren paradoxaal.
                             Enerzijds ontwikkelde zich in snel tempo een wijdvertakt netwerk van bloeiende
                             private moskeeën, islamitische vrijwilligersorganisaties (op terreinen als onder-
                             wijs, cultuur en welzijn), islamitische ondernemingen en (investerings)banken.
                             Ze profiteerden van de instroom van privékapitaal uit de olierijke Golfstaten en
                             de vrijwillige religieuze afdrachten (de zakat). En hoewel vrijwilligersorganisa-
                             ties formeel onder toezicht stonden van het Egyptische ministerie van Sociale
                             Zaken, wisten vele die controle dankzij hun nauwe banden met moskeeën en
                             religieuze stichtingen te omzeilen. In organisatorisch en financieel opzicht
                             hadden ze het daardoor makkelijker dan hun seculiere tegenhangers. Moebarak
                             had deze instellingen bovendien aanvankelijk ook nodig voor het consolideren
                             van zijn regime. Anderzijds leidde de selectieve opening van het politieke bestel
                             uiteindelijk tot een meerpartijenstelsel waarin uitsluitend politieke partijen actief
                             waren zonder echte binding met de bevolking.9 Die kon het regime gemakkelijk
                             coöpteren. Het gevolg was dat ook het aangepaste politieke bestel de oude cliën-
                             telistische machtsstructuren overeind hield en de formele politieke partijen zich
                             in ideologisch opzicht verder isoleerden van het gewone volk.
                             De groeiende groep hoogopgeleide jongeren in de steden, die aanvankelijk actief
                             waren in studentenverenigingen, keerden zich massaal af van de reguliere politiek
                             en richtten hun hoop op de laagdrempelige parallelle sector van vrijwillige (reli-
                             gieuze) organisaties (zie tekstbox 3.3). Hoewel deze zichzelf niet expliciet in de
                             politiek mengden, konden zij de verboden islamitisch-politieke groeperingen
                             aanvankelijk echter wel heimelijk financiële, logistieke en ideologische steun
                             geven (Rosefsky Wickham 2002: 97-102). Daarnaast kregen ze stiekem hulp van
                             sympathisanten binnen de bureaucratie, de gemeentebesturen, de officiële ulama
</pre>

====================================================================== Einde pagina 77 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 78 ======================================================================

<pre>                                                                de ontwikkeling van islamitisch-politieke bewegingen
         en het onderwijs (Clark 2004). Kortom, terwijl Moebaraks regime zich krachtig
         weerde tegen openlijke oppositie binnen het formele politieke stelsel, ontstonden
         nieuwe mobilisatiekansen aan de marges, in religieuze maatschappelijke organisa-
         ties en netwerken, waar verboden islamitische bewegingen als de Moslim Broe-
         derschap juist wél konden rekenen op een groeiend aantal aanhangers.
Tekstbox 3.3 Vrijwilligersorganisaties als mobilisatiekanalen voor islamitisch activisme
 Hoe worden politiek afzijdige, sceptische jongeren ondanks repressie van de geheime dienst, het
 leger en de politie aangezet tot activisme? De religieus geïnspireerde netwerken van vrijwilligers
 vormen cruciale schakels voor het overdragen van religieuze en politieke ideeën en praktijken aan
 individuele moslims. Ze bieden selectieve prikkels (zoals dienstverlening, banen, een gemeen-
 schappelijke identiteit en idealen, morele en emotionele steun en status binnen de groep) die vaak
 naadloos aansluiten bij hun behoeften en overtuigingen. Daartegenover staan uiteraard ook
 kosten, zoals druk tot conformering aan religieuze en morele codes. Empirisch onderzoek laat zien
 dat veel islamitische netwerken en politieke partijen moderne interpretaties van zending (dawa)
 hanteren voor de ideologische onderbouwing van religieus activisme. Geloofsverspreiding onder
 gewone moslims in de eigen buurt geldt als een religieuze plicht, onder het motto: eerst het indi-
 vidu, de buurt en de maatschappij islamiseren, en daarna ook de staat. De dawa van de Moslim
 Broederschap, bijvoorbeeld, draagt uit dat elke echte moslim de plicht heeft mee te helpen aan soci-                77
 ale en politieke hervormingen (Rosefsky Wickham 2004: 239-244). Jongeren, die veelal over wei-
 nig theologische kennis beschikken maar wel ontvankelijk zijn voor concrete materiële en sociale
 steun of geestelijk ‘zoekende’ zijn, ontlenen vaak hun identiteit en sociale status aan hun rol binnen
 islamitische vrijwilligersorganisaties en religieuze studie- en discussiegroepjes.
 Dergelijke islamitische netwerken spelen een belangrijke rol in het omgaan met de psychische en
 sociale stress die voorvloeit uit slechte maatschappelijke perspectieven. Ze dragen bij tot een pro-
 ces van ‘religieuze herijking’; het omarmen en opwaarderen van als islamitisch bestempelde sociale
 codes en normen. Dat gebeurt op allerlei terreinen, variërend van onderwijs, genderverhoudingen
 en kleding tot politiek. Jongemannen die geen geld hebben om te trouwen, krijgen het advies te
 bidden en te vasten om hun seksuele verlangens in te dammen. Net afgestudeerde jonge vrouwen
 gaan een niqaab dragen. Ze trouwen met een studiegenoot die geen bruidsschat kan betalen en
 vestigen zich in een gammel appartement. Wat meer dan ooit buiten bereik ligt – een baan met
 beloning naar prestatie, een goed huis, consumptiegoederen en een huwelijk volgens de traditio-
 nele normen van de ouders – devalueert in de kringen van de gelovigen expliciet tot onislamitische
 verworvenheden van de ouders, afvalligen of ‘het Westen’. Zo winnen ze aan gezag en status, en
 kunnen daarmee ook gemakkelijker de sociale conventies en controle van hun ouders verwerpen.
 Vooral voor jonge afgestudeerde vrouwen uit de lagere middenklasse heeft dit vaak verassende
 gevolgen die mede worden bepaald door de specifieke lokale omstandigheden. Sommigen kunnen
 zich vrijer bewegen in de publieke ruimte juist doordát ze zich beroepen op hun rechten binnen ‘de
 islam’. Het deelnemen aan religieuze discussie- en studiegroepen brengt hen in aanraking met
 (islamitische) feministische denkbeelden die hen bevrijden van de aanspraken van mannen (Göle
 1996; Rosefsky Wickham 2004: 244; White 2002; Yavuz 2003). Anderen gaan juist gebukt onder
 de toenemende sociale controle en het isolement van kleine, in zichzelf gekeerde groepen, en wor-
 den zelfs ontvankelijk voor religieuze radicalisering (Singerman 2004: 157).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 78 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 79 ======================================================================

<pre>   dy na miek in isla mi t isch ac t i visme
                             In Egypte zorgden de openingen in het politieke systeem ervoor dat islamitische
                             groepen zoals de Moslim Broederschap ondanks hun illegale status meer konden
                             opschuiven naar het politieke centrum. Politieke leiders binnen de Broederschap
                             mochten vanaf de jaren tachtig als onafhankelijke kandidaten meedoen aan de
                             parlementsverkiezingen en allianties vormen met goedgekeurde oppositiepar-
                             tijen in ruil voor steun aan de principes van geweldloosheid, pluralisme en gelei-
                             delijkheid. Bij de verkiezingen van 1987 vormden de Moslimbroeders de grootste
                             oppositiegroep in het parlement. Ze hamerden op meer parlementaire controle-
                             bevoegdheden van de uitvoerende macht, electorale hervormingen, invoering
                             van de sharia, meer democratie en respect voor mensenrechten. Moslimbroeders
                             en andere islamitisch activisten werden daarnaast steeds dominanter in de
                             beroepsverenigingen en de vrijwilligersorganisaties van ingenieurs, doktoren,
                             advocaten, onderwijzers en journalisten (Esposito 2003: 84).
                             Politieke deelname kwam de Broederschap echter ook op kritiek te staan van
                             radicalere islamitische groepen zoals de Jamaa al-Islamiyya en de Islamitische
                             Jihad. Die verweten de Broeders legitimering van het onderdrukkende regime en
                             het uit elkaar spelen van de islamitische beweging. De Jihad koos voor het onder-
                             grondse werk om naar eigen zeggen een militaire coup voor te bereiden. De Jamaa
78                           volgde een strategie van militante actie gericht op ‘zachte doelen’ (‘zedenloze’
                             plaatsen als discotheken, bars en videoclubs) naast een sociale hervormingsstra-
                             tegie van hulp aan de armen. Beide wegen moesten leiden naar een brede revolu-
                             tionaire massabeweging die op termijn de staat zou kunnen overnemen.
                             Ondanks een antistatelijke retoriek organiseerde de beweging echter nauwelijks
                             militante acties tegen de staat zelf (Hafez 2003: 52).
                             Andere politieke partijen zoals de Arbeiderspartij en de Liberale Partij sloten
                             lijstverbindingen onder de naam Islamitische Alliantie en namen zelfs delen
                             over van de agenda en kritiek van de Moslimbroeders. Dit bevestigde veel islami-
                             tisch activisten aanvankelijk in de opvatting dat de parlementaire weg, hoe gelei-
                             delijk ook, beter was dan de weg van de openlijke strijd tegen de staat (Hafez
                             2003: 48-52). Hun positie veranderde aan het begin van de jaren negentig, toen
                             bleek dat het politieke liberaliseringproces stagneerde en het staatsapparaat na
                             een opstand van islamitische rebellen in Boven-Egypte zijn toevlucht nam tot
                             grootschalige repressie. Het aantal formele politieke partijen was uitgegroeid tot
                             dertien, maar de rol van de Broederschap, inmiddels de grootste politieke oppo-
                             sitiekracht, werd verder beperkt, onder meer door een nieuwe indeling van de
                             kiesdistricten. Daarop boycotten de Broeders de verkiezingen en trad in 1990
                             een nieuw parlement aan waarin de oppositie (met slechts twee procent van alle
                             zetels) nog slechter vertegenwoordigd was dan in 1979. De verkiezingen van
                             1995 werden verstoord door het regime, dat van tevoren honderden politieke
                             vertegenwoordigers en kaderleden van de Moslimbroeders had laten oppakken
                             en later 54 leiders liet veroordelen tot gevangenisstraffen van drie tot vijf jaar.
                             Slechts één van de 150 kandidaten van de Moslimbroeders haalde het parlement.
                             Hij moest een jaar later echter al weer het veld ruimen op grond van lidmaat-
                             schap van een verboden organisatie. De parlementaire politieke oppositie van de
</pre>

====================================================================== Einde pagina 79 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 80 ======================================================================

<pre>                                                  de ontwikkeling van islamitisch-politieke bewegingen
jaren negentig bleek uiteindelijk minder representatief te zijn dan die in de jaren
tachtig (Hafez 2004: 53).
Behalve ‘goedkope’ concessies (zoals meer religie in het onderwijs en op de
staatsmedia, strenger toezicht op de zeden etc.) boekten noch de Moslimbroeders
noch andere islamitische partijen en kandidaten in de jaren negentig grote poli-
tieke successen. Pogingen om zich opnieuw politiek te doen gelden via de vrijere
verkiezingen voor de nationale beroepsverenigingen waren aanvankelijk succes-
vol, maar betekenden wel dat het regime die nog resterende politieke ruimte
vervolgens ook streng aan banden legde (Rosefsky Wickham 2002). Anders dan
in de jaren tachtig zat Moebarak stevig genoeg in het zadel om zijn toegeeflijke
houding te laten varen en de criticasters de mond te snoeren. Dat gaf radicale
militante groepen als de Islamitische Jihad en de Jamaa al-Islamiyya, die zich tot
dan toe betrekkelijk rustig hadden gehouden uit vrees voor legitimiteitsverlies,
de argumenten in handen om de Broeders nog harder te veroordelen en de achter-
ban te mobiliseren voor de gewapende opstand. De politieke leider van de Jihad,
Aboud Zumur, wees erop dat zelfs seculiere staten als Frankrijk, Duitsland en
Italië religieuze politieke partijen toestaan, maar dat nota bene Egypte zich liet
voorstaan op het feit dat het zulke partijen verbood (Hafez en Wiktorowicz
2004: 75).10 Hij riep jongeren op de weg van de ‘schijndemocratie’ te verlaten en                      79
zich aan te sluiten bij “de rangen van de heilige strijders om de onrechtvaardige
en tirannieke staat omver te werpen” (Hafez 2003: 55).
De politieke leiders van de Moslim Broederschap probeerden deze radicale denk-
beelden systematisch te weerleggen (zie tabel 3.1). Terwijl de Jamaa gewapend
verzet tegen het zittende regime verdedigde op grond van verwijzingen naar de
godssoevereiniteit en de superioriteit van de sharia, ontwikkelden de Broeders
een gematigd en verzoenend discours. In hun visie moest de staat in een islamiti-
sche samenleving de principes van de sharia trouw blijven, maar diezelfde staat
moest ook verantwoording afleggen voor zijn daden. Ze benadrukten ook dat de
sharia maar heel weinig vaste leerstukken kent; enkele basisprincipes bedoeld om
rechtvaardigheid, sociale en economische gelijkheid te bereiken en om mensen-
rechten als het recht op menselijke waardigheid en het recht op eigendom te
beschermen. Bovendien stonden juridische innovaties en ijtihad ter beschikking
om interpretaties aan te passen aan veranderende omstandigheden (Hafez 2003:
175). In deze opvattingen is dus veel te herkennen van de denkbeelden van eigen-
tijdse hervormers, zoals de leerlingen van Mohammed Abdu (zie par. 2.3).
Op een vergelijkbare manier probeerden de Broeders de radicale opvattingen te
weerleggen rondom thema’s als de plaats van de islam, de positie van de moslim-
wereld, de jihad en de rol van democratie. Democratie en pluralisme interpreteer-
den ze als onderdelen van de islamitische shura. Op grond daarvan pleitten ze
voor democratische verkiezingen, reguliere machtswisselingen op grond van
electorale prestaties van politieke partijen en respect door de politieke meerder-
heid voor de positie van minderheden (zie tabel 3.1).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 80 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 81 ======================================================================

<pre>   dy na miek in isla mi t isch ac t i visme
                   Tabel 3.1           Discours van Jamaa al-Islamiyya (tot 1996) en Islamitische Jihad versus discours van
                                       Moslim Broederschap
                   Thema                       Jamaa en Jihad bewegingen                    Moslim Broederschap
                   Primaat van                 Alleen God is soeverein en kan wetten        God is soeverein. Het islamitisch recht
                   godssoevereiniteit          maken. De staat dient zijn wetten en         heeft moslims de vrijheid gegeven te
                                               regels te gehoorzamen. Het belang van de komen tot juridische innovatie en onaf-
                                               islam gaat boven alle andere loyaliteiten.   hankelijke oordelen (ijtihad). In een islami-
                                               Regimes en instituties die Gods soeverei-    tische samenleving hangt de legitimiteit
                                               niteit niet erkennen, of willen vervangen,   van het regime af van het vermogen van
                                               moeten omver gebracht worden.                de regering goedkeuring te krijgen van het
                                                                                            volk.
                   Toelaatbaarheid van         Democratie is vergelijkbaar met polythe-     Democratie en pluralisme zijn zowel toe-
                   democratie                  isme, want het systeem plaatst de wil van    laatbaar als wenselijk, want ze vormen een
                                               het volk boven die van God. Democratie is onderdeel van het islamitische concept
                                               gebaseerd op het concept van absolute        van consultatie (shura). Dit is vergelijkbaar
                                               vrijheid en gelijkheid. Het eerste is ontoe- met de democratische orde die de macht
80                                             laatbaar aangezien het moslims vrijheid      in handen geeft van de meerderheid zon-
                                               van religiekeuze zou geven. Het tweede is    der de rechten te schaden van de minder-
                                               verwerpelijk, want het zou impliceren dat    heid die een afwijkende mening of positie
                                               moslims, joden en christenen en ook man- heeft. Shura is ook een verlengstuk van
                                               nen en vrouwen gelijk zijn.                  het gezag van de natie, die zijn leiders aan-
                                                                                            wijst, beoordeelt en corrigeert. In een isla-
                                                                                            mitische samenleving betekent partijplu-
                                                                                            ralisme dat de macht wisselt tussen
                                                                                            politieke partijen na regelmatige verkie-
                                                                                            zingsronden.
                  Bron: Hafez 2003: 174-182
                             Hafez toont aan dat het terugdraaien van de politieke vrijheden begin jaren
                             negentig op zichzelf nog niet verklaart waarom Egypte in de periode 1990-1997
                             werd geteisterd door opeenvolgende cycli van gewelddadige mobilisatie en
                             repressie. Hij laat zien dat vooral het reactieve en ongedifferentieerde karakter
                             van het overheidsgeweld ertoe bijdroeg dat islamitische activisten geweld
                             konden legitimeren (Hafez 2003). In de jaren tachtig had het regime min of
                             meer oogluikend toegestaan dat islamitische bewegingen met eigen paramili-
                             taire groepen in delen van Boven-Egypte en Caïro eigen islamitische vrijzones
                             creëerden. De Jamaa al-Islamiyya gaf niet alleen hulp en voorzieningen aan de
                             armen, maar vormde ook eigen milities voor het ‘toezicht op de zeden’, waar-
                             onder het afdwingen van segregatie van mannen en vrouwen en het verbieden
                             van gymnastiek voor meisjes. Deze vormen van eigenrichting, die ook gepaard
                             gingen met intimidatie van andersdenkenden en sektarisch geweld tegen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 81 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 82 ======================================================================

<pre>                                                 de ontwikkeling van islamitisch-politieke bewegingen
kopten, werden aanvankelijk niet door het regime bestraft zolang ze maar niet
de nationale of internationale pers haalden (Hafez en Wiktorowicz 2004: 77).
Begin 1990 greep de staat echter toch in na tal van provocaties en vermoordde de
officiële woordvoerder van de Jamaa. Uit vergelding vormde de beweging uit de
bestaande milities een gewapende tak die een moordaanslag pleegde op de voor-
malige voorzitter van het Egyptische parlement. Deze gewapende tak zou in de
loop van de jaren negentig steeds meer radicale militante afsplitsingen en onder-
grondse cellen voortbrengen, die onafhankelijk van elkaar en van het centrale
leiderschap gingen opereren. Dat bemoeilijkte ook de pogingen om via geheime
bemiddeling te komen tot een wapenstilstand (Hafez 2003: 131-137). Wat volgde
waren opeenvolgende cycli van mobilisatie, geweld, ongebreidelde repressie en
heviger geweld, met als voorlopige dieptepunt de aanslag van 1997 in Luxor door
eenheden van de Jamaa, waarbij 66 slachtoffers (onder wie 57 toeristen) vielen.
In de gehele periode tussen 1992 en 1997 vielen er 1.200 doden. Er vonden 47.000
arrestaties plaats, een veelvoud van het aantal militante activisten.
Tijdens de eerste jaren van strijd had het Egyptische veiligheidsapparaat geen
duidelijke strategie om het geweld van de Jamaa aan te pakken; het reageerde
alsof het uitsluitend om geïsoleerde incidenten ging. Vervolgens ging het over tot                    81
massale repressie, door niet alleen de harde kern op te pakken van de militante
Jamaa en de Islamitische Jihad, maar ook de achterban, sympathisanten, familie-
leden en iedereen die (vooral door zijn uiterlijk, namelijk baard en snor) kon
doorgaan voor islamitisch activist. Er werd gemarteld en mishandeld zonder
aanzien des persoons. Echtgenotes van verdachte militanten werden opgepakt
en net zolang gegijzeld en mishandeld totdat hun mannen zich alsnog overgaven.
Die werden zonder proces veroordeeld door militaire hoven (Hafez en Wiktoro-
wicz 2004: 78-80).
Het hardhandige en willekeurige optreden van het regime maakte dat ook steeds
meer sympathisanten zich aansloten bij ondergrondse militante activisten om
lange gevangenisstraffen te ontlopen of wraak te nemen op de staat. Aangezien
vreedzaam protest voor islamitische activisten niet langer een vrijwaring bete-
kende van staatsgeweld, werd gewelddadig optreden tegen de staat, ook via
aanslagen op burgerdoelen, vaker gezien als een logisch en acceptabel onderdeel
van het politieke repertoire. Het ideologische denkkader en discours van de Jihad
en de Jamaa, de voornaamste gewelddadige islamitische groepen, werd in toene-
mende mate gepolariseerd en gericht tegen de staat. Het verwees naar een strijd
tussen islam en het heidendom (jahiliyya), tussen gods- en volkssoevereiniteit en
tussen de partij van God (hizb Allah) en van satan (hizb al-shaytaun). Bovendien
raakten nog verder geradicaliseerde afsplitsingen van beide organisaties steeds
meer geïsoleerd van de hoofdstroom en daardoor buiten de controle van het
oorspronkelijke centrale leiderschap. Dit bleek vooral uit de initiatieven van het
Jamaa-leiderschap in 1996 voor een eenzijdig staakt-het-vuren en pleidooien
voor het afzweren van geweld. Die hadden namelijk pas succes na de aanslag van
Luxor in 1997, toen de militaire middelen van de splintergroepen waren uitgeput
</pre>

====================================================================== Einde pagina 82 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 83 ======================================================================

<pre>   dy na miek in isla mi t isch ac t i visme
                             en hun aanvoerders achter de tralies zaten of naar het buitenland waren gevlucht
                             (Hafez 2003: 137).
                             Opvallend genoeg is het besluit tot het afzweren van geweld in 2002 uitgemond
                             in een geheim akkoord met de regering en een historische openlijke toelichting
                             op hun koerswijziging door de gevangen Jamaa-leiders. De Egyptische autoritei-
                             ten lieten hen zelfs rondreizen langs de gevangenissen om uitleg te geven aan
                             hun achterban. De leiders publiceerden ook vier boeken waarin ze op grond van
                             de koran, de sunna en de rechtsregels van de schriftgeleerden onderbouwen dat
                             de gewapende islamitische strijd niet legitiem is. Bovendien nemen ze daarin
                             volledig afstand van de Jamaa-leerstellingen en -praktijken van de jaren zeventig
                             en tachtig, inclusief de strikte interpretatie van godssoevereiniteit van Mawdudi
                             en Qutb. Om er geen misverstanden over te laten bestaan dat ze inderdaad de
                             nieuwe, officiële positie van de Jamaa vertegenwoordigen, bevatten ze de namen
                             van alle auteurs én hun sympathisanten, onder wie ook alle oprichters en histo-
                             rische leiders. Sommigen hebben in interviews laten weten dat hun proces van
                             herbezinning al dateert van 1982, maar werd overvleugeld door de escalatie van
                             geweld en radicale afsplitsingen tijdens de confrontaties met het regime.
                             Inmiddels zijn hun boeken breed verspreid in de Arabische wereld. Volgens
82                           al-Sayyid is het feit dat daarin geweldloosheid wordt beredeneerd juist op
                             islamitische gronden, reden om aan te nemen dat het gaat om invloedrijke werken
                             (al-Sayyid 2003: 16-19).
                             In het eerste boek leggen de auteurs uit dat hun oproep tot het staken van geweld
                             voortkomt uit het eigenbelang van de Jamaa en de umma bij het voorkómen van
                             onderlinge verdeeldheid. Voorzetting van de gewapende strijd zou de vijanden
                             van de islam, waaronder Israël, de vs en de secularisten in de moslimwereld,
                             alleen maar in de kaart spelen. Bovendien verbiedt de sharia geweld tegen
                             moslims en niet-moslims, zelfs in de naam van de jihad. Het tweede boek gaat
                             door op dit thema. Het legt uit dat de Jamaa fouten heeft begaan door de gewa-
                             pende confrontatie met het Egyptische regime te zoeken. Bovendien neemt het
                             impliciet afstand van de jihadideologie van moslimgeleerden als Ibn Taymiyya
                             (die in de dertiende eeuw leefde); het is juist de plicht van moslims om toeristen
                             en gasten te beschermen. De boeken drie en vier, ten slotte, nemen stelling tegen
                             de praktijk van takfir (het tot afvallige verklaren), die sommige groepen binnen
                             islamitische bewegingen gebruiken tegenover politici, intellectuelen en anderen
                             die in hun optiek niet de ‘juiste’ interpretatie geven van de islam of die samen-
                             werken met niet-moslims. De auteurs stellen vast dat deze praktijk gebaseerd is
                             op een extreem strikte interpretatie van de islamitische leer die voortkomt uit
                             onbegrip over de ware aard van de religie en de betekenis van de geschriften. Ook
                             distantiëren ze zich van eerdere praktijken van de Jamaa-milities en andere fana-
                             tieke aanhangers, zoals het optreden tegen ‘decadent gedrag’ of het via intimida-
                             tie en geweld afdwingen van eigen regels en religieuze interpretaties.
                             Ondanks de matiging van de Broederschap en de Jamaa is het regime bij zijn
                             overwegend repressieve aanpak gebleven. Het heeft er zelfs alle schijn van dat
</pre>

====================================================================== Einde pagina 83 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 84 ======================================================================

<pre>                                                  de ontwikkeling van islamitisch-politieke bewegingen
Moebarak de gematigde toon en de electorale successen van de Broeders bedrei-
gender vond dan het geweld van de terroristen (Rosefsky Wickham 2002: 215).
Hij liet prominente leiders in de volle schijnwerpers van de staatsmedia aankla-
gen wegens lidmaatschap van een verboden organisatie en ondermijning van de
staatsveiligheid. Door het opleggen van gevangenisstraffen werden ze uit de poli-
tieke arena gehouden en werden ook veel andere politieke activisten afgeschrikt.
De Broederschap belandde hierdoor aanvankelijk verder aan de politieke zijlijn
en raakte in een crisis. De oudere leiders binnen de beweging ontmoetten steeds
meer openlijke kritiek van jongere generaties, die hen verweten ideologisch
rigide en autocratisch te zijn, en onvoldoende open te staan voor constructieve
debatten en coalities met andere partijen. In 1996 besloten enkele vooraanstaande
critici een nieuwe partij te vormen onder de naam al-Wasat (het Centrum). Deze
partij, die ook vrouwen en kopten onder de oprichters telt, werd aanvankelijk
door het regime beschouwd als een kloon en dekmantel van de Broederschap.
Een van de voornaamste oprichters, de nu 47-jarige ingenieur Abu-l-Ila Madi,
twee partijsponsors en dertien leiders van de Broederschap werden opgepakt en
beschuldigd van lidmaatschap van een illegale organisatie en het bedrijven van
politieke activiteiten zonder toestemming. Uiteindelijk werden acht Moslim-
broeders veroordeeld tot gevangenisstraffen. De Wasat-oprichters werden vrij-
gesproken, nadat de Egyptische autoriteiten zich ervan verzekerd hadden dat de                         83
verhoudingen met de Broederschap bepaald niet vriendschappelijk waren.
Anders dan de Broederschap, die kwetsbaar blijft voor officiële aantijgingen een
religieuze – en dus verboden – beweging te zijn, noemt Wasat zich met klem een
politieke partij die niet is verbonden aan het islamitische geloof maar aan ‘de isla-
mitische beschaving’ op basis van burgerschap. Met dit concept benadrukt de
partij het streven naar een samenleving waarin moslims en christenen als Egyp-
tische burgers op voet van gelijkheid een plaats hebben (icg 2004b: 17). Ze
distantieert zich zo ook nadrukkelijk van de dawa en islamiseringspolitiek van
 de Broederschap en probeert, naar analogie van moderne, formeel erkende isla-
mitisch georiënteerde partijen in Turkije, Jordanië, Jemen en Maleisië, een brede
partij te worden met een gematigde, democratische en hervormingsgezinde
koers en een bereidheid allianties te vormen. Daardoor heeft ze tevens steun
gekregen van een aantal vooraanstaande seculiere oppositieleiders (Rosefsky
Wickham 2002: 211-220). Inmiddels lijkt de partij (die zich nu officieel Hizb al-
Wasat al-Gedid, de Nieuwe Centrumpartij noemt) dicht bij officiële erkenning.
De Broederschap lijkt intussen te hebben geleerd van deze politieke concurrent,
en aan een onverwachte comeback bezig te zijn. Dat een gematigde, meer
inclusieve en democratische houding de kiezers aanspreekt, lijkt inmiddels wel
duidelijk. Tijdens de parlementsverkiezingen van november 2005 werden maar
liefst 88 van de 444 zetels gewonnen door politici van de Broederschap, die
zich presenteerden als ‘onafhankelijke’ kandidaten. Hoewel formeel nog altijd
verboden, vormt de Broederschap hiermee de grootste parlementaire oppositie-
groep (Economist 2006).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 84 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 85 ======================================================================

<pre>   dy na miek in isla mi t isch ac t i visme
                             Welke voorlopige conclusies zijn te verbinden aan de opkomst van Egyptische
                             islamitisch-politieke bewegingen? Duidelijk is dat het optreden van de staat zelf
                             grote invloed heeft uitgeoefend op hun ontwikkeling (al-Sayyid 2004: 6; icg
                             2004b: 2). Onder Sadat probeerde de staat aanvankelijk zijn politieke legitimiteit
                             te versterken door ruimer baan te geven aan islamitische activisten van de Broe-
                             derschap en door bewust de religieuze kaart uit te spelen. In 1971 en in 1980 liet
                             hij bijvoorbeeld de sharia opnemen in de grondwet als ‘een’, respectievelijk ‘de’
                             voornaamste bron van wetgeving (zie hoofdstuk 4). Ook zijn opvolger Moebarak,
                             die na de Camp David-Akkoorden uiterst voorzichtig moest manoeuvreren, bood
                             aanvankelijk meer politieke en maatschappelijke ruimte aan de islamitisch acti-
                             visten. Tegelijkertijd nam hij delen van de islamiseringsagenda over, vooral in
                             sectoren en instellingen als het religieus onderwijs, de staatsmedia en de univer-
                             siteit. Behalve ter versterking van zijn legitimiteit was dat ook uitdrukkelijk
                             bedoeld om greep te kunnen houden op de officiële interpretatie van de islam en
                             alternatieve stromingen zo min mogelijk kans te geven. Om die reden heeft hij
                             de afgelopen twee decennia ook de positie versterkt van de traditionele, orthodox
                             georiënteerde ulama aan de al-Azhar-universiteit, een beleid dat ten koste is
                             gegaan van de positie van radicale en fundamentalistische maar ook vrijzinnige,
                             verlichte interpretaties van de islam (Wessels 2001: 70; Kodmani 2005: 9-14).
84
                             Wat Moebarak aanvankelijk onderschatte, was de snelheid en effectiviteit waar-
                             mee islamitische activisten middelen en mobilisatiekanalen konden benutten om
                             de achterban te mobiliseren (Hafez 2003). Met hun eigen, effectievere sociale
                             voorzieningen en instellingen legden ze genadeloos de tekortkomingen bloot van
                             het overheidsapparaat. Vooral de Broederschap werd dankzij een hecht, goed
                             georganiseerd netwerk van vrijwilligersorganisaties en ruime financiële midde-
                             len binnen korte tijd een dominante factor in het maatschappelijke leven. Dit
                             werd duidelijk zichtbaar in het publieke discours en de openbare ruimte, waar
                             steeds meer moskeeën, religieuze scholen, klinieken en banken verrezen, waar
                             islamitische symbolen verschenen en volop religieuze literatuur werd verkocht.
                             Ook de religieuze kleding- en gedragsvoorschriften (zoals de hoofddoek, het
                             verbod op alcohol, het vrijdaggebed en het vasten tijdens de ramadan) vonden
                             steeds massaler navolging (Esposito 2003; al-Sayyid 2004). Dit vergroot het
                             dilemma van de regering en de seculiere politieke elite daaromheen; dankzij het
                             verbod op islamitische partijen houden ze immers het monopolie in stand van
                             islamitische bewegingen over het maatschappelijke leven.
                             Het besluit om losse groepen radicale activisten na een gedoogfase alsnog met
                             massaal geweld te ontmantelen, leidde tot voorspelbare escalatiepatronen:
                             uitsluiting en verdere radicalisering werden door het veiligheidsapparaat beant-
                             woord met gewelddadige onderdrukking, en dat leidde weer tot verzet, verdere
                             marginalisering, radicalisering en geweld (Hafez 2003: 201). De staat trof daar-
                             mee niet alleen gewelddadige terroristische groepen, maar ook gematigde groe-
                             pen die bereid waren zich te houden aan de regels van het politieke en juridische
                             bestel. Zo vervaagden de grenzen tussen bescherming van de rechtsstaat tegen
                             terrorisme en schending van de mensenrechten (Esposito 2003: 85).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 85 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 86 ======================================================================

<pre>                                                       de ontwikkeling van islamitisch-politieke bewegingen
      Sinds het doorbreken van de geweldsspiraal in 1997 heeft de overgrote meerder-
      heid van de islamitische activisten geweld afgezworen. Toch blijft de positie van
      islamitische partijen en bewegingen onzeker. Hun leiders worden nu eens getole-
      reerd of gecoöpteerd in het politieke en maatschappelijke bestel, en dan weer
      opgepakt en tot staatsvijand verklaard. Van formele erkenning is geen sprake, uit
      vrees dat de regerende ndp en de overige, marginale seculiere partijen nog verder
      terrein verliezen (icg 2004b: 2). Zolang andere geloofwaardige (islamitische)
      sociale en politieke tegenkrachten nog ontbreken, zal diezelfde politieke elite
      echter niet bereid zijn de status-quo los te laten (Perthes 2004a: 304, 2004d: 34).
      Daar staat tegenover dat de kiezers de kandidaten van islamitische partijen lijken
      te hebben beloond voor hun verantwoordelijke opstelling tijdens de verkiezings-
      campagne van eind 2005 en hun bereidheid tot het sluiten van compromissen
      met andere democratische oppositiekrachten (Kodmani 2005: 20).
3.4.2 elder s in de moslimwereld
      In de jaren zeventig en tachtig gold het Algerijnse regime als ideaaltypisch in het
      Midden-Oosten: een autoritair bewind dat na de onafhankelijkheid, onder druk
      van de precaire geopolitieke situatie in de regio, steeds afhankelijker werd van het
      leger en het veiligheidsapparaat (Singerman 2004: 146). Net als Sadat in Egypte                       85
      begon president Boumedienne na de opkomst van islamitische groepen met een
      charmeoffensief. Hij gaf de traditionele religieuze elite meer invloed binnen de
      ministeries van Onderwijs, Religieuze Zaken en Justitie. Zijn opvolger Benjedid
      voerde nieuwe familiewetgeving in die conservatieve interpretaties van de islam
      weerspiegelde. Maar tegelijkertijd probeerde hij ook de onvrede onder de bevol-
      king over het economische wanbeleid via politieke instituties te kanaliseren. Na
      meer dan dertig jaar eenpartijbestuur maakte hij bij grondwetswijziging een
      einde aan de dominante positie van het Nationaal Bevrijdingsfront (fnl). Hij liet
      politieke partijen formeel erkennen, waardoor een meerpartijenstelsel ontstond.
      Er werden 14 partijen opgericht, waaronder de Islamitische Maatschappij Bewe-
      ging (Hamas), de Islamitische Renaissance Beweging (mni) en het Islamitische
      Heilsfront (fis), een koepel van islamitische oppositiepartijen die kon rekenen
      op brede steun van de bevolking. Behalve een gematigde, liberale vleugel liet het
      fis ook een militantere kant zien, bijvoorbeeld tijdens politieke protestmarsen en
      massademonstraties waar werd opgeroepen tot de islamitische shura als alterna-
      tief voor democratie. Toch was de leiding van de partij niet bereid langs revolutio-
      naire weg een islamitische staat in te voeren, want daarvoor had de nieuwe,
      parlementaire weg in korte tijd al te veel directe voordelen en krediet onder de
      bevolking opgeleverd. Het gevolg was dat de radicale groepen in 1991 nog een
      marginale positie innamen (Hafez 2003: 42-43).
      Bendjedid hoopte het fis strategisch te kunnen inzetten als machtige speler
      tegenover de oude linkse garde van de fln en het leger, die zich heftig bleven
      verzetten tegen verdergaande economische liberalisering. Hij verklaarde zich
      bereid tot samenwerking met een door het fis gedomineerde meerderheid in het
      parlement, zelfs toen deze partij eind 1991, na eerdere massademonstraties en een
</pre>

====================================================================== Einde pagina 86 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 87 ======================================================================

<pre>   dy na miek in isla mi t isch ac t i visme
                             overwinning in de gemeenteverkiezingen van juni, op het punt stond een over-
                             weldigende verkiezingsoverwinning te boeken in de tweede ronde van de
                             nationale verkiezingen (Noyon 2003: 121).11 Vlak daarna greep het leger echter
                             in, kondigde de noodtoestand af, dwong de president tot aftreden, verklaarde
                             de verkiezingen ongeldig en verbood het fis. Toch probeerden de leiders van de
                             partij nog een politieke oplossing te vinden door samen met de fln en de socia-
                             listische partij stelling te nemen tegen de militaire coup. Bovendien gingen ze
                             tegen het partijverbod in beroep bij het hooggerechtshof en riepen op tot vrijla-
                             ting van politieke gevangenen en hervatting van het verkiezingsproces.
                             Deze interventies mochten echter niet meer baten, want de radicale groepen
                             binnen en buiten het fis waren dankzij de militaire coup ontketend. Zij wisten
                             de vele teleurgestelde fis-aanhangers ervan te overtuigen dat het democratische
                             proces uiteindelijk alleen de belangen diende van het seculiere regime. Als de
                             uitslag niet beviel, moest immers het proces eraan geloven (Hafez 2003: 43). Op
                             internationale steun viel evenmin te rekenen, want de officiële, ook door het
                             Westen geaccepteerde lezing van de gebeurtenissen was dat het Algerijnse leger
                             had ingegrepen om de democratie te beschermen tegen de fis-strategie van one
                             man, one vote, one time (Esposito 2003: 80). In werkelijkheid trad het leger
86                           meedogenloos op tegen alle islamitische activisten, ongeacht de aard van hun
                             activiteiten. Begin februari 1992 werden tussen 6.000 en 30.000 fis-activisten,
                             onder wie ook 500 burgemeesters en gemeenteraadsleden, opgesloten in gevan-
                             genissen in de Sahara en als terroristen door speciale militaire gerechtshoven
                             berecht. Vervolgd door het leger en het veiligheidsapparaat, dat zich steeds vaker
                             schuldig maakte aan massamoorden en ‘verdwijningen’, viel het fis uiteen in
                             rivaliserende radicale splintergroepen. In 1993 vormde een aantal daarvan de
                             Jamaa al-Islamiyya al-Musalaha (ofwel gia), een beweging die een vergelijkbare
                             radicalisering onderging als de Jamaa al-Islamiyya en de Islamitische Jihad in
                             Egypte. Ook hier mondde de ongedifferentieerde repressie uit in een radicalise-
                             ring en verdere escalatie van het geweld tegen leger- en burgerdoelen.
                             In Syrië voerden (seculiere) studenten, vakverenigingen en Moslimbroeders
                             gelijktijdig en soms ook gezamenlijk oppositie via stakingen en protestmarsen.
                             Het socialistische regime van al-Assad slaagde erin door coöptatie van sommige
                             seculiere politieke leiders (vooral uit de middenklasse) en zware onderdrukking
                             van andere krachten de seculiere oppositie uit elkaar te drijven. Net als in Egypte
                             bestond er onder de Syrische Moslimbroeders een tweedeling tussen de acti-
                             visten die hun doel op vreedzame wijze wilden bereiken en zij die voor het
                             geweld kozen. Het regime ging echter over tot vervolging van beide groepen.
                             Dit mondde opnieuw uit in een spiraal van geweld en onderdrukking, waarin
                             gewelddadige takken van de Moslimbroeders guerilla-acties en terroristische
                             aanslagen pleegden, en het regime zelf over de gehele linie steeds repressiever
                             optrad tegen de eigen bevolking.12 Een direct gevolg was dat het overgrote deel
                             van de bevolking waaronder zeker ook de seculiere oppositie net zo afkerig werd
                             van de eigen repressieve staat als van het gewelddadig islamitisch activisme.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 87 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 88 ======================================================================

<pre>                                                 de ontwikkeling van islamitisch-politieke bewegingen
De manier waarop de regimes in het Midden-Oosten probeerden islamitisch acti-
vistische bewegingen naar hun hand te zetten, was bepaald niet uniek. Overal
zien we dat regeringen aanstuurden op het doen van concessies aan religieuze
activisten, het gebruiken van de islam ter legitimering van de macht en het
versterken van de controle op de (officiële) religie. De mate waarin dat gebeurde,
werd echter mede bepaald door de interne en externe speelruimte van deze regi-
mes. In landen waar het proces van natiestaatvorming toch al sterk onder druk
stond (zoals Pakistan na de afscheiding van Bangladesh in 1971, en Afghanistan)
bleken de concessies aan islamitische activisten niet meer terug te draaien. In
Pakistan bijvoorbeeld zette generaal Zia zijn verwoestende islamiseringspolitiek
voort. Bovendien gebruikte hij onder het toeziende oog van de Arabische wereld
en de vs de Jamaat-i-Islami als buitenlandpolitiek instrument in de strijd tegen
Sovjettroepen in Afghanistan (Fair 2005: 273; Roy 2004: 291).
Het is opvallend dat de regimes buiten het Midden-Oosten al ruim voor de herle-
ving van het islamitische activisme in de jaren zeventig openingen boden voor
politieke deelname. Landen als Maleisië, Bangladesh en Indonesië bleken mede
daardoor beter in staat de radicale islamitische bewegingen en partijen de wind
uit de zeilen te nemen. In Maleisië wist de regeringscoalitie onder leiding van de
umno met de steun van de Maleisische Islamitische Partij (pas) en de grote                            87
jeugdbeweging van moslims (abim) een beleid te voeren dat balanceerde tussen
secularisme, economische modernisering en een beperkte islamisering van de
staat en het recht ten behoeve van de moslimbevolking (55 procent van de totale
bevolking). Niet-moslimse minderheden (Chinezen, Indiërs) bleven grotendeels
gevrijwaard van de gevolgen van de islamisering (Harding in Otto et al. 2006).
Tegelijkertijd trad de regering van premier Mahathir hard op tegen gewelddadige
islamitische groeperingen. In Bangladesh omarmde de regering aanvankelijk de
seculiere staat en onderdrukte de islamitische krachten. De militaire machtsover-
name van 1975 leidde echter tot een vijftien jaar durende fase van militair bestuur
(met tussentijdse militaire coups) waarin de islamitisch-politieke krachten gelei-
delijk aan een plaats werd gegund in de politieke arena. Net als in Pakistan ging
dat gepaard met een politiek van sociale en culturele islamisering, maar anders
dan in Pakistan heeft dat de weg naar verdere politieke liberalisering begin jaren
negentig niet geblokkeerd. Islamitische partijen werden verder geïntegreerd in
het – voor het overige uiterst woelige – politieke klimaat. Indonesië, dat in de
grondwet van 1945 niet expliciet de islam maar “het geloof in de ene en
almachtige God” noemde, weerde islamitische bewegingen evenmin volledig uit
de politieke arena. Na zijn militaire coup stond Soeharto drie politieke partijen
toe (Golkar, ppp, pdi) die onder controle van de regering vielen. De islamitische
ppp en de democratisch-nationalistische pdi mochten een lichte vorm van oppo-
sitie voeren, binnen de marges van zijn stabiele politiestaat. Sinds zijn vertrek in
1998 is er meer ruimte gekomen voor islamitische partijen.
Ook in andere delen van de moslimwereld bood politieke participatie een uitlaat-
klep voor islamitisch activisme, zodat radicale groepen in de marges moesten
blijven. In Afrikaanse staten als Mali, Mauritanië, Senegal, Guinee en Niger
</pre>

====================================================================== Einde pagina 88 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 89 ======================================================================

<pre>   dy na miek in isla mi t isch ac t i visme
                             bijvoorbeeld waren de islamitische oppositiebewegingen minder dominant en
                             werd de dreiging van radicaal islamitisch activisme ondanks de machtsovername
                             in Soedan toch vooral gezien als een typisch ‘Arabisch’ probleem. Tegelijkertijd
                             gingen deze regimes uiterst pragmatisch om met de islamitische oppositie. In
                             Mali bijvoorbeeld benadrukte de nieuwe grondwet van 1974 continuïteit met de
                             vorige seculiere grondwet en de principes van de universele mensenrechten.
                             In de praktijk gaf het bewind van president Traoré moslimbewegingen op
                             onderdelen (bijvoorbeeld zendtijd) een voorkeursbehandeling ten opzichte van
                             christenen. Deze stap werd vooral ingegeven door het politieke gewicht van
                             vooraanstaande moslimfamilies met grensoverschrijdende zakelijke contacten in
                             het Midden-Oosten (Schultz in Otto et al. 2006).
                             In Centraal-Azië is de rol van het islamitisch activisme sterk verbonden met de
                             erfenis van het Russische kolonialisme en de latere, ruim zeventig jaar durende
                             ‘sovjetisering’ van de regio. In de jaren twintig van de vorige eeuw voerden de
                             Bolsjewieken een genadeloze zuiveringscampagne tegen de religie. Hierdoor
                             verdween in deelstaten als Oezbekistan, Turkmenistan, Tadzjikistan, Kirgizië,
                             Kazachstan en Azerbeidzjan de islam volledig uit het openbare leven, werd de
                             overdracht van religieuze kennis en rituelen beknot en raakten moslims in de
88                           Sovjet-Unie geïsoleerd van het politieke denken van mensen als Qutb, al-Banna
                             en Mawdudi. Het gevolg hiervan was dat de islam weliswaar een onderdeel bleef
                             van de lokale identiteit, maar vrijwel volledig werd gereduceerd tot gewoonten
                             en tradities. Anders dan in buurlanden als Pakistan en Afghanistan waar iemand
                             die zich moslim noemde ook bepaalde religieuze rituelen in acht nam, kon bij-
                             voorbeeld een Oezbeek of Turkmeen zichzelf automatisch beschouwen als
                             moslim, ongeacht zijn persoonlijke geloofsovertuiging. Na de onafhankelijkheid
                             in de jaren negentig ontstond in deze jonge staten een zoektocht naar de nieuwe
                             nationale identiteit, waardoor ook de islam werd ‘herontdekt’. Het religieus
                             onderwijs verscheen opnieuw na zeventig jaar ten tonele, moskeeën werden
                             geopend en moslims kwamen in contact met de ideologieën en ontwikkelingen
                             elders in de moslimwereld, mede dankzij het zendingswerk van uiteenlopende
                             stromingen als het wahhabisme, de beweging van Fetullah Gülen, de Hizb
                             ut-Tahrir etc. Bovendien strekte de nieuwe belangstelling voor de islam zich
                             ook uit naar de politieke manifestaties ervan, waaronder het activisme dat zich
                             richtte tegen het seculiere establishment.
                             De voormalige communistische regimes die na de omwentelingen zonder
                             uitzondering in het zadel bleven, waren alle beducht voor het islamitisch acti-
                             visme. In Oezbekistan leidde de onderdrukking ervan tot de vlucht van veel
                             moslimactivisten naar Tadzjikistan en vervolgens Afghanistan, waar ze er de
                             aan de Taliban geallieerde Islamitische Beweging van Oezbekistan vormden.
                             In Tadzjikistan mondde de politieke oppositie van de Islamitische Renaissance
                             Partij (irp) tegen het voormalige communistische regime uit in een burgeroorlog.
                             Uiteindelijk werd in 1997 een vredesakkoord bereikt nadat de voormalige
                             communistische leider Rakhmonov instemde met de wettelijke erkenning van
                             de irp. Sindsdien heeft hij de positie van de partij in het politieke stelsel echter
</pre>

====================================================================== Einde pagina 89 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 90 ======================================================================

<pre>                                                       de ontwikkeling van islamitisch-politieke bewegingen
      verder ondermijnd, waardoor radicalere, deels ook transnationaal actieve groepen
      als de Hizb ut-Tahrir aan kracht hebben gewonnen. Deze laatste groep, die
      inmiddels verboden is in Rusland, Pakistan, Duitsland en delen van het Midden-
      Oosten, presenteert zichzelf als een niet-gewelddadige groep die pleit voor een
      strikte naleving van islamitische leefregels en via innerlijke en sociale verande-
      ring streeft naar de invoering van een islamitisch kalifaat (icg 2003c; Wessels
      2001: 136). Tegelijkertijd keurt de beweging de gewelddadige jihad niet af en blij-
      ken individuele leden te zijn betrokken bij terroristische aanslagen en militaire
      couppogingen in het Midden-Oosten (Baran ed. 2004).
      In Turkmenistan heeft president Niyazov de onderdrukking van elke vorm van
      onafhankelijke religieuze activiteit zelfs gekoppeld aan een cultus rondom zijn
      eigen persoon die tevens put uit zogenaamd ‘islamitische’ elementen; moskeeën
      en scholen zijn verplicht Niyazovs eigen boek (de Rukhnama) met volkswijshe-
      den, Turkmeense geschiedenis en pseudo-spiritualiteit als leerstof te behandelen
      naast de koran. Hoewel de autoriteiten in de andere Centraal-Aziatische landen
      nog niet zo ver gaan, beschouwen ook zij alle vormen van islamitisch activisme
      als een potentiële bedreiging van de politieke orde die vraagt om hardhandig en
      repressief overheidsingrijpen. Tegelijkertijd proberen ze daarnaast de islam in te
      schakelen als ideologisch instrument voor eigen politieke doeleinden. Net als                         89
      elders vergroten beide ontwikkelingen echter het risico dat niet alleen de extre-
      mistische maar ook meer verlichte religieuze geluiden en activistische groepen
      worden gemarginaliseerd. En dat kan dan weer sneller tot verdere radicalisering
      leiden. Gezien de dramatisch verslechterde economische en sociale situatie, de
      beperkte politieke vrijheden en de wijdverbreide corruptie van de laatste tien jaar
      is het niet verwonderlijk dat het islamitisch activisme, waaronder dus ook radi-
      cale ondergrondse bewegingen als Hizb ut-Tahrir, zelfs in deze sterk seculiere
      voormalige Sovjetrepublieken inderdaad aan steun wint. Het behoort immers
      steeds vaker tot de schaarse bewegingen die de grote sociale, economische en
      politieke problemen in de regio aan de kaak stellen (icg 2003c).
3.4.3 tr ansnationale bewegingen
      In het voorafgaande is de aandacht hoofdzakelijk uitgegaan naar de interactie
      tussen islamitische sociale bewegingen en netwerken enerzijds en de staat ander-
      zijds. We zagen dat bewegingen als de Moslim Broederschap en de Jamaat-i
      Islami zich oorspronkelijk oriënteerden op de wereldwijde moslimgemeenschap
      (de umma). Zoals ook de islam zelf zich nooit heeft gehouden aan politieke gren-
      zen en zich verspreidde via handel, zending en veroveringen, zo is ook hun ideaal
      van het islamitische project nog altijd universeel en niet gebonden aan de natio-
      nale staat. Inmiddels functioneren beide moederbewegingen echter als interna-
      tionale organisaties met autonome nationale vertakkingen. Net als bijvoorbeeld
      socialistische en communistische partijen hun eigen Socialistische respectievelijk
      Communistische Internationale hebben waarmee ze onderling contact houden,
      gebruiken deze islamitische partijen en bewegingen hun moederbeweging als
      forum om ideeën, ervaringen en strategieën uit te wisselen (Fuller 2003: 42).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 90 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 91 ======================================================================

<pre>   dy na miek in isla mi t isch ac t i visme
                             Dankzij de wereldwijde verspreiding van nieuwe technologieën, transport- en
                             communicatiemiddelen, de toegenomen intensievere migratie en het uitgebreide
                             netwerk van transnationale ngo’s, islamitische banken, bedrijven en onderwijs-
                             instellingen zijn zulke contacten ook steeds makkelijker te onderhouden (Manda-
                             ville 2001). Tegelijkertijd hebben de meeste bewegingen en partijen in de
                             moslimwereld net als veel socialistische en communistische partijen vóór hen,
                             na verloop van tijd een politieke agenda en strategie ontwikkeld die is afgestemd
                             op de eigen specifieke politieke context. Daar waar ze toegang kregen tot de
                             nationale politieke arena en zich moesten handhaven in het reguliere politieke
                             spel, hebben de meeste islamitische partijen geweld tegen de staat afgezworen en
                             het streven naar ideologische zuiverheid en exclusiviteit om pragmatische rede-
                             nen verlaten (icg 2005a: 7-8). Deze processen van ontradicalisering, ‘nationali-
                             satie van het islamitisch activisme’ en islamisering van het discours over demo-
                             cratie, pluralisme en mensenrechten zijn op veel plekken in het Midden-Oosten,
                             Azië en in Turkije duidelijk zichtbaar (Roy 2004: 62-62).
                             Daar staat tegenover dat sommige extremistische bewegingen allengs zijn omge-
                             vormd tot gefragmenteerde, informele en gesloten terroristische netwerken met
                             een transnationale oriëntatie. De wortels hiervan liggen in de jaren tachtig, bij de
90                           reacties op de nasleep van de Iraanse revolutie, de oorlog in Afghanistan en de
                             strijd van geradicaliseerde activisten tegen de heersende regimes in Egypte en
                             Algerije. De antiwesterse en pro-shiietische houding van Iran onder Khomeini
                             (dat o.m. de radicale shiietische Hizbullah in Libanon ondersteunde) was voor
                             Saoedi-Arabië de directe aanleiding om internationaal actieve, anti-shiietische en
                             anticommunistische krachten te mobiliseren. Gesteund door zijn bondgenoot
                             de vs en door conservatieve Arabische regimes, wierp het land zich op als
                             verspreider van het conservatieve wahhabisme naar onder meer Soedan,
                             Pakistan, Afghanistan, Indonesië, Centraal-Azië en ook Europa. Ook de eerder-
                             genoemde Salafiyya-beweging raakte hierdoor steeds meer doordrenkt van
                             wahhabistische invloeden (icg 2005a: 10). Vooral sommige Pakistaanse madras-
                             sas werden kweekvijvers voor jihadstrijders die later ook betrokken zouden
                             raken in de oorlogen in Afghanistan, Bosnië en Tsjetsjenië (Hafez 2003: 61;
                             Singerman 2004: 157-158). Deze conflicten gaven gewelddadige groepen als
                             Al-Qaeda en Hizbullah in de jaren negentig belangrijke ideologische stimulan-
                             sen, financiële middelen en mankracht om zich transnationaal te organiseren.13
                             Andere groepen die op Saoedische steun konden rekenen, waren onder meer de
                             Arabische Moslimbroeders, Hassan al-Turabi’s nif, de Mudjahideen in Afgha-
                             nistan, de Hizb-i Islami in Kashmir, de Moros op de Filippijnen, de Deobandi-
                             beweging en enkele radicale splinterbewegingen in Turkije. Daarnaast ging ook
                             steeds meer geld naar radicale groepen onder de migrantengemeenschappen in
                             Europa, onder wie zich ook jonge ‘diasporaradicalen’ bevinden (Wessels 2001:
                             58; Roy 1994: 118; Rabasa et al. 2005: 445-446).
                             Kenmerkend voor het geradicaliseerde transnationale activisme sinds de jaren
                             negentig is het expliciet antiwesterse karakter ervan. Aanhangers en sympathi-
                             santen van organisaties als Al-Qaeda richten hun pijlen en propaganda niet
</pre>

====================================================================== Einde pagina 91 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 92 ======================================================================

<pre>                                                                  de ontwikkeling van islamitisch-politieke bewegingen
          langer uitsluitend op de regeringen van moslimlanden die ze onvoldoende reli-
          gieus achtten, maar ook op de vs, Israël en hun bondgenoten. Hun werkterrein is
          mondiaal geworden, en hun tactiek duidt meer op ‘elitair stedelijk terrorisme’
          dan de traditionele guerillaoorlog van de vrijwilligers in Afghanistan (icg 2005a:
          16-17). Zij slagen erin om met relatief weinig middelen al bestaande geopolitieke
          conflicten en rivaliteiten binnen en buiten de moslimwereld zoals de Balkanoor-
          log, de strijd in Kashmir, Tsjetsjenië, het Palestijnse conflict en de oorlog in Irak
          wereldwijd te voorzien van een ‘islamitische’, jihadistische en vooral anti-
          westerse lading. Dit effect wordt nog versterkt door de invloed van de (visuele)
          media, die de verwevenheid tussen wat zich buiten en binnen de landsgrenzen
          afspeelt genadeloos uitvergroten. Ze laten het beeld beklijven van voortdurende
          religieuze strijd tussen moslims en niet-moslims, waardoor ook de wereldwijde
          solidariteit tussen moslims (en hun tegenstanders) telkens wordt aangewakkerd.
          Zoals Graham Fuller opmerkt:
  “Today Muslims see themselves as under siege, particularly Muslim minorities, but it is not just
  that Bosnians are perhaps being killed because they are Muslim; Bosnians see Chechnyans being
  killed, and Chechnyans see Palestinians being killed, and Palestinians see Cashmirians being
  killed. And Cashmirians see Moro’s in the Philippines being killed. (…) young men [in Southern
  Thailand] have been watching television, and they have been watching the war in Iraq, and they                       91
  are saying: ‘that is us!’ They see themselves. There is this echo effect across the Muslim world.
  It is possible to see on television what is happening to other Muslims. And this intensifies the
  feeling that would not be the case if it was simply Rwandans, because their ethnic or religious
  links to Rwanda are very weak” (Fuller 2004).
          Sinds 11 september 2001 werkt dit mechanisme al bijna even effectief in het
          Westen. Het gedeelde gevoel van vernedering en belegering in de moslimwereld
          dat Osama bin-Laden zo feilloos wist te bespelen, vormt het spiegelbeeld van de
          groeiende angst voor de islam en het islamitisch terrorisme die zich meester
          maakt van niet-moslims in het Westen (Coolsaet 2005: 19-20; icg 2005a: 25). Dat
          zich evengoed grote spanningen voordoen binnen de moslimwereld, verdwijnt
          hierdoor naar de achtergrond.
3.4.4     conclusie
          Zowel in Egypte als in andere delen van de moslimwereld hebben bij uitstek de
          meest autoritaire regimes de opleving van het revolutionaire islamitisch acti-
          visme van de jaren zeventig en de vorming van islamitische politieke bewegingen
          en partijen trachten te pareren door repressie of coöptatie. Vele hebben ook de
          islam zelf ingeschakeld ter legitimering van hun macht. Het religieuze establish-
          ment is sindsdien ofwel volledig ondergeschikt gemaakt aan het autoritaire
          bewind, ofwel gecoöpteerd in ruil voor een verdere islamisering van het open-
          bare leven en de overheidsinstellingen. Toch blijkt in veel landen de hoofdstroom
          van de islamitisch activistische bewegingen inmiddels meer hervormingsgezind
          en gematigd dan revolutionair en gewelddadig te zijn geworden. Maar als de
</pre>

====================================================================== Einde pagina 92 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 93 ======================================================================

<pre>   dy na miek in isla mi t isch ac t i visme
                             gematigde hoofdstroom na een fase van politieke liberalisering plotseling volle-
                             dige politieke uitsluiting of gewelddadige repressie boven het hoofd hangt, stijgt
                             de kans op radicalisering van splintergroepen. Algerije is daarvan een berucht
                             voorbeeld geworden. Zoals de Iraanse revolutie het schrikbeeld werd van menig
                             autoritair regime in de jaren tachtig, zo werden ‘Algerijnse toestanden’ alom
                             gevreesd in de jaren negentig. Behalve deze dramatische internationale gebeurte-
                             nissen gaven ook de directe ervaringen met het voeren van (ondergrondse en
                             reguliere) politieke oppositie binnen de nationale arena impulsen aan pragmati-
                             sche strategieën van matiging van de oppositie, coalitievorming en steun voor de
                             weg van de geleidelijkheid. Onvoorwaardelijke institutionele insluiting van isla-
                             mitisch-politieke stromingen en bewegingen in het reguliere bestel is bepaald
                             niet zonder risico’s, zo blijkt uit het voorbeeld van Soedan en Pakistan. Maar een
                             geleidelijke toenadering tot de politieke arena, zo toont het voorbeeld van Egypte
                             en Turkije, kan op termijn ook bijdragen tot verdere matiging van de hoofd-
                             stroom, marginalisering van de gewelddadige radicale minderheid en geleidelijke
                             democratisering. Zeker is in ieder geval dat, zolang islamitische politieke bewe-
                             gingen de steun van brede lagen van de bevolking genieten en geloofwaardige
                             alternatieve politieke stromingen ontbreken, processen van democratisering in
                             de moslimwereld niet zonder hen kunnen.
92
                3.5          interpretatie van de politieke dynamiek
                3.5.1        toegang tot de politieke arena
                             De huidige en toekomstige dynamiek van islamitisch activistische bewegingen en
                             partijen hangt nauw samen met de mate van openheid of geslotenheid van de
                             politieke arena. Eerder zagen we dat tijdens de opkomst van het islamitische acti-
                             visme van de jaren zeventig verreweg de meeste landen een autoritair regime
                             hadden (zie par. 3.2). In het Midden-Oosten en Noord-Afrika had alleen Libanon
                             de status van democratisch land (een Polity score van 4 of hoger). Vergelijken we
                             deze indicatoren met de meest recente scores, dan blijkt het volgende. Van de
                             48 landen met een moslimmeerderheid hebben er tien een polity score van vier
                             of hoger (zie bijlage 1). Slechts zes landen kregen in 2002 het predikaat ‘electorale
                             democratie’: Mali, Niger, Senegal, Bangladesh, Albanië en Turkije (bijlage 2).
                             Daar staat tegenover dat steeds meer moslims (binnen en buiten landen met een
                             moslimmeerderheid) leven in een context van politieke liberalisering en demo-
                             cratisering; volgens schattingen leven alleen al zo’n 700 miljoen moslims thans
                             in electoraal democratische of zich democratiserende samenlevingen, namelijk in
                             Indonesië, Bangladesh, India, Noord-Amerika en Europa (United States Institute
                             of Peace 2003).
                             De regionale verschillen binnen de moslimwereld zijn echter erg groot. Bij mos-
                             limlanden in Afrika beneden de Sahara blijkt sprake te zijn van een verbetering
                             van de Polity scores, de politieke rechten en burgerlijke vrijheden (bijlage 1).
                             Zeven landen in die regio hebben daar het predikaat ‘deels vrij’, en Mali en Senegal
                             gelden als vrij. In Azië is de situatie in Indonesië, het grootste moslimland ter
</pre>

====================================================================== Einde pagina 93 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 94 ======================================================================

<pre>                                                                 de ontwikkeling van islamitisch-politieke bewegingen
            wereld, flink verbeterd, al wordt het door de opstellers van de Polity score in
            2003 nog niet als electorale democratie aangemerkt. Daar staat tegenover dat de
            situatie in Afghanistan, de Malediven en Pakistan fors is verslechterd ten opzichte
            van begin jaren zeventig. De regio Midden-Oosten en Noord-Afrika vertoont
            opmerkelijk geringe verbeteringen in de politieke vrijheden. Weliswaar gelden
            vijf van de 21 landen in die regio als ‘deels vrij’ (nl. Bahrein, Jemen, Jordanië,
            Koeweit en Marokko), maar een aantal landen (Libië, Qatar, Saoedi-Arabië en de
            Verenigde Arabische Emiraten, vae) heeft zelfs geen enkele noemenswaardige
            verbeteringen van de Polity scores doorgemaakt tussen begin jaren zeventig en
            2003. Kortom, het Midden-Oosten is nog altijd veel autoritairder dan andere
            regio’s. Zoals ook de opeenvolgende Arab Human Development Reports aange-
            ven, is het gebrek aan politieke en burgerlijke vrijheden in de moslimwereld in
            sterke mate (maar niet uitsluitend) een probleem van de Arabische wereld (zie
            tabel 3.2).
Tabel 3.2          Polity scores van Arabische en niet-Arabische moslimlanden
Polity iv score, 2003             Niet-Arabisch moslimland                Arabisch moslimland
                                                                                                                      93
         +10
           +9
           +8                     Senegal
           +7                     Albanië, Indonesië, Turkije
           +6                     Bangladesh, Mali
           +5                     Sierra Leone
           +4                     Comoren, Niger, Nigeria
           +3                     Iran, Maleisië
           +2                     Djibouti
           +1
             0                    Burkina Faso
           --1                    Guinee
           --2                    Tsjaad                                  Jemen, Jordanië
           --3                    Kirgizië, Tadzjikistan                  Algerije
           --4                                                            Tunesië
           --5                    Gambia, Pakistan
           --6                    Kazachstan, Mauritanië, Soedan          Egypte, Marokko
           --7                    Azerbeidzjan, Eritrea                   Bahrein, Koeweit, Libië, Syrië
           --8                                                            Oman, VAE
           --9                    Oezbekistan, Turkmenistan               Irak
         --10                                                             Qatar, Saoedi-Arabië
Bron: Polity iv score
Scores ontbreken voor Afghanistan, Irak, Libanon en Somalië vanwege een regimeonderbreking of tijdelijke
regering. Voor Brunei, de Malediven en de Westbank/Gaza zijn geen zelfstandige Polity iv scores beschikbaar.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 94 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 95 ======================================================================

<pre>   dy na miek in isla mi t isch ac t i visme
                             Welke globale conclusies zijn te trekken over de directe participatie van (islamiti-
                             sche) politieke partijen en bewegingen in de politieke arena? Saoedi-Arabië is het
                             enige moslimland dat geen enkele politieke partijvorming toestaat. In 2003
                             kregen dertien van de 48 moslimlanden het predikaat ‘politiek gesloten’. Nog
                             eens zeventien werden aangemerkt als landen waar verkiezingen worden gehou-
                             den zonder dat echt vrije politieke concurrentie kon plaatsvinden (het regime
                             heet ‘electoraal, niet-concurrerend, autoritair’, zie bijlage 2). Sinds begin jaren
                             negentig mogen steeds meer burgers (soms voor het eerst, of voor het eerst sinds
                             lange tijd) naar de stembus voor het kiezen van wetgevende parlementen, die
                             echter heel vaak nog beperkte bevoegdheden hebben. Tegelijkertijd is het nog in
                             veel moslimstaten uitgesloten dat burgers directe invloed hebben op de
                             vertegenwoordigers in de uitvoerende macht (president, regerend koning). Hier
                             spannen de autoritaire regimes in het Midden-Oosten de kroon; er worden stee-
                             vast verkiezingen gehouden, parlementen gekozen en er wordt veel lippendienst
                             bewezen aan de islamitische grondslagen van de staat en het recht, maar de mo-
                             gelijkheid voor (islamitische) oppositiepartijen om via een democratisch man-
                             daat de zittende macht naar huis te sturen blijft vooralsnog uitgesloten. Politieke
                             machthebbers zijn in staat via wisselende allianties, het tegen elkaar uitspelen en
                             afkopen van belanghebbenden, het voortdurende wijzigen van het kiesstelsel en
94                           het handhaven of periodiek invoeren van de noodtoestand in het zadel te blijven.
                             Hiernaast zien ze kans de kracht van de oppositie in te schatten en daar het eigen
                             optreden op af te stemmen. Ze blijven met de oppositie onderhandelen vanuit
                             een dominante positie, waardoor ze greep houden op de (nieuwe) regels van het
                             politieke spel en de bevoegdheden van het parlement beperkt kunnen houden.
                             Partijen en politieke leiders die zich van dit spel afkeren, lopen echter het risico
                             verder naar de politieke marges te verdwijnen. Islamitische politieke partijen
                             worden relatief vaak geconfronteerd met uitsluiting, repressie en manipulatie
                             (Jones-Luong en Lust-Okar 2002).
                             De politieke elites in het Midden-Oosten en hun bondgenoten in het Westen
                             staan voor grote dilemma’s. Hun eerste dilemma is dat de ervaringen van de
                             bevolking met parlementaire stelsels en min of meer democratische instituties
                             nog altijd gering zijn, terwijl die met het terrorisme nog vers in het geheugen
                             liggen. Vooral de seculiere politieke elites plaatsen veel kanttekeningen bij voort-
                             gaande politieke liberalisering die gepaard gaat met politieke en economische
                             instabiliteit (Noyon 2003). Zij vrezen het scenario van one man, one vote, one
                             time, waarin democratisch gekozen islamitische partijen het democratische stel-
                             sel alsnog afschaffen. Daar staat tegenover dat zich tot dusver nog geen situatie
                             heeft voorgedaan waarin islamitisch activisten op democratische wijze, via de
                             stembus aan de macht zijn gekomen en de democratie vervolgens hebben afge-
                             schaft. Zoals Roy concludeert:
                    “The evolution of Algeria’s fis, Turkey’s Refah Partisi (Welfare Party), Tunisia’s Nahda party and
                    the liberals in Iran towards if not democratic, then at least parliamentarian movements – advocat-
                    ing elections, political coalitions, democracy and the defence of ‘civil society’ in the face of author-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 95 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 96 ======================================================================

<pre>                                                                   de ontwikkeling van islamitisch-politieke bewegingen
  itarian secular states or conservative religious leaders – is evidence enough that many Islamist
  groups have become ‘normal’ national parties, and that the principal obstacle to democracy is not
  the Islamists per se, but the Muslim world’s more or less secular authoritarian state, supported by
  the West” (Roy 2005: 2).
          Hun tweede dilemma betreft de grote afstand tussen het politieke proces en de
          gewone bevolking in veel moslimlanden, een afstand die westerse samenlevin-
          gen overigens tegenwoordig ook steeds meer onder ogen moeten zien. Fatima
          Mernissi gaf in 1992 treffend aan waarom bijvoorbeeld bepaalde groepen Marok-
          kanen toen nog wantrouwend stonden tegenover democratie. Ze konden alle-
          maal, ongeacht opleiding of klasse, nog wel de voordelen overzien van mobiele
          telefonie of autobezit, maar niet van een tamelijk abstract concept als democratie.
          Daarvan hadden sommigen het idee dat het vooral ten goede komt aan hoogop-
          geleide, kosmopolitische jongeren met kennis van de westerse cultuur.1 4
3.5.2     toenemende diver siteit
          Hoe is tegen deze achtergrond de politieke dynamiek van het islamitisch acti-
          visme te interpreteren? Ten eerste blijkt er sprake te zijn van een toenemende                                95
          diversiteit. Sinds de Iraanse revolutie van 1979 ontstaan steeds meer verschil-
          lende bewegingen die zich onttrekken aan eenvoudige tweedelingen als funda-
          mentalistisch of gematigd, gewelddadig of vreedzaam, umma-breed of nationaal
          georiënteerd (igc 2005).15 In een poging het huidige landschap in kaart te bren-
          gen, valt in navolging van de icg eerst een onderscheid te maken in shiietische en
          sunnitische bewegingen. Die laatste sluiten aan bij minstens tachtig procent van
          alle moslims. Hoewel de shiietische bewegingen sinds de Iraanse revolutie vooral
          in het Westen worden geassocieerd met radicale bewegingen die zich richten op
          herstel van de umma, zijn de meeste ervan tegenwoordig uitsluitend actief
          binnen de nationale context. Dat geldt voor Azerbeidzjan, Bahrein en Irak, waar
          een meerderheid van de bevolking shiietisch is. Het geldt ook voor Libanon,
          Jemen, Koeweit, Pakistan, Afghanistan, Saoedi-Arabië, de Verenigde Arabische
          Emiraten, Syrië, Turkije, India, Sri Lanka, Birma en Oost- en Zuidelijk Afrika,
          waar shiieten in de minderheid zijn. Kenmerkend voor het shiietische minder-
          heidsactivisme is dat het zich hoofdzakelijk richt op het verdedigen van de
          groepsbelangen tegenover de andere bevolkingsgroepen en de staat. Daardoor
          variëren de specifieke doelstellingen, het politieke discours, de uitingsvormen en
          instrumenten van shiietische bewegingen al naar gelang de nationale en lokale
          politieke context (icg 2005a). In Pakistan bijvoorbeeld, waar ongeveer vijftien tot
          twintig procent van de bevolking shiietisch is, behartigden shiietische activisten
          traditiegetrouw de gemeenschapsbelangen op het gebied van onderwijs en
          wetgeving, getuige ook hun pleidooien voor aparte lesboeken voor religieus
          onderwijs op staatsscholen.
          Onder de brede paraplu van islamitisch activisme kan voorts een globaal onder-
          scheid worden gemaakt op basis van strategieën, oriëntaties en middelen (zie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 96 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 97 ======================================================================

<pre>   dy na miek in isla mi t isch ac t i visme
                             tabel 3.2): stromingen die een zwaar accent leggen op evolutionair politiek acti-
                             visme, revolutionair (jihad) activisme, bewegingen die vooral maatschappelijke
                             activisme beoefenen en zij die zendingsactiviteiten laten prevaleren (Yavuz 2004:
                             274). De eerste twee strategieën richten zich op islamisering van bovenaf, via de
                             staat en het politieke en juridische stelsel. Zij maken gebruik van een politieke
                             voorhoede die de strategie, tactiek, middelen en het discours van de beweging
                             sterk beïnvloeden. De andere twee typen activisme streven hoofdzakelijk naar
                             islamisering van onderop, via maatschappelijke groepen, organisaties of indivi-
                             duen. Ze proberen de samenleving van binnenuit te veranderen. De meer groeps-
                             georiënteerde varianten doen dat door gemeenschappen te mobiliseren waarin
                             debat plaatsvindt. Ze maken sinds de economische (en in een aantal landen poli-
                             tieke) liberaliseringen van de jaren tachtig vooral gebruik van eigen media en
                             communicatiemiddelen (kranten, drukkerijen, internet, tv) en economische en
                             sociale netwerken (banken, sociale voorzieningen, verenigingen, scholen) om
                             vrijplaatsen te creëren met een eigen islamitisch discours. De meer individualis-
                             tische, spirituele en zendingsgerichte varianten zien innerlijke verandering en
                             spiritualiteit als sleutel tot maatschappelijke transformatie. Het zijn exponenten
                             van de toenemende fragmentatie van het gezag van de traditionele ulama, die
                             door hun nauwe banden met de autoritaire staat vaak aan geloofwaardigheid
96                           hebben ingeboet en concurrentie ondervinden van zelfverklaarde religieuze
                             leiders, sufibewegingen en religieus geïnspireerde intellectuelen (Piscatori 2000:
                             4). Als deze spirituele groepen zich sterker opsluiten binnen de eigen gemeen-
                             schap van gelovigen, bestaat een kans dat ze zich onttrekken aan het wettelijke
                             politiek en juridisch kader van de nationale staat. Maar door zich via de zending
                             meer maatschappelijk te engageren en integreren kunnen ze ook een opstap
                             vormen naar maatschappelijk en politieke georiënteerde organisaties.
                             Politieke activistische groepen kunnen naast een evolutionair programma ook
                             maatschappelijke en religieuze organisaties en een militante revolutionaire tak
                             hebben. Afhankelijk van de belemmeringen in de externe omgeving, zoals de
                             ruimte om de politieke arena te betreden, zullen ze wisselende mobilisatiestrate-
                             gieën en -middelen inzetten en ook hun betekeniskaders en politieke discours
                             aanpassen. De oriëntaties in tabel 3.3 suggereren dus ook niet dat deze strategieën
                             en oriëntaties elkaar uitsluiten of onveranderlijk zijn; veranderingen in de eerder
                             opgesomde mobilisatiefactoren (par. 3.2.1) leiden vaak ook tot veranderingen in
                             de oriëntatie, strategieën en ontwikkelingsrichting van activistische bewegingen.
                             De toenemende diversiteit binnen de moslimwereld betekent dat zich op het
                             nationale politieke en maatschappelijke toneel steeds meer concurrerende islami-
                             tische bewegingen aandienen. De grootste politieke activistische beweging van
                             het Midden-Oosten en Noord-Afrika is de Moslim Broederschap, die vertakkin-
                             gen heeft in Jordanië, Libanon, Koeweit, Soedan, Irak en Jemen. De Broederschap
                             steunt ook andere nationale organisaties zoals onder meer de Tunesische Nahda
                             partij, de Marokkaanse partij Rechtvaardigheid en Liefdadigheid en – de uitzon-
                             dering op de regel van geweldloosheid – Hamas in Palestina. Andere bewegingen
                             zijn op de Jamaat-i-Islami geënt. Behalve in het thuisland Pakistan zijn deze te
</pre>

====================================================================== Einde pagina 97 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 98 ======================================================================

<pre>                                                                         de ontwikkeling van islamitisch-politieke bewegingen
 Tabel 3.3        Oriëntaties van islamitisch activistische bewegingen
 Verticaal                   Evolutionair                                      Revolutionair
 Staatcentrisch              Deelname met als doel de staat te                 Gericht tegen het systeem,
 Voorhoedebeweging           controleren of politiek te beïnvloeden door       overnemen van de staat
 Top down                    de vorming van eigen politieke partijen of
                             via coalities met andere partijen
 Gericht op                  Politieke arena, juridisch en constitutioneel     De staat/staten
                             stelsel, sociale voorzieningen, onderwijs
 Meest waarschijnlijke       Accommodatie                                      Confrontatie
 ontwikkeling
 Voorbeeld                   Refah Partij, AKP                                 Tanzim al Jihad, islamitische jihad
 Horizontaal                 Maatschappelijk, dagelijks leven                  Zending, spiritueel
 Maatschappijcentrisch       Groepen gebruiken eigen organisaties,             Streven naar innerlijke zuiverheid
 Verenigingen                verenigingen, de media en communicatie-           en religieus zelfbewustzijn                    97
 Identiteitsgericht          netwerken om debatruimte te creëren voor
 Bottom-up                   de constructie van een islamitische iden-
                             titeit; islam geldt als cultureel kapitaal;
                             marktgeoriënteerd en gericht op netwerken
                             en verenigingen om de gemeenschap te
                             mobiliseren
 Gericht op                  Media, economie, (privé)onderwijs,                Religieuze gemeenschappen, mos-
                             sociale voorzieningen                             keeën, verenigingen, onderwijs
 Meest waarschijnlijke       Integratie                                        Isolatie, parallelle autonome
 ontwikkeling                                                                  gemeenschappen
 Voorbeeld                   Islamitische ngo’s etc.                           Tablighi, Salafiyya
           vinden in India, Bangladesh, Centraal-Azië en Noord-Afrika. Elders in de
           moslimwereld zien we politiek georiënteerde stromingen terug in landen als
           Turkije, Indonesië, Pakistan, Maleisië, Turkmenistan, Nigeria en Soedan.
3.5.3      van revolutionair panisl amisme naar evolutionair religieus
           nationalisme
           Naast een toenemende diversiteit is een tweede trend zichtbaar. De politiek geo-
           riënteerde activistische bewegingen hebben in de meeste gevallen hun revolutio-
           naire en militante aspiraties laten varen voor een evolutionaire, gematigde weg
</pre>

====================================================================== Einde pagina 98 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 99 ======================================================================

<pre>   dy na miek in isla mi t isch ac t i visme
                             binnen de nationale staat. In plaats van het streven om desnoods met geweld de
                             seculiere nationale staat te vervangen door een (umma-brede) islamitische staat,
                             ambiëren ze participatie in het politieke bestel en deelname aan verkiezingen als
                             reguliere politieke partij. Daardoor is de revolutionaire kracht van het islamitisch
                             activisme ruimschoots over het hoogtepunt heen. Dit vloeit deels voort uit een
                             aloud besef dat de maatschappelijke kosten van anarchie en een mogelijk falen
                             van de staat enorm hoog zijn, waardoor gemobiliseerde bevolkingen zich gemak-
                             kelijk tegen revolutionaire leiders kunnen keren. Deels weerspiegelt het ook een
                             recenter politiek leerproces van islamitische bewegingen, hun leiders, aanhangers
                             en de regeringen in moslimlanden. In de meeste landen waar activisten enige
                             toegang hebben gekregen tot de politieke arena, zijn de baten van het gebruiken
                             van de politieke kanalen over het algemeen groter gebleken dan de kosten van een
                             gewapende confrontatie met de staat, die kan beschikken over een machtig en
                             ervaren veiligheidsapparaat. Daardoor maken activisten steeds minder kans de
                             staat over te nemen. De staat betaalt hiervoor echter de prijs van een vermin-
                             derde greep op de publieke arena en de maatschappelijke manifestaties van het
                             islamitisch activisme (Fuller 2003: 126, 169).
                             De ontwikkeling van de Egyptische Moslim Broederschap is exemplarisch voor
98                           het evolutionaire proces. Begonnen als fundamentalistische, expliciet antistate-
                             lijke beweging is de Broederschap nu uitgemond in een meer gematigde politieke
                             oppositiekracht die functioneert als politieke partij. Ze erkent niet alleen de legi-
                             timiteit van de Egyptische staat maar ook van huidige regering. Het electorale
                             succes van leden van de Broederschap heeft ook de gevangen leiders van de eens
                             zo radicale Jamaa tot het besef gebracht dat maatschappelijke islamisering van
                             onderop en een toekomstige rol in het electorale stelsel effectiever zijn dan gewa-
                             pend verzet (al-Sayyid 2004: 22). Een vergelijkbaar ontwikkelingsproces heeft
                             zich voorgedaan bij de Moslimbroeders in Jordanië, de pjd in Marokko, al-Nahda
                             in Tunesië en de Turkse Refah. Ook onder shiieten in Pakistan zien we een voor-
                             keur voor evolutionaire politiek. Hoewel Pakistans eerste shiietische politieke
                             partij vlak na de Iraanse revolutie werd opgericht, is het revolutionaire elan intus-
                             sen verzwakt. Net als de meeste shiietische minderheidsgemeenschappen accep-
                             teert de grote meerderheid van Pakistaanse shiieten inmiddels de legitimiteit
                             van de nationale staat. Hun politiek activisme streeft veelal naar het verbeteren
                             van de eigen positie daarbinnen, vooral sinds de laatste twintig jaar het sektarisch
                             geweld steeds meer is toegenomen. Dit verklaart mede waarom hun politieke
                             discours is doordrongen van moderne interpretaties van pluralisme, mensen-
                             rechten en een opvatting van burgerschap die losstaat van religieuze identiteit
                             (icg 2005a).
                             Over het algemeen geldt dat het politiek georiënteerde en geïnstitutionaliseerde
                             activisme het minst fundamentalistisch en gewelddadig is en daardoor ook het
                             minst kwetsbaar blijkt voor processen van radicalisering in de richting van jihad-
                             groepen (icg 2005a). Maar daarmee zijn gewapend verzet, militaire machtsover-
                             names en terrorisme niet verdwenen als activistische strategieën. Evenmin bete-
                             kent het dat dergelijk activisme niet alsnog zou kunnen terugkeren. In landen of
</pre>

====================================================================== Einde pagina 99 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 100 ======================================================================

<pre>                                                        de ontwikkeling van islamitisch-politieke bewegingen
      regio’s waar nationalistische of separatistisch gemotiveerde bevrijdingsbewegin-
      gen actief zijn, kan het islamitische activisme uitgroeien tot een brede nationale
      verzetsbeweging die het de staat soms heel moeilijk kan maken. Dat zien we
      onder meer aan de strijd in Palestina, Tsjetsjenië, Kashmir en de Filippijnen, waar
      moslims strijden tegen een niet-moslimstaat (Fuller 2003: 126). Daar krijgt lokaal
      islamitisch activisme soms ook nieuwe impulsen van transnationaal opererende
      cellen en groepen die vergaand zijn geradicaliseerd. Conflicten zoals voorheen de
      oorlog in Afghanistan en Bosnië en op dit moment in Irak werken dan als kataly-
      satoren voor verdere geweldsescalatie. Hier zijn tegenstrijdige krachten aan het
      werk waarvan de dynamiek moeilijk is in te schatten. Het gemak waarmee trans-
      nationale en internationale contacten kunnen worden onderhouden en middelen
      zijn te verplaatsen, verklaarde mede de verspreiding van het conservatieve
      wahhabisme vanuit de Arabische wereld naar andere delen van de moslimwereld,
      Europa en de vs. Deze invloed is na het hoogtepunt van begin jaren negentig
      echter al weer afgenomen, temeer doordat het wahhabisme in Saoedi-Arabië zelf
      ook scheuren vertoont (zie hieronder) en de internationale strijd tegen het terro-
      risme is geïntensiveerd (icg 2005a). Tegenover deze conservatieve fundamenta-
      listische krachten die zijn verspreid naar de rest van de moslimwereld staat ook
      de geleidelijke verspreiding van het gedachtegoed en de politieke praktijken van
      verlichte islamitisch-politieke denkers uit landen als Iran, Indonesië en Maleisië                     99
      (zie hoofdstuk 2).
      In landen waar islamitisch activisten erin geslaagd zijn door te dringen tot posi-
      ties in het leger of waar de staat zijn greep op het overheidsapparaat aan het
      verliezen is, zijn pogingen tot gewapende machtsovernames niet uit te sluiten.
      Dat geldt onder meer voor Pakistan, Saoedi-Arabië, Bangladesh en Marokko, waar
      het regime de islamitisch activisten niet buiten het leger heeft weten te houden
      (Fuller 2003: 169). Zoals we zagen kampt Pakistan bovendien met het probleem
      dat shiieten worden bedreigd door puriteinse sunni’s, zoals de aan het wahha-
      bisme gelieerde Deobandi (icg 2003a).16 Zoals in zoveel ontwikkelingslanden
      zijn de regimes sterk afhankelijk van het leger voor het handhaven van de sociale
      en politieke stabiliteit. Dat maakt ze echter ook kwetsbaar voor militaire coups.
3.5.4 politieke toenadering tot democr atie- en mensenrechten -
      concepten
      Naast de matiging van de hoofdstroom van het politieke activisme hebben veel
      politieke activisten een toenemende neiging zich te bedienen van een politiek
      vocabulaire waarin politieke partijen, verkiezingen en termen als democratie,
      mensenrechten en pluralisme een steeds prominentere rol spelen (Fuller 2003:
      25). Ze zijn hierin duidelijk beïnvloed door de confrontatie met westerse politieke
      ideeën en debatten die, zo bleek in hoofdstuk 2, al van veel oudere datum is. Dat
      betekent niet dat ze hun eigen islamitische discours hebben verlaten, en al even-
      min dat deze begrippen in elke context of voor elke groep dezelfde betekenis en
      steun hebben. Wel blijken ze via dit islamitische vocabulaire bezig te zijn aan het
      herijken van traditionele opvattingen over de relatie tussen staat, maatschappij
</pre>

====================================================================== Einde pagina 100 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 101 ======================================================================

<pre>    dy na miek in isla mi t isch ac t i visme
                              en politiek. Dankzij de vlag van de islam en de islamisering van het politieke
                              discours wordt zo een brug geslagen tussen cultureel vertrouwde islamitische
                              categorieën en concepten (zoals shura, baya, sharia) en concepten van democratie
                              en recht die voorheen alleen door een kleine, westers georiënteerde seculiere elite
                              werden gehanteerd. Daardoor is het islamitische activisme in de meeste moslim-
                              landen maatschappelijk dieper geworteld. Het heeft dan ook een krachtiger
                              veranderingspotentieel dan andere, van bovenaf opgelegde hervormingbewegin-
                              gen en -ideologieën als het kemalisme in Turkije of het seculiere nationalisme in
                              Egypte (Yavuz 2004).
                              Hoe krachtig het vocabulaire van islamitisch-politiek activisme kan zijn als motor
                              voor verandering blijkt bij uitstek in vrijwel volledig gesloten politieke stelsels.
                              Illustratief zijn de recente ontwikkelingen in Saoedi-Arabië. Daar was de statio-
                              nering van Amerikaanse troepen op Saoedisch grondgebied tijdens de eerste
                              Golfoorlog (1991-1992) de aanleiding voor de quiëtistische, op de privésfeer
                              gerichte wahhabisten om openlijk naar buiten te treden als salafiyya politiek acti-
                              visten. Religieuze leiders, rechters en intellectuelen stelden een petitie op waarin
                              ze het regime krachtig opriepen tot herstel van islamitische waarden. Daarin
                              stonden ook allerlei concrete politieke hervormingsvoorstellen genoemd, waar-
100                           onder instelling van een raadgevende vergadering, eerlijke rechtspraak, herverde-
                              ling van rijkdommen en het primaat van het religieuze recht. Alleen het islamiti-
                              sche vocabulaire en het islamitisch gezag maakten het mogelijk de sterke norm
                              van zelfcensuur los te laten en voor Saoedische begrippen ongehoorde politieke
                              kritiek te uiten. Kritiek onder de vlag van de islam kan het regime veel moeilijker
                              verbieden, want aan diezelfde islam ontleent het zijn legitimiteit. Het islamiti-
                              sche denkkader en discours zijn bovendien effectiever dan welk ander ook,
                              doordat het wordt gedeeld door alle groepen in de samenleving, of het nu om
                              vrouwen, nationalisten, stedelijke of plattelandsgroepen gaat. Het fungeert als
                              hefboom waarmee een gesloten politiek klimaat kan worden opengebroken,
                              opdat kritiek wordt geuit en debat ontstaat. In het kielzog van dit islamitische
                              denkkader kunnen dan ook andere kritische groepen ‘meeliften’ (Okruhlik 2004:
                              261-262). In Saoedi-Arabië zien we inderdaad dat een aantal liberale en islami-
                              tisch activistische intellectuelen zich steeds scherper durft uit te spreken tegen de
                              excessen van het wahhabisme. Het gaat hier onder meer om de terreur van de
                              religieuze politie, het verbod voor vrouwen om zelf auto te rijden en ook het
                              militante jihadisme, dat sinds de aanslagen van 11 september 2001 en die van
                              2003 in het land zelf, steeds meer onder vuur ligt. Een enkele denker heeft zelfs
                              opgeroepen tot een terugkeer van het wahhabisme naar het ‘ware’, tolerantere
                              salafisme. Hij beschouwt dit als een goede theoretische onderbouwing voor zijn
                              prodemocratisch activisme (Lacroix 2005).
                              De groeiende betekenis van electorale kanalen en processen en concepten als
                              democratie en mensenrechten blijkt ook uit het ontbreken van scherp gedefini-
                              eerde begrippen van sharia en de islamitische staat in de politieke arena. Leuzen
                              als ‘islam is de oplossing’, ‘de koran is onze grondwet’ en ook het streven naar
                              een islamitische staat naar Iraans model worden schaarser naarmate islamitische
</pre>

====================================================================== Einde pagina 101 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 102 ======================================================================

<pre>                                                   de ontwikkeling van islamitisch-politieke bewegingen
bewegingen programmatische politiek bedrijven. In plaats daarvan roepen ze
vaker op tot rechtvaardigheid, vrijheid, onafhankelijkheid, erkenning door de
staat van pluralisme en de sharia (zie hoofdstuk 4). De Egyptische Broederschap
bijvoorbeeld hanteert nu de leuze ‘respect voor de grondwet’, en de eens zo revo-
lutionaire Libanese Hizbullah pleit voor een politiek van openheid (infitah) en
integratie binnen de nationale staat (Perthes 2004a: 134; Alagha 2006). Boven-
dien verbinden steeds meer politieke activisten hun roep om sharia aan twee
belangrijke voorwaarden. De eerste betreft de noodzaak om het recht op inter-
pretatie van de islam (ijtihad) voor iedereen te erkennen, juist om wetgeving te
kunnen laten aansluiten bij de behoeftes van de moderne samenleving. De
tweede kwalificatie vloeit hieruit voort, namelijk dat ijtihad een erkenning impli-
ceert van feitelijke interpretatieverschillen over de plaats en positie van de islam
in de samenleving en dus ook van het recht op en de noodzaak van politiek debat
en overleg. Daarmee is tevens een rol weggelegd voor programmatische politiek
en representatieve parlementen in het wetgevingsproces (icg 2005a: 7).
Waar deze islamitisch-politieke partijen en bewegingen toegang krijgen tot het
bestel, zijn ze in de praktijk vaak geneigd een feitelijk onderscheid te erkennen
tussen politiek en religie als min of meer aparte domeinen binnen de moderne
staat. Illustratief zijn de ontwikkelingen in Iran. De vestiging van de Iraanse isla-                   101
mitische staat door een volksopstand tegen het autoritaire regime van de sjah
leidde tot een verdere van bovenaf opgelegde islamisering van de politieke arena,
het politieke discours en de Iraanse maatschappij. Dit proces heeft echter ook
geleid tot verdere druk om het politieke en religieuze domein van elkaar te schei-
den. Al onder Khomeini werd bepaald dat het staatsbelang in Iran boven dat van
de islam gaat, maar nu proberen zelfs gezaghebbende religieuze leiders de islam
te ‘redden’ uit de handen van de machthebbers (Roy 2004: 91). Tegelijkertijd is
voor groeiende delen van de bevolking de religie een persoonlijke zaak waarvan
ze menen dat de staat zich ver moet houden. Vooral jongeren, die meer dan vijftig
procent van de kiesgerechtigden uitmaken, zijn cynisch geworden over de van
staatswege opgelegde verstikkende ‘islamitische’ sociale normen en de repressie
en corruptie in naam van de theocratie. Iran kent dan ook een levendig debat over
democratie, mensenrechten en pluralisme, ondanks het islamitische vocabulaire
dat zelfs nauwelijks religieuze Iraniërs deels noodgedwongen hanteren en on-
danks de recente overwinning van de conservatieve politieke krachten. De intel-
lectuele en maatschappelijke debatten in Iran geven ook impulsen aan discussies
elders in de moslimwereld over de waarde van de autonomie van moskee en staat
als vrijwaring tegenover misbruik van de religie door de staat.
In de bij uitstek seculiere republiek Turkije is te zien hoe de islam het discours is
geworden van het verzet van de gemarginaliseerde periferie tegen de sterke,
centralistische staat. Deze ‘oppositie-islam’ van onderop vormt echter geen
gesloten front, maar valt mede door interne en externe economische veranderin-
gen uiteen in verschillende sociale bewegingen en groepen die via de islam eigen
identiteiten ontwikkelden. Dankzij de economische liberalisering van de jaren
tachtig ontstond bijvoorbeeld een nieuwe bourgeoisie die in een op de koran en
</pre>

====================================================================== Einde pagina 102 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 103 ======================================================================

<pre>    dy na miek in isla mi t isch ac t i visme
                              de hadith gefundeerde islam een nieuwe taal vond, gericht tegen het verlichtings-
                              fundamentalisme van de elite en ook tegen de ‘primitieve’ volkse islam van de
                              laagste klassen (Yavuz 2004: 273). De islamitische moderniteit van deze groepen
                              bracht ook een eigen ‘hoge cultuur’ voort op terreinen als muziek, mode, litera-
                              tuur en eten, die concurreert met andere islamitische culturen en identiteiten.
                              Op deze manieren vindt de integratie plaats van sommige religieuze groepen en
                              sociale klassen in de consumptiecultuur, marginalisatie van andere, en mede
                              daardoor ook een toenemende differentiatie van moslimculturen. Dergelijke
                              complexe processen voltrekken zich op veel plaatsen binnen de moslimwereld en
                              daarbuiten, waar moslims leven in een minderheidssituatie.
                              Zoals Yavuz laat zien, leiden processen van emancipatie en integratie tot een
                              vergaande objectivering en daarmee secularisering van religieuze identiteiten via
                              de massaproductie van islamitische goederen en symbolen, variërend van
                              modieuze hoofddoeken tot op de juiste wijze bereid voedsel, hotels en vakanties.
                              Door deze nieuwe ‘islamitische’ consumptiepatronen worden grote delen van de
                              moderne publieke ruimte opnieuw gedefinieerd, zoals de media, het onderwijs,
                              de markt en de mode. Studentes bijvoorbeeld kunnen dankzij een ultramodieuze
                              hoofddoek deelnemen aan de publieke ruimte zonder hun religieuze identiteit te
102                           hoeven ontkennen. De hoofddoek, die voor Kemalisten symbool stond voor een
                              achterlijke, volkse identiteit, hebben ze opgewaardeerd tot een symbool van
                              nieuwe chique, sociale mobiliteit, emancipatie en individualiteit. De seculiere
                              elite in Turkije interpreteert het kledingstuk echter als een provocerende uiting
                              van islamitische radicaliteit en ongewenste islamisering (Yavuz 2004: 280-281).
                              In veel landen waar islamitisch-politieke partijen intussen toegang hebben gekre-
                              gen tot het electorale proces en dankzij hun maatschappelijke wortels en vereni-
                              gingen voeling houden met de bevolking, blijken ze een leerproces door te maken
                              waarin ze ook hun achterban kunnen ‘meenemen’. Ze doen ervaring op met
                              geleidelijke, stapsgewijze politieke liberalisering, het omgaan met politieke in-
                              stituties, het sluiten van politieke compromissen en allianties binnen een plura-
                              listische omgeving en het formuleren van concrete politieke programma’s die
                              aansluiten bij brede lagen van het electoraat. Daarmee nemen ze meer afstand
                              van fundamentalistische dogma’s of ongedefinieerde vormen van ‘oppositie-
                              islam’ die vooral radicalen aanspreken. Bovendien kennen ze uit ervaring de les-
                              sen en principes van electorale concurrentie; ze weten dat islamitisch-politieke
                              partijen net als andere worden afgerekend op hun prestaties. In de meeste landen
                              liggen die prestaties niet op het terrein van de islam, maar op concrete opgaven
                              als bestrijding van de werkloosheid, corruptie, rechteloosheid en willekeur van
                              het regime. Kortom, er liggen naast bedreigingen in een aantal moslimlanden ook
                              kansen voor verdere politieke institutionalisering, geleidelijke politieke liberali-
                              sering en versterking van de mensenrechten. Hoofdstuk 5 onderzoekt of en hoe
                              Nederlands en Europees beleid deze processen kan ondersteunen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 103 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 104 ======================================================================

<pre>                                                      de ontwikkeling van islamitisch-politieke bewegingen
3.6 conclusie
    Islamitisch-politieke bewegingen behoren in veel delen van de moslimwereld al
    geruime tijd tot de belangrijkste mobiliserende kracht. ‘Het’ politiek activisme
    blijkt niet te bestaan; activistische politieke bewegingen zijn er in tal van gedaan-
    tes, coalities en contexten, en vormen een voertuig voor ontelbare aspiraties.
    Het primaire politieke speelveld van deze bewegingen kan de nationale staat zijn,
    maar ook de internationale of transnationale politiek; hun oriëntatie kan pan-
    islamitisch, antiwesters of antishiietisch zijn. Binnenlandpolitiek gerichte bewe-
    gingen hebben talloze uiteenlopende doelstellingen, zoals het invoeren van een
    islamitische staat en grondwet, het tegengaan van westerse inmenging in de
    nationale of regionale politiek, het verspreiden van het geloof en het verschaffen
    van sociale voorzieningen, het bestrijden van corruptie en ontmaskeren van
    falend overheidsbeleid, het verbeteren van de mensenrechten en de positie van
    vrouwen en het verheffen van de religieuze opkomende middenklasse. Daarnaast
    veranderen deze bewegingen vaak van strategie en tactiek, terwijl ze ook meer-
    dere tactieken tegelijkertijd hanteren.
    De islamitisch activisten die na 1970 de macht grepen in Soedan, Afghanistan en
    Iran, streefden allen naar het op islamitische leest stoelen van staat en maatschap-                   103
    pij. Ze bleven over het algemeen echter steken in oppervlakkige, conservatieve
    islamisering: het met straffe hand opleggen van sterk antimoderne, als islamitisch
    benoemde vocabulaires, gedragsregels en voorschriften (Bayat 1997). Dat geldt
    vooral voor Afghanistan onder de Taliban, waar het regime letterlijke interpre-
    taties van de koran verbond aan traditionele tribale codes. Iran vormt een uitzon-
    dering op de vlucht naar het verre islamitische verleden, want dat land heeft
    als geen ander geëxperimenteerd met nieuwe vormen van politiek, bestuur en
    rechtspraak op islamitische grondslag. Het is hoopgevend dat juist in deze
    islamitische theocratie onder grote delen van de middenklasse steun is te vinden
    voor een uiterst pragmatische, feitelijke secularisering van de Iraanse politiek en
    het religieuze en maatschappelijke leven. Op langere termijn biedt dit kansen om
    islamitische principes te verbinden met democratische politiek en verbetering
    van de mensenrechten.
    In veel overige delen van de moslimwereld heeft de agenda van islamitische acti-
    visten geleid tot een herdefiniëring van de staat, de maatschappij en de publieke
    ruimte in ‘islamitische’ termen. Dat gebeurde soms direct, doordat islamitische
    bewegingen, organisaties en partijen via de politieke en maatschappelijke arena
    hun politieke agenda konden verwezenlijken. Veel vaker nog gebeurde het indi-
    rect, doordat de zittende regimes via een beleid van islamisering trachtten opko-
    mende religieus geïnspireerde groeperingen de wind uit de zeilen te nemen.
    Tegelijkertijd probeerden ze deze groepen uit elkaar te spelen om te voorkomen
    dat zich brede hervormingsgezinde coalities konden vormen. Dat uitte zich in
    een verscherpte controle op de geloofsbeoefening en het religieuze onderwijs,
    het gebruiken van islamitische religieuze symbolen en het overnemen van de
    agenda van reactionaire islamitisch-politieke bewegingen op het gebied van de
</pre>

====================================================================== Einde pagina 104 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 105 ======================================================================

<pre>    dy na miek in isla mi t isch ac t i visme
                              positie van vrouwen, de rechtspraak en de zeden. Het zijn juist deze van bovenaf,
                              door sterk autoritaire regimes opgelegde islamiseringsprocessen die weinig
                              correctiemechanismen kennen vanuit de politiek en de maatschappij. Ze lopen
                              het risico vooral de meest conservatieve fundamentalistische agenda’s te bedie-
                              nen, en de meer vooruitstrevende, mede op politieke liberalisering en goed
                              bestuur gerichte islamitisch-politieke bewegingen uit te schakelen.
                              De toenemende aanwezigheid van op het nationale politieke bestel georiënteerde
                              activistische bewegingen biedt echter ook kansen voor democratisering en verbe-
                              tering van de mensenrechten. Veel revolutionaire activisten van het eerste uur
                              hebben in de jaren negentig gekozen voor een evolutionaire, constructieve poli-
                              tieke agenda binnen de constitutionele grenzen van de nationale staat. In plaats
                              van het streven om desnoods met geweld de seculiere nationale staat te vervan-
                              gen door een (umma-brede) islamitische staat, ambiëren ze participatie in het
                              politieke bestel en deelname aan verkiezingen als reguliere politieke partij. Net als
                              andere bewegingen staan ze bloot aan uiteenlopende transnationale en mondiale
                              krachten, zoals internationale media, bedrijven en ngo’s, mondiaal opererende
                              terroristische netwerken en geldstromen vanuit Saoedi-Arabië. En uiteraard laten
                              ze hun politiek gedachtegoed, discours, strategieën en agenda mede bepalen door
104                           voor moslims belangrijke internationale vraagstukken zoals de oorlog in Irak en
                              het Israëlisch-Palestijns probleem. Maar opvallend is toch dat vele zich steeds
                              meer laten leiden door de vraag naar economische ontwikkeling, politieke
                              hervorming, goed bestuur en culturele en maatschappelijke emancipatie in de
                              eigen politieke arena. Daar waar deze ontwikkelingen concrete bijdragen leveren
                              aan democratisering en verbetering van de mensenrechten, verdienen ze onder-
                              steuning vanuit Nederland en Europa.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 105 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 106 ======================================================================

<pre>                                                       de ontwikkeling van islamitisch-politieke bewegingen
noten
1    De Afghaanse politiek en geestelijk leider van de Hizb-i Islami, Hikmatyar,
     bijvoorbeeld, eiste onvoorwaardelijke loyaliteit van zijn achterban en het exclu-
     sieve recht op religieuze interpretatie (ijtihad). Daarmee plaatste hij zichzelf dus
     ook in religieus opzicht boven de autoriteit van de ulama.
2    Voorbeelden van dergelijke bewegingen zijn de fundamentalistische bewegingen
     Tabligh Jama’at en de Nur. De eerste is in 1927 in India ontstaan als onderdeel van
     een bredere beweging die groepen leken liet rondreizen om medemoslims de
     essentiële waarden en geloofsregels bij te brengen. De belangrijkste ceremoniële
     gebeurtenis in het kalenderjaar van de Tablighi is de zogenoemde Raiwind, de
     jaarlijkse massabijeenkomst van meer dan een miljoen moslims in Pakistan.
     Buiten Pakistan ontwikkelde de Tablighi een uitgebreid mondiaal netwerk van
     zusterorganisaties in onder meer de vs, Canada, het vk en Nederland. Hoewel de
     Tablighi expliciet apolitiek is, vormde de beweging voor sommige jongeren een
     opstap naar (soms gewelddadige) islamitische politieke organisaties. De Nur-
     beweging uit 1926 van Said Nursi en zijn opvolger, de neo-Nur-beweging van de
     Turk Fetullah Gülen behoort eveneens tot de grootste moslimbewegingen ter
     wereld. De beweging houdt zich zorgvuldig buiten de politieke arena, beschouwt                         105
     onderwijs en kennis als de belangrijkste manieren om tot religieus inzicht te
     komen en richt zich met name op het oprichten van scholen binnen en buiten
     Turkije, vooral in Centraal-Azië. Tegelijkertijd staat haar voorman Gülen bekend
     als fel anticommunist. Hij bekritiseerde in het verleden de Turkse islamitische
     Refah-partij en gaf regelmatig stemadvies. Vanaf de jaren zestig slaagde de Nur
     erin een belangrijkere rol te spelen in het ideologisch en politiek mobiliseren
     van delen van de nieuwe Turkse middenklasse en de Anatolische middenstanders
     die hun eigen versie van moderniteit ontdekten (Yavuz 2003).
3    Deze Raad van Hoeders wordt voor de ene helft gekozen door het parlement (op
     voordracht van het door de Opperste Leider benoemde hoofd van de rechterlijke
     macht), en voor de andere benoemd uit de rangen van de geestelijke elite
     (fuqaha).
4    Pakistan, Saoedi-Arabië en de Verenigde Arabische Emiraten gingen in 1997 over
     tot officiële erkenning van het regime van de Taliban. Die laatste twee landen
     trokken hun steun echter weer in na de aanslagen door Al-Qaeda van 11 septem-
     ber 2001. Het regime slaagde er niet in de Afghaanse zetel in de vn en de oic te
     herbezetten.
5    Artikel 47, hoofdstuk 10 bepaalt bovendien: “The provisions of adherence to the
     fundamentals of the sacred religion of Islam and the regime of the Islamic Repu-
     blic cannot be amended.” (International Constitutional Law: Afghanistan z.d.).
6    Tegelijkertijd zijn er geen grenzen gesteld aan de etnische, religieuze of culturele
     samenstelling van het parlement (zie art. 83).
7    De eerste rel rondom artikel 3 ontstond in januari 2005 toen de Afghaanse
     staatstelevisie oude beelden liet zien van een eens geliefde Afghaanse zangeres.
     Het was de eerste keer sinds de verovering van Kaboel door het Talibanregime dat
     een zangeres weer op het scherm verscheen. Conservatieven riepen dat dit in
</pre>

====================================================================== Einde pagina 106 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 107 ======================================================================

<pre>    dy na miek in isla mi t isch ac t i visme
                              strijd was met de islamitische code en de grondwet, een claim die werd over-
                              genomen door de vice-minister van Justitie, maar werd bestreden door de
                              minister van Informatie en Cultuur, die wees op de grondwettelijke gelijkheid
                              van mannen en vrouwen. President Karzai stuurde aan op een compromis met
                              zijn uitspraak dat de Afghaanse radio en televisie al ruim zestig jaar zangeressen
                              toeliet, maar dat alle partijen nu eenmaal “moeten werken in de context van het
                              huidige culturele en sociale klimaat en in overeenstemming daarmee moeten
                              handelen” (Tarzi 2004).
                 8            Tussen 1976 en 1986 steeg de beroepsbevolking in Egypte jaarlijks met 2,2 pro-
                              cent en het aantal afgestudeerden met 7,4 procent. Voor net afgestudeerden steeg
                              de gemiddelde wachttijd voor een overheidsbaan van drie naar tien jaar in de
                              periode 1979-1985 (Rosefsky Wickham 2002).
                 9            Tekenend is de uitspraak van een oudere partijleider van de linkse National
                              Progressive Union Party, de npup: “All the political parties are isolated from the
                              people. We are like boats floating on a river. Some of us trail longer anchors than
                              others, but we are all floating on the surface, even the Islamic associations. The
                              overwhelming majority of the citizens are simply not politicized.” (Geciteerd in:
                              Rosefsky Wickham 2002: 69.)
                 10           Zumurs partijkrant concludeerde dan ook: “All the peacefulness and gradualism
106                           upheld by the [Muslim] Brothers during their political struggle, and their work
                              through the regime’s legitimate, legal [channels] did not save them from being
                              handcuffed, tried in front of military courts, and dragged to prison. All the while
                              their preachers declare that they will not be provoked and will not attempt
                              confrontation” (Hafez 2003: 55).
                 11           Het fis behaalde ruim 47 procent van de stemmen (ofwel 188 zetels) in de eerste
                              ronde van de verkiezingen van 1991. Om een absolute meerderheid te behalen in
                              het parlement, zou het in de tweede ronde nog maar 28 zetels hoeven te behalen
                              (al-Sayyid 2004: 13).
                 12           Tijdens een opstand in 1982 bijvoorbeeld werden binnen een week zelfs tussen
                              15.000 en 25.000 Syriërs doodgeschoten in gevechten met het leger.
                 13           Volgens schattingen heeft Saoedi-Arabië alleen al 3,5 miljard dollar doorgesluisd
                              naar het Pakistaanse leger ter bewapening en verdere ondersteuning van sunniti-
                              sche groeperingen aan de grens tussen Pakistan en Afghanistan (icg 2005d: 12).
                 14           In Mernissi’s woorden: “Others feel their interests to be terribly threatened by
                              that dimuqratiyya. This is apparently the situation of all those excluded from the
                              good things mentioned above. Can it be that the most dispossessed in our socie-
                              ties cling to Islam because they fear being forgotten by their own people, who
                              have found another identity and are involved in other networks, especially those
                              very strong ones that create profit on an international scale?” (Geciteerd in:
                              Noyon 2003: 43.)
                 15           Olivier Roy maakt in zijn schets van het 21ste-eeuws islamitisch activisme een
                              onderscheid tussen islamisme, neofundamentalisme en jihadisme. De Interna-
                              tional Crisis Group hanteert voor de hedendaagse sunnitische stromingen een
                              driedeling van politieke islamisme, zendingsactivisme en jihadisme, terwijl een
                              auteur als Graham Fuller de termen politieke islam en islamisme als inwisselbare
                              begrippen gebruikt. In Fullers defintie gaat het om het brede spectrum van bewe-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 107 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 108 ======================================================================

<pre>                                                   de ontwikkeling van islamitisch-politieke bewegingen
   gingen die ervan uitgaan dat de islam een belangrijke boodschap heeft over de
   inrichting van de hedendaagse politiek en maatschappij, en die dit uitgangspunt
   op een of andere wijze ten uitvoer willen brengen. Daarbinnen maakt hij weer
   een onderscheid tussen traditionalisme, fundamentalisme en reformisme (Fuller
   2003: xi en 47-49). Al deze auteurs onderkennen echter ook de betrekkelijkheid
   van deze labels; daarvoor gaan de veranderingen in de moslimwereld te snel, is de
   (nationale) diversiteit van bewegingen eenvoudigweg te groot en ook de grens
   tussen nationale en transnationale oriëntaties steeds poreuzer aan het worden.
16 Ruim zeventig procent van de slachtoffers van het sektarisch geweld sinds 1985 is
   shiiet. Zie icg 2003b.
                                                                                                        107
</pre>

====================================================================== Einde pagina 108 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 109 ======================================================================

<pre>    dy na miek in isla mi t isch ac t i visme
108
</pre>

====================================================================== Einde pagina 109 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 110 ======================================================================

<pre>                                                               de ontwikkeling van recht en rechtsstelsels
4   de ontwikkeling van recht en rechts-
    stelsels
4.1 inleiding
    Dit hoofdstuk beziet de ontwikkeling van het recht en de rechtsstelsels die in
    moslimlanden in de afgelopen decennia onder invloed van het islamitisch acti-
    visme heeft plaatsgevonden. Belangrijke vraag hierbij betreft de relatie tussen de
    islamisering van het recht en het concept van mensenrechten en de mogelijke
    toenadering tussen beide.
    Misschien is wel het meest centrale oogmerk van op islamisering gerichte bewegin-
    gen in moslimlanden om de islamitische wet, de sharia, in het recht in te voeren.
    De islam is een religie die zich in haar ontwikkeling sterk is gaan richten op het
    juiste leven, dat wil zeggen op de uit het geloof voortvloeiende gedragsverplichtin-
    gen van de individuele gelovige jegens God en de geloofsgemeenschap (Platti
    2004). Voor veel moslims vallen ‘islam’ en ‘sharia’ dan ook vrijwel samen (Kadhim
    2003). Dit betekent ook dat moslims ‘recht’ ruimer zien dan men in de westerse
    rechts-traditie gewend is ‘recht’ te zien. Weliswaar wordt de staat in veel moslim-                    109
    landen een belangrijke rol toegekend bij het via het recht ondersteunen van het
    individu bij het realiseren van diens geloofsplichten, maar de relevantie van de
    sharia gaat verder. Pleidooien voor eerherstel van de sharia kunnen derhalve be-
    trekking hebben op het nationale recht, maar ook op gedragsnormen buiten de
    statelijke sfeer, bijvoorbeeld in informele sociale en culturele verbanden. In dit
    hoofdstuk gaat het echter – conform de probleemstelling van dit rapport – primair
    om het nationale recht, zij het dat niet voorbij wordt gegaan aan de competitie
    tussen statelijke en religieuze gezagsdragers over de zeggenschap over dat recht.
    Door velen in het Westen en ook in moslimlanden zelf wordt een ontwikkeling
    naar islamisering van het recht met grote argwaan gevolgd. Naast de jihad – in de
    betekenis van gewapende strijd – staat voor hen juist deze sharia centraal in de
    confrontatie tussen het Westen en de moslimwereld. Op islamisering gerichte
    bewegingen zouden immers bij uitstek het in moslimlanden eertijds aan het
    Westen ontleende seculiere recht willen vervangen door de sharia of hierop
    gebaseerde wetgeving. ‘De sharia’ is derhalve een uiterst beladen begrip, dat in
    de ogen van menigeen veel van de aan ‘de’ islam toegeschreven negatieve eigen-
    schappen in zich verenigt, zoals afwijzing van de scheiding tussen geloofsge-
    meenschap en staat, afwijzing van universele mensenrechten, herstel of hand-
    having van archaïsche verhoudingen tussen mannen en vrouwen en toepassing
    van draconische straffen, zoals steniging en amputatie van lichaamsdelen. De
    ervaring met de rechtstoepassing in Saoedi-Arabië, Iran en – gedurende het Tali-
    banbewind – in Afghanistan, landen die afkondigden de sharia daadwerkelijk in
    te voeren, geven uiteraard ook weinig reden voor relativering van de verschillen
    tussen dit en het in het Westen vigerend recht. Hier komt bij dat het streven naar
    het tot gelding brengen van de sharia niet beperkt is tot moslimlanden. Ook in
</pre>

====================================================================== Einde pagina 110 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 111 ======================================================================

<pre>    dy na miek in isla mi t isch ac t i visme
                              westerse landen geven moslims of islamitische bewegingen soms aan dat voor
                              hen maar één wet geldt, namelijk die van God, of wordt invoering van elementen
                              van de sharia in het geldend recht en/of het rechtsstelsel voorgestaan, zoals be-
                              pleit in Canada en Groot-Brittannië. Dit voedt denkbeelden dat moslims ook de
                              in het Westen bestaande rechtsstaat afwijzen en zouden willen vervangen door
                              de sharia. De vraag is daarom van belang wat de sharia in theorie en de praktijk
                              behelst, hoe beide zich verhouden tot westers recht, en of de westerse percepties
                              en angsten gerechtvaardigd zijn.
                              De opkomst van op islamisering gerichte bewegingen vormt niet de enige factor
                              die de rechtsontwikkeling van moslimlanden in de afgelopen decennia heeft
                              beïnvloed. In dezelfde periode als het islamitisch activisme kreeg ook de belang-
                              stelling voor mensenrechten nieuwe impulsen en zijn tal van multilaterale
                              instituties en (trans)nationale non-gouvernementele bewegingen opgericht die
                              druk uitoefenen op regeringen van moslimstaten zich hieraan te conformeren
                              en die toezicht houden op de naleving ervan. In veel moslimlanden staan recht
                              en rechtsstelsel, die in de eerste plaats ook een eigen dynamiek kennen, derhalve
                              bloot aan krachten van binnenuit en van buitenaf. En evengoed als het islamitisch
                              activisme in moslimlanden internationaal gevoed wordt, heeft de internationale
110                           druk zich te houden aan mensenrechten in moslimlanden weerklank gevonden
                              bij vele nationale en lokale mensenrechtenbewegingen.
                              Tegen de achtergrond van dit nationale en internationale krachtenveld onder-
                              zoekt paragraaf 4.2 de reikwijdte van de islamisering van het recht die in de afge-
                              lopen decennia in moslimlanden heeft plaatsgevonden. Het zal blijken dat deze
                              reikwijdte beperkt is en, naast constitutionele aspecten, vooral betrekking heeft
                              op het strafrecht. Het familierecht is in veel moslimlanden al van oudsher geba-
                              seerd op de sharia. Bij beide onderwerpen bestaan er belangrijke conflictgebieden
                              met de universele mensenrechten. Paragraaf 4.3 gaat in op het thema ‘islamiti-
                              sche’ en ‘universele’ mensenrechten en de dynamiek die kan worden geconsta-
                              teerd. Paragraaf 4.4 poogt de geconstateerde rechtsdynamiek in moslimlanden
                              te karakteriseren en te interpreteren. Ten slotte worden in paragraaf 4.5 enkele
                              conclusies getrokken.
                              Het hoofdstuk baseert zich in belangrijke mate op een rechtsvergelijkend onder-
                              zoek dat door het Van Vollenhoven Instituut van de Universiteit van Leiden voor
                              dit rapport is verricht; waar van andere bronnen gebruik is gemaakt, wordt daar-
                              naar verwezen. Dit onderzoek analyseert de rechtsontwikkeling in twaalf mos-
                              limlanden, dat wil zeggen landen waarvan de meerderheid bestaat uit moslims.
                              Alle kernlanden zijn vertegenwoordigd en de selectie strekt zich bovendien uit
                              over de belangrijke regio’s. Het gaat om Egypte, Marokko, Soedan, Nigeria, Mali,
                              Turkije, Pakistan, Afghanistan, Iran, Saoedi-Arabië, Indonesië en Maleisië. In
                              de publicaties van dit onderzoek wordt ook uitgebreid ingegaan op theoretische
                              en terminologische kwesties die van belang zijn voor de rechtsvergelijking (Otto
                              2006; Berger 2006; Otto et al. 2006). Deze drie publicaties zijn tegelijk met dit
                              rapport uitgegeven.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 111 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 112 ======================================================================

<pre>                                                                de ontwikkeling van recht en rechtsstelsels
4.2   recente isl amisering van recht en rechtsstelsels
4.2.1 betekenissen van ‘sharia’
      Alvorens in te gaan op de aard van de islamisering dient duidelijkheid te worden
      verschaft over het in relatie tot recht zo vaak gehanteerde begrip ‘sharia’. In
      hoeverre is bij de sharia sprake van een eenduidig begrip, dat slaat op een vast-
      staande verzameling voorschriften die voor alle moslims gelden? Ondanks de
      vaak zo vanzelfsprekende verwijzingen naar ‘de’ sharia kent dit begrip zeer
      verschillende betekenissen, die juist voor een beoordeling van de aard en reik-
      wijdte van de islamisering van het recht van groot belang zijn. Een onderscheid
      kan namelijk worden gemaakt tussen de sharia als ideaal, als klassiek rechtsstel-
      sel, als huidige interpretatie daarvan (Otto 2006; Berger 2006) en als ‘geleefde’
      rechtspraktijk.
      De sharia als ideaal duidt op het religieuze en metafysische beginsel van een
      goddelijk plan voor mens en maatschappij. In deze zin heeft het begrip een sterk
      motiverende en mobiliserende betekenis, bijvoorbeeld als pleidooi voor een
      grotere rechtvaardigheid of tegen corruptie, maar zegt het nog weinig over de
      concrete rechtsregels die daartoe moeten dienen.                                                      111
      Als klassiek rechtsstelsel slaat de sharia op het corpus van door rechtsgeleerden
      en theologen ontwikkelde rechtsregels dat is vastgelegd in de zogenoemde fiqh.
      De belangrijkste geschreven bronnen van de sharia zijn de koran en de sunna (de
      opgetekende handelingen van de Profeet). In deze bronnen zijn zelf maar weinig
      als rechtsregels te interpreteren uitspraken te vinden; voorzover dat het geval is,
      betreft het vooral familie- en erfrecht en regels over een beperkt aantal delicten.
      Via verschillende technieken zijn hieruit in de fiqh concrete voorschriften afge-
      leid voor deze en andere rechtsgebieden. Hierbij deden zich belangrijke interpre-
      tatieverschillen voor, onder andere tussen shiieten en sunnieten en tussen
      rechtsscholen. De concrete verschillen hangen ook samen met de enorme geo-
      grafische verbreiding van de islam, waardoor gewoonterechtelijke gebruiken en
      vorstenrecht in verschillende gebieden in de fiqh zijn opgenomen. De sharia in
      deze zin incorporeerde dus ook veel gedragsregels die oorspronkelijk niet isla-
      mitisch waren. De sunnitische wereld kent, naast vele kleinere, vier grote rechts-
      scholen, die onderling vooral verschillen in de wijze van toepassing van de
      rechtsregels. De hanafietische school is de meest liberale van de vier en benadrukt
      systematische consistentie en consensus onder erkende juristen. Redelijk inzicht
      speelt een grote rol; deze rechtsschool is het minst puriteins van de vier en ook
      het meest verbreid. Ze geldt vooral in het voormalige Osmaanse rijk, en Pakistan,
      India en China. De malikietische rechtsschool benadrukt vooral de koran en de
      sunna als bronnen van het recht en kan als traditionalistisch en conservatief
      worden beschouwd. Ze geldt vooral in Noord- en West-Afrika. De sjafiietische
      rechtsschool staat tussen beide in en komt vooral voor in Egypte, Jordanië, Oost-
      Afrika, Sri Lanka, Maleisië en Indonesië. De hanbalietische rechtsschool is
      ontstaan als een legalistische en conservatieve afsplitsing van de malikietische
</pre>

====================================================================== Einde pagina 112 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 113 ======================================================================

<pre>    dy na miek in isla mi t isch ac t i visme
                              school. Ze stelt dat de sharia alleen gebaseerd kan worden op de letterlijke tekst
                              van de koran en de sunna. Deze zeer puriteinse school komt vooral op het
                              Arabisch schiereiland voor; hieruit is later ook weer het in Saoedi-Arabië
                              geldende wahhabisme voortgekomen (Berger 2006: 21-25). Binnen ieder van de
                              rechtsscholen bestaan weer verschillen tussen meer orthodox-klassieke en meer
                              liberale of moderne interpretaties. Het gebied waar over de rechtsregels zelf
                              eenstemmigheid bestaat, is vergeleken met de hedendaagse nationale rechtsstel-
                              sels in moslimlanden dus zeer klein.
                              Vanwege het casuïstische karakter wordt de fiqh wel vergeleken met de Angel-
                              saksische jurisprudentie. Maar er zijn ook grote verschillen: de Angelsaksische
                              jurisprudentie is ontwikkeld door praktijkjuristen en is gebaseerd op de rechts-
                              praktijk, terwijl de fiqh is ontwikkeld door schriftgeleerden en in aanzienlijke
                              mate een theoretisch karakter heeft.
                              In de orthodoxie werd de fiqh vrij snel, namelijk na twee eeuwen, voltooid
                              geacht, en niet zozeer als menselijke uitwerking van de Goddelijke Wet gezien
                              maar als die Wet zelf. De uitleg kreeg hierdoor een status van onfeilbaarheid en
                              onveranderlijkheid, geldig voor iedere plaats en tijd. Omdat de rechtsontwikke-
112                           ling voltooid werd geacht, werd vanaf de tiende eeuw de legitieme interpretatie-
                              vrijheid – de ijtihad – aan de geleerden en de gelovigen ontnomen. Hierdoor werd
                              de weg naar modernisering afgesloten en is dat rechtsstelsel lange tijd gefossili-
                              seerd. Pas vanaf de negentiende eeuw werd opnieuw de ijtihad toegepast, hoewel
                              de toelaatbaarheid daarvan zeer controversieel was. Ook in de huidige tijd vinden
                              overal nieuwe interpretaties plaats, hetgeen vaak scherpe oppositie – zij het lang
                              niet altijd op dezelfde grond – ontmoet van de orthodoxe ulama en radicale isla-
                              mitische bewegingen (Berger 2006). Zo is in Marokko in 2004 door het parle-
                              ment een nieuwe gezinswet, de Muddawana, aangenomen waarbij de voorstan-
                              ders van wijziging hun positie rechtvaardigden door steeds te verwijzen naar de
                              ijtihad. Met een beroep op het feit dat hij als ‘vorst der gelovigen’ het hoogste
                              gezag vertegenwoordigt in het recht op ijtihad speelde de koning tegen alle verzet
                              in een doorslaggevende rol bij de totstandkoming en uiteindelijke acceptatie van
                              de wet. Het resultaat is een ingrijpende breuk met het patriarchale gezinsmodel;
                              voortaan zijn man en vrouw samen verantwoordelijk voor het gezin, in plaats
                              van voorheen alleen de man (Buskens in Otto et al. 2006). Volledige toepassing
                              van de klassieke fiqh bestaat overigens nergens meer, zelfs niet in Saoedi-Arabië.
                              Terwijl volgens de klassieke sharia slavernij is toegestaan, is deze in dit land in
                              de jaren zestig verboden. Zoals zal blijken, bestaan er ondanks de recente islami-
                              sering van bepaalde rechtsgebieden en ook op kerngebieden die in de meeste
                              moslimlanden altijd al door de sharia zijn bepaald, van land tot land grote ver-
                              schillen.
                              Naast het principe van ijtihad is ook dat van siyasa een belangrijke opening naar
                              modernisering van het recht. De klassieke sharia kent aan de heerser een eigen
                              beleidsvrijheid (siyasa) toe om alles te regelen wat nodig is om Gods plan ten
                              uitvoer te brengen, mits niet strijdig met de sharia. Dit recht impliceerde in de
</pre>

====================================================================== Einde pagina 113 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 114 ======================================================================

<pre>                                                          de ontwikkeling van recht en rechtsstelsels
islamitische rijken de facto altijd al een zekere scheiding tussen religieuze en
wereldlijke macht. Zo vormde de Osmaanse staat van oudsher in de praktijk al
een seculier bestuursapparaat, ver voordat in de negentiende eeuw de hervor-
mingen naar Europees voorbeeld begonnen (wrr 2004: 43). Dat ‘vrije’ domein is
met de opkomst van de moderne staat vanzelfsprekend vrijwel overal sterk
toegenomen. De formele eis dat het in dit domein ontwikkelde recht niet strijdig
is met de sharia roept meestal geen probleem op, zodat het nationale recht in
moslimlanden dikwijls nauw kan aansluiten op het recht in andere delen van de
wereld, zoals bij de Common Law of de Civil Law stelsels.
De vierde betekenis van de sharia heeft betrekking op het geleefde recht. De
sharia is godsdienstig recht en betreft derhalve geloofsvoorschriften. Ook waar
dit zijn neerslag vindt in formeel, nationaal recht, kan de individuele gelovige of
een islamitische beweging voor na te leven leefregels eigen interpretaties menen
te mogen hanteren in aanvulling op of juist in afwijking van het geldende formele
recht. In veel moslimlanden heeft de staat de strijd om het rechtsmonopolie
vooralsnog niet op alle terreinen gewonnen. Dit geldt niet alleen in staten met
grote etnische verdeeldheid of daarmee correlerende religieuze verschillen. In
verschillende moslimlanden, zoals Pakistan en zelfs Egypte, hebben islamitische
bewegingen soms stadswijken kunnen ‘kapen’ waar ze hun versie van de sharia                           113
hebben afgekondigd en handhaven (Roy 2004). Ook kunnen bepaalde in de wet
verboden gewoonterechtelijke gebruiken door gelovigen toch als ‘islamitisch’
worden aangemerkt of als conform hun interpretatie van de sharia. Dit geldt ook
waar het gewoonten betreft die in sommige gebieden evenzeer door aanhangers
van andere religies worden nageleefd, zoals vrouwenbesnijdenis. Zeker in ver
van het bestuurscentrum verwijderde gebieden van een land die nauwelijks door
de staat worden gecontroleerd, heerst een mengsel van ongeschreven islamitisch
recht met gewoonterecht. Dit geldt ook waar sprake is van een ingestort of nog
slecht functionerend staatsapparaat, zoals momenteel in Afghanistan en Irak.
De informele vormen van recht waar men op terugvalt, worden dan vaak uitge-
oefend door personen die nog over gezag of macht beschikken, en dat zijn vaak
religieuze functionarissen en lokale krijgsheren (uk Home Office 2004).
Omdat het in dit rapport gaat om de relatie tussen islam en het nationale recht,
slaat islamisering van het recht hier op de eerste drie betekenissen van de sharia.
De verschillen ertussen, alsook de grote interpretatieverschillen die bij ieder
ervan bestaan, geven aan dat – anders dan vaak wordt gedacht – de sharia geen
eenduidig stelsel van rechts- en gedragsregels is. Gezien de grote verschillen is
het eigenlijk misplaatst te spreken van ‘de’ sharia. Het is op voorhand helemaal
niet duidelijk wat bedoeld wordt met pleidooien voor invoering van de sharia, of
wat de strekking is van verwijzingen in rechtsstelsels naar de sharia. Dergelijke
pleidooien of verwijzingen betekenen lang niet voor iedereen dat teruggekeerd
moet worden naar orthodoxe gedragsvoorschriften. Het islamitisch activisme
van de afgelopen decennia moet mede worden gezien als een reactie op het klak-
keloos volgen van traditionele gedragsregels. Wanneer opneming van de sharia
in het nationale recht wordt bepleit, kan dit zowel betrekking hebben op puri-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 114 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 115 ======================================================================

<pre>    dy na miek in isla mi t isch ac t i visme
                              teinse als op modernistische interpretaties. Wel geldt dat voor de vrome moslim
                              aan het begrip sharia als zodanig een sacrale en positieve connotatie is verbon-
                              den. De koran, als belangrijkste fundament van de sharia, wordt door de meeste
                              moslims gezien als het Woord Gods. De van deze sacrale aard afgeleide posi-
                              tieve connotatie van de sharia – de eerste betekenis – ligt dicht in de buurt van
                              ‘sociale rechtvaardigheid’; dit is te vergelijken met de positieve gevoelswaarde
                              die voor de meeste westerlingen is verbonden met ‘vrijheid, gelijkheid en broe-
                              derschap’. Maar net als met deze waardetrits is met verwijzing naar ‘de’ sharia
                              nog niet erg veel gezegd over de eruit voortvloeiende concrete wettelijke rechten
                              en plichten.
                 4.2.2        isl amisering van het recht in mosliml anden
                              De huidige roep in moslimlanden om het recht te islamiseren, is vooral opgeko-
                              men vanaf de jaren zeventig. Er waren altijd wel bewegingen die dit voorstonden,
                              maar in veel moslimlanden ging het bij de regerende elites in de hieraan vooraf-
                              gaande decennia primair om nationalisme en modernisering. Niet alleen in de
                              gekolonialiseerde landen maar ook in landen zonder koloniale geschiedenis, zoals
                              Turkije, Iran en Afghanistan, was op veel gebieden aan het Westen ontleend recht
114                           ingevoerd. In beide categorieën landen werd vanaf de jaren twintig vaak met
                              harde hand gestreefd naar nationale eenheid en modernisering, vaak ook socia-
                              listisch gekleurd, en bestond weinig aandacht voor religie of werd de publieke
                              invloed hiervan juist sterk teruggebracht, zoals in Turkije en Iran. De opkomende
                              roep om islamisering van het recht vloeide onder andere voort uit deze gefor-
                              ceerde modernisering, en marginalisering van de islam en zijn gezagsdragers, de
                              schriftgeleerden. Het verbale verzet richtte zich tegen de tekortschietende autori-
                              taire regimes en hun programma’s van modernisering, maar had ook een sterk
                              antiwesterse inhoud vanwege westerse steun aan en invloed op deze regimes,
                              hun moderniseringsstreven naar westers model en de in de koloniale tijd doorge-
                              voerde verwestersing.
                              Het willen invoeren van de sharia is derhalve in veel gevallen te zien als een stre-
                              ven naar het hertstel van de verbinding met het eigen erfgoed, van ‘islam is the
                              problem’ naar ‘islam is the solution’. Toch blijkt dit geen discontinuïteit over de
                              hele linie of integrale herinvoering van de vroegere rechtssystemen te impliceren.
                              Zo is het systeem van natiestaten dat uit beide wereldoorlogen en onafhankelijk-
                              heidsoorlogen tevoorschijn kwam, onaangetast gebleven. Als staatkundig
                              relevant begrip heeft de koranische eenheid van de gehele geloofsgemeenschap
                              – de umma – het afgelegd tegen de natiestaat (An Na’im 1990; icg 2004a). Recht
                              en rechtsstelsel zijn derhalve gebonden aan afzonderlijke staten, en vertonen
                              alleen op grond daarvan al grote verschillen. Met deze verstatelijking van het
                              recht is het door de koloniale machten ingevoerde of van het Westen overgeno-
                              men principe van codificatie van het recht eveneens gehandhaafd. Dit geldt vrij-
                              wel overal ook voor de kernlanden van de sharia. Alle moslimlanden hebben
                              een geschreven grondwet, zelfs Saoedi-Arabië (sinds 1992), dat deze overigens de
                              Basic Regulation noemt omdat koran en sunna er gelden als ‘De Grondwet’. Maar
</pre>

====================================================================== Einde pagina 115 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 116 ======================================================================

<pre>                                                              de ontwikkeling van recht en rechtsstelsels
      in dit land is bijvoorbeeld het personenrecht niet gecodificeerd. Afgezien van
      Saoedi-Arabië en Afghanistan in de Taliban-episode, geldt dat de feitelijke of
      nagestreefde islamisering van het recht zich afspeelt binnen het kader van het
      nationale recht, derhalve door wijziging van wetgeving en jurisprudentie.
      Hetzelfde geldt voor het rechtsstelsel; islamisering kan leiden tot een uitbreiding
      met shariarechtbanken van het formele stelsel van rechtbanken en beroepshoven,
      dat in de negentiende en twintigste eeuw vrijwel overal is gemodelleerd – ook in
      niet-gekolonialiseerde landen – naar Europese, met name Britse en Franse voor-
      beelden.
      Ook inhoudelijk is er aanzienlijke continuïteit. Het familie- en erfrecht berustte
      in de meeste moslimlanden voor moslims altijd al op de sharia – en het gewoon-
      terecht – en daarin is geen verandering gekomen. Maar op veel andere terreinen
      zijn ondanks formele islamisering bestaande wetten gehandhaafd, ook eertijds
      aan het Westen ontleende of op westerse leest geschoeide wetten. Dit was en is
      mogelijk vanwege de hiervoor beschreven siyasa, de aan de heerser toegekende
      bevoegdheid wetgeving uit te vaardigen op terreinen waarin de koran of sunna
      niet voorzien, mits daarmee niet strijdig. Op gebieden als bijvoorbeeld het alge-
      meen en bijzonder contractenrecht, onrechtmatige daad, arbeidsrecht, goederen-
      recht, burgerlijk procesrecht, vennootschapsrecht, faillissementsrecht, vervoers-                   115
      recht, intellectueel eigendomsrecht, kiesrecht, informatierecht, algemeen
      bestuursrecht, ruimtelijk-ordeningsrecht, milieurecht, onderwijsrecht, post-
      en telecommunicatierecht en grote delen van het strafrecht heeft de sharia niet
      of nauwelijks inhoudelijke invloed. Afgemeten aan het gehele rechtscorpus is
      de denkbare reikwijdte van de sharia daarmee zeer beperkt. Dit geldt ook voor
      landen die zich voorstaan op algemene invoering van de sharia. Maar de beperkte
      inhoudelijke reikwijdte betekent natuurlijk niet dat de invloed op de rechts-
      gebieden die inhoudelijk wel door de sharia worden geraakt ook beperkt zou zijn.
      In de volgende paragrafen komen achtereenvolgens de constitutionele aspecten,
      het strafrecht en het familierecht aan de orde.
4.2.3 constitutionele isl amisering
      De begrippen staat, staatsrecht en grondwet komen in de klassieke sharia niet
      voor en ook equivalenten hiervan krijgen weinig uitwerking. Er wordt uitgegaan
      van een geloofsgemeenschap met een leider, maar de verhoudingen binnen
      een staatsverband worden nauwelijks geregeld. Het staats- en bestuursrecht is
      vanouds dan ook door de heerser zelf geregeld op grond van siyasa, de hem
      toegekende beleidsvrijheid. De zelfstandige staten die in de twintigste eeuw
      ontstonden bouwden voort op de oudere moslimrijken, maar ook op het kolo-
      niale, of westers geïnspireerde publiekrechtelijk begrippenkader, zoals staats-
      hoofd, regering, ministers en parlement. Het islamitisch activisme vanaf de jaren
      zeventig had in verschillende landen ook de ‘shariaïsering’ van constitutionele
      aspecten op de agenda, maar kon derhalve nauwelijks gebruikmaken van histo-
      rische modellen. Bijvoorbeeld het kalifaat is een umma-breed en geen nationaal-
      statelijk concept; bovendien was – zoals bleek in hoofdstuk 2 – de islamitische
</pre>

====================================================================== Einde pagina 116 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 117 ======================================================================

<pre>    dy na miek in isla mi t isch ac t i visme
                              fundering hiervan zeer omstreden. Bij de ‘constitutionele islamisering’ gaat het
                              dan ook met recht om experimenten, met veel juridische ambiguïteit en onzeker-
                              heid als gevolg.
                              De Britse rechtsfilosoof Hart wijst erop dat in constituties zogenoemde rules of
                              recognition of erkenningsregels zijn opgenomen: regels die bepalen dat een regel
                              een rechtsregel is. Het voorkomen in grondwetten van dergelijke basisnormen
                              van het positieve recht is echter nog geen voldoende ‘bewijs’ voor het daadwer-
                              kelijk functioneren. Hij ziet de vraag naar de acceptatie van zo’n grondregel
                              vooral ook als empirisch af te leiden uit het gedrag van rechters, wetgevers en
                              bestuur. Bovendien kunnen in de tekst van een grondwet zelf verschillende
                              ‘hoogste’ normen staan; alleen daarom al vormt de feitelijke betekenis een empi-
                              rische kwestie (Hart 1997). Wanneer men de rol van de islam in het staatsverband
                              wil onderzoeken, vormt de grondwet het voor de hand liggend document. In
                              die tekst wordt immers zichtbaar hoe een land zich definieert. Een – althans op
                              papier – belangrijke vorm van ‘constitutionele islamisering’ betreft het expliciet
                              veranderen van de staatsvorm in een islamitische. Ook is van belang of de islam
                              al dan niet als staatsgodsdienst wordt aangemerkt. In de grondwet kan voorts de
                              sharia als bron van wetgeving zijn opgenomen.
116
                              Hieronder wordt voor deze onderwerpen allereerst de situatie weergegeven voor
                              alle moslimlanden, dat wil zeggen landen waarvan de bevolking in meerderheid
                              uit moslims bestaat (zie bijlage 3). Uit de gehanteerde rubricering blijkt al dat de
                              constitutionele positie van de sharia (of islam, koran, sunna, fiqh) voor de wetge-
                              ving sterk uiteen kan lopen, namelijk van ‘de’, ‘de belangrijkste’, ‘een belangrijke’
                              tot ‘een’ bron van wetgeving. Naarmate de formulering zwakker wordt, neemt
                              de constitutionele ruimte toe voor ook andere bronnen van wetgeving en dus
                              ‘hoogste’ normen. Van de 45 moslimlanden waarvan de gegevens bekend zijn,
                              blijken zich tien grondwettelijk te definiëren als islamitische staat. In deze tien
                              landen is de islam tevens de staatsgodsdienst, en daarnaast nog in elf andere
                              landen. In acht moslimlanden is de sharia ‘de’ of ‘de belangrijkste’ bron van
                              wetgeving, en in negen landen geldt de sharia in de grondwet als ‘een belangrijke’
                              of ‘een’ bron van wetgeving, derhalve naast andere bronnen. In totaal zeventien
                              van de 45 moslimlanden geven de sharia dus constitutioneel enigerlei rol als bron
                              van recht en wetgeving (bijlage 3). Begrijpelijkerwijs geldt dit voor vrijwel alle
                              islamitische staten. Marokko vormt een uitzondering; dit land is een islamitische
                              staat, de islam is er staatsgodsdienst, maar de sharia wordt niet aangemerkt als
                              bron van wetgeving. Marokko’s grondwet spreekt van ‘de wil van de natie’ die in
                              de wet tot uitdrukking moet worden gebracht. In de preambule wordt verwezen
                              naar de mensenrechten. Tussen ‘moslimland’ en ‘sharia’ bestaat dus geen één-op-
                              éénrelatie; slechts in ruim eenderde van alle moslimlanden heeft de sharia een
                              constitutionele positie, terwijl de sharia in circa eenzesde van de moslimlanden
                              formeel suprematie als bron van wetgeving is toegekend. Hiermee is overigens
                              nog niet gezegd dat de materiële invloed van de sharia in die landen groot is, noch
                              dat in landen waar de islam constitutioneel geen invloed heeft deze ook feitelijk
                              ontbreekt.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 117 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 118 ======================================================================

<pre>                                                          de ontwikkeling van recht en rechtsstelsels
Voor meer inzicht in de constitutionele islamisering van de afgelopen decennia
gaan we vervolgens te rade bij de twaalf voor nader onderzoek geselecteerde
landen. Allereerst komt de staatsvorm aan de orde. Bij het zich definiëren als isla-
mitische staat wordt de staatsmacht zelf en niet alleen het recht religieus gelegiti-
meerd, en aldus als het ware gesacraliseerd. Kritiek op de staat kan dan gemakke-
lijk worden gelijkgesteld aan kritiek op de religie zelf en als ketterij worden
beschouwd, zoals bekend van Iran (Hajjar 2000). Van de twaalf landen zijn er vier
waar in de afgelopen drie decennia de staatsvorm (een tijdlang) in een islamiti-
sche is veranderd, namelijk Iran, Pakistan, Soedan (nu niet meer) en Afghanistan.
Saoedi-Arabië en Marokko waren al vanaf de vorming als onafhankelijke staat
islamitisch. Daarom wordt hieronder met name ingegaan op de vier (permanent
of een tijdlang) geïslamiseerde staten.
Iran
De vestiging van de Islamitische Republiek in Iran in 1979 betrof wel de meest
ingrijpende formele verandering van staatsbestel in de moslimwereld, van secu-
liere monarchie naar theocratie. Tegelijk is opmerkelijk dat deze theocratie van
meet af aan ook een formele plaats toekent aan democratie; zowel hiervoor als
voor de constitutionele rechten hebben de opstellers zich laten inspireren door
Frankrijk. De Islamitische Republiek betreft derhalve een soort ‘theo-democratie’                     117
(de term die Mawdudi reserveerde voor het door hem nagestreefde systeem in
Pakistan (Mawdudi 1980)). Er is in de constitutie sprake van twee basisnormen:
godssoevereiniteit en volkssoevereiniteit, waarbij de eerste de grenzen bepaalt
van de tweede. De via algemene verkiezingen gekozen organen – president en
parlement – zijn onderworpen aan het toezicht van de geestelijk leider, de vila-
yat-i faqih, en de deze figuur ten dienste staande Raad van Hoeders, bestaande
uit schriftgeleerden en professionele juristen. Grondwettelijk behoort het
primaat aan de sharia, en de Raad van Hoeders heeft als taak alle wetgeving daar-
aan te toetsen. Ondanks de uitgesproken hiërarchische structuur geven de afge-
lopen 25 jaar een geschiedenis te zien van regelmatige botsing tussen de twee
constitutionele basisnormen. Hoewel het parlement op basis van de in de grond-
wet gevolgde sharia de status heeft van een raadgevende vergadering, heeft het
regelmatig gepoogd zijn bevoegdheden te versterken ten nadele van de theo-
cratische organen. Het belangrijkste resultaat van de confrontaties is een nieuw
staatsorgaan, de Raad voor Vaststelling van de Belangen van de Staat. Deze raad
dient de geschillen te beslechten tussen parlement en Raad van Hoeders, hetgeen
in de praktijk alsnog tot goedkeuring heeft geleid van zeventig procent van de
door het parlement voorgestelde wetten. De nieuwe raad berust op enkele fatwa’s
(juridische adviezen) van Khomeini waarin werd aangegeven dat het staatsbelang
kan prevaleren boven de sharia. Evengoed blijft bij voortdurend geschil het laat-
ste woord aan de faqih (Dekker en Barends in Otto et al. 2006).
Het shiietische Iran is hiermee met het sunnitische Saoedi-Arabië het meest
uitgesproken voorbeeld van een constitutionele islamitische theocratie; beide
landen hebben een rechtsstelsel dat in beginsel is gebaseerd op klassieke versies
van de sharia. Tussen deze twee landen bestaat wel een belangrijk verschil:
</pre>

====================================================================== Einde pagina 118 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 119 ======================================================================

<pre>    dy na miek in isla mi t isch ac t i visme
                              anders dan in Iran is de theocratie in Saoedi-Arabië absoluut. Dit land kent geen
                              geschreven grondwet en biedt constitutioneel dan ook geen plaats voor democra-
                              tie. De leden van het raadgevend orgaan (shura) worden er aangewezen, en niet
                              – zoals in Iran – gekozen via het algemeen kiesrecht (Barends en Van Eijk in Otto
                              et al. 2006). In 2005 zijn – ook onder Amerikaanse druk – voor het eerst verkie-
                              zingen gehouden op lokaal niveau; alleen mannen waren hierbij kiesgerechtigd.
                              In Iran is de theocratie grondwettelijk verankerd, maar in de grondwet is tevens
                              plaats ingeruimd voor tal van moderne rechten (onderwijs, e.d.).
                              Pakistan
                              Pakistan heeft sinds de stichting in 1947 als islamitische staat blootgestaan aan
                              zowel krachten die een theocratie wilden vestigen (waarvan de in hoofdstuk 2
                              besproken Mawdudi van de Jamaat-i-Islami-beweging een belangrijke exponent
                              was) als aan op democratisering gerichte krachten. De wisselende krachtsver-
                              houding kwam ook tot uiting in de achtereenvolgende grondwetten. De grond-
                              wet van 1956 repte van ‘de Islamitische Republiek’ en had een sterk religieus
                              karakter. In die van 1962 ging het om de ‘Republiek Pakistan’ en werd in plaats
                              van ‘de heilige koran en sunna’ gesproken van het opener begrip ‘islam’. Dit
                              illustreert al hoezeer in Pakistan gestreden is en nog steeds wordt om de voorrang
118                           tussen een uitgesproken islamitisch en een meer seculier normenstelsel. In de
                              derde grondwet uit 1973 – de eerste die door een gekozen vertegenwoordiging
                              was opgetekend – was zowel plaats ingeruimd voor de islam (art. 1: “Pakistan
                              shall be a Federal Republic to be known as the Islamic Republic of Pakistan”), als
                              voor democratie, vrijheid, nationale eenheid, gelijkheid en solidariteit. Generaal
                              Zia ul-Haq schortte deze grondwet in 1977 op en zocht voor het behoud van zijn
                              machtspositie steun bij in aanhang groeiende radicale islamitische groeperingen.
                              Hij achtte de islam onverenigbaar met op westerse leest geschoeide democratie
                              en kende zichzelf een uitverkoren status toe. Gedurende Zia’s dictatuur (1977-
                              1988) werd het Pakistaanse recht vergaand geïslamiseerd, inclusief invoering van
                              het tot op heden geldend islamitisch strafrecht en van de eveneens gehandhaafde
                              beruchte blasfemiewetten. Ook werd bij decreet een nieuw grondwetsartikel
                              geïntroduceerd dat bepaalde dat de voorschriften van de islam de hoogste wet
                              van het land zullen zijn, hetgeen in strijd was met andere grondwetsartikelen die
                              de grondwet als hoogste norm aanmerkten. Een speciaal rechtsorgaan werd
                              belast met het toetsen van wetgeving en rechterlijke uitspraken over sommige
                              koranische delicten aan de islamitische voorschriften. Deze ambiguïteit leidde tot
                              grote controverses binnen de rechterlijke macht. De krachtmeting tussen op isla-
                              misering gerichte en seculiere krachten is sinds 1988 doorgegaan. Toch lijkt het
                              erop dat het islamiseringsproject in de jaren negentig veel van het aanvankelijke
                              elan heeft verloren. Vanaf 2003 is de grondwet van 1973 weer van kracht (Barends
                              en Otto in Otto et al. 2006).
                              Soedan
                              De voorlopige, seculiere grondwet van Soedan van 1956 legde grote nadruk op de
                              parlementaire democratie, maar van meet af aan manifesteerden zich sterke
                              krachten gericht op een ‘islamitische parlementaire republiek’, met de sharia als
</pre>

====================================================================== Einde pagina 119 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 120 ======================================================================

<pre>                                                           de ontwikkeling van recht en rechtsstelsels
de belangrijkste bron van wetgeving. Het hoogtepunt van de islamisering werd
bereikt in de jaren tachtig toen via constitutionele amendementen gepoogd werd
de grondwet in lijn te brengen met ‘de’ sharia. De president werd herdoopt in
‘leider van de gelovigen’, het parlement werd veranderd in een consultatieve raad
(conform de koranische shura), waarvan de leden trouw verschuldigd waren aan
de leider, en de sharia werd de enige bron van wetgeving. Hiermee werd de
‘permanente’ grondwet van 1973 feitelijk buiten werking gesteld. In die grondwet
was – net als in de voorlopige van 1956 – Soedan aangemerkt als een parlemen-
taire democratie. Het christelijke zuiden kreeg een vorm van zelfbestuur. Deze
grondwet was maar een kort leven beschoren en heeft een bloedige strijd tussen
noord en zuid niet kunnen voorkomen. Vanaf de onafhankelijkheid in 1956 poogt
het niet-islamitische zuiden, dat rijk is aan grondstoffen, zich te onttrekken aan
de – ook juridische – hegemonie van het islamitische noorden. Het constitutio-
nele gevecht betreft echter niet alleen de rol van de islam in heel Soedan, maar
ook een orthodoxe dan wel liberale interpretatie van de sharia. In de nu geldende
grondwet van 1998 wordt Soedan niet gedefinieerd als islamitische staat, maar als
land waarin “(...) godsdiensten zich met elkaar verzoenen. Islam is de godsdienst
van de meerderheid (...)” (art. 1 Gw). Maar de moslimdominantie wordt in andere
bepalingen zeker gesteld. Of deze grondwet bedoeld is te gelden tot het referen-
dum in 2011 over de mogelijke afscheiding van Zuid-Soedan is nog onduidelijk                           119
(Köndgen in Otto et al. 2006).
Afghanistan
In de nieuwe grondwet van 2004 geldt Afghanistan als ‘Islamic republican state’,
is de islam ‘de heilige godsdienst’ en wordt het staatshoofd aangemerkt als be-
schermheer van de islam met als taak de basisbeginselen van de heilige islamiti-
sche religie, de grondwet en andere wetten te waarborgen. Omdat de grondwet
ook andere bronnen hanteert dan de sharia, is het theocratische karakter minder
uitgesproken dan in de periode 1994-2001, toen de Taliban de islamisering een
wel heel grimmig aanzien gaven. Alle wetten en regelingen die de Taliban strijdig
bevonden met de streng-islamitische interpretaties van traditionele Deobandi en
Afghaans-islamitische tribale tradities werden toen afgeschaft, er werd geregeerd
per decreet en er werd een zeer strenge versie van de sharia doorgevoerd (Yassari
en Saboory in Otto et al. 2006).
De overige van de twaalf onderzochte landen definiëren zich niet als islamitische
staat. Maar hiernaast kan constitutionele islamisering zich ook manifesteren in
het in de grondwet opnemen van de islam als de staatsgodsdienst en/of het
aanmerken van koran en sunna, fiqh of sharia als bron van wetgeving. Anders dan
bij een theocratie fundeert de staat zijn autoriteit hier niet zelf op de islamitische
wet, maar verbindt wel de staatsmacht aan het toepassen en doen naleven van
de sharia. Men zou voor deze categorie kunnen spreken van ‘nationalisatie’ van
religieuze wetgeving en jurisprudentie (Hajjar 2000). Sinds de jaren zeventig
is de islam als staatsgodsdienst naast in de hiervoor al besproken landen alleen
(opnieuw) ingevoerd in Egypte (1980) en Turkije (1982). In Marokko was dit al
veel langer het geval, evenals in Maleisië vanaf de eerste grondwet van 1957. In
</pre>

====================================================================== Einde pagina 120 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 121 ======================================================================

<pre>    dy na miek in isla mi t isch ac t i visme
                              Nigeria, Mali en Indonesië geldt de islam niet als staatsgodsdienst (Otto 2006;
                              Otto et al. 2006).
                              Zoals al bij het overzicht van alle moslimlanden in bijlage 3 bleek, is wat de bron
                              van wetgeving betreft de terminologie erg belangrijk. Het kan gaan om (beginse-
                              len van) de islam, de koran, de sunna, de sharia of de fiqh, en de mate van exclusi-
                              viteit waarmee de bron wordt aangeduid kan sterk verschillen. Bij ‘een’ bron zijn
                              er per definitie ook andere bronnen, zoals neergelegd in andere artikelen van
                              de grondwet. Er kan dan sprake zijn van een dubbele of tenminste een dubbel-
                              zinnige constitutionele basisnorm. Omdat de meeste grondwetten ook bepalin-
                              gen bevatten over fundamentele rechten als het gelijkheidsbeginsel en de gods-
                              dienstvrijheid, ligt hier de nodige conflictstof. Hoezeer dit het geval is, blijkt
                              ook uit de heftigheid waarmee in de betrokken landen bij tijd en wijle de discus-
                              sie over deze kwestie is of wordt gevoerd. Het bleek de afgelopen tijd opnieuw
                              in Irak bij de vraag of de sharia in de nieuwe grondwet moest worden aangemerkt
                              als ‘een’ of ‘de’ bron. De uitkomst in Irak is dat de islam een fundamentele bron
                              van wetgeving is en dat geen wet kan worden aangenomen die in strijd is met
                              haar onbetwiste bepalingen. Interpretatie van deze bepaling valt toe aan het
                              hooggerechtshof (Coleman 2006: 30).
120
                              De situatie in de ten behoeve van dit rapport nader bestudeerde landen is als
                              volgt (Otto 2006; Otto et al. 2006). Iran hanteert in de grondwet van 1980 een
                              strikte formulering: alle wetten en regels moeten absoluut zijn gebaseerd op isla-
                              mitische criteria en de klassieke sharia prevaleert boven elke vorm van gewoon-
                              terecht en internationaal recht. De formele positie van Pakistan lijkt wat minder
                              stringent: de grondwet van 1973 bepaalt enerzijds dat “gehoorzaamheid aan de
                              Grondwet en de wet de plicht is van elke burger” (art. 5.2 Gw), maar anderzijds
                              dat alle wetten in lijn dienen te zijn met de ‘Injunctions of Islam’ (art. 227 Gw).
                              In 2002 is echter in een deelstaat voorgesteld de sharia in te voeren volgens een
                              puriteinse interpretatie. In Egypte werden in 1980 de beginselen van de sharia
                              vastgelegd als de enige bron van wetgeving. De toetsing van wetgeving aan deze
                              grondwettelijke bepaling is voorbehouden aan het Hoge Constitutioneel
                              Gerechtshof. Dit heeft echter bepaald dat alleen wetgeving van na 1980 in over-
                              eenstemming moet zijn met de beginselen van de sharia. Deze beginselen
                              worden bovendien zeer beperkt uitgelegd, namelijk alleen die regels van de
                              sharia die onomstotelijk vaststaan door vermelding in koran en sunna. Hierdoor
                              kunnen toch wetten worden aangenomen die aan alle westerse maatstaven
                              voldoen. De empirische test van de hierboven aangehaalde Hart (1997) toont
                              derhalve aan dat zelfs het constitutioneel aanmerken van de sharia als uitslui-
                              tende rechtsbron in concreto een beperkte betekenis kan hebben. De Soedanese
                              grondwet van 1998 stelt: “Islamitisch recht en de consensus van de natie door
                              referendum, Grondwet en gewoonte, zijn de bronnen van wetgeving, en geen
                              wet zal worden gemaakt die strijdig is met deze uitgangspunten” (art. 68 Gw).
                              Deze pluraliteit is gekozen ter wille van het herstel van nationale eenheid, na
                              twintig jaar van islamisering van het recht langs orthodoxe lijn, en verzet daar-
                              tegen in vooral, maar zeker niet uitsluitend, het christelijke zuiden. In de
</pre>

====================================================================== Einde pagina 121 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 122 ======================================================================

<pre>                                                          de ontwikkeling van recht en rechtsstelsels
Afghaanse grondwet (2004) is bepaald dat geen wet strijdig mag zijn met de
voorschriften van “het heilig islamitisch geloof en andere waarden die in deze
Grondwet besloten liggen” (art. 3 Gw). Formeel ligt aan het recht een tweeledig
normenstelsel ten grondslag: zowel de sharia als de mensenrechten. Pas wanneer
er geen wettelijke bepaling bestaat, dienen rechtbanken de beginselen van de
sharia en de jurisprudentie volgens de hanafietische rechtsschool rechtstreeks te
volgen (art. 130 Gw). In de grondwet van Maleisië wordt de sharia niet aange-
merkt als bron van wetgeving. Bovendien is in 1988 door de hoogste rechter
bepaald dat de sharia niet geldt in het publiekrecht, maar alleen in het personen-
en familierecht. Voorts geldt constitutioneel dat wetgevende bevoegdheid inzake
islamitisch recht niet ligt op het niveau van de Federatie maar van de deelstaten.
In een tweetal deelstaten, met islamitische politieke partijen aan het bewind,
heeft dit in de jaren negentig geleid tot strafwetgeving gebaseerd op islamitische
beginselen. Dit is echter zeer omstreden, onder meer vanuit het gezichtspunt van
de bevoegdheidsverdeling met de Federatie. In Indonesië en Nigeria speelt de
islam als wetgevingsbron eveneens op decentraal niveau. Pogingen in Indonesië
om de nationale staat te islamiseren en de sharia in te voeren, hadden tot nu toe
geen succes. Wel is in het kader van de decentralisatie ook hier aan enkele distric-
ten wetgevende bevoegdheid toegekend. Voor Atjeh geldt bij nationale wet de
mogelijkheid bepaalde elementen van de sharia in te voeren. Of de recente Nige-                       121
riaanse grondwet (1999) de deelstaten bevoegdheid verleent strafwetten uit te
vaardigen, is een omstreden kwestie. De shariarechtspraak op dat niveau is even-
als in Maleisië echter beperkt tot personen- en familierecht. Ondanks toegeno-
men politieke manifestatie van islamitische bewegingen is in de grondwet van
Mali (1992) ter wille van het seculiere karakter en het machtsevenwicht zorgvul-
dig vermeden de sharia of de islam als bron van wetgeving te benoemen. Hier-
voor bleek al dat, hoewel Marokko een islamitische staat is, de sharia er grond-
wettelijk geen bron van wetgeving is. In Turkije ten slotte is geen sprake van
enigerlei grondwettelijke verwijzing naar de islam of de sharia als bron van wet-
geving. In deze seculiere staat is in 1997 een islamitische politieke partij juist
verboden vanwege de verdenking van het willen invoeren van elementen van de
sharia (wrr 2004).
Conclusie
Het islamitisch activisme dat zich de afgelopen decennia in alle moslimlanden
manifesteerde, heeft in constitutioneel opzicht tot uiteenlopende resultaten
geleid. De rol van de islam en de sharia in staat en recht was in de meeste van de
onderzochte twaalf landen controversieel en leidde soms tot botsingen van een
ongemene heftigheid, zoals in Soedan, Nigeria en Pakistan. Naar bleek in hoofd-
stuk 3 betreft het niet alleen botsingen tussen islamitisch gemotiveerde met
christelijke of seculiere krachten, maar ook botsingen van radicale en gematigde
islamitische groepen of tussen islamitische geloofsrichtingen. Het resultaat is
dat moslimlanden zeer grote verschillen laten zien over de grondwettelijke plaats
van de islam en de sharia. Slechts een minderheid van de moslimlanden defini-
eert zich als islamitische staat, en eveneens in een minderheid is de sharia formeel
de belangrijkste bron van wetgeving. Ook als een land zich als islamitische staat
</pre>

====================================================================== Einde pagina 122 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 123 ======================================================================

<pre>    dy na miek in isla mi t isch ac t i visme
                              definieert, is het niet altijd een theocratie (bijv. Pakistan). Evenmin sluit dat
                              democratie principieel geheel uit, of impliceert dit dat het rechtsstelsel van deze
                              landen per se geheel door de sharia wordt bepaald.
                              De geconstateerde constitutionele verscheidenheid laat zich in een driedeling
                              samenvatten, namelijk van theocratische stelsels, seculiere stelsels en gemengde
                              stelsels. Van de nader onderzochte landen komen per saldo Saoedi-Arabië en – al
                              in mindere mate – Iran het dichtst bij een theocratie, en staan aan het andere
                              uiterste seculiere staten als Mali en Turkije. Hiertussen is er een grote groep van
                              gemengde stelsels, die zich ook weer laat onderverdelen. Er zijn allereerst drie
                              staten te vinden met een overwegend seculiere constitutie, namelijk Nigeria,
                              Indonesië (zelfs geen enkele verwijzing in grondwet naar de islam) en Maleisië.
                              Geen van deze landen definieert zich als islamitische staat, de sharia vormt er
                              geen bron van wetgeving, en behalve in Maleisië is de islam er geen staatsgods-
                              dienst. Dit land illustreert dat, ook wanneer de islam geldt als staatsgodsdienst,
                              dit een seculier staatsbestel niet hoeft uit te sluiten (wrr 2004). Ten slotte zijn
                              er vijf landen waar de islam constitutioneel meer invloed heeft, omdat de islam
                              er geldt als staatsgodsdienst, ze zich definiëren als een islamitische staat, en/of
                              de islam/sharia er geldt als een of de bron van wetgeving. Dit betreft Egypte,
122                           Marokko, Soedan, Afghanistan en Pakistan. Maar daarmee is nog niet alles ge-
                              zegd. Het proclameren van de sharia als de bron van wetgeving kan grote invloed
                              hebben, maar niet noodzakelijkerwijs. Gezien de verschillende betekenissen van
                              het begrip sharia kan het ook een hoog ‘declaratoir’ of ‘preambulair’ gehalte
                              hebben, zonder veel aanwijsbare invloed op het positieve recht; dit is het geval in
                              Egypte. Dit impliceert overigens weer niet dat het plaatsen van het recht onder
                              het symbool van de sharia geheel zonder betekenis is; hierop wordt verderop
                              teruggekomen.
                              Ten slotte kan eveneens worden geconcludeerd dat de islamisering van staat en
                              recht niet een rechtlijnig proces is, dat zich derhalve in een steeds groter deel van
                              de moslimwereld zou voltrekken, noch dat het een onomkeerbaar proces is.
                              Weliswaar heeft ieder van de onderzochte twaalf landen blootgestaan aan soms
                              zware druk van het islamitisch activisme, maar in landen als Turkije, Pakistan,
                              Iran, Indonesië, Maleisië, Soedan en Egypte hebben ook tegenbewegingen
                              plaats(gehad). Deze kunnen ook resulteren in een verzwakking van de rol van
                              islamitisch recht of in meer liberale interpretaties. Het lijkt er bovendien op dat
                              de meest scherpe fasen van constitutionele islamisering plaatsvonden door
                              revo-luties, staatsgrepen of ten tijde van noodtoestanden (resp. Iran, Soedan
                              en Pakistan). Wanneer bevolkingen zich de laatste jaren konden uitspreken in
                              verkiezingen werd nogal eens voor matiging gekozen (Iran, behalve in 2005,
                              Egypte, Marokko, Pakistan, Turkije, Indonesië en Maleisië). Er is derhalve geen
                              sprake van een ondubbelzinnig, door de massa van moslims ondersteund proces,
                              gericht op het islamiseren van staat en recht volgens het klassieke model. Hierbij
                              moet echter meteen worden aangetekend dat – zoals bleek in het vorige hoofd-
                              stuk – verkiezingen lang niet altijd mogelijk waren of eerlijk konden verlopen;
                              over de uitslag van eerlijker verkiezingen kan dus slechts worden gespeculeerd.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 123 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 124 ======================================================================

<pre>                                                               de ontwikkeling van recht en rechtsstelsels
4.2.4 str afrecht
      Het rechtsgebied waarvan de islamisering in een aantal landen wel het meest in
      het oog springt, is het islamitisch strafrecht. Vanwege de barbaarse straffen staat
      islamisering juist op dit rechtsgebied model voor de perceptie van ‘terugval in de
      Middeleeuwen’ die het begrip sharia bij velen oproept.
      Het klassieke islamitisch strafrecht bestaat uit drie onderdelen.
      • De hadd-misdrijven; dit betreft vijf in de koran omschreven misdrijven en
         daarvoor te hanteren straffen, namelijk diefstal (amputatie), struikroverij (van
         verbanning tot kruisiging, afhankelijk van de ernst), consumeren van alcohol
         (zweepslagen), zina: seksueel verkeer buiten het huwelijk (van geselslagen tot
         steniging) en valselijk iemand van zina beschuldigen (zweepslagen). Of afval-
         ligheid van de islam ook een hadd-delict vormt, is omstreden. Over de straf-
         maat hiervoor zijn de klassieke rechtsscholen het eens: de doodstraf, ingeval
         de afvalligheid niet wordt herroepen. Over homoseksualiteit en de strafmaat
         daarvoor lopen de rechtsscholen uiteen. In de fiqh hebben de rechtsgeleerden
         overigens dusdanig zware procedurele voorwaarden gesteld dat oplegging van
         hadd-straffen althans bewijsrechtelijk zeer moeilijk is.
      • Jinayat: regels voor de toepassing van het pre-islamitische vergeldingsprincipe                    123
         ‘oog-om-oog, tand-om-tand’ dan wel compensatie met bloedgeld bij moord,
         doodslag of mishandeling.
      • Siyasa: de bevoegdheid van de overheid om regels te stellen voor de restcate-
         gorie van misdrijven die niet tot bovenstaande kunnen worden gerekend.
      In de negentiende en twintigste eeuw had het islamitisch strafrecht in verreweg
      de meeste moslimlanden al plaatsgemaakt voor een westerse vorm van straf-
      recht; alleen in Saoedi-Arabië, Jemen en Qatar bleef het gehandhaafd. Volgens
      Berger (2006) voerden vanaf de jaren zeventig echter in ieder geval Libië (1972),
      de Verenigde Arabische Emiraten (1978; overigens niet geïmplementeerd), Iran
      (1979), Pakistan (1979) en Soedan (1983) het opnieuw in. De huidige situatie ten
      aanzien van de hadd-straffen in de twaalf nader onderzochte landen is weer-
      gegeven in tabel 4.1. De tabel laat zien dat de voorbeelden van Pakistan, Iran en
      Soedan geen navolging vonden in Turkije, Egypte, Marokko, Indonesië, Mali,
      Maleisië en Nigeria, maar in beide laatstgenoemde federaties wel in enkele deel-
      staten (Nigeria in 2000, en Maleisië in 1993, waar het (nog) niet is geïmplemen-
      teerd).
      Het niet invoeren van het islamitisch strafrecht ondanks de basis hiervoor in de
      koran en de fiqh wil overigens niet zeggen dat het niet op de agenda stond of staat
      van sommige islamitische groeperingen. Ook in landen als Maleisië, Egypte en
      Nigeria zijn er voorstanders van het incorporeren van dit strafrecht in het
      formele recht. Tabel 4.1 maakt duidelijk dat het opnemen van de hadd-straffen in
      het strafrecht niet altijd impliceert dat ze ook worden uitgevoerd; het lijkt er
      eerder op dat daarvan steeds minder sprake is.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 124 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 125 ======================================================================

<pre>    dy na miek in isla mi t isch ac t i visme
                    Tabel 4.1           Hadd-straffen in wet en werkelijkheid
                                                    Opname van hadd-straffen                Toepassing van steniging
                                                    in  wet1                                en/of amputatie 2
                    Egypte                          Nee                                     Nee
                    Marokko                         Nee                                     Nee
                    Saoedi-Arabië                   Ja                                      Geregeld
                    Soedan                          Ja                                      Sterk afgenomen
                    Turkije                         Nee                                     Nee
                    Afghanistan                     Ja, maar geldigheid betwist             Nee
                    Iran                            Ja                                      Sterk afgenomen3
                    Pakistan                        Ja                                      Nee
                    Indonesië                       Nee                                     Nee
                    Maleisië                        Nee, behalve enkele deelstaten          Nee
                    Mali                            Nee                                     Nee
                    Nigeria                         Ja, in noordelijke deelstaten           Steniging niet,
                                                                                            amputatie sterk afgenomen
124                 1 Het strafrecht van Saoedi-Arabië is geheel gebaseerd op de klassieke sharia, waar ook hadd-straffen in zijn
                       opgenomen. Voor de overige ‘ja-landen’ zijn deze straffen opgenomen in de volgende wetgeving: Soedan,
                       strafwet van 1991; Afghanistan, wetboek van strafrecht van 1976; Iran, wetboek van strafrecht van 1996;
                       Pakistan, wetboek van strafrecht van 1976; Iran, wetboek van strafrecht van 1996; Pakistan, hudud-ordonnan-
                       ties van 1979; Maleisië: hudud-wetten van twee deelstaten, te weten Kelantan en Terengganu; Nigeria: wet-
                       boeken van strafrecht van elf noordelijke deelstaten.
                    2 Hierbij moet worden opgemerkt dat in sommige landen geseling wel geregeld is opgelegd, bijvoorbeeld in
                       Pakistan, met name in de vroege jaren tachtig.
                    3 In juli 2005 werden in Iran twee jongens opgehangen na veroordeling wegens homoseksualiteit. Dit vonnis
                       was schokkend en opvallend omdat Iran sinds 2002 was afgestapt van de zwaarste lijfstraffen – steniging,
                       amputatie – wegens hadd-delicten. Overigens deed de straf niet denken aan de hadd-straffen zoals bepaald
                       in de klassieke sharia.
                    Bron: Otto 2006: 104
                              Men moet overigens niet licht denken over het afzien van de hadd-straffen zelf of
                              het niet implementeren ervan door landen die hun recht grondwettelijk hebben
                              geplaatst onder de banier van de sharia. Juist omdat de koran zo’n hoge status ge-
                              niet en zo expliciet is over sommige misdrijven en hun bestraffing, kunnen de
                              desbetreffende koranverzen niet simpelweg worden genegeerd. Het afwijken van
                              de letterlijke tekst vergt – altijd controversiële – interpretatie, ijtihad. Via deze
                              methode worden de hadd-straffen dan allegorisch geïnterpreteerd of als een lou-
                              ter als theoretisch te beschouwen maximum voor de bestraffing, dan wel als
                              straffen die alleen gelden in een – helaas nog niet gerealiseerde – ideale islamiti-
                              sche samenleving. Ook is een mogelijkheid om, waar het als strafrecht wel is in-
                              gevoerd, de implementatie te binden aan zeer zware procedures voor bewijsvoe-
                              ring van het misdrijf (Shahrur 1992 in Trautner 1999a: 19; Bielefeldt 2000: 107).
                              De evenmin misselijke straffen voor jinayat-misdrijven zijn van kracht in Iran,
                              Afghanistan, Soedan, Pakistan, Saoedi-Arabië en Noord-Nigeria. Van staatswege
</pre>

====================================================================== Einde pagina 125 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 126 ======================================================================

<pre>                                                                              de ontwikkeling van recht en rechtsstelsels
         op grond van siyasa strafbaar gestelde gedragingen kunnen betrekking hebben op
         misdrijven tegen de godsdienst en overtredingen van religieuze voorschriften,
         voorzover al niet strafbaar als hadd-misdrijf. Het kan gaan om geloofsafval; bele-
         digingen aan het adres van de godsdienst (zoals de beruchte blasfemiewetten in
         Pakistan); het bedrijven van godsdienstige missie door niet-moslims; gods-
         dienstuitoefening en -verbreiding door moslims met ongeoorloofde geloofsop-
         vattingen; zondig geachte seksuele gedragingen zoals overspel of fysieke contac-
         ten in het openbaar; onzedelijke culturele gedragingen, zoals dansen en zingen;
         niet gehoorzamen aan religieuze plichten zoals het vrijdaggebed, het alcoholver-
         bod en de vastenmaand (Otto 2006; Berger 2006). In Saoedi-Arabië, Iran, Soedan
         en Afghanistan tijdens de Taliban-episode wordt de publieke moraal bewaakt
         door de zedenpolitie, die vaak ressorteert onder een ‘bureau voor bevordering
         van het goede en voorkoming van het kwade’. De situatie ten aanzien van wet en
         werkelijkheid rond geloofsafval is weergegeven in tabel 4.2.
Tabel 4.2       Geloofsafval: strafbaarheid en bestraffing
                                                                                                                          125
                             Strafbaarstelling van                      Veroordelingen voor geloofsafval
                             geloofsafval 1                             en tenuitvoerlegging straf
Egypte                       Nee                                        Nee
Marokko                      Nee                                        Nee
Saoedi-Arabië                Ja                                         De laatste jaren niet meer 2
Soedan                       Ja                                         Incidenteel
Turkije                      Nee                                        Nee
Afghanistan                  Betwist                                    Nee
Iran                         Ja, geldigheid betwist                     De laatste jaren niet meer 3
Pakistan                     Nee                                        Nee
Indonesië                    Nee                                        Nee
Maleisië                     Ja                                         Zeer zelden4
Mali                         Nee                                        Nee
Nigeria                      Nee                                        Nee
1 Het strafrecht van Saoedi-Arabië is volledig gebaseerd op de sharia. Op geloofsafval staat de doodstraf.
   Indien die bewezen wordt, wordt de straf ook ten uitvoer gebracht. In Soedan (artikel 126 wetboek van straf-
   recht) staat eveneens de doodstraf op geloofsafval.
2 Volgens het U.S. International Religious Freedom Report 2004 hebben de laatste jaren geen executies meer
   plaatsgevonden wegens geloofsafval.
3 Volgens de ambtsberichten van het ministerie van Buitenlandse Zaken van 2005, p. 31 heeft zich de laatste
   jaren geen enkel geval van strafvervolging voorgedaan van personen die zich tot het christendom hebben
   bekeerd. Recentelijk hebben geen executies voor geloofsafval meer plaatsgevonden.
4 Het gaat hier om zeer spaarzame acties op grond van deelstaatwetgeving, welke geen hogere sancties ken-
   nen dan drie jaar gevangenisstraf.
Bron: Otto 2006: 107
</pre>

====================================================================== Einde pagina 126 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 127 ======================================================================

<pre>    dy na miek in isla mi t isch ac t i visme
                              Geloofsafval wordt bedreigd met zeer zware straffen in Saoedi-Arabië, Soedan,
                              Afghanistan en Iran, en met een lichtere straf in Maleisië. In zeven van de twaalf
                              nader onderzochte landen is geloofsafval niet opgenomen in het wetboek van
                              strafrecht; in Afghanistan en Iran is dit onderwerp betwist. De doodstraf op
                              afvalligheid is in Saoedi-Arabië en Iran de laatste jaren niet meer voltrokken, in
                              Soedan incidenteel. Ook al geldt volgens Otto (2006) nog steeds de constatering
                              van Beke in de jaren negentig dat bestraffing van geloofsafval tegenwoordig een
                              uitzondering is (Beke 1996), de dreiging die uitgaat van de strafbaarstelling is
                              natuurlijk wel uitzonderlijk hoog.
                              Uit bovenstaande opsommingen blijkt dat het vooral de landen zijn met een isla-
                              mitische staatsvorm waar islamitisch strafrecht is geïntroduceerd, maar dit geldt
                              niet voor alle. In Afghanistan is na de episode van het Talibanbewind het in de
                              jaren zeventig bestaande strafrecht weer van toepassing. Er is een nieuw wetboek
                              van strafvordering in de maak; het is onduidelijk in hoeverre hier de hadd-straf-
                              fen in voorkomen (Yassari en Saboory in Otto et al. 2006: 195). Tegelijk dient be-
                              dacht te worden dat in Afghanistan het rechtsstelsel-in-opbouw nog in een chao-
                              tische toestand verkeert. Waar het formele stelsel nog lang niet op orde is, wordt
                              teruggevallen op het informele gewoonterecht dat in de praktijk op incorrecte
126                           wijze is verweven met bepalingen uit de sharia. Feitelijk zullen dan ook zeker
                              hadd-straffen worden uitgevoerd (uk Home Office 2004). Tussen de landen waar
                              het hadd-strafrecht nu formeel geldt, bestaan grote verschillen van interpretatie
                              en toepassing. De zware vormen van hadd-straffen worden daadwerkelijk toege-
                              past door – naast Saoedi-Arabië – Iran en Soedan, zelfs dusdanig dat van de zijde
                              van islamitische schriftgeleerden soms geprotesteerd wordt dat de voorwaarden
                              die in de fiqh zijn geformuleerd voor de bewijsvoering onvoldoende in acht
                              worden genomen. Ook voor misdrijven die buiten de koranische hadd-definitie
                              vallen, zijn ‘gemakshalve’ wel eens lijfstraffen ingevoerd. Momenteel lijkt het er
                              echter op dat in zowel Iran, Soedan als Noord-Nigeria de toepassing terugloopt;
                              gevoeligheid voor buitenlandse protesten zal hier niet vreemd aan zijn.
                              Opmerkelijk is overigens wel dat, met uitzondering van Saoedi-Arabië en Iran
                              (tot 1982), de betreffende regelgeving is geschoeid op nationale wetgeving en
                              wordt toegepast door een nationale rechterlijke macht. Tegelijkertijd zijn door
                              deze hybride constructie ook remmen ingebouwd op toepassing. Veroordelingen
                              door lagere rechtbanken, bemensd door conservatievere rechters, worden op
                              hogere niveaus vaak ongedaan gemaakt. Met name de hogere rechters zetten hun
                              bevoegdheden in – soms ook ter beperking van de machtspolitiek van het regime
                              – om het bereik te beperken en/of de eisen aan de bewijsvoering dusdanig te
                              verzwaren dat het moeilijk tot veroordeling als hadd-misdrijf kan komen. Zelfs
                              in Libië is het in dertig jaar tijd slechts één keer tot tenuitvoerlegging van de
                              zwaarste straf gekomen, terwijl in Pakistan, waar het betreffende hoogste rechts-
                              college in meerderheid uit professionele rechters bestaat, de zwaarste straffen
                              (steniging en amputatie) nog niet zijn uitgevoerd (overigens wel bestraffing met
                              zweepslagen en ook de jinayat-straffen). Het islamitisch strafrecht wordt op deel-
                              staatniveau ook beperkt uitgevoerd in Nigeria, in Maleisië nog niet of nauwelijks.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 127 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 128 ======================================================================

<pre>                                                                 de ontwikkeling van recht en rechtsstelsels
      In beide landen is de bevoegdheid hiertoe zeer omstreden vanwege de constituti-
      onele bevoegdheidsverdeling voor het strafrecht tussen federatie en deelstaten;
      in Nigeria is deze expliciet op federaal niveau gelegd. Het niet-uitvoeren van de
      zwaarste hadd-straffen wil overigens niet zeggen dat het in het geheel niet tot
      bestraffing komt. De plegers van deze ‘misdrijven’ kunnen over het algemeen
      rekenen op de lichtere fysieke straffen (zweepslagen) of gevangenisstraffen.
      Conclusie
      Geconcludeerd kan worden dat het islamitisch strafrecht slechts door een beperkt
      aantal moslimlanden, namelijk acht van de 48, is ingevoerd, alsook door deelsta-
      ten in twee moslimlanden. Voor opvattingen die ervan uitgaan dat in een mos-
      limland dit strafrecht altijd geldt, is dus geen grond, evenmin voor de opvatting
      dat dit recht van toepassing is in alle landen waarvan het recht formeel (mede)
      is gebaseerd op de sharia. Formele invoering wil voorts nog niet zeggen dat dit
      strafrecht ook volgens de klassieke sharia daadwerkelijk wordt uitgevoerd. In
      sommige landen functioneren de professionele rechter en hogere rechtsorganen
      als rem op de uitvoering van dit recht. Tot uitvoering van de klassieke sharia
      komt het in slechts enkele landen; bovendien wordt deze in sommige landen
      beperkt tot de minder extreme straffen (zweepslagen). Behalve in het geval van
      enkele provincies of deelstaten is dit strafrecht niet via normale democratische                       127
      procedures ingevoerd, maar door machthebbers verordonneerd in coalitie met
      leger of milities en radicale islamitische groeperingen. Dergelijke machthebbers
      hebben baat bij dit strafrecht, hetzij om radicale moslimbewegingen de wind uit
      de zeilen te nemen, hetzij omdat hun dit een extra repressie-instrument tegen
      tegenstanders verschaft en dan nog wel ‘in naam van de islam’. Dat dit strafrecht
      langs ondemocratische weg is ingevoerd wil overigens nog niet zeggen dat het
      altijd door de bevolking wordt afgewezen. Zeker in situaties van zeer grote crimi-
      naliteit en vermeende aantasting van de publieke moraal en een slecht of corrupt
      opsporings- en berechtingsapparaat kan er bij de bevolking behoefte zijn aan een
      harde hand (Otto 2006).
4.2.5 familie- en erfrecht
      Het familie- en erfrecht vormen de rechtsgebieden die in de meeste moslimlan-
      den al lang bepaald worden door de sharia; ook in de gekolonialiseerde landen
      bleef dit shariatisch recht gehandhaafd voor moslims. Andersom betreffen deze
      rechtsgebieden bij uitstek de kern van de klassieke sharia en zijn ze in de islamiti-
      sche rechtsbronnen het meest gedetailleerd uitgewerkt. Geen wonder derhalve
      dat vrijwel onmiddellijk na de islamitische revolutie in Iran in 1979 de eerder
      ingevoerde hervormingswetten (1931: afschaffing polygamie, verplichte huwe-
      lijksregistratie; 1967: gelijke rechten mannen en vrouwen; 1975: Family Protec-
      tion Act) werden afgeschaft en vervangen door de ongecodificeerde sharia. In
      Afghanistan werd de bestaande wetgeving na het aantreden van de Taliban even-
      eens afgeschaft en werd geproclameerd dat het recht niet strijdig mocht zijn met
      de klassieke hanafitische rechtsschool. Maar nieuw nationaal recht bleef uit; in
      de praktijk heerste een wel zeer rauwe vorm van discriminatie van vrouwen, die
</pre>

====================================================================== Einde pagina 128 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 129 ======================================================================

<pre>    dy na miek in isla mi t isch ac t i visme
                              vrijwel geheel werden geweerd uit het publieke domein en door de religieuze
                              politie ook in de privésfeer streng gecontroleerd op hun gedrag (Yassari en
                              Saboory in Otto et al. 2006: 187-188). Met uitzondering van deze beide landen en
                              ook Soedan, waar het bestaande islamitisch familierecht is gecodificeerd, is op dit
                              gebied derhalve geen recente islamisering aan de orde, in de zin althans van een
                              vervanging van seculier recht door een bepaalde versie van de sharia. Tegelijker-
                              tijd omvat dit rechtsgebied onderwerpen waarop zich spanningen manifesteren
                              met belangrijke mensenrechtenconventies. Hoewel het familierecht maar een
                              klein onderdeel vormt van het gehele corpus aan huidig recht in moslimlanden, is
                              het natuurlijk wel een zeer ingrijpend rechtsgebied, namelijk beperkend voor de
                              positie van de helft van de bevolking: de vrouwen.
                              Waar in moslimlanden het shariatisch familierecht bestaat, geldt op dit rechtsge-
                              bied voor minderheden met een andere religie dikwijls ‘eigen’ recht, vaak ook met
                              eigen rechtbanken (Berger 2006: 37). Hier openbaart zich een belangrijk verschil
                              met seculiere rechtssystemen. Deze laatste zijn gebaseerd op gelijke rechten en
                              plichten voor allen. Wanneer godsdienstig recht het uitgangspunt is voor het fami-
                              lierecht, is bij religieus gemengde bevolkingen rechtspluralisme te verwachten:
                              groepsrecht op een bepaald gebied voor de één roept groepsrecht voor de ander op.
128
                              Zoals in zoveel religies wordt in de islam het gezin gezien als de sacrale hoek-
                              steen van de samenleving. In artikel 5 van de zogenoemde Caïro-Verklaring van
                              de Rechten van de Mens in de Islam (zie par. 4.3) wordt het gezin ook letterlijk
                              als hoeksteen aangemerkt. De redenering hierbij is dat man en vrouw gelijk zijn
                              in menselijke waardigheid, maar niet in rechten en plichten. Ze zijn – zo stelt
                              dr. Yousuf al-Qaradawi in een uitleg van de positie van vrouwen in de islam –
                              complementair geschapen en uit de verschillen in natuurlijke dispositie vloeien
                              ook verschillende rechten en plichten voort. Naar haar aard is de vrouw relatief
                              zwak, instinctief en verleidelijk, en daarom zijn aan haar gedrag beperkingen
                              gesteld en is het ook aan de man om haar waardigheid te beschermen (al-Qara-
                              dawi z.d.). In de klassieke opvatting heeft de man de plicht zijn vrouw(en) finan-
                              cieel te onderhouden vanaf het moment dat het huwelijk wordt ‘geconsumeerd’,
                              waartegenover de vrouw verantwoordelijk is voor het huishouden en de zorg
                              voor kinderen en het behoeden van de eerbaarheid van haar echtgenoot en diens
                              familie. Volgens deze opvatting valt de vrouw onder het gezag van haar echtge-
                              noot en dient zij hem derhalve gehoorzaam te zijn, een gehoorzaamheid die uit-
                              eindelijk ook met ‘niet oneerbaar’ slaag mag worden afgedwongen. Over de
                              inhoud van de gehoorzaamheidseisen verschillen de rechtsscholen, maar in elk
                              geval mag zij niet zonder zijn toestemming de echtelijke woning verlaten. Een
                              beruchte steen des aanstoots is voorts dat het een moslima is verboden te huwen
                              met een niet-moslim. Het omgekeerde is wel mogelijk; die huwelijken en de hier-
                              uit geboren kinderen vallen automatisch onder het islamitisch recht. Ook een
                              conflictpunt betreft het recht van de man om met maximaal vier vrouwen tegelijk
                              te zijn getrouwd en het echtscheidingsrecht. Terwijl de man het recht heeft om
                              eenzijdig en zonder opgaaf van redenen het huwelijk door verstoting te beëindi-
                              gen, komt in de klassieke opvatting een dergelijk recht op echtscheiding de vrouw
</pre>

====================================================================== Einde pagina 129 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 130 ======================================================================

<pre>                                                         de ontwikkeling van recht en rechtsstelsels
niet toe. Wel beschikt zij over sommige mogelijkheden tot ontbinding van het
huwelijk, zoals het door de echtgenoot niet nakomen van de huwelijkse verplich-
tingen, contractuele voorwaarden (ontbinding bij tweede huwelijk van man) en
‘scheiding met wederzijdse instemming’ (Berger 2006: 38-41). Al met al weer-
spiegelt het klassieke familierecht zeer patriarchale verhoudingen, waarbij vrou-
wen een van de man afgeleide positie bezitten. Ook al vormden de koranische
regels in de zevende eeuw een verbetering ten opzichte van de toenmalige totale
rechteloosheid van vrouwen, vanuit het huidige gezichtspunt van individuele
rechten betreft hun rechtspositie volgens de klassieke sharia een anachronisme.
Ook het erfrecht behoort tot de kern van de sharia, en is eveneens zeer gedetail-
leerd uitgewerkt. Net als het huwelijksrecht reflecteert het de klassieke neiging
om de grenzen van de groep scherp te bewaken. Moslims en niet-moslims zijn
wettelijk geen erfgenamen van elkaar; dit is wel mogelijk via testament, namelijk
voor maximaal een derde deel van de erfenis. Het erfrecht van vrouwen – onder-
scheiden in acht categorieën rechthebbenden – is door de koran ingevoerd; zij
gelden als de ‘koranische’ erfgenamen en krijgen als eersten hun deel. Het te ont-
vangen aandeel van de diverse categorieën vrouwen is steeds de helft van haar
mannelijke evenknie (Berger 2006: 41-42). Ook hier geldt derhalve dat dit recht
een positieverbetering inhield ten tijde van de totstandkoming, maar naar de                         129
maatstaven van het internationale recht discriminatie impliceert.
Omdat het familie- en erfrecht zozeer de kern vormen van de klassieke sharia en
de betrokken regels zo’n hoog koranisch gehalte hebben, zou men verwachten
dat juist op deze rechtsgebieden weinig verandering plaatsvindt of dat het
bestaande familierecht onder invloed van de islamiseringsbeweging juist verder
wordt gepurificeerd, zoals in Iran vlak na de revolutie. Er blijkt in verschillende
landen echter wel degelijk sprake te zijn van rechtsdynamiek, en deze impliceert
dikwijls verbetering in de rechtspositie van vrouwen. Dit geldt evenwel meer
voor het familierecht dan voor het erfrecht; op dit laatste rechtsgebied zijn grote
veranderingen goeddeels uitgebleven. Een eerste factor die aan de verbetering
van de rechtspositie van vrouwen bijdraagt, is de codificatie van dit deel van de
sharia in de loop van de twintigste eeuw in vrijwel alle moslimlanden. De wetge-
ving en rechtstoepassing werden hierdoor althans voor een deel onttrokken aan
de ulama. Wetgevers benutten deze formalisering in nationale rechtssystemen
voor allerlei verbeteringen in de positie van vrouwen. Het zijn dan de wetgevers
zelf die de interpretatie van koranische voorschriften (ijtihad) ter hand nemen.
Deze nieuwe ‘statelijke’ lezing of interpretatie van de heilige bronnen leidde in
Tunesië tot een verbod op polygamie, in Egypte, Pakistan, Iran en Algerije tot
verruiming van de echtscheidingsmogelijkheden voor vrouwen (Berger 2006;
Otto 2006). In Marokko zijn door toepassing van het koranische principe van
ijtihad ingrijpende veranderingen aangebracht. De breuk met het patriarchale
model in de nieuwe gezinswet van 2004 uit zich onder meer ook in volledige
vrijheid van de huwelijksovereenkomst en in de gezagsverhoudingen over de
kinderen na echtscheiding (Buskens in Otto et al. 2006). Voorts werd een in de
klassieke sharia onbekende scheidingsvorm ingevoerd die vrouwen in staat stelt
</pre>

====================================================================== Einde pagina 130 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 131 ======================================================================

<pre>    dy na miek in isla mi t isch ac t i visme
                              echtscheiding aan te vragen op grond van ‘duurzame ontwrichting’ van het
                              huwelijk (Berger 2006).
                              Deze ‘secularisering’ van het islamitisch recht (Bälz 1998) uit zich ook op andere
                              wijze, ditmaal via siyasa. Waar het shariatisch familierecht zozeer berust op
                              expliciete regels in koran of sunna, regels derhalve die als eeuwig geldig en dus
                              onveranderlijk worden gezien, maken overheden van verreweg de meeste
                              moslimlanden gebruik van hun vrije beleidsruimte – siyasa – om allerlei admi-
                              nistratief- en procesrechtelijke voorwaarden, procedures en rechtsgevolgen te
                              creëren die een dam opwerpen tegen toepassing zondermeer. Polygamie wordt
                              dan niet – zoals in Tunesië – afgeschaft maar gebonden aan allerlei voorwaarden,
                              zoals een instemming van de eerste echtgenote, meldingsplicht aan de echtge-
                              note of het voor de rechtbank moeten aantonen dat de man in staat is twee of
                              meer huishoudens te onderhouden. Verstoting wordt dan eerst toegestaan nadat
                              voldaan is aan financiële voorwaarden en/of na een verplichte verzoeningspo-
                              ging door de rechtbank. Deze laatste figuur is overigens niet vreemd aan de klas-
                              sieke sharia; de sharia-rechtbanken voor familierechtelijke zaken volgen vaak de
                              traditionele lijn waarbij alles geprobeerd wordt om de echtelieden tot verzoening
                              te bewegen (Berger 2006: 71-73). Dergelijke bemiddeling of mediation krijgt
130                           overigens ook in het Westen meer betekenis in het voorjuridische traject.
                              Het resultaat van de verschillende islamitische moderniseringstechnieken is dat
                              aan polygamie nog weinig beperkingen zijn gesteld in Saoedi-Arabië, Mali,
                              Soedan, Nigeria, Iran en Afghanistan; in Mali, Nigeria en Soedan wordt polyga-
                              mie overigens niet primair als een islamitisch recht gezien maar stamt het uit het
                              gewoonterecht. In de overige landen zijn er inmiddels allerlei beperkingen op dit
                              koranisch recht aangebracht, bijvoorbeeld de eis van goedkeuring vooraf door de
                              rechter of een andere instantie en/of goedkeuring door de huidige en aanko-
                              mende echtgenote, of is polygamie er verboden (Turkije, Tunesië en – voor amb-
                              tenaren – Indonesië). In de landen waar het aan voorwaarden is verbonden, is de
                              op de sharia gebaseerde eis van genoegzaam onderhoud en gelijke behandeling
                              vaak een wettelijk vereiste. Van versoepeling van de voorwaarden is sprake in
                              Maleisië. In dit land is de sinds 1984 bestaande eis van rechterlijke toestemming
                              vooraf in 1994 vervallen. Verstoting ontmoet weinig restricties in Saoedi-Arabië,
                              Soedan en Afghanistan, en op gewoonterechtelijke gronden evenmin in Mali
                              en Nigeria. In Egypte, Marokko, Iran, Pakistan, Indonesië en Maleisië is het
                              vormvrije ‘van God gegeven’ verstotingsrecht van de man enigszins aan banden
                              gelegd, door de verplichte tussenkomst van de rechtbank of bemiddelingsraad,
                              verplichte verzoeningspoging, registratieverplichting en/of alimentatieverplich-
                              ting. In Turkije is verstoting verboden. Alleen in Saoedi-Arabië en Afghanistan
                              hebben vrouwen nog geen ruimere echtscheidingsrechten dan volgens de klas-
                              sieke sharia; in de overige tien landen zijn deze mogelijkheden sterk verruimd,
                              zelfs in Iran (Otto 2006: 99-101).
                              De hervormingen zijn niet beperkt tot de drie thema’s polygamie, verstoting en
                              echtscheidingsrechten voor vrouwen. Er zijn nog veel andere hete hangijzers,
</pre>

====================================================================== Einde pagina 131 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 132 ======================================================================

<pre>                                                         de ontwikkeling van recht en rechtsstelsels
zoals de huwelijkse leeftijd, keuzevrijheid van huwelijkspartners, bewegings-
vrijheid van vrouwen en ‘religieuze huwelijksvrijheid’. In de herziene familie-
wetgeving is er ook op deze gebieden beweging, met uitzondering van het inter-
religieuze huwelijksrecht (van een moslima met een niet-islamitische man).
Al met al blijkt dat in een aantal moslimlanden waar het familierecht sterk door
de sharia wordt bepaald (in Turkije werd dit al in 1924 geheel beëindigd), innova-
tie hierdoor niet wordt geblokkeerd. De opkomende islamitische bewegingen zijn
er met uitzondering van Iran, Afghanistan gedurende het Talibanbewind en een
tijdlang in Soedan niet in geslaagd in hun ogen te liberale familiewetten in ortho-
doxe richting om te buigen; de voor vrouwen relatief liberale echtscheidingswet-
geving in landen als Egypte, Marokko, Pakistan, Indonesië en Maleisië is niet
teruggedraaid. Evenmin is belangrijke nieuwe wetgeving tegengehouden, zoals
in 2000 in Egypte (met een vermoedelijke grote invloed op omringende landen)
en Marokko (2004). Deze hervormingen waren niet oncontroversieel; de ‘grote
sprong voorwaarts’ van bijvoorbeeld Marokko in 2004, waarin werd gebroken
met het patriarchale gezinsmodel en man en vrouw gelijke verantwoordelijkheid
werd toegekend, riep heftig verzet op. In Indonesië, dat al vanaf 1974 een betrek-
kelijk liberale huwelijkswetgeving kent, is deze nadien verder geliberaliseerd.
Polygamie en verstoting zijn er verregaand aan banden gelegd. Een uitzondering                       131
betreft het interreligieuze huwelijk in Indonesië; sinds de jaren negentig is het
sluiten hiervan in dit multireligieuze land juist bemoeilijkt. Zoals gezegd, is er
ook in Maleisië een terugval, namelijk ten aanzien van polygamie.
Conclusie
Islamitisch familie- en erfrecht vormen in een groot deel van de moslimwereld
bij uitstek de rechtsgebieden die gezien worden als authentiek eigendom, als de
gepercipieerde eigen identiteit symboliserend. In vrijwel alle moslimlanden
berust het recht op deze gebieden op een interpretatie van de sharia. Toch sluit
dit veranderingen op vooral familierechtelijk terrein niet uit. En voorzover deze
plaatsvinden gaan ze grotendeels in de richting van het gelijkheidsprincipe, dat
een belangrijk uitgangspunt vormt van de rechtsstaat en het internationale recht.
Het betreft echter niet zozeer externe druk van mensenrechtenorganisaties maar
een endogene dynamiek, die mede voortkomt uit druk van de vrouwenbeweging.
Het discours over (veranderingen in) de rechten van vrouwen blijft in deze
landen gegoten in islamitisch jargon en maakt gebruik van in de islam aanvaarde
veranderingsmechanismen, maar niettemin is de lange lijn in de meeste landen
er één van versterking van de positie van vrouwen. Buskens concludeert in zijn
landenrapport over Marokko dat de rol van islamitisch recht op dit gebied is afge-
nomen, maar als resultante van een juist geïslamiseerd politiek idioom waarvan
alle participanten zich bedienen (Buskens in Otto et al. 2006). De lange lijn van
de positieverbetering van vrouwen geldt ook waar de sharia wordt ingevoerd ter
vervanging van gewoonterecht of zelfs seculier recht. In het eerste geval is dat
een stap voorwaarts ten opzichte van het geldende informele recht, bijvoorbeeld
in Atjeh, in het tweede is de stap ook voorwaarts wanneer, zoals bijvoorbeeld
in Maleisië, de bestaande seculiere rechtsinstellingen moeilijk bereikbaar zijn of
</pre>

====================================================================== Einde pagina 132 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 133 ======================================================================

<pre>    dy na miek in isla mi t isch ac t i visme
                              zeer slecht functioneren (corrupte rechters e.d.). Hoewel schoorvoetend (maar
                              veel te snel voor de orthodoxe delen van de samenleving), verwijdert dit recht
                              zich van de klassieke sharia en hebben moderne interpretaties hierbij hun intrede
                              gedaan.
                 4.3          isl amitische en universele mensenrechten
                 4.3.1        univer sele en isl amitische verkl aring
                              De universaliteit van het mensenrechtenconcept is zowel in de moslimwereld als
                              in het Westen sterk aangevochten. Zo viel de voormalige Maleisische premier
                              Mahathir bij westerse kritiek op zijn mensenrechtenbeleid die universaliteit
                              regelmatig aan als vertoon van westers imperialisme en beriep hij zich op Aziati-
                              sche of islamitische waarden (Noor 2002). Aan westerse zijde is de kritiek op de
                              universaliteit indringend verwoord door Huntington. Rechtsstaat, mensenrech-
                              ten en democratie zijn niet alleen in het Westen ontstaan, maar zijn volgens hem
                              ook gebonden aan de unieke configuratie van kenmerken waarop de westerse
                              cultuur is gegrondvest. Het gaat dan om kenmerken zoals de klassieke erfenis,
                              katholicisme en protestantisme, scheiding tussen wereldlijk en religieus gezag,
132                           sociaal pluralisme, representatie en individualisme. Zijn stelling is dat de niet-
                              westerse wereld, waaronder zeker de moslimwereld, zich in toenemende mate zal
                              willen baseren op de eigen islamitische beschaving en westerse innovaties zoals
                              democratie en mensenrechten zal afwijzen (Huntington 1996).
                              Wellicht is de aantrekkelijkheid van deze westerse innovaties voor velen in niet-
                              westerse landen toch groter dan Mahathir en Huntington veronderstelden.
                              Opiniepeilingen wijzen regelmatig uit dat bij de bevolkingen van moslimlanden
                              democratie hoog op de verlanglijst staat (Hofmann 2004; Inglehart en Norris
                              2004; Pew Global Attitudes Project 2003). Bielefeldt vecht hiernaast aan dat
                              genoemde principes onontkoombaar uit de westerse geschiedenis voortvloeiden
                              en er aan zijn voorbehouden. Retrospectief kunnen humanitaire motieven achter
                              wat nu wordt begrepen onder universele mensenrechten worden getraceerd bij
                              de Griekse filosofen, de kerkvaders en de Reformatie. Maar de huidige uitkomst
                              was er niet door gedetermineerd en is allerminst het resultaat van een organische
                              ontwikkeling; de contingentie van de geschiedenis had evengoed tot een andere
                              uitkomst kunnen leiden. Vanwege angst voor moreel verval, machtsposities en
                              ondermijning van de hiërarchische ordening van kerk en samenleving was er
                              steeds groot verzet tegen de notie van rechten van allen bij kerken en niet-chris-
                              telijke conservatieven. In plaats van diepgeworteld te zijn in de culturele en reli-
                              gieuze tradities van Europa zijn de mensenrechten eerder te zien als de uitkomst
                              van langdurige en zeer heftige conflicten. Europa heeft dan ook weinig reden om
                              mensenrechten als een in essentie westers concept vanuit een positie van morele
                              superioriteit naar de ontwikkelingswereld te exporteren. Eerder is een zelfkriti-
                              sche houding op zijn plaats, en kan het eigen vallen en opstaan in het overkomen
                              van structurele onrechtvaardigheden die in grote barbaarsheden culmineerden
                              belangrijke lessen voor anderen bevatten (Bielefeldt 2000).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 133 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 134 ======================================================================

<pre>                                                           de ontwikkeling van recht en rechtsstelsels
Deze bescheidener propositie ontkent niet de universele waarde van mensen-
rechten, maar ontdoet het mensenrechtenbegrip van de westers-imperialistische
connotatie die er in de ogen van veel moslims, en anderen, aan kleeft. Het respec-
teren van mensenrechten vormt ook voor westerse landen een steeds weer waar
te maken opgave, net als voor niet-westerse landen; het is dus niet zo dat ‘wij ze
hebben en zij niet’. Deze opstelling scherpt ook het oog voor de historische dyna-
miek; zo was in het Westen tot lang na 1948 van formele gelijke rechten voor
mannen en vrouwen geen sprake, laat staan van feitelijke gelijke rechten. De wes-
terse ervaring leert ook dat het streven naar mensenrechten bij de elites in auto-
ritaire samenlevingen conflicten en langdurige weerstand van religieuze organi-
saties kan oproepen. Pas met het Tweede Vaticaans Concilie in 1965-1967 kwam
het tot acceptatie door de rooms-katholieke kerk.
Het recente islamitisch activisme kwam in precies dezelfde periode op als het
‘mensenrechtenactivisme’. In hoofdstuk 2 werd de negatieve houding van
Khomeini tegenover het concept van universele mensenrechten geschetst. De
opvattingen van de Pakistaan Mawdudi waren hieraan verwant. Hij wees de
Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (uvrm) af vanwege haar
westerse bias en de arrogantie waarmee het Westen deze rechten als ‘het goede’
oplegt aan anderen (Mawdudi 1976 in Bielefeldt 2000). Net zoals er geen sprake                         133
kan zijn van op volkssoevereiniteit stoelende democratie – soevereiniteit komt
alleen God toe – geldt dit ook voor het concept van rechten van mensen: in het
islamitisch recht gaat het om plichten tegenover God en geloofsgenoten. Boven-
dien impliceert de plicht van de één niet het recht van de ander: mannen zijn
onderhoudsplichtig ten aanzien van hun vrouw(en), maar deze heeft/hebben
hiermee nog geen recht op onderhoud door hun echtgenoot. De beperking tot
geloofsgenoten betekent ook dat van universaliteit geen sprake is, althans zolang
de umma niet samenvalt met de mensheid (Trautner 1999a: 3). Op conceptueel
niveau staan de universele mensenrechten hier diametraal tegenover de conser-
vatieve en puriteinse interpretaties van de klassieke sharia. Door de mensenrech-
ten te funderen in de menselijke waardigheid betreft het inderdaad een univer-
seel concept, dat abstraheert van religies en religieuze fundering. De Universele
Verklaring beoogt met de toegekende rechten het individu te beschermen tegen
de staat; reciprociteit van rechten van het individu en plichten van de staat is
derhalve de kern.
Tegen de achtergrond van deze conceptuele tegenstelling vanuit orthodox islami-
tisch perspectief is de toe-eigening van het mensenrechtenconcept (Halliday
2003) die desondanks in het formele discours plaatsvond en -vindt opmerkelijk.
De Organisatie van de Islamitische Conferentie refereerde bij de oprichting in de
preambule van haar handvest van 1972 nog zonder religieuze reserve aan het
internationale recht en de fundamentele mensenrechten en verklaarde deze als
verenigbaar met islamitische waarden (Mayer 1999). Dit reflecteert de aanvanke-
lijk seculier-nationalistische oriëntatie van veel moslimlanden. Voor de conferen-
tie in 1981 – twee jaar na de islamitische revolutie in Iran – werd echter een eerste
concept geformuleerd van de Verklaring van de Mensenrechten in de Islam, dat
</pre>

====================================================================== Einde pagina 134 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 135 ======================================================================

<pre>    dy na miek in isla mi t isch ac t i visme
                              niet werd aangenomen. In 1990 werd een nieuwe versie wel aangenomen, de al
                              genoemde Caïro-Verklaring van de Rechten van de Mens in de Islam. De ontwik-
                              kelingsgang na 1972 weerspiegelt de invloed van zowel het opkomende islami-
                              tisch als het mensenrechtenactivisme. Het mensenrechtenconcept als zodanig
                              bleef geaccepteerd, maar in 1981 en 1990 dan wel voorzover in overeenstemming
                              met de islam of de sharia. Gezien de hiervoor aangegeven conceptuele verschil-
                              len, die juist na 1980 door islamitische bewegingen hoog werden opgespeeld, is
                              dit een belangrijk gegeven. In de Caïro-Verklaring van 1981 wordt wel degelijk al
                              gesproken van rechten van individuele personen, zij het nog als afgeleiden van
                              religieuze plichten. Deze erkenning van rechten als zodanig vormde ten opzichte
                              van de orthodoxie een majeure innovatie. De veranderingen in de periode 1981-
                              1990 gaan nog verder. Bevatte de Verklaring van 1981 nog allerlei aanhalingen van
                              teksten uit de koran en uitspraken van de Profeet, die van 1990 lijkt qua stijl en
                              toon veel sterker op de uvrm. In plaats van allerlei koranische bepalingen geba-
                              seerd op religieuze groepen staat in 1990 het individu als zodanig centraal. Ook
                              dat is een belangrijke innovatie en principiële toenadering tot het seculiere
                              mensenrechtenconcept (Trautner 1999a).
                              De Caïro-Verklaring heeft derhalve veel meer dan haar voorganger een hybride
134                           karakter, en is niet herkenbaar als een klassieke shariatekst. Dit valt ook af te
                              lezen aan de rol die er in aan de staat wordt toegekend; hieraan worden – conform
                              de Universele Verklaring – plichten opgelegd ter waarborging van de rechten van
                              het individu. Maar het is inderdaad een hybride: fundamentele rechten en univer-
                              sele vrijheden worden als een integraal deel van de islam gepresenteerd. Het
                              hybride karakter manifesteert zich ook in het aanwijzen van niet alleen de staat
                              als de drager van plichten, maar ook de maatschappij en het individu. Bovendien
                              wordt de sharia aangewezen als de bron voor de interpretatie van de genoemde
                              rechten, plichten en vrijheden. Wat dan onder de sharia wordt verstaan, wordt
                              niet nader gespecificeerd en laat derhalve veel ruimte voor interpretatie. Soms is
                              de Verklaring specifieker, zoals ten aanzien van het door de staat te beschermen
                              recht op leven en het recht op lichamelijke integriteit, waarop alleen inbreuk
                              mogelijk is op grond van “een door de sharia voorgeschreven reden” (art. 2). Op
                              een centraal punt laat de tekst echter geen enkele onduidelijkheid bestaan:
                              ondanks discriminatieverbod op grond van religie is het verboden moslims tot
                              een andere godsdienst of tot het atheïsme te bekeren; de islam wordt gezien als de
                              religie van de “onbedorven natuur” (art. 10). Hierin is de overtuiging herkenbaar
                              dat de islam de ultieme openbaring vertegenwoordigt.
                              Concluderend zou men kunnen stellen dat het mensenrechtenconcept gaande-
                              weg wordt overgenomen, maar dan wel door het concept te ‘islamiseren’ en te
                              voorzien van een shariakeurmerk. Anders geformuleerd: juist door het in te
                              passen in het eigen discours wordt dit concept gelegitimeerd en toegeëigend
                              (Halliday 2003). Dit sluit verdere dynamiek niet uit; misschien is zo’n vertaling
                              in eigen termen daarvoor juist wel een noodzakelijke voorwaarde (Coleman
                              2006). De gang van 1981 tot 1990 laat in elk geval zien dat de terminologie een
                              toenadering toont tot die van de Universele Verklaring, zonder ermee samen te
</pre>

====================================================================== Einde pagina 135 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 136 ======================================================================

<pre>                                                                    de ontwikkeling van recht en rechtsstelsels
          vallen. Trautner beoordeelt deze Verklaring als een enorme stap voorwaarts.
          Dat de plichten, rechten en vrijheden gefundeerd worden in de islam en onder-
          worpen aan de sharia acht hij logisch. Het gaat bij dergelijke documenten immers
          juist ook om het aangeven van de filosofische basis voor het positieve recht;
          evenmin als in de Universele Verklaring vormen de gestipuleerde rechten en vrij-
          heden zelf al positief recht. Daarvoor is men aangewezen op het erop gebaseerde
          bindende recht (Trautner 1999a).
4.3.2     moslimstaten en conventies: r atificatie en voorbehouden
          Het hybride karakter is ook kenmerkend voor de wijze waarop veel moslimstaten
          zich hebben gebonden aan de belangrijke mensenrechtenconventies. Tabel 4.3
          geeft een overzicht van de ratificatie door de twaalf onderzochte landen van drie
          voor mensenrechten zeer belangrijke conventies, alsmede van de door hen op
          grond van de sharia gemaakte voorbehouden. Het gaat om de volgende drie
          uitwerkingen van de Universele Verklaring van 1948:
          – het International Convenant on Civil and Political Rights (iccpr) uit 1966, dat
             in 1976 in werking trad;
          – de Convention on the Elimination of All Forms of Discrimination Against
             Women (cedaw) uit 1979, die in 1981 in werking trad;                                               135
          – de Convention against Torture, and other Cruel, Inhuman and Degrading
             Treatment or Punishment (cat) uit 1984, die in 1987 in werking trad.
 Tabel 4.3       Verdragspartijen bij drie mensenrechtenverdragen
                                   ICCPR                   CEDAW                   CAT
 Egypte                              x 1)                   x 1) 2)                 x 1)
 Marokko                             x 1)                   x 1) 2)                 x 1)
 Turkije                             x 1)                    x 1)                   x 1)
 Afghanistan                         x 1)                    x  1)                  x 1)
 Mali                                x 1)                    x  1)                  x 1)
 Nigeria                             x 1)                    x  1)                  x 1)
 Soedan                              x 1)                                            x
 Saoedi-Arabië                                              x 1) 2)                 x 1)
 Indonesië                                                   x  1)                  x 1)
 Pakistan                                                    x  1)
 Iran                                x 1)
 Maleisië                                                   x 1) 2)
 1) Geratificeerd
 2) Voorbehoud op grond van de sharia
 Bron: Otto 2006: 165
</pre>

====================================================================== Einde pagina 136 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 137 ======================================================================

<pre>    dy na miek in isla mi t isch ac t i visme
                              De drie conventies bestrijken belangrijke dimensies van de rule of law, namelijk
                              politieke grondrechten (iccpr), het gelijkheidsbeginsel (cedaw) en de integriteit
                              van het menselijk lichaam (cat). Ze traden alle in werking in de recente periode
                              van islamitisch activisme en betreffen bovendien onderwerpen die zeker volgens
                              de klassieke interpretatie van de sharia zeer gevoelig liggen. De tabel had dus leeg
                              kunnen zijn, maar is het niet. Alle twaalf landen zijn aangesloten bij ten minste
                              één van de drie verdragen. Zelfs Saoedi-Arabië, dat zich als enig moslimland niet
                              aan de Universele Verklaring heeft gecommitteerd, is partij bij twee conventies.
                              De cedaw, waarvan de thematiek centraal stond in paragraaf 4.2.5, en die discri-
                              minatie tussen mannen en vrouwen verbiedt, is de enige conventie van de drie
                              die voorbehouden ontmoet op grond van de sharia; dit is het geval in vier landen.
                              Van de vier landen die de hadd-straffen in hun nationale strafrecht hebben opge-
                              nomen (Iran, Soedan, Pakistan, Saoedi-Arabië), zijn twee (Iran en Pakistan) geen
                              verdragspartij van de cat; Soedan is nog niet tot ratificatie overgegaan.
                              De conventies bevatten veel punten van spanning met de klassieke sharia. Die
                              rond de gelijkheid van man en vrouw en het strafrecht kwamen al in de vorige
                              paragrafen aan de orde. De iccpr betreft naast vele andere vrijheden ook de vrij-
                              heid van godsdienst. De vrijheid van godsdienst is volgens de klassieke sharia
136                           formeel niet problematisch voor ‘de mensen van Het Boek’, namelijk joden en
                              christenen, hoezeer in de praktijk ook hindernissen kunnen worden opgeworpen
                              voor de uitoefening van hun godsdienst. In de grondwetten van de diverse
                              landen worden afhankelijk van de etnische en pre-islamitische situatie ook wel
                              andere religies erkend, zoals de Zoroastriërs in Iran en in Indonesië het onder het
                              Pancasila-beginsel monotheïstisch geworden hindoeïsme. Maar, zoals al bleek bij
                              de Caïro-Verklaring, wordt de islam wel gezien als de ultieme openbaring en dat
                              uit zich in formele bevoordeling op tal van fronten (bijv. in het huwelijks- en
                              erfrecht, religieus onderwijs, toegang tot hoge staatsfuncties) en in soms zeer
                              zware sanctionering van afvalligheid naar een andere religie of naar atheïsme.
                              Deze formele positie heeft natuurlijk ingrijpende praktische consequenties. De
                              appreciatie van pluralisme is derhalve beperkt; in de woorden van Tibi is in de
                              orthodoxe visie geen sprake van een modern besef van tolerantie (Tibi 2004).
                              In paragraaf 4.2.4 werd al aangegeven dat in sommige landen zwaar wordt getild
                              aan afvalligheid. Maar de discriminatie geldt niet alleen voor andere godsdien-
                              sten, ook andere islamitische doctrines dan de door de staatsmacht in coalitie met
                              de orthodoxie of islamistische bewegingen erkende doctrine kunnen hiervan het
                              slachtoffer worden. Zo zijn in Pakistan de ahmadi’s tot afvalligen verklaard en de
                              baha’i in Iran en worden de alevieten in Turkije niet erkend als religieuze minder-
                              heid; de definitie van afvalligheid kan zeer ruim worden getrokken.
                              Tegen deze achtergrond zou men cynisch kunnen zijn over de betekenis van het
                              zich aansluiten bij en ratificeren van mensenrechtenverdragen. Recht op papier is
                              nog geen recht in de praktijk. De mensenrechtensituatie is in veel moslimlanden
                              niet rooskleurig. Maar het doel van dit hoofdstuk is niet om uit het oogpunt van
                              mensenrechten een bestandsopname van de praktijk van moslimstaten te maken,
                              maar om na te gaan in hoeverre de islamisering van het recht de ontwikkeling
</pre>

====================================================================== Einde pagina 137 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 138 ======================================================================

<pre>                                                           de ontwikkeling van recht en rechtsstelsels
naar de universele mensenrechten blokkeert. Dat is een vraag naar de dynamiek.
Wanneer deze toenadering laat zien, dan ligt hierin een belangrijk aanknopings-
punt voor intensivering van hierop gerichte relaties met betrokken landen.
In elk geval op papier is er acceptatie van belangrijke mensenrechten. Hierbij zijn
door sommige landen voorbehouden geplaatst op grond van de sharia. Op zich-
zelf is dat niet verbazingwekkend voor landen die handhaving van de sharia
gedurende hun hele politieke geschiedenis zagen als een belangrijke legitimatie-
bron. Mayer tekent hierbij aan dat moslimlanden in het afgelopen decennium
steeds minder de eerder zo veelgebruikte stelling poneren dat de in internationale
verdragen neergelegde mensenrechten strijdig zijn met hun islamitisch recht.
Hun standpunt is nu eerder dat beide wel degelijk verenigbaar zijn; voorbehou-
den worden niet langer gemotiveerd met het islamitisch recht maar met de
stelling dat men vasthoudt aan beginselen van het eigen nationale recht (Mayer
1998). Otto komt tot dezelfde conclusie naar aanleiding van het verloop van de
besprekingen in de verdragscommissies van de nationale rapportages van de
verdragslanden over de mensenrechtensituatie met de vertegenwoordigers van
die landen. In deze commissies wordt veelvuldig kritiek geuit op de wetten en
praktijken van de onderzochte moslimlanden. Maar de discussies gaan nu minder
dan voorheen over de algemene tegenstellingen tussen ‘de islam’ of ‘de sharia’                         137
en de conventies. Ze worden concreter en constructiever, en er wordt ook voor-
uitgang geconstateerd. Waar in deze deskundigencommissies ook moslims
zitten, worden claims in termen van ‘de islam’ niet langer zonder meer geaccep-
teerd en kan de aandacht worden gericht op de nationale rechtsontwikkeling zelf
en de vergelijking daarvan met die in andere moslimlanden (Otto 2006).
Het partij zijn bij een mensenrechtenverdrag garandeert nog geen vlekkeloze
mensenrechtensituatie. Maar tegen de achtergrond van de eerdergenoemde klas-
sieke islamitische doctrine waarin het mensenrechtenconcept als zodanig werd
verworpen, is de situatie principieel veranderd. Men treft nu veel meer beschou-
wingen aan met als strekking dat de islam of de sharia verenigbaar is met de men-
senrechten, of zelfs dat de mensenrechten eigenlijk door de islam zijn uitgevon-
den en alle al in de koran zijn te vinden (zie hoofdstuk 2). Hoe dit zij, annexatie
van het concept door het te vertalen in het eigen denkgoed is een zeer belangrijk
aanknopingspunt voor verdere ontwikkelingen naar een rechtsstaat. Het creëert
een basis waarop de nationale en internationale discussie kan voortbouwen zon-
der dat meteen van polaire posities sprake is. Dat moslimlanden zich door partij
te worden bij internationale verdragen blootstellen aan mondiale mechanismen
van sociale controle, en – naar blijkt – zich nu ook eerder lerend dan confronterend
opstellen ten opzichte van daaruit voortvloeiende bevindingen en aanbevelingen,
bevestigt dat de vroegere tegenstelling niet alleen conceptueel maar ook praktisch
aan kracht verliest. In dit kader is de oproep van belang van Nobelprijswinnares
Shirin Ebadi aan het Westen om feitelijke schendingen van mensenrechten niet
voortdurend aan de islam toe te schrijven. Dat miskent niet alleen de toenadering,
maar heeft ook als gevolg dat de eerdere tegenstelling weer wordt aangewakkerd
en praktische vorderingen ongedaan worden gemaakt (Ebadi 2004).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 138 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 139 ======================================================================

<pre>    dy na miek in isla mi t isch ac t i visme
                              Baderin poogt een zakelijke discussie te bevorderen door van een tweetal
                              mensenrechtenconventies de artikelen en hun toelichting systematisch te verge-
                              lijken met uitspraken van islamitische rechtsgeleerden over die onderwerpen.
                              Bij deze laatste beziet hij ook de opvattingen van de islamitische rechtsscholen.
                              Eén van de twee door hem geanalyseerde conventies betreft de iccpr, die hier-
                              voor al aan de orde was. Deze conventie omvat ook veel onderwerpen die nader
                              zijn uitgewerkt in de cedaw en de cat. Op grond van zijn uitvoerige onderzoek
                              concludeert Baderin dat voor het overgrote deel van het zeer uitvoerige iccpr
                              van verschil met islamitisch recht geen sprake is. De conflictgebieden betreffen
                              de reikwijdte van gelijkheid tussen mannen en vrouwen en tussen moslims en
                              niet-moslims, het verbod van onmenselijke en vernederende straffen, vrijheid
                              van religie en meningsuiting en enkele misdrijven waarop de doodstraf staat.
                              Maar zelfs in deze gevallen zijn de verschillen zijns inziens te verkleinen, omdat
                              in de verschillende rechtsscholen vrijwel altijd wel interpretaties zijn te vinden
                              die niet naar redenering maar wel naar uitkomst in de buurt komen van het inter-
                              nationale recht (Baderin 2003). Berger stelt dat, anders dan voorheen de
                              gewoonte was, wetgevers zich inmiddels het recht hebben gegeven een keuze te
                              maken uit de rechtsregels van alle rechtsscholen (Berger 2006: 72). Deze flexibi-
                              liteit maakt het derhalve mogelijk de sharia zo humaan mogelijk te interpreteren.
138                           De sharia kan – mits inderdaad humaan geïnterpreteerd – derhalve zelf ook
                              dienen als een voertuig voor de realisatie in moslimlanden van de rechten zoals
                              in onder andere de iccpr zijn neergelegd (Baderin 2003).
                 4.3.3        conclusie
                              De mensenrechtensituatie in moslimlanden voldoet niet aan de internationale
                              maatstaven. De situatie in de moslimlanden als geheel is evenmin ongunstiger
                              dan in andere ontwikkelingslanden. Zo laten de verschillende indexen in het
                              Human Development Report 2004 die de positie van vrouwen meten, een grote
                              spreiding zien. Allerlei moslimlanden scoren beter dan niet-moslimlanden in
                              Afrika, Azië en Latijns-Amerika (undp 2004). Hoopgevend is dat het mensen-
                              rechtenconcept als zodanig ingang heeft gekregen in het islamitisch-juridisch
                              denken, en gezien de aard van het klassiek-islamitisch denken is dat een belang-
                              rijke innovatie. Het betreft echter meestal geen voluit accepteren van dat concept;
                              rechten en vrijheden worden nogal eens gefilterd door een islamitische bril. Maar
                              dat sluit verdere toenadering niet uit, en deze is feitelijk ook waar te nemen. Dit
                              vormt een belangrijk aanknopingspunt voor het verminderen van de spanningen
                              tussen de sharia en het internationale recht.
                              De denkbeelden van de in hoofdstuk 2 besproken modernisten van eind negen-
                              tiende en begin twintigste eeuw, zoals Mohammed Abdu, lijken in de huidige
                              episode in verschillende landen implementatie te krijgen, ondanks pogingen van
                              orthodoxe en fundamentalistische zijde om het recht meer in overeenstemming
                              te brengen met de fiqh respectievelijk de in hun ogen ‘echte’ islam. De hybride
                              situatie van het moment creëert tegelijk veel onzekerheid. Het recht op papier
                              met zijn vaak verschillende constitutionele basisnormen hoeft niet in overeen-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 139 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 140 ======================================================================

<pre>                                                                de ontwikkeling van recht en rechtsstelsels
    stemming te zijn met het recht in de praktijk, en deze discrepantie kan zowel ten
    voordele als ten nadele van de feitelijke mensenrechten uitvallen. Recht op papier
    kan de functie vervullen van loutere symboliek of window dressing (Aubert 1971).
    Het kan echter zowel bedoeld zijn om de nationale en internationale bewakers
    van de mensenrechten tevreden te stellen als de bewakers van de ‘echte’ islam.
    Een aanwijzing voor het eerste is het grondwettelijk recht op vrijheid van gods-
    dienst, terwijl in het strafrecht afvalligheid strafbaar is gesteld. Een aanwijzing
    voor het tweede is dat in sommige landen de hadd-straffen wel formeel zijn
    ingevoerd, maar niet tot uitvoering komen door in het rechtsstelsel ingebouwde
    buffers. Deze hybride situatie roept de vraag op naar het mogelijke verloop in de
    toekomst.
4.4 interpretatie van de rechtsdynamiek
    Dit hoofdstuk liet zien dat moeilijk generaliserend over islamitisch recht in
    moslimlanden kan worden gesproken. Onder de vlag van de sharia gaan grote
    verschillen schuil, en moslimlanden tonen eveneens een zeer uiteenlopende
    mate waarin hun rechtssystemen zijn geschoeid op islamitische leest. Dit geldt
    voor zowel constitutionele aspecten als voor belangrijke rechtsgebieden, zoals
    het familierecht en het strafrecht. Er bestaat maar één land dat door de klassieke                      139
    sharia wordt geregeerd, namelijk Saoedi-Arabië, en zelfs hier niet onverkort.
    De overige zich in de grondwet islamitisch noemende landen, namelijk Iran,
    Pakistan, Soedan en het huidige Afghanistan, hebben alle niet slechts de sharia
    als constitutionele basisnorm, maar eveneens de grondwet zelf, waarin ook
    verwijzingen zijn opgenomen naar andere dan religieuze normen (rule of law,
    rechten en vrijheden). De rechtsvergelijkende studie voor dit rapport toont aan
    dat alle andere landen een grote mate van variatie tonen in de verhouding tussen
    religieuze en niet-religieuze basisnorm. Ook wanneer de het meest door de isla-
    misering beïnvloede rechtsgebieden erbij worden betrokken, is verscheidenheid
    het meest opvallende kenmerk. Otto komt op basis van het onderzoek van twaalf
    landen tot de driedeling van klassieke shariastelsels (Saoedi-Arabië en Iran),
    seculiere stelsels (Turkije) en gemengde stelsels. Deze laatste en grootste catego-
    rie is ook weer onder te verdelen in een drietal subcategorieën op basis van de rol
    van islamitische voorschriften in sommige rechtsgebieden. Deze rol is het grootst
    in drie landen, te weten Soedan, Pakistan en Afghanistan, maar al minder uitge-
    sproken dan in Saoedi-Arabië of Iran. De meest ‘seculiere’ van de drie subgroe-
    pen zijn Indonesië en Mali. De tussengroep betreft Egypte, Marokko, Nigeria en
    Mali (Otto 2006: 37-39 en 128-132). Deze grote spreiding van de rol van de sharia
    in het rechtssysteem zal voor de gehele populatie van 57 moslimlanden niet
    minder groot zijn.
    Dat de sharia of de islam, hoe verder ook geïnterpreteerd, opnieuw een plaats
    heeft verworven in het recht van een aantal landen is tegen de achtergrond van
    de historisch gegeven noodzaak tot politieke legitimatie niet verbazingwekkend.
    De kaart die de op islamisering van het recht gerichte bewegingen in de afgelopen
    decennia speelden, kon dan ook niet eenvoudig worden genegeerd. Tegelijk heeft
</pre>

====================================================================== Einde pagina 140 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 141 ======================================================================

<pre>    dy na miek in isla mi t isch ac t i visme
                              dit in het recente verleden geleid tot heftige en soms, zoals in Afghanistan, Nige-
                              ria en Soedan, zeer bloedige confrontaties rond ‘de’ islam en ‘de’ sharia. Meer nog
                              dan tussen ‘beschavingen’ hadden en hebben clashes (Huntington 1996) binnen
                              de moslimwereld plaats. Wat het recht betreft, is hierbij de vraag of de confronta-
                              ties leidden tot een ‘islamisering van het recht’ dan wel een ‘nationalisatie van de
                              sharia’ in een alomvattend nationaal rechtssysteem. Anders gezegd: wat zal de
                              uitkomst zijn van de strijd om het rechtsmonopolie? Bij deze strijd zijn in de naar
                              rechtsopvattingen vaak heterogene moslimsamenlevingen verschillende ‘mees-
                              ters van de rechten’ betrokken: traditionele volkshoofden, religieuze schriftge-
                              leerden, politieke heersers, gekozen volksvertegenwoordigers, professionele
                              juristen en internationale juristen. De coalities die zich tussen deze ‘meesters’
                              vormen, zijn belangrijk voor de rechtsontwikkeling (Otto 2006: 136-138).
                              Een definitief antwoord op de gestelde vraag kan niet gegeven worden, want
                              noch het staatsvormingsproces noch het streven naar islamisering betreft een
                              afgesloten hoofdstuk. Er zijn ook grote interne en externe onzekerheden: hoe
                              stabiel zijn de vredesakkoorden in Afghanistan en Soedan, en wat is de kans dat
                              de grondwetten er gaan functioneren, wat staat in Irak, Iran, Libanon, Syrië en
                              met het vredesproces tussen de Palestijnen en Israël te gebeuren? Hoe stabiel is
140                           de situatie in landen als Egypte, Iran, Marokko, Algerije, Pakistan en Maleisië?
                              Wat zal de politieke en militaire opstelling zijn van westerse landen? Overal
                              zijn de contingenties groot en mogelijke wendingen hebben gevolgen die verder
                              reiken dan het betreffende land. Feit is wel dat islamitische bewegingen er tot
                              dusverre nergens in zijn geslaagd een nationale revolutie te bewerkstelligen zoals
                              in Iran. Anders dan gevreesd, zijn moslimlanden niet als dominostenen gevallen
                              voor de klassieke sharia. Hoewel het rechtsstelsel in Iran inderdaad formeel is
                              geïslamiseerd volgens het klassieke model, is deze islamisering zelfs hier niet
                              compleet en deels alweer gematigd. De dubbele constitutionele basisnorm –
                              zowel islam als raison d’état – die zich ook institutioneel vertaalde, heeft er een
                              permanente strijd opgeleverd die noopte tot weer een nieuwe instelling met de
                              bevoegdheid om het ‘algemeen belang’ te definiëren, dat ook formeel prevaleert
                              boven de sharia. Maar in Iran is ook deze sharia zelf niet eenduidig; hoewel de
                              hervormingsbeweging politiek voorlopig het onderspit heeft gedolven, heeft ze
                              aan het besef bijgedragen dat de islam verschillende interpretaties toestaat. Hier-
                              mee is in deze theocratie een ‘hermeneutisch pluralisme’ geïntroduceerd (Arjo-
                              mand 2004: 22). Hoofdstuk 2 liet zien dat tot deze pluraliteit ook opvattingen
                              behoren die zich op islamitische gronden juist tegen de theocratie richten. Ook
                              hier is derhalve geen sprake van ondubbelzinnige islamisering van klassieke snit,
                              en bovendien is er toch ook een aanzienlijke mate van nationalisatie en inkapse-
                              ling van de sharia in een nationaal rechtssysteem.
                              Het proces waarin moslimlanden zijn verwikkeld, toont een zekere analogie met
                              de vroegere secularisatie van het canonieke recht in Europa (Berman 1983). De
                              nationalisatie van het godsdienstig recht in de moslimwereld is net als toen geen
                              snel en glad verlopend proces, maar voltrekt zich over een zeer lange periode en
                              via grote controverses en confrontaties tussen de religieuze en statelijke auto-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 141 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 142 ======================================================================

<pre>                                                         de ontwikkeling van recht en rechtsstelsels
riteiten en hun aanhang. Otto beschrijft hoezeer desalniettemin de grote lijn in
moslimstaten er tot nog toe een is van verstatelijking en constitutionalisering van
het rechtssysteem, waarbij delen van de sharia worden genationaliseerd. Tegelijk
met deze nationalisering vindt een grote inhoudelijke verandering plaats en
verwijdert dit recht zich naar formele en substantiële kenmerken steeds verder
van de klassieke fiqh.
Voor de meeste landen valt het antwoord op de vraag naar de winnaar van de
strijd om het rechtsmonopolie derhalve tot nog toe uit in het voordeel van de
staat. De codificatie die met de verstatelijking gepaard gaat, leidt tegelijk tot een
inhoudelijke verandering van de geloofsvoorschriften. Ook wordt de definitie
van het nationale recht steeds meer uit handen van de ulama genomen en tot de
bevoegdheid van statelijke actoren gerekend, zowel wat betreft wetgeving,
uitvoering als rechterlijke bemoeienis. De in moslimlanden gebruikelijke figuur
van het ministerie van Godsdienstzaken maakt controle mogelijk op de religieuze
ontwikkeling. De bevoegdheden zijn vaak aanzienlijk, zoals het ontwerpen en
uitvoeren van sharia-gerelateerde wetgeving, beheren van religieuze rechtban-
ken, toezien op het islamitisch onderwijs, bouwen en beheren van moskeeën, het
geven van godsdienstvoorlichting, en het inzamelen en toedelen van religieuze
belastingen en het toezicht op huwelijks- en echtscheidingszaken. Ze vormen                          141
een buffer tussen de staat en de ulama, en kunnen zo tegenwicht bieden tegen
radicalisering. Maar omgekeerd is het ook mogelijk dat radicalisering wordt ver-
sterkt wanneer regimes menen baat te hebben bij het overnemen van delen van
de islamiseringsagenda, of wanneer radicalisering een onbedoeld effect is van het
streven radicale bewegingen de wind uit de zeilen te nemen. Bovendien zal ‘vrij-
denken’ door dergelijke vormen van staatsislam niet snel worden aangemoedigd,
bedreigend als dat wordt gevonden voor de gevestigde (staats)-belangen (zie ook
hoofdstuk 3). Maar ook in deze gevallen is het de staat die de ruimte voor religie
definieert, en niet andersom (Otto 2006: 189).
De rol van de rechterlijke macht is opmerkelijk. Waar sprake is van een constitu-
tioneel dubbele basisnorm, hebben de hogere rechtsinstellingen als de Hoge
Raad, het Constitutionele Hof of het Shariahof van Beroep in verschillende
landen (bijv. Egypte, Maleisië, Indonesië en Pakistan) het bereik van klassiek-isla-
mitische normen beperkt gehouden ten opzichte van modernere interpretaties of
bestaande seculiere normen. Zo is in Egypte de reikwijdte van het grondwettelijk
amendement van 1980 dat de sharia de bron van wetgeving is, door het Consti-
tutionele Hof vergaand ingeperkt en daarmee de met het Westen vergelijkbare
rechtsontwikkeling op vele gebieden als niet strijdig met de sharia verklaard.
Bovendien claimt het Hof het exclusieve recht op interpretatie van de principes
van de sharia zonder hierbij de regels van de islamitische jurisprudentie te volgen
(Arjomand 2004: 20). In Pakistan spelen de hoogste rechtscolleges een vergelijk-
bare rol. De Hoge Raad heeft in rechtszaken waarbij conflicten tussen de twee
constitutionele basisnormen speelden een aantal keren beslist ten gunste van de
seculiere artikelen van de grondwet. Het Federale Sharia Hof, bevoegd in onder
andere hadd-strafzaken, heeft keer op keer beslissingen van lagere rechtbanken
</pre>

====================================================================== Einde pagina 142 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 143 ======================================================================

<pre>    dy na miek in isla mi t isch ac t i visme
                              waarbij de hoogste hadd-straffen werden opgelegd, nietig verklaard. Beide orga-
                              nen worden bemand door in meerderheid professionele juristen, en net als in
                              Egypte doen nu derhalve niet-schriftgeleerden uitspraken over godsdienstig
                              recht (ijtihad). Uit onderzoek van Lau blijkt namelijk dat ook deze niet-religieuze
                              rechter toch religieuze argumenten hanteren voor oordelen die afwijken van die
                              van de ulama-rechters. Evenals in landen als Egypte, Indonesië, Maleisië en Nige-
                              ria werpen de hogere rechtscolleges in Pakistan zo een dam op tegen islamisering
                              van het recht in klassieke richting. Hier doorheen speelt overigens nog een
                              andere strijd, namelijk tegen de instrumentalisering van het recht en de rechter
                              door de uitvoerende macht. Waar de Pakistaanse regering poogde radicale islami-
                              tische groepen tegemoet te komen met radicale wetten, rule by law, hebben de
                              hogere rechtscolleges met een beroep op fundamentele rechtsbeginselen als
                              public interest tegengas gegeven. Ze dragen zo bij aan een bevestiging van hun
                              formeel onafhankelijke positie en ook aan het principe dat eveneens de uitvoe-
                              rende macht onderhevig is aan de rule of law (Lau 2003). Onafhankelijkheid van
                              de rechterlijke macht is nog geen vanzelfsprekendheid in de meeste moslimlan-
                              den. Rosefsky Wickham laat voor Egypte zien dat ‘overwinningen’ van het
                              Constitutionele Hof op de uitvoerende macht deels ook zijn terug te voeren op de
                              bereidheid van de regering beslissingen van het Hof te respecteren (Rosefsky
142                           Wickham 2002: 224).
                              De rechtsvergelijkende analyse laat voorts zien dat de herintroductie van islami-
                              tisch recht zich grotendeels voltrok in de episode 1965-1985, maar daarna aan
                              kracht verloor, zelfs bij toenemend internationale confrontatie tussen westerse en
                              moslimlanden. Dit bevestigt de opvatting van Roy dat de islamitische revolutie
                              over haar hoogtepunt is (Roy 1994 en 2004). Afgemeten aan het ‘elan’ en de claims
                              van de in het vorige hoofdstuk beschreven politieke islamitische bewegingen is de
                              islamisering van het recht eigenlijk nog beperkt gebleven. Behalve in Iran en een
                              tijdlang in Afghanistan (Taliban) en in Soedan en Pakistan hebben islamitische
                              krachten in coalitie met de machthebbers de staat en het formele recht niet kunnen
                              ‘kapen’ en is eerder het omgekeerde het geval. Invoering lijkt soms eerder van
                              symbolische aard dan dat van grote invloed op het positieve recht sprake is, bij-
                              voorbeeld bij algemene verwijzingen naar de sharia in de grondwet. In de vorige
                              paragraaf werd voorts melding gemaakt van de opkomst van het concept van
                              islamitische mensenrechten, als reactie op het universele mensenrechtenconcept;
                              desondanks blijkt er in de praktijk toenadering te bestaan tussen beide concepten.
                              Ook blijken steeds meer moslimlanden – zelfs Saoedi-Arabië – partij te willen
                              worden bij de mensenrechtenconventies, en voorbehouden steeds minder te zoe-
                              ken in islamitische argumentatie. Uitgerekend op het zwaar koranische terrein van
                              het familierecht blijkt de sharia – weliswaar schoorvoetend – modernisering van
                              het recht in een aantal landen niet in de weg te staan.
                              Dit roept de vraag op of modernisering van het recht niet juist vergemakkelijkt
                              wordt wanneer deze onder de vlag van de sharia en derhalve beredeneerd vanuit
                              de islam zelf kan plaatsvinden. Dan zou het in een grondwet opnemen van de
                              sharia als basisnorm juist geen loze of louter tactische aangelegenheid zijn, maar
</pre>

====================================================================== Einde pagina 143 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 144 ======================================================================

<pre>                                                        de ontwikkeling van recht en rechtsstelsels
een belangrijke voorwaarde voor verdere ontwikkeling naar een democratische
rechtsstaat. In postmodern jargon: wanneer veranderingen vanuit het eigen
frame kunnen worden gelegitimeerd, zal men deze gemakkelijker aanvaarden
dan wanneer deze worden onderbouwd met argumenten die vreemd zijn aan
dat jargon of daarmee – althans in de huidige episode – zelfs als strijdig worden
gezien. Bewijs voor deze mogelijkheid kan natuurlijk niet worden gegeven, maar
ze lijkt wel aannemelijk.
Door de sharia in de grondwet op te nemen als een bron of de bron van wetgeving
gaat het – functioneel gezien – niet om het niveau van het bindende recht zelf
maar eerder om de legitimatie ervan. De legitimatie van dat recht zou er in deze
redenering mee gediend zijn wanneer de rechtssubjecten het kunnen ervaren als
hun eigen recht, en de framing die dit mogelijk maakt is dan essentieel. Bij alle
erkenning van de cynische overwegingen die machthebbers ertoe brachten of
brengen om de sharia als instrument in te zetten voor positiebehoud (bijv. als
uitkomst van een deal met de islamitische oppositie), moet toch worden bedacht
dat grote delen van de moslimwereld in de afgelopen decennia zeer ontvankelijk
waren voor een discours in islamitische toonzetting; machthebbers weten welke
snaar ze moeten aanroeren. Het ‘Islam is the solution’ ondervond en ondervindt
nog steeds een aanzienlijke weerklank bij de bevolking. Wanneer de rechtsont-                       143
wikkeling derhalve op deze islamitische leest wordt geschoeid, zou dat juist de
modernisering een minder bedreigend gezicht kunnen geven dan nu vaak het
geval is. In zijn studie over de rechtsontwikkeling in Marokko laat Buskens zien
dat met de nieuwe openheid in dat land vanaf de jaren negentig twee vertogen
het politieke bedrijf zijn gaan domineren, namelijk de islam en de mensenrech-
ten. Beide gaan ten dele samen: islamitische bewegingen combineren het islami-
tisch vertoog met het idioom van de mensenrechten. Zoals we zagen, heeft dit
in bijvoorbeeld Marokko op het terrein van het gezinsrecht tot een belangrijke
innovatie geleid (Buskens in Otto et al. 2006).
Trautner acht een ontwikkeling naar democratische rechtsstaten in de moslim-
wereld zeer goed mogelijk, maar ziet het plaatsen hiervan in islamitisch perspec-
tief als inderdaad daarvoor noodzakelijk. Hij bepleit hiertoe veel meer aandacht
van het Westen voor de denkbeelden van huidige islamitische hervormers, zoals
die welke in paragraaf 2.3 werden besproken. Denkers als Soroush (Iran), An
Na’im (Soedan) en ook al-Ghanushi (Tunesië) sluiten aan op de behoefte aan
authenticiteit, en leggen zo de theoretische grondslag voor islamisering van
democratie, rule of law, mensenrechten, pluraliteit, e.d. Zij kunnen volgens
Trautner juist door een reconceptualisering van traditionele islamitische concep-
ten bijdragen aan een geleidelijke ‘democratisering’ van de interpretatie van de
sharia, terwijl nu vaak door de verschillende partijen met essentialistische motie-
ven het monopolie op interpretatie wordt opgeëist (Trautner 1999b).
Wanneer de universele en de islamitische mensenrechtenverklaringen of de
constituties van sommige moslimlanden met die van westerse landen worden
vergeleken, bestaan ondanks de toenadering evidente verschillen. Wanneer op
</pre>

====================================================================== Einde pagina 144 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 145 ======================================================================

<pre>    dy na miek in isla mi t isch ac t i visme
                              basis hiervan geconcludeerd wordt tot principiële onverenigbaarheid, zou ervan
                              worden uitgegaan dat rechtssystemen niet kunnen veranderen. Dat zou de dyna-
                              miek miskennen die het recht onder invloed van veranderende omstandigheden
                              overal ondergaat, zowel – en misschien wel eerst – in de toepassing van het posi-
                              tieve recht als in dat recht zelf. De vraag dringt zich op of aldus de modernisering
                              van sharia-interpretaties uiteindelijk niet toch verder zal convergeren naar het
                              internationale recht. Niet vanwege een hegemoniale invloed van dit laatste recht,
                              maar omdat die landen op een aantal gebieden nu eenmaal achterstanden willen
                              inhalen. ‘Achterstand’ suggereert ‘inhalen’ en uiteindelijk – bij alle denkbare vari-
                              atie – een zekere ‘gelijkheid’. Dit argument zal worden geïllustreerd aan de positie
                              van vrouwen.
                              Rechtsregels vormen tot op zekere hoogte en op straffe van dictatuur dan wel
                               irrelevantie een weerslag van de maatschappelijke normen. Bewust wordt gespro-
                              ken van ‘tot op zekere hoogte’, want een volstrekte afspiegeling van de ‘geleefde’
                              normen is natuurlijk niet mogelijk en niet gewenst. Zeker in landen met grote
                              ongelijkheden lopen die normen, bijvoorbeeld tussen elite en grote massa, tussen
                              traditioneel en modern, en tussen etnische gemeenschappen, sterk uiteen. Dat
                              betekent dat het formele recht ook niet losstaat van het ontwikkelingsstadium van
144                           een land. Vanuit westers oog wordt de rechtspositie van vrouwen in veel moslim-
                              landen als ‘vreemd’ of ‘anders’ beoordeeld, als kennelijk behorend tot ‘islamitische’
                              en dus aan vreemde waarden en normen. Maar bedacht moet worden dat veel van
                              de (heilige) credo’s in moslimlanden over huwelijk, gezin en de rol van vrouwen
                              hierbij tot nog niet zo lang geleden ook gemeengoed waren in Nederland en door
                              sommigen nog gekoesterd worden. Het gezin werd en wordt in christelijke kring
                              – en daar niet alleen – nog immer als hoeksteen van de samenleving gezien, en het
                              via echtscheiding ontbinden van kerkelijk gesloten huwelijken was voor vele kerk-
                              genootschappen niet mogelijk. Seksualiteit buiten het huwelijk was ook hier zeer
                              lang taboe en homoseksueel gedrag is dat voor veel christelijke stromingen nog.
                              De recente brief van het Vaticaan aan de bisschoppen over de samenwerking van
                              mannen en vrouwen in de kerk en de wereld ademt nog steeds de geest van een
                              ‘natuurlijke’ rolverdeling tussen man en vrouw en de bijzondere verantwoorde-
                              lijkheid van de vrouw voor het gezin, als “de oorspronkelijke en in zekere zin
                              ‘soevereine’ eenheid” (Congregatie van de Geloofsleer 2004) . Tot in de jaren
                              zeventig heerste ook in Nederland het idee van complementariteit, waarbij van
                              gelijke rechten en plichten geen sprake was en vrouwen gezien werden als de
                              zwakkere, te beschermen partij. In Nederland waren getrouwde vrouwen tot 1957
                              formeel handelingsonbekwaam en was de man tot 1971 het hoofd van het gezin
                              (In ’t Veld-Langeveld en Schoonenboom 1976).
                              Veel moslimlanden kennen uit het oogpunt van ontwikkelingspeil een grote
                              ongelijkheid: naast een welvarende, goed opgeleide elite is er ook zeer grote
                              armoede en hoog analfabetisme, vooral bij vrouwen. De verschillen manifesteren
                              zich in veel andere grootheden, zoals kindertal, kennis van de wereld en ook
                              geloofsbeleving. Anders dan de elites koestert de grote massa nog zeer traditio-
                              nele normen ten aanzien van de positie van vrouwen. Deze samenlevingen leven
</pre>

====================================================================== Einde pagina 145 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 146 ======================================================================

<pre>                                                           de ontwikkeling van recht en rechtsstelsels
als het ware in verschillende tijden tegelijk: de ene laag in de hoogmoderne, de
andere deels nog in de premoderne tijd. Maar de ontwikkeling in de komende
decennia laat de grote massa niet onberoerd. Verdere urbanisatie, een stijgend
opleidingsniveau van vrouwen, kleinere gezinnen, deelname aan arbeid, toe-
nemende welvaart en mediaconsumptie veranderen de positie van vrouwen,
hun zelfperceptie en mondigheid. In Iran, dat de afgelopen decennia een snelle
verbetering van de opleiding van vrouwen te zien heeft gegeven, zijn juist zij
electoraal opgekomen voor ontradicalisering. Hun ‘subversiviteit’ ten aanzien
van de klassieke voorschriften uitte zich ook op andere wijze. Terwijl het
regime in de zwaar islamitisch-ideologische periode meteen na de revolutie
de minimumhuwelijksleeftijd verlaagde van 15 naar 9 jaar en daarna weer
verhoogde naar 13 jaar is de feitelijke huwelijksleeftijd inmiddels gestegen naar
boven de 24 jaar. Met de stijgende huwelijksleeftijd daalt het aantal kinderen
per vrouw. De ideologisch zozeer gesacraliseerde bestemming van vrouwen
in huwelijk en gezin wordt aldus door het feitelijk gedrag gefalsifieerd; een zo
goed mogelijke opleiding en aansluitende arbeid is een normaal onderdeel van
het leven van veel jonge vrouwen geworden en de Iraanse economie heeft hen
ook hard nodig. Vroeg of laat zullen de juridische normen de richting van de
maatschappelijke veranderingen volgen, een andere toepassing krijgen of een
dode letter worden. De recente verruiming van de echtscheidingsmogelijk-                               145
heden voor vrouwen in Egypte, waarvan gedacht werd dat deze vooral weer
de bemiddelde vrouwen ten goede zou komen, illustreert de andere toepassing.
De zogenoemde khul-scheiding, die vrouwen door af te zien van financiële
rechten in staat stelt voor de rechtbank te scheiden zonder toestemming van
de echtgenoot, blijkt vooral te worden benut door armere vrouwen (Berger en
Sonneveld in Otto et al. 2006). Uit het rechtsvergelijkend onderzoek blijken
ook in andere moslimlanden de juridische normen zich aan veranderingen aan
te passen, zoals in Pakistan, Indonesië en zelfs Saoedi-Arabië (Otto et al. 2006).
Ook Roy observeert dat de feitelijke ontwikkelingen in de moslimwereld rond
onder andere huwelijk, gezin en echtscheiding – met vertraging – overeen-
komen met die in het Westen en dat zelfs achter ogenschijnlijke hertraditiona-
lisering, zoals de terugkeer van de hoofddoek, juist modernisering schuilgaat
(Roy 2004: 140-141).
Naarmate achterstanden worden ingehaald en dit een vertaling vindt in familie-
recht is derhalve convergentie te verwachten. Gezien de bijvoorbeeld naar oplei-
dingsniveau en welvaartsverdeling zeer grote achterstanden van de meeste
landen (zie hoofdstuk 2) moet wel gerekend worden met een zeer lange termijn.
Voor het inhalen moet met generaties worden gerekend, zij het dat er grote
verschillen zijn tussen de moslimlanden. Tegelijk moet bedacht worden dat door
de activiteit van sociale bewegingen de aanpassing van het formele recht aan
feitelijke ontwikkelingen ook versnellingen kan ondervinden. Arjomand signa-
leert dat de vrouwenbewegingen in moslimlanden momenteel een van de meest
dynamische factoren zijn (Arjomand 2004: 25). Zelfs in Saoedi-Arabië laten
vrouwen-ngo’s van zich horen. Onder hun invloed is een van de juridische pijlers
van het wahhabisme in discussie gekomen, namelijk het principe van ‘blocking
</pre>

====================================================================== Einde pagina 146 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 147 ======================================================================

<pre>    dy na miek in isla mi t isch ac t i visme
                              of the means’. Dit houdt in dat handelingen verboden zijn die kunnen leiden tot
                              zonden; op deze grond is het vrouwen verboden een auto te besturen (Meijer
                              2005). Evenzo als in de jaren zestig en zeventig de vrouwenbeweging in westerse
                              landen grote invloed had op de wetgeving zou dat nu in de moslimwereld het
                              geval kunnen zijn. Dit geldt des te sterker naarmate democratische openingen
                              ook voor vrouwen ontstaan.
                              Hoe plausibel voortgaande convergentie ook is, dat wil echter nog niet zeggen dat
                              geen verschillen overblijven; eerder zal sprake zijn van ‘multipele modernitei-
                              ten’. Met dit begrip verzet Eisenstadt zich tegen de in het Westen nog steeds
                              levende gedachte dat modernisering een gelijkvormig en lineair proces is naar een
                              situatie waarvoor het Westen – als voorloper – model staat. Modernisering ziet
                              hij in navolging van Max Weber als het zich gaandeweg postvatten van de idee
                              dat de kosmos niet een onveranderlijke, door God bepaalde orde vertegenwoor-
                              digt, maar door bewust menselijk handelen kan worden veranderd. Met dit
                              inzicht wordt de mens een autonome factor, die zich derhalve kan bevrijden van
                              de traditionele politieke en religieuze autoriteit. Het antwoord in en buiten het
                              Westen op deze kern van modernisering is niet identiek, maar contextafhankelijk
                              en voortdurend evoluerend. Geschiedenis, sociale en economische dynamiek en
146                           institutionele structuur zijn alle relevant voor het antwoord. Dit sluit overeen-
                              komsten in tijdpad en/of resultaat niet uit, maar evenmin verschillen en hybride
                              vormen. Vandaar dat Eisenstadt spreekt van ‘multipele moderniteiten’ (Eisen-
                              stadt 2000). Dit concept volgend is de vraag waar het ‘multipele’ ten aanzien
                              van het familierecht betrekking op zal krijgen. Hierover kan natuurlijk alleen
                              maar worden gespeculeerd, maar het lijkt niet aannemelijk dat religie en sharia
                              op afzienbare termijn als inspiratiebron van het recht zullen verdwijnen.
                              In West-Europa was de seculiere rechtsontwikkeling in hoge mate een resultante
                              van de afsplitsing van het canonieke recht in de elfde eeuw. Hierdoor werd
                              afstand geschapen tussen religieus en wereldlijk recht, maar ontstond tegelijk
                              ook ruimte voor de ontwikkeling van het seculiere recht. Concepten als rule of
                              law, waar ook de koning aan gebonden is, konden ontstaan omdat het koning-
                              schap door die afstand was ontdaan van zijn religieuze legitimiteit (Berman
                              1983). Deze fundamentele scheiding van beide domeinen kon echter wel plaats-
                              vinden doordat de kerk een institutie vormde met beslissingsmacht. Die institu-
                              tionele voorwaarde ontbreekt in de moslimwereld; zeker in de sunnitische
                              wereld doet de structuur eerder aan het protestantisme dan aan de rooms-katho-
                              lieke kerk denken. Dat betekent niet dat geen scheiding van geloofsgemeenschap
                              en staat of secularisatie van het recht op kan treden; feitelijk is deze overal
                              gaande. Maar het ontwikkelingspad is niet identiek.
                              ‘De’ sharia is op zichzelf pluriform en flexibel genoeg om zich aan ontwikkelin-
                              gen van allerlei aard aan te passen; of dit feitelijk zal gebeuren is uiteraard afhan-
                              kelijk van onder andere het ontwikkelingsproces en de machtsverhoudingen. Het
                              lijkt aannemelijk dat nog meer dan nu al het geval is de sharia op langere termijn
                              zal gaan functioneren in de meer abstracte betekenis van Gods weg en sociale
                              rechtvaardigheid. In het voor de legitimatie van recht relevante discours zal de
</pre>

====================================================================== Einde pagina 147 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 148 ======================================================================

<pre>                                                              de ontwikkeling van recht en rechtsstelsels
    sharia een belangrijke inspiratiebron blijven. Maar het positieve recht zal steeds
    meer geënt worden op de waarden die achter de letter van de geboden en ver-
    boden schuilgaan, en een toepassing te zien geven van allerlei procedures om
    die geboden en verboden verder te conditioneren en zich daarmee verwijderen
    van de klassieke sharia. Maar ook dan blijft het natuurlijk wel gaan om een in
    religieuze termen gegoten discours. En ook al zal dat op veel rechtsgebieden in
    westerse ogen normale uitkomsten te zien geven, zo’n discours zal vermoedelijk
    toch leiden tot andere grenzen aan het gedrag dan in delen van het Westen
    worden getrokken. Hete hangijzers blijven vooralsnog de aanvaarding van reli-
    gieuze pluraliteit en hiermee samenhangende minderheidsrechten, van afvallig-
    heid en ongeloof, vrijheid van meningsuiting, de bevoorrechte positie van de
    man en een complex van zedelijkheidsvraagstukken, zoals seksualiteit buiten het
    huwelijk en homoseksualiteit (Takeyh 2001/2002). Op al deze gebieden is er
    ook dynamiek in de moslimwereld, ook al verschilt de situatie van land tot land
    en uit die dynamiek zich vaak eerder in de luwte van het privédomein dan in
    de publieke ruimte. De zware sanctie die in sommige landen op afvalligheid is
    gesteld, zal menigeen van expliciete geloofsafval weerhouden; dat sluit echter
    minder opvallende manieren niet uit, zoals het geleidelijk steeds minder voldoen
    aan de geloofsvoorschriften. Een tegenstelling tussen publiek voorgeschreven en
    privaat uitgeoefend gedrag roept spanningen op die vroeg of laat tot aanpassin-                       147
    gen nopen. Zo is in Maleisië naar aanleiding van een veroordeling tot gevangenis-
    straf wegens afvalligheid in de relatieve anonimiteit van internet voor het eerst
    over dit taboe toch een semi-openbaar debat losgebarsten, waarbij ook moslims
    zich uitspraken voor het recht op afvalligheid als onderdeel van de vrijheid van
    godsdienst (Internet Malaysia 2005). Religie en zedelijkheid zullen van belang
    blijven in het juridisch denken, maar het is moeilijk te voorspellen op welke
    wijze en hoe dwingend deze de maatschappelijke ontwikkeling zullen norme-
    ren.
4.5 conclusie
    Het begrip sharia kent verschillende betekenissen. Het kan een aanduiding zijn
    van het abstracte plan van God met de geloofsgemeenschap, het kan slaan op de
    uitwerking hiervan door de vroege schriftgeleerden in een geheel van gedragsre-
    gels, of het kan betrekking hebben op de huidige interpretaties door staten, instel-
    lingen en groepen. Wanneer gekeken wordt naar het nu geldende op de sharia
    gebaseerde recht valt vooral de grote verscheidenheid op. Er bestaan grote ver-
    schillen tussen moslimlanden zowel in de op de sharia gebaseerde rechtsregels
    zelf als in de praktische toepassing daarvan. Voorts blijkt de islamisering van het
    recht vanaf de jaren zeventig tot nu toe in de meeste landen een beperkte reik-
    wijdte te hebben gehad. De ontwikkeling van nationaal recht dat tegemoetkomt
    aan moderne sociaal-economische behoeften en niet gefundeerd kan worden
    in de klassieke sharia, gaat ook gewoon door. De eerste golf van islamisering is
    (nog) niet gevolgd door een tweede; eerder is de laatste vijftien jaar sprake van
    een afname van de invloed van althans de klassieke sharia op het nationale recht
    (Otto 2006: 189).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 148 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 149 ======================================================================

<pre>    dy na miek in isla mi t isch ac t i visme
                              In verreweg de meeste moslimlanden kan zeker nog niet gesproken worden van
                              een effectieve rechtsstaat en een volwaardige rule of law. Ze worden eerder gete-
                              kend door grote heterogeniteit van het recht. Met de onzekerheden en spannin-
                              gen als gevolg van pluraliteit van hun rechtssystemen onderscheiden ze zich
                              echter niet van andere ontwikkelingslanden. De confrontaties over het recht als
                              gevolg van de recente islamiseringsgolf hebben per saldo echter eerder geresul-
                              teerd in een ‘nationalisatie van de sharia’ dan in een ‘islamisering van het recht’
                              naar klassiek model. Slechts in een gering aantal landen is onder invloed van het
                              islamitisch activisme in de afgelopen decennia de staatsvorm en het recht (een
                              tijdlang) geïslamiseerd in klassieke richting. Als bron van wetgeving speelt het
                              islamitisch recht in meer landen, terwijl dat lang niet altijd resulteerde in veran-
                              deringen van het positieve recht. Ook het beruchte islamitisch strafrecht geldt
                              formeel slechts in een gering aantal landen en komt bovendien niet altijd tot
                              uitvoering. De recente islamisering van het recht en het al van oudsher bestaand
                              op de sharia gebaseerd nationaal familierecht hebben hervormingen niet geblok-
                              keerd. Ze lijken een verdere dynamiek in de richting van de internationale maat-
                              staven in de meeste moslimlanden dan ook niet principieel te belemmeren.
                              Het Westen kan in constructieve zin aan dit proces bijdragen. Niet alleen indi-
148                           rect, omdat het een rol speelt in de in de vorige paragraaf genoemde politieke
                              contingenties, maar ook omdat het de moslimwereld ontmoet in vele gremia die
                              belangrijk zijn voor de rechtsontwikkeling zelf. Van groot belang is dan dat het
                              Westen de sharia niet meer als vanzelfsprekend aanmerkt als strijdig met de
                              universele mensenrechten (Aliboni 2004). Daarvoor is noodzakelijk dat het reke-
                              ning houdt met de uiteenlopende betekenis: het ene land is het andere niet, en
                              dat geldt ook voor de inhoud en plaats van de sharia. De ene sharia komt redelijk
                              in de buurt van internationale mensenrechtenmaatstaven, terwijl elders onder de
                              vlag van de sharia de ernstigste schendingen ervan plaatsvinden. Vanwege de
                              godsdienstige rechtvaardiging, waarachter bovendien vaak machtsoverwegingen
                              schuilgaan, hoeft het Westen niet terug te schrikken voor het kritiseren van deze
                              praktijken; dergelijke kritiek blijkt ook invloed te hebben. Maar omgekeerd moet
                              het ook oog tonen voor de positieve betekenis die religie en het daarop geba-
                              seerde recht voor grote delen van de moslimbevolkingen heeft. Islamitisch
                              gefundeerde hervormingen van de sharia en islamitisch gefundeerde ontwikke-
                              lingen in de richting van de internationale mensenrechtenmaatstaven zullen in
                              westers oog vaak te langzaam gaan of als een stap terug worden gezien. Maar het
                              is niet uit te sluiten dat juist dergelijke hervormingen beter beklijven dan grote of
                              door het Westen afgedwongen stappen. Het volgende hoofdstuk gaat hier verder
                              op in.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 149 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 150 ======================================================================

<pre>                                                                                   beleidsperspectief
5   beleidsperspectief
5.1 inleiding
    Het streven van islamitisch geïnspireerde activisten naar deelname aan de poli-
    tieke macht en het plaatsen van het recht in islamitische kaders heeft grote span-
    ningen veroorzaakt in de moslimwereld. Hiernaast heeft het internationale
    moslimterrorisme van de afgelopen jaren ook in het Westen geleid tot angst voor
    islamitisch activisme en islamisering. Dit rapport richt zich op deze beladen
    relatie tussen de islamisering van politiek, staat en recht enerzijds, en democratie
    en mensenrechten anderzijds binnen de moslimwereld. Het onderzoekt de
    ontwikkeling van islamitisch activisme in moslimlanden en de mogelijke aan-
    knopingspunten daarin voor toenadering tot concepten van democratisering en
    mensenrechten. De centrale vragen luiden als volgt.
    • Welke inzichten zijn te ontlenen aan de ontwikkeling sinds de jaren zeventig van
       islamitisch activisme in relatie tot democratisering en verbetering van mensen-
       rechten?
    • Welke aanknopingspunten biedt islamitisch activisme voor toenadering tot                        149
       concepten van democratie en mensenrechten?
    • Welk beleidsperspectief voor Nederland en Europa kan op de langere termijn
       spanningen rondom vraagstukken van islamitisch activisme binnen de moslim-
       wereld verminderen en processen van democratisering en verbetering van
       mensenrechten ondersteunen?
    De vraag naar de ontwikkeling van islamitisch activisme in moslimlanden, alsook
    naar aangrijpingspunten voor een beleidsperspectief is in de voorgaande hoofd-
    stukken onderzocht langs drie dimensies, namelijk de ontwikkeling van islami-
    tisch-politiek denken, van islamitische politieke bewegingen en van islamitisch
    recht binnen de sunnitische en shiietische hoofdstromingen. Deze hoofdstukken
    lieten een gevarieerd beeld zien van de mate van islamisering van politiek, staat
    en recht in de verschillende moslimlanden. Het streven naar islamisering blijkt
    geen definitieve obstakels op te werpen voor democratisering en verbetering van
    de mensenrechten; op verschillende niveaus is sprake van een toenadering tot
    beide. Deze bevindingen bieden aanknopingspunten voor een beleidsperspectief
    in de zin van een visie en richtinggevend kader met algemene uitgangspunten
    van beleid dat kan bijdragen aan het verminderen van spanningen tussen islami-
    tisch activisme enerzijds en democratisering en respect voor mensenrechten
    anderzijds. In dit laatste hoofdstuk presenteert de wrr de hoofdlijnen van dit
    beleidsperspectief.
    Helaas biedt de huidige verhouding tussen de moslimwereld en het Westen
    bepaald geen gunstige context voor het overbruggen van mogelijke tegenstellin-
    gen tussen islamitisch activisme en democratie en mensenrechten. Er is een
    negatieve spiraal ontstaan die zowel internationaal als nationaal diepe sporen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 150 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 151 ======================================================================

<pre>    dy na miek in isla mi t isch ac t i visme
                              achterlaat (par. 5.2). Tegelijkertijd verhoogt deze situatie de urgentie van
                              constructieve toenadering ter ondersteuning van democratisering en verbetering
                              van de mensenrechten. De empirische analyses van hoofdstuk 2, 3 en 4 tonen aan
                              welke aangrijpingspunten voor beleid zijn te ontlenen aan de ontwikkeling van
                              islamitisch activisme (par. 5.3). De algemene uitgangspunten voor dit beleid
                              worden verkend in paragraaf 5.4. Dit rapport richt zich uiteraard tot de Neder-
                              landse regering. Een aantal beleidsvoorstellen betreft niettemin de samenwerking
                              op Europees niveau, want via dat grotere kader kan Nederland relatief veel
                              invloed uitoefenen. Welke specifieke Europese en Nederlandse beleidsopties ter
                              beschikking staan om deze betrokkenheid concreet gestalte te geven, staat
                              beschreven in paragraaf 5.5. Hoewel de wrr geen empirisch onderzoek heeft
                              verricht naar de ontwikkeling van islamitisch activisme op eigen bodem, heeft de
                              hier ontwikkelde beleidsvisie ook implicaties voor de omgang met islamitisch
                              activisme binnen Nederland, mede gezien de onderlinge verwevenheid tussen
                              buitenlands en binnenlands beleid. Deze implicaties worden besproken in para-
                              graaf 5.6.
                 5.2          de wereldpolitieke situatie
150
                 5.2.1        botsingen
                              De recente wereldpolitieke ontwikkelingen maken constructieve toenadering tot
                              de moslimwereld ter bevordering van democratisering en mensenrechten zowel
                              complexer als urgenter. De verhoudingen waarbinnen een hierop gericht streven
                              zou moeten worden gerealiseerd, waren al verslechterd door onder meer de isla-
                              mitische revolutie in Iran, de eerste Golfoorlog, de oorlog in Afghanistan en het
                              slepende Midden-Oostenconflict. Maar sinds ‘11 september’ is sprake van een
                              escalatie van conflicten. De ‘oorlog’ tegen het terrorisme in Afghanistan en Irak
                              lokt interpretaties uit van een clash tussen het Westen en de islam. Of inderdaad
                              sprake is van primair deze clash wordt betwist. Reza Aslan beklemtoont dat
                              wat zich nu, ook na de aanslagen sinds 2001 in de moslimwereld rond de islam
                              afspeelt een zuiver intern conflict betreft tussen moslims, en niet een strijd
                              tussen de islam en het Westen (Aslan 2005). Botsingen met het Westen zijn
                              volgens hem instrumenteel voor botsingen binnen de moslimwereld over de rol
                              en interpretatie van de islam. Kepel steunt die opvatting; terroristische acties in
                              westerse landen of elders tegen westerse doelen zijn volgens hem uiteindelijk
                              bedoeld om moslims te mobiliseren tegen de corrupte, afvallige regimes in
                              moslimlanden (Kepel 2004). Anderen, zoals Buruma en Margalit, menen dat het
                              Westen, als ‘broeinest van afgoderij’, arrogantie, overheersing en zedelijke
                              ontaarding, voor radicale islamitische bewegingen wel degelijk het voornaamste
                              doelwit vormt van een gewelddadige ‘jihad’ in naam van de islam (Buruma en
                              Margalit 2004: 126). Dat zowel het een als het ander het geval kan zijn is de opvat-
                              ting van Hans Jansen. Hij stelt dat in de huidige radicale ideologie gaandeweg
                              verschillende motieven zijn gaan spelen: zowel verzet tegen afvallige heersers
                              van moslimlanden en afvallige moslims als verzet tegen het Westen, en dan
                              vooral de vs (Jansen 2004).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 151 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 152 ======================================================================

<pre>                                                                                 beleidsperspectief
Of het er bij eerdere aanslagen op westerse doelen nu vooral om ging het Westen
als zodanig te bestraffen voor oorlogshandelingen tegen moslims of de islam,
westerse landen te dwingen hun steun aan autoritaire regeringen van moslimsta-
ten te staken, dan wel primair om de moslimbevolking te imponeren en te mobi-
liseren, één ding is duidelijk. Sinds ‘11 september’ is de strijd tegen het Westen als
domein van ‘zionisme, kruisvaarders en ongelovigen’ in elk geval wel explicieter
geworden. Dat heeft uiteraard ook te maken met de dynamiek en kenmerken van
de oorlogsvoering zelf. Eerder in dit rapport is al gewezen op de verzelfstan-
diging van het gewelddadig transnationaal activisme. Het heeft zich losgemaakt
van nationale agenda’s en richt zich nu op de internationale strijd tegen het
(vermeende) onrecht tegen moslims waar ook ter wereld. Het gewapende optre-
den van het Westen in Afghanistan en Irak versterkt de perceptie van het Westen
of de deelnemende westerse landen als vijand van de islam. Dit vergroot ook de
bereidheid tot gewapende vervolgacties elders of in eigen land door de vele
duizenden goed getrainde strijders uit die conflicten. Kleinere onderdelen of
‘cellen’ van deze transnationale netwerken hebben zich in veel landen genesteld,
waardoor het strijdperk is gemondialiseerd. Alleen al vanwege het bestaan van
dit leger van (ex-)strijders lijkt het niet aannemelijk dat het verschijnsel van
terroristische aanslagen tegen westerse doelen snel zal verdwijnen, zelfs als de
ontwikkelingen in Irak en het Midden-Oosten een gunstig verloop hebben.                             151
Het Westen is zelf ook rekruteringsgebied geworden voor dit ‘vreemdelingen-
legioen’. Sommige jongeren onder de moslimbevolking voelen zich aangesproken
door het appèl tot verdediging van ‘de bedreigde islam’, hoezeer ook westerse
regeringen hun strijd definiëren als gericht tegen terrorisme en uitdrukkelijk niet
tegen de islam. Olivier Roy wijst erop dat vooral bij jongeren van de tweede en
derde generatie een proces van ‘ontculturalisering’ gaande is. Door het loslaten
van de religieuze en culturele tradities van hun ouders staan ze steeds meer open
voor andere invloeden, waaronder ook van transnationale religieuze aard.
Sommigen worden onder invloed van deze nieuwe religieuze interpretaties
vatbaarder voor radicalisering (Roy 2004). ‘De’ islam en ‘de’ umma vormen voor
hen een belangrijker referentiepunt dan het land van hun ouders of het land waar
ze wonen (Phalet et al. 2000/1). Confrontaties zoals in Afghanistan en Irak zien
zij niet als confrontaties tussen staten, maar als aanvallen op ‘de’ islam.
Sommige salafistische stromingen sluiten goed aan op dit proces van ontcultura-
lisering en identificatie met een collectieve moslimidentiteit. Door hun nadruk
op de ‘ware’ moslim en persoonlijke vroomheid kunnen salafistische bewegin-
gen extreme vormen aannemen. De gewelddadige, jihadistische stromingen hier-
binnen zijn dan ook uitermate geschikt voor transnationale vormen van geweld-
dadig activisme (aivd 2004a; igc 2004 en 2005a). De eis zich te conformeren
aan het voorbeeld van de eerste volgelingen van de Profeet kan ertoe leiden dat
deze salafisten de relevante koranteksten zo letterlijk en absoluut nemen dat geen
enkele interpretatie meer is toegestaan. Doordat iedere reflectie op de heilige
teksten uit den boze is en alle interpretaties ervan sinds de zevende eeuw voor
hen gelden als dwaling, zijn ze weinig gevoelig voor politiek of theologisch debat.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 152 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 153 ======================================================================

<pre>    dy na miek in isla mi t isch ac t i visme
                              De evidente radicaliteit van dit gedachtegoed maakt dat juist jongeren die in een
                              bevattelijke levensfase zitten en ermee in aanraking komen, een grotere kans
                              hebben als radicale born agains tevoorschijn te komen. De aantrekkingskracht
                              ervan is voor sommige jongeren ook groot, omdat het voorziet in een behoefte
                              aan een positieve identiteit die hun ouders en de samenleving waarin zij leven
                              hun niet kunnen leveren. De strijdbare islamitische bewegingen waardoor zij
                              zich voelen aangesproken en de rolmodellen die de intifadah, Osama bin Laden
                              en andere ‘verzetshelden’ verschaffen, voorzien daarin wel. Deze jongeren zijn
                              niet alleen ontvankelijk voor rekrutering voor deelname aan gewapende acties
                              ver van huis. Ze zetten hun woede en slachtoffergevoelens ook om in een reli-
                              gieus gerechtvaardigde heroïek door ‘de heilige strijd’ op eigen initiatief te
                              verplaatsen naar de lokale context. Doordat ze, in de woorden van minister
                              Remkes, zich bewegen in “fluïde, dynamische en vaak vaag afgegrensde gelegen-
                              heidsstructuren” dragen zij bij uitstek bij aan vijfde kolonne-achtige gevoelens
                              onder de bevolking. En dat terwijl het – althans in Nederland – slechts zou gaan
                              om naar schatting tien tot twintig van dergelijke verbanden (Tweede Kamer
                              2005c: 29). Uit onderzoek van Phalet et al. is ook gebleken dat slechts een zeer
                              gering aantal Nederlandse moslimjongeren bereid is tot toepassing van geweld
                              ter verdediging van de religie (Phalet et al. 2000/1). Maar ook al zijn er in feite
152                           maar heel weinig jongeren die over de drempel stappen naar actieve deelname
                              aan terroristische acties binnen eigen land, de gevolgen van hun acties zijn wel
                              buitenproportioneel. Met – zelfs een beperkt aantal – gewelddadige acties en drei-
                              ging met aanslagen op in het oog springende personen en vitale objecten slagen
                              ze erin een sfeer van angst en groot wantrouwen tussen bevolkingsgroepen tot
                              stand te brengen.
                 5.2.2        gevolgen
                              Door het transnationale en nationale terrorisme en de strijd tegen terreur zijn
                              allereerst de interne verhoudingen in veel landen verscherpt, zowel in het
                              Westen als in de moslimwereld. Het Pew Research Center rapporteert dat van
                              negen onderzochte westerse niet-moslimlanden de bevolking in Duitsland en
                              Nederland het meest negatief staat tegenover moslims: respectievelijk 47 en
                              51 procent heeft een negatieve houding (Pew Research Center 2005).1 In westerse
                              landen is grote angst ontstaan voor nieuwe aanslagen, ook al heeft in feite nog
                              maar een beperkt aantal aanslagen plaatsgehad. Door de bovenproportionele
                              invloed van kleine groepen extremisten, is een beeld ontstaan van de islam als
                              een inherent bedreigende, tot het terrorisme aanzettende religie. Zeker in Neder-
                              land lijkt hierdoor maatschappelijk en politiek steeds meer een tweedeling te
                              ontstaan tussen ‘de moslims’ en ‘de autochtone’ bevolking (Shadid 2005). Deze
                              terminologie dringt zelfs door in beleidsnota’s, zoals in de nota ‘Weerbaarheid en
                              Integratiebeleid’ (Minister van Vreemdelingenzaken en Integratiebeleid 2005).
                              Zo’n tweedeling is niet alleen gevaarlijk omdat ze ook conflict suggereert waar
                              dit niet bestaat, ze doet bovendien tekort aan de enorme pluraliteit in Nederland
                              op het gebied van religie, levensbeschouwing, land van herkomst, enz.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 153 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 154 ======================================================================

<pre>                                                                               beleidsperspectief
In sommige landen is de oorlog tegen het terrorisme ook aangegrepen voor
binnenlandpolitieke doelen, namelijk versterkte repressie van onwelgevallige
personen en groeperingen. In Israël werd de afgelopen jaren met Amerikaanse
steun de terreurbestrijding sterk opgevoerd en werd tevens onder die vlag een
scheidingsmuur gebouwd die ruim op Palestijns grondgebied was bemeten. Het
Internationaal Hof van Justitie kwalificeerde de bouw als strijdig met het interna-
tionale recht (icj 2004). In hun studie The Muslim World after 9/11 voor de denk-
tank Rand noemen Rabasa et al. de nodige voorbeelden van moslimlanden waar
de oorlog tegen het terrorisme tot versterkte repressie voor eigen doelen heeft
geleid, zoals Maleisië en Saoedi-Arabië (Rabasa et al. 2005: 50-52). Volgens de
International Crisis Group (icg) schiet de terreurbestrijding in een land als
Somalië zo ver het doel voorbij dat jihadbewegingen eerder aan sympathie van
de bevolking winnen dan verliezen (icg 2005b).
Ook de internationale verhoudingen zijn mede door de oorlog in Irak ingrijpend
beïnvloed. Het Atlantisch bondgenootschap is er door geschaad, en ook binnen
de eu is verdeeldheid ontstaan. Maar bezien vanuit het onderwerp van dit
rapport is wellicht het meest negatief dat ‘het’ Westen aan moreel gezag heeft
ingeboet en daarmee politieke schade heeft opgelopen als voorvechter van demo-
cratie en respect voor internationaal recht en de mensenrechten (undp 2005: 67).                  153
De ‘oorlog’ tegen het terrorisme heeft geleid tot een intensivering van de relaties
met regeringen van landen die het weinig nauw nemen met democratie en
mensenrechten, zoals Egypte, Libië en Pakistan. De Amerikaanse regering recht-
vaardigde de inval in Irak primair op grond van de vermeende aanwezigheid van
massavernietigingswapens en (later) de mogelijke banden van het regime met
Al-Qaeda. Toen deze motiveringen niet konden worden waargemaakt, verschoof
het accent in de rechtvaardiging voor de invasie naar humanitaire doelen en het
vestigen van een democratisch regime. Hoewel de wapeninspecties anders
uitwezen, volhardde de aanvankelijk meer dan dertig landen tellende coalition of
the willing (waar ook Nederland deel van uitmaakte) in de juistheid van de inva-
sie. Behalve dat dit het internationale aanzien van de betrokken landen in de rest
van de wereld heeft geschaad, heeft het ook de woede van veel moslims gevoed
(Pew Research Center 2004). Hierbij komt de behandeling van de gevangenen in
Guantanamo Bay (Cuba) en de Abu Ghraib gevangenis in Irak. Niet alleen was die
juist voor moslims krenkend, maar de behandeling vormt zeker ook een inbreuk
op de geest van in internationale verdragen neergelegde mensenrechten. Dit alles
heeft het cynisme onder moslims over de ernst die het Westen zelf maakt met
democratie en universele mensenrechten verder aangewakkerd. Wel lijkt het
erop dat de politieke schade eerder de vs treft dan de eu. De verdeeldheid onder
de Europese lidstaten om aan de inval in Irak mee te doen, heeft mede tot gevolg
gehad dat ‘het’ Westen in de moslimwereld minder als ongedeelde grootheid
wordt gezien (Joffé 2005).
Dit alles onderstreept hoezeer de wereld in een negatieve spiraal is beland.
‘Veiligheid’ is een topprioriteit geworden in de internationale en nationale poli-
tiek van veel landen. In het Westen is de argwaan tegen moslims toegenomen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 154 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 155 ======================================================================

<pre>    dy na miek in isla mi t isch ac t i visme
                              Het zou echter onjuist zijn de verscherping uitsluitend te definiëren in termen
                              van ‘het Westen’ versus ‘moslims’ of ‘de islam’. De oorlog in Irak heeft kenmer-
                              ken van een – ook weer in religieuze termen gegoten – burgeroorlog tussen
                              sunnieten en shiieten. Maar ook binnen deze islamitische geloofsrichtingen is
                              sprake van spanningen, inderdaad van een clash within (Aslan 2005). Zoals
                              hoofdstuk 3 liet zien, zetten radicale islamitische bewegingen – binnen en buiten
                              moslimlanden – ook moslims zelf onder druk om zich aan de normen van de
                              ‘ware’ islam te conformeren. Sommige radicale bewegingen zijn even geweld-
                              dadig tegenover wat zij zien als verzaking van het geloof door moslims (takfir)
                              als tegenover westerse ongelovigen (jihad ) (Jansen 2004). In moslimlanden
                              vinden regelmatig terroristische aanslagen plaats; ook wanneer deze gericht zijn
                              tegen westerse doelen leiden deze tot veel slachtoffers onder moslims.
                              In zijn vóór de aanval op Irak geschreven boek The Future of Political Islam
                              beschreef Fuller de kenmerken van een worst case scenario. Het omvat een moei-
                              lijk te beslechten oorlog tegen het terrorisme onder leiding van de vs, regelmatig
                              nieuwe aanslagen, groeiende animositeit tussen en binnen bevolkingsgroepen,
                              beperkingen van burgerlijke vrijheden, het ontstaan van een ‘bunker Amerika’
                              en autoritaire staten die aan de oorlog tegen het terrorisme een alibi ontlenen
154                           voor het versterken van de binnenlandse repressie. De feitelijke wereldpolitieke
                              ontwikkelingen voldoen daaraan in hoge mate. De spiraalwerking die Fuller
                              voorzag, heeft niet alleen desastreuze gevolgen voor de westerse open samenle-
                              vingen. De confrontaties appelleren vooral aan de gewelddadige en dogmatische
                              kant van islamitisch activisme. Die veroordeelt zichzelf tot een permanent
                              vreugdeloze en negatieve rol contra het Westen en ook contra de hoofdstroom
                              van de moslimbevolking zelf, met een obsessie voor alles wat verboden en fout is
                              (‘The Islam that says no’). Met deze nihilistische opstelling ontneemt zij zichzelf
                              de kans op een constructieve en toekomstgerichte rol ten aanzien van de morele,
                              sociale en economische problemen waar veel moslimlanden mee worden gecon-
                              fronteerd (Fuller 2003: 194 en 211-2).
                 5.3          aanknopingspunten
                 5.3.1        inleiding
                              De hier geschetste wereldpolitieke situatie biedt weinig aanwijzingen voor een
                              spoedige substantiële verbetering. De ontstane spiraal van actie en reactie laat zich
                              niet gemakkelijk keren, noch wat betreft de internationaal-politieke, noch de
                              lokale drijfveren achter het terrorisme. De wederopbouw van Afghanistan en Irak
                              ondervindt grote tegenstand en een beëindiging van de gewelddadigheden is nog
                              lang niet in zicht. Ook het chronische Midden-Oostenconflict blijft vooralsnog
                              een belangrijke voedingsbodem voor extremisme aan beide zijden en een splijt-
                              zwam voor de verhoudingen tussen de moslimwereld en het Westen. Toch laten
                              de in dit rapport onderzochte kenmerken en de dynamiek van islamitisch acti-
                              visme zelf over de afgelopen dertig jaar zien dat er ook positieve ontwikkelingen
                              zijn. Niet alleen op het gebied van islamitisch-politiek denken maar ook van isla-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 155 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 156 ======================================================================

<pre>                                                                                       beleidsperspectief
      mitische politieke bewegingen en islamitisch recht blijkt een grote verscheiden-
      heid van activistische oriëntaties te bestaan. De ontwikkelingen in de afgelopen
      decennia laten voorts aanknopingspunten zien voor een geleidelijke toenadering
      tot concepten van democratie en mensenrechten, waarop het beleid moet inspe-
      len. Dat zal voor elk van de drie gebieden hieronder kort worden geadstrueerd.
5.3.2 isl amitisch - politiek denken
      In hoofdstuk 2 bleek dat veel van de huidige militante islamitische bewegingen
      hun inhoudelijke inspiratie ontleenden aan denkers die zich al vanaf de eerste
      helft van de vorige eeuw manifesteerden. Ze bepleitten nieuwe zeggingskracht
      van de islam voor het publieke leven. Daarnaast zetten ze zich sterk af tegen het
      religieuze traditionalisme, de passieve overgave aan God (quiëtisme) en de domi-
      nantie van het Westen of westerse denkbeelden in de moslimwereld. Ze keerden
      zich daarmee ook tegen het monopolie van de schriftgeleerden op de interpretatie
      van de koran en de sunna. De inspiratiebron bij uitstek voor hun visie op de rol
      van de islam in het publieke leven vormde de utopie van de begintijd. De letter
      van de koran en sunna was hun richtsnoer voor het streven naar islamisering van
      de samenleving en/of staat, van onderop of bovenaf, evolutionair of revolutionair.
      Belangrijke in het Westen ontwikkelde concepten voor de inrichting van de staat,                    155
      zoals de scheiding van kerk en staat, democratie, rule of law en mensenrechten
      wezen ze af als strijdig met de islamitische beginselen en de suprematie van islami-
      tisch recht. De door deze denkers beoogde mobilisatie is er gekomen; hun opvat-
      tingen zijn in het Westen beeldbepalend geworden voor islamitisch activisme.
      Dit verklaart mede waarom er weinig oog bestaat voor andere hervormingsden-
      kers die zich eveneens al vanaf de vroege vorige eeuw richtten tegen het heersende
      dogmatische traditionalisme en ook tegen degenen die de koran en de sunna naar
      de letter wilden naleven. Deze denkers zoeken juist een verbinding van de islam
      met de moderniteit. Ook zij willen komen tot nieuwe interpretaties, maar anders
      dan de hiervoor genoemde categorie hervormers laten zij hierbij de tekst van
      koran en sunna niet ongemoeid. Zij menen dat de betekenis van die teksten alleen
      begrepen kan worden vanuit de context waarbinnen deze tot stand kwamen. Het
      gaat hen derhalve niet om de letter maar de geest van de tekst en de zeggingskracht
      daarvan voor andere omstandigheden dan de toenmalige. Door deze erkenning
      van de eigen betekenis van de historische context ontstaat tevens de mentale
      ruimte voor waardering van menselijke innovaties als democratie en mensenrech-
      ten. Sommigen van de besproken denkers aanvaarden dergelijke innovaties door
      ze te funderen op islamitische concepten, zoals shura (raadpleging). Anderen zien
      democratie en mensenrechten als in zichzelf waardevolle producten van de men-
      selijke rede die zich positief verhouden tot de intenties van de koran; Bayat typeert
      deze stroming als postislamisme (Bayat 2006). Deze zeer kort getypeerde posities
      kunnen worden aangeduid als respectievelijk ‘islamisering van de moderniteit’
      en ‘modernisering van islamitisch denken’. Hoe de relatie tussen islam en de prin-
      cipes van democratie en mensenrechten ook precies wordt gelegd, beide posities
      impliceren wel een onderlinge toenadering tot deze concepten.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 156 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 157 ======================================================================

<pre>    dy na miek in isla mi t isch ac t i visme
                              In hoofdstuk 2 werd slechts een beperkte selectie van denkers met dergelijke
                              opvattingen opgevoerd; in de huidige tijd zijn denkers met vergelijkbare opvat-
                              tingen in veel moslimlanden te vinden. Hun denkbeelden zijn vaak omstreden,
                              omdat ze niet alleen haaks staan op de islamitische orthodoxie en de opvattingen
                              van extremistische bewegingen, maar ook als bedreigend worden ervaren door
                              de veelal autoritaire regimes in de moslimwereld vanwege hun pleidooien voor
                              democratie en mensenrechten. Enkelen van de genoemde denkers hebben hun
                              land moeten ontvluchten. Opmerkelijk is dat juist in Iran, de bakermat van de
                              islamitische revolutie, dit denken een hoge vlucht heeft genomen. De kwarteeuw
                              ervaring met een theocratie heeft er velen, ook denkers die voorheen de islamiti-
                              sche revolutie steunden, tot het inzicht gebracht dat de verbinding van islam met
                              politieke macht niet alleen heeft geleid tot grote onderdrukking maar ook tot
                              corrumpering van de godsdienst zelf. Proberen zij democratie en mensenrechten
                              nog vanuit de islam te beredeneren, inmiddels bestaat er ook een categorie secu-
                              liere intellectuelen die de wenselijkheid hiervan funderen op louter humanisti-
                              sche grondslag (Jahanbegloo 2005).
                              De feitelijke politieke doorwerking van de besproken opvattingen is in de meeste
                              moslimlanden onduidelijk, want die verloopt vaak ondergronds. Maar daarmee
156                            is niet gezegd dat ze geen invloed hebben. Een prominente vertegenwoordiger
                               – Abdurrahman Wahid – bekleedde in Indonesië zelfs enige tijd het president-
                              schap. In Iran vinden ze veel weerklank onder de grote groep jongeren uit de
                              middenklasse, die veelal goed opgeleid zijn en hervormingsideeën mede dankzij
                              het internet oppikken en uitwisselen (Jahanbegloo 2005; Financial Times 2005).
                              Duidelijk is wel dat de heilige bronnen van de islam – de koran en de sunna – op
                              vele manieren kunnen worden gelezen en geïnterpreteerd. Met de opkomst van
                              islamitisch activisme is de strijd over de juiste interpretatie – ofwel de ‘zuivere
                              islam’ – sterk geïntensiveerd. De invloed van opvattingen die geen afwijking van
                              de letterlijke tekst dulden, is in zowel moslimlanden als onder moslims in het
                              Westen nog altijd aanzienlijk, vooral ook doordat militante drukmiddelen
                              worden ingezet. Maar hoewel de ‘bovengrondse’ invloed van intellectuelen die
                              de heilige bronnen juist vanuit hun context willen interpreteren nu nog niet
                              gemakkelijk concreet is aan te wijzen, hebben hun opvattingen wel degelijk grote
                              potentiële relevantie. Het is waar dat veranderingen in godsdienstige denkbeelden
                              van gelovigen niet uitsluitend plaatsvinden op grond van intellectuele inzichten,
                              maar ook – en misschien wel eerder – worden aangestuurd door feitelijke
                              gedragsveranderingen (Van Bruinessen 2004). Maar ook dan kan op enig
                              moment de behoefte ontstaan aan interpretaties van de islam die bijvoorbeeld
                              minder regelvoorschrijvend en spiritueler van aard zijn. Zo kan ook waar het de
                              inrichting van staat en recht betreft structuurverandering voorafgaan aan
                              cultuurverandering. De uiteenlopende voorbeelden van Turkije en Iran tonen aan
                              dat allerlei ontwikkelingen, bijvoorbeeld op het gebied van demografie, onder-
                              wijs en politiek, ertoe kunnen leiden dat de relatie tussen islam, democratie en
                              mensenrechten in snel tempo actueel wordt. Dit kan ook betekenen dat zich
                              steeds meer groepen gaan verdiepen in alternatieve theologische denkbeelden en
                              interpretaties die geen belemmeringen (meer) zien tussen islam en democratie en
</pre>

====================================================================== Einde pagina 157 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 158 ======================================================================

<pre>                                                                                      beleidsperspectief
      mensenrechten. Kort gezegd: veranderingen in de context leiden vaak tot de
      behoefte aan andere interpretaties van de tekst. Die andere interpretaties zijn
      inmiddels in veel landen voorhanden.
5.3.3 isl amitische politieke bewegingen
      De dynamiek sinds de jaren zeventig van islamitische politieke bewegingen
      kwam aan de orde in hoofdstuk 3. In veel moslimlanden functioneert de islam al
      geruime tijd als drager van gerechtvaardigde wensen van delen van de bevolking.
      Islamitische politieke bewegingen vormen daarmee een potentiële politieke
      kracht met een omvangrijke achterban. ‘De’ islamitische politieke beweging, zo
      bleek tevens, bestaat niet. Anders dan velen in het Westen veronderstellen en
      ook veel autoritaire regimes in moslimwereld nog altijd willen laten geloven,
      vormen islamitische bewegingen geen homogene, onveranderlijk fundamenta-
      listische en/of gewelddadige bedreiging. Die bedreiging gaat natuurlijk wel uit
      van het transnationale terrorisme dat zich in allerlei vaste en losse verbanden
      toelegt op jihadische acties. Maar hiernaast zijn er binnen moslimlanden talloze
      bewegingen en coalities met evenzovele aspiraties die zich laten beïnvloeden
      door de nabije politieke context en mogelijkheden die hun worden geboden. De
      meest op de politieke arena gerichte bewegingen daarvan zijn het verst opgescho-                   157
      ven in de richting van democratische beginselen en normen. Zij spreken zich
      meestal ook uit voor versies van islamitische wetgeving die meer zijn aangepast
      aan de moderne samenleving (icg 2005: 7).
      Veel revolutionaire activisten van het eerste uur hebben vanaf het einde van de
      jaren negentig gekozen voor een constructievere politieke opstelling binnen de
      constitutionele grenzen van de nationale staat. In plaats van het aanvankelijke
      streven om desnoods met geweld de vaak seculiere nationale staat te vervangen
      door een (umma-brede) islamitische staat, ambiëren ze inmiddels hervormingen
      via participatie binnen het reguliere politieke bestel en deelname aan verkiezin-
      gen. Ze hebben geen fundamenteel verlichtings- of reformatieproces doorgemaakt
      en beschikken meestal niet over een theologisch of ideologisch doorwrochte
      onderbouwing voor een toenadering tussen islam enerzijds en democratie en
      mensenrechten anderzijds. Bovenal putten ze uit een forse dosis politiek pragma-
      tisme (Nasr 2005: 15). Om voldoende politieke invloed te krijgen en effectief te
      kunnen opereren, moeten ze ondogmatisch zijn, zich aanpassen aan politieke
      spelregels, coalities vormen en politieke programma’s formuleren. Al doende
      nemen ze afstand van absolute waarheden en ongedefinieerde vormen van
      ‘oppositie-islam’ die vooral radicalen en extremisten aanspreken. Bovendien
      leren ze de positieve werking kennen van democratische principes en mensen-
      rechten in de strijd tegen onderdrukking door de staat, willekeur, rechteloosheid
      en marginalisering. Juist omdát ze dicht bij de gewone bevolking staan, bedienen
      ze zich van een religieus, vaak conservatief vertoog. Maar dat geeft hun ook een
      legitieme basis om te kunnen hameren op rechtvaardigheid, economische
      ontwikkeling, terugdringing van de corruptie, bescherming van het gewone volk
      en maatschappelijke emancipatie binnen de politieke arena.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 158 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 159 ======================================================================

<pre>    dy na miek in isla mi t isch ac t i visme
                              In deze toenadering tot concepten van democratie en mensenrechten liggen posi-
                              tieve aanknopingspunten voor de praktijk. Zo is bijvoorbeeld Turkije mede dank-
                              zij de ambities van de islamitisch geïnspireerde akp de weg van verdere democra-
                              tisering, rechtsstatelijkheid en eu-lidmaatschap ingeslagen (zie tekstbox 5.1).
                   Tekstbox 5.1 De Turkse akp
                     De Turkse akp werd in 2001 opgericht door een jongere garde islamitisch activisten die om prag-
                     matische en ideologische redenen waren uitgetreden uit een eerder door het Turkse Constitutio-
                     nele Hof verboden religieuze partij. Anders dan hun voorgangers presenteerden ze zich uit electo-
                     raal oogpunt als leiders van een brede conservatieve partij die respect voor islamitische normen
                     en waarden combineert met een agenda voor verdere democratisering en verbetering van de
                     mensenrechten. Maar weinigen zouden destijds hebben vermoed dat juist deze regering zo daad-
                     krachtig optreedt ter versterking van de Turkse democratie en de mensenrechten, en mede dankzij
                     de hefboom van eu-conditionaliteit in staat is gebleken de dominante positie van het leger in de
                     politiek geleidelijk aan af te zwakken. Het Turkse voorbeeld toont ook aan dat, ondanks alle
                     externe druk, prikkels en beloningen, het uiteindelijk toch de endogene politieke en maatschappe-
                     lijke krachten achter democratisering zijn die de doorslag geven. Het laat echter ook zien dat de eu
                     dankzij constructieve betrokkenheid soms toch pragmatisch en flexibel kan inspelen op eventuele
158                  ontwikkelingskansen die zich in dit interne krachtenveld voordoen (wrr 2004).
                              Andere landen laten vergelijkbare endogene hervormingsprocessen zien. Achter-
                              eenvolgende verkiezingsronden in Indonesië, Maleisië en Bangladesh hebben
                              ervoor gezorgd dat religieuze politieke partijen zich minder exclusief en meer
                              pragmatisch opstellen. Soortgelijke ontwikkelingen dienen zich aan in Jordanië,
                              Marokko, Koeweit en Jemen, waar islamitische partijen zich onder voorwaarden
                              politiek mogen manifesteren. Daardoor hebben niet-religieuze partijen op hun
                              beurt meer oog gekregen voor de wens van de kiezer om religieuze waarden terug
                              te zien in politieke programma’s. Het resultaat van deze verschuivingen is een
                              toenemende concurrentiestrijd om de grote middengroepen onder de kiezers, die
                              tot verdere matiging en compromisbereidheid leidt. De politieke agenda en het
                              politieke optreden van islamitische partijen in deze landen functioneert ook als
                              voorbeeld voor bewegingen in buurlanden en andere regio’s van de moslimwe-
                              reld. Zelfs daar waar religieuze politieke partijen en bewegingen geen toegang
                              hebben tot de politieke arena, zoals in Egypte en Tunesië, dient het voorbeeld
                              van de Turkse akp eveneens als inspiratiebron voor pragmatisme, matiging en
                              het gaandeweg zich toe-eigenen van democratische en rechtsstatelijke concepten
                              (zie hoofdstuk 3).
                 5.3.4        isl amitisch recht
                              In hoofdstuk 4 bleek allereerst dat het begrip ‘sharia’ verschillende betekenissen
                              heeft. Het kan een aanduiding zijn van het abstracte Plan van God met de
                              geloofsgemeenschap, het kan slaan op de uitwerking hiervan door de vroege
                              schriftgeleerden in een corpus van gedragsregels (klassieke sharia), of betrekking
</pre>

====================================================================== Einde pagina 159 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 160 ======================================================================

<pre>                                                                                   beleidsperspectief
hebben op huidige interpretaties van de sharia door staten, instellingen en groe-
pen. Ook wanneer gekeken wordt naar het huidige formele, op de sharia geba-
seerde recht, blijkt niet gesproken te kunnen worden van een vaststaand geheel
van regels dat geldt voor alle moslims. Er bestaan grote verschillen tussen landen
in zowel op de sharia gebaseerde rechtsregels zelf als in de praktische toepassing
daarvan. Bovendien heeft de islamisering van het recht vanaf de jaren zeventig in
de meeste landen tot nu toe een beperkte reikwijdte gehad. In veel moslimlanden
speelt de sharia op de meeste rechtsgebieden niet of nauwelijks een rol, en is op
die gebieden sprake van een feitelijke scheiding van religie en staat. Bovendien is
de eerste golf van islamisering (nog) niet gevolgd door een tweede; eerder is de
laatste vijftien jaar sprake van een afname van de invloed van althans de klassieke
sharia op het nationale recht. Extreme islamisering, namelijk invoering van deze
klassieke sharia inclusief islamitisch strafrecht, heeft slechts in een beperkt aantal
landen plaatsgehad, zoals Iran, Afghanistan onder de Taliban, een tijd lang in
Pakistan en Soedan en in een aantal deelstaten van Nigeria. In Saoedi-Arabië gold
de klassieke sharia altijd al. Zelfs in sommige van de genoemde landen lijken de
scherpste kanten geleidelijk plaats te maken voor meer pragmatische toepassin-
gen.
In de meeste andere moslimlanden, zoals Egypte, Marokko, Indonesië, Maleisië,                         159
Nigeria en Mali, heeft de islamisering van het recht een gematigder karakter, zo
bleek in hoofdstuk 4. De sharia heeft in deze landen constitutionele erkenning
gekregen als ‘bron van wetgeving’ en/of geldt als gecodificeerd recht op enkele
specifieke rechtsgebieden. Waar de sharia een plaats heeft gekregen in de grond-
wet is vaak sprake van constitutioneel dualisme of gemengde rechtsstelsels
waarin seculier recht eveneens geldt als bron van recht. De landen uit deze cate-
gorie vertonen overigens ook onderling grote variatie in de mate van oriëntatie
op de klassieke sharia. In het huidige Pakistan en Afghanistan is die oriëntatie
veel sterker dan in landen als Egypte, Marokko en Maleisië, waar de rol van de
sharia in staatsrechtelijk opzicht veel meer een abstract-symbolische is, laat staan
in de seculiere republiek Mali. In Turkije ten slotte is de sharia al lang geleden
volledig verwijderd uit het rechtssysteem. Ook waar de sharia constitutioneel als
bron van wetgeving geldt of wordt toegepast op concrete rechtsgebieden, blijkt
dit modernere interpretaties niet per se in de weg te staan. Dit geldt bijvoorbeeld
op het gebied van het familierecht. Hoewel dit een kerngebied betreft van islami-
tisch recht, is in de meeste landen toch sprake van geleidelijke versterking van de
positie van vrouwen. Voor de meeste onderzochte landen geldt dat op de lange
termijn een voortgaande verstatelijking en professionalisering van het nationale
recht is opgetreden, ook waar het rechtsgebieden betreft die op de sharia zijn ge-
baseerd. Het proces van verstatelijking kan echter twee kanten opwerken. Het
kan een tegenwicht vormen tegen extreme shariaïsering, zoals in Egypte, bij-
voorbeeld dankzij aanvullende wetgeving en buffers in het rechtsstelsel, maar het
kan ook betekenen dat de sharia door de zittende machthebbers wordt gekaapt
voor eigen, bijvoorbeeld nationalistische doelen, zoals in Soedan en enige tijd in
Pakistan het geval was. Maar ook als de staat zich opwerpt als hoeder van de islam
‘om erger te voorkomen’, impliceert dat vaak een bevoordeling van orthodoxe
</pre>

====================================================================== Einde pagina 160 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 161 ======================================================================

<pre>    dy na miek in isla mi t isch ac t i visme
                              opvattingen en krachten. De staatsislam vormt dan niet alleen een buffer tegen de
                              extreme sharia maar ook tegen vernieuwende, pro-democratische opvattingen.
                              Hoofdstuk 4 liet ook zien dat een proces van toenadering plaatsvindt tussen het
                              concept van de universele mensenrechten en dat van de islamitische mensenrech-
                              ten. Na een aanvankelijk theologisch gemotiveerde afwijzing van het concept van
                              mensenrechten als zodanig, heeft de Organisatie van de Islamitische Conferentie
                              (oic) het concept van islamitische mensenrechten ontwikkeld. De idee van door
                              regeringen te respecteren mensenrechten is daarmee aanvaard en veelal constitu-
                              tioneel verankerd. Maar dit islamitische mensenrechtenconcept valt zeker niet
                              samen met het universele. Op het niveau van een aantal afzonderlijke mensen-
                              rechten bestaan soms grote verschillen, zowel op papier als in de toepassings-
                              praktijken. Er bestaan belangrijke blokkades, zoals discriminatie van vrouwen en
                              niet-moslims, gebrek aan godsdienstvrijheid en inhumane straffen. Veel moslim-
                              landen zijn partij bij de mensenrechtenverdragen van de vn, en hebben hierbij
                              soms voorbehouden gemaakt op grond van de sharia. In de verdragsorganen
                              worden regelmatig per land de conflictgebieden kritisch aan de orde gesteld. Het
                              is opvallend dat moslimlanden sinds de jaren negentig hun principieel afwij-
                              zende houding tegenover de mensenrechtenstandaarden van deze verdragen
160                           steeds meer hebben laten varen. Onmiskenbaar is er een geleidelijke beweging
                              naar wettelijke erkenning en implementatie, ook wanneer dat geschiedt langs de
                              weg van toe-eigening, namelijk door de desbetreffende rechten of de interpreta-
                              tie ervan te plaatsen in islamitisch kader (Halliday 2003). Het lijkt er zelfs op dat
                              de acceptatie van mensenrechten wordt bevorderd juist wanneer ze geplaatst
                              worden onder de vlag van de sharia (Roy 2005).
                              Kortom, er vindt toenadering plaats, maar het betreft wel een proces van ‘contin-
                              gente’ toenadering. Het verloop van het proces is bovendien gevoelig voor
                              externe en interne gebeurtenissen en ontwikkelingen in de machtsverhoudin-
                              gen, zoals ook de recente verkiezingen in Iran weer aantonen. Of toenadering op
                              lange termijn resulteert in convergentie, is dus niet te voorspellen; en dat over
                              sommige zaken principiële verschillen blijven bestaan, valt evenmin uit te slui-
                              ten. Maar waar en wanneer zich concrete windows of opportunity voordoen,
                              moeten Nederland en Europa over een strategisch beleid kunnen beschikken dat
                              daar op kan inspelen. Dat vergt een proactieve benadering die niet alleen oog
                              heeft voor de status-quo en de dilemma’s en risico’s op de korte termijn, maar
                              ook voor de kansen op de lange termijn.
                 5.4          constructieve betrokkenheid met de moslimwereld
                 5.4.1        de noodzaak van nieuwe initiatieven
                              De spanningen tussen het Westen en de moslimwereld dienen niet het zicht te
                              benemen op de hoopvolle ontwikkelingen. In verschillende landen in het
                              Midden-Oosten, zoals Libanon en Egypte, ondernemen bevolkingen zelf
                              publieke acties gericht op democratisering. Velen menen zelfs een nieuw demo-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 161 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 162 ======================================================================

<pre>                                                                                beleidsperspectief
cratiseringsmomentum waar te nemen dat ook sterk autoritaire regimes onder
druk zet (Emerson et al. 2005: 2; Rabasa et al. 2005; Roy 2005c). Terroristische
aanslagen in naam van de islam leiden ook tot steeds sterkere afkeuring onder
moslims zelf; voorzover het oogmerk van die aanslagen was om moslims massaal
te mobiliseren, is allesbehalve sprake van groot succes (Kepel 2004). Aanslagen
door of in de geest van Al-Qaeda kunnen op de langere termijn alleen gedijen als
ze op de sympathie kunnen rekenen van een substantieel deel van de moslimbe-
volking. Volgens onderzoek door het Pew Research Center neemt de steun voor
Al-Qaeda onder moslims echter af, vooral in landen waar aanslagen zijn gepleegd
(Pew Research Center 2005). Vooraanstaande moslims in het Westen distantië-
ren zich publiekelijk in steeds ondubbelzinniger bewoordingen van Al-Qaeda.
Naarmate het middel – het treffen van onschuldigen – door het overgrote deel
van de moslimbevolking nadrukkelijker wordt afgewezen, komt het terrorisme
steeds geïsoleerder te staan en zou het uiteindelijk dus kunnen opdrogen. Spie-
gelbeeldig geldt iets soortgelijks. Immers, onder de bevolking in het Westen is
de erkenning gegroeid dat het Westen democratie en mensenrechten niet kan
exporteren door de rest van de wereld gewapenderhand zijn wil op te leggen.
Zeker in West-Europa bestond bij veel burgers weerstand tegen de aanval op Irak,
en overheerste – net als in de vs – de schaamte over de mensonterende behande-
ling van gevangenen in onder andere Irak. Dit betekent dat er ontvankelijkheid                     161
kan ontstaan voor initiatieven die op de langere termijn de geweldsspiraal door-
breken.
Van politieke windows of opportunity voor het oplossen van de grote conflicten
is vooralsnog geen sprake. Maar zeker de lidstaten van de eu, met moslimstaten
in de onmiddellijke nabijheid en veel moslims onder de eigen bevolking, kunnen
zich een voortzetting of intensivering van het geweld en aanhoudende afzijdig-
heid niet permitteren. De verhoudingen met en binnen de moslimwereld zijn
zowel voor de internationale stabiliteit en rechtsorde als voor de eigen, interne
stabiliteit en rechtsorde in de lidstaten zelf een cruciale factor geworden (Otto
2006). Het open karakter van Europese samenlevingen maakt hen kwetsbaar
voor nieuwe terroristische activiteiten die de toch al gespannen verhoudingen
tussen bevolkingsgroepen nog verder op scherp stellen. Proberen in de relaties
met de moslimwereld de status-quo te handhaven is dan ook geen optie. Dit is
niet alleen een gepasseerd station omdat die situatie zelf al te veel spanningen
heeft veroorzaakt, maar ook omdat de interne dynamiek in moslimlanden de
spanningen binnen deze landen verder zal vergroten. In bijna alle moslimlanden
is ten minste 40 procent van de bevolking jonger dan 25 jaar; rond 2025 zal hun
bevolkingsomvang dan ook zijn toegenomen met naar schatting 30 procent.
Alleen al daardoor ontstaat de komende jaren nog meer druk op de bestaande
economische, sociale en onderwijsvoorzieningen, die overigens nu al voor een
deel door islamitische organisaties worden verschaft (Rabasa et al. 2005: 63).
Het zoveel mogelijk naar een lager niveau brengen van de betrekkingen is daarom
evenmin aanbevelenswaard. Een in zichzelf gekeerde Unie die afziet van externe
ambities creëert bovendien slechts een illusie van veiligheid (‘Fort Europa’) die
</pre>

====================================================================== Einde pagina 162 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 163 ======================================================================

<pre>    dy na miek in isla mi t isch ac t i visme
                              de bestaande kwetsbaarheid niet wegneemt. Het web van onderlinge afhankelijk-
                              heidsrelaties laat zich niet meer ontkennen of keren. Bovendien betekent afzijdig-
                              heid dat de eu kansen onbenut laat die er wel degelijk zijn voor het ondersteunen
                              van veelbelovende ontwikkelingen in de moslimwereld. Kortom, de wrr pleit
                              voor een actieve en vooral constructieve opstelling van Nederland en de eu-
                              lidstaten ter vermindering van de spanningen met en binnen de moslimwereld
                              rondom vraagstukken van islamitisch activisme, en ter verbetering van de
                              verhouding tussen moslims en niet-moslims op eigen grondgebied.
                 5.4.2        uitgangspunten van constructieve betrokkenheid
                              In de eerder geconstateerde verscheidenheid en dynamiek op het terrein van isla-
                              mitisch-politiek denken, islamitische politieke bewegingen en islamitisch recht
                              liggen volgens de raad belangrijke aanknopingspunten voor een Europees en
                              Nederlands beleid van constructieve betrokkenheid. Dat beleid dient zich te base-
                              ren op de samenhangende algemene uitgangspunten die hieronder worden
                              besproken:
                              • het rekening houden met de diversiteit van islamitisch activisme;
                              • het onderkennen van islamitisch activisme als potentieel constructieve poli-
162                               tieke en juridische factor voor de ontwikkeling van moslimlanden;
                              • het aansluiten bij endogene ontwikkelingsprocessen en -trajecten die demo-
                                  cratie en mensenrechten bevorderen;
                              • het in de eigen samenlevingen investeren in een geïnformeerde publieke opinie
                                  over islamitisch activisme en de hoofdlijnen van het daarop gerichte beleid.
                              Rekening houden met de diversiteit van islamitisch activisme
                              Een van de observaties van dit rapport is dat slechts in beperkte mate generalise-
                              rend kan worden gesproken over ‘het’ islamitisch activisme. Tussen en binnen
                              moslimlanden bestaan grote verschillen in opvatting over hoe een naar islamiti-
                              sche principes ingerichte staat en maatschappij eruit moet zien, net zoals er ook
                              heel veel verschillende interpretaties zijn van de manier waarop de islam zich
                              verhoudt tot politiek, democratie en mensenrechten. De islamisering van de
                              afgelopen decennia blijkt als zodanig geen definitief obstakel te vormen voor
                              democratisering en respect van mensenrechten. Bovendien bleek in een aantal
                              landen juist onder de vlag van de islam ruimte te ontstaan voor toenadering tot
                              deze principes. Waar het om gaat is dan ook de aard en richting van die islamise-
                              ring. Op de bekende vraag of islam en democratie elkaar wel of niet verdragen,
                              kan het antwoord dus niet luiden dat de islam als zodanig pro of contra democra-
                              tie is, of dat islamitische wetgeving als zodanig al dan niet op gespannen voet
                              staat met mensenrechten. Het antwoord is: volgens de ene islam- of sharia-
                              opvatting en/of -praktijk niet en volgens de andere wel. Bovendien bestaat er
                              niet alleen een grote variatie naar interpretatie en plaats, maar ook naar tijd. Isla-
                              mitisch activisme van nu heeft andere kenmerken dan dat van de jaren zeventig
                              en tachtig; in veel landen hebben islamitische bewegingen die aanvankelijke stel-
                              ling namen tegen democratie en mensenrechten nu veel minder bezwaren.
                              Percepties over ‘de’ islam waaruit een monolithisch en statisch concept spreekt,
</pre>

====================================================================== Einde pagina 163 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 164 ======================================================================

<pre>                                                                              beleidsperspectief
ontkennen dus de grote variatie en dynamiek van opvattingen en praktijken; ze
dragen direct bij aan een maatschappelijk vertekend beeld van ‘de’ moslim.
Daarom is het essentieel in de betrekkingen met moslimlanden onderscheid en
subtiliteit te betrachten tegenover islamitisch activisme.
Onderkennen van de islam als potentieel constructieve politieke en juridische
factor voor de ontwikkeling van moslimlanden
Deze wetenschap wijst paradoxaal genoeg ook op de noodzaak tijdig de reli-
gieuze bril af te zetten die het zicht op moslimlanden en moslims in algemene
zin zo vaak dreigt te vertekenen. Te vaak worden laakbare verschijnselen waar
moslimlanden of moslims bij betrokken zijn direct en al bij voorbaat terugge-
voerd op de religie. Het gemakkelijke gebruik van het adjectief ‘islamitisch’
nodigt ook uit tot onjuiste generalisaties in termen van aan de islam inherente
kenmerken. Juist de diversiteit en de dynamiek binnen de moslimwereld bete-
kent dat ‘de’ islam niet in algemene termen kan worden gekwalificeerd of gedis-
kwalificeerd. Dankzij die erkenning kan er ruimte ontstaan voor het ontwikkelen
van constructieve relaties gericht op het bevorderen van democratie en mensen-
rechten. Zowel conceptueel als in de praktijk van het handelen zelf vindt op veel
plekken toenadering plaats tot democratische beginselen en normen en de inter-
nationale mensenrechtenmaatstaven. Dat in veel moslimlanden de islam het                         163
voertuig vormt voor dergelijke hervormingen is op zichzelf niet verwonderlijk,
want die religie werd daar lange tijd (en in sommige landen nog steeds) geweerd
uit het politieke en openbare leven. In autocratisch bestuurde moslimlanden
vormen islamitische politieke bewegingen momenteel juist belangrijke opposi-
tionele krachten die misstanden aan de kaak stellen en hervormingen bepleiten.
Democratie en recht dienen primair van binnenuit te komen en kunnen niet blij-
vend van buitenaf worden opgelegd. Wanneer zich in moslimlanden construc-
tieve islamitische krachten aandienen, vereist het serieus nemen van democratie
dat die krachten tot politieke articulatie kunnen komen. In het verleden heeft de
eu met pleidooien voor democratisering in moslimlanden toch vooral seculiere
bewegingen en partijen op het oog gehad. Ze was er erg beducht voor dat het
opnemen van islamitische krachten in het politieke systeem de deur open zou
zetten naar partijen die, eenmaal gekozen, het bestaande democratische stelsel
alsnog om zeep brengen (het scenario van one man, one vote, one time). Gezien de
absolute claims van vele islamitische bewegingen in de beginperiode van islami-
tisch activisme was er ook alle reden voor die terughoudendheid. De angst van
de eu werd echter ook gevoed door autoritaire regeringen van moslimlanden die
islamitisch activisme als een regelrechte bedreiging zagen voor de eigen machts-
positie. De in dit rapport beschreven ontwikkelingen sindsdien maken het
volgens de raad echter zowel mogelijk als wenselijk een inclusief democratiebe-
grip te hanteren dat islamitische bewegingen niet langer op voorhand uitsluit van
het politieke bestel. Ook werd duidelijk dat de roep om invoering van de sharia
lang niet altijd per definitie haaks staat op mensenrechten, maar een reactie
vormt op vergaande willekeur, corruptie e.d.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 164 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 165 ======================================================================

<pre>    dy na miek in isla mi t isch ac t i visme
                              Aansluiten bij endogene ontwikkelingsprocessen en -trajecten die democratie en
                              mensenrechten bevorderen
                              De eerdere positie van de eu ten aanzien van islamitische bewegingen illustreert
                              de neiging in het Westen zich de ‘definitiemacht’ toe te kennen waar het gaat om
                              democratie en mensenrechten. Het aldus willen modelleren van moslimlanden
                              naar westerse snit is echter contraproductief. Ten eerste miskent dit de grote
                              contextueel bepaalde onderlinge verschillen in de manier waarop westerse
                              landen zelf democratie en mensenrechten hebben uitgewerkt, en derhalve ook
                              het belang van de context en dynamiek in de betrokken moslimlanden. Ten
                              tweede getuigt het van onvoldoende gevoeligheid voor de enorme aversie die
                              deze landen hebben opgebouwd tegen externe inmenging door het Westen. Wie
                              het zelfbeschikkingsrecht van moslimlanden serieus neemt, zal dus moeten beïn-
                              vloeden zonder te beleren of te domineren. Dit betekent nog niet het relativeren
                              van eigen waarden. Een endogene dynamiek die in die richting gaat, moet
                              worden aangemoedigd, een negatieve dynamiek moet worden ontmoedigd. De
                              eu zal in principe wel moeten aanvaarden dat binnen een islamitisch referentie-
                              kader democratie en mensenrechten soms of voorlopig een andere uitwerking
                              krijgen dan gebruikelijk is in westerse landen. Dit impliceert dus een voortdu-
                              rend laveren tussen beïnvloeding en inmenging, en tussen endogene en als
164                           universeel of westers aangemerkte referentiekaders. Welke consequenties dit
                              heeft voor de relatie met de (lidstaten van de) eu is onzeker. Het is bepaald niet
                              uit te sluiten dat ook subtiele pleidooien voor een proces van inclusieve democra-
                              tisering dat zich uitstrekt tot islamitische partijen op grote weerstand zullen
                              stuiten bij de betrokken regeringen en het aanzien van Europa aanvankelijk geen
                              goed doen. Het omgekeerde is echter ook mogelijk; in het geval van Turkije heeft
                              Europese druk in de richting van democratisering en respect voor godsdienst-
                              vrijheid uiteindelijk op de langere termijn zeker bijgedragen aan een pro-toetre-
                              dingsgezindheid van islamitische bewegingen en partijen (wrr 2004).
                              Het onderwerp mensenrechten illustreert wel bij uitstek de voetangels en klem-
                              men die in het geding zijn; mensenrechten zijn immers in vn-verband gedefini-
                              eerd als universele rechten en vrijheden. Maar ook al zijn ze vastgelegd in interna-
                              tionale verdragen, ze moeten wel primair tot gelding worden gebracht door het
                              nationale recht en door de nationale rechters. Ondanks allerlei internationale
                              stimulansen en controlemechanismen kunnen ze het niveau van louter papieren
                              recht alleen overstijgen wanneer ze op interne legitimiteit kunnen bogen, met
                              andere woorden als ze kunnen worden gezien als ‘eigen recht’. Zoals bleek in
                              hoofdstuk 4 is dit eigen recht in een aantal landen echter gebaseerd op de sharia,
                              en is het juist vanwege de hoge symboolwaarde daarvan niet realistisch te
                              verwachten dat dit op afzienbare termijn wordt ingeruild voor seculiere mensen-
                              rechten. Daarom kan de eu niet ontkomen aan een positiebepaling ten aanzien
                              van islamitische mensenrechten.
                              De dilemma’s die daaraan verbonden zijn, komen goed in beeld in het tweege-
                              sprek in 2002 tussen de Duitse rechtsfilosoof Heiner Bielefeldt en de Iraanse isla-
                              moloog Mohammed Saeed Bahmanpour. Bielefeldt vroeg daarin wat precies
</pre>

====================================================================== Einde pagina 165 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 166 ======================================================================

<pre>                                                                                   beleidsperspectief
bedoeld wordt met ‘islamitische’ mensenrechten en alle voorbehouden die op
grond van de sharia worden gemaakt bij internationale mensenrechtenverdragen.
Gaat het om een construct ter ondermijning van de vn-maatstaven, of juist om
pogingen vanuit een islamitisch standpunt tot een verzoening te komen met de
universele mensenrechten? Kortom: gaat het uiteindelijk om een ondermijning
of bevestiging van de universaliteit van mensenrechten? Bahmanpour onder-
schreef dit laatste in principe, maar sloot eigen invullingen niet uit. De westerse
wereld moet volgens hem wel afstappen van de pretentie de snelheid van veran-
dering in de moslimwereld te kunnen beheersen. Moslimlanden moeten de in het
geding zijnde kwesties zelf kunnen oplossen en daarbij ook tijd worden gegund.
Juist wanneer veranderingen van buitenaf worden opgelegd, is de kans groot op
schijnaanvaarding of versterking van dogmatische posities. Veel moslims willen
op dit moment nu eenmaal leven naar islamitische waarden; die werkelijkheid
kan niet worden ontkend, aldus Bahmanpour (Bielefeldt en Bahmanpour 2002).
Bahmanpour benadrukt een aspect dat ook cruciaal is voor de positie van eu-
lidstaten tegenover moslimlanden op het gebied van mensenrechten, namelijk
het oog tonen voor de endogene dynamiek binnen deze landen. Moslimlanden
voldoen in veel opzichten niet aan de huidige internationale maatstaven ten
aanzien van mensenrechten. Daarin verschillen zij overigens niet van veel                             165
(andere) ontwikkelingslanden. Maar juist dan wordt belangrijk of zij verbetering
willen nastreven. Serieuze hervormingen in de richting van de internationale
maatstaven verdienen dan ondersteuning, ook waar deze plaatsvinden onder de
vlag van de sharia en in de termen van een islamitisch discours. Begrippen als
‘inclusieve universaliteit’ en het ‘universaliseren van de universele mensenrech-
ten’ geven uitdrukking aan dit streven (Brems 2003; Otto 2006; Baderin 2003).
Ze drukken uit dat mensenrechten niet het voorrecht zijn van een beperkt aantal
landen, maar de waardigheid en het welzijn van iedereen betreffen. Die rechten
moeten dus ook voor iedereen gerealiseerd worden. Juist omdat internationaal
recht primair geldingskracht krijgt door het nationale recht, moet de eu onder-
kennen dat de legitimerende kracht van de sharia in moslimlanden kan worden
benut voor het realiseren van de internationale mensenrechten. Een universa-
lisme dat ontkent dat islamitische beginselen een normatieve waarde vertegen-
woordigen in de discussie over mensenrechten zou twijfelachtig zijn (Baderin
2003). Progressieve verbeteringen van mensenrechten, bijvoorbeeld op het
gebied van de positie van vrouwen, godsdienstvrijheid en strafwetgeving, zijn in
de meeste moslimlanden nu eenmaal gemakkelijker te aanvaarden als het moge-
lijk is die rechten te zien als onderdeel van, of gerelateerd aan de eigen traditie en
cultuur. Uit het oogpunt van constructieve toenadering is het dus juist van
belang dat de eu een positieve, ontwikkelingsgerichte inzet van de sharia onder-
kent en ondersteunt (Otto 2006).
De hier bepleite toenadering moet dus rekening houden met de lokale context en
het gegeven dat bestendige verbeteringen niet zijn af te dwingen en soms veel tijd
kosten. Dat mag echter niet uitmonden in een relativering van eigen waarden,
noch in het afzien van elke kritische beoordeling van andere waarden. Het impli-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 166 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 167 ======================================================================

<pre>    dy na miek in isla mi t isch ac t i visme
                              ceert wel dat in plaats van moslimlanden steeds ‘te licht’ te bevinden, meer moet
                              worden gekeken naar de richting van de veranderingen in deze landen. Wanneer
                              juist die richting onderwerp van beoordeling wordt, gaat het om iets anders dan
                              de feitelijke, suboptimale situatie op een bepaald moment. Dan staat ter beoor-
                              deling de getoonde ernst van de inzet van een land, de mate waarin het investeert
                              in ver-betering van de mensenrechten en de bevolking daarover informeert, de
                              bestendigheid van die inspanningen in de tijd, enz. Op tekortkomingen in dat
                              opzicht, zoals veranderingen die niet meer behelzen dan window dressing, moe-
                              ten eu-lidstaten bereid zijn de betrokken landen aan te spreken. Het ontslaat hen
                              dus niet van de plicht ernstige, in naam van de sharia verrichte mensenrechten-
                              schendingen aan de kaak te stellen. Otto gebruikt de term ‘destructieve sharia-
                              politiek’ voor een politiek die de symboliek en waarden van de sharia gebruikt
                              voor een politiek die primair gericht is op machtsuitoefening en repressie en niet
                              op ontwikkeling en tolerantie (Otto 2006). Veel machthebbers zullen maar al
                              te graag geneigd zijn repressie te legitimeren met een beroep op de islam of de
                              sharia. Er is echter geen enkele reden voor de eu om op grond van religie gerecht-
                              vaardigde mensenrechtenschendingen niet net zo hard te veroordelen als andere
                              schendingen.
166                           Betekent de ambitie van ‘universalisering van de universele mensenrechten’ dat
                              de islamitische mensenrechten geheel zullen en kunnen samenvallen met de
                              universele mensenrechten? Het antwoord op de feitelijke convergentiemogelijk-
                              heid is moeilijk te geven; de tijd zal het leren. In het huidige stadium is een
                              antwoord ook van weinig praktisch belang, omdat het gebied waarop sprake is
                              van overeenstemming voldoende groot is om gezamenlijke opgaven ter verbete-
                              ring te formuleren. De Nederlandse Adviesraad Internationale Vraagstukken
                              (aiv) stelt in dit opzicht zelfs dat er overweldigende overeenkomsten bestaan ten
                              aanzien van de mensenrechtennormen als zodanig (aiv 1998). Dit wordt onder-
                              streept door het feit dat ook de meeste moslimlanden partij zijn bij de verschil-
                              lende mensenrechtenverdragen.
                              Worden de mensenrechtennormen dus breed gedeeld, anders is het gesteld met
                              de concrete uitwerking van die normen. Hierbij komt de lokale context in het
                              geding die ook aanleiding heeft gegeven tot het aan staten toestaan van een zekere
                              beleidsruimte. In de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de
                              Mens is hiervoor zelfs de zogeheten doctrine van de margin of appreciation ont-
                              wikkeld als rechterlijk toetsingskader. Die maakt het mogelijk recht te doen aan
                              verschillende opvattingen tussen staten-partijen over de definities van bijvoor-
                              beeld een begrip als ‘goede zeden’. De aiv meent dat deze doctrine ook betekenis
                              kan hebben voor de mondiale politieke arena, zij het dat sommige mensenrechten
                              geen beleidsruimte toelaten en dat, waar dat wel het geval is, het oordeel niet aan
                              de betrokken staat toekomt maar aan een internationaal forum (aiv 1998). De
                              wrr onderschrijft deze mening. In het geval van de mensenrechten vervullen de
                              toezichthoudende vn-comités deze functie. Mede onder die invloed blijken de
                              voor de uitwerking relevante voorbehouden op grond van de in betrokken landen
                              geldende sharia inderdaad steeds minder een rol te gaan spelen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 167 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 168 ======================================================================

<pre>                                                                                  beleidsperspectief
Desondanks blijven er belangrijke gebieden van conflict tussen islamitische en
universele mensenrechten; deze onderwerpen roepen overigens ook in moslim-
landen veel discussie op. In hoofdstuk 4 werd melding gemaakt van het onderzoek
van Baderin naar de jurisprudentie op de rechtsgebieden waarop momenteel de
grootste conflicten bestaan tussen de universele en islamitische mensenrechten.
Er bleek dat de islamitische jurisprudentie grote verschillen tussen rechtsscholen
te zien geeft, maar ook dat – zelfs waar het voorschriften uit de koran betreft – uit-
spraken mogelijk zijn die niet naar redenering maar wel naar uitkomst dicht in
de buurt liggen van de intentie of uitwerkingen van de internationale verdragen
(Baderin 2003). Dit biedt dus ook de mogelijkheid dat in moslimlanden waar de
sharia op enigerlei wijze functioneert, de islamitische jurisprudentie over zeer
beladen onderwerpen kan opschuiven in de richting van de internationale maat-
staven. De eu heeft uiteraard geen bevoegdheid te oordelen over interpretaties
van de sharia; dit is bij uitstek een aangelegenheid voor de moslimwereld zelf.
Zoals Baderin suggereert, zullen morele en religieuze uitgangspunten in moslim-
landen waar de sharia als statelijk recht geldt herkenbaar blijven.
Met deze kennis over de uiteenlopende interpretaties rijst wel de vraag of het
mogelijk is een onderlinge endogene dynamiek te bevorderen in de richting van
een rechtstoepassing die naar uitkomst dichter in de buurt komt van de interna-                      167
tionale maatstaven. Rechtsdynamiek is niet alleen een resultante van interne
druk binnen moslimlanden en externe druk van multilaterale instellingen als de
vn, maar ook van onderlinge discussie en vergelijking tussen moslimlanden zelf.
Juist over zulke – ook in moslimlanden zelf – beladen kwesties als de man-
vrouwverhouding, vrijheid van godsdienst en wrede straffen, kunnen onderlinge
leerprocessen vaak positiever werken dan externe druk die geïnterpreteerd kan
worden als paternalistisch, onkundig over of zelfs vijandig aan ‘de’ islam.
De implicatie van beleid dat rekening houdt met de verscheidenheid, dynamiek
en lokale context die schuilgaat achter islamitisch activisme, is dat er geen
eenduidige sequentie of algemene beleidsrecepten voor veranderingsprocessen
zijn te geven, zoals bijvoorbeeld Fareed Zakaria doet. Zakaria verzet zich tegen de
neiging voorrang te geven aan democratisering. In zijn visie is, analoog aan de
Europese ontwikkelingsgang, eerst economische liberalisering nodig, onder-
steund door de rule of law, die vervolgens op langere termijn kan resulteren in
een door de middenklasse geschraagd democratiseringsproces (Zakaria 2003). De
analyses in dit rapport wijzen echter eerder in de richting van een contextgevoe-
lige mix van democratische, rechtsstatelijke én economische hervormingen die
aansluit bij de endogene ontwikkelingsmogelijkheden van individuele landen. In
landen met een autoritair bestuur is het denkbaar dat herstel van mensenrechten
en rechtsstatelijkheid de prioriteit verdienen, maar ook dat eerst een geleidelijke
verbreding wordt gezocht van de politieke participatie. Vaak ook biedt volledig
uitstel van politieke hervormingen omwille van de economische groei geen reële
optie meer. Dankzij de media, migratie en het hoger onderwijs zijn steeds meer
groepen bekend met democratische idealen. Ze eisen nu een stem in de politiek
en het bestuur, zelfs als de economische omstandigheden voor bestendige demo-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 168 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 169 ======================================================================

<pre>    dy na miek in isla mi t isch ac t i visme
                              cratie verre van gunstig zijn (Carothers 2003). In de Arabische context, bijvoor-
                              beeld, zijn de woede over eerdere mislukte economische experimenten en het
                              Midden-Oostenconflict al te groot om verder uitstel van politieke verandering te
                              kunnen legitimeren (undp 2005: 162). Autoritair bestuur gaat daar niet alleen
                              gepaard met mensenrechtenschendingen, maar ook met economische wan-
                              prestaties door een corrupte gevestigde elite. Het is dan ook geen toeval dat juist
                              de bevolking van de Arabische landen van alle onderzochte regio’s in de wereld
                              de meeste steun geeft aan de stelling dat ‘democratie beter is dan enige andere
                              bestuursvorm’ (undp 2005: 68). Dit verklaart waarom de auteurs van het Arab
                              Human Development Report 2004 pogingen tot het handhaven van de politieke
                              status-quo en het uitstellen van democratisering diskwalificeren als een ‘ramp-
                              scenario’ (undp 2005: 164). Dit betekent wel dat voor beleidsmakers zo aantrek-
                              kelijke algemene recepturen niet volstaan. In plaats daarvan zal de moeilijkere
                              weg moeten worden begaan van differentiatie van beleid naar plaats en tijd.
                              Het investeren in een geïnformeerde Europese en binnenlandse publieke opinie
                              die bekend is met de diversiteit van islamitisch activisme en de hoofdlijnen van het
                              daarop gerichte Europese en nationale beleid
                              In de hieronder volgende uitwerking ligt, conform de vraagstelling van dit
168                           rapport, het accent op het beleid ten aanzien van moslimlanden. Dit externe
                              beleid heeft echter ook een relatie met de interne verhoudingen binnen Europa.
                              Wanneer wordt getracht in de externe verhoudingen recht te doen aan de
                              constructieve krachten binnen islamitisch activisme, is het van groot belang dat
                              dit ook binnen Europa zelf, op het niveau van de lidstaten, zichtbaar wordt ge-
                              maakt. De recente ervaring met het referendum over het Constitutioneel Verdrag
                              heeft duidelijk gemaakt dat het buitenlandse beleid de interne opinievorming
                              niet straffeloos kan verwaarlozen. Maar een beter inzicht bij het publiek in de
                              ontwikkelingen rond islamitisch activisme en het externe beleid kan ook bijdra-
                              gen aan het verminderen van de spanningen tussen moslims en niet-moslims
                              binnen Europa, in de lidstaten zelf. Het is dus van belang dat de lidstaten in de
                              eigen samenleving investeren in informatieverschaffing die recht doet aan de
                              diversiteit en dynamiek van islamitisch activisme en de hoofdlijnen aangeeft
                              van het daarop gerichte beleid. Aangezien dit primair een nationale en lokale
                              opdracht betreft, komt de wrr op dit thema terug in paragraaf 5.6, waar islami-
                              tisch activisme in Nederland centraal staat.
                              Met het hier geformuleerde algemene beleidsperspectief en de hieronder nog
                              volgende uitwerkingen zullen zeker niet alle oorzaken van onder moslims
                              bestaande ressentimenten tegen het Westen weggenomen worden. Zoals in
                              hoofdstuk 1 is uiteengezet, hebben die vele dimensies, waaronder de koloniale
                              geschiedenis, de recente gewapende conflicten en stagnerende economische en
                              politieke ontwikkeling in veel moslimstaten. De voldongen feiten daarvan laten
                              zich vanzelfsprekend niet meer terugdraaien. De inzet moet nu zijn een proces
                              van constructieve betrokkenheid op elkaar op gang te brengen waardoor vijand-
                              beelden gaandeweg aan kracht kunnen verliezen en positieve ontwikkelingen
                              worden bevorderd. Wanneer de eu zich in haar relaties met moslimlanden door
</pre>

====================================================================== Einde pagina 169 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 170 ======================================================================

<pre>                                                                                      beleidsperspectief
      de hier geschetste uitgangspunten laat leiden, zal ze ook daar stuiten op weer-
      stand. Maar het veelal buitensluiten van islamitische bewegingen heeft in die
      landen zelf nu ook al tot grote spanningen geleid. De hier bepleite veranderingen
      vergen naar hun aard veel tijd en geduld, en zullen vanzelfsprekend door de
      betrokken landen zelf tot stand moeten worden gebracht (Haass 2005). Ze zijn
      echter zeker niet ongevoelig voor de positie die de eu hierover inneemt.
5.5   europese en bil ater ale beleidsopties voor
      constructieve betrokkenheid
5.5.1 inleiding
      Nederland beschikt over uiteenlopende Europese en bilaterale kanalen waarmee
      het concrete invulling kan geven aan de hiervoor uiteengezette visie van con-
      structieve betrokkenheid. Deze paragraaf verkent de voornaamste hiervan. Op
      Europees niveau gaat het in de eerste plaats om voorstellen die de directe relaties
      met moslimlanden binnen de eigen regio betreffen, via de banden met de medi-
      terrane partnerlanden van het Euromediterrane beleid (emp), Turkije, de Golf-
      staten en Iran. In de tweede plaats gaat het om voorstellen waarin een actieve
      rol is weggelegd voor de eu in het kader van de vn en de oic. In de derde plaats                   169
      betreft het de discussie over de ontwikkeling van een Europese islam. Met dit
      laatste thema bespreekt de wrr de actuele discussie over de mogelijkheid en
      wenselijkheid van een specifiek Europese variant van de islam. Volgens velen kan
      daarvan een matigende invloed uitgaan op die moslimlanden waar de vermeende
      tegenstelling tussen ‘islam’ en democratie juist sterk wordt opgespeeld.
5.2.2 het euromediterr ane beleid en het europese nabuur schaps -
      beleid
      Verreweg het belangrijkste beleidsinstrument van de eu voor het vormgeven aan
      de relaties met moslimlanden betreft het emp, in ambtelijk jargon ook wel het
      Barcelona-proces genoemd (zie bijlage 4). Daarom zal juist daar uitvoerig op
      worden ingegaan. Dit beleid, dat ruim tien jaar geleden van start is gegaan, is
      echter sterk technocratisch van aard. Het ontmoet weinig belangstelling op de
      hogere politieke niveaus en geniet dus ook nauwelijks bekendheid onder de
      bevolking van de lidstaten. Welke mogelijkheden biedt het emp en het daarmee
      samenhangende nieuwere Europese Nabuurschapsbeleid (enp) voor een grotere
      constructieve betrokkenheid? Voor het antwoord hierop is het zinvol eerst de
      voornaamste veronderstellingen te bekijken die ten grondslag liggen aan het
      oorspronkelijke emp. Deze werken immers ook nu nog door in de omgang met
      islamitisch activisme en het islamitische democratie- en mensenrechtendiscours.
      Het emp is tot stand gekomen in een vlaag van optimisme dankzij de formulering
      in 1993 van het Oslo-akkoord over het Israëlisch-Palestijns vraagstuk. Het
      beoogde handvest over politieke en veiligheidssamenwerking van het emp moest
      de vredesrelaties beklinken tussen de Arabische wereld, Israël en de eu. Maar er
</pre>

====================================================================== Einde pagina 170 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 171 ======================================================================

<pre>    dy na miek in isla mi t isch ac t i visme
                              was ook angst voor islamitisch activisme. Met de opkomst van het fis en de
                              burgeroorlog in Algerije nog vers in het geheugen, associeerden de opstellers van
                              de Barcelona-verklaring (1995) islamitisch activisme hoofdzakelijk met funda-
                              mentalistische, gewelddadige bewegingen die de stabiliteit in de regio ernstig
                              zouden ondermijnen (Euromesco 2005a). Het scenario van one man, one vote,
                              one time domineerde de risicoanalyses van de betrokken beleidsmakers. Toen de
                              Barcelona-verklaring uiteindelijk werd goedgekeurd, was het politieke landschap
                              al weer ingrijpend gewijzigd.2 De wens om mede via het emp de islamitisch acti-
                              visten te bedwingen, bleef echter bestaan (Aliboni 2004a).
                              Het emp in oorspronkelijke vorm berust op de veronderstelling dat wederzijdse
                              verbeterde markttoegang in combinatie met buitenlandse directe investeringen
                              en eu-bijdragen aan goed bestuur een proces van economische groei in gang
                              kan zetten dat uiteindelijk ook doorwerkt in een sterkere rule of law, politieke
                              liberalisering, democratisering en verbeterde mensenrechten. Het gaat in deze
                              optiek om processen die van onderop impulsen moeten krijgen via technische
                              ondersteuning, onderwijs en niet in de laatste plaats via contacten met civil
                              society-organisaties (Youngs 2004c). De gedachte achter het steunen van deze
                              organisaties is dat ze na verloop van tijd een belangrijke democratische macht
170                           tegenover de staat gaan vormen en impulsen geven aan democratische hervor-
                              mingen (imd 2005: 18; Roy 2005; Ottaway en Carothers 2005).
                              In de praktijk zijn deze uitgangspunten echter neergekomen op een uiterst be-
                              hoedzame agenda. Zuidelijke eu-lidstaten, als Spanje, Portugal, Italië en Grie-
                              kenland, en recentelijk ook Nederland beogen vooral de migratie te beteugelen en
                              de veiligheid en stabiliteit aan de zuidgrens te versterken. Andere, veelal West-
                              Europese en noordelijke lidstaten benadrukken dat economische concessies van
                              de Unie op termijn moeten uitmonden in concrete verbetering van de mensen-
                              rechten, en de partnerlanden zelf blijken vrijwel uitsluitend geïnteresseerd in de
                              economische agenda van Barcelona. Zij beschouwen intensievere economische
                              banden met de eu als een nuttige buffer tegen de internationale concurrentie-
                              druk. Bovendien hopen ze dat economische hervormingen uiteindelijk de
                              islamitisch activisten de wind uit de zeilen nemen. Intussen zijn ook onderlinge
                              irritaties ontstaan. De geassocieerde landen verwijten de eu-lidstaten een te
                              passieve en begripsvolle houding tegenover Israël. Externe druk van de eu ter
                              verbetering van democratie en mensenrechten stuit vooral op weerstand en drijft
                              de politieke oppositie tegen autoritaire regimes toch weer in de armen van de
                              regeringselites (Aliboni 2004a). Omgekeerd verdenkt de eu de regimes in deze
                              landen ervan het Midden-Oostenconflict en de wijdverbreide angst voor religieus
                              terrorisme te misbruiken ter legitimering van het eigen autoritaire optreden
                              (Biscop 2005: 11).
                              Evaluaties van tien jaar emp onderschrijven dat het beleid te weinig heeft bijdra-
                              gen aan economische hervormingen, democratisering en mensenrechten in de
                              regio (Euromesco 2005a; Youngs 2004c; Joffé 2005; Ministerie van Buitenlandse
                              Zaken 2004 en 2005a).3 Het begrip en de contacten over en weer zijn toegeno-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 171 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 172 ======================================================================

<pre>                                                                                 beleidsperspectief
men, de notie van een ‘dialoog tussen culturen’ is gretig omarmd, maar het beleid
mist tot dusver effectiviteit en geloofwaardigheid. Waar al openingen ontston-
den voor politieke of economische hervormingen, zoals in Libanon, Marokko,
Jordanië en Tunesië, was de bijdrage van het Barcelona-proces gering. In de
nasleep van 11 september, de interventie in Irak en de recentere bomaanslagen
heeft de eu bovendien steeds meer aandacht voor de bestrijding van het terro-
risme. Het voeren van een evenwichtig beleid dat terrorisme aanpakt en mensen-
rechten bevordert, wordt daardoor steeds moeilijker (Youngs 2005: 8-9; Joffé
2005: 17).4 De behoudzucht en overlevingsdrang van politieke elites in de part-
nerlanden en de begrijpelijke Europese voorkeur voor geleidelijke, endogeen
gestarte hervormingen en positieve prikkels in plaats van sancties hebben geleid
tot steun aan de politieke status-quo in de regio.5 Contacten met de partnerlan-
den verlopen behalve via de regeringselites hoofdzakelijk via seculiere oppositie-
groepen, westers georiënteerde ngo’s en officieel door de staat goedgekeurde
en gefinancierde, zogenaamde civil society-organisaties. Maar juist die groepen
blijken veelal een marginale rol te spelen in de politieke en maatschappelijke
verhoudingen (Perthes 2004: 27; Hamzawy 2005; Menendez Gonzalez 2005).
De politieke oppositie wordt via slimme combinaties van repressie, patronage en
coöptatie buiten spel gezet of ‘ingekocht’ (zie hoofdstuk 3). Veel ‘officiële’ ngo’s,
zoals sociale dienstverleningsinstanties, vakbonden en kamers van koophandel,                       171
hebben hechte economische en persoonlijke banden met beleidsmakers die ze
niet op het spel willen zetten. Vooral Arabische regimes zijn meesters geworden
in het ‘spelen’ met civil society-organisaties. Ze financieren zelf ngo’s die regel-
matig grote, veelbesproken internationale en binnenlandse discussiebijeen-
komsten organiseren met intellectuelen uit de civil society over thema’s als
vrouwenrechten en democratisering . Maar de genodigden kunnen niet spreken
namens een noemenswaardige achterban (Ottaway en Carothers 2005: 257; nhc
2005: 35-36). Islamitisch geïnspireerde politieke bewegingen, partijen en organi-
saties, die juist wel de grote massa van gewone burgers (onder wie ook vrouwen)
mobiliseren, zijn tot dusver niet betrokken in het Barcelona-proces (Menendez
Gonzalez 2005: 10; Emerson, Aydin et al. 2005: 21).
Inmiddels bestaat bij de Europese Commissie en in de lidstaten steun voor een
vernieuwd emp dat een koppeling aanbrengt met het bilaterale beleid van het
enp. Dit betekent dat het partnerschap (naar analogie van de nationale aanpas-
singsprogramma’s in de voormalige kandidaat-lidstaten uit Midden- en Oost-
Europa) ook specifieke landenverplichtingen gaat omvatten. Ook de meeste
partnerlanden staan niet bij voorbaat afwijzend tegenover de nieuwe aanpak;
hervormingsgezinde landen als Marokko en Libanon kijken toch met enige
jaloezie naar het indrukwekkende transformatieproces dat de nieuwe lidstaten
uit Midden- en Oost-Europa mede met eu-steun hebben ondergaan. Zowel de
globale strategie als het instrumentarium van de actieplannen vergt nog verdere
aanpassing en precisering, maar de grondslagen van het nieuwe proces dat in
november 2005 politiek is geformaliseerd, zijn in ieder geval deugdelijk.6 ‘Barce-
lona nieuwe stijl’ heeft afstand genomen van de oude veronderstelling dat econo-
mische hervormingen de sleutel aanreiken tot democratisering (Euromesco
</pre>

====================================================================== Einde pagina 172 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 173 ======================================================================

<pre>    dy na miek in isla mi t isch ac t i visme
                              2005b).7 Er is erkenning dat economische hervormingen wél politieke verande-
                              ringen vergen, maar nog niet tot democratisering hoeven te leiden. Democratie
                              en mensenrechten hebben dan ook een hogere politieke prioriteit gekregen, naast
                              economische hervormingen en onderwijs.
                              Tegelijkertijd biedt de enp-systematiek van bilaterale Actieplannen meer kans
                              op concrete resultaten. Deze geeft de mogelijkheid een dwingender koppeling
                              aan te brengen tussen politieke hervormingsinspanningen en positieve prikkels
                              als verbeterde toegang tot de interne markt, financiële hulp en leningen. Op
                              die manier kan een betere balans ontstaan tussen multilaterale samenwerking
                              en individuele hervormingstrajecten. Wat de reikwijdte, de zwaartepunten en
                              het tempo van de hervormingen zijn, hoeft dan niet langer af te hangen van de
                              minst enthousiaste hervormers onder de partnerlanden. Bovendien kunnen
                              jaarlijkse voortgangsrapportages via de concrete ijkpunten in de Actieplannen
                              beter zicht bieden op de daadwerkelijk doorgevoerde hervormingen. Ook
                              kan het proces onderlinge peer pressure en leereffecten bevorderen. Zo bleek
                              tijdens de parallel verlopende bilaterale onderhandelingsprocessen van de
                              eu met Tunesië en Marokko in het kader van de nationale Actieplannen dat
                              beide landen elkaar scherp in de gaten hielden; er ontstond een proces van
172                           constructieve concurrentie waarin het economisch beter presterende Tunesië
                              en het politiek hervormingsgezindere Marokko elkaar ongewild aanspoorden
                              tot hogere ambitie-niveaus, waaronder ook de instelling van een nationale
                              commissie voor de mensenrechten. Kortom, juist door het emp nieuwe stijl te
                              koppelen aan de bilaterale benadering van het enp, zijn er nieuwe kansen van
                              slagen.
                              Het meest opmerkelijke is ongetwijfeld dat het nieuwe emp is afgestapt van de
                              premisse dat de seculiere krachten in de regio de natuurlijke bondgenoten zijn
                              in een strijd tegen islamitisch activisme, en dat ngo’s buiten de politieke arena
                              steeds de belangrijkste impulsen kunnen geven aan democratisering en verbe-
                              tering van de mensenrechten. De Europese Commissie lijkt zich nu te scharen
                              achter het advies van onafhankelijke regiodeskundigen en direct betrokken
                              eu-ambtenaren zich open te stellen voor banden met alle relevante democrati-
                              sche actoren, waaronder dus ook islamitische politieke bewegingen en partijen
                              (Euromesco 2005a en 2005b; El-Din Shahin 2005: 4; Jones en Emerson 2005:
                              21).8 De Commissie heeft de deelnemers aan het Barcelona-proces opgeroepen
                              “te streven naar een gemeenschappelijke opvatting over de uitdagingen voor de
                              democratisering, inclusief de rol van democratische islamitische politieke bewe-
                              gingen in de nationale politiek” (Europese Commissie 2005: 4). Kennelijk is
                              geleidelijk het besef ontstaan dat het steunen van processen die religieuze poli-
                              tiek activisten stelselmatig uitsluiten van het politieke stelsel, haaks staat op
                              een geloofwaardige Europese rol in de regio. Deze koersverandering vormt een
                              belangrijke voorwaarde voor de constructieve betrokkenheid die in paragraaf 5.3
                              is bepleit.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 173 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 174 ======================================================================

<pre>                                                                                beleidsperspectief
Tot nu toe is echter niet duidelijk hoe principieel deze koersverandering is. De
recente oproep van de Europese Commissie tot een standpuntbepaling over
democratische islamitische partijen heeft nog weinig weerklank gevonden op het
ministeriële niveau in de eu-lidstaten zelf. Ook partnerlanden als Egypte en
Tunesië verzetten zich fel tegen deelname van religieuze partijen aan de politiek.
Eerdere officiële verklaringen in die richting hebben weinig veranderd. Op de
ambassades van de lidstaten in de regio is evenmin eensgezindheid te bespeuren.9
Veel diplomaten en politieke vertegenwoordigers van de lidstaten zijn nog steeds
van mening dat het toelaten van islamitisch activisten tot de politiek uiteindelijk
vooral de fundamentalisten en extremisten aan de macht brengt die politieke
vrijheden juist om zeep willen brengen. De Commissie omzeilt dit dilemma door
in haar oproep alleen te refereren aan democratische islamitische-politieke bewe-
gingen en partijen. Maar daarmee is de kou natuurlijk niet uit de lucht. Ondanks
de toenemende matiging van de hoofdstroom van islamitische bewegingen,
bestaan er immers ook groepen die graag willen meedingen naar de politieke
macht, vooralsnog zonder elementaire democratische principes te erkennen.
Daarnaast zijn er kleinere, geradicaliseerde bewegingen die het geweld niet schu-
wen. De realiteit gebiedt te erkennen dat deze bewegingen een disproportionele
invloed kunnen uitoefenen en het politieke stelsel langdurig kunnen blokkeren.
Daarnaast speelt ook het probleem dat de regeringen in de partnerlanden vaak                       173
niet gediend zijn van contacten met religieuze of andere niet-erkende gesprek-
spartners. Toenadering kan leiden tot een aanvankelijke bekoeling van de betrek-
kingen met deze regimes. De eu moet deze vraagstukken onder ogen zien, als ze
wil komen tot een langetermijnstrategie voor de emp-regio.
Hoewel de recente emp-voorstellen dus hoge prioriteit geven aan democratie en
mensenrechten en – hoewel aarzelend – islamitische partijen niet langer uitslui-
ten, refereren ze in het geheel niet aan islamitische wetgeving en islamitische
interpretaties van de mensenrechten. Zoals gesteld in paragraaf 5.3, bestaat in
veel moslimlanden echter de wens (delen van) de staat en maatschappij op
enigerlei wijze te funderen op islamitische normen en (rechts)grondslagen. Het
is dus allerminst onwaarschijnlijk dat de deelname van – al dan niet democratisch
gezinde – islamitische partijen aan de politiek in sommige moslimstaten gepaard
zal gaan met de (her)invoering of aanscherping van islamitisch recht. Voor de
eu is dat een lastig gegeven. Zij baseert haar hogere prioriteit voor democratie,
rechtsstatelijkheid en mensenrechten immers op het seculiere recht van het
evrm en de universele mensenrechtenprincipes. Ze heeft daarnaast bijzondere
aandacht voor minderheden en vrouwenrechten, waaronder ook de gelijkheid
van mannen en vrouwen. Hoe moet de eu omgaan met islamitische politieke
groepen die externe bemoeienis wantrouwen, en op zijn minst sceptisch staan
tegenover westerse of Europese opvattingen van democratie en mensenrech-
ten?10 En wat te doen als een democratisch gekozen islamitische regering streeft
naar de invoering van een ‘islamitische’ democratie, een islamitische staat of de
sharia? Kan de Unie er dan toch aan bijdragen dat de internationale mensenrech-
tenverdragen daar meer wortel schieten? Ook deze dilemma’s moeten de voor-
standers van een vernieuwd emp/enp goed onder ogen zien.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 174 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 175 ======================================================================

<pre>    dy na miek in isla mi t isch ac t i visme
                              Het negeren van de politieke en juridische agenda van het religieuze activisme is
                              op termijn geen oplossing en blijkt zelfs averechts te kunnen werken. Olivier Roy
                              stelt terecht: “The role of Shari’a is a political issue: to oppose or ignore Shari’a
                              from a purely technocratic point of view (it does not fit with human rights) leads
                              automatically to a return of Shari’a by opponents of western encroachments”
                              (Roy 2005: 1011). Niet alleen ontmoedigt een ontkennende houding islamitische
                              groepen met een grote achterban onder de bevolking die bereid zijn binnen het
                              bestaande stelsel te streven naar geleidelijke verandering. Zo’n houding voedt
                              ook de wijdverbreide opvatting onder gewone burgers dat secularisme en
                              (westerse) democratie per definitie antireligieuze belangen vertegenwoordigen.
                              De roep om islamisering wordt zo alleen maar aangewakkerd, hetzij doordat
                              fundamentalisten meer steun van de bevolking krijgen voor hun religieuze op-
                              vattingen, hetzij doordat politieke machthebbers zélf de conservatieve ‘islamise-
                              ringskaart’ gaan uitspelen om politieke legitimiteit te behouden (Roy 2005:
                              1003). Veel autoritaire regimes in de regio werpen zich immers op als buffers
                              tegen het uitbuiten van de islam voor partijbelangen, maar deinzen er niet voor
                              terug de officiële staatsislam te manipuleren voor eigen politiek machtsbehoud.11
                              Zo worden nu eens de fundamentalistische activisten en dan weer de conserva-
                              tieve religieuze ulama beloond, zonder dat die groepen ook maar enige politieke
174                           verantwoordelijkheid voor hun standpunten dragen. Daardoor ontbreekt het
                              deze samenlevingen ook aan maatschappelijke en politieke correctiemechanis-
                              men die radicale en conservatieve reflexen matigen.
                              Hoe moeten de eu-deelnemers aan het emp en enp omgaan met deze dilem-
                              ma’s? De wrr meent dat zij om te beginnen dienen te erkennen dat islamitische
                              politieke en maatschappelijke groepen potentieel legitieme en geloofwaardige
                              politieke gesprekspartners zijn, die daarom niet bij voorbaat van het emp- en
                              enp-proces moeten worden uitgesloten. Die erkenning moet niet alleen door-
                              dringen tot de ambtelijke en diplomatieke circuits van ‘Brussel’; eu-regeringen
                              dienen deze lijn zelf op de hoogste politieke niveaus uit te dragen en onder meer
                              via (parlementaire) debatten en discussies over te brengen aan de eigen bevol-
                              king. In het huidige gepolariseerde klimaat geven zij daarmee een belangrijk
                              signaal af aan de moslimwereld en de eigen (moslim)bevolking in Europa, name-
                              lijk dat alle politieke activisten, dus ook religieus geïnspireerde democratische
                              groepen, serieus worden genomen als potentiële bondgenoten in het streven naar
                              politieke participatie, democratisering en verbetering van de mensenrechten.
                              De oproep van de Europese Commissie tot bezinning op de rol van democratische
                              religieuze bewegingen en partijen in de nationale politiek verdient krachtige
                              ondersteuning door de Nederlandse regering en de overige lidstaten. Maar de
                              bezinning dient verder te gaan dan alleen die partijen. Hoe begrijpelijk de vrees
                              voor het scenario van eenmalige democratische verkiezingen ook is, die bezin-
                              ning mag zich niet vertalen in het uitsluitend verbreden van de politieke dialoog
                              naar bewegingen en partijen die zich al bij voorbaat afficheren als democratisch.
                              Het proces van democratisering maakt namelijk weinig kans zolang de Unie en
                              de emp-partnerlanden van politieke groeperingen een democratische gezindheid
</pre>

====================================================================== Einde pagina 175 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 176 ======================================================================

<pre>                                                                                beleidsperspectief
eisen als primaire voorwaarde voor constructieve gesprekken of toetreding tot de
politieke arena, terwijl de (semi)autoritaire regimes in de partnerlanden zelf de
spelregels voor toetreding tot die arena op ondemocratische wijze blijven mani-
puleren voor behoud van de eigen machtspositie. Politieke bewegingen en
partijen, islamitisch of niet, nemen nu eenmaal de ‘kleur’ aan van de omgeving
waarin ze verkeren. Autoritaire, repressieve regimes met een politieke cultuur
van ‘alles of niets’ bieden weinig garanties dat zij bewegingen voortbrengen die
niet alleen in woord maar ook in daad democratisch zijn. In zo’n omgeving is er
ook minder kans dat ze die gezindheid uitdragen uit politieke overtuiging in
plaats van opportunisme (Roy 2005: 1003; Fuller 2005: 45).
De discussies over de omgang van de eu met Hizbollah in Libanon en Hamas
in de Palestijnse gebieden illustreren de dilemma’s van politieke toenadering.
Beide organisaties hebben een politieke partij met een gewapende tak, en beide
beschouwen aanslagen als gerechtvaardigd zolang Israël aanwezig is in de bezette
gebieden. Hizbollah is zich na de terugtrekking van Israël uit Libanon steeds meer
gaan toeleggen op de politiek en heeft een institutionaliseringstraject ondergaan
(Alagha 2006). Ook Hamas is meer opgeschoven naar de politieke arena, overi-
gens zonder de staat Israël te erkennen en geweld af te zweren (icg 2006). Drie
jaar geleden nog besloot de eu mede onder Amerikaanse en Israëlische druk de                       175
beweging op haar lijst van terroristische organisaties te plaatsen. Maar het is
voor het vredesproces en de toekomstige ontwikkeling van de regio onproductief
Hamas uitsluitend als terroristische beweging te beschouwen, zijn democratisch
gekozen politieke leiders ondanks de massale verkiezingsoverwinning van
januari 2006 tot in lengte van dagen te isoleren en daarmee de verantwoordelijk-
heid te ontnemen voor een constructieve rol in het Israëlisch-Palestijns conflict.
De beweging heeft grote legitimiteit en populariteit verworven onder de bevol-
king, voor een belangrijk deel dankzij sociale dienstverlening en het aan de
kaak stellen van corruptie. Bovendien zullen de partijleiders van Hamas ook in
de huidige situatie hun strategieën moeten afstemmen op de politieke realiteit,
om zo voldoende invloed en steun te behouden. De eu heeft er begin 2006 dan
ook terecht voor gekozen de economische hulp aan de Palestijnen voorlopig
voort te zetten en een eventuele toekomstige regering van Hamas primair te
beoordelen op haar concrete bijdragen aan de opbouw van de Palestijnse staat
en het vredesproces in het Midden-Oosten.
De ervaring leert dat bewegingen en actoren die zich aanvankelijk uit puur
opportunistische motieven scharen achter democratische procedures of zich daar
juist vanaf keren, zich op termijn kunnen ontwikkelen tot drijvende krachten
achter geleidelijke, interne processen van democratisering. Maar er zijn geen
zekerheden. Waar het om gaat is in elk land de omstandigheden te bevorderen
waaronder dergelijke ontwikkelingsprocessen op gang komen en zich doorzetten
en de risico’s te verkleinen dat zich gewelddadige erupties voordoen.12 De poli-
tieke kansen voor hervormingen in de regio zijn nu groter dan tevoren, maar er
is ook meer instabiliteit (Roy 2005: 1010; Jones en Emerson 2005: 6). Elk land
heeft bovendien zijn eigen politieke cultuur en ontwikkelingstraject, inclusief
</pre>

====================================================================== Einde pagina 176 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 177 ======================================================================

<pre>    dy na miek in isla mi t isch ac t i visme
                              hardnekkige blokkades die de betrokken elites alleen met behoud van voldoende
                              politieke stabiliteit willen slechten (Hamzawy 2005: 3; Perthes ed. 2004). Dat
                              vraagt om behoedzaam beleid dat rekening houdt met de vele risico’s, maar ook is
                              toegerust voor onverwachte kansen die zich kunnen voordoen.
                              Het ontwikkelen van een strategische visie op de aanknopingspunten voor
                              hervorming in de emp-landen vergt ten eerste grondige verkenningen door de
                              Unie van de ontwikkelingen in het politieke en juridische krachtenveld in de
                              partnerlanden en de regio van het Midden-Oosten, inclusief de kenmerken en
                              dynamiek van islamitische wetgeving en van religieuze oppositiebewegingen en
                              -partijen. Nu de toetredingsonderhandelingen met Turkije van start zijn gegaan
                              en een reële kans bestaat op toetreding over tien tot vijftien jaar, neemt de urgen-
                              tie toe om in de strategische verkenningen eveneens in te gaan op de kansen en
                              bedreigingen voor de langere termijn van het aanknopen van nauwere banden
                              met ook de Golfstaten en Iran, de dan nabije buurstaten.13 Gezien de grote onbe-
                              kendheid en vertekende beeldvorming over en weer, verdient het aanbeveling
                              met de betrokken landen allereerst de culturele betrekkingen te intensiveren,
                              zoals in de afgelopen tien jaar met de emp-partners is gebeurd. Het ontwikkelen
                              van een visie en uitvoeren van strategische verkenningen is allereerst een aange-
176                           legenheid van de eu. Tegelijk draagt de Nederlandse regering vanzelfsprekend
                              mede verantwoordelijkheid voor het entameren daarvan, alsook voor het politiek
                              uitdragen van de inzichten van deze strategische verkenningen.
                              Eerder in dit hoofdstuk is al betoogd dat de hervormingsprocessen in moslim-
                              landen zich hoofdzakelijk langs endogene weg moeten voltrekken. Voor de Unie
                              is dan ook geen paternalistische rol weggelegd in de emp-landen, laat staan dat
                              ze via dwingende condities democratische normen zou opleggen. Dat mondt
                              immers uit in sterke nationalistische en antiwesterse reflexen die de hervormers
                              van de oppositie in de armen drijven van de heersende elites. En ook het openlijk
                              (financieel) steunen van daadwerkelijk onafhankelijke ngo’s en politieke groepe-
                              ringen compromitteert hen in de ogen van de bevolking, of brengt hen in de
                              problemen bij het regime. Daar komt nog bij dat het enp functioneert op basis
                              van bilaterale, gezamenlijk door de eu en het partnerland overeengekomen actie-
                              plannen. Hier openbaart zich dus in de praktijk de genoemde paradox tussen het
                              Europese streven naar bevordering van democratie en mensenrechten in de regio
                              en de weerzin van de partnerlanden tegen elke vorm van ongevraagde Europese
                              bemoeienis. Dit spanningsveld noopt tot een voortdurende zoektocht naar beïn-
                              vloedingskansen die (de schijn van) inmenging weten te vermijden.
                              De Unie heeft dus wel speelruimte om politieke hervormingen te bevorderen,
                              maar dan vooral in partnerlanden die in beginsel bereid en in staat zijn in hun
                              Actieplannen een strategisch en realistisch hervormingstraject af te spreken voor
                              de lange termijn. Zij zal zich juist daarom in eerste instantie moeten beperken tot
                              een ‘te exporteren minimum’ aan democratische basisbeginselen (Euromesco
                              2005a). Al te gedetailleerde, sterk door Europese ervaringen gekleurde definities
                              of uitwerkingen van democratie en mensenrechten houden onvoldoende reke-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 177 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 178 ======================================================================

<pre>                                                                                  beleidsperspectief
ning met de endogene dynamiek en roepen te veel weerstand op om productief te
zijn. Die miskennen bovendien de grote variëteit aan historische democratise-
ringservaringen en democratische stelsels in Europa. De eu zal ook meer posi-
tieve prikkels moeten ontwikkelen om hervormingen te kunnen stimuleren en
belonen (Jones en Emerson 2005). Bovendien moet ze bij ernstige mensenrech-
tenschendingen bereid zijn het partnerschap (tijdelijk) op te schorten. De Unie
geeft zo ruimte aan gedifferentieerde democratiseringstrajecten en progressieve
verwezenlijking van mensenrechten, maar houdt – zoals bepleit in par. 5.4.2 –
tegelijkertijd vast aan eigen waarden op dit terrein.
De politiek relevante elites in de emp-landen zijn niet altijd per definitie tegen
hervormingen, maar eisen meestal geleidelijke en vooral beheersbare hervor-
mingsprocessen die oog hebben voor de complexiteit van politieke veranderings-
processen. Conditionaliteit gericht op snelle regimeverandering is dan ook niet
effectief en mogelijk contraproductief. Door echter te accepteren dat het demo-
cratieconcept is te herleiden tot een aantal basisprincipes, zoals transparantie,
verantwoording, vrije en eerlijke verkiezingen, rechtsstatelijkheid en onafhanke-
lijkheid van de rechterlijke macht, kan de eu positieve prikkels en steun geven.
Dat kan de politieke elites op hun beurt ertoe brengen coalities te smeden die zich
hard maken voor concrete, stapsgewijze hervormingen. Soms zullen die zich                            177
vooral voltrekken in de sfeer van de politieke participatie of partijvorming, soms
hoofdzakelijk in de sfeer van de rechtsstatelijkheid, of op beide fronten.1 4
Via concrete doelstellingen in de jaarlijkse Actieplannen kan de eu – analoog aan
de werkwijze voor de oostelijke uitbreiding – landen ertoe verleiden geleidelijk
elementaire spelregels te introduceren die gelden voor alle politieke partijen en
bewegingen, zoals het onderschrijven van geweldloosheid, het deelnemen aan
verkiezingen op basis van beoordeelbare politieke uitgangspunten, coalitievor-
ming en democratische machtswisselingen. Politieke partijen, religieus of niet
religieus, zouden zich moeten bekennen tot deze spelregels in ruil voor formele
erkenning als reguliere politieke partij in verkiezingen. Van politieke bewegingen
en partijen mag immers worden geëist dat ze de verkiezingen ingaan op basis van
politieke programma’s, waarin ze duidelijk maken welke richting ze uit willen
met hun (religieuze) aspiraties. Welk type islamitische maatschappij staat hen
voor ogen? Welke rol zien ze weggelegd voor de sharia in de wetgeving, de
grondwet en de politiek? Daarover blijkt lang niet altijd duidelijkheid te bestaan
bij de politieke leiders zelf. Als ze worden uitgedaagd hun claims en leuzen om te
zetten in beoordeelbare programma’s, kunnen openingen ontstaan voor coalities
en compromissen. Programmatische politiek vermindert het risico van ‘geheime’
agenda’s en vergroot de kans dat er voor de kiezers ook echt iets valt te kiezen.
Zoals in veel autoritaire politieke stelsels ontbreekt het de politieke actoren in de
emp-partnerlanden echter aan ervaring met en kennis van het politieke hand-
werk, waaronder ook het opstellen van partijprogramma’s. Daarnaast zijn de
financiële middelen soms beperkt. Financiële en inhoudelijke steun van de eu ter
versterking van politieke partijen, al dan niet via tussenkomst van instanties als
het United Nations Development Programme (undp) en het International Insti-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 178 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 179 ======================================================================

<pre>    dy na miek in isla mi t isch ac t i visme
                              tute for Democracy and Electoral Assistance (idea) en het in Nederland gesitu-
                              eerde International Institute for Multiparty Democracy, zou dit probleem deels
                              kunnen ondervangen.
                 5.5.3        de band met turkije
                              Hierboven is geschetst langs welke wegen een vernieuwd emp zou kunnen
                              bijdragen aan het stimuleren van democratisering en verbetering van de mensen-
                              rechten in de partnerlanden. De eu beschikt echter over nog een andere strategie:
                              haar bijzondere betrekkingen met Turkije. In oktober 2005 is de Europese Raad
                              gestart met de formele lidmaatschapsonderhandelingen. Het betrof een histo-
                              risch besluit, waarmee de eu-lidstaten aangaven een volwaardig Turks lidmaat-
                              schap op termijn als reëel perspectief te beschouwen. In zijn rapport De Europese
                              Unie, Turkije en de islam uit 2004 concludeerde de wrr dat een consistent
                              gevoerd onderhandelingsproces met Turkije positieve signalen uitzendt naar de
                              moslimwereld én naar Europese moslims (wrr 2004). Het onderstreept dat van
                              een onvermijdelijke botsing van culturen of beschavingen geen sprake is, dat
                              moslimbevolkingen voluit deel kunnen uitmaken van de Unie en ook dat ‘de’
                              islam en islamitisch geïnspireerde politiek een proces van democratisering en
178                           verbetering van de mensenrechten allerminst uitsluiten. De recente en toekom-
                              stige Turkse ervaringen bieden niet zozeer een model of panklare oplossing, maar
                              mogelijk wel een inspiratiebron voor experimenten in andere moslimlanden die
                              vergelijkbare processen doormaken.
                              In aansluiting op zijn eerdere rapport onderstreept de raad nogmaals het belang
                              dat Turkije voor de eu vertegenwoordigt in het onderhouden van constructieve
                              betrekkingen met de moslimwereld. De permanente aarzelingen bij sommige
                              lidstaten over het mogelijke Turkse lidmaatschap accentueren de noodzaak van
                              transparante besluitvorming en een tijdig en geïnformeerd debat over de kansen
                              en bedreigingen van Turks lidmaatschap. De wrr onderschrijft dan ook volledig
                              de oproep van de Europese Commissie aan de lidstaten om dit debat aan te zwen-
                              gelen. Regeringen, parlementen, politieke partijen en maatschappelijke organisa-
                              ties moeten hiertoe het initiatief nemen. Vanzelfsprekend gaat het niet om een
                              eenmalige inspanning, maar een die de gehele onderhandelingsperiode bestrijkt.
                              De eu-lidstaten zijn zich er al geruime tijd van bewust dat Turkije ook een
                              belangrijke actieve rol kan spelen in het buitenlandse beleid van de Unie. Turkije
                              was vanaf het begin deelnemer aan het Barcelona-proces, en heeft dankzij het
                              pre-toetredingsproces voor kandidaat-lidstaten inmiddels de politieke positie
                              van ‘noordelijke’ in plaats van ‘zuidelijke’ partner in het emp gekregen. Ook is het
                              verdrag getekend waarmee de douane-unie tussen Turkije en de eu wordt uitge-
                              breid naar de tien nieuwe lidstaten, en zijn dus de onderhandelingen gestart voor
                              volwaardig lidmaatschap. De veiligheidspolitieke samenwerking met Turkije
                              werd in 2002 verdiept met het besluit navo-bondgenoten van buiten de eu te
                              laten deelnemen in het Europese Veiligheids- en Defensiebeleid (evdb). In dat
                              kader heeft Turkije sindsdien al deelgenomen aan door de eu geleide militaire
</pre>

====================================================================== Einde pagina 179 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 180 ======================================================================

<pre>                                                                                   beleidsperspectief
missies. Er zijn veel argumenten van geopolitieke, logistieke en culturele aard om
de bestaande buitenlandpolitieke samenwerking met Turkije nu al verder te
verdiepen, en daarmee niet te wachten tot het uiteindelijke moment van toetre-
ding in 2015 of nog later. Relevant voor de thematiek van dit rapport is vooral dat
het land in toenemende mate een actieve rol kan spelen in het emp/enp en de
oic (zie tekstbox 5.2) en aldus kan bijdragen aan een constructieve eu-opstelling
tegenover de moslimwereld. Dat vereist van Turkije voortzetting van de thans
ingezette hervormingskoers gedurende het lange traject van onderhandelingen.
De eu-lidstaten op hun beurt moeten op consistente en geloofwaardige wijze
omgaan met toetredingseisen aan Turkije, en bereid zijn de kiezers te overtuigen
van het belang van een toekomstig Turks lidmaatschap.
Tot vrij recentelijk was Turkije bepaald geen actieve en enthousiaste deelnemer
aan het emp, teleurgesteld als het was over het gestagneerde vredesproces in het
Midden-Oosten en zijn positie als ‘zuidelijke’ partner in het Barcelona-proces
(Emerson en Tocci 2004: 19). Nu is gestart met de toetredingsonderhandelingen,
is de Turkse houding echter veranderd. Zoals eerder werd geconstateerd, moet
een vernieuwd emp/enp dat concrete prikkels geeft aan politieke en economi-
sche hervormingsstappen de zuidelijke partnerlanden meer bieden op het terrein
van de handel. Toegang tot de Turkse afzetmarkt en ook overeenkomsten over de                         179
toelevering van water uit de door Turkije beheerde delen van de Eufraat en de
Tigris en de Middellandse Zee kunnen aantrekkelijke stimulansen zijn voor
diverse partnerlanden.
Ook het Turkse lidmaatschap van de oic biedt een toegevoegde waarde in de
relaties van de eu met de moslimwereld. Als ‘geharde’ seculiere moslimstaat is
Turkije tot voor kort een buitenbeentje geweest en heeft het land zich in de oic
nogal ongemakkelijk gevoeld (Emerson en Tocci 2004: 26). Maar sinds het afste-
vent op een meer ontspannen omgang met de islam in eigen land en een proces
van democratische verdieping doormaakt, is een kentering zichtbaar. De verkie-
zing van Ekmelledin Ihsanoglu tot secretaris-generaal van de oic onderstreept
het toegenomen prestige van Turkije binnen deze organisatie. In december 2005
verklaarde hij nog dat [wij] moslims “niet de luxe hebben anderen de schuld te
geven van onze eigen problemen. Het is hoog tijd dat we onze nationale en regio-
nale problemen met moed, oprechtheid en openheid tegemoet treden” (de Volks-
krant, 8 december 2005). Ook de huidige Turkse regering heeft zich binnen de
oic een krachtig pleitbezorger betoond van meer zelfkritiek in de moslimwereld
en van democratisering en mensenrechten. Zij kent de gevoeligheden van de
politieke elite in de regio, weet de juiste toon aan te slaan en is daardoor in staat
met meer gezag en overtuiging dan de meeste andere Europese landen de nood-
zaak van hervorming uit te dragen. Het land bevindt zich de komende jaren dan
ook in een goede positie om constructieve betrekkingen te onderhouden met de
moslimstaten in de regio en zo het streven van de eu naar politieke hervormin-
gen hoger op de politieke agenda te zetten.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 180 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 181 ======================================================================

<pre>    dy na miek in isla mi t isch ac t i visme
                 5.5.4        initiatieven in de oic en de vn
                              In paragraaf 5.4.2 is gesteld dat het omgaan met de islamitische wetgeving op
                              basis van het uitgangspunt van progressieve verwezenlijking betekent dat de eu
                              meer recht kan doen aan de context en dynamiek van de rechtsontwikkeling in
                              moslimlanden. Tegelijkertijd blijft het in paragraaf 5.5.2 besproken relatiemodel
                              er één van een vragende partij (de eu) en een antwoordende partij (het moslim-
                              land). Dit roept de vraag op of aan verdere verbetering van de mensenrechten-
                              situatie kan worden bijgedragen door een zwaarder accent te leggen op de
                              endogene dynamiek van leerprocessen tussen moslimlanden onderling. Het is
                              immers een feit dat de meeste moslimlanden zich – al dan niet met voorbehou-
                              den – hebben gebonden aan de internationale mensenrechtenverdragen. Is een
                              complementaire benadering denkbaar die het onderlinge leervermogen en de
                              sociale controle op de verbetering en naleving van de mensenrechten bevordert?
                              Zo ja, dan zou de mensenrechtendiscussie minder dan nu het geval is worden
                              belast door het argument van westerse conceptuele en feitelijke dominantie.
                              De moslimwereld zelf zou dan in haar relatie met het Westen meer een vragende
                              partij kunnen worden over inhoud en achtergronden van de internationale
                              mensenrechten.
180
                              Mits hun rechtsbevoegdheid wordt erkend, kan van eigen, bovennationale
                              mensenrechtenhoven een belangrijke stimulans uitgaan voor deze endogene
                              dynamiek in min of meer gelijkgezinde moslimstaten naar een grotere geldings-
                              kracht van de universele mensenrechtenprincipes. Er zijn in principe twee
                              verschillende manieren om hieraan gestalte te geven, namelijk het instellen van
                              regionale hoven en het instellen van een hof voor islamitische wetgeving in de
                              gehele moslimwereld. De eerste optie betreft mensenrechtenhoven met een
                              eigen, territoriaal begrensde jurisdictie naar analogie van het Europese Hof voor
                              de Rechten van de Mens. Deze territoriale hoven kunnen eigen mensenrechten-
                              verdragen formuleren die de universele mensenrechten volledig onderschrijven,
                              maar tegelijkertijd rekening houden met specifiek regionale (islamitische) erfe-
                              nissen, culturen en rechtspraktijken. Mede gebruikmakend van de ervaringen
                              van onder andere het Europese Hof en de diverse mensenrechtencommissies van
                              de vn zou binnen dergelijke regionale culturele en islamitische referentiekaders
                              toch effectief collectief toezicht kunnen plaatsvinden op de interpretatie en nale-
                              ving van de universele mensenrechten (aiv 1998). En hoewel deze hoven zich
                              dus niet beroepen op islamitische rechtsnormen, moeten ze zich in de praktijk
                              uiteraard wel in voorkomende gevallen buigen over eventuele strijdigheden van
                              islamitische wetgeving met de internationale verdragen en daarvoor oplossingen
                              bedenken.
                              De kracht van deze regionale optie is bij uitstek in Europa zichtbaar, waar de Raad
                              van Europa in 1950 het evrm aannam en in 1959 het Europese Hof instelde. De
                              oorspronkelijke groep van tien lidstaten is vooral dankzij de ontspanning tussen
                              Oost en West sinds eind jaren tachtig sterk uitgebreid. De huidige 46 deelne-
                              mende landen (samen 800 miljoen inwoners) vallen alle onder de voor lidstaten
</pre>

====================================================================== Einde pagina 181 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 182 ======================================================================

<pre>                                                                               beleidsperspectief
verplichte jurisdictie van het Hof. Het Europese mensenrechtenregime maakt
gebruik van het principe van de margin of appreciation, maar vormt geen afwij-
king van de standaarden van de vn. De verschillende organen werken juist
uitdrukkelijk binnen dat kader, en versterken de doorwerking daarvan door de
culturele verschillen en de problemen tussen en binnen landen te beperken die
daadwerkelijke implementatie kunnen bemoeilijken. De vn zelf hebben dan
ook opgeroepen vergelijkbare instellingen op te richten in regio’s waar ze nog
niet bestaan. In die geest bepleit het Arab Human Development Report 2004 een
regionale strategie voor de Arabische wereld. Tot nu toe, zegt het rapport, wordt
het ‘specifiek Arabische’ te vaak gebruikt als argument ter ondergraving van het
internationale mensenrecht. Juist om te komen tot een grotere geldingskracht
van de internationale mensenrechtenverdragen stelt het rapport voor de Arabi-
sche wereld een eigen Arabisch Mensenrechtenverdrag te laten formuleren. Dit
zou voluit moeten aansluiten op de Universele Verklaring, maar tegelijk meer
recht moeten doen aan de Arabisch-islamitische cultuur (undp 2005: 71-77).
Als blijkt dat deze suggestie voor een Arabisch Mensenrechtenverdrag met een
eigen hof inderdaad weerklank vindt bij Arabische regeringen, moet Nederland in
zijn rol van expertisecentrum van het internationale recht aanbieden de moge-
lijkheden daarvan verder te onderzoeken. Ons land heeft immers wereldwijd een                     181
grote reputatie op dit terrein. De Raad van Europa en de eu kunnen deze regerin-
gen bijstaan met hun eigen leerproces, waaronder ook het vergroten van de
kennis van mensenrechten onder islamitische rechters. Net als in het geval van
het Europese mensenrechtenregime ligt het voor de hand dat het aantal verdrag-
sluitende partijen aanvankelijk klein zal zijn. Bij aantoonbare successen en toene-
mend prestige zal dit aantal echter op de langere termijn toenemen.
Er is ook een andere benadering voorgesteld, met hetzelfde oogmerk van toena-
dering van islamitische wetgeving tot de universele mensenrechten (Baderin
2003). Deze optie betreft het instellen van een apart mondiaal mensenrechtenre-
gime met een in islamitische wetgeving gespecialiseerd hof bestaande uit vooraan-
staande juristen die zowel in islamitisch als het internationaal mensenrecht zijn
gekwalificeerd. Dit hof zou bindende uitspraken kunnen doen over het bereik en
de interpretatie van de sharia in relatie tot klachten over mensenrechtenschen-
dingen in de betrokken lidstaten. Het kan eventueel worden ondergebracht bij de
oic, de organisatie waarbij al een groot deel van de moslimwereld is aangesloten
en die eerder al het initiatief heeft genomen voor het opstellen van de Caïro-
Verklaring voor de Rechten van de Mens in de Islam (zie tekstbox 5.2). Het voor-
deel van zo’n mondiaal islamitisch mensenrechtenhof is volgens Baderin dat het
zich uitdrukkelijk buigt over constructieve manieren om een zo groot mogelijke
harmonisatie tussen islamitisch en internationaal mensenrecht tot stand te
brengen. Het kan zich bovendien beroepen op de uiteenlopende islamitische
rechtstheorieën, -scholen en -praktijken in een groot aantal verschillende
moslimculturen, zodat een breed scala aan leerstukken voorhanden is voor
maximale toenadering tot de universele normen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 182 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 183 ======================================================================

<pre>    dy na miek in isla mi t isch ac t i visme
                   Tekstbox 5.2 De Organisatie van de Islamitische Conferentie (oic)
                     De taak van deze in 1969 opgerichte organisatie is om samenwerking tussen moslimstaten te
                     bevorderen op economische, sociale, culturele, wetenschappelijke en andere vitale gebieden. De
                     oic is de enige organisatie die vrijwel alle moslimstaten omvat; er zijn 57 landen bij aangesloten,
                     die alle lid zijn van de vn. Het Verdrag van de oic is als internationale overeenkomst geregistreerd
                     bij de vn. In de preambule wordt gesteld dat de lidstaten zich gebonden achten aan het Handvest
                     van de vn en de Fundamentele Mensenrechten en de islamitische spirituele, ethische, sociale en
                     economische waarden te willen bewaren. De oic heeft ‘het recht op mensenrechtenonderwijs’
                     zelf als een mensenrecht aangemerkt, en heeft ook al een reeks van initiatieven genomen om
                     moslimstaten aan te moedigen tot een interpretatie van de islamitische waarden die bijdraagt aan
                     de verwezenlijking van de internationale mensenrechten. Hiertoe behoort de opstelling van de
                     Caïro-Verklaring van de Rechten van de Mens in de Islam. Tussen de oic en de vn bestaat een
                     formeel samenwerkingsverband.
                              Tegenover die voordelen staan echter vooral nadelen. De grote onderlinge
                              verschillen en politieke verdeeldheid tussen de lidstaten maakt een islamitisch
                              mensenrechtenhof onder oic-vlag naar verwachting praktisch onhaalbaar. Een
182                           principieel bezwaar is dat juist de instelling van een expliciet islamitisch mensen-
                              rechtenhof kan worden geïnterpreteerd als een handreiking aan behoudende
                              krachten in de moslimwereld, die zich met een beroep op islamitische interpreta-
                              ties van de mensenrechten keren tegen de universele geldigheid van de mensen-
                              rechtenverdragen. Als die krachten erin slagen hun eigen islamitische juristen
                              bij het hof te benoemen, kan dat uitmonden in een institutionalisering van
                              bestaande verschillen tussen islamitische en de internationale interpretaties van
                              de mensenrechten. In plaats van progressieve verwezenlijking via constructieve
                              dialoog zou dan zelfs een geleidelijke ondermijning dreigen van het vele dat juist
                              de afgelopen jaren al in vn-verband is bereikt op het gebied van de normatieve
                              toenadering tot universele mensenrechten (aiv 1998). En dát er veel is bereikt,
                              blijkt onder meer uit het feit dat de vn-comités die toezien op de naleving van de
                              mensenrechten vrijwel permanent een constructieve dialoog voeren met de
                              universele mensenrechten als geaccepteerd uitgangspunt. Daardoor is het tegen-
                              woordig niet langer acceptabel dat regeringen mensenrechtenschendingen
                              ‘verklaren’ met een beroep op de religie. Op grond van de afweging van voor- en
                              nadelen meent de raad dan ook dat de eerstgenoemde optie van een territoriaal
                              hof de voorkeur verdient.
                              Hoewel een bindend mensenrechtenregime in oic-verband dus een brug te ver is
                              en ook op principiële bezwaren stuit, heeft de oic wel concrete ambities op het
                              terrein van het onderwijs in de mensenrechten die het waard zijn om te steunen
                              (zie tekstbox 5.2). De eu kan bijvoorbeeld via de Turkse secretaris-generaal hulp
                              bieden bij het opzetten van een tienjarenprogramma voor mensenrechtenonder-
                              wijs. Bovendien kan een permanent trainingsprogramma in mensenrechten
                              worden gesteund dat zich speciaal richt tot de rechterlijke macht in moslimlan-
                              den. Zelfs ambtsdragers zijn weinig bekend met (islamitische) mensenrechten;
</pre>

====================================================================== Einde pagina 183 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 184 ======================================================================

<pre>                                                                                       beleidsperspectief
      zij moeten kennis hebben van de internationale jurisprudentie. Voorts kan de eu
      moslimlanden helpen bij het instellen van onafhankelijke mensenrechtencom-
      missies, zoals nu overigens al gebeurt in enp-verband. Deze commissies zouden
      ook een rol kunnen spelen bij de hiervoor genoemde educatieve en trainingspro-
      gramma’s. Daarnaast kan de oic worden aangemoedigd kennis te mobiliseren op
      deelgebieden van de islamitische wetgeving die uit het oogpunt van mensenrech-
      ten zeer controversieel zijn. Een moratorium voor de zwaarste hadd-straffen,
      zoals onder meer Tariq Ramadan bepleit, kan een van de uitkomsten zijn (Rama-
      dan 2004). Dit kan een proces van meningsvorming op gang brengen dat uitein-
      delijk uitmondt in een gezaghebbend oordeel dat meer in overeenstemming is
      met de internationale maatstaven. Maar zelfs als geen bereidheid tot een morato-
      rium bestaat, heeft het in studie nemen van dit onderwerp al een belangrijke
      debat- en signaalfunctie.
5.5.5 een europese isl am?
      Regelmatig wordt er gedebatteerd over de vraag of zich in Europa een eigen, Euro-
      pese islam of Euro-islam kan en moet ontwikkelen, in de zin van een duidelijk als
      Europees herkenbare islam. Dit debat kampt echter vaak met begripsverwarring
      en wensdenken. Veel bespiegelingen maken onvoldoende concreet wat voor                              183
      specifieke elementen een Europese islam dan zou behelzen (Steinbach 2005).
      De in Duitsland werkzame hoogleraar internationale betrekkingen Bassam Tibi
      bijvoorbeeld legt het accent op de noodzaak dat moslims de dominante Europese
      cultuur (of Leitkultur) ten volle aanvaarden. In zijn optiek betekent dit dat ze niet
      alleen democratie, mensenrechten en pluralisme moeten omarmen, maar ook
      moeten accepteren dat religie een privé-aangelegenheid is. Alleen zo kan worden
      voorkomen dat moslims parallelsamenlevingen creëren die zich afkeren van de
      beginselen van de democratische rechtsstaat. De onder jonge Europese moslims
      populaire Zwitserse filosoof Tariq Ramadan spreekt ook zijn hoop uit op een
      toekomstige Europese islam die de democratische rechtsstaat omarmt. Maar
      anders dan Tibi legt hij de nadruk op het gemeenschappelijke referentiekader
      van de islam, dat in zijn visie juist in de Europese publieke ruimte tot volle
      wasdom moet en kan komen, zolang moslims maar de democratische en rechts-
      statelijke principes omarmen (zie tekstbox 5.3). En terwijl Tibi de moslims in
      Europa (en Europese overheden) vooral maant tot een strategie van assimilatie,
      roept Ramadan op tot participatie en integratie op grond van de eigen moslim-
      identiteit. Ondanks grote inhoudelijke verschillen zijn er ook overeenkomsten
      tussen beide wensbeelden. Beide auteurs hechten groot belang aan het over-
      winnen van de wij-zijsituatie en aan volwaardig burgerschap van moslims. Hun
      oogmerk gaat veel verder dan de vreedzame co-existentie die sommigen als het
      best bereikbare aanmerken. Ook hameren ze op het belang te leren omgaan
      met pluraliteit door dialoog en discussie, zowel binnen en tussen islamitische
      geloofsrichtingen als tussen deze en andere levensbeschouwingen. Ze constate-
      ren terecht dat pluraliteit in de zin van respect voor andersdenkenden geleerd
      moet worden, zowel door moslims als niet-moslims.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 184 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 185 ======================================================================

<pre>    dy na miek in isla mi t isch ac t i visme
                   Tekstbox 5.3 Europese islam volgens Tibi en Ramadan
                     Bassam Tibi ziet voor jihadisme, orthodoxie en fundamentalisme geen plaats in Europa. Ze zijn er
                     natuurlijk wel en vormen een grote bedreiging voor de open samenleving en ook een obstakel
                     voor integratie van andersdenkende moslims. De door hem bepleite Euro-islam betreft een
                     cultuurpatroon dat is aangepast aan de politieke cultuur van de civil society en de scheiding van
                     cultuur en politiek. Cultuurrelativisme en multiculturalisme van de ontvangende samenleving als
                     antwoord zijn gevaarlijk, omdat deze moslims feitelijk buitensluiten en communitaristische
                     gettoïsering en parallelsamenlevingen bevorderen. Tibi is dan ook zeer gekant tegen enigerlei
                     vorm van erkenning van de sharia; het concept van burgerschap vereist voor ieder dezelfde wetten
                     (Tibi 2001). Europa moet zonder eurocentrisch te worden, zijn eigen waarde(n) niet verloochenen
                     en de moslims in Europa moeten ‘de idee Europa’ voluit aanvaarden om burgers ‘van het hart’ te
                     kunnen worden. Dit Europese idee van zichzelf, de Leitkultur, betreft een systeem van waarden en
                     normen en een daaraan gekoppeld wereldbeeld. De liberale democratie, individuele mensenrech-
                     ten en de eisen van de burgerlijke maatschappij vormen hiervan de kern. De kenmerken van een
                     open islam die zich hiernaar richt, betreffen laicité, culturele moderniteit en een besef van tole-
                     rantie dat verder reikt dan de abrahamitische religies. De Euro-islam erkent religieus en cultureel
                     pluralisme en laat hiermee iedere aanspraak op islamitische overheersing los. Onder deze condi-
                     ties kan zich een islam in Europa ontwikkelen die ook elders grote invloed heeft (Tibi 2005).
184
                     Net als Tibi ziet Tariq Ramadan de ontwikkelingen onder moslims in juist Europa en de vs als
                     potentieel van groot belang voor de gehele moslimwereld. In de luwte van de overheersende
                     aandacht voor de radicale islam is vooral onder intellectuelen en jongere moslims en moslima’s al
                     een ‘stille revolutie’ gaande. Zij geven vorm aan een Europese en Amerikaanse islam die gewor-
                     teld is in de Europese respectievelijk Amerikaanse cultuur, maar tegelijk trouw blijft aan univer-
                     sele islamitische principes, zoals rechtvaardigheid en menselijke waardigheid. Deze beweging op
                     grassroots-niveau zal wereldwijde invloed krijgen, omdat ze zich ontwikkelt onder condities van
                     moderniteit en globalisering die ook moslimlanden steeds meer gaan beïnvloeden. Ramadan wil
                     aan de vorming van deze Europese ‘moslimpersoonlijkheid’ bijdragen door het theologische
                     gereedschap aan te reiken dat in staat stelt tot het voluit participeren aan de samenleving. Veel
                     moslims in Europa hebben zich geïsoleerd in eigen, veilig geachte parallelgemeenschappen,
                     omdat ze een soms obsessieve angst hebben voor verlies van hun religieuze identiteit. Ze worden
                     in het tot op zekere hoogte accommoderen aan de omringende omgeving gesteund door de islami-
                     tische leerstukken omtrent het leven als minderheid in niet-islamitische landen. Ramadan roept
                     moslims op deze zelfdefinitie als minderheid en dus buitensluiting van de omringende samenle-
                     ving definitief te verlaten.
                     In plaats van de in zijn ogen achterhaalde dichotomie van dar al-islam (huis van de islam) en dar
                     al-harb (huis van de vijand) plaatst Ramadan als nieuw perspectief de dar al-shahada (huis van
                     getuigenis). Het Westen is geen vijand, maar een ‘thuis’ voor moslims en daar moeten ze zich naar
                     gaan gedragen. De er bestaande rule of law, vrijheid van godsdienst, van vergadering, het recht
                     op kennis en andere rechten en vrijheden, staan moslims toe hun religie volledig te beleven en in
                     vrijheid verder te ontwikkelen. Zij moeten dan ook niet langer pogen de islam uit de landen van
                     herkomst te reproduceren en evenmin voor hun keuzen afhankelijk blijven van religieus gezag uit
                     moslimlanden. Zij moeten hun eigen weg durven volgen en juist als verantwoordelijke, vrije en
</pre>

====================================================================== Einde pagina 185 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 186 ======================================================================

<pre>                                                                                                 beleidsperspectief
loyale burgers vanuit de universele principes van hun religie een bijdrage gaan leveren aan de
ontwikkeling van de samenleving waartoe zij behoren. Bij Ramadan is er geen sprake van dat
moslims dusdoende af zouden moeten zien van de sharia. Bij de sharia gaat het primair om die
universele principes en het referentiekader om deze te vertalen naar gedrag, maar de eruit af te
leiden gedragsregels zijn plaats- en tijdgebonden. Zolang de in westerse samenlevingen bestaande
rechtsregels niet expliciet indruisen tegen het geweten van moslims, en daarvan zal slechts in
uitzonderlijke gevallen sprake zijn, gebiedt de sharia juist tot respect ervoor (Ramadan 2004).
       Aan speculaties over een toekomstige Europese islam ligt nogal eens de
       veronderstelling ten grondslag dat overheden in Europa mede richting kunnen
       en moeten geven aan de inhoud van de geloofsontwikkeling. Ook lijken ze te
       veronderstellen dat zo’n variant dan én Europees herkenbaar zal zijn, én op
       termijn een zekere ‘verlichtende’ geloofsinterpretatie kan exporteren naar
       moslimlanden buiten Europa die de tegenstelling tussen ‘islam’ enerzijds en
       democratie en mensenrechten anderzijds nu nog sterk opspelen. Bij die
       veronderstellingen zijn echter kanttekeningen te plaatsen.
       Ten eerste zijn overheden in Europa op grond van internationale verdragen als
       het evrm en het Handvest van Grondrechten gebonden aan de vrijheid van gods-                                 185
       dienst. Juist op het terrein van de religie moeten ze terughoudendheid betrachten
       en zich zeker niet bemoeien met de inhoud en richting van de geloofsontwikke-
       ling. Dat geldt ook voor de instellingen van de eu; de Unie heeft iedere juridische
       bevoegdheid over religieuze organisaties uitdrukkelijk bij de lidstaten gelegd. In
       de aparte, juridisch niet-bindende Verklaring nr. 11 bij het Verdrag van Amster-
       dam staat het aldus: “De Europese Unie eerbiedigt en doet geen afbreuk aan de
       status die de kerken en religieuze verenigingen en gemeenschappen volgens het
       nationale recht in de lidstaten hebben. De Europese Unie eerbiedigt evenzeer de
       status van levensbeschouwelijke en niet-confessionele organisaties” (Europocket
       2002: 227). Voorzover er dus al beïnvloedingsmechanismen zijn, berusten die
       zeker niet op het Europese maar op het nationale niveau, bij de instituties en ge-
       dragingen die onder de statelijke bevoegdheden vallen. Ten tweede geldt dat ook
       als de eu wel over die mechanismen zou beschikken, deze niet noodzakelijkerwijs
       resulteren in een als Europees herkenbare religieuze identiteit. Dit zou toch ten-
       minste een aanspreekbare institutionele vorm vereisen. Anders dan in bijvoor-
       beeld de rooms-katholieke kerk ontbreekt deze, zeker bij de sunnitische varianten
       van de islam. En zelfs de transnationale, sterk hiërarchische organisatie van de
       rooms-katholieke kerk heeft geen typisch Europees katholicisme opgeleverd; de
       Nederlandse katholiek laat zich nog altijd goed onderscheiden van bijvoorbeeld
       de Poolse. Dit onderstreept dat vooral de nationale en lokale context invloed uit-
       oefenen op de geloofsrichting en de kenmerken van de geloofsbelevenis van mos-
       lims, naast transnationale beïnvloedingsmechanismen op het niveau van de
       umma (zoals internet, televisie enz.), die ook het Europese niveau overstijgen.
       Er zijn echter nog geen eenduidige empirische bewijzen voor een door geloofs-
       genoten, lokale overheden en instituties gestimuleerde ontwikkeling van
</pre>

====================================================================== Einde pagina 186 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 187 ======================================================================

<pre>    dy na miek in isla mi t isch ac t i visme
                              onderop die uitmondt in een herkenbare Europese islam. Als de huidige islam in
                              Europa ergens door valt te typeren, is het immers wel zijn enorme variëteit.
                              Moslims woonachtig in Europa weerspiegelen de wereldwijde variëteit aan isla-
                              mitische geloofsrichtingen. Hoewel vrijwel ieder Europees immigratieland een
                              oververtegenwoordiging kent van bepaalde groepen moslims en stromingen
                              binnen de islam, geldt zelfs binnen de meeste Europese landen een veel grotere
                              diversiteit aan geloofsrichtingen dan bestaat of is toegestaan in het land van her-
                              komst (Boutachekourt 2003). Dat geldt echter niet alleen voor de niet-radicale
                              gelovigen of voor in hun land van oorsprong vervolgde, ‘vrijdenkende’ islamex-
                              perts die in Europa hun wetenschappelijk werk voortzetten; het geldt ook voor
                              de woordvoerders en hun achterban in Europese landen die de democratische
                              rechtsstaat verwerpen en streven naar een islamitische staat. Ook de opleidings-
                              niveaus en sociaal-economische achtergrond van moslims verschillen fors tussen
                              en binnen Europese landen. Dankzij de grotere verscheidenheid én de grotere
                              vrijheid van godsdienst en meningsuiting kan het religieuze debat in Europa dus
                              breder zijn dan in de landen van herkomst. Of dit debat ook in de volle breedte
                              wordt gevoerd en tot (religieuze) aanpassing en vernieuwing leidt, hangt echter
                              mede af van de intellectuele inbreng, openheid, kritische opstelling én bereidheid
                              tot zelfkritiek van alle betrokkenen in het debat, ongeacht hun (geloofs)overtui-
186                           ging of herkomst.
                              Op het nationale en lokale niveau gaat het om complexe processen. Belangrijke
                              islamitische bewegingen die zich voorheen sterk oriënteerden op het land van oor-
                              sprong, gaan zich autonomer opstellen. Buitenlandse regeringen op hun beurt
                              bemoeien zich vaak minder met deze bewegingen of, zoals in het geval van uit te
                              zenden imams, onderkennen steeds meer het belang van kennis van de lokale con-
                              text en taal. En ook moskeebesturen in veel Europese landen zien meer het belang
                              in van het aansluiten bij de lokale situatie en behoeften om hun aantrekkings-
                              kracht voor jongeren te houden. Moslimorganisaties voegen zich steeds meer naar
                              de nationale en lokale instellingen om in aanmerking te komen voor faciliteiten op
                              het gebied van onderwijs en sociaal-culturele activiteiten. Behalve op Europees
                              niveau vinden vooral ook nationaal en lokaal interreligieuze dialogen plaats. In
                              verschillende lidstaten, zoals Oostenrijk, Spanje, Italië, Duitsland, Groot-Brittan-
                              nië, Frankrijk, België en Nederland, zijn formele verbanden gecreëerd die consul-
                              tatie mogelijk maken tussen nationale overheden en vertegenwoordigers van ‘de’
                              moslimwereld, ook in noodsituaties. De vormen van representatie die per land
                              worden gecreëerd tussen moslims en de staat zijn soms gemodelleerd naar de
                              nationale verhouding tussen kerk en staat (Shadid en Van Koningsveld 2002). In
                              veel gemeentes zijn de laatste jaren overleginstanties opgericht met de moslimge-
                              meenschappen (Koning Boudewijnstichting 2004). Ook zijn in sommige landen
                              fatwa-centra opgericht om antwoorden te vinden voor problemen van de in
                              Europa levende moslims; voor de vragen die het leven in een minderheidssituatie
                              oproept, zijn inmiddels – ook in samenspraak met gezaghebbende religieuze
                              instellingen in moslimlanden – vele fatwa’s ontwikkeld (Shadid en Van Konings-
                              veld 2002). Aldus neemt ‘de’ islam in Europa de kleur aan van de lokale omgeving.
                              De agenda van Milli Görüs Nederland bijvoorbeeld is een geheel andere dan van de
</pre>

====================================================================== Einde pagina 187 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 188 ======================================================================

<pre>                                                                                    beleidsperspectief
moederbeweging in Turkije of de zusterorganisatie in Duitsland. Deze aanpassing
is niet alleen institutioneel, maar ook inhoudelijk. Nederlandse moslims tonen
bijvoorbeeld wel een lagere acceptatie van homoseksualiteit dan de gemiddelde
Nederlander, maar die acceptatie ligt veel hoger dan het gangbare beeld doet ver-
moeden (Motivaction 2005), terwijl moslims in Frankrijk zeer hoog scoren op
indicatoren voor secularisme (Müller 2005). Al deze tendensen dragen eraan bij
dat de islam in Europa zich meer autonoom ontwikkelt ten opzichte van de mos-
limlanden, steeds meer institutionele banden met de ontvangende samenleving
aangaat en daarmee eigen, nationale en lokale karakteristieken krijgt.
Het belangrijkst is natuurlijk de geloofsontwikkeling bij moslims zelf. Dit is
temeer het geval omdat (vooral de sunnitische richtingen binnen) de islam
ondanks de plaatsvindende institutionalisering niet de vorm zal aannemen van
een kerkgenootschap. Het accent rust op de individuele gelovige en de moskee;
juist ook op dit individuele niveau vinden bij moslims in de lidstaten wel verge-
lijkbare ontwikkelingen plaats. In paragraaf 5.2 werd gewezen op de waarneming
van Olivier Roy dat zich bij de tweede en derde generatie een proces van ontcultu-
ralisering voltrekt. Jongeren nemen afstand van de islamitische tradities van het
land van herkomst van hun ouders en identificeren zich steeds meer met de islam
als zodanig. Hoe deze islam nieuwe inhoud wordt gegeven, wordt nu zaak van                             187
individuele keuzen. Dit zoekproces brengt veel onzekerheid met zich mee. Met
het zich losmaken van de traditionele gezagsstructuren worden jongeren tegelijk
blootgesteld aan nieuwe invloeden, zowel vanuit de moslimwereld als vanuit de
samenleving waarin ze leven. In vergelijking met de ouders groeien ze op in een
situatie met een veel grotere diversiteit aan islamitische geloofsopvattingen,
inclusief radicale varianten. Internet en peer groups spelen bij het individuele
‘shoppen’ ook een zeer belangrijke rol. Roy wijst erop dat de ontculturalisering
kan leiden tot radicalisering (Roy 2004). Maar de overgrote meerderheid beweegt
zich in een andere richting. Nederlands onderzoek bevestigt de algemene observa-
tie van Roy over de ontculturalisering. Islam en moslimidentiteit blijven belang-
rijk, maar maken zich los van de geloofspraktijk, vooral bij toenemende opleiding
en beheersing van het Nederlands. Er is bovendien bij jongeren sprake van een
zekere convergentie tussen autochtone en allochtone waarden. Dit geldt bij uit-
stek voor sociale gelijkheid en democratische waarden in de publieke sfeer. Vooral
bij de beter opgeleiden betreft deze convergentie ook waarden rond huwelijk en
gezin, zij het dat de opvattingen van jongere moslims veel conservatiever zijn dan
van de gemiddelde Nederlandse jongere. Voor ondemocratische ideeën en acties
 in naam van de islam bestaat slechts marginale aanhang (Phalet en Ter Wal 2004;
Phalet et al. 2000/1). Onderzoek door het Duitse Zentrum für Turkeistudien toont
voor Duitsland een vergelijkbaar beeld. Dit onderstreept dat jongeren zich welis-
waar definiëren als moslim, maar een steeds minder strikte geloofspraktijk hante-
ren. Bovendien heeft de tweede en derde generatie vaker een modern-liberale
oriëntatie dan de eerste; wat de eerste generatie ziet als een religieuze plicht is
voor de volgende een keuzekwestie geworden. Het eindproduct van deze ontwik-
kelingsdynamiek kan een islam zijn waarvan de hoofdstroom zich duidelijk heeft
geëmancipeerd van een niet-pluralistische traditionele religie. Het betekent dat er
</pre>

====================================================================== Einde pagina 188 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 189 ======================================================================

<pre>    dy na miek in isla mi t isch ac t i visme
                              voor het actief stimuleren van een pluralistische islam een vruchtbare bodem
                              bestaat, maar dat wel een sterkere theologische begeleiding nodig is door moslim-
                              organisaties (Zentrum für Turkeistudien 2004).
                              Dit laatste raakt aan een belangrijk vraagstuk. De eerste generatie was zeer slecht
                              opgeleid, leefde sterk in zichzelf gekeerd en ‘overleefde’ door zoveel mogelijk aan
                              de eigen cultuur en religieuze gewoontes vast te houden. De tweede en derde
                              generatie zijn opgegroeid in meer open contact met de omringende samenleving.
                              De democratische rechtsstaten alsook het in Europa genoten onderwijs vormen in
                              principe belangrijke begunstigende condities voor de ontwikkeling van een tussen
                              Europese landen vergelijkbare islam. Maar de nieuwe condities betekenen ook dat
                              deze generatie wordt geconfronteerd met vele rivaliserende ‘islams’, aanvallen op
                              de islam als zodanig, en met andere religies en levensovertuigingen. Waar jonge
                              moslims afstand nemen van het traditionele geloof maar toch inhoud willen geven
                              aan hun moslimidentiteit, moeten ze in de volle wind van deze pluraliteit hun
                              geloof heruitvinden en staande proberen te houden. Dat ze opgroeien te midden
                              van pluraliteit wil nog niet zeggen dat ze dit ook gemakkelijk ervaren als inherent
                              waardevol, zoals Jonathan Sacks op het oog heeft met zijn concept van the dignity
                              of difference (Sacks 2002). Het vinden van een eigen weg in deze verwarrende en
188                           bedreigende pluraliteit is een moeizaam proces. Dat blijkt ook uit de vragen en dis-
                              cussies op de diverse internetsites. Gedragsverandering en religieuze betekenis-
                              geving gaan hierbij vaak hand in hand; men zoekt zowel religieuze richtsnoeren
                              voor het bepalen van het gedrag, als – omgekeerd – religieuze rechtvaardiging
                              voor nieuw gedrag. In dit proces van wisselwerking tussen praxis en overtuiging
                              is beschikbaarheid van verschillende religieuze gezichtspunten van groot belang.
                              Het hierin voorzien is bij uitstek iets wat op lokaal en nationaal niveau moet
                              plaatsvinden. De wrr komt op dit vraagstuk terug in de slotparagraaf van dit
                              rapport, waar hij ingaat op islamitisch activisme in Nederland.
                              Concluderend, voorzover een Europese islam al in het verschiet ligt, biedt deze
                              echter niet het perspectief van religieuze eenvormigheid op Europese schaal.
                              Eerder dan de Euro-islam of de Europese islam die Tibi of Ramadan zich wensen,
                              zal de islam in Europa gekenmerkt blijven door grote diversiteit; zeker in Neder-
                              land zou men oog moeten hebben voor de hardnekkigheid van religieuze
                              verschillen die zwaarwegend zijn voor de betrokkenen, zelfs waar ze voor buiten-
                              staanders nauwelijks waarneembaar zijn. Die pluraliteit zelf is trouwens niet het
                              probleem. Waar het uiteindelijk om gaat, is dat alle nationaal en lokaal gekleurde
                              islamvarianten zich verder ontwikkelen onder aanvaarding van de beginselen van
                              de democratische rechtsstaat. Diezelfde beginselen sluiten sturing van de
                              geloofsontwikkeling en -inhoud door overheden nadrukkelijk uit; eventuele
                              vernieuwing moeten de geloofsgenoten zelf bewerkstelligen, en dit proces is ook
                              volop gaande. Het is uiteraard wel de taak van overheden om de rechtsstatelijke
                              kaders te bewaken. Dat kan in sommige gevallen betekenen dat aan handelingen
                              en uitlatingen grenzen worden gesteld, of juist dat overheden middelen ter
                              beschikking stellen die de vrije geloofsbeoefening mogelijk maken. Autonomie
                              van de geloofsgemeenschappen betekent immers geen abstinentie van de staat
</pre>

====================================================================== Einde pagina 189 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 190 ======================================================================

<pre>                                                                                      beleidsperspectief
      ten aanzien van de religie; dat is ook niet de strekking van het leerstuk van schei-
      ding tussen kerk en staat (wrr 2004).
      De grote diversiteit van moslimgemeenschappen in Europa, hun positie als
      minderheid in Europese landen (met uitzondering van Albanië, Bosnië, Kosovo
      en Turkije) en de deels vergelijkbare ontwikkelingen waarmee moslims en de
      islam in Europa geconfronteerd worden, kunnen echter wel bijdragen aan een
      zekere gelijkluidendheid onder Europese moslims. Dit betekent ook dat er over-
      eenkomsten zijn tussen islamitisch activisme waarmee elk van de Europese
      landen te maken heeft op eigen grondgebied, en de maatschappelijke vraagstuk-
      ken en beleidskwesties waar zij mee worstelen. Het ligt volgens de wrr voor de
      hand dat de lidstaten van de eu hun Europese beleidskaders benutten voor het
      onderling uitwisselen van goede praktijken (best practices) over de thematiek
      van islamitisch activisme. Dat de islam in Europa op termijn invloed zou kunnen
      uitoefenen op de geloofsontwikkelingen in moslimlanden is bij de huidige
      mondiale communicatiemiddelen uiteraard goed denkbaar. Dat dit een doorslag-
      gevende invloed is, zoals Tibi en Ramadan voorzien, is echter weinig aanneme-
      lijk. Die gedachte berust te zeer op de veronderstelling dat Europa en de vs de
      zetel vormen van modernisering. De lokale context verschilt van land tot land en
      zal derhalve overal leiden tot eigen antwoorden op de relatie tussen religie,                      189
      democratie en mensenrechten.
5.5.6 bil ater ale beleidsopties
      Ook als Europese landen of de lidstaten van de eu er niet in slagen een gezamen-
      lijk gedragen strategische visie te ontwikkelen op islamitisch activisme, ontslaat
      dat de Nederlandse regering niet van de plicht zelf zoveel mogelijk inhoud te
      geven aan constructieve betrokkenheid. Ze beschikt immers over additionele
      bilaterale kanalen waarmee de betrekkingen met delen van de moslimwereld
      direct of indirect zijn te beïnvloeden. Ten eerste valt te denken aan de instrumen-
      ten van het reguliere buitenlandse beleid, waaronder ook het uitgebreide netwerk
      van ontwikkelingshulpkanalen met een aantal moslimlanden en de politieke
      banden met landen als Marokko, Turkije, Indonesië en Suriname, waar veel van
      de in Nederland woonachtige moslims nog altijd hun wortels hebben liggen. Ten
      tweede betreft het ngo’s, universiteiten, het bedrijfsleven en media, die op indi-
      recte wijze kunnen worden betrokken in het beleid tegenover de moslimwereld.
      Rekening houden met de diversiteit en endogene dynamiek van islamitisch acti-
      visme vereist grondige kennis van de actuele en toekomstige ontwikkelingen
      binnen de moslimwereld, waaronder de talloze verschillende intellectuele, poli-
      tieke, culturele en juridische manifestaties van islamitisch activisme. De Neder-
      landse regering dient op de hoogte te blijven van deze ontwikkelingen, en het
      beleid, de politiek en de publieke opinie met haar inzichten te voeden, vanuit het
      besef dat buitenlands en binnenlands beleid onderling sterk verweven zijn (Otto
      2006). Met het kennisniveau in Nederland over de islam en de moslimwereld is
      het bedroevend slecht gesteld. Het overdragen van feitelijke informatie draagt bij
</pre>

====================================================================== Einde pagina 190 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 191 ======================================================================

<pre>    dy na miek in isla mi t isch ac t i visme
                              tot het corrigeren van onjuiste beeldvorming en stereotypen over en weer, en
                              stimuleert het kritische bewustzijn. Dat kan bijvoorbeeld door structureel te
                              investeren in relevante kennis- en cultuurcentra, ngo’s en universiteiten binnen
                              en buiten Nederland. Dat kan door bij te dragen aan het vergroten van de toegan-
                              kelijkheid in moslimlanden tot westerse wetenschappelijke en culturele produc-
                              ten, door docenten- en studentenuitwisselingen te vergemakkelijken en door te
                              stimuleren dat vooraanstaande denkers, politiek activisten en rechtsgeleerden
                              elkaar, beleidsmakers en de publieke opinie over en weer kunnen informeren.
                              Eerder is ook al genoemd dat Nederland zijn wereldwijde reputatie als centrum
                              voor de internationale rechtspraak moet benutten door desgewenst hulp te
                              bieden bij het opzetten van een Arabisch mensenrechtenhof (par. 5.5.4).
                              Daarnaast moet de Nederlandse regering verder onderzoeken met welke andere
                              instrumenten zij de kennis over en contacten met moslimlanden kan uitbreiden
                              en het eigen beleid extern én intern kan uitdragen, bijvoorbeeld door het opti-
                              maal benutten van het hier in Nederland aanwezige kennispotentieel. Waar het
                              om gaat is internationaal én binnenlandpolitiek duidelijk te maken dat Nederland
                              uitgaat van de principes van democratie en mensenrechten, rekening houdt met
                              de diversiteit van islamitisch activisme en de islamitische wetgeving en nadruk-
190                           kelijk onderscheid maakt tussen constructieve en destructieve politieke krachten
                              (Otto 2006). Positieve veranderingen van de islamitische wetgeving in de rich-
                              ting van internationale mensenrechtennormen verdienen krachtige ondersteu-
                              ning in het buitenlands beleid, terwijl ernstige schendingen van de mensenrech-
                              ten in naam van de islam scherp moeten worden veroordeeld.
                 5.6          isl amitisch activisme in de nederl andse
                              democr atische rechtsstaat
                 5.6.1        inleiding
                              Constructieve externe verhoudingen van Nederland kunnen op de lange termijn
                              alleen gedijen bij constructieve interne verhoudingen tussen religieuze en niet-
                              religieuze burgers, moslims en niet-moslims en gelovigen van verschillende isla-
                              mitische denominaties onderling. Ook in de interne betrekkingen is het van belang
                              rekening te houden met diversiteit, te erkennen dat islamitisch activisme potentieel
                              een constructieve politieke en juridische factor is, aan te sluiten bij endogene ont-
                              wikkelingen en te investeren in een geïnformeerde publieke opinie. Het politieke
                              en publieke debat getuigt zeker ook in Nederland van onvoldoende kennis van de
                              vele stromingen binnen het islamitisch-politiek denken, en heeft te weinig oog
                              voor de diversiteit van islamitische politieke bewegingen. De laatste jaren is inder-
                              daad sprake van “een nieuwe intellectuele islamofobie die niet op intellectueel
                              niveau weerlegd wordt” (Slomp 2003). Stigmatisering van de islam en moslims is
                              krenkend voor de overgrote meerderheid van moslims die de hier geldende demo-
                              cratie en mensenrechten als vanzelfsprekend aanvaardt. Alleen bij een meer even-
                              wichtige, open opstelling in het debat kan een klimaat ontstaan waarin de betrok-
                              ken partijen niet alleen zelfbewust zijn maar zich ook openstellen voor zelfkritiek.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 191 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 192 ======================================================================

<pre>                                                                                beleidsperspectief
In zo’n klimaat kan ook meer onbevangen worden gediscussieerd over mogelijke
nieuwe arrangementen voor de relatie tussen publiek domein en religie waar isla-
mitisch activisme wellicht aanleiding toe geeft, een thema dat de wrr apart in stu-
die heeft genomen. Aan de overheid is de taak dit debat mede mogelijk te maken.
Rekening houden met de diversiteit en het potentieel constructieve karakter van
islamitisch activisme binnen de Nederlandse samenleving heeft twee kanten. Het
betekent dat enerzijds meer aandacht moet worden besteed aan concreet aanwe-
zige islamitische geloofsopvattingen en gedragingen van moslims die zich posi-
tief verhouden tot de democratische rechtsstaat. Het betekent anderzijds ook dat
gedrag dat zich beroept op ‘de’ islam maar ingaat tegen de geldende rechtsstate-
lijke beginselen, niet aanvaardbaar is. Rechtsstatelijke beginselen bieden vrijheid
maar leggen tegelijk beperkingen op; deze gelden ook voor gedrag dat zich
beroept op geloofsopvattingen. Voorzover het gedrag primair de relaties betreft
tussen burgers onderling, is de rol van de overheid uiteraard begrensd tot het
waarborgen van de algemene uitgangspunten van de democratische rechtsstaat,
waaronder vooral het gelijkheidsbeginsel (art. 1 van de grondwet), de vrijheid van
godsdienst en de scheiding van kerk en staat.
Momenteel ligt de nadruk op het scherper bewaken van de grenzen van de gelden-                     191
de rechten en vrijheden. Voor het gedogen of negeren van oproepen tot haat en
geweld in naam van de islam is strafrechtelijke bestrijding in de plaats gekomen.
Het hierbij in balans houden van de verschillende rechten en vrijheden is een
moeilijke opgave. De rechtsstaat toont juist zijn grootste overtuigingskracht wan-
neer deze ook onder bedreiging zijn principes handhaaft, en bijvoorbeeld niet met
twee maten gaat meten (Buijs 2002). Hoezeer repressief optreden ook geboden
is bij terrorisme of misbruik van de vrijheid van godsdienst en van meningsuiting,
de illusie moet niet bestaan dat de overtuigingen die resulteren in haat en geweld
eveneens met repressie zullen verdwijnen. Die zullen eerder ‘onderduiken’ en zich
aldus verder onttrekken aan publieke contestatie. Juist voor de langere termijn is
cruciaal dat moslims zich op grond van eigen keuze conformeren aan de bestaande
rechtsstatelijke normen en niet omdat uitsluitend dwang hen van schending van
die normen weerhoudt. Ook het beleid in eigen land dient het uitgangspunt te
hanteren dat wordt aangesloten bij de endogene dynamiek onder moslims. De
overgrote meerderheid van de moslims handelt als vanzelfsprekend binnen het
kader van de spelregels van de democratische rechtsstaat. Deze regels bieden
immers zowel bescherming voor bestaande opvattingen als mogelijkheden voor
debat en – bij blijvend verschil van inzicht – uiteindelijk werkbare compromissen
(wrr 2003: 153). Radicale opvattingen die zich niet verdragen met deze spelregels
dienen ook langs niet-strafrechtelijke weg van repliek te worden gediend, door
zoveel mogelijk het debat aan te gaan en concrete alternatieven zichtbaar te maken.
Een dergelijk debat kan leiden tot meer precisie van opvattingen, klachten en wen-
sen over elkaar. In de huidige situatie overheersen vaak grote maar tegelijk vage
woorden, zoals ‘islamitische waarden en normen’, ‘moslimidentiteit’, ‘Nederland-
se identiteit’ en Leitkultur. Dialoog en debat kunnen grotere precisering brengen
in de diagnoses en verwachtingen over en weer.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 192 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 193 ======================================================================

<pre>    dy na miek in isla mi t isch ac t i visme
                              Zoals eerder gesteld, betreffen de beleidsmogelijkheden die hiertoe openstaan
                              vooral het nationale en lokale niveau. Deze worden verder besproken in deze
                              paragraaf, waar de wrr uitgangspunten verkent voor overheden in Nederland
                              ter hantering van de hier gehanteerde drie dimensies van islamitisch activisme,
                              namelijk het religieuze denken, het politiek activisme en het recht. Hij legt het
                              accent op de rol van de overheid als verschaffer van algemene, structurele voor-
                              zieningen voor het omgaan met pluraliteit via ontmoeting, kennisverwerving
                              en debat, onderwijs en participatie aan de politiek en de samenleving door alle
                              bevolkingsgroepen, ongeacht hun religie of herkomst.
                 5.6.2        isl amitisch - politiek denken
                              In hoofdstuk 2 bleek dat de gemeenschappelijke noemer van islamitisch acti-
                              visme een verzet tegen het traditionalisme is. De richting waarin de hervorming
                              wordt gezocht, blijkt veel gedaantes te kunnen aannemen, van letterlijke navol-
                              ging van de heilig geachte teksten tot een veelheid van interpretatieve benaderin-
                              gen op grond van wetenschappelijk onderzoek. De veelbepleite hervorming van
                              de islam, via ‘een nieuwe Luther’ als het ware, krijgt dus geleidelijk aan al
                              gestalte, en de wortels daarvan gaan ver terug. Veelal wordt in het Westen echter
192                           de eerstgenoemde stroming niet als hervorming onderkend, terwijl voor de
                              tweede onvoldoende aandacht bestaat. Het zijn juist de tot die tweede stroming
                              behorende denkers die de dogmatische islamitische obstakels voor de appreciatie
                              van democratie en mensenrechten slechten. De islam die zij voorstaan, is eerder
                              van spirituele aard dan gericht op het navolgen van voorgeschreven verboden en
                              geboden. Dit denken is ook gebaseerd op godsdienstwetenschappelijk onderzoek
                              van velerlei aard, zoals de theorie van de interpretatie (hermeneutiek), antropolo-
                              gie, taalwetenschap, filologie en geschiedwetenschap.
                              Kennisverbreding en -verdieping, ontmoeting en debat
                              Dit laatstgenoemde hervormingsdenken staat ver af van de dogmatische waarhe-
                              den die de ‘cyber-imams’, laagopgeleide imams of de fundamentalistische, vaak
                              gewelddadige filmpjes van de ‘web-islam’ aanbieden (Safi 2003). Deze waarhe-
                              den komen nu eenmaal veel gemakkelijker terecht bij ‘zoekende’ jongeren van
                              de tweede en derde generatie dan doorwrochte godsdienstwetenschappelijke
                              verhandelingen. Ook andere (massa)media dan internet versterken het beeld bij
                              jongeren dat er slechts één, dogmatische interpretatie van de islam mogelijk is
                              die bij uitstek fundamentalistisch en gewelddadig is. Ramadan (2004) wijst er
                              bijvoorbeeld op dat de ‘pamflet-islam’ van moslimfundamentalisten en de infor-
                              matie uit boekwinkels in moslimwijken schrikbarend eenzijdig is. De opvattin-
                              gen van auteurs die juist een positieve relatie leggen tussen islam, democratie en
                              mensenrechten (ook bijvoorbeeld de prominente auteurs uit hoofdstuk 2) genie-
                              ten daardoor weinig bekendheid. Theologische begeleiding is er dus wel, maar is
                              vaak eenzijdig en stuurt soms de verkeerde richting op. Het is dus van belang
                              de inzichten van de vele verschillende denkers toegankelijk te maken op plaatsen
                              waar jongeren hun antwoorden zoeken, en kennisverdieping, ontmoeting en
                              debat voor moslims en niet-moslims mogelijk te maken.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 193 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 194 ======================================================================

<pre>                                                                                beleidsperspectief
De overheid heeft vanzelfsprekend niet de taak zelf in informatielacunes te voor-
zien die samenhangen met de inhoud van de geloofsleer. Ze heeft echter wel een
zorgplicht ter verwezenlijking van de vrijheid van godsdienst en levensbeschou-
wing (Tweede Kamer 2004: 8). Die zorgplicht, die trouwens sinds jaar en dag de
rechtvaardiging vormt voor overheidsbemoeienis met de omroep en de kunsten,
betekent dat de overheid de mogelijkheid heeft te bevorderen dat een breed scala
aan kennisbronnen – ook door vertalingen – voor het Nederlandse moslim)-
publiek wordt ontsloten, zodat inzichten beschikbaar komen die beter overwo-
gen persoonlijke keuzen mogelijk maken.15
De nota Weerbaarheid en Integratiebeleid geeft de kabinetsplannen weer ter
preventie van radicalisering en vergroting van de weerbaarheid en maatschappe-
lijke binding. Deze hebben onder meer ten doel de informatie te verbreden en
verdiepen over de islam zelf, de rol van vrouwen in de islam, moderne vormen
van islambeleving, islam en moderniteit, e.d. (Minister van Vreemdelingenzaken
en Integratiebeleid 2005). Het kabinet heeft tevens het plan opgevat een Centrum
voor Culturele Dialoog in het leven te roepen (Nicolaï 2005). Ook in Amsterdam
is een initiatief genomen voor het oprichten van een centrum voor de islamiti-
sche cultuur en religie; in veel gemeenten organiseren religieuze gemeenschap-
pen hiernaast ook interreligieuze dialogen. Het is belangrijk dat de verschillende                 193
overheden actief en structureel initiatieven faciliteren die voorzien in de infor-
matiebehoefte bij moslims en niet-moslims, die bijdragen aan de verbreding van
de informatievoorziening over de islam en aldus ook de identiteitsontwikkeling
bevorderen van (moslim)jongeren. Bij uitstek structurele bijdragen gericht op
een mobiliserend beleid voor de langere termijn maken het mogelijk tegenwicht
te bieden aan eenzijdige informatie- en beïnvloedingsmechanismen.
Het streven de kennisbasis te verbreden en daartoe juist ook de plaatsen op te
zoeken waar jongeren het meest kwetsbaar zijn voor radicaliserende invloeden,
verdient hoge prioriteit en actieve (financiële) ondersteuning. Een vergelijk-
bare prioriteit verdient de bestrijding van discriminatie en het tegengaan van
uitsluiting, beide ook belangrijke aandachtspunten van het kabinetsbeleid.
Dit wrr-rapport richt zich niet op deze laatste vraagstukken; de raad zal daar
later op terugkomen in een apart rapport over identiteitsvraagstukken. Maar
het belang ervan voor de thematiek van dit rapport is evident. Uitsluiting en
discriminatie van moslims vormen bij uitstek een voedingsbodem voor radi-
caal-religieuze rancune, waartegen ook verbreding van kennis uiteindelijk niet
is opgewassen.
Onder wijsinstellingen
Jongeren dienen niet slechts inzicht te verwerven in hun eigen levensovertuiging
of religie maar ook in die van anderen in onze samenleving. Ouders zijn uiteraard
de eerst aangewezenen om kinderen kennis hiervan bij te brengen. Maar voor
openbare én bijzondere scholen ligt hier ook een wettelijke taak, naast het
bijbrengen van de basisvaardigheden als taal, rekenen en schrijven. In de poli-
tieke discussie van de afgelopen jaren stond hoofdzakelijk de bekostiging van het
</pre>

====================================================================== Einde pagina 194 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 195 ======================================================================

<pre>    dy na miek in isla mi t isch ac t i visme
                              bijzonder algemeen vormend onderwijs door de overheid centraal: de discussie
                              over artikel 23, lid 7 van de grondwet. Velen vroegen zich af of (islamitisch)
                              bijzonder onderwijs en integratie in de Nederlandse samenleving wel samengaan.
                              Dat onderwerp valt buiten de optiek van dit rapport. Dit rapport benadrukt dat in
                              het Nederland van nu en in de toekomst elke burger, al dan niet godsdienstig,
                              moslim, christelijk, jood of hindoe, wordt geconfronteerd met andersdenkenden.
                              Bij uitstek het openbaar onderwijs, dat destijds werd gekenmerkt als neutraal
                              uit het oogpunt van godsdienst of levensovertuiging, heeft formeel als opgave
                              aandacht te schenken aan de verscheidenheid in levensbeschouwelijke waarden.
                              Deze opgave wordt ook, zo blijkt uit onderzoek, door zowel leerlingen, ouders
                              als leerkrachten belangrijk gevonden, alleen het komt er bij alle andere taken zo
                              weinig van (Veugelers en De Kat 2005).
                              Het is echter van belang dat iedere leerling, ongeacht de grondslag van de school
                              die hij of zij bezoekt, kennisneemt van de verschillende geestelijke stromingen en
                              hun achtergronden. Die kennis strekt niet alleen tot relativering van eigen geloof
                              of levensovertuiging, maar vormt ook een noodzakelijke voorwaarde voor het
                              ontwikkelen van onderlinge tolerantie en respect. Uit diverse recente beleids-
                              stukken blijkt dat de regering en de Tweede Kamer dit belang onderschrijven,
194                           getuige het voornemen om met ingang van het schooljaar 2006-2007 (in het
                              kader van waarden en normen en burgerschapsvorming voor het basisonderwijs)
                              het volgende verplichte kerndoel op te nemen: “De leerlingen leren hoofdzaken
                              over geestelijke stromingen die in de Nederlandse multiculturele samenleving
                              een belangrijke rol spelen” (Tweede Kamer 2005a). Waar dit leerdoel volgens het
                              eerdere ‘Besluit kerndoelen primair onderwijs 1998’ was toegespitst op leefge-
                              woonten en feest- en gedenkdagen, biedt deze algemene formulering de kans op
                              een diepgravender aanpak van dit onderwerp. En doordat het leerdoel losstaat
                              van het godsdienst- en levensbeschouwelijk onderwijs, doet zich geen spanning
                              voor met de grondwettelijk gewaarborgde vrijheid van godsdienst. Omdat het
                              gaat om een heel recent initiatief, zal de vertaling van dit kerndoel in specifieke
                              leerdoelen en regels (zoals ook bij andere kerndoelen als Nederlandse taal en
                              rekenen gebruikelijk is) nog geruime tijd in beslag nemen. De wrr vindt dat
                              hier voortvarendheid geboden is. Specifieke leerdoelen, aan de ervaringswereld
                              van jonge kinderen aangepaste leermethoden en adequate ondersteuning van
                              de pabo’s betekenen immers dat dit kerndoel een volwaardige plaats inneemt
                              binnen het onderwijs, en dat docenten niet zelf het wiel hoeven uit te vinden.
                              Daarnaast stellen ze de onderwijsinspectie in staat te toetsen of scholen en leer-
                              krachten inderdaad invulling geven aan hun rol als overdragers van kennis van
                              de voornaamste levensbeschouwingen binnen de samenleving.
                              Hoewel in het voortgezet onderwijs (voor leerlingen van twaalf jaar en ouder)
                              binnen het verplichte curriculum de kennis van levensbeschouwingen geen apart
                              kerndoel vormt, verdienen kennis van verschillende levensbeschouwingen,
                              reflectie op waarden en normen en burgerschapsvorming wél gedurende de
                              gehele verdere schoolloopbaan de aandacht. De nota Grondrechten in een pluri-
                              forme samenleving wijst daar ook op, en stelt dat bijvoorbeeld leergebieden als
</pre>

====================================================================== Einde pagina 195 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 196 ======================================================================

<pre>                                                                                  beleidsperspectief
‘mens en maatschappij’ en later het verplichte vak maatschappijleer hiervoor de
ruimte bieden. De verantwoordelijkheid voor de wijze waarop en mate waarin
dit gebeurt, ligt echter bij de school (Tweede Kamer 2004). De wrr vindt dat in
het voortgezet en (algemeen en middelbaar) hoger onderwijs de aandacht hier-
voor intensiever moet worden. Juist in deze periode nemen jongeren immers
steeds meer afstand van de opvattingen die ze van huis uit meekrijgen, zijn hun
eigen opvattingen nog niet uitgekristalliseerd, ontstaan er contacten met anders-
denkenden, en gaan ze experimenteren met gedrag en eventueel op zoek naar
nieuw religieus houvast. Het is belangrijk dat ze in die fase over meer kunnen
beschikken dan alleen het eenzijdige aanbod van religieus radicalisme van veel
geraadpleegde bronnen als internet.
Het verbreden van het aanbod aan alternatieve opvattingen moet meer omvatten
dan het aanbieden van abstracte leerstof over ‘de andere religies’, waaronder ook
de stromingen binnen de islam. Alternatieve informatie moet aansluiten bij de
bestaande vooroordelen, vragen en worstelingen die de jongeren doormaken,
precies die onderwerpen dus waarover jongeren in het voortgezet onderwijs te
rade gaan bij ‘deskundige’ leeftijdsgenoten en internet. Onderwijsinstellingen
moeten conflictueuze en taboeonderwerpen dan ook niet mijden, maar bij
uitstek via voor jongeren aansprekende, onorthodoxe methoden centraal stellen.                       195
Aan de hand van discussies met bijvoorbeeld goed geschoolde imams kan dan
ook op school duidelijk worden dat de islam meer antwoorden biedt dan alleen
die van de cyber-imam. De eigen verantwoordelijkheid van de onderwijsinstel-
lingen maakt het mogelijk op inventieve wijze te experimenteren met deze bena-
dering, bijvoorbeeld door het openstellen van seminars voor belangstellenden
van buiten, het uitnodigen van imams, etc. Het spreekt vanzelf dat het hier niet
gaat om eenmalige activiteiten, maar om een structurele taak. De overheid dient
de financiële ruimte te scheppen om instellingen deze taak naar behoren te laten
vervullen.
Ten aanzien van het hoger onderwijs gaat veel aandacht uit naar imamopleidin-
gen. Nogal wat politici koesteren de verwachting dat zo’n nieuwe opleiding met
Nederlands als voertaal op termijn zal bijdragen aan een betere integratie van
nieuwkomers uit moslimlanden. Toch moet men zich hiermee niet rijk rekenen.
Een groot deel van de moslims in Nederland heeft immers geen directe binding
met een moskee (Sjadid en Van Koningsveld 2004). De overheid is ook niet be-
voegd tot enigerlei bemoeienis met de inhoud van deze geestelijke opleidingen.
Ze legt de verantwoordelijkheid hiervoor terecht bij de moslimgemeenschappen
zelf. De enige eis die ze kan stellen is dat de religieuze gezagsdragers beter op
de hoogte zijn van de Nederlandse taal en samenleving, zodat zij de hier verblij-
vende moslims beter kunnen begrijpen en begeleiden. Het is bovendien aan
moskeebesturen zelf om imams te selecteren. Overigens kan het predikaat ‘goed-
gekeurd door de Nederlandse overheid’ voor velen eerder een contra-indicatie
zijn van gebleken geschiktheid.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 196 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 197 ======================================================================

<pre>    dy na miek in isla mi t isch ac t i visme
                              De regering is wel bevoegd tot het creëren van de algemene randvoorwaarden
                              voor een hoog niveau van wetenschappelijk onderwijs en onderzoek, ook op
                              het gebied van godsdiensten. Op de Nederlandse universiteiten bestaan leer-
                              stoelen die aspecten van de islam betreffen, zoals talen en culturen van het
                              Midden-Oosten, sociale processen in de moderne islam, de islam in West-
                              Europa en het recht van de islam. De enige instelling die in Nederland de islam
                              interdisciplinair bestudeert, is het in 1998 opgerichte International Institute for
                              the Study of Islam in the Modern World (isim) in Leiden. Dit instituut is een
                              samenwerkingsverband van de universiteiten van Leiden, Amsterdam, Utrecht
                              en Nijmegen. Het hanteert een sociaal-wetenschappelijke benadering ter ver-
                              groting van kennis en inzicht in de manifestaties van de huidige islam. Dat is
                              een belangrijke bijdrage, maar wel een andere dan de algemene godsdienst-
                              wetenschappelijke verdieping waar de wrr hier voor pleit. Het is daarom
                              wenselijk in aanvulling hierop mogelijkheden te creëren voor een volwaardige
                              islamwetenschappelijke studierichting aan een algemene universiteit. Op
                              langere termijn kan dit vruchten afwerpen voor de religieuze ontwikkeling,
                              ook in moslimlanden. Via allerlei vormen van uitwisseling kan de wetenschaps-
                              beoefening in Europa profiteren van de kennis die in moslimlanden bestaat,
                              terwijl moslimlanden baat hebben bij de vruchten van het vrije onderzoek aan
196                           Europese universiteiten. Hoewel de maatschappelijke doorwerking van zo’n
                              opleiding buiten de moskee verloopt, kan ze via publicaties, optreden voor de
                              media en in wetenschappelijke discussies toch aanzienlijk zijn. Zelfs is denk-
                              baar dat imamopleidingen op den duur gaan samenwerken met wetenschappe-
                              lijke islamopleidingen, zodat de studenten een deel van hun studie volgen bij de
                              wetenschappelijke opleiding. Langs deze weg zou de wetenschappelijke oplei-
                              ding ook kunnen bijdragen aan het opleidingsniveau van imams.
                 5.6.3        isl amitische politieke bewegingen
                              In Nederland en ook in andere lidstaten van de eu zijn islamitische bewegingen
                              al geruime tijd actief. Er is echter nog slechts op beperkte schaal en pas heel
                              recent sprake van partijvorming op islamitische grondslag of naar moslimregio
                              van herkomst. In vergelijking met Nederland loopt België daarin voorop, met
                              de partij Noor, de Parti de la Citoyenneté et de la Prospérité, de Arabisch Euro-
                              pese Liga (ael) en de partij Resist, waar aanvankelijk ook de ael in opging en
                              die vervolgens heeft geresulteerd in de Moslim Democratische Partij (Koning
                              Boudewijnstichting 2004). In België deden sommige partijen al aan verkiezin-
                              gen mee, zonder overigens te resulteren in zetels in de vertegenwoordigende
                              organen. De Nederlandse ael streefde naar Belgisch voorbeeld eveneens naar
                              de oprichting van een Moslim Democratische Partij; de bedoeling was dat deze
                              in een aantal grote gemeenten zou deelnemen aan de gemeenteraadsverkiezin-
                              gen in 2006 (Douwes et al. 2005). Inmiddels is hiervan afgezien. De bedoeling
                              van de ael is nu om voor haar doelen voor de langere termijn, zoals erkenning
                              van de eigen identiteit van moslims en culturele en economische integratie,
                              belangstelling te vinden bij bestaande partijen (NRC Handelsblad, 18 november
                              2005).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 197 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 198 ======================================================================

<pre>                                                                                 beleidsperspectief
Meer aandacht van bestaande partijen voor kwesties die moslims bezighouden, is
belangrijk. Maar hiernaast geldt dat partijvorming die geheel of gedeeltelijk
plaatsvindt op basis van de islam of de moslimidentiteit, als potentieel construc-
tieve bijdrage aan de politiek beoordeeld moet worden, analoog aan het pleidooi
hierboven om ten aanzien van het politiek activisme in moslimlanden uit te gaan
van een inclusief democratiebegrip. Dergelijke partijen kunnen ook een stem
geven aan degenen die zich in de vertegenwoordigende organen van moslims
niet vertegenwoordigd weten. Blijkens recent onderzoek vinden moslims in
Nederland het ook belangrijk dat dergelijke partijvorming plaatsvindt, los van de
vraag of zij daar zelf op zouden stemmen (tns nipo 2005). Het Nederlandse kies-
stelsel werpt hiervoor weinig obstakels op; het kent een relatief grote toeganke-
lijkheid met als enige inhoudelijke eis dat de aanduiding van de partij niet in
strijd is met de openbare orde (art. G 1 Kieswet). Deelname aan het democratisch
proces impliceert dat bij moslims levende grieven en wensen via de daartoe
bestaande spelregels worden gearticuleerd en in het politieke debat en de besluit-
vorming kunnen worden betrokken. Want ook al is een partij klein, daarmee is
haar invloed dat niet per definitie. Wanneer een moslimpartij bestaande belem-
meringen voor participatie aan de samenleving (zoals discriminatie op de
arbeidsmarkt) aan de kaak zou stellen, kan dat grotere partijen wakker schudden.
Deelname aan parlement en gemeenteraden vergroot de kans dat de aanhang zich                        197
serieus genomen voelt en voorkomt aldus dat frustraties zich in de informele
sfeer ophopen.
In Nederland is oprichting van een politieke partij op basis van de islam die pleit
voor het invoeren van enigerlei vorm van sharia nog niet aan de orde geweest.
Volgens de aivd was dat wel een van de ambities van de ael, maar dat heeft de
partij zelf in 2005 in een nieuwsbrief uitdrukkelijk ontkend (aivd 2004b: 40).
Zoals in hoofdstuk 4 bleek, zegt die ambitie als zodanig nog niet zoveel. Voor veel
(religieuze) partijen geldt dat ze in hun partijprogramma’s taalgebruik en symbo-
len hanteren die op niet-partijleden overkomen als abstract, vaag of zelfs radicaal.
Nederlands oudste politieke partij, de Staatkundig Gereformeerde Partij (sgp),
bijvoorbeeld, streeft naar een theocratie. Het partijprogramma voor 2002-2006
stelt dat de overheid “Gods dienares is. De overheid heeft de taak ervoor te
zorgen dat Zijn geboden niet overtreden worden” (sgp 2001: 4).16 Wat dit voor de
opstelling van de partij in de dagelijkse politiek betekent, is hier niet zonder meer
uit af te leiden. Dat geldt ook voor partijen die de term ‘sharia’ gebruiken. Vaak
valt pas uit het politieke gedrag zelf af te leiden wat de partijleden concreet
bedoelen en ambiëren met verwijzingen naar de sharia. Mocht het oogmerk zijn
om in Nederland langs democratische weg een islamitische staat in te voeren, dan
zou dat de zware procedures vergen die verbonden zijn aan een grondwetswijzi-
ging.17 De politieke kans op realisatie daarvan is dan ook zeer gering. Hetzelfde
geldt voor de vergelijkbare wens van de sgp om in Nederland een theocratie in te
voeren. Maar de sharia als inspiratiebron voor bijvoorbeeld het streven naar
rechtvaardigheid en een ‘ethische politiek’ van zo’n partij zou zich ook kunnen
vertalen in sociaal-conservatieve programmapunten die een bredere aanhang
hebben dan uitsluitend moslims.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 198 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 199 ======================================================================

<pre>    dy na miek in isla mi t isch ac t i visme
                              Evengoed is het evident dat met een islamitische of moslimpartij, hoe klein ook,
                              al dan niet aan de sharia verbonden gezichtspunten in het politieke debat in
                              Nederland worden ingebracht die kunnen afwijken van het gebruikelijke poli-
                              tieke discours, of zelfs een taboe vormen. Te denken valt aan onderwerpen als de
                              Nederlandse houding ten aanzien van het Midden-Oostenconflict, de deelname
                              aan missies in Afghanistan en Irak en de steun aan autocratische regimes. Zoals
                              bij de oprichting van de ael in Nederland bleek, veroorzaakten sommige pro-
                              grammapunten schrikreacties. ‘Nederland’ moet echter onder ogen zien dat door
                              de migratiebewegingen van de afgelopen decennia tegelijk ook andere manieren
                              van kijken naar de wereld zijn geïntroduceerd in de samenleving. Het spreekt
                              vanzelf dat die vroeger of later ook een politieke vertaling kunnen krijgen. Er is
                              geen enkele reden het debat over deze (gevoelige) onderwerpen uit de weg te
                              gaan. Of dit discours en de eruit voortvloeiende concrete wensen zich slecht
                              verdragen met de geldende democratische en rechtsstatelijke normen, kan dan
                              in de politieke arena duidelijk worden.
                              Concluderend: op grond van het bovenstaande moet de vorming van politieke
                              partijen met een islamitische grondslag of moslimidentiteit worden beschouwd
                              als constructieve inbreng in de Nederlandse politiek, die getuigt van het streven
198                           naar participatie aan de bestaande instituties en volgens de geldende democrati-
                              sche spelregels.
                 5.6.4        isl amitisch recht
                              Vanwege het grote aantal moslims kan op enig moment het vraagstuk van erken-
                              ning van (elementen van) islamitische wetgeving in Nederland ook actueel
                              worden langs andere weg dan door partijvorming. Dat sommige hier wonende
                              moslims willen leven naar wat zij verstaan onder de sharia is evident. Dat hoeft
                              niet problematisch te zijn voorzover de betreffende gedragsnormen niet strijdig
                              zijn met de bestaande rechtsorde. Maar gegeven de vele definities van de sharia
                              kunnen zich wel degelijk problemen voordoen. Hoe groot deze kunnen zijn, is
                              weer gebleken bij de rechtszaken tegen Mohammed B., die steeds getuigde van
                              ‘Uw rechtsstaat is de mijne niet’. Waar met een beroep op de sharia gedrag plaats-
                              heeft dat strijdig is met bestaande wetgeving, zijn opsporing en vervolging
                              vanzelfsprekend geboden. Er bestaat hiernaast echter ook een glijdende schaal
                              van gedrag dat niet strafbaar is, maar zich wel slecht verdraagt met de geldende
                              sociale en morele normen (zoals de individuele autonomie) en dat wordt onder-
                              steund door processen van groepsdwang. Het is mogelijk dat dergelijk gedrag
                              wordt gerechtvaardigd door de sharia. Op deze verschijnselen, en hieruit voort-
                              vloeiende spanningen moeten de nationale en lokale overheid alert zijn. De over-
                              heid heeft immers een bijzondere verantwoordelijkheid voor het garanderen van
                              een maatschappelijk klimaat waarin groepen goed met elkaar kunnen samenle-
                              ven. Op dit thema, en de verschillende strategieën die hierbij kunnen worden
                              ingezet, is de raad eerder ingegaan in zijn rapport Waarden, normen en de last van
                              het gedrag (wrr 2003: 169-196).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 199 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 200 ======================================================================

<pre>                                                                                                     beleidsperspectief
        In dit rapport gaat het de raad echter om een ander vraagstuk, namelijk om het
        formeel erkennen van (elementen van) islamitische wetgeving in het hier vige-
        rende rechtsstelsel. Dat betreft een ander thema dan de regeling van de status van
        in de lidstaten levende vreemdelingen of personen met een dubbele nationaliteit
        waarop het internationale privaatrecht of bilaterale overeenkomsten met derde
        landen van toepassing is. Het is niet denkbeeldig dat in Nederland een beroep
        zal worden gedaan op de vrijheid van godsdienst om erkenning te vinden voor
        toepassing van uit die godsdienst voortvloeiend recht op bepaalde gebieden,
        zoals het burgerlijk recht. Het gaat dan om het formele recht aparte, uitsluitend
        voor eigen kring geldende rechtsregels te mogen hanteren. Dit kan betrekking
        hebben op een formele mogelijkheid voor personen uit deze kring om facultatief
        te opteren voor toepassing van het algemeen geldende of het voor die kring
        geldende recht. In moslimlanden is niet ongebruikelijk dat op gebieden waar
        religieus recht van toepassing is, aanhangers van enkele andere religies kunnen
        kiezen voor eigen recht en rechtbanken. In zowel Canada als Groot-Brittannië is
        gepoogd een dergelijk systeem te introduceren (zie tekstbox 5.4).
Tekstbox 5.4 Shariarechtspraak in Canada en Groot-Brittannië
 In Canada vond een heftige discussie plaats over de erkenning van arbitragecommissies, die op                          199
 grond van de sharia bindende uitspraken doen over conflicten in de familierechtelijke sfeer, met
 een beroepsmogelijkheid bij een reguliere rechtbank. De mogelijkheid voor deze formele erken-
 ning berustte op de in de provincie Ontario geldende Arbitrage Wet die is bedoeld om via de
 nieuwe figuur van bemiddeling en arbitrage tot een ontlasting en kostenvermindering te komen
 van het publieke rechtsbestel. Na de joodse heeft de moslimgemeenschap deze opening aange-
 grepen, in dit geval voor het willen toepassen van islamitische wetgeving op het kerngebied van
 de sharia, namelijk het familierecht. De voorstellen voor dit groepsrecht leidden echter tot een
 scherpe afwijzing door onder meer de Canadese Raad van Moslimvrouwen. Deze bracht naar
 voren dat onduidelijk is door welke van de vele interpretaties van de sharia de betreffende
 commissies zich laten leiden; hiermee zou grote rechtsonzekerheid worden geïntroduceerd
 alsook een gerede kans op toepassing van orthodoxe interpretaties. De Raad vreesde voorts dat
 de formele keuzevrijheid in de praktijk niet bestaat en ten nadele van vrouwen zou uitpakken,
 omdat vrouwen door de sociale controle in de eigen kring gedwongen zouden worden de weg van
 de ‘goede’ moslims te volgen. Ook meende de Raad dat deze opening een precedent zou vormen
 die moslims zeker ook in Europa zouden aanmoedigen om te benutten voor een vergelijkbare
 voorziening in hun landen. Maar de Canadese Raad hanteerde voor de afwijzing ook een principi-
 eel argument. Volgens zijn definitie van de sharia zag de Raad geen tegenstelling tussen die sharia
 met de mensenrechten zoals gedefinieerd in de Universele Verklaring. De hierin neergelegde
 normen, alsook de daarop gebaseerde conventies, zag hij als volstrekt consistent met de idealen
 van de islam en de koran. Omdat de Canadese wetgeving en het rechtsstelsel op deze mensen-
 rechten zijn gebaseerd, is er geen enkele reden ander recht toe te passen. Erkenning van de sharia
 zou juist een gerede kans betekenen op een verslechtering van de positie van vrouwen (Canadian
 Council of Women 2005). Vanwege de ontstane commotie heeft de premier van Ontario
 inmiddels besloten alle religieuze arbitrage te verbieden. Vooralsnog is niet duidelijk of dit besluit
 zal worden gehandhaafd.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 200 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 201 ======================================================================

<pre>    dy na miek in isla mi t isch ac t i visme
                     De wens om groepsrecht in te stellen, speelt niet alleen in Canada maar ook in Groot-Brittannië.
                     Al vanaf de jaren zeventig wordt er gestreefd naar invoering van een parallelsysteem van familie-
                     recht, waarbij voor moslims automatisch de islamitische wetgeving zou gelden. Anders dan in
                     Canada gaat het niet om erkenning van een mogelijkheid waarvoor bestaande wetgeving ruimte
                     biedt, maar om nieuwe wetgeving. De Islamic Shari’a Council (vk), die informeel conflicten van
                     familierechtelijke aard beslecht, zoekt formele erkenning binnen het Britse rechtssysteem.
                     Hoewel in Groot-Brittannië een zekere mate van cultureel pluralisme is toegestaan, is op een
                     hernieuwd verzoek in 1996 om wetgeving die islamitisch familierecht formeel zou erkennen
                     opnieuw afwijzend gereageerd. Het belangrijkste argument van de Britse regering was dat er geen
                     zekerheid bestond dat niet-seculiere rechtssystemen de universeel geaccepteerde mensenrechten
                     zouden toepassen, met name wat de gelijke rechten van vrouwen betreft. Evenals de Canadese
                     Raad naar voren bracht, is er ook het argument van de vele verschillende interpretaties van het
                     islamitische familierecht. Nog afgezien van de praktische problemen om hieraan recht te doen,
                     zou dit zeker leiden tot grote onenigheid binnen de moslimwereld en tot formele rechtsongelijk-
                     heid tussen moslims (Fournier 2004).
                              Op grond van het in dit rapport voorgestane streven naar ‘universalisering’ van
                              de universele mensenrechten (zie par. 5.4.2) acht de raad het ongewenst de weg
200                           op te gaan van het pluraliseren van het nationale recht en het loslaten van het
                              seculiere recht dat berust op de scheiding tussen kerk en staat. De ambitie die
                              door dat begrip van universalisering van de mensenrechten wordt uitgedrukt,
                              is immers juist om tot een toenemend bereik van de universele mensenrechten
                              te komen, niet om daaraan afbreuk te doen. Het in Nederland geldende recht
                              is mede gebaseerd op het evrm; formele erkenning van islamitische rechtsnor-
                              men die hieraan nog niet voldoen zou dan een terugval betekenen. Het zou
                              bovendien strijdig zijn met het in het evrm en de grondwet vastgelegde gelijk-
                              heidsbeginsel.
                              Is in paragraaf 5.4 beredeneerd dat in moslimlanden de toenadering tot de
                              universele maatstaven kan verlopen via islamitisch recht, voor Nederland is de
                              omgekeerde weg op zijn plaats. Immigranten uit andere moslimlanden dan
                              Turkije zijn vaak gesocialiseerd in rechtssystemen die gedeeltelijk zijn gebaseerd
                              op een versie van de sharia. De kennis van moslims over het in de lidstaten
                              bestaande recht – waaronder de mensenrechten – zal soms zeer beperkt zijn, wat
                              dan een natuurlijke voorkeur met zich mee zal brengen voor de sharia waarmee
                              zij vertrouwd zijn. Volgens sommigen is er inderdaad sprake van een principieel
                              onbegrip onder veel moslims over de in Europa bestaande verhouding tussen
                              religie en staat (Bielefeldt en Bahmanpour 2002). De veelgebruikte aanduiding
                              van de staat als seculier roept veel misverstand op. Dat seculiere karakter wordt
                              door een aantal moslims nu nog vaak begrepen als zou die staat antireligieus zijn
                              of ‘postreligieus’, als zouden Europese landen ‘de religie voorbij’ zijn. Die percep-
                              tie verklaart ten dele ook hun wantrouwen tegenover de westerse staat. Ze zien
                              niet dat de niet-religieuze staat en het seculiere recht juist dienen als waarborg
                              voor het recht van ieder op een gelijk respect voor de aangehangen godsdienst.
                              Zoals ook het eerdere verzet van christelijke kerken doet vermoeden, duurt het
</pre>

====================================================================== Einde pagina 201 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 202 ======================================================================

<pre>                                                                                   beleidsperspectief
    kennelijk enige tijd voordat gelovigen inzien dat de staat niet per definitie
    seculier is in de zin van antigodsdienstig, maar juist als waarborg kan dienen
    van godsdienstvrijheid (Bielefeldt en Bahmanpour 2002). Ook bij islamitische
    politieke bewegingen in Turkije is dit inzicht gaandeweg ontstaan, wat daar
    zelfs heeft geleid tot een omslag in de houding tegenover eu-lidmaatschap
    (wrr 2004).
    Zoals bleek in paragraaf 5.4.5, stelt Tariq Ramadan net als de Canadese Raad van
    Moslimvrouwen vast dat de universele mensenrechten en het hierop gebaseerde
    recht in lidstaten van de eu niet in tegenspraak zijn met de sharia en dat moslims
    dientengevolge in vrijwel alle gevallen loyaal kunnen zijn aan het in de lidstaten
    bestaande recht (Ramadan 2004). De in hoofdstuk 2 besproken islamitische
    denkers, zoals Abdullah An Na’im en Soroush, huldigen dezelfde opvattingen.
    Dit geeft aan hoe groot het belang is dat de lidstaten van de Unie evenals de
    moslimlanden het tot hun taak rekenen het begrip en de kennis bij hier levende
    moslims te vergroten van de principes van het geldende recht en de mensenrech-
    ten en de relatie met islamitisch recht. Wanneer moslims beter geïnformeerd zijn
    dan nu vaak nog het geval is over de principes van dat recht en de hun toeko-
    mende concrete rechten, en wanneer zij gaan onderkennen dat ze dat recht niet
    op islamitische gronden hoeven af te wijzen, zal dit ook kunnen doorwerken in                     201
    de ontwikkeling van de islam in Nederland.
    Concluderend meent de raad dat de aanwezigheid van moslims geen aanleiding
    mag zijn voor het formeel incorporeren van islamitische wetgeving in het
    bestaande recht, dat immers mede is gebaseerd op het evrm. Wel is van groot
    belang dat moslims in de lidstaten meer vertrouwd worden gemaakt met de prin-
    cipes van het in de lidstaten geldende recht.
5.7 conclusie
    Met het beleidsperspectief van dit hoofdstuk beoogt de raad bij te dragen aan het
    doorbreken van de neerwaartse spiraal van actie en reactie die de afgelopen jaren
    de verhouding tussen zowel moslimstaten als westerse staten en islamitisch acti-
    visme is gaan kenmerken. De gevolgen van deze spiraal werken niet alleen door
    in de relaties tussen landen, maar ook – daarbinnen – tussen bevolkingsgroepen.
    Angst voor moslims en de islam heeft ook in Nederland postgevat, en op hun
    beurt ervaren moslims zich vanwege hun religie steeds meer als onwelkome
    vreemdelingen.
    Een klimaat van confrontatie is weinig bevorderlijk voor het creëren van besten-
    dige voorwaarden voor veiligheid, democratisering en toenemend respect voor
    mensenrechten. Hiervoor bestaat eigenlijk geen ander wenselijk alternatief dan
    te proberen aansluiting te vinden bij aanknopingspunten voor democratie en
    mensenrechten in het islamitisch activisme zelf. De in dit rapport gepresenteerde
    analyses laten onmiskenbaar zien dat deze er ook zijn. Islamitisch activisme mag
    niet over de gehele linie geïdentificeerd worden met een antidemocratische
</pre>

====================================================================== Einde pagina 202 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 203 ======================================================================

<pre>    dy na miek in isla mi t isch ac t i visme
                              gezindheid en een ontkenning van de waarde van mensenrechten. Eerder is
                              sprake van een grote verscheidenheid in de relatie tot democratie en mensenrech-
                              ten en een geleidelijke toenadering tot deze concepten.
                              Deze empirische inzichten vormen een belangrijke correctie op het beeld dat in
                              westerse landen, en zeker ook in Nederland, over islamitisch activisme heeft
                              postgevat. In de huidige sfeer van confrontatie bestaat weinig aandacht voor wat
                              er werkelijk plaatsvindt aan de andere kant; wat overheerst is sjabloondenken.
                              Een beleid van constructieve betrokkenheid met de moslimwereld dient zich
                              echter rekenschap te geven van de diversiteit en dynamiek van het islamitisch
                              activisme. Dan kan ook worden onderkend dat de islam in politiek en juridisch
                              opzicht potentieel wel degelijk een belangrijke rol kan spelen in de ontwikkeling
                              van moslimlanden. Het aansluiten bij endogene ontwikkelingen die democratie
                              en mensenrechten bevorderen, kan op de langere termijn tot duurzamer resulta-
                              ten leiden dan pogingen deze van buitenaf op te leggen. Deze benadering vergt
                              echter wel een cultuuromslag, in de zin dat wordt erkend dat de islam een belang-
                              rijk voertuig kan zijn voor het realiseren van democratie en mensenrechten.
                              De cultuuromslag betreft eveneens aanvaarding van de mogelijkheid dat deze
                              universele waarden in moslimlanden (vooralsnog) andere uitwerkingen kunnen
202                           krijgen dan in westerse samenlevingen gebruikelijk is. Het Westen bezit geen
                              monopolie op de interpretatie van universele mensenrechten, noch op het gedrag
                              dat daarmee in overeenstemming is. Bij de zelfkritiek waartoe westerse landen de
                              moslimwereld regelmatig oproepen, misstaat niet dat zij ook de hand in eigen
                              boezem steken. Door te erkennen dat de eisen van de universele mensenrechten
                              ook de westerse landen voor een blijvende opgave stellen, winnen ze juist aan
                              geloofwaardigheid.
                              De hiervoor aangeduide beleidsmogelijkheden laten zien dat het stimuleren van
                              de positieve interne dynamiek in moslimlanden geen gemakkelijke weg is. Het
                              tegelijk willen beïnvloeden maar niet inmengen betekent het vinden van een
                              goede balans tussen beide, en het benutten van windows of opportunity als die
                              zich voordoen. In elk geval vereist het een zeer grondige kennis van de situatie in
                              de verschillende moslimlanden waarmee het avontuur wordt aangegaan. De
                              cultuuromslag die dit rapport op het oog heeft, betekent niet dat Nederland en de
                              eu ontwikkelingen moeten ondersteunen die strijdig zijn aan de eigen waarden.
                              Het betekent wél dat islamitisch geïnspireerde krachten niet bij voorbaat worden
                              uitgesloten van de externe contacten, en dat de beleidsinspanningen zich richten
                              op de lange termijn. Alleen wanneer gaandeweg constructieve vormen van isla-
                              mitisch activisme in het democratisch bestel worden opgenomen, krijgen ze de
                              kans zich te ontwikkelen tot een islamitisch-democratische beweging. De
                              westerse politieke geschiedenis laat zelf voorbeelden zien van een analoge gang
                              van uiteenlopende vormen van breed gesteund activisme naar democratische
                              stromingen. Er is geen reden waarom zich rond islamitisch activisme niet een
                              analoge ontwikkeling zou kunnen voordoen. De empirische bevindingen in het
                              voorgaande illustreren juist dat een dergelijk proces van normalisering in ver-
                              schillende moslimlanden daadwerkelijk gaande is.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 203 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 204 ======================================================================

<pre>                                                                               beleidsperspectief
De raad beseft dat het voorgestelde strategisch perspectief van toenadering een
lange adem vergt. Bovendien is het een kwetsbaar perspectief. Daadwerkelijke
toenadering kan gemakkelijk worden gefrustreerd door oplaaiende gewelddadig-
heden in lopende conflicten of acties van enkelingen. De interdependenties in de
huidige wereld zijn dusdanig dat gebeurtenissen elders binnenlandse gevolgen
hebben en veelbelovende verbeteringen in de verhoudingen in de kiem kunnen
smoren. Dit betekent dat het huidige accent op veiligheid nog lange tijd gehand-
haafd zal (moeten) blijven. Maar voor de veiligheid op de langere termijn is er
naar het oordeel van de raad alles aan gelegen het hier aangedragen alternatief tot
richtsnoer te maken op alle niveaus waarop Nederland invloed kan uitoefenen.
                                                                                                  203
</pre>

====================================================================== Einde pagina 204 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 205 ======================================================================

<pre>    dy na miek in isla mi t isch ac t i visme
                 noten
                 1            Ter vergelijking: in de andere zeven landen varieerden die percentages van
                              22 procent (vs) tot 37 procent (Spanje).
                 2            Het vredesproces was vastgelopen na de moord op Jitzak Rabin en de verkiezing
                              van Benjamin Netanyahu in Israël. Tijdens een daaropvolgende, vier jaar durende
                              discussie over een nieuw handvest bleken de Arabische landen niet betrokken te
                              willen worden in een militair samenwerkingsverband met Israël alvorens dat land
                              een vredesverdrag zou hebben getekend met Syrië, Libanon en de Palestijnen.
                 3            Op economisch gebied bleken niet alleen de gevestigde belangen in de partner-
                              landen zich te verzetten, de eu liep tot dusver zelf evenmin voorop met de
                              externe liberalisering; vooral de vrije toegang van landbouwproducten en textiel
                              en het vrije verkeer van werknemers liggen gevoelig. Echt vrije toegang is alleen
                              van toepassing op olie, gas en industrieproducten. Sinds 2005 wordt overigens
                              wel voortgang geboekt met de onderhandelingen over de vrijhandelszone.
                 4            De Commissie waarschuwt dat de strijd tegen het terrorisme spanningen veroor-
                              zaakt tussen interne veiligheidsoverwegingen enerzijds en de mensenrechten-
                              en democratiseringsagenda anderzijds, die uiteindelijk ten koste kunnen gaan
204                           van de mensenrechten (Biscop 2005: 13).
                 5            Euromesco, de onderzoeksgroep van buitenlandse beleidsinstituten en denk-
                              tanks binnen het emp, komt tot de sombere slotsom dat ‘de banalisering en routi-
                              nematige aard’ van het geweld tegen burgers en politieke leiders van de oppositie
                              de belangrijkste belemmering vormen voor vrede, democratie, de rule of law en
                              mensenrechten (Euromesco 2005a). Alleen al 150.000 inwoners van de zuidflank
                              van de regio zijn sinds 1995 overleden als gevolg van politiek geweld. Toch heeft
                              de eu in de tien jaar die het emp nu bestaat, nog niet één keer gebruikgemaakt
                              van de mogelijkheid de associatieverdragen op te schorten als antwoord op
                              ernstige mensenrechtenschendingen. Sterker nog, eu-lidstaten krijgen het
                              verwijt te meten met twee maten; als prominente seculiere mensenrechten-
                              activisten of politieke oppositieleiders door het regime worden opgepakt, volgen
                              Europese protesten. Gebeurt iets vergelijkbaars met islamitisch activisten, dan
                              blijft het meestal stil (Joffé 2005: 17; Panebianco 2004: 154).
                 6            Zie onder anderen Jones en Emerson (2005) voor een uitgebreide bespreking van
                              het hervormingsproces op basis van de Actieplannen.
                 7            Deze veronderstelling ligt de laatste jaren ook onder vuur in het ontwikkelings-
                              beleid. Zie onder meer undp 2002; Van Ardenne 2005.
                 8            Zoals ook het nimd opmerkt, heeft de eu de afgelopen jaren wel geïnvesteerd
                              in het ondersteunen van verkiezingen, bestuurlijke hervormingen, civil society
                              en versterking van de rechtsstatelijkheid, maar heeft ze het politieke leven
                              grotendeels genegeerd. Het nimd beschouwt politieke partijen als een belang-
                              rijke ontbrekende schakel in het eu-hulpbeleid gericht op het bevorderen van
                              democratie en mensenrechten (nimd 2005: 26).
                 9            Zoals Youngs opmerkt: “Despite the commitments made by countless ministe-
                              rial statements and policy documents, in practice little new engagement with
                              Islam has been forthcoming. Donors have proceeded no further than including
</pre>

====================================================================== Einde pagina 205 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 206 ======================================================================

<pre>                                                                                    beleidsperspectief
   general discussion [sic] on ‘Islam and democracy’ in some civil society forums.
   A plethora of initiatives aim at ‘cultural understanding’ between Islam and the
   West, but concrete political support is lacking for moderate Islamists concerned
   to widen political participation in their societies. (…) The eu’s new guidelines on
   democracy and human rights promotion in the Middle East fail even to mention
   the Islamist issue. The eu largely avoids working with Islamists even on fairly
   apolitical issues: for example, declining to work through professional syndicates
   captured by Islamists. In short, Islamists continue to be the apparent untouch-
   ables of the democracy assistance world” (Youngs 2004b: 12).
10 Deze bijzondere aandacht voor de rechten van vrouwen wordt mede benadrukt
   door het Europees Parlement. Zie bijvoorbeeld de motie van het Europees Parle-
   ment over het herziene emp van eind september 2005 (European Parliament
   2005).
11 De Egyptische ndp, de regeringspartij die al decennialang het machtsmonopolie
   heeft, is een schoolvoorbeeld van deze verstrengeling van toezicht op de religie
   met partijpolitieke controle over de islam in Egypte. Voorafgaand aan het refe-
   rendum van 25 mei 2005 over de grondwetswijziging van artikel 76 riepen de
   officiële ulama en de minister voor religieuze zaken alle Egyptenaren op om vóór
   deze wijzigingen te stemmen, aangezien dit hun religieuze plicht zou zijn. Alle
   grote oppositiepartijen waren tegen het voorstel (icg 2005c: 21-22).                                205
12 De ervaringen van instanties als het International Institute for Democracy and
   Electoral Assistance (idea) onderstrepen dat democratiseringshulp die rekening
   houdt met de politieke ontwikkelingsdynamiek en machtsverhoudingen van een
   land effectiever is dan hulp op basis van statische, normatieve standaarden die
   uitgaan van een ‘tekort’ ten opzichte van gevestigde (westerse) democratieën.
   Door juist de drijvende krachten achter politieke en maatschappelijke verande-
   ringen als primair aangrijpingspunt te nemen, kan een beter begrip ontstaan van
   de kansen en beperkingen van democratiseringsinitiatieven (Tommasoli 2005).
   In de moslimlanden vormen de islamitische politieke bewegingen en de écht
   onafhankelijke civil society-organisaties momenteel de drijvende krachten bij
   uitstek.
13 In juni 2004 hebben de eu-lidstaten het initiatief genomen voor een ‘Strategisch
   Partnerschap met het Middellandse-Zeegebied en het Midden-Oosten’. Naast
   de emp-partners zijn ook de lidstaten van de Samenwerkingsraad van de Golf
   (Saoedi-Arabië, de Verenigde Arabische Emiraten, Koeweit, Bahrein, Oman,
   Qatar), Irak, Iran en Jemen beoogde partners (Europese Commissie 2003: 7).
   Zie ook: nhc 2005 en Bertelsmann Stiftung 2005.
14 De voorbeelden van Egypte, Bahrein en Jordanië laten zien dat die trajecten
   inderdaad verschillen, terwijl ook het hervormingstempo enorm varieert. In
   Egypte verlopen de hervormingen uiterst behoedzaam, en in hoofdzaak via de
   partijelite van de ndp. Het partijcongres van oktober 2004 heeft een aantal
   hervormingen doorgevoerd; het heeft onder meer de regie over het toelaten van
   voorheen verboden politieke partijen tot de politieke arena. Het Jordaanse traject
   is er een van geleidelijke verbreding van de politieke participatie onder regie van
   een speciaal ministerie voor Politieke Ontwikkeling, dat ook verantwoordelijk is
   voor de modernisering van het politieke landschap en de politieke partijen. In
</pre>

====================================================================== Einde pagina 206 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 207 ======================================================================

<pre>    dy na miek in isla mi t isch ac t i visme
                              1991 leidde dat tot het opheffen van het verbod op linkse en islamitische politieke
                              partijen, waarna deze ook zetels veroverden in het parlement. In Bahrein is het
                              veranderingstraject te kenschetsen als ‘geleidelijk constitutionalisme’ (Perthes
                              2004b). De invoering van een nieuwe grondwet in 2002 betekent dat het land nu
                              formeel een constitutionele monarchie is. Deze stap heeft meer speelruimte
                              gegeven voor politiek debat en nieuwe vormen van politieke participatie. Daar-
                              naast zijn ook een aantal stappen genomen ter vergroting van de individuele en
                              politieke vrijheden, hebben vrouwen voor het eerst actief en passief kiesrecht
                              gekregen en is het parlement na 27 jaar opgeschort te zijn geweest opnieuw geïn-
                              stalleerd.
                 15           Het verdelen van de beschikbare fondsen hoeft de overheid niet zelf te doen; dat
                              kan verlopen via onafhankelijke bestuurlijke instanties.
                 16           Het programma stelt ook: “God heeft in de Bijbel wetten gegeven waarin de
                              verbondenheid aan de naaste concreet gestalte krijgt. Deze wetten beschermen
                              mensen voor elkaar en voor zichzelf. Wetten die nodig en nuttig zijn om de
                              gevolgen van de zondeval – het te veel op het eigen ik gericht zijn en te weinig
                              rekening houden met de ander – in te perken. De sgp wil ook de komende jaren
                              deze wetten als leidraad hanteren voor het overheidsbeleid. De Nederlandse
                              samenleving is erbij gebaat om naar deze wetten te luisteren” (sgp 2001: 4).
206              17           Wijziging van de Nederlandse grondwet vergt ten eerste dat een wet wordt
                              aangenomen die regelt dat de grondwetswijziging wordt overwogen. Deze over-
                              wegingswet moet zowel in de Tweede als de Eerste Kamer met de helft plus één
                              van de uitgebrachte stemmen worden aangenomen. Vervolgens is in tweede
                              lezing in beide Kamers een tweederde meerderheid nodig. Pas nadat nieuwe
                              verkiezingen voor de Tweede Kamer hebben plaatsgehad, kan behandeling plaats-
                              vinden van het voorstel voor grondwetswijziging.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 207 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 208 ======================================================================

<pre>                                                                                                    literatuur
liter atuur
Abou El Fadl, K. (2003) ‘The Ugly Modern and the Modern Ugly: Reclaiming the Beautiful
         in Islam’, 33-77 in: O. Safi (2002) Progressive Muslims. On Justice, Gender, and
         Pluralism, Oxford: Oneworld.
Abu Zayd, N. (2004) Rethinking the Qur’an: Towards a Humanistic Hermeneutics, Amster-
         dam: swp.
Abu Zayd, N. (2006) Reformation of Islamic Thought. A Critical Historical Analysis, wrr-
         Verkenning nr. 10, Amsterdam: Amsterdam University Press.
aiv (Adviesraad Internationale Vraagstukken) (1998) Universaliteit van de rechten van de
         mens en culturele verscheidenheid, aiv, no. 4.
Ahmad, I. (2005) From Islamism to Post-Islamism. The Transformation of the Jamaat-e-
         Islami in North India, Amsterdam: assr.
aivd (Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst) (2004a) Saoedische invloeden in
         Nederland. Verbanden tussen salafitische missie, radicaliseringsprocessen en islami-
         tisch terrorisme, nr. 0000000/01, 9 juni, Den Haag: Ministerie van Binnenlandse
         Zaken en Koninkrijksrelaties.
aivd (2004b) Van dawa tot jihad. De diverse dreigingen van de radicale islam tegen de demo-
         cratische rechtsorde, 23 december, Den Haag: Ministerie van Binnenlandse Zaken                        207
         en Koninkrijksrelaties.
Alagha, J. (2006) The Shifts in Hizbullah’s Ideology: Religious Ideology, Political Ideology,
         and Political Program, Amsterdam: Amsterdam University Press.
Aliboni, R. (2004a) Promoting Democracy in the EMP. Which Political Strategy? Euromesco-
         reports, Working Group I Third Year Report, Lissabon.
Aliboni, R. (2004b) Democracy promotion and democracy. Paper voor het Internationale
         Symposium ‘Civilization and Harmony: Values and Mechanisms of the Global
         Order’, Istanbul, 2-3 oktober.
An-Na’im, A. (1990) Towards an Islamic Reformation. Civil Liberties, Human Rights, and
         International Law, Caïro: The American University in Caïro Press.
Ardenne, A. van (2005) ‘The Ship and the Raft’, Toespraak voor het Nederlands Genoot-
         schap voor Internationale Zaken, Den Haag, 13 oktober,
         http://www.ngiz.nl/lectures/lecturesindex.htm
Arjomand, S.A. (2004) ‘Islam, Political Change and Globalization’, Thesis Eleven, 76, 9-28.
Arkoun, M. (1992) Islam in discussie. 24 vragen over de islam. Amsterdam: Uitgeverij
         Contact.
Asadi, A. et al. (1976) Culturele tendensen en publieke opinies in Iran. De nationale survey
         van 1974, Teheran: Faculteit Communicatiewetenschappen Universiteit van
         Teheran (vertaald uit het Farsi).
Aubert, V. (1971) Proeven van rechtssociologie, Antwerpen: Wetenschappelijke Uitgeverij.
Azlan, R. (2005) Geen God dan God. Oorsprong, ontwikkeling en toekomst van de islam,
         Amsterdam: De Bezige Bij.
Baderin, M. (2003) International Human Rights and Islamic Law, New York: Oxford
         University Press.
Bälz, K. (1998) ‘La réconstruction séculière du droit islamique: La Haut Cour constitution-
         nelle égyptienne et la bataille du voile dans les écoles publiques’, Droit et Société, 39.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 208 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 209 ======================================================================

<pre>    dy na miek in isla mi t isch ac t i visme
                 Baran, Z. (ed.) (2004) The Challenge of Hizb ut-Tahrir Deciphering and Combating Radical
                              Islamist Ideology, Washington D.C.: The Nixon Center.
                 Barends, M. en E. van Eijk (2006) ‘Sharia en nationaal recht in Saoedi-Arabië’ 85-111 in:
                              J.M. Otto, A.J. Dekker, L.J. van Soest-Zuurdeeg (eds.) Sharia en nationaal recht
                              in twaalf moslimlanden, wrr-Webpublicatie nr. 13, Amsterdam: Amsterdam
                              University Press.
                 Bayat, A. (1997) ‘Revolution Without Movement, Movement Without Revolution:
                              Comparing Islamic Activism in Iran and Egypt’, Comparative Studies in Society
                              and History, 40, 1, 136-169.
                 Bayat, A. (te verschijnen) Post-islamism: Social Movements, Islam and the Challenge of
                              Democracy.
                 Bayat, A. en B. Baktiari (2002) ‘Revolutionary Iran and Egypt: Exporting Inspirations and
                              Anxiety’, 305-326 in: N. Keddie en R. Mathee (2002) Iran and the Surrounding
                              World: Interactions in Culture and Cultural Politics, Washington: University of
                              Washington Press.
                 Baylouny, A. (2004) ‘Emotions, Poverty, or Politics: Misconceptions about Islamic
                              Movements’, Strategic Insights, 3, 1,
                              www.ccc.nps.navy.mil/si/2004/jan/baylounyJan04.asp
                 Beke, D. (1996) ‘Islam-recht en geloofsafval: Leer en praktijk’, in: F.A. van Bakelen (red.)
208                           Recht van de Islam, Groningen: rimo.
                 Berman, H.J. (1983) Law and Revolution. The Formation of the Western Legal Tradition,
                              Cambridge: Harvard University Press.
                 Berman, S. (2003) ‘Islamism, Revolution and Civil Society’, Perspectives on Politics, 1, 2,
                              257-272.
                 Berger, M.S. (2006) Klassieke sharia en vernieuwing, wrr-Webpublicatie nr. 13, Amster-
                              dam: Amsterdam University Press.
                 Bertelsmann Stiftung (2005) The EU and the GCC. A New Partnership. Gulf Strategy Paper,
                              februari, www.cap-lmu.de/publikationen/2005/eu-gcc.php
                 Bielefeldt, H. (2000) ‘“Western” versus “Islamic” Human Right Conceptions? A Critique
                              of Cultural Essentialism in the Discussion on Human Rights’, Political Theory, 28,
                              1, 90-121.
                 Bielefeldt, H. en M. Bahmanpour (2002) ‘The Politics of Social Justice: Religion versus
                              Human Rights?’ Open Democracy, 7 november, www.openDemocracy.net
                 Biscop, S. (2005) ‘The European Security Strategy and the Neighbourhood Policy:
                              A New Starting Point for a Euro-Mediterranean Security Partnership?’ Paper
                              voor de EUSA Ninth Biennial International Conference, Austin, Texas, 31 maart-
                              2 april.
                 Boutachekourt, K. (2003) De verlichte islam in de praxis, Working paper voor wrr, Den
                              Haag.
                 Brems, E. (2003) ‘Inclusieve universaliteit: een theoretisch en methodologisch kader om
                              inzake mensenrechten universaliteit te verzoenen met diversiteit’, Tijdschrift voor
                              rechtsfilosofie en rechtstheorie, 2, 139-161.
                 Bruinessen, M. van (2004) Production of Islamic knowledge in Western Europe, UNESCO
                              Lecture, University of Birmingham, Faculty of Theology and Religion.
                 Buijs, F. (2002) Democratie en terreur. De uitdaging van het islamitisch extremisme, Amster-
                              dam: swp.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 209 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 210 ======================================================================

<pre>                                                                                                literatuur
Buruma, I. en A. Margalit (2004) Occidentalisme. Het Westen in de ogen van zijn vijanden,
          Amsterdam: Atlas.
Canadian Council of Women (2005) Position Statement on the Proposed Implementation of
          Sections of Muslim Law (Sharia) in Canada,
          www.ccmw.com/Position%20Papers/Position_Sharia_Law.htm
Clark, J. (2004) ‘Social Movement Theory and Patron-Clientelism. Islamic Social Institu-
          tions and the Middle Class in Egypt, Jordan and Yemen’, Comparative Political
          Studies, 37, 8, 941-968.
Coleman, I. (2006) ‘Women, Islam, and the New Irak’, Foreign Affairs, 85, 1, 24-38.
Congregatie van de geloofsleer (2004) Brief aan de bisschoppen van de katholieke Kerk over
          de samenwerking van mannen en vrouwen in de kerk en in de wereld, 31 mei.
Coolsaet, R. (2005) ‘Het islamitische terrorisme. Percepties wieden en kweekvijvers dreg-
          gen’, Justitiële Verkenningen, 31, 2, 9-27.
Dekker, A. en M. Barends (2006) ‘Sharia en nationaal recht in Iran’, 203-234 in: J.M. Otto,
          A.J. Dekker, L.J. van Soest-Zuurdeeg (eds.) Sharia en nationaal recht in twaalf mos-
          limlanden, wrr-Webpublicatie nr. 13, Amsterdam: Amsterdam University Press.
Diamond, L. (2003) ‘Universal Democracy?’ Policy Review, 119,
          www.policyreview.org/jun03/diamond_print.html
Diamond, L. en L. Morino (2004) ‘The Quality of Democracy. An Overview’, Journal of
          Democracy, 15, 4, 20-31.                                                                         209
Douwes, D., M. de Koning en W. Boender (eds.) (2005) Nederlandse moslims. Van migrant
          tot burger, Amsterdam: Amsterdam University Press/Salomé.
Ebadi, S. (2004) Human Rights, Women and Islam, isim-Lecture, Den Haag, 16 april.
Economist, The (2006) ‘Egypt: New Dawn of More of the Same?’, 12 januari.
Eisenstadt, S. (2000) ‘Multiple Modernities’, Daedalus, 132, 3, 14-31.
El-Din Shahin, E. (2005) Political Islam: Ready for Engagement? fride Working Paper,
          februari.
Emerson, M., S. Aydin en G. Noutcheva et al. (2005) The Reluctant Debutante. The European
          Union as Promotor of Democracy in its Neighbourhood, ceps Working Document
          223, juli.
Emerson, M. en N. Tocci, Turkey as a Bridgehead and Spearhead. Integrating EU and Turkish
          Foreign Policy, EU-Turkey Working Papers 1, augustus.
Esposito, J. (2003) ‘Islam and civil society’, 69-100 in: J. Esposito en F. Burgat (eds.) Mod-
          ernizing Islam. Religion in the Public Sphere in the Middle East and Europe, Londen:
          Hurst.
Esposito, J. en F. Burgat (eds.) (2003) Modernizing Islam. Religion in the Public Sphere in the
          Middle East and Europe, Londen: Hurst.
Euromesco (2005a) Barcelona Plus. Towards a Euro-Mediterranean Community of Democ-
          ratic States, A Euromesco Report, Lissabon.
Euromesco (2005b) Barcelona 2005: Fresh Endeavors to Promote Democracy in the Euro-
          Mediterranean Partnership,
          www.euromesco.net/euromesco/print.asp?cod_artigo=122317
European Parliament (2005) Report on the Barcelona Process Revisited (2005/2058(INI),
          Final A6-0280/2005, 30 september.
Europese Commissie (2003), Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees
          Parlement. Een nieuwe impuls voor EU-maatregelen inzake mensenrechten en demo-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 210 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 211 ======================================================================

<pre>    dy na miek in isla mi t isch ac t i visme
                              cratisering met Mediterrane partners. Strategische richtsnoeren, com (2003) 294
                              definitief, 21.05.2003.
                 Europese Commissie (2005) Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees
                              Parlement. De tiende verjaardag van het Euro-Mediterrane Partnerschap: Een werk-
                              programma om de uitdagingen voor de komende vijf jaar het hoofd te bieden, com
                              (05) 139 definitief, 12.4.2005.
                 Europocket. Verdragsteksten EG-Europese Unie c.a. inclusief Nice (2002), Deventer: Kluwer.
                 Fair, C. (2005) ‘Islam and Politics in Pakistan’, 247-295 in: A. Rabasa, C. Benard en P. Chalk
                              et al., The Muslim World After 9/11, Santa Monica: Rand.
                 Filali-Ansary, A. (2003) ‘What Is Liberal Islam. The Sources of Enlightened Muslim
                              Thought’, Journal of Democracy, 14, 2, 19-33.
                 Financial Times (2005) ‘On Line, Off Message’, 16 december.
                 Fish, M. (2002) ‘Islam and Authoritarianism’, World Politics, 55, 4-37.
                 Fournier, P. (2004) The Reception of Muslim Family Law in Western Liberal States, Canadian
                              Council of Muslim Women, Sharia/Muslim Law Project, 30 september.
                 Freedom House (1999) Democracy’s Century. A Survey of Global Political Changes in the
                              20th Century, www.freedomhouse.org/reports/century.html
                 Freedom House (2004) Freedom in the World Country Ratings 1972-73 to 2003-2004,
                              www.freedomhose.org
210              Freedom House (2003) Combined Average Ratings: Independent Countries – 2003,
                              www.freedomhouse.org
                 Fuller, G. (2003) The Future of Political Islam, New York: Palgrave Macmillan.
                 Fuller, G. (2005) ‘Political Islam in Action’, 15-25 in: What Future for Political Islam?
                              Dilemmas and Opportunities for the Next Decade. Den Haag: wrr,
                              www.wrr.nl/english/wrr/nieuwsdetail.php?id=61
                 Gambill, G. (2004) ‘Democratization, the Peace Process, and Islamic Extremisn’, Middle
                              East Intelligence Bulletin, 6, 6-7.
                 Goedarzi, M. et al. (2004) Waarden en opinies van Iraniërs. De nationale survey van 2004,
                              tabellen en trends, Teheran: Ministerie van Cultuur en Publieke Moraal (vertaald uit
                              het Farsi).
                 Göle, N. (1996) The Forbidden Modern: Civilization and Veiling, Ann Arbor: University of
                              Michigan Press.
                 Haass, R.N. (2005) ‘Regime Change and Its Limits’, Foreign Affairs, 84,4, 66-78.
                 Hafez, M. (2003) Why muslims rebel. Repression and Resistance in the Islamic World, Lon-
                              den: Lynne Riener.
                 Hafez, M. (2004) ‘From Marginalization to Massacres: A Political Process Explanation of
                              gia Violece in Algeria’, 37-60 in: Q. Wiktorowicz (ed.) Islamic Activism. A Social
                              Movement Theory Approach, Bloomington: Indiana University Press.
                 Hafez, M. en Q. Wiktorowicz (2004) ‘Violence as Contention in the Egyptian Islamic
                              Movement’, 61-88 in: Q. Wiktorowicz (ed.) Islamic Activism. A Social Movement
                              Theory Approach, Bloomington: Indiana University Press.
                 Hajjar, L. (2000) ‘Domestic Violence and Shari’a: A Comparative Study of Muslim Societies
                              in the Middle East, Africa and Asia’,
                              http://www.law.emory.edu/IFL/thematic/Violence.htm
                 Halliday, F. (2003) Islam and the Myth of Confrontation: Religion and Politics in the Middle
                              East, Londen: Taurus.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 211 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 212 ======================================================================

<pre>                                                                                                 literatuur
Hamzawy, A. (2005) ‘The Key to Arab Reform: Moderate Islamists’, Carnegie Endowment
         Policy Brief, 40, 1-7.
Harding, A. ‘Sharia en national recht in Maleisië’, 303-334 in: J.M. Otto, A.J. Dekker,
         L.J. van Soest-Zuurdeeg (eds.) Sharia en nationaal recht in twaalf moslimlanden,
         wrr-Webpublicatie nr. 13, Amsterdam: Amsterdam University Press.
Hart, H. (1997) The Concept of Law, Oxford: Oxford University Press.
Hassan, R. (1987) ‘Equal before Allah? Woman-Man Equality in the Islamic Tradition’,
         Harvard Divinity Bulletin, 17, 2, 2-14.
Hofmann, S. (2004) ‘Islam and Democracy. Micro-Level Indications of Compatibility’,
         Comparative Political Studies, 37, 6, 652-676.
Hourani, A. (1984) ‘Conclusion’, 226-234 in: J. Piscatori (ed.), Islam in the Political Process,
         Cambridge: Cambridge University Press.
Huntington, S. (1993) ‘The Clash of Civilizations?’, Foreign Affairs, 72, 3, 22-49.
Huntington, S. (1996) The Clash of Civilizations and the Remaking of the World Order, New
         York: Simon and Schuster.
icg (International Crisis Group) (2003a) ‘Pakistan: The Mullahs and the Military’, Asia Re-
         port, 49, maart.
icg (2003b) ‘Afghanistan: The Problem of Pashtun Alienation’, Asia Report, 62, april.
icg (2003c) ‘Central Asia: Islam and the State’ Asia Report, 59, juli.
icg (2004a) ‘Islamism in North Africa I: The Legacies of History’, Middle East and North                    211
         Africa Briefing, april.
icg (2004b) ‘Islamism in North Africa II: Egypt’s Opportunity’, Middle East and North
         Africa Briefing, april.
icg (2005a) ‘Understanding Islamism’, Middle East/North Africa Report 37, maart.
icg (2005b) ‘Counter-Terrorism in Somalia: Losing Hearts and Minds?’, Africa Report, 95,
         juli.
icg (2005c) ‘Reforming Egypt: in Search of a Strategy’, Middle East/North Africa Report,
         46, oktober.
icg (2005d) ‘The State of Sectarianism in Pakistan’, Asia Report, 95, april.
icg (2006) ‘Enter Hamas: The Challenges of Political Integration’, Middle East Report, 49,
         januari.
icj (International Court of Justice) (2004) Legal Consequences of the Construction of a Wall
         in the Occupied Palestinian Territory, Summary of the Advisory Opinion of 9 July.
idea (International Institute for Democracy and Electoral Assistance) Democracy in the
         Arab world. Challenges, Achievements and Prospects, Stockholm: idea.
ifes (International Foundation for Election Systems) (z.d.) Arab Election Law Compen-
         dium: Sudan, www.arabelectionlaw.net/search_eng.php
Inglehart, R. en P. Norris (2004) Sacred and Secular: Religion and Politics Worldwide, Cam-
         bridge: Cambridge University Press.
International Constitutional Law (z.d.) Constitutional Documents,
         www.oefre.unibe.ch/law/icl/index.html
Internet Malaysia (2005), Talking Apostasy,
         www.littlespeck.com/region/CForeign-My-041228.htm
Jahanbegloo, R. (2005) ‘Iranian Intellectuals in Struggle for Democracy: The Past Strate-
         gies, the Future Choices’, voordracht in De Balie, Amsterdam, 15 november.
Jansen, J.J.G. (2004) De radicaal-islamitische ideologie: van Ibn Taymiyya tot Osama ben
</pre>

====================================================================== Einde pagina 212 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 213 ======================================================================

<pre>    dy na miek in isla mi t isch ac t i visme
                              Laden, Oratie Universiteit Utrecht, www.arabistjansen.nl/tekstoratie.doc
                 Joffé, G. (2005) The Status of the Euro-Mediterranean Partnership, Euromesco,
                              www.euromesco.net/euromesco/artigo.asp?cod_artigo=117802
                 Jones, S. en M. Emerson (2005) European Neighbourhood Policy in the Mashreq Countries.
                              Enhancing Prospects for Reform, ceps Working Document 229, september.
                 Jones Luong, P. en E. Lust-Okar (2002) State Strategies Toward Islamic Mobilization: A Com-
                              parative Analysis of the Middle East and Central Asia, Paper voor ‘The Silk Road in
                              the 21st Century, Security and Insecurity in Central Asia and the Caucasus’, Yale
                              Center for the Study of Globalization, 19-21 september.
                 Kadhim, N. (2003) ‘Introduction’, www.islam21.net/pages/confrences/D13sep2003.htm
                 Karatnycky, A. (2002) ‘Muslim Countries and the Democracy Gap’, Journal of Democracy,
                              13, 1, 100-112.
                 Kepel, G. (2002) Jihad. The Trail of Political Islam, Londen: Tauris.
                 Kepel, G. (2004) The War for Muslim Minds: Islam and the West, Harvard: Harvard Univer-
                              sity Press.
                 Khan, M. (2003) ‘Syed Qutb – John Locke of the Islamic World’, The Globalist, 28 juli.
                 Kodmani, B. (2005) The Dangers of Political Exclusion: Egypt’s Islamist Problem, Carnegie
                              Endowment for International Peace Working Paper 63.
                 Koning Boudewijnstichting (2004) Islam en moslims in België. Lokale uitdagingen & alge-
212                           meen denkkader, Brussel. www.kbs-frb.be/code/page.cfm?id_page=153&ID=274
                 Köndgen, O. (2006) ‘Sharia en nationaal recht in Soedan’, 113-144 in: J.M. Otto, A.J. Dekker,
                              L.J. van Soest-Zuurdeeg (eds.) Sharia en nationaal recht in twaalf moslimlanden,
                              wrr-Webpublicatie nr. 13, Amsterdam: Amsterdam University Press.
                 Kugle, S. (Sirai al-Haqq) (2003) ‘Sexuality, Diversity and Ethics in the Agenda of Progres-
                              sive Muslims’, 190-235 in: O. Safi (2003) Progressive Muslims. On Justice, Gender,
                              and Pluralism, Oxford: Oneworld.
                 Kurpershoek, M. (2004) ‘The Catch 22 of Political Islam’, 27-41 in: What Future for Political
                              Islam? Dilemmas and Opportunities for the Next Decade, Den Haag: wrr,
                              www.wrr.nl/english/wrr/nieuwsdetail.php?id=61.
                 Lacroix, S. (2005) ‘Post-Wahhabism in Saudi Arabia?’ ISIM Review, 15, 17.
                 Lakoff, S. ‘The Reality of Muslim Exceptionalism’, Journal of Democracy, 15, 4, 133-139.
                 Lapidus, I. (2002) A History of Islamic Societies, Cambridge: Cambridge University Press.
                 Lau, M. (2003) ‘Article 2a: The Objectives Resolution and the Islamisation of Pakistani
                              Laws’, 173-204, in: H.-G. Ebers en T. Hanstein (eds.) Beiträge zum islamischen
                              Recht 3, Frankfurt am Main: Peter Lang.
                 Lerch, M. (2004) What is the Content of a European Profile in Democracy Support? The
                              Human Rights Dimension, Paper voor de Europese Conferentie ‘Enhancing the
                              European Profile in Democracy Assistance’, 4 juli. www.democracyagenda.org
                 Lewis, B. (1990) ‘The Roots of Muslim Rage’, Atlantic Monthly, 266, 3, 47-60.
                 Mandaville, P. (2001) Transnational Muslim Politics. Reimagining the Umma, Londen: Rout-
                              ledge.
                 Mawdudi, A. (1980) The Islamic Law and Constitution, Lahore: Islamic Publications.
                 Mayer, A. (1998) ‘Islamic Reservations to Human Rights Conventions’, 25-46 in: S. Rutten
                              (ed.) Recht van de Islam, 15.
                 Mayer, A. (1999) Islam and Human Rights. Tradition and Politics, Colorado: Westview Press.
                 Meijer, R. (2005) ‘Jihadi Opposition in Saudi Arabia’, ISIM Review, 15.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 213 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 214 ======================================================================

<pre>                                                                                                 literatuur
Menendez Gonzalez, I. (2005) Arab Reform: What Role for the EU? Egmont paper 8, Gent:
          Academia Press.
Ministerie van Vreemdelingenzaken en Integratiebeleid (2005) Nota Weerbaarheid en
          integratiebeleid, 19 augustus 2005.
Ministerie van Buitenlandse Zaken (2004) Kamerbrief inzake revitalisering Barcelona-
          proces, 13 april.
Ministerie van Buitenlandse Zaken (2005a) Mededeling over het 10-jarig bestaan van Euro-
          Mediterranean Partnerschap,
          www.minbuza.nl/default.asp?CMS_ITEM=C7DE90CBE09947B4954A392BC39
          AEDF7X3X39501X07&CMS_NOCOOKIES=YES
Ministerie van Buitenlandse Zaken (2005b) Verslag Euromed top 27 en 28 november j.l.,
          14 december.
Motivaction (2005) Factsheet maatschappelijke barometer: acceptatie van homoseksualiteit,
          uitzending 4 juli 2005.
Müller, C. (2005) Is Allah a Frenchman? France and the Challenge posed by Islam,
          www.qantara.de/webcom/show article.php/ c-476/ nr-298/i.html
Nasr, V. (2005) ‘The Rise of “Muslim Democracy”’, Journal of Democracy, 16, 1, 13-27.
Nicolaï, A. (2005) ‘Crossing Deserts, Crossing Oceans, Crossing Cultures. Or, the Story of
          the Merchant from Caïro’ Toespraak voor Forum Amsterdam, Imagining Europe,
          11 december, Amsterdam,                                                                           213
          www.minbuza.nl/default.asp?CMS_ITEM=E24ABA677F7B49608B86476F400F
          0C99X3X53574X97
nhc (Netherlands Helsinki Committee) (2005) Bridging the Gulf. Elements of the Helsinki
          Process as Inspiration for the Gulf Region, 29 november 2004, Den Haag: nhc.
nimd (Netherlands Institute for Multiparty Democracy) (2005) No lasting Peace and
          Prosperity without Democracy & Human Rights. Harnessing Debates on the EU’s
          Future Financial Instruments, Den Haag: nimd.
Noor, F. (2002) The Other Malaysia. Writings on Malaysia’s Subaltern History, Kuala Lum-
          pur: Silverfishbooks.
Noyon, J. (2003) Islam, Politics and Pluralism. Theory and Practice in Turkey, Jordan, Tunisia
          and Algeria, Londen: Royal Institute for International Affairs.
NRC Handelsblad (2005) ‘Interview met ael-voorman Abou Jahjah’, 18 november.
Okruhlik, G. (2004) ‘Making Conversation Permissible: Islamism and Reform in Saudi
          Arabia’, 250-269 in: Q. Wiktorowicz, (ed) Islamic Activism. A Social Movement
          Theory Approach, Bloomington: Indiana University Press.
Ottaway, M. en T. Carothers (2005) ‘Getting to the Core’, 251-267 in: T. Carothers en
          M. Ottaway (eds.) Unchartered Journey: promoting democracy in the Middle East,
          Washington D.C.: Carnegie Endowment for International Peace.
Otto, J.M. (2006) Sharia en nationaal recht. Rechtssystemen in moslimlanden tussen traditie,
          politiek en rechtsstaat, wrr-Verkenning nr. 11, Amsterdam: Amsterdam Univer-
          sity Press.
Otto, J.M., A.J. Dekker, L.J. van Soest-Zuurdeeg (eds.) Sharia en nationaal recht in twaalf mos-
          limlanden, wrr-Webpublicatie nr. 13, Amsterdam: Amsterdam University Press.
Panebianco, S. (2004) The constraints to EU actions as a ‘norm exporter’ in the Mediter-
          ranean. Paper voor de Europese Conferentie ‘Enhancing the European Profile in
          Democracy Assistance’, 4 juli, www.democracyagenda.org
</pre>

====================================================================== Einde pagina 214 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 215 ======================================================================

<pre>    dy na miek in isla mi t isch ac t i visme
                 Perthes, V. (ed.) (2004a) Arab elites. Negotiating the politics of change, Boulder: Lynne
                              Riener.
                 Perthes, V. (2004b) ‘America’s “Greater Middle East” and Europe: Key Issues for Dialogue’,
                              Middle East Policy, 11, 3, 85-97.
                 Perthes, V. (2004c) Patterns of reform in the Arab East. Summary of presentation at Interna-
                              tional Symposium Civilization and Harmony: Values and Mechanisms of the Global
                              Order, Istanbul, 2-3 oktober.
                 Perthes, V. (2004d) Bewegung im Mittleren Osten. Internationale Geopolitik und regionale
                              Dynamiken nach dem Irak-Krieg, Berlin: Stiftung Wissenschaft und Politik.
                 Pew Research Center for the People and the Press (2004) A Year After Iraq War: Mistrust of
                              America in Europe ever Higher, Muslim Anger Persist, Washington: pew.
                 Pew Research Center (2005) Islamic Extremism: Common Concern for Muslim and Western
                              Publics, 17-Nation Pew Global Attitudes Survey, 15 juli, Washington: pew.
                 Pew Global Attitudes project (2003) Views of a Changing World. How Global Publics View:
                              War in Iraq, Democracy, Islam and Governance, Globalization, http://people-
                              press.org/reports/display.php3?ReportID=185
                 Phalet, K., C. van Lotringen en H. Entzinger (2000) Islam in de multiculturele samenleving,
                              Utrecht: Ercomer Report 2000/1,
                              www.ercomer.org/publish/reports/Rot Islam.html
214              Phalet, K. en J. ter Wal (red.) (2004) Moslim in Nederland. Religie en migratie: sociaal-weten-
                              schappelijke databronnen en literatuur, scp-Werkdocument 106a, Den Haag: scp.
                 Piscatori, J. (1984) Islam in the Political Process, Cambridge: Cambridge University Press.
                 Piscatori, J. (2000) Islam, Islamists and the Electoral Principle in the Middle East,Leiden: isim.
                 Platti, E. (2004) ‘De factor religie en de idealisering van de eigen groep. De eerste oorlog
                              van de eeuw: West versus islam?’, 199-207, B. Pattyn, en J. Wouters (2004) Schok-
                              golven. Terrorisme en fundamentalisme, Leuven: Davidsfonds.
                 Polity iv Project, Political Regime Characteristics and Transitions, 1800-2003,
                              www.cidcm.umd.edu/inscr/polity/
                 al-Qaradawi, Y. (z.d.) The Status of Women in Islam, Caïro: Islamic inc. Publishing &
                              Distribution.
                 Ramadan, T. (2004) Western Muslims and the Future of Islam, New York: Oxford University
                              Press.
                 Rabasa, A. et al. (2005) The Muslim World after 9/11, Project Air Force, Santa Monica: Rand.
                 Raphaeli, N. (2003) ‘Saudi Arabia: A Brief Guide to its Politics and Problems’, Middle East
                              Review of International Affairs, 7, 3, 21-33.
                 Rosefsky Wickham, C. (2002) Mobilizing Islam. Religion, Activism and Political Change in
                              Egypt, New York: Columbia University Press.
                 Rosefsky Wickham, C. (2004) ‘Interests, Ideas, and Islamist Outreach in Egypt’, 231-249
                              in: Q. Wiktorowicz (ed) Islamic Activism. A Social Movement Theory Approach,
                              Bloomington: Indiana University Press.
                 Roy. O. (1994) The Failure of Political Islam, Cambridge: Harvard University Press.
                 Roy, O. (2004) Globalized Islam. The Search for a New Ummah, Londen: Hurst & Company.
                 Roy, O. (2005) ‘The Predicament of “Civil Society” in Central Asia and the “Greater Middle
                              East”, International Affairs 81, 5, 1001-1012.
                 Sacks, J. (2002) The Dignity of Difference. How to Avoid the Clash of Civilizations, Londen
                              York: Continuum.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 215 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 216 ======================================================================

<pre>                                                                                              literatuur
Safi, O. (2003) Progressive Muslims. On Justice, Gender, and Pluralism, Oxford: Oneworld.
al-Sayyid, M. (2003) The Other Face of the Islamist Movement. Carnegie Endowment for
          International Peace Working Paper 33.
al-Sayyid, M (2004) Disaggregating the Islamist Movements. Paper presented to the
          Conference on the Roots of Islamic Radicalism, Yale, New Haven,
          www.yale.edu/polisci/info/conferences/Islamic%20Radicalism/papers.htm
Scott, J. C. (1990) Domination and the Arts of Resistance. Hidden Transcripts, New Haven:
          Yale University Press.
Shadid, W. (2005) ‘Beleidsmatige en wetenschappelijke aandacht voor de islam in
          Nederland: ontwikkelingen en maatschappelijke gevolgen’ Beleidswetenschap,
          1, 3-17.
Shadid, W. en S. van Koningsveld (2002) ‘Religious Authorities of Muslims in the West:
          Their Views on Political Participation’, 149-168 in: W. Shadid en S. van Konings-
          veld (eds.) (2002) Intercultural Relations and Religious Authorities: Muslims in
          the European Union, Leuven: Peeters.
Shadid, W. en S. van Koningsveld (2004) ‘Een imamschool is een onzinnig idee’, Trouw,
          25 mei.
Shah, A. (2003) ‘Pakistan’s “Armored” Democracy’, Journal of Democracy, 14, 4, 26-40.
Singerman, D. (2004) ‘The Networked World of Islamist Social Movements’, 143-163 in:
          Q. Wiktorowicz (ed.) Islamic Activism. A Social Movement Theory Approach,                      215
          Bloomington: Indiana University Press.
Slomp, J. (2003) ‘Antwoord op Sajid’, Ander Nieuws, maart/april,
          www.initiativesofchange.nl/andernieuws/p4mrt03.html
sgp (Staatkundig Gereformeerde Partij) (2001) SGP-verkiezingsprogramma 2003-2006.
          Tot Uw dienst, www.sgp.nl/Page/sp30/index.html
Sonneveld, N. (2005) Four Years of Khul in Egypt: The Practice of the Courts and Daily Life,
          (te verschijnen).
Steinbach, U. (2005) Euro-Islam: One Word, Two Concepts, Lots of Problems,
          www.qantara.de/webcom/shoe_article.php/_c-478/_nr-278/i.html
Stepan, A. en G. Robertson (2003) ‘An “Arab” more than “Muslim” Electoral Gap’, Journal
          of Democracy, 14, 3, 30-44.
Stepan, A. en G. Robertson (2004) ‘Arab, not Muslim, Exceptionalism’, Journal of Demo-
          cracy 15, 4, 140-146.
Takeyh, R. (2001/2002) ‘The Lineaments of Islamic Democracy’, World Policy Journal, 18,
          4, 59-67.
Tarzi, A. (2004) ‘Hurdles in Implementing the New Afghan Constitution’ Eurasianet
          2 februari, www.eurasianet.org/departments/insight/articles/pp020804.shtml
Tibi, B. (2001) Islam between Culture and Politics, New York: Palgrave.
Tibi, B. (2004) ‘Pleidooi voor een hervormingsgezinde islam’, Eutopia, 7, mei.
Tibi, B. (2005) ‘Euro-islam, juridisch burgerschap en burgers van het hart’, NEXUS, 41,
          173-203.
Tommasoli, M. (2005) ‘Democracy Building and the Political Dimensions of Develop-
          ment’, 29-37 in: idea, Ten Years of Supporting Democracy Worldwide, Stockholm:
          idea.
tns nipo (2005) ‘Islamitische partij in Nederland heeft weinig kans van slagen’, 30 augustus,
          http://www.tns-nipo.com
</pre>

====================================================================== Einde pagina 216 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 217 ======================================================================

<pre>    dy na miek in isla mi t isch ac t i visme
                 Trautner, B. (1999a) The Caïro Declaration on Human Rights in Islam: juridical, political, and
                              religious implications of the status of minorities,
                              www-user.uni-bremen.de/~bjtraut/sofia.pdf
                 Trautner, B. (1999b) The Clash within Civilizations: Islam and the Accomodation of Plurality.
                              Empirical Evidence and Contemporary Reformist Approaches, Institut für Inter-
                              kulturelle und Internationale Studien, Arbeitspaper 13, Universität Bremen.
                 Tweede Kamer (2004) Grondrechten in een pluriforme samenleving, vergaderjaar 2003-
                              2004, 29 614, nr. 2.
                 Tweede Kamer (2005a) Kerndoelen basisonderwijs. Brief van de Minister van Onderwijs,
                              Cultuur en Wetenschap, vergaderjaar 2004-2005, 29488, nr. 1.
                 Tweede Kamer (2005b) Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Justitie
                              (VI) voor het jaar 2005, vergaderjaar 2004-2005, 29 800 vi, nr. 123.
                 Tweede Kamer (2005c) Terrorismebestrijding. Verslag van een notaoverleg, vergaderjaar
                              2005-2006, 29 754, nr. 54.
                 uk (United Kingdom) Home Office (2004) Country Report Afghanistan,
                              www.unhcr.org/cgi-bin/texis/vtx/rsd?search=coi&source=INDUK.
                 uk Home Office (2005) Country Report Sudan,
                              www.unhcr.org/cgi-bin/texis/vtx/rsd?search=coi&source=INDUK&skip=40
                 un (United Nations) (2005) Interdependence Between Democracy and Human Rights.
216                           Expert Meeting on Democracy and the Rule of Law, Geneva, 28 February- 2 March
                              2005. Conclusions and Recommendations,
                              www.ohchr.org/english/issues/democracy/seminar2.htm
                 undp (United Nations Development Program)(2002) Human Development Report 2001.
                              Deepening Democracy in a Fragmented World, New York: Oxford University
                              Press.
                 undp (2003) Arab Human Development Report 2002. Creating Opportunities for Future
                              Generations, New York: undp.
                 undp (2004) Arab Human Development Report 2003. Building a Knowledge Society, New
                              York: undp.
                 undp (2005) Arab Human Development Report 2004. Towards Freedom in the Arab World,
                              New York: undp.
                 United States Institute of Peace (2002) ‘Islam and Democracy’, Special Report 93,
                              www.usip.org/pubs/specialreports/sr93.html
                 Utvik, B. (2003) ‘The Modernizing Force of Islam’, 43-67 in: J. Esposito en F. Burgat (eds.)
                              Modernizing Islam. Religion in the Public Sphere in the Middle East and Europe,
                              Londen: Hurst.
                 Vasconcelos, A. de (2005) ‘Summit Drama and Beyond’, Euromesco e-News no. 2,
                              december.
                 Veugelers, W. en W. de Kat (2005) Identiteitsontwikkeling in het openbaar onderwijs,
                              Antwerpen: Garant.
                 Volkskrant, de (2005) ‘Saudische koning wil tolerante islam’, 8 december.
                 Wessels, M. (2001) De extremistische variant van de Islam. De opkomst van het eigentijdse
                              moslim-extremisme, Den Haag: Teldersstichting.
                 White, J. (2002) Islamist Mobilization in Turkey. A Study in Vernacular Politics, Seattle:
                              University of Washington Press.
                 Wiktorowicz, Q. (2004a) ‘Conceptualizing Islamic Activism’ ISIM Newsletter 14, 34-35.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 217 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 218 ======================================================================

<pre>                                                                                          literatuur
Wiktorowicz, Q. (ed.) (2004b) Islamic Activism. A Social Movement Theory Approach,
         Bloomington: Indiana University Press.
wrr (Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid) (2001) Ontwikkelingsbeleid en
         goed bestuur, Rapporten aan de Regering 58, Den Haag: Sdu.
wrr (2003) Waarden, normen en de last van het gedrag, Rapporten aan de Regering nr. 68,
         Amsterdam: Amsterdam University Press.
wrr (2004) De Europese Unie, Turkije en de islam, Rapporten aan de Regering nr. 69,
         Amsterdam: Amsterdam University Press.
Yassari, N. en H. Saboory (2006) ‘Sharia en nationaal recht in Afghanistan’ 173-201 in:
         J.M. Otto, A.J. Dekker, L.J. van Soest-Zuurdeeg (eds.) Sharia en nationaal recht
         in twaalf moslimlanden, wrr-Webpublicatie nr. 13, Amsterdam: Amsterdam
         University Press.
Yavuz, M. (2003) Islamic Political Identity in Turkey, Oxford: Oxford University Press.
Yavuz, M. (2004) ‘Opportunity Spaces, Identity, and Islamic Meaning in Turkey’, 270-288
         in: Q. Wiktorowicz, (ed) Islamic Activism. A Social Movement Theory Approach,
         Bloomington: Indiana University Press.
Youngs, R. (2004a) Trans-Atlantic Cooperation on Middle East Reform. A European Mis-
         judgement? Londen: Foreign Policy Centre.
Youngs, R. (2004b) Europe’s Uncertain Pursuit of Middle East Reform, Carnegie Paper
         no. 45, juni.                                                                               217
Youngs, R. (2004c) Democracy as Product Versus Democracy as Process. Paper voor de
         Europese Conferentie ‘Enhancing the European Profile in Democracy Assistance’,
         4 juli. www.democracyagenda.org
Youngs, R. (2005) Ten Years of the Barcelona Process: a Model for Supporting Arab reform?
         fride Working Paper, januari.
Zakaria, F. (2003) The Future of Freedom: Illiberal Democracy at Home and Abroad, New
         York: W.W. Norton & Co.
Zentrum für Turkeistudien (2004) Euro-Islam. Eine Religion etabliert sich, ZvT Aktuell,
         november 2004.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 218 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 219 ======================================================================

<pre>    dy na miek in isla mi t isch ac t i visme
218
</pre>

====================================================================== Einde pagina 219 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 220 ======================================================================

<pre>                                                                                                          bijlage 1
bijl age 1
 Vergelijking van de scores van moslimlanden voor politieke rechten en burgerlijke vrijheden, begin
 jaren zeventig en 2003/2004
                     Freedom House score (1972)   Polity IV  Freedom House score (2004)        Polity IV
                                                score, 1971                                   score, 2003
                                                                                                en type
                                                                                               regime(1)
                   Politieke Burgerlijke Status       –     Politieke Burgerlijke Status:
                   rechten vrijheden                        rechten vrijheden NV =niet
                                                                                  vrij; DV=
                                                                                  deels vrij;
                                                                                   V= vrij
 Midden Oosten
 en Noord-Afrika
 Algerije              6         6        NV          -9        6         5          NV            -3
 Bahrein               6         5        NV         -10        5         5           DV           -7
 Egypte                6         6        NV          -7        6         5          NV            -6
 Eritrea               -         -          -          -        7         6          NV            -7
 Iran                  5         6        NV         -10        6         6          NV             3
 Irak                  7         7        NV          -7        7         5          NV          Ond.
 Jemen                 ..        ..        ..          ..       5         5           DV           -2               219
 Jemen, Noord          4         4        DV          -6
 Jemen, Zuid           7         7        NV          -3
 Jordanië              6         6        NV          -9        5         4           DV           -2
 Koeweit               4         4        DV          -8        4         5           DV           -7
 Libanon               2         2         V           5        6         5          NV          Ond.
 Libië                 7         6        NV          -7        7         7          NV            -7
 Marokko               5         4        DV          -9        5         4           DV           -6
 Mauritanië            6         6        NV          -7        6         5          NV            -6
 Oman                  7         6        NV         -10        6         5          NV            -8
 Qatar                 6         5        NV         -10        6         5          NV           -10
 Saoedi-Arabië         6         6        NV         -10        7         7          NV           -10
 Soedan                6         6        NV          -7        7         7          NV            -6
 Syrië                 7         7        NV          -9        7         7          NV            -7
 Tsjaad                6         7        NV          -9        6         5          NV            -2
 Tunesië               6         5        NV          -9        6         5          NV            -4
 VAE                   7         5        NV          -8        6         6          NV            -8
 West Bank,
 Gaza                  ..        ..
 Afrika beneden
 de Sahara
 Burkina Faso          3         3        DV          -4        5         4           DV         Ond.
 Comoren               ..        ..        ..     5 (1975)      4         4           DV            4
 Djibouti              ..        ..        ..    -8 (1977)      5         5           DV            2
 Gambia                2         2         V           8        4         4           DV           -5
 Guinee                7         7        NV          -9        6         5          NV            -1
 Mali                  7         6        NV          -7        2         2            V           6
 Niger                 6         6        NV          -7        3         3           DV           4
 Nigeria               6         4        DV          -7        4         4           DV           4
 Senegal               6         6        NV          -7        2         3            V           8
 Sierra Leone          4         5        DV          -6        4         3           DV           5
 Somalië               7         6        NV          -7        6         7          NV           Int.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 220 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 221 ======================================================================

<pre>    dy na miek in isla mi t isch ac t i visme
                 bijl age 1                 (ver volg)
                    Vergelijking van de scores van moslimlanden voor politieke rechten en burgerlijke vrijheden, begin
                    jaren zeventig en 2003/2004
                                              Freedom House score (1972)      Polity IV     Freedom House score (2004)        Polity IV
                                                                            score, 1971                                      score, 2003
                                                                                                                               en type
                                                                                                                              regime(1)
                                            Politieke Burgerlijke Status          –       Politieke Burgerlijke Status:
                                            rechten vrijheden                              rechten vrijheden NV =niet
                                                                                                                 vrij; DV=
                                                                                                                 deels vrij;
                                                                                                                   V= vrij
                    Azië
                    Afghanistan                 4         5         DV            -8          5           6         NV          Ond.
                    Azerbeidzjan                ..        ..         ..            ..         6           5         NV            -7
                    Bangladesh                  2         4         DV        8 (1972)        4           4          DV            6
                    Brunei                      6         5         NV             ..         6           5         NV             ..
                    Indonesië                   5         5         DV            -7          3           4          DV            7
                    Kazachstan                  ..        ..         ..            ..         6           5         NV            -6
                    Kirgizië                    ..        ..         ..            ..         6           5         NV            -3
220                 Malediven                   3         2          V             ..         6           5         NV             ..
                    Maleisië                    2         3          V             4          4           4          DV            3
                    Oezbekistan                 ..        ..         ..            ..         7           6         NV            -9
                    Pakistan                    3         5         DV       Val regime       6           5         NV            -5
                    Tadzjikistan                ..        ..         ..            ..         6           5         NV            -3
                   Turkmenistan                 ..        ..         ..            ..         7           7         NV            -9
                   Europa
                   Albanië                      ..        ..         ..           -9          3           3          DV            7
                   Turkije                      3         4         DV            -1          3           3          DV            7
                   (1) Ond. = onderbreking van het regime; Int. = interregnum
                   Toelichting
                   De Freedom House-indicatoren geven vanaf 1972 op een schaal van 1 tot 7 aan hoe het is gesteld met de burger-
                    lijke vrijheden en politieke rechten in een land. Een score van 1 is het meest vrij, een score van 7 het minst vrij.
                   De index van burgerrechten is samengesteld op basis van indicatoren voor: 1. de vrijheid van meningsuiting en
                   religie; 2. de vrijheid van vereniging en organisatie; 3. de rule of law en mensenrechten; 4. persoonlijke autono-
                   mie en economische rechten. Hieruit volgt een algemene score om te bezien of een land als Vrij (V, gemiddelde
                   score 1,0-2,5), Deels vrij (DV, gemiddelde score 3,0-5,0) of Niet vrij (NV, gemiddelde score 5,5-7,0) geldt. De
                   Freedom House-indicatoren zijn uiteraard niet onomstreden; er bestaat twijfel aan de objectiviteit en culturele
                   neutraliteit van de scores.
                   De Polity IV score meet op een schaal van -10 (sterk autocratisch) tot 10 (sterk democratisch) het democratische
                   gehalte van politieke stelsels. Deze score is gebaseerd op het uitgangspunt dat een democratisch stelsel in ieder
                   geval uit drie onderling samenhangende elementen moet bestaan: 1. de aanwezigheid van instituties en proce-
                   dures waardoor burgers tot uitdrukking kunnen brengen welk alternatief beleid en welke alternatieve politieke
                   leiders zij wensen; 2. de aanwezigheid van geïnstitutionaliseerde beperkingen op de machtsuitoefening door
                   de uitvoerende macht, en 3. burgerlijke vrijheden in het dagelijks leven en tijdens momenten van deelname aan
                   het politieke proces. Allerlei andere elementen van democratie, zoals de aanwezigheid van een rechtsstaat,
                   checks and balances en persvrijheid gelden in deze benadering als afgeleiden of uitdrukkingen van deze drie basis-
                   elementen. Een volwaardige, ‘rijpe’ democratie is volgens deze systematiek een politiek stelsel waarin politieke
                   participatie door burgers leidt tot ruime keuzemogelijkheden en concurrentie, de uitvoerende macht aanzien-
                   lijke beperkende tegenkrachten kent en via verkiezingen wordt aangesteld.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 221 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 222 ======================================================================

<pre>                                                                                        bijlage 2
bijl age 2
 Classificatie van moslimlanden naar regimetype - 2002
                                              Type regime
 Midden-Oosten en Noord-Afrika
 Algerije                                     Electoraal, niet-concurrerend, autoritair
 Bahrein                                      Electoraal, niet-concurrerend, autoritair
 Egypte                                       Electoraal, niet-concurrerend, autoritair
 Eritrea                                      Electoraal, niet-concurrerend, autoritair
 Iran                                         Electoraal, concurrerend, autoritair
 Irak                                         Politiek gesloten, autoritair
 Jemen                                        Electoraal, concurrerend, autoritair
 Jordanië                                     Electoraal, niet-concurrerend, autoritair
 Koeweit                                      Electoraal, concurrerend, autoritair
 Libanon                                      Electoraal, concurrerend, autoritair
 Libië                                        Politiek gesloten, autoritair
 Marokko                                      Electoraal, concurrerend, autoritair
 Mauretanië                                   Electoraal, niet-concurrerend, autoritair
 Oman                                         Politiek gesloten, autoritair
 Qatar                                        Politiek gesloten, autoritair
 Saoedi-Arabië                                Politiek gesloten, autoritair
 Soedan                                       Politiek gesloten, autoritair
 Syrië                                        Politiek gesloten, autoritair
                                                                                                  221
 Tsjaad                                       Electoraal, niet-concurrerend, autoritair
 Tunesië                                      Electoraal, niet-concurrerend, autoritair
 VAE                                          Politiek gesloten, autoritair
 West Bank, Gaza                              –
 Afrika beneden de Sahara
 Burkina Faso                                 Electoraal, niet-concurrerend, autoritair
 Comoren                                      Electoraal, niet-concurrerend, autoritair
 Djibouti                                     Eletoraal, concurrerend, autoritair
 Gambia                                       Electoraal, concurrerend, autoritair
 Guinee                                       Electoraal, niet-concurrerend, autoritair
 Mali                                         Electorale democratie
 Niger                                        Electorale democratie
 Nigeria                                      Ambigu regime
 Senegal                                      Electorale democratie
 Sierra Leone                                 Ambigu regime
 Somalië                                      Politiek gesloten, autoritair
 Azië
 Afghanistan                                  Politiek gesloten, autoritair
 Azerbeidzjan                                 Electoraal, niet-concurrerend, autoritair
 Bangladesh                                   Electorale democratie
 Brunei                                       Politiek gesloten, autoritair
 Indonesië                                    Ambigu regime
 Kazachstan                                   Electoraal, niet-concurrerend, autoritair
 Kirgizië                                     Electoraal, niet-concurrerend, autoritair
 Maleisië                                     Electoraal, concurrerend, autoritair
 Malediven                                    Electoraal, niet-concurrerend, autoritair
 Oezbekistan                                  Politiek gesloten, autoritair
 Pakistan                                     Electoraal, niet-concurrerend, autoritair
 Tadzjikistan                                 Electoraal, niet-concurrerend, autoritair
 Turkmenistan                                 Politiek gesloten, autoritair
 Europa
 Albanië                                      Electorale democratie
 Turkije                                      Electorale democratie
 Bron: Polity iv index
</pre>

====================================================================== Einde pagina 222 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 223 ======================================================================

<pre>    dy na miek in isla mi t isch ac t i visme
                 bijl age 3
                    Status van islam en sharia in de grondwet van moslimlanden
                                                            Islam                             Sharia
                                                  Islamitische     Islam    De bron, of    Een       Een bron Geen bron 1
                                                      staat     staatsgods- de belang- belangrijke
                                                                   dienst   rijkste bron  bron
                    Midden-Oosten en Noord-Afrika
                    Algerije                            ja           ja           ja
                    Bahrein                             ja           ja                     ja
                    Egypte                             nee           ja           ja
                    Eritrea
                    Iran                                ja           ja           ja
                    Irak                                                                    ja
                    Jemen                               ja           ja           ja
                    Jordanië                           nee           ja                                           ja
                    Koeweit                            nee           ja                     ja
                    Libanon                            nee          nee                                           ja
                    Libië                              nee           ja                                           ja
                    Marokko                             ja           ja                                           ja
222                 Mauritanië                          ja           ja                                           ja
                    Oman                                ja           ja           ja
                    Qatar                              nee           ja           ja
                    Saoedi-Arabië                       ja           ja           ja2
                    Soedan                             nee          nee                                  ja
                    Syrië                              nee          nee                     ja
                    Tsjaad                             nee          nee                                           ja
                    Tunesië                            nee           ja                                           ja
                    VAE                                nee           ja                     ja
                    West Bank, Gaza 3                  nee           ja                     ja
                    Afrika beneden de Sahara
                    Burkina Faso                       nee          nee                                           ja
                    Comoren                            nee          nee                                           ja
                    Djibouti                           nee          nee                                           ja
                    Gambia                             nee          nee                                           ja
                    Guinee                             nee          nee                                           ja
                    Mali                               nee          nee                                           ja
                    Niger                              nee          nee                                           ja
                    Nigeria                            nee          nee                                           ja
                    Senegal                            nee          nee                                           ja
                    Sierra Leone                       nee          nee                                           ja
                    Somalië 4
                    Azië
                    Afghanistan                         ja           ja           ja
                    Azerbeidzjan                       nee          nee                                           ja
                    Bangladesh                         nee           ja                                           ja
                    Brunei 5
                    Indonesië                          nee          nee                                           ja
                    Kazachstan                         nee          nee                                           ja
                    Kirgizië                           nee          nee                                           ja
                    Malediven                           ja           ja                                 ja6
                    Maleisië                           nee           ja                                           ja
                    Oezbekistan                        nee          nee                                           ja
</pre>

====================================================================== Einde pagina 223 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 224 ======================================================================

<pre>                                                                                                                     bijlage 3
bijl age 3           (ver volg)
 Status van islam en sharia in de grondwet van moslimlanden
                                               Islam                               Sharia
                                    Islamitische      Islam    De bron, of       Een        Een bron    Geen bron 1
                                        staat      staatsgods- de belang- belangrijke
                                                      dienst   rijkste bron     bron
 Azië - vervolg
 Pakistan                                nee 7          ja                                     ja
 Tadzjikistan                            nee           nee                                                   ja
 Turkmenistan                            nee           nee                                                   ja
 Europa
 Albanië                                 nee           nee                                                   ja
 Turkije                                 nee           nee                                                   ja
 Bron: International Constitutional Law (z.d.) Constitutional Documents,
 www.oefre.unibe.ch/law/icl/index.html
                                                                                                                               223
 1. Hiermee wordt ook bedoeld dat deze bronnen nergens expliciet als bronnen worden genoemd.
 2. De koran en de sunna zijn niet ‘alleen’ de bronnen waarop de Grondwet (Gw) is gebaseerd, maar vormen zelf
    de constitutie. Krachtens art. 1 geldt namelijk het volgende: “The Kingdom of Saudi Arabia is a sovereign
    Arab Islamic State with Islam as its religion; Gods Book and the Sunnah of His Prophet, God’s prayers and
    peace be upon him, are its constitution (...).”
 3. Dit betreft een concept-constitutie.
 4. Somalië beschikt vooralsnog niet over een constitutie.
 5. Deze constitutie is niet beschikbaar.
 6. Islam en sharia worden niet expliciet als bronnen genoemd, maar er zijn wel indicaties dat deze een belang-
    rijk toetsingskader vormen. Zie in dit verband bijv: art. 1: “the Maldives shall be a (…) democratic republic
    based on the principles of Islam.” Art. 16 lid 2: “every person who is charged with an offence (…) shall have
    the right to defend himself in accordance with Sharia’ah.” Art. 23: “No person shall be deprived of his proper-
    ty except as provided by law or Sharia’ah.” Art. 38: “The President shall be the supreme authority to propa-
    gate the tenets of Islam.” ... Art. 43: “The powers of the President shall be exercised subject to Sharia’ah and
    the Constitution. Nothing shall be done in violation of Sharia’ah or the Constitution.”
 7. De preambule van de Pakistaanse constitutie vermeldt dat Pakistan een democratische staat is, gebaseerd op
    islamitische principes van sociale rechtvaardigheid.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 224 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 225 ======================================================================

<pre>    dy na miek in isla mi t isch ac t i visme
                              bijl age 4: barcelona- proces, emp en enp
                              Barcelona-proces en emp
                              De eu heeft in emp-kader met elf partnerlanden een overeenkomst getekend:
                              Algerije, Tunesië, Egypte, Israël, Gaza/West Bank, Jordanië, Libanon, Marokko,
                              Syrië, Malta, Cyprus en Turkije. (Die laatste twee landen zijn intussen lidstaat en
                              Turkije is kandidaat-lidstaat van de Unie geworden.) Libië heeft sinds kort een
                              waarnemerstatus. Formeel werkt het emp zowel op bilateraal niveau, via de asso-
                              ciatieovereenkomsten, als op multilateraal niveau, vooral via de te vormen regio-
                              nale vrijhandelszone en financiële hulp. Kenmerkend voor het emp zijn de ambi-
                              tieuze veiligheidspolitieke, democratische en economische doelstellingen. Naar
                              analogie van het Helsinki-proces van de ovse zijn maatregelen en speciale
                              toezichtmechanismen ontwikkeld binnen drie aparte ‘manden’. Binnen de eerste
                              mand voor de ‘versterkte politieke en veiligheidsdialoog’ staat het bevorderen
                              van democratie en mensenrechten centraal. De tweede, economische mand
                              streeft naar ‘een zone van gedeelde welvaart’ door het geleidelijk tot stand bren-
                              gen van een regionale vrijhandelszone in 2010, terwijl de derde mand zich richt
                              op maatregelen ter versterking van de wederzijdse culturele en sociale betrekkin-
224                           gen tussen de Unie en de partnerlanden aan de Middellandse Zee (Joffé 2004: 2).
                              Over democratie, mensenrechten en economische ontwikkeling meldt de Barce-
                              lona-verklaring van 1995:
                              “De hoofddoelstelling, te weten de omvorming van de Euromediterrane regio tot
                              ‘een gebied waarin de dialoog, de onderlinge contacten en samenwerking zorgen
                              voor vrede, stabiliteit en welvaart, kan alleen worden bereikt als voldaan is aan de
                              volgende voorwaarden die stuk voor stuk essentiële elementen van het partner-
                              schap vormen: versterking van de democratie en eerbiediging van de rechten van
                              de mens, een duurzame en evenwichtige economische en sociale ontwikkeling,
                              maatregelen ter bestrijding van de armoede en het aankweken van een beter be-
                              grip van elkaars cultuur.
                              De deelnemers verbinden zich er toe:
                              • te handelen overeenkomstig het Handvest van de Verenigde Naties en de
                                  Universele Verklaring van de rechten van de mens;
                              • de rechtsstaat en de democratie in hun politieke bestel tot stand te brengen;
                              • de mensenrechten en fundamentele vrijheden, waaronder de vrijheid van
                                  meningsuiting, vereniging, denken, geweten en godsdienst, te eerbiedigen;
                              • zich positief op te stellen tegenover de uitwisseling van gegevens, in de vorm
                                  van een dialoog tussen de partijen, over kwesties in verband met de mensen-
                                  rechten, de fundamentele vrijheden, racisme en vreemdelingenhaat;
                              • de diversiteit en het pluralisme in hun maatschappij te eerbiedigen en de
                                  eerbiediging ervan te waarborgen en uitingen van onverdraagzaamheid,
                                  racisme en vreemdelingenhaat te bestrijden;
                              • de deelnemers benadrukken het belang van goed onderwijs voor de mensen-
                                  rechten en de fundamentele vrijheden.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 225 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 226 ======================================================================

<pre>                                                                                  bijlage 4
In het kader van de sociale, culturele en menselijke paragraaf:
• onderstrepen de deelnemers het wezenlijke belang van fundamentele sociale
    rechten, waaronder het recht op ontwikkeling;
• erkennen zij de essentiële rol die maatschappelijke organisaties kunnen spelen
    in de ontwikkeling van het Euromediterrane partnerschap;
• zullen zij ondersteunende acties stimuleren ten behoeve van de democratische
    instellingen en de versterking van de rechtsstaat en maatschappelijke organi-
    saties […];
• verbinden zij zich ertoe voor migranten die wettig op hun respectieve grond-
    gebied verblijven de bescherming van alle in de bestaande wetgeving vastge-
    legde rechten te waarborgen;
• onderstrepen zij het belang van een vastberaden optreden tegen racisme,
    vreemdelingenhaat en onverdraagzaamheid en komen zij overeen daartoe
    samen te werken.”
Op de Europese Top van eind november 2005 ter viering van de tiende verjaardag
van het Barcelona-proces zijn deze doelstellingen en uitgangspunten opnieuw
bevestigd (zie ook hieronder).
emp en enp                                                                                  225
In december 2003 nam de Raad van de eu zijn eerste gezamenlijke Europese
veiligheidsstrategie aan onder de titel ‘Een veilig Europa in een betere wereld’.
Daarin is gekozen voor een meerdimensionaal beleid dat politieke, sociaal-
economische, culturele, militaire en ecologische dimensies van veiligheid
verbindt. In oktober 2003 besloot de Raad voorstellen van de Europese Com-
missie over te nemen voor concretisering daarvan via het Grotere Europese
Nabuurschap (bekend als European Neighbourhood Policy, enp). In geo-
grafisch opzicht strekt dit zich uit van de Balkan, Oekraïne, Moldavië en Wit-
Rusland, de zuidelijke Kaukasus tot de emp-landen. De aansluiting met het
enp betekent dat ook op bilateraal niveau, in technische subgroepen, natio-
nale Actieplannen kunnen worden vastgelegd die een sterkere koppeling
aanbrengen tussen financiële prikkels en daadwerkelijke voortgang. De Euro-
pese Commissie stelt, naar het voorbeeld van de zogenoemde screening-
procedures voor kandidaat-lidstaten, individuele landenrapporten op. Daarin
staan tevens beoordelingen over de situatie op het gebied van de democratie,
rule of law en mensenrechten. Op basis daarvan moet met de partnerlanden
worden onderhandeld over de concrete actieplannen voor een aantal sleutel-
gebieden, waaronder politieke dialoog en hervorming en handel en geleide-
lijke toegang tot de interne markt. De jaarlijkse voortgangsrapportages
moeten de vorderingen op deze terreinen bijhouden (Europese Commissie
2003: 14-20; 2005: 5).
Op de Europese Top van 27 en 28 november 2005 in Barcelona zijn de
emp-landen erin geslaagd bij unanimiteit een vijfjarig werkplan en een
gedragscode tegen terrorisme aan te nemen. Samen met de Associatieakkoor-
den en de bilaterale actieplannen in enp-verband vormt het werkplan de
basis voor toekomstige samenwerking op terreinen als politiek, veiligheid,
</pre>

====================================================================== Einde pagina 226 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 227 ======================================================================

<pre>    dy na miek in isla mi t isch ac t i visme
                              handel, milieu, onderwijs en migratie. Daar staat tegenover dat de lidstaten
                              onderling verdeeld bleven over democratische hervormingen en het
                              vredesproces in het Midden-Oosten (Ministerie van Buitenlandse Zaken
                              2005b; Vasconcelos 2005).
226
</pre>

====================================================================== Einde pagina 227 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 228 ======================================================================

<pre>                                                                              verklarende woordenlijst
verkl arende woordenlijst
Ahmadiyya            Moslimgroepering in Pakistan
Ayatollah            Religieuze titel (Iran)
Bahais               Aanhangers van de gelijknamige Perzische godsdienst
Dawa                 Islamitische zending
Fatwa                Uitspraak op basis van de sharia inzake individuele vragen (juri-
                     disch advies)
Fiqh                 Zowel de islamitische rechtswetenschap waarmee de goddelijke
                     bedoeling met de maatschappij achterhaald kon worden, als het
                     corpus van die regels zelf
Hadd (mv. Hudud)     Vijf in de koran vastgestelde delicten (letterlijk: bepaald)
Hadith               Traditie
Hakimiyya            Godssoevereiniteit
Hizb Allah/Hizbulla Partij van God
Hizb al-shaytaun     Partij van satan
Hudud                Zie: Hadd
Ijtihad              Vrije interpretatie, methode van rechtsvinding
Imam                 Leider, voorganger                                                                227
Jahiliyya            Staat van heidendom
Jama’a al-Islamiyya/ Letterlijk: organisatie voor de islamitische wedergeboorte
Jamaat-i-Islami
Jihad                Strijd; de innerlijke, mentale strijd van de gelovige of de strijd ter
                     verdediging van de geloofsgemeenschap
Jinayat              Regels voor het toepassen van het preïslamitische vergeldings-
                     principe oog-om-oog, tand-om-tand, dan wel compensatie met
                     bloedgeld bij moord, doodslag of mishandeling
Kalief               Opvolger van de Profeet, plaatsbekleder van god, leider van de
                     moslimgemeenschap (umma)
Kalifaat             Het bestuur van de gehele moslimgemeenschap (umma)
Khilafa              Zie: Kalief
Khul                 Echtscheiding met wederzijdse instemming, tegen betaling
Loya Jirga           Raadgevende vergadering (Afghanistan)
Madrassa             Religieuze school
Muddawana            Marokkaans wetboek van familierecht
Mullah               Geestelijke
Pancasila            Vijf in de grondwet opgenomen pijlers van de staat (Indonesië)
Pesantrens           Systeem van islamitische kostscholen (Indonesië)
Sharia               Islamitisch recht; letterlijk: ‘weg’
Shiieten             Geloofsrichting die minderheid van alle moslims vertegenwoor-
                     digt (aanhangers van Ali, de neef en schoonzoon van de Profeet)
Shura                Verplichting van de heerser tot consultatie van de onderdanen
Siyasa               Bevoegdheid, toegekend door de sharia, tot regelgeving door de
                     overheid, die niet met haar strijdig mag zijn
Sjah                 (Perzische) Koning
</pre>

====================================================================== Einde pagina 228 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 229 ======================================================================

<pre>    dy na miek in isla mi t isch ac t i visme
                 Sufi                         Mystieke orde in de islam
                 Sunna                        Handelingen van de Profeet Mohammed (bron van sharia)
                 Sunnieten                    Aanhangers van geloofsrichting die meerderheid van alle
                                              moslims vertegenwoordigt (letterlijk: Aanhangers van de tradi-
                                              tie)
                 Tachtsche                    De bewaarplaats van de koran: de hoogste plaats in huis
                                              (Perzisch)
                 Tawhid                       De eenheid van God, monotheïsme
                 Ulama (ev. Alim)             Schriftgeleerden
                 Umma                         Geloofsgemeenschap van de moslims
                 Vilayat-i-faqih              Geestelijk leider (Iran)
                 Wahhabisme                   Conservatieve interpretatie van de islam die de officiële geloofs-
                                              leer is in Saoudi-Arabië en die teruggaat op de denkbeelden van
                                              Muhammed ’Ibn Abd al-Wahhab (1703-1792)
                 Zakat                        Verplichte afdracht van een percentage van het eigen vermogen
                                              aan minderbedeelden (aalmoes)
                 Zina                         Seksueel verkeer buiten het huwelijk (Hadd-delict)
228
</pre>

====================================================================== Einde pagina 229 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 230 ======================================================================

<pre>                                                                                                rapporten aan de regering
   rapporten aan de regering
   Eerste raadsperiode (1972-1977)
 1 Europese Unie
 2 Structuur van de Nederlandse economie
 3 Energiebeleid
   Gebundeld in één publicatie (1974)
 4 Milieubeleid (1974)
 5 Bevolkingsgroei (1974)
 6 De organisatie van het openbaar bestuur (1975)
 7 Buitenlandse invloeden op Nederland: Internationale migratie (1976)
 8 Buitenlandse invloeden op Nederland: Beschikbaarheid van wetenschappelijke en technische kennis (1976)
 9 Commentaar op de Discussienota Sectorraden (1976)
10 Commentaar op de nota Contouren van een toekomstig onderwijsbestel (1976)
11 Overzicht externe adviesorganen van de centrale overheid (1976)
12 Externe adviesorganen van de centrale overheid (1976)
13 Maken wij er werk van? Verkenningen omtrent de verhouding tussen actieven en niet-actieven (1977)
14 Interne adviesorganen van de centrale overheid (1977)
15 De komende vijfentwintig jaar – Een toekomstverkenning voor Nederland (1977)
16 Over sociale ongelijkheid – Een beleidsgerichte probleemverkenning (1977)                                              229
   Tweede raadsperiode (1978-1982)
17 Etnische minderheden (1979)
   A. Rapport aan de Regering
   B. Naar een algemeen etnisch minderhedenbeleid?
18 Plaats en toekomst van de Nederlandse industrie (1980)
19 Beleidsgerichte toekomstverkenning
   Deel 1: Een poging tot uitlokking (1980)
20 Democratie en geweld. Probleemanalyse naar aanleiding van de gebeurtenissen in Amsterdam op 30 april 1980
21 Vernieuwingen in het arbeidsbestel (1981)
22 Herwaardering van welzijnsbeleid (1982)
23 Onder invloed van Duitsland. Een onderzoek naar gevoeligheid en kwetsbaarheid in de betrekkingen tussen
   Nederland en de Bondsrepubliek (1982)
24 Samenhangend mediabeleid (1982)
   Derde raadsperiode (1983-1987)
25 Beleidsgerichte toekomstverkenning
   Deel 2: Een verruiming van perspectief (1983)
26 Waarborgen voor zekerheid. Een nieuw stelsel van sociale zekerheid in hoofdlijnen (1985)
27 Basisvorming in het onderwijs (1986)
28 De onvoltooide Europese integratie (1986)
29 Ruimte voor groei. Kansen en bedreigingen voor de Nederlandse economie in de komende tien jaar (1987)
30 Op maat van het midden- en kleinbedrijf (1987)
   Deel 1: Rapport aan de Regering
   Deel 2: Pre-adviezen
31 Cultuur zonder grenzen (1987)
</pre>

====================================================================== Einde pagina 230 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 231 ======================================================================

<pre>    dy na miek in isla mi t isch ac t i visme
                               32       De ﬁnanciering van de Europese Gemeenschap. Een interimrapport (1987)
                               33       Activerend arbeidsmarktbeleid (1987)
                               34       Overheid en toekomstonderzoek. Een inventarisatie (1988)
                                        Vierde raadsperiode (1988-1992)
                               35       Rechtshandhaving (1988)
                               36       Allochtonenbeleid (1989)
                               37       Van de stad en de rand (1990)
                               38       Een werkend perspectief. Arbeidsparticipatie in de jaren ’90 (1990)
                               39       Technologie en overheid (1990)
                               40       De onderwijsverzorging in de toekomst (1991)
                               41       Milieubeleid. Strategie, instrumenten en handhaafbaarheid (1992)
                               42       Grond voor keuzen. Vier perspectieven voor de landelijke gebieden in de Europese Gemeenschap (1992)
                               43       Ouderen voor ouderen. Demograﬁsche ontwikkelingen en beleid (1993)
                                        Vijfde raadsperiode (1993-1997)
                               44       Duurzame risico’s. Een blijvend gegeven (1994)
                               45       Belang en beleid. Naar een verantwoorde uitvoering van de werknemersverzekeringen (1994)
                               46       Besluiten over grote projecten (1994)
230                            47       Hoger onderwijs in fasen (1995)
                               48       Stabiliteit en veiligheid in Europa. Het veranderende krachtenveld voor het buitenlands beleid (1995)
                               49       Orde in het binnenlands bestuur (1995)
                               50       Tweedeling in perspectief (1996)
                               51       Van verdelen naar verdienen. Afwegingen voor de sociale zekerheid in de 21e eeuw (1997)
                               52       Volksgezondheidszorg (1997)
                               53       Ruimtelijke-ontwikkelingspolitiek (1998)
                               54       Staat zonder land. Een verkenning van bestuurlijke gevolgen van informatie- en communicatietechnologie (1998)
                                        Zesde raadsperiode (1998-2002)
                               55       Generatiebewust beleid (1999)
                               56       Het borgen van publiek belang (2000)
                               57       Doorgroei van arbeidsparticipatie (2000)
                               58       Ontwikkelingsbeleid en goed bestuur (2001)
                               59       Naar een Europabrede Unie (2001)
                               60       Nederland als immigratiesamenleving (2001)
                               61       Van oude en nieuwe kennis. De gevolgen van ict voor het kennisbeleid (2002)
                               62       Duurzame ontwikkeling. Bestuurlijke voorwaarden voor een mobiliserend beleid (2002)
                               63       De toekomst van de nationale rechtsstaat (2002)
                               64       Beslissen over biotechnologie (2003)
                               65       Slagvaardigheid in de Europabrede Unie (2003)
                               66       Nederland handelsland. Het perspectief van de transactiekosten (2003)
                               67       Naar nieuwe wegen in het milieubeleid (2003)
</pre>

====================================================================== Einde pagina 231 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 232 ======================================================================

<pre>                                                                                                         rapporten aan de regering
   Zevende raadsperiode (2003-2007)
68 Waarden, normen en de last van het gedrag (2003)
69 De Europese Unie, Turkije en de islam (2004)
70 Bewijzen van goede dienstverlening (2004)
71 Focus op functies. Uitdagingen voor een toekomstbestendig mediabeleid (2005)
72 Vertrouwen in de buurt (2005)
   Rapporten aan de Regering nrs 1 t/m 67 en publicaties in de reeks Voorstudies en achtergronden zijn niet meer leverbaar.
   Alle studies van de wrr zijn beschikbaar via de website www.wrr.nl.
   Rapporten aan de Regering nrs 68 t/m 72 zijn verkrijgbaar in de boekhandel of via Amsterdam University Press,
   Prinsengracht 747-751, 1017 JX Amsterdam (www.aup.nl).
                                                                                                                                   231
</pre>

====================================================================== Einde pagina 232 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 233 ======================================================================

<pre>    dy na miek in isla mi t isch ac t i visme
                                        verkenningen
                                        Zevende raadsperiode (2003-2007)
                                1       Jacques Pelkmans, Monika Sie Dhian Ho en Bas Limonard (red.) (2003) Nederland en de Europese grondwet
                                2       P.T. de Beer en C.J.M. Schuyt (red.) (2004) Bijdragen aan waarden en normen
                                3       G. van den Brink (2004) Schets van een beschavingsoffensief. Over normen, normaliteit en normalisatie in
                                        Nederland
                                4       E.R. Engelen en M. Sie Dhian Ho (red.) (2004) De staat van de democratie. Democratie voorbij de staat
                                5       P.A. van der Duin, C.A. Hazeu, P. Rademaker en I.J. Schoonenboom (red.) (2004) Vijfentwintig jaar later.
                                        De Toekomstverkenning van de wrr uit 1977 als leerproces
                                6       H. Dijstelbloem, P.L. Meurs en E.K. Schrijvers (red.) (2004) Maatschappelijke dienstverlening. Een onderzoek
                                        naar vijf sectoren
                                7       W.B.H.J. van de Donk, D.W.J. Broeders en F.J.P. Hoefnagel (red.) (2005) Trends in het medialandschap.
                                        Vier verkenningen
                                8       G. Engbersen, E. Snel en A. Weltevrede (2005) Sociale herovering in Amsterdam en Rotterdam.
                                        Eén verhaal over twee wijken
                                9       D.J. Wolfson (2005) Transactie als bestuurlijke vernieuwing. Op zoek naar samenhang in beleid en uitvoering
                               10       Nasr Abu Zayd (2006) Reformation of Islamic Thought. A Critical Historical Analysis
                               11       J.M. Otto (2006) Sharia en nationaal recht. Rechtssystemen in moslimlanden tusssen traditie, politiek en rechtsstaat
232
                                        Alle Verkenningen zijn verkrijgbaar in de boekhandel of via Amsterdam University Press, Prinsengracht 747-751,
                                        1017 JX Amsterdam (www.aup.nl).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 233 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 234 ======================================================================

<pre>                                                                                                 voorstudies en achtergronden
     voorstudies en achtergronden
     Hieronder worden de publicaties uit de wrr-serie Voorstudies en achtergronden opgesomd vanaf de
     vijfde raadsperiode. Een volledig overzicht van de voorstudies is beschikbaar op de wrr-website
     (http://www.wrr.nl) of aan te vragen bij het bureau van de wrr (070 - 356 46 25).
     Vijfde raadsperiode (1993-1997)
 V82 W.J. Dercksen e.a. (1993) Beroepswijs onderwijs. Ontwikkelingen en dilemma’s in de aansluiting van onderwijs en
     arbeid
 V83 W.G.M. Salet (1994) Om recht en staat. Een sociologische verkenning van sociale, politieke en rechtsbetrekkingen
 V84 J.M. Bekkering (1994) Private verzekering van sociale risico’s
 V85 C. Lambers, D.A. Lubach, M. Scheltema (1994) Versnelling juridische procedures grote projecten
 V86 cshob (1995) Aspecten van hoger onderwijs. Een internationale inventarisatie
 V87 T. van der Meij e.a. (1995) Ontwikkelingen in de natuur. Visies op de levende natuur in de wereld en scenario’s voor
     het behoud daarvan
 V88 L. Hagendoorn e.a. (1995) Etnische verhoudingen in Midden- en Oost-Europa
 V89 H.C. Posthumus Meyjes, A. Szász, Christoph Bertram, W.F. van Eekelen (1995) Een gedifferentieerd Europa
 V90 J. Rupnik e.a. (1995) Challenges in the East
 V91 J.P.H. Donner (rapporteur) (1995) Europa, wat nu?
 V92 R.M.A. Jansweijer (1996) Gouden bergen, diepe dalen: de inkomensgevolgen van een betaalbare                              233
     oudedagsvoorziening
 V93 W. Derksen, W.A.M. Salet (red.) (1996) Bouwen aan het binnenlands bestuur
 V94 seo/Intomart (1996) Start-, slaag- en faalkansen van hoger opgeleide startende ondernemers
 V95 L.J. Gunning-Schepers, G.J. Kronjee and R.A. Spasoff (eds.) (1996) Fundamental Questions about the Future of
     Health Care
 V96 H.B.G. Ganzeboom en W.C. Ultee (red.) (1996) De sociale segmentatie van Nederland in 2015
 V97 J.C.I. de Pree (1997) Grenzen aan verandering. De verhouding tussen reorganisatie en structuurprincipes van het
     binnenlands bestuur
 V98 M.F. Gelok en W.M. de Jong (1997) Volatilisering in de economie
 V99 A.H. Kleinknecht, R.H. Oostendorp, M.P. Pradhan (1997) Patronen en economische effecten van ﬂexibiliteit in de
     Nederlandse arbeidsverhoudingen
V100 J.P.H. Donner (1998) Staat in beweging
V101 W.J. Vermeulen, J.F.M. van der Waal, H. Ernste, P. Glasbergen (1997) Duurzaamheid als uitdaging. De afweging van
     ecologische en maatschappelijke risico’s in confrontatie en dialoog
V102 W. Zonneveld en A. Faludi (1998) Europese integratie en de Nederlandse ruimtelijke ordening
V103 Verslag en evaluatie van de vijfde raadsperiode (1998)
     Zesde raadsperiode (1998-2002)
V104 Krijn van Beek (1998) De ondernemende samenleving. Een verkenning van maatschappelijke verandering en
     implicaties voor beleid
V105 W. Derksen et al. (1999) Over publieke en private verantwoordelijkheden
V106 Henk C. van Latesteijn (1999) Land use in Europe. A methodology for policy-oriented future studies
V107 Aart C. Liefbroer en Pearl A. Dykstra (2000) Levenslopen in verandering. Een studie naar ontwikkelingen in de
     levenslopen van Nederlanders geboren tussen 1900 en 1970
V108 Bart Wissink (2000) Ontworpen en ontstaan. Een praktijktheoretische analyse van het debat over het provinciale
     omgevingsbeleid
</pre>

====================================================================== Einde pagina 234 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 235 ======================================================================

<pre>    dy na miek in isla mi t isch ac t i visme
                             V109       H. Mommaas, m.m.v. W. Knulst en M. van den Heuvel (2000) De vrijetijdsindustrie in stad en land. Een studie naar
                                        de markt van belevenissen
                             V110       H. Dijstelbloem en C.J.M. Schuyt, red. (2002) De publieke dimensie van kennis
                             V111       M.C.E. van Dam-Mieras en W.M. de Jong, red. (2002) Onderwijs voor een kennissamenleving. De rol van ict nader
                                        bekeken
                             V112       Wendy Asbeek Brusse, Harry van Dalen en Bart Wissink (2002) Stad en land in een nieuwe geograﬁe.
                                        Maatschappelijke veranderingen en ruimtelijke dynamiek
                             V113       G.A. van der Knaap (2002) Stedelijke bewegingsruimte. Over veranderingen in stad en land.
                             V114       F.J.P.M. Hoefnagel (2002) Internet en cultuurbeleid. Over de gevolgen van ict voor het cultuurbeleid van de
                                        Nederlandse overheid
                             V115       Gabriël van den Brink (2002) Mondiger of moeilijker? Een studie naar de politieke habitus van hedendaagse burgers
                             V116       Willem Witteveen, Bart van Klink, met bijdragen van Wouter de Been en Peter Blok (2002) De sociale rechtsstaat
                                        voorbij. Twee ontwerpen voor het huis van de rechtsstaat
                             V117       Rein de Wilde, Nikki Vermeulen en Mirko Reithler (2003) Bezeten van genen. Een essay over de innovatieoorlog
                                        rondom genetisch gemodiﬁceerd voedsel
                                        Overige publicaties
                                        Voor de eenheid van beleid. Beschouwingen ter gelegenheid van vijftig jaar Ministerie van Algemene Zaken (1987)
                                        Eigentijds burgerschap. wrr-publicatie onder leiding van H.R. van Gunsteren (1992)
234                                     Mosterd bij de maaltijd. 20/25 jaar wrr (1997)
                                        De vitaliteit van de nationale staat in een internationaliserende wereld (2002)
</pre>

====================================================================== Einde pagina 235 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 236 ======================================================================

<pre>MHHH7FFEHJ;D7 7D:;H;=;H ? D=-)
:odWc_[a_d_ibWc_j_iY^WYj_l_ic[
CWd_\[ijWj_[ilWdZ[_ibWcWbifeb_j_[a[\WYjehlWdX[j[a[d_iÅ_ibWc_j_iY^WYj_l_ic[Å
[dZ[h[WYj_[i^_[hef^[XX[dZ[bWWjij[Z[Y[dd_Wjej]hej[_dj[hdWj_edWb[ifWdd_d][d
[dXeji_d][d][b[_Z$:[h][b_`a[_dj[hdWj_edWWb#feb_j_[a[Yed\hedjWj_[i^[XX[deea
d[]Wj_[l[][leb][dleehZ[l[h^ekZ_d]jkii[dceib_ci[dd_[j#ceib_ciX_dd[d
;khef[i[bWdZ[d$>[j_Z[[^[[\jfeij][lWjZWjZ[_ibWcib[Y^jiWc[d]WWjc[j
Z[ceYhWj_[[dc[di[dh[Y^j[d$:[M[j[diY^Wff[b_`a[HWWZleeh^[jH[][h_d]iX[b[_Z
edZ[hpe[aj_dZ_jhWffehj^e[^[j_ibWc_j_iY^WYj_l_ic[p_Y^i_dZiZ[`Wh[dp[l[dj_]_d
Z[ceib_cm[h[bZ^[[\jedjm_aa[bZ$:[dWZhkab_]jef_dj[bb[Yjk[b[edjm_aa[b_d][d"
Z[l[hWdZ[h[dZ[efij[bb_d]lWd_ibWc_j_iY^[feb_j_[a[X[m[]_d][d[dZ[X[j[a[d_ilWd
Z[i^Wh_W_ibWc_j_iY^h[Y^jleeh^[jh[Y^jlWdceib_cbWdZ[d$
:[h[ikbjWj[dbWj[dp_[dZWj[hc[[hWWdadef_d]ifkdj[dp_`dleehZ[ceYhWj_i[h_d]
[dc[di[dh[Y^j[dZWdlWWamehZj][ZWY^j$>[jhWffehjZhWW]jce][b_`a^[Z[dWWd
leehD[Z[hbWdZ[d;khefWecX[ijWWdZ[aWdi[dj[X[dkjj[dleehje[dWZ[h_d]jejZ[
ceib_cm[h[bZ$
                             ?I8D#')/-.#/&#+)+,#.(-#/
                                ?I8D#'&/&#+)+,#.(-#'
               7 c i j [ h Z W c  K d _ l [ h i _ j o  F h [ i i    m m m$ W k f$ d b
</pre>

====================================================================== Einde pagina 236 =================================================================

<br><br>