<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>         WETENSCHAPPELIJKE RAAD VOOR HET REGERINGSBELEID
Vertrouwen in burgers
                     AMSTERDAM UNIVERSITY PRESS
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>Vertrouwen in burgers</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid(wrr) werd in voorlopi-
ge vorm ingesteld in 1972. Bij wet van 30 juni 1976 (Stb. 413) is de positie van de
raad definitief geregeld. De huidige zittingsperiode loopt tot 31 december 2012.
Ingevolge de wet heeft de raad tot taak ten behoeve van het regeringsbeleid
wetenschappelijke informatie te verschaffen over ontwikkelingen die op lange-
re termijn de samenleving kunnen beïnvloeden. De raad wordt geacht daarbij
tijdig te wijzen op tegenstrijdigheden en te verwachten knelpunten en zich te
richten op het formuleren van probleemstellingen ten aanzien van de grote
beleidsvraagstukken, alsmede op het aangeven van beleidsalternatieven.
Volgens de wet stelt de wrr zijn eigen werkprogramma vast, na overleg met de
minister-president die hiertoe de Raad van Ministers hoort.
De samenstelling van de raad is (tot 31 december 2012):
prof. dr. J.A. Knottnerus (voorzitter)
mw. prof. dr. ir. M.B.A. van Asselt
prof. dr. P.A.H. van Lieshout
mw. prof. mr. J.E.J. Prins
prof. dr. ir. G.H. de Vries
prof. dr. P. Winsemius
Secretaris: dr. W. Asbeek Brusse
De wrr is gevestigd:
Lange Vijverberg 4-5
Postbus 20004
2500 EA Den Haag
Telefoon 070-356 46 00
Telefax 070-356 46 85
E-mail info@wrr.nl
Website: www.wrr.nl
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>                    WETENSCHAPPELIJKE RA AD VOOR HET REGER I NGSBELEID
Vertrouwen in burgers
   ov er v er a nk er i ng en st r at egie va n
   neder l a nds bu i t enl a ndbel eid
                         Amsterdam University Press, Amsterdam 2012
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>Omslagafbeelding: Brian Garson
Omslagontwerp: Studio Daniëls, Den Haag
Vormgeving binnenwerk: Het Steen Typografie, Maarssen
isbn       978 90 8964 404 6
e-isbn     978 90 4851 577 6 (pdf)
e-isbn     978 90 4851 578 3 (ePub)
nur        740
© wrr/Amsterdam University Press, Den Haag/Amsterdam 2012
Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opge-
slagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of
op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of enige
andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.
Voor zover het maken van kopieën uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikel
16B Auteurswet 1912 jº het Besluit van 20 juni 1974, Stb. 351, zoals gewijzigd bij het
Besluit van 23 augustus 1985, Stb. 471 en artikel 17 Auteurswet 1912, dient men de daar-
voor wettelijk verschuldigde vergoedingen te voldoen aan de Stichting Reprorecht
(Postbus 3051, 2130 kb Hoofddorp). Voor het overnemen van gedeelte(n) uit deze
uitgave in bloemlezingen, readers en andere compilatiewerken (artikel 16 Auteurswet
1912) dient men zich tot de uitgever te wenden.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>UWRR

WETENSCHAPPELIJKE RAAD VOOR HET REGERINGSBELEID

Aan de minister-president
Voorzitter van de ministerraad
De heer drs. M. Rutte
Postbus 20001

2500 EA Den Haag

ons kenmerk direct nummer fax
2012017/AK/am 070 356 4691 070 356 4685
onderwerp e-mail datum
WRR-rapport 88 voorzitter@wrr.nl 9 mei 2012

Vertrouwen in burgers

Het doet ons genoegen u hierbij het rapport Vertrouwen in burgers aan te bieden. In dit
rapport onderzoekt de raad hoe beleidsmakers burgers meer kunnen betrekken bij het actief
vormgeven van de samenleving.

Actief betrokken burgers zijn wezenlijk voor een levende democratie. Ze houden
volksvertegenwoordigers en overheidsinstanties bij de les, vernieuwen de samenleving met hun
ideeén en initiatieven en geven het beleid draagvlak. Het is daarom zorgelijk dat slechts een
kleine groep burgers zich voelt aangesproken door de pogingen van beleidsmakers hen te
betrekken bij de samenleving. Grote groepen ervaren deze initiatieven als ongemakkelijk of
stellen zich onverschillig op.

Door middel van literatuurstudie en uitgebreid veldwerk heeft de raad de kansen en
mogelijkheden om de betrokkenheid van burgers te vergroten in kaart gebracht. De raad
onderscheidt drie verschillende velden van burgerparticipatie en verbindt hieraan uiteenlopende
beleidsaanbevelingen. Door het verbreden van belefdsparticipatie kunnen de kansen voor
burgerbetrokkenheid in de agendavorming, beleidsuitvoering en crisisbeheersing meer benut
worden. Het vernieuwen van maatschappellike participatie vraagt om het versterken van de
publieke ruimte en het verbinden van beleidsmakers en kwetsbare (groepen) burgers. Maar de
grootste uitdaging is gelegen in het verwelkomen van maatschappelijke initiatieven, ook als die
niet ‘passen’ in het perspectief van beleidsmakers.

Uit het veldonderzoek van de raad blijkt dat veel beleidsmakers die werkzaam zijn op het
rijksniveau de neiging hebben burgerbetrokkenheid te beschouwen als het domein van lagere
overheden en maatschappelijke instellingen. Dat is een misvatting. Lagere overheden en
maatschappelijke instellingen hebben weliswaar een belangrijke rol in de praktische invulling
van veel vormen van burgerbetrokkenheid, maar zij kunnen niet zonder het nationale
voorwaardenscheppende beleid.

Ingevolge de Instellingswet ziet de raad graag de bevindingen van de ministerraad tegemoet.

De a. De secretaris,
——
j “a ‘ x. G

Prof.dr. J.A. Knottnerus

Lange Vijverberg 4-5, Postbus 20004, 2500 EA Den Haag
telefoon (070) 356 46 00, fax (070) 356 46 85, website: www.wtr.nl, e-mail: info@wrrnl
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>                                                            7
inhoudsopgave
Samenvatting                                               11
Ten geleide                                               19
Voorwoord                                                  21
deel i    burgerbetrokkenheid in nederland: een inleiding
1       De uitdaging                                      27
1.1     Veelkleurig speelveld                             27
        1.1.1   Formeel en informeel                      27
        1.1.2   Voortdurend in beweging                   30
1.2     Maatschappelijk onbehagen                         33
        1.2.1   Concentratie van onvree en passiviteit    33
        1.2.2   Complexiteitsrace                         37
        1.2.3   Onverwachtse onderstromen                 40
1.3     Doorbraak noodzakelijk                            44
deel ii   burgerbetrokkenheid in nederland: de praktijk
2       Denken vanuit burgers                              51
2.1     Meer dan beleidsparticipatie                       51
        2.1.1   Beleidsparticipatie                       52
        2.1.2   Maatschappelijke participatie             53
        2.1.3   Maatschappelijk initiatief                57
        2.1.4   Kansen waar velden overlappen             58
2.2     Burgers op het netvlies                           60
        2.2.1   Uiteenlopende uitdagingen                 60
        2.2.2   Uiteenlopende toerusting                  61
        2.2.3   Uiteenlopende betrokkenheidsstijlen       64
2.3     Schuivende posities en nieuwe spelers             68
        2.3.1   Maatschappelijke instellingen             68
        2.3.2   Ngo’s                                     69
        2.3.3   Koplopers in het bedrijfsleven             71
        2.3.4   Andersbewegingen                           72
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>8    vertrouwen in burgers
3       Randvoorwaarden voor succes                                            79
3.1     Sleutelfiguren                                                         79
        3.1.1    Trekkers                                                      79
        3.1.2    Verbinders                                                     81
        3.1.3    Ketens en netwerken                                           84
3.2     Respect voor burgers                                                   88
        3.2.1    Serieus nemen                                                 88
        3.2.2    Voortdurende informatie-uitwisseling                          90
        3.2.3    Focus                                                         93
3.3     Evenwicht tussen loslaten en sturen                                    98
        3.3.1    Ruimte                                                        99
        3.3.2    Eigenaarschap                                               100
        3.3.3    Ruggensteun                                                 102
4       Drempels                                                             107
4.1     Schurende logica’s                                                   107
        4.1.1    Leefwereld tegenover systeemwereld                          107
        4.1.2    Uiteenlopende werkwijzen                                    109
4.2     Remmende structuren en systemen                                       112
        4.2.1    Logge overheidsstructuren                                     113
        4.2.2    Ontoegankelijke burgerstructuren                             118
4.3     Kortetermijnoriëntatie                                                118
        4.3.1    Gehaaste beleidsmakers                                       119
        4.3.2    Haastige burgers                                            120
4.4     Onzekere sleutelhouders                                               121
        4.4.1    Beperkte visie                                               122
        4.4.2    Wankele rugdekking                                          124
deel iii burgerbetrokkenheid in nederland: de duiding
5       Burgerbetrokkenheid in een complexe samenleving                        131
5.1     Betrokken individuen                                                   131
        5.1.1    Aanleiding en drijfveren voor individuele betrokkenheid: de
                 uitdaging                                                    132
        5.1.2    Voorwaarden voor individuele actie: de toerusting            133
        5.1.3    Betrokkenheidsstijlen                                        135
5.2     Dynamische groepen                                                    138
        5.2.1    Groepsvorming en groepsprocessen                             139
        5.2.2    Actievaardigheid van groepen                                 141
        5.2.3    Groepsculturen                                              142
5.3     Vernetwerkte samenleving                                             146
        5.3.1    Complexiteit en veerkracht                                  147
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>                                                                       inhoudsopgave    9
        5.3.2    Sleutelrol voor trekkers en verbinders                               152
        5.3.3    Lange staart: scheve verdeling met subculturen                      154
        5.3.4    Veenbrandfenomeen als uiting van dynamiek                            156
6       Nieuwe generatie doe-democratie                                               161
6.1     Onrustig speelveld                                                            162
        6.1.1    Onbeheersbare informatiestromen                                      162
        6.1.2    Wankel middenveld                                                    163
        6.1.3    Directere kanalen                                                   166
6.2     Roep om directere vormen van democratie                                      170
        6.2.1    Aggregatie: optelling van stemmen                                    171
        6.2.2    Deliberatie: uitwisseling van argumenten                             172
        6.2.3    Associatie: alledaagse leefomgeving                                  173
6.3     Investeren in nieuwe vormen van binding                                       174
        6.3.1    Samenbinding                                                         175
        6.3.2    Dwarsbinding                                                         178
        6.3.3    Tegenbinding                                                         182
        6.3.4    Bovenbinding                                                        184
7       Netwerksturing: meer dan symboliek                                            187
7.1     Van Weber 1.0 naar Weber 2.0…                                                 187
        7.1.1    Cultuuraanpassingen                                                 188
        7.1.2    Veranderende rolopvattingen                                         190
7.2     … en vervolgens Weber 3.0                                                     191
        7.2.1    Institutionele intuïtie                                              193
        7.2.2    Gelaagd netwerk                                                     194
deel iv   burgerbetrokkenheid in nederland: aanbevelingen
8       Bouwen aan Vertrouwen                                                        203
8.1     Creëer tegenspel                                                             204
        8.1.1    Vergroot toegang tot data                                           204
        8.1.2    Verbreed eigen informatiegaring                                     207
8.2     Vergroot alledaagse invloed                                                  210
        8.2.1    Deel publiek ‘eigendom’ in maatschappen                              211
        8.2.2    Versterk institutionele toerusting van collectief                    213
8.3     Stimuleer maatschappelijk verkeer                                            216
        8.3.1    Bevorder tegenbinding in gedeelde ruimte                            216
        8.3.2    Geef frontlijnwerkers ruimte om te verbinden                         217
8.4     Bouw steunpilaren                                                            219
        8.4.1    Waarborg solidariteit tussen instellingen en overheden              220
        8.4.2    Leg nieuwe verbindingen                                              221
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>10    vertrouwen in burgers
Aanzwengelen vliegwiel van verandering              225
Visie                                               226
Rugdekking                                          228
Vonk                                                229
Bijlage A         Toelichting Motivaction-onderzoek 233
Bijlage B         Lijst van gesproken personen      243
Begrippenlijst                                      257
Literatuur                                          261
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>                                                                                   11
samenvatting
Betrokken burgers zijn belangrijk voor een levende democratie. Ze houden volks-
vertegenwoordigers en overheidsinstanties scherp en spelen een belangrijke rol in
de inkleuring van de maatschappij; ze verschaffen het draagvlak voor het uitvoe-
ren van beleid, vullen het in door hun alledaagse handelen, en zorgen voor maat-
schappelijke vernieuwing door het inbrengen van ideeën, onderwerpen en
aanpakken. Burgers moeten echter wel betrokken kunnen en willen zijn.
De afgelopen decennia hebben beleidsmakers zich vele inspanningen getroost om
het betrokkenheidsaanbod aantrekkelijker te maken, maar de resultaten zijn
teleurstellend. Voortdurend is het een verhaal van veel projecten, weinig leren en
onvoldoende structurele inbedding; vooral de aansluiting op onze samenleving is
zoek. En juist die samenleving verandert, snel en onvoorspelbaar. Ook de wijze
waarop burgers betrokken zijn verandert. Niet langer gebeurt dat alleen op uitno-
diging van beleidsmakers, maar steeds vaker op eigen initiatief, via directere kana-
len en voorbijgaand aan het traditionele middenveld.
Burgerbetrokkenheid is gaan behoren tot de categorie van de sluipende beleids-
vraagstukken: hardnekkige problemen die zich voordoen bij de aanpak van
wezenlijke maatschappelijke vraagstukken. In eerste instantie worden ze nauwe-
lijks opgemerkt, totdat, schijnbaar plotseling, ideaal en werkelijkheid te ver van
elkaar gescheiden blijken en een beleidsdoorbraak noodzakelijk is. Het is tegen
deze achtergrond dat we ons de vraag stelden: Hoe kunnen beleidsmakers burgers
beter betrekken? Om die vraag te kunnen beantwoorden hebben we uitgebreid
gesproken met vele burgers en beleidsmakers en onze bevindingen getoetst aan
wetenschappelijk onderzoek uit diverse disciplines.
Zowel het veldwerk als de theorie bevestigt dat burgers inventief zijn, veel kunnen
en tot veel bereid zijn. Om de kansen en mogelijkheden die daaruit voortkomen
ten volle te benutten moeten beleidsmakers burgers vertrouwen en de ruimte
bieden voor betrokkenheid. Het trefwoord van een samenleving die bouwt op
burgerbetrokkenheid is daarom vertrouwen: vertrouwen van beleidsmakers in
burgers, vertrouwen van burgers in beleidsmakers en in elkaar. Geen blind
vertrouwen, maar vertrouwen met een gezonde dosis wantrouwen. Dat vertrou-
wen is niet vanzelfsprekend, maar verlangt denken vanuit burgers, voortdurend
investeren, en het scheppen van voorwaarden voor verandering: stapje voor
stapje, experimenterend, lerend en waar nodig achteraf corrigerend.
Denken vanuit burgers
Een van de meest indringende lessen die uit ons onderzoek naar voren komt, is:
denk vanuit burgers. Wie burgers wil betrekken moet denken vanuit hun perspec-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>12 vertrouwen in burgers
      tief. Burgers hebben uiteenlopende behoeften en kwaliteiten. Als daar onvol-
      doende rekening mee wordt gehouden, zullen (te) velen afhaken. Mensen
      worden om verschillende redenen uitgedaagd en beschikken over verschillende
      toerustingen om de uitdagingen op te pakken. Is de toerusting te klein ten
      opzichte van de uitdaging, dan dreigt overvraging. Is de uitdaging te gering ten
      opzichte van de toerusting, dan dreigt verveling. In beide gevallen zullen
      mensen onvoldoende gemotiveerd zijn om betrokken te worden. Zijn echter
      uitdaging en toerusting met elkaar in evenwicht, dan zijn velen tot grote inzet
      bereid.
      Burgerbetrokkenheid biedt dan maatschappelijke kansen die op dit moment nog
      niet ten volle worden benut. Een dergelijke burgerbetrokkenheid bouwt op drie
      succesfactoren. Een eerste is de aanwezigheid van trekkers – mensen die zich
      inhoudelijk verbinden met een bepaald onderwerp en anderen in hun enthou-
      siasme meenemen – en verbinders – ‘meertaligen’ die de schakel kunnen vormen
      tussen groepen burgers en beleidsmakers of groepen burgers onderling. Daar-
      naast moet er sprake zijn van respect: burgers willen serieus worden genomen.
      En tenslotte moeten beleidsmakers een evenwicht vinden tussen loslaten en
      steunen.
      Burgers zijn op verschillende manieren betrokken. Woorden als ‘burgerpartici-
      patie’ en ‘inspraak’ doen geen recht aan de verscheidenheid van de initiatieven
      die worden ontplooid. In dit onderzoek maken we een onderscheid tussen drie
      velden van burgerbetrokkenheid: beleidsparticipatie, maatschappelijke participa-
      tie en maatschappelijke initiatieven. Bij de eerste twee ligt het voortouw bij
      beleidsmakers en ‘mogen’ burgers meedoen, bijvoorbeeld door inspraak of vrij-
      willigerswerk. Op het derde veld ligt het initiatief bij burgers zelf. De huidige
      overheidsbenadering laat op alle velden kansen liggen en het is van groot belang
      om de bestaande, smalle kaders te vergroten. Het verbreden van beleidsparticipa-
      tie naar andere beleidsfasen betekent dat kansen voor burgerbetrokkenheid in de
      agendavorming, beleidsuitvoering en crisisbeheersing benut kunnen worden.
      Het vernieuwen van maatschappelijke participatie vraagt juist om het versterken
      van de openbare ruimte en de verbinding van beleidsmakers met kwetsbare
      (groepen) burgers. De grootste uitdaging is gelegen in het verwelkomen van
      maatschappelijke initiatieven, ook als die niet gladjes ‘passen’ in het beleidsper-
      spectief van beleidsmakers.
      Investeren in vertrouwen
      Op verschillende, concrete manieren kunnen beleidsmakers burgerbetrokken-
      heid bevorderen: door het creëren van tegenspel, versterken van de alledaagse
      invloed, stimuleren van maatschappelijk verkeer, en bouwen van stevige steun-
      pilaren. We bieden niet de oplossing, maar veeleer een bron van inspiratie om
      verder te denken en te handelen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>                                                                       samenvatting  13
Creëren van tegenspel
Goede beleidsmakers hechten aan tegenspel. Ze geven niet alleen ruimte voor
tegengeluid, maar nodigen dat ook actief uit. Goede informatie is daarvoor
essentieel. Dat geldt voor alle betrokkenen: burgers moeten beschikken over
goede informatie om initiatieven te starten en voor hun belangen op te kunnen
komen en beleidsmakers moeten burgers kennen om hen te kunnen betrekken.
Op beide terreinen zijn – aanzienlijke – verbeteringen wenselijk. Betrokkenheid
begint vaak met het uitwisselen van informatie, uiteenlopend van het ‘gonzen’
aan een schoolhek en de klassieke dorpskrant tot buurtwebsites en sociale media.
Beleidsmakers hebben op dit terrein een bijzondere verantwoordelijkheid, om-
dat ze beschikken over veel data die, mits vrij toegankelijk, waardevol kunnen
zijn voor burgers. Wanneer deze data openbaar zijn en volgens een standaard
worden gepubliceerd, zullen burgers zelf toepassingen bedenken die nuttig zijn
voor andere burgers en die beleidsmakers scherp houden.
Informatiestromen lopen niet uitsluitend via verticale verbanden, maar ook
horizontaal, zowel binnen organisaties als in de wisselwerking met de buitenwe-
reld. Indien beleidsmakers erin slagen om proactief de meest relevante netwer-
ken aan te boren, kunnen ze de onderbouwing van hun beleid verbeteren. Goede
informatie verschaft hun daarnaast een basis voor geschiloplossing. Beleidsma-
kers moeten daarom beschikken over goede antennes, waarbij ze gebruik kunnen
maken van nieuwe vormen van informatiegaring zoals crowd sourcing, webmo-
nitoring en serious gaming.
Versterken van alledaagse invloed
De alledaagse leefomgeving vormt een belangrijk aangrijpingspunt voor burger-
betrokkenheid; ons rapport biedt daarvan een staalkaart. Met trekkers uit eigen
kring op kop en voldoende interne of externe verbinders in hun nabijheid blijken
burgers tot veel bereid en in staat. Traditioneel ligt bij alle betrokkenheidsvelden
een sterke nadruk op ‘de buurt’, maar een dergelijke eenzijdige focus doet kansen
verloren gaan: de alledaagse leefomgeving wordt immers ook voor een belangrijk
deel bepaald door opleiding, werk en vrijetijdsbesteding met inbegrip van inter-
net. Ook op regionaal en nationaal niveau laten burgers hun stem horen om
de kwaliteit van hun dagelijks leven te beïnvloeden. Steeds vaker geven velen
bovendien mondiaal via internet inhoud aan een nieuwe vorm van nabuurschap
wanneer ze volledig vreemden te hulp schieten bij het vinden van oplossingen
voor een breed scala aan alledaagse vraagstukken.
Stimuleren maatschappelijk verkeer
Idealiter beschouwen burgers de maatschappelijke voorzieningen waarvan ze
intensief gebruikmaken, als de hunne: de huizen waarin ze wonen, de scholen
waar hun kinderen leren, de zorginstellingen waarop ze in geval van nood
kunnen terugvallen, de politie die zorg draagt voor de veiligheid in hun buurten
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>14 vertrouwen in burgers
      en in het verkeer, en het openbaar groen en de sportvoorzieningen waar ze
      recreëren. Veel van deze voorzieningen werden, om marktwerking te stimuleren,
      verzelfstandigd of geprivatiseerd. Het bracht rationalisatie in het openbaar bestuur
      teweeg, in termen van meetbare doelen, management van productieprocessen en
      prestaties voor klanten. Vanuit het gezichtspunt van burgerbetrokkenheid heeft
      het denken in markttermen echter bezwaren. Het klantdenken duwde de burger in
      een passieve rol en nam zo prikkels weg voor actieve betrokkenheid. Door publiek
      ‘eigendom’ te delen in maatschappen van burgers, al dan niet samen met maat-
      schappelijke instellingen en andere private partijen, kan het gevoel van gemeen-
      schappelijk eigendom worden gestimuleerd. Waar nodig dient de institutionele
      toerusting van dergelijke collectieven te worden versterkt.
      In veel gevallen komen mensen elkaar tegen als ‘vertrouwde vreemden’: ze hebben
      niets met elkaar anders dan het delen van een (fysieke of virtuele) ruimte. Beleids-
      makers hebben hier een voorwaardenscheppende rol, zoals het stimuleren van
      een civiele omgang – tegenbinding – in de gedeelde openbare ruimte. In kwetsbare
      buurten gaat het bijvoorbeeld om ‘het teruggeven van de openbare ruimte’ via
      inrichting en beheer van veilige – want ‘eigen’ – winkelgebieden, pleinen, parken
      en gemeenschappelijke tuinen. Op andere plaatsen gaat het om het stimuleren van
      functionele ontmoetingsruimtes, zoals scholen, sport- en muziekverenigingen en
      sociale media.
      Het is niet alle burgers gegeven om op eigen kracht volwaardig mee te doen aan de
      maatschappij. Met name geïsoleerde individuen zijn kwetsbaar. Ons veldwerk
      biedt stimulerende voorbeelden van steun in hun naaste omgeving, maar tegelijk
      ook deprimerende illustraties waar dat niet het geval is. Succes vereist maatwerk
      ‘aan de voorkant’: in het herstel van de kleine netwerken binnen hun alledaagse
      leefwereld. Alleen indien frontlijnwerkers – professionals of zeer goed toegeruste
      vrijwilligers – de ruimte krijgen om verbindingen te leggen, mag op positief resul-
      taat worden gehoopt.
      Indien minder toegeruste groepen burgers niet beschikken over interne verbin-
      ders die bruggen kunnen slaan naar overheidsinstanties en maatschappelijke
      instellingen – onderwijs- en zorginstellingen, wooncorporaties, welzijnswerk –,
      isoleren ze zich dikwijls in een benadering van wij tegen zij. Weer is het zaak dat
      frontlijnwerkers, met inbegrip van politie, brandweer en groenbeheer, de ruimte
      krijgen de besloten gemeenschappen te ‘spikkelen’ in een rol als externe verbinder.
      Veel burgers blijken dan goed in staat en bereid tot actieve betrokkenheid.
      Bouwen van steunpilaren
      Maatschappelijke verdichting en versnelling leiden tot een samenleving die
      ‘vernetwerkt’ en complexer wordt. Dergelijke ingrijpende veranderingen verlan-
      gen dat de democratie meebeweegt. Sterke onderstromen kunnen niet worden
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>                                                                  samenvatting   15
genegeerd. De roep om meer directe vormen van democratie en de bijbehorende
vormen van burgerbetrokkenheid, ter aanvulling van de representatieve democra-
tie, neemt toe. Beleidsmakers hebben breed geëxperimenteerd met verschillende
vormen van directere democratie en vooral de ‘doe-democratie’ – ook bekend als
de associatieve democratie – biedt mogelijkheden om beter dan nu gebeurt open te
staan voor maatschappelijke initiatieven.
De stap naar een nieuwe generatie ‘doe-democratie’ kan worden ondersteund
door te investeren in andere vormen van binding tussen en met burgers. Gezien de
verschillen tussen burgers en de diversiteit aan vormen van betrokkenheid, is het
van belang dat daarbij alle kanalen voor burgerbetrokkenheid worden benut. Maat-
schappelijke instellingen moeten functioneren als kanalen voor burgerbetrokken-
heid in de alledaagse leefomgeving van burgers. In plaats van de – voorgeschreven
– concurrentie moet de nadruk komen te liggen op het waarborgen van solidariteit
tussen maatschappelijke instellingen en overheden, bijvoorbeeld door het door-
breken van regionale patstellingen en het waarborgen van een maatschappelijke
infrastructuur. De doe-democratie bouwt echter ook op informele verbindingen.
Beleidsmakers zullen daarvoor passende en ondubbelzinnige kaders moeten stel-
len en bewaken. Meer dan tevoren zijn ze daarbij afhankelijk van de medewerking
van de ‘informele hoofdrolspelers’, van oudsher de voorlieden van maatschappe-
lijke instellingen en ngo’s en in toenemende mate ook die van de koplopers in het
bedrijfsleven en de bonte verzameling andersbewegingen.
Aanzetten tot verandering
Beleidsmakers kunnen veel doen om betrokkenheid van burgers te stimuleren.
Daarbij past echter een waarschuwing: de drempels voor verandering blijken hoog
en vereisen gerichte aandacht. Schurende logica’s van burgers en beleidsmakers,
belemmerende overheidsstructuren en -systemen, kortetermijnoriëntatie, en
onzekere rugdekking zijn uitingen van een overheidscultuur die ontoereikend is
voor het omgaan met een complexe netwerksamenleving. In een democratie die
zichzelf voortdurend wil aanpassen aan technologische en maatschappelijke
ontwikkelingen, gaat het om het besturen van het onbestuurbare. Dat is alleen
mogelijk als beleidsmakers een gepaste ruimte laten voor burgers: weten wanneer
ze nodig zijn en wegblijven als dat niet het geval is.
De doorbraak naar een ander betrokkenheidsbeleid vergt een aanzienlijke veran-
dering van de overheidscultuur, een verandering op basis van visie, rugdekking en
vonk. De visie die de kaders aangeeft waarbinnen frontlijnwerkers inhoud kunnen
geven aan hun wisselwerking met burgers en die is vereist voor de herkenning van
de kansen die maatschappelijke initiatieven bieden. De rugdekking die waarborgt
dat beleidsmakers en frontlijnwerkers hun nek durven uit te steken en kunnen
handelen bij onvoorziene ontwikkelingen die zich – onvermijdelijk – in de
netwerksamenleving voordoen. En de vonk van inspiratie die overspringt
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>16 vertrouwen in burgers
      wanneer gedreven beleidsmakers en frontlijnwerkers de nieuwe generatie doe-
      democratie tot leven brengen.
      De veranderingen die ons voor ogen staan zijn alleen mogelijk wanneer alle
      betrokkenen er serieus werk van maken: gemeenten, maatschappelijke instellin-
      gen, en bovenal beleidsmakers op nationaal niveau. Gemeenten zijn alleen in
      staat de benodigde ruimte aan frontlijnwerkers en burgers te geven als zij zelf
      ook ruimte van het Rijk krijgen. Leidend is onze oproep: betrokken burgers zijn
      belangrijk voor een levende democratie. Juist de nationale voorlieden dienen mede
      inhoud te geven aan de uitvoering door andere partijen op het speelveld van
      burgerbetrokkenheid.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>                                                                                  19
ten geleide
Dit rapport is voorbereid door een wrr-projectgroep bestaande uit Josta de Hoog,
Annemarth Idenburg (projectcoördinator), Jona Specker, Pieter Winsemius (voor-
zitter) en Jasper Zuure. Gedurende kortere tijd maakten ook Marijke Rem, Jornt
van Zuylen en Floor Doesburg deel uit van het team, terwijl – zoals steeds – raad
en staf ook voortdurend bijdroegen tot het eindresultaat.
We zijn grote dank verschuldigd aan velen die ons gedurende het onderzoek met
raad en daad terzijde hebben gestaan. Voorop staan daarbij onze gesprekspartners.
Hun namen zijn vermeld in Bijlage B; zij waren de inspiratiebronnen voor ons
onderzoek.
Ook danken wij de wetenschappers die eerdere versies van ons rapport van
kritisch maar constructief commentaar hebben voorzien: het was een voorrecht
te mogen profiteren van de wijsheid van Ed Berg, Mark Bovens, Kees Breed, Alex
Brenninkmeijer, Gabriël van den Brink, Herman van Gunsteren, Paul ’t Hart,
Philip Idenburg, Arthur Ringeling, Kees Schuyt, Monika Sie Dhian Ho, Evelien
Tonkens, Pieter Tops, Roel in ’t Veld en Imrat Verhoeven.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>                                                                                   21
voorwoord
Betrokken burgers zijn belangrijk voor een levende democratie. Ze verlenen door
te stemmen de volksvertegenwoordiging legitimiteit. Ze houden volksvertegen-
woordigers en overheidsinstanties scherp en zorgen dat deze zich gecontroleerd
weten. Tevens spelen ze een belangrijke rol in de inkleuring van de maatschappij:
ze verschaffen het draagvlak voor het uitvoeren van beleid, vullen het in door hun
alledaagse handelen, en zorgen voor maatschappelijke vernieuwing door het
inbrengen van ideeën, onderwerpen en aanpakken.
Om betrokken te zijn moeten burgers ‘hun’ democratische instituties vertrouwen,
maar tegelijk kritisch willen en kunnen volgen, en bovendien bereid zijn om er
voortdurend tegen te ‘schoppen’ om zo hun aanpassing aan de noden van de tijd te
bevorderen. Ze moeten ook elkaar vertrouwen, omdat ze elkaar voor het verwerke-
lijken van gedeelde doelen nodig hebben. Op hun beurt moeten beleidsmakers
‘hun’ burgers willen vertrouwen door hun de ruimte te bieden voor betrokkenheid.
Het trefwoord van een levende democratie die bouwt op burgerbetrokkenheid is
daarom vertrouwen. Vertrouwen van beleidsmakers in burgers, vertrouwen van
burgers in beleidsmakers en in elkaar. Het is echter geen blind vertrouwen. Een
gepaste dosis vertrouwen is essentieel voor de representatieve democratie en
onderlinge betrokkenheid, en een gepaste dosis wantrouwen voor de corrigerende
tegenmacht en de maatschappelijke vernieuwing.
Laten we vooropstellen: afgezien van – tijdelijke – schommelingen zijn Nederlan-
ders tevreden met het functioneren van de democratie. Wel merken we op dat in
een steeds complexere samenleving grote groepen Nederlanders zich onvoldoende
herkennen in ‘hun’ politiek: ze voelen zich overvraagd, hebben weinig vertrou-
wen in hun eigen vermogen om de politiek te beïnvloeden, geloven niet dat de
politiek opkomt voor hun belangen, of denken dat hun maatschappelijke doelen
beter zonder beleidsmakers zijn te realiseren. Het is geenszins uitgesloten, en ons
inziens zelfs waarschijnlijk, dat de toenemende onvree onder minder toegeruste
burgers overslaat naar andere groepen burgers, die ook steeds vaker worden
bevraagd. Het is eveneens waarschijnlijk dat een steeds groter deel van de beter
toegerusten in een mondialiserende samenleving nog meer dan vroeger ‘om de
overheid heen’ gaat werken. Deze groepen zijn in dat geval slechts de kanariepie-
tjes in de kolenmijn die door hun flauwvallen waarschuwen voor veel fundamen-
telere vraagstukken.
Burgerbetrokkenheidsbeleid dat onvoldoende rekening houdt met de huidige
ontwikkelingen en dynamiek van onze samenleving, is gedoemd om achter de
feiten aan te hollen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>22 vertrouwen in burgers
      Tegen deze achtergrond stelden wij ons de vraag: Hoe kunnen beleidsmakers
      burgers beter betrekken? Om deze vraag te kunnen beantwoorden hebben wij onze
      onderzoeksactiviteiten ingericht op basis van vier verschillende stappen, waarvan
      we in de verschillende delen van dit rapport verslag doen. Na een nadere verken-
      ning van de context waarin burgerbetrokkenheidsbeleid zich afspeelt, hebben wij
      ons oor te luisteren gelegd bij burgers die, met vallen en opstaan, proberen actief
      betrokken te zijn, soms samen met beleidsmakers en soms gericht tegen hen. We
      spraken ook met beleidsmakers die, eveneens met vallen en opstaan, manieren
      zoeken om tot een constructieve wisselwerking met burgers te komen. Ondanks
      de goede inzet van velen wil het vaak niet echt lukken met een burgerbetrokken-
      heid die van beide zijden als bevredigend wordt ervaren. Hoe kan het beter? Ons
      veldonderzoek leverde een breed palet van succesvolle voorbeelden van burgerbe-
      trokkenheid en bood zo zicht op de factoren die volgens onze zegslieden de sleutel
      zijn voor succes.
      Daarna zijn we teruggekeerd naar de studeerkamer om de bevindingen van ons
      veldwerk te duiden met behulp van wetenschappelijk onderzoek uit diverse
      disciplines. Wat beweegt burgers al dan niet tot betrokkenheid; alleen, in
      groepen, en – in toenemende mate – in netwerken? Verlangt burgerbetrokkenheid
      in een complexe samenleving wellicht een – nieuwe – mix van democratische
      modellen?
      De lessen uit het veldonderzoek en de inzichten uit de literatuurstudie hebben we
      ‘vertaald’ in concrete aanbevelingen. We hebben niet de pretentie dat we daarmee
      ‘de’ oplossing aanreiken, dat zou ook strijdig zijn met ons eigen betoog dat een
      goed verhaal ruimte laat voor velen – nu en later – om een eigen inkleuring te
      geven aan ‘hun’ betrokkenheid. Wel bieden we een eerste aanzet, als bron van
      inspiratie, en definiëren de uitgangspunten voor effectief betrokkenheidsbeleid.
      Voor een goed begrip van onze zoektocht is het belangrijk dat we kort toelichten
      wat we met het begrip ‘burgerbetrokkenheid’ bedoelen. In dit rapport staan
      mensen centraal die verantwoordelijkheid nemen voor een maatschappelijk
      belang; die zich actief inzetten voor zaken die het eigenbelang overstijgen. In veel
      gevallen gaat het om een ‘publiek belang’, een maatschappelijk belang waar de
      overheid zich de behartiging van aantrekt. De manieren waarop burgers daarbij
      zijn betrokken zijn even talrijk als verschillend.
      Bij de aanvang van ons onderzoek hebben we ons een aantal beperkingen opge-
      legd. We gingen ervan uit dat de essentie van de representatieve democratie, met
      haar bijbehorende formele instrumentarium, onverlet moet blijven. Veel burgers
      vitten weliswaar op ‘hun’ overheid en ‘de’ politiek, maar weinigen pleiten voor het
      afschaffen van de representatieve democratie. Dat neemt niet weg dat we wel
      gekeken hebben naar de noodzaak om, binnen de kaders van de representatieve
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>                                                                      voorwoord    23
democratie, de manieren waarop de wisselwerking tussen ‘de overheid’, ‘de poli-
tiek’ en burgers vorm krijgt aan te passen.
Vele beleidsinspanningen voor het versterken van burgerbetrokkenheid richtten
zich de afgelopen decennia op aanpassingen van juist het beschikbare, formele
instrumentarium. Hoewel daar stellig aanmerkelijke vorderingen zijn gemaakt,
hebben de vele ingrepen niet geleid tot een werkelijke doorbraak. We richtten ons
daarom vooral op de informele vormen van burgerbetrokkenheid en zochten naar
verbeteringen die binnen de kaders van de representatieve democratie inhoud
kunnen krijgen. We hebben ons verdere beperkingen opgelegd. Zo hebben we
beperkt aandacht besteed aan de rol van de media als kanaal voor burgerbetrokken-
heid door middel van informatieverschaffing en verdieping c.q. beïnvloeding. We
hebben ook niet gepoogd oplossingen aan te dragen voor de betrokkenheid van
Nederlandse burgers op het niveau van de eu of andere multilaterale fora.
In onze huidige, complexe samenleving blijken traditionele antwoorden onvol-
doende. Niet langer kan worden volstaan met het toevoegen van inhoudelijke of
procesmatige toeters en bellen: beleidsverfijningen en instrumenten of processen
die niet het ruggenmerg raken. De complexere samenleving is in belangrijke mate
onbeheersbaar geworden en dat manifesteert zich in de uitdagingen – positief of
negatief – die zich aandienen. Dit rapport kan dan ook geen finaal antwoord geven
op de vraag die wij in ons onderzoek stelden: Hoe kunnen beleidsmakers burgers
beter betrekken? Wel biedt het rapport een wezenlijke basis voor handelen. Ons
veldwerk leverde rijke illustraties op van de wijze waarop burgerbetrokkenheid in
de praktijk vorm kan krijgen. De inzet, het doorzettingsvermogen en de creativi-
teit die daaraan ten grondslag liggen, zijn wellicht een inspiratiebron voor velen
om steeds weer betere antwoorden te vinden op de vragen waarvoor zij zich
gesteld zien.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>deel i
burgerbetrokkenheid in nederland:
een inleiding
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>                                                                                          27
1     de uitdaging
      Hoe kunnen beleidsmakers burgers beter betrekken? Wat kunnen ze doen om te
      zorgen dat de burgerbetrokkenheid in de samenleving voldoende en voldoende
      divers is voor een levende democratie? Velen, niet alleen in Nederland, maken
      zich zorgen over die betrokkenheid en duiden het achterliggende probleem als een
      vertrouwenscrisis, anderen spreken van een vertrouwenskloof of van een demo-
      cratisch tekort (zie bijvoorbeeld: Van Gunsteren en Andeweg 1994; Elchardus
      2002; Rosanvallon 2008; Knepper en Kortenray 2008; Dekker 2008; Bovens 2010;
      Norris 2011; Andeweg en Thomassen 2011).
      Ondanks de grote inspanningen en de veelvuldige experimenten worden weinig
      warme woorden gesproken of geschreven over de voortgang van het overheidsbe-
      leid met betrekking tot burgerbetrokkenheid. Er zijn volgens Van Stokkom (2006:
      10) veel evaluatiestudies waaruit blijkt dat de nieuwe vormen van samenspraak
      bepaald niet fungeren als wondermiddel (bijvoorbeeld Edelenbos en Monnikhof
      2001; Tops et al. 1999; Tops et al. 1996; en Wilde en Van Nistelrooij 2010: 29-31).
      Voortdurend is het een verhaal van veel projecten, weinig leren en – met uitzon-
      dering van de ‘klassieke’ inspraak op het terrein van de ruimtelijke ordening en
      daarvan afgeleide benaderingen – weinig structurele inbedding. Nog te vaak gaat
      het mis en het instrumentarium is sleets. De aansluiting op de ontwikkelingen in
      onze samenleving is zoek en een geheel andere aanpak lijkt noodzakelijk.
1.1   veelkleurig speelveld
      Het ‘speelveld’ van burgerbetrokkenheid kent twee dimensies: een verticale die
      wordt gekenmerkt door de institutionele hiërarchie van ‘de overheid’ en een hori-
      zontale die wordt bepaald door de diverse vormen van wisselwerking tussen de
      overheidskolom en burgers met hun uiteenlopende private samenwerkingsver-
      banden (figuur 1.1).
1.1.1 formeel en informeel
      De verticale dimensie kent een ingewikkelde structuur met meerdere lagen. Op
      het hoogste (inter)nationale niveau ligt de nadruk op beleidsontwikkeling; op
      lagere niveaus worden uitvoering en handhaving steeds belangrijker. De verant-
      woordelijkheid ligt dan bij een grote en diverse groep regionale en lokale
      beleidsmakers, niet alleen provincies en (deel)gemeenten, maar ook waterschap-
      pen en tal van uitvoerende organisaties, die met een vaak beperkte armslag
      uitvoering dienen te geven aan het beleid dat wordt geformuleerd door
      (inter)nationale beleidsmakers. Op individueel niveau hebben we ten slotte te
      maken met de frontlijnwerkers: uitvoerende ambtenaren bij gemeentelijke dien-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>28    vertrouwen in burgers
          sten bijvoorbeeld, maar ook buurtagenten, buurtconciërges, leraren, welzijns-
          werkers en zorgverleners.
Figuur 1.1         Speelveld van burgerbetrokkenheid
                                              Maatschappelijk middenveld
                Toezicht            Overheid  Instellingen        Organisaties Ad-hocverbanden
                                                                                               (Inter)-
                                                                                               nationaal
                                                                                               Regionaal/
                                                                                               lokaal
                                                                                               Individueel
              Overheid
              Zware overheidsgreep
              Lichte overheidsgreep
          Aan weerszijden van de overheidskolom voltrekt zich de belangenbehartiging, aan
          de geformaliseerde kant (in het figuur links) in de juridische en rechtstatelijke
          sfeer en aan de andere kant – niet of nauwelijks geformaliseerd in de vorm van
          wet- en regelgeving – in de overleg- en protestsfeer. De beïnvloedingskanalen van
          de hoofdrolspelers hebben zich de laatste halve eeuw in rap tempo ontwikkeld.
          De geformaliseerde kant van het speelveld vormt de thuisbasis van volksvertegen-
          woordigingen en door de overheid ingestelde toezichthouders. Voor burgers zijn
          er, naast het uitoefenen van het stemrecht, verschillende wegen voor betrokken-
          heid, zoals beroep bij de Raad van State, inspraak bij ruimtelijke planvorming of
          concrete wegenbouwprojecten, toezicht via ‘klachtenlijnen’ of lidmaatschap van
          formele adviesraden, en agendering door een burgerinitiatief.
          In ons onderzoek richten we ons op de informele kant (in het figuur rechts) van
          het speelveld waar zich de niet-geformaliseerde burgerbetrokkenheid afspeelt, van
          oudsher het werkterrein van de civil society. “De klassieke aanduiding van civil
          society in Nederland is (…) die van het georganiseerde particulier initiatief,” zo
          merkte de oud-vicevoorzitter van de Raad van State, Herman Tjeenk Willink
          (2002: 28-39), op. In empirische zin wordt met het begrip civil society gedoeld op
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>                                                                         de uitdaging 29
het maatschappelijk middenveld dat – met dank aan de Vlaamse overheid (Vlaan-
deren.be 2012) – kan worden gedefinieerd als “de diversiteit aan instellingen,
organisaties en sociale bewegingen waarbinnen burgers maatschappijgerichte
activiteiten ondernemen. Het maatschappelijk middenveld houdt het midden
tussen het privéterrein van de burger en het publieke domein van de overheid, als
een intermediaire sfeer tussen individu en collectiviteit. De betrokkenheid van
burgers aan dit maatschappelijke middenveld verloopt niet altijd via een formeel
lidmaatschap, maar kan ook betekenen dat zij met die organisaties sympathiseren,
de acties ervan volgen en hun opinies en gedrag erdoor laten beïnvloeden.”
Het dichtst bij de overheidskolom staan de maatschappelijke instellingen die zich
richten op het verwerkelijken van gedeelde doelen die burgers individueel niet
goed kunnen klaren. Ze zijn vaak ooit begonnen als particulier initiatief. Onder
toezicht van, en vaak gefinancierd door de overheid vervullen ze specifieke taken
op het gebied van bijvoorbeeld onderwijs, gezondheidszorg, volkshuisvesting en
maatschappelijke dienstverlening. Binnen deze kolom behoren ook de maatschap-
pijverheffende instellingen, gericht op het welbevinden van een brede achterban,
waartoe met wat goede wil naast kerken ook deels ideëel gedreven belangenbehar-
tigers zoals politieke partijen, vakbonden en werkgeversorganisaties kunnen
worden gerekend. Vanuit het perspectief van de burgerbetrokkenheid spelen deze
instellingen een grote rol. De tevredenheid van burgers met de verzorgingsstaat
wordt immers sterk bepaald door hun inbreng in zowel de beleidsvorming op
sociaaleconomisch terrein, als de uitvoering in de praktijk van alledag. Deze
kolom is de laatste decennia ernstig ‘vervuild’ door de toetreding van een groot
aantal voormalige overheidsorganisaties die door privatisering of anderszins ‘op
afstand’ van de overheid zijn geplaatst (Dijstelbloem et al. 2010). Belangrijk in het
kader van burgerbetrokkenheid is de opkomst van zelfstandige bestuursorganen
(zbo’s), de privatisering van voormalige nutsbedrijven (bijvoorbeeld in de secto-
ren energie, spoorwegen, post en telecom), en de uithuisplaatsing van beleidsafde-
lingen (veelal in de vorm van kenniscentra). Veel van deze instellingen worden
door burgers nog steeds als onderdeel van de overheid beschouwd, maar zijn dit
formeel niet meer. Ze leveren echter nog wel publieke diensten en goederen.
Op wat grotere afstand van de overheid staan de geformaliseerde samenwerkings-
verbanden van burgers. Hiertoe behoren verenigingen, bijvoorbeeld op het gebied
van sport of buurtrecreatie, maar ook de vele vrijwilligersorganisaties die ons land
nog altijd rijk is en de single issue organisaties; niet geheel correct1 zullen we ze
benoemen als niet-gouvernementele organisaties (ngo’s). Ze behartigen op het
middenveld namens hun achterban de vaak postmateriële belangen op een enkel,
specifiek gebied (natuur en milieu, mensenrechten, emancipatie, ontwikkelings-
samenwerking). Met enige moeite kunnen hier ook twee economisch gedreven
samenwerkingsverbanden worden geplaatst, te weten de ondernemingen en de
media. Op grotere afstand van de overheid, maar onderwerp van een groot aantal
</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>30    vertrouwen in burgers
         spelregels en veelkleurig toezicht streven ondernemingen, ondersteund door
         nauwe belangen, oftewel common interest organisaties (‘lobbyisten’), op het
         middenveld naar het materialistische eigenbelang van hun belanghebbenden,
         uiteenlopend van financiers en medewerkers tot hun klanten, toeleveranciers en
         ‘buren’. Ondernemingen hebben weliswaar een winstoogmerk, maar vervullen
         ook een belangrijke intermediaire rol tussen het individu en de maatschappij. In
         de sfeer van het maatschappelijk verantwoord ondernemen (mvo) is aanmerke-
         lijke maatschappelijke ‘winst’ te behalen door een passende wisselwerking op het
         middenveld. Een speciale plaats is weggelegd voor de media en de wetenschappe-
         lijke instellingen. In navolging van De Tocqueville wordt de toezichtfunctie van
         de ‘vrije’ media breed beleden: ze zien erop toe dat machthebbers hun macht niet
         misbruiken (Fishkin 1995: 154-161; Van der Donk et al. 2005). Vanuit hun onder-
         zoeksinstituties vervullen ook onafhankelijke wetenschappers als deskundige,
         kritische waarnemers een wezenlijke rol in het scherp houden van beleidsmakers
         en –uitvoerders (In ’t Veld 2010, 2011).
         Uiterst rechts op het speelveld krijgt burgerbetrokkenheid vorm door de recht-
         streekse inzet van individuele burgers. “Initiatieven van burgers die zelf verant-
         woordelijkheid nemen voor dingen die zij belangrijk vinden in de maatschappij;
         dat niet overlaten aan anderen, zoals overheden of het bedrijfsleven” aldus Tjeenk
         Willink (2002: 34). Het gaat volgens hem om de bereidheid “zich in te zetten voor
         het ‘gemeen’” (2002: 36), om de wens een eigen bestaan vorm te geven en daarin
         eigenbelang en algemeen belang te integreren. Dan hebben we het over de “echte
         civil society in die zin dat burgers daarin de leidende rol spelen” (2002: 34). Deze
         initiatieven zijn zichtbaar in vrijwel alle sectoren en kunnen op termijn overgaan
         in een (non-profit) onderneming, actiegroep of ophouden te bestaan. Onderdeel
         van deze groep zijn de ad-hocverbanden van burgers; informele, nauwelijks
         gestructureerde organisatievormen die oplaaien en – na al dan niet gebleken succes
         – weer verdwijnen. Denk bijvoorbeeld aan het scholierenprotest tegen de 1040
         uren-norm. Ze staan als uiting van een toenemende individualisering en begun-
         stigd door ict-infrastructuur op grote afstand van de overheidskolom en gelden
         door hun onverwachte en onorthodoxe samenbundeling als ‘ontregelend’. Dat
         verleent hun, met ondersteuning van de media, soms grote slagkracht, ook inter-
         nationaal, waar de traditionele instellingen en organisaties kwetsbaar zijn door de
         vaak moeizame overkoepeling. Ze richten zich daarom niet in de eerste plaats op
         beleidsmakers, maar meestal direct op ‘tegenstanders’, zoals multinationale
         ondernemers.
1.1.2    voortdurend in beweging
         Vooral aan de niet-geformaliseerde kant van het speelveld is sprake van voortdu-
         rende beweging. Zo verschijnen er telkens nieuwe spelers op het maatschappelijk
         middenveld en alle spelers moeten zich voortdurend ontwikkelen om een basis-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>                                                                   de uitdaging    31
plaats af te dwingen, c.q. te kunnen overleven. Verwijzend naar de vele literatuur
op dit gebied (Verhoeven 2009; Dijstelbloem et al. 2010; Boer 2010: 37-38) beper-
ken we ons tot een impressionistische schets op hoofdlijnen vanaf de jaren zestig
van de vorige eeuw.
Ontzuiling en inspraak: 1960-1980
De betrokkenheid van burgers kreeg van oudsher vorm via een sterk verzuild
maatschappelijk middenveld dat na de Tweede Wereldoorlog werd gekenmerkt
door een opmerkelijk delegeren van verantwoordelijkheden vanuit passieve
burgers aan gescheiden middenklasse-elites (Lijphart 1977). Deze elites vormden
zich volgens de lijnen van religieuze denominatie – katholiek, protestant – terwijl
ook de ‘rode’ kerk een hoofdrol speelde. Burgers werden verondersteld te stem-
men en vervolgens een volgzaam lid te zijn van ‘hun’ zuil. De middenklasse-elites
rapporteerden de zorgen van hun achterban aan hun nationale koepelorganisaties
en bestuurden bovendien de steeds meer door de overheid gesubsidieerde maat-
schappelijke instellingen (Denters en Rose 2005: 70). De gescheiden werelden
werden overkoepeld door een kleine politieke elite die er – soms wonderwel – in
slaagde de verschillende belangen te verzoenen. Zij vormde ook de thuisbasis voor
het – hoogontwikkelde – vrijwilligerswerk.
Pas in de jaren zestig van de vorige eeuw volgde – in Nederland relatief laat – de
ontzuiling. De zuilen en de klassenstrijd vielen weg als ordenende principes. In
navolging van de Verenigde Staten, met zijn civil rights, flower power, en anti-
Vietnamprotesten, inspireerden ook in eigen land nieuwe sociale bewegingen –
Dolle Mina’s, provo’s, kabouters, vredesactivisten en ban-de-bommers bijvoor-
beeld – tot vormen van burgerbetrokkenheid en politiek activisme. De periode
van ontzuiling was een zoektocht naar nieuwe structuren en nieuwe vormen van
gezag. Dit leidde tot een roep om meer participatie (Kennedy 1995; Duyvendak
en Krouwel: 21); de Wet op de ruimtelijke ordening (wro) uit 1965 regelde bijvoor-
beeld de formele inspraak in de fysieke leefomgeving en de Wet openbaarheid
bestuur (wob) uit 1975 moest bijdragen aan spreiding van kennis en macht (Kort-
mann 2010: 40). De democratiseringsgolf raakte ook maatschappelijke instellin-
gen, scholen, kerken, stichtingen, verenigingen, met een veelheid van raden als
gevolg (ondernemingsraden, medezeggenschapsraden, cliëntenraden) (Korsten
1979: 1; Hoed en Schouten 2010: 81). Met de eerste ervaringen kwamen echter
ook de eerste teleurstellingen; slechts een beperkte groep burgers werd bereikt en
de inspraak kwam als ‘mosterd na de maaltijd’ (Coenen et al. 2001; Duyvendak en
Krouwel 2001: 22).
Single issue en interactief beleid: 1980-2000
Tijdens de lange periode van economische groei kregen meer mensen de ambitie,
de vaardigheden en ook de communicatiemiddelen om zich op maatschappelijke
vraagstukken te storten. Nederland ontwikkelde zich tot ngo-land bij uitstek:
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>32 vertrouwen in burgers
      nergens ter wereld zijn zo veel burgers lid of donateur. De organisaties verleenden
      ‘hun’ achterban de macht van het getal en de kracht van de deskundigheid, die
      – zeker binnen de kaders van het polderoverlegmodel – soms in staat bleek tot
      effectief single issue tegenspel vis à vis de overheid en het bedrijfsleven (Polder-
      vaart 2002: 17). Multinationale ngo’s, zoals Greenpeace en Amnesty International,
      voerden acties tegen achterblijvende overheden en multilaterale instellingen als de
      Wereldbank. Het was de tijd van de brede maatschappelijke discussies en de
      opkomst van buitenparlementaire acties.
      De aandacht van de beleidsmakers ging vooral uit naar efficiënte beleidsvorming
      die de prestaties van de publieke dienstverlening kon verhogen. New Public
      Management deed zijn intrede in de publieke sector; de overheid moest leren van
      het bedrijfsleven en burgers waren vooral in zicht als consumenten. Georgani-
      seerde burgers werden veelal weggezet als lastig en stroperigheid bevorderend;
      het begrip nimby (Not In My BackYard) deed zijn intree (Duyvendak en Krouwel
      2001: 20). In het kader van deregulering werden vragen gesteld bij de duur en
      kosten van inspraak. Inspraak kreeg in deze periode echter een vaste plaats in de
      Algemene Wet Bestuursrecht (Coenen et al. 2001: 322). Ook de moderne milieu-
      wetgeving kreeg gestalte, onder andere door het inbouwen van het voorzorgsprin-
      cipe en beroep langs de wro-lijnen.
      De jaren negentig werden gekenmerkt door een tweede golf van participatie: de
      afstand tussen burgers en beleidsmakers zou, zo was het idee, het beste op lokaal
      niveau kunnen worden overbrugd. Speciaal in grote steden kreeg vanaf 1989 de
      sociale vernieuwing vorm, gevolgd door het grotestedenbeleid en wijkgericht
      werken. In 1994 werden alle gemeenten verplicht een inspraakverordening vast
      te stellen. Interactief beleid was het nieuwe toverwoord. Binnen de grote steden
      werd door een groter gewicht te geven aan stadsdelen en deelgemeenten gepro-
      beerd om de politiek dichter bij ‘de burger’ te brengen. Alles optellend was er
      sprake van veel (lokale) projecten, maar ook van een blijvende worsteling. De
      effecten vielen tegen, ondanks de impuls van de wijkgerichte aanpak.
      Veenbrand en bestuurlijke vernieuwing: na 2000
      Aan het eind van de vorige eeuw deed zich een nieuw fenomeen voor op het maat-
      schappelijk middenveld, dat van de tijdelijke massabewegingen waarbinnen men
      individueel en masse dezelfde keuze maakt (Duyvendak en Hurenkamp 2004).
      Deze bewegingen uitten zich als een veenbrand: soms niet zichtbaar aan de opper-
      vlakte voor de zittende voorlieden, ongrijpbaar oplaaiend in velerlei vormen indien
      mensen van velerlei achtergrond zich verenigden rond een doel. ‘Informele groe-
      pen’ losten op eigen kracht – zonder de overheid – hun alledaagse problemen op
      en gaven het publieke domein vorm, bijvoorbeeld door doe-het-zelfinzamelingen,
      maatschappelijke initiatieven om de leefbaarheid in stadswijken te bevorderen,
      zelfhulpgroepen bij verslaving, of buurtbemiddeling bij conflicten, maar ook door
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>                                                                          de uitdaging 33
      particuliere zorgarrangementen en energievoorziening. Dergelijke samenwer-
      kingsverbanden streefden geen politieke macht na en kenden geen winstoogmerk.
      Aan de kant van het beleid verschoof het accent naar bestuurlijke vernieuwing,
      waarbij de nadruk lag op institutionele aanpassingen: de gekozen burgemeester
      c.q. minister-president, de Kieswet, referenda, en het debat over directe democra-
      tie zijn daarvan symptomen (Verhoeven 2006: 119). Er werd een Burgerforum
      Kiesstelsel georganiseerd, en een Nationale Conventie. Fundamentele, maar nog
      steeds omstreden stappen werden gezet met de dualisering (2002). In deze jaren
      was er ook veel aandacht voor de mogelijkheden van internet voor directere
      betrokkenheid van burgers, maar de voortgang was teleurstellend. Ook was er
      hernieuwde aandacht voor de civil society. ‘De burger’ werd door de kabinetten-
      Balkenende opgeroepen om meer eigen verantwoordelijkheid te nemen. Tegelij-
      kertijd was er een roep om meer aandacht van de overheid voor het eigen initiatief
      van burgers (Verhoeven 2006: 120). Vanaf 2007 werd het accent mede door de
      invoering van de Wet maatschappelijke ondersteuning (wmo) verlegd naar maat-
      schappelijke initiatieven, vaak onder het kopje zelforganisatie.
      Het eerste decennium van 2000 kenmerkte zich door voorstellen voor grote
      bestuurlijke vernieuwingen. Achteraf moet worden geconstateerd dat na de
      beperkt succesvolle aanzetten in het kader van de Andere Overheid, onder leiding
      van toenmalig minister van Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties
      Thom de Graaf (2003-2005), weinig institutionele veranderingen zijn doorge-
      voerd. In feite concentreerden de recentere inspanningen zich vooral op het tegen-
      gaan van stagnatie ten gevolge van te langdurige en omslachtige procedures; de
      Crisis- en Herstelwet vormde daarvan een uiting. Nederland bleek ‘institutioneel
      conservatief’, om Andeweg (1989) te citeren.
1.2   maatschappelijk onbehagen
      Zonder direct te spreken over een vertrouwenscrisis kunnen we – gezien de ver-
      schillende uitingen van onbehagen – wel zeggen dat het vertrouwen onder druk
      staat. Aan de hand van opiniepeilingen onderscheiden we verschillende stijlen van
      betrokkenheid en constateren dat de onvree over en desinteresse in de overheid
      en de politiek zich hoofdzakelijk manifesteren bij specifieke groepen burgers.
      De oorzaken van het onbehagen liggen in de complexer wordende samenleving
      die zowel burgers als beleidsmakers voortdurend voor nieuwe uitdagingen stelt.
1.2.1 concentratie van onvree en passiviteit
      ‘De’ burger bestaat niet en dat blijkt ook uit een segmentatie in zogenoemde
      betrokkenheidsstijlen: samenvattingen van te onderscheiden politieke oriëntaties
      en gedragingen, waarmee we de diversiteit in politieke betrokkenheid onder de
</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>34    vertrouwen in burgers
Tabel 1.1        Segmentatie door Motivaction (2011)
            Burgerschapsstijlen (2011)
           Bevolking 15-80 jaar (n= 1.310) Verantwoor- Plichts-  Pragmatici Structuur-
           Antwoorden in percentages       delijken    getrouwen            zoekers
           Omvang segment                  29          15        24         32
           Leest u wel eens iets over      54          34        27         14
           de politiek in ons land,
           bijvoorbeeld
           krantenverslagen?
           (% regelmatig)
           Ik ben meer geïnteresseerd      28          47        29         37
           in de gemeentelijke dan de
           landelijke politiek
           De Europese politiek boeit      47          33        30         17
           me zeer
           Ik ben over het algemeen        46          39        51         32
           tevreden met wat de
           Nederlandse regering doet
           De overheid luistert meestal    31          23        30         16
           goed naar wat de burger wil
           Ik denk niet dat Kamerleden     49          70        60         77
           en ministers veel geven om
           wat mensen als ik denken
           Mensen als ik hebben geen       54          81        64         86
           enkele invloed op wat de
           regering doet
           Wat de regering ook doet,       26          50        40         59
           voor het dagelijks leven
           heeft het weinig nut
           Ik vind het niet nodig          19          29        32         39
           betrokken te zijn bij plannen
           van de overheid over de
           manier waarop wij wonen,
           onze leefomgeving en het
           milieu
           Ik vind het niet nodig          24          38        44         51
           betrokken te zijn bij de
           plannen van het
           gemeentebestuur
           Bij verkiezingen voor de        90          81        69         63
           Tweede Kamer ga ik altijd
           stemmen
           Bij verkiezingen voor de        84          74        61         54
           Gemeenteraad ga ik altijd
           stemmen
           Heeft zich in de afgelopen      41          27        26         15
           twee jaar wel eens samen
           met anderen actief
           ingespannen voor een
           kwestie die van belang is
           voor uw gemeente, voor een
           bepaalde groep in de
           gemeente of uw buurt
Bron data: Mentality 2011, in opdracht van wrr
</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre>                                                                             de uitdaging   35
          bevolking analytisch kunnen aanduiden (Verhoeven 2009: 36). Diverse onder-
          zoeksbureaus zijn op dit terrein actief en hun methodieken hebben ook hun weg
          gevonden naar de wereld van het openbaar bestuur (Wallage 2001; zie ook wrr
          2005). De diverse stijlen worden doorgaans aangeduid met treffende namen als
          ‘gezelligheidszoekers’2, ‘postmoderne hedonisten’3, ‘zorgzamen’4 of ‘spanning-
          zoekers’5.
          De resultaten van drie van dergelijke peilingen tonen, ongeacht de grote tijds-
          spanne, een opmerkelijke gelijkenis (tabellen 1.1, 1.2 en 1.3).
Tabel 1.2          Segmentatie door Becker en Dekker (2005)
             Politieke segmenten (2004)
            Bevolking ouder dan 16 jaar (n=2.300) Geïn-    Gezags-  On-       On-
            Antwoorden in percentages             volveerd getrouw  tevreden  verschillig
            Omvang segment                        31       16       30        23
            Vindt zichzelf geïnteresseerd         69       60       63        3
            in politiek
            Leest regelmatig over politiek in     55       57       56        2
            ons land
            Is tevreden over het functioneren     87       83       53        52
            van de democratie in Nederland
            Is (min of meer) tevreden met wat     55       74       29        44
            de Nederlandse regering doet
            Heeft onbeperkt of veel vertrouwen    23       24       5         6
            in de Tweede Kamer
            Heeft onbeperkt of veel vertrouwen    12       25       3         5
            in de regering
            Mensen zoals ik hebben geen           15       28       88        80
            invloed op de regering
            Kamerleden en ministers luisteren     11       21       88        78
            niet naar mij
            Kamerleden letten te weinig op        38       37       93        82
            algemeen belang
            Politici zijn arrogant                35       30       83        61
            Inspraak van burgers moet groter      65       56       89        67
            Zelf geneigd tot protest bij          67       43       62        25
            onrechtvaardige wet
            Is vrijwilliger of nam deel aan       48       44       44        20
            collectieve actie
Bron data: Sociaal Cultureel Planbureau, Culturele Veranderingen 2004 (www.socialestaat.nl)
</pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 37 ======================================================================

<pre>36    vertrouwen in burgers
Tabel 1.3         Segmentatie door Verhoeven (2009: 37-40)
             Vier stijlen van politieke betrokkenheid (1996)
            Bevolking 18-74 jaar (n= 2.224)          Actief  Af-       Af-      Afzijdig
            Antwoorden in percentages                        hankelijk wachtend
            Omvang segment                           35      17        25       23
            Leest regelmatig/af en toe over          88      78        90       25
            politiek in Nederland
            Is sterk/gewoon/matig                    90      75        90       27
            geïnteresseerd in politiek
            Denkt invloed te hebben op               64      47        61       32
            de regering
            Denkt dat Kamerleden geven om            64      47        62       35
            wat hij of zij denkt
            Denkt dat Kamerleden op                  48      31        45       23
            algemeen belang letten
            Ooit op een bijeenkomst gesproken        37      15        26       7
            Ooit naar een krant geschreven           17      6         10       3
            Laatste twee jaar deelgenomen            27      6         12       3
            aan inspraakprocedure
            Afgelopen twee jaar ingespannen          24      14        11       4
            voor kwestie die landelijk of in
            de wereld van belang is
            Afgelopen twee jaar ingespannen          42      26        32       13
            voor een kwestie die in de gemeente
            of de buurt van belang is
Bron data: Sociaal Cultureel Planbureau, Culturele Veranderingen 1975-2002
(www.socialestaat.nl)
          Wat leren deze cijfers ons? Eén ding is zeker: er zijn behoorlijke verschillen tussen
          burgers. In alle drie de segmentaties zijn er vier groepen die verschillend scoren op
          vertrouwen in overheid en politiek en in de bereidheid tot actieve inzet. Wel zijn
          er tussen de segmentaties grote verschillen in de scores per groep. Dit komt onder
          andere door de wijze waarop de segmentaties tot stand zijn gekomen (zie voor
          toelichting Bijlage A).
          Wanneer we kijken naar de relatieve verschillen binnen de segmentaties zien we
          steeds twee groepen die duidelijk minder tevreden zijn over de overheid en de
          politiek. Ook schatten deze groepen hun eigen invloed op de overheid en politiek
          laag in. Bij één van die twee groepen (plichtsgetrouwen/ontevreden/afhankelijk)
          lijkt deze houding beperkt van invloed op het feitelijke gedrag. Deze groep gaat
          wel stemmen en is, hoewel zeer beperkt, ook op andere manieren actief. Dit in
          tegenstelling tot de tweede groep, die veel minder actief is (structuurzoekers/
          onverschillig/afzijdig). De andere twee groepen lijken iets meer vertrouwen te
</pre>

====================================================================== Einde pagina 37 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 38 ======================================================================

<pre>                                                                            de uitdaging    37
      hebben in de overheid en politiek en in de eigen beïnvloedingsmogelijkheden,
      maar slechts één daarvan is ook (verantwoordelijken/geïnvolveerd/(actief).
      Tegen deze achtergrond onderscheiden wij in ons rapport vier betrokkenheids-
      stijlen.
      1 De verantwoordelijke stijl (ongeveer 30-35% van de bevolking). Mensen met
          deze stijl zijn geïnteresseerd in politiek en oordelen bovengemiddeld positief
          over het politieke bedrijf. Ze nemen relatief vaak deel aan informele vormen
          van democratische betrokkenheid: ze beschikken over zowel de wil als de
          toerusting om effectief betrokken te zijn.
      2 De volgzame stijl (ongeveer 15%). Deze mensen zijn eveneens bovengemiddeld
          positief in hun oordelen over het politieke bedrijf, maar anders dan Verant-
          woordelijken hebben ze een beperkt geloof in hun eigen mogelijkheden en stel-
          len ze veeleer een relatief groot vertrouwen in de gekozen politici. Zij zullen
          daarom in het algemeen weinig bijdragen aan het scherp houden van volks-
          vertegenwoordigers en overheidsinstanties en aan maatschappelijke vernieu-
          wing.
      3 De pragmatische stijl (ongeveer 25-30%). Mensen met deze stijl hebben weinig
          op met de traditionele politiek en voelen zich daarin niet gehoord. Hoewel niet
          zo vaak als de Verantwoordelijken roeren zij zich – wanneer ze dat noodzakelijk
          achten – wel in de informele politiek en achten zichzelf daartoe ook competent:
          ze ‘kunnen’ wel, maar ‘willen’ alleen als het hen uitkomt.
      4 De kritische stijl (ongeveer 25-30%). Meer nog dan Pragmatici zijn deze men-
          sen ontevreden en kritisch (of zelfs cynisch). Ze hebben weinig vertrouwen
          in de politiek en voelen zich in hun ‘we-tegen-ze verhouding’ met beleidsma-
          kers niet gehoord. Vergelijkbaar met de Volgzamen, en anders dan de Pragma-
          tici, hebben Critici een beperkt geloof in het ‘gewicht’ van hun eigen inbreng
          en staan dus veelvuldig langs de zijlijn: ze ‘willen’ niet en denken niet te ‘kun-
          nen’.
1.2.2 complexiteitsrace
      Waarom hebben grote groepen burgers zo weinig vertrouwen in ‘hun’ beleidsma-
      kers en in ‘hun’ eigen mogelijkheden om de politiek en het beleid te beïnvloeden?
      Op basis van meerjarige, internationale analyses zoekt de Amerikaanse onder-
      zoekster Pippa Norris in haar recente boek Democratic deficit. Critical citizens
      revisited (2011) de verklaring voor het ‘democratisch tekort’ – het verschil tussen
      de verwachtingen ten aanzien van de democratie, en de concrete ervaring – in een
      stapeling van oorzaken (Norris 2011: 244-245), vooral hogere democratische
      verwachtingen, negatieve berichtgeving en tekortschietende overheidsprestaties
      (Norris 2011: 243). Die stapeling van oorzaken kan voor verschillende groepen
      verschillend uitwerken, wat een reden kan zijn voor het verschil in de mate van
      ongenoegen in de samenleving.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 38 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 39 ======================================================================

<pre>38 vertrouwen in burgers
      In onze optiek gaat het verhaal verder, want de verschillende oorzaken zijn
      onderling verbonden en beïnvloeden elkaar. Die samenhang komt voort uit de
      complexiteit van de samenleving. Complexiteit, zo laten wetenschappelijke
      studies zien, is een steeds belangrijker begrip geworden om de verhouding tussen
      beleidsmakers en burgers te begrijpen (Nowotny 2005; Klijn 2008). Tegelijkertijd
      is deze complexiteit lastig te definiëren en vrijwel niet te meten (Mitchell 2009:
      94-114; Snodgrass 2011).
      Verdichting en versnelling
      Twee processen – verdichting en versnelling – leiden tot complexiteit van de
      samenleving. Vergelijking van een paar momentopnames van vijftig jaar geleden
      en vandaag wijst op een aanmerkelijke maatschappelijke verdichting. Bevolkings-
      groei leidt wereldwijd tot grotere bevolkingsdichtheid en daarmee onvermijdelijk
      tot een toename van het aantal contacten, zeker ook door de concentratie in groot-
      stedelijke gebieden. De spectaculair toegenomen mobiliteit van grote delen van de
      wereldbevolking, samen met het snel stijgende opleidingsniveau en de explosie
      van ict-mogelijkheden, draagt bij tot een verdere groei van het aantal fysieke
      contacten en van virtuele informatie.
      Mensen zitten zowel fysiek als virtueel dichter op elkaar. Wat elders gebeurt heeft
      een veel grotere doorwerking in de eigen omgeving. De van oudsher afgeschermde
      ‘eigen’ omgevingen worden bovendien ontregeld door grotere migratiestromen,
      die weer bijdragen aan een intensiever contact met grote aantallen ‘vreemden’.
      Mensen die vroeger ‘langs elkaar heen leefden’, in afgezonderde delen van de
      wereld of binnenslands in gescheiden zuilen, buurten of standen, ‘weten’ nu van
      elkaar en kunnen elkaar vrij eenvoudig bereiken. Ze kunnen zich bovendien
      veel makkelijker horizontaal organiseren, zonder een beroep te hoeven doen op
      ‘bovenstaande’ belangenbehartigers die het contact met ‘andersdenkenden’
      onderhouden. Hun netwerken worden nog weer verder verdicht door speciali-
      satie, zowel van bedrijven als beroepsbeoefenaren. Dat stimuleerde weliswaar de
      welvaart, maar zorgde ook voor een verdere toename van het aantal onderlinge
      verbindingen (Beinhocker 2006). Een eenvoudig rekenvoorbeeld laat dit zien:
      in een groep van vijf individuen zijn er tien mogelijke een-op-eeninteracties,
      maar in een groep van tien zijn dat er al 45 en in een groep van twintig zijn het er
      190.
      De sterke toename van het aantal verbindingen in de samenleving, gecombineerd
      met technologische ontwikkelingen, zoals op het gebied van mobiliteit en ict,
      heeft geleid tot een enorme versnelling van maatschappelijke processen. Vijftig
      jaar geleden veranderde er ook veel, maar de grote lijnen van de samenleving
      bleven overeind. Dat is nu heel anders. Mode, denkbeelden en virussen versprei-
      den zich momenteel verder en sneller dan vijftig jaar geleden. Ook macro-ontwik-
      kelingen verlopen steeds sneller. Nationale economieën, zoals de Engelse, indus-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 39 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 40 ======================================================================

<pre>                                                                    de uitdaging    39
trialiseerden in de tweede helft van de negentiende eeuw in, zeg, vijftig jaar; recent
maken landen als Singapore, Korea en China vergelijkbare ontwikkelingen door
in een veel kortere tijd. Vastigheden verdwijnen als sneeuw voor de zon. Internet-
bedrijven zijn wereldleiders en worden tien jaar later van hun troon gestoten door
nieuwkomers. Ook de halfwaardetijd van politieke en maatschappelijke bewegin-
gen neemt drastisch af. Burgers worden minder vaak lid van een organisatie en
stemmen voortdurend ‘met hun voeten’: ze kiezen uit een lange en veelkleurige
menukaart van het betrokkenheidsaanbod. De veronderstelling dat de politieke
agenda voor de komende vier jaar wel bekend is wanneer de politieke partijen hun
verkiezingsprogramma’s schrijven en kiezers hun keuze maken, snijdt volgens
Andeweg en Thomassen (2011b: 58) ook steeds minder hout. Politieke opiniepei-
lingen geven dagkoersen (Tiemeijer 2006), opiniemakers kunnen in de ‘dramade-
mocratie’ (Elchardus 2002) alleen overleven als ze begaafde ‘dramaturgen’ zijn
(Hajer 2009).
De complexiteit die voortkomt uit verdichting en versnelling is geen nieuw
verschijnsel. Complexe systemen komen veel voor; zo is een draaikolk een
complex systeem en ook een mierenhoop is een complex systeem. De onvoorspel-
baarheid van mierenhopen is echter groter dan die van draaikolken, omdat mieren
hun gedrag kunnen aanpassen aan veranderende omstandigheden en watermole-
culen niet. Een dergelijk systeem wordt een complex adaptief systeem genoemd
(Beinhocker 2006; Mitchell 2009: 12), wat volgens Van Ginneken (1999: 44)
bepaald wordt door (a) grote aantallen vergelijkbare eenheden, (b) die zich op
overeenkomstige wijze gedragen, (c) in wisselwerking met de omgeving en elkaar,
(d) daarbij ‘als vanzelf’ differentiatie en samenhang voortbrengend, (e) waardoor
ze gezamenlijk beter ingespeeld kunnen raken op de situatie. Mensen hebben
meer mogelijkheden hun gedrag aan te passen dan mieren, waardoor hun gedrag
nog onvoorspelbaarder is. Sinds het inmiddels klassieke artikel van Walter
Buckley ‘Society as a complex adaptive system’ uit 1968, beschrijven steeds meer
sociale wetenschappers gemeenschappen en burgerbetrokkenheid in deze termen
(Dooley 1997; Wagenaar 2007).
Stapeling
Complexiteit is een mooi begrip voor wetenschappers om ontwikkelingen te
beschrijven en te begrijpen, maar voor individuen die zich moeten verhouden tot
de complexiteit van de samenleving biedt het weinig houvast. Ze ervaren de optel-
ling van veel – vanuit hun perspectief ‘losstaande’ – vraagstukken als een stapeling
en ontdekken al snel dat er geen eenvoudige oplossingen bestaan. Immers, hoe
groter de complexiteit, des te lastiger zijn de uitkomsten te voorzien. De reactie
van een complex systeem op invloeden van buiten is vaak niet-lineair; het gevolg
is niet evenredig met de oorzaak (Johnson 2002). Hierdoor is het gedrag van
complexe systemen onvoorspelbaar én beperkt stuurbaar. Kleine invloeden kun-
nen grote gevolgen hebben; een enkele muis bijvoorbeeld kan in een dichte en
</pre>

====================================================================== Einde pagina 40 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 41 ======================================================================

<pre>40    vertrouwen in burgers
         complexe pakking van dominostenen vrij wat ravage aanrichten. Tegelijkertijd is
         het mogelijk dat grote ingrepen nauwelijks tot verandering in het systeem leiden;
         honderd omvallende stenen kunnen bij een gunstige plaatsing elkaars val ‘blokke-
         ren’. Zo kan nieuwe informatie het denken binnen een groep lamleggen of geen
         invloed hebben.
         Ontoereikende benadering
         Op alle vlakken trachten mensen de complexiteit van de samenleving te reduceren
         met behulp van wetenschappelijke, technologische en maatschappelijke innova-
         ties. Bètawetenschappers trachten die complexiteit te ontleden met behulp van
         modellen. Antropologen observeren de complexiteit en proberen patronen te
         herkennen. Ze gingen in de leer bij de dierenwereld: mieren, bijen, spreeuwen en
         vissen vormen een dankbaar onderwerp van studie om het gedrag van ‘de naakte
         aap’ beter te begrijpen (Johnson 2002; Mitchell 2009; Miller 2010). Allen leren
         eenzelfde les: het systeem als geheel is onbeheersbaar en begrip van de onderdelen
         van het systeem leidt niet tot een beter begrip van het systeem als geheel, maar
         er gelden wel degelijk spelregels die een vorm van ordening aanbrengen in de
         chaos. Het eigen maken van dergelijke nieuwe spelregels blijkt in de praktijk niet
         mee te vallen; beleidsmakers zijn geneigd om op complexiteit te reageren door het
         toevoegen en verfijnen van wet- en regelgeving en het creëren van meer specialis-
         men, die echter resulteren in nog meer interacties en dus verder toenemende
         complexiteit (Van der Steen et al. 2010: 16).
         Deze ontwikkeling is niet uniek voor Nederland, de meeste westerse samen-
         levingen zijn gevangen in een dergelijke ‘complexiteitsrace’ (Nowotny 2005).
         Burgerbetrokkenheidsbeleid dat onvoldoende rekening houdt met deze complexi-
         teitsrace, is gedoemd om achter de feiten te blijven aanhollen. Dit plaatst beleids-
         makers voor een naargeestige uitdaging: er is geen directe relatie tussen een
         oorzaak en een gevolg en daarmee geen eenduidig handvat voor het formuleren
         van passend beleid.
1.2.3    onverwachtse onderstromen
         Het is een kwetsbare combinatie: een maatschappelijke complexiteitsrace met
         institutioneel conservatisme. De rust van een bevroren rivier is schijn, want onder
         het ijs bewegen zich de onderstromen die beleidsmakers de komende jaren voor
         flinke uitdagingen zullen stellen. Op het speelveld tekenen zich vier van dergelijke
         onderstromen af: sturing op afstand, verstatelijking, centralisatie en decentralisa-
         tie (figuur 1.2).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 41 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 42 ======================================================================

<pre>                                                                                                   de uitdaging        41
Figuur 1.2        Onderliggende bewegingen op het speelveld van burgerbetrokkenheid
                                                        Maatschappelijk middenveld
               Toezicht             Overheid            Instellingen        Organisaties Ad-hocverbanden
                                                    *OUFSOBUJPOBMJTFSJOH                                  (Inter)-
                                                    4DIBBMWFSHSPUJOH
                                                                                                           nationaal
                                                    1SPGFTTJPOBMJTFSJOH
                .FFS              7FS[FMG
                toezicht           standiging                               *OLBQTFMJOH
                                                         7FSTUBUFMJKLJOH                   7FFOCSBOE     Regionaal/
                #FSPFQ            .BSLU                                  *O[VJHJOH
                                                                                                           lokaal
                %JSFDUF           werking
                democratie
                                      1BSUJDJQBUJF   ,MBOUCF
                                                       trokkenheid
                                                                                                           Individueel
             Overheid
             Zware overheidsgreep
             Lichte overheidsgreep
          Sturing op afstand
          Vanuit de overheidskolom worden door privatisering en andere vormen van
          verzelfstandiging nieuwe spelers ‘gedropt’ op het middenveld. Het gaat om voor-
          malige overheidsinstituties die zich op grotere afstand van de overheid dienen te
          ontplooien. De overwegingen hiervoor lopen uiteen. Zo wordt gewezen op de
          verwachte heilzame marktwerking, met haar nadrukkelijk streven naar effectivi-
          teit en vooral efficiëntie. Stellig spelen soms ook andere, interne overwegingen,
          zoals debudgettering, een rol. Ook de komende jaren zullen geprangde departe-
          menten mogelijk weer een deel van hun personele bezuinigingstaakstellingen
          realiseren door het uitplaatsen van mensen. De prijs van dergelijke bewegingen
          kan echter hoog zijn, zo heeft de praktijkervaring een aantal malen wrang geïl-
          lustreerd. Een aantal op afstand gezette bevoegdheden bleek te dicht bij het
          ruggenmerg van het publieke bedrijf; beleidsmakers werden afgerekend op verant-
          woordelijkheden die juist buiten de poort waren gezet, of waren onthand bij het
          corrigeren van misstanden. Niet alle beleidsmakers waren gelukkig met hun
          verminderde greep en bleven zich actief bemoeien met de ‘vrijgemaakte’ institu-
          ties. De ns (bevroren wissels, plaszakken), Schiphol en Staatsbosbeheer zijn daar-
          van voorbeelden. Ook de bemoeienis met ‘onafhankelijke’ toezichthouders roept
          vragen op; de financiële crisis getuigt daarvan. Dergelijke bewegingen hebben ook
          gevolgen voor de burgerbetrokkenheid, zowel voor de manier waarop burgers en
</pre>

====================================================================== Einde pagina 42 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 43 ======================================================================

<pre>42 vertrouwen in burgers
      belanghebbenden worden betrokken bij verzelfstandigde en geprivatiseerde
      instituten, als voor de ruimte voor een onafhankelijk tegengeluid.
      Verstatelijking
      Beleidsmakers hebben een voortdurende neiging tot het inzuigen en inkapselen
      van niet-overheidsorganen. De eertijds private instellingen op het gebied van
      zorg, onderwijs, huisvesting, enz. werden na de ontzuiling verstatelijkt. Hun
      tegenspel richting beleidsmakers is daardoor beperkt: van ‘strijd’ is weinig
      sprake. Omgekeerd hebben ze als hoofdrolspelers in de verzorgingsstaat wel
      steeds te maken met beleidsmakers die een voornaam deel van hun financiële
      taakstellingen via hun beurs moeten realiseren. Hun verstatelijking uit zich ook
      in een curieuze bemoeienis van ‘de politiek’ met hun interne functioneren. Ze
      worden weliswaar aangestuurd door onafhankelijke colleges, maar als puntje
      bij paaltje komt – in geval van ‘exorbitante zelfverrijking’ bijvoorbeeld – grijpen
      beleidsmakers soms krachtig in. Kortom, burgerbetrokkenheid krijgt in deze
      sector vooral inhoud binnen de directe relaties van burgers, in hun rol als cliënt,
      met de instituties zelf.
      Ook ngo’s worden veelvuldig gedomesticeerd, mede door het gebruik van finan-
      ciële koorden en de inzet van het ‘recht’ om aan bestuurlijke poldertafels aan te
      zitten. De oude getrouwen op het terrein van ontwikkelingssamenwerking
      bijvoorbeeld, bijten slechts zelden meer van zich af en de van oudsher activistische
      organisaties als Greenpeace en Milieudefensie moeten hun positie voortdurend
      afwegen. Die positie wordt bovendien bedreigd door nieuwkomers die van rechts
      het speelveld betreden en met scherpte en nieuw elan hun single issue doelen
      nastreven. De nieuwe bewegingen – we noemen ze andersbewegingen – zullen,
      zeker waar overheden internationaal vaak weinig succesvol zijn, hier stellig
      verdere versterking van de meest rechtse subkolom leveren en daardoor het
      middenveld en de aanpalende overheidskolom ontregelen.
      Steeds meer wordt ook het particuliere bedrijfsleven ingezogen in de richting van
      maatschappelijke taakstellingen. Van oudsher werden de contouren van het
      middenveld sterk bepaald door de wisselwerking tussen werkgevers en werkne-
      mers, maar de klassenstrijd is goeddeels gestreden en het gaat nu veelal om een
      ‘dunnere’ vorm van directe belangenbehartiging waarin veel jongere ondernemers
      en werknemers zich nauwelijks herkennen. Burgerbetrokkenheid kreeg tot voor
      kort directe inhoud in de relatie werkgever-werknemer, bijvoorbeeld via formele
      rechten en plichten en de ondernemingsraad. Recent zijn echter hogere verwach-
      tingen gegroeid in de richting van bredere doelstellingen dan alleen de winstge-
      vendheid voor aandeelhouders en de werkgelegenheid in eigen kring. En aan de
      horizon tekenen zich de contouren af van een verregaande inzet op maatschappe-
      lijk verantwoord ondernemen. Klanten, buren, buitenstaanders, onder wie poli-
      tici, spreken vooral multinationale ondernemingen aan op hun (potentiële) rol in
</pre>

====================================================================== Einde pagina 43 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 44 ======================================================================

<pre>                                                                       de uitdaging 43
de samenleving. Kan het zijn dat een nieuw ‘machtsevenwicht’ van burgers en
bedrijven erin slaagt om (internationale) doelen te verwerkelijken waar het
beleidsmakers aan instrumenten ontbreekt?
De verstatelijking heeft grote gevolgen voor de burgerbetrokkenheid. Door het
‘inkapselen’ van maatschappelijke organisaties en ngo’s worden tegenkrachten en
activisme beperkt. Ook de tegenkracht van de media staat onder druk. Nieuwe
vormen van burgerbetrokkenheid zijn zichtbaar in de vorm van veenbrandinitia-
tieven, van andersbewegingen, publiek-private samenwerking, maatschappelijk
verantwoord ondernemen en op termijn wellicht door de inzet van sociale media.
Centralisatie
Over de hele linie – binnen de overheidskolom, maar ook op het middenveld –
verschuiven instituties ‘naar boven’. Hun schaalvergroting wordt gedreven door
een streven naar doelmatigheid, professionalisering en internationalisering. Hun
verbinding met burgers wordt daardoor kwetsbaar. Speciale aandacht zal onge-
twijfeld de komende jaren uitgaan naar de internationalisering van het midden-
veld. Steeds meer besluiten worden genomen in ‘Brussel’ en andere internationale
fora, terwijl op een groot aantal terreinen ondernemers of wetenschappers de
maat slaan. Meer belangen zullen daarom in die verbanden worden ‘behartigd’,
met overslaan van de lagere niveaus waaronder het nationale. Het specifiek Neder-
landse poldermodel, met zijn combinatie van wederzijds vertrouwen en wellicht
overmatige ‘knusheid’, zal daardoor ook van buiten onder druk komen te staan.
Nederlandse burgers zullen beter bereikbaar zijn voor buitenlandse ‘veenbrandini-
tiatieven’ en ook bereid zijn tot meer betrokkenheid. Dat zal de traditionele hoofd-
rolspelers op het vaderlandse speelveld verder ontregelen en ongetwijfeld leiden
tot actief ‘meestribbelen’: iedereen is, met kracht van warme woorden, vóór derge-
lijke nieuwe vormen van burgerbetrokkenheid, maar in de praktijk zal de voet van
veel bestuurders kort op de rem zitten. Voor burgerbetrokkenheid betekent deze
verplaatsing naar boven dat de fysieke én mentale afstand tot de overheid en de
traditionele middenveldspelers is vergroot, en het dus ingewikkelder is om te
weten ‘waar aan te kloppen’ als er iets niet naar wens verloopt.
Decentralisatie
De te grote afstand tot (groepen) burgers is beleidsmakers niet ontgaan. Aan de
frontlijn, dicht bij de burgers, is een aantal sociale spelers – maatschappelijke
instellingen zoals wooncorporaties en scholen, maar ook de politie – in actie geko-
men buiten hun primaire werkgebied. Zij slaan de handen ineen met (lagere) over-
heden en vaak ook met het bedrijfs- en verenigingsleven in verschillende vormen
van publiek-private samenwerkingsverbanden. Die ontwikkeling is kwetsbaar en
sterk afhankelijk van de rugdekking die frontlijnwerkers van hun bestuurders en –
op nog grotere afstand – van beleidsmakers krijgen. De ervaring die de wooncor-
poraties de afgelopen jaren opdeden, mag in dat verband als een waarschuwing
</pre>

====================================================================== Einde pagina 44 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 45 ======================================================================

<pre>44  vertrouwen in burgers
       gelden: hun rol bij de uitvoering van het wijkenbeleid is onzeker door de koers-
       wisselingen van nationale beleidsmakers.
       Beleidsmakers hebben stelselmatig de geformaliseerde mogelijkheden voor
       burgerbetrokkenheid in de linkerkolom van het speelveld vergroot door het
       aanspreken van formele toezichthouders. Een groot aantal burgers is bovendien
       mondiger en kundiger geworden in het benutten van die mogelijkheden. Dat heeft
       – uiteraard – een reactie opgeroepen waarbij, zonder te zwaar aan formele rechten
       te morrelen, de betrokkenheid weer wordt ingeperkt. Het blijft een beetje ‘wiebe-
       ren’ zonder dat deze vormen van betrokkenheid aanleiding zijn voor veel warme
       gevoelens aan de basis. De beweging naar beneden betekent allereerst meer
       aandacht voor de uitvoeringspraktijk, voor de betrokken mensen zelf, voor maat-
       schappelijke initiatieven, kleine gemeenschappen, dorpen en wijken. Dat blijkt
       echter niet eenvoudig.
1.3    doorbraak noodzakelijk
       Het speelveld van burgerbetrokkenheid is voortdurend in beweging en alles wijst
       erop dat de bewegingen sneller, onvoorspelbaarder en daarmee ook onbeheers-
       baarder worden. Dat vormt een potentiële bedreiging voor burgerbetrokkenheids-
       beleid, zeker wanneer we constateren dat grote groepen burgers het vertrouwen
       in de overheid en in hun eigen vermogen daar invloed op uit te kunnen oefenen
       – dreigen te – verliezen.
       De gevoelde afstand tussen burgers en beleidsmakers is van beide zijden te begrij-
       pen als het verschil tussen een ideaalsituatie en de werkelijkheid van alledag. Zoals
       Jacques Thomassen stelt in zijn afscheidsrede (2010): “Democratie is een ideaal dat
       in werkelijkheid nooit optimaal bereikt zal worden, maar altijd wel wat te wensen
       overlaat.” De ideaalsituatie is niet een harmonische eensgezindheid; een aantal
       wetenschappers benadrukt de essentie van een gepast wantrouwen. Burgerbetrok-
       kenheid krijgt enerzijds inhoud binnen de kaders van het huidige overheidsbeleid:
       de officiële spelregels. Anderzijds zoeken zowel frontlijnwerkers als beleidsmakers
       – in en soms net buiten de geldende kaders – een ‘scharrelruimte’ voor informele
       aanpassing. Die zogenoemde institutionele rek camoufleert veelal de noodzaak
       voor fundamentele ingrepen: de beleidswerkelijkheid wordt geplooid in de rich-
       ting van de ideaalsituatie. Er zijn echter grenzen aan een toelaatbare institutionele
       rek: als de chaos te groot wordt, weten zowel burgers als beleidsmakers niet meer
       waar ze zich aan hebben te houden.
       Wanneer het beleid niet voldoende wordt aangepast op de nieuwe vereisten en
       de rekmogelijkheden niet langer volstaan, komen de tekortkomingen van het
       bestaande beleid aan het licht. Het ideaal loopt weg en bij extrapolatie van het
       huidige beleid zullen de – beperkte – beleidsaanpassingen en de toelaatbare rek
</pre>

====================================================================== Einde pagina 45 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 46 ======================================================================

<pre>                                                                                de uitdaging  45
          onvoldoende zijn om het tekort binnen de perken te houden. Tegen die achter-
          grond is een doorbraak in het formele beleid vereist die, tezamen met een
          aanvaardbare rek, ertoe kan bijdragen dat het tekort niet te groot wordt (figuur 1.3).
Figuur 1.3        Kier en rek
                Ideaal
                            Tekort
              Werkelijk
                             Rek
              Formeel
                         Huidig beleid             Extrapolatie             Doorbraak
          Ondanks de aanmerkelijke inspanningen van beleidsmakers groeit het gat tussen
          ideaal en werkelijkheid: het is de nachtmerrie van de hardloper die vreselijk zijn
          best doet, maar vóór zich een veel snellere loper ziet wegsnellen. Daardoor is
          burgerbetrokkenheid gaan behoren tot de categorie van de sluipende beleidsvraag-
          stukken: hardnekkige problemen die zich over een periode van tijd en vaak
          nauwelijks opgemerkt voordoen bij de aanpak van wezenlijke maatschappelijke
          vraagstukken. In dit geval gaat het ook nog eens om vraagstukken die ingrijpen in
          de alledaagse leefomgeving van grote groepen burgers. Ze staan permanent op de
          agenda van alle beleidsmakers, maar – eveneens permanent – te laag om prioriteit
          te krijgen.
          De centrale vraag, zo stellen Andeweg en Thomassen (2011b: 28), is in hoeverre de
          specifieke invulling die in Nederland is gegeven aan het begrip ‘democratie’ heeft
          geleid tot een bestel dat niet alleen past bij de maatschappelijke ontwikkelingen
          van toen, maar ook nog past bij de geschetste ontwikkelingen van nu. Waar het
          ideaal aan de horizon verdwijnt en de institutionele rek zijn grenzen nadert, kan
          alleen een fundamentele koerswijziging de democratie ‘levend’ houden. Het is
          tegen deze achtergrond dat wij bij de opzet van ons onderzoek hebben gekozen
          voor de aanval. Hoewel een democratisch bestel vanzelfsprekend moet bouwen op
</pre>

====================================================================== Einde pagina 46 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 47 ======================================================================

<pre>46     vertrouwen in burgers
           grondvesten van zorgvuldigheid en evenwichtigheid, hebben wij ons vooral
           gericht op de verkenning van doorbraakmogelijkheden. Een levende democratie
           is nooit af en er zal altijd gezocht moeten worden naar nieuwe routes en nieuwe
           vormen voor burgerbetrokkenheid. Dat zoekproces zal met vallen en opstaan
           gaan. Er zullen pogingen slagen en pogingen onsuccesvol zijn. Maar een ding
           weten we zeker, oude methoden verliezen hun waarde en wie niet experimen-
           teert, en daarbij af en toe faalt, zal ook geen nieuwe methoden vinden.
                                                        ***
           De opgave waarvoor beleidsmakers staan is aanzienlijk, maar niet onmogelijk. Het
           democratisch tekort – het verschil tussen de verwachtingen ten aanzien van de
           democratie, en de concrete ervaring – is minder afgetekend en ook minder drama-
           tisch dan veelal wordt geschetst. Het gaat niet om twee kampen – burgers en
           beleidsmakers – die diametraal tegenover elkaar staan. Veeleer bestaan er verschil-
           lende betrokkenheidsstijlen die alle hun eigen eisen stellen. De complexiteit van
           de samenleving, inclusief de wisselwerking tussen burgers en beleidsmakers, is
           aanmerkelijk groter geworden. Op alle vlakken trachten burgers en beleidsmakers
           die complexiteit te reduceren, maar de tot dusver aangedragen remedies hebben
           vooral bijgedragen aan het verder vergroten van diezelfde complexiteit. Tegelijker-
           tijd blijft het speelveld van burgerbetrokkenheid bewegen, met een ongekende
           snelheid en onvoorspelbaarheid. Beleid dat daar niet voldoende op inspeelt is wel-
           haast gedoemd te mislukken. De komst van nieuwe spelers, wijzigende spelregels,
           en andere werkwijzen biedt echter ook kansen. Burgers blijken inventief te zijn en
           veel te kunnen. Ons veldwerk – zie box 1.1 – biedt daarvan een rijke illustratie.
Box 1.1           Onderzoeksopzet
   Ons veldonderzoek is – in het verlengde van onze onderzoeken Vertrouwen in de buurt en
   Vertrouwen in de school (wrr 2005: 24; wrr 2009: 42) – verricht op basis van een groot aantal
   open interviews (zie Bijlage B): na een algemene introductie op de aanleiding van ons bezoek hiel-
   den wij onze mond en was onze gesprekspartner aan het woord. De uitgeschreven interviews
   werden geanalyseerd met behulp van standaardmethodieken voor kwalitatief onderzoek (Strauss
   en Corbin 1998). Naast deze interviews maakten we ook gebruik van secundaire data: geschreven
   documenten over initiatieven, krantenberichten, websites en in een aantal gevallen ook dvd’s.
   Bovendien hebben we de resultaten kunnen gebruiken van een achttal workshops met in totaal
   circa honderdvijftig deelnemers die we in samenwerking met Socires, de Goede Doelen Loterijen
   en Stichting doen organiseerden over het thema ‘Binding’ (Van der Lans 2012), en van een work-
   shop met elf hacktivisten.
   De bevindingen zijn vervolgens getoetst in interviews met wetenschappers en analyse van de
   wetenschappelijke literatuur. We konden ook bouwen op onze eerdere rapporten en op het
</pre>

====================================================================== Einde pagina 47 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 48 ======================================================================

<pre>                                                                                       de uitdaging      47
– vergelijkbare – veldonderzoek van Van den Brink (2007, 2012), Euser (2009) en een aantal eerder
gepubliceerde diepte-interviews met beleidsmakers en hun adviseurs op het gebied van burger-
betrokkenheid (Projectdirectie Sneller & Beter 2010; Actieprogramma Lokaal Bestuur 2010a; Dam
et al. 2010; Van den Berg et al. 2011). Speciaal op het gebied van e-betrokkenheid is ook onderzoek
verricht door onder meer Meijer et al. (2008, 2009), Frissen et al. (2008) en Sinnema en Van
Duivenboden (2009).
Hebben we hiermee het speelveld van burgerbetrokkenheid voldoende in kaart weten te brengen?
Strauss en Corbin zeggen er het volgende over: “For most theory-building researchers, data collec-
tion continues ‘until theoretical saturation takes place’. This simply means (within limits of available
time and money) that the researchers finds that no new data are being unearthed. Any new data
would only add, in a minor way, to the many variations of major patterns” (Strauss en Corbin 1998:
293). Het is onze overtuiging dat we dit punt hebben bereikt.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 48 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 49 ======================================================================

<pre>48 vertrouwen in burgers
noten
1     Naar de letter behoren ook de andere, private organisaties en instellingen onder dit
      vaandel.
2     bsr-model van MarketResponse/The Smart Agent Company.
3     Mentality-Model van Motivaction.
4     Win-Model van tns nipo.
5     Roper Consumer Model van Intomart GfK.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 49 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 50 ======================================================================

<pre>deel ii
burgerbetrokkenheid in nederland:
de praktijk
</pre>

====================================================================== Einde pagina 50 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 51 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 51 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 52 ======================================================================

<pre>                                                                                       51
2   denken vanuit burgers
    Als er één les naar voren vlamt uit dit veldwerk, dan is het deze: burgerbetrokken-
    heid vereist denken vanuit burgers. Dat lijkt vanzelfsprekend, maar de praktijk
    blijkt – ongeacht de vele voorbeelden die we tegenkwamen – weerbarstig. “We
    hebben als beleidsmakers altijd van binnen naar buiten geredeneerd”, constateert
    de Rotterdamse wethouder Jantine Kriens. “We beginnen bij onszelf en bij de
    taken die de overheid heeft om mensen gelukkig te maken of om de sociale cohesie
    te verbeteren. Dus alles begint en eindigt elke keer met wat de overheid zou
    moeten doen.” Onze gesprekspartners vertelden ons dat woorden als burger-
    participatie en inspraak ‘verkeerd’ zijn, want puur gedacht vanuit het perspectief
    van beleidsmakers en geen recht doend aan de verscheidenheid aan initiatieven
    die worden ontplooid. Zij vertelden ook hoe belangrijk het is dat beleidsmakers
    inspelen op de verschillen in motivatie en vaardigheden van burgers en oog
    houden voor de snelle veranderingen op het speelveld. In de volgende paragrafen
    doen wij verslag van het veld van burgerbetrokkenheid zoals wij dat tegenkwa-
    men.
2.1 meer dan beleidsparticipatie
    Tijdens onze rondgang door Nederland troffen we een groot aantal vormen van
    burgerbetrokkenheid: van razendsnel georganiseerde ludieke protesten tot jaren-
    lang meedenken over de aanleg van een provinciale weg. Van vernieuwende voor-
    beelden van samenwerking tussen niet direct voor de hand liggende partners
    (zoals binnen het Publieksbureau van ado Den Haag) tot aan initiatieven in de
    directe omgeving. Uiteenlopend van buurtpreventie en buurtbemiddeling via
    wederzijdse communicatie (bijvoorbeeld website verbeterdebuurt of mobiel alar-
    meringssysteem Burgernet) tot zelforganisatie rond voorzieningen (dorps- en
    buurthuizen, glasvezelnet, buurtwebsites), energiebesparing en groenbeheer.
    Deze en vele andere voorbeelden delen we in aan de hand van drie ‘velden’ van
    burgerbetrokkenheid: beleidsparticipatie, die zich concentreert op trajecten van de
    overheid waarbij burgers gevraagd wordt om mee te praten en te denken, maat-
    schappelijke participatie die zich richt op de deelname van burgers aan het maat-
    schappelijk verkeer, en maatschappelijk initiatief waarin (samenwerkingsverban-
    den van) burgers zelf het heft in handen nemen om een maatschappelijk doel na
    te streven. Vanuit de optiek en belevingswereld van burgers gaat het steeds om
    hetzelfde; ze maken ook geen principieel onderscheid. Vanuit het perspectief van
    beleidsmakers gaat het echter om geheel verschillende vraagstukken en verant-
    woordelijkheden.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 52 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 53 ======================================================================

<pre>52     vertrouwen in burgers
2.1.1      beleidsparticipatie
           De essentie van de huidige beleidsparticipatie werd kernachtig verwoord door
           een ervaren gemeenteambtenaar die sprak namens velen: “Wij vertellen hoe het
           zit en dat noemen we inspraak.” Burgers worden uitgenodigd op een inspraak-
           avond, mogen een wijk mee ontwerpen, of tekenen protest aan tegen het beleid
           van de overheid. In dit kader werd ons vaak verteld over de participatieladder (zie
           Arnstein 1969). Er zijn hier meerdere van in omloop. De bekendste gaat van infor-
           meren, via raadplegen, adviseren en coproduceren naar meebeslissen.1
           Veel participatietrajecten richten zich op het betrekken van mensen bij hun fysieke
           leefomgeving: bijvoorbeeld samen met buurtbewoners de herinrichting van een
           speelpleintje of een straat voorbereiden. In Groningen werken de gemeente en de
           wooncorporaties met wijkbudgetten die burgers kunnen besteden conform hun
           eigen prioriteiten; deze ‘buurtrechten’ brachten “een ‘nieuw elan’ onder burgers
           en organisaties” (Van de Wijdeven en De Graaf 2008: 22; Michels en De Graaf
           2010: 487). Beleidsparticipatie kan zich ook rondom onderwerpen organiseren.
           Het toenmalig ministerie van vrom betrok via de Windraad burgers bij de discus-
           sie rond windenergie. Het ministerie van Veiligheid en Justitie legt door middel
           van ‘internetconsultatie wet- en regelgeving’ specifieke wetsvoorstellen voor aan
           burgers.
           Beleidsmakers proberen met beleidsparticipatie vaak het draagvlak voor nieuw
           beleid te vergroten, bijvoorbeeld door een panel, een consultatiegroep, of een
           burgerraad op te richten, of door relevante groeperingen en organisaties aan tafel
           uit te nodigen. Een enkele maal roepen zij de hulp in van burgers op het moment
           dat een beleidstraject dreigt vast te lopen, of als er behoefte is aan een frisse blik
           van buiten om tot nieuwe inzichten en oplossingen te komen. We troffen ook
           voorbeelden van crowd sourcing, waarbij beleidsmakers via internet een grote
           groep burgers uitnodigen om mee te denken over een probleem en oplossingen
           aan te dragen.
   In de Friese gemeente Smallingerland mocht eenieder die wilde, meedenken over de bouw van
   een nieuwe wijk. Om ook de experts al in een vroeg stadium te betrekken werd de eis gesteld
   dat alleen mensen die een bijdrage hadden geleverd op de website, het uiteindelijke ontwerp
   van de wijk zouden kunnen maken. De ervaringen waren gemengd. Er kwamen heel originele
   ideeën binnen, tegelijkertijd was de vraag – ‘denk mee over een nieuwe wijk’ – te open. De
   ontwikkeling van een wijk vraagt een lange adem en het vasthouden van de aandacht bleek niet
   eenvoudig.
           De meest beoefende vorm van burgerbetrokkenheid krijgt inhoud in de dagelijkse
           wisselwerking tussen burgers en frontlijnwerkers bij de uitvoering van regulier
</pre>

====================================================================== Einde pagina 53 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 54 ======================================================================

<pre>                                                                   denken vanuit burgers 53
      beleid. Voorbeelden uit ons veldwerk zijn de ‘Klimaatstraat’ in Bolsward waar
      burgers hun straat milieuvriendelijker maken, of ‘verbeterdebuurt’, dat burgers in
      staat stelt gebreken in hun buurt online door te geven aan de gemeente, en
      verschillende welzijnsprojecten om de samenbinding in de buurt te bevorderen.
      Via Burgernet vergaart de politie – sowieso koploper waar het betreft experimen-
      ten met burgerbetrokkenheid (zie bijvoorbeeld Dozy en Tops 2009) – met behulp
      van de mobiele telefoon informatie van mensen die zich in de omgeving van een
      misdrijf bevinden.
      Beleidsparticipatie vindt plaats tijdens alle beleidsfasen, lopend van de erkenning
      van een probleem via de formulering van beleid naar de uitvoering. Dat is een bron
      van wrijving, omdat burgers soms ‘uit fase’ lopen. Wanneer beleidsmakers hen
      willen betrekken bij het uitvoeren van beleid, willen ze met een goede kans eerst
      nog praten over welk beleid er gevoerd moet worden. Het Brabantse megastallen-
      debat kwam op scherp te staan toen beleid dat met betrokkenheid van burgers en
      ngo’s was ontwikkeld, in de praktijk werd gebracht: er kwamen nieuwe varkens-
      stallen in de zichtlijn van woonhuizen. Uiteindelijk ondertekenden ruim 30.000
      mensen een burgerinitiatief dat de provincie noopte tot het ‘terugdraaien’ van het
      eerdere beleid. Soms lopen burgers voor op beleidsmakers en willen ze een onder-
      werp op de politieke agenda zetten dat onder beleidsmakers (nog) niet de fase van
      de beleidsformulering heeft bereikt. Verschillende pogingen zijn gedaan om via
      een formeel ‘Burgerinitiatief’ een onderwerp op de agenda van de Tweede Kamer
      te krijgen, met beperkt succes.
2.1.2 maatschappelijke participatie
      Maatschappelijke participatie richt zich op de deelname van burgers aan het maat-
      schappelijk verkeer langs twee sporen: tegenbinding en vervlechting.
      Tegenbinding
      We noemen het ‘rotondedenken’. Vroeger stonden we ’s nachts om half een stil
      voor een rood verkeerslicht, omdat een ambtenaar dat zo had bepaald. Nu kijken
      we op een rotonde onze medeweggebruiker aan en is een handgebaar of hoofd-
      knikje voldoende om onze voorrang te ‘regelen’. Met een betere doorstroming en
      minder schade als gevolg.
      Een-op-eenverbindingen blijken bepalend voor de civiele omgang binnen de
      gedeelde ruimte. We betitelen ze – voortbouwend op Kees Schuyt (2006b) – met
      het begrip ‘tegenbinding’, dit ter onderscheiding van samenbinding (sociale cohe-
      sie). Tijdens onze rondreis door Nederland bestudeerden we het in de stations-
      hallen – bij uitstek plekken zonder formele spelregels – waar grote menigten door
      elkaar bewegen met slechts zelden een botsing (zie ook The Economist 2011).
      Ongetwijfeld zijn er wel informele spelregels, zoals het rijden binnen een
</pre>

====================================================================== Einde pagina 54 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 55 ======================================================================

<pre>54     vertrouwen in burgers
           bepaalde snelheidsmarge en het blijven kijken en op basis daarvan het voortdu-
           rend corrigeren van de voorgenomen koers.
           Tegenbinding krijgt ook inhoud tussen groepen burgers. Beleidsmakers en bestuur-
           ders hanteren het – voorzichtig – als beleidsinstrument. In stiltecoupés geldt volgens
           een ns-woordvoerder een – kennelijke – vanzelfsprekendheid: “Reizigers hebben
           ook een verantwoordelijkheid elkaar aan te spreken op hoe het hoort.”2 “Het is een
           kwestie van fatsoen,” zegt hij. Ook elders worden in de gedeelde ruimte de spel-
           regels aangepast. Plantenbakken en speeltoestellen leiden in woonwijken tot
           effectievere snelheidsbeperking dan de bordjes ‘hier spelen kinderen’. Brede
           wegen worden versmald zonder de klassieke bordjes om duidelijk te maken
           welke weggebruiker voorrang heeft: ‘jullie zoeken het onder elkaar maar uit’.
   “De weg moet je eigenlijk vertellen wat je als verkeersgebruiker moet doen. En dat doe je dan
   onbewust.” Henry Frieswijk is communicatieadviseur in de Friese gemeente Smallingerland.
   Onze enthousiaste gids over het ‘afwijkende’ verkeersbeleid in Drachten legt uit: “Je maakt het
   eigenlijk gevaarlijk. Daar hebben mensen een hekel aan, maar ze gedragen zich er wel naar. En dat
   is de bedoeling.” Het gaat erom de schijnveiligheid van borden, lichten en strepen op de weg – van
   quasi- overzichtelijkheid – te doorbreken: “Regel 1 is dat iedereen verantwoordelijk is voor zijn
   eigen verkeersgedrag en daar dus ook de consequenties van moet dragen als het fout gaat.” Als
   weggebruikers een wederzijds belang hebben bij een civiele omgang in een ongemakkelijke ruimte,
   zoeken ze passende oplossingen. “Men moet dus naar elkaar kijken. Men moet op elkaar vertrou-
   wen.”
           In kwetsbare buurten zoals het Rotterdamse Schiemond blijken buurtwachten een
           gewaardeerde aanvulling op het politietoezicht. Voorwaarde is wel dat de buurt-
           agent nabij is in geval van nood. Op de trein durven mensen medereizigers aan te
           spreken op hun gedrag – eerst roken, nu bellen – omdat de conducteur nabij is.
           En de conducteur heeft weer de zekerheid dat er in het geval van nood op het
           volgende station ‘hulp’ is. De gemeente Den Haag zette ‘1000 burgers’ in om de
           beruchte nieuwjaarsviering in goede banen te geleiden; stewards beteugelen tribu-
           nes en festivals. Ook op internet gelden informele fatsoensregels: wie zich niet
           gedraagt, wordt van een site verwijderd; voortrekkers bewaken de ‘integriteit’ van
           hun site op straffe van een collectieve exodus van de deelnemers (Meijer et al.
           2008: 60; Shirky 2010: 202).
           Tegenbinding in de vorm van ‘toevallige ontmoeting’ resulteert na verloop van
           tijd in een verwachting van veiligheid en zelfs geborgenheid: mensen zien elkaar
           als ‘vertrouwde vreemden’. Diverse gemeenten maakten werk van de herinrich-
           ting van hun pleinen en voetbalstadions, traditioneel vaak een bron van gevoelde
           onveiligheid. Ook op andere, niet-fysieke beleidsterreinen biedt respectvolle
           ontmoeting handvatten voor – fundamentele – maatschappelijke participatie.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 55 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 56 ======================================================================

<pre>                                                            denken vanuit burgers   55
Vooral binnen het onderwijs en bij de sport geldt een eenvoudige les: “Het begint
bij zelfrespect. Vanuit zelfrespect kun je een ander respecteren. Heb je geen
respect voor jezelf, vergeet het dan maar.” Dat kun je wel degelijk leren. Maatjes-
projecten waarbij volwassenen een leerling ‘adopteren’, bieden bijvoorbeeld een
effectieve opstap naar een betere toekomst, zeggen vmbo-docenten.
Vervlechting
Maatschappelijke participatie richt zich ook op de vervlechting van moeilijk
bereikbaren binnen hun dagelijkse leefomgeving. Wij kwamen daar in ons veld-
werk vele voorbeelden van tegen, uiteenlopend van het ‘klassieke’ vrijwilligers-
werk via kerken en organisaties als De Zonnebloem, tot nieuwere initiatieven op
het gebied van inburgering en maatschappelijke ondersteuning in het kader van de
wmo. Beleidsmakers doen op deze terreinen een toenemend beroep op vrijwilli-
gers die, vaak onder leiding van professionals, zich inzetten om mensen binnen de
maatschappelijke boot te houden. De collectieve voorzieningen blijven niettemin
als ultiem vangnet fungeren voor de meest kwetsbare burgers.
Een goede vervlechting, leerden we, bouwt op het algemene betrokkenheidsprin-
cipe: mensen moeten betrokken willen en kunnen zijn. Bij de moeilijk bereikbare
en vaak kwetsbare burgers is een nog veel meer toegespitste aandacht – een uitge-
stoken hand – vereist om hen over de brug te helpen, legt Jantine Kriens uit: “Je
hebt het over mensen met beperkingen en vanuit het paradigma van ‘de overheid
doet alles’ begin je met de vraag: ‘Wat kun je niet?’ De bedoeling van de wmo is te
vragen: Wat kun je wel?” De Rotterdamse universitair hoofddocent-annex-front-
lijnwerker Henk Oosterling vult aan: “Zelfs de meest geïsoleerde mensen hebben
altijd een ‘affirmatief verlangen’; een verlangen naar iets wat hen verwarmt. Door
daarop te bouwen en te versterken wat er al is kun je mensen als het ware optillen
en ze uit hun negativiteit trekken.”
De praktijk blijkt weerbarstig. Zowel burgers als frontlijnwerkers zijn kritisch over
het huidige voorzieningenaanbod en verwijzen naar eigen initiatieven die beter
inspelen op de behoeften en kwaliteiten van hun medeburgers. Inburgering, met
curieuze procedures en examens en nauwelijks doorwerking in de vorm van
werkelijke ‘toegang’ tot de samenleving via werk of andere actieve betrokkenheid,
roept bijvoorbeeld vele vragen op. Lift mee op ons initiatief, zeggen frontlijnwer-
kers, dat is veel effectiever dan de ingewikkelde trajecten die nu worden aangebo-
den. Zo geeft Computerwijk lessen computervaardigheden – in het Nederlands –
in achterstandsbuurten, vooral aan migrantenvrouwen. In zes weken zie je
mensen veranderen, zegt directeur Wilma Borgt: “Hun zelfvertrouwen wordt
groter, hun wereld gaat open.”
</pre>

====================================================================== Einde pagina 56 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 57 ======================================================================

<pre>56     vertrouwen in burgers
   Basisschool Bloemhof, in het hartje van een Rotterdamse Vogelaarwijk, organiseerde tijdens de
   Ramadan een Iftar-maaltijd voor 300 ouders. Iedereen ging voldaan naar huis, maar een week later
   kwamen de eerste klachten. “De Turkse dames zeiden: het eten was veel te Marokkaans. En de
   Marokkaanse dames vonden het eten te Turks.” De directeur legde ze uit: ik wil dat jullie kinderen
   zoveel mogelijk leren, maar zich ook kunnen bewegen in de wereld van restaurants en dergelijke.
   “Ja, zeiden ze. Kunnen wij dan meewerken in de keuken? Ja, dat kan. Vijf, tien klagende moeders
   kwamen er binnen en vijf werken nu – twee en een half jaar later – nog steeds in de keuken als vrij-
   williger. Nu wordt hier nasi en bami, Hollandse pot, zelfs stamppot, gegeten. De vrijwilligers leren
   Nederlands te praten, want ze moeten met elkaar communiceren en we zetten bewust verschil-
   lende nationaliteiten in teams bij elkaar. En ze moeten met de kok kunnen praten, en onze kok is
   heel slecht in zijn Turks. Doordat ze zo leren praten, krijgen ze een ander beeld van de samenleving.
   Daarnaast hebben ze een cursus ‘geven van positieve feedback’ gekregen om mbo stagiaires te
   begeleiden. Het is uitgekookt inburgeren in de keuken.”
           Hamerend op het aambeeld van een eigen verantwoordelijkheid mikten nationale
           beleidsmakers bovendien steeds weer nieuwe ‘uitdagingen’ over de gemeente-
           muur. De meeste aandacht en kritiek – “het is een ordinaire bezuinigingsoperatie”
           – is gericht op de wmo, die door de grotere inzet van buurtgenoten het betere en
           ook goedkopere antwoord zou moeten bieden voor de zorg aan geïsoleerde, vaak
           kwetsbare burgers. Maatschappelijke participatie blijkt echter niet het territoir van
           de velen-op-eenrelaties – samenbinding (sociale cohesie) dus – maar veeleer van
           de een-op-eenverbindingen. Kwetsbare mensen zoeken, zo laat ons veldwerk en
           ook dat van anderen zien (Linders 2010; De Boer en Van der Lans 2011), hun
           houvast in de enge kring van familie, naaste buren en vooral andere kwetsbare
           mensen. Frontlijnwerkers zijn niet blij: “Als wij zouden zeggen: we gaan allemaal
           programma’s ter bevordering van de sociale cohesie starten, dan geloof ik er hele-
           maal niks van dat daar iets uit voortkomt.” Een sterk persoonsgerichte aanpak is
           daarnaast arbeidsintensief en, waarschuwen gesprekspartners, de wetgeving plus
           bijbehorende financiering heeft daarin niet voorzien.
           Een aantal gemeenten ging desalniettemin succesvol aan de slag. Hulpbehoevende
           mensen leven in een kleine wereld. Hun naasten – mantelzorgers of vrijwilligers –
           worden veelal overvraagd en weten, zeker als ze minder toegerust zijn, niet altijd
           de weg naar ‘hoger gelegen’ hulp te vinden. De sleutel voor succes is daarom gele-
           gen in het vervlechten van die naasten met de professionals van de maatschappe-
           lijke instellingen. Frontlijnwerkers moeten daarbij denken vanuit het sociale
           netwerk van mensen, waarschuwt een veteraan: vrijwilligers willen betekenis
           ontlenen aan hun betrokkenheid. “Als je aan een buurman vraagt van: goh, er is
           iets aan de hand daar, wil je niet eens meekijken hoe we dat kunnen oplossen, dan
           zijn er maar heel weinig mensen die niet bereid zijn om dat te doen.” Als we
           denken vanuit burgers kan het beter en ook goedkoper. Minstens twintig procent,
</pre>

====================================================================== Einde pagina 57 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 58 ======================================================================

<pre>                                                                               denken vanuit burgers       57
           zegt de een, veel meer zeggen anderen. Maar dan moet je het wel goed doen.
           Toegespitste netwerken, bouwend op de mensen in de alledaagse leefomgeving,
           vormen het recept voor een effectieve tegenbinding. Die netwerken kunnen bij
           gebleken succes bijdragen tot samenbinding – sociale cohesie – binnen die omge-
           ving, maar de omgedraaide relatie geldt nauwelijks.
2.1.3      maatschappelijk initiatief
           De derde vorm van betrokkenheid is die van de maatschappelijke initiatieven.
           Burgers nemen zelf het heft in handen om een bepaald doel na te streven. Tot op
           de huidige dag is het werk van (thans 5,5 miljoen) vrijwilligers van grote betekenis
           voor het publieke welzijn van dit land (Rijksoverheid Vrijwilligerswerk). Zonder
           hun inzet is het ondenkbaar dat sportorganisaties, ziekenhuizen, het maatschap-
           pelijk werk en het culturele leven functioneren zoals zij doen. Zij geven met elkaar
           vorm aan het meest diverse veld, met uitwisselbare rollen voor de verschillende
           spelers. Soms richten ze zich op alledaagse doelen, zoals het regelen van een
           container op een speelplein om speelgoed voor alle kinderen in op te bergen, of het
           aanbieden van goedkope maaltijden door voedselbanken of een franchise-initiatief
           als ‘Resto Van Harte’, met 25 buurtrestaurants door heel Nederland. Weer andere
           keren gaat het om belangenverenigingen, om lokale partijen, of zelfs om de
           Occupy-beweging, die uiting geven aan onvrede onder een bredere achterban.
           Het kan ook gaan om maatschappelijke initiatieven die zich tegen de plannen van
           beleidsmakers en bestuurders richten, zoals de protesten tegen het verdwijnen
           van een voetbalveldje, tegen het bouwen van ‘megalomane’ gemeentehuizen, of
           tegen een uitlaatverbod voor honden.
   Multipel myeloom is een zeldzame en lastig te herkennen vorm van kanker. Er zijn ongeveer 750
   nieuwe patiënten per jaar in Nederland, dus de kans dat een huisarts ermee te maken krijgt, is
   gering. Nieuwe medicijnen zijn vaak “hartstikke duur” en de toepassing vereist zwaar overleg
   met verzekeraars en ziekenhuizen. Dat noodzaakt een soort vakbond van patiënten, die vorm
   krijgt binnen regionale bijeenkomsten, maar ook via internet. Patiënten bundelden hun ervaring
   en ontdekten patronen die de individuele artsen hadden gemist. Een – prima – patiëntenboek
   wordt een huisarts toegestuurd zodra zij/hij een patiënt heeft. De leden worden ook individueel
   sterker gemaakt. Op het net staan steeds de meest recente behandelrichtlijnen en er is een tien-
   puntenlijstje opgesteld dat de leden helpt bij de voorbereiding van de periodieke gesprekken met
   hun arts. De vereniging dient ook sociale doelen. Patiënt A legt uit: “Als je, zoals ik, tien jaar ziek
   bent, dan krijg je naast de periodieke controle geen aandacht meer. Dan is de vereniging wel
   zinvol.” Patiënt B is het eens: “Dan denk je: wat kan er nog meer? Welke nieuwe mogelijkheden
   zijn er?” De vereniging biedt een vorm van zekerheid in een zeer onzekere situatie en dient ook
   als zeef. Patiënt C: “Er is heel foute informatie op internet.”)
</pre>

====================================================================== Einde pagina 58 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 59 ======================================================================

<pre>58     vertrouwen in burgers
           We kwamen in ons veldwerk mooie voorbeelden tegen, zoals buurtpreventiepro-
           jecten en buurtbemiddelingsprojecten waarvoor mensen zich inzetten om conflic-
           ten in de buurt zelf, zonder tussenkomst van politie of andere instanties, op te
           lossen. Zoals Nabuur, een website waarop dorpsbewoners in ontwikkelingslanden
           zonder tussenkomst van een traditionele organisatie om hulp kunnen vragen.
           Op het gebied van duurzaamheid liepen de initiatieven uiteen van Greenwish,
           een organisatie die maatschappelijke duurzame initiatieven ondersteunt, tot
           ‘transition towns’, lokale gemeenschappen die zelf op een duurzamere manier
           hun energie willen verkrijgen.
   Toon Huizer, een van de trekkers van Buurtpreventie Bolnes, vertelt: “Uiteindelijk zijn we een
   vrijwilligersclub, ‘Van bewoners voor bewoners’. We krijgen 100 procent medewerking van de
   politie, en de gemeente zegt: ‘een goedkopere bewaking voor onze gemeentewijken kunnen we
   niet bedenken.’ Want wat burgers zelf kunnen doen, krijg je als gemeente nooit voor elkaar.
   Bijvoorbeeld: ouderen in heel Nederland klagen veel, omdat ze de straat niet meer op durven. Wij
   zeggen: ‘Dan ga je maar even niet de straat op, maar ga je achter je raam zitten en meld je wat er
   allemaal gebeurt voor het huis waar je woont.’ Die ouderen hebben zo veel gemeld dat we heel veel
   dingen op konden lossen. Als je nu ouderen aanspreekt zeggen ze: ‘Ja hoor, wij durven best over
   straat in Bolnes.’ Dus dat gevoel is helemaal terug, dankzij de inzet van onszelf.”
2.1.4      kansen waar velden overlappen
           Hoewel op ‘Haags’ papier de velden zijn gescheiden, met eigen terminologie,
           methodieken, literatuur en regelgeving, is het onderscheid in de praktijk minder
           helder. Juist op de snijvlakken van de velden doen zich belangwekkende ontwik-
           kelingen voor (figuur 2.1). Beleidsmakers hanteren nog steeds het participatie-
           instrument, komen bijvoorbeeld met een nieuw beleidsplan, of vragen de mede-
           werking van vrijwilligers. Burgers reageren daarop vaak door ‘meedoen’, maar
           liggen ook regelmatig dwars en protesteren. Ze komen bovendien steeds vaker
           met ongevraagde maatschappelijke initiatieven die soms bestaande beleidsinten-
           ties versterken, maar andere keren daarvan afwijken. Beleidsmakers reageren hier
           niet altijd goed op: het ontregelt immers hun ‘normale’ beleid. Aan de andere kant
           weten ze dat een vrijwillig bottom-up initiatief kan resulteren in meer draagvlak
           en inbreng van kennis en praktijkervaring. In dat spanningsveld van ‘ongewenst’
           vraag en aanbod ligt de grootste uitdaging van burgerbetrokkenheid.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 59 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 60 ======================================================================

<pre>                                                                                        denken vanuit burgers 59
Figuur 2.1       Velden van betrokkenheid
                                                     Marktmacht
                                                     Politieke betrokkenheid
                                                                         Organisaties
                                           Beleids-                       Maatschappelijke
                                        participatie                         participatie
                     Buurtinitiatieven                                                    Eigen kracht
                     Privaat beheer                                                       Specifieke belangen
                     Duurzame ontwikkeling            Maatschappelijk
                                                             initiatief
          Ons veldwerk laat zien dat maatschappelijke initiatieven een wezenlijke rol
          kunnen spelen op het snijvlak met beleidsparticipatie. We noemden al een groot
          aantal buurtinitiatieven die de overheid werk uit handen namen, maar ook buiten
          de buurt is sprake van grootschalig privaat beheer bij de uitvoering van beleidsta-
          ken; denk aan ontwikkelingssamenwerking en natuurbeheer waar ngo’s al langer
          een hoofdrol spelen. Ook op het brede terrein van duurzame ontwikkeling vervul-
          len ngo’s bij het milieu- en mensenrechtenbeleid of de crisisopvang (Rode Kruis,
          Artsen zonder Grenzen) van oudsher een wezenlijke taak bij het versterken van
          draagvlak voor beleid, maar soms ook als tegenstander, om beleidsmakers scherp
          te houden. Dit thema wordt ook gekenmerkt door tal van nieuwe initiatieven die
          vaak zijn toegespitst op een specifiek deelterrein (hiv, honger, kinderen, soortbe-
          scherming of klimaatverandering).
          Ook op het snijvlak van maatschappelijke initiatieven en maatschappelijke partici-
          patie is winst te halen onder de vlag van eigen kracht. Onorthodoxe trekkers bevor-
          deren op velerlei wijzen de deelname van geïsoleerde burgers – gehandicapten,
          senioren, laagopgeleide allochtonen, kwetsbare jongeren – aan het maatschappe-
          lijk verkeer door het uitsteken van een hand die hen ‘over de brug’ helpt. Met
          behulp van internet kunnen burgers zich ook makkelijker organiseren en
          zo beter dan tevoren voor specifieke belangen opkomen. Beleidsmakers worden
          aangesproken, maar kunnen ook bouwen op de kennis en de macht die zich
          bundelt in bijvoorbeeld patiënten- en supportersverenigingen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 60 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 61 ======================================================================

<pre>60    vertrouwen in burgers
         De meest uitzonderlijke beweging krijgt echter gestalte waar de drie velden over-
         lappen. Beleidsmatig vormt het snijvlak van beleids- en maatschappelijke partici-
         patie een soort niemandsland: omdat verschillende spelers (departementen en/of
         maatschappelijke instellingen, ondernemingen, politieke partijen) sterk uiteenlo-
         pende beleidsfilosofieën hanteren, is er in de praktijk vaak niemand die zich
         verantwoordelijk weet. Dat vormt in toenemende mate een open uitnodiging voor
         hoger opgeleide, beter geïnformeerde en beter georganiseerde burgers die in ‘het
         gat’ springen. Ze bundelen bijvoorbeeld hun marktmacht en richten hun pijlen op
         zowel ondernemers als beleidsmakers. Hun vaak internationale acties zijn soms
         verrassend effectief: het begrip ‘kopersstaking’ krijgt bijvoorbeeld nieuwe inhoud.
         Ze werken ook steeds vaker samen met koplopers in het bedrijfsleven op beleids-
         terreinen waar beleidsmakers achterblijven. Daarnaast zoeken burgers nieuwe
         wegen voor politieke betrokkenheid buiten de klassieke politieke partijen om. De
         lokale partijen, maar ook wereldbewegingen als Occupy en grootschalige internet-
         verbanden, vormen daarvan illustraties. Alweer weten beleidsmakers vaak niet
         hoe ze zich hiermee moeten verhouden: soms juichen ze de initiatieven toe,
         andere keren proberen ze die te blokkeren.
2.2      burgers op het netvlies
         “Spelen mijn ambtenaren en ik wel in dezelfde film?” vroeg een licht wanhopige
         wethouder zich af. Ze hadden, ondanks alle goede bedoelingen, ‘andere’ burgers
         en frontlijnwerkers op hun netvlies. Dat is een bron voor problemen, want
         mensen komen pas in beweging als ze een werkelijke uitdaging voelen en menen
         daar iets aan te kunnen doen. Als een uitdaging past bij de behoeften van (een
         groep) burgers en hun toerusting voldoende is om naar hun verwachting zinvol
         actie te ondernemen, verenigen ze zich voor ‘het goede doel’. Maar in de praktijk
         blijkt telkens weer dat de ene burger de andere niet is.
2.2.1    uiteenlopende uitdagingen
         Waarom komen burgers in actie? Burgers reageren op twee manieren op uitdagin-
         gen waarvoor zij zich zien gesteld. De eerste reactie is een van verzet tegen veran-
         deringen: ze willen de situatie graag houden zoals die is. Soms gaat het om een
         (aangekondigde) verandering die onrust brengt, zoals de plaatsing van hostels
         voor verslaafden, de komst van megastallen, de bouw – of juist de sloop – van een
         gebouw. Soms gaat het niet eens om een duidelijke verandering, maar meer om
         een situatie die men niet langer wil accepteren, zoals overlast in de wijk. De
         spreekwoordelijke druppel – een ongewoon hard treffen tussen me en voetbal-
         supporters, of een onrustige nieuwjaarsnacht – vormt dan het startsein voor
         acties, maar ook de manier waarop besluiten worden genomen en procedures
         verlopen kan daartoe aanleiding geven. Dat leidt veelal tot een negatieve of grim-
         mige sfeer: in onze interviews wordt gesproken van ‘weerstand’, ‘wantrouwen’,
</pre>

====================================================================== Einde pagina 61 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 62 ======================================================================

<pre>                                                                             denken vanuit burgers    61
          ‘opgefokt sfeertje’, ‘emotionele impact’, ‘dreiging’ of ‘denken in onmogelijkhe-
          den’.
   “Wij maakten ons echt boos en dachten: waarom zijn we daar helemaal niet in gekend? En
   waarom doen ze niet eerst even een enquête in de buurt, hoe staan jullie er tegenover, maar dat is
   allemaal niet gebeurd. Zelfs de naastwonenden, naast de school, waren niet geïnformeerd.
   En het is ook nog zo dat toentertijd die andere school tegen de grond ging. Dat is ook echt een
   hamerstuk geweest, van bam en klaar. Dus dat is ook nog oud zeer wat er zit, zeker bij de oudere
   bewoners.”
          De tweede reactie is die van verkenning: mensen gaan op zoek naar een nieuwe
          situatie die beter is dan de oude. Burgers, maar ook beleidsmakers en frontlijnwer-
          kers, raken geïnspireerd door voorbeeldprojecten uit binnen- of buitenland,
          willen een goed idee uitproberen, zijn op zoek naar innovatie, willen het toeval
          een kans geven, of iets bij wijze van grap doen. Ze spreken over een ‘droom’, hun
          ‘ambitie’, een ‘beeld’, een ‘goed idee’, of een ‘visie’, die leidt tot maatschappelijke
          initiatieven of vormen van maatschappelijke participatie.
          Mensen noemen verschillende drijfveren voor hun activiteiten. Velen handelen
          omdat ze zich verbonden voelen met een stad, een buurt, de plek waar ze geboren
          zijn, hun werk, een sportclub. Ze willen een bijdrage leveren aan de veiligheid in
          hun leefomgeving (Bekkers et al. 2010: 155-156) of handelen vanuit bepaalde waar-
          den en normen, een gevoel voor rechtvaardigheid of fatsoen: bijvoorbeeld protes-
          teren tegen de mogelijke komst van een casino, strijden voor duurzame chocola-
          deletters of tegen de aanleg van een weg door het Naardermeer. Veel vrijwilligers
          willen wat ‘terugdoen’ voor kwetsbare mensen, hulpbehoevenden bijvoorbeeld of
          jongeren. Oud-voetballer Jean Paul de Jong, bij fc Utrecht vele jaren een bikkel op
          het middenveld, weet dat hij een rolmodel kan zijn en richtte daarom een stichting
          op om daar – bewonderenswaardig actief – vorm aan te geven.
          Mensen beleven ook plezier aan hun activiteiten. Burgers, maar ook frontlijnwer-
          kers kunnen genieten van het organiseren van activiteiten en de daarbij behorende
          dynamiek, of van het simpelweg deel uit te maken van een groep. Lachend vertel-
          len ze over tegenslagen, tegenwerking en weerstand en hoe hun inspanningen
          uiteindelijk hebben geleid tot succes, ook al ziet dat er vaak anders uit dan van te
          voren bedacht.
2.2.2     uiteenlopende toerusting
          Willen is mooi, maar je moet ook kunnen. Stel dat betrokken burgers zich uitge-
          daagd voelen, hebben ze dan wel de toerusting – de tijd, de kwaliteiten en de
          instrumenten (inclusief de wettelijke mogelijkheden)? Het was een belangrijk
</pre>

====================================================================== Einde pagina 62 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 63 ======================================================================

<pre>62     vertrouwen in burgers
          onderwerp in onze interviews. Betrokkenheid kost gedurende een langere periode
          vaak veel tijd en is niet altijd even makkelijk te combineren met andere verplich-
          tingen: “Ik moet ook nog werken”. Mensen moeten ook wat in hun mars hebben.
          Aletta Winsemius van kenniscentrum Movisie leerde haar lessen in de wmo-
          praktijk: “Er is maar een beperkt aantal mensen die in staat zijn in zo’n formeel
          overlegcircuit te functioneren.”
          Velen spraken over de kennis- en informatieachterstand van burgers ten opzichte
          van beleidsmakers, zowel waar het betreft de inhoud als de procedures en proces-
          sen. Gedeeltelijk ligt dat volgens hen aan de informatievoorziening door beleids-
          makers. Overheidsinformatie is soms moeilijk te vinden en vaak moeilijk te
          begrijpen. Niet zonder reden zijn er verschillende maatschappelijke initiatieven,
          zoals ikregeer.nl, die de transparantie van de overheid proberen te vergroten. Het
          parlement kent ook in omgekeerde richting hoge drempels, leerde Reinder
          Rustema, oprichter van de website petities.nl: “Mensen weten lang niet altijd hoe
          ze het probleem dat ze willen aankaarten, moeten formuleren. Mensen die niet
          goed kunnen formuleren, vallen af.”
          Vooral minder toegeruste burgers voelen zich vaak overvraagd. Een actievoerster
          werd ondersteund door ‘academisch gevormde buren’: zij schreef een brief die
          vervolgens werd ‘vertaald’, zodat de beleidsmakers het zouden begrijpen. Ook de
          regionaal coördinator van een patiëntenvereniging waarschuwde: contact op
          (inter)nationaal niveau of overleg met verzekeraars en ziekenhuizen vereist ‘acade-
          misch gevormden’: “Ik heb mulo, ik ben er niet geschikt voor. We hadden een
          voorzitter – een tandarts – die kon op dat niveau wel meepraten.” Het gaat echter
          niet alleen om het leggen van contact met officiële instanties, maar ook om het
          organiseren van bijeenkomsten, het werven van fondsen, het uitwisselen van
          kennis met vergelijkbare initiatieven, en bovenal het netwerken: mensen kennen
          die over vaardigheden beschikken. Er zijn grote verschillen in de mate waarin
          burgers over deze vaardigheden beschikken.
   “Jan en ik zijn doeners, denkers, idealisten, programmeurs. Vanzelfsprekend is mijn sterkste kracht
   niet om een businessplan te maken, daarom heb ik andere mensen gezocht via mijn netwerk die
   ons hebben geholpen met de cijfers. Wij zijn sterk in lobbyen, netwerken, verhalen vertellen,
   mensen enthousiast maken. Anderen kunnen dat dan op papier structuur geven, ook financieel.
   Op deze manier weten wij ons als burger een weg te vinden.”
          Toch lijkt het voornaamste probleem gelegen in de negatieve beelden die beleids-
          makers hebben van burgers en hun geloof in de beperkte vaardigheden van
          burgers; recent onderzoek laat zien dat een kwart tot eenderde van de onder-
          vraagde ambtenaren negatief is over de mogelijkheid tot vertrouwen in burgers
          (Röell 2012). Volgens veel ambtenaren zijn burgers beperkt op de hoogte van de
</pre>

====================================================================== Einde pagina 63 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 64 ======================================================================

<pre>                                                             denken vanuit burgers 63
taken van publieke organisaties en missen ze het vermogen om publieke vraag-
stukken te kunnen beoordelen. Ze communiceren niet helder en zijn te zeer op
eigenbelang gericht.
Pas recent wordt op sommige beleidsterreinen een groter beroep gedaan op de
eigen verantwoordelijkheid van burgers. Het leidt tot de wat merkwaardige
constatering dat burgers tegelijkertijd onderschat en overschat worden in hun
mogelijkheden voor actieve betrokkenheid. Zoals een ervaren waarnemer het
uitdrukte: “Als burger word ik niet geacht tot tien te kunnen tellen en wil de
gemeente mij met van allerlei helpen. Maar als ik ze echt nodig heb, voor namen
of informatie over gemeentespecifieke regelingen, moet ik het zelf maar uitzoe-
ken.”
Veel gesprekspartners spreken van een gemiste kans. Burgers en frontlijnwerkers
hebben vrijwel altijd een voorsprong ten opzichte van beleidsmakers als het gaat
om ervaringskennis: de ontastbare kennis die niet in woorden is uit te drukken
(tacit knowledge). Daar wordt volgens onze gesprekpartners nog te weinig beroep
op gedaan. “It takes one to know one,” zei de actieve voorzitter van een supporters-
vereniging. “Ik wil best meedenken over veiligheid, want als ik een rondje stadion
loop, zie ik meer dan een ander.” Een website als www.verbeterdebuurt.nl bouwt
op de lokale ervaringskennis van burgers: iedereen kan losliggende stoeptegels
of andere verbeterideeën voor de buurt doorgeven, zodat gemeenten er hun voor-
deel mee kunnen doen. Op de website www.degrotegriepmeting.nl kan iedere
internetgebruiker zijn griepverschijnselen doorgeven, waardoor sneller een beeld
wordt verkregen van de verspreiding van griep en verkoudheid dan via het tradi-
tionele huisartskanaal. Ook de slachtoffers van zeldzame ziekten hebben vaak een
informatievoorsprong op artsen die weinig ervaring hebben met hun probleem.
Naast ervaringskennis beschikken mensen bovendien steeds vaker over specifieke
(vak)kennis of vaardigheden. Iedereen is – door opleiding, werk of een uit de hand
gelopen hobby – wel goed in ‘iets’. Vaak zijn mensen bereid deze expertise in te
zetten. Jaap Rutger Kos wist van het bestaan van de tijdelijke referendumwet door
zijn studie rechten en maakte daar gebruik van bij het indienen van een referen-
dum in zijn toenmalige woonplaats Huizen, ook toen de gemeente in eerste
instantie zei dat zoiets niet mogelijk was. Ina Strating en Lydia Vroegindeweij
zetten hun expertise op het gebied van overheidscommunicatie én het uitgevers-
vak in voor hun website www.crisiswerkplaats.nl, die adviseert over de informa-
tievoorziening rond een crisis, zoals de brand in Moerdijk. Dit doen ze zo goed dat
het beeld ontstond dat ze dit in opdracht van de overheid doen, maar het is alle-
maal liefdewerk oud papier gerund van achter een keukentafel in Drenthe en een
werkkamer in Leusden.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 64 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 65 ======================================================================

<pre>64      vertrouwen in burgers
   “In feite is een van de grote verworvenheden van de informatiemaatschappij dat er zo langzamer-
   hand bij het publiek zoveel kennis aanwezig is dat je een betere oplossing kunt krijgen door te
   luisteren naar wat mensen hebben in te brengen.” Voormalig topambtenaar en hoofddirecteur van
   Natuurmonumenten Frans Evers was als procesbegeleider/ bemiddelaar betrokken bij een groot
   aantal ingewikkelde overlegsituaties en schreef daarover het boek ‘Het kan wel!’ (Evers en Suss-
   kind 2009). Hij leerde in de praktijk “dat er grote projecten in Nederland zijn waar de insprekers
   meer kennis inbrengen dan de ambtenaren die het aan het voorbereiden zijn, omdat die insprekers
   niet meer willekeurige bewoners zijn, maar mensen die hun eigen ingenieursbureau hebben of bij
   een planologieafdeling werken van een andere provincie of gemeente. Wat je krijgt is: professionals
   tegenover professionals.”
           De grens tussen professional en amateur vervaagt, zeker door de vaak grote
           inspanningen die burgers zich getroosten. Bij het traject rondom de N340 waren
           de bewoners na de enorme tijdsinvesteringen zeer deskundig. Dergelijke deskun-
           digheid weegt ook zwaar bij het al jarenlang spelende overleg tussen Schiphol en
           omwonenden. “Het draait om het hebben van voldoende kennis, anders ga je
           voor de bijl in een complex dossier als dat van Schiphol,” weet Kees Van Ojik door
           zijn achterban aangewezen als hun vertegenwoordiger (Projectdirectie Sneller
           & Beter 2010: 84). Een aantal omwonenden vertrouwde de officiële geluids-
           overlastgegevens niet. Daarom begon men in 2004 zelf met het meten en publi-
           ceren van geluidsoverlast op verschillende punten rond Schiphol (www.geluids-
           net.nl).
2.2.3      uiteenlopende betrokkenheidsstijlen
           Wanneer uitdaging en toerusting samengaan zijn burgers bereid en in staat tot
           actieve betrokkenheid. Ze verschillen echter in stijl: ze ervaren de wisselwerking
           met beleidsmakers op uiteenlopende wijze. In ons eerste hoofdstuk maakten we
           een onderscheid tussen vier typen betrokkenheidsstijlen.
   “Die mensen op Zuid of in die oude wijken hebben toch een veel groter acceptatievermogen. Ik
   weet nog wel, in Hilligersberg-Schiebroek kwam een daklozenopvang. Helemaal aan de buitenkant
   zou die komen, de mensen zouden met busjes vervoerd worden enzovoort. Er kwam een fakkel-
   optocht met verwijzingen naar concentratiekampen, behoorlijk gênant. Maar ja, dat zijn natuurlijk
   allemaal mensen die goed gebekt zijn en die ook niet zoveel gewend zijn. In Oud-Charlois hebben
   we ook een keer een laagdrempelige opvang voor psychiatrische patiënten ondergebracht. Toen
   zijn we gaan praten, ook met die psychiatrie erbij natuurlijk. Met z’n allen. Dat was even hard,
   maar op een gegeven moment spreek je af: oké, hoe gaan we het doen? Daar wordt het veel makke-
   lijker geaccepteerd.”
</pre>

====================================================================== Einde pagina 65 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 66 ======================================================================

<pre>                                                                           denken vanuit burgers     65
        Volgzamen
        Een eerste groep voelt zich beperkt uitgedaagd door nationale beleidsmakers en
        meent ook niet over de toerusting te beschikken om met die uitdagingen om te
        gaan. Dat stoort deze mensen slechts beperkt, want ze zijn de grootmeesters van
        de kleine, hechte netwerken in dorpen en klassieke volksbuurten, met de daarbij
        behorende samenbinding en sociale controle. Het zijn plichtsgetrouwe burgers
        voor wie het woord van de autoriteiten zwaar weegt. Deze verticale cohesie heeft
        een positieve invloed op burgerbetrokkenheid, vooral op uitnodiging (het bezoe-
        ken van vergaderingen en het bijwonen van informatiebijeenkomsten) (Van
        Marissing 2008: 138). Mensen met een dergelijke betrokkenheidsstijl zijn relatief
        eenvoudig te betrekken wanneer het gaat om de familie of ‘buurt’. Maar hun inzet
        komt in gevaar als de afstand te groot wordt, door de afbouw van maatschappe-
        lijke voorzieningen, ten gevolge van bevolkingskrimp in plattelandsgebieden of
        van snelle ‘overname’ van hun woonbuurten door immigratie en van de schaal-
        vergroting van instituties zoals de overheid, wooncorporaties, zorginstellingen en
        scholen.
In het Friese dorp Hitzum werd in tien jaar tijd de afstand tot ‘de Grote Wereld’ drastisch groter.
De kaatsvereniging organiseert jaarlijks de Ald-Meiers Partij, de grootste kaatswedstrijd voor meis-
jes van veertien tot en met zestien jaar. Van de sponsoren van het eerste uur werd het Friese nuts-
bedrijf opgenomen in Essent, dat weer verdween in rwe. De Rabobank in Franeker fuseerde en
werd gecentraliseerd in Leeuwarden. Zuivelcorporatie Royal Friesland Foods werd Royal Fries-
landCampina en haakte af nadat de nieuwe onderneming, met hoofdkantoor in Amersfoort, haar
reclamebudgetten opnieuw moest overwegen. De laatste toetreder als hoofdsponsor, wooncorpo-
ratie WoonFriesland, dreigt door te fuseren. Ook de toch al opgeschaalde gemeenten worden door-
gefuseerd op een nog grotere schaal.
        Hoewel het verenigingsleven van dorpen hoogontwikkeld is – binnen een straal
        van tien kilometer onderhouden bewoners een verfijnd netwerk van dienst-en-
        wederdienst – is het daarbuiten ‘ontregeld’. Datzelfde geldt in stedelijke volks-
        buurten: een buurt is zo groot als je met een rollator of een kinderwagen kan lopen
        en daarbinnen bestaat vaak veel samenhang. De afstand tot ‘daarbuiten’, met name
        tot de grote instituties, neemt echter toe en dat werkt vervreemdend, zelfs als dat
        door die grote organisaties zelf niet zo wordt ervaren. Net als hiërarchie en leeftijd
        voel je afstand alleen ‘van onderen’. Dat heeft zijn bezwaren, zoals een ervaren
        frontlijnwerkster in een krimpgebied opmerkte: “Ik zit met directeuren van zorg-
        instellingen om de tafel die wel iets willen, maar ondertussen geen idee hebben
        van de vraag die er leeft onder de groep die het betreft.”
        Die vervreemding leidt soms tot een gevoel van achterstelling, ook ten opzichte
        van grotere of beter toegeruste gemeenschappen: “Kijk eens naar hun winkels! Bij
        ons kan er zelfs geen fietspad af” (Henk en Ingrid in Spijk 2010). Men hoort er voor
</pre>

====================================================================== Einde pagina 66 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 67 ======================================================================

<pre>66      vertrouwen in burgers
           het eigen gevoel niet bij en voelt zich achtergesteld. De sleutel voor hun betrok-
           kenheid is gelegen in de nabijheid van ‘verbinders’ die van buiten af een helpende
           hand uitsteken. Dit zagen wij bijvoorbeeld bij de ‘meitinkers’ in het Friese dorp
           Terherne, maar ook in andere plaatsen en op andere werkterreinen kwamen we
           voortdurend frontlijnwerkers tegen die, met steun van hun bestuurders, bruggen
           sloegen naar buiten.
           Verantwoordelijken
           Een tweede betrokkenheidsstijl is die van de Verantwoordelijken. Ze zijn over het
           algemeen uitstekend in staat voor hun belangen en die van anderen op te komen.
           Ze zijn relatief makkelijk te porren voor beleidsparticipatie of maatschappelijke
           initiatieven, maar minder voor maatschappelijke participatie. Voorwaarde is wel
           dat zij voldoende ruimte krijgen om hun wensen uit te spreken en om actief deel
           te nemen. Dat uit zich bijvoorbeeld op verrassend positieve wijze bij de ‘priva-
           tisering’ van de woonomgeving: een groot deel van het openbaar groen in de
           Utrechtse voorstandsbuurt Wilhelminapark is in beheer bij de buurtbewoners.
           Verantwoordelijken zijn hoogopgeleid en beschikken over brede, maar ‘dunne’
           fysieke netwerken. Ze wonen vooral in voorstandsbuurten, zijn goed bereikbaar
           via publieke omroep en ‘kwaliteitskranten’, en zijn lid of donateur van meerdere
           ngo’s. Ze leven, tegenovergesteld aan Volgzamen, in een grote wereld en zetten
           zich in ten behoeve van een bredere omgeving, waarbij altijd wel een aantal wil
           fungeren als trekker. In geval van ‘ongenoegen’ bewandelen ze directe wegen
           (direct via de burgemeester of wethouder) binnen hun netwerken om hun gelijk te
           halen, zodat een geplaagde wethouder, gevraagd naar zijn hartenwens, meldde:
           “Een manier om ze van me af te houden.”
   In Santpoort-Zuid verspreidde een bewonersorganisatie huis aan huis een kieswijzer die de positie
   van alle politieke partijen in de gemeente Velsen weergeeft op vier onderwerpen, zoals de bouw
   van een gymzaal en van appartementen op een braakliggend terrein. Deze kieswijzer geeft inwo-
   ners van het dorp een stemadvies bij gemeenteraadsverkiezingen. Een paar kilometer verderop
   raakte ‘de buurt’ verwikkeld in een hevige strijd met de beheerder van een klein natuurterrein dat
   als hondenuitlaatbosje fungeert. Het actiecomité verzamelde na vrij wat publiciteit in de lokale
   kranten 200 handtekeningen plus de steun van de wethouder. Met als voorlopig tussenresultaat
   een wapenstilstand.
           Pragmatici
           Pragmatici zijn veelal hoogopgeleid en in staat op te komen voor hun belangen. Ze
           zijn individualistischer dan Verantwoordelijken. Ze gaan niet snel langetermijn-
           verplichtingen aan, bijvoorbeeld voor vrijwilligerswerk, en zeker niet als er weinig
           ‘te halen’ is. Dat halen hoeft zich overigens niet te beperkten tot eigen materieel
           gewin. Mensen met een pragmatische betrokkenheidsstijl zijn zeer te motiveren
</pre>

====================================================================== Einde pagina 67 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 68 ======================================================================

<pre>                                                                           denken vanuit burgers    67
        voor een unieke ervaring of beleving, voor de lol, of omdat het goed staat op hun
        cv. Ze zijn hierdoor makkelijker te porren voor maatschappelijke initiatieven en
        deelname aan eenmalige acties, dan voor het meedoen aan beleidsparticipatie-
        trajecten. Maar als ze eenmaal ‘de slag ingaan’, zijn ze daartoe vaak uitstekend
        toegerust en bovendien bereid tot het gaatje te gaan in het bewandelen van de
        formele paden, of juist het ontregelen van de autoriteiten door vormen van ludiek
        protest.
Op 10 juli 2009 wisten duizenden mensen de Noordermarkt in het hartje van de Jordaan om te
dopen tot het grootste illegale buitenterras van Amsterdam. Gewapend met spandoeken protes-
teerden ze tegen het terrassenbeleid in hun stad en het verbod op ‘staand bier drinken’ in de open-
bare ruimte. Het protest werd georganiseerd door Ai!Amsterdam, een actiegroep bestaande uit
een groep stamgasten van een aantal met sluiting bedreigde kroegen. Via hun website wist de groep
binnen korte tijd meer dan 20.000 steunbetuigingen te verzamelen. De locatie van het protest
werd tot het allerlaatste moment geheim gehouden; via sociale media werden mensen naar de
Noordermarkt geleid. Het verhaal kent ook een andere kant. Het gemeentelijk terrassenbeleid
wordt gekenmerkt door het telkens verder oprekken van sluitingstijden. In hun ‘Zwartboek
Terrassen’ beschrijft de bewonersgroep ho/oj (Horeca Overlast/Overleg Jordaan) de overlast:
nachtelijk lawaai, ook ver na de formele sluitingstijden, en portieken die door kroegbezoekers
worden gebruikt als urinoir. Tijdens ons gesprek lag een halve meter correspondentie op tafel
met daarin vele steunbetuigingen van Jordaan-bewoners en de vele afspraken en toezeggingen
van de gemeente gedurende vele jaren. Ze hadden het gevoel ‘ge-schiphold’ te zijn: keer op keer
viel nieuw beleid uit in hun nadeel. En, vroegen ze ons, hoe kunnen goedwillende burgers die
op zich niets hebben tegen de lokale horeca zich verzetten tegen het ludieke protest van de kroeg-
gangers?
        Critici
        Critici vormen een typische middengroep met relatief conservatieve waarden en
        normen die ze combineren met een consumptieve instelling. Vanuit dit conserva-
        tisme zijn ze eerder te motiveren voor een ‘tegenbeweging’ – bijvoorbeeld een
        lokale partij, een petitie of een protestactie – dan voor een vernieuwend initiatief of
        experiment. Het zijn de grootmeesters van de maatschappelijke participatie, maar
        ze voelen zich vaak niet aangesproken door beleidsparticipatie en maatschappelijke
        initiatieven. De veldonderzoekers van het Verweij-Jonker Instituut constateerden:
        “Men voelt een grote innerlijke nood – niet gehoord worden, geen erkenning, weg-
        gedrukt zijn – en er is niemand die daar naar wil luisteren” (Gruijter et al. 2010: 152).
        Beleidsmakers zijn in hun optiek bevoorrechte mensen die geen idee hebben hoe
        de ‘gewone man’ leeft (Gruijter et al. 2010: 146 e.v.). Omgekeerd laten professionals
        van hun kant een heel ander geluid horen: burgers klagen wel, maar zijn zelf te
        passief. Ze (denken te) beschikken over weinig vaardigheden om zaken waarover
        ze ontevreden zijn positief te beïnvloeden (Gruijter et al. 2010: 45).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 68 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 69 ======================================================================

<pre>68      vertrouwen in burgers
   Ondernemers vertelden hoe hun Heistraat ooit dé winkelstraat van Helmond was, maar hoe ze
    in de beleidsstukken van de gemeenten lazen dat ze ‘gedoogd’ werden, dit nadat ze waren verleid
   tot grote investeringen. Wethouder Frans Stienen vertelde: “Zij voelden wel dat ze in het achter-
   ste karretje zaten. Dat ze losgekoppeld werden als ze niet uitkeken.” Ze waren inderdaad niet blij,
   om het voorzichtig uit te drukken: “Als je als ondernemer zit met je zaak en je wordt ‘gedoogd’,
   ik kan je niet vertellen wat dat met je doet. Je wordt ‘gedoogd’! Ja, een coffeeshop wordt gedoogd,
   maar een bakker op de hoek…”
2.3        schuivende posities en nieuwe spelers
           In ons veldwerk kwamen we veel illustraties tegen van de dynamiek op het speel-
           veld van burgerbetrokkenheid. Niet alleen beleidsmakers, maar ook bestuurders
           van maatschappelijke instellingen en ngo’s – traditioneel de ‘kanalen’ voor de
           betrokkenheid van actieve burgers – worden geconfronteerd met veranderende
           houdingen en initiatieven van burgers. Tegelijk benutten steeds meer burgers rela-
           tief nieuwe mogelijkheden voor burgerbetrokkenheid via de koplopers in het
           bedrijfsleven en de zogenoemde ‘andersbewegingen’.
2.3.1      maatschappelijke instellingen
           Maatschappelijke instellingen zoals wooncorporaties, zorg- en onderwijsinstellin-
           gen en welzijnsorganisaties, zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van
           publieke taken. Vanuit het perspectief van burgerbetrokkenheid tekenen zich drie
           uitdagingen af.
           De eerste uitdaging doet zich voor op het veld van maatschappelijke participatie, waar
           geïsoleerde burgers nog steeds vaak ‘zoekraken’tussen de kieren van het verkokerde
           aanbod van de functioneel ingerichte instellingen. Wanneer hun frontlijnwerkers
           zich echter begeven buiten de enge grenzen van hun kerntaken, blijken ze – vaak in
           samenwerking met collega’s van andere instellingen – effectieve netwerken te kun-
           nen vlechten. Wooncorporaties spelen tezamen met gemeentes ook een hoofdrol
           bij de revitalisering van kwetsbare buurten, brede scholen strekken hun bereik uit
           tot stadsdelen, intramurale zorginstellingen verbreden hun extramurale aanbod.
           De tweede uitdaging betreft een verbreding van beleidsparticipatie. Veel vrijwilli-
           gers leveren een actieve bijdrage in de uitvoering van een publieke taak. We zagen
           voorbeelden op het gebied van welzijn, veiligheid en buurtwerk. Maatschappelijke
           instellingen die vanuit hun werkveld gewend zijn om te denken in termen van
           burgers die hulp nodig hebben, moeten bereid zijn om te investeren in de toerus-
           ting van burgers, als waren het hun eigen medewerkers.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 69 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 70 ======================================================================

<pre>                                                                 denken vanuit burgers    69
      De derde uitdaging – de toenemende confrontatie met maatschappelijke initiatie-
      ven – stelt wellicht de hoogste eisen. Wanneer de trekkers van maatschappelijke
      initiatieven zich begeven op het werkveld van maatschappelijke instellingen, krij-
      gen ze een andere positie: worden concurrent of zelfs opdrachtgever. Dergelijke
      maatschappelijke initiatieven voegen zich vrijwel nooit naar de regels en procedu-
      res waarmee de instellingen gewoon zijn te werken. De resultaten zijn echter
      soms uitstekend. Een groep bewoners was de overlast van jongeren in de wijk zat
      en zocht contact met het wijkbeheer, de wijkagent en de wooncorporatie om het
      probleem samen op te lossen. Stadsbuurten namen het groenbeheer van de
      gemeente over en dorpen realiseerden in goede samenwerking met de welzijns-
      organisaties en wooncorporaties ouderenopvang binnen de eigen kern.
2.3.2 ngo’s
      Ngo’s vervullen een essentiële rol op het speelveld van burgerbetrokkenheid. Ze
      zijn belangenbehartigers bij beleidsparticipatie, organiseren vrijwilligersinzet bij
      maatschappelijke participatie en ontwikkelen in toenemende mate maatschappe-
      lijke initiatieven. Dat hun positie aan het schuiven is kwam ook in ons veldwerk
      indringend aan de orde.
      In de eerste plaats moeten vooral de grote, landelijk werkende ngo’s – ontwikke-
      lings- en natuur- en milieuorganisaties bijvoorbeeld – hun weg vinden tussen een
      geïnspireerde inzet van vrijwilligers en professionalisering. Ze concurreren met
      elkaar om de gunst van een achterban en verliezen soms, zo lijkt het, ‘de bal’ uit
      het oog: het ging wellicht te goed en het behoud van de gewonnen positie, met
      inbegrip van banen, wordt een hoofddoel. Beleidsmakers constateren dat de
      professionalisering vooral ten koste is gegaan van de aandacht voor de eigen
      achterban: “Want dan kunnen ze zich nog wel beroepen op hun zogenaamde
      achterban, de werkelijkheid is natuurlijk toch dat het clubs zijn die zich heel sterk
      op de beleidswereld richten en eigenlijk ook helemaal niet meer op de burger.”
      Een milieutrekker beaamt: “Die achterban waar we uiteindelijk ons bestaansrecht
      aan ontlenen, zijn we een beetje vergeten.”
      In de tweede plaats is de relatie met beleidsmakers aan verandering onderhevig.
      Beleidsmakers staan, zo lijkt het, ambivalent ten opzichte van ngo’s en ook andere
      behartigers van publieke belangen. Nationaal maar ook lokaal worden overheids-
      subsidies gekort en dat dwingt de voorlieden tot het ontwikkelen van nieuwe
      ‘vrienden’. Maar – vooral – beleidsmakers zijn moeilijk toegankelijk: “Om het
      maar even gewoon eerlijk en een beetje gewoon uit het hart te zeggen: het
      ontbreekt de overheid aan enige visie, ambitie, inspiratievermogen op het ogen-
      blik.” De meest betrokken ministeries worden niet gezien als een “natuurlijke
      partner”, om stevig de dialoog mee aan te gaan. Ook de kleinere, lokale ngo’s
      merken dat door de schaalvergroting bij de overheid zelf afstanden steeds groter
</pre>

====================================================================== Einde pagina 70 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 71 ======================================================================

<pre>70     vertrouwen in burgers
           worden en relaties steeds meer bureaucratiseren. Een veteraan van de kerkelijke
           diaconie vertelde dat hij vroeger goed kon overleggen met de wethouder zelf,
           “maar na de gemeentelijke samenvoeging strandt ieder contact in de enorme laag
           beleidsambtenaren die er rondom de man staat.”
   Een krantencitaat is illustratief: ‘Gisteravond zette Verhagen zich af tegen de milieubeweging die
   volgens hem groot is geworden door de aarde neer te zetten “als het volgende slachtoffer dat
   gered moest worden van een uitbuitende westerse cultuur”. Volgens de vicepremier is de milieu-
   beweging “ongeveer tot een bedrijfstak ‘an sich’ verworden” en wordt de mensheid volgens deze
   groeperingen “bijna intrinsiek beschouwd als ‘indringers’ en vervuilers van de biosfeer, waarvan
   er vooral te veel zijn”.’ 3
           In de derde plaats, en meer fundamenteel, dienen ngo’s zich voortdurend aan te
           passen op de veranderingen in de samenleving. Ton Hanselaar (tot 2011 directeur
           van kwf Kankerbestrijding) spreekt van de “dikke ik” van de nieuwe burger:
           “Alles moet toch wel ten dienste zijn op wat hem of haar inspireert en motiveert.”
           De communicatie met die dikke ik maakt nieuwe antwoorden noodzakelijk;
           Hanselaar was bijvoorbeeld blij verrast door een social community op Hyves met
           48.000 kwf-aanhangers: “Daar wisten we helemaal niets van!” Mensen zoeken
           elkaar op en een ngo als kwf is dan een instrument: bindend in de geest maar
           zonder organisatorische verbinding. Dat opent nieuwe mogelijkheden: “Dat bete-
           kent dat wij wel met die social communities in gesprek willen, maar dat we ze niet
           oprichten. We gaan er bij aanhaken.”
           Tezelfdertijd worden bestaande posities soms ondergraven, omdat onderwerpen
           uit de belangstelling raken, of hun Haagse relevantie verliezen omdat ze beleids-
           matig zijn overgedragen naar uitvoerders, andere overheden waaronder ook de eu,
           of naar de samenleving. Belangenbehartiging op het nationale middenveld heeft
           dan weinig zin en ngo’s verliezen hun relevantie als beleidsbeïnvloeders. Tegelijk
           ontwikkelen multinationale ngo’s nieuwe benaderingen, met soms verrassende
           doorwerking.
   Human Rights Watch helped to establish the International Criminal Court “by circumventing the
   major powers,” as foreman Kenneth Roth puts it: “We encouraged a series of medium-sized powers
   to take the lead. They formed themselves as a like-minded group.” During the negotiations to elimi-
   nate cluster bombs Norway was at the center: “We encouraged Norway to convene a group that
   circumvented the major powers. And we built up critical support among medium-size states around
   the world, forcing the major powers to come back to the negotiations.” Even smaller countries can
   play a key role, says Roth. Liechtenstein, for example, has an experienced ambassador to the un: “He
   has tremendous expertise and stature on the International Criminal Court. And so he has been a key
   in promoting that institution.”
</pre>

====================================================================== Einde pagina 71 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 72 ======================================================================

<pre>                                                                   denken vanuit burgers   71
      Ook zijn bestaande posities minder vanzelfsprekend door de komst van steeds
      nieuwe belangenbehartigers. Elke nieuwe organisatie pakt een issue op dat andere
      organisaties in de sector laten liggen, maar moet vervolgens wel vechten voor een
      plek. Tegelijkertijd, zeggen onze gesprekspartners, verbinden mensen zich minder
      langdurig aan een organisatie, maar maken ze een keus uit een menukaart van
      eenmalige en concrete acties die hun op vele manieren wordt aangeboden. Zoals
      de Burendag en nl doet campagnes van het Oranjefonds, of de hier! campagne
      van de Samenwerkende Goede Doelen van de Nationale Postcode Loterij.
2.3.3 koplopers in het bedrijfsleven
      Veel burgers hechten aan directe actie. In toenemende mate lijken initiatiefnemers
      zich, vaak met actieve steun van de media, te concentreren op het bedrijfsleven en
      maatschappelijke instellingen zoals wooncorporaties. Hun speelveld verplaatst
      zich daarbij van belangenbehartiging op de ‘politieke markt’ naar andere terreinen
      en hun instrumentarium wordt steeds ‘kleurrijker’. In de consumentenmarkt
      bleken kopersstakingen bijvoorbeeld zeer effectief. In de financiële markt meng-
      den onverwachte spelers zich in het spel; pensioenfondsen oefenden bijvoorbeeld
      zowel achter als voor de schermen druk uit op multinationale ondernemingen om
      zich op bepaalde terreinen een bredere maatschappelijke verantwoordelijkheid
      aan te meten. De overheidsvergunning – de license to produce – volstaat niet
      langer; veehouders moeten bijvoorbeeld in de ‘burenmarkt’ veeleer een license to
      operate verwerven: ‘accepteert mijn buurman dat ik hier boer ben?’ Maar de voor-
      naamste beïnvloeding vindt vermoedelijk plaats op de arbeidsmarkt: “You can’t
      recruit the best people if you’re seen as an insensitive company”, as Ken Roth puts it.
      “A company’s image can be very important for recruitment and employee-morale.”
      Bij de koplopers zit de vaart er in, zegt directeur Willem Lageweg van mvo Neder-
      land: “Ik vibreer omdat ik heel vaak in dat soort kringen verkeer, en ik word er
      razend enthousiast van als ik zie wat die ondernemers allemaal oppakken.” De
      koplopers brengen ook verrassende nieuwe coalities op gang waarbij ook een deel
      van het peloton aanschuift; in de betonsector werken bijvoorbeeld zo’n dertig
      partijen aan een forse co2-reductie in de keten. Ondernemers moet je op kansen
      aanspreken, zeggen ook anderen, en dat lukt steeds beter. Toch is het ook zeker
      geen gespeeld spel. Voormalig actievoerder Wijnand Duivendak onderschrijft
      bijvoorbeeld de voortgang, maar voegt toe: “Het is altijd afhankelijk van de hoog-
      ste, of die het dekt.” Gaat een bovenbaas weg en de opvolger dekt het niet meer,
      dan is het voorlopig afgelopen.
      Bovendien lijken beleidsmakers – ook hier – te kiezen voor een hybride opstelling.
      Actiegerichte ambtenaren weten dat ze niet langer ‘zaken’ moeten doen met
      middenveldkoepels of ngo’s, maar zich het beste direct kunnen richten tot de kop.
      De voorhoede in het bedrijfsleven loopt echter verder weg bij het peloton om niet
</pre>

====================================================================== Einde pagina 72 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 73 ======================================================================

<pre>72     vertrouwen in burgers
           te spreken van de reactieve ‘staart’, constateren zowel in- als outsiders. De kop-
           lopers voelen zich geremd door zowel het merendeel van de beleidsmakers als
           door de koepelorganisaties die zich naar hun mening te veel laten leiden door
           achterblijvers. De meeste brancheorganisaties, vooral in het midden- en klein-
           bedrijf, worden bevolkt door “redelijk behoudende mensen”. Het vno-ncw is
           “nog steeds georganiseerde achterhoede, gestolde belangen uit het verleden”,
           maar komt wakker geschud door grote koplopers in beweging, zeggen hoopvolle
           gesprekspartners.
   Marga Hoek van De Groene Zaak legt uit: je hebt de frontrunner groep, het peloton en de achter-
   blijvers. “De overheid zegt dan: ‘Als iedereen maar mee kan komen. We moeten zorgen dat er
   niemand achterblijft.’” Het heersende idee is “een soort zuigkracht van het peloton aan de achter-
   kant.” Ze verbaast zich: “Als je een veranderingsproces in je bedrijf wilt doorvoeren, dan doe je het
   omgekeerde. Het eerste wat je doet is kijken: welke koplopersgroep heb ik? Wie wil er? Wie heeft
   de drive? Wie kan laten zien dat het kan? Wie kan laten zien dat het succesvol is? En dat is de beste
   lokker voor je peloton en de beste overtuigingskracht aan de achterkant. En dat doen wij als over-
   heid bijna au contraire, mag je wel zeggen.”
2.3.4      andersbewegingen
           In de steeds complexere samenleving zien beleidsmakers zich vaker dan voorheen
           geconfronteerd met ‘onuitgenodigde’ maatschappelijke initiatieven van burgers
           die snel oplaaien, maar net zo plotseling weer afgelopen kunnen zijn. Bijna onver-
           anderlijk reageren ze afhoudend. Dergelijke initiatieven ontregelen immers de
           bestaande orde en zijn in hoge mate ongrijpbaar maar vooral ook onbeheersbaar:
           ze overkomen je. Nieuwkomers van hun kant voelen zich omringd door een
           cordon sanitaire, zeggen ze. Helemaal zonder reden is dat niet: hun activisme zet
           zich vaak af tegen de bestaande grootmachten en exploreert nieuwe wegen op
           zoek naar maatschappelijke doorbraken. In het vervolg op de andersglobalisten
           – die niet langer antiglobalisten genoemd wilden worden, omdat ze een positieve
           verandering nastreefden – verdient het daarom de voorkeur om niet van tegen-
           maar van andersbewegingen te spreken. Er is iets loos in de grotere maatschappij
           dat mensen verenigt in een gezamenlijk streven: iets moet ‘anders’. In ons veld-
           werk troffen we daarvan verschillende uitingsvormen aan, namelijk lokale poli-
           tieke partijen, eenmalig ‘oproer’ en massabewegingen.
           Lokale politieke partijen
           Lokale politieke partijen zijn de laatste jaren bezig aan een opmerkelijke opmars.
           Bij de gemeenteraadsverkiezingen van 2010 waren ze met elkaar – met vieren-
           twintig procent van de stemmen en 36 procent van de zetels – de grootste ‘partij’.
           Vrijwel alle oprichters zijn afkomstig uit de bestaande politieke partijen (zie ook
           Euser 2009). Zij waren vaak al actief in de lokale politiek en uit onvrede met de
           nationale partij of het lokale beleid richtten zij hun eigen partij op. Opvallend vaak
</pre>

====================================================================== Einde pagina 73 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 74 ======================================================================

<pre>                                                                          denken vanuit burgers   73
         was een ‘megalomaan’ project de aanleiding voor de nieuwe partij: in Winters-
         wijk, Oegstgeest en Albrandswaard was dat een nieuw gemeentehuis, in Almere
         Omniworld, in Nijverdal een groot winkelcentrum en in Wieringen de plannen
         voor het Wieringerrandmeer.
         Soms speelde er ergernis over de dominantie van de nationale politiek in gemeen-
         teraadsverkiezingen: nationale kopstukken en landelijke trends zijn te bepalend
         voor de uitslag. Als lokale partij kost het ook veel moeite om te worden gehoord in
         de provincie of bij het rijk. De lokale leiders – wij spraken met zeventien van hen –
         vertelden bijna zonder uitzondering dat zij de eerste keer werden buitengesloten
         tijdens de coalitieonderhandelingen, een lokaal cordon sanitaire. Het is kennelijk
         een kwestie van wennen: als ze hun succes bij een volgende verkiezing herhalen,
         komt vervolgens ongeveer tweederde in het college (Euser 2009: 99).
         De lokale partijen kenmerken zich ook door een ‘praktische politiek’, zonder grote
         ideologieën. Zij willen met concrete problemen van burgers aan de slag: “Het gaat
         gewoon om de kleine dingen.” Maar al die kleine dingen bij elkaar maken een
         ander soort politiek: “Onze ideologie is de burger centraal en dat is het dan.” Oost-
         stellingwerf heeft denktanks waarin mensen gevraagd wordt over een specifiek
         onderwerp mee te denken; Winterswijk heeft Charettes, waarbij inwoners in een
         vroeg stadium op plannen mogen schieten. De lokale leider van Montfoort maakt
         de afspraken bij mensen thuis, “buiten de gemeentebunker”. Eigenlijk is het heel
         simpel zeggen ze, het gaat om de 4K’s: Kerk, Kantine, Kapper en Kroeg. Als je daar
         komt, dan weet je wat er in de gemeente leeft.
“Toen ik wethouder werd, dacht ik: weet je wat, ik ga cafégesprekken organiseren.” Aan het woord
is Frits Huis, voorman van Leefbaar Almere. “Hebben we ook gedaan. Niet het café in, lekker
zuipen en niks doen. Nee: het café in, dat aankondigen, zorgen dat er ambtenaren bij waren.” Vaak
ging het helemaal niet alleen om klachten, maar om vragen en suggesties van bewoners. Alle
wethouders op één na waren enthousiast en deden mee. “Voordat ik het wist zat ik in een uitzen-
ding bij de vpro uit te leggen dat het misschien toch wel een aardig idee was om mensen gewoon
eens in cafés te ontmoeten.”
         Eenmalig ‘oproer’
         Burgers – hoger opgeleid en voorzien van betere communicatiemiddelen – kunnen
         zich makkelijker organiseren dan vroeger en ze doen dat ook. We wezen al op
         kopersstakingen en andere vormen van wisselwerking met het bedrijfsleven, maar
         ook elders is sprake van soms onvoorspelbare en moeilijk beheersbare vormen van
         ‘oproer’: correctie op voornemens van beleidsmakers. De 1040 uren-norm in het
         onderwijs, de acties tegen de baarmoederhals-vaccinaties en het Brabantse
         megastallendebat staan nog vers in het geheugen, maar ook het staand-bierdrink-
         protest van Ai!Amsterdam en het massale protest rond de voorgenomen uitwij-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 74 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 75 ======================================================================

<pre>74     vertrouwen in burgers
           zing van asielzoeker Mauro Manuel kunnen als voorbeelden gelden. Met steun van
           de lokale media weten ook veel kleinschalige initiatieven wonderlijk veel aanhang
           te verwerven.
           Eerdere spelregels rond burgerbetrokkenheid zijn daardoor achterhaald. Waar het
           vroeger moeilijk was om het vereiste aantal van 40.000 handtekeningen te verga-
           ren om een burgerinitiatief zoals Nederlandkrijgtnieuweenergie.nl in te dienen bij
           de Tweede Kamer, is dat zeker voor organisaties met een grote achterban relatief
           eenvoudig dankzij internet. Het tros Radar Panel kan een beroep doen op
           125.000 panelleden om desgewenst beleidsmakers of ondernemers ‘scherp’ te
           houden; oud-minister Eurlings benoemde een referendum onder anwb-leden als
           maatgevend voor zijn beleid rond de kilometerheffing.
           Het nieuwe oproer past vaak slecht binnen het systeemdenken van beleidsmakers.
           Toch leren de voorlieden op het maatschappelijk middenveld hun praktijklessen.
           Om succesvol te zijn moeten ze, zoals Ton Hanselaar van het kwf het uitdrukt,
           “aansluiten op wat wij zien als zijnde vitale ontwikkelingen.” Dat is best een
           worsteling, legt hij uit, want je hebt veel soorten spelers: “De wetenschappelijke
           onderzoeker die in de wetenschappelijke raad zijn advies meegeeft, de persoon die
           de straat op gaat om te collecteren, de persoon die een gigantische mega-actie
           start.”
   “We praten over honderdduizenden mensen. Als die kracht zich verzamelt vanuit die dikke ik, dan
   heb je ineens een ongelooflijk potentieel.” Ton Hanselaar van kwf Kankerbestrijding wijst op een
   pak rapporten dat zegt: ga aan de slag met dikke darmscreening. “De 1400 mensen per jaar die nu
   overlijden omdat er geen screening is, en de mensen die het hebben of er benauwd voor zijn het te
   hebben, die voelen een enorm ongenoegen. Van vele kanten in de samenleving kan ik me voorstel-
   len dat er een gemeenschap gaat ontstaan die een absolute kracht kan gaan ontwikkelen.”
           Massabewegingen
           Een derde opvallend blok wordt gevormd door massabewegingen van burgers die
           elkaar vinden in een gedeeld gevoel van een brede maatschappelijke onvree. In de
           complexe samenleving voelt een groot aantal burgers zich overvraagd. Zij zoeken
           het antwoord in ‘andere’ vormen van politiek: een duidelijk leiderschap dat voor
           hen de complexiteit kan duiden of oplossen, of stemmen met overslaan van volks-
           vertegenwoordigers, referenda of directe verkiezingen bijvoorbeeld.
   Volendam had het hoogste percentage pvv-stemmers bij de Europese verkiezingen van 2009
   (49,9 procent). Burgemeester Van Beek legt uit: “Ik vroeg aan een visser: waarom stem jij op de
   pvv? Hij zei letterlijk: ik wil weleens weer wat meer kunnen vissen, ik heb last van die quota.
   Ik zeg: dus jij hebt in dat programma van Wilders gezien dat je meer mag gaan vissen? Nee, nee,
</pre>

====================================================================== Einde pagina 75 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 76 ======================================================================

<pre>                                                                         denken vanuit burgers     75
maar als Geert Wilders komt, mag ik meer gaan vissen. Dat zat in zijn hoofd. Dat is heel typerend.
Mensen hadden het gevoel: als ik stem op Pim Fortuyn, of in dit geval dan Geert Wilders, dan mag
ik meer. Dan heb ik minder regels, dan heb ik minder overheid, heb ik meer vrijheid. Dat begrip
vrijheid. Dat is het enige echte houvast.”
       Het blok van de massabewegingen is echter verre van homogeen. Recent werd de
       wereld bijvoorbeeld verrast door de Occupy-protesten die, na een aanloop in New
       York, wereldwijd oplaaiden, in Nederland bijvoorbeeld in Amsterdam, Den Haag
       en Rotterdam. Kenmerkend is dat er nu juist géén sprake is van een centrale orga-
       nisatie. Amsterdamse initiatiefnemers – “er zijn geen organisatoren” – leerden
       elkaar twee weken tevoren kennen via Facebook. Ze legden uit: er is geen plan, wel
       een soort rudimentair manifest met als openingsregel: “Wij zijn woedend, omdat
       ten gunste van een moreel failliet bancair systeem onze maatschappij kapot wordt
       gemaakt.”
       Er geldt een soort internetspelregels: elk idee is welkom en als het overleeft –
       aanhang verwerft – is dat een deel van de invulling van de beweging. Mensen spre-
       ken ook in netwerkjargon. Een oudere ondernemer legt uit: “Elk individu hier is
       een cel, en geen van die cellen weet wat het organisme straks gaat doen.”4 Een
       medeactiviste: “Mensen die ergens goed in zijn, gaan uit zichzelf aan de slag.”5
       Door organische groei vormt zich zo waar ‘we’ naar toe willen of, zoals een jonge
       studente het samenvat: “Eindelijk gaat er iets gebeuren. Wat precies, weet ik nog
       niet. Maar dit gaat over moraliteit, en daar wil ik bij zijn.”6 Het is nog te vroeg
       voor oplossingen, zeggen de bezetters.
       Het is bijna dezelfde les die Justus Uitermark (2011) trok na zijn praktijkverken-
       ning van de online sociale beweging Anonymous. Het grote Anonymous netwerk
       – meer dan 550 berichten per minuut – wordt gekenmerkt door “coördinatie
       zonder ordenaar”: mensen ‘praten’ via het net met elkaar en vormen zo een identi-
       teit. Kwaliteit ontstaat en besluiten worden genomen door collectieve selectie en
       aanpassing: deelnemers corrigeren werkendeweg fouten en voorstellen stijgen op
       de actielijst van het collectief als ze voldoende aanhang verwerven.
       Dat leidde in eerste instantie tot een vorm van collectief vermaak, zoals Uitermark
       het stelt: soms hilarisch, vaak smakeloos, maar in de regel pretentieloos. Ter illus-
       tratie: de voorpagina van een vereniging voor epilepsielijders werd vervangen
       door draaiende afbeeldingen die tot epileptische aanvallen kunnen leiden. Dat
       werd anders toen de in de hackerscultuur diepgewortelde weerzin tegen hiërar-
       chie en geheimhouding als een soort onderliggend ‘geloof’ ging fungeren. De
       actievormen zijn door de open en decentrale structuur in hoge mate onvoorspel-
       baar en – belangrijk voor beleidsmakers – nauwelijks beheersbaar. Ze kunnen zich
</pre>

====================================================================== Einde pagina 76 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 77 ======================================================================

<pre>76 vertrouwen in burgers
      richten tegen overheden – vaak een ‘uitdaging’ waar het betreft hiërarchie en
      geheimhouding – maar ook voor gedeelde goede doelen.
                                                 ***
      Een van de meest indringende lessen die wij leerden is om te denken vanuit de
      burger. Burgers zijn op verschillende manieren betrokken. Wij maken een onder-
      scheid tussen beleidsparticipatie, maatschappelijke participatie en maatschappe-
      lijke initiatieven. Bij de eerste twee ligt het voortouw bij beleidsmakers en ‘mogen’
      burgers meedoen, bijvoorbeeld door inspraak of vrijwilligerswerk. Burgers
      ontplooien echter in toenemende mate maatschappelijke initiatieven. In de prak-
      tijk blijkt dat deze ‘velden’ elkaar overlappen, en juist op die raakvlakken gebeurt
      veel. Dat is zeker het geval wanneer (groepen) burgers worden uitgedaagd op
      onderwerpen die passen bij hun behoeften en kwaliteiten. Succesvol betrokken-
      heidsbeleid onderkent de verschillen en weet daarop in te spelen. Bovendien
      houdt zulk beleid rekening met de veranderende posities van maatschappelijke
      instellingen en niet-gouvernementele organisaties en de komst van nieuwe spelers
      op het speelveld van betrokkenheid, met name de koplopers in het bedrijfsleven
      en een breed scala van andersbewegingen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 77 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 78 ======================================================================

<pre>                                                              denken vanuit burgers  77
noten
1   Participatieladder van het voormalig Instituut voor Publiek en Politiek, onderdeel
    van het Huis voor democratie en rechtsstaat: www.participatiewijzer.nl
2   Metro, 1 december 2011.
3   nrc Handelsblad, 25 augustus 2011.
4   de Volkskrant, 17 oktober 2011.
5   nrc Handelsblad, 17 oktober 2011.
6   de Volkskrant, 17 oktober 2011.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 78 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 79 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 79 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 80 ======================================================================

<pre>                                                                                          79
3     randvoorwaarden voor succes
      Waarom leidt burgerbetrokkenheid soms tot bevredigende resultaten en soms
      niet? Natuurlijk is ‘succes’ niet eenduidig te omschrijven. Burgers beschouwen
      hun inbreng als succesvol indien het een gewenste oplossing dichterbij brengt;
      minimaal willen ze serieus worden genomen. Beleidsmakers hopen draagvlak te
      versterken of – soms – nieuwe ideeën op te doen, maar zijn vaak ook al tevreden met
      een groot aantal deelnemers. “Het is heel moeilijk te zeggen wat bij dit soort dingen
      een succes is. Bij drie goede ideeën of als er een paar honderd omwonenden betrok-
      ken zijn of als 3.000 mensen een idee hebben ingediend?” constateerde een ervaren
      procesbegeleider. Dat gezegd zijnde, zijn er blijkens ons veldwerk drie randvoor-
      waarden van toepassing: zonder sleutelfiguren, respect voor burgers, en evenwicht
      tussen loslaten en sturen wordt het niks. Is echter in voldoende mate voorzien in
      deze randvoorwaarden, dan kan er veel waar het burgerbetrokkenheid betreft.
3.1   sleutelfiguren
      Burgerbetrokkenheid begint bij mensen: sleutelfiguren die het verschil maken.
      Vooral maatschappelijke initiatieven bestaan bij de gratie van trekkers: mensen die
      de kar trekken. Op alle velden van betrokkenheid is echter een – onderschatte –
      hoofdrol weggelegd voor verbinders: mensen die een verbinding kunnen leggen
      tussen verschillende groepen en netwerken en die mensen met de juiste personen
      in contact kunnen brengen.
3.1.1 trekkers
      Ieder succesvol maatschappelijk initiatief heeft minimaal één trekker die bereid is
      om aan een onderwerp of project te sleuren. In Vertrouwen in de buurt maakten
      we kennis met velen van hen. Ze ‘gonsden’ aan het schoolhek, gaven leiding aan
      buurtverenigingen, trokken ten strijde tegen naderend onrecht. Ook in deze inter-
      viewserie waren ze er weer: de trekkers van het burgerprotest tegen de megastal-
      len, de voorlieden van een buurtwacht of straatnetwerk, de stille krachten achter
      een buurtwebsite, de oprichters van een ngo of van een sociale onderneming (Van
      den Brink 2012).
      “Het zijn de reddingsboeien van de wijk,” zegt de Rotterdamse wijkcoördinator
      Kees Flameling. Hij maakte het vele jaren van beide kanten mee. Ook zijn
      Tilburgse evenknie Willem Bongaarts aarzelt niet: “Je hebt, hoe je het ook wendt
      of keert, een aantal mensen nodig die een beetje lef hebben. Ondernemers die risi-
      co’s durven te nemen.” Wij spraken met velen van hen, mensen met een passie
      voor een bepaald onderwerp of voor hun leefomgeving. Vaak liepen ze ver voor ‘de
      troepen’ uit in een omgeving die daar nog niet klaar voor was. De trekkersfunctie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 80 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 81 ======================================================================

<pre>80 vertrouwen in burgers
      vergt daarom vasthoudendheid, zoals een van onze zegslieden het uitdrukte:
      mensen die het woordje ‘nee’ niet kennen en doorgaan waar ‘verstandige’ mensen
      ophouden. Mensen die ook bereid zijn om zich voor vele jaren aan een onderwerp
      te verbinden, zoals Corry Keller, die samen met haar buren een tienjarige strijd
      heeft gevoerd over het behoud van een pleintje in Watergraafsmeer als ‘voetbal-
      veld voor de jongens.’ Toen het geld voor de advocaat op was, ging ze letterlijk
      langs de deuren: “Dan zeiden ze: ‘Wat doet u?’. Ik zeg: ‘Nou, wij doen 100 euro.’
      En dan zeiden ze: ‘Dan doen wij dat ook.’”
      Ook de meeste ngo’s en sociale ondernemingen, hoe groot zij ook in de loop van
      de tijd zijn geworden, beginnen met een initiatief van een individu of een kleine
      groep mensen. Zoals de StadsSpelen die werden bedacht door Steven van de
      Vijver samen met twee maten, of War Child dat op een zolderkamer werd opge-
      richt door Willemijn Verloop: “De oprichting was met toestemming van mijn
      toenmalige baas, Mabel Wisse Smit. Dat moest wel, want ik deed het ten slotte
      ook voor een groot deel in de tijd van de baas.” Altijd zijn er met naam en toenaam
      mensen die hun nek uitstaken: de Wagenwerkplaats in Amersfoort heeft Joke
      Sickman op kop, bij De Kamers zijn het Jos van Oord en Jan van der Meulen, en bij
      de Pendrecht Universiteit Bien Hofman.
      Trekkers zijn gedreven, het veldonderzoek van Gabriël van den Brink (2011; 2012)
      getuigt daarvan in vele toonaarden. Ze zijn echter ook onzeker: gaat dit idee van
      ons werken, kunnen we ons ideaal dichterbij brengen? Nieuwe initiatieven
      worden vaak sceptisch ontvangen: ‘doe eens gewoon’, om het in politieke termen
      uit te drukken. Je neemt een bewijslast op je, zegt bijvoorbeeld Willemijn
      Verloop: “Is hetgeen wij in handen hebben, van toegevoegde waarde op wat er al
      bestaat in de markt?” Heeft onze maatschappelijke bijdrage – bij War Child
      psychosociale vredesopbouwprojecten middels creatieve activiteiten voor kinde-
      ren in oorlogssituaties – echt een toegevoegde waarde binnen een totaalpakket?
      “Want we werden uitgelachen in het begin: triangels op een slagveld, wat doen
      jullie in godsnaam?!”
      De sleutel voor succes is gelegen in de eerste volgers die een idee omarmen. Rinske
      van Noortwijk liet een filmpje van een popconcert zien (YouTube 2010): “Eén
      jongen begint heel fanatiek te dansen op die muziek. Je ziet die jongen wel twee
      minuten dansen, in z’n eentje, dat is heel lang voor een filmpje. En op een gegeven
      ogenblik gaat er een jongen mee dansen. En dan duurt het veel minder lang totdat
      er een tweede en een derde volgen, en het eindigt met dat die hele helling leeg-
      stroomt en mensen joelend, hollend naar beneden rennen en dat die hele massa
      begint te dansen.” Om beginnende initiatiefnemers over die drempel te helpen
      richtte zij Greenwish op: “Omdat wij die first believer zijn. Wij dansen als eerste
      met iemand mee.” Met haar maten vergezelt ze bijvoorbeeld onzekere trekkers bij
      een eerste gesprek bij de gemeente. “Dat geeft meer vertrouwen.”
</pre>

====================================================================== Einde pagina 81 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 82 ======================================================================

<pre>                                                                   randvoorwaarden voor succes         81
           Dansen anderen mee, dan moet ergens plaats worden gemaakt voor de nieuwko-
           mers en “dan wordt het ingewikkeld”, zegt Van Noortwijk. “Die initiatieven
           hebben geen naam of organisatie achter zich. Je kunt ze negeren, en dat wordt
           massaal gedaan.” De trekkers van het eerste uur staan dan vaak ook voor een
           moeilijke keus: doorhappen of stoppen. Je moet ook professionaliseren: best prac-
           tice nastreven, zoals Verloop het uitdrukt, maar dan wordt het vaak bijna een
           voltijds baan. Na twee en een half jaar inzet constateerde een bevlogen trekker:
           “Ik heb er nu zoveel tijd in gestoken, mijn vrouw vindt het niet meer zo leuk, mijn
           baas vindt het niet meer zo leuk. Dan merk je dat je het eigenlijk niet meer kan
           volhouden.”
           Soms doven de initiatieven dan, maar vaak blijft het vuurtje als een ondergrondse
           veenbrand smeulen. Siegfried Woldhek bestudeerde als initiatiefnemer van
           Nabuur hoe buren in geval van nood de kennis en middelen die nodig zijn, mobili-
           seren in een spontane projectorganisatie. “Als het dan gedaan is, zakt iedereen
           weer in zijn rol als buur en vijf jaar later doet zich opnieuw iets voor en dan
           ontstaat uit die populatie weer een nieuwe subgroep die het volgende klusje
           aanpakt.” Anderen, zoals Willemijn Verloop, happen door en proberen op het
           snijvlak met beleidsparticipatie hun initiatief door te ontwikkelen tot een ngo.
           Weer anderen ontpoppen zich op het snijvlak van maatschappelijke participatie
           als sociale ondernemers met een kleurrijk scala van zorgdiensten zoals Resto
           Van Harte, De Opvoedpoli, Buurtzorg. Het onderscheid met de koplopers in het
           ‘normale’ bedrijfsleven is soms klein, maar steeds is er die combinatie van maat-
           schappelijke doelstelling en financiële continuïteit die de trekkers voortstuwt.
   “Toen ben ik gaan kijken: kunnen we dit niet verder brengen en hoe doe je dat dan?” Na het eerste
   succes van Computerwijk meldde trekster Wilma Borgt zich aan bij het Oranjefonds, “want ik had
   eigenlijk geen benul van hoe zo’n organisatie er dan uit zou moeten zien.” Hun ‘groeicursus’ ging
   uit van een eenvoudige filosofie: “Kijk nou eens wat lokaal werkt en pik dat op en maak dat groter.
   Kies nou een aantal dingen uit die gewoon bewezen werken en stop daar je energie in.” Vooral de
   wisselwerking met twintig lotgenoten was buitengewoon zinvol: “Dat is een heel hechte groep
   geworden, die continu met elkaar uitwisselt: hoe doe jij dat nou?” Ze noemt zichzelf nu sociaal
   ondernemer met 35 locaties in zes steden (www.conputerwijk.nl). “Het is gewoon ondernemer-
   schap. Op een andere manier.”
3.1.2      verbinders
           Niet alleen bij maatschappelijke initiatieven, maar ook bij beleids- en maatschap-
           pelijke participatie is het opbloeien van burgerbetrokkenheid afhankelijk van de
           aanwezigheid van gerespecteerde verbinders. Verbinders zijn te vergelijken met
           ‘tweetaligen’; ze kunnen zich bewegen in verschillende netwerken, kunnen de
           brug slaan tussen groepen burgers aan de ene en beleidsmakers of bestuurders aan
</pre>

====================================================================== Einde pagina 82 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 83 ======================================================================

<pre>82     vertrouwen in burgers
           de andere kant. Ze kunnen ervoor zorgen dat mensen bij de juiste personen
           terechtkomen, dat twee groepen met verschillende achtergronden en culturen
           toch samen kunnen werken en dat mensen voor wie ‘de overheid’ ver weg lijkt,
           ‘via via’ een ingang hebben. Idealiter is er iemand in de groep zelf aanwezig die het
           contact met de beleidsmakers kan leggen. Als die persoon er niet is, kan een front-
           lijnwerker de rol van verbinder vervullen. Hieronder bespreken we twee typen
           verbinders: de interne en externe verbinders (zie ook Van Hulst et al. 2011).
           Interne verbinders
           Interne verbinders vervullen een belangrijke rol: ze zijn in staat effectief contact te
           onderhouden met zowel andere (groepen) burgers als beleidsmakers. Ze verdienen
           die positie in eigen kring door hun inzet, maar ook door hun kennis en verbin-
           dende kwaliteiten. Het zijn vaak mensen die door opleiding, werk of andere
           contacten iets verder kunnen kijken dan de eigen kring. Of zoals een Friese burge-
           meester het kernachtig uitdrukte: “Als je in een dorp maar één of twee ‘pomme-
           ranten’ [wrr: Fries voor prominenten] hebt die een brief kunnen schrijven en zo,
           dan kan er heel veel.”
   “Nabuurschap is een fenomeen van over de hele wereld,” zegt Siegfried Woldhek. Hij speelt met
   zijn website www.nabuur.com in op het zelforganiserende vermogen van mensen. “Als 30 of 50 of
   100 mensen bij elkaar wonen en er is echt iets aan de hand, dan ontstaat er op een gegeven moment
   een beweging waarbij een paar mensen zeggen: hier moeten we wat aan doen. Het woont niet
   lekker als er zo vlakbij echt iets misgaat en bovendien, het kan ons ook overkomen. Dan zegt
   iemand: vrijdagavond bij mij thuis, wie heeft zin? Dan komen er uit zo’n buurtje van vijftig
   mensen vijf of acht, wie maar tijd of gelegenheid of zin heeft. Dan zegt de een: ik zou wel willen,
   maar ik weet daar niets van. De tweede kan er ook niets mee, maar de derde zegt: ik heb een zwager
   of ik ken iemand op mijn werk die daar mee bezig is. Langs die weg komt dan de kennis en ervaring
   binnen die nodig is. Dus die buren zelf zijn niet de experts of geldschieters, maar ze mobiliseren
   wat nodig is aan kennis en contacten.”
           Verbinders zijn vertrouwenspersonen in eigen omgeving en de contactpersonen
           binnen de overheidskolom onderkennen hun kwaliteiten. De kracht van Leo
           Olffers, vertelt wijkmanager van het Haagse Laakkwartier Marc Prins, is gelegen in
           zijn netwerkkwaliteiten: “In elke straat heeft hij een paar mensen zitten die zijn
           oren en ogen zijn en daardoor ook onze oren en ogen. Dat werkt heel goed.” De
           Rotterdamse wijkcoördinator Kees Flameling verhaalt van “een motortje” in zijn
           Oud Charlois: galeriehoudster Jannie Hommes: “zij doet zo ontzettend veel voor
           en met kunstenaars, en met mensen uit de buurt.” Dat is ook zo’n dynamo. “Als je
           die niet hebt, kan je wel allemaal projecten de wijk in jassen, maar dan gebeurt er
           niks.”
</pre>

====================================================================== Einde pagina 83 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 84 ======================================================================

<pre>                                                     randvoorwaarden voor succes    83
Ook beleidsmakers op grotere afstand onderkennen de sleutelrol van de interne
verbinders. Jacqueline Tammenoms Bakker las als directeur-generaal binnen het
voormalige ministerie van Verkeer en Waterstaat 400 verbetervoorstellen voor
Schiphol. “Dat was buitengewoon zinvol,” zei ze. “De burgerinbreng bevatte
belangrijke inhoudelijke informatie, maar meer nog dan dat: het was direct duide-
lijk wie er binnen de groep echt gepassioneerd betrokken waren en als spreekbuis
fungeerden voor ‘een achterban’.” Die mensen werden uitgenodigd voor het
vervolgoverleg. Voormalig Greenpeace-directeur en GroenLinks Kamerlid Lies-
beth van Tongeren vertelde dat de politie de – bekende – verbinders onder de acti-
visten bij een actie niet in een (te) vroeg stadium van de kade plukt om overmatige
of onbedoelde escalatie in te perken.
Externe verbinders
In geval van afwezigheid van interne verbinders zijn externe verbinders wenselijk.
Zowel onze eerdere onderzoeken (wrr 2005; wrr 2009) als nu weer een groot
aantal interviews wijzen in de richting van gerespecteerde frontlijnwerkers vanuit
de gemeente, het welzijnswerk, de sport, de wooncorporaties, de politie en het
onderwijs. Het gaat om wijkcoördinatoren, opbouwwerkers, dorpswerkers,
supporterscoördinatoren, buurtconciërges, buurtagenten en bijzondere docenten.
Meer en meer stellen gemeenten participatiemakelaars of wijkmanagers aan met
als speciale taak om maatschappelijk initiatief op weg te helpen (Polstra en Van
Houten 2010).
Het zijn mensen die met naam en toenaam bekend zijn: in Schiemond is het wijk-
agent Dirk, in Gouda participatieambtenaar John, in Bolsward milieuman Job, in
Midden-Drenthe welzijnswerkster Albertje. Maar het zijn vooral herkenbare
mensen. Elke boer heeft bijvoorbeeld twee of drie ‘erfbetreders’: vertrouwensper-
sonen, zoals de accountant of de veearts. Moeilijk bereikbare burgers behoeven
ook speciale tussenpersonen: senioren voor senioren, doven die de gebarentaal
machtig zijn, zwarte dochters die zwarte moeders kunnen bereiken.
Externe verbinders moeten geloofwaardig zijn aan twee kanten. Het gaat om
‘kennen en gekend worden’. Bij thuiswedstrijden van ado Den Haag bijvoorbeeld
staat de politie, herkenbaar aan felgele jacks, tussen de supporters op de tribune.
Een paar jaar geleden waren ze nog in burger en weer eerder was alleen de me, in
vol tenue, duidelijk zichtbaar opgesteld. De huidige aanpak is veel minder
confronterend. Agent Hans Nering Bögel, voetbalcoördinator binnen Politie
Haaglanden: “Je kan ook nog eens zeggen: joh, doe dat nou niet.” De harde kern
heeft vaak ook wat problemen buiten het stadion en dan helpt het soms als de
politie dichtbij is: “We kunnen ook wat voor ze doen.”
De uitdaging is voor verbinders gelegen in ‘proximité’ – nabijheid – zoals een
wijkwerker het uitdrukte: veel aanwezig zijn en zo de brug vormen tussen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 84 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 85 ======================================================================

<pre>84    vertrouwen in burgers
         bewoners enerzijds en corporaties, scholen, gemeente anderzijds. Naast een fysiek
         wmo-loket heb je volgens wethouder Jantine Kriens ook ‘een mobiel wmo-loket’
         nodig: “iemand die in de wijk zit, mensen opzoekt en begrijpt hoe die informele
         netwerken lopen.” “Niet weer een nieuw bureautje maken, maar zorgen dat je in
         de wijk bent”, zegt ook oud-wijkcoördinator Kees Flameling. “Het is altijd
         hetzelfde verhaal: ga kijken, ga even bij die mensen langs. Het kost een kwartiertje
         en je bent nog even buiten ook. Dat werkt. Dan heb je tevreden mensen.”
         Verbinders zijn er in alle kleuren en maten. De Klimaatstraat in Bolsward heeft
         gemeenteambtenaar Peter die zorgt dat de buurtvereniging een concreet
         aanspreekpunt heeft. Hij helpt bij het aanvragen van vergunningen, regelt ‘zaken’
         met de afdeling Bouwzaken en Milieu. In de Tilburgse Kruidenbuurt ervaren
         mensen een groter gevoel van veiligheid, zegt voormalig wijkcoördinator Willem
         Bongaarts. “Dat komt denk ik vooral doordat er een paar geweldige wijkagenten
         rondlopen.” Enige continuïteit is cruciaal, zegt ook Flameling: er wordt te snel
         gewisseld en goede mensen worden naar boven gezogen. Zijn antwoord op de
         Sinterklaasvraag spreekt boekdelen: “Maak het straatwerk aantrekkelijk. Uitda-
         gender hoeft niet, dat is het vanzelf al, maar zorg dat het beneden belangrijk is. Dat
         mensen daar ook kunnen blijven, als ze daar talent voor hebben. Slorp ze niet op
         in de papieren top.”
         Wat kunnen beleidsmakers en bestuurders van de maatschappelijke instellingen
         – veelal de thuisbasis van de externe verbinders – doen? Weer zijn de voormalige
         wijkcoördinatoren het – los van elkaar – eens: “Zorg ervoor dat die mensen waar-
         dering krijgen.” Ze waarschuwen: externe verbinders ‘leven’ in twee werelden.
         Ze passen niet altijd goed binnen hun thuisorganisatie, marcheren soms ook
         dwars door de porseleinkast en niet iedereen is daar blij mee. “Dat ongewone, dat
         is het lastige natuurlijk. Werken in de wijk is omgaan met het ongewone. Zorg
         ervoor dat het in de organisatie is geborgd.” Onze zegslieden lachen. “Dus zet ook
         gewoon ongewone mensen in het management,” zegt de een. “Zorg voor bestuur-
         ders die dit soort rare snuiters blijven dekken, want alleen dan heb je de durf en de
         ruimte om buiten begane paden te treden,” zegt de ander. Hij boft, ‘zijn’ wethou-
         der kent zijn plaats binnen het stadhuis: “Mijn rol is Willem vrij te houden.”
         Binnen het gemeentelijk apparaat weten ze: met Willem moet je meewerken.
3.1.3    ketens en netwerken
         Zelden is er sprake van één verbinder, maar is er een estafette van verbinders die in
         een keten de afstand tussen burgers en beleidmakers (bijvoorbeeld tussen buurt-
         bewoner en wethouder) overbruggen. In vrijwel alle praktijksituaties blijken
         formele én informele netwerken van groot belang. Een netwerk ontstaat op
         verschillende manieren. Bij toeval, omdat mensen elkaar tegenkomen in de buurt,
         rond een gezamenlijk belang of activiteit. Een netwerk kan ook bewust worden
</pre>

====================================================================== Einde pagina 85 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 86 ======================================================================

<pre>                                                                  randvoorwaarden voor succes         85
         ontwikkeld, door gericht mensen met verschillende achtergronden of uit verschil-
         lende organisaties een gemeenschappelijke opdracht te geven.
         Het zijn vaak de maatschappelijke instellingen die de hoofdrol vervullen bij de
         netwerkvorming. Wooncorporatie Ymere in Amsterdam bijvoorbeeld vormt
         ketens van verbinders om verschillende lagen (bewoners, vertegenwoordigers van
         bewoners, medewerkers van de organisatie, team-/wijkmanagers en het hogere
         management) met elkaar te verbinden. Het bestuur van Ymere heeft contact met
         managers, die weer in contact staan met buurtvertegenwoordigers, die op hun
         beurt weer in contact staan met bewoners. Terwijl de managers een brug proberen
         te slaan tussen hun bazen bij Ymere en de verschillende vertegenwoordigers van
         buurten, dienen de buurtvertegenwoordigers een brug te slaan tussen bewoners
         en de managers.
In de kleine Rotterdamse achterstandsbuurt Schiemond – minder dan 5000 inwoners, 80 nationa-
liteiten, in 2001 derde van onderen op de veiligheidslijst van Rotterdamse buurten (Directie Veilig-
heid Gemeente Rotterdam 2010) – werd wooncorporatie Woonbron na een fusie ‘huisbaas’. Voor-
malig directeur Martien Kromwijk benoemde zes (!) buurtconciërges met de opdracht te zorgen
voor ‘schoon, heel en veilig’. Er werd een buurtwacht opgericht die nog steeds actief is. Basisschool
De Boog bouwde bij, een Cruyffveldje verrijkte het voorzieningenscala. De buurt heeft zichzelf bij
de broekriem. Schiemond scoorde in 2009 een 8 op de veiligheidsindex en kreeg in 2010 het label
‘veilig’ (Gemeente Rotterdam 2010). Het aantal buurtconciërges kon worden teruggebracht tot
vier. De corporatie werkt actief aan de wederzijdse verbinding. Zo wordt eens per kwartaal een
buurtlunch georganiseerd waar een dikke veertig intern en extern betrokkenen met elkaar praten
over ‘hun’ buurt. Mensen van de school, de speeltuin, de buurtwacht praten met wijkagent Omar,
buurtconciërges, welzijnswerkers, én met hun bazen.
         Goede verbinders kennen de informele netwerken: wie zijn hier trekkers, wie
         vormen de belangrijke schakels tussen de verschillende groepen, wie kent prak-
         tisch ‘iedereen’? Albertje Nienhuis, beter bekend als ‘de koningin van de Drentse
         dorpen’: “Je moet weten hoe groepsprocessen werken, je moet weten hoe zo’n
         samenleving in elkaar zit. Je moet zorgen dat de hoogste baas in het dorp gedoogt
         dat jij daar aan het werk bent en dat je ook het middenkader meekrijgt. Dat die je
         gewoon steunt, want daar moet je het van hebben in de beweging, het middenka-
         der.” Gea Lunsing, binnen de gemeente Hoogeveen ambtelijk trekster van De
         Smederijen, onderschrijft haar ervaring: “Als je ergens in een werkgebied begint,
         ga je als gebiedsregisseur eerst praten met een aantal mensen van wie je weet: dat
         zijn bewoners die verder kunnen kijken in de buurt. En dan ga je in gesprek: wie
         zouden daar nou nog meer kunnen organiseren, wie zou interesse hebben om aan
         de slag te gaan?”
</pre>

====================================================================== Einde pagina 86 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 87 ======================================================================

<pre>86     vertrouwen in burgers
   Cees de Wit, al veertig jaar de Sinterklaas van Volendam en in zijn vrije tijd directeur van een groot
   seniorencentrum, gaf ons bijles: hoe functioneren netwerken binnen een hechte gemeenschap van
   22.000 inwoners? “Kennis is niet onbelangrijk in Volendam, maar kennissen zijn zeker zo belang-
   rijk,” vertelt hij. In de hoofdstad van het vaderlandse netwerken zijn de lijnen kort en mensen
   direct. Het gaat dus om het vinden van een gepaste afstand. De Wit: “De directeur kan heel goed
   met zijn jongste werknemer in de vakantie twee weken naar Spanje of naar het Gardameer, want
   toevallig zijn de vrouw van de jongste bediende en de vrouw van de directeur nichtjes of woonden
   vroeger bij elkaar in de straat.” Uit de pas lopen in de zin van je eigen dingen doen of uitblinken
   mag, zolang je maar respect hebt voor het collectief, zegt De Wit, en dat wordt bevestigd door
   directeur Jaap Schilder van de Stichting Buurt- & Clubhuiswerk Volendam. De kracht van Volen-
   dam zit in de sterke gemeenschapszin, legt hij uit, maar tegelijkertijd kunnen mensen iets nieuws
   inbrengen dat het netwerk in beweging kan brengen.
   Boven het netwerk van de gemeenschap vormen kopstukken een tweede netwerk; zoals corpora-
   tiedirecteur Fred de Boer het uitdrukt: “Je ziet ook overal wel veel dezelfde spelers terugkomen in
   die verenigingen en stichtingen.” Dat heeft een sterk ons-kent-ons karakter met strakke, informele
   spelregels. Die zijn wel sterk veranderd, constateert ondernemer en voetbalvoorzitter Henk Kras:
   “De lokale politiek, de notaris, de pastoor, de veldwachter, de arts, de wethouder en de burgemees-
   ter maakten de dienst uit in het dorp en alle anderen waren klootjesvolk, die durfden hun mond
   niet open te halen. Nu is het gewoon zo dat iedereen zijn mond openhaalt tegen iedereen en dat je
   nu niet meer zulke politiek kunt bedrijven als dertig, twintig jaar geleden.” Wil je dus wat beteke-
   nen binnen de gemeenschap, moet je zo’n positie verdienen en je hebt bovendien een voorbeeld-
   functie waarnaar je je moet gedragen.
           Onze gesprekken getuigden vooral van het belang van informele netwerken die
           voortbouwen op formele netwerken. Dan blijken veel ‘gewone burgers’ in het
           nadeel. Joke Sickmann, in Amersfoort de initiatiefneemster van de Wagenwerk-
           plaats, liet geen twijfel: “Als doorsnee burger zit je niet in dat netwerk, je kent
           geen mensen, je weet niet hoe je er moet komen, je weet niet bij wie je moet zijn,
           je weet dat als je een vraag gaat stellen, je niet serieus genomen wordt.” Lennart
           Booij kan zich daar kwaad over maken: “De gemiddelde burger is kansloos en dat
           is heel erg fout. Kijk, jij en ik weten de weg, maar als je die niet kent en geen vrien-
           den hebt op de juiste plaatsen, heb je geen schijn van kans. Dan word je zo afgeser-
           veerd.” Met name ‘van boven’ moeten beleidsmakers en bestuurders bereid zijn
           hun hand uit te steken naar degenen die dat nodig hebben.
   Er zijn niet veel organisaties, scholen of andere groepen in Laak waar Fatima Bouhalhoul, hoofd
   van de bibliotheken, niet van weet, en waarmee het haar niet lukt om gezamenlijk iets te organise-
   ren. Ze organiseert activiteiten met ouderen, met kinderen, met Poolse vrouwen, en kreeg de
   mannen van het Marokkaans vadercentrum zo ver dat ze in het kader van de week van de liefde,
</pre>

====================================================================== Einde pagina 87 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 88 ======================================================================

<pre>                                                                   randvoorwaarden voor succes     87
een brief schreven aan hun vrouw of dochter. Maar haar contact met de centrale gemeente loopt
toch vaak via Leo Olffers; hij kent de mensen en weet precies wie hij moet hebben. Ook met stads-
deeldirecteur Marc Prins werkt ze graag: “Als ik roep: ‘ik ga dit of dat doen’, dan zegt hij: ‘wij
ondersteunen je: zet het op papier, en daar komen we wel uit.’ Hij vertrouwt mij, want ik maak
waar wat ik zeg te gaan doen.” Fatima is omgekeerd ook een waardevolle verbinder voor Prins: via
de avonden die zij organiseert, komt hij in contact met moeilijk bereikbare doelgroepen.
       De noodzaak van een helpende hand spitst zich toe bij maatschappelijke participa-
       tie: aan de frontlijn wordt een een-op-eenverbinding gelegd en de eerste verbinder
       (vaak burgers, soms frontlijnwerkers) moet dan kunnen terugvallen op een
       tweede lijn van professionals die zo nodig weer kunnen doorverbinden met meer
       gespecialiseerde achtervang. Je moet, zegt de Rotterdamse filosoof Henk Ooster-
       ling, “zowel op het organisatorische als op het werkniveau voortdurend netwer-
       ken opentrekken en verbindingen maken. Mensen vallen dwars door hun kapot
       getrokken netwerk heen vaak te pletter op de werkelijkheid, dus om die netwer-
       ken te herstellen en van vangnetten trampolines te maken moet je zoeken naar
       hun positieve motivatie: waar zijn ze in geïnteresseerd?” Hij noemt een voor-
       beeld: “Een Congolese vrouw had goed contact met de vrouw die taalles gaf. Dat is
       het contact waar je dan op moet gaan zitten.”
       Oosterling onderscheidt nog een derde, strategisch niveau: dat van de bestuurders
       en beleidsmakers die met elkaar moeten overeenkomen dat hun frontlijn zo mag
       werken. Alleen met die duidelijkheid en de zekerheid van rugdekking kunnen de
       vlechtwerkers aan de frontlijn ontkokerd met elkaar praten over hun cliënten, hun
       informele netwerken in kaart brengen en integraal handelen. Dat vraagt op alle
       drie niveaus om een wil tot samenwerken ten behoeve van het gedeelde, goede
       doel.
       Ook online-initiatieven winnen aan kracht door zich met andere projecten te
       verbinden. BuurtBuzz is een succesvolle buurtwebsite in Gouda gericht op het
       versterken van de onderlinge relaties tussen buren. Daarvoor worden bewust
       verbindingen gelegd met de offlineverbinders zoals wijkagenten, die BuurtBuzz
       kunnen gebruiken voor urgente oproepen. De Verbeterdebuurt-applicatie werd
       ingebed in de BuurtBuzz-applicatie, zodat bewoners direct op de kaart van hun
       eigen buurt kunnen aangeven wat er naar hun mening kan worden verbeterd. De
       gemeente Amsterdam lanceerde samen met een architectenbureau via LinkedIn de
       Braakliggende Terreinen Kaart waarop burgers en beleidsmakers ideeën inbrengen
       voor een passende, veelal tijdelijke invulling. De eerste moestuinen en speelplek-
       ken (met bamboebos) zijn inmiddels ingericht en dit goede voorbeeld doet elders
       goed volgen.1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 88 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 89 ======================================================================

<pre>88     vertrouwen in burgers
3.2        respect voor burgers
           Een ervaren procesbegeleidster constateerde het met pijn in het hart: “De alge-
           mene rolopvatting is toch nog steeds dat bestuurders weten wat ze willen, ambte-
           naren over alle kennis beschikken en burgers vooral denken vanuit hun eigenbe-
           lang” (Projectdirectie Sneller & Beter 2010: 42). Zonder respect voor burgers mag
           je geen werkelijke betrokkenheid verwachten. Ons veldwerk is daarom een bron
           van inspiratie voor een zorgvuldig proces: beleidsmakers kunnen betrokkenheid
           ondersteunen door burgers serieus te nemen, door zorg te dragen voor een voort-
           durende informatie-uitwisseling, en door het waarborgen van een scherpe focus:
           wat kan wel en wat kan niet.
3.2.1      serieus nemen
           In bijna alle interviews hoorden we het terug: mensen willen serieus worden
           genomen. In ons veldwerk richtte de kritiek zich op de procedures voor de formele
           beleidsparticipatie. Er wordt slecht geluisterd, er wordt niet gereageerd, mensen
           hebben het gevoel dat er over hun hoofd heen dingen worden besloten zonder dat
           ze daarover zijn geïnformeerd. Mensen begrijpen meestal wel dat ze hun zin niet
           kunnen krijgen, als hun argumenten maar wel meegenomen zijn in de besluitvor-
           ming. Eigenlijk is het een kwestie van fatsoen zei een ambtenaar: “Je kunt honderd
           keer ‘nee’ krijgen als je iets vraagt aan de overheid, maar dat moet wel een beargu-
           menteerd ‘nee’ zijn.”
           Aan dat fatsoen schort het vaak. Burgers getroosten zich bijvoorbeeld grote
           inspanningen, maar voelen zich vervolgens ‘gepiepeld’: “Als je dan met de politici
           ging praten, merkte je dat sommigen eigenlijk niet goed wisten waar het over
           ging.” Trekkers zijn soms beter op de hoogte van de wettelijke procedures dan de
           beleidsmakers zelf, of blijken vele malen capabeler en mondiger: “Ze vegen de
           vloer aan met die gemeenteraadsleden.” Ze halen informatie naar boven die niet te
           vinden is in ‘officiële’ rapporten: raadplegen internet, zoeken contact met experts
           en ervaringsdeskundigen, brengen vele uren door met het bestuderen van de
           dossiers.
   “Het eerste jaar was heel moeilijk, want je hebt helemaal geen geld natuurlijk. En je vraagt je af hoe
   dat allemaal zomaar kon gebeuren. Ik heb heel wat uren doorgebracht in de leeskamer van de deel-
   raad om dat uit te zoeken. De allereerste aanvragen voor die bouwvergunning, en wanneer dat was
   geweest. De Wet op ruimtelijke ordening werd net veranderd, maar de allereerste aanvraag voor
   die verbouwing en de toestemming daarvoor was van voor die tijd. Ik heb nog een kleine cursus
   gedaan om daar een beetje in thuis te geraken. Daar heb ik best nog wel wat aan gehad, want het
   bleek dat de deelgemeente een fout had gemaakt, en de vergunning had verleend op basis van de
   nieuwe wet.”
</pre>

====================================================================== Einde pagina 89 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 90 ======================================================================

<pre>                                                                  randvoorwaarden voor succes       89
        Het is dan best ingewikkeld om positief te blijven, zoals Corry Keller ondervond
        tijdens haar protest tegen het volbouwen van het voetbalveldje voor de school in
        Watergraafsmeer. De advocaat die haar actiecomité ondersteunde, zag hoe zij zich
        tien jaar lang inspande om constructief mee te denken over de huisvesting van de
        buurtscholen: “Zij was bij uitstek iemand die zei: ‘Ik ben niet alleen maar tegen.’
        Zij wees ook op andere mogelijkheden en liet zien dat zij er op heel serieuze wijze
        inzat. Dan wil je serieus genomen worden.” Op onze vraag wat beleidsmakers
        beter kunnen doen, antwoordde ze: “Beter luisteren. Eerst de burgers informeren
        over de plannen – wat ga je doen? – en dan luisteren.” En – vooral – brieven beant-
        woorden: “We hebben die maanden best veel vragen gesteld, en dan zeiden ze
        ‘over zes weken krijgt u antwoord’. Maar ik kreeg nooit antwoord.” Haar echtge-
        noot vulde aan: “Ook de advocaat niet.”
        Nemen beleidsmakers burgers echter serieus, dan verdienen de investeringen
        rondom burgerbetrokkenheid zich terug, zeggen velen. Bij ‘moeilijke’ projecten
        – de bouw van hostels voor dak- en thuislozen, grootschalige renovatie, wegaan-
        leg – bijvoorbeeld door minder bezwaren. Een adviseur: “Het aardige was dat er
        tot op de dag van vandaag, dat is anderhalf jaar later, niemand nog een protest
        heeft ingediend. Ze werken er aan mee, nergens een onvertogen woord, omdat ze
        er bij betrokken zijn. En de gemeente zegt nu dat wat het gekost heeft om het op te
        zetten, zich waarschijnlijk hierin al heeft terugverdiend.” En het is goed voor het
        imago, voor politici een reden waarom het “per definitie een succes is geweest”.
        Velen vertelden: burgerbetrokkenheid vergroot het draagvlak voor beleid. Het
        proces kent bovendien een leereffect: de uitingen van ongenoegen bieden inzicht
        in wat mensen echt belangrijk vinden, in de werkelijke redenen achter weerstand
        en verzet. En soms levert het positieve ideeën en oplossingen op. “Probeer mee te
        bewegen op punten die mensen belangrijk vinden en ze bewegen met jou mee,”
        leerden ook andere beleidsmakers.
“Je moet het paaltje kennen,” zei oud-wethouder, nu pvda-voorzitter Hans Spekman. Hij ‘plaats-
te’ in Utrecht acht hostels voor verslaafden, zonder bezwaren en beroep. In andere steden werden
gebouwen – letterlijk – afgefakkeld toen de autoriteiten de aanstaande bestemming als hostel
aankondigden. Wat is dat dan met dat paaltje? vroegen we. Hij legde uit. De Utrechtse prostitutie
is geconcentreerd op woonboten in een kanaal. De omwonenden hadden niet veel problemen met
hun vrijgevestigde buurtgenotes, maar wel met de nachtelijke overlast van hun toeterende bezoe-
kers op de overbelaste kade. Als er nu een paaltje zou staan zodat de auto’s niet door hun buurt
konden rijden, hadden ze bedacht, zou het verkeer minder luidruchtig worden afgewikkeld. De
gemeente had meerdere malen ingestemd, maar nooit gehandeld. Dus toen de nieuwe wethouder
zich aanmeldde met zijn verzoek tot plaatsing van een hostel, zeiden de buurtbewoners: “echt
niet”. Spekman stopte de vergadering en zei: “Ik ga dat paaltje daar regelen voor jullie en pas dan
kom ik terug om over het hostel te praten.” De reactie was voorspelbaar: “eerst zien en dan gelo-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 90 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 91 ======================================================================

<pre>90     vertrouwen in burgers
   ven. Het bleek een hele klus – politie, brandweer – maar uiteindelijk was het er dan toch. Toen hij
   zich weer meldde, zeiden de bewoners “Zet dat ding maar neer.”
3.2.2      voortdurende informatie-uitwisseling
           In het veldwerk werd voortdurend het belang van informatie benadrukt: goede
           informatie-uitwisseling is een voorwaarde voor burgerbetrokkenheid. Ook als er
           ‘geen nieuws’ is, moeten burgers op de hoogte worden gehouden; wat Gea
           Lunsing van de Smederijen in Hoogeveen ‘het niet laten vallen van stiltes’ noemt.
           Een maandelijks bericht van de wijkagent, bijvoorbeeld over recente incidenten,
           geeft de vrijwilligers in een buurtwacht ook het gevoel te worden vertrouwd en
           houdt de buurtgenoten waakzaam in hun gezamenlijk preventie-initiatief.
           Wanneer mensen inzicht krijgen in de mogelijkheden en onmogelijkheden waar-
           voor beleidsmakers zich zien gesteld, blijven zelfs in gevoelige situaties zoals rond
           Schiphol slechts weinigen onredelijk.
           Informatie moet aansluiten bij de leefwereld van doelgroepen. Beleidsmakers ma-
           ken dus gebruik van – en ‘concurreren’ soms met – de lokale media. De ‘sufferdjes’
           en de nog bestaande regionale bladen en omroepen vervullen een verrassend grote
           rol. In Amsterdamse gesprekken werd veelvuldig verwezen naar Het Parool en at5,
           in Den Haag naar de Haagsche Courant (Verhoeven 2009), in Friesland naar de
           Leeuwarder Courant en Omrop Fryslân, in Rotterdam naar Radio Rijmond, en in
           Volendam natuurlijk naar het lokale blad nivo. Dorpsverenigingen leerden dat het
           uitbetaalt om alle informatievoorziening binnen de eigen gemeenschap via een
           enkel kanaal te geleiden. Buurtwebsites bloeien op vele plaatsen en als klap op de
           vuurpijl bleek uit onderzoek in Amersfoort dat het lezen van huis-aan-huisbladen
           weliswaar afneemt, maar dat dit daar nog steeds de belangrijkste informatiebron is.
   De gemeentelijke trekkers van de campagne ‘Drachten wil je meemaken’ werden blij verrast: “Tot
   onze stomme verbazing zagen we dat de internetsite een soort social medium werd. Honderden
   mensen deelden van alles wat er gebeurde in deze gemeente met elkaar. En wat ze daarvan vonden,
   of het nu positief of negatief was.” Ze vullen ook zelf de evenementenkalender: “Hebben we geen
   omkijken naar. Gaat als een tierelier.” Op het platform vormden zich ook groepen over de – een
   paar maal mislukte – reconstructie van een park. “Toen riep iemand: ‘het zou eigenlijk een evene-
   mentenpark moeten worden, zouden we niet eens kunnen peilen of mensen dat willen? En of de
   mensen die eromheen wonen, dat goed vinden?’ Dat hebben we gedaan. Ja, dus.” Een ander voor-
   beeld: “Als er iemand rond Oud en Nieuw roept: ‘er liggen hier weer stapels kerstbomen’, is dat een
   soort melding. Een telefoontje naar Wijkbeheer: hebben jullie ‘em al gehad? Nee? Nou, graag
   erheen. En dat zie je dus tot je stomme verbazing terug: ‘de gemeente heeft snel gereageerd.’ Dat
   zeggen mensen dan ook even op deze manier, vertellen ze de wereld. Dat is natuurlijk prettig.”
</pre>

====================================================================== Einde pagina 91 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 92 ======================================================================

<pre>                                                                 randvoorwaarden voor succes       91
        Doelgroepen zijn zelden homogeen en dat stelt bijzondere eisen aan de informa-
        tievoorziening. Bij participatietrajecten zoals rond de n340 bleek een vertaalslag
        nodig: “Het moet allemaal korter, duidelijker en ook in een hele andere taal. Dat
        kost veel moeite, daar steek je heel veel tijd in.” Om een brede groep te bereiken
        zijn bovendien meerdere kanalen nodig. Zo werd er bij het bouwen van een wijk
        in Smallingerland gekozen om dat én via de website te doen én via traditionele
        inspraakavonden en plaatselijke kranten.
        Goede informatie-uitwisseling betekent tweerichtingsverkeer: niet alleen infor-
        matie geven, maar die ook verwelkomen. Er is op dat terrein een heel vocabulaire
        ontstaan. De aloude waterput en het leugenbankje waar mensen informatie
        uitwisselden, kregen gezelschap van de 4 k’s van de lokale partijen en het school-
        hek waar de bewoners van het Drentse Wijster ‘gonzen’. Het zijn de plekken waar
        je kan horen hoe het echt binnen een gemeenschap gaat. Beleidsmakers hebben
        op dit terrein nog een lange weg te gaan, zeggen diverse gesprekspartners, zeker
        als het gaat om de inzet van ict. Zij wijzen bijvoorbeeld op de mogelijkheden van
        crowd sourcing: het voorleggen van een vraag aan een breed publiek. Door middel
        van de hashtag durftevragen krijgen mensen via Twitter uit de meest onverwachte
        hoek antwoord op hun vragen. Nabuur weet mensen wereldwijd te verbinden bij
        het oplossen van praktijkproblemen.
Het televisieprogramma tros Radar beschikt over een e-panel waaraan 125.000 mensen meewer-
ken. Die zijn verrassend actief: “Als we een vraag voorleggen, reageert zo’n 60 tot 80 procent,”
vertelt presentatrice en beheerder Antoinette Hertsenberg. De resultaten zijn soms bijzonder. De
redactie kreeg klachten van eigenaars van een bepaald type auto: het linkerachterraam “klapte naar
beneden”, met telkens een paar honderd euro schade. Een beroep op het panel leverde een groot
aantal dezelfde klachten bij auto’s van twee bouwjaren. Technisch onderzoek wees uit dat een
metalen onderdeel was vervangen door een van plastic. Hiermee geconfronteerd vergoedde de
importeur alle schade, ook met terugwerkende kracht.
        Nog minder op het netvlies van beleidsmakers staan de mogelijkheden van serious
        gaming, vaak simpele games die een aanzet kunnen geven voor het activeren van
        (groepen) burgers. In Utrecht is bijvoorbeeld een game ontwikkeld die mensen
        met diabetes informeert over juiste eetgewoonten (Agis Diabetesdagboek op uw
        mobiel). World without oil is een simulatiespel waarin verschillende scenario’s
        voor gedrag in een olie-loze wereld zijn uitgewerkt. Hoewel velen dit beschouwen
        als het domein van jongeren, blijken in de praktijk ook senioren gevoelig voor het
        spelelement. Ook de politie onderzoekt hoe de eigen opleiding langs deze inter-
        actieve weg kan worden verbeterd. Op het terrein van beleidsparticipatie wordt
        inmiddels naar Braziliaans voorbeeld in een aantal gemeenten geëxperimenteerd
        met de Oasis Game, die bewoners en frontlijnwerkers op een laagdrempelige en
        speelse manier betrekt bij het vormgeven aan hun gedroomde leefomgeving.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 92 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 93 ======================================================================

<pre>92      vertrouwen in burgers
   De gemeente Amsterdam organiseerde samen met Hackdeoverheid AppsforAmsterdam. Hierbij
   werden data beschikbaar gesteld en tegelijkertijd een wedstrijd georganiseerd voor de beste appli-
   catie op basis van deze data. De winnaar was de energielabel app (http://energielabelapp.nl/). Op
   basis van data van Agentschap NL over energielabels van huizen in Amsterdam kun je zien welk
   energielabel je eigen huis heeft en hoe dat zich verhoudt tot het gemiddelde in de wijk. Tegelijker-
   tijd wordt er informatie over subsidieregelingen voor energiebesparing gegeven. De publieksprijs
   ging echter naar Hoge Nood, die het dichtstbijzijnde openbaar toilet laat zien.2
           Tegelijk staan beleidsmakers onder toenemende druk, omdat burgers hun infor-
           matie niet vertrouwen of onvoldoende vinden en daarom hun eigen ict-systemen
           opzetten. Eerder noemden we al Geluidsnet, maar ook www.watstemtmijnraad.
           nl, een website die het stemgedrag van gemeenteraden bijhoudt, en www.poli-
           tix.nl, die hetzelfde deed voor het stemgedrag van de Tweede Kamer, werden door
           burgers gestart, omdat zij de informatievoorziening van de overheid onvoldoende
           vonden. De Sinterklaasvraag van veel gesprekspartners uit de ict-hoek richt zich
           daarom op open data. Als zij één wens mochten doen, dan zouden zij veel meer
           overheidsdata – minimaal 51 procent van de databestanden per ministerie zoals
           één van hen zei – openbaar gemaakt willen zien. Het gaat daarbij niet alleen om
           de toegankelijkheid van informatie, maar ook om het op een gestandaardiseerde
           manier aanbieden van die data, waardoor deze gemakkelijk door software kan
           worden gelezen. Nederlandse beleidsmakers zijn tot nu toe zeer terughoudend op
           dit gebied, maar de ervaring die in de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk
           is opgedaan met respectievelijk data.gov en data.gov.uk, duidt op grote mogelijk-
           heden voor nieuwe vormen van actieve burgerbetrokkenheid.
           Veelvuldig onderschat is de terugkoppeling van resultaten. Betrokkenen hebben
           vaak geen idee wat er wordt gedaan met de discussie en hun inbreng daarin. Ze
           verwachten misschien te veel en raken dan teleurgesteld. Ervaren frontlijnwerkers
           dreunen het erin: betrokkenheid mag niet verdwijnen in een zwart gat. Als je
           mensen eenmaal betrokken hebt, moet er met die betrokkenheid ook ‘iets gebeu-
           ren’. Carl Lens van Verbeterdebuurt spoort gemeenten aan om altijd te laten
           weten wat zij hebben gedaan met de meldingen. Ook bij Burgernet wordt een
           melding alleen afgesloten wanneer de deelnemers een afloopbericht hebben
           gehad, al was het maar ‘we hebben met 358 deelnemers uitgekeken, maar de inbre-
           ker niet getroffen’.
           Een goede informatie-uitwisseling is van levensbelang voor externe verbinders
           die door burgers immers als ‘aanspeelpunt’ van hun organisaties worden gezien.
           Het niet kunnen antwoorden op vragen over vertragingen ondermijnt bijvoor-
           beeld de positie van spoorwegpersoneel: wat heb je nu aan die figuren? Als ze
           weten wat er aan de hand is, biedt dat de frontlijnwerkers zelfvertrouwen,
</pre>

====================================================================== Einde pagina 93 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 94 ======================================================================

<pre>                                                                      randvoorwaarden voor succes       93
           zeggen zowel politiemensen als zorgverleners: “Je stapt al heel anders bij iemand
           binnen.” Speciaal bij maatschappelijke participatie, met de kwetsbare netwerken
           rond geïsoleerde burgers, moeten de onderlinge communicatielijnen kort zijn:
           “Je moet zorgen dat je de ruimte hebt om het even met elkaar snel te kunnen
           regelen.”
   Jos de Blok, de oprichter van Buurtzorg, gaf een voorbeeld: “De wijkverpleegkundigen hebben
   allemaal een-tweetjes met de huisartsen. Als ’s avonds de wijkverpleegkundige is geweest, dan
   stuurt ie even een sms’je naar de huisarts van: de pijn was wel redelijk op orde, en geen bijzondere
   dingen. De volgende dag gaat de huisarts er naar toe en die doet hetzelfde. Dus er ontstaan allemaal
   kleine verbindinkjes tussen mensen die iets voor cliënten betekenen: dat ze snel effe dit op deze
   manier regelen. Gaat een hoop via internet.” Dat gaat dus niet naar een hoofdkantoor met een
   rapport en dan terug? “Nee, nee, dat moet je allemaal doen in het gebied zelf.” En het werkt:
   “Cliënten geven ons het hoogste tevredenheidscijfer, we hebben de hoogste medewerkertevreden-
   heid en we hebben de laagste kosten.”
3.2.3      focus
           Burgerbetrokkenheid is gebaat bij een scherpe focus: veel dingen niet doen en
           wat je wel doet, heel goed doen. Het is ‘gaan of thuis blijven’: ga je ervoor, dan
           moet je bouwen op een concrete motivatie, op een concreet onderwerp, en op
           concrete kaders: wie heeft op welk moment welke beïnvloedingsmogelijkheden?
   Gerard van Weerd, ambtenaar van de provincie Overijssel en begeleider van de consultatiegroepen
   rondom de aanleg van de n340, beschrijft de voorwaarden voor samenwerking met burgers:
   “Er moet sprake zijn van een gemeenschappelijk probleem, er moet ruimte zijn voor resultaten,
   en politiek en ambtelijk moet je het echt willen. Als je het voor de schijn doet, val je binnen de
   kortste keren door de mand. Je moet ook helder afbakenen: waar gaat het over, welke rol hebben wij
   en welke rol hebben de mensen in het gebied en in de consultatiegroep? En je komt er niet zonder
   dat je enige kennis hebt over hoe je omgaat met groepen, hoe je ze erbij betrekt. Dat kost inzet,
   capaciteit en geld.”
           Concreet onderwerp
           Het belang van een concreet onderwerp geldt zowel intern, binnen de eigen
           organisatie, als extern, in de wisselwerking met burgers. Het lukte bijvoorbeeld
           burgemeester Guus Swillens van Wijk bij Duurstede in eerste instantie niet om
           de gemeentelijke organisatie te kantelen naar een nieuwe manier van werken
           waarbij burgers meer centraal kwamen te staan. Pas toen hij twee onderwerpen
           koos – hangjongeren en een nieuw te bouwen wijk – slaagde de nieuwe aanpak.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 94 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 95 ======================================================================

<pre>94     vertrouwen in burgers
   De gemeente wilde een groene gemeente worden en tegelijkertijd burgers meer bij het beleid
   betrekken. De wooncorporatie wilde een aantal woningen op den duur renoveren om ze energie-
   zuiniger te maken. De hier! klimaatcampagne, een initiatief van dertig ngo’s, richtte zich op ener-
   giebesparing in de alledaagse leefomgeving. Een ambtenaar zag de kans en legde de verbindingen.
   De campagne begon met het uitdelen van groene truien, opdat mensen hun thermostaat een
   graadje lager zouden zetten. Mensen raakten nieuwsgierig en gingen in actie, begeleid vanuit de
   drie ‘moeders’. Nu is de tevredenheid groot: twee Bolswardse straten zijn inmiddels om de beurt
   uitgeroepen tot Klimaatstraat van Friesland.
          Beleidsmakers moeten burgers niet overvragen: te moeilijke vragen en een te
          groot tijdsbeslag werken contraproductief. In complexe situaties is het soms
          verstandig te kiezen voor een thematische benadering waarbij burgers wordt
          gevraagd om inbreng op deelterreinen. Oud-minister Hans Alders experimen-
          teerde bijvoorbeeld als voorzitter van het Schipholoverleg met een hoofdtafel
          met ‘besluitvormers’, die werd gevoed vanuit thematische overlegtafels waar
          onder andere bewoners hun inbreng konden leveren. Dergelijke kleine ‘overwin-
          ningen’ op deelgebieden kunnen bijdragen aan een serieuze cultuuromslag:
          burgers, frontlijnwerkers maar ook bestuurders en beleidsmakers krijgen de
          smaak te pakken, omdat de inbreng als waardevol wordt ervaren.
          Bij een concreet onderwerp past ook een concrete en directe vraag. Op dit punt
          kunnen de veelal afwachtende beleidsmakers bijleren van de trekkers van maat-
          schappelijke initiatieven. Steeds weer blijkt dat de meeste mensen pas actief
          worden als vrijwilliger als zij daar voor zijn gevraagd. Ze krijgen een uitnodiging
          voor een bijeenkomst of een virtuele activiteit die hen aanspreekt, waarna ze
          zichzelf in de etalage zetten. Elders worden vrijwilligers ‘aangewezen’ of, zoals
          in Volendam, ‘gewoon benaderd’ voor een bestuursfunctie: “En de eerste de beste
          zei: dat doe ik, dat vind ik leuk.”
          Wanneer beleidsmakers of initiatiefnemers een beroep doen op specifieke deskun-
          digheid, steken soms verrassend veel vrijwilligers hun hand op. Buurtbemidde-
          ling Amsterdam heeft al jaren meer vrijwilligers dan ze kunnen plaatsen. In de
          Overijsselse gemeente Losser werkte een uit tien vrijwilligers bestaande denktank
          ‘bezuinigingen’ een halfjaar lang, een avond per week pro deo aan een advies-
          rapport. De ambtenaren waren volgens griffier Ben Pikula eerst sceptisch en
          afwachtend, maar dat werd snel beter. “‘Nou mag ik mijn deskundigheid eindelijk
          met mensen delen!’ zei een collega” (Actieprogramma Lokaal Bestuur 2010b:
          20-23).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 95 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 96 ======================================================================

<pre>                                                                  randvoorwaarden voor succes        95
“De initiatiefgroep belde huis aan huis aan: hier heb je een ideeënformulier en over een week kom
ik het weer ophalen. Dat werkt als een trein, want na een week belden ze inderdaad weer aan: ‘Ik
kom het formulier ophalen.’ ‘Ja, maar ik heb het nog niet ingevuld.’ ‘Hier heb je een nieuwe en over
drie dagen kom ik weer terug.’ En over drie dagen, dan wisten ze wel, over drie dagen komt ie echt
terug – laat ik maar wat invullen! Op die manier worden die mensen actief.”
        Concreet betekent ook simpel. Vooral een lage instap is cruciaal: om op internet
        een community te bouwen moet de eerste drempel zo laag mogelijk zijn. Ook
        offline zagen we de lage instapdrempel terug. roc-leerlingen leren senioren met
        computers omgaan. Als eerste kennismaking laten ze hen eerst een uur patiencen,
        dat vinden ze zo leuk dat ze daarna openstaan om ook andere computervaardig-
        heden te leren. Je moet mensen verleiden met een ‘korte klap’, leerden ze ook in
        Hoogeveen: iets doen waardoor ze meteen merken: hé, ‘ze’ zijn serieus. Kleine
        dorpen liggen te ver van ziekenhuizen en hartproblemen kunnen dan fataal zijn.
        Als je nu defibrillatoren beschikbaar stelt in de dorpen die door vrijwilligers
        bediend kunnen worden, snappen mensen dat. En als je ze dan anderhalf jaar later
        vraagt mee te denken over een dorpsvisie, haken ze aan.
Bob Overbeeke van Oxfam-Novib: “Bij elke actie proberen we een zo laag mogelijke insteek te
hebben. Iedereen kan meedoen, ook al ben je nog zo passief. Vaak is de neiging om te actieve
opdrachten te geven. Dat word je meegegeven door de kritiek in de organisatie zelf. Als je een
campagne neerzet waarbij mensen bijna niks hoeven te doen, dan wordt gezegd: ‘Ja, maar wat is
die handtekening of die deelname dan waard?’ Maar op internet werkt het gewoon zo dat je eerst
gaat voor de massa en dat je uit die massa mensen filtert die meer voor je willen gaan doen. En dus
hebben wij ook echt gekozen voor het laagst mogelijke instapmoment, namelijk passief entertain-
ment.”
        Ervaringsdeskundige burgers geven advies. Alsjeblieft geen dikke procedures en
        moeilijke woorden: “Als de gemeente en de woningstichting contact proberen te
        krijgen, dan willen ze dat vaak doen door moeilijke papieren op te sturen met
        woorden waarvan mensen zoiets hebben van: het zal wel geld kosten, ik doe er
        niet aan mee. En die deponeren dat gelijk in de container.” Ook niet meteen
        vragen om een hele dag of een schriftelijke inbreng, maar om een toegankelijke
        stap als de mogelijkheid om commentaar te leveren op een video of online in te
        spreken. Betaalde organisaties – overheden, instellingen maar ook belangenbehar-
        tigers – “vergeten nog wel eens dat wij drukke vrijwilligers zijn. Je kunt niet
        zomaar een bus vrijwilligers opentrekken.” Denk ook mee met de ‘pyjama-activis-
        ten’: veel mensen hebben weinig tijd, maar een halfuurtje voor het slapen gaan
        lukt nog wel.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 96 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 97 ======================================================================

<pre>96      vertrouwen in burgers
   Toen Steven van de Vijver met twee vrienden de StadsSpelen (spelen van buurtjongeren tegen
   elkaar) opzette in Amsterdam, wilden zijn net afgestudeerde vrienden nauwelijks meedoen: druk-
   druk-druk. Maar als je er een vroeg: jij doet toch aan koken, kan je niet een paar koks regelen? stap-
   ten ze in. Vervolgens ging hij als tropenarts voor Artsen Zonder Grenzen naar Congo . Vroeger was
   zijn doel het redden van apen, nu gebeurt dat indirect. Als je over apen begint in een omgeving van
   bittere armoe en totale onzekerheid, heb je geen poot om op te staan. Dus je moet eerst wat doen
   met een ziekenhuis en een schooltje en als je dan na een halfjaar zegt: die apen aan de overkant van
   de rivier, dat gaat niet goed, zijn de mensen best bereid om je een handje te helpen.
           Kies ook voor de hand liggende locaties, zegt Wilma Borgt, die met Computerwijk
           vooral allochtone vrouwen in Vogelaarwijken weet te bereiken met computercur-
           sussen: “ ’t Is altijd op plekken waar mensen gewoon komen, buurthuizen, scho-
           len, moskeeën, wherever, maar wel op diverse plekken en zo laagdrempelig moge-
           lijk in de wijk, zodat je wel de hele wijk binnenhaalt.” Bouw ook voort op
           bestaande infrastructuur van externe verbinders: “Wij zoeken gewoon een part-
           ner en dat is vaak een welzijnsorganisatie. We gaan ervan uit: zij zitten in de wijk,
           zij kennen de juiste bewoners, zij weten het beste hoe ze dat moeten doen. Dan
           coachen wij een van hun medewerkers en wij leveren hun lesmateriaal.”
   Een allochtone bewoner werd ‘ingehuurd’ door een wooncorporatie bij de renovatie van zijn multi-
   cultibuurt. “Ik vond dat echt de moeite waard, want dat is de eerste keer dat ik meedoe,” vertelde
   hij. Hij was ook behoorlijk onzeker, maar uiteindelijk zei hij: “Oké, ik ga dat één keer doen en als
   het niet lukt, dan…” De corporatie organiseerde een dagcursus: hoe moet je de bewoners benade-
   ren: “Je hebt te maken met verschillende culturen, bij sommigen moet je bijvoorbeeld eerst bij
   binnenkomst vragen of je je schoenen uit moet doen.” Dat hielp, maar desondanks was het best
   spannend: “In het begin durf je dat niet, want je weet niet hoe de bewoners zouden reageren. Na de
   eerste ging het goed, tweede ging goed, derde, vierde, vijfde, geen problemen. Ik moest vijftien
   bewoners benaderen, maar omdat het heel goed ging, ging ik door tot 50.” Hij was blij verrast: “Je
   merkt ook dat je vanzelf bekender wordt en dan komen ze zelf naar jou toe met vragen: hoe is de
   stand van zaken? Ook omdat ik een baan heb, komen ze naar mij toe: kan je mijn kind helpen, ik
   zoek werk voor mijn kind, dus met allerlei vragen.”
           Heb je mensen aan boord, dan kan je ze verder ‘brengen’. Mensen willen zich niet
           voor langere tijd binden aan een vereniging of een buurtorganisatie, maar wel aan
           bepaalde activiteiten. Raken ze eenmaal gegrepen door zo’n activiteit, dan is dat
           echter vaak zeer intensief en langdurig. De grote groep mensen die instapt, moet je
           dus een volgende vorm van betrokkenheid bieden die iets verdergaat. Uiteindelijk
           wordt er dan een brede groep gebouwd met een actieve kern.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 97 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 98 ======================================================================

<pre>                                                                   randvoorwaarden voor succes      97
         Concrete kaders
         Focus betekent het stellen van heldere kaders: is voor alle deelnemers duidelijk
         waar het project over gaat, welk probleem op tafel ligt of welk doel wordt gesteld,
         wat binnen het proces de rol van burgers zal zijn en welke ruimte frontlijnwerkers
         hebben. Vooral het proces moet duidelijk zijn. In welke fase bevindt het beleids-
         proces zich? Worden er ideeën verzameld om beleidsmakers op nieuwe gedachten
         te brengen (de ‘agenda’s ophalen’, noemde een Haagse ambtenaar dat), wordt
         besluitvorming voorbereid en is meedenken van burgers gewenst, of is het besluit
         al genomen en gaat het om de uitvoering van beleid waar de gemeente burgers
         vraagt om mee te denken en vooral mee te doen?
Bij de tracékeuze van de provinciale weg n340 in Overijssel sloot de politieke besluitvorming niet
aan op het voorafgaande traject van burgerparticipatie. Burgers dachten maandenlang, onder-
steund door ambtenaren, mee over de tracékeuze. Ze groeven zich in in het dossier. De burgers uit
het gebied en in de consultatiegroepen waren – net als later de politiek – verdeeld over de beste
oplossing. Uiteindelijk lagen er drie alternatieven op tafel, met een voorkeur van het dagelijkse
bestuur, de Gedeputeerde Staten, voor één van deze drie. Het algemeen bestuur, de Provinciale
Staten, nam in 2009 een bestluit tijdens een statenvergadering, waarvan de duur van de schorsin-
gen langer was dan de echte vergadertijd. Mede hierdoor werd onvoldoende duidelijk op welke
inhoudelijke of politieke gronden (de partijen in) Provinciale Staten hun keuze maakten. “Dat was
voor de burgers in het gebied onbegrijpelijk.” Door het besluit leek alle voorafgaande inhoudelijke
beleidsparticipatie zinloos, constateerde een deelnemer: “Dat zeggen de statenleden ook gewoon:
‘jullie komen wel met je argumenten, maar wij beslissen vanuit onze visie.’”
         Binnen die kaders moet er meer maatwerk worden geleverd dan nu meestal het
         geval is. Te vaak wordt ten onrechte gedacht dat wat op de ene plek werkt, ook wel
         op een andere plek zal werken, zegt Gea Lunsing. Collega’s uit andere gemeenten
         komen op bezoek: “In Hoogeveen hebben ze een format, blijkbaar werkt het daar.”
         Maar zo eenvoudig is dat niet: “Het is heel duidelijk een groeiproces geweest van
         een aantal jaren. En daar komen ze heel snel achter. Dit is niet iets wat je kunt
         kopiëren, omdat je inderdaad een ontwikkeling hebt doorgemaakt.”
         Niet iedereen kan ook op dezelfde manier worden bereikt; burgerschapsstijlen
         verschillen. Een aanpak moet passen bij de doelgroep en er moet aansluiting
         worden gezocht bij al bestaande informele netwerken. De grenzen van een
         gemeenschap worden niet bepaald door de toevallige verdeling van de postcodes,
         maar door wat bewoners als ‘hun’ buurt herkennen: “Wat zijn de door jullie
         beleefde sociale grenzen van deze buurt?” Benader mensen niet als individu,
         maar kijk naar de verbanden binnen een gemeenschap. Daarbinnen moet je
         de trekkers kennen, zegt Albertje Nienhuis: “Het is er nooit één, het zijn er
         altijd meerdere. Die moeten je steunen.” 3 Ze moet lachen om haar netwerkles:
</pre>

====================================================================== Einde pagina 98 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 99 ======================================================================

<pre>98     vertrouwen in burgers
          “Het is heel makkelijk. Want via een simpele sneeuwbalmethode zoek je één goeie
          en je zegt: wie moet ik nog meer spreken en je hebt er vijf. En dan weet je het
          ongeveer.”
          Maatwerk, bouwend op kennis van de situatie en de informele netwerken, is
          cruciaal. Frontlijnwerkers moeten achter hun bureau vandaan komen om mensen
          direct aan te spreken en ze moeten vooral ook zelf aanspreekbaar zijn. Dat is niet
          een zaak van een leuk praatje: het is een vak dat je moet beheersen. Als je in Schie-
          mond wijkagent Dirk alarmeerde, deed hij altijd meteen de goede dingen, zeiden
          de bewoners met respect, en zijn collega’s bevestigden het. Als beleidsmakers
          willen bouwen op informele netwerken, moeten ze niet alles willen formaliseren.
          De welzijnswerkers in IJsselmonde vlechten met elkaar een informeel netwerk
          rond kwetsbare burgers. Ook aan de kant van de burgers wordt bij het oplossen
          van problemen aansluiting gezocht bij het informele netwerk van een persoon: is
          er een buurvrouw die kan helpen, een familielid?
   Bij ado Den Haag groeide een informeel netwerk tussen vertegenwoordigers van bestuurders,
   supporters, politie en gemeente. Supporterscoördinator Koos Roeg vertelt: “We zaten daar met z’n
   zessen dag in dag uit op elkaars lip. En op een gegeven moment merk je dat je de dingen die je
   elkaar misschien niet kan zeggen in een vergaderstructuur, wel zegt tegen die agent naast je bij het
   halen van een bakkie koffie uit de Senseo: ‘heb je er wel rekening mee gehouden dat er donderdag-
   avond misschien wat kan gebeuren met de wedstrijd tegen Feyenoord voor de boeg?’”
          Geef mensen een concreet onderwerp en concrete kaders en dan is er veel moge-
          lijk, ook binnen overheidsapparaten. “Ik mag heel veel zelf doen. Ik hoef niet voor
          elk wissewasje naar het afdelingshoofd en zeker niet naar het college,” consta-
          teerde een verheugde ambtenaar. “Dan krijg je een sfeer waarin er gewoon heel
          veel kan binnen zo’n overheid en dat je ook vrij kunt denken.”
3.3       evenwicht tussen loslaten en sturen
          Wat is jullie Sinterklaasvraag? vroegen we een paar trekkers in de gemeente
          Midden Drenthe. “Meer Bart-en de Vries,” antwoordde de eerste. De tweede
          knikte: “Eigenlijk zie je hem niet zo veel.” “Nee,” zei de eerste weer, “je zag hem
          als je hem nodig had, of hij was net geweest.” We bezochten oud-wethouder
          De Vries en vroegen hem: wat is nou je geheim? Hij aarzelde geen moment:
          “Niet-helpen!” Op andere plaatsen werd zijn bestuurlijke levensles bevestigd:
          bestuurders moeten niet alles zelf willen doen, maar ook niet van grote afstand
          toekijken: “gewoon er zijn, net op dat moment dat je even nodig bent.”
          De kunst van burgerbetrokkenheid is gelegen in het op de juiste wijze uitsteken
          van een helpende hand: loslaten als ’t kan, maar sturen wanneer dat nodig is. Er
</pre>

====================================================================== Einde pagina 99 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 100 ======================================================================

<pre>                                                                    randvoorwaarden voor succes        99
          zijn immers grenzen aan de ruimte die beleidsmakers – en ook bestuurders van
          maatschappelijke instellingen – kunnen bieden. De drie trefwoorden voor een
          evenwichtige betrokkenheid zijn dan ook: ruimte, eigenaarschap, en ruggensteun.
3.3.1     ruimte
   “Dus mijn moraal: ruimte, ruimte, ruimte, open plekken, ook voor de ambtenaren, dat je mee mag
   denken, mee mag doen. Dan krijg je vertrouwen in burgers en de burger ook in jou. Als er ruimte is
   – om te spelen, om te denken, om te brainstormen, om te dromen – in plaats van alles vast te
   leggen.”
          Burgers zoeken de ruimte om hun eigen ding te doen; frontlijnwerkers bewegen
          met hen mee. De klassieke ‘beleidsparticipatie’ heeft op dat punt een slecht imago.
          De gemeente heeft een plan, ‘doet’ nog even een inspraakavond omdat dat zo
          hoort of moet, maar het beleid staat allang vast en iedereen gaat met een onte-
          vreden gevoel naar huis. Het is niet ongebruikelijk dat beleidsmakers een wets-
          voorstel helemaal dichttimmeren en dan pas naar buiten treden, of dat ze zich
          vastbijten in hun eenmaal ingenomen standpunt. Ook bij de maatschappelijke
          participatie blijken slechts weinig beleidsmakers de kunst van het loslaten te
          beheersen, vertellen veel gesprekspartners. Zoals een gemeenteambtenaar het
          uitdrukte: “We zitten natuurlijk in een bepaalde modus, en vragen meteen: ‘die
          meneer wil gaan vrijwilligen, maar kan die dat wel?’”
   Als we in zalen vragen “Wie heeft er wel eens aan inspraak gedaan?”, steekt onveranderlijk een- tot
   tweederde van de mensen een hand op. Als we vervolgens vragen “Vond je het een bevredigende
   ervaring?”, blijven er maar een paar handen naar boven. In de Amsterdamse grachtengordel scoor-
   den we een perfecte nul – alleen op het platteland zijn burgers positiever. Het mooist was Amster-
   dam-Zuidoost, waar tot algemene hilariteit precies één hand overeind bleef. Het bleek die van de
   stadsdeelwethouder te zijn.
          Er zijn natuurlijk ook positieve voorbeelden van beleidsmakers en bestuurders die
          wel openstonden voor ideeën ‘van onder af’. Wooncorporaties lieten (aanstaande)
          bewoners beslissen over de inrichting van hun buurt. Bij ado Den Haag kreeg een
          aantal Haagse stewards de ruimte om bij uitwedstrijden – in plaats van de politie –
          de eigen Haagse supporters te fouilleren. De gemeente Smallingerland besloot na
          hevige discussie geen randvoorwaarden te stellen voor de burgerinbreng bij
          wijbouweneenwijk, “omdat we de fantasie zo veel mogelijk wilden prikkelen en
          mensen de gelegenheid wilden geven om zonder beklemmende randvoorwaarden
          na te denken over hun dromen en wensen.”
</pre>

====================================================================== Einde pagina 100 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 101 ======================================================================

<pre>100    vertrouwen in burgers
           Als frontlijnwerkers voor iedere vraag terug moeten naar hun bazen, kunnen ze
           niet het vertrouwen opbouwen dat nodig is en wordt het lastig voortgang te
           maken. Bovendien moet er ruimte zijn om te experimenteren, wat vereist dat
           beleidsmakers accepteren dat er af en toe ook wel eens iets misgaat. Nieuwe zorg-
           verleners op het terrein van de maatschappelijke participatie zetten hun beste
           mensen in ‘aan de voorkant’, net als de voorlopers onder de gemeenten dat doen
           bij de beleidsparticipatie: “Die frontlijnmensen, daar moet je je kwaliteit neerzet-
           ten. Daar moeten de mensen zijn die goed kunnen communiceren met bewoners.”
           Dat betekent wel dat je die professionals “de ruimte moet geven om gewoon hun
           dingen daar te regelen.” Bij die ruimte hoort het geven van rugdekking: “Jouw
           directie moet je afdekken als jij je kwetsbaar opstelt.” vrom-ambtenaar Anke
           Stapels – verantwoordelijk voor de Windraad, het project waarbij mensen
           meedachten over de plaatsing van windmolens – wist dat zij, als het programma
           zou stranden in ambtelijke molens, desnoods bovenlangs kon gaan: haar ‘bazen’
           stonden achter haar en waren bereid het project te verdedigen, ook als het lastig
           zou worden.
   “Waar wij hier op drijven, is vertrouwen in elkaar. Er zitten ook hier en daar zwakke schakels in,
   maar je moet vertrouwen hebben in elkaars inlevingsvermogen, en elkaars kunde en kennis en
   ervaringen. Daar kom je heel erg ver mee. Dat zou Den Haag ook eens richting ons moeten doen.
   Vertrouw maar op de lokale overheden. Daar zit voldoende slagkracht. Als je het maar wilt zien.”
3.3.2      eigenaarschap
           Bente Thé leerde als directeur van het Amsterdamse buurtbemiddelingsproject
           Beterburen: “Het gaat erom dat ze zelf oplossingen bedenken. Het voordeel daar-
           van is weer dat mensen alleen oplossingen noemen die ze ook zelf waar kunnen
           maken.” Vanzelfsprekend speelt het mentale eigenaarschap het meest natuurlijk
           bij maatschappelijke initiatieven, maar een zorgvuldige beleidsparticipatie resul-
           teert ook in een sterker draagvlak voor overheidsplannen. Amersfoort krijgt
           bijvoorbeeld een nieuw ziekenhuis, waardoor de huidige locatie op de Lichtenberg
           vrijkomt. Normaal zou het stadhuis van alles gaan bedenken en beslissen het
           College en de Raad, maar toenmalig raadslid Mirjam Barendregt legde het eige-
           naarschap bij burgers: “Wat zouden jullie ervan vinden als we zelf een plan gaan
           maken? En daar bedoel ik mee: jullie!”
   Het bijna traditionele slopen van stoeltjes was een dure grap, vertelde voorzitter Dennis de Bruijn
   van de supportersvereniging van ado Den Haag, en het stadion zag er na een behoorlijke wedstrijd
   niet uit. Het kon anders: “Met de supportersvereniging hadden ze nieuwe stoeltjes gevonden die
   wel goed waren. Hebben wij een paar rijen helemaal vervangen. Die oude stoeltjes weg en ik geloof
   negenhonderd nieuwe stoeltjes. En nu, na al die wedstrijden, zijn er maar twee stoeltjes van kapot.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 101 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 102 ======================================================================

<pre>                                                                       randvoorwaarden voor succes   101
Ligt ook aan de stoeltjes natuurlijk.” Hij wijst misprijzend op een ‘oude’ tribune: “Kijk hier, een
klein zuchtje en hij ligt eraf. Dat vind ik dan ook nog wel leuk om te zien, dat zoiets gewoon de
oplossing is. En dat je het dan gezamenlijk doet, we waren dagenlang bezig.”
        Toch is de grootste winst te behalen bij de maatschappelijke participatie. Onder-
        zoekster Aletta Winsemius bevestigt de leerervaring van de wmo: “Je zorgt
        ervoor dat mensen met een probleem zich probleemeigenaar voelen. Maar dat niet
        alleen, ook hun sociale omgeving voelt zich betrokken bij de oplossing.” In de
        jeugdzorg kan het aantal officiële interventies in gezinnen bijvoorbeeld aanmerke-
        lijk worden beperkt door beter in te spelen op de oplossingen die mensen zelf
        verzinnen. Verwanten en bekenden spannen zich tot het uiterste in om het
        weghalen van kinderen te voorkomen en komen met tal van praktische oplossin-
        gen.4 Ook frontlijnwerkers werken bij de wmo vaak niet meer vanuit de oplossin-
        gen die op de plank liggen – ‘u kunt een scootmobiel krijgen of iemand die uw huis
        schoonmaakt’ –, maar proberen de werkelijke vraag naar boven te krijgen om
        vervolgens te zoeken naar oplossingen in de eigen omgeving. Een mevrouw
        meldde bij het wmo-loket dat ze graag naar een dorp wilde verhuizen. Bij door-
        vragen bleek de vrouw de erkenning voor haar bijdrage aan de maatschappij te
        missen die ze vroeger in een dorp wel had gekregen. Nu is ze vrijwilliger in het
        buurtcentrum en wil ze nooit meer weg.
        Vanzelf gaat de overdracht van het eigenaarschap aan burgers niet. Beleids-
        makers en bestuurders moeten het durven, maar ook burgers en frontlijnwerkers
        moeten het kunnen en willen. Directeur Carole Thate van de Johan Cruyff
        Foundation leerde, ter illustratie, de les: je moet fors aan de voorkant investeren
        in de relatie met de ‘buren’ voordat een veldje als ‘eigen’ wordt geaccepteerd.
        Maar dan heb je ook wel wat, zegt ze: de veldjes worden zelden gesaboteerd en de
        criminaliteits- en overlastcijfers zijn rond het veldje een stuk lager dan elders in
        de omgeving.
Een schooldirecteur vertelt een “bizar” verhaal: “Op een gegeven moment sta ik na een avondver-
gadering de school af te sluiten. En er staan drie Marokkanen achter me van een jaar of zestien,
zeventien, en die zeggen: nee, dat moet je niet doen. Ik zeg: wat moet ik niet doen? Je moet daar
niet plassen. Ik zeg: maar ik plas hier niet, ik sluit af, ik werk hier. O, dan is het goed. Ik zeg:
waarom zeggen jullie dat? Ja, we vinden het zo vies, er staan vaak mannen op dat plein te plassen
en die spreken we aan. En ik zeg: wat goed van jullie. En die jongens zeggen: ja, maar het is onze
buurt. En dan heb je ze! Het is hun buurt! Ze hebben gezien dat die school iets doet voor de kinde-
ren.”
</pre>

====================================================================== Einde pagina 102 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 103 ======================================================================

<pre>102    vertrouwen in burgers
3.3.3      ruggensteun
           Ruimte met de bijbehorende rugdekking en eigenaarschap zijn belangrijk, maar
           veel initiatieven behoeven ook een vorm van ‘bescherming’: een steuntje in de rug
           bij de start en tijdens het vervolg.
           Bij opstart
           Tijdens de kwetsbare opstartfase is vaak tijdelijk een beperkte ondersteuning
           nodig om een project op gang te brengen. Een mooi voorbeeld bieden de buurt-
           budgetten in Groningen, waar geld beschikbaar werd gemaakt door de gemeente
           en de wooncorporaties gezamenlijk, tot volle tevredenheid van de bewoners.
           Buurtgericht werken en buurtbudgetten blijken veruit de belangrijkste instru-
           menten op het snijvlak van beleidsparticipatie en maatschappelijke initiatieven
           (Polstra en Van Houten 2010).
   Praktische steun moet volgens wethouder Jacob Bruintjes van het Drentse Borger-Odoorn aanslui-
   ten bij wat burgers zelf doen: “Het dorp zei: onze deskundigen – in het dorp zit heel veel deskun-
   digheid – hebben uitgerekend dat wij de komende tien jaar ongeveer twee ton nodig hebben voor
   onderhoud. Als jullie ons een ton meegeven, nemen wij het over. Die andere ton die krijgen wij
   wel bij elkaar met z’n allen. Een ander dorp zei: wel leuk dat je subsidie geeft, maar dat hebben we
   eigenlijk helemaal niet nodig. We hebben een goed dorpshuis staan, we hebben 250 inwoners en
   we redden het zelf. Maar als we dat geld waar we recht op hebben toch krijgen, mogen we dan ook
   een jeugdsoosje tegen het dorpshuis aanbouwen? Nou, ‘tuurlijk, hier krijg je het geld.”
           Niet alle projecten hebben dezelfde steun nodig. Soms is het geven van informatie
           over subsidiemogelijkheden, een tip of contact, of het bieden van een overleg-
           ruimte, voldoende. Andere keren moet er wat ruimte zijn voor financiële prikkels.
           Studenten betalen bijvoorbeeld een lagere huur indien ze bijles geven aan achter-
           standsleerlingen of zich inzetten voor de buurt. Huurders verdienen een huur-
           schuld terug door het verrichten van onderhoudsklussen of krijgen op basis van
           vrijwilligerswerk voorrang bij het zoeken naar een nieuwe woning. Omdat kleine
           bedragen vaak grote dingen op gang kunnen helpen, pleiten velen voor een vorm
           van bestuurlijk wisselgeld. Zoals Hans Spekman het uitdrukt: “Wat rommel-
           budget om een beetje tegemoet te kunnen komen aan de terechte wensen van de
           buurt.” En, benadrukken zij, alsjeblieft niet voor alles een bonnetje. Een gemeente
           als Gouda wordt geprezen, omdat bij kleine bedragen zoals honderd euro voor een
           buurtbarbecue, een foto van het evenement of een bezoekje van de participatie-
           ambtenaar voldoende is.
           Beleidsmakers financieren soms ook hun eigen tegenstand. Bij het referendum in
           Huizen kreeg het actiecomité tegen de komst van een casino 5.000 euro van de
           gemeente om een campagne te voeren. Dat was voor hen veel geld “want we
</pre>

====================================================================== Einde pagina 103 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 104 ======================================================================

<pre>                                                    randvoorwaarden voor succes       103
hebben daarvan allerlei folders in full color kunnen printen en laten bezorgen.” De
advocaat in Watergraafsmeer werd aanvankelijk betaald uit een potje van buurtbe-
heer. In Den Bosch sponsorde de gemeente een informatiebord bij de protesten
tegen de hostels. In Groningen ontvingen burgers geld voor een contra-expertise
over een bestemmingsplan. Uiteindelijk resulteerde dat in een tevreden actieco-
mité plus tevreden beleidsmakers.
Niet alleen geld, maar ook tijd blijkt een schaars en weinig flexibel middel. De
taken van ambtenaren liggen wettelijk vast. Dan is er weinig ruimte voor activitei-
ten die niet binnen die wettelijke omschrijving passen. Er is soms geen ruimte
voor zich plotseling aandienende projecten, omdat een organisatie al ‘volledig is
volgeboekt’. Jean Paul de Jong: “Dan zetten wij een fantastisch traject weg, en dan
zeggen wij tegen Welzijn: ‘willen jullie in de wijk iets voor ons betekenen?’ En
dan zeggen ze: ‘wij hebben geen uren meer’.”
Tijdens vervolg
Veel maatschappelijke initiatieven blijven afhankelijk van een vorm van structu-
rele ‘bescherming’. Dat vereist gericht, voorwaardenscheppend beleid, bijvoor-
beeld als het gaat om tegenbinding te stimuleren in de fysieke (leef)omgeving.
Eerder wezen we al op het belang van de fysieke inrichting van bijvoorbeeld plei-
nen en wegen en van drukbezochte winkels om civiele omgangsvormen te bevor-
deren. Slecht verlichte parkeergarages, donkere kantoorwijken, kale pleinen, dode
garageboxen: ze roepen een gevoel op van onveiligheid en zijn daarom de ‘vijan-
den’ van tegenbinding. Vinex-wijken zijn traditioneel ingericht als 3B-buurten:
bruiden, buiken, babies. Maar de kleintjes worden ouder en wipkippen moeten
worden vervangen door ‘aangename’ hangplekken en door podia waarop jongeren
de blits kunnen maken. Wanneer sportbestuurders minder toestanden op hun
tribunes willen, moeten ze de aanhang van hun tegenstanders niet ontvangen als
te kooien dieren, maar hen fatsoenlijk welkom bieden.
Ons eerdere onderzoek (wrr 2005) benadrukte ook het belang van herkenbare
‘iconen’ die eigenheid verschaffen in een leefomgeving: kunst op straat, voetbal-
pleintjes, scholen en sportveldjes, zoals de Cruyff Courts, die ‘net iets te mooi zijn’
voor een buurt, maar wel ‘van ons’ zijn en dus geen doelwit zijn van graffitispuiters
en vandalen. We leerden ook het belang te onderkennen van maatschappelijk vast-
goed, bijvoorbeeld van dorpshuizen en sportkantines en de moderne waterputten,
uiteenlopend van schoolhekken tot hondenuitlaatbosjes en ‘fatsoenlijke’ websites.
De structurele bescherming gaat verder dan alleen de fysieke inrichting. We
noemden al de (externe) verbinders die netwerken vormen en de professionele
infrastructuur waarborgen waarop burgers in geval van nood kunnen terugvallen.
Op vmbo-scholen bieden zorgadviesteams (zat’s) op vergelijkbare wijze achter-
vang plus een doorgeefluik naar – zo nodig – gespecialiseerde ondersteuning.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 104 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 105 ======================================================================

<pre>104 vertrouwen in burgers
       Soms zijn volgens onze zegslieden ook aangepaste, formele spelregels wenselijk
       om een maatschappelijk initiatief in de benen te houden. In Hoorn vroegen onder-
       nemers de gemeente om te helpen met het probleem van zwartrijders bij het geza-
       menlijk versterken van de inrichting en veiligheid van het stadscentrum. Wanneer
       niet alle belanghebbenden meedoen, moeten trekkers de (financiële) last voor het
       geheel dragen. Indien een dergelijk plan op een ruime meerderheid van de belang-
       hebbenden kan rekenen, zouden allen verplicht dienen te worden om bij te dra-
       gen. Andere gesprekspartners wezen op de constructie van het business improve-
       ment district (bid) dat in het nabije buitenland serieus wordt toegepast, maar hier
       slechts op experimentele belangstelling van beleidsmakers mag rekenen.
       Tegelijkertijd vertelden veel beleidsmakers ons over hun dilemma: wat mag je wel
       of juist niet overlaten aan burgers? Soms werden ze overlopen door maatschappe-
       lijke initiatieven die ongewenste vormen aannamen; we noemden bijvoorbeeld
       de staande-bierdrinkers in hartje Amsterdam en de internetactivisten van Anony-
       mous die recent een aantal Amerikaanse overheidssites platlegden. Soms wilden
       ze initiatieven steunen, maar liepen ze aan tegen de grenzen van de bestaande
       regelgeving die hen te weinig mogelijkheid voor legitieme rek boden. Hoe ook
       moeten ze omgaan met de ongelijke kansen waar het betreft de beleidsparticipatie
       door minder toegeruste burgers, vooral Critici en Volgzamen? Wat is de waarde
       van een maatschappelijk initiatief dat steunt op een elite? Onomstreden – ook in
       onze interviews – is er binnen de representatieve democratie een blijvende rol
       weggelegd voor beleidsmakers als formele spelregelbepalers en -bewakers en als
       ultieme conflictbeslechters. Maar in een samenleving die wordt gekenmerkt door
       hoger opgeleide, beter geïnformeerde en georganiseerde burgers, is het wel een
       ‘ingewikkelder’ rol.
                                                ***
       In ons veldwerk kwamen we veel geslaagde initiatieven tegen; grote en kleine,
       langdurige en eenmalige, lokale en internationale. Ondanks de verschillen signa-
       leerden wij ook overeenkomsten; alle voldeden ze aan drie randvoorwaarden voor
       succes. Allereerst het belang van mensen: trekkers – mensen die zich inhoudelijk
       verbinden met een bepaald onderwerp en anderen in hun enthousiasme meene-
       men – en verbinders – ‘meertaligen’ die de schakel kunnen vormen tussen groepen
       burgers en beleidsmakers of groepen burgers onderling. Daarnaast moet er sprake
       zijn van respect: burgers willen serieus worden genomen, hebben behoefte aan
       wederzijdse communicatie, en vragen om een concreet onderwerp en concrete
       kaders. En ten slotte moeten beleidsmakers een evenwicht vinden tussen loslaten
       en steunen. Dat betekent nadenken over een passende benadering die ruimte biedt
       aan mensen die eigen initiatief ontplooien en die steun geeft als dat nodig is.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 105 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 106 ======================================================================

<pre>                                                    randvoorwaarden voor succes 105
noten
1   nrc Handelsblad, 27 februari 2012.
2   nrc Handelsblad, 27 februari 2012.
3   Trouw, 11 mei 2011.
4   Eigen kracht-manifest. Weg met Frankenstein, leve de Wikistad. http://
    stadinbeweging.nl/downloads/wikistad.pdf, geraadpleegd op 4 april 2012.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 106 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 107 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 107 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 108 ======================================================================

<pre>                                                                                                   107
4         drempels
          Hoe kan het dat, wanneer zoveel goede mensen zich inzetten voor een gedeeld goed
          doel, er toch zo vaak weinig voortgang wordt gemaakt? Tijdens ons veldwerk zagen
          we dat de succesvolle aanpakken niet vanzelf tot stand zijn gekomen; er moesten
          drempels overwonnen worden. De hoogste drempels, zo blijkt uit onze interviews,
          liggen bij beleidsmakers en bestuurders. Dat wordt niet alleen zo ervaren door
          burgers, maar ook door henzelf. Degenen die zich inzetten voor burgerinbreng
          voeren de grootste strijd binnenshuis. Ze hebben grote moeite hun organisatie mee
          te krijgen. De drempels voor burgerbetrokkenheid die wij in het veldwerk tegen-
          kwamen, zijn samen te vatten in vier blokjes: schurende logica’s, remmende struc-
          turen en systemen, kortetermijnoriëntatie, en onzekere sleutelhouders.
4.1       schurende logica’s
          Burgers en beleidsmakers praten langs elkaar heen, zo kregen we op veel plaatsen
          te horen. De logica van burgers – hun manier van denken, spreken en handelen –
          verschilt van de (interne) logica van beleidsmakers en bestuurders. De schurende
          logica’s tussen burgers en beleidsmakers – veel woorden zijn dezelfde maar ze
          betekenen aan beide zijden iets anders – laten zich kennen in de vorm van uiteen-
          lopende wereldbeelden en werkwijzen.
4.1.1     leefwereld tegenover systeemwereld
          Tegenover de leefwereld van burgers staat de systeemwereld van beleidsmakers.
          De kennis van burgers schuurt vaak met de kennis van beleidsmakers. Het past
          lang niet altijd binnen het wereldbeeld van de beleidsmakers dat burgers ook
          experts kunnen zijn. Ambtenaren voelen zich bedreigd in hun positie als ambtelijk
          expert, adviseurs beschouwen zich als vaklui, en wetenschappers hebben moeite
          ‘ervaringskennis’ op waarde te schatten. Velen vrezen hun informatiemonopolie
          te verliezen. De strijd om wie het meeste aanspraak op de positie van deskundige
          kan maken, leidt dikwijls tot stevige botsingen.
  De ontwerper van een pleintje was onaangenaam verrast door het verzet van omwonenden tegen
  zijn ontwerp. De ontwerper stelde: “Dat moet je aan ons vaklui overlaten.” Hij wees op de prach-
  tige pleintjes die ‘wij’ elders ontwierpen en de prijzen die zijn bureau daarmee had gewonnen.
  Hij stelde dat het bewoners ontbrak aan die kennis en dat de langetermijnblik en het bredere
  perspectief dat ‘wij’ kunnen bieden doorslaggevend moesten zijn. De bewoners zagen dat – met
  kracht – anders: “Maar wij wonen hier. Je moet hier eens komen kijken.” Een licht wanhopige
  ontwerper – “Ik doe dit vak al veertien jaar” – gevolgd door een oudere bewoonster – “Maar ik
  woon hier al twintig jaar!”
</pre>

====================================================================== Einde pagina 108 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 109 ======================================================================

<pre>108 vertrouwen in burgers
       Beleidsmakers durven niet in burgers te vertrouwen. Een maatschappelijk onder-
       nemer in spe kreeg een koude douche bij zijn ambtelijke kennismaking: “Jij wilt
       gewoon een leuke baan en ik ben gemeenteambtenaar, ik ben hier voor het grotere
       geheel. Ik ben hier niet voor jouw leuke baan, dus, bam: deur dicht.” Een ander
       wilde met bewoners dertigduizend bloembollen planten, maar zijn gespreksgeno-
       ten waren bang dat mensen deze in hun eigen tuintje zouden poten. Hij zag dat
       minder somber in, zoveel bloembollen zouden helemaal niet in eigen tuintjes
       passen. “Dan zeg ik: stel je nou voor dat het wel goed gaat. O, waren ze helemaal
       van hun apropos.” Beleidsmakers denken het beste te weten wat goed is en bur-
       gers handelen enkel uit eigenbelang, vertelde een advocaat die veel boze burgers
       had begeleid bij hun gang naar de rechter of de Raad van State. Een bestuurskun-
       dige corrigeert zichzelf tijdens ons gesprek: “nimby, ik heb het woord proberen
       te vermijden, omdat het een heel makkelijk excuus is voor ambtenaren: o, het is
       gewoon nimby. Dus we hoeven er niks mee. Daarmee creëer je wel wat wantrou-
       wen, dat is zo diskwalificerend voor burgers. ‘Het is gewoon nimby.’”
       Burgers kunnen ook niet overweg met de papieren werkelijkheid van beleidsma-
       kers. Ondernemers in Helmond bijvoorbeeld: “Er wordt binnen de gemeente
       gewerkt vanuit ruimtelijke ontwikkelingsplannen. Allemaal papier. Dat er toeval-
       lig ook ondernemers in die straat zitten interesseert ze, wat gechargeerd, niets.”
       Papier blijkt daarnaast weliswaar gewillig, maar niet voor eenieder toegankelijk,
       en frontlijnwerkers hebben daardoor het gevoel dat ze aan het bemiddelen zijn
       tussen burgers en beleidsmakers: “Heel veel burgers doen niets met overheids-
       diensten, omdat ze niet begrijpen hoe het werkt. En onze ervaring, zeker met de
       landelijke overheid, is dat zij het heel moeilijk vinden om burgers op dit niveau te
       begrijpen, om die taal te begrijpen, om die taal te spreken.”
       Wanneer professionals niet in staat zijn de praktische kennis van burgers te zien
       en wel vasthouden aan hun eigen, exclusieve – want professionele – kennis, blijft
       daarmee niet alleen belangrijke kennis onbenut, het werpt ook een hoge drempel
       op voor succesvolle samenwerking. Het kan ertoe leiden dat men zich boven bur-
       gers stelt. Mensen voelen zich tijdens inspraaktrajecten niet als gesprekspartner,
       maar als tegenstander benaderd. Dat effect wordt vergroot door de uiteenlopende
       doelstellingen van burgerbetrokkenheid. Beleidsmakers richten zich traditioneel
       op beleidsparticipatie en in toenemende mate ook op maatschappelijke participa-
       tie: ze proberen burgers te verleiden tot actieve inzet bij de voorbereiding en uit-
       voering van hun plannen. Burgers daarentegen handelen vanuit hun behoeften en
       mogelijkheden en ontwikkelen maatschappelijke initiatieven wanneer een onder-
       werp hun na aan het hart ligt en ze denken een bepaald doel te kunnen verwezen-
       lijken.
       Ook de verwachtingen lopen uiteen. Terwijl burgers hopen dat beleidsmakers hun
       voorstellen zullen overnemen, streven speciaal politici in de eerste plaats naar een
</pre>

====================================================================== Einde pagina 109 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 110 ======================================================================

<pre>                                                                              drempels   109
      groter draagvlak voor hun beleid. Met de huidige bezuinigingen komt daar nog een
      doelstelling bij: meer aan de samenleving overlaten. Velen vrezen dat zelforganisa-
      tie van betrokken burgers wordt ‘vertroebeld’ door het ‘dumpen’ van overheidsta-
      ken op de samenleving. Maatschappelijke initiatieven worden verondersteld de
      gaten te vullen die terugtrekkende overheden laten vallen. Maatschappelijke parti-
      cipatie, bouwend op sociale cohesie, vormt een fundament voor de wmo, maar
      burgers kennen hun beperkingen bij de zorg voor de zwakkeren in de samenle-
      ving: “Wij zijn geen welzijnwerkers.” ‘Zelfsturing’ komt dan snel te staan tegen-
      over ‘overheid’, wat samenwerking in de weg kan staan.
      Ambtenaren worden op hun beurt ook argwanend benaderd door burgers,
      vertelde een wethouder : “Of het nou een verkeersdeskundige is, een ambtenaar
      die bestemmingsplannen moet maken, of de nieuwe programmamanager,
      constant dat spanningsveld van: ja, dat zeg jij wel, maar we zien de resultaten
      niet.” Het grote probleem van onze organisatie is, zegt hij, dat dik de helft van de
      medewerkers niet in de stad zelf woont. “ ’s Morgens om half negen achter de tafel
      en om vijf uur naar huis toe. Maar niet de beleving en de problemen van de stad
      kennen.”
      Het kan anders, leerden we. In Amersfoort bijvoorbeeld gaf de gemeente veel
      ruimte aan een bewonersinitiatief om een buurtcentrum te bouwen. “Dat is wel
      moeilijk hoor. Want in ons hele instituut, onze hele organisatie, hebben we
      ambtenaren die doorgeleerd hebben voor sociaal-cultureel werk. Die hebben
      doorgeleerd over hoe je een gebouw neerzet. Dus die hebben de behoefte om zich
      daarmee te bemoeien.” Ook in Smallingerland en Wijk bij Duurstede was er een
      duidelijke interventie van de gemeente nodig om ervoor te zorgen dat de partners
      die meewerkten aan het ontwerpen van een wijk, de burger centraal zouden
      zetten.
4.1.2 uiteenlopende werkwijzen
      Burgers en beleidsmakers kennen hun eigen wijzen van werken. Beleidsmakers
      stellen in contact met burgers vaak hun eigen processen centraal en houden vast
      aan formele procedures, beleidsplannen en organisatievormen. Daardoor is er
      geen tijd en geen flexibiliteit om de samenwerking met andere partijen aan te gaan.
      Het gebruik van websites is illustratief. Informatie wordt op de eigen website
      gezet, zonder dat er aansluiting wordt gezocht bij bestaande gemeenschappen op
      internet. Bij de hpv-vaccinatie bleef het rivm bijvoorbeeld lang via zijn eigen site
      communiceren, terwijl die meisjes op heel andere plekken op internet met elkaar
      discussieerden. Ten tijde van de petitie voor het vervroegen van het borstkanker-
      onderzoek wilde het ministerie niet reageren via de website www.petities.nl, dit
      ondanks de 350.000 handtekeningen die de petitie daar in korte tijd wist te verza-
      melen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 110 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 111 ======================================================================

<pre>110      vertrouwen in burgers
             Al dan niet bedrijfsmatig denken
             Processen overgenomen uit het bedrijfsleven spelen de laatste decennia een grote-
             re rol binnen de overheid. Dit bedrijfsmatig denken kan in botsing komen met de
             betrokkenheid van burgers. In verschillende interviews werden wij gewaar-
             schuwd voor het te ver meegaan door de overheid in het marktdenken. Wanneer
             burgers steeds consumenten worden genoemd en alle publieke taken een product,
             worden ze in een passieve rol gedrukt en krijgen ze niet de ruimte om zelf dingen
             te ondernemen. Ook dienstverleners worden op het verkeerde been gezet: een
             sociale ondernemer vindt het “absoluut onethisch” als hij frontlijnwerkers hoort
             praten over hoe ze “nieuwe markten” kunnen creëren: “Dan denk ik: hoe kun je
             nu de vertrouwensrelatie met je cliënten gebruiken om nieuwe activiteiten te star-
             ten.”
             Bij de bedrijfsmatige blik hoort ook een sterke focus op het zichtbaar maken van
             resultaten. Dat blijkt zich soms lastig te verhouden met burgerbetrokkenheid.
             Zaken rondom betrokkenheid en het mee kunnen komen in het maatschappelijke
             verkeer zijn lastig te meten. Bij de Smederijen in Hoogeveen zit achter buurtbarbe-
             cues bijvoorbeeld een heel proces van bewoners die voor het eerst bij hun buren
             koffie gaan drinken om voorbereidingen voor de buurtbarbecue te treffen. Maar op
             de begroting van de gemeente staat alleen de buurtbarbecue, niet alle waardevolle
             processen die daaromheen in gang zijn gezet. ‘Domme’ prestatiemeting doet geen
             recht aan de geleverde inspanning: “Over een jaar zien ze aan de buitenkant alleen
             maar van: hé, ze hebben een barbecue georganiseerd.” Ook elders staan quota in
             de weg van nieuwe initiatieven: “De mensen die hier zitten zeggen: ik moet wel
             m’n productie draaien, ik moet wel klanten hebben. Daar worden zij op afgere-
             kend. Dus zolang je hier geen andere parameters neerzet, kunnen zij niet anders
             dan traditioneel blijven werken.”
    Ook in Engeland wordt soms gewerkt met contraproductieve prestatie-indicatoren, vertelde Mike
    Hagen, Deputy Chief Fire Officer van de Merseyside Fire & Rescue Service. Traditioneel werd het
    brandweerkorps in Liverpool beoordeeld op opkomsttijd: ‘ze’ moeten in geval van een brandalarm
    binnen zes minuten ter plaatse zijn. Een jaar of tien geleden bedacht de korpsleiding dat dit eigen-
    lijk fors onbevredigend was. In bijna alle gevallen waren de slachtoffers al bezweken voordat de
    melding plaats had. Herbezinning leidde tot een overgang van repressie (in het geval van de brand-
    weer: vuren doven en mensen redden) naar preventie (vuren voorkomen). Het – gratis – installeren
    van brandmelders in kwetsbare buurten bleek bijvoorbeeld een enorm rendement te hebben. Het
    korps heeft de afgelopen tien jaar huisbezoeken verricht bij 400.000 huishoudens en dit krijgt
    inmiddels ook in Nederland navolging.
             De verantwoordingsdruk die hoort bij bedrijfsmatig werken, wordt ook door trek-
             kers als zwaar ervaren. Bien Hofman van Vitaal Pendrecht bijvoorbeeld is bedre-
             ven in het binnenhalen van geld voor een van de vele projecten die ze trekt of
</pre>

====================================================================== Einde pagina 111 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 112 ======================================================================

<pre>                                                                                         drempels    111
        ondersteunt. Toch beleeft ze slapeloze nachten, omdat ze bang is niet alles tot op
        de laatste stuiver – “met bonnetjes” – te kunnen verantwoorden. “Natuurlijk is het
        belangrijk dat alles goed wordt verantwoord, en dat kunnen we ook wel,” zegt ze,
        “maar accountancy is een vak en nou net niet mijn sterkste punt.”
        Formeel versus informeel denken
        Juridische processen spelen een belangrijke rol bij de overheid. Dat is ook essenti-
        eel in een democratische rechtsstaat. Maar de gerichtheid van beleidsmakers op
        formele processen stemt niet altijd overeen met de manier waarop burgers tegen
        de zaken aankijken. Ook laat hun juridische opstelling burgers soms geen andere
        keus dan een juridische tegenactie met – bijna onvermijdelijk – een toenemende
        afstand als gevolg. Vanuit burgers gezien is er vaak meer behoefte aan een
        persoonlijk gesprek en een persoonlijke reactie in plaats van een formele beschik-
        king met handtekeningen van de wethouders.
Frank Jacobs, die als advocaat de bewoners in Watergraafsmeer bijstond in de strijd om behoud van
het speelpleintje, is van mening dat juridisering vaak niet de meest bevredigende oplossing biedt.
“Zodra ik meedoe, is het al fout gegaan, want vanaf dat moment gaat het niet meer om de belang-
rijke vragen, maar om wie er juridisch gelijk krijgt.” Er zijn heel wat rechtszaken gevoerd rond het
speelpleintje. Als de rechtbank weer aan zet was geweest met een vernietiging van een besluit,
moest het bestuur reageren op die uitspraak. In plaats van contact te zoeken met de initiatiefgroep,
kwam er weer een formeel besluit van het bestuur. Waarop de bewoners dan weer moesten reage-
ren met bezwaar en beroep. Zijn conclusie: “Dat zou veel terughoudender moeten worden inge-
zet.”
        Niet alleen procedures, maar ook bekende en belangrijke principes uit het open-
        baar bestuur staan soms in de weg van burgerbetrokkenheid. De Rotterdamse
        wethouder Jantine Kriens waarschuwt bijvoorbeeld voor een onvoldoende door-
        dachte toepassing van het principe van gelijke behandeling. Beleidsmakers, zegt
        ze, moeten afleren om te denken in termen van “een individuele voorziening is
        een juridisch geborgd recht dat je hebt”. In de Wet Voorziening Gehandicapten
        werd bijvoorbeeld het recht van burgers heel precies gedefinieerd, met als gevolg
        een heel beroepstraject voor de individuele burger: bestuursrechter, enz., enz.
        Kriens: “Daarmee laat je de samenleving doodlopen. Want op het moment dat je
        verschillen die er tussen mensen zijn juridisch probeert te borgen, krijg je zulke
        dikke boeken en verliezen we nu juist het zicht op individualiteit en verschillen
        tussen mensen.”
        Er worden ook vraagtekens gezet bij het principe van de representativiteit van de
        betrokken burgers, een voor veel beleidsmakers geheiligde hoeksteen van burger-
        betrokkenheid. Het veldwerk laat op dit punt geen twijfel: bij beleidsparticipatie is
        representativiteit een fictie. Dat geldt bij inspraak; bij het speelpleintje in de
</pre>

====================================================================== Einde pagina 112 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 113 ======================================================================

<pre>112     vertrouwen in burgers
             Amsterdamse Watergraafsmeer kwamen van de 1700 schriftelijk uitgenodigde
             bewoners er twaalf. Dat geldt ook bij de top-downsamenstelling van wijkraden,
             schoolbesturen of wmo-raden. Wooncorporatie Woonstad Rotterdam heeft om
             ruimte te maken voor een nieuwe aanpak, met instemming van de zittende leden,
             de oude bewonersraden ontbonden: te veel het gestaalde witte kader, zoals dat
             heet in het bestuurlijke buurtjargon.
    De nieuwe aanpak van Woonstad Rotterdam is samen met bewoners tot stand gekomen. In plaats
    van een vertegenwoordigende aanpak wordt zoveel mogelijk gesproken met de mensen om wie het
    gaat; verschillende groepen, belangen en perspectieven worden daarbij bewust opgezocht. Insteek
    is niet dat de deelnemers ‘namens’ een bepaalde groep een standpunt inbrengen, maar dat verschil-
    lende perspectieven aan tafel zijn vertegenwoordigd. De werving voor de nieuwe klantenraad
    heeft aangetoond dat het in elk geval in de Rotterdamse context mogelijk is: er waren meer dan
    voldoende geschikte kandidaten waaruit een sterke en gemêleerde klantenraad is samengesteld.
             Maatschappelijk initiatieven – zowel fysiek als virtueel – hebben zelden een repre-
             sentatieve achterban. Zeker door het nieuwe gemak waarmee mensen via internet
             een protestactie kunnen starten en steun kunnen verwerven, kan er een vertekend
             beeld van het draagvlak ontstaan, dat onvoorbereide beleidsmakers ontregelt. In
             de fysieke protestwereld was bijvoorbeeld ‘duidelijk’ wat 300.000 deelnemers aan
             een demonstratie betekenden voor het publieke draagvlak. Er was een ervarings-
             basis en, rekening houdend met de voorgeschiedenis van de organisatoren, een
             soort ‘koers’ om de hevigheid van de burgerbetrokkenheid te wegen. Maar hoe we
             het aantal van ruim 350.000 ondertekenaars van de onlinepetitie voor het vervroe-
             gen van de screening op borstkanker moeten interpreteren, is een vraag die zich
             nog niet eerder voordeed. Er zijn ook curieuze leerervaringen die vooralsnog geen
             plaatshebben binnen de bestuurlijke raamwerken. Een steekgroep van deelnemers
             kan na afloop van een betrokkenheidstraject niet meer als representatief voor
             ‘gewone burgers’ worden beschouwd, omdat ze gedurende het participatieproces
             hebben bijgeleerd en hun mening verder hebben ontwikkeld.
             Dat plaatst beleidsmakers voor lastige vragen. Bij de opzet van een betrokken-
             heidstraject, waarschuwen de ervaringsdeskundigen, dienen ze goed na te denken
             over wie belanghebbenden zijn en hoe die bereikt kunnen worden. Komt het
             initiatief van burgers, dan moet wellicht minder verkrampt worden gereageerd.
             Uiteindelijk kan ‘de politiek’, in de vorm van de volksvertegenwoordiging, op dat
             punt grenzen stellen of andere geluiden bewust uitnodigen.
4.2         remmende structuren en systemen
             Overheden en maatschappelijke instellingen zijn ingewikkelde organisaties en
             burgers lopen vaak vast op de bestaande structuren en systemen: ‘de bureaucratie’.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 113 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 114 ======================================================================

<pre>                                                                                        drempels    113
          Andersom wordt de wisselwerking met steeds hoger opgeleide, beter geïnfor-
          meerde en ongrijpbaarder burgers er ook niet eenvoudiger op. Hun informele
          structuren en systemen – vaak slecht passend binnen de formele kaders – kunnen
          remmend werken voor beleidsmakers die zich publiekelijk moeten verantwoor-
          den voor hun handelen. Een bloemlezing uit de vele illustraties die we in ons veld-
          werk tegenkwamen, biedt zicht op de hoge drempels voor verandering ten gevolge
          van de logge structuren en systemen van overheden en instellingen, maar ook van
          onduidelijke burgerstructuren.
4.2.1     logge overheidsstructuren
          De structuur van de overheid is er een van verschillende afdelingen met afgeba-
          kende taken. De burger kent deze indeling niet en loopt aan tegen de afzonderlijke
          ‘koninkrijkjes’. Er wordt gesteggeld over de vraag onder welke afdeling een initia-
          tief past en in welke vorm het gegoten moet worden, terwijl medewerkers gewoon
          aan de slag willen. Het Huis van Thorbecke kent bovendien verschillende verdie-
          pingen: rijk, provincie, gemeente met daarbij soms nog onderkelderingen in de
          vorm van deelgemeenten en een steeds zwaarder Europese bovenbouw. En dan
          hebben we het niet over erkers zoals waterschappen en verzelfstandigde instan-
          ties, om niet te spreken over de vele maatschappelijke instellingen die vanuit het
          perspectief van veel burgers ook onderdeel uitmaken van ‘de overheid’. Dat
          bestuurlijke bouwwerk veroorzaakt tal van problemen.
          Overmatige taakgerichtheid
          De onaardige woorden zijn ‘interne gerichtheid’ en ‘verkokering’. De prijs hiervan
          kan hoog zijn: verkokering maakt dat het overlaten van zelfs de meeste simpele
          dingen aan burgers tot ingewikkelde processen kan leiden. Creativiteit wordt
          weggedrukt, want door te verfijnde structuren en systemen “is alles opgesplitst in
          deelactiviteiten en dan zijn er 20, 30 mensen bij zo’n situatie betrokken en
          niemand bouwt een relatie op.”
  Buurtbewoners vonden de gemeentelijke bloembakken nogal saai en wilden daar wat aan doen. Die
  saaiheid werd op het stadhuis niet ontkend, het was een bewuste keuze geweest: het beheer moest
  niet te veel werk zijn. Een meedenkende ambtenaar stelde voor dat de gemeente de aanschaf van
  mooie bloemen zou betalen, op voorwaarde dat de buurt de bloemen zou planten en de bakken
  onderhouden. Mensen enthousiast, willen aan de slag. Maar vervolgens moesten andere gemeen-
  teambtenaren weten hoe dat dan precies wordt geregeld, onder welke afdeling dat valt, hoe de
  afstemming verloopt met de afdeling Beheer. Driekwart jaar later was er nog steeds niets gebeurd.
          Niet alleen burgers lopen soms tegen de strikte taakverdeling tussen afdelingen en
          lagen op, ook beleidsmakers zelf kunnen er last van hebben. De voorbeelden zijn
          soms ‘grappig’. Een griffier: “Ik deed grotestedenbeleid, en ik vond het leuk om me
</pre>

====================================================================== Einde pagina 114 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 115 ======================================================================

<pre>114 vertrouwen in burgers
       er ook echt in de wijken rechtstreeks mee te bemoeien. Nou, ik heb een tegenwer-
       king gehad vanuit de organisatie, want het was toch niet de bedoeling dat iemand
       van de concernstaf op straat bezig was.” Een publieke organisatie ontwikkelde een
       website waarop burgers publieke diensten kunnen beoordelen, zoals restaurantbe-
       zoekers dat kunnen op iens.nl en boekenliefhebbers op Amazon. Zij besloten
       scholen als eerste onderwerp te nemen, maar moesten van het ministerie van
       Onderwijs, Cultuur en Wetenschap officiële excuses maken: het was afgebakend
       terrein.
       De illustraties worden veel minder leuk wanneer overheidsafdelingen of maat-
       schappelijke instellingen verantwoordelijkheid delen. Onze eerdere onderzoeken
       Vertrouwen in de buurt en Vertrouwen in de school getuigen daarvan in vele toon-
       aarden. De maatschappelijke participatie van geïsoleerde mensen, zoals gehandi-
       capten en senioren, wordt belemmerd door het bestuurlijke niemandsland tussen
       de vele gespecialiseerde instellingen; kwetsbare jongeren ontsporen tussen de
       kieren van grote instituties. Ook op andere plaatsen raken hulpbehoevende
       burgers zoek. Bij de schuldhulpverlening was de eerste stap – het uitzoeken van
       de rekeningen – bij geen enkele afdeling belegd: “Daar loop je dan op stuk. Want
       mensen kunnen het niet zelf, want anders hadden ze het wel gedaan. En de
       schuldhulpverlening zegt: u moet wel aanleveren. Waar zijn die schulden alle-
       maal? En hoe hoog zijn ze dan?” Scherpe taakverdelingen zijn niet alleen binnen
       een overheid lastig, maar ook tussen overheden onderling. Bij de brand in Moer-
       dijk was meteen de vraag: “Bij welke regio hoort deze rookpluim?”
       De oplossing, zeggen velen, ligt bij organisaties die breder kunnen (en willen)
       kijken. Te vaak blijkt dat echter lastig door een strikt vasthouden aan een bepaalde
       taak: wij zijn een gespecialiseerde afdeling, school of wooncorporatie, geen
       welzijnsorganisatie en zeker geen politie. Die discussie wordt extra gevoed door
       de lopende bezuinigingen, met inbegrip van de overdracht van taken naar burgers.
       In corporatieland woedt een fervente strijd, welzijnsorganisaties strijden om over-
       leving, scholen weten zich ‘afgeknepen’. Zich terugtrekkende nationale beleids-
       makers kijken naar andere partijen om de ‘gaten’ te vullen. Decentralisatie naar
       lagere overheden – onveranderd met een ‘efficiencykorting’ – heeft magische
       vormen aangenomen. Buurten hebben een hoofdrol verkregen in de wmo, sport-
       verenigingen dienen maatschappelijke initiatieven te ontplooien, van bedrijven
       wordt een extra inzet verwacht bij de aanpak van duurzaamheidsvraagstukken.
       Hun aller beperkte toerusting voor die extra uitdagingen lijkt daarbij een onder-
       schat vraagstuk: problemen worden, zeggen vele gesprekspartners, veeleer zonder
       veel afstemming ‘over de muur gegooid’.
       Bij de taakverdeling hoort ook een verdeling van de budgetten, vanuit het perspec-
       tief van burgers in hoge mate ‘broekzak-vestzak-gedoe’ van een soms twijfelachtig
       gehalte, vooral op het veld van de maatschappelijke participatie. Bij de begeleiding
</pre>

====================================================================== Einde pagina 115 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 116 ======================================================================

<pre>                                                                         drempels  115
van probleemjeugd gaat “80 procent van de energie in vier procent van de gevallen
zitten, en de rest, ja, daar is geen geld voor.” Dit komt volgens de betrokken
ambtenaar door de fixatie op probleemjongeren: “Als je geen overlast geeft, ben je
ook geen aandachtsgebied. Daar zit natuurlijk een vorm van onredelijkheid, onbil-
lijkheid in.” Hij deed een – vergeefse – poging tot het verleggen van de aandacht
naar de preventie: “Dat is een logica waar iedereen ‘ja’ tegen zegt, en vervolgens
doet iedereen toch weer zijn eigen ding wat ie al jaren aan het doen is.”
Ook maatschappelijke initiatieven kunnen aanlopen tegen de verdeling van
middelen. Zo was een Rotterdamse trekster op een nieuwe manier bezig met de
re-integratie van werklozen. Zij organiseert met vrouwen een modeshow, geeft ze
eigenwaarde, waardoor veel vrouwen daarna een baan vinden. Zo’n project wordt
een keer gesubsidieerd en nog een keer, maar daarna moet een keuze worden
gemaakt. Vinden we dit zo belangrijk dat we een gedeelte van de bestaande gelden
voor re-integratie daaraan besteden of niet?
Ontoegankelijkheid
Burgers hebben vaak geen inzicht in de manier waarop de afdelingen van over-
heidsorganisaties in elkaar zitten. Initiatiefnemers vertellen dat ze pas goed
konden samenwerken met gemeenten en maatschappelijke instellingen toen ze
begrepen hoe ontzettend verkokerd die organisaties waren. Het is in Nederland
ook niet altijd duidelijk wie waarover gaat.
De muren rond het overheidsfort zijn voor veel burgers hoog; zelfs de beter toege-
rusten gaan soms ten onder tijdens de bestorming. Ze ontwikkelen bijvoorbeeld
een eigen initiatief rond de herinrichting van een druk uitgaanscentrum. “Toen
begon het gezeur. Het gvb wilde niet een halte terugleggen, de politie voorzag
grote problemen als je de taxi’s ging verplaatsen…” Het was een en al “kan niet”
en “moeilijk”. Er zijn kant-en-klare regelingen voor burgerinitiatieven die de
mogelijkheden om flexibel om te gaan met zich aandienende initiatieven beper-
ken, zeggen anderen. Door een strak stramien aan te houden voor burgerbetrok-
kenheid kom je niet tot werkelijke maatschappelijke initiatieven.
Vaak is inspraak wettelijk verplicht en vervolgens tot formaliteit verheven: “Zij
denken klaar te zijn door een informatiebijeenkomst te houden en vervolgens een
brief te sturen – check, check.” Er komt een apart organisatieonderdeel ‘participa-
tie’, er wordt een projectje voor opgezet waaraan de uiteindelijke beslissers niet
meedoen. Beleidsparticipatie, zeggen ze, wordt op die manier een wassen neus:
“Daar moet je dan ook helemaal niet aan beginnen, want dan raken die mensen
alleen maar heel erg teleurgesteld. En een teleurgestelde burger is erger nog dan
een burger die niets doet.”
</pre>

====================================================================== Einde pagina 116 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 117 ======================================================================

<pre>116     vertrouwen in burgers
    “Het burgerinitiatief, daar ben ik zelf een groot criticus van. Omdat het een manier is van het
    bevoegd gezag om petities tegen te houden, om ze eisen op te leggen. Zoals: het mag de afgelopen
    twee jaar niet besproken zijn in het parlement, het moet minimaal veertigduizend handtekenin-
    gen hebben, die handtekeningen moeten ook nog allemaal op een of andere manier gecheckt
    worden. Hartstikke bureaucratisch. Een enorme ontmoediging. En vaak ook een enorme deceptie
    als mensen denken aan de eisen te voldoen, en er gebeurt uiteindelijk niks. En het is ook alleen
    maar dat het dan op de agenda komt. Dat kan dan nog steeds besproken worden in een hamerslag.
    Zoiets als een Kamervraag: ‘en vindt u ook niet dit?’ en ‘vindt u ook niet dat?’. En dan zegt de
    minister: ‘nou, nee, ik zie geen reden om mijn beleid te wijzigen. Next!’ Dat doet niet echt recht
    aan wat die veertigduizend mensen er aan energie hebben ingestopt om het op de agenda te krij-
    gen.”
           Overheden en instellingen blijken ook anderszins weinig toegankelijk voor
           burgerbetrokkenheid. Dominante politici – “met zeer veel bekwaamheden, maar
           ook met een zeer ijzeren wil” – laten weinig ruimte. Er wordt een betrokkenheid
           geveinsd, “maar in the end gebeurt er gewoon wat één wethouder wil en wat het
           college vervolgens wil.” Vanuit hun dominante posities stellen beleidsmakers en
           bestuurders bovendien vaak (te) hoge eisen aan de organisatie van burgers. Omdat
           de wooncorporaties fuseerden, moesten ook alle huurdersorganisaties fuseren.
           De verbinders vertelden over de werkbelasting, “met zo’n 40 bestuursleden van
           vijf verschillende huurdersorganisaties.” Het duurde een paar jaar voordat er een
           huurderskoepel was, met daaronder de lokale huurdersorganisaties die gewoon
           hun werk bleven doen. “Kortom, er was behoorlijk wat werk voor nodig, want het
           zijn vrijwilligers, om dat op de rails te krijgen.”
           Behoudzucht
           Een oude wijsheid werd veelkleurig geïllustreerd door ons veldwerk: het hoogste
           doel van organisaties is hun eigen behoud. Overheidsorganisaties en maatschap-
           pelijke instellingen zijn in hoge mate beleidsresistent, een aardig woord voor
           onveranderbaar. Welzijns- of onderwijsinstellingen pasten zich soepel aan op
           nieuw overheidsbeleid: ‘hoe moet het nu heten? oké, dan heet het nu …’ Het
           ‘meestribbelen’ is vooral door het middenkader tot een kunst verheven. In onze
           gesprekken stapelden de voorbeelden zich op: “De gemeente, daar hebben we wel
           heel makkelijk toegang op het hogere niveau maar daar beneden, de mensen die
           het uitvoeren, die zeggen heel snel: die lui krijgen al zoveel.”
           Bestaande structuren en systemen zijn bovendien weinig gastvrij jegens
           nieuwe ideeën en organisaties. Ter illustratie: nieuwe initiatieven op het gebied
           van digitale communicatie met burgers bevinden zich vooral aan de ‘randen’ van
           bestuurlijke organisaties, bijvoorbeeld bij de afdeling communicatie (Bekkers et al.
           2010: 157-158). Dat geeft ze wellicht meer ruimte om te floreren, maar houdt ook
</pre>

====================================================================== Einde pagina 117 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 118 ======================================================================

<pre>                                                                                        drempels    117
        een beperking in. Ze kunnen ook gemakkelijk weer worden afgestoten en
        nieuwe werkwijzen hebben moeite hun weg te vinden naar het hart van de
        organisatie.
“Er is een aantal instellingen die over het algemeen meer dan 100 jaar bestaan en die ooit bevlogen
zijn begonnen, maar nu gewoon subsidie krijgen, onderling de poet verdelen, regioafspraken
maken. En die zien ons natuurlijk niet met heel veel plezier komen.” Een maatschappelijk onder-
nemer constateerde het met nuchterheid: zo is kennelijk het leven van nieuwkomers. “We waren
ook niet welkom bij de ambtenaren. Want die hebben het al moeilijk genoeg om met die instellin-
gen te proberen om de samenwerking te krijgen, dat doen ze met convenanten, overlegstructuren.
En dan weer zo’n clubje erbij, dat is ook niet iets waar ze blij mee waren.”
        Anderen werden er opstandig van – “Uiteindelijk dachten we: we willen het stel-
        sel kraken” – of ze zochten de rust van de “blauwe oceaan”. Onze zegsvrouw legt
        uit: “Je hebt de rooie oceaan en daar heb je allemaal haaien en die vechten elkaar
        de tent uit, dat zie je in alle sectoren. Er zit een hoop strijd tussen die instellingen,
        wie krijgt het meeste geld en dat soort dingen. Het zijn grote, massieve clubs met
        vijf- tot tienduizend medewerkers en die zitten allemaal in die rooie oceaan tegen
        elkaar aan te vechten. Wij zoeken de blauwe oceaan op waar niemand is.” Omdat
        grote instituties verandering afhouden, leven ze in een verouderde wereld, terwijl
        nieuwkomers de kansen grijpen die de nieuwe wereld biedt.
        Bij deze remmende structuren en systemen past wel een kanttekening, waarschu-
        wen ervaringsdeskundigen: er is veel meer ruimte dan meestal wordt voorgesteld
        of gedacht en de structuren gelden vaak als excuus voor passiviteit. Filosoof annex
        buurtwerker Henk Oosterling verhaalt van de informele “contra-instituties” die
        ontstaan in het vacuüm tussen gemeentelijke diensten en burgers: een extra laag
        van samenwerkende frontlijnwerkers. Gemeentelijke diensten zijn hier bevreesd
        voor, maar jonge ambtenaren willen er graag werken. Dat creëert soms problemen
        binnen de diensten. Zonder stevige rugdekking van de bovenbazen is het carrière-
        perspectief van de vrijbuiters wankel, leerden we in de praktijk.
        Vernieuwers binnen de gemeentelijke top moeten veel scepsis overwinnen.
        Ronald Vis pakte het indertijd als raadslid bij de gemeente Amersfoort groots aan.
        Hij zat in een werkgroep bestuurlijke vernieuwing die kwam met tachtig aanbeve-
        lingen voor een nieuwe werkwijze. En tot verbazing van het College nam de
        gemeenteraad de aanbevelingen van de eigen werkgroep unaniem aan. “Ik heb nog
        één wethouder een week lang moeten overtuigen dat het echt geen coup was.” Dat
        de gemeenteraad zich echt liet gelden zorgde voor andere posities en een andere
        manier van werken.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 118 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 119 ======================================================================

<pre>118   vertrouwen in burgers
4.2.2    ontoegankelijke burgerstructuren
         De drempels voor verandering ten gevolge van remmende structuren en systemen
         zijn weliswaar voornamelijk gelegen binnen overheden en instellingen, maar ook
         onder beleidsmakers en bestuurders bestaat wel enige reden tot beklag. Beleids-
         makers worden vaak uitgemaakt voor een elite, maar ook initiatiefnemers vormen
         soms weer een elite die de poorten voor nieuwkomers gesloten houdt. Bewonersor-
         ganisaties vormen een soort ‘schaduwdemocratie’: het gestaalde, witte kader waar
         voortdurend naar werd verwezen tijdens onze gesprekken over beleidsparticipatie.
         Ook moeten de trekkers van maatschappelijke initiatieven op hun beurt geholpen
         worden met het weer loslaten van hun initiatief om zo ruimte te maken voor nieuwe
         mensen en initiatieven. De oude garde heeft bovendien vaak weinig verbinding met
         de kleinschalige netwerken die essentieel zijn voor maatschappelijke participatie.
         De professionaliteit van maatschappelijke initiatieven schrikt bovendien andere
         mensen af: burgerbetrokkenheid is bijna een vak geworden en dat beoefenen velen
         liever niet in hun vrije tijd. Lukt het wel om fris talent aan tafel te krijgen, dan blijkt
         ook de zittende ‘burgerelite’ te hechten aan het behoud van positie, leerden ver-
         raste bestuurders van wooncorporaties die experimenteerden met nieuwe vormen
         van burgerbetrokkenheid: “De grootste drempels waren eigenlijk de bewoners-
         commissies, want die dachten: “Ho, wat krijgen we nu, er worden ineens allemaal
         leuke, vrolijke mensen aan tafel gevraagd, terwijl wij hier al 30 jaar op zo’n tas met
         stukken hebben zitten studeren en precies weten hoe erg het allemaal is.”
         Toch is zo’n instroom noodzakelijk, omdat de vaak kleine en dus dun bezette
         maatschappelijke initiatieven en ngo’s gemakkelijk overvraagd kunnen geraken in
         de wisselwerking met beleidsmakers. Hun achterban is vaak lokaal ‘georganiseerd’
         in nauwelijks geformaliseerde groepen en vormt een moeizame gesprekspartner
         voor gemeentelijke beleidsmakers: met wie moeten ze nu praten? Vroeger speelde
         bijvoorbeeld Milieudefensie de rol van verbinder van de lokale vertakkingen, maar
         door de bezuinigingen – de rijkssubsidie verdween – kan dat niet meer. Veel
         provinciale milieufederaties staan op omvallen, zeggen onze zegslieden, en dat
         laat in het lokale tegenspel een leemte achter.
4.3      kortetermijnoriëntatie
         Het is een wederzijds verwijt: ‘jullie’ zijn te langzaam. Zowel beleidsmakers als
         burgers hebben haast rond concrete initiatieven als het hun uitkomt. In andere
         gevallen hechten ze juist aan ‘zorgvuldigheid’, als kennelijke tegenhanger van
         snelheid van handelen. Maar tijd heeft een tweede betekenis: burgerbetrokkenheid
         heeft behoefte aan een lange adem, en dat blijkt een lastige zaak. De kortetermijn-
         oriëntatie van gehaaste beleidsmakers, of juist haastige burgers, veroorzaakt hoge
         drempels voor burgerbetrokkenheid.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 119 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 120 ======================================================================

<pre>                                                                                drempels   119
4.3.1 gehaaste beleidsmakers
      Tijd is een schaars goed onder politici en de vierjaarscyclus is dominant aanwezig,
      ook in het veld van de burgerbetrokkenheid. Verkiezingen vormen een speciaal
      aandachtspunt in de politieke prioriteitstelling en dat geldt dus ook voor initiatie-
      ven van binnen of van buiten het ambtelijk apparaat. ‘Nieuwe’ bewindslieden of
      wethouders hebben een aanlooptijd van, zeg, een jaar nodig om hun ideeën om te
      zetten in praktische beleidsmaatregelen. Na hun aantreden ligt er ook voor de
      ambtelijke en externe trekkers een taak om de nieuwe lichting te overtuigen van
      het nut van hun lopende initiatieven. Iedereen moet opnieuw wegwijs gemaakt
      worden, het vertrouwen moet opnieuw gewonnen worden. Politieke eindverant-
      woordelijken hebben dus een betrekkelijk korte periode om hun lijnen uit te
      zetten en te ‘scoren’. Dat leidt tot gehaastheid, zeker als ze het stuur onvast in
      handen hebben en terugvallen op ad-hocbeleid met machotrekjes. Dat geldt ook
      voor volksvertegenwoordigers; Tweede Kamerleden hebben bijvoorbeeld een
      gemiddelde ervaring van vier en een half jaar, historisch gezien kort (Steeph 2011).
      Burgerbetrokkenheid wordt niet ervaren als een urgent probleem, zoals de econo-
      mische crisis of de stijgende ziektekosten dat zijn. Er is steeds een ‘belangrijker’
      probleem dat om de aandacht vraagt. Maar, waarschuwen deskundigen, het vorm-
      geven aan zinvolle burgerbetrokkenheid, met haar basis van wederzijds vertrou-
      wen, behoeft een proces van vele jaren. Beleidsmakers kiezen daarom soms voor
      relatief makkelijke want haalbare doelstellingen. ‘Lastige’ vraagstukken worden
      dan vooruitgeschoven, moeilijk te bereiken doelgroepen worden buiten haakjes
      geplaatst. Zo richt Wilma Borgt zich met Computerwijk primair op allochtone
      vrouwen in achterstandsbuurten: “De groep die wij bedienen is toch een beetje
      een vergeten groep. Een groep waarvan men denkt: dat levert niet zo snel resultaat
      op; ze is bewerkelijker, moeilijk bereikbaar, intensief. Want we werken altijd met
      twee docenten op acht cursisten. Persoonlijk. En dat kost meer tijd en moeite.”
      Beleidsmakers zijn ongeduldig: ze hebben haast en beleidsparticipatie, met lange
      procedures, kost tijd. Politici bedenken vandaag iets en dan moet het morgen
      worden ingevoerd of opgelost, ze staan onder druk om te scoren. Ambtenaren
      ervaren dat als een gehaastheid en laken het gebrek aan continuïteit en doordacht-
      heid. De Utrechtse oud-wethouder Hans Spekman merkte het in de praktijk: “De
      overheid en woningbouwcorporaties hebben snel de neiging om de deur te sluiten
      en te zeggen: ‘Besluit is besluit.’ En om dan ook niet meer te luisteren naar wat die
      mensen zeggen.” Dat is vaak niet verstandig. “Je kan plusjes opbouwen door dat
      juist wél te doen. Het is eigenlijk helemaal niet ingewikkeld om daar te gaan staan
      en te luisteren.”
      Het bezwaar van het tijdsverlies door betrokkenheidsprocedures moet niet
      worden weggewuifd, maar tegelijk constateren ervaren ambtenaren: “Het maakt
</pre>

====================================================================== Einde pagina 120 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 121 ======================================================================

<pre>120   vertrouwen in burgers
         eigenlijk niet zo heel veel uit in de tijd gezien.” Inspraak en advies zijn onveran-
         derlijk aan termijnen gebonden die zelden meer dan vier maanden bedragen. En
         beleidsmakers moeten ook niet overdrijven met de vertraging door beroepen.
         Ter illustratie: de Raad van State heeft in de afgelopen tien jaar een kleine dertig
         rechtszaken over wegbesluiten behandeld. Van die besluiten is slechts een klein
         deel vernietigd (Projectdirectie Sneller & Beter 2010: 103). De werkelijke vertra-
         ging is dan ook bijna altijd een direct gevolg van moeizaam bestuurlijk overleg
         door beleidsmakers zelf. “Als je kijkt naar procedures die lang geduurd hebben,”
         concludeert een in beroepsprocedures ervaren advocaat, “dan is er maar één partij
         die altijd de meeste tijd neemt en dat is de overheid. Daar is een hoop tijdwinst te
         halen” (Projectdirectie Sneller & Beter 2010: 49).
         Toch klagen veel ambtenaren wanneer het om burgerbetrokkenheid gaat over het
         gebrek aan tijd. Ze hebben vaak te maken met een deadline, voor de Tweede
         Kamer, voor de minister, gemeenteraad of wethouders. Dan denken beleidsma-
         kers: die burgerdialoog doen we daarna wel. Zeker in een tijd van bezuinigingen
         zien zij het als een extra ballast. Burgers worden betrokken omdat het ‘moet’, vaak
         op een laat moment als een plan bijna in brons is gegoten. De trekkers van lokale
         partijen zetten zich daar tegen af en zweren bij een voortdurende betrokkenheid:
         “een actieve vorm van democratie, een vorm die het tegendeel is van de huidige
         praktijk van inspraak achteraf op bestuurlijke plannen die feitelijk al zijn vastge-
         steld” (Euser 2009: 24).
4.3.2    haastige burgers
         Beleidsmakers hebben veelal haast en klagen over vertragingen door beleidsparti-
         cipatie. Burgers ervaren dat van hun kant anders: ze klagen vooral over de overma-
         tige traagheid van ‘de bureaucraten’. Soms geven ze de strijd op, zoals een waarne-
         mer constateerde: “In het dorp hoor ik ook mensen zeggen: ‘Ram die weg er maar
         doorheen, dan weten we waar we aan toe zijn.’” Veel trekkers hebben een heel
         repertoire ontwikkeld om te ontsnappen aan de wurggreep van de procedures.
         Als je kan zonder de overheid, doe het dan, zeggen sommige ngo-voorlieden.
         Ook de trekkers van maatschappelijke initiatieven bevestigen: zorg ervoor niet te
         belanden in beleidsplannen en -trajecten. De betere trekkers komen met ‘alter-
         natieve’ benaderingen die beleidsmakers ten zeerste kunnen ontregelen, zoals
         bij het – effectieve – en zeer snel georganiseerde staand-bierdrinkprotest van
         Ai!Amsterdam.
         Sommige projecten, zoals het bouwen van een wijk of de aanleg van een weg,
         duren gewoon lang. Het is lastig om rondom zulke lange trajecten continue
         betrokkenheid te organiseren. Evelien Oosterbaan, een van de ambtenaren achter
         wijbouweneenwijk.nl, vertelde: “Ik kan me heel goed voorstellen dat mensen
         denken: ‘We zijn twee jaar verder en ik ben best wel teleurgesteld, want er is nog
</pre>

====================================================================== Einde pagina 121 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 122 ======================================================================

<pre>                                                                                          drempels     121
          steeds geen concreet plan’.” Ook wooncorporatie Ymere leerde dat er een andere
          tijdsbeleving bestaat bij de burgers en de eigen organisatie. Burgers hadden meege-
          dacht, hun ideeën gegeven en verwachtten snel resultaat. “Wij merken dat het
          lastig uit te leggen is. Waar zijn jullie dan al die tijd mee bezig? Wij hebben toch
          gezegd wat er nu moet komen, en waarom hebben jullie zolang nodig om daar een
          plan voor te maken?”
  Huurder Achmed werd door zijn wooncorporatie bij een herstructurering aangetrokken als verbin-
  der in de richting van zijn medebewoners: “In het begin waren ze blij. Maar na anderhalf jaar zie je
  dat wel veranderen: ‘ze zitten alleen maar verhalen te verkopen.’ Vandaar dat ik tegen de corporatie
  gezegd heb: ik ga ermee stoppen, want als ik naar een bewoner ga en die zegt: ik weet al genoeg en
  die doet niet open voor jou, dan heb ik daar geen zin in.”
          Neem je tijd, weet dat een lange adem vereist is, en bewaak de spanningsboog. Dat
          is een vak apart, leerden andere begeleiders in de harde praktijk rond de megastal-
          len: “We hebben ons die jaren suf gecommuniceerd.” De wethouder van Heeze-
          Leende bijvoorbeeld wilde het goed doen en liet een folder bezorgen in elke brie-
          venbus, organiseerde wijkavonden, enz. Toen het protest oplaaide, werd er toch
          gezegd: “We hebben nooit wat gezien.” Niemand maakte bezwaar tegen een plan,
          maar op het moment dat er sprake was van bouw werd er gesproken over een over-
          val: “Er worden andere krachten wakker.” En volgens onze lijsten hadden ze bij de
          originele inspraak gezeten, zeiden de ambtenaren wat beteuterd.
          Burgers hebben sowieso weinig begrip voor de perikelen waarmee beleidsmakers
          soms te maken hebben, zeker in tijden van bezuinigingen. “De tijden zijn veran-
          derd,” merkte de Helmondse wethouder Stienen, “dus er liepen heel veel project-
          ontwikkelaars bij mij binnen van: goh, Frans, het kan niet meer, kunnen we nog
          eens praten over het contract, kunnen we eens praten over de opzet, kunnen we
          niet faseren? Kan de gemeente niet wat met grondprijzen doen?” Het is dan lastig
          om de vaart erin te houden, maar de ‘bewoners’ van de herstructureringsbuurten
          hadden haast: “Want dat was vooral waar de burgers en de winkeliers ons bij alle
          bijeenkomsten steeds naar vroegen: wanneer dit, wanneer dat, wanneer dit?”
4.4       onzekere sleutelhouders
          Een van de hoogste drempels voor verandering wordt gevormd door de onzeker-
          heid onder sleutelhouders. Elk veranderingsproces is geheel afhankelijk van de
          inzet van een klein aantal mensen die fungeren als trekker of verbinder voor ande-
          ren. Hun positie staat of valt echter weer bij het houvast dat zij kunnen ontlenen
          aan anderen. Voor burgers zijn het meestal hun mede-initiatiefnemers, voor front-
          lijnwerkers hun superieuren. Schetsen die niet een visie van een toekomst die zij
          wenselijk achten, dan weten de sleutelhouders niet waar hun grenzen liggen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 122 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 123 ======================================================================

<pre>122    vertrouwen in burgers
           Bewijzen ze in de praktijk ook niet onvoorwaardelijk achter ‘hun’ sleutelhouders
           te staan, dan worden reputatie- en carrièrerisico’s te groot en zullen velen passen.
4.4.1      beperkte visie
           Als het betrekken van burgers geen prioriteit heeft bij de politiek, dan sneuvelen
           projecten of wordt er niet aan begonnen. In sommige gemeenten en op departe-
           menten gebeurt veel op het gebied van burgerbetrokkenheid, in andere nauwe-
           lijks. Dat heeft voor een belangrijk deel te maken met hoeveel gewicht de politieke
           top er achter zet. Maar gewicht alleen is niet voldoende, waarschuwen onze
           gesprekspartners. De prioriteit moet worden vertaald in een robuuste visie en in
           een voldoende toerusting; zonder dat hebben de sleutelhouders in het verande-
           ringsproces te weinig houvast. Daar nu schuilt een probleem: er is, zeker natio-
           naal, geen sprake van een doordacht en breed gedragen betrokkenheidsbeleid.
           Het gebrek aan een langetermijnvisie uit zich in een onoverzichtelijke en kwets-
           bare projectencarrousel, dit ongeacht de warme taal van vele beleidsmakers en de
           herhaalde oproepen uit het veld. Indien beleidsmakers een wezenlijke plaats inrui-
           men voor vormen van betrokkenheid, dan gebeurt dat veelal te laat of ‘onhandig’.
           Een overmatige projectgerichtheid, in combinatie met korte financiering, draagt
           ook niet bij. Sommige processen behoeven domweg continuïteit, maar burgers en
           frontlijnwerkers klagen over “incidentele middelen” die een keer ophouden “dus
           ben je een beetje afhankelijk van de grillen van bestuurders.” Ondernemers klagen
           over “grote investeringsonzekerheid”: kies één richting, zeggen ze, en hou daar
           dan aan vast. Projecten worden niet afgemaakt, er is sprake van een voortdurend
           wisselen van projectleiders, verantwoordelijke ambtenaren en politiek verant-
           woordelijken.
           Wisselende beleidsprioriteiten kunnen tot frustratie onder burgers en frontlijn-
           werkers leiden. Vooral de maatschappelijke participatie is kwetsbaar. Het welzijns-
           werk is het voortdurende slachtoffer van jojobeleid: dan is er wel en dan weer geen
           geld. Ook in het onderwijs en de zorg worden succesvolle projecten afgekapt en
           draait de projectencarrousel op (te) volle toeren. ‘Voetbalagenten’ en ‘school-
           agenten’ werden teruggetrokken: er moest ‘meer blauw op straat’, of juist naar de
           centrale recherche. Maar ook bij beleidsparticipatie op nationaal niveau wreekt
           zich het gebrek aan een consistente visie; de ervaring met burgemeestersreferenda
           kan daarvoor als illustratie dienen.
   “Ik denk dat je met sport veel kunt bereiken in de samenleving.” Het is een kans voor open doel,
   zegt Jean Paul de Jong, maar we lijken die te missen door “een overkill aan allerlei initiatieven,
   activiteiten, ideeën.” En de koers wisselt ook snel. “De laatste vijf jaar is eerst alles ingericht met
   het oog op het welzijn. Daarna was het weer heel veel samenwerken met sportverenigingen. Nu
</pre>

====================================================================== Einde pagina 123 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 124 ======================================================================

<pre>                                                                                      drempels     123
komen de scholen er heel erg bij.” Maar hoe meer, hoe complexer het eigenlijk allemaal wordt, zegt
hij. “Want iedereen gaat de scholen benaderen, dus die scholen weten op een gegeven moment niet
meer: moeten we nu dit volgen, of moeten we nu dat volgen? Op een gegeven moment overzie je
dat in die wijken niet meer.”
        Speciaal sleutelhouders hebben behoefte aan een duidelijk verhaal dat hun ruimte
        laat voor inkleuring binnen hun eigen ‘territoir’. Dat verhaal moet altijd beginnen
        bij mensen, en dat blijkt in de bestuurspraktijk vaak niet het geval. Bij de verslaaf-
        denhostels in Den Bosch waren beleidsmakers in eerste instantie slecht op de
        hoogte van de buurten en het gesprek dat daar plaatsvond. Maar ook bij het protest
        tegen de megastallen werden politici overvallen door de vele tegenstanders. De
        politici dachten dat zij alle belanghebbenden hadden uitgenodigd en toch vormde
        zich voor hen onverwacht de actiegroep Megastallen Nee! “En wij maar uitleggen
        dat bedrijfsverplaatsing slechts een onderdeel was van een veel grootschaliger
        proces van plattelandsvernieuwing,” herinnerden de ambtenaren zich.
        Bij de megastallen konden beleidsmakers geen sluitende visie voorleggen: waar
        komen we vandaan, waar staan we, waar gaan we naar toe? De stallenbouw op het
        platteland werd door verontruste burgers gekoppeld aan de gezondheidsproble-
        matiek: Q-koorts en mrsa. Ook elders prikten burgers door ‘verkeerde’ verhalen
        heen. Bij de bestrijding van overlast door voetbalhooligans wordt Engeland door
        veel beleidsmakers genoemd als het “perfecte voorbeeld: daar gebeurt nooit meer
        wat.” Maar geoefende voetbalsupporters en frontlijnwerkers – politiemensen
        bijvoorbeeld of welzijnswerkers – weten dat door heel streng op de veiligheid
        rondom stadions te zijn, het geweld zich verplaatst naar andere plaatsen:
        “Ze zoeken elkaar gewoon in de stad op, ieder weekend is het daar ellende.” Je
        verplaatst de locatie en ook de dag; nu gaan ze de avond van tevoren of zelfs twee
        dagen van tevoren op pad. “Dat is een probleem en dat kennen wij.”
        Een goede visie bouwt op de inbreng van belanghebbenden, als bron van erva-
        ringsdeskundigheid en om draagvlak te verwerven. Het klinkt logisch, maar blijkt
        dat niet altijd te zijn. De manier waarop in verschillende steden met de aanpak van
        de Vogelaarwijken werd omgegaan vormt een illustratie van hoe het niet moet:
        vanuit het toenmalige ministerie van Wonen Werken en Integratie (wwi) kwam
        de vereiste dat binnen een paar maanden een compleet plan op tafel moest liggen.
        Niet alle gemeenten zagen vervolgens kans verder te gaan dan “doe maar een lint
        om de bestaande 73 plannen”, of het stadhuis zadelde wijkraden, wooncorporaties
        en winkeliersverenigingen op met een kant-en-klaar plan.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 124 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 125 ======================================================================

<pre>124    vertrouwen in burgers
4.4.2     wankele rugdekking
          We hoorden terugkerende geluiden over gebrek aan rugdekking. Burgers worden
          onzeker wanneer beleidsmakers hen, ondanks hun soms persoonlijk riskante
          inzet, laten ‘vallen’. Frontlijnmedewerkers verliezen hun geloofwaardigheid bij
          hun doelgroepen als zij steeds zonder concreet resultaat terugkomen, voor ieder
          detail naar hun bazen moeten voor toestemming, of eerder gemaakte afspraken
          moeten herzien. Weer zijn de drempels vooral gelegen binnen de verticale kolom-
          men van overheden en maatschappelijke instellingen, waar mensen worden
          geconfronteerd met onspeelbare kaarten en zwakke schakels in ketens.
   Exemplarisch is het boek Help! Een burgerinitiatief (Van Zuylen 2007). De doelgroep van dit
   boek wordt gevormd door de lokale ambtenaren die zich in een spagaat bevinden tussen het aan
   de ene kant doodknuffelen en het aan de andere kant negeren van – of je geen raad weten met –
   maatschappelijke initiatieven. Werk ik als ambtenaar voor de stad, of voor de bestuurder?
          Vooral rond maatschappelijke initiatieven ontstaan problemen: ze passen immers
          vaak slecht binnen de structuren en de bestaande routines van beleidsmakers en
          bestuurders. De betrokken frontlijnwerkers zoeken al improviserend naar de
          meest passende manieren om een ongevraagd initiatief te laten slagen. Dan is het
          extra belangrijk dat zij van bovenaf worden gesteund. Maar er heerst vaak achter-
          docht tussen College, Raad en ambtenaren, zeggen onze gesprekspartners, en een
          overenthousiaste frontlijn wordt met scheve ogen aangekeken. De eerste reactie
          op een frontlijninitiatief is daarom veelal defensief en afwijzend. Ook de nieuwe
          generatie ambtenaren vormt een aandachtspunt. Als zij net binnenkomt en andere
          ideeën heeft over samenwerking met de buitenwereld, wordt zij langs de
          bestaande hiërarchische kaders snel teruggefloten. Dat wil men niet, daar is men
          onzeker over.
          De onzekerheid van beleidsmakers speelt ook op bij maatschappelijke participatie,
          denk aan de uitvoering van de wmo. De politiek heeft volgens de Rotterdamse
          wethouder Jantine Kriens de frontlijnwerkers zo onzeker gemaakt en zo over-
          vraagd met allerlei bureaucratische procedures dat ze niet kunnen functioneren:
          “Als je de professionals niet serieus neemt, kun je niet verwachten dat de profes-
          sionals de mensen serieus nemen.” Wie vertrouwen wil geven, moet zelf over
          vertrouwen beschikken.
          Onspeelbare kaarten
          Mogen beleidsmakers wel zoveel – meestal gratis – inzet verwachten van
          ‘normale’ burgers? Actieve betrokkenheid kost veel tijd; niet zonder reden waren
          veel van de mensen die we in ons veldwerk tegenkwamen, gepensioneerd of tijde-
          lijk zonder werk. Voor velen is het tijdelijk wel op te brengen om veel tijd te inves-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 125 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 126 ======================================================================

<pre>                                                                                         drempels   125
        teren in een project, maar op de lange duur is het lastig vol te houden, naast een
        baan of andere verplichtingen. Zoals een Helmondse wijnhandelaar het voor velen
        samenvatte: “We doen het er allemaal bij en we moeten opboksen tegen lieden die
        er de hele dag mee bezig zijn.” Mensen haken af of – en dat zagen we een aantal
        keren bij maatschappelijke initiatieven – zetten hun initiatief voort als maatschap-
        pelijk ondernemer of ngo met betaalde krachten.
        Maar ook ambtenaren krijgen opdrachten waarvan zij, evenals hun bazen, weten
        dat het gaat om een mission impossible. Vaak zijn het relatief kleine dingen, maar
        met een grote doorwerking op de burgerbetrokkenheid. Trajecten op het gebied
        van beleidsparticipatie zijn arbeidsintensief, terwijl ze er meestal ‘even bij gedaan’
        moeten worden. Daarmee zadel je mensen soms op met een welhaast onmogelijke
        taak: zij moeten beschikken over zendingscapaciteiten en een zware rugdekker die
        hen ook steunt op het moment dat andere afdelingen van de gemeente zich gaan
        roeren.
Bij het n340-project kregen de betrokken burgers bij de politieke besluitvorming een koude
douche. De provinciale projectleider had – denkend vanuit het perspectief van de teleurgestelde
bewoners – daarna vragen over zijn eigen positie: “Nu overheerst het gevoel: waarom zou ik nog
met die man praten? Hij heeft zijn werk wel goed gedaan, we hebben geen ruzie met hem en het
vertrouwen is er ook wel, maar daarna wordt er toch iets besloten waar ik geen zicht of invloed op
heb.” Hij legde ons uit: dat vertrouwen moet de provincie weer zien terug te winnen. “Transparan-
tie gaat niet alleen over de inhoud van het besluit, maar vooral over de manier van besluitvorming.
Het zó kunnen uitleggen dat iedereen denkt van: ja, nou goed, ze hebben dat besluit genomen, ik
ben het er niet mee eens, maar het is wel op een goeie manier gedaan. Dat gevoel is er bij veel
burgers dus niet en daar heb ik als projectleider last van. Burgers willen serieus genomen worden
en als ze dat gevoel niet hebben, dan hindert dat.”
        Onzekere schakels in ketens
        Juist bij maatschappelijke participatie moeten ketens worden gevormd, beginnend
        bij de kwetsbare burgers die hulp behoeven. Die meest alledaagse hulp wordt in
        toenemende mate verleend door mantelzorgers en vrijwilligers, maar die moeten
        kunnen terugvallen op een eerste lijn van frontlijnwerkers en die weer op een
        tweede lijn van specialisten en een derde lijn vanuit de intramurale voorzienin-
        gen. Al die lijnen behoeven weer de rugdekking van bestuurders en beleidsmakers.
        Dat luistert nauw, want zonder die zekerheid kunnen burgers en frontlijnwerkers
        niet naar beste inzicht handelen.
        Zekerheid begint dus altijd vóór in de keten, wanneer burgers weten rugdekking te
        krijgen. Mensen moeten continu het gevoel hebben dat ze kunnen bellen als er iets
        is; dat gaat nooit over. Die steun moet er zijn, ook voor de lange termijn, zodat de
        vertrouwensrelaties kunnen groeien. De onzekerheid van sleutelhouders wordt
</pre>

====================================================================== Einde pagina 126 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 127 ======================================================================

<pre>126 vertrouwen in burgers
       gevoed door de permanente onduidelijkheid over de continuïteit van financiering
       en door de voortdurend wisselende ambtelijke aanspreekpunten. We beschreven
       het belang van deze verbinders in het vorige hoofdstuk. Als ze verdwijnen of op
       grotere afstand komen te staan door een fusie van gemeenten of instellingen,
       verliezen ze de vastigheid onder hun voeten.
       In de relatie tussen trekkers en verbinders aan de ene kant en beleidsmakers aan
       de andere schort veel, vertelden verschillende trekkers. Kom je met een mooi plan,
       zegt de ene initiatiefnemer, dan krijg ik te horen: “Ammenooitniet. Gebeurt niet.”
       Ben je weer een tijd bezig om ze alsnog met steun van een corporatie door de bocht
       te krijgen. “Ze denken nooit mee,” zegt een ander. “Ik moet mijn energie halen
       bij de mensen uit mijn wijk, die zeggen: ‘Je moet doorgaan.’” “Ze willen overal de
       regie over hebben,” klaagt een Rotterdamse welzijnswerker over de beleidsmakers:
       “Ik denk echt dat het onzekerheid is bij de mensen zelf. Kijk, er wordt in Rotterdam
       natuurlijk gesproken over het afschaffen van de deelgemeentes.”
       Ze kunnen gelijk hebben: een open houding tegenover burgers moet bouwen op
       zekerheid over de eigen positie. Alleen dan durven beleidsmakers te zeggen ‘Dit
       weten wij nog niet, wat vindt u er van?’ Daartoe is het allereerst nodig dat het
       binnen de organisatie zelf geoorloofd is om zoiets te zeggen. Als ambtenaren
       binnen hun organisatie niet met vragen mogen komen, dan zullen ze ook niet met
       vragen naar buiten treden, zegt de een. Onzekere beleidsmakers ervaren inspraak
       als een bedreiging voor de eigen deskundigheid en invloed, zegt een ander. Heb je
       eindelijk een goed wetsvoorstel ‘af’, dan wil je het liever niet aan kritiek bloot-
       stellen, illustreert een derde. Een uitgestoken vinger is immers gauw de hele hand.
       Zonder zelfvertrouwen durf je ook geen ‘nee’ te zeggen. Burgerbetrokkenheid
       wordt dan onnodig wankel, waarschuwen ervaringsdeskundige beleidsmakers en
       bestuurders, want als je dat ‘nee’ toelicht, bestaat daar vaak begrip voor. Het hoort
       bovendien bij het vak van besturen, of zoals zorgdirecteur De Wit uit Volendam
       het formuleert: “Niet vanuit: ik doe alles wat je zegt, want dan zijn we ordinaire
       koopmannen. Ook kunnen zeggen: nee, dit doen we niet. Je wordt ook betaald om
       lelijk of onaangenaam genoemd te worden.”
       Het samenwerken in rugdekkingsketens luistert nauw en wordt bemoeilijkt
       omdat de ketens vaak ingewikkeld zijn. Bij maatschappelijke instellingen – bijna
       altijd georganiseerd op regionaal niveau met daaronder districten en locaties –
       waren bijvoorbeeld de verbinders vanuit ‘de basis’ soms weinig op hun gemak met
       hun vertegenwoordigende taak: in hoeverre beschouwt hun achterban hen als
       legitieme woordvoerder rond een gedeeld belang? Maar ook de vertegenwoordi-
       gers van de verticale kolommen hebben te maken met een hiërarchie. Districts-
       hoofden – bij wooncorporaties de regiomanager, bij politie de districtscomman-
       dant, binnen het onderwijs de locatiedirecteur, binnen de gemeente de
       wijkmanager – behoeven de steun van hun superieuren, frontlijnwerkers weer van
</pre>

====================================================================== Einde pagina 127 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 128 ======================================================================

<pre>                                                                          drempels   127
districtshoofden. Hebben ze die niet, dan verliezen ze hun belang als verbinders
met de burgers.
Die samenwerking wordt verder gecompliceerd door de horizontale wisselwer-
king met burgers via internet. Davied van Berlo, trekker van het initiatief Ambte-
naar 2.0, weet: “Afstemmen ‘in de lijn’ is niet altijd mogelijk, terwijl je als ambte-
naar staatkundig gezien wel de mening van de minister verkondigt.” Dat vereist
nieuwe spelregels die spanning opleveren met geheiligde principes als het primaat
van de politiek en de ambtelijke parafencultuur. Van Berlo zegt het mooi: “De
organisatie dient duidelijkheid te geven over de professionele ruimte voor de
ambtenaar om maatschappelijk betrokken en in alle openbaarheid samen te
werken, te experimenteren en interactief op te treden” (Van Berlo 2009: 40).
Degenen die de rugdekkingsketen moeten zekeren, zoals bestuurders en toezicht-
houders van maatschappelijke instellingen, zijn door de ongewisheid van het
overheidsbeleid zelf vaak verre van zeker. Ze zijn passief: passen op de tent, waar-
bij ze zich veelal concentreren op ‘de financiën’, fusies en gebouwen, maar zich
nauwelijks bezighouden met de kwaliteit van hun diensten en de zorgen van de
frontlijn of hun cliënten. Of – soms – ze doen dat wel, maar schieten door in hun
bevlogenheid. De praktijk leerde ons een harde les: voorwaarden voor bestuurlijk
succes binnen maatschappelijke instellingen zijn een bevlogen leider, een sterke
financiële man, en een raad van commissarissen c.q. toezicht die ‘iets begrijpt’ van
de problematiek van zowel cliënten als frontlijnwerkers. Dat aan alle drie voor-
waarden gelijktijdig wordt voldaan blijkt zeldzaam. En de rugdekking die bestuur-
ders in geval van nood moeten hebben van hun toezichthouders en van beleids-
makers blijkt dan nog zeldzamer.
Ook zekerheid bij de politieke top is geen vanzelfsprekendheid, zo werd ons veel-
vuldig voorgehouden. Het is een meer onzekere tijd, ontwikkelingen gaan snel en
de manier waarop partijen zich tot elkaar verhouden verschuift. De politiek is
veranderd, de afrekening is harder geworden, veel wethouders halen bijvoorbeeld
het einde van de vier jaar niet. Dat maakt politici onzeker en met die onzekerheid
is het lastig rugdekking geven aan de frontlijn. Ook topambtenaren die niet gedekt
worden door bewindslieden of wethouders kunnen niet goed functioneren. Dat
werkt in het samenspel tussen frontlijnwerkers en burgers en ondergraaft zo de
burgerbetrokkenheid.
                                          ***
Ook al is aan de succesvoorwaarden voldaan, dan nog valt het dikwijls niet mee
om een initiatief van de grond te krijgen. De drempels voor verandering blijken
hoog. Burgers en beleidsmakers spreken vaak een andere taal, handelen vanuit
verschillende perspectieven en koesteren veelal andere verwachtingen omtrent
</pre>

====================================================================== Einde pagina 128 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 129 ======================================================================

<pre>128 vertrouwen in burgers
       aard en doel van een project. De overheidsorganisaties zijn te complex en proce-
       dures te zwaar om tijdig mee te kunnen bewegen met betrokken burgers. Maar
       ook de ontregelde ‘burgerstructuren’ bemoeilijken het leven van beleidsmakers
       meer dan tevoren. Zowel burgers als beleidsmakers blijken behept met een korte-
       termijnoriëntatie en waar de een haast heeft, heeft de ander het vaak juist niet.
       Ieder betrokkenheidsinitiatief staat of valt daarnaast met de inzet van een klein
       aantal mensen die fungeren als trekker of verbinder. Hun positie wordt echter
       bepaald door het houvast dat zij kunnen ontlenen aan anderen. Blijkt dat houvast
       in de vorm van visie en rugdekking er niet of niet voldoende te zijn, dan is een
       initiatief bijna gedoemd te mislukken. De drempels die wij signaleerden bieden,
       evenals de andere lessen uit ons veldwerk, praktische handvatten voor verbetering
       die samen met de verkregen inzichten uit de literatuur de opmaat waren voor
       concrete en resultaatgerichte aanbevelingen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 129 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 130 ======================================================================

<pre>deel iii
burgerbetrokkenheid in nederland:
de duiding
</pre>

====================================================================== Einde pagina 130 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 131 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 131 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 132 ======================================================================

<pre>                                                                                            131
5         burgerbetrokkenheid in een complexe
          samenleving
          Wat vertelt de theorie ons over burgerbetrokkenheid? Waarom komen sommige
          mensen in actie, terwijl anderen – in schijnbaar gelijke omstandigheden – zich
          moedeloos, boos of ongeïnteresseerd afwenden? Hoe vinden burgers elkaar en hoe
          komen ze als groep in actie? En wat betekent dat voor beleidsmakers? De literatuur
          biedt verschillende aanknopingspunten om onze bevindingen beter te begrijpen
          en om die te plaatsen tegen de bredere context van een snel veranderende,
          complexe samenleving.
5.1       betrokken individuen
          Het veldwerk laat er geen twijfel over bestaan: mensen willen en kunnen betrok-
          ken zijn indien de uitdaging op hun weg past bij hun behoeften – ‘wezenlijk’ is –
          en ze denken te beschikken over de toerusting die vereist is om passende antwoor-
          den te vinden. Het begrip toerusting omvat meer dan alleen vaardigheden; zoals
          een goede timmerman weinig kan zonder zijn gereedschap, dienen burgers ook te
          beschikken over de instrumenten en de slagkracht om invloed uit te kunnen oefe-
          nen. Dit beeld aangevuld met inzichten uit de psychologie vormt ons basismodel
          (figuur 5.1).1
Figuur 5.1      Basismodel van burgerbetrokkenheid
                     Uitdaging
                                    Overvraagd
                                                           Betrokken
                                                          Niet uitgedaagd
                                                                        Toerusting
</pre>

====================================================================== Einde pagina 132 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 133 ======================================================================

<pre>132   vertrouwen in burgers
         Indien uitdaging en toerusting voor de desbetreffende persoon met elkaar in even-
         wicht zijn, zal die persoon actief betrokken worden. Indien naar zijn gevoel de
         toerusting tekortschiet en/of de uitdaging te groot is, voelt hij zich overvraagd.
         Als, omgekeerd, een uitdaging hem niet interesseert of niet aantrekkelijk genoeg
         is, is hij niet uitgedaagd. In beide gevallen is de kans op actieve betrokkenheid
         klein.
5.1.1    aanleiding en drijfveren voor individuele betrokkenheid:
         de uitdaging
         Mensen handelen omdat ze iets willen veranderen: een in hun ogen ‘foute’
         ontwikkeling willen tegengaan of juist een gewenste ontwikkeling willen bevor-
         deren. Ons veldwerk levert talloze illustraties van onvree met de huidige situatie
         als drijfveer voor actie. Mensen worden dan gedreven door een gevoel van distri-
         butieve rechtvaardigheid: ze krijgen niet waar ze denken ‘recht’ op te hebben
         (Van den Bos 2009: 91; Gurr 1970). We troffen ook mensen met een droom, een
         visie over wat er mogelijk moet zijn: een duurzame energievoorziening, het
         behoud van industrieel erfgoed voor de stad, een plek voor ontmoeting en cultuur,
         en een dagopvang voor ouderen in de eigen dorpskern.
         Lang niet altijd is de aanleiding inhoudelijk van aard. Mensen komen ook in actie
         omdat ze het niet eens zijn met de wijze van besluitvorming. Hun behoefte aan
         procedurele rechtvaardigheid wordt stelselmatig onderschat: mensen willen seri-
         eus worden genomen. Ze snappen dat ze niet altijd hun zin kunnen krijgen en zijn
         bovendien vaak beter in staat de procedure te beoordelen dan de inhoud (Van den
         Bos 2011). Een duidelijke communicatie voor en tijdens een betrokkenheidproces
         is daarom van belang om onnodige onvree te voorkomen.
         Een derde aanleiding voor betrokkenheid is voor de hand liggend, maar niet te
         onderschatten: mensen worden gevraagd. Veel burgers worden actief op uitnodi-
         ging, of het nu gaat om vrijwilligerswerk of om deelname aan een panel, discussie-
         forum of protestactie.
         Mensen worden actief door een van deze aanleidingen, maar die zijn niet
         voldoende om ook actief te blijven. Verschillende drijfveren voeden hun doorzet-
         tingsvermogen (bijvoorbeeld Van Stekelenburg et al. 2011). In sommige gevallen
         maken ze een min of meer instrumentele kosten-batenanalyse: wat is de kans dat
         ze hun sociale of politieke doelen kunnen realiseren door deel te nemen aan een
         collectieve actie, en wat zijn daarvan de kosten (Klandermans 1997)? Zeker in
         geval van grootschalige acties wordt hun afweging mede bepaald door de verwach-
         ting van wat anderen gaan doen. Een verwachte lage deelname leidt tot een
         afname in de bereidheid om zelf mee te doen, terwijl een verwachte hoge deel-
         name de eigen motivatie doet toenemen: de kans op slagen wordt immers groter.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 133 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 134 ======================================================================

<pre>                                          burgerbetrokkenheid in een complexe samenleving 133
      Die rationele afweging speelt minder zwaar als mensen geraakt zijn door een
      gevoel van maatschappelijke onrechtvaardigheid, als het gaat om een aantasting
      van voor hen wezenlijke waarden en normen die hun eigenbelang overstijgen.
      Veel maatschappelijke bewegingen – denk aan mensenrechten- of ontwikkelings-
      organisaties – worden gedreven door een gedeelde ideologie (Van Stekelenburg
      2006). Hun aanhangers willen vooral uiting geven aan hun persoonlijke waarden-
      en-normensysteem.
      Een derde drijfveer, die in de literatuur steeds meer aandacht krijgt, is de
      intrinsieke motivatie om mee te doen. Niet het te verwachten resultaat van een
      actie of de ideologie achter de actie is dan doorslaggevend voor een blijvende
      betrokkenheid, maar de persoonlijke voldoening die iemand ontleent aan het
      leveren van een bijdrage aan een gemeenschappelijk doel (Benkler 2006).
      Ook de erkenning en waardering die mensen daarvoor krijgen van anderen
      spelen daarbij een belangrijke rol (Malone et al. 2010; Ostrom 2000). In ons
      veldwerk kwam het belang van de intrinsieke motivatie in vele toonaarden
      en in zeer verschillende situaties terug; in het vrijwilligerswerk van de wmo,
      in het beheer van de dorpshuizen, het zelfbeheer van de groenvoorzienin-
      gen.
      Tegelijkertijd leren literatuur en praktijk ons dat die intrinsieke motivatie kwets-
      baar is. Als betrokkenheid wordt gestimuleerd met externe prikkels (bijvoorbeeld
      met financiële beloning of door middel van verplichtingen) neemt de animo af
      (Benkler 2006). Wanneer externe factoren de overhand krijgen, gaan eigenwaarde
      en eigenaarschap verloren: ook wel ‘crowding out’ genoemd (Frey 1994; Ostrom
      2000). Vrijwilligers willen vaak geen geld; ze beschouwen dat bijna als een beledi-
      ging. Financiële vergoedingen voor vrijwilligerswerk geven bovendien een
      verkeerd signaal aan de ‘ontvangers’ van de vrijwillige diensten. Ze zien de vrij-
      williger niet meer als een medeburger die een dienst verleent, maar als de leveran-
      cier van een goedkoop product (zie ook Shirky 2010: 133).
5.1.2 voorwaarden voor individuele actie: de toerusting
      Wanneer de uitdaging past bij hun behoeften willen veel burgers zich inzetten
      voor de publieke zaak. Maar kunnen ze dat ook? De uitdaging moet immers in
      verhouding staan tot de toerusting. Verschillende, onderling samenhangende
      factoren zijn bepalend voor die toerusting (Ajzen 1987).
      Belangrijk is dat mensen een positieve houding hebben ten aanzien van de vorm
      van burgerbetrokkenheid en het mogelijke resultaat ervan (Eagly en Chaiken
      1993). Wie zich met zin inzet is tot veel in staat; tegenzin daarentegen vermindert
      de prestatie. Sommige burgers zullen zichzelf vooral in staat achten een bijdrage
      te leveren aan traditionele vormen van inspraak, zoals een wijkvergadering in
</pre>

====================================================================== Einde pagina 134 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 135 ======================================================================

<pre>134 vertrouwen in burgers
       een zaaltje, andere burgers zien meer in betrokkenheid via de nieuwe media op
       momenten dat het hun uitkomt. Die houding beïnvloedt ook de manier waarop
       mensen informatie over hun sociale omgeving waarnemen, bewerken en verwer-
       ken. Als burgers een negatieve houding hebben ten opzichte van beleidsmakers
       zullen ze meer aandacht schenken aan negatieve informatie over beleidsmakers,
       informatie vaker negatief interpreteren en negatieve informatie ook beter onthou-
       den. Burgers met een negatieve houding ten opzichte van overheidsbeleid, maar
       een positieve houding ten opzichte van actiegroepen en protest, zullen eerder
       deelnemen aan demonstraties dan aan participatietrajecten.
       Ook speelt de sociale omgeving een belangrijke rol. Veel burgers laten hun inzet
       afhangen van de deelname van vrienden, familie, kennissen en collega’s: als die
       het kunnen, kan ik het ook. Sociale normen, de opvattingen van anderen, vormen
       zo een sociale leidraad voor het keuzegedrag van individuen (Postmes et al. 2009).
       Mensen beschouwen gedrag als ‘correct’ als ze ‘mensen zoals zijzelf’ zich in een
       vergelijkbare situatie ook zo zien gedragen (Cialdini 2001). Sociale normen funge-
       ren daardoor als vereenvoudigde beslisregels voor het al dan niet kopiëren van
       gedrag. Zeker als mensen onzeker zijn, is de invloed van sociale normen op hun
       eigen gedrag groot (Deutsch en Gerard 1995). Vervolgens zijn deze beïnvloedbare
       volgers weer bepalend voor het collectieve gedrag van een groep of het ontstaan
       van een hype (Watts 2011).
       Daarnaast is de resultaatverwachting van belang: de realistische verwachtingen
       die mensen hebben over het resultaat dat ze kunnen bereiken (Bandura 1977).
       Wanneer ze het gevoel hebben te worden overvraagd, haken ze af. Beschikbaar-
       heid van tijd, expertise, interesse en zelfs financiën is daarom een belangrijke
       factor (Warren 1996). De individuele inschatting verschilt bovendien van taak
       tot taak. Mensen kunnen zichzelf goed in staat achten om deel te nemen aan een
       protest, maar niet om een brief aan een wethouder of minister te sturen. De
       persoonlijke resultaatverwachting wordt mede bepaald door de verwachting van
       wat anderen zullen doen. Immers, hoe groter het aantal en hoe beter de samenstel-
       ling van de deelnemers aan een actie, des te effectiever de actie en des te minder
       afhankelijk van eigen inzet en capaciteit.
       De inschatting van het eigen kunnen varieert. Een succesvol initiatief leidt tot
       groeiend zelfvertrouwen en vervolgens weer tot een hogere resultaatverwachting.
       Een groep mensen die samen in actie zijn gekomen, hebben zich naar elkaar
       ‘bewezen’ en zullen elkaar een volgende keer snel vinden. Door in termen van ons
       basismodel voortdurend uitdaging en toerusting op elkaar af te stemmen en gelei-
       delijk op te voeren, kunnen en willen mensen steeds meer en kunnen ze volgens
       Csikszentmihalyi (1990; 1996: 74) een topprestatie leveren. Als uitdagingen te
       groot zijn, raken ze echter gefrustreerd, ongerust, en uiteindelijk angstig. Als
       uitdagingen te klein zijn, raken ze ontspannen of zelfs verveeld. Als zowel uitda-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 135 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 136 ======================================================================

<pre>                                           burgerbetrokkenheid in een complexe samenleving 135
      ging als toerusting te laag is, leidt dat tot apathie: de mensen haken af of fungeren
      ‘van negen tot vijf’, zonder inzet, zonder plezier.
      Maar we haasten ons eraan toe te voegen: niet iedere burger wil en kan altijd
      worden betrokken bij alle maatschappelijke vraagstukken. Dat zou ook onwense-
      lijk zijn: het is eenvoudigweg niet mogelijk dat (a) elke burger meepraat over een
      specifiek vraagstuk, en (b) dat een specifieke burger meepraat over alle vraagstuk-
      ken (Van Stokkom 2006: 16). Daarnaast zijn er goede redenen waarom burgers zo
      nu en dan ‘rationally ignorant’ zijn: als je maar één stem hebt op een miljoen stem-
      gerechtigden, waarom zou je dan veel tijd en energie stoppen in een goede voorbe-
      reiding van een eigen standpunt, of in het afwegen van de standpunten van poli-
      tici (Downs 1956)? Dan is het makkelijker en wellicht zinvoller om afzijdig te
      blijven (Schram en Sonnemans 1996; Munsey 2008). Het is dus maar de vraag of
      burgers geïnteresseerd zijn in het betrokkenheidsaanbod van beleidsmakers.
5.1.3 betrokkenheidsstijlen
      De ruimte die burgers krijgen en ervaren om uiting te geven aan hun betrokken-
      heid wordt bepaald door de wisselwerking met beleidsmakers: wat past bij hun
      wederzijdse behoeften en kwaliteiten? Op basis van die wisselwerking ontwik-
      kelen burgers in de loop van de tijd verschillende ‘repertoires’: manieren van
      (collectief) handelen om hun belangen na te streven (Tilly en Tarrow 2007: 11).
      Het huidige betrokkenheidsaanbod lijkt maar voor een beperkt aantal burgers een
      goede balans te bieden tussen uitdagingen en benodigde toerusting. En dat gaat
      zeker op voor het betrokkenheidsaanbod op nationaal niveau. In hoofdstuk 1 spra-
      ken we over vier burgerschapsstijlen.2 Combineren we deze vier betrokkenheids-
      stijlen met ons basismodel dan krijgen we de volgende figuur (figuur 5.2).
      In de afgelopen dertig jaar zijn vele pogingen gedaan om de maatschappelijke
      betrokkenheid van burgers te vergroten. Daarbij is een betrokkenheidsaanbod
      ontstaan dat zich (te) eenzijdig richt op een bepaald type burger: de Verantwoor-
      delijken (zie ook Bovens en Wille 2010). Verantwoordelijken zijn in het algemeen
      bereid en in staat tot betrokkenheid. De uitdagingen op hun pad ‘passen’ bij hun
      toerusting. Verantwoordelijken zijn relatief makkelijk te porren voor maatschap-
      pelijke betrokkenheid. Ze kennen ook de weg; als het nodig is, bewandelen ze
      sluipwegen ‘bovenlangs’ en slaan daarbij alle formele procedures over. Ze bevol-
      ken de besturen van het middenveld, met inbegrip van de grote maatschappelijke
      organisaties, en oefenen zo invloed uit op beleidsmakers. Ze zijn ook relatief
      makkelijk te benaderen door beleidsmakers; de systemen zijn als het ware toege-
      sneden op hun behoeften en kwaliteiten. Toch zouden beleidsmakers meer
      gebruik kunnen maken van hun bereidheid om mee te denken. De drempels voor
      verandering blijken hoog en liggen waar het deze groepering betreft vooral bij
      beleidsmakers zelf. Daarom hebben we in ons model ook voor Verantwoordelijken
</pre>

====================================================================== Einde pagina 136 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 137 ======================================================================

<pre>136   vertrouwen in burgers
Figuur 5.2     De vier betrokkenheidsstijlen als functie van uitdaging en toerusting op
               nationaal niveau
                   Uitdaging
                                     Overvraagd
                                                                    Betrokken
                                    Critici         Verantwoordelijken
                                                                                   Niet uitgedaagd
                                   Volgzamen           Pragmatici
                                                                                Toerusting
         een ‘ruimte voor verbetering’ opengelaten: door het huidige aanbod worden ook
         zij vaak niet verleid.
         Het huidige betrokkenheidsaanbod vindt vooral te weinig aansluiting bij de drie
         andere betrokkenheidsstijlen, waardoor regelmatig kortsluiting ontstaat tussen
         wat burgers willen en kunnen enerzijds, en wat beleidsmakers van hen verwach-
         ten en toelaten anderzijds. Pragmatici voelen zich vaak niet uitgedaagd door de
         Haagse vraagstukken; ze zouden het wel kunnen, maar willen niet meedenken en
         meedoen. ‘Het systeem’ vraagt van hen – vanuit hun perspectief – onnatuurlijk
         gedrag. Ze menen ‘de overheid’ beperkt nodig te hebben, kunnen hun eigen boon-
         tjes doppen. Het niet gebruikmaken van democratische rechten, zoals stemmen
         of inspreken, is in feite dan ook een vorm van politieke uiting die door politiek
         filosoof Rosanvallon wordt betiteld als ‘zwakke’ of ‘passieve’ democratie (Rosan-
         vallon 2008: 186-190). In extreme vorm doorgetrokken, leidt dit tot een gruwel-
         beeld voor democraten van de oude stempel: “the exercise of popular sovereignty
         by an absent people” (Rosanvallon 2008: 190).
         Ook bij Volgzamen vindt het huidige betrokkenheidsaanbod te weinig aansluiting.
         Ze kenmerken zich in hun relatie tot beleidsmakers door hun volgzaamheid: ze
         doen mee, maar weten zich beperkt door hun kennis en kennissen. In ons veld-
         onderzoek concludeerden we dat Volgzamen wellicht te weinig actiebereidheid
</pre>

====================================================================== Einde pagina 137 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 138 ======================================================================

<pre>                                    burgerbetrokkenheid in een complexe samenleving 137
hebben richting beleidsmakers en/of een te beperkte toerusting voor het ontwik-
kelen van hun externe relaties. Veel Volgzamen onderschatten hun eigen mogelijk-
heden. Ze zien hun afstand tot de ‘Grote Instituties’, waaronder de democratische
instituties, snel toenemen, met isolatie als mogelijk gevolg. Dit kan op termijn
leiden tot vervreemding en een gevoel van hulpeloosheid.
Critici hebben een gespannen verhouding met beleidsmakers, hebben het gevoel
dat er van alles van hen wordt gevraagd, maar weten niet hoe ze daar aan kunnen
voldoen. Vanuit het perspectief van democratische betrokkenheid is de grootste
uitdaging ongetwijfeld gelegen in de dreiging van destructieve onvree. ‘Vroeger’
was alles beter, gezelliger en persoonlijker. Die destructieve onvree uit zich dan in
klagen en boosheid. En, niet onbelangrijk, soms vormen Critici zich tot besloten
gemeenschappen die volharden in een wij-zijopstelling, waardoor ze voor beleids-
makers moeilijk bereikbaar worden.
De sterke gerichtheid van het huidige betrokkenheidsbeleid op Verantwoorde-
lijken is, met alle kanttekeningen die daarbij geplaatst kunnen worden, veront-
rustend en weinig democratisch. In hoofdstuk 1 gaven we op basis van opinie-
peilingen een ruwe kwantitatieve inschatting van het belang van elke groepering
binnen de Nederlandse samenleving. Maar een derde van de bevolking hoort
thuis bij de Verantwoordelijken, terwijl 25 tot 30 procent tot de Pragmatici, 25 tot
30 procent tot de Critici en de resterende vijftien procent tot de groep Volgzamen
behoort.
Het is verleidelijk om deze democratische onweerstijding te overdrijven, maar ons
veldonderzoek laat zien dat er sprake is van een breed palet van betrokkenheids-
vormen die vooral op lokaal niveau en rond specifieke thema’s inhoud krijgen.
Waar de zorgen op nationaal niveau gegrond zijn, hoeft dat niet het geval te zijn
op dat ‘lagere’ niveau, dichter bij de alledaagse leefomgeving en/of de uitgespro-
ken interesses van veel burgers. Mensen die nationaal gezien tot de categorie
Critici of Volgzamen behoren, blijken in hun alledaagse leefomgeving vaak bereid
en in staat tot intensieve burgerbetrokkenheid – mits er sprake is van een uitda-
ging die past bij hun toerusting. De sleutel voor hun betrokkenheid is in dat geval
dikwijls gelegen in de nabijheid van interne of externe verbinders die een
helpende hand uitsteken. Er is mogelijk wel een prijs te betalen: Verantwoordelij-
ken raken met een goede kans hun interesse kwijt, omdat deze vorm van betrok-
kenheid hun weinig uitdaging biedt (figuur 5.3, links).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 138 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 139 ======================================================================

<pre>138   vertrouwen in burgers
Figuur 5.3        Basismodel toegespitst op Critici (links) en Pragmatici (rechts)
             Uitdaging                                                      Uitdaging
                          Overvraagd                                                    Overvraagd
                                              Betrokken                                                     Betrokken
                                           Critici                                        Verantwoor-   Pragmatici
                                                                                            delijken
                                                          Niet uitgedaagd                                                 Niet uitgedaagd
                                                                                         Critici
                                           Verantwoor-
                                             delijken
                         Volgzamen     Pragmatici                                       Volgzamen
                                                     Toerusting                                                      Toerusting
         Zelfs Pragmatici zijn te betrekken, ons veldwerk bood daarvan kleurrijke illustra-
         ties. Ze nemen initiatief op onderwerpen die hun persoonlijk raken, of zijn te verlei-
         den zich aan te sluiten bij – ludieke – acties van anderen. En als ze het nodig vinden,
         ontwikkelen ze onverwachte benaderingen die de betrokken beleidsmakers op het
         verkeerde been zetten. Willen beleidsmakers hen betrekken, dan dienen ze een aan-
         trekkelijk aanbod te formuleren met waarschijnlijk meer dan een vleugje ‘e-betrok-
         kenheid’. Maar hoe geef je ruimte aan vormen van betrokkenheid die aantrekkelijk
         zijn voor Pragmatici zonder dat je daarmee voorbijgaat aan de behoeften van andere
         burgers? Indien hun vormen van betrokkenheid tot de norm worden verheven,
         moeten de meeste beleidsmakers tezamen met het overgrote deel van de Nederland-
         se bevolking vooralsnog als overvraagd worden gekwalificeerd (figuur 5.3, rechts).
         Vanuit het perspectief van burgerbetrokkenheid is de beleidsconclusie evident,
         maar daarom niet minder belangrijk. Omdat mensen zich over verschillende
         dingen druk maken en daarnaast over verschillende vaardigheden beschikken, ligt
         de ‘oplossing’ voor beleids- en maatschappelijke participatie in differentiatie in
         zowel onderwerpen als mogelijkheden voor betrokkenheid.
5.2      dynamische groepen
         Individuele burgers komen voor verschillende onderwerpen in actie, op verschil-
         lende manieren en om verschillende redenen. Burgers handelen echter zelden
         alleen. Groepen van betrokken burgers vormen zich op verschillende manieren en
         net als individuele burgers verschillen ze in hun mogelijkheden om hun interesse
         om te zetten in een actieve betrokkenheid. De bedrevenheid van een groep om in
         actie te komen hangt af van uiteenlopende factoren en de wijze waarop een groep
</pre>

====================================================================== Einde pagina 139 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 140 ======================================================================

<pre>                                          burgerbetrokkenheid in een complexe samenleving 139
      in actie komt wordt in sterke mate bepaald door de dominante cultuur binnen
      de groep.
5.2.1 groepsvorming en groepsprocessen
      Globaal zijn er twee manieren waarop een aantal individuen kan uitgroeien tot een
      groep, ‘soort zoekt soort’ en ‘waar je mee omgaat, word je mee besmet’. ‘Soort zoekt
      soort’ is gebaseerd op het feit dat mensen het prettig vinden te verkeren in het
      gezelschap van anderen zoals zij. Het bijbehorende mechanisme wordt homofilie
      genoemd (Yuan en Gay 2006) en de groepsvorming op basis hiervan bundeling
      of convergence. Boze mensen zoeken gelijkgestemden op voor emotionele steun
      en om gezamenlijk hun onvrede te uiten (group based anger) (Van Zomeren et al.
      2004). In ons veldwerk hoorden wij over de grote oplopen als het bierdrinkprotest,
      de 1040 uur-norm, het Occupy-protest, de virtuele Groene Sint-acties en de inter-
      netacties van Anonymous. Overigens is bij de vorming van groepen niet alleen de
      homofilie van belang, maar ook het spiegelmechanisme, heterofobie, waarbij ander-
      soortige deelnemers elkaar afstoten (Flache en Macy 2006; zie ook Wubbels 2006).
      Voetbalsupporters vormen daarvan levendige illustraties, maar ook in sommige
      wijken leven burgers met verschillende etnische achtergronden strikt gescheiden
      van elkaar. Zeker binnen grotere groepen kan dat leiden tot afsplitsing, waardoor
      uit een bestaande groep verschillende kleinere homogenere subgroepen ontstaan.
      De groepsvorming ‘waar je mee omgaat, word je mee besmet’ is gebaseerd op het feit
      dat individuen door onderling contact vergelijkbaar gedrag gaan vertonen. Ideeën
      en gedragingen verspreiden zich – vergelijkbaar met een virus – in de samenleving
      of ontstaan spontaan als gevolg van interacties tussen individuen (Turner en Kilian
      1957). Gedrag is dan nauwelijks meer een vrijwillige keuze en individuen kunnen
      niet anders dan het gedrag van anderen overnemen: het is, om het zomaar te zeggen,
      meevluchten of vertrapt worden. In een groep of massa kan aanvankelijk een grote
      verscheidenheid bestaan, maar doordat zowel buitenstaanders als groepsleden het
      gedrag van een deel van de massa beschouwen als het gedrag van de hele massa, ont-
      staat een illusie van unanimiteit. Afwijkingen worden niet waargenomen, of afge-
      daan als irrelevant. Het gedrag of de normen van aanvankelijk slechts een deel van
      de groep wordt daardoor normgevend voor de hele groep (Turner en Kilian 1957).
      Vaak lijkt het alsof deelnemers aan een collectieve actie handelen vanuit dezelfde
      motieven. Dit is echter lang niet altijd het geval. Zo kan bij een demonstratie de
      een deelnemen, omdat hij tegen de plaatsing van een umts-mast is, de ander
      omdat hij tegen de huidige gemeenteraad is, weer iemand anders omdat hij zijn
      buren wil steunen in hun actie, en een vierde omdat hij houdt van onrust stoken
      en rellen. Dit kan ook verklaren waarom het makkelijker is een tegenbeweging te
      beginnen dan een voorbeweging (Rosanvallon 2008: 15). Er is immers altijd wel
      een reden te bedenken waarom je ergens tegen zou kunnen zijn.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 140 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 141 ======================================================================

<pre>140 vertrouwen in burgers
       Individuen die eenmaal tot een groep behoren, hebben de neiging zich verder aan
       te passen en zich zelfs te conformeren aan de meerderheid (Verhaeghen 2002).
       Voor de burgerbetrokkenheid kan dat verstrekkende gevolgen hebben: negatief in
       de vorm van doorschietend kuddegedrag, positief door onderlinge versterking.
       Doorschietend kuddegedrag
       Binnen relatief besloten gemeenschappen ontstaan logica’s: gedeelde definities
       van de werkelijkheid. Dat heeft zijn voordelen: mensen verstaan elkaar met een
       half woord, waarden en normen behoeven nauwelijks uitleg en ‘onderhouden’
       zichzelf. Er zijn echter ook nadelen. Conformistisch gedrag wordt beloond, niet-
       conformistisch gedrag veelal afgestraft. ‘Bazen’ worden omgeven door ja-zeggers
       en grijs geldt als een mooie kleur (Verhaeghen 2002). Dat leidt bijvoorbeeld aan
       de toppen van de samenleving tot overmatige behoudzucht: “Je steekt je nek niet
       te ver uit, want dan weet je dat je kop eraf gaat. Dit levert de paradox op dat de
       hoogste leiders dikwijls het minst systeemdoorbrekend leiderschap laten zien”
       (Aardema 2010: 90).
       Vanuit het perspectief van burgerbetrokkenheid wegen de nadelen van een over-
       matig conformisme zwaar wanneer de groepslogica geen tegenspel meer duldt en
       bovendien conflicteert met de logica’s van andere groepen. In dat geval kunnen
       patstellingen ontstaan: partijen laten geen ruimte voor alternatieve beelden van de
       werkelijkheid. Ze mijden elkaar, bijvoorbeeld omdat ‘het toch niet zinvol is met
       hen in gesprek te gaan’, of omdat ‘we beter af zijn zonder hen’. Meningsverschillen
       worden vervormd tot objectieve en onveranderbare feiten. Dergelijk conformisme
       wordt risicovol wanneer een groep de eigen logica versterkt. De – brede – litera-
       tuur op dit gebied onderscheidt informatiewatervallen, echokamers, groepsden-
       ken of groepspolarisatie, en meervoudige ontkenning. Voor elk van deze valkuilen
       geldt het adagium ‘dat wat ons bindt, maakt ons blind’. In de relatie tussen burgers
       en beleidsmakers manifesteren ze zich in de drempels voor verandering die we
       ‘schurende logica’s’ noemden; het zijn wezenlijke drempels voor een betere
       burgerbetrokkenheid (Termeer 2009).
       Een selectieve omgang met informatie speelt op verschillende manieren een rol in
       het verharden van de groepslogica (Sunstein 2003: 10-14). Soms onderdrukken
       mensen hun eigen mening of houden ze informatie of kennis en inzichten achter
       uit onzekerheid, en baseren ze zich vervolgens op basis van de in de groep alge-
       meen beschikbare en aanvaarde informatie. Daardoor ontstaat een groep volgers,
       waarbinnen individuen beschikken over kennis die niet wordt verwerkt in het
       gedrag van de groep als geheel. In andere gevallen vergaart een groep mensen
       bewust of onbewust alleen informatie die de eigen standpunten bevestigt en
       vormt zich een echokamer. De eigen standpunten ‘echoën’ en bij gebrek aan tegen-
       argumenten vindt er geen correctie plaats. Ook kunnen groepen zich isoleren door
       zich af te schermen van de gedachten van ‘anderen’: gelijkgestemden volgen elkaar
</pre>

====================================================================== Einde pagina 141 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 142 ======================================================================

<pre>                                        burgerbetrokkenheid in een complexe samenleving 141
      op Twitter of zoeken elkaar op Facebook, supporters van een voetbalclub en
      aanhangers van een politieke partij gaan bij afwezigheid van ‘andersdenkenden’
      soms geloven in de onfeilbaarheid van het eigen gelijk. In de onderlinge wissel-
      werking worden de standpunten steeds scherper neergezet, waardoor het collec-
      tief vaak een extremer standpunt inneemt dan elk van de individuen afzonderlijk
      (Sunstein 2003: 112). Wanneer twee van dergelijke groepen tegenover elkaar
      komen te staan, verdwijnt de basis voor zinvol overleg, laat staan voor samenwer-
      king. Ze groeien veeleer uit elkaar, in de warmte van het eigen gelijk.
      Onderlinge versterking
      Groepsgedrag is echter niet alleen negatief. Groepen behartigen belangen en
      nemen deel aan besluitvormingsprocessen. In een complexe democratische maat-
      schappij is dat nodig om tot afgewogen besluiten te komen. Het publieksbureau
      van ado Den Haag, waarin supporters, de club, politie en welzijn plaats nemen,
      verenigt groepen die rondom wedstrijden vaak lijnrecht tegenover elkaar staan.
      Ook politieke partijen zijn prominente voorbeelden van zulke belangengroepen.
      “Een breed scala aan scherpe standpunten kan de betrokkenheid bij de politiek
      vergroten en grote groepen in de bevolking een stem geven. Polarisatie in de poli-
      tiek betekent bovendien dat onprettige waarheden gezegd kunnen worden” (rmo
      2009: 36).
      Deelname aan besluitvormingsprocessen vereist volgens de rmo een zeker
      vertrouwen in de kracht van de eigen groep (rmo 2009: 42; Lewicki et al. 2006).
      Winkeliers in de Heistraat in Helmond traden de gemeente met hernieuwd zelf-
      vertrouwen tegemoet, nadat de winkeliersvereniging nieuw leven was ingeblazen.
      Gedeelde emoties kunnen een bindende werking hebben binnen een groep, omdat
      mensen nu eenmaal een diep verlangen koesteren om ergens bij te horen. Daar-
      door kan polariseren helpen gevoelens te kanaliseren. Een vergelijkbaar geluid
      klinkt door in het werk van Swierstra en Tonkens (2009: 120-138). Zij concluderen
      dat polarisatie soms het antwoord is op een gebrek aan zelfrespect, orde en zinge-
      ving.
5.2.2 actievaardigheid van groepen
      Onze rondgang door Nederland leerde een steeds terugkerende les: gedreven
      mensen kunnen elkaar opjutten, zodat het totaal meer is dan de som der delen.
      Positief geredeneerd vormt groepsdenken een extreme vorm van inleving:
      mensen denken hetzelfde en handelen vanuit een gedeelde gedachte. Eerder stel-
      den we dat resultaatverwachting een drijfveer vormt voor het presteren van indi-
      viduen. Oud-volleybalcoach Joop Alberda, met zijn team winnaar van de Olym-
      pische Spelen van 1996 in Atlanta, overtuigde ons dat dit ook voor groepen geldt.
      Zijn spelers hadden vier jaar nodig gehad voordat ze wilden geloven dat ze als
      team in staat zouden zijn om “twaalf oerlelijke Italianen” – wij citeren – te
</pre>

====================================================================== Einde pagina 142 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 143 ======================================================================

<pre>142   vertrouwen in burgers
         verslaan in een Olympische finale. Die vier jaar hadden ze gebruikt om zowel hun
         wil als hun toerusting te slijpen.
         Toerusting en ‘gepaste’ uitdaging zijn geen statische grootheden, stelt Alberda. Ze
         veranderen in de loop van de tijd en worden bij uitstek bepaald door omgevings-
         factoren zoals groepsvorming. Net als volleybalteams moeten ook groepen burgers
         ‘leren’ te presteren, deels door het aanleren van nieuwe vaardigheden, deels door
         het versterken van hun gezamenlijke resultaatverwachting. De positieve verster-
         king binnen groepen draagt hieraan bij. Indien die positieve versterking onvol-
         doende aanwezig is binnen een groep is een coach nodig. In ons veldwerk zagen
         we beleidsmakers, professionals van maatschappelijke instellingen, maar ook trek-
         kers van maatschappelijke initiatieven die deze rol op zich namen. Ze kunnen
         onder andere burgers lage instapmogelijkheden bieden, evenals verschillende
         momenten waarop zij actief kunnen worden. Beginnend met een beperkte uitda-
         ging waarvoor ook een beperkte toerusting is vereist (linksonder in ons raam-
         werk), worden ze zo op basis van een toegenomen resultaatverwachting ‘gebracht’
         naar verdergaande vormen van betrokkenheid (rechtsboven). Dat geldt uitdrukke-
         lijk niet alleen voor minder toegeruste burgers, maar ook voor Pragmatici die
         ‘druk-druk-druk’ zijn en niets voelen voor ‘gedoe’. De initiatiefnemers van de
         Amsterdamse Stadspelen wisten bijvoorbeeld hun vrienden over te halen door ze
         voor kleinere dingen te vragen (‘je doet toch aan koken?’). Met ‘korte klappen’ is
         het zaak het vertrouwen onder burgers te herwinnen als opmaat naar een grotere
         inzet en verantwoordelijkheid.
         Voor de actievaardigheid van een groep is ook de mate waarin mensen zich met
         een actie of groep identificeren van belang. Hoe sterker de identificatie, des te
         groter de kans is dat mensen namens deze groep zullen deelnemen aan een collec-
         tieve actie (Van Stekelenburg 2006). Hierdoor zijn de volgers binnen een groep
         afhankelijk van de kunst van de trekkers om doel en/of uitdaging zo uit te dragen
         dat ze zich ermee kunnen verbinden. Hun gedrag wordt immers mede bepaald
         door de wijze waarop de voorlieden betekenis verlenen aan vraagstukken en
         oplossingen, in het bestuurskundig jargon veelal betiteld als framing (De Bruijn
         2011). Trekkers, maar ook beleidsmakers en andere publieke figuren, proberen met
         behulp van framing mensen te overtuigen van bepaalde standpunten. Het gaat
         daarbij om het verbinden van verschillende voorstellingen of interpretaties, ook
         wel frame alignment – op een lijn komen – genoemd.
5.2.3    groepsculturen
         Verschillende individuen worden aangetrokken tot verschillende vormen van
         betrokkenheid, afhankelijk van hun betrokkenheidsstijl. Bepalend voor groepen is
         de groepscultuur: de “door groepen gedeelde overtuigingen, waarden en normen,
         die zich via regels, routines, rituelen en symbolen uiten, en die gedrag voor groe-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 143 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 144 ======================================================================

<pre>                                               burgerbetrokkenheid in een complexe samenleving 143
          pen betekenisvol maken” (Bovens et al. 2006: 26), door ons vrij vertaald als ‘de
          manier waarop we hier dingen doen’. Cultuur bestaat dus uit een combinatie van
          zowel de zachtere informele kant van organisaties en groepen, als de harde struc-
          turele formele kant. Beide kanten zijn verantwoordelijk voor de ingesleten manie-
          ren van denken en doen.
          In sterk vereenvoudigde termen kunnen we vier basisculturen onderscheiden: de
          hiërarchie, de markt, de wij-gemeenschap en het netwerk (figuur 5.4). In de dage-
          lijkse praktijk is vrijwel nooit sprake van zuivere culturen, maar veeleer van een
          mix van deze basisculturen waarbij een van de geschetste vormen dominant is.
          Het functioneren van individuen binnen een groep en daarmee ook het functione-
          ren van de groep als geheel wordt sterk bepaald door de dominante cultuur.
Figuur 5.4       Vier basisculturen
                                  Hiërachie                            Markt
                               Wij-gemeenschap                         Netwerk
          Iedere cultuur heeft zijn eigen karakteristieken, zijn eigen kracht en zwaktes. Voor
          burgerbetrokkenheid is veerkracht een essentiële eigenschap. Veerkracht is het
          vermogen zich aan te passen aan veranderende omstandigheden (Stockholm
          Resilience Centre 2007). Afkomstig uit de ecologie wordt het begrip ‘veerkracht’
          inmiddels breed gebruikt bij het bestuderen van het gedrag van een divers scala
          van systemen (Folke 2006), bijvoorbeeld waar het gaat om de stabiliteit en het
          aanpassingsvermogen van instituties (Edelenbos et al. 2009), het vermogen om
          met verrassingen om te gaan zodanig dat kernwaarden van de politieke democratie
          behouden blijven (Van Gunsteren 2003), of het herstelvermogen van een gemeen-
          schap na een ramp (Sapirstein 2006).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 144 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 145 ======================================================================

<pre>144 vertrouwen in burgers
       In een hiërarchie domineren de verticale command-and-control-lijnen; het voor-
       deel is gelegen in duidelijkheid en effectiviteit, het nadeel in starheid. Informatie-
       uitwisseling tussen de onderdelen van een hiërarchie is op een ‘need to know’-
       basis. Daardoor kunnen de onderdelen zich op hun specialistische taakuitvoering
       richten. Er is sprake van een duidelijke taakafbakening, een heldere verantwoorde-
       lijkheidsverdeling en verantwoordingsplicht. Hiërarchieën zijn over het algemeen
       niet erg vergevingsgezind; fouten worden gestraft, flexibiliteit en creativiteit zijn
       beperkt. De kracht van een hiërarchie ligt in de centraal geregisseerde samenwer-
       king, die vooral goed werkt als zowel het doel van de organisatie als de weg daar-
       naar toe helder is. Maar veerkracht en starheid gaan niet samen en de veerkracht
       van een hiërarchie is dan ook beperkt.
       Een markt wordt gevormd door het samenstel van individuele en onafhankelijke
       verbindingen tussen aanbieders en afnemers; markten hebben als voordeel dat
       ze zich flexibel kunnen aanpassen aan nieuwe omstandigheden. Die flexibiliteit
       vormt echter tegelijkertijd een risico, omdat zij markten instabiel kan maken. Als
       ordeningsmechanisme is een markt wellicht veerkrachtig, maar dit gaat ten koste
       van de veerkracht van de individuen die maar beperkt de mogelijkheid krijgen om
       zich aan te passen aan nieuwe omstandigheden. Ondernemerschap, innovatie en
       het nemen van risico’s worden in een markt gewaardeerd. Wie mis gokt, heeft
       pech en zal het in de toekomst opnieuw moeten proberen. Informatie-uitwisse-
       ling beperkt zich tot de informatie die op dat moment van belang is om tot een
       transactie te komen. Solisme, eigenbelang en kortetermijnrendement worden in
       een markt gestimuleerd. Loyaliteit en langetermijnontwikkelingen zijn daarente-
       gen minder van belang.
       De cultuur van de wij-gemeenschappen kenmerkt zich door de vele, gelijkwaar-
       dige interne verbindingen. Wij-gemeenschappen kennen de positieve kracht van
       die gelijkwaardigheid, met als bijbehorend bezwaar een neiging tot interne
       gerichtheid. In zijn meest extreme vorm heeft een wij-gemeenschap de kenmer-
       ken van een commune. In een wij-gemeenschap staat het resultaat van het collec-
       tief voorop. Besluiten worden bij voorkeur in consensus genomen. Informatie en
       kennis worden breed gedeeld. Dit betekent dat er binnen een wij-gemeenschap
       maar beperkt ruimte is voor ‘eigenheimers’ en afwijkende meningen. Vernieu-
       wing is hierdoor niet de sterkste kant van een wij-gemeenschap, traditie, waarden
       en normen zijn belangrijker. Daar tegenover staat een grote onderlinge zorg,
       vergevingsgezindheid en opofferingsgezindheid. Dit betekent dan ook dat deze
       wij-gemeenschappen goed in staat zijn om externe verstoringen voor individuen
       in de groep op te vangen, maar dat de veerkracht van de groep als geheel kleiner is.
       Het is een cultuur die we vooral aantreffen op het veld van de maatschappelijke
       participatie, binnen het meer ‘traditionele’ vrijwilligerswerk en bij projecten op
       buurt- en dorpsniveau, maar ook binnen groepen van internetactivisten die een
       voornamelijk virtueel bestaan leiden.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 145 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 146 ======================================================================

<pre>                                    burgerbetrokkenheid in een complexe samenleving 145
In een netwerk ontbreken de duidelijke command-and-control-lijnen, maar in
vergelijking tot een markt bevat een netwerk duidelijk meer samenhang. De
cultuur in een netwerk is die van niets ‘hoeven’, maar wellicht wel willen. Het is
de cultuur van de professionele maatschap: ieder is verantwoordelijk voor het
eigen resultaat, maar als onderdeel van de groep ook verantwoordelijk voor de
gezamenlijkheid. Uitgangspunt in een netwerk is een gemeenschappelijk gevoeld
‘eigendom’ – een gedeeld belang, een gedeelde visie of verantwoordelijkheid – en
het besef dat ieders individuele en unieke bijdrage daaraan van belang is. Er is een
grote acceptatie van afwijkend gedrag zolang dat maar bijdraagt aan het gemeen-
schappelijk doel. Loyaliteit aan een netwerk duurt zolang men zich kan vinden in
het gemeenschappelijke doel. Informatie in een netwerk wordt breed gedeeld,
maar of er iets met die informatie wordt gedaan is afhankelijk van ieders eigen
oordeel.
De groeiende complexiteit in de samenleving maakt het voor het voortbestaan van
een groep steeds belangrijker om zich voordurend aan te passen aan wijzigende
omstandigheden (zie bijvoorbeeld Van Dijk 1991; Castells 1996; Benkler 2006).
Netwerkculturen zijn daar beter toe in staat dan de andere culturen, ze vallen
niet direct uiteen indien er verbindingen wegvallen. Door hun open karakter
zijn nieuwe verbindingen bovendien eenvoudig te leggen, waardoor het lerende
vermogen groter is dan dat van de andere culturen. In ons veldwerk kwam die
veerkracht tot uiting in veel maatschappelijke initiatieven. De protestgroep Stop
Hostels Den Bosch wist bijvoorbeeld zeer snel relevante kennis en informatie te
ontsluiten en de activisten van Anonymous stemden voortdurend hun strategie af
op nieuwe omstandigheden.
Die eigenschap vergroot echter de onvoorspelbaarheid en onbeheersbaarheid van
de netwerkcultuur. Dat maakt het er voor beleidsmakers niet makkelijker op. Waar
het voor buitenstaanders vaak relatief eenvoudig is te begrijpen hoe een hiërar-
chie, een markt of een wij-gemeenschap werkt, is dat bij een netwerk veel lastiger.
Het is onduidelijk wie de leiding heeft, wie waarvoor verantwoordelijk is, hoe en
wanneer besluiten tot stand komen. Ook de grens van een netwerk is nauwelijks
vast te stellen. Netwerken kunnen alleen worden bezien vanuit een punt in een
netwerk, op een bepaalde plaats en tijd – wie een netwerk wil zien, moet zich
ermee verbinden (Van der Arend 2007: 293).
De verbondenheid van burgers met netwerken vormt voor beleidsmakers dikwijls
een barrière doordat ze zelf voornamelijk functioneren binnen hiërarchieën. Tot
hun troost mag gelden dat – op het eerste gezicht nauwelijks zichtbaar – ook
binnen netwerkculturen vormen van hiërarchie gelden. Ten dele gaat dat vanzelf:
zelfs binnen virtuele netwerkculturen met anonieme deelnemers zijn er wel dege-
lijk ‘kernspelers’. Veel webclusters bestaan bijvoorbeeld bij de gratie van een rela-
tief klein aantal spelers die een nieuwe visie ontwikkelen en de structuur en de
</pre>

====================================================================== Einde pagina 146 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 147 ======================================================================

<pre>146 vertrouwen in burgers
       gedragsregels bewaken (Farrell 2003); internetgoeroes Tapscott en Williams spre-
       ken zelfs van ‘benevolent dictatorship’ (2008: 296).
5.3    vernetwerkte samenleving
       Maatschappelijke verdichting en versnelling leiden tot een sterke toename van het
       aantal verbindingen tussen min of meer gescheiden gemeenschappen, ook wel
       aangeduid met de term ‘vernetwerking’. In dit vernetwerkingsproces onderschei-
       den we drie fasen, telkens met bijzondere gevolgen voor zowel beleidsmakers als
       (samenwerkingsverbanden van) burgers.
       In de eerste fase van vernetwerking worden hiërarchische instituties voor hun
       eigen besluitvorming steeds afhankelijker van de besluitvorming binnen andere
       organisaties. Door persoonlijke contacten, maar ook via andere vormen van infor-
       matie-uitwisseling ontstaan tussen de ‘toppen van hiërarchieën’ steeds grotere
       (internationale) netwerken (Castells 1996). Ook ‘lager’ in de hiërarchische verban-
       den komt steeds meer nadruk te liggen op horizontale samenwerking binnen
       netwerken, die vaak echter qua omvang en toegang beperkt blijven tot ‘deskundi-
       gen’ of de fameuze ‘old boys’ (Hoppe 2011: 139).
       Tijdens de tweede fase verliezen de verticale verbanden op het maatschappelijk
       middenveld steeds meer gewicht en komt een extra nadruk te liggen op marktwer-
       king (wrr 2004). De verminderde hiërarchische sturing wordt in het geval van
       maatschappelijke instellingen en ngo’s soms opgevangen door een sturing via de
       ‘gouden koorden’ van financiële stromen. Dat leidt tot een sterke vervlechting
       tussen maatschappelijk middenveldorganisaties en de overheid, maar de represen-
       tatie van belangen van onder naar boven is minder eenvoudig te vervangen.
       Verenigingen en wij-gemeenschappen worden verzakelijkt in de vorm van stich-
       tingen, coöperaties en ondernemingen, en dreigen daardoor het contact met hun
       traditionele ‘achterban’ te verliezen. Aan de bovenkant dreigt tegelijkertijd de elite
       losgezongen te raken van de maatschappij. Minder bevoorraad en bij de les gehou-
       den langs verticale lijnen weten zij soms onvoldoende wat er zich elders afspeelt.
       In de derde en laatste fase zijn, helemaal onder aan de verticale structuren, de indi-
       viduele burgers door hun hogere opleiding en de toegankelijkheid van internet
       steeds beter in staat om netwerken te vormen met een behoorlijke reikwijdte.
       Ze zijn nog altijd lid van een aantal ‘vaste’ instituties – familie, werk of opleiding,
       club – maar organiseren zich daarnaast in horizontale samenwerkingsverbanden
       rond een bepaald belang of doel. Velen zijn daardoor deelnemer aan meerdere,
       veelal informele en tijdelijke structuren. Dit is precies de beschrijving van een
       netwerk: “een netwerk is een relatief open systeem dat een aantal relatief gesloten
       systemen verbindt” (Van Dijk 2001). De verbindingen resulteren in networked
       individualism (Stalder 2008; Wellman 2001; Castells 2001): mondiger burgers
</pre>

====================================================================== Einde pagina 147 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 148 ======================================================================

<pre>                                         burgerbetrokkenheid in een complexe samenleving 147
      willen een directere invloed zonder tussenkomst van bestuurders op het maat-
      schappelijk middenveld. Vaker dan tevoren worden overkoepelende mechanismen
      ‘overgeslagen’. Op deze manier ontstaat een samenleving van deelsystemen
      (informele groepen, formele instituties en bedrijven) met relatief veel onderlinge
      relaties, die op verschillende manieren met elkaar verbonden zijn. Die deelsyste-
      men, die we in het vervolg zullen aanduiden met het begrip ‘cluster’, kunnen een
      netwerkcultuur als dominante cultuur hebben, maar evengoed een van de andere
      culturen: hiërarchie, markt of wij-gemeenschap.
      Bovenstaande ontwikkelingen leveren uitdagingen op voor beleidsmakers, maar
      hier concentreren we ons op de uitdagingen voor burgers. Voorop staat dat hun
      netwerksamenleving wordt gekenmerkt door complexiteit, maar – bij een goede
      invulling – ook door een grote veerkracht. Daarnaast zullen we in deze paragraaf
      nog ingaan op drie andere kenmerken van de netwerksamenleving die van speci-
      fiek belang zijn voor burgerbetrokkenheid: de sleutelrol van trekkers en verbinders
      binnen de netwerksamenleving, het belang van de lange staart voor het bereiken
      van minderheden, en de veenbrand als uiting van dynamiek.
5.3.1 complexiteit en veerkracht
      De complexe samenleving en de netwerksamenleving zijn synoniemen voor
      eenzelfde ontwikkeling: verdichting en versnelling leiden tot vernetwerking van
      de samenleving. De hamvraag is niet of het gaat gebeuren, maar hoe ‘we’ op de
      best mogelijke wijze kunnen omgaan met deze onvermijdelijke uitdaging. Twee
      aspecten – verwarrende verbindingen en onduidelijke clusters – vragen daarbij
      onze bijzondere aandacht.
      Verwarrende verbindingen
      Het ontbreken van heldere, eenduidige structuren maakt de samenleving onover-
      zichtelijk. De verticale, hiërarchische relaties, de dichte wij-gemeenschappen en
      de losse marktrelaties zijn niet verdwenen, maar wel minder zichtbaar. Daardoor is
      het voor buitenstaander vaak nog wel te zien dat individuen en clusters al dan niet
      met andere burgers verbonden zijn, maar is het niet direct duidelijk wat de beteke-
      nis van de verbinding is. Bij de analyse van ons veldwerk leerden we een onder-
      scheid te maken tussen vier vormen van binding. We spreken van samenbinding
      (sociale cohesie) als het gaat om de hechte – ‘dikke’ – banden binnen een cluster; ze
      bieden geborgenheid, maar herbergen ook het risico van verstikking door overma-
      tige sociale controle. Dwarsbinding staat voor de lossere, ‘dunne’, banden tussen
      individuen die deel uitmaken van verschillende clusters; ze zijn van speciaal
      belang, omdat ze mensen in contact brengen met grotere netwerken (Granovetter
      1973) en zijn daarom een bron van vernieuwing. Sociale netwerken die bestaan uit
      losse banden tussen een groot aantal individuen bieden bovendien een grotere
      kans op een brede burgerbetrokkenheid dan kleine netwerken met sterke banden
</pre>

====================================================================== Einde pagina 148 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 149 ======================================================================

<pre>148 vertrouwen in burgers
       (Van Rossem en Baerveldt 2005; Verhoeven 2009: 87). Bovenbinding doelt op de
       hiërarchische verbanden die in de verzuilde samenleving de overbrugging (brid-
       ging) van ‘onderliggende’ gemeenschappen vormden (Putnam 2000), maar die
       ook – in een sterk gewijzigde vorm – in de netwerksamenleving vereist zijn om tot
       evenwichtige besluitvorming binnen en tussen clusters te kunnen komen. En ten
       slotte is er de tegenbinding tussen burgers die niets met elkaar hebben anders dan
       een belang bij een civiele, ‘fatsoenlijke’, invulling van hun samenleving: het zijn
       toevallige banden waarbij vooral de meest geïsoleerde burgers soms een helpende
       hand moet worden geboden (zie ook Brandsen et al. 2010).
       In de netwerksamenleving is voor de meeste burgers het aantal samenbindende
       verbanden afgenomen ten opzichte van het aantal dwarsverbindingen. Door de
       vernetwerking is ook het relatieve belang van de hiërarchische bovenbinding afge-
       nomen: naast betrokkenheid via het overheidskanaal of de meer geformaliseerde
       belangenbehartigers, staat een steeds groter aantal alternatieve wegen open om
       eigen doelen na te streven. Voor individuele of groepen burgers is het daarom
       minder duidelijk hoe zij hun belangen kunnen behartigen of uiting kunnen geven
       aan hun betrokkenheid.
       In een verdichte samenleving is ook het aantal toevallige banden groter. Mede
       door het afnemende belang van samenbinding, met de daarbij behorende sociale
       controle, is de kans op niet-civiele botsingen groter; onfatsoen in de openbare
       ruimte vormt op dit moment een terugkerende klacht van burgers. Dit is niet op
       te lossen met het stimuleren van meer samenbinding, maar juist door een betere
       invulling van de tegenbinding. Anders dan veelal wordt aangenomen hoeft de
       toenemende complexiteit niet noodzakelijkerwijs te leiden tot maatschappelijke
       instabiliteit en spelverruwing. Uit de wisselwerking tussen individuen ontwikke-
       len zich in het algemeen nieuwe spelregels – zogenoemde emergente normen
       (Fowler en Christakis 2009: 26) – die elk van de spelers beheerst. Spelers verande-
       ren hun gedrag zodanig dat hun kansen op overleven of succes worden vergroot –
       door leren of evolutie (Mitchell 2009: 12). Iedere gemeenschap kent vaak onge-
       schreven omgangsregels die pas echt duidelijk worden als men zich er niet aan
       houdt. Wie in de netwerksamenleving wil overleven zal zich de nieuwe spelregels
       eigen moeten maken.
       De nieuwe omgangsvormen tekenen zich het meest zichtbaar af op internet, de
       sociale en mobiele media (rmo 2011). Net als in de fysieke wereld verschilt het van
       community tot community wat acceptabel gedrag is en wat niet, maar er zijn wel
       degelijk beleefdheidsnormen waar men zich aan dient te houden. De grootste
       zonde binnen een online community is bijvoorbeeld niet de schending van eigen-
       domsrechten, maar van normen over het geven van ‘credit’: mensen willen erkend
       worden vanwege hun bijdrage (Shirky 2010: 91). Een typische internetregel: je
       mag je wel voordoen onder een andere naam, maar je mag je niet op hetzelfde
</pre>

====================================================================== Einde pagina 149 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 150 ======================================================================

<pre>                                                 burgerbetrokkenheid in een complexe samenleving        149
          forum verschillende namen aanmeten. Onderzoek toont een groot ‘zelfreinigend’
          vermogen aan op Nederlandse discussiefora (Meijer et al. 2008; Meijer et al. 2009).
          Veel fora hebben bijvoorbeeld duidelijke spelregels over welke bijdragen wel of
          niet worden geaccepteerd. Mensen fungeren vrijwillig als moderator en plaatsen
          reacties waarin ze aangeven dat een bepaalde opmerking niet gepast is, of ze parti-
          ciperen niet langer waardoor een ontsporende discussie met een goede kans dood-
          bloedt. De nieuwe omgangsvormen stellen ook nieuwe eisen aan grote instituties
          zoals de overheid die hun positie vis à vis gebruikers moeten herbepalen. Beleids-
          makers kunnen daarvoor in de les gaan bij de kampioenen onder de internetonder-
          nemers. Beter dan hun concurrenten blijken zij immers in staat om in te spelen op
          zowel het technische ict-aanbod als de behoeften en kwaliteiten van gebruikers.
          Hun ‘formules’ zijn van een grote eenvoud, maar bevatten ook een waarschuwing:
          wat gisteren state of the art was, is dat morgen met een goede kans niet meer (box
          5.1).
Box 5.1          Omgaan met netwerken
  De nieuwe omgangsvormen van internet hebben hun weerslag op vraag en aanbod van commer-
  ciële producten en diensten. In een omgeving die wordt gekenmerkt door snelle technologische
  ontwikkeling volgen succesvolle bedrijven elkaar binnen enkele jaren op, omdat de ‘winnaars’ van
  het eerste uur niet snel genoeg bijleerden. De traditionele pc-makers lieten de tablets links liggen,
  omdat ze niet meer konden concurreren met het goedkope aanbod van onder andere Amazon.
  Nokia verloor als kampioen van de mobieltjes in rap tempo marktaandeel aan de iPhone van Apple.
  Yahoo, Ilse en andere zoekmachines werden verdrongen door Google.
  Wat kunnen beleidsmakers leren van de winnaars? Uit de snelgroeiende managementliteratuur op
  dit gebied komen vier lessen naar voren: beweeg mee, vertrouw het publiek als producent, probeer
  en corrigeer, en houd het eenvoudig.
  Beweeg mee. Succesvolle ondernemers bieden hun klanten een platform waarop zij zelf inhoud
  geven aan hun eigen behoeftes. Zonder bezoekers zouden Facebook en Hyves lege websites zijn.
  Iedereen kan apps maken voor de iPhone. Op de vraag “Hoe kunnen we een community als die van
  jou starten?” antwoordde de oprichter van Facebook, Mark Zuckerberg: “You can’t.” Je kunt geen
  community starten, communities ontstaan en daar moet je je bij aansluiten (Jarvis 2009).
  Niet alle beleidsmakers zijn goed in het meebewegen. Op de site van het rivm stond begin 2009
  keurig uitgelegd waarom de inenting tegen baarmoederhalskanker voor tienermeisjes belangrijk
  was. Adviseur sociale media Erwin Blom besluit zijn boek over communities met een hartenkreet
  hierover: “Maar komt die doelgroep op die site? Nee, natuurlijk niet. Zo kon op Hyves het verhaal
  over de gevaren van inenting zich als een lopend vuur verspreiden. Het rivm mengde zich niet in
  het gesprek op de plaats waar het gevoerd werd. Met als gevolg een lage opkomst van tieners”
  (Blom 2009: 172).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 150 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 151 ======================================================================

<pre>150    vertrouwen in burgers
   Vertrouw het publiek als producent. Succesvolle internetbedrijven laten gebruikers meeproduceren
   (Schäfer 2008). Google bedenkt niet zelf wat de belangrijkste zoekresultaten zijn, maar vertrouwt
   voor het bepalen van de volgorde van de zoekresultaten op andere websites en op gebruikers.
   Amazon nodigt klanten uit om boeken te beoordelen. Grote groepen mensen kunnen via het net
   samenwerken aan een enkel product; internetencyclopedie Wikipedia en besturingssysteem Linux
   zijn daarvan voorbeelden (Tapscott en Williams 2008; Tapscott en Williams 2010: 27).
   Internet biedt langs deze weg nieuwe kansen voor burgerbetrokkenheid (Noveck 2009). Kleine of
   verspreide ‘doelgroepen’ kunnen door crowdsourcing wel worden bereikt. Maar vooral burgers
   kunnen worden geactiveerd, omdat ze dat zelf willen. Steeds meer mensen vullen hun vrije tijd
   met sociaal e-contact (Shirky 2010; Benkler 2006: 60). Dat beperkt zich niet tot het delen van
   filmpjes met amusementswaarde: e-vrijwilligers dragen ook bij aan het oplossen van wetenschap-
   pelijke en technische problemen via sites als InnoCentive, Polymath, en foldit (Nielsen 2012). Als
   beleidsmakers een miniem deel van die inzet kunnen aftappen (Shirky 2010: 97), kan een enorme
   opbloei van het vrijwilligerswerk worden verwacht.
   Probeer en corrigeer, zo nodig, achteraf. In plaats van vooraf alles uit te denken en te controleren
   gaan koplopers als World of Warcraft, LinkedIn en Marktplaats aan de slag en corrigeren continu
   op basis van gebruikersinbreng. Onlineproducten en -diensten zijn dus nooit ‘af’; een onvoltooid
   product nodigt ook uit tot meer betrokkenheid van het publiek dan een ‘finaal’ ontwerp (Blom
   2009: 114). De meeste experimenten mislukken, maar juist dat is de kracht van internet: de kosten
   van mislukkingen zijn immers laag en in een snel veranderende omgeving kunnen ‘fouten’ ook
   snel worden hersteld (zie bijvoorbeeld Tapscott en Williams 2008; Shirky 2008: 233). Het is dus
   voordeliger om duizend bloemen te laten bloeien en na afloop de successen extra pokon te geven
   dan om van tevoren een keuze te maken en daarop te wedden. Nieuwe initiatieven leren daarbij
   van eigen mislukkingen en van de mislukkingen van anderen (Brafman en Beckstrom 2006: 59-63).
   Internetbedrijven kennen daardoor een steile leerkromme: wie niet meedoet, loopt al snel een
   enorme leerachterstand op (Shirky 2008).
   Het achteraf corrigeren in plaats van vooraf controleren staat haaks op de logica van veel traditionele
   organisaties, waaronder de overheid. Beleidsmakers zijn veelal bevreesd voor de verruwing op het
   net. De ervaring leert echter dat gebruikers zelf waarschuwen voor misstanden. Op YouTube bij-
   voorbeeld kan eenieder een video uploaden, maar die video heeft wel een knop waarmee kijkers
   hem als ongepast kunnen markeren. Pas na zo’n alarm gaat iemand namens YouTube er naar kijken
   en wordt het eventueel offline gehaald. Blijvende verruwing leidt tot de versnelde aftocht van ‘nor-
   male’ gebruikers en wordt daarom meestal ook door de initiatiefnemers met kracht tegengegaan.
   Houd het eenvoudig. De gebruikers staan voorop en maak – met hun behoeften en kwaliteiten in
   je hoofd – de dingen niet ingewikkelder dan nodig, vereenvoudig zoveel mogelijk (Jarvis 2009: 20).
   Hoewel Google veel geld zou kunnen verdienen met het verkopen van advertenties op de
   homepage, is de eerste pagina bijna helemaal wit en bevat alleen de noodzakelijke informatie.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 151 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 152 ======================================================================

<pre>                                                burgerbetrokkenheid in een complexe samenleving   151
Innovatieve doorbraken zijn bijna onveranderlijk het gevolg van vereenvoudiging vanuit het
gebruikersperspectief (Christensen et al. 2006; Christensen et al. 2008). Producten werden zo
ingewikkeld dat ze als het ware door hun hoeven zakten. Ontwerpers bedachten steeds nieuwe
toeters en bellen die in de dagelijkse praktijk voor slechts enkele gebruikers van nut waren. De
overgrote meerderheid was technisch overvraagd en betaalde te veel. Dat ging goed totdat ‘iemand’
– vaak een nieuwkomer die geen positie te verdedigen had – een aanmerkelijk goedkoper alternatief
in de markt zette. Doordat dit product massaal werd aangeschaft, stortten miljoenen grijze cellen
zich op de uitdaging en passeerden ze de originele kampioenen.
        Onduidelijke clusters
        Niet alleen zijn de relaties tussen individuen en groepen minder helder, de clusters
        zelf zijn ook minder herkenbaar. Beleidsmakers zijn vrij snel geneigd te denken in
        termen van de woonomgeving van mensen; zo kenmerken activiteiten op de
        velden van beleidsparticipatie en maatschappelijke participatie zich voornamelijk
        door een buurt- of dorpsgerelateerde aanpak. Maar andere omgevingen worden
        steeds belangrijker, bijvoorbeeld vanwege sterk toegenomen internetgebruik,
        langduriger opleidingen, meer vrije tijd en – zwaar onderschat – door de massale
        toetreding van vrouwen tot de arbeidsmarkt. De buurt is voor veel mensen
        simpelweg niet de omgeving waar ze zich het meest mee verbonden voelen
        (Linders 2010: 44-48). Door hun veelheid en ook door de beperkte aansluiting bij
        de traditionele geografische opzet van het openbaar bestuur, zijn clusters minder
        makkelijk te herkennen dan voorheen.
        De clusters zijn ook dynamischer dan voorheen. Zeker als de gemeenschappelijk-
        heid op basis waarvan een cluster zich heeft geformeerd van ‘tijdelijke’ aard is,
        zoals het ongenoegen over een bepaalde ontwikkeling, kunnen er grote schomme-
        lingen ontstaan in de omvang en dichtheid van een cluster. Politiek actieve jonge-
        ren zijn bijvoorbeeld betrokken bij een onderwerp, maar verbinden zich minder
        makkelijk voor langere tijd aan een specifieke cluster. Ze wisselen makkelijk van
        favoriete organisatie, waardoor een voorheen zeer actieve cluster plotseling
        ‘droog’ kan vallen (Olsson 2008).
        Dit alles leidt tot een samenleving van deels overlappende clusters die voortdu-
        rend veranderen van samenstelling en omvang. Dat maakt het voor individuele
        burgers weliswaar onoverzichtelijker, maar vergroot tegelijk de collectieve veer-
        kracht die wordt bepaald door de aanwezigheid van een veelheid aan mogelijke
        betrokkenheidsroutes. Beleidsmakers, maar ook burgers, zien zich niet zo snel
        voor één gat gevangen, omdat er aanzienlijk meer wegen zijn ‘die naar Rome
        leiden’: “There is more than one system of coping – when one system is impacted
        the other systems help with continued functioning. The greater the redundancy
        [wrr: through overlapping social networks], the more resilient the system”
</pre>

====================================================================== Einde pagina 152 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 153 ======================================================================

<pre>152   vertrouwen in burgers
         (Sapirstein 2006). Indien echter al die routes tegelijk worden gebruikt, kan dit ten
         gevolge van conflicterende signalen binnen een systeem leiden tot zogenoemde
         complexity catastrophes (Beinhocker 2006). Een voorbeeld is de patstelling die
         kan ontstaan tussen de uitkomsten van een interactief beleidsproces tussen
         ambtenaren en burgers en het formele besluitvormingsproces.
         Weer zijn de kansen niet gelijk verdeeld binnen de samenleving. De toerusting
         van burgers verschilt; het maakt uit of je als betrokken burger iemand kent die een
         ‘brief kan schrijven’, of iemand kent binnen de gemeenteraad. Als minder toege-
         ruste burgers bovendien onderdeel zijn van hechte clusters met weinig dwarsver-
         bindingen naar grotere netwerken, zullen zij minder goed voor hun belangen
         kunnen opkomen. Ze zijn dan sterk afhankelijk van goede externe verbinders voor
         hun toegang tot relevante netwerken. In termen van onze betrokkenheidsstijlen:
         de kans dat clusters van Volgzamen en Critici overlappen met invloedrijke clusters
         is kleiner dan bij clusters waar hoofdzakelijk Pragmatici en Verantwoordelijken
         deel van uit maken.
5.3.2    sleutelrol voor trekkers en verbinders
         Cruciaal voor het functioneren van netwerken zijn de dwarsbindingen tussen
         verschillende clusters. De knooppunten die deze verbindingen tussen verschil-
         lende clusters leggen, zijn zowel de kracht als de zwakte van netwerken. In ons
         veldwerk kwamen we vele mensen tegen die deze belangrijke functies vervulden:
         de trekkers en de verbinders.
         Trekkers
         In ons veldwerk kwam voortdurend het belang aan de orde van trekkers die clus-
         ters kunnen bewegen in de richting van grotere burgerbetrokkenheid. Ze nemen
         vele vormen en gedaanten aan, uiteenlopend van de alledaagse doeners met
         eenmalige buurtinitiatieven tot de oprichters van ngo’s en sociale ondernemingen.
         Ze zijn ook de klokkenluiders die aan de bel trekken indien in hun ogen zaken fout
         gaan of onrecht te groot wordt. En in bijzondere gevallen – ons veldwerk biedt
         daarvan illustraties en ook Sunstein (2003: 46 e.v.) wijst erop – zijn dergelijke
         trekkers zelfs bereid om maatschappelijke normen en wetten te overtreden (zelfs
         als ze weten daarvoor te worden gestraft) indien een ‘afwijkende subcultuur’
         hen daarvoor hogelijk beloont (bewondering, status). Trekkers steken een grote
         hoeveelheid tijd en energie in een onderwerp, doel of missie. Ze creëren de struc-
         turen en processen en bewaken de integriteit van hun cluster: de spelregels die
         binnen clusters altijd nodig zijn. Hun onderscheidende kracht ligt in hun volhar-
         ding: het zijn monomanen met een missie, zoals managementgoeroe Peter
         Drucker het ooit uitdrukte. Hun attitude en resultaatverwachting kunnen een
         hele groep op een ‘hoger plan’ brengen. Niet alleen hun volharding, maar ook de
         aantrekkingskracht die deze trekkers hebben op anderen, maakt hen waardevol
</pre>

====================================================================== Einde pagina 153 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 154 ======================================================================

<pre>                                   burgerbetrokkenheid in een complexe samenleving  153
voor de groep. “Popularity breeds popularity” (Koch en Lockwood 2010: 187). Wie
veel contacten heeft, heeft een grotere kans op nog meer waardevolle contacten.
Het is de ‘centrality premium’: geld, respect en contacten (Fowler en Christakis
2009: 299).
Trekkers steken hun nek uit en velen, vooral spelers op internet, betalen daarvoor
de prijs. Ze begonnen met een belofte van communicatie: door het wegvallen van
het onderscheid tussen communicatietechnologie (één op één) en uitzendtechno-
logie (broadcast: één op velen) was wederzijdse communicatie van velen met
velen mogelijk. Maar in plaats van technologische grenzen zijn sociale grenzen nu
een beperking geworden. Hierdoor krijgen de supertrekkers op Facebook, Twitter,
Hyves, blogs en websites, voornamelijk een uitzendfunctie en kunnen zij de
tweerichtingsfunctie niet voldoende waarmaken. Het is de kritiek die politici met
een Hyvespagina of een Twitteraccount krijgen. Het gevaar hiervan is dat er geen
terugkoppeling meer plaatsheeft tussen de zender en de ontvanger, en de zender
losgezongen raakt van zijn eigen achterban. Opeens haken alle volgers af, er valt
niets meer te trekken.
Ook in fysieke netwerken zien we dat de sleutelpositie die dergelijke trekkers
innemen van kracht om kan slaan naar zwakte: de geweldige wethouders, bestuur-
ders of procesmanagers die zoveel ‘ballen in de lucht’ moeten houden dat zij
nergens meer tijd voor hebben. Hun enthousiasme gaat met hen op de loop en
ze nemen soms onverantwoorde risico’s, vullen bijvoorbeeld – deels gedwongen
door de onzekerheid van de projectencarrousel – het ene financiële gat met het
andere. Hun gedrevenheid en kennis dulden soms ook weinig tegenspraak. En
uiteindelijk gaan ze, tot verdriet van velen en opluchting van enkelen, aan hun
eigen succes ten onder.
Verbinders
Verbinders vormen de brug tussen de dichtere clusters en het grote open netwerk.
Zij hebben een belangrijke functie bij wat netwerktheoretici het fenomeen van de
‘kleine wereld’ noemen: mensen uit verschillende netwerken zijn verbonden via
een beperkt aantal contacten van kennissen en kennissen van kennissen. Hoewel
in eerste instantie verondersteld werd dat het vooral mensen met veel contacten
waren die een brug vormden, blijkt uit recenter onderzoek dat het fenomeen van
de ‘kleine wereld’ even goed werkt via ‘gewone’ mensen met een gemiddeld aantal
contacten (Watts 2011: 82-91).
Het bestaan van verbindingen tussen verschillende clusters is een normaal
verschijnsel: eenieder is op enigerlei wijze actief in meerdere clusters, uiteenlo-
pend van familie of buurt via opleiding en werk naar recreatie, al dan niet virtueel.
De kracht van de verbinders ligt in hun ‘meertaligheid’: ze voelen zich op hun
gemak in meerdere clusters en kunnen die met elkaar in contact brengen. Daarmee
</pre>

====================================================================== Einde pagina 154 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 155 ======================================================================

<pre>154   vertrouwen in burgers
         wordt de potentiële bron van hulptroepen zowel in omvang als in diversiteit
         vergroot. Willen mensen iets nieuws leren, dan moeten ze het vaak ‘op afstand’
         van het eigen, vaak naar binnen gerichte cluster zoeken. We zagen in ons veldwerk
         dat de trekkers van een burgerinitiatief of protestactie hun kennis over een bepaald
         onderwerp, bijvoorbeeld industrieel erfgoed in Amersfoort of hostels in Utrecht
         of Den Bosch, wisten te vergroten door zich te verbinden met clusters waar die
         kennis aanwezig was.
         Via verbinders zijn ook minder toegeruste of achterblijvende clusters eenvoudiger
         te bereiken. Wie de verbinder weet te bereiken, bereikt indirect de veel grotere
         achterliggende groep: beleidsmakers gaan niet rechtstreeks op zoek naar bijvoor-
         beeld moskeebezoekers in een buurt en benaderen niet alle voetbalsupporters of
         dorpsbewoners individueel, maar benaderen een moskeebestuurder, een suppor-
         terscoördinator of de voorzitter van het dorpsoverleg, die sneller en met meer
         overtuigingskracht zijn of haar ‘achterban’ kan bereiken.
         De sleutelpositie van de verbinders is zowel een kracht als een zwakte van netwer-
         ken. Volgens Peeters et al. (2010) is de ‘tussenfunctie’ die verbinders vervullen per
         definitie spanningsvol, omdat ze botst met de verschillende logica’s van de te
         verbinden clusters: zoals de logica van beleidsmakers en de logica van (groepen)
         burgers. Verbinders die te veel ‘ingezogen’ worden door de overheid (geïnstitutio-
         naliseerd worden) verliezen de aansluiting met hun natuurlijke achterban. Verbin-
         ders die te los komen te staan van beleidsmakers, krijgen niets meer voor elkaar.
         Dit geldt voor externe verbinders (wijkmanagers, wijkagenten, buurtconciërges
         die vanuit een gemeente, de politie, of een wooncorporatie het contact onderhou-
         den met burgers), maar ook voor interne verbinders: de vertegenwoordigers van
         een groep burgers die vanuit die groep het contact onderhoudt met beleidsmakers
         en bestuurders. Als zij te weinig begrip tonen voor de beleidslogica, is de kans op
         een constructieve samenwerking klein. De verbinders die wij in ons veldwerk
         tegenkwamen, waren zich zeer bewust van deze spanning. Als een verbinder of
         een rugdekker wegvalt, wordt de verbinding tussen de clusters kwetsbaar.
         Rugdekking voor hun ‘ongepaste’ gedrag is daarom een absolute noodzaak.
5.3.3    lange staart: scheve verdeling met subculturen
         Weinigen participeren veel en velen participeren weinig. Deze conclusie van de
         Raad voor het Openbaar Bestuur (rob 2004) werd steeds weer bevestigd in ons
         veldwerk. Een klein aantal actievelingen trekt de kar, velen zijn bereid om af en toe
         de handen uit de mouwen te steken, maar de meesten zijn passieve deelnemers.
         De voetbalsupporters van ado Den Haag omvatten bijvoorbeeld een ‘harde kern’
         van zo’n 400 man die nog fanatiekere inzet betoont dan de paar duizend ‘normale’
         tribuneklanten, de thuiszitters nog buiten beschouwing gelaten. Ook de aanhang
         van politieke partijen en veel ngo’s wordt gekenmerkt door een kleine binnencir-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 155 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 156 ======================================================================

<pre>                                   burgerbetrokkenheid in een complexe samenleving  155
kel met daaromheen regionale ‘baronnen’ en op nog grotere afstand de loyale,
maar niet erg actieve achterban.
Dit patroon is nog veel zichtbaarder in de wereld ‘online’. Een klein aantal clusters
doet ertoe en veel clusters doen er niet toe (Barabási en Albert 1999; zie ook Koch
en Lockwood 2010: 183-184). De meeste bijdragen aan Wikipedia worden bijvoor-
beeld geleverd door een klein deel van de bezoekers; slechts twee procent van alle
bezoekers draagt bij (Shirky 2008: 125; Anderson 2006). De meeste websites,
blogs of YouTube-filmpjes worden niet of nauwelijks bekeken, een klein aantal
krijgt veel bezoekers. De meeste Twitterberichten gaan onopgemerkt voorbij, een
klein aantal genereert aandacht en tumult.
Dat zet beleidsmakers veelal op het verkeerde been. Over het algemeen zijn ze, als
het gaat om grote aantallen, geneigd te denken in normale verdelingen, waarbij
ongeveer evenveel waarnemingen groter of kleiner zijn dan het gemiddelde. Een
beperkte steekproef uit zo’n normaal verdeelde groep is voldoende om het gemid-
delde van de groep te bepalen. Echter, verdelingen in netwerken kunnen beter
beschreven worden met een machtsfunctie: de meeste bijdragen zijn kleiner dan
het gemiddelde. Dat betekent dat een kleine groep mensen de grootste betrokken-
heid aan de dag legt en de rest weinig doet. Hoe groter het netwerk, des te groter
het verschil tussen de uitersten: hoe groter de vereniging, des te groter ook het
verschil tussen de bijdrage die geleverd wordt door het meest fanatieke lid en de
bijdrage die geleverd wordt door het minst zichtbare lid. Die scheve verdeling gaat
niet alleen op voor wat mensen doen, maar ook voor wat mensen denken, vinden,
en hoe zij hun belangen nastreven. En hoe groter het netwerk, des te groter de ver-
scheidenheid aan meningen en belangen. Dit betekent bijvoorbeeld dat de meest
geventileerde mening nog steeds de mening is die door een minderheid wordt
gedeeld. De meerderheid heeft echter géén eenduidige mening. Zo kan het zijn dat
de partij die bij de verkiezingen de grootste wordt, geen meerderheid van de stem-
men heeft gekregen. Die meerderheid heeft niet op de grootste partij gestemd,
maar op verschillende andere partijen. Het is een illusie te verwachten dat ieder-
een op dezelfde manier meedenkt en meedoet.
Ditzelfde principe gaat ook op voor de netwerken zelf; hoe groter het netwerk, des
te meer kleine deelnetwerken, in onze terminologie clusters, er in een netwerk
aanwezig zijn. Het kleine Friese dorp Hitzum, met ongeveer 250 inwoners, kent
een bloeiend verenigingsleven met een goede twintig verenigingen. Het veel
grotere, maar eveneens vrij besloten Volendam, met zo’n 22.000 inwoners, telt
echter – vanzelfsprekend – veel meer verenigingen met een veel grotere variëteit.
Het makkelijk te onderzoeken internet biedt een nog kleurrijkere staalkaart van
diversiteit van clusters. De combinatie van de scheve verdeling binnen netwerken
en hun fragmentatie wordt in internetjargon de lange staart (long tail) genoemd.
Als een cluster voldoende schaal bereikt, vormen zich in de lange staart kleinere
</pre>

====================================================================== Einde pagina 156 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 157 ======================================================================

<pre>156   vertrouwen in burgers
         subgroepen met specifieke gemeenschappelijke belangstelling of belangen. Tradi-
         tioneel waren de transactie- en productiekosten van informatie om deze miniclus-
         ters te ‘bedienen’ hoog en de kans dat mensen elkaar vonden bovendien klein. Via
         internet zijn die drempels scherp teruggebracht.
         In de schaduw van de supertrekkers (superstars) hebben veel relatief kleine mini-
         trekkers in die lange staart voldoende aantrekkingskracht om iets te kunnen bete-
         kenen. In de commerciële markt vormen hun clusters door hun ‘vindbaarheid’
         commercieel interessante doelgroepen. Hetzelfde principe gaat ook op voor
         ‘kleine’ onderwerpen waar mensen zich voor willen inzetten. Zo zijn de mogelijk-
         heden voor patiëntenverenigingen rond zeldzame ziektes, zoals in ons veldwerk
         Metakids en de cmwp 3 sterk toegenomen. En ook petities.nl maakt gebruik van de
         lange staart onder zijn ruwweg twee miljoen potentiële ‘ondertekenaars’. Een zeer
         divers scala aan petities rond relatief kleine belangen of standpunten weet via het
         grote, los samenhangende internet meer en gemakkelijker steunbetuigingen te
         verzamelen.
5.3.4    veenbrandfenomeen als uiting van dynamiek
         De verspreiding van ideeën en gedrag gaat in een netwerksamenleving een stuk
         sneller, via de bovengenoemde verbinders, dan in een samenleving die bestaat uit
         geïsoleerde clusters. Een netwerk ontwikkelt zich soms snel en onvoorspelbaar.
         Beleidsmakers kunnen verrast worden door een oplaaiende discussie uit een
         bekend netwerk, maar ook door een geheel nieuw of ‘ondergronds’ cluster.
         Netwerken worden bovendien gedreven door conformisme. Eerder verwezen we
         al naar de mislukte vaccinatiecampagne en de opwellingen van collectief stemge-
         drag zoals in Volendam, denk ook aan het eu-referendum. Ook de grootschalige
         manifestaties van collectieve rouw- of vreugdeverwerking en mediahypes vormen
         voortdurende illustraties.
         Dit zijn we het ‘veenbrandfenomeem’ gaan noemen: het schijnbaar plotseling
         oplaaien of doven van een hype, een protest of actie. Achteraf is meestal vrij
         ‘eenvoudig’ te benoemen waar de onvrede of de crisis vandaan kwam, maar dit
         betekent niet dat het moment, de vorm, de plaats en de heftigheid van de brand te
         voorspellen was (Watts 2011). Het verwijt aan beleidsmakers – ‘dat hadden jullie
         kunnen weten’ – is begrijpelijk, maar onterecht. Het ‘olievlekmodel’ – één bron
         van langzaam uitdijende ‘vervuiling’ – gaat voor veel oplaaiende protesten en
         sociale bewegingen eenvoudig weg niet op. Sociale bewegingen zijn volgens
         Justus Uitermark (2011: 165) samenklonteringen – clusters – van actoren met
         verschillende kenmerken en achtergronden. Ook de burgerrechtenbeweging, de
         feministen en de neonazi’s hebben geen formele leiders, toegangseisen of lidmaat-
         schap. Al deze bewegingen kunnen worden begrepen als complexe systemen van
         met elkaar verbonden, maar relatief autonome elementen waarvan de dynamiek
</pre>

====================================================================== Einde pagina 157 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 158 ======================================================================

<pre>                                  burgerbetrokkenheid in een complexe samenleving    157
geen uitgestippeld plan volgt. Zo kenmerkt de internetactiebeweging Anonymous
zich doordat (a) de beweging geheel bestaat uit open en collaboratieve netwerken,
en (b) groepsbelang en ideologische positie die alle deelnemers verbindt afwezig
zijn. Voor zover zich ideologische en organisatorische lijnen aftekenen, komen die
voort uit een evolutionaire dynamiek.
Hoe doven dergelijke veenbranden uit om – soms – later en op een andere plaats
en manier weer op te laaien? De theorie is eenvoudig: een lopend vuurtje kan
worden gedoofd, maar ondergronds kan het vuur voortbestaan en plotseling weer
oplaaien. Vuur dooft als de brandstof op is, door koeling of als zuurstof ontbreekt.
Zo kunnen ook onze veenbranden doven. De eerste en meest voor de hand
liggende daarvan is vermoeidheid. Na een veenbrandprotest of -actie heeft men er
‘even geen zin meer in’. Mensen moeten weer aan het werk, hebben tijd nodig om
zich weer op te laden voordat ze aan een nieuwe actie kunnen beginnen. De onder-
grondse netwerkstructuur is nog wel aanwezig, maar de energie om het netwerk
te mobiliseren is even op. Het is ook denkbaar dat een mode dooft wanneer ‘ieder-
een’ meedoet en een uitingsvorm niet meer onderscheidend is (Gladwell 2000).
Deelnemers van Anonymous haakten ook af vanwege irritatie over de toestroom
van newfags en moralfags zonder technische kennis: een beetje hacker wil niet
verkeren in het gezelschap van ‘amateurs’ (Uitermark 2011: 165).
Een andere analogie voor onze veenbrand is die van het virus. Een epidemie, maar
ook een pandemie – een epidemie op wereldwijde schaal – komt tot stilstand
wanneer er in de bevolking genoeg antistof is gevormd zodat een ziekte geen
nieuwe ‘slachtoffers’ vindt (Lilienfeld en Stolley 1994; Barker et al. 1997). Vooral
wanneer onder de bevolking in een bepaalde omgeving in het geheel geen antistof-
fen aanwezig zijn, is de ingebouwde bescherming gering en kan de schade groot
zijn. De vergelijking met maatschappelijke cascades dringt zich op. Relatief homo-
gene gemeenschappen – bijvoorbeeld sterk ideologisch gedreven of beperkt toege-
ruste groepen – zijn op bepaalde terreinen nauwelijks blootgesteld aan externe
invloeden. Daardoor kan zich een sterke groepsidentiteit ontwikkelen die makke-
lijk is aan te boren voor vormen van actiegerichtheid. Is het ook zo dat een derge-
lijke sociale cascade dooft wanneer er genoeg maatschappelijke antistof ontstaat?
Veenbranden creëren soms nu al hun eigen tegenbeweging, zoals #riotcleanup
(burgers die zich via twitter organiseerden om de straten schoon te maken na de
rellen in het Verenigd Koninkrijk).
Valt ook te begrijpen hoe een veenbrand op een later tijdstip weer oplaait? Om in
onze brandmetafoor te blijven: een brand kan weer oplaaien indien door verande-
rende omstandigheden brandstof, zuurstof en hitte weer beschikbaar komen. En
een virus kan weer tot ziekte leiden indien het door mutatie resistent is geworden
voor bestaande antistoffen en dus om nieuwe antistoffen vraagt. Vanzelfsprekend
gaat onze vergelijking mank waar het betreft de smeulende vuurtjes en de antistof-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 158 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 159 ======================================================================

<pre>158 vertrouwen in burgers
       fen: we bestudeerden immers geen fysieke, maar veeleer sociale grootheden. Maar
       de metafoor maakt wel begrijpelijk waarom activisme leidt tot meer activisme.
       Mensen vormen banden in een netwerk en wanneer een veenbrandinitiatief
       wegzakt, dan “those same people find ways to work together to form the next wave
       of social activism around new causes, often creating new organizations and new
       coalitions” (Alexander Kunz 2009: 25).
                                                ***
       We speurden naar de drijfveren en voorwaarden voor individuele betrokkenheid:
       uitdaging en toerusting. Indien de twee samengaan, kan betrokkenheid opbloeien.
       Is de toerusting te klein, dan dreigt overvraging; is de uitdaging te gering, dan
       dreigt verveling. Burgers handelen zelden alleen, maar maken deel uit van een of
       meerdere groepen. Groepen kennen een geheel eigen dynamiek waar beleidsma-
       kers effectief mee om moeten – leren – gaan. In de complexe, vernetwerkte samen-
       leving worden de uitdagingen rondom burgerbetrokkenheid nog groter. Het sterk
       groeiende aantal verbindingen, het ontbreken van heldere structuren en hiërar-
       chie, onheldere en soms onherkenbare relaties tussen burgers maken dat beleids-
       makers niet langer kunnen voortbouwen op bewezen methodes. Een andere
       aanpak is wenselijk; een aanpak die slim inspeelt op de onzekerheden, maar ook de
       veerkracht en de kansen weet te benutten.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 159 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 160 ======================================================================

<pre>                                      burgerbetrokkenheid in een complexe samenleving 159
noten
1   Wij lieten ons inspireren door verschillende modellen uit de psychologie zoals het
    flow-model van Csikszentmihalyi (1990, 1996) en het ecological model van Lawton
    (1986, 1973) en Nahemow (2000). In vervolg op Kurt Lewin, een van de grondleg-
    gers van de sociale psychologie, gaan deze modellen ervan uit dat het gedrag van
    mensen voornamelijk kan worden verklaard met twee typen factoren: persoon-
    lijke en omgevingsfactoren. De persoonlijke factoren gaan over behoeften en de
    toerusting om in deze behoeften te kunnen voorzien. De omgevingsfactoren gaan
    over de uitdagingen die de sociale omgeving stelt aan het individu.
2   Voor een meer gedetailleerde toelichting van de onderzoeksgegevens van Motivac-
    tion zie bijlage A.
3   Contactgroep Myeloom en Waldenström Patiënten, voor patiënten met de ziekte
    van Kahler.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 160 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 161 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 161 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 162 ======================================================================

<pre>                                                                                   161
6 nieuwe generatie doe-democratie
  Burgerbetrokkenheid vereist een geloof in de veerkracht van een vernetwerkte
  samenleving, met de bijbehorende ruimte voor burgers – trekkers en verbinders
  voorop – die elkaar vinden in steeds effectievere samenwerkingsverbanden. Juist
  de veelheid en overlap van dergelijke initiatieven en kanalen voor betrokkenheid
  resulteert in een ‘energieke samenleving’, zoals Maarten Hajer (2011: 9) die noemt:
  een samenleving van mondige burgers en met een ongekende reactiesnelheid,
  leervermogen en creativiteit.
  Het is een mooi ideaal, maar ook een ontregelend perspectief voor beleidsmakers.
  In een chaotischer omgeving weten ze zich binnen de kaders van de representa-
  tieve democratie belast met blijvende verantwoordelijkheden als formele spelre-
  gelbepaler en -bewaker en ultieme conflictbeslechter. ‘Wat burgers belangrijk
  vinden’ is bovendien, zeker in de netwerksamenleving, niet eenduidig en in
  sommige gevallen zelfs conflicterend (wrr 2006: 30). Politieke besluitvormings-
  processen moeten – bouwend op verschillende waarden en visies over de samen-
  leving – resulteren in een evenwichtige afweging van belangen, bescherming
  van de meest kwetsbare mensen en waarden, en stimulering dan wel afremming
  van specifieke maatschappelijke ontwikkelingen. Het is een formidabele uitdaging
  om de resulterende spanningen, conflicten en groepstegenstellingen zodanig te
  reguleren dat destructieve en gewelddadige krachten worden afgeremd (Schuyt
  2009: 45).
  Over een periode van vele jaren hebben beleidsmakers de handschoen van die
  ‘overkoepelende verantwoordelijkheid’ met inzet opgepakt (wrr 2012: 137-139).
  Toch overheerst onder burgers een gevoel van onbehagen waar het betreft burger-
  betrokkenheid – de ultieme bouwsteen van de levende democratie. Ook beleids-
  makers ervaren een ongemak: ondanks de inspanningen wordt de afstand tussen
  ideaal en werkelijkheid groter. En waar het ideaal aan de horizon verdwijnt en de
  institutionele rek zijn grenzen nadert, kan alleen een fundamentele koerswijziging
  de democratie ‘levend’ houden.
  In kort bestek gaan we nader in op de doorwerking van enkele ontwikkelingen op
  het speelveld van burgerbetrokkenheid en op de beperkt succesvolle aanzetten
  om door middel van directere vormen van democratie, als aanvulling op de repre-
  sentatieve hoofdvorm, meer ruimte te maken voor burgerbetrokkenheid. Om de
  vereiste koerswijziging te kunnen maken, is een nieuwe generatie doe-demo-
  cratie vereist die bouwt op een hernieuwde invulling van binding tussen en met
  burgers.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 162 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 163 ======================================================================

<pre>162   vertrouwen in burgers
6.1      onrustig speelveld
         Informatiestromen die snel veranderen, een middenveld waarop de posities van
         maatschappelijke instellingen en ngo’s sterk in beweging zijn, en nieuwe vormen
         van betrokkenheid via koplopers in het bedrijfsleven en andersbewegingen: het is
         een beeld dat weinig beleidsmakers een gerust gevoel geeft.
6.1.1    onbeheersbare informatiestromen
         Veldwerk en literatuur duiden in dezelfde richting: een levende democratie is
         gebaat bij een gezond tegengeluid. De eerste voorwaarde daartoe is open informa-
         tie. De traditionele informatieleveranciers, waarmee beleidsmakers intensieve
         relaties onderhouden, komen steeds meer onder druk te staan. ‘Kwaliteitskranten’
         en publieke omroep moeten hun hoofdrol delen met nieuwkomers binnen de
         social media (rmo 2011). Lokale media – nog steeds van groot belang bij de infor-
         matievoorziening in de alledaagse leefomgeving (Verhoeven 2009; Van Marissing
         2008: 170) – krijgen van doen met buurtwebsites en andere op de directe omge-
         ving gerichte online platforms.
         Het meest ontregelend is echter het toenemend belang van “mass self-communica-
         tion” zoals Castells (2007: 248) het noemt: “self-generated in content, self-directed
         in emission, and self-selected in reception by many that communicate with many.”
         Kleine groepen zijn in staat om binnen de lange staart effectief informatie uit te wis-
         selen als basis voor gezamenlijke actie. Op grote schaal kunnen zich via grensover-
         schrijdende netwerken echter ook massabewegingen vormen: “The emergence of
         mass-self communication offers an extraordinary medium for social movements and
         rebellious individuals to build their autonomy and confront the institutions of society
         in their own terms and around their own projects” (2007: 249).
         Burgers dringen aan op de informatie die een actieve burgerbetrokkenheid kunnen
         voeden. Ze vragen om ‘open data’: niet alleen toegankelijk maar ook aangeboden
         op een gestandaardiseerde manier die gemakkelijk door software kan worden gele-
         zen. In het algemeen stellen beleidsmakers zich behoudend op, vanuit de zorg om
         privacy en veiligheid (wrr 2011). Het openbaar maken van slechte cijfers over
         bijvoorbeeld een buurt, kan ook leiden tot verdere verloedering: ‘wie wil daar nu
         nog wonen?’ Beleidsmakers zijn bovendien bevreesd voor de dreiging van over-
         vallen of cascades. Ook dat heeft zijn gronden. Op basis van zijn virtuele veldwerk
         verwijst Uitermark (2011) bijvoorbeeld naar de impliciete drijfveer achter Anony-
         mous: een gedeelde aversie tegen hiërarchie en geheimhouding, in het perspectief
         van de ‘hacktivisten’ bij uitstek het terrein waarop overheidsinstituties uitblinken.
         In die zin vormt het verwante Wikileaks wellicht een voorbode van de nieuwe
         vormen van mediacontrole waarmee ook beleidsmakers te maken zullen hebben
         (zie ook Keane 2009).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 163 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 164 ======================================================================

<pre>                                                                  nieuwe generatie doe-democratie       163
  “The battle standard that Anonymous follows, however, is the freedom of information. Without infor-
  mation, one cannot fight for any other cause. Children will remain abused if their plight remains
  unknown. Nations will rage wars against their own people if cloaked in secrecy. Crimes will go unpun-
  ished, victims will go uncomforted, and walls will remain undefended. As Thomas Jefferson put it,
  ‘Information is the currency of democracy.’ But we would go further and say that information is the
  life-blood of society” (AnonNews 2010).
          Toch moeten beleidsmakers en bestuurders, ook in het bedrijfsleven, ervan
          uitgaan dat hun huidige houding ten opzichte van data en informatie in de
          netwerkwerksamenleving bijstelling behoeft. Ten eerste zijn er steeds meer voor-
          beelden die illustreren dat juist het delen van data en gegevens leidt tot creatieve
          oplossingen met vaak positieve economische doorwerking (Tapscott en Williams
          2008). Ten tweede verdampt hun nog steeds grote informatievoorsprong op
          burgers op veel terreinen en slaat zelfs om in een achterstand. Een groot aantal
          verspreide bronnen levert, bijvoorbeeld via crowd sourcing, informatie die door
          hackers wordt gekoppeld. Het aantal vragers wordt zeer veel groter en kan zich
          effectief organiseren in gebundelde initiatieven. Het ongemak onder beleidsma-
          kers wordt zo gevoed: traditionele informatiekanalen stagneren, en veel informa-
          tiestromen zijn in de praktijk van een netwerksamenleving onbeheersbaar.
6.1.2     wankel middenveld
          Het maatschappelijk middenveld wordt gekenmerkt door “een bonte verzameling
          van organisaties en verenigingen, instituties en verbanden waar overheidsmacht
          als het ware doorheen moest gaan voordat de individuele burger kon worden
          bereikt” (Zijderveld 1983: 205). Sterke instituties vormden namens een achterban
          de ‘tegenpartij’ in het polderoverleg met beleidsmakers. Getuige ons veldonder-
          zoek zijn hun posities onderhevig aan snelle veranderingen. Het kompas dat ze
          zoekende burgers van oudsher boden is minder zuiver; het kanaal voor de mobili-
          satie van tegengeluid is vaak verstopt.
          Maatschappelijke instellingen
          Burgerbetrokkenheid bij maatschappelijke instellingen kent verschillende doelen:
          het verbeteren van dienstverlening, creëren van draagvlak voor beleid, beïnvloe-
          den van beleid en dienstverlening, en versterken van controle (Roetering en
          Verschelling 2010). Onder invloed van het New Public Management werd het
          accent sinds de jaren negentig gelegd op technocratische dienstverlening: afreken-
          bare doelen, top down managementsturing. Burgers werden aangesproken als
          hulpbehoevende en hulpvragende klanten en gingen zich ook zo gedragen.
          Door voortdurende schaalvergroting groeide ook de afstand van burgers en
          bestuurders/beleidsmakers. Waar de beter toegeruste burgers de weg nog vaak
</pre>

====================================================================== Einde pagina 164 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 165 ======================================================================

<pre>164 vertrouwen in burgers
       weten te vinden, tasten vooral de minder toegeruste burgers in het duister. ‘Ze’
       – de hoge heren van de grote instituties – zien ons niet. “Van de weeromstuit is de
       publieke afrekening groot, iedere keer als er een zeker ongenoegen is over de
       kwaliteit van het onderwijs, de toestand in verzorgingstehuizen of de leefbaarheid
       van de woonomgeving” (Dijstelbloem 2010).
       Beleidsmakers gaan er te gemakkelijk van uit dat mensen zelf actief op zoek gaan
       naar ondersteuning, maar juist de meest geïsoleerde burgers beschikken niet over
       de kwaliteiten noch de verbinders in hun directe omgeving om de brug te slaan
       naar passende voorzieningen (Van Houten en Winsemius 2010: 218). Mensen,
       ook de meest kwetsbare, willen bovendien niet graag afhankelijk zijn van anderen,
       zeker niet als er geen sprake is van sterke banden of de mogelijkheid van weder-
       dienst. Daardoor worden mantelzorgers en vrijwilligers soms overmatig belast.
       Veelal zoeken kwetsbare mensen hulp bij elkaar en ook dan dreigt overbelasting
       (Linders 2010). Zorgverlenende burgers hebben daarom behoefte aan een vorm
       van infrastructuur voor als het te moeilijk – zwaar, ingewikkeld – wordt.
       Juist bij de dienstverleningsprocessen die het meest onder druk staan – zorg,
       ouderenzorg, jeugdzorg, schoolverlatersbeleid – is onvoldoende aansluiting
       gezocht bij burgers zelf (Geerlof 2011). Beleidsmakers en bestuurders probeerden
       dat recent te corrigeren. De wmo bijvoorbeeld benoemde als eerste prestatieveld
       sociale cohesie, met het welzijnswerk op kop om burgers te noden tot maatschap-
       pelijke participatie; de gezondheidszorg lijkt te volgen. Soms lukt dat, getuige de
       succesvolle maatschappelijke initiatieven op de terreinen waar maatschappelijke
       instellingen zich verantwoordelijk voor voelen: scholing, welzijn, zorg, veiligheid,
       energie en de fysieke lokale leefomgeving.
       Bestuurders en beleidsmakers staan echter lang niet altijd open voor nieuwe
       initiatieven en er zijn vele onvolkomenheden. Zo is tegengeluid gebaat bij onaf-
       hankelijkheid, en die is, zoals bij patiëntenverenigingen met hun financiële koor-
       den naar de farmaceutische industrie, onvolmaakt. Ook is er te vaak sprake van
       een ongelijke behandeling van splintergroepen; in ons veldonderzoek maakten
       we kennis met schrijnende voorbeelden van ‘kleine ziekten’ die niet op het radar-
       scherm van bestuurders en beleidsmakers verschijnen. En er is voortdurend
       sprake van een onderschatting van de deskundigheid van (samenwerkingsverban-
       den van) burgers, in de vorm van patiëntenverenigingen, bewonersgroepen, etc.
       Ook dat is een gemiste kans, zeker gegeven de netwerksamenleving waarin kleine
       groepen burgers zich steeds beter kunnen organiseren en hun potentieel ook
       eenvoudiger is aan te boren.
       Een zinvolle beleidsparticipatie wordt blijkens ons veldwerk bovendien ondergra-
       ven door een wankele regionale samenwerking. Al ten tijde van de invoering van
       de wmo werd hiervoor gewaarschuwd: er is een mismatch tussen het toenemende
</pre>

====================================================================== Einde pagina 165 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 166 ======================================================================

<pre>                                                  nieuwe generatie doe-democratie  165
accent op gemeentelijke democratie en de regionale schaal waarop de meeste
maatschappelijke voorzieningen zijn georganiseerd (Peters 2006). Een regionaal
opleidingscentrum (roc), met vijftig procent van de leerlingen van buiten de
kerngemeente, kwam in financiële problemen, maar de beleidsmakers in de rand-
gemeenten gaven niet thuis toen hun om hulp werd gevraagd. Een ander voor-
beeld: de kansrijke vmbo-leerlingen in een stad werden weggezogen door nabu-
rige scholen, hierin gefaciliteerd door ijverig bouwende gemeenten. Ondanks
veelvuldig overleg bleek in de praktijk weinig sprake van enige solidariteit. Dat
knelt des te meer omdat in grote delen van ons land sprake zal zijn van bevolkings-
krimp. Verstandige beleidsmakers – we ontmoetten ze tijdens ons veldwerk –
namen het initiatief voor een hernieuwde spreiding en daarmee betere bereikbaar-
heid van schaarsere voorzieningen binnen een regio. Een ‘goede’ krimp kan echter
niet zonder de medewerking van maatschappelijke instellingen (zie bijvoorbeeld
stamm cmo 2011).
Ngo’s
In geen enkel land zijn zoveel burgers lid of donateur van ngo’s als in Nederland,
en hun voorlieden spreken dus met het gewicht van velen (Van Koolwijk en Pluij-
ter 2009: 102-125); vrijwel nergens zijn ook zoveel vrijwilligers actief betrokken bij
‘hun’ samenleving. Op elk beleidsterrein drukt een andere ‘verzameling’ spelers
een veelal stevig stempel op concrete beslissingen (Peters 1999). In ons veldwerk
worden daarbij van verschillende zijden kanttekeningen geplaatst: ngo’s zijn te
afhankelijk van overheidsfinanciering of willen te graag aanschuiven aan overleg-
tafels op het middenveld. Daardoor dreigt voortdurend het gevaar van ‘domestice-
ring’: de inkapseling van initiatief. Door hun voortgaande professionalisering
verworden ze soms tot een soort ingenieursbureaus, of ze menen geen achterban
meer nodig te hebben: ‘alleen maar lastig’. Ten slotte draagt schaalvergroting bij
tot een grotere afstand tussen voorlieden en achterban.
Ook hun democratische legitimatie vormt een blijvend discussiepunt. Het zijn
vaak stichtingen zonder leden en vaak is er sprake van gecoöpteerde of benoemde
bestuurders die worden gerekruteerd uit een kleine binnencirkel. Hun aanhang
wordt bovendien gevormd door de lezers van de ‘kwaliteitskranten’, de kijkers
naar de publieke omroep, de doctorandussen van Bovens c.s. (2010). Dat vertaalt
zich in een aanzienlijke lacune in het ‘betrokkenheidspakket’ voor minder toe-
geruste burgers, dat sowieso onevenwichtig is ingevuld. Het ngo-veld is breed
ontwikkeld waar het betreft natuur en milieu, ontwikkelingssamenwerking en
mensenrechten, maar de traditionele ‘werkterreinen’ van kerken en vakbonden
op sociaal maatschappelijk gebied zijn vlekkerig heringevuld. Dat laat een aantal
gaten vallen in de maatschappelijke participatie.
Er tekenen zich nieuwe actiepaden af. Mensen zijn niet langer vanzelfsprekend ‘lid
voor het leven’, maar kiezen uit een eigentijdse menukaart van betrokkenheids-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 166 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 167 ======================================================================

<pre>166   vertrouwen in burgers
         mogelijkheden. Zeker de jongste generatie ngo’s breekt daarbij met lopende tradi-
         ties. Ze richt zich op eenmalige acties, vaak met grote vrijwilligersinzet en een
         direct beroep op ‘grass roots’. Haar aanbod van maatschappelijke initiatieven
         vraagt om ‘zelf doen’ door een actieve, kortstondige inzet. De rol van de ngo-trek-
         kers is in toenemende mate die van organizer: achterbannen faciliteren in het
         doen van hun ‘ding’. De begrenzing van civil society vervaagt ook: in de marges is
         sprake van een groot aantal nieuwe activiteiten met sterke verwantschap, maar
         met eigen kenmerken zoals sociale ondernemingen en maatschappelijk verant-
         woord ondernemen, eenmalige maatschappelijke initiatieven en veenbranden, of
         zelforganisatie en internetactivisme (Dekker 2010).
         Veel klassieke ngo’s lijken zich daardoor in een spagaat te bevinden: ze moeten
         hun koers opnieuw uitzetten. Dat wordt er door de toenemende afstand tot
         beleidsmakers niet makkelijker op. Voorlieden aan beide zijden zijn weinig duide-
         lijk over de meest wenselijke onderlinge relatie. De ngo’s richten zich steeds vaker
         direct op de koplopers in het bedrijfsleven of op ‘Brussel’, en in de praktijk geldt
         hetzelfde onder beleidsmakers: beide partijen hebben elkaar kennelijk minder te
         bieden. De traditionele verbindingen op het middenveld verliezen hun waarde.
6.1.3    directere kanalen
         Terwijl de klassieke kanalen op het maatschappelijk middenveld lijken dicht te
         slibben, openen zich nieuwe kanalen voor networked individualism (Stalder 2010):
         mondigere en moeilijkere burgers willen een directere invloed zonder tussen-
         komst van bestuurders op het maatschappelijk middenveld. Twee daarvan sprin-
         gen in ons veldwerk en de literatuur in het oog: koplopers in het bedrijfsleven en
         andersbewegingen.
         Koplopers in het bedrijfsleven
         Maatschappelijk verantwoord ondernemen (mvo) wordt in toenemende mate
         ‘normaal’. De kans is groot dat Europa – en niet Amerika met zijn nadruk op
         corporate social responsibility als een kwetsbare vorm van charitatief handelen –
         hier de leiding zal nemen. Multinationale ondernemingen (mno’s) met Neder-
         landse hoofdkantoren nemen mondiaal gezien een koppositie in. Ze staan hoog op
         beoordelingslijstjes zoals de Dow Sustainability Index. Belangrijker: hun voorlie-
         den onderscheiden zich van hun concurrenten door een consistente koers. Ze
         ‘overleefden’ drie of vier wisselingen aan de top zonder een zichtbare verslapping
         van de benadering van duurzaamheid/ maatschappelijke verantwoordelijkheid.
         Juist die consistentie vormt een sterk signaal van de verinnerlijking van nieuwe
         waarden (zie ook Collins en Porras 1994).
         Speciaal in de wisselwerking met mno’s zijn burgers in staat om hun macht te
         bundelen. ‘Via de band’ van niet minder dan vijf markten (productenmarkt,
</pre>

====================================================================== Einde pagina 167 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 168 ======================================================================

<pre>                                                   nieuwe generatie doe-democratie 167
arbeidsmarkt, kapitaalmarkt, buurtmarkt en beleidsmarkt) zijn ze actief in hun rol
als consument, werknemer, belegger, buur en betrokken burger. Aan de overzijde
van de tafel zitten ondernemers: de aanbieders van producten, banen en aandelen.
In de buurtmarkt dingen ze naar de gunst van hun directe omgeving die hun de
license to operate verschaft: de goodwill die het verschil kan maken als er onver-
hoopt iets fout gaat of als er een nieuwe vergunning nodig is. Van de vijf markten
wordt alleen de beleidsmarkt gedomineerd door andere spelers: kerken bijvoor-
beeld en de ‘sociale partners’ of ngo’s, maar ook politieke partijen die met hun
inzet op het gebied van maatschappelijke zingeving dingen naar de gunst van
burgers. Zowel ondernemers als burgers oefenen daarin direct of via belangenbe-
hartigers invloed uit.
In de netwerksamenleving vervloeien deze vijf markten in toenemende mate.
Vervuiling, kinderarbeid, ‘foute’ investeringen in niet-democratische landen
worden afgestraft met een kopersstaking. Werknemers verwachten van hun
‘bazen’ goed gedrag op het gebied van mensenrechten: gelijke kansen voor vrou-
wen en allochtonen. Ze willen ook ruimte om – deels in de baas z’n tijd – als vrij-
williger actief te zijn ten behoeve van een ‘goed doel’. Kapitaalkrachtige burgers
willen groen beleggen en pensioenfondsen stellen op aandeelhoudersvergaderin-
gen scherpe vragen over te hoge beloningen. Omwonenden protesteren tegen
de bouw van megastallen, zelfs als beleidsmakers de weg daartoe hebben vrijge-
maakt. Van de politiek verwachten ‘we’ dat die ingrijpt bij investeringen in
ondemocratische landen of ‘asociale’ strategische ondernemingskeuzes, zoals de
sluiting van een groot laboratorium. Burgers zijn in hun vervlochten en laagdrem-
pelige netwerken zoveel wendbaarder dat ze – wanneer ze in de ene markt hun
gelijk niet kunnen ‘halen’ – hun doelen proberen te realiseren door marktmacht te
organiseren in één of meer van de andere markten (Shirky 2010: 94). Mvo wordt
daardoor een concurrentiefactor: goede ondernemingen willen elkaar overtroe-
ven, niemand wil bovenaan staan op de verkeerde lijstjes (Alexander Kunz 2009:
24).
In toenemende mate zoeken ngo’s en sociale ondernemingen toenadering tot
private partnerschappen die vorm kunnen geven aan een effectieve, thema-
gebonden burgerbetrokkenheid. Op lokaal niveau werken ‘normale’ ondernemin-
gen bijvoorbeeld samen met sociale initiatiefnemers zoals Resto van Harte of
bieden zij hun medewerkers de ruimte om zich in te zetten voor ‘goede doelen’.
Op internationaal niveau zijn de Forest Stewardship Council (bosbouw), de Ronde
Tafel voor Duurzame Palmolie en de Marine Stewardship Council (visvangst)
voorbeelden van mondiale samenwerkingsverbanden. Nederland heeft zich op dit
gebied ontwikkeld tot een soort mondiale proeffabriek voor de samenwerking
van ngo’s, mno’s en overheden. Onze milieuconvenanten genieten bijvoorbeeld
brede erkenning.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 168 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 169 ======================================================================

<pre>168    vertrouwen in burgers
           Ons veldwerk illustreert wederom het ongemak onder beleidsmakers en traditio-
           nele belangenbehartigers. In woorden wordt het belang van mvo voortdurend
           onderschreven en worden koplopers toegejuicht, maar in de praktijk ligt hun
           nadruk veelal op het ‘bij elkaar houden’ van het peloton volgers en het opjutten
           van achterblijvers en zwartrijders. De nieuwe netwerken worden zo vanuit
           beleidsperspectief vrijwel zeker onderbenut.
           Andersbewegingen
           Beleidsmakers zien zich vaker dan tevoren geconfronteerd met andersbewegin-
           gen: lokale partijen, single issue-bewegingen, en massabewegingen. Het zijn de
           producten van de huidige complexiteitsrace: onbeheersbare maar adaptieve syste-
           men. ‘Horizontale’ netwerken van kleine clusters ontwikkelen slagkracht door
           de aanhang die ze per keer voor eenmalige (single event) manifestaties weten te
           werven (zie bijvoorbeeld Rischard 2002). Ogenschijnlijk apolitieke burgers
           worden activist, vaak zonder enige waarschuwing in peilingen of reuring binnen
           bestaande middenveldorganisaties. Het zijn ‘burgers in de wachtstand’ zoals
           Schudson (1998: 311) hen noemt: voortdurend latent aanwezig en zich massaal en
           spontaan – goeddeels nauwelijks zichtbaar – organiserend indien dit nodig is
           (Poldervaart 2002: 17; Marres 2005; De Hart 2005). Ze stemmen – zonder tussen-
           komst van ngo’s en zonder overheidsbemoeienis – met hun voeten en laten zich zo
           gelden bij de aanpak van maatschappelijke vraagstukken die ze belangrijk achten,
           of ondersteunen trekkers die uiting kunnen geven aan hun brede onvree met
           macro-ontwikkelingen (In ’t Veld 2010: 63).
           De vraag voor beleidsmakers is: kunnen ‘we’ het maatschappelijk initiatief van
           andersbewegingen begrijpen en hoe kunnen ‘we’ er mee omgaan? Ons veldwerk
           biedt een handvat. We zagen dat acties over het algemeen gedreven worden door
           óf een gerichte onvree rond een specifiek onderwerp (single issue) óf juist een
           brede onvree. In het eerste geval is de aanleiding concreet aan te wijzen: de bouw
           van ‘een megalomaan gemeentehuis’ of klimaatverandering. Na behaald succes
           of flop dooft de actie soms, maar er bestaat ook een kans op het beklijven van het
           initiatief en de uitrol naar een bredere agenda. De actievoerders van het eerste uur
   Occupy is ontstaan als een klassieke veenbrand: een oproep in een tijdschrift (Yardley 2011) en
   een eerste tentenkamp nabij Wall Street kreeg spontaan en voor velen onverwacht navolging in
   vele steden wereldwijd. De beweging heeft wortels in eerdere protesten. In New York verscheen
   Noreena Hertz, voortrekster van de andersglobalisten ten tonele; in Amsterdam gaf oud-Kabouter
   en Provo-voorman Roel van Duyn acte de présence. Ook de weer opgeleefde krakersgroep was
   vertegenwoordigd; bestaande of sluimerende netwerken werden geactiveerd maar domineerden
   niet. Sommige waarnemers menen dat het hier gaat om een metamovement, een wereldwijde
   veenbrand die zowel de Arabische lente als de Occupy-beweging omvat (Haque 2011).
   Op het Beursplein herkende niet iedereen dat beeld, maar het maakte hun ook niet echt uit.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 169 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 170 ======================================================================

<pre>                                                                    nieuwe generatie doe-democratie 169
          weten elkaar bij een volgende aanleiding bovendien vaak weer makkelijk te vinden
          en komen dan als geoefende veenbrandactivisten opnieuw in beweging. In het
          geval van brede onvree zijn daarentegen zowel de aanleiding als de achtergrond
          van de betrokkenen aanvankelijk relatief ‘abstract’, maar daarom niet minder
          ‘echt’. Ook nu bestaat de kans dat de veenbrand dooft (om mogelijk later in andere
          vorm op andere plaatsen weer op te duiken) of uitgroeit naar een concrete agenda.
          In ons veldwerk onderscheidden we groepen ‘activisten’: mensen met een
          behoefte aan sterk leiderschap en anderen die juist veeleer een voorkeur hebben
          voor gedeeld leiderschap. De twee dimensies samenvoegend ontstaat een matrix
          van twee bij twee waarin de vier verschillende uitingsvormen die we in ons veld-
          werk aantroffen, herkenbaar worden. De combinatie van gerichte onvree en sterk
          leiderschap krijgt bijvoorbeeld gestalte in de lokale partijen, maar ook veel maat-
          schappelijke initiatieven mogen met hun gedreven trekkers als voorbeeld gelden.
          De combinatie van een brede onvree en sterk leiderschap uit zich ook in ons land
          in de opkomst van opeenvolgende populistische partijen die in staat blijken het
          ongemak van een grote achterban te verwoorden en ook gewicht te geven in
          de maatschappelijke besluitvorming. Gerichte onvree plus gedeeld leiderschap
          resulteerde in kopersstakingen en petities; wij troffen daarvan een aantal in
          ons veldwerk aan. Brede onvree tezamen met gedeeld leiderschap lag aan de
          basis van de recente Occupy-bezettingen en het internetactivisme onder het
          label Anonymous.
Figuur 6.1       Uitingsvormen van andersbewegingen
                    Brede        Populistische partijen      Massabewegingen
                    onvree
                   Gerichte   Lokale partijen                 Kopersstakingen
                   onvree     Maatschappelijke initiatieven   Petities
                                 Sterk leiderschap          Gedeeld leiderschap
</pre>

====================================================================== Einde pagina 170 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 171 ======================================================================

<pre>170 vertrouwen in burgers
       Niet alleen de vier uitingsvormen van andersbewegingen zijn herkenbaar, ook de
       ‘vaste’ reactie van veel beleidsmakers: het gaat veelal om een ‘zootje ongeregeld’,
       dat nauwelijks serieus te nemen is en daarom vervolgens wordt omgeven door een
       cordon sanitaire. Dat plaatst grote delen van de bevolking verder op afstand. Niet
       zonder reden zijn dat juist de groepen die weinig op hebben met de huidige moge-
       lijkheden: de overvraagde Critici en Volgzamen en de nauwelijks geïnteresseerde
       Pragmatici, samen goed voor zo’n driekwart van de bevolking.
       De veerkracht van een ‘energieke samenleving’ bouwt echter op het andere geluid
       dat (nog) niet naadloos past binnen de eigen raamwerken. Filosoof Hans Achter-
       huis verwijst naar Albert Camus, het onderwerp van zijn proefschrift: “De mens
       die zich opricht met het gevoel ‘dit pik ik niet’ zegt nee. In dit nee-zeggen zit ook
       altijd een positieve waarde verborgen: je zegt nee in naam van die waarde, die je
       gerespecteerd wil zien” (Steenhuis 2011). Dat benadrukt, stelt Achterhuis, de nog
       vage, maar onmiskenbare positieve waarde van het gezamenlijk verzet. Pas later
       herkristalliseert het tegen-zijn zich vaak in vormen van vóór-zijn en constructieve
       samenwerking (zie ook Fung et al. 2003).
6.2    roep om directere vormen van democratie
       De klassieke, representatieve democratie – gericht op het organiseren van vertrou-
       wen in volksvertegenwoordigers en bestuurders – vormt een verworvenheid waar
       weinigen aan tornen. Zoals Andeweg en Thomassen (2011b: 16) in de samenvat-
       ting van hun democratic audit – de momentopname van de stand van de democra-
       tie door de verzamelde Nederlandse politicologen – concluderen: de democratie als
       beginsel is in Nederland onomstreden. Het spreken over een puur representatieve
       democratie in Nederland doet echter geen recht aan de huidige democratische en
       bestuurlijke werkelijkheid. In de praktijk is – onvermijdelijk – sprake van meng-
       vormen, waarin verschillende vormen van democratie – indirect en direct – naast
       elkaar bestaan (Hendriks 2006; Grin et al. 2006).
       Hannah Arendt (Pitkin 2004: 340) meende dat het gecentraliseerde, grootschalige
       en noodzakelijkerwijs abstracte representatieve systeem idealiter gegrond is in een
       levendige, betrokken (‘participatory’) en directe democratie op het lokale niveau.
       Ook burgerschap wordt gekenmerkt door de dubbelrol van regeren en geregeerd
       worden, en het zoeken naar een juist evenwicht tussen die twee (Van Gunsteren
       1992: 19). Tegelijk hebben volksvertegenwoordigers de opdracht een juiste balans
       te bewaren tussen loslaten en sturen, tussen spreken voor en spreken namens (zie
       Pitkin 1967).
       De meeste raamwerken voor de representatieve democratie gaan ervan uit dat
       burgers niet voldoende zijn toegerust voor een directe betrokkenheid bij politieke
       besluitvorming (Kriesi 2005; Budge 1996: 69). Representatie wordt ook wel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 171 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 172 ======================================================================

<pre>                                                         nieuwe generatie doe-democratie  171
      gezien als een manier om het volk op afstand te houden: “(…) de beperking tot een
      klein en gekozen lichaam van burgers moest dienen als een grote zuiveringsinstal-
      latie voor zowel belangen als opinies, en om ‘voor de verwarring van de massa’ te
      waken” (Arendt 2004: 269). Enige afstand tussen kiezers en gekozenen is volgens
      Frank Ankersmit (2008: 9) inderdaad essentieel voor het goed functioneren van
      de politiek: “Politieke realiteit wordt uitsluitend geschapen dankzij het vertegen-
      woordigd worden. Alleen dankzij politieke vertegenwoordigers hebben wij een
      (politieke) natie en niet slechts een verzameling van a-politieke individuen.”
      Echter, niet alleen een gepaste mate van vertrouwen, maar ook gezond wantrou-
      wen vormt een fundament van de representatieve democratie (Rosanvallon 2008).
      In de woorden van Pels (2008: 123): “De functionele elitevorming aan de top moet
      als het ware worden gecompenseerd door een strengere democratische dijkbewa-
      king van onderaf.”
      Binnen dit democratische kader hebben beleidsmakers op vele manieren gepro-
      beerd de ontwikkelingen op het speelveld van betrokkenheid een plaats te geven.
      Ze experimenteerden met meer directe vormen van democratie, ter aanvulling van
      de representatieve democratie.
6.2.1 aggregatie: optelling van stemmen
      Het ideaal van de aggregatieve democratie is om door optelling van stemmen
      zoveel mogelijk mensen te betrekken in de besluitvorming (Goodin 2005: 12).
      De burger staat centraal en wel in zijn rol als kiezer (Hendriks 2006: 102-103). De
      sturende impuls in het dagelijks bestuur komt daardoor niet van bovenaf, maar
      zoveel en zo vaak mogelijk van onderop; vanuit een burgerij die niet als een rede-
      loos en hulpeloos organisch geheel wordt gezien, maar als een verzameling indivi-
      duen die hun (eigen)belang scherp voor ogen hebben (Hendriks 2006: 107).
      Aanhangers van de aggregatieve democratie hebben dan ook een groot vertrouwen
      in de rationaliteit van de kiezer, of verwachten dat de collectieve uitkomst ‘intelli-
      gent’ zal zijn, ook al zijn de individuele bijdragen dat wellicht niet.
      Dergelijke directe vormen van democratie stimuleren burgerbetrokkenheid (Van
      Stokkom 2006: 130). Alleen al het dreigen met een initiatief noopt beleidsmakers
      tot actie en maakt een initiatief vaak overbodig (Gerber 1999). Volgens sommigen
      zou, bouwend op ict, uiteindelijk zelfs de ‘middle man’ – lees: volksvertegen-
      woordiger – uit de politiek kunnen verdwijnen, waardoor burgers zelf tot besluit-
      vorming komen (Tsagarousianou 1998; zie ook Reedy en Wells 2009). Anderen
      vrezen juist voor de negatieve doorwerkingen van deze ‘muisklikdemocratie’ en
      voor het gevaar van publieke onbezonnenheid, cynisme en consumentisme
      (Hardin 1968; Hendriks 2006: 120; Van Stokkom 2006: 129). Minderheidsbelan-
      gen zouden ook minder goed voor het voetlicht komen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 172 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 173 ======================================================================

<pre>172   vertrouwen in burgers
         De ervaringen met het instrumentarium van de aggregatieve democratie zijn
         gemengd. Politieke partijen duiken weg, referenda laten geen ruimte voor nuan-
         ces, wie ontevreden is – over wat dan ook – stemt tegen (Lunsing 2008). Referenda
         worden vaker ingezet om machtsconflicten in de indirecte democratie te forceren,
         dan als werkelijk direct democratisch instrument. Aanhangers zien het referen-
         dum echter onder voorwaarden als een goed instrument om vooral de lokale
         democratie te verlevendigen: “Het startpunt daarbij moet zijn dat het gemeente-
         bestuur niet alleen vertrouwen vraagt van de bevolking – het kiezersmandaat –
         maar dat het de eigen inwoners ook vertrouwen schenkt, wanneer zij de behoefte
         daaraan kenbaar maken” (ncis Instituut 2009: 26-29).
6.2.2    deliberatie: uitwisseling van argumenten
         Uitgangspunt van het deliberatieve democratische model is dat democratie meer
         behelst dan enkel onderhandelen en optellen van ieders voorkeuren (Cohen en
         Fung: 24). Betrokkenheid vraagt dat burgers met elkaar in discussie gaan (Hindman
         2009: 7). De machtsvrije uitwisseling van argumenten leidt – idealiter – tot consen-
         sus (Van der Arend 2007: 10). Volgens de Duitse filosoof Jürgen Habermas (1996)
         kan een beraad waarin de deelnemers op vrijwillige basis argumenten uitwisselen,
         de meest steekhoudende inzichten uitfilteren. De kern van dat gezamenlijk
         eren bestaat uit het uitwisselen en kritisch onderzoeken van argumenten, onder
         voorwaarden van openheid en gelijkheid: iedere deelnemer heeft een gelijke kans
         om het verloop van de discussie op grond van eigen inzichten te beïnvloeden
         (Van Stokkom 2006: 14).
         Online deliberatieve fora bieden de mogelijkheid voor een debat van ‘iedereen met
         iedereen’ en kennen een grote toegankelijkheid, omdat men niet gebonden is aan
         een specifieke tijd of plaats. Deliberatie vormt een terugkerend onderdeel van het
         beleidsrepertoire bij planvorming en ontwikkeling van beleid. Met inspraakavon-
         den, participatietrajecten en interactieve beleidsvorming proberen gemeenten, en
         op bescheidener schaal het rijk, de meningen en wensen van burgers mee te laten
         wegen in de beleidsvorming. Juist rond deze vorm van democratie zijn in ons pol-
         derland grote inspanningen gepleegd en is ook veel vooruitgang geboekt. Vaak
         blijkt de overdracht van beslismacht echter beperkt. Vanuit het perspectief van de
         betrokken burgers ondermijnt dat hun inzet: het heeft geen ‘zin’ om inbreng te
         leveren.
         De verwachtingen ten aanzien van de mogelijkheden die internet zou bieden
         waren hooggespannen. Het net zou ‘de moderne waterput’ vormen, waar mensen
         samenkomen om informatie uit te wisselen en te discussiëren. In de praktijk zijn
         die verwachtingen maar zeer beperkt ingelost. Sociale grenzen bleken minstens zo
         beperkend als fysieke grenzen: het is eenvoudig niet mogelijk om met iedereen te
         spreken (Shirky 2008). Aan de positieve kant leidde het tot deelname van voor-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 173 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 174 ======================================================================

<pre>                                                        nieuwe generatie doe-democratie 173
      heen niet-actieve groepen mensen, maar aan de negatieve kant werden nieuwe
      vormen van uitsluiting en groeps- en elitevorming zichtbaar, soms zelfs in de
      vorm van onbeheersbare cascades (Hindman 2009; Sunstein 2003). Daarbij spelen
      ook praktische bezwaren. Hoeveel van dit soort ingewikkelde en tijdrovende
      processen kunnen beleidsmakers gelijktijdig in de lucht houden zonder zichzelf
      en vooral burgers te verliezen?
      Ook de offline praktijk van deliberatieve democratie is vaak ver verwijderd van het
      ideaal. De vele verschillende vormen van betrokkenheidsorganen – wijkraden
      bijvoorbeeld of advies- en medezeggenschapsraden bij maatschappelijke instel-
      lingen – appelleren weinig aan de eigen deskundigheid van burgers: de theorie is
      prima, maar de uitvoering is te instrumenteel en vertoont vermoeidheidsver-
      schijnselen (Tonkens 2009a: 133). Vaak is er sprake van “rituelen van beraadsla-
      ging” (Van Stokkom 2006). Maar van ‘de andere kant’ spreken bestuurders en
      professionals van “ontbrekende deskundigheid, gebrekkige representatie en
      onduidelijke belangen” (Tonkens 2009a: 131). ‘Normale’ burgers worden daarom
      verdrongen door professionals (Metz 2009) of door ‘het gestaalde witte kader’:
      senior beroepsvertegenwoordigers met een (te) lange staat van dienst, waardoor
      vraagtekens kunnen worden gezet bij hun representativiteit.
6.2.3 associatie: alledaagse leefomgeving
      Recent is er steeds meer aandacht voor de democratische aspecten in de uitvoering
      van publieke taken en wordt de vernieuwing gezocht in de apolitieke en informele
      democratie van de alledaagse leefomgeving: de associatieve democratie of – met
      een mooier woord – doe-democratie (Van de Wijdeven en Hendriks 2010). Ewald
      Engelen (2004: 308) vat de essentie daarvan samen: “Juist in het niet-politieke
      bestaan van burgers gaan grote mogelijkheden voor effectieve participatie schuil,
      omdat het juist daar gaat om zaken die hen aangaan en waar zij over onvervang-
      bare kennis beschikken, namelijk de lokale kennis van de gebruiker/werknemer/
      ouder/patiënt.” Mensen vullen hun eigen buurten en hun verenigingen in en zijn
      betrokken bij hun maatschappelijke instellingen: welke ‘publieke’ doelen kunnen
      we samen – door associatie – beter verwerkelijken dan alleen?
      Discussies over de kansen voor de doe-democratie lijken zich vooral te richten op
      toepassingen in de lokale democratie, op buurt- en wijkniveau. Dat is een spijtige
      inperking, want het aantal voorbeelden van door internet gemedieerde samenwer-
      king op een breed scala van terreinen groeit in ras tempo en burgers dragen via het
      net steeds vaker bij aan de uitvoering van publieke taken (Nielsen 2012; Shirky
      2010; Noveck 2009). Aan de andere kant kreeg de doe-democratie een extra poli-
      tieke dimensie door de idee van de Big Society die een van de belangrijkste bouw-
      stenen van het regeerprogramma van het huidige Britse kabinet vormt. Phillip
      Blond (2010) legde daarvoor in zijn fameuze boek Red Tory de basis. De kern van
</pre>

====================================================================== Einde pagina 174 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 175 ======================================================================

<pre>174 vertrouwen in burgers
       zijn ideeën is gelegen in “a bottom-up process. Governing authority should be
       derogated from the local council to areas, towns or even streets” (Blond 2010: 69).
       Een overdracht van wezenlijke delen van de beleidsvorming en –uitvoering naar
       (groepen) burgers, zo geldt als uitgangspunt, leidt niet alleen tot kostenbesparing,
       maar kan op termijn ook resulteren in een ‘andere overheid’.
       Net als bij de andere democratische modellen zijn er ook bij de associatieve aanpak
       kritische kanttekeningen te plaatsen. Die betreffen vooral de representativiteit van
       de burgers die deelnemen (Bakker et al. 2011; Verhoeven en Tonkens 2011): “The
       voice of the people as expressed through participation comes from a limited and
       unrepresentative set of citizens” (Verba et al. 1995: 2). Beleidsmakers ontwikkelden
       een haat-liefdeverhouding met dergelijk bottom up-initiatief: ze juichten het aan
       de ene kant toe en openden nieuwe wegen zoals die van het burgerinitiatief, dat
       het groepen burgers mogelijk maakt een onderwerp op de agenda van de volksver-
       tegenwoordiging te zetten. Ze steunden ook de opbloei van een scala van eigen-
       krachtactiviteiten uiteenlopend van buurtpreventies en gezamenlijk groenbeheer
       tot het bieden van maatschappelijke ondersteuning aan kwetsbare medeburgers.
       Tegelijk bleken ze voortdurend de boot af te houden: hoeveel kunnen ze overlaten
       aan particulier initiatief, wanneer dreigt overmatige ongelijkheid, hoe kan conti-
       nuïteit worden gewaarborgd wanneer de trekkers verdwijnen?
6.3    investeren in nieuwe vormen van binding
       Ondanks alle goede inspanningen van goede mensen om binnen de kaders van de
       representatieve democratie inhoud te geven aan directere vormen van betrokken-
       heid, blijken de drempels voor verandering zeer hoog en loopt de ideaalsituatie
       weg bij de werkelijkheid; ook de Raad voor het Openbaar Bestuur (rob 2010)
       concludeert dat in het recente advies Vertrouwen op democratie. Frontlijnwerkers
       en burgers benutten de maximale rek binnen hun institutionele kaders, maar ook
       dat mag te weinig baten. Het beleidspakket nadert ondanks de vele vernieuwingen
       zijn limiet.
       In de steeds complexere samenleving moet de noodzakelijke doorbraak in de
       eerste plaats worden gezocht in de samenwerking van mensen die elkaar zoeken
       om gezamenlijke doelen na te streven. Burgers zijn bereid en in staat tot actieve
       betrokkenheid bij hun samenleving, indien de uitdaging past bij hun behoeften en
       ze denken te beschikken over de toerusting die vereist is om passende antwoorden
       te vinden. Beleidsmakers moeten daarom burgers op het netvlies hebben, met hun
       kwaliteiten en behoeften. Ze dienen open te staan voor de maatschappelijke
       initiatieven van (groepen) burgers en ruimte te maken voor differentiatie naar
       betrokkenheidsstijl en situatie. Als ‘tegenprestatie’ kunnen ze bij het nastreven
       van hun beleidsdoelen ‘profiteren’ van vrijwillige betrokkenheid. Bovendien geldt
       dergelijke betrokkenheid als leerschool in het ‘niet-politieke bestaan’ van burgers
</pre>

====================================================================== Einde pagina 175 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 176 ======================================================================

<pre>                                                       nieuwe generatie doe-democratie 175
      (zie ook rmo 2007). “Een samenleving ontleent zijn verbazingwekkende veer-
      kracht niet aan normaliteit, maar aan de manier waarop daarin met conflict wordt
      omgegaan” (Van Gunsteren 2011: 75). Civiele tegenbinding is een stap op weg naar
      conflictvoorkoming, niet alleen tussen burgers onderling, maar ook in hun relatie
      met beleidsmakers. Dwarsbinding kan resulteren in nieuwe verbindingen over
      scheidslijnen heen; mensen met zeer uiteenlopende burgerschapsstijlen vinden
      elkaar bijvoorbeeld in wederzijds bevredigende samenwerking.
      Binnen de kaders van de representatieve democratie hebben beleidsmakers een
      overkoepelende verantwoordelijkheid voor het vinden van een nieuwe democrati-
      sche balans tussen het publieke debat, de publieke besluitvorming en de uitvoe-
      ring van publieke taken. Die krijgt idealiter vorm, zullen we betogen, binnen een
      nieuwe generatie doe-democratie, waarin ook elementen van aggregatie en delibe-
      ratie zijn verwerkt.
      De bouwstenen zijn gelegen in een hernieuwde inkleuring van de vier vormen van
      binding: (a) samenbinding die het draagvlak kan vormen voor een overdracht van
      verantwoordelijkheden aan burgers in hun alledaagse leefomgeving, (b) dwarsbin-
      ding die zorg draagt voor de inbreng van nieuwe ideeën, (c) tegenbinding die een
      civiele omgang – fatsoen – bevordert wanneer mensen elkaars concurrent zijn in
      een gedeelde ruimte, en (d) bovenbinding die stimuleert, maar ook een evenwich-
      tige belangenafweging waarborgt en, zo nodig, ‘foute’ ontwikkelingen corrigeert.
6.3.1 samenbinding
      Onder invloed van het mechanisme van soort-zoekt-soort (homofilie, zie 5.2.1)
      ontstaat samenbinding binnen min of meer homogene clusters met een wij-
      gemeenschapscultuur. Een dergelijke cultuur heeft, naast het risico van door-
      schieten of overmatige beslotenheid, vele positieve kanten. Sociale cohesie, zo
      stellen communitaristen zoals Etzioni, Putnam en Galbraith bijvoorbeeld, leidt tot
      zelfvertrouwen, weerbaarheid en veerkracht en daarmee tot een betere toerusting
      voor burgerschap. Sterke bindingen versterken het draagvlak voor de overdracht
      van verantwoordelijkheden in de alledaagse leefomgeving. Tegen deze achter-
      grond hebben beleidsmakers hoog ingezet op het bevorderen van samenbinding,
      vooral door het herstellen van traditionele sociale verbanden en het benadrukken
      van waarden en normen.
      Daarvoor bestaat ook een solide wetenschappelijke basis. Op basis van breed
      onderzoek concludeert Nobelprijswinnares Elinor Ostrom (1990) dat groepen
      mensen in staat zijn om zonder overheidsinmenging gemeenschappelijke reserves
      te onderhouden, mits hun wij-gemeenschappen voldoen aan zes interne rand-
      voorwaarden. Er moet sprake zijn van (a) duidelijk afgebakende grenzen: wat zijn
      de kaders van het gemeenschapsgoed en wie worden als belanghebbenden erkend;
</pre>

====================================================================== Einde pagina 176 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 177 ======================================================================

<pre>176 vertrouwen in burgers
       (b) regels van levering en van gebruik die zijn afgestemd op lokale omstandighe-
       den en op de inzet die van belanghebbenden wordt verwacht; (c) belanghebben-
       den hebben een stem in het wijzigen van deze regels; (d) toezichthouders en
       uitvoerders zijn ter verantwoording te roepen door belanghebbenden; (e) belang-
       hebbenden die de regels overtreden kunnen op gepaste wijze worden gecorri-
       geerd; (f) eenvoudige regeling voor onderlinge conflictbeslechting.
       Nederland kent van oudsher treffende voorbeelden van een dergelijk duurzaam
       beheer van goederen; denk aan de gebruiksregelingen voor de traditionele meent
       (de gemene weide die alle boeren van een dorp konden gebruiken), visgronden en
       bossen, maar ook arrangementen ter bevordering van de sociale veiligheid in
       steden en stellig ook onze dijkaanleg en dijkbewaking, ver voorafgaand aan het
       instituut Staat. Hoewel het daarbij niet gaat om publieke goederen, hebben ook de
       vele coöperaties in de land- en tuinbouw en ‘onderlingen’, bijvoorbeeld op verze-
       keringsgebied, zich langs verwante lijnen ontwikkeld: mensen waren bereid een
       deel van hun individuele vrijheid in te leveren om daar in gezamenlijkheid voor-
       deel van te hebben. Ook de maatschap van professionele organisaties voldoet aan
       ruwweg deze randvoorwaarden.
       Dankzij Ostrom c.s. zijn de vele mogelijkheden die ‘we’ op dit terrein ongebruikt
       laten, zichtbaar geworden (zie ook wrr 2012). Toch rijst de vraag of de wij-
       gemeenschapscultuur het ideale antwoord biedt op de vereisten van burgerbetrok-
       kenheid in een netwerksamenleving. Hoewel er in de praktijk op verschillende
       wijzen invulling mogelijk is, wordt de cultuur gekenmerkt door een vorm van
       beslotenheid die tot uitsluiting van buitenstaanders kan leiden. Speciaal de interne
       gerichtheid en de rem op vernieuwing wegen zwaar: de ontwikkeling van dwars-
       verbanden wordt belemmerd, volgzaam gedrag bevorderd door zware sociale
       controle. De besluitvorming is moeizaam, het risico van elitevorming en cliënte-
       lisme aanzienlijk.
       Ondanks de vele positieve beloften – of misschien wel juist daardoor – lijkt het
       alsof het op samenbinding gerichte beleid is doorgeschoten: “In feite is het niet
       duidelijk wat men met het bevorderen van sociale cohesie nu eigenlijk bedoelt –
       los van de vage notie dat menselijke betrekkingen belangrijk zijn” (Van den Brink
       2010: 222). In navolging van Putnam werd een achterhaalde vorm van civil society
       – alleen geformaliseerd verenigingsleven – bijkans heilig verklaard. Rond 2005
       werd sociale cohesie gelijkgesteld met buurtwerk (Tonkens 2009b). Het begrip
       ‘buurt’ biedt weliswaar een uitstekend aangrijpingspunt voor beleidsparticipatie
       op het gebied van veiligheid, fysieke inrichting, onderwijs en sociale infrastruc-
       tuur (zie bijvoorbeeld wrr 2005; Van den Brink 2007), maar op andere terreinen
       is dat veel minder het geval. Het op kwetsbare jongeren gerichte beleid bijvoor-
       beeld is bijna steeds buurtgericht en te weinig schoolgebonden: na hun twaalfde
       jaar waaieren jongeren meestal uit buiten hun buurt (wrr 2009). En zeker na de
</pre>

====================================================================== Einde pagina 177 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 178 ======================================================================

<pre>                                                                nieuwe generatie doe-democratie     177
        massale toetreding van vrouwen tot de arbeidsmarkt speelt ook voor veel anderen
        een groot deel van hun dagelijkse leven – werk, recreatie, opleiding, internet – zich
        nauwelijks in de buurt af.
        Ook de wmo vereist herbezinning. De memorie van toelichting (2005: 6-7) van
        het wetsontwerp geeft het doel van de wet kernachtig weer: “Meedoen. Dat is de
        kortst mogelijke samenvatting van het maatschappelijk doel van de wmo.” Reeds
        nu – kort na de invoering in 2007 – worden vanuit praktijk en wetenschap vele
        kanttekeningen geplaatst (zie bijvoorbeeld Kwekkeboom en Jager-Vreugdenhil
        2009; Putters et al 2010; Van Houten en Winsemius 2010). Bij de overdracht van
        verantwoordelijkheden aan gemeenten bood de kaderwet – met een grote ruimte
        voor ‘eigen’ invulling – weinig handvat voor de omgang met de – nieuwe – aanpak
        waarbij hoog wordt ingezet op een toenemende rol voor mantelzorgers en infor-
        mele hulpverleners (Linders 2010: 18). Hoewel die vorm van maatschappelijke
        participatie al experimenterend in sommige gemeenten inhoud krijgt, wees de wet
        op andere plaatsen een ‘verkeerde’ weg. Als eerste prestatieveld noemt de wmo
        het bevorderen van de sociale samenhang en leefbaarheid van buurten, vanuit de
        veronderstelling dat een betere samenbinding de maatschappelijke participatie
        bevordert. Buurtbindingen blijken echter eenvoudigweg niet de sterke bindingen
        te zijn waarvoor beleidsmakers ze houden (Linders 2010: 18; Van Houten en
        Winsemius 2010; De Boer en Van der Lans 2011). Linders (2010: 235) besluit niet
        zonder reden haar proefschrift met een oproep: “Het beleid om informele zorg te
        stimuleren of te ondersteunen zal kansrijker zijn als nabijheid losgekoppeld wordt
        van associaties met ‘de buurt’ als gemeenschap.”
Samenbinding levert binnen de buurt nauwelijks een meerwaarde voor informele zorg. Ten eerste
wordt zorg verleend binnen sterke een-op-eenrelaties die ‘losstaan’ van de buurt. Ten tweede is de
bereidheid om informele hulp te ontvangen minder groot dan om die te geven. De klassieke veron-
derstelling dat sterke mensen de zwakken in de samenleving (behoren te) ondersteunen, strookt
niet met de praktijk. Veeleer blijken mensen met verwante psychische en sociale klachten elkaar te
helpen: soort zoekt ook hier soort. Er is weliswaar een breed aanbod van professionele ondersteu-
ning, maar dat bereikt de hulpbehoevenden en hun informele zorgverleners nauwelijks. Ten derde
blijken buurtprojecten en sociale activiteiten – zoals de beroemde buurtbarbecues – via de band van
samenbinding nauwelijks tot een toename van informele zorg te leiden. Deze activiteiten bereiken
met name mensen die iets met de buurt willen hebben en niet de meest kwetsbaren of sociaal
geïsoleerden.
        Wat moet er wél gebeuren voor een nieuwe inkleuring van samenbinding? In feite
        weinig. Samenbinding biedt vooral binnen wij-gemeenschappen prima handvat-
        ten voor burgerbetrokkenheid, en kan leiden tot maatschappelijke initiatieven.
        Beleidsmakers moeten meer loslaten: meer ruimte geven aan (samenwerkingsver-
        banden van) burgers, en ze serieus nemen, zodat ze invulling kunnen geven aan
</pre>

====================================================================== Einde pagina 178 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 179 ======================================================================

<pre>178   vertrouwen in burgers
         zaken die hun na aan het hart liggen. Indien Verantwoordelijken in de Utrechtse
         voorstandsbuurt Wilhelminapark het openbaar groen willen onderhouden: sluit
         een convenant en bewaak het. Schiet niet in een kramp wanneer Pragmatici buiten
         staand bier willen drinken of over parkeervergunningen willen praten, maar denk
         mee. Ook Critici blijken in het algemeen prima in staat om via hun sterke bindin-
         gen inhoud te geven aan maatschappelijke initiatieven.
         Gericht beleid lijkt alleen nodig waar het betreft Volgzamen: de stille meerderheid
         van het platteland, de traditionele volkswijken en de eerstegeneratiemigranten.
         Hun kracht is van oudsher gelegen in de sterke binding binnen authentieke wij-
         gemeenschappen, in het buurt- en verenigingsleven, in kerken en moskeeën, of
         rond de school. Waar die wankelen, kan het zinvol zijn een helpende hand uit te
         steken. Maar ook dan is het ‘beleid-op-de-handrem’: niet helpen door het overne-
         men van verantwoordelijkheden, maar door te faciliteren en, zo nodig, het inbren-
         gen van externe verbinders.
6.3.2    dwarsbinding
         Hechte clusters ontlenen hun kracht aan samenbinding. Mensen moeten actief
         willen en kunnen deelnemen, maar het intensieve ‘onderhoud’ kost tijd en energie
         (Fowler en Christakis 2009). Dat verkleint hun wereld en beperkt de instroom van
         nieuwe ideeën. Willen ze iets nieuws leren, dan moeten ze hun kennis en inspira-
         tie vaak ‘op afstand’ van het eigen cluster zoeken: daarbinnen kennen ze immers
         de ‘juiste’ antwoorden (te) goed. Anderen, in andere clusters waarmee ze zwakke
         banden onderhouden, beschikken over kennis en kennissen waar ze met een
         goede kans zelf geen toegang tot hebben.
         Vooral verbinders spelen een sleutelrol bij het overbruggen van de afstand tussen
         clusters. Ze zijn de grootmeesters van de dwarsbinding: de dwarse inbreng via
         horizontale banden die kan zorgen voor de aanvoer van nieuwe ideeën (Granovet-
         ter 1973). Verbinders zijn thuis binnen het eigen cluster en spreken ook minimaal
         de taal van het andere cluster. De beide clusters zijn dan samen onderdeel van één
         netwerk. Ze kennen hun ‘vrienden’ nauwelijks of niet, maar blijken binnen een
         netwerkcultuur – voortdurend en verrassend – bereid tot grote inzet als ze daar-
         mee vrienden-van-vrienden-van-vrienden verder kunnen helpen. Door die
         kennis en kennissen buiten het eigen cluster vormen de dwarsbindingen het
         kanaal bij uitstek voor de inbreng van nieuwe ideeën en daarmee ook voor maat-
         schappelijke vernieuwing.
         Wat geldt voor clusters van ‘normale’ burgers, geldt ook voor de beroepsgroep van
         beleidsmakers en hun entourage van adviseurs en belangenbehartigers. Ze vormen
         beleidsclusters met vele kenmerken van een hoge mate van beslotenheid: rituelen
         en jargon bijvoorbeeld en een sterke ons-kent-onsmentaliteit. Dat heeft een
</pre>

====================================================================== Einde pagina 179 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 180 ======================================================================

<pre>                                                  nieuwe generatie doe-democratie 179
kracht, maar brengt zeker in een netwerksamenleving ook gevaren met zich mee.
Vooral het vermogen tot vernieuwen – van wezenlijk belang voor een levende
democratie – wordt erdoor bedreigd. Ook beleidsmakers moeten kiezen voor
dwarsbinding: nieuwe ideeën niet opleggen, maar aanreiken aan (groepen)
burgers, en vooral ook openstaan voor nieuwe ideeën van die burgers.
Om het maatschappelijk kennisreservoir aan te boren moeten beleidsmakers
daarom in Facebook-termen ‘vriend’ willen en kunnen worden van juist de
verbinders binnen clusters: ze moeten ‘netwerken’ (Bekkers et al. 2010: 155). Daar-
bij past bescheidenheid: ze bevinden zich in een afhankelijke positie. Ze kunnen
de condities creëren die beleidsparticipatie, maatschappelijke participatie of maat-
schappelijk initiatief stimuleren, maar ze kunnen de creatieve inbreng niet
afdwingen. Ze kunnen democratisch besluiten om sommige overheidstaken af te
stoten, maar ze kunnen niet eisen dat en hoe die vervolgens door maatschappelijk
initiatief worden overgenomen. Slagen ze er echter in om de verbindingen te
leggen, dan is vanuit democratisch perspectief grote winst te behalen door dwars-
binding met (a) homogene, minder toegeruste gemeenschappen met als doel
lokale vernieuwing, en (b) goed toegeruste burgers, speciaal Pragmatici, met het
oog op themagerichte vernieuwing.
Dwarsbinding met het oog op lokale vernieuwing
Lokale vernieuwing is gebaat bij dwarsbinding. Daarbij is een gedifferentieerde
aanpak geboden: niet alle burgers zijn op eenzelfde wijze te betrekken. Verant-
woordelijken zijn relatief eenvoudig te bereiken; ze kennen de wegen en spreken
de taal van beleidsmakers (zie ook Cuperus 2009; Bovens 2010). Ook Pragmatici
hebben nauwelijks een helpende hand nodig; toch is het aantal verbinders met
beleidsclusters aanmerkelijk beperkter. Dat ligt anders bij homogene, minder
toegeruste gemeenschappen, die worden gekenmerkt door een vaak besloten
karakter en een naar eigen gevoel beperkte reikwijdte. Binnen het eigen cluster
organiseren ze zich effectief bij het nastreven van gedeelde belangen, maar daar-
buiten voelen ze zich onthand. Speciaal waar het Volgzamen betreft gaat het vaak
om veel kleinere buurt- en dorpsgemeenschappen. Bij de eveneens minder toege-
ruste Critici is de gemeenschap groter, maar knelt toch al vlug het tekort aan
kennis en kennissen. In homogene clusters sluiten ze bovendien in een wij-tegen-
zijbenadering vaak de poort voor ‘klassieke’ beleidsmakers.
Juist verbinders kunnen ervoor zorgen dat naar beslotenheid neigende gemeen-
schappen onderdeel blijven van relevante netwerken (Koch en Lockwood 2010:
40). De clusters blijven zich daardoor vernieuwen, maar kunnen met hun front-
lijnkennis ook bijdragen aan beleids- en maatschappelijke participatie. Interne
verbinders slaan de bruggen naar buiten. Wij gingen spreken van ‘gespikkelde’
gemeenschappen waar voldoende interne verbinders huizen om, zo nodig, effec-
tief voor collectieve belangen op te komen. Alleen wanneer er onvoldoende
</pre>

====================================================================== Einde pagina 180 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 181 ======================================================================

<pre>180 vertrouwen in burgers
       interne verbinders zijn en het risico van isolement en verharding dreigt, is er een
       taak weggelegd voor beleidsmakers: ze moeten actief ‘spikkelen’ door het inbren-
       gen van externe verbinders. Dit zijn vaak de frontlijnwerkers van maatschappe-
       lijke instellingen die dicht bij huis de toegang tot andere clusters faciliteren. Ook
       besloten clusters openen zich dan, laat ons veldwerk zien.
       Het ene beleidsterrein biedt meer mogelijkheden voor lokale vernieuwing dan het
       andere. De veiligheid en fysieke inrichting van de eigen buurt vormen voor vrijwel
       alle burgers een uitdaging waarover ze graag meedenken. Zij beschikken dikwijls
       ook over een relevante ervaringskennis. Beleidsmakers hebben hier ook veelvuldig
       op gebouwd voor beleidsparticipatie. Wijkagenten hebben als externe verbinders
       bijvoorbeeld behoorlijk veel ruimte om hun beroep naar eigen inzicht in te vullen
       (Van den Brink 2010).
       Uit ons veldonderzoek blijkt dat de – essentiële – rol van de maatschappelijke
       instellingen verbeterde invulling behoeft. Door een verkokerd aanbod van voor-
       zieningen zijn zowel de signalering als de opvang van zorgbehoevende en geïso-
       leerde burgers kwetsbaar: naargeestige beelden van slachtoffers, met meer dan
       tien hulpverleners in hun omgeving, halen regelmatig de media. Dat zal zo blijven
       wanneer de frontlijnwerkers niet het recht krijgen om buiten ‘hun’ territoir
       elkaars hand en vooral die van de kwetsbare burger en zijn naasten te zoeken.
       Niettemin woedt de discussie over het verbreden van kerntaken voort. Daardoor
       blijven frontlijnwerkers onzeker over de mate waarin ze als verbinder de vereiste
       bruggen mogen slaan in hun dagelijkse wisselwerking met minder toegeruste en
       zich naar binnen kerende burgers: wat is hun ruimte, wat hun rugdekking van
       bestuurders? Van dwarsbinding vanuit de lokale gemeenschappen is bovendien
       nauwelijks sprake: (groepen) burgers hebben weinig mogelijkheden om hun eigen
       belang te behartigen door bij instellingen aan de bel te trekken.
       Dwarsbinding vereist bestuurlijk handwerk. Beleidsmakers moeten ‘het paaltje
       kennen’: weten en begrijpen wat (groepen) burgers drijft. Ze moeten beschikken
       over een ‘rommelbudget’ om wat beweging in een vastlopend dossier te krijgen,
       maar vooral moeten ze burgers op het netvlies hebben. Critici – met hun specifieke
       behoeften en kwaliteiten – willen worden ‘herkend’, Volgzamen waarderen de
       aandacht van maatschappelijk hooggeplaatsten. Het is een wezenlijke taak van
       met name politici aan die behoefte tegemoet te komen door ‘aanwezigheid’ (Van
       de Wijdeven en Hendriks 2010: 48). De trekkers van de lokale partijen geven
       daarvoor het goede voorbeeld met hun 4 K’s voor ‘normale’ ontmoeting: Kerk,
       Kantine, Kapper en Kroeg. Goede beleidsmakers beheersen ook de kunst van het
       ‘niet-helpen’. Het initiatief moet liggen bij burgers, hun zelfs worden opgedron-
       gen, maar waar nodig moet de baan worden geveegd en de gevaarlijkste wakken
       gemarkeerd.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 181 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 182 ======================================================================

<pre>                                                  nieuwe generatie doe-democratie    181
Dwarsbinding met het oog op themagerichte vernieuwing
Burgers kunnen effectief bijdragen aan maatschappelijke vernieuwing rond speci-
fieke thema’s. Speciaal Pragmatici onderhouden veelal een groot aantal dwarsban-
den die moeilijk toegankelijk zijn voor beleidsmakers. Ons onderzoek Vertrouwen
in de buurt bracht hen in beeld: de hoogopgeleiden die zich opstellen als individu-
alist, maar nauwlettend volgen wat er nodig is om ‘erbij te horen’. Ze vormen
dichte netwerken in een beperkte fysieke en ook virtuele ruimte, de vrienden-
van-vrienden tellen op naar een omvangrijk cluster van dwarsverbanden die
echter ook – sociaal en vaak professioneel – weer in verbinding staan met veel
andere clusters.
Onderzoekers waarschuwen voortdurend: vooral jonge mensen stoppen veel tijd
en energie in hun netwerken. Hun gedrag verplaatst zich van passieve consumptie
(tv) naar actieve deelname (social media) (Shirky 2010: 11). Hun vrije tijd is in feite
een ‘shared global resource’: ze kunnen die vrije tijd via het net wereldwijd poolen
voor gezamenlijke doelen (Shirky 2010: 27). Hun sociale netwerken zijn publieke
goederen: niemand is ‘de baas’ en iedereen heeft er baat bij (Fowler en Christakis
2009: 293). Ze waarschuwen beleidsmakers ook: dit is een kans voor open doel.
Als ‘we’ erin zouden slagen zelfs maar een klein percentage van al die tijd, energie
en kennis af te tappen voor maatschappelijke vernieuwing, zijn we goudhaantjes.
Het aanboren van netwerken vraagt wel een inspanning. Beleidsmakers kunnen
het versplinterde vrijetijdsreservoir het best benutten door zich te richten op vaak
kleine, deskundige en gemotiveerde clusters die zich vormen binnen de lange
staart (Shirky 2010: 97). Het vereist bovendien dat hun inhoudelijke uitdaging
past bij de behoeften van de Pragmatici en – vooral – dat ze openstaan voor hun
maatschappelijke initiatieven. Pragmatici ‘hoeven’ immers niks en er wordt
wel gevraagd om de – meestal gratis – inzet van hun kennis, energie en tijd. De
terugkerende les van internet werd verwoord door internetonderzoeker Shirky
(2010: 17): “People want to do something to make the world a better place.” Ze
doen dat onder hun eigen voorwaarden: dingen doen die ze toch al wilden doen
en dan het liefst met mensen zoals zijzelf (Shirky 2010: 89). Als ‘tegenprestatie’
vragen ze, net als ‘normale’ vrijwilligers, erkenning en vrijheid (Shirky 2010: 95).
Procesmatig zijn de eisen hoog en voor beleidsmakers bovendien ongebruikelijk.
Ze moeten ‘meebewegen’: aanhaken bij wat er al gaande is. Dat verschilt wezenlijk
van het huidige betrokkenheidsaanbod van beleidsmakers, constateert Shirky
(2008: 51-53; 2010: 171-176). Hij onderscheidt drie ontwikkelingsfasen in derge-
lijke clusters: delen, samenwerken en actievoeren (Shirky 2008: 49). Het gros van
de internetactiviteiten wordt gekenmerkt door het vrijblijvend delen van informa-
tie via YouTube, sociale netwerken of blogs. Vanuit het perspectief van burgerbe-
trokkenheid is de waarde vooral gelegen in het toegankelijk maken van informatie;
denk aan websites als ‘wat stemt mijn raad’ en de sites van actiegroepen die hun
</pre>

====================================================================== Einde pagina 182 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 183 ======================================================================

<pre>182   vertrouwen in burgers
         ervaringen delen. Samenwerken is lastiger, omdat deelnemers hun gedrag op
         elkaar moeten afstemmen, bijvoorbeeld via commentaren op YouTube en recen-
         sies over boeken en hotels, maar ook op sites als ‘verbeter mijn buurt’ en ‘petities
         online’. Actievoeren ten slotte vereist het nemen van gezamenlijke besluiten. Dat
         is ingewikkeld, maar de herkomst vanuit uiteenlopende hoeken stimuleert dwars-
         bindingen binnen veerkrachtige netwerken; denk aan Anonymous. Vanuit betrok-
         kenheidsperspectief heeft deze fase dus de grootste toegevoegde waarde (Shirky
         2010: 171-176). Wanneer beleidsmakers dergelijke acties kunnen stimuleren, is dat
         bevorderlijk voor de maatschappelijke vernieuwing. Als hun medewerkers boven-
         dien actief kunnen meebewegen, is dat ook bevorderlijk voor het leren binnen de
         overheidskolom. Maar dan moeten die medewerkers dat wel kunnen en mogen.
6.3.3    tegenbinding
         Volgens de historicus Johan Huizinga (1952) is spel – de tot wedkamp gereguleerde
         strijd – de bron van cultuur. Al spelend maken en handhaven spelers hun eigen
         regels. Die zijn bindend voor allen die willen meedoen (Van Gunsteren en
         Habbema 2009: 44). Hun verbinding hebben wij eerder betiteld met het begrip
         ‘tegenbinding’. Bij zowel samen- als dwarsbinding overheerst een gezamenlijk
         doel dat mensen bindt: ze kennen elkaar, al is het maar via via, en zijn bereid om
         wat extra te doen om de ander te helpen. In de dagelijkse praktijk zijn er echter zeer
         velen – alle anderen op de wereld, om het zo maar uit te drukken – waar ze weinig
         mee hebben. Veeleer zijn het, zeker in de eigen leefomgeving, concurrenten in een
         gedeelde ruimte. Het heeft binnen deze marktcultuur voor alle betrokkenen zin
         om – formeel of informeel – spelregels overeen te komen die het onderlinge verkeer
         ‘civiel’ houden, noem het burgerlijk fatsoen. Een civiele omgang maakt het leven
         een stuk prettiger, een onciviele leidt tot spanningen (Sennett 2012).
         Tegenbinding krijgt op velerlei manieren vorm (zie ook Brandsen et al. 2010).
         Op nationaal niveau bijvoorbeeld in de wisselwerking tussen volksvertegenwoor-
         digers: civiele omgangsvormen voorkomen dat mensen elkaar zien als vijanden,
         maar veeleer als tegenstanders waarmee ze wellicht gezamenlijke oplossingen
         kunnen bedenken. Op internationaal niveau ligt tegenbinding aan de basis van
         verdragen die landen met uiteenlopende belangen ‘binden’; de diplomatie is bij
         uitstek de kunst van de tegenbinding. Op collectief niveau vormt de handel
         tussen ondernemingen het ultieme voorbeeld van de marktcultuur; verstandige
         onderhandelaars laten altijd iets ‘op de tafel’ voor de ander. Maar ook de alledaagse
         samenleving binnen ‘gemengde’ buurten en de confrontatie van sportteams
         kunnen als illustraties dienen.
         Vanuit het perspectief van burgerbetrokkenheid is de winst van een goede tegen-
         binding in de eerste plaats gelegen in maatschappelijke participatie: de vrijwillige
         civiele omgang van burgers in de gedeelde ruimte. Ook op individueel niveau zijn
</pre>

====================================================================== Einde pagina 183 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 184 ======================================================================

<pre>                                                   nieuwe generatie doe-democratie 183
mensen immers elkaars concurrent in de gedeelde ruimte, zoals op straat of in het
verkeer. Ongeschreven regels schrijven de buurtgenoten gewenst gedrag voor. Je
groet elkaar en dient je tuin netjes te onderhouden. Oudere buren hebben ‘recht’
op meer rust en vaker hulp; jongere worden eerder uitgenodigd voor een tuin-
feest. Er zijn ook regels om ongewenst gedrag tegen te gaan. Je dient bijvoorbeeld
geen vuilnis in het trappenhuis te zetten, of wasgoed voor het balkon van de bene-
denburen te hangen. In het verkeer is het niet wezenlijk anders. Bij het passeren
van fietsende moeders met kinderen houden we meer afstand dan wettelijk voor-
geschreven; spelende kinderen vertaalt zich in langzamer rijden. Ook het internet-
verkeer getuigt van een aanmerkelijk zelfreinigend vermogen.
Juist dit soort tegenbinding in de vorm van alledaagse en terloopse ontmoetingen
is van groot belang voor een gezamenlijk sociaal welbevinden (Van Marissing
2008: 149). Mensen beschikken daardoor over voldoende informatie om andere
bewoners te herkennen en te plaatsen (vrom-Raad 2006: 67). Het gaat om de
toevallige ontmoeting: ‘vertrouwde vreemden’ (Jacobs 1961: 66-67) hebben kennis
van elkaar zonder elkaar persoonlijk te kennen (Blokland-Potters 2006; Gruijter
et al. 2010: 15). “Publieke familiariteit komt voort uit herhaalde ontmoetingen van
dezelfde mensen in de publieke ruimte op basis waarvan we gemakkelijker
kunnen inschatten wie we kunnen vertrouwen en wie niet” (Adriaanse 2006: 18).
Wanneer mensen elkaar niet uit het oog verliezen en zich bewust zijn van elkaars
aanwezigheid, vervreemden ze niet van elkaar en voelen ze zich meer geborgen in
elkaars gezelschap (Engbersen 2008). Op den duur kan door herhaald ‘prettig’
contact tegenbinding zich omvormen tot samenbinding (Van Marissing 2008: 43).
Wie eenmaal is uitgeroepen tot een gewaardeerd tegenstander, hoort ‘erbij’ en
mag in geval van nood rekenen op enige clementie.
Is het een taak van ‘de overheid’ om tegenbinding te bevorderen? Is dit nu juist
niet bij uitstek het niemandsland dat burgers zelf dienen in te vullen? Velen
plaatsten vraagtekens bij de (overheids)campagnes over fatsoen-dat-je-moet-doen
en korte lontjes die juist onwenselijk zijn. Tegelijk duiden de 21minuten.nl
enquête en andere peilingen erop dat een gebrek aan civiele omgang een van de
grootste zorgpunten van de Nederlandse burger vormt. Bovendien mag redelijker-
wijs worden verwacht dat de noodzaak tot tegenbinding in de nabije toekomst
groter wordt door de verdere stijging van de ruimtelijke en sociale mobiliteit, de
grotere verschillen in cultuur en levensstijl, en de grotere haast van de deelnemers
aan het maatschappelijk verkeer die daardoor minder bereid of in staat zijn om
rekening te houden met anderen. De kans op conflicten of spanningen neemt
daardoor toe (Van den Brink 2010: 251).
Beleidsmakers hebben speciaal een voorwaardenscheppende taak waar het het
afbakenen en waarborgen van de kwaliteit van de institutionele ruimte betreft: de
instituties aan de linkerzijde van het speelveld van burgerbetrokkenheid. Zowel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 184 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 185 ======================================================================

<pre>184   vertrouwen in burgers
         Schuyt (2006b) als Rosanvallon (2008: 8) spreekt van de steunberen van de demo-
         cratie, die – zoals in Middeleeuwse kerken – het gebouw overeind houden en daar-
         door een ruimte voor civiele omgang waarborgen. Beleidsmakers kunnen echter
         de fysieke omgeving zodanig vormgeven dat een civiele ontmoeting wordt bevor-
         derd (Sennett 2012: 78 e.v.). Onaangename ruimtes – donkere steegjes, kale plei-
         nen, ‘griezelige’ kantoorparken of parkeergarages – roepen een gevoel op van
         ongemak waardoor mensen geneigd zijn elkaar te ontlopen. Kunst op straat daar-
         entegen draagt bij tot een gezamenlijke eigenheid, zoals ook een tikje te mooie
         scholen of speelveldjes en gastvrije parken dat doen.
         Beleidsmakers hebben bovendien een taak bij het in goede banen leiden van maat-
         schappelijke initiatieven in de alledaagse leefomgeving. Ons veldwerk biedt vele
         illustraties van plaatselijke opwellingen; de oprichting en opbloei van grote lokale
         partijen, of de aanhang voor Megastallen-Néé. Dat kan tot scherpe tegenstellingen
         leiden. Burgers komen te staan tegenover andere burgers en veelal ook tegenover
         beleidsmakers die in hun ogen hebben gefaald. Wanneer echter potentiële ‘vijan-
         den’ worden omgevormd tot gewaardeerde tegenstanders, raakt dat de essentie
         van de levende democratie (Mouffe 2000; Mouffe 2005; Schuyt 2006a; Schuyt
         2006b). Mensen hebben tegenstanders nodig om hun gemeenschap voortdurend
         te vernieuwen. In de sport willen ze winnen; daarom vinden ze voortdurend
         nieuwe trucs, materialen en speelsystemen uit. In de politiek geldt hetzelfde en
         daarom tasten politieke leiders voortdurend af waaraan hun achterban in een
         veranderende samenleving behoefte heeft en proberen ze daaraan tegemoet te
         komen om zo hun andersdenkende tegenstanders te overtroeven. In sport en poli-
         tiek trekken ze zich bovendien op aan hun gewaardeerde tegenstanders en weten
         ze idealiter dwarsbinding vorm te geven. Spel wordt zo, in de woorden van
         Huizinga (1952), de bron van cultuur.
6.3.4    bovenbinding
         Beleidsmakers, politici voorop, weten zich binnen de kaders van de representa-
         tieve democratie belast met blijvende verantwoordelijkheden als formele spelre-
         gelbepaler en -bewaker en als ultieme conflictbeslechter. Die kaders blijven ook
         in ons denken onverlet; we openden er dit hoofdstuk mee. Aanpassing, maar ook
         handhaving van de normatieve kaders binnen de rechtsstaat of een noodzakelijke
         conflictbeslechting die onmogelijk blijkt via de informele benadering, blijft in ons
         perspectief het domein van de representatieve democratie. Uiteindelijk hebben
         gekozen volksvertegenwoordigers, tezamen met de bijbehorende geformaliseerde
         instituties, het laatste woord. Dat die taak in de complexere samenleving wordt
         bemoeilijkt door de over elkaar heen buitelende maatschappelijke ontwikkelin-
         gen, behoeft geen nader betoog.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 185 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 186 ======================================================================

<pre>                                                 nieuwe generatie doe-democratie  185
Beleidsmakers gaven door bovenbinding traditioneel de richting aan, in wissel-
werking met de verticale instituties die het maatschappelijk middenveld domi-
neerden. In de netwerksamenleving organiseren mensen zich makkelijker, goed-
koper en sneller binnen horizontale clusters: ‘organiseren zonder organisaties’. De
behoefte aan bovenbinding blijft echter bestaan, zij het in gewijzigde vormen. In
de wij-gemeenschapscultuur van Volendam hebben de klassieke waardigheids-
bekleders plaatsgemaakt voor informele ‘trendsetters’. Binnen grotere systemen,
benadrukt Ostrom, worden op meerdere lagen zogenoemde genestelde instituties
gevormd. Ze spreekt van een polycentrische organisatievorm: een groot aantal
kernen die gezamenlijk – eventueel via getrapte tussenlagen – een geheel vormen
(Ostrom 2009). Zelfs succesvolle e-netwerken zijn minder ‘plat’ dan vaak wordt
aangenomen, maar kennen vormen van hiërarchie.
Vanuit beleidsperspectief vormen de onbeheersbaarheid en onvoorspelbaarheid
van netwerken zowel een kracht als een zwakte. Duizend bloemen kunnen
bloeien, maar daar kan – om het zo maar te zeggen – ook onwelkom onkruid
tussen zitten. Beleidsmakers kunnen dus niet volstaan met het stellen en bewaken
van kaders. Burgerbetrokkenheid vereist dat beleidsmakers ontwikkelingen
stimuleren c.q. afremmen binnen een hiërarchische cultuur door richting te geven
aan hun medewerkers, maar ook aan ‘de samenleving’. Ze moeten daarbij meer
dan tevoren openstaan voor inbreng van onderen af. Zowel voor het optimaal
benutten van de mogelijkheden voor institutionele rek en het doorontwikkelen
van bestaand beleid, als voor het genereren van nieuw beleid is het wenselijk
(groepen) burgers en frontlijnwerkers uit te nodigen tot het aftasten van grenzen.
Dat beroep op de wijsheid van de al dan niet georganiseerde massa mag niet vrij-
blijvend zijn: een brede burgerbetrokkenheid vormt een randvoorwaarde voor een
levende democratie. Er bestaat bovendien een groeiende urgentie. Steeds vaker
‘dwingen’ burgers overheden, maatschappelijke instellingen en ondernemingen
ertoe hun aanbod aan te passen. Ze blijken echter ook in staat zichzelf te organise-
ren wanneer beleidsmakers en bestuurders achterblijven met een ‘passende’
aanpak.
Een grotere nadruk op bottom-upinitiatief is geen vanzelfsprekende of eenvoudige
zaak en heeft een keerzijde. Beleidsmakers kunnen ook niet zomaar het stuur
geheel loslaten. Als burgers bijvoorbeeld zelf hun buurt schoonhouden of opvang
van ouderen en zieken organiseren, dienen beleidsmakers de vrije ruimte te be-
palen, omdat dit normaliter taken zijn die op hun bordje liggen. Ook als burgers
wetten overtreden, rijst de vraag welke ruimte beleidsmakers daarvoor laten, een
grotere ruimte aan de frontlijn kan immers ontaarden in onfatsoen. ‘De overheid’
is minder aanwezig en burgers moeten, in wisselwerking met minder autoritair
optredende frontlijnwerkers, de gedeelde ruimte op een civiele wijze invullen.
                                        ***
</pre>

====================================================================== Einde pagina 186 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 187 ======================================================================

<pre>186 vertrouwen in burgers
       De samenleving verandert, snel en onvoorspelbaar. Informatiestromen worden
       steeds minder beheersbaar. De effectiviteit van de traditionele middenveldkanalen
       voor burgerbetrokkenheid – zoals de maatschappelijke instellingen en ngo’s – staat
       onder druk. Ook de wijze waarop burgers betrokken zijn, verandert. Niet langer
       gebeurt dat alleen op uitnodiging van beleidsmakers, maar steeds vaker op eigen
       initiatief, via directere kanalen voor betrokkenheid – denk aan de koplopers in het
       bedrijfsleven en ‘andersbewegingen’. Dergelijke ingrijpende veranderingen
       verlangen dat de democratie meebeweegt. De roep om meer directe vormen van
       democratie en de bijbehorende vormen van burgerbetrokkenheid, ter aanvulling
       van de representatieve democratie is toegenomen. Beleidsmakers hebben breed
       geëxperimenteerd met verschillende vormen van directere democratie en vooral
       de ‘doe-democratie’ biedt mogelijkheden om beter dan nu gebeurt in te spelen op
       maatschappelijke initiatieven. De stap naar een nieuwe generatie ‘doe-democratie’
       kan worden ondersteund door te investeren in nieuwe vormen van binding tussen
       en met burgers.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 187 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 188 ======================================================================

<pre>                                                                                        187
7   netwerksturing: meer dan symboliek
    Dat er ‘iets’ mis is met de bestaande betrokkenheidsaanpak van de overheid is vrij-
    wel niemand ontgaan. Binnen de overheidskolom zijn vele aanzetten gedaan voor
    verbetering; er werden bestuurlijke hervormingen doorgevoerd en lagen toege-
    voegd. Beleidsmakers, maar ook frontlijnwerkers, moesten meer klantgericht
    denken en op prestaties worden afgerekend. Inmenging van buitenaf in de op zich
    al ingewikkelde structuren – met hun vele kokers en (tussen-)lagen – ‘ontregelde’
    de bestaande orde en werd om die reden vaak als ongewenst gezien. Dat maakte
    het voor beleidsmakers lastig iets voor elkaar te krijgen (Idenburg 1999). Be-
    stuurlijke hervormingen richtten zich bijna onveranderlijk op organisatorische
    structuren en systemen: formele verantwoordelijkheden en bevoegdheden van
    mensen. Slechts zelden werd gericht aandacht besteed aan de cultuur binnen de
    overheidskolom: ‘de manier waarop we hier dingen doen’. De literatuur bevestigt
    echter de indruk die ook ons veldwerk laat zien: institutionele arrangementen
    hebben nauwelijks invloed op de grootte van het democratisch tekort (Norris 2011:
    244-245).
    De stappen die zijn gezet om de bestaande hiërarchische cultuur aan te passen aan
    de vereisten van de veranderende samenleving zijn in de goede richting, maar niet
    toereikend. De doorbraak naar een effectieve burgerbetrokkenheid behoeft een
    andere overheidscultuur: Weber 3.0.
7.1 van weber 1.0 naar weber 2.0…
    Binnen groepen burgers onderscheidden we vier basisculturen – de hiërarchie, de
    markt, de wij-gemeenschap en het netwerk – en we benadrukten dat in de dage-
    lijkse praktijk vrijwel altijd sprake is van een mix van basisculturen, waarbij één
    van de vier vormen dominant is. Het functioneren van individuen binnen een
    groep, en daarmee ook het functioneren van de groep als geheel, is sterk afhanke-
    lijk van de dominante cultuur.
    Deze basisculturen zijn ook herkenbaar binnen de overheidskolom. De klassieke
    overheidscultuur kreeg in hoge mate vorm langs de lijnen van de socioloog Max
    Weber. Weber gruwde destijds van de hiërarchische, grillige en ook ineffectieve
    systemen en organisatievormen, op basis van erebaantjes voor welgestelden.
    Daartegenover stelde hij de bureaucratie: benoemde ambtenaren, ondergeschikt
    aan politici, maar wel werkend met algemene regels vooral bedoeld om rationeel
    te besturen en de gelijkheid tussen burgers te bevorderen. Niet de persoonlijke
    willekeur van machthebbers, maar regels zijn doorslaggevend.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 188 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 189 ======================================================================

<pre>188   vertrouwen in burgers
         Bureaucratie is vanuit dat perspectief positief en behoudt ook nu zijn waarde, met
         als kenmerken (zie voor een uitgebreidere beschrijving bijvoorbeeld Rainey 1997:
         23-31; Kickert 1993: 251):
         – er is een eenduidige hiërarchie van autoriteit;
         – de organisatie wordt geleid door regels die de procedures en de verantwoorde-
             lijkheden van de verschillende onderdelen bepalen;
         – de posities zijn betaalde banen die worden vervuld op basis van kennis en
             kunde (experts) en niet op basis van gunst of afkomst.
         Het klassieke model – we noemen het Weber 1.0 – verschafte helderheid. Beleids-
         ontwikkeling en het bepalen van doelstellingen behoorden tot de politieke arena,
         terwijl de uitvoering tot de taken van ambtenaren behoorde (Brans et al. 2003:
         85-90). Dat bood het voordeel van een grote duidelijkheid: burgers kozen volks-
         vertegenwoordigers die wisten wie ze moesten aanspreken, politieke eindverant-
         woordelijken wisten wat er van hen werd verwacht en ambtenaren kenden hun
         plichten van loyaliteit en onpartijdigheid (Aberback et al. 1981). Deze manier van
         organiseren sloot ook in de naoorlogse jaren nog goed aan op de verzuilde samen-
         leving. Burgers en hun private samenwerkingsverbanden waren – enigszins kari-
         katuraal geschetst – keurig ‘geordend’ in verticale kolommen die op lokaal en
         (inter)nationaal niveau werden aangestuurd door een kleine elite. Iedere zuil had
         als het ware zijn eigen hiërarchie, waarbij de kracht van dat systeem was gelegen
         in de verzoening die aan de top plaatsvond.
         De zuiver weberiaanse aanpak kwam echter onder toenemende druk te staan.
         Bureaucratie kreeg, mede door de verdichting en versnelling van de samenleving,
         steeds meer het imago van omslachtige stroperigheid. Politici en media vonden
         elkaar in een soms hijgerige mediacratie waar uitzonderingen vaak de regel
         vormen, precies het tegenovergestelde van wat Weber beoogde. Ook de doe-
         democratie stelt nieuwe eisen – loslaten en ruimte maken bijvoorbeeld – die op
         gespannen voet staan met de klassieke parafencultuur van de overheidshiërarchie.
         Het plaatst beleidsmakers voor een dilemma: ‘we’ willen van de nadelen van de
         hedendaagse bureaucratie af, maar wat mogen we loslaten van de weberiaanse
         staatsleer en wat moeten we behouden?
7.1.1    cultuuraanpassingen
         De groeiende complexiteit maakt dat de samenleving steeds lastiger hiërarchisch is
         aan te sturen. Het antwoord hierop zochten beleidsmaker in de jaren tachtig van de
         vorige eeuw in marktwerking (wrr 2012: 25-28). Overheidsorganisaties werden
         verzelfstandigd of geprivatiseerd, er werden contracten afgesloten tussen over-
         heidsorganisaties onderling en concurrentie werd op diverse beleidsvelden geïn-
         troduceerd. Het New Public Management (npm) maakte gebruik van sturingsme-
         chanismen die bij markten horen (Klijn 2008; Pollitt en Bouckaert 2011: 247). Dat
</pre>

====================================================================== Einde pagina 189 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 190 ======================================================================

<pre>                                                  netwerksturing: meer dan symboliek 189
bracht een ander soort rationalisatie in het openbaar bestuur teweeg, in termen van
meetbare doelen, management van productieprocessen en prestaties voor klanten.
De hooggespannen verwachtingen van de npm-hervormingen werden in de
daarop volgende periode echter niet waargemaakt (Hoogwout 2010: 305). Vanuit
het gezichtspunt van burgerbetrokkenheid had het denken in markttermen ook
bezwaren. Het ‘gedoe’ van beleidsparticipatie past bijvoorbeeld slecht binnen
de rationele managementcultuur (De Heer 2010). Maatschappelijke participatie
werd ondergraven door toepassing van verkeerde prestatie-indicatoren, zoals het
aantal wijkbezoeken per wethouder, of het aantal minuten per steunkous.
Het klantdenken duwde de burger in een passieve rol en nam zo de prikkels voor
maatschappelijke initiatieven weg (Van der Veen 2010). npm beschouwt de burger
primair als een rationeel mens die uit eigenbelang handelt (Hoogwout 2010: 158-
159). Economen als Olson (1965: 48) waarschuwden al in de jaren zestig: mensen
die in hun eigenbelang handelen, zullen niet in actie komen als anderen dat ook
kunnen doen. In de vroege jaren van het milieubeleid wees ook Garrett Hardin
(1986) op de zogenoemde tragedy of the commons, de tragiek van de gedeelde
belangen. Veel boerendorpen vormden zich vroeger om de gedeelde eng, de
ruimte waar elk zijn schapen hield. Iedere individuele boer wilde zoveel mogelijk
schapen houden om zo het maximale inkomen te verwerven, maar daardoor werd
de eng kaalgevreten, tot schade van het algemeen belang.
Nieuwe beleidsinspanningen legden daarom een grotere nadruk op de wij-
gemeenschapscultuur. In Nederland bouwden bijvoorbeeld de kabinetten-Balken-
ende op het gedachtegoed van de communitaristen met hun nadruk op civil
society. In het vorige hoofdstuk plaatsten we daar al kanttekeningen bij en wezen
op het belangrijke werk van Ostrom. Haar boek Governing the commons: the
evolution of institutions for collective action (1990) was vooral een reactie op de
voorspelbare kaalslag van Hardin. Groepen mensen, toonde zij aan, zijn onder de
juiste voorwaarden in staat tot zelfbeheer van gedeeld bezit. De wetenschappelijke
discussie verkreeg politieke scherpte toen de huidige regering van het Verenigd
Koninkrijk (Cabinet Office 2010) zich schaarde achter het gedachtegoed van
Phillip Blond (2010: 131). Niet de markt, niet de overheid, maar de samenleving
moet in de Big Society de grootste rol innemen.
Nieuwe wegen werden beproefd en vanaf de jaren negentig kreeg de netwerkcultuur
toenemende aandacht. Beleidsmakers, zo was de redenering, hebben baat bij dwars-
binding met (groepen) burgers die niets ‘hoeven’, zoals in een wij-gemeenschap,
maar wellicht wel zouden willen. In recenter werk boden Ostrom c.s. (zie bijvoor-
beeld Poteete et al. 2010) daarvoor een empirisch gefundeerde grondslag: bouwend
op informatie over het gedrag van anderen zijn informele groepen mensen zonder
overheidsbemoeienis in staat om veel grootschaliger vraagstukken rond publieke
doelen op te pakken. Nieuwe, sociale, media bieden daarvoor mogelijkheden
</pre>

====================================================================== Einde pagina 190 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 191 ======================================================================

<pre>190   vertrouwen in burgers
         (Shirky 2008; Benkler 2006). Vanuit het perspectief van beleidsmakers kwam
         het accent te liggen op netwerksturing: de manier waarop beleidsmakers met
         netwerken om kunnen gaan. De politiek behield zijn klassieke, functionele rol
         (government), maar gedecentraliseerde sturingsprocessen (governance) kwamen
         meer tegemoet aan de veranderingen in de samenleving (wrr2012).
7.1.2    veranderende rolopvattingen
         De cultuuraanpassingen hadden consequenties voor de rolopvatting van ambtena-
         ren. In de strikte hiërarchie van Weber 1.0 is hun rol duidelijk; politici bepalen
         het beleid en ambtenaren beperken zich tot de beleidsuitvoering. In de praktijk
         werden ambtenaren steeds actiever betrokken in de politieke arena. Al in 1969
         lanceerde Crince le Roy zijn fameuze begrip ‘de Vierde Macht’, dat suggereert dat
         de bureaucratie zonder veel inmenging van politici, laat staan burgers, vormgeeft
         aan beleid. Een mengvorm van de politiek-ambtelijke betrekkingen stemt het
         meest overeen met de bestaande werkelijkheid, concludeerde Nieuwenkamp
         (2001). Op Europees niveau wijst ook Steunenberg (2011; Andeweg en Thomassen
         2011b: 79-80) op de grote rol van ambtenaren.
         Die directe bemoeienis van ambtenaren heeft stellig een aantal voordelen, ook
         waar het burgerbetrokkenheid betreft. Ambtenaren beschikken over expertise en
         ervaring die politici dikwijls ontberen (Noordegraaf en Van Lierop 2006/2007).
         Topambtenaren anticiperen op de politieke strijd, adviseren hun ministers en
         houden hen uit de wind. In het overleg tussen de overheidskokers en met andere
         bestuurslagen of belangengroeperingen nemen ze beslissingen die weliswaar de
         goedkeuring van ‘hun’ bewindslieden behoeven, maar in de praktijk vaak moeilijk
         zijn terug te draaien. Ook frontlijnwerkers zijn, gewild of ongewild, politiek
         betrokken. Wet- en regelgeving hebben nooit alle details van de uitvoering voor-
         zien, wat betekent dat uitvoerders in hun dagelijkse werk veel kleine, politieke
         beslissingen nemen (zie bijvoorbeeld Wildavsky en Pressman 1973). Ons veld-
         werk getuigt van de grote inbreng van – vaak enigszins vrijgevochten – frontlijn-
         werkers.
         De laatste twee decennia is er dan ook een aanzienlijke institutionele rek ontstaan
         (zie bijvoorbeeld De Vries 2008; Niessen 2008); de bureaucratie van de klassieke
         Weber (1.0) werd opgerekt naar die van Weber 2.0 (Breed en Hopman 2009). Alleen
         met meer ruimte kunnen ambtenaren bruggen slaan naar hun beoogde partners, zo-
         wel binnen de overheidskolom, als met (samenwerkingsverbanden van) burgers.
         Omdat deze verruiming gelijktijdig op vele plaatsen vorm krijgt, spreken Van
         Montfort en Van Twist (2009) van ‘ontgrenzing’. Steeds vaker wordt teruggegrepen
         op gedelegeerde bevoegdheden binnen koker- c.q. laagdoorsnijdende mechanismen
         (programmaministerie of -directie). Ook aan de frontlijn worden nieuwe verbin-
         dingen gelegd door een verbreding van de ‘weberiaanse’ kerntaken; ons veldwerk
</pre>

====================================================================== Einde pagina 191 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 192 ======================================================================

<pre>                                                   netwerksturing: meer dan symboliek  191
    biedt vele voorbeelden van de grote rol die verbinders spelen bij maatschappelijke
    participatie en initiatieven.
    Geheel zonder strijd voltrekt de verandering zich niet. Voortdurend is er sprake
    van ‘tegenacties’ die als doel hebben de ruimte voor ambtenaren te beperken. In
    de mediacratie bestaat weinig ruimte voor ambtelijke inbreng. Politici staan in de
    schijnwerpers en in hun schaduw rest weinig meer van de overzichtelijke beleids-
    arena’s waarbinnen de topambtenaren heersten over kennis en kennissen. De
    adviesraden werden hun ‘ontnomen’, beleidsafdelingen omgevormd tot zoge-
    noemde kenniscentra, onder de vlag van npm werden vele activiteiten op afstand
    van de overheid geplaatst. En dan was er ook nog de verplaatsing van beleid naar
    Europa. Hoe konden ministeries relevant blijven als ze dat in de ogen van hun
    ministers niet meer waren?
    Het wederzijdse ongemak ondermijnt de speling die ambtenaren hebben binnen
    de cultuur van Weber 2.0 (Nieuwenkamp 2001; Noordegraaf en Van Lierop
    2006/2007; Niessen 2008; Korsten 2005). Het idee van het primaat van de poli-
    tiek leeft nauwelijks meer onder topambtenaren, concludeert Kees Breed. Ze gaan
    eerder uit van een gelijkwaardige contractrelatie: politici zijn opdrachtgevers,
    ambtenaren opdrachtnemers. Maar, voegt hij er aan toe: “Zolang er geen alterna-
    tief opdoemt voor deze traditionele rolverdeling is het onvermijdelijk dat top-
    ambtenaren blijven worstelen met hun eigen rolopvatting” (Breed 2007: 144). De
    uitdaging door de politieke voorlieden past niet meer bij de behoeften en toerus-
    ting van de ambtenaren en dat leidt op termijn onvermijdelijk tot teloorgang van
    kwaliteit en motivatie. Niet de organisatiestructuur, maar de cultuur van samen-
    werking is bepalend: wederzijds vertrouwen en loyaliteit vormen de wachtwoor-
    den voor succes (Nieuwenkamp 2001: 48 e.v.).
7.2 … en vervolgens weber 3.0
    De stap naar de cultuur van Weber 2.0 is weliswaar zinvol, maar stellig niet
    voldoende: nog steeds is de hiërarchische cultuur dominant binnen de overheids-
    kolom. Waarnemers constateren sceptisch dat er binnen en rond het openbaar
    bestuur weliswaar veel wordt gesproken over netwerksturing, maar dat betreft
    vooral symboliek: beleidsprocessen die beginnen met een netwerkbenadering,
    eindigen vaak met een top-downbenadering die de vertrouwensrelaties tenietdoet
    (Meuleman 2008: 30-31). De wisselwerking is van alles een beetje, maar nooit
    doorhappend naar een vorm van duidelijkheid. En tegelijk, zeggen sommigen,
    wordt de urgentie van een overdracht van verantwoordelijkheden aan burgers
    groter: “het kan niet anders”, zoals Van der Steen et al. (2010: 22) concluderen,
    eenvoudigweg omdat het geld op is voor een zwaar overheidsapparaat en alles
    dekkende maatschappelijke voorzieningen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 192 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 193 ======================================================================

<pre>192   vertrouwen in burgers
          De doe-democratie behoeft een netwerksturing die meer is dan symboliek.
          “Leidinggeven in complexe samenlevingen is even onmogelijk (pessimistisch
          uitgedrukt) als uitdagend (optimistisch uitgedrukt)”, stelt Geert Teisman (2005:
          167). Het stelt niet alleen hoge eisen aan de competenties van beleidsmakers, maar
          ook aan bestuurlijke en politieke processen en systemen. Beleidsmakers moeten
          de kunst van het loslaten beheersen: weten wanneer je nodig bent en wegblijven
          als dat niet het geval is. Beleidsmakers kunnen de condities creëren die beleidspar-
          ticipatie, maatschappelijke participatie of maatschappelijke initiatieven stimule-
          ren, maar ze kunnen creatieve inbreng niet afdwingen. Ze kunnen democratisch
          besluiten om sommige overheidstaken af te stoten, maar ze kunnen niet eisen dat
          en hoe die vervolgens door burgers worden opgepakt.
          De dominante dimensie van de overheidscultuur moet worden verlegd van de
          verticale lijn van de hiërarchie naar de horizontale lijn van het netwerk (zie ook
          rob 2010). We onderscheiden daarom een derde overheidscultuur: Weber 3.0,
          die is gebaseerd op het vertrouwen dat miljoenen burgers willen meedenken en
          -doen, en die bovendien ambtenaren en frontlijnwerkers de handelingsruimte
          biedt om daar recht aan te doen. Die cultuuromslag vereist een majeure aanpassing
          van beleidsmakers – politici en ambtenaren – die zijn opgegroeid binnen een
          stramme ‘verticale traditie’ (figuur 7.1).
Figuur 7.1        Cultuuromslag van Weber 1.0 naar Weber 3.0
                                          Weber 1.0                  Weber 3.0
            Strategie                     Efficiëntie                Zelfverantwoordelijkheid
            Structuur                     Verticaal                  Horizontaal
            Systemen                      Top down                   Bottom up
            Sleutelvaardigheden           Uitvoerders                Verbinders
            Staf                          Specialisten               Oplossingsmakelaars
            Stijl                         Geen fouten                Correctie achteraf
            Samenbindende waarden         Vertrouwen in elite        Vertrouwen in burgers
          De verandering in zeven elementen die gezamenlijk een ‘gezicht’ geven aan het
          begrip ‘organisatiecultuur’, schetsen de omvang van de uitdaging. Drie ‘harde’
          S-en – strategie, structuur en systemen – zijn onmiddellijk herkenbaar uit de voor-
          gaande tekst. De strategie van beleidsmakers gaat van een nadruk op efficiëntie
          naar zelfverantwoordelijkheid; structuren van een nadruk op verticale lijnen naar
          een accent op horizontale verbindingen; en systemen van interne communicatie
          van top-down naar bottom-up. Ze vormen het relatief ‘makkelijke’ deel van de
</pre>

====================================================================== Einde pagina 193 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 194 ======================================================================

<pre>                                                       netwerksturing: meer dan symboliek   193
      omslag. De ‘zachte’ S’en – sleutelvaardigheden, staf, stijl en samenbindende waar-
      den – zijn het moeilijkst, want het minst grijpbaar. Weber 1.0-organisaties moes-
      ten zich onderscheiden door superieure uitvoerders, maar de sleutelvaardigheid
      binnen Weber 3.0-instituties is gelegen bij verbinders. De staf bestaat niet langer
      uit functionele specialisten, maar uit oplossingsmakelaars. De stijl springt van
      een nadruk op het voorkomen van fouten met de bijbehorende risicoafwijzing,
      naar correctie achteraf met de eveneens bijbehorende acceptatie van het risico van
      – snel te corrigeren – fouten. En de samenbindende waarde van een vertrouwen
      in een elite van beleidsmakers – zowel politici als ambtenaren – dient te worden
      vervangen door een vertrouwen in burgers.
      Speciaal die laatste sprong vraagt om een mentale ommezwaai: niet alle beleids-
      makers denken vanuit burgers. Niet zonder reden gaf James Scott zijn bekende
      boek de titel Seeing like a state (1998). Hij concludeerde dat het falen van beleid
      vooral bij beleidsmakers is gelegen: “If I were asked to condense the reasons behind
      these failures into a single sentence, I would say that the progenitors of such plans
      regarded themselves as far smarter and farseeing than they really were and, at the
      same time, regarded their subjects as far more stupid and incompetent than they
      really were” (Scott 1998: 343). Ook onze gesprekspartners hebben het over ‘angst’
      voor burgers, over ambtenaren die zich in hun deskundigheid aangetast voelen en
      over volksvertegenwoordigers die het laatste woord willen hebben.
7.2.1 institutionele intuïtie
      Beleidsmakers zien zich geconfronteerd met wat Ronald Heifetz et al. (2009: 70) een
      adaptive challenge noemen: een uitdaging waarvoor een instrumentele oplossing,
      zoals een nieuwe procedure of een nieuwe organisatiestructuur, niet voldoende zal
      zijn. In een complexe, snel veranderende omgeving ‘overleven’ alleen adaptieve
      instituties: instituties die meer doen dan instrumenteel bijschaven en die ook de
      onderliggende aspecten durven aan te pakken. Dit kunnen systemen zijn waarbin-
      nen grote aantallen mensen ‘als vanzelf’ differentiatie en samenhang voortbrengen,
      waardoor ze zich gezamenlijk voortdurend aanpassen aan veranderende omstan-
      digheden. De grondslag voor dat collectieve gedrag is gelegen in institutionele in-
      tuïtie: een intuïtie die gedeeld wordt door allen binnen de gemeenschap en die elk
      van hen in staat stelt om zonder formele opdracht aanpassingen te kunnen maken.
      Een metafoor kan helpen om de essentie van die intuïtie te begrijpen. Velen van ons
      blijken voortreffelijke evenwichtskunstenaars: bijna iedereen kan een hockeystick
      balanceren op een vingertop. Het is een evenwichtskunst die is gebaseerd op drie
      principes. Ten eerste: houd je ogen open. Wanneer we twee seconden onze ogen
      sluiten, valt de stick onverbiddelijk. Ten tweede: schakel het ‘hoofdkantoor’ uit.
      Elk signaal dat onze ogen registreren – bijvoorbeeld een stick die langzaam over-
      helt– moet onmiddellijk resulteren in een passende correctie. We hebben eenvou-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 194 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 195 ======================================================================

<pre>194   vertrouwen in burgers
         digweg niet genoeg tijd en kennis om de noodzakelijke berekeningen te maken, en
         – vooral – we hebben weinig idee wat de toekomst ons gaat brengen. En ten derde:
         besef dat iets wat permanent ‘fout’ is, altijd ‘goed’ is indien de afwijkingen van het
         streefbeeld voortdurend worden gecorrigeerd. De stick dreigt permanent te vallen,
         maar omdat we voortdurend corrigeren valt hij nooit. In theorie moet er een
         ideale positie zijn waarbij de stick, zonder invloeden van buiten, rustig in een
         eeuwig evenwicht is, maar wij, met onze beperkte vaardigheden, slagen er nooit
         in die positie te vinden. Toch krijgen we het voor elkaar om met diezelfde beperkte
         toerusting door duizenden kleine correcties te voorkomen dat de stick valt.
         Instituties die koploper willen zijn bij ‘het sturen van het onbestuurbare’ (Klijn
         2008: 313) moeten uitgaan van een cultuur met die drie basiselementen: houd je
         ogen open en beweeg mee met wat je ziet gebeuren; vertrouw burgers en front-
         lijnwerkers en geef ze meer ruimte; en probeer niet alles van tevoren aan te sturen,
         maar corrigeer achteraf. Het zijn nagenoeg dezelfde punten waarop de koplopers
         in het internetbedrijfsleven zich onderscheiden: beweeg mee, vertrouw het
         publiek als producent, probeer en corrigeer, en houd het eenvoudig.
7.2.2    gelaagd netwerk
         Weber 3.0 betekent niet een terugtrekkende overheid, maar veeleer een voorwaar-
         denscheppende en corrigerende overheid die faciliteert dat burgers en frontlijn-
         werkers initiatief nemen. Er is niets ‘zachts’ aan die overheid. Veel frontlijnwer-
         kers hebben geleerd zich afwachtend op te stellen, als uitvoerders van opgelegd
         beleid. De doe-democratie heeft daar weinig plaats voor: niet alleen burgers maar
         ook frontlijnwerkers moeten dóen. Beleidsmakers moeten de omstandigheden
         creëren die het frontlijninitiatief ‘afdwingen’: mensen moeten zich verantwoorde-
         lijk willen voelen voor de uitdagingen binnen hun werkgebied. Weer gaat het om
         ‘niet-helpen’: dit is jouw probleem, je kent de spelregels dus los het maar op. En
         alleen als je echt vastloopt, kom je maar langs.
         Het vereist bestuurlijke moed en inzicht om de benodigde cultuurveranderingen
         naar Weber 3.0 in gang te zetten. Voor veel beleidsmakers roept het woord ‘cultuur-
         verandering’ een beeld op van weer een bijeenkomst in de hal van het ministerie
         met de secretaris-generaal op de zeepkist om de aftrap te geven te midden van
         kleurrijke ballonnen. Om vervolgens te verzanden in goede voornemens. Het
         is een glibberig terrein dat omgeven is met zo veel mislukkingen – het programma
         Andere Overheid was nog geen tien jaar geleden een speerpunt van het kabinet-
         Balkenende II – dat velen er de voorkeur aan geven hun handen niet te branden.
         De overgang naar een Weber 3.0-cultuur heeft alleen een kans van slagen indien
         de drempels voor verandering worden geslecht. Door de schurende logica’s van
         burgers en beleidsmakers missen beleidsmakers kansen voor dwarsbinding en de
</pre>

====================================================================== Einde pagina 195 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 196 ======================================================================

<pre>                                                netwerksturing: meer dan symboliek 195
mogelijkheid om toegang te krijgen tot de specifieke praktijkkennis die burgers
vaak hebben. Ook de bestaande structuren en systemen zitten een cultuuromslag
in de weg. De scheiding tussen beleidsvoorbereiding en beleidsuitvoering bijvoor-
beeld staat haaks op de vereiste van het voordurend proberen en corrigeren: ze
moeten juist dicht op elkaar zitten en verweven zijn. De cultuuromslag die we
nodig achten wordt idealiter geschraagd door aanpassingen in overheidsstructu-
ren, zoals minder hiërarchie en meer netwerk, zonder voorbij te gaan aan een mate
van gelaagdheid die altijd nodig zal blijven.
Blijvende gelaagdheid
De overheidskolom en de private samenleving moeten elkaar kunnen vinden. Dat
was ten tijde van Weber 1.0 relatief makkelijk: de private kant van het speelveld
voor burgerbetrokkenheid was toen ook gekenmerkt door een sterke gelaagdheid.
Telkens was daar sprake van een nieuw overlegcircuit: gemeentelijk, regionaal,
provinciaal, nationaal, internationaal, en zo vormde zich een vertegenwoordi-
gingspiramide.
In de netwerksamenleving wordt die private piramide ‘platgeslagen’, maar geheel
zonder bovenbinding kunnen ook de nieuwe instituties niet. Het merendeel van
de contacten tussen burgers en beleidsmakers en bestuurders verloopt niet meer
langs de formele bovenlijnen, maar via verbinders die zich staande kunnen
houden in meerdere clusters. Ook de verbinders hebben, om effectief op te
kunnen komen voor de belangen van hun clusters, belang bij gelaagde verbindin-
gen met de verticale kolommen van overheden en maatschappelijke instellingen.
Indien ze bij het ontwikkelen van maatschappelijke initiatieven voortdurend stui-
ten op een dichte deur of de openingen naar de juiste plaatsen op het juiste niveau
niet weten te vinden, is hun inzet veelal gedoemd te mislukken.
Bij beleids- en maatschappelijke participatie kunnen beleidsmakers en frontlijn-
werkers alleen effectief zijn als ze zijn verbonden met hun beoogde samenwer-
kingspartners. Ze moeten daarom weten wie de belangrijkste personen in het
netwerk zijn, om ze vervolgens te activeren en te verbinden. Aan de frontlijn gaat
dat om verbinders, maar hogerop gaat het om – vaak informele – bovenbinders.
Een werkelijke dwarsbinding vereist bovendien dat beleidsmakers en frontlijn-
werkers zelf fungeren als verbinders die thuis zijn binnen het eigen overheids-
cluster, en dat ze daarnaast de taal spreken van het burgercluster. De beide clusters
zijn dan samen onderdeel van één netwerk.
De behoefte aan horizontale verbinding en herkenbare structuur komt van beide
kanten, en de Weber 3.0-cultuur dient daarvoor de openingen te creëren. Nieuwe
verbindingen en initiatieven worden van geval tot geval ingevuld, waarbij de over-
heidscultuur moet kunnen inspelen op de variëteit van culturen ‘in het veld’, met
inbegrip van die van de vaak afwijkend georganiseerde maatschappelijke initiatie-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 196 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 197 ======================================================================

<pre>196 vertrouwen in burgers
       ven en andersbewegingen. Dat vraagt om het verweven van nog steeds noodzake-
       lijke vormen van hiërarchie met horizontale, maatschappelijke netwerken: van
       positionele macht met creatieve macht. Veel meer dan voorheen ligt het accent
       op de horizontale dimensie, maar de verticale blijft op essentiële punten van groot
       belang: beleidsmakers behouden een overkoepelende verantwoordelijkheid
       (zie ook wrr 2012: 140-145).
       Drie niveaus
       Weber 3.0 manifesteert zich in organisatorische termen als een gelaagd netwerk,
       waarbinnen drie niveaus zijn te onderscheiden (zie ook Oosterling 2009). Opbou-
       wend vanuit het perspectief van burgers is dat in de eerste plaats het operationele
       niveau van de frontlijn waar (groepen) burgers vooral in alledaags contact staan
       met frontlijnwerkers van overheden en instellingen. Om in de praktijk grotere
       slagen te kunnen maken en ook de rugdekking van de frontlijnwerkers zeker te
       stellen is er een tactisch niveau vereist: een overleglaag waar trekkers en verbin-
       ders vanuit de verschillende clusters contacten onderhouden met het uitvoerende
       middenkader, districtsmanagers bijvoorbeeld. Ten slotte is er een strategisch
       niveau: een toplaag waar – minder frequent – de wisselwerking tussen kopstukken
       in hun rol van bovenbinder aan de ene kant en beleidsmakers en bestuurders aan
       de andere inhoud krijgt (box 7.1).
       Dit wekt de indruk van hiërarchie tussen de drie niveaus, maar drie aspecten
       maken een fundamenteel verschil. In de eerste plaats zijn de hogere lagen in
       belangrijke mate dienend aan de onderlaag. Burgers doen meer ‘zaken’ met front-
       lijnwerkers die daartoe beschikken over meer ruimte om hun takenpakket inhoud
       te geven. In de tweede plaats zijn het vaak niet de formele instituties van het
       huidige middenveld die de maat slaan, maar individuele burgers of informele, vaak
       eenmalige samenwerkingsverbanden die inbreng leveren. En in de derde plaats is
       er ten gevolge van voortdurend proberen en, zo nodig, achteraf corrigeren sprake
       van “georganiseerde anarchie” (Pierre en Peters 2005: 54-58): voorkeuren worden
       werkenderweg bepaald, methodieken en spelers wisselen. Instituties passen zich
       aan op basis van onvolledige informatie, beslissingen zijn meestal het resultaat
       van een samenloop van kansen, mensen en ideeën (Pierre en Peters 2005: 52).
       Velen van de huidige beleidsmakers en bestuurders beschouwen zo’n organisato-
       rische omslag stellig als bedreigend: in hun ogen wordt het een rommeltje. Het
       is echter goed te beseffen dat ook de huidige wisselwerking tussen burgers en
       beleidsmakers sluipenderweg al veel van dergelijke kenmerken heeft: ‘bovenlagen’
       zijn in de praktijk ook nu al in hoge mate afhankelijk van de medewerking van
       ‘onderlagen’. Zonder draagvlak onder burgers wordt beleid onuitvoerbaar, met
       draagvlak is er nauwelijks behoefte aan handhaving. Een meestribbelende frontlijn
       brengt een machinerie tot stilstand. Met een ‘leemlaag’ als middenkader lopen
       beleidsmakers en bestuurders vast, met een trots middenkader aan boord kunnen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 197 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 198 ======================================================================

<pre>                                                               netwerksturing: meer dan symboliek      197
Box 7.1             Een gelaagde netwerkstructuur in werking
  Een gelaagde netwerkstructuur wordt bepaald door cirkels, die de reikwijdte van de invloedssferen
  van de hoofdrolspelers op elk niveau beschrijven. Op het operationele niveau overlappen de clus-
  ters van frontlijnwerkers en burgers idealiter elkaar; verbinders zorgen voor de dwarsbinding die
  kan leiden tot overdracht van ideeën. Indien zich desondanks spanningen voordoen, kan de verbin-
  ding op het tactische niveau tussen het middenkader van de overheid en maatschappelijke instel-
  lingen en trekkers en verbinders van burgerverbanden veelal leiden tot verzoening en soms tot
  conflictbeslechting. Op dit niveau worden de kaders bepaald die operationeel houvast bieden. Op
  het strategische niveau overlappen de cirkels horizontaal met elkaar, maar ook verticaal met die
  op het tactische niveau, met beleidsmakers en bestuurders aan de ene kant en bovenbinders aan de
  andere in een hoofdrol.
  Figuur 7.2        De drie niveaus van een gelaagde netwerkstructuur
        Strategisch
        Tactisch
        Operationeel
          Verbinders
  Indien we de cirkels beschouwen als in elkaar grijpende tandwielen, komt de essentie van de
  gelaagde netwerkstructuur in beeld. Als de kleine wieltjes aan de basis een slag draaien, gebeurt er
  boven vrijwel niets. Als de grote wielen op strategisch niveau echter een tandje draaien, ratelen de
  radertjes onderin. Behalve als er onderin zand in de radertjes wordt gegooid. Dan komt alles tot
  stilstand. Als, omgedraaid, de kleine tandwieltjes allemaal in dezelfde richting draaien, verandert
  ‘de maatschappij’. Dat is de essentie van burgerbetrokkenheid: de motivatie en uitwisseling aan de
  basis die op de hogere niveaus wordt verwerkt in tactiek en strategie.
           ze meters maken. Eenieder onderkent die wederzijdse afhankelijkheid, maar in de
           praktijk van de Weber 1.0/2.0-cultuur wordt dat te veel gezien als een beperkende
           factor voor een efficiënte organisatie. De Weber 3.0-cultuur beschouwt het
</pre>

====================================================================== Einde pagina 198 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 199 ======================================================================

<pre>198 vertrouwen in burgers
       samenspel tussen operationeel, tactisch en strategisch niveau juist als een essenti-
       eel onderdeel voor een effectieve organisatie.
       Tweerichtingsverkeer
       Gelaagde netwerken worden gekenmerkt door een intensieve interactie, niet
       alleen tussen de niveaus binnen de overheidsorganisaties en maatschappelijke
       instellingen, maar ook tussen die organisaties en de samenleving, via verschil-
       lende kanalen van verbinding.
       Op het operationele niveau bevorderen de informele spelregels van de tegenbin-
       ding dat alle burgers op een civiele wijze kunnen deelnemen aan hun samenleving.
       Beleidsmakers verblijven daar niet, maar hun frontlijnwerkers wel degelijk, en zo
       nodig moeten ze misstanden voorkomen en/of corrigeren. Ook de toegevoegde
       waarde van de dwarsbinding door trekkers en verbinders aan de frontlijn wordt in
       hoge mate bepaald door spelregels die hun ruimte en ondersteuning verschaffen.
       Beleidsparticipatie op terreinen als veiligheid en fysieke inrichting vaart er wel bij,
       en dat geldt in nog sterkere mate ook voor maatschappelijke participatie en initia-
       tieven. Beleidsmakers hebben dus belang bij een goede invulling en worden door
       burgers daar ook op aangekeken.
       Op het tactische niveau treffen de verbinders vanuit de frontlijn – burgers en/of
       frontlijnwerkers – het middenkader van de maatschappelijke en overheidsinstel-
       lingen. De vertegenwoordigers van beide zijden moeten zeker zijn van de rugdek-
       king van respectievelijk hun achterban en hun bazen. Beleidsmakers en bestuur-
       ders vormen daartoe in hun rol als ‘baas’ – wat Tops (2007) “vitale coalities”
       noemt. Binnen de grenzen van nationaal beleid krijgen met name de uitvoerings-
       kaders van de maatschappelijke participatie vorm op regionaal niveau; maatschap-
       pelijke voorzieningen als onderwijs, gezondheidszorg, huisvesting, jeugd- en
       seniorenzorg, en openbaar vervoer hebben een hoog ‘streekgehalte’. Burgers
       ontwikkelen ook steeds vaker maatschappelijke initiatieven die binnen deze laag
       hun rugdekking moeten krijgen. Het is aan beleidsmakers, zowel regionaal als
       nationaal, om de voorwaarden daartoe te bevorderen.
       Op het strategische niveau ten slotte, ‘ontmoeten’ burgers politici. Het is op dit
       moment een wat eenzijdige relatie: burgers kennen de kopstukken wel (of denken
       dat te doen), maar andersom is het een anoniem gebeuren, waarbij opiniepeilingen
       en via-viaverhalen veel van de inkleuring bieden. Burgers legitimeren hun volks-
       vertegenwoordigers en als deze er in de praktijk niks van maken, stemmen ze bij
       een volgende verkiezing op een andere partij. Zo houden ze elke vier jaar het
       afsprakenpakket met ‘hun’ beleidsmakers opnieuw tegen het licht. De uitkomst
       van die heronderhandeling wordt sterk bepaald door hun ervaring op de twee
       lagere niveaus. Beleidsmakers in de bovenlaag hebben dus een direct belang bij een
       als zinvol ervaren burgerbetrokkenheid, maar ze doen zichzelf en de samenleving
</pre>

====================================================================== Einde pagina 199 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 200 ======================================================================

<pre>                                                netwerksturing: meer dan symboliek 199
tekort door het beperkte beroep op actieve beleidsparticipatie en vooral door de
rem op maatschappelijke initiatieven.
Dit tweerichtingsverkeer – op operationeel, tactisch en strategisch niveau – tussen
beleidsmakers en (samenwerkingsverbanden van) burgers houdt alle spelers
scherp en bij de les. Of zoals Pieter Tops het uitdrukt: “Burgers spreken het
bestuur aan en het bestuur spreekt burgers aan. Burgers voeden het bestuur op
en het bestuur voedt burgers op” (Tops 2009: 57-58). In dat tweerichtingsverkeer
moeten beleidsmakers en bestuurders vaker dan tevoren het stuur uit handen
geven en durven terugvallen op strategische herkenning (Burgelman en Sayles
1988): het in blijde verwachting uitzien naar de initiatieven waarmee ‘het veld’
komt.
Die omslag van sturen op inhoud in Weber 1.0/2.0 naar sturen op proces in
Weber 3.0 stelt hoge eisen aan beleidsmakers, constateert oud-topambtenaar Roel
Bekker (2009): “Het beeld van een overheid en van overheidsdienaren als onder-
deel van grotere en kleinere netwerken verdraagt zich slecht met een politiek
systeem dat zelf weliswaar naar zijn aard zeer chaotisch is, maar in zijn verhouding
met het ambtelijke systeem tot dusver geheel gericht is op de orde van verkokering
en hiërarchie.” De Weber 3.0-overheidscultuur moet kunnen inspelen op de
variëteit aan culturen van spelers op het burgerbetrokkenheidsveld, met inbegrip
van die van maatschappelijke initiatieven en de andersbewegingen, en vooral een
open oog hebben voor de uiteenlopende behoeften en kwaliteiten van burgers.
                                           ***
In een democratie die zichzelf voortdurend wil aanpassen aan technologische en
maatschappelijke ontwikkelingen, is het beleid nooit volledig correct toegesne-
den. Miljoenen mensen moeten steeds miljoenen kleine correcties maken: het
formele beleid inkleuren en uitdagen. De kunst van het openbaar bestuur is in
hoge mate het laten van een gepaste ruimte aan burgers: weet wanneer je nodig
bent en blijf weg als dat niet het geval is. Netwerksturing is daarvoor essentieel
en beleidsmakers moeten grotere stappen in die richting zetten dan tot nu toe is
gedaan. De stap van Weber 1.0 naar Weber 2.0 met meer ruimte voor ambtenaren
en nieuwe instrumenten voor burgerparticipatie is niet voldoende; de stap naar
Weber 3.0 kan niet langer worden uitgesteld. De huidige samenleving vergt het
besturen van het onbestuurbare. Dat betekent een grote uitdaging voor beleids-
makers die uithoudingsvermogen vergt. In het vierde en laatste deel van ons
rapport doen wij suggesties die deze oplossing dichterbij kunnen brengen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 200 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 201 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 201 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 202 ======================================================================

<pre>deel iv
burgerbetrokkenheid in nederland:
aanbevelingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 202 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 203 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 203 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 204 ======================================================================

<pre>                                                                                    203
8 bouwen aan vertrouwen
  Wat kunnen beleidsmakers – politici en ambtenaren – doen? We hebben niet de
  pretentie dat we hun ‘de’ oplossing kunnen aanreiken. Het zou ook strijdig zijn
  met ons eigen betoog dat een goed verhaal ruimte laat voor velen – nu en later –
  om een eigen inkleuring te geven aan ‘hun’ betrokkenheid. We willen wel een
  eerste aanzet bieden, als bron van inspiratie om verder te denken en te handelen.
  Daarbij gelden twee uitgangspunten: denk vanuit burgers en vergroot de kaders.
  Denk vanuit burgers. Wie burgers wil betrekken, moet denken vanuit hun
  perspectief. Burgers hebben uiteenlopende behoeften en kwaliteiten en het is zaak
  daar in een netwerksamenleving rekening mee te houden. Als dat onvoldoende
  gebeurt, zullen (te) velen afhaken. In ons onderzoek onderscheidden we vier
  betrokkenheidsstijlen die de verhouding van burgers ten opzichte van beleidsma-
  kers omschrijven. Verantwoordelijken – 30 tot 35 procent van de stemgerechtigde
  bevolking – zijn veelal bereid om de uitdagingen die beleidsmakers hun voorleg-
  gen, op te pakken. Een deel van de bevolking, zo’n 15 procent, kan worden geken-
  merkt als Volgzaam: ze weten zich minder toegerust om effectief invloed uit te
  oefenen op beleid, maar ze zijn gezagsgetrouw. Ruim een kwart, 25 tot 30 procent,
  van de bevolking betitelden we als Pragmatici: ze zijn, zo nodig, goed in staat om
  voor hun belangen op te komen maar voelen zich nauwelijks aangesproken door
  de uitdagingen van nationale beleidsmakers. Critici ten slotte voelen zich door
  datzelfde aanbod overvraagd en dreigen te vervallen in een houding van wij-
  tegen-zij: kritisch, op het randje van afhaken. Deze vier stijlen bieden een goed
  uitgangspunt voor het verbreden én verfijnen van het betrokkenheidsaanbod.
  Onder voorwaarden blijken alle groepen burgers te bereiken en goeddeels te acti-
  veren. Dat vereist wel een gedifferentieerde bewegingsruimte die tegemoetkomt
  aan hun specifieke behoeften en kwaliteiten.
  Vergroot de kaders. Wie burgers wil betrekken moet drie verschillende velden van
  betrokkenheid onderscheiden. Beleidsparticipatie is nog te eenzijdig gericht op de
  planningsfase van beleid en gaat vooral uit van het perspectief van beleidsmakers:
  burgers ‘mogen’ meepraten over plannen van de overheid. Het verbreden van
  beleidsparticipatie naar andere beleidsfasen betekent dat burgers ook bij de agen-
  davorming, beleidsuitvoering en crisisbeheersing betrokken worden. In het
  huidige beleid gericht op maatschappelijke participatie staat samenbinding nog te
  veel centraal. Het vernieuwen van maatschappelijke participatie vraagt juist om
  het versterken van tegenbinding in de openbare ruimte en de dwarsverbinding
  naar kwetsbare (groepen) burgers. De grootste uitdaging is echter gelegen in het
  verwelkomen van maatschappelijk initiatieven die niet altijd gladjes ‘passen’ in het
  beleidsperspectief van beleidsmakers. Zeker als deze initiatieven zich begeven op
  de velden van beleidsparticipatie en maatschappelijke participatie, kunnen ze zeer
</pre>

====================================================================== Einde pagina 204 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 205 ======================================================================

<pre>204   vertrouwen in burgers
         ontregelend maar ook van grote toegevoegde waarde zijn voor beleidsmakers: ze
         kunnen verstarde denkkaders doorbreken.
         Deze uitgangspunten vragen om ruimdenkende beleidsmakers die bereid zijn te
         bouwen aan vertrouwen en de grondvesten te leggen voor een nieuwe generatie
         doe-democratie: stapje voor stapje, experimenterend, lerend en waar nodig
         achteraf corrigerend. We schetsen vier verschillende manieren om daar concrete
         invulling aan te geven: creëer voldoende en adequaat tegenspel, vergroot de alle-
         daagse invloed, stimuleer het maatschappelijk verkeer, en bouw stevige steunpila-
         ren.
8.1      creëer tegenspel
         Goede beleidsmakers hechten aan tegenspel. Ze geven niet alleen ruimte voor
         tegengeluid, maar nodigen dat ook actief uit (zie ook Hajer 2011: 51). Informatie is
         daarvoor essentieel. Dat geldt voor alle betrokkenen: burgers moeten beschikken
         over goede informatie om initiatieven te starten en voor hun belangen op te
         kunnen komen en beleidsmakers moeten hun burgers kennen om hen te kunnen
         betrekken. Op beide terreinen zijn – aanzienlijke – verbeteringen wenselijk.
8.1.1    vergroot toegang tot data
         Clusters kristalliseren veelal uit rond een informatie-uitwisseling die uiteenloopt
         van het ‘gonzen’ aan een schoolhek en de klassieke dorpskrant tot buurtwebsites
         en sociale media waar voetbalsupporters of andere gelijkgestemden elkaar ‘tref-
         fen’. Voor een adequaat tegengeluid is het van belang dat dit gonzen gebaseerd is
         op correcte informatie. Beleidsmakers hebben op dit terrein een bijzondere
         verantwoordelijkheid, omdat ze beschikken over veel data die, mits vrij toeganke-
         lijk, waardevol kunnen zijn voor burgers. Wanneer deze data openbaar zijn en
         volgens een standaard worden gepubliceerd, zullen e-burgers zelf toepassingen
         bedenken die nuttig zijn voor andere burgers en die – zoals het initiatief ‘hack de
         overheid’ (www.hackdeoverheid.nl) – beogen om beleidsmakers scherp te
         houden.
         Toegang tot informatie is zeker gewenst als beleidsmakers besluiten om bepaalde
         verantwoordelijkheden over te dragen aan (groepen) burgers. Burgers kunnen dan
         immers niet meer terugvallen op de overheid als hun belangenbehartiger. Traditi-
         oneel stellen beleidsmakers eisen aan derden voor informatievoorziening aan
         burgers, denk aan labels, bijsluiters, keurmerken, om burgers te ondersteunen in
         het maken van verantwoorde keuzes, maar als de achterliggende data openbaar
         worden gemaakt, kunnen ook anderen zich inzetten voor de informatievoorzie-
         ning. Meer openheid en toegankelijkheid van data kunnen stimulerend werken;
         burgers maken toepassingen die niet van tevoren te verzinnen zijn. Zo zijn er nu
</pre>

====================================================================== Einde pagina 205 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 206 ======================================================================

<pre>                                                                      bouwen aan vertrouwen       205
       twee app’s met informatie ter ondersteuning van een verantwoorde voedings-
       keuze in de supermarkt (Boodschapapp en Eet-wijzerapp). Vergelijkbare initiatie-
       ven zijn denkbaar voor het toegankelijker maken van informatie over maatschap-
       pelijke instellingen, ter ondersteuning van de keuze voor bijvoorbeeld scholen,
       ziekenhuizen of wooncorporaties.
       Indien kiezers de gelegenheid krijgen om op basis van open data een oordeel te
       geven over het presteren van ‘hun’ politici, zal dat hun inbreng stellig een groter
       gewicht verschaffen bij de beleidsvoorbereiding en -uitvoering door ‘hun’ politici.
       Ter inspiratie: we vroegen elf jonge mensen met veel ervaring met internetinitia-
       tieven, hoe een Open Tweede Kamer hun inzet zinvoller kan maken.
Aanbevelingen voor een Open Tweede Kamer 1
1 Publiceer alle parlementaire documenten (inclusief handelingen) op zo’n manier dat ze geschikt
  zijn voor geautomatiseerd hergebruik.
2 Publiceer niet alleen informatie over het primaire proces, maar ook alle informatie over secun-
  daire processen die (mogelijk) relevant zijn voor de beïnvloeding van volksvertegenwoordigers.
3 Zorg dat het proces van wetgeving duidelijk te volgen is op de website van de Tweede Kamer,
  inclusief alle documenten die bij het voorstel van wet horen. Zorg dat op ieder moment te zien
  is op welk punt in het proces de wetgeving staat, welke documenten er al over zijn verschenen,
  wat de toezeggingen zijn van de minister aan de Tweede Kamer en welke organisaties er advies
  over hebben gegeven.
4 Kom met een unieke manier om de diverse dossiers ook buiten de Tweede Kamer te kunnen
  volgen. Bijvoorbeeld door zelf met hashtags te komen als #tk31221 (Tweede Kamer dossier
  31.221). Dan is voor anderen makkelijk om de discussie te volgen en is het voor Tweede Kamer-
  leden gemakkelijker om te vinden waar buiten de Tweede Kamer over het dossier gediscus-
  sieerd wordt.
5 Neem burgerinitiatieven serieus. Zorg dat deze minimaal een inhoudelijk antwoord krijgen en
  stel als Tweede Kamer jezelf een doel over het minimaal aantal burgerinitiatieven dat per jaar
  behandeld dient te worden.
       Een publieke beoordeling van de activiteiten van politici op specifieke onderwer-
       pen zal ongetwijfeld de democratie verlevendigen, evenals ‘intelligente’ referenda
       op terreinen waar burgers beschikken over zowel belangstelling als deskundig-
       heid. Een directe stemming over de toewijzing van omroeptijden zou bijvoorbeeld
       een eind maken aan de gekunstelde koppeling aan het lidmaatschap van publieke
       omroepen. De laatste tien jaar is succesvol geëxperimenteerd met directe sturing
       met behulp van rechten: aandelen, vouchers, buurtrechten. Het collectief van
       individuele burgers komt zo op soms zeer effectieve wijze tot een gezamenlijk
       besluit: dit willen we wel, dit niet.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 206 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 207 ======================================================================

<pre>206    vertrouwen in burgers
  Burgers wordt gevraagd mee te praten over plannen van beleidsmakers die vervolgens de uiteinde-
  lijke keus maken. Waarom dat niet omgekeerd? Gemeentelijke of provinciale beleidsmakers
  ontwikkelen, zeg, drie plannen voor de herinrichting van een woongebied of een natuurterrein.
  Alle plannen voldoen aan inhoudelijke kwaliteitscriteria en zijn voorzien van een sluitende finan-
  ciële paragraaf waaruit duidelijk blijkt wat de kosten zijn en hoe in de dekking wordt voorzien.
  Ze leggen de plannen ter goedkeuring voor aan de volksvertegenwoordiging. Indien ook die zich na
  een marginale toetsing kan vinden in de haalbaarheid van de drie plannen, worden de drie aldus
  goedgekeurde alternatieven in de vorm van een bindend referendum voorgelegd aan de omwonen-
  den. Politieke partijen en burgeractivisten hebben hierbij de vrije hand om de kiezers te beïnvloe-
  den in hun keuzebepaling.
  Kan een vergelijkbare benadering ook werken op nationaal niveau? Het kabinet ontwikkelt drie
  alternatieve plannen en verdedigt hun aanvaardbaarheid (met alle plussen en minnen, ook finan-
  cieel) in de Tweede Kamer. Na marginale toetsing door de Tweede Kamer worden alle drie in de
  vorm van een referendum voorgelegd aan (een relevant deel van) de bevolking. Of een stap verder:
  politieke partijen worden uitgenodigd een dergelijk plan te ontwikkelen. Na inhoudelijke en finan-
  ciële toetsing door de betrokken vakministeries en de Algemene Rekenkamer bepaalt de Tweede
  Kamer door stemming welke drie worden voorgelegd aan de kiezers.
          Burgers liggen bij beleidsmakers op achterstand bij de beoordeling van marktpar-
          tijen. Mede om die reden hebben beleidsmakers van oudsher een sterke nadruk
          gelegd op de bescherming van hun positie; een groot aantal toezichthouders
          bewaakt inmiddels hun belangen in de markten voor producten en diensten,
          arbeid, kapitaal, burenomgang, en beleid. In de netwerksamenleving kunnen
          burgers echter veel meer, onder voorwaarde dat hun informatieachterstand zoda-
          nig wordt beperkt dat ze effectief tegenspel kunnen bieden. Met een betere infor-
          matievoorziening kunnen beleidsmakers de achterstand bij burgers verkleinen en
          maatschappelijke initiatieven faciliteren, zelfs als die geen terreinen van directe
          overheidsbemoeienis betreffen. Ter illustratie; de koplopers in het bedrijfsleven
          geven invulling aan maatschappelijk verantwoord ondernemen (mvo). Naming
          and shaming kan het peloton en de achterblijvers doen versnellen, zeker als het
          gaat om schadelijk, maar niet illegaal gedrag: denk aan explosiegevaar, uitstoot van
          gevaarlijke stoffen, ‘fout’ vlees.
          De Nederlandse corporate governance code – de spelregels voor de ondernemings-
          bestuurders – vereist dat informatie over voor de onderneming relevante maat-
          schappelijke aspecten van ondernemen wordt verstrekt aan de raad van commis-
          sarissen. Geëist zou mogen worden dat deze informatie publiek toegankelijk is en
          dat niet beperkt wordt tot de “voor de onderneming relevante maatschappelijke
          aspecten van ondernemen”, maar ook de voor de samenleving relevante aspecten
          beslaat. Weer dienen beleidsmakers de kaders te bepalen: wat valt wel of niet
          onder relevante maatschappelijke aspecten en welke informatie is vereist om pres-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 207 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 208 ======================================================================

<pre>                                                                 bouwen aan vertrouwen   207
      taties te beoordelen? Goedwillende ondernemingen varen wel bij zo’n koers; ze
      kunnen zich immers ook in de ‘andere’, nu vaak nauwelijks transparante markten
      onderscheiden van hun concurrenten. Ook het aantal toezichthouders en hun
      takenpakket kan worden beperkt.
      Mensen zijn meer bereid tot actie indien ze weten wat ze kunnen ‘verdienen’ met
      eigen handelen (Poteete et al. 2010: 277). Een specifieke, én voor burgerbetrokken-
      heid wezenlijke prikkel is dan ook gelegen in terugkoppeling (feedback). Wanneer
      de bewoners van woonerfwijken bijvoorbeeld weten hoeveel de waarde van hun
      huizen stijgt door een goed beheer van de gedeelde openbare ruimte, is er veel
      winst te behalen; het gaat om circa een miljoen huishoudens (Wassenberg en
      Lupi 2011: 33-35). Is ook een kwantumsprong mogelijk bij energiebesparing indien
      vergelijkbare gebruikscijfers per huishouden beschikbaar zijn? Stichting Natuur
      en Milieu hoopt huizenbezitters bewuster te maken van hun energieverbruik door
      meters aan de muur te hangen die het verbruik rechtstreeks laten zien. Verbruiken
      ze minder energie, dan krijgen ze spaarpunten waarmee ze met korting hun huis
      van duurzame voorzieningen, zoals dubbel glas, kunnen voorzien. Doet de hele
      buurt mee, dan gaat de korting verder omhoog.
8.1.2 verbreed eigen informatiegaring
      Informatiestromen lopen in de netwerksamenleving niet uitsluitend meer van
      boven naar beneden, maar ook horizontaal, zowel binnen de organisatie als naar
      de buitenwereld. Indien beleidsmakers erin slagen om proactief de meest relevante
      netwerken aan te boren, kunnen ze de onderbouwing van hun beleid verbeteren.
      Ze moeten dan wel kunnen beschikken over creatieve en passende instrumenten.
      Zonder pretentie van volledigheid willen we bij wijze van illustratie – en ter inspi-
      ratie – een aantal daarvan noemen.
      Steeds vaker doen beleidsmakers een beroep op burgers om hun beleid beter te
      onderbouwen en uit te voeren. Het is een van de opvallende bevindingen van ons
      veldonderzoek: de meeste vrijwilligers werden actief omdat hun dat was gevraagd.
      Burgernet vormt een voorbeeld, evenals de mogelijkheid die de Voedsel- en
      Warenautoriteit biedt om op internet te waarschuwen voor de hygiënische situa-
      tie in een bepaald restaurant. Toch is juist op het terrein van crowd sourcing sprake
      van een nog goeddeels onbenutte kans voor open doel. Wanneer beleidsmakers
      een beroep doen op bijstand, die (groepen) burgers als ‘werkelijk’ en bij voorkeur
      ook nog eens als ‘leuk’ ervaren en waarvoor ze zich ook voldoende toegerust
      achten, zijn velen bereid tot inzet. Vanuit de grote groep geïnteresseerden kan dan
      een kleinere groep doeners ontstaan die veel tijd en energie steekt in het project;
      het fenomeen van de ‘lange staart’. Beleidsmakers kunnen zich bijvoorbeeld laten
      inspireren op twitter, waar door middel van de toevoeging #durftevragen in een
      tweet, aan honderdduizenden tegelijkertijd een vraag kan worden gesteld. Indien
</pre>

====================================================================== Einde pagina 208 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 209 ======================================================================

<pre>208   vertrouwen in burgers
          bovendien goedwillende – in het jargon: ‘ethische’ – hackers van overheidssites
          (die ‘falen’ melden) onder voorwaarden klokkenkluidersstatus verkrijgen, mag
          worden aangenomen dat beleidsmakers niet alleen scherp worden gehouden, maar
          ook beter beschermd zullen zijn.
  Stel dat de Tweede Kamer aan het begin van een zittingsperiode drie tot vijf onderwerpen selec-
  teert die zich onderscheiden door een breed politiek draagvlak en grote maatschappelijke reik-
  wijdte. Op deze onderwerpen wordt dwars door de partijen en de Kamercommissies heen samen-
  gewerkt. Denk bijvoorbeeld aan het verbeteren van de kwetsbare positie van de steeds grotere
  groep senioren of – aan de positieve kant – het verzachten van de overgang van werkzaam naar
  gepensioneerd. Denk ook aan energiebesparing, of de positie van werkende moeders. Stel dat de
  Tweede Kamer vervolgens een prijsvraag uitschrijft over die onderwerpen en daarbij uitdrukkelijk
  ‘de burgers’ uitnodigt om mee te denken en met suggesties te komen. De ‘winnaars’ wordt
  gevraagd hun voorstel toe te lichten in de Kamer, waarna het op de Kameragenda wordt geplaatst.
          Door middel van webmonitoring is het mogelijk om veel eerder dan vroeger
          bepaalde patronen en ideeën op te pikken. Het continu (digitaal) aftasten van
          internet op belangrijke onderwerpen biedt de kans om een beginnende veenbrand
          op te pakken op het moment dat er nog een kans is om er constructief mee om
          te gaan, zoals de protesten tegen de stemcomputers, of de discussie rond de hpv-
          vaccinatie. Dat hierbij waarborgen van zorgvuldigheid in acht moeten worden
          genomen behoeft na ons recente rapport iOverheid (wrr 2011) geen nader betoog.
          De uitdaging is dan vooral om dergelijke instrumenten niet alleen ‘defensief’ te
          gebruiken (hoe weet ik eerder dan alle anderen dat er een crisis/protest/veen-
          brand aan zit te komen?), maar zo’n geavanceerde krachtenveldanalyse veeleer als
          een essentieel onderdeel van elk beleid te zien: waar zit de kennis, wie zijn betrok-
          ken bij dit onderwerp, wat is hun kennis en welke inbreng zouden ze kunnen en
          willen leveren?
          ‘Serious gaming’ biedt beleidsmakers goede kansen om mensen op een creatieve
          en speelse manier te laten meedenken over ingewikkelde uitdagingen. Veel men-
          sen – jongeren én minder jongeren – beleven plezier aan de uitdagingen van zoge-
          naamde strategy games, veelal in mythische virtuele werelden. Wie uitdagingen
          weet te vangen in aantrekkelijke spellen, kan gebruikmaken van de vrijwillige
          inzet van ‘de spelende mens’ – de ‘homo ludens’ van Johan Huizinga (1952). De
          potentiële vrijwilligersinzet is fenomenaal en de kunst is weer die van het meebe-
          wegen: niet zelf doen, maar openstaan voor de bestaande activiteiten van bevlogen
          ‘amateurs’.
          Beleidsmakers zijn gebaat met een directe inbreng van ‘hun’ frontlijnwerkers,
          vooral de verbinders naar moeilijk bereikbare (groepen) burgers. Het blijft een
          wonderlijke constatering dat het openbaar bestuur zeer veel enquêtes kent, maar
</pre>

====================================================================== Einde pagina 209 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 210 ======================================================================

<pre>                                                            bouwen aan vertrouwen 209
dat de frontlijnwerkers – wijkagenten, leraren, zorgverleners, welzijnswerkers –
zelden naar hun ervaring of mening wordt gevraagd. Beter dan beleidsambtenaren
zijn ze door hun nabijheid tot burgers in staat om de inbreng vanuit een alledaagse
leefomgeving te verwoorden. Ze zijn bovendien bij uitstek deskundig waar het
gaat om de effectiviteit en efficiëntie van de beleidsuitvoering.
Beleidsmakers kunnen burgers bereiken door middel van een gerichte uitnodiging
tot actieve betrokkenheid. Via e-alert ontvangen burgers bijvoorbeeld een mail als
in hun buurt een vergunning wordt aangevraagd. Ondernemingen als Amazon
bouwden hun succes op patroonherkenning. Waarom worden burgers niet gericht
geactiveerd: ‘U leverde eerder inbreng op onderwerp A, misschien bent u ook wel
geïnteresseerd dat te doen bij het verwante onderwerp B.’ Een ander voorbeeld is
activerend enquêteren: bewoners bevragen elkaar over hun toekomstwensen en
zijn vervolgens veelal bereid tot actieve betrokkenheid bij de aanpak van de ‘eigen’
prioriteiten. Verbinders kunnen op deze manier een belangrijke rol spelen bij het
bereiken van kwetsbare burgers.
Het verdient aanbeveling om alle grotere dossiers waarvoor beleidsmakers
(mede)verantwoordelijkheid vragen van burgers, te onderwerpen aan een publieke
toetsing. Het proces kan eenvoudig zijn: een nieuw project of beleidsvoornemen
wordt voorgedragen met inbegrip van een betrokkenheidsaanpak. Vervolgens
vragen de initiatiefnemers om dat voorstel van een second opinion te voorzien en,
zo nodig, aanbevelingen te doen voor aanpassing. Beleidsmakers kunnen daarvan
gemotiveerd afwijken, maar het zal hun positie bij een eventueel later beroep geen
goed doen als de motivering zwak is onderbouwd. Na afronding kan de ‘inspre-
kers’ bovendien een oordeel worden gevraagd over de kwaliteit van de procesuit-
voering.
Denktanks van betrokken burgers maken al langere tijd en op veel terreinen
onderdeel uit van de beleidsvorming. Reguliere ‘polls’, luidt de kritiek, peilen
vooral onberedeneerde voorkeuren of ingevingen van het moment (Van Stokkom
2006: 116-117). De grootschalige experimenten met deliberatieve opiniepeilingen
van bijvoorbeeld Fishkin (2009) bieden een alternatief voor deze ‘domme’ peilin-
gen. Door een groep mensen van relevante informatie te voorzien (bijvoorbeeld
via interactieve voorlichting door experts) en ze vervolgens een paar dagen met
elkaar te laten praten en naar elkaar te laten luisteren, komen ze als groep onveran-
derlijk tot andere, meer genuanceerde oordelen. In Nederland experimenteerde
het Openbaar Ministerie met zogenaamde ‘burgerfora’: burgers werden uitgeno-
digd om mee te praten en denken over de richtlijnen voor strafvordering. Het
bleek dat de deelnemers aan de fora na discussie en informatievergaring op onge-
veer dezelfde strafmaat uitkwamen als het om, terwijl ze zonder discussie vaak
voor een hogere straf pleitten. Soms leidde hun dwarsbinding ook tot nieuwe
inzichten. Ter illustratie: de wet maakt op dit moment geen onderscheid tussen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 210 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 211 ======================================================================

<pre>210    vertrouwen in burgers
          geplande en ongeplande openlijke geweldpleging. Veel deelnemers ervoeren dit
          als tegenintuïtief: het maakt uit of je in een dronken bui ruzie krijgt en geweldda-
          dig wordt, of dat je een week tevoren al plannen maakte en het wapen meebrengt
          naar de kroeg.2 Burgers fungeren op deze manier als een goedgeïnformeerd en
          gemotiveerd adviesorgaan (Cohen en Fung 2004).
   De leden van een Burgerkamer (Van Stokkom 2006: 134) stemmen over meerdere dimensies van
   een wetsvoorstel waardoor de plebiscitaire logica – de reductie van het debat tot ‘voor’ of ‘tegen’ –
   kan worden uitgeschakeld. In de praktijk zou bijvoorbeeld een bepaald aantal burgers (zeg: 40.000)
   een volksinitiatief fiatteren: een wetsvoorstel dat zowel agendabepalend kan zijn als amenderend
   op reeds bestaande wetgeving. Of beleidsmakers willen een uitspraak van het volk over een wets-
   voorstel. Die voorstellen worden voorgelegd aan de Burgerkamer die er bindende beslissingen over
   neemt. Iedere stemgerechtigde is potentieel kandidaat voor de Burgerkamer. Ongeveer 500 burgers
   trekken zich twee dagen terug voor beraad. Ze ondervragen deskundigen en de ‘getuigen’ die
   worden aangedragen door de voor- en tegenstanders van het voorstel, en ze bespreken onderling de
   gevolgen van hun inbreng. Ten slotte stemmen ze over een veelheid van aspecten van het wets-
   voorstel.
8.2       vergroot alledaagse invloed
          De alledaagse leefomgeving vormt een belangrijk aangrijpingspunt voor burger-
          betrokkenheid; ons veldwerk biedt daarvan een staalkaart. Traditioneel ligt een
          sterke nadruk op ‘de buurt’, maar een dergelijk eenzijdige focus doet kansen verlo-
          ren gaan: de alledaagse leefomgeving wordt immers ook voor een belangrijk deel
          bepaald door opleidingen, werk en vrijetijdsbesteding met inbegrip van internet.
          Ook op regionaal en nationaal niveau laten burgers hun stem horen om de kwali-
          teit van hun dagelijks leven te beïnvloeden; denk bijvoorbeeld aan het debat over
          Brabantse megastallen en de scholierenprotesten tegen de 1040 uren-norm. Steeds
          vaker geven velen ook mondiaal via internet inhoud aan een nieuwe vorm van
          nabuurschap wanneer ze volledig vreemden te hulp schieten bij het oplossen van
          een breed scala aan alledaagse vraagstukken; de naamgeving van website Nabuur is
          daarvoor kenmerkend.
          Op alle drie velden van burgerbetrokkenheid, met name daar waar de velden over-
          lappen, zijn verbeteringen om de alledaagse leefomgeving te vergroten mogelijk.
          De grootste winst is te behalen langs de weg van maatschappelijke initiatieven.
          Die zijn vanuit beleidsperspectief ‘lastig’: ze passen vaak niet in de beleidsagenda
          en zijn soms zelfs strijdig met het bestaande beleid. Aan de andere kant is dat juist
          hun kracht: de dwarsbinding zorgt voor nieuwe ideeën die de levende democratie
          kunnen verrijken. Ze kunnen bovendien bouwen op de samenbinding onder de
          betrokken burgers; hun slaagkans is daarom groter. Wat kan, behalve niet in de
          weg lopen en verbeterde informatievoorziening, de rol zijn van beleidsmakers?
</pre>

====================================================================== Einde pagina 211 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 212 ======================================================================

<pre>                                                                           bouwen aan vertrouwen     211
          Ons onderzoek kan dienen als inspiratiebron voor verdere inkleuring van de
          beleidspraktijk.
8.2.1     deel publiek ‘eigendom’ in maatschappen
          Idealiter beschouwen burgers de maatschappelijke voorzieningen waarvan ze
          intensief gebruikmaken, als de hunne. Denk aan de huizen waarin ze wonen, de
          scholen waar hun kinderen leren, de zorginstellingen waarop ze in geval van nood
          kunnen terugvallen, de politie die zorg draagt voor de veiligheid in hun buurten
          en in het verkeer, maar ook het openbaar groen en de sportvoorzieningen waar ze
          recreëren.
          Dat inspireerde ons om te gaan denken in termen van maatschappen, gebouwd
          rond het begrip vrijheid in gebondenheid (zie ook wrr 2005: 201-213). Betrokken
          burgers en bestuurders van maatschappelijke instellingen reiken elkaar de hand
          en ontwikkelen samenwerkingsvormen zoals die van oudsher ook ten grondslag
          lagen aan de coöperaties in de land- en tuinbouw. Ze zijn bereid een stukje van
          hun vrijheid in te leveren om zo de voordelen van de gebondenheid te kunnen
          realiseren. Immers, wie rechten wil moet ook plichten aanvaarden. En wie plich-
          ten aanvaardt kan daar rechten aan ontlenen.
  Nationale beleidsmakers stellen op het gebied van ruimtelijke ordening en natuurbeheer een
  toenemend vertrouwen in lagere overheden. Daar is veel voor te zeggen: het publieke belang wordt
  dichter bij burgers gebracht. De dagelijkse bestuurspraktijk blijkt voor veel gemeenten echter een
  zware belasting: de benodigde middelen (kennis, tijd) ontbreken vaak en beleidsmakers plegen bij
  hun afwegingen soms te ‘vallen’ voor financiële argumenten van in het bijzonder projectontwikke-
  laars. Groene streekmaatschappen, samengesteld uit grondeigenaren en omwonenden en vormge-
  geven langs de lijnen van Ostrom, kunnen een wenselijk tegenwicht bieden bij het beheer van de
  open ruimte of natuur. Ze kunnen zich vanuit hun eenduidige doelstelling effectief verweren tegen
  ‘oneigenlijke’ voorstellen.
          De sleutel tot succes van dergelijke maatschappen is gelegen in de verbinding van
          bestuurders aan de ene en ‘maten’ – burgers en frontlijnwerkers – aan de andere
          kant. Wat burgers in te brengen hebben is hun kennis en kennissen: niet beleids-
          deskundigheid, maar veeleer ervaringsdeskundigheid (Tonkens 2009a; Stivers
          2010). Idealiter denken bestuurders en burgers binnen een maatschap in termen
          van een gedeeld eigendom van ‘hun’ instelling. Dat vereist een ‘ontbundeling’ van
          grote, verticale instituties in kleinere clusters die dicht bij de burgers en frontlijn-
          werkers staan: scholengemeenschappen en wooncorporaties worden als het ware
          opgedeeld in kleinschalige eenheden met een eigen maatschapsbestuur. Het beleg-
          gen van het ‘eigendom’ binnen lokale clusters biedt het voordeel van nabijheid.
          De clusters spelen in op de behoeften en kwaliteiten van hun ‘maten’.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 212 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 213 ======================================================================

<pre>212 vertrouwen in burgers
       Het werken vanuit clusters sluit goed aan bij de dynamiek van de netwerksamen-
       leving. Activiteiten moeten zich kunnen aanpassen aan veranderende omstandig-
       heden en clusters kunnen worden opgeheven, samengevoegd of verder uitge-
       splitst (Geerlof 2011: 310). Lokale bestuurders dienen daarom jaarlijks
       verantwoording af te leggen tegenover een matenvergadering die, als was het een
       aandeelhoudersbijeenkomst, goedkeuring verleent of een voordracht tot ontslag
       doet. Bovenlokale bestuurders moeten zorg dragen voor een passende overkoepe-
       ling van de cellen, waarbij ze voortdurend de bewijslast van een toegevoegde
       waarde op zich nemen. Ook zij dienen zich te verantwoorden tegenover een
       bovenlokale ledenraad. In plaats van raden van commissarissen of toezicht van
       dergelijke koepels samen te stellen via coöptatie binnen een beperkte elite kan
       worden overwogen een meerderheid te laten verkiezen door ‘maten’.
       De mogelijkheden daarvoor zijn door de regering-Cameron-Clegg, geïnspireerd
       door Phillip Blond in zijn boek Red Tory (2010), expliciet aangegrepen. Het heeft
       er zelfs toe geleid dat een ‘right to challenge’ is opgenomen in wetgeving. Samen-
       werkingsverbanden van burgers die menen een lokale maatschappelijke voorzie-
       ning ‘beter’ te kunnen leveren, hebben het recht om een bod uit te brengen dat
       door beleidsmakers serieus moet worden afgewogen (Department for Communi-
       ties and Local Government 2011). Het is een regeling die ook voor Nederland inte-
       ressant is (De Boer en Van der Lans 2011; Van der Lans 2012). We troffen in ons
       veldwerk positieve voorbeelden: het kán werken. Vooral als er sprake is van
       gedeeld eigendom met fysieke of andere ‘vastigheid’; denk aan een vereniging van
       eigenaren, of een buurtveiligheidscollectief. Maar we pleiten voor maatwerk. Er
       bestaat geen garantie voor een (blijvende) succesvolle samenwerking (Poteete et al.
       2010: 218), bijvoorbeeld als er minder dwingende redenen zijn voor het in stand
       houden van gedeelde voorzieningen zoals bij een school, een buurthuis, een sport-
       kantine of bij groenbeheer. Vooral wanneer de samenwerking drijft op enthousi-
       asme van een ‘gestaald wit kader’ – ouderen met grote verdiensten die zichzelf
       echter onmisbaar maken en achten – is opvolging vaak problematisch en is de kans
       op buitensluiting van ‘nieuwkomers’ relatief groot. Ook de dwarsverbingen met
       ‘de buitenwereld’ zijn dan vaak wankel en – zeker in een minder toegeruste om-
       geving – zijn de personele en financiële middelen vaak ontoereikend (Sennett
       2012: 252).
       Ons veldwerk liet ook zien dat het dan beter is om professionals te betrekken die
       zeer nabij zijn. Wanneer ze de verbindingen met beleidsmakers en maatschappe-
       lijke instellingen onderhouden en de vrijwilligers waar nodig infrastructureel
       ondersteunen, is er veel mogelijk. Sociale ondernemingen zoals Buurtzorg en
       Opvoedpoli behalen met een minimum aan overhead en een maximum aan zelf-
       verantwoordelijkheid van hun frontlijnwerkers in directe wisselwerking met
       ‘hun’ kwetsbare burgers mooie resultaten. Coöperatieve maatschappen met
       aandelenbezit, deels ook binnen een samenwerkingsverband van burgers, kunnen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 213 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 214 ======================================================================

<pre>                                                                         bouwen aan vertrouwen     213
         wellicht voor doorbraken zorgen op weg naar een inhoudelijke burgerbetrokken-
         heid. De soms overmatige vrijblijvendheid van de vrijwillige inzet van burgers
         krijgt dan meer structurele inhoud.
  Het eigendom van maatschappelijke voorzieningen dient volgens Phillip Blond (2010) te berusten
  bij maatschappelijke ondernemingen (social enterprises), gebaseerd op een gedeeld eigenaarschap
  van frontlijnwerkers en ‘gebruikers’. Alle aandelen blijven binnen de maatschap; bij verandering
  van baan of verhuizing worden de aandelen overgedragen aan de actieve maten. Individuele maten
  zouden wel kunnen delen in de behaalde financiële resultaten (Blond 2010: 241 e.v.). Elke groep
  professionals, maar ook elke gemeenschap, moet het recht hebben om zich te organiseren in zo’n
  maatschap en kan dan een beroep doen op de overdracht van operationele budgetten. Indien ook
  het gebruik van vaste activa – gebouwen, apparaten – wordt overgedragen, blijft het eigendom
  daarvan berusten bij de overheid of een bestaande maatschappelijke instelling (Blond 2010: 273).
  Gebruikersbetrokkenheid is volgens Blond cruciaal om macht te legitimeren en controleren en om
  dwarsbinding te waarborgen. Gebruikers moeten als collectief (of via een representatief model)
  voorgestelde geldstromen kunnen goed- of afkeuren (Blond 2010: 276).
         Geerlof (2011: 255, 312) spreekt van “maatschappelijk aanbesteden”, waarbij groe-
         pen burgers, eventueel in samenwerking met private ondernemers, het recht krij-
         gen om voor een aantal jaren een maatschappelijk vraagstuk aan te pakken. Dat
         luistert nauw, maar bestuurskundig biedt het werk van Elinor Ostrom c.s. teza-
         men met de – brede – praktijkervaring van coöperaties en professionele maat-
         schappen een handvat. Burgers blijken onder de juiste omstandigheden en met de
         juiste toerusting zeer goed in staat gemeenschappelijke bronnen te onderhouden
         zonder tussenkomst van beleidsmakers (wrr 2012). De ontwerpprincipes van
         Ostrom indachtig moeten beleidsmakers zich vooral richten op de omvattende
         kaders die het oprichten van maatschappen mogelijk maken.
8.2.2    versterk institutionele toerusting van collectief
         Soms behoeven burgers de steun van beleidsmakers om een collectief tot stand te
         brengen. Onorthodoxe prikkels kunnen hen in die gevallen over de brug helpen.
         Het ‘betere buurtwerk’ kan worden gestimuleerd door burgers een grotere beslis-
         ruimte toe te kennen, bijvoorbeeld met behulp van buurtrechten (wrr 2005:
         221-222). Beleidsmakers kunnen nog verder gaan door bijvoorbeeld een lagere
         onroerendezaakbelasting (ozb) te heffen in buurten met actieve buurtpreventie;
         burgers hebben daar immers politietaken ‘overgenomen’.
  Alternatieve spelregels kunnen uitnodigen tot actieve betrokkenheid. Bij een ‘omwisselbesluit’
  geven beleidsmakers aan welk besluit ze voornemens zijn te nemen. Vervolgens geven ze (samen-
  werkingsverbanden van) burgers de mogelijkheid om met een alternatieve oplossing te komen,
</pre>

====================================================================== Einde pagina 214 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 215 ======================================================================

<pre>214    vertrouwen in burgers
   binnen helder geformuleerde randvoorwaarden. Het principe is succesvol toegepast in het
   programma Ruimte voor de Rivier: het heeft de aanvankelijke weerstand weten om te zetten in
   private-particuliere initiatieven voor creatieve alternatieve oplossingen (Hajer 2011; De Kort 2009).
   In andere gevallen legden beleidsmakers drie – voor hen aanvaardbare – voorstellen voor aan
   betrokken burgers die in een vorm van referendum de uiteindelijke keus bepaalden. Bij de groot-
   schalige herstructurering van Hoogvliet, onder de rook van Rotterdam, had de deelgemeente een
   voorkeur voor plan A, de wooncorporatie voor B, maar het werd C, omdat de bewoners dat verko-
   zen. Ook hier werd de aanvankelijke weerstand omgezet in samenwerking.
          Ook met andere prikkels kunnen beleidsmakers het vrijwilligerswerk een extra
          dimensie verlenen, bijvoorbeeld door werkloze vrijwilligers met een bewezen
          staat van dienst (zoals één jaar actieve en serieuze betrokkenheid) vanuit een
          vrijwilligerspool voorrang te geven bij sollicitatie. De meest geschikte banen
          zitten onveranderlijk in de hoek met hoge doorstroming; het kost de gemeenten
          en instellingen niets, maar biedt de vrijwilligers perspectief en stimuleert het
          vrijwilligerswerk, zeker wanneer daar met roc’s een scholingstraject aan wordt
          verbonden.
   Kan de overgang van voltijdswerk naar pensioen ‘zachter’ worden gemaakt? Senioren vormen een
   van de weinige grote groeigroepen in de samenleving, en beschikken over tijd, vaardigheden en
   ervaring. Ze mogen nu als vrijwilliger maximaal 1500 euro per jaar ‘verdienen’. Stel dat een speciale
   overgangsregeling het mogelijk maakt dat ze over een periode van jaren hun voltijdswerk met het
   bijbehorende ‘normale’ salaris afbouwen en gelijktijdig een redelijke vrijwilligersvergoeding
   opbouwen. Stel ook dat ze kunnen ‘tijdbankieren’: een saldo van vrijwilligersuren opbouwen dat
   ze kunnen inzetten als ze zelf iets nodig hebben of kunnen weggeven als ze dat willen. Omdat ze
   ook iets terug kunnen doen, maakt het hun gemakkelijker om hulp te vragen. Het zou hun betrok-
   kenheid ongetwijfeld verhogen en bovendien tegemoetkomen in de voorziene behoefte aan ‘extra
   handen’.
          Een enkele keer zijn verdergaande maatregelen wenselijk. Burgers beschikken
          veelal niet over de toerusting om weigerachtige enkelingen te betrekken in een
          vorm van zelforganisatie. Maatschappelijke initiatieven die zich richten op het
          verbeteren van de fysieke inrichting, of de veiligheid van de alledaagse leefomge-
          ving, of op energiebesparing waarbij een minimumschaal geldt, komen daardoor
          moeizaam of in het geheel niet tot stand. Het verdient aanbeveling om, met de
          noodzakelijke randvoorwaarden van zorgvuldigheid (wrr 2012: 169-172), beleids-
          makers dit soort samenwerkingsverbanden te laten initiëren of afdwingen met
          publiekrechtelijke middelen. In het laatste geval ligt het voortouw in eerste instan-
          tie bij beleidsmakers op nationaal niveau: er is immers een formele basis vereist
          om dergelijke verplichtingen te kunnen opleggen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 215 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 216 ======================================================================

<pre>                                                                          bouwen aan vertrouwen   215
         Soms moet een collectief extra kosten maken om een bepaald doel te bereiken;
         denk aan beveiliging of fysieke inrichting. Indien bijvoorbeeld zeventig procent
         van de ondernemers binnen een bepaald gebied instemt met de instelling van
         een business improvement district (bid), zouden de overigen onder bepaalde voor-
         waarden verplicht moeten worden tot deelname. De vergelijkbare vorm binnen
         woonbuurten is te betitelen als een buurtverbeteringszone (bvz). Er zijn situaties
         waarin iedereen mee moet doen om optimaal effect te sorteren (en minimale
         irritatie te veroorzaken: zwartrijders zijn weinig geliefd); denk bijvoorbeeld aan
         buurtverenigingen die een particuliere beveiligingsdienst inhuren of vrijwilligers
         belonen om de veiligheid te vergroten. Maar er zijn ook andere situaties waar een
         verplichte deelname-onder-democratische-voorwaarden aanbeveling verdient;
         denk aan energiebesparing door middel van collectieve voorzieningen, of de
         overname van bepaalde buurtvoorzieningen. Indien hun status wordt verzwaard,
         is het denkbaar dat dergelijke zelforganisaties de huidige, veelal tandeloze
         wijkraden vervangen en fungeren als gesprekspartner van beleidsmakers over
         veiligheid of fysieke inrichting. Het zou de burgerbetrokkenheid goed doen en
         potentiële trekkers en verbinders binnen de cluster een inhoudelijke stimulans
         verschaffen.
         Veel maatschappelijke initiatieven kunnen alleen van de grond komen indien er
         voldoende deelnemers zijn. Vaak regelt dat zichzelf, zoals bij de aanleg van glasve-
         zel. In buurten met zowel corporatie als particuliere woningen kunnen – vergelijk-
         baar met de verenigingen van eigenaren in particuliere complexen – onderhouds-
         coöperaties worden opgezet. Wanneer iedere bewoner maandelijks een vast
         bedrag betaalt, kunnen schaalvoordelen worden gerealiseerd en kan worden voor-
         komen dat er grote onderhoudsverschillen ontstaan (Aedes-Magazine: 33). In
         andere gevallen zijn ondersteunende spelregels nodig. Dorpsgemeenschappen
         nemen in situaties van bevolkingskrimp en bezuinigende overheden, soms het
         opdrachtgeverschap en beheer van voorzieningen over. In die situaties zijn derge-
         lijke initiatieven geholpen met een passend juridisch arrangement.
Het idee van een verplichte collectiviteit is niet nieuw. De land- en tuinbouw liep voorop met de
publieksrechtelijke bedrijfsorganisaties (pbo’s). Binnen de wildbeheereenheden (wbe’s) hebben
beleidsmakers taken zoals het op peil houden van de wildstand overgedragen aan ‘gebruikers’:
boeren, natuurbeheerders, jagers. Maar ook in de ‘normale’ woonomgeving is al een zogenoemde
70 procent-regeling van toepassing bij renovatie/sloop (Vereniging Huurdersbelangen 2011).
Indien binnen een complex of wijk minstens 70 procent van de huurders instemmen met een voor-
stel tot renovatie van de verhuurder, hebben de huurders die niet akkoord gaan acht weken de tijd
om de rechter in te schakelen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 216 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 217 ======================================================================

<pre>216   vertrouwen in burgers
8.3      stimuleer maatschappelijk verkeer
         Maatschappelijke participatie concentreert zich op de deelname van burgers aan
         het maatschappelijk verkeer. Beleidsmakers hebben hier een voorwaardenschep-
         pende rol die echter verregaand onderbelicht is. Twee onderwerpen verdienen,
         zeker in de gehaaste en complexe netwerksamenleving, extra aandacht.
8.3.1    bevorder tegenbinding in gedeelde ruimte
         Voorwaardenscheppend beleid kan ‘vertrouwde vreemden’ – burgers die niets met
         elkaar hebben anders dan het delen van een ruimte – verleiden tot wederzijds
         fatsoen. Tegenbinding behoeft vooral ruimte voor toevallige ontmoeting waar
         (groepen) burgers de formele spelregels aan de hand van de praktijksituatie zelf
         (leren) invullen. Die ruimtes moeten ‘veilig’ zijn: mensen zijn vaak bereid eigen
         verantwoordelijkheid te nemen wanneer ze zeker zijn dat in geval van nood
         ondersteuning van officiële instanties (politie, treinconducteurs, stewards) nabij
         is.
         Winkelgebieden, pleinen, scholen en bibliotheken kunnen zo worden ingericht
         dat de kans op ‘toevallige ontmoetingen’ wordt vergroot. Niet zonder reden leggen
         steden een hernieuwd accent op de invulling van grote pleinen, nu vaak enigszins
         bedreigende gaten in de stad. Speciaal in kwetsbare buurten gaat het om ‘het
         teruggeven van de openbare ruimte’, zoals het Sociaal Platform Rotterdam (spr
         2008) het noemde. Het spr pleitte voor levende pleinen (Engbersen en Voogd
         2008), zoals ook andere onderzoekers dat deden (Reijndorp 2004; Karsten 2002;
         Boonstra et al. 2009). Gedeelde ruimten moeten mensen aantrekken, vertier
         bieden, bijvoorbeeld podia waarop jongeren hun kunsten kunnen demonstreren
         (skaten, rappen, graffiti, free-style voetbal), maar ook de geborgenheid geven waar
         ouderen om vragen. De gemeente Den Haag maakte een concrete afspraak met
         Ahold: in elke Vogelaarwijk die op de schop gaat, wordt een supermarkt geopend
         die de loop terugbrengt in de buurt. Er gebeurt veel, maar er kan nog veel meer.
         Sporten en uitgaan vormen belangrijke vrijetijdsbestedingen en creëren functio-
         nele ontmoetingsplaatsen. De gemeente Den Haag heeft daarom besloten niet te
         bezuinigen op sport, maar de bestaande sportvoorzieningen uit te bouwen tot een
         alternatief voor wijkcentra die nu te vaak een te wankel bestaan leiden en door
         aanstaande bezuinigingen verder onder druk komen te staan. In een aantal dorpen
         wordt, ook vanwege de bevolkingskrimp, extra geïnvesteerd in het multifunctio-
         nele gebruik van dorpshuizen, waardoor ze geschikt worden als dagopvang voor
         ouderen, ruimte bieden aan het verenigingsleven, aan de bibliotheek én aan activi-
         teiten van de basisschool. Ook scholen en sport- en muziekverenigingen vormen
         de natuurlijke ontmoetingsplaatsen voor grote delen van de jeugd, en daardoor
         uitgelezen oefenplekken voor tegenbinding. Ook de social media bieden een
</pre>

====================================================================== Einde pagina 217 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 218 ======================================================================

<pre>                                                                bouwen aan vertrouwen   217
      gedeelde ruimte bij uitstek voor maatschappelijk zinvolle tegenbinding: sociale
      netwerken, YouTube, games en online fora. Internet is onbeheersbaar, maar er
      bestaan wel degelijk spelregels. Beleidsmakers moeten ook niet terugdeinzen
      voor het gebruik van social media, maar zich de spelregels eigen maken, zodat ze
      kunnen meebewegen met deze maatschappelijke ontwikkeling.
      Tegenbinding kan ook worden bevorderd langs deliberatieve weg, bijvoorbeeld
      bij het doorbreken van ‘grote’ patstellingen. In de netwerksamenleving kent ieder
      wezenlijk maatschappelijk onderwerp een informele vertooggemeenschap waarin
      betrokkenen (stakeholders) direct of indirect kennis uitwisselen (Van Dieren 2010:
      70-72). Door de actieve rol van verbinders is zo’n gemeenschap relatief beperkt
      van omvang, volgens praktijkdeskundigen typisch zo’n tweehonderd personen
      (Van Dieren 2010: 70), onafhankelijk van het schaalniveau waarop het onderwerp
      zich in onze samenleving afspeelt. Dat maakt een gespreksronde mogelijk en door
      gezamenlijk overleg kunnen inzichten worden geïnventariseerd als opstap naar de
      oplossing van een probleem. De vereiste voor succes is wel dat alle betrokkenen
      bereid zijn ook het perspectief van ‘de ander’ serieus te nemen (Evers en Susskind
      2009).
      Juridisering van procedures resulteert in hoge kosten, langdurige procedures en
      verharding van standpunten. In geval van een dreigend conflict, met het bijbeho-
      rende risico van een aanstaande patstelling, verdient het daarom aanbeveling om
      te de-escaleren, bijvoorbeeld door het ingelasten van een pauzemoment: ‘eerst
      bellen of langsgaan in plaats van een formele brief te schrijven’. Beleidsmakers
      kunnen een civiele oplossing, gebaseerd op tegenbinding, bevorderen door in
      geval van een oplopend conflict binnen een alledaagse leefomgeving per definitie
      eerst een bemiddelaar in te (laten) schakelen alvorens beroep toe te staan (zie ook
      Sennett 2012: 227 e.v.). Die bemiddeling kan bovendien worden gestimuleerd door
      een aangepaste regelgeving. Indien een horecaondernemer of veehouder bijvoor-
      beeld overeenstemming met omwonenden bereikt, kan een lichter vergunnings-
      regime van toepassing worden verklaard; indien dit niet het geval is, zou het
      ‘normale’, zwaardere regime gelden.
8.3.2 geef frontlijnwerkers ruimte om te verbinden
      Het is niet alle burgers gegeven om op eigen kracht volwaardig mee te doen aan
      de maatschappij en maatschappelijke participatie richt zich daarom ook – leunend
      op de inzet van veel vrijwilligers – op de vervlechting van moeilijk bereikbaren
      binnen hun dagelijkse leefomgeving. Frontlijnwerkers kunnen hier als verbinders
      een sleutelrol vervullen. Maar alleen wanneer verschillende partijen samenwerken
      en hun frontlijnwerkers de ruimte bieden om elkaars hand te zoeken buiten de
      grenzen van de traditionele taakafbakeningen, kunnen frontlijnwerkers de meest
      geïsoleerde (groepen) burgers bereiken. Maatschappelijke instellingen en lokale
</pre>

====================================================================== Einde pagina 218 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 219 ======================================================================

<pre>218 vertrouwen in burgers
       overheden kunnen geen ruimte bieden aan hun frontlijnwerkers en burgers,
       indien zij daar zelf geen ruimte voor krijgen in de Haagse wet- en regelgeving. Het
       verdient daarom aanbeveling dat beleidsmakers – het kabinet voorop – op de
       meest relevante beleidsterreinen tot concrete afspraken komen met de betrokken
       bestuurders over de wijze waarop zij aan een bredere taakstelling inhoud kunnen
       geven. Dit is een onderwerp dat zeker aandacht behoeft bij de huidige decentrali-
       satie van vele overheidstaken naar gemeentelijk niveau. Een inhaalslag op dit
       terrein is hard nodig: ‘we’ hebben op veel terreinen door overmatige verzelfstan-
       diging kansen onderbenut. Twee mogelijkheden om geïsoleerde (groepen) burgers
       beter te bereiken vragen om gerichte aandacht.
       ‘Spikkel’ minder toegeruste clusters
       Bij afwezigheid van interne verbinders – mensen die een groep kunnen verbinden
       met ‘de buitenwereld’ – zijn minder toegeruste clusters gebaat bij externe verbin-
       ders: welzijnswerkers, wijkagenten, huismeesters, wijk- of dorpscoördinatoren.
       In een netwerksamenleving gaat het om de combinatie van kennis en kennissen.
       Verbinders weten – soms via meerdere schakels – een brug te slaan naar andere
       clusters. Gebeurt dat, dan kan er veel, zeker wanneer frontlijnwerkers de moge-
       lijkheid krijgen om fijn vertakte netwerken te ontwikkelen.
       Spikkelen verlangt dat beleidsmakers, en in hun gevolg bestuurders van maat-
       schappelijke instellingen, ruimte creëren binnen het takenpakket van de frontlijn-
       werkers. De huidige aansturing via prestatie-indicatoren is te beperkend en houdt
       te weinig rekening met diversiteit en in sommige gevallen met onvoldoende
       toerusting van burgers. De verschillende maatschappelijke instellingen moeten
       bovendien onderling samenwerken en de burger, cliënt of probleem als uitgangs-
       punt nemen, en niet de eigen afgebakende taak of verantwoordelijkheid. Spikkelen
       vereist ook meedenken van beleidsmakers. Te vaak worden succesvolle projecten,
       zelfs als ze in het totaalplaatje (maatschappelijk) kostenbesparend zijn, stopgezet,
       omdat de schotten tussen de verschillende geoormerkte financiële potjes te hoog
       zijn. Te veel projecten sterven ook als slachtoffer van een projectencarrousel een te
       vroege dood, met de bijbehorende demotivatie van alle betrokkenen. Het verdient
       daarom aanbeveling te denken in termen van meerjarige programma’s die de
       noodzakelijke continuïteit bieden.
       Bereik ‘onbereikbaren’
       Veel kwetsbare mensen zijn in de dagelijkse praktijk moeilijk bereikbaar voor ‘de
       autoriteiten’, denk aan daklozen, ontwrichte gezinnen, alleenstaande senioren,
       allochtone inburgeraars, kwetsbare jongeren en gehandicapten. Zonder een uitge-
       stoken hand kunnen ze veelal niet op een ‘civiele’ wijze deelnemen aan het maat-
       schappelijk verkeer. Hun problematiek is breed onderkend en is op veel plaatsen
       onderwerp geweest van grote inzet vanuit de welzijnshoek. Op dit moment tekent
       zich ten gevolge van de (gemeentelijke) bezuinigingen en soms ook bevolkings-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 219 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 220 ======================================================================

<pre>                                                              bouwen aan vertrouwen    219
    krimp een afbraak af van die inzet. Juist het welzijnswerk, met zijn vele kleinere
    instellingen en korte projectfinanciering, wordt ‘afgeknepen’. Steeds vaker wordt
    een beroep gedaan op vrijwilligers.
    Een beleidsbijstelling op nationaal niveau is wenselijk. Samenbinding – het eerste
    prestatieveld van de wmo – biedt maar in beperkte mate een handvat voor het
    bereiken van de ‘onbereikbaren’ en ‘de buurt’ is niet de oplossing voor alle maat-
    schappelijke problemen; zoals de school dat niet is voor overbelaste jongeren
    (wrr 2009). Frontlijnwerkers in hun rol van externe verbinders moeten veeleer
    informele zorg ‘organiseren’ door een nieuw netwerk te vlechten dat idealiter
    bouwt op de eigen kracht binnen de directe leefomgeving van een geïsoleerde
    burger (Linders 2010: 211; De Boer en Van der Lans 2011). Dat is een arbeidsinten-
    sief en dus kostbaar traject. Onbereikbaren moeten worden geïdentificeerd
    en bereikt, voordat hun nood onnodig hoog is gestegen. Dat vereist maatwerk;
    welzijnswerkers behoeven bijvoorbeeld de actieve ondersteuning van andere
    frontlijnwerkers die – eerder dan zijzelf – via hun netwerken de signalen kunnen
    oppikken dat er achter een voordeur ‘iets’ niet goed zit. De zorgadviesteams
    (zat’s) op vmbo-scholen vormen daarvan een goed voorbeeld.
    Welzijnsorganisaties en sociale ondernemingen moeten zich bij uitstek dienend
    opstellen. Ze vormen niet alleen de thuisbasis voor veel frontlijnwerkers, maar
    zijn ook het anker voor de vrijwilligersnetwerken. Zonder een dergelijke infra-
    structuur is veel vrijwilligerswerk kwetsbaar: hoogbelaste en kwetsbare mantel-
    zorgers moeten kunnen terugvallen op professionele ondersteuning die ook
    toegang heeft tot de netwerken van meer gespecialiseerde instellingen. Beschik-
    bare middelen kunnen om die reden beter worden besteed aan de persoonlijke
    werving en begeleiding van de noodzakelijke mantelzorgers en vrijwilligers
    (Linders 2010: 229). Het is de frontlijn die daarvoor de ruimte moet krijgen. Dat
    vormt een majeure uitdaging: de uitvoeringspraktijk is nu te vaak ‘in beton gego-
    ten’ (Geerlof 2011: 192). Zeker wanneer beleidsmakers begrippen als ‘preventie’ en
    ‘zelfredzaamheid’ hoog in het vaandel hebben, moeten ook andere maatschappe-
    lijke instellingen – wooncorporaties, onderwijsinstellingen, politie – hun eerste
    lijn verder verleggen naar de burger toe en een groter beroep doen op de inzet van
    vrijwilligers. Hun positie verdient daarom hernieuwde aandacht.
8.4 bouw steunpilaren
    De doe-democratie behoeft – net als de representatieve democratie – institutionele
    stutten, de steunberen van Schuyt (2006a) en Rosanvallon (2008: 8) die het huis
    van de democratie overeind houden. Deels krijgen die steunberen vorm aan de
    formele zijde van het speelveld van burgerbetrokkenheid door middel van wet- en
    regelgeving. De snelle maatschappelijke ontwikkelingen noodzaken aanpassingen
    om te voorkomen dat de institutionele rek geen ongewenste vormen aanneemt;
</pre>

====================================================================== Einde pagina 220 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 221 ======================================================================

<pre>220   vertrouwen in burgers
         denk aan frequente evaluatie van wetgeving om zo de pratijkervaring te codifi-
         ceren of te corrigeren. De doe-democratie bouwt echter ook op informele verbin-
         dingen via diverse kanalen. Beleidsmakers zullen daarvoor passende en ondubbel-
         zinnige kaders moeten stellen en bewaken. Meer dan tevoren zijn ze daarbij
         afhankelijk van de medewerking van hoofdrolspelers op de rechterzijde van het
         speelveld, van oudsher de voorlieden van maatschappelijke instellingen en ngo’s
         en in toenemende mate ook die van de koplopers in het bedrijfsleven en de bonte
         verzameling andersbewegingen.
8.4.1    waarborg solidariteit tussen instellingen en overheden
         Maatschappelijke instellingen zullen zich breder moeten gaan inzetten, bijvoor-
         beeld voor een beter sluitende dienstverlening aan geïsoleerde mensen, in kwets-
         bare buurten of in krimpregio’s, voor vergaande samenwerking bij de opvang van
         bevolkingskrimp, en voor het optimaal borgen van voorzieningen voor burgers.
         Hun bestuurders moeten daartoe buiten hun comfortzones treden en contrapro-
         ductieve maatschappelijke verkokering tegengaan.
         Naast vele positieve voorbeelden troffen we, evenals in ons eerdere veldwerk
         (wrr 2005; wrr 2009), schrijnende illustraties aan van een gebrek aan solidari-
         teit tussen ‘onafhankelijke’ instellingen en/of gemeenten. Er is wel veel overleg,
         maar dat is wederzijds te vrijblijvend. Wooncorporaties, zorg- en onderwijsinstel-
         lingen zijn niet alleen geprivatiseerd of op afstand van de overheid gezet. De –
         voorgeschreven – concurrentie leidt ertoe dat instellingen vaak met de ruggen naar
         elkaar staan in plaats van samenwerken. De afrekencultuur richting zorg, welzijn
         en politie staat haaks op de meer bescheiden en aanjagende rol die voor burgerbe-
         trokkenheid noodzakelijk is.
         Burgers zijn niet in een positie om de bestuurders van onwillige instellingen of
         beleidsmakers van onwillige gemeenten aan te spreken op de noodzakelijke
         samenwerking: hun betrokkenheid is beperkt tot hun ‘eigen’ instellingen en
         gemeenten. Maar ook betrokken bestuurders kunnen namens hen geen vuist
         maken en beleidsmakers zijn niet gerechtigd knopen door te hakken. Hierdoor is
         het voor beleidsmakers lastig de democratische controle op maatschappelijke
         instellingen uit te oefenen die nodig is voor de invulling van de ‘overkoepelende
         verantwoordelijkheid’ van de overheid.
         Samenwerking en solidariteit kunnen worden gestimuleerd als beleidsmakers en
         bestuurders op regionaal niveau goede werkafspraken maken in de vorm van
         convenanten. Indien echter zorgvuldig overleg heeft gefaald, verdient het aanbe-
         veling dat alle betrokkenen beschikken over een alarmeringsmogelijkheid, op
         basis waarvan Haagse beleidsmakers kunnen en moeten ingrijpen. Ook burgers in
         hun rol als gebruikers moeten in dat kader binnen een regio aan de bel kunnen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 221 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 222 ======================================================================

<pre>                                                                bouwen aan vertrouwen    221
      trekken, zelfs buiten ‘hun’ gemeente. Dat vereist nieuwe wetgeving, deels met
      terugdraaien van een doorgeschoten autonomie van zowel gemeenten als instel-
      lingen.
      Daarnaast is het zinvol wanneer kleine, regionale maatschappelijke instellingen
      (welzijn, mantelzorg, vrijwilligerswerk) bescherming genieten van grote (woon-
      corporaties, zorginstellingen, onderwijsinstellingen). Als een kuiken moeten ze
      in geval van zwaar weer kunnen schuilen bij een Moeder Kloek. In ons veldwerk
      maakten we kennis met voorbeelden van grote instellingen die zo ruggengraat
      verschaffen aan kwetsbare vrijwilligers- en welzijnsinitiatieven. Zelfs rijst de
      vraag of het vaak wankele en kleinschalige welzijnswerk moet worden uitgesplitst
      door het onderbrengen van (a) jeugd- en opbouwwerk bij scholen (in een soort
      koepel met een deel van het verenigingsleven, denk aan schoolsport), en (b) zorg
      voor hulpbehoevenden (in brede zin: maatschappelijk werk) bij wooncorporaties
      en grote (intramurale) zorginstellingen.
8.4.2 leg nieuwe verbindingen
      Sinds de ontzuiling nemen niet-gouvernementele organisaties (ngo’s) een belang-
      rijke plaats in op het speelveld voor burgerbetrokkenheid. Hun positie is echter
      aan verandering onderhevig. Meer dan tevoren passeren andersbewegingen
      beleidsmakers en richten zich direct – op de vijf ineenvloeiende ‘markten’ – op
      specifieke doelwitten, waaronder overheden maar vooral multinationale onderne-
      mingen (mno’s). Ze zijn onvoorspelbaar, in belangrijke mate onbeheersbaar, en
      uiten zich in vele vormen, uiteenlopend van formele burgerinitiatieven tot en met
      kopersstakingen en massale betogingen. Hun doelen zijn soms concreet, soms
      vaag: ze zijn ‘tegen’ zonder ‘voor’ te zijn. Beleidsmakers weten zich veelal onthand
      in de omgang met ‘het zootje ongeregeld’, met hun dreiging van onstuitbare en
      ongenuanceerde maatschappelijke cascades. De ad-hocinitiatieven met hun veen-
      brandkarakter – zo zijn ze er wel, dan weer niet – passen ook niet in het reguliere
      overleg van het maatschappelijk middenveld. Hun ‘doelloosheid’ is strijdig met de
      behoefte aan een gestructureerde agenda. Het is ongetwijfeld wennen, maar een
      doe-democratie is gebaat bij een actieve dwarsbinding tussen beleidsmakers en
      ‘andersdenkenden’. Nieuwe verbindingen kunnen bovendien de basis vormen
      voor nieuwe vormen van mondiale beleidsbeïnvloeding, in aanvulling op de tradi-
      tionele diplomatie. We volstaan hier met het noemen van twee opties.
      Versterk vestigingsklimaat voor andersbewegingen
      Mondiale netwerken behoeven voeding en daarbij is een sleutelrol weggelegd voor
      verbinders die coalities smeden, of door dwarsbinding nieuwe ideeën introduce-
      ren. Die verbinders moeten beter dan anderen kunnen volgen hoe de netwerken
      zich ontwikkelen en aanvoelen waaraan behoefte bestaat. Ze vormen – zoals
      eertijds kunstenaars, wetenschappers en andere creatieven – ‘scholen’ van denken.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 222 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 223 ======================================================================

<pre>222 vertrouwen in burgers
       Die scholen worden beïnvloed door hun omgeving, zoals ze die zelf ook beïnvloe-
       den. Keer op keer illustreerde ons veldwerk dat bij een sterk groeiende rol van ict,
       de fysieke uitingen en vooral de fysieke nabijheid van gelijkdenkenden van
       primair belang blijven. Wanneer maatschappelijke bewegingen zich vestigen in
       Nederland, of hier hun belangrijke ontmoetingsplaatsen – hun ‘waterputten’ –
       hebben, zullen ze zich laten inspireren door het Nederlandse gedachtegoed en dat
       uitdragen binnen hun netwerken. Ze zullen ook het gedachtegoed uit hun
       mondiale netwerken laten doorwerken onder Nederlandse beleidsmakers. Dwars-
       binding krijgt zo ook in eigen land meer inhoud.
       Sommige omgevingen zijn ongastvrij en staan weinig ‘vrijdenken’ toe. Andere
       hebben meer te bieden en zuigen als een magneet de voortrekkers naar zich toe.
       Nederland is ngo-land bij uitstek; nergens is hun draagvlak zo groot. Steden als
       Amsterdam en Den Haag huisvesten ook nu al een aantal vooraanstaande institu-
       ties op het gebied van respectievelijk milieu en internationale rechtsorde. Beleids-
       makers kunnen deze unieke basis gebruiken als springplank voor een effectief
       internationaal beleid door het vormgeven aan een favoriete thuishaven voor inter-
       nationale bewegingen en vergaderfora (wrr 2010a: 69). Dat kan vorm krijgen
       door een gerichte acquisitie van buitenlandse ngo’s, of het faciliteren van thema-
       conferenties. De gemeente Den Haag geeft op beperkte schaal het voorbeeld; het is
       zinvol die lijn door te trekken.
       Sluit aan bij koplopers in bedrijfsleven en ngo’s
       Ons land huisvest de hoofdkantoren van een aantal vooraanstaande multinatio-
       nale ondernemingen (mno’s), die als mondiale koplopers in toenemende mate
       kiezen voor bredere doelstellingen dan alleen financieel-economische. Maatschap-
       pelijk verantwoord ondernemen (mvo) wordt in toenemende mate ‘normaal’. Dat
       biedt beleidsmakers kansen om ‘via de band’ burgerbetrokkenheid te stimuleren
       en zo maatschappelijke doelen die langs traditionele wegen onhaalbaar zijn, toch
       dichterbij te brengen (zie ook wrr 2010a; wrr 2010b).
       Zeker in een netwerksamenleving kan een krachtenbundeling met ngo’s en
       ‘Nederlandse’ mno’s internationaal effectief zijn. Door te fungeren als proactieve
       verbinders binnen mondiale netwerken kunnen Nederlandse beleidsmakers effec-
       tieve kanalen voor internationale burgerbetrokkenheid openen. ‘Grote’ landen
       hebben op gevoelige terreinen vaak de behoefte aan de ondersteuning van ‘onver-
       dachte’ partners die – in een vorm van symbiose – diplomatieke hand- en span-
       diensten kunnen vervullen, of als mondiale voortrekker van nieuwe initiatieven
       willen en kunnen fungeren. Kleinere, minder bedreigende landen zijn daardoor in
       internationale gremia beter in staat tot het leggen van ‘onverwachte’ verbindin-
       gen. Ze kunnen zo via de band onevenredig grote invloed uitoefenen op mondiale
       besluitvorming.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 223 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 224 ======================================================================

<pre>                                                          bouwen aan vertrouwen   223
Kunnen maatschappelijke bewegingen tezamen met mno’s het gat (deels) vullen
dat nationale overheden en hun multilaterale organisaties internationaal laten
vallen bij de aanpak van mondiale thema’s (zie ook Van Seters 2008)? Het is niet
uitgesloten dat de ambivalente verhouding tussen ngo’s en beleidsmakers de
opmaat is naar een nieuwe ‘driehoek’: trekkers aan beide zijden zien meer in de
koplopers onder de mno’s. Zo’n driehoeksverhouding vereist wel een omslag
onder Nederlandse beleidsmakers en bestuurders: niet langer mag de nadruk
liggen op het bijtrekken van de achterblijvers, maar veeleer op het voortrekken
van de koplopers.
                                        ***
De titel van ons rapport, Vertrouwen in burgers, is vooral een oproep om burgers
tegemoet te komen in de rol die ze willen en kunnen spelen in de samenleving.
Als uitgangspunten voor beleidsmakers geldt: denk vanuit burgers met hun
uiteenlopende behoeften en toerusting, en vergroot de kaders van alleen beleids-
en maatschappelijke participatie naar maatschappelijke initiatieven. Op basis van
deze uitgangspunten formuleren we enkele concrete en praktische aanbevelin-
gen, vooral ter nadere invulling en inspiratie. De aanbevelingen richten zich tot
gemeenten en een enkele maal tot provincies. Ze richten zich ook tot de maat-
schappelijke instellingen: formeel vallen ze als veelal zelfstandige instituties
‘buiten’ ons adviesterritoir, maar zonder hun constructieve inzet wordt het niks
met wezenlijke delen van de burgerbetrokkenheid. Bovenal richten onze aanbeve-
lingen zich tot beleidsmakers op nationaal niveau. De veranderingen die ons voor
ogen staan, zijn alleen mogelijk wanneer ook het Rijk er serieus werk van maakt.
Gemeenten zijn immers alleen in staat de benodigde ruimte aan frontlijnwerkers
en burgers te geven als ze zelf ook ruimte van het Rijk krijgen. Vooropstaat de
oproep waarmee we ons rapport begonnen: betrokken burgers zijn belangrijk voor
een levende democratie. Juist de nationale voorlieden dienen mede inhoud te
geven aan de uitvoering door andere partijen op het speelveld van burgerbetrok-
kenheid.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 224 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 225 ======================================================================

<pre>224 vertrouwen in burgers
noten
1      Wij danken Tijs van den Broek (tno), Tobias Dekkers (Open State Foundation),
       Stef van Grieken (Open State Foundation), Mieke van Heesewijk (Netwerk
       Democratie), Tom Kronenburg (Zenc), Maarten Marx (UvA), Stephan Okhuijsen
       (Sargasso), Josien Pieterse (Netwerk Democratie), Dimitri Tokmetzis (Sargasso),
       Lex Slaghuis (Hack de Overheid) en Samira Zafar (rmo) voor hun creatieve
       inbreng tijdens de workshop op 6 februari 2012 (voor meer informatie zie www.
       netdem.nl/tweedekamer).
2      Naar aanleiding van een gesprek met mevrouw P. van der Valk.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 225 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 226 ======================================================================

<pre>                                                                                 225
aanzwengelen vliegwiel van verandering
“Betrokken burgers zijn belangrijk voor een levende democratie. Ze verlenen door
te stemmen de volksvertegenwoordiging legitimiteit. Ze houden volksvertegen-
woordigers en overheidsinstanties scherp en zorgen dat deze zich gecontroleerd
weten. En ze hebben een belangrijke rol in de inkleuring van de maatschappij: ze
verschaffen het draagvlak voor het uitvoeren van beleid, maar vullen het ook in
door hun alledaagse handelen en zorgen voor maatschappelijke vernieuwing door
het inbrengen van ideeën, onderwerpen en aanpakken.”
We citeren onszelf, het is de eerste alinea van ons rapport. We leerden: burgerbe-
trokkenheid is een zaak van willen en kunnen. Mensen willen betrokken zijn,
omdat het hun eigenbelang dient of wellicht een maatschappelijk doel waarin ze
zich herkennen. Ze moeten geloven dat hun inbreng een verschil maakt, dat hun
inspanning hun doelen dichterbij brengt, of dat ze tenminste hebben kunnen
bijdragen aan een eerlijker en rechtvaardiger proces. Burgers moeten daartoe ‘hun’
democratische instituties willen vertrouwen: bestuurd willen worden. Tegelijker-
tijd moeten ze beleidsmakers kritisch willen en kunnen volgen en bovendien
bereid zijn om voortdurend te ‘schoppen’ tegen de instituties om zo hun aanpas-
sing aan de noden van de tijd te bevorderen. En ze moeten elkaar vertrouwen,
omdat ze elkaar voor het verwerkelijken van gedeelde doelen nodig hebben. Dat
vereist een tegenbinding die ruimte laat voor anderen en een instelling die verder
gaat dan de ‘dikke ik’.
Burgers moeten ook betrokken kunnen zijn. Beleidsmakers moeten hun daartoe de
ruimte bieden op een manier die past bij hun toerusting. Ze moeten zich niet over-
vraagd voelen, of worden opgeroepen op een moment en een manier die voor hen
‘oneigenlijk’ is. Hun toerusting omvat naast de vaardigheden ook de instrumen-
ten: zelfs een goede timmerman kan niets zonder hamer. De toerusting omvat ook
de mentale ruimte om zelf te kunnen bijdragen. Beleidsmakers moeten ook daarin
burgers serieus nemen: afstand nemen, overlaten, en vertrouwen.
In ons rapport doen we daartoe een aantal aanbevelingen: dingen die beleidsmakers
concreet kunnen doen om burgerbetrokkenheid te stimuleren. De aanbevelingen
bieden veel ruimte voor eigen inkleuring en zijn vooral een bron van inspiratie.
Het omvormen van de Weber 2.0-hiërarchie tot een gelaagd netwerk duldt echter
geen uitstel, want juist die netwerkstructuur ondersteunt beleidsmakers bij hun
veranderingsinspanningen. Ze kunnen zich zo beter concentreren op de verbinders
binnen hun ‘eigen’ verticale kolommen, die op hun beurt grote groepen burgers
kunnen bereiken door zich te richten op de verbinders binnen de clusters. Deze
transformatie vormt een aanzienlijke uitdaging die over een langere periode
inhoud moet krijgen: eerder tien jaren dan het ‘gewone’ ritme van vier jaren.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 226 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 227 ======================================================================

<pre>226 vertrouwen in burgers
       Drie factoren kunnen tezamen de overheidskolom inspireren tot een zinvolle
       burgerbetrokkenheid: visie, rugdekking en vonk. Het bijbehorende raamwerk is de
       bestuurlijke spiegel van het basismodel voor betrokkenheid (figuur hieronder).
       Bestuurlijk basismodel
                  Visie
                                                          Verbonden-
                                                             heid
                                                Vonk
                                                                     Rugdekking
       Indien visie en rugdekking laagontwikkeld zijn (linksonder), vertoont de wissel-
       werking tussen beleidsmakers en verbinders de kenmerken van los zand: ‘twee
       keer blazen, alles weg’. Gebrek aan rugdekking (linksboven) is illustratief voor
       visie zonder vertrouwen: een ‘leider’ zonder volgelingen. Indien de rugdekking
       perfect is, maar de visie ontbreekt (rechtsonder), heerst grote, maar doelloze gezel-
       ligheid: amateurisme, om het zo uit te drukken. Wanneer de twee echter samen-
       gaan (rechtsboven) en beleidsmakers er bovendien in slagen om een vonk van
       inspiratie te laten overspringen op hun verbinders, groeit de verbondenheid die
       mooie dingen mogelijk maakt: ‘we’ gaan ervoor.
       Visie
       Dit verhaal over burgerbetrokkenheid is een nieuw verhaal en moet al langer
       bestaande verhalen verdringen. Dat gaat niet zonder strijd. Het ultieme doel van
       elke institutie is het behoud van die institutie. Velen hebben ook carrière gemaakt
       op basis van het ‘oude’ verhaal. Waarmee moet je stoppen om verandering moge-
       lijk te maken? Hoe geef je vorm aan creatieve destructie? Hoe ‘ontleren’ mensen
       de lessen die hen eens begeesterden maar die sleets zijn geworden en hun greep
       hebben verloren (Soros 2000: 42)? Het nieuwe verhaal moet verwarmen: beter
       zijn dan het oude, geloofwaardiger. Het moet aangeven waar ‘we’ – beleidsmakers
</pre>

====================================================================== Einde pagina 227 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 228 ======================================================================

<pre>                                           aanzwengelen vliegwiel van verandering  227
plus verbinders – vandaan komen en vooral waar we naartoe kunnen gaan (Gard-
ner en Laskin 1995: 14, 43). Het is persoonsgericht: het richt zich tot de individuele
ontvanger met de bedoeling te informeren (wat is het probleem en waarom is het
ernstig, ook voor jou?), te communiceren (denk eens mee: wat zouden ‘we’ eraan
kunnen doen?) en uit te dagen (wat zou jij kunnen doen en hoe kan ik je daarbij de
hand reiken?). Het verhaal laat bovendien ruimte tot inkleuring (Wagenaar 1997;
Van Stokkom 2006: 92).
Een ‘goed’ verhaal heeft een vaste, dragende kernboodschap, wordt toegespitst op
elke doelgroep in elke specifieke situatie, en is vertelbaar op verschillende niveaus
van toerusting (Gardner en Laskin 1995: 292). Een goed verhaal bouwt ook op een
beperkt aantal niet-onderhandelbare uitgangspunten, die in de dagelijkse praktijk
een handvat bieden (Zook en Allen 2011: 7). De boodschap moet herkenbaar zijn
en beleidsmakers moeten bereid zijn dezelfde boodschap duizend keer uit te
dragen (zie ook Peters en Waterman 2004). Of, zoals Richard Nixon het plastisch
uitdrukte: “About the time you are writing a line you have written so often that
you almost want to throw up, that is the time the American people will hear it”
(Gardner en Laskin 1995: 12).
Dat vraagt veel van beleidsmakers. Ze moeten willen geloven in de 15/70/15 vuist-
regel uit de praktijk van het veranderingsmanagement. Aan elk kampvuur waar
een verhalenverteller probeert zijn publiek te begeesteren, is vijftien procent van
het gehoor ‘tegen’, dit vrijwel ongeacht het verhaal. Zeventig procent luistert
aandachtig en vertelt ‘thuis’ met warmte over de wijze lessen, maar doet er vervol-
gens weinig mee: te druk met andere besognes, komt later wel… De laatste vijftien
procent echter zegt: ik weet niet precies wat je zegt, maar ik heb het gevoel dat het
is wat ikzelf ook bedoel, dus teken mij maar in. Het is bij ieder grootschalig veran-
deringsproces die groep die het verschil maakt.
“De kunst van politiek bedrijven in een fluïde situatie (…) is het scheppen van
nieuwe vertrouwdheden, van een ‘wij’” (Van Gunsteren en Habbema 2009: 113).
Op het moment dat verhalen uitkristalliseren in krachtige ‘wij-beelden’, komen
de kernideeën van het verhaal tot leven. De verbinders kunnen het verhaal van de
beleidsmakers ‘raden’ maar – belangrijker – het is hun verhaal geworden; het
verhaal dat ze zelf in woord en daad uitdragen aan andere kampvuren. Ze snijden
het telkens toe op hun publiek en laten ruimte voor eigen invulling. Wanneer dat
proces zich vele malen heeft herhaald en de eerste vertellers het terug horen,
herkennen ze alleen de centrale boodschap. Het is een ander verhaal geworden: het
verhaal van een levende democratie dat wordt ingekleurd door vele eigenaars aan
vele kampvuren. Die inkleuring is niet alleen een kwestie van woorden. Verbin-
ders aan de frontlijn moeten in hun dagelijks handelen ruimte hebben om door
hun handelen, hun experimenteren en leren het verhaal vorm te geven. Ze kennen
als geen ander de dagelijkse praktijk en hebben zo het beste zicht op de concrete
</pre>

====================================================================== Einde pagina 228 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 229 ======================================================================

<pre>228 vertrouwen in burgers
       veranderingen. En alleen wanneer ze zelf ruimte krijgen, kunnen ze burgers de
       ruimte bieden die nodig is voor succesvolle burgerbetrokkenheid.
       Rugdekking
       Misschien wel de belangrijkste kwaliteit van beleidsmakers binnen een netwerk-
       samenleving is het bieden van rugdekking. Op het scharnierpunt van de verticale
       en horizontale dimensies van de gelaagde netwerkstructuur zijn de overheidsver-
       binders bijna per definitie onzeker: ze weten wel waar ze aan beginnen, maar niet
       waar ze eindigen. Op alle niveaus behoeven ze een warme ontvangst voor de
       inbreng die ze vanuit hun netwerken opdoen, zelfs als dat onwelgevallige ideeën
       oplevert. Ze moeten daar kunnen onderhandelen en – zeker aan de frontlijn –
       kunnen handelen. Frontlijnwerkers hebben bijvoorbeeld een financiële armslag
       nodig: geen groot geld maar een ‘rommelbudget’ om beweging te faciliteren.
       Uitvoerders binnen de middenlaag worden verondersteld mee vorm te geven aan
       een gedeelde visie, maar weten vaak nog onvoldoende welke kant de ‘bovenbazen’
       op willen.
       Beleidsmakers op het hoogste niveau moeten hun betrokkenheidsvisie uitdragen
       en – voortdurend – bijstellen op basis van signalen uit de praktijk of uit de weten-
       schap. Ze kunnen niet alles van tevoren regelen, moeten dat ook niet willen. Veel
       meer dan voorheen moeten ze volstaan met correctie achteraf wanneer dat nood-
       zakelijk mocht blijken. Het vaste recept voor dergelijk coachend leiderschap is
       dan: ‘we’ doen dingen goed en ‘ik’ doe dingen fout. Dat dwingt loyaliteit af, zeker
       indien de voorlieden hun verbinders vragen om hun nek uit te steken met de daar-
       bij behorende kans op falen.
       Ze moeten niet alleen de horizontale dimensie van de gelaagde netwerkstructuur
       aansturen, maar ook inhoud geven aan de verticale dimensie. Ze behouden de
       overkoepelende verantwoordelijkheid om een evenwichtige afweging van belan-
       gen te waarborgen en conflicten op een democratische wijze te beslechten. Ze zijn
       ook blijvend belast met het uitoefenen van normatieve controle (spelregelhandha-
       ving), het beschermen van de zwaksten die ‘overvraagd’ geraken, en – zo mogelijk
       – het stimuleren c.q. afremmen van ‘bepaalde’ ontwikkelingen. Regelmatig
       worden ze beproefd door praktijksituaties waarbij de twee dimensies ‘botsen’. De
       overheidsverbinders weten dat en kijken toe met arendsogen: het zijn de momen-
       ten van de waarheid. Indien verstandige mensen niet de bijna-zekerheid hebben
       van rugdekking als het – ondanks een loyale inzet – toch ‘fout’ gaat, zullen ze een
       volgende keer het veilige thuisblijven prefereren.
       De sleutel voor de Weber 3.0-cultuur is gelegen in de sociale driehoek: verticaal
       respect, horizontaal vertrouwen, en veerkracht in geval van crisis (Sennett 2012:
       148 e.v.). Beleidsmakers doen er daarom goed aan om in eerste instantie hun
       aandacht en hun financiële en personele middelen te concentreren op de verbin-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 229 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 230 ======================================================================

<pre>                                             aanzwengelen vliegwiel van verandering 229
ders op de operationele en tactische niveaus. De lagere niveaus moeten hun
handelingsruimte verdienen, en de hogere niveaus moeten het respect verdienen
van hun beoogde volgers. Horizontaal moeten mensen elkaar willen en kunnen
vertrouwen om – niet verkokerd – inhoud te geven aan burgerbetrokkenheid op
de terreinen waar ze voor staan. En in geval van crisis – de enige keer dat een over-
heidsapparaat op zijn merites wordt beproefd – moet het collectief beschikken
over veerkracht: het vermogen tot reageren, zelf-organiseren, leren en aanpassen
van gedrag.
In een onzekere omgeving geldt tegelijkertijd een vuistregel: succes voedt succes.
De overgang naar een Weber 3.0-cultuur verloopt daarom idealiter via een drie-
golvenbenadering. In een eerste veranderingsgolf gaat het om het ‘verlokken’ van
de eerste vijftien procent verbinders en hen succesvol te maken. Het is per definitie
een relatief kleine groep en is dus zowel qua aansturing als kosten behapbaar.
Om hen heen verwerken andere frontlijnwerkers en burgers zo’n signaal feilloos in
hun resultaatverwachting. Mensen leren snel en weten na een paar keer welke inzet
zinvol is. Indien beleidsmakers hun gewicht achter een aanpak zetten, zal de boeg-
golf van de zeventig procent volgers intekenen in een tweede veranderingsgolf:
kennelijk is dit het nieuwe ‘recept voor succes’. In een tweede golf volstaat een
beperktere ondersteuning: ze gaan mee ‘voor half geld’, de rest moeten ze zelf
betalen. De derde golf ten slotte wordt gevormd door de massa van de zeventig
procent. De nieuwe aanpak is nu standaard en de verdere verankering bespaart ver-
moedelijk zelfs kosten door de brede betrokkenheid van burgers. Zo wordt over een
periode van tijd een cultuuromslag bewerkstelligd binnen een overheidskolom.
Vonk
Het verschil tussen een ‘normale’ en een bevlogen overheid is gelegen in de vonk
die leiders laten overspringen. Dat is het handwerk van politici die burgers bezie-
len met hun ideeën. De confrontatie van hun maatschappelijke perspectieven
zorgt idealiter voor beweging en minimaal voor amusement. Speciaal de nationale
voorlieden richten zich op de media: wie daar ‘scoort’ is de waarschijnlijke
winnaar (Hajer 2009). Burgerbetrokkenheid mist echter de urgentie van een goede
ramp die om een onmiddellijke respons vraagt. Het is veeleer een zaak van een
lange adem. Een succesvolle cultuur is ook niet gebouwd rond de persoon van een
enkele leider of coalitie, maar ‘overleeft’ de overdracht van de ene op de andere
generatie en van de ene op de andere coalitie.
De nationale kopstukken moeten daarom werken via de band en bestuurlijk
Nederland begeesteren: hun beleidsambtenaren en frontlijnwerkers, maar ook
hun medepolitici. In een omgeving die wordt gekenmerkt door hoge drempels
voor verandering en – paradoxaal – voortdurende structurele ingrepen, zoals de
schaalvergroting bij de gemeenten en instellingen, is dat niet vanzelfsprekend.
Wie zich bedreigd voelt, heeft veelal niet de moed – en zeker niet het vertrouwen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 230 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 231 ======================================================================

<pre>230 vertrouwen in burgers
       in zichzelf en anderen – om de ingrijpende veranderingen in attitudes en gewoon-
       ten waar dit rapport om vraagt, door te voeren. De omslag naar een Weber
       3.0-cultuur vereist de ijzeren discipline van het ‘rechte pad’ met het bijbehorende,
       brede politieke draagvlak: goed doen waarvoor ‘we’ hebben gekozen en dat over
       een periode van vele jaren (Collins 2005: 31).
       Tevens moeten ze geloven, en dat uitstralen, in de veerkracht van de netwerk-
       samenleving, met haar zelfcorrigerende en lerende vermogens. Hun geloof zal
       regelmatig worden beproefd door onvoorziene en onbeheersbare ontwikkelingen,
       waarvoor de Weber 3.0-cultuur niet langer eenduidige kaders biedt: wat past
       wel, wat niet binnen de grenzen die de wet stelt. Meer dan voorheen dienen ze te
       vertrouwen op de checks and balances die de vier vormen van binding bieden in
       een sterk vernetwerkte samenleving, indachtig de slotles van het hockeystick-
       management: een stick die altijd valt, valt nooit als je maar snel genoeg corrigeert.
       Met miljoenen mensen die handelen binnen de marges van de institutionele rek,
       gebeuren er geen grote, onherstelbare ongelukken. Het is wel zaak de spelregels
       voortdurend te herzien en, zo nodig, aan te passen, anders wordt de afstand
       tussen ideaal en werkelijkheid te groot.
       In de vele gesprekken die we met beleidsmakers hebben gevoerd, bleek steeds
       weer dat nationale beleidsmakers de neiging hebben om burgerbetrokkenheid te
       beschouwen als het territoir van lagere overheden en – deels – maatschappelijke
       instellingen. Dat nu is een fundamentele misvatting. Lagere overheden en maat-
       schappelijke instellingen kunnen niet zonder voorwaardenscheppend beleid.
       Andersom is de nationale overheid voor een succesvolle doorbraak ook afhankelijk
       van de inzet van lagere overheden en de andere hoofdrolspelers op het speelveld
       van burgerbetrokkenheid, zoals de maatschappelijke instellingen. Nationale
       politici hebben er dus alle belang bij om waar mogelijk de voorwaarden voor zo’n
       succes te scheppen. Net als de bouwmeesters van middeleeuwse kerken dienen ze
       de institutionele steunberen te zekeren die het huis van de democratie overeind
       kunnen houden.
       De omslag die we in dit rapport bepleiten is geen luxe maar een noodzaak. In onze
       huidige, complexe samenleving zijn traditionele antwoorden onvoldoende. Niet
       langer kan worden volstaan met het toevoegen van inhoudelijke of procesmatige
       toeters en bellen: beleidsverfijningen en instrumenten of processen die niet het
       ruggenmerg raken. Pogingen om de complexiteit te reduceren of te negeren
       werken averechts. Bovendien is een levende democratie nooit af, er zal altijd
       gezocht moeten worden naar nieuwe routes en nieuwe vormen voor burgerbe-
       trokkenheid. Dat zoekproces zal met vallen en opstaan gaan. Er zullen pogingen
       slagen en pogingen onsuccesvol zijn. Maar één ding weten we zeker: oude metho-
       den verliezen hun waarde en wie niet experimenteert, en daarbij af en toe faalt, zal
       geen nieuwe methoden vinden.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 231 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 232 ======================================================================

<pre>                                          aanzwengelen vliegwiel van verandering 231
Vertrouwen in burgers vraagt veel van beleidsmakers. De sleutel voor een levende
democratie die bouwt op burgerbetrokkenheid is gelegen in dat eerste woord:
vertrouwen. Vertrouwen van beleidsmakers in burgers, vertrouwen van burgers
in beleidsmakers en in elkaar. Het is geen blind vertrouwen. Een gepaste dosis
vertrouwen is essentieel voor onderlinge betrokkenheid, een gepaste dosis
wantrouwen evenwel voor de corrigerende tegenmacht en de maatschappelijke
vernieuwing. De kunst is om telkens weer het juiste evenwicht te vinden.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 232 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 233 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 233 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 234 ======================================================================

<pre>                                                                                   233
bijlage a:
toelichting motivaction- onderzoek
Verschillende onderzoekers proberen de verschillen in interesse, houding en
gedrag tussen burgers ten aanzien van de overheid en politiek te verklaren. Voor
dat doel ontwikkelen ze segmentaties waarvan we er in paragraaf 1.2.1 drie presen-
teren. Deze drie segmentaties vertonen een grote overeenkomst in de stijlen van
betrokkenheid die ze onderscheiden, maar verschillen wel in scores op specifieke
vragen. De segmentaties van Verhoeven (2009: 37-40) en Becker en Dekker (2005:
349-452) wekken meer de indruk dat het gaat om sterk onderscheiden groepen
dan de segmentatie van Motivaction. Dat komt omdat de eerste twee differentië-
ren naar een selectie van de gemeten politieke interesse, houding en gedrag. De
verschillen tussen de groepen in deze segmentaties zijn zo groot, omdat het juist
die verschillen zijn op basis waarvan de groepen zijn ingedeeld. De segmentatie
van Motivaction is gebaseerd op basis van een sociaal-economische status (geme-
ten aan de hand van opleidingsniveau en inkomen) en een algemene waardeno-
riëntatie. Deze waardenoriëntatie is gemeten met behulp van zestig vragen (zie
ook www.motivaction.nl voor toelichting op het Mentality-model). Het Menta-
lity-model maakt onderscheid in acht verschillende sociale milieus. Pas daarna
wordt de houding ten opzichte van overheid en politiek gemeten en zijn de acht
algemene sociale milieus teruggebracht tot vier burgerschapsstijlen, in onze
terminologie betrokkenheidsstijlen. Hierdoor zijn de onderlinge verschillen
binnen de Motivaction segmentatie kleiner dan in de andere twee segmentaties.
In september-oktober 2011 is op verzoek van de wrr een aantal stellingen over
maatschappelijke en politieke betrokkenheid opgenomen in de jaarlijkse Menta-
lity-meting van Motivaction. Hieronder gaan we nader in op de onderzoeksresul-
taten en vallen daarbij soms terug op eerdere Mentality-metingen uit de periode
2007-2010 die in het kader van de 21 minuten- enquête (www.21minuten.nl)
werden verricht. Het is van belang te benadrukken dat de absolute scores hierbij
minder interessant – want lastig te beoordelen – zijn. Al jaren wordt getracht de
ontwikkeling in het vertrouwen van Nederlanders in de democratie en in de over-
heid en politiek te meten en internationaal te vergelijken. Net als in andere landen
is dat vertrouwen aan sterke schommelingen onderhevig. Nederland blijkt hier
relatief hoog te scoren (Bovens en Wille 2011: 21-43); zo schommelt het percentage
Nederlanders dat zegt tevreden te zijn met de manier waarop de democratie in
Nederland werkt sinds 1977 tussen de 50 en 80 procent (Bovens en Wille 2011: 29).
Maar wat betekent dat? Hoe tevreden zouden burgers moeten zijn met de demo-
cratie? En in welke mate wordt die tevredenheid bepaald door de werking van de
democratie zelf, door de tevredenheid met de prestaties van de overheid, of door
de tevredenheid met omstandigheden waar de democratie en de overheid minder
invloed op hebben, zoals economische ontwikkelingen? Allemaal redenen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 234 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 235 ======================================================================

<pre>234 vertrouwen in burgers
       waarom we niet naar de absolute scores, maar naar de verschillen tussen segmen-
       taties kijken. We kijken dan vooral naar de verschillen in interesse, inschatting van
       de mogelijkheden om de politiek te beïnvloeden, bereidheidheid tot actieve
       bijdrage aan politiek, en het vertrouwen in de politiek.
       Tabel A.1 laat zien dat Volgzamen en Critici hun beïnvloedingsmogelijkheden
       lager inschatten dan Pragmatici en Verantwoordelijken. Ze zijn, volgens de
       Mentality-meting van 2011, minder tevreden met wat de regering doet. De over-
       heid luistert meestal slecht en Kamerleden hebben weinig begrip van wat er onder
       de mensen leeft. Ze hebben vooral sterker het gevoel ‘machteloos’ te zijn: weinig
       invloed te hebben op het bestuur van gemeente en provincie, om maar niet te
       spreken van de regering. Er is naar hun gevoel ook geen politieke partij die zich
       inzet voor hun belangen. Speciaal de landelijke politiek zint hen niet: de gemeen-
       telijke politiek is interessanter dan de landelijke, en het is beter om de minister-
       president direct te kiezen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 235 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 236 ======================================================================

<pre>                                                               bijlage a: toelichting motivaction- onderzoek        235
Tabel A.1          Lagere verwachting onder Volgzamen en Critici (2011)
                   (instemmers in % van totale respons)
            Bevolking 15-80 jaar                                 Betrokkenheidsstijla                         Gem.
                                                                                                              NL
                                         Volgzamen          Critici           Pragmatici      Verantwoor-
                                                                                              delijken
            Omvang segment               15%                32%               24%             29%
            (n=1.310)
            Ik ben over het algemeen     39                 32b               51              46              42
            tevreden met wat de
            Nederlandse regering
            doet
            De overheid luistert         23                 16                30              31              25
            meestal goed naar wat
            de burger wil
            Kamerleden in ons land       72                 77                55              54              64
            hebben weinig begrip
            van wat er onder de
            mensen leeft
            De inspraak van burgers      91                 86                67              73              78
            op het bestuur van
            gemeente en provincie
            moet groter worden
            Mensen als ik hebben         81                 86                64              54              71
            geen enkele invloed op
            wat de regering doet
            Ik denk niet dat             70                 77                60              49              64
            Kamerleden en ministers
            veel geven om wat
            mensen als ik denken
            Kamerleden letten te veel    81                 85                72              67              76
            op het belang van enkele
            machtige groepen, in
            plaats van op het
            algemeen belang
            Is er naar uw mening in      30                 26                34              46              35
            ons land een politieke
            partij die zich echt inzet
            voor uw belangen? Ja:
            Ik ben meer                  47                 37                29              28              34
            geïnteresseerd in de
            gemeentelijke politiek
            dan in de landelijke
            politiek
            De minister-president        74                 84                64              57              70
            moet rechtstreeks door
            de kiezer gekozen
            worden
          a
            Motivaction heeft het over burgerschapsstijlen met de namen: plichtsgetrouwen; structuurzoekers,
            pragmatici en verantwoordelijken.
          b
            Voor vetgedrukte getallen gelden statistisch significante afwijkingen van het gemiddelde van de overige
            betrokkenheidsstijlen (95%-betrouwbaarheidsniveau).
          Bron: Motivaction (2011).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 236 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 237 ======================================================================

<pre>236 vertrouwen in burgers
       Bij de vragen over het eigen gedrag valt op dat vooral Critici en Pragmatici het
       laten afweten (tabel A.2). Ze gaan minder vaak dan Verantwoordelijken en
       Volgzamen stemmen en vooral niet voor de Provinciale Staten en het Europese
       Parlement. Ze geven aan, net als Volgzamen en Pragmatici, zich minder samen
       met anderen in te spannen voor een landelijke of lokale kwestie en zijn, zoals
       bleek uit de 21minuten-enquête 2007, minder vaak lid van een politieke partij.1
       En ‘goede burgers’ hoeven zich wat hun betreft niet verplicht te voelen tot inzet
       voor de samenleving of buurt, om hulpvaardig te zijn voor anderen, of – zoals
       Volgzamen – zich te bekommeren om sociaal zwakkeren of buren. Volgzamen
       voelen meer een noodzaak om eigen verantwoordelijkheid te nemen en minder
       een beroep te doen op de overheid. Ze voelen zich nauwelijks verplicht om mee
       te denken over de inrichting van de maatschappij. Opvallend is dat Pragmatici
       relatief tevreden zijn en wel vertrouwen hebben in hun eigen beïnvloedings-
       mogelijkheden, maar toch nauwelijks geïnteresseerd zijn die te benutten.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 237 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 238 ======================================================================

<pre>                                                              bijlage a: toelichting motivaction- onderzoek      237
Tabel A.2           Passieve houding van Pragmatici en Critici (2011/2007)
                    (instemmers in % van totale respons)
            Bevolking 15-80 jaar                                 Betrokkenheidsstijla                       Gem.
                                                                                                            NL
                                         Volgzamen         Critici            Pragmatici     Verantwoor-
                                                                                             delijken
            Omvang segment               15%               32%                24%            29%
            (n=1.310)
            Bij verkiezingen voor de     81b               63                 69             90             75
            Tweede Kamer ga ik
            altijd stemmen
            Bij verkiezingen voor de     74                54                 61             84             67
            Gemeenteraad ga ik
            altijd stemmen
            Bij verkiezingen voor de     63                42                 53             75             57
            Provinciale Staten ga ik
            altijd stemmen
            Bij verkiezingen voor het    61                39                 50             70             54
            Europese Parlement ga
            ik altijd stemmen
            Heeft u zich in de
            afgelopen twee jaar wel
            eens samen met anderen
            actief ingespannen voor
            een kwestie
            t die landelijk of nationaal 7                 7                  13             25             14
               van belang is of die
               betrekking heeft op
               wereldproblemen als
               vrede en armoede?
            t die van belang is voor     27                15                 26             41             27
               uw gemeente, voor een
               bepaalde groep in de
               gemeente of voor uw
               buurt?
            Een Goede Nederlandse        67                36                 43             60             49
            burger moet zich
            bekommeren om sociaal
            zwakkerenc
            Een burger dient de          76                45                 35             52             50
            buren te helpenc
            Burgers moeten meer          40                18                 15             22             22
            eigen verantwoordelijkheid
            nemen en minder een
            beroep doen op de
            overheidc
            Een Goede Nederlandse        39                26                 34             42             35
            burger moet meedenken
            over de inrichting van de
            maatschappijc
          a Motivaction heeft het over burgerschapsstijlen met de namen: plichtsgetrouwen; structuurzoekers,
            pragmatici en verantwoordelijken.
          b Voor vetgedrukte getallen gelden statistisch significante afwijkingen van het gemiddelde van de
            overige betrokkenheidsstijlen (95%-betrouwbaarheidsniveau).
          c Mentality-meting 2007 (bevolking 16-70 jaar, n=5.619) Niet aangegeven zijn de al dan niet
            significante afwijkingen.
          Bron: Motivaction (2011).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 238 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 239 ======================================================================

<pre>238 vertrouwen in burgers
       Bij Critici gaat passiviteit samen met een relatief sterk gevoeld wantrouwen (tabel
       A.3). Ze hebben minder vertrouwen in de overheid en vinden dat je niet voorzichtig
       genoeg kan zijn in de omgang met andere mensen. Ze reageren sceptischer op een
       aantal stellingen. Het maakt in feite weinig uit voor het leven van alledag wat de
       regering doet en het heeft geen zin om betrokken te zijn bij beslissingen of plannen
       van het Rijk en de gemeente. Ze voelen zich overvraagd, lezen weinig over politiek
       en zijn nauwelijks geïnteresseerd in ‘Europa’. De 21minuten-enquête uit 2007
       voegt kleur toe: waar circa 70 procent binnen de overige segmenten zich kan vinden
       in stellingen als Democratie kent meer voor- dan nadelen en Democratie is de beste
       bestuursvorm die ik ken, is dat slechts bij de helft van de Critici het geval.2 Ze zijn
       minder tevreden met het functioneren van de democratie en volgen de landelijke
       politiek in het geheel niet, of alleen bij speciale gebeurtenissen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 239 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 240 ======================================================================

<pre>                                                               bijlage a: toelichting motivaction- onderzoek        239
Tabel A.3          Wantrouwen bij Critici (2011)
                   (instemmers in % van totale respons)
            Bevolking 15-80 jaar                                 Betrokkenheidsstijla                         Gem.
                                                                                                              NL
                                         Volgzamen          Critici           Pragmatici     Verantwoor-
                                                                                             delijken
            Omvang segment               15%                32%               24%            29%
            (n=1.310)
            Ik heb vertrouwen in         45                 34b               53             59               48
            de overheid
            Ik vind dat je niet          68                 71                48             46               58
            voorzichtig genoeg kunt
            zijn in de omgang met
            andere mensen
            Wat de regering ook          50                 58                39             26               43
            doet, voor het dagelijks
            leven heeft het weinig nut
            Ik vind het niet nodig       29                 39                32             19               30
            betrokken te zijn bij
            plannen van de overheid
            die van invloed zijn op de
            manier waarop wij wonen,
            op onze leefomgeving
            en het milieu
            Ik vind het niet nodig       38                 51                44             24               40
            betrokken te zijn bij
            beslissingen/plannen van
            het gemeentebestuur die
            van invloed zijn op het
            leven in mijn gemeente
            Leest u wel eens iets over   34                 14                27             54               31
            de politiek in ons land,
            bijv. krantenverslagen?
            (% regelmatig)
            De Europese politiek         33                 17                30             48               31
            boeit me zeer
            De Europese politiek         71                 59                67             75               67
            moet meer democratisch
            worden
            De burgemeester moet         77                 85                77             70               78
            worden gekozen door
            de inwoners van de
            gemeente
          a Motivaction heeft het over burgerschapsstijlen met de namen: plichtsgetrouwen; structuurzoekers,
            pragmatici en verantwoordelijken.
          b Voor vetgedrukte getallen gelden statistisch significante afwijkingen van het gemiddelde van de overige
            betrokkenheidsstijlen (95%-betrouwbaarheidsniveau).
          Bron: Motivaction (2011).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 240 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 241 ======================================================================

<pre>240 vertrouwen in burgers
       Critici zoeken blijkens de 21minuten-enquête uit 2007 en de eerdere Mentality-
       metingen nieuwe wegen om hun betrokkenheid vorm te geven. Van de mogelijk-
       heden die andere burgers benutten om de politiek te beïnvloeden maken ze relatief
       weinig gebruik; ze zijn bijvoorbeeld nauwelijks lid van een maatschappelijke orga-
       nisatie, een soort thuisveld voor Verantwoordelijken. Ze zijn ook minder vaak lid
       van een kerk of geloofsgemeenschap of van de publieke omroepen, in tegenstelling
       tot Volgzamen en Verantwoordelijken. Het ligt voor de hand te wijzen op de
       ‘opening’ die eerder de lpf en nu de pvv hun biedt, maar enige voorzichtigheid
       is geboden. Bij de Tweede Kamerverkiezingen van juni 2010 was volgens de
       Mentality-meting de pvv-aanhang gespreid over Critici (17 procent), Volgzamen
       (10 procent) en Pragmatici (4 procent) plus Verantwoordelijken (4 procent). De
       vvd-, pvda- en sp-stemmers waren veel gelijkmatiger gespreid met telkens een
       piekje bij de Verantwoordelijken; zowel vvd als pvda haalde echter nog een
       ‘marktaandeel’ van respectievelijk 12 en 11 procent onder de Critici. De aanhang
       van d66 en GroenLinks concentreerde zich zelfs sterk onder de Verantwoordelij-
       ken met een te verwaarlozen steun onder Critici en Volgzamen. Opvallend is het
       sterke accent van zowel cda als sgp onder Volgzamen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 241 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 242 ======================================================================

<pre>                                         bijlage a: toelichting motivaction- onderzoek 241
noten
1   21minuten.nl Editie 2007, blz. 71, www.21minuten.nl/21minuten/images/
    21minuten_2007_rapport.pdf, geraadpleegd op 1 mei 2012.
2   21minuten.nl Editie 2007, blz. 22, www.21minuten.nl/21minuten/images/
    21minuten_2007_rapport.pdf, geraadpleegd op 1 mei 2012.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 242 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 243 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 243 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 244 ======================================================================

<pre>                                                                                                                                243
          bijlage b:
          lijst van gesproken personen
          In het kader van ons onderzoek hebben we gesproken met 383 mensen in 240
          bijeenkomsten. In de meeste gevallen betrof het interviews met één tot drie perso-
          nen. In enkele andere gevallen voerden we rondetafelgesprekken met meer dan
          tien personen. Van 187 bijeenkomsten werden geluidopnames gemaakt die vervol-
          gens letterlijk zijn uitgewerkt en geanalyseerd (zie ook box 1.1). De overige inter-
          views en bijeenkomsten zijn verwerkt op basis van aantekeningen.
Figuur B.1          Geïnterviewden per sector
                                                                                                                      p
                                                                                                 Percentage, n=383 geïnterviewden
                                                                                    Media
                                                                        Bedrijfsleven
                                                          Ngo
                                                                                 3 2
                                                                                                 Burgers
                                                                     9
                                          Advies a
                                                                                            28%
                                                          6
                    Maatschappelijke                  11
                              instelling b
                                                                                          21
                                                                     20
                                                                                              Overheid
                                               Wetenschap
          a Onder advies vallen zowel publieke als private adviesorganisaties.
          b Tot maatschappelijke instellingen worden ook brandweer en politie gerekend.
          Een kwart van de geïnterviewden leerde ons meer over de theoretische kanten van
          burgerbetrokkenheid, maar in de meeste gevallen ging het ons om inzicht te krij-
          gen in de ervaringen van mensen uit de praktijk (zie figuur B.2 voor achtergrond
          praktijkinterviews).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 244 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 245 ======================================================================

<pre>244   vertrouwen in burgers
Figuur B.2      Praktijkinterviews naar schaalniveau
                                                                       Percentage, n=285 geïnterviewden
                                               Internationaal
                                                      3
                        Nationaal
                                   32
                                                                    57%         Lokaal
                                            8
                                  Regionaal
          Het ging om mensen – burgers, beleidsmakers en frontlijnwerkers – die met vallen
          en opstaan een constructieve invulling probeerden te geven aan burgerbetrokken-
          heid. We kwamen op verschillende manieren met hen in contact. Een aantal
          gesprekspartners meldde zichzelf omdat ze via, via gehoord hadden van het
          project en hun ervaringen wilden delen. In het merendeel van de gevallen zochten
          we gericht contact, nadat we via de media of tijdens congressen kennis hadden
          genomen van ‘bijzondere’ activiteiten. Ook werden we door onze gesprekspart-
          ners dikwijls doorverwezen. We hebben rekening gehouden met een geografische
          spreiding over Nederland en diversiteit naar sector en onderwerp.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 245 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 246 ======================================================================

<pre>                                                     bijlage b: lijst van gesproken personen 245
lijst van gesproken personen
Functieaanduidingen ten tijde van het interview
Dhr. C.E. Aalberts, docent en onderzoeker politieke communicatie, Erasmus Universiteit
  Rotterdam
Dhr. H. Abrahams, gemeente Amersfoort
Dhr. M. el Achkar, tnt Post
Dhr. J. Alberda, voormalig bondscoach heren volleybalteam
Dhr. F.R. Ankersmit, emeritus hoogleraar Intellectuele en theoretische geschiedenis,
  Rijksuniversiteit Groningen
Dhr. J.A.M. van Arendonk, hoogleraar Fokkerij en genetica, Wageningen University &
  Research Centre
Mevr. C. Arens, projectmanager Nationale Denktank
Dhr. J.K. van Baardewijk, grondlegger Burgernet
Dhr. G. Baars, hoofd productie tros Radar
Mevr. I.M. Bakker, algemeen directeur Jeugd, Onderwijs en Samenleving, gemeente
  Rotterdam
Mevr. M. Barendregt, voormalig lid gemeenteraad Amersfoort
Dhr. B. van Beek, directeur Buurtlink
Dhr. K.W.H. van Beek, Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling
Dhr. W.J.F.M. van Beek, burgemeester gemeente Volendam
Dhr. W. van Beek, initiatiefnemer BuurtBuzz
Dhr. R. Bekker, secretaris-generaal Verandering Rijksdienst, Ministerie van Binnenlandse
  Zaken en Koninkrijksrelaties
Dhr. V.J.J.M. Bekkers, hoogleraar Bestuurskunde, Erasmus Universiteit Rotterdam
Dhr. R. Benoni, eigenaar Café Finch, Noordermarkt Amsterdam
Mevr. E.M. van der Berg, Sociaal Cultureel Planbureau
Mevr. F. van den Berg, ondernemersvereniging Heistraat, Helmond
Dhr. J. van Bergen, algemeen directeur GeefGratis en GeefSamen
Mevr. A. Bergwerff, senior projectleider beleidsprojecten Woonstad Rotterdam
Dhr. V. Berk, deelprojectleider n340 Vlot en veilig door de Vechtstreek, Provincie
  Overijssel
Dhr. D. Berkers, medewerker Stichting Welzijn Helmond
Dhr. R. Berkhout, knowledge officer Civil Society Building, hivos
Dhr. H. Berkhuizen, Milieudefensie
Dhr. D. van Berlo, initiatiefnemer Ambtenaar 2.0
Mevr. A. Bertram, gemeentesecretaris gemeente Den Haag
Mevr. L. Beukema, De Onderlinge
Mevr. L. Bijl, directeur De Opvoedpoli
Mevr. L.J.M Birza-Donckers, Rijksvoorlichtingsdienst, Ministerie van Algemene Zaken
Mevr. B. Blanksma, Hitzum
</pre>

====================================================================== Einde pagina 246 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 247 ======================================================================

<pre>246   vertrouwen in burgers
Dhr. S. Blauw, student tu Delft
Dhr. J. de Blok, directeur Buurtzorg Nederland
Dhr. E. Blom, The Crowds
Dhr. A.F.C. de Boer, directeur woningcorporatie De Volharding, Volendam
Mevr. A. de Boer, klant vrijwilligerspool Terherne
Mevr. J. Boesjes, hoofd communicatie en fondsen, Oranjefonds
Dhr. W. van Bolhuis, werkbezoek wijkaanpak Groningen
Dhr. B. Boluijt, promovendus School voor Politiek en Bestuur, Universiteit van Tilburg
Dhr. W. Bongaarts, Raadslid pvda, Tilburg
Dhr. N.W.A.W. van den Boogaard, recherchekundige in opleiding, korps Gelderland-Zuid
Dhr. H. Booij, brandweer Amersfoort
Dhr. L. Booij, Reclame- en adviesbureau bkb
Dhr. M. Boons, promovendus Department of decision and information sciences, Erasmus
   Universiteit Rotterdam
Dhr. G. van den Boorn, De Moderne Vereniging
Dhr. R. Boot, voormalig projectleider Ministerie van Economische Zaken
Mevr. W. Borgt, directeur Computerwijk
Dhr. C. van den Bos, hoogleraar Sociale Psychologie, Universiteit Utrecht
Mevr. F. Bouhalhoul, hoofd bibliotheken Spoorwijk en Laakkwartier, Den Haag
Dhr. J. Bouwmeester, gebiedsregisseur De Smederijen, Hoogeveen
Mevr. A. Bovendeert, bewoner, deelnemer consultatiegroep n340 Vlot en veilig door de
   Vechtstreek, Provincie Overijssel
Dhr. M.A.P. Bovens, hoogleraar Bestuurskunde, Universiteit Utrecht
Dhr. A.F.M. Brenninkmeijer, Nationale Ombudsman
Dhr. T. van den Broek, onderzoeker tno
Dhr. E. Bruggink, gebiedscoördinator Boven-Dommel
Mevr. A. de Bruijn, zorgbemiddelaar Stichting Humanitas, IJsselmonde
Dhr. D. de Bruijn, voorzitter supportersvereniging ado Den Haag
Dhr. J. Bruintjes, wethouder Borger-Odoorn
Dhr. L. Brussaard, hoogleraar Bodemkwaliteit, Wageningen University & Research Centre
Mevr. C. Buis, hoofd public relations Nederlandse Vereniging Kritisch Prikken
Mevr. A. Burger, directeur-generaal, Ministerie van Landbouw Natuurbeheer en Visserij
Dhr. J. Cassee, oprichter BuurtR
Dhr. A. Castelein, werkbezoek wijkaanpak Groningen
Mevr. T. Christophersen, directeur Stichting Welzijn Helmond
Dhr. A. Clement, Haagse Hogeschool
Dhr. W. van der Coelen, regisseur zelfsturing, gemeente Peel en Maas
Mevr. M. Cox, professional Brede School, Beringe
Mevr. J. de la Croix, gemeente Amersfoort
Dhr. J. Custers, gemeente Peel en Maas
Dhr. A. van Daal, bestuursdienst gemeente Den Haag
Dhr. P. van Dalen, straatvertegenwoordiger Laak & Wijkberaad Laak, Den Haag
Dhr. R. Dalstra, werkbezoek wijkaanpak Groningen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 247 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 248 ======================================================================

<pre>                                                     bijlage b: lijst van gesproken personen 247
Dhr. D. van Dam, bewonersgroep Horeca Overlast/Overleg Jordaan (ho/oj), Amsterdam
Mevr. E. van Dam, consulent IJsselwijs
Dhr. W. Deetman, lid Raad van State
Dhr. P. Dekker, hoogleraar Civil Society, Universiteit van Tilburg & afdelingshoofd
  Participatie en Bestuur, scp
Dhr. B. Dekkers, gemeente Den Haag
Dhr. T. Dekkers, treasurer Open State Foundation
Dhr. P Delissen, voorzitter dorpsoverleg Egchel
Dhr. S.A.H. Denters, hoogleraar Bestuurskunde, Universiteit Twente
Dhr. A.J.A.M. van Deursen, universitair docent Gedragswetenschappen, Universiteit
  Twente
Dhr. W. van Dieren, lid Club van Rome, directeur Imsa
Dhr. J.A.G.M. van Dijk, hoogleraar Sociologie van de informatiemaatschappij, Universiteit
  Twente
Dhr. J. van Dijk, programmacoördinator Gouda Ontmoet
Dhr. M. van Dijk, hoogleraar Applied Design, tu Delft
Mevr. T. Dijkstra, klant vrijwilligerspool Terherne
Dhr. P. Dijkstra, beleids- en communicatiemedewerker milieu gemeente Bolsward (nu
  gemeente Súdwest Fryslân)
Dhr. W. van Dommelen, beheerder Gemeenschapshuis Koningslust
Dhr. en mevr. Draaisma, Klimaatstraat Bolsward
Mevr. D. Driessen, Nieuwe Maan Adviseurs Maatschappelijke Ontwikkeling
Dhr. G. Drissen, vrijwilliger dagopvang, Grashoek
Dhr. H.P.M. van Duivenboden, b&a consulting & Center for Public Innovation, Erasmus
  Universiteit Rotterdam
Dhr. W. Duivendak, Tweede Kamerlid, voormalig Milieudefensie
Dhr. W. Ebbers, principal researcher Novay
Dhr. B. van Eyck, ondernemersvereniging Heistraat, Helmond
Dhr. D. Erasmus, The Digital Thinking Network
Mevr. A. van Es, directeur-generaal, Ministerie van Binnenlandse Zaken en
  Koninkrijksrelaties
Mevr. C. van Es, projectleider Stichting Nederland Kennisland
Dhr. B. Euser, wethouder Burger en Bestuur, gemeente Albrandswaard
Dhr. F. Evers, oud-directeur Natuurmonumenten
Mevr. A. Feldbrugge, bandwever, gemeente Ridderkerk
Dhr. H.J.M. Fenger, universitair hoofddocent Bestuurskunde, Erasmus Universiteit
  Rotterdam
Dhr. K. Flameling, wijkcoördinator Charlois, Rotterdam
Dhr. E. Fokkema, Leppeshiem, Friesland
Dhr. H. Frieswijk, communicatieadviseur gemeente Smallingerland
Dhr. J. Frissen, manager Advies en Innovatie Ymere, Amsterdam
Dhr. P.H.A. Frissen, hoogleraar School voor Politiek en Bestuur, Universiteit van Tilburg &
  Nederlandse School voor Openbaar Bestuur (nsob)
</pre>

====================================================================== Einde pagina 248 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 249 ======================================================================

<pre>248   vertrouwen in burgers
Mevr. V.A.J. Frissen, bijzonder hoogleraar ict en Sociale verandering, Erasmus Universiteit
   Rotterdam & principal scientist at tno
Mevr. W. van Geffen, hoofd stadsdeelcoördinatie, gemeente Groningen
Dhr. R. Genders, regisseur Wonen, Welzijn en Zorg, Gemeente Peel en Maas
Dhr. T. van Gestel, strategisch adviseur bestuursdienst gemeente Den Haag
Dhr. P. Geurts, vrijwilliger dagopvang, Koningslust
Dhr. J.C.H.C. Geurtz, promovendus School voor Politiek en Bestuur, Universiteit van
   Tilburg
Dhr. R. van der Giessen, directeur Oranjefonds
Dhr. J. de Glas, voorzitter fnv Jong
Dhr. H. Gommans, voorzitter gemeenschappelijk huis, Koningslust
Dhr. R. Gonggrijp, hacker en internetondernemer
Dhr. L.J. de Graaf, onderzoeker School voor Politiek en Bestuur, Universiteit van Tilburg
Dhr. J.J. de Graeff, directeur Natuurmonumenten
Dhr. H.G.J. Gremmen, directeur meta – Methodical Ethics and Technology Assessment,
   Wageningen University & Research Centre
Dhr. S. van Grieken, Voorzitter Stichting het Nieuwe Stemmen
Mevr. M. Groenendijk, patiëntenvereniging Metakids
Mevr. M. de Groot, New Synthesis
Dhr. B. Gul, Brandweer Amersfoort
Dhr. B. ter Haar, Ministerie van Infrastructuur en Milieu
Dhr. K. Haga, algemeen projectleider wmo IJsselmonde, gemeente Rotterdam
Dhr. J. Hage, senior projectleider Nationale Denktank
Dhr. M. Hagen, Deputy Chief Fire Officer, Merseyside Fire & Rescue Service, Verenigd
   Koninkrijk
Dhr. T. Hanselaar, oud-directeur kwf Kankerbestrijding
Dhr. G. ter Hart, strategisch adviseur Provincie Noord Brabant
Dhr. L.A. den Hartog, professor in Farm Management & Animal Production, Wageningen
   University & Research Centre
Mevr. M. van Heesewijk, beleidsadviseur e-participatie Burgerlink, mede-oprichter
   Netwerk Democratie
Dhr. G.M.A. van der Heijden, Universiteit van Amsterdam & at Osborne
Dhr. L.J. Hellebrekers, voorzitter Koninklijke Nederlandse Maatschappij voor
   Diergeneeskunde & hoogleraar Diergeneeskunde, Universiteit Utrecht
Dhr. F. Hendriks, hoogleraar Comparative governance, Universiteit van Tilburg
Dhr. W.H. Hendriks, hoogleraar Diervoeding, Wageningen University & Research
   Centre
Mevr. J. Hendrikx, bewoner Gaardenbuurt, Gouda
Dhr. J. Hermans, Leefbaar Oegstgeest
Mevr. A. Hertsenberg, tros Radar
Dhr. R. van Heugten, lid Provinciale Staten Noord Brabant
Dhr. F.A. Hirzalla, promovendus Communicatiewetenschap, Universiteit van Amsterdam
Mevr. M. Hoek, directeur De Groene Zaak
</pre>

====================================================================== Einde pagina 249 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 250 ======================================================================

<pre>                                                     bijlage b: lijst van gesproken personen 249
Mevr. C. Hoekendijk, adviseur en interim projectleider opleiding gaming, Hogeschool van
  Amsterdam
Dhr. M. Hoeks, bewoner Gaardenbuurt, Gouda
Mevr. B. Hofman, projectleider Vitaal Pendrecht, Rotterdam
Dhr. J. Hoogland, gemeente Amersfoort
Dhr. S. van Horen, vrijwilliger Brede School, Beringe
Dhr. F. Houterman, Commissaris & Bestuurder
Mevr. V. Huijgens, Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (ccv)
Dhr. T. Huizer, buurtpreventie Bolnes
Dhr. M.J. van Hulst, universitair docent School voor Politiek en Bestuur, Universiteit van
  Tilburg
Dhr. F.J. Jacobs, Advocatenkantoor Seegers & Lebouille, Amsterdam
Mevr. M. Jager-Vreugdenhil, onderzoeker Gereformeerde Hogeschool Zwolle
Dhr. Q. James, Ai!Amsterdam
Dhr. H.W.A. Jans, arts/chemicus, bureau gezondheid en Milieu & Veiligheid ggd Brabant
  en Zeeland & lid Brabants Kennisnetwerk Zoönosen
Mevr. F. Jansen, junior programme officer ict and Media, hivos
Dhr. T. Jansen, Stichting Bewoners Netwerken Amersfoort
Dhr. J. Jansz, bijzonder hoogleraar Communication and media, Erasmus Universiteit
  Rotterdam
Dhr. J.P. de Jong, oprichter Stichting Klein Galgenwaard, Utrecht
Dhr. J. de Jong, research fellow, John F. Kennedy School of Government, Harvard
  University
Dhr. M.C.M. de Jong, hoogleraar Kwantitatieve veterinaire epidemiologie, Wageningen
  University & Research Centre
Dhr. R. Jongedijk, raadsgriffier gemeente Enschede
Mevr. L. Joosten, vrijwilliger dagopvang, Koningslust
Mevr. J. Kampen, Hitzum
Dhr. N. Karsten, promovendus School voor Politiek en Bestuur, Universiteit van Tilburg
Mevr. C.M. Keller-van Lunsen, bewoner Watergraafsmeer, Amsterdam
Dhr. M. Keller, bewoner Watergraafsmeer, Amsterdam
Dhr. B. Kemp, hoogleraar Adaptiefysiologie, Wageningen University & Research Centre
Dhr. B. Kievitsbosch, werkbezoek wijkaanpak Groningen
Mevr. E. der Kinderen, ondernemersvereniging Heistraat, Helmond
Dhr. P.G. Klandermans, hoogleraar Toegepaste Sociale Psychologie, Vrije Universiteit
  Amsterdam
Dhr. F. Klingeman, bewonersgroep Horeca Overlast/Overleg Jordaan (ho/oj),
  Amsterdam
Dhr. J. van Knippenberg, voorzitter dorpsoverleg Kessel
Dhr. B. Kokshoorn, voorzitter dorpsoverleg Kessel-Eik
Mevr. K. Kolen, teamleider binnenstad Stichting Welzijn Helmond
Dhr. M.J.J.A.A. Korthals, hoogleraar Toegepaste filosofie, Wageningen University &
  Research Centre
</pre>

====================================================================== Einde pagina 250 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 251 ======================================================================

<pre>250   vertrouwen in burgers
Dhr. J.R. Kos, initiatiefnemer referendum Huizen
Dhr. E. de Kovel, medewerker Service & Veiligheid, ns
Dhr. R. van Kralingen (Robert), Ai!Amsterdam
Dhr. R. van Kralingen (Rogier), Ai!Amsterdam
Dhr. C. Kramer, Hitzum
Dhr. H. Kras, inwoner Volendam
Dhr. J. Kriek, hoofdredacteur EenVandaag
Mevr. J. Kriens, wethouder financiën, bestuur, organisatie en volksgezondheid, gemeente
   Rotterdam
Dhr. M.C. Krol, universitair hoofddocent Meteorologie en luchtkwaliteit, Wageningen
   University & Research Centre
Dhr. M. Kromwijk, voorzitter Raad van Bestuur Woonbron, Rotterdam
Dhr. T. Kronenburg, consultant Zenc
Dhr. C. Kuijpers, directeur-generaal Ruimte, Ministerie van Volksgezondheid, Ruimtelijke
   Ordening en Milieubeheer
Mevr. J. Kuiper, programmadirectie wijken, Ministerie van Volksgezondheid, Ruimtelijke
   Ordening en Milieubeheer
Dhr. P. Kurvers, voorzitter Dorpsoverleg Helden-Dorp
Dhr. T. Kwakkelstein, Bureau Verkenningen en Onderzoek, Ministerie van Binnenlandse
   Zaken en Koninkrijksrelaties
Mevr. L. van de Lagemaat, adviseur Advies en Innovatie Ymere, Amsterdam
Dhr. W. Lageweg, directeur mvo Nederland
Dhr. P. Lautenbach, huurdersvereniging Ymere, Amsterdam
Dhr. H. van der Leest, werkbezoek wijkaanpak Groningen
Dhr. R. de Leeuw, Natuurmonumenten
Dhr. C. Leeuwis, hoogleraar Communicatiewetenschap, Wageningen University &
   Research Centre
Dhr. H. Lelieveldt, associate professor political science, Roosevelt Academy
Dhr. J. Lemmen, vrijwilliger natuurpark, Koningslust
Dhr. Lemstra, bewoner Klimaatstraat Bolsward
Mevr. H. Lemstra-Aukema, bewoner Klimaatstraat Bolsward
Dhr. C. Lens, oprichter CreativeCrowds en Verbeterdebuurt
Dhr. E. Liddiard, Ai!Amsterdam
Dhr. D.A. Loorbach, directeur Dutch Research Institute For Transitions (drift), Erasmus
   Universiteit Rotterdam
Dhr. W. Louman, procesmanager Ymere, Amsterdam
Mevr. K. Louwes, wethouder arbeidsmarkt, hoger onderwijs, innovatie en participatie,
   gemeente Rotterdam
Mevr. G.H. Lunsing, projectmanager De Smederijen, Hoogeveen
Dhr. K. Machielse, lector Gebiedsontwikkeling & Transitiemanagement, Hogeschool van
   Rotterdam
Dhr. L.J.G. van der Maessen, European Foundation on Social Quality
Dhr. S. Mahabier, kansenmakelaar Coolhaven, Woonbron Rotterdam
</pre>

====================================================================== Einde pagina 251 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 252 ======================================================================

<pre>                                                    bijlage b: lijst van gesproken personen 251
Mevr. T. Manders, vrijwilliger dagopvang, Grashoek
Dhr. R. Mans, Social Media Strategist, Capgemini
Dhr. M.J. Marx, Instituut voor Informatica, Universiteit van Amsterdam
Dhr. F. Mechielsen, lobbyist private sector/csr Oxfam Novib
Mevr. M. van der Meer, klant vrijwilligerspool Terherne
Dhr. B. Meerstadt, president-directeur ns
Dhr. A.J. Meijer, universitair hoofddocent Bestuurs- en Organisatiewetenschap (usbo),
  Universiteit Utrecht
Dhr. C.P.M. Meijs, bijzonder hoogleraar Vrijwilligerswerk, Civil Society en
  ondernemingen en Strategische filantropie, Erasmus Universiteit Rotterdam & lid Raad
  Maatschappelijke Ontwikkeling
Dhr. M. Melenhorst, researcher Novay
Mevr. S.A.P.J. van Melis, Ministerie van Justitie
Mevr. J.W. Metz, programmaleider Youth Spot, onderzoek- en praktijkcentrum
  jongerenwerk, Hogeschool van Amsterdam
Dhr. J. van der Meulen, Kamerheer De Kamers, Amersfoort
Dhr. J.K. Meyboom, hoofd ouderenwerk Stichting Maatschappelijke Dienstverlening
  Delfshaven (smdd), Rotterdam
Dhr. T. van Mil, TwoMinds
Mevr. L. Molenkamp, hoofd eenheid Wegen en Kanalen, Provincie Overijssel
Dhr. P. Moossdorff, coördinator organizing fnv Bondgenoten
Dhr. A. Mullié, projectleider Woonbron, Rotterdam
Dhr. H. Nering Bögel, Politie Haaglanden
Mevr. J.L.D. Neys, promovendus Media & Communication, Erasmus Universiteit
  Rotterdam
Mevr. A. Nienhuis, gepensioneerd welzijnswerker Odoornerveen
Dhr. H. Nijhuis, gemeente Den Haag
Mevr. M. Noorman, Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling
Dhr. M. van Noort, contactpersoon regio Utrecht, Contactgroep Myeloom en
  Waldenström Patiënten (cmwp)
Mevr. R. van Noortwijk, directeur Greenwish
Dhr. M. Oele, bewoner Schothorst, Amersfoort
Dhr. S. Okhuijsen, redacteur/ bestuurder Sargasso
Dhr. L. Olffers, straatvertegenwoordiger Laak & voorzitter Wijkberaad Laak, Den Haag
Dhr. L. Olthoorn, Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (ccv)
Mevr. J. Onderdijk, bewoner, deelnemer consultatiegroep n340 Vlot en veilig door de
  Vechtstreek, Provincie Overijssel
Dhr. R. Onverzaagt, vestigingsdirecteur Ymere, Amsterdam
Dhr. C. Oomen, Ministerie van Landbouw Natuurbeheer en Visserij
Dhr. J. van Oord, Kamerheer De Kamers, Amersfoort
Mevr. W. Oostenveld, gebiedsbeheer Ymere, Amsterdam
Mevr. E. Oosterbaan, communicatieadviseur gemeente Smallingerland
Dhr. H.A.F. Oosterling, universitair hoofddocent Dialectische filosofie en
</pre>

====================================================================== Einde pagina 252 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 253 ======================================================================

<pre>252    vertrouwen in burgers
    differentiedenken, filosofie en kunst, Erasmus Universiteit Rotterdam & directeur
    Rotterdam Vakmanstad/ Skillcity
Dhr. J.J.C. van Ostaaijen, onderzoeker School voor Politiek en Bestuur, Universiteit van
    Tilburg
Dhr. C. Ottenheijm, vrijwilliger herinrichting kern, Koningslust
Dhr. A.G.J.M. Oude Lansink, hoogleraar Bedrijfseconomie, Wageningen University &
    Research Centre
Dhr. J. van der Outernaar, bewonersgroep Horeca Overlast/Overleg Jordaan (ho/oj),
    Amsterdam
Dhr. B. Overbeeke, interactive campaigner Oxfam Novib
Dhr. W. Pak, directeur basisschool Bloemhof, Rotterdam
Dhr. M. Pastors, b&a Consulting
Dhr. M. Peelen, gebiedsregisseur De Smederijen, gemeente Hoogeveen
Dhr. S. Peeters, teammanager Jeugd, Maatschappelijke Ontwikkeling en Dienstverlening,
    Helmond
Dhr. S. Peeters, vrijwilliger Brede school, Beringe
Dhr. T. Piersma, burgemeester gemeente Wûnseradiel
Mevr. J. Pieterse, mede-initiatiefnemer Netwerk Democratie
Mevr. A. Plas, medewerker Stichting Metakids, onderzoek naar stofwisselingsziekten
Dhr. J.D. van der Ploeg, hoogleraar Rurale sociologie, Wageningen University & Research
    Centre
Dhr. T. Podt, werkbezoek wijkaanpak Groningen
Dhr. A. Ponsioen, medewerker Politiek Online
Dhr. F. Post, provincie Noord Brabant
Dhr. G. Post, bewoner Bentveld
Mevr. M. Post, bewoner Bentveld
Mevr. A. Pot, senior sustainability manager apg Asset Management
Mevr. H. van Praag, Gouden initiatieven, Gouda
Mevr. H. Pranger, Ministerie van Volksgezondheid, Ruimtelijke Ordening en Milieu
Dhr. I. de Pree, The Crowds
Dhr. M. Prins, stadsdeeldirecteur Laak, Den Haag
Dhr. W. Prinsse, bewoner, deelnemer consultatiegroep n340 Vlot en veilig door de
    Vechtstreek, Provincie Overijssel
Mevr. A. Punter, De Opvoedpoli
Dhr. R. Rabbinge, universiteitshoogleraar Duurzame ontwikkeling en voedselzekerheid &
    adviseur Raad van Bestuur, Wageningen University & Research Centre
Dhr. G. Rademakers, EenVandaag Opiniepanel
Dhr. P. Rehwinkel, burgemeester gemeente Groningen
Dhr. H. Reus, bewonersvereniging Santpoort Zuid
Dhr. A.B. Ringeling, emeritus hoogleraar Bestuurskunde, Erasmus Universiteit Rotterdam
Dhr. K. Roeg, supporterscoördinator ado Den Haag
Dhr. K. Roth, directeur Human Rights Watch
Dhr. F. Rottenberg, programmamaker, oud-politicus
</pre>

====================================================================== Einde pagina 253 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 254 ======================================================================

<pre>                                                      bijlage b: lijst van gesproken personen 253
Dhr. M. Ruijten, bewoner Gaardenbuurt, Gouda
Dhr. R. Rustema, docent Nieuwe media, Universiteit van Amsterdam
Dhr. T. Rutten, voorzitter Gemeenschapshuis “De Wieksjlaag”, Beringe
Mevr. A. Samson, student Media and Journalism, Erasmus Universiteit Rotterdam
Mevr. M.L.J. van Santvoort, beleidsadviseur Provinciale Raad voor de Volksgezondheid en
  Maatschappelijke Zorg in Noord-Brabant
Dhr. van der Schaaf, bewoner Klimaatstraat Bolsward
Mevr. van der Schaaf, bewoner Klimaatstraat Bolsward
Dhr. L. Schaap, universitair hoofddocent School voor Politiek en Bestuur, Universiteit van
  Tilburg
Dhr. M.T. Schäfer, universitair docent Information Technologies in Science and Society,
  Universiteit Utrecht
Mevr. E. Schieven, werkbezoek wijkaanpak Groningen
Dhr. J. Schilder, directeur Stichting Club en Buurthuis werk Volendam
Dhr. R. Schleijpen, medeoprichter Nieuwe Maan Netwerk
Dhr. G. Schmitz, strateeg gemeente Peel en Maas
Dhr. M.C.T. Scholten, Animal Sciences Group, Wageningen University & Research Centre
Dhr. S. Schöne, programmadirecteur Klimaatbureau hier
Mevr. H. Schreuders, programmamedewerker Stuurgroep Experimenten Volkshuisvesting
  (sev)
Mevr. E. Scheurs, vrijwilliger jongeren, Koningslust
Dhr. C.J.M. Schuyt, lid van de Raad van State
Mevr. J. Sickmann, initiatiefnemer Siësta Stichting Industrieel erfgoed
Dhr. C. Sigaloff, vicevoorzitter Stichting Nederland Kennisland
Mevr. F.E. Six, universitair docent Bestuurswetenschappen, Vrije Universiteit Amsterdam
Dhr. L. Slaghuis, Hack de Overheid
Mevr. M. Slot, onderzoeker tno & promovendus Erasmus Universiteit Rotterdam
Dhr. K. Smid, wethouder gemeente Hoogeveen
Dhr. R. Spaaij, research fellow, La Trobe University, Australië
Mevr. P. Spaninks, coördinator EenVandaag panel
Dhr. H. Spekman, Tweede Kamerlid, voormalig wethouder gemeente Utrecht
Dhr. K.S. Spoelstra, initiator Station Fryslân 2018
Dhr. D. Stam, Assistant Professor of Innovation Management, Erasmus University
  Rotterdam
Mevr. J. Stans, managing partner en communicatieadviseur Politiek Online
Mevr. A.M. Stapels, senior beleidsmedewerker educatie en participatie, Ministerie van
  Volksgezondheid, Ruimtelijke Ordening en Milieu
Dhr. J. Stemkens, voorzitter Stichting Dorpsoverleg Meijel
Dhr. F.P.C.J.G. Stienen, wethouder Stedelijke Ontwikkeling, Volkshuisversting en
  Grondzaken, gemeente Helmond
Mevr. Y. Stoeltie, De Moderne Vereniging
Mevr. L. Stol, werkbezoek wijkaanpak gemeente Groningen
Mevr. I. Strating, initiatiefnemer De Crisiswerkplaats
</pre>

====================================================================== Einde pagina 254 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 255 ======================================================================

<pre>254   vertrouwen in burgers
Mevr. J. Stremmelaar, coördinator hivos kennisprogramma
Dhr. Y. Strikwerda, projectleider leefbaarheid Elkien
Dhr. E. de Swart, manager Nationaal Stimuleringsprogramma Maatschappelijk betrokken
   ondernemen, mvo Nederland
Dhr. G.K. Swillens, burgemeester gemeente Wijk bij Duurstede
Mevr. N. Talstra, Doarpswurk Terherne
Mevr. J.A. Tammenoms Bakker, oud directeur-generaal, Ministerie van Volksgezondheid,
   Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
Dhr. G.R. Teisman, hoogleraar Bestuurskunde, Erasmus Universiteit Rotterdam
Mevr. N. Tellegen, directeur stichting doen
Mevr. C.J.A.M. Termeer, hoogleraar Bestuurskunde, Wageningen University & Research
   Centre
Dhr. O. Terpstra, procesmanager Ymere, Amsterdam
Mevr. C. Thate, directeur Johan Cruyff Foundation
Mevr. B. Thé, directeur stichting Beterburen, Amsterdam
Mevr. I. Thijssen, directievoorzitter ns reizigers
Dhr. J.J.A. Thomassen, emeritus hoogleraar Politieke wetenschappen, Universiteit
   Twente
Dhr. H. Tiesing, woordvoerder actiecomité Stop Hostels Den Bosch
Mevr. P. Timmer, communicatieadviseur n340 Vlot en veilig door de Vechtstreek,
   Provincie Overijssel
Dhr. D. Tokmetzis, redacteur Sargasso
Mevr. L. van Tongeren, Tweede Kamerlid, voormalig directeur Greenpeace
Dhr. A.W. Udo, oud-voorzitter Koninklijke Maatschappij voor Diergeneeskunde
Dhr. H. Uiterwijk, projectsecretaris N340 Vlot en veilig door de Vechtstreek, Provincie
   Overijssel
Mevr. P. van der Valk, Officier van Justitie, Almelo
Dhr. W. de Valk, The Crowds
Dhr. M. van der Veen, onderzoeker Biotechnologie en samenleving, Technische
   Universiteit Delft
Mevr. J.A. Vega, universitair docent Sociale en Politieke Filosofie, Rijksuniversiteit
   Groningen
Dhr. R.J. in ’t Veld, hoogleraar Governance and sustainability, Universiteit van Tilburg
Dhr. G.O. van Veldhuizen, burgemeester gemeente Hoorn
Dhr. C. van der Ven, directeur stichting Hope xxl
Dhr. J.A.M. van de Ven, gebiedscoördinator Kempenland
Dhr. R. Venrooij, woordvoerder actiecomité Stop Hostels Den Bosch
Mevr. J. Vergragt, senior projectleider beleidsprojecten Woonstad Rotterdam
Dhr. P. Verheugd, student rechtsgeleerdheid, Universiteit Leiden
Mevr. W. Verloop, oprichter War Child
Dhr. S. van de Vijver, directeur African Population and Health Research Center, Kenia
Dhr. W. van de Vijver, student International Management, Erasmus Universiteit
   Rotterdam
</pre>

====================================================================== Einde pagina 255 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 256 ======================================================================

<pre>                                                     bijlage b: lijst van gesproken personen 255
Dhr. R. Vis, oud-gemeenteraadslid gemeente Amersfoort
Mevr. H. Visser, Nederlandse Vereniging Kritisch Prikken
Dhr. H. van der Vlist, oud secretaris-generaal, Ministerie van Volksgezondheid,
  Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
Dhr. P. Vogelzang, Voorzitter Eredivisie cv
Mevr. M. Vonk, meitinker Terherne, stichting Mienskipssoarch
Dhr. G. de Vor, Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (ccv)
Dhr. F.P.I.M. van Vree, hoogleraar Journalistiek en cultuur, Universiteit van Amsterdam
Dhr. F. de Vries, werkbezoek wijkaanpak Groningen
Dhr. T. Vrijenhoek, projectleider Oxfam Novib
Mevr. L. Vroegindeweij, initiatiefnemer De Crisiswerkplaats
Dhr. S.P.M. de Waal, Public space Foundation
Dhr. T. Wagenaar, directeur Stichting Natuur en Milieu
Dhr. G. van Weerd, projectleider n340 Vlot en veilig door de Vechtstreek, Provincie
  Overijssel
Dhr. P.J. Werkhoven, managing director Technical Sciences, tno & hoogleraar
  Multimodale Interactie in Virtuele Omgevingen, Universiteit Utrecht
Mevr. M.G.J. van Wessel, universitair docent Communicatiewetenschap, Wageningen
  University & Research Centre
Dhr. J. Westbroek, wijkregisseur Laak Noord, Den Haag
Dhr. A. Wevers, bewoner, deelnemer consultatiegroep n340 Vlot en veilig door de
  Vechtstreek, Provincie Overijssel
Dhr. J. Wiersinga, oprichter SilverFit
Dhr. E. Wijnberg, oud-voorzitter van de Belangenvereniging Marktondernemers
  Dappermarkt
Dhr. H. Wijninga, vice-voorzitter Contactgroep Myeloom en Waldenström Patiënten
  (cmwp)
Dhr. A.C.J.M. Wilthagen, hoogleraar Institutionele en juridische aspecten van de
  arbeidsmarkt, Universiteit van Tilburg
Mevr. A. Winsemius, senior onderzoeker trends en onderzoek, Movisie
Dhr. J.S.C. Wiskerke, hoogleraar Rurale sociologie, Wageningen University & Research
  Centre
Dhr. C. de Wit, De Zorgcirkel, Volendam
Dhr. M. Witschge, directeur Stichting Nederland Krijgt Nieuwe Energie
Dhr. S. Woldhek, initiatiefnemer Nabuur.com
Dhr. F. Wüthrich, bewonersinitiatief Zielhorst op Glasvezel, Amersfoort
Mevr. S. Zafar, Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling
Mevr. A. Zierleyn, manager Fondsenwerving en Activiteiten Mileudefensie
Dhr. M. Zijlstra, griffiemedewerker gemeente Groningen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 256 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 257 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 257 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 258 ======================================================================

<pre>                                                                                         257
begrippenlijst
Andersbewegingen
         Maatschappelijke bewegingen waarin mensen zich verenigen in een gezamenlijk
         streven: iets moet ‘anders’.
Beleidsmakers
         Politici in hun rol als volksvertegenwoordigers, wethouders, gedeputeerden en
         ministers en (top)beleidsambtenaren.
Beleidsparticipatie
         Trajecten van de overheid waarbij de burger gevraagd wordt om mee te praten en
         te denken.
Bestuurders
         Leidinggevenden van maatschappelijke instellingen.
Betrokkenheidsaanbod
         De formele en informele eisen die overheden en maatschappelijke instellingen
         stellen aan de betrokkenheid van burgers.
Betrokkenheidsstijl
         Samenvatting van te onderscheiden politieke oriëntaties en gedragingen, waarmee
         we de diversiteit in politieke betrokkenheid onder de bevolking analytisch kunnen
         duiden (volgens Verhoeven 2009: 36).
Bovenbinding
         De hiërarchische verbanden die in een verzuilde samenleving de overbrugging
         (bridging) van ‘onderliggende’ gemeenschappen vormden (Putnam 2000), maar
         die ook – in een sterk gewijzigde vorm – in de netwerksamenleving vereist zijn om
         tot evenwichtige besluitvorming binnen en tussen clusters te komen.
Burgers
         De politieke en publieke identiteit van personen.
Burgerbetrokkenheid
         De wijze waarop personen invulling geven aan hun politieke en publieke
         identiteit.
Cluster
         Een relatief gesloten deelsysteem van een netwerk.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 258 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 259 ======================================================================

<pre>258   vertrouwen in burgers
Complexiteitsrace
         Manieren waarop getracht wordt de complexiteit van de samenleving te beperken
         dragen juist bij aan het vergroten van die complexiteit.
Crowd sourcing
         Het mechanisme waarmee organisaties (overheid, bedrijven, instituten) of
         personen gebruikmaken van een grote groep niet vooraf geselecteerde individuen
         (professionals, vrijwilligers, geïnteresseerden) voor het uitvoeren van diverse
         taken.
Cultuur
         De door groepen gedeelde overtuigingen, waarden en normen, die zich via regels,
         routines, rituelen en symbolen uiten, en die gedrag voor groepen betekenisvol
         maken. Een combinatie van zowel de zachtere informele als de harde structurele
         formele kant van organisaties en groepen.
Dwarsbinding
         De lossere – ‘dunne’ – banden tussen individuen die deel uitmaken van
         verschillende clusters.
Frontlijnwerkers
         Mensen die vanuit hun functie in direct contact staan met burgers: de
         wijkagenten, de wijkcoördinatoren en buurtconciërges, de welzijnswerkers, de
         brandweerlieden, de participatieambtenaren, enz.
Korte klap
         Een eerste, vaak relatief eenvoudig voor elkaar te krijgen, verandering, waarmee je
         aangeeft dat je de belangen, wensen en inbreng van mensen serieus neemt.
Lage instap
         Het zo eenvoudig mogelijk maken voor mensen om een (eerste) bijdrage te
         leveren.
Lange staart
         De scheve verdeling in netwerken: een kleine groep is verantwoordelijk voor de
         meeste bijdragen, een grote groep levert weinig tot geen bijdragen.
Maatschappelijk initiatief
         Burgers die zelf het heft in handen nemen en daarbij een publiek doel nastreven.
Maatschappelijke participatie
         Deelname van burgers aan het maatschappelijk verkeer. Het gaat hier zowel om de
         maatschappelijke participatie van burgers die dagelijks zelfstandig deelnemen aan
</pre>

====================================================================== Einde pagina 259 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 260 ======================================================================

<pre>                                                                            begrippenlijst 259
         het maatschappelijk verkeer, om burgers voor wie extra ondersteuning nodig is,
         als de vrijwilligers die de ondersteuning bieden.
Meestribbelen
         Als men, met kracht van warme woorden, voor een bepaalde ontwikkeling is maar
         in de praktijk de voet op de rem zet.
Samenbinding
         De hechte banden binnen een cluster.
Sinterklaasvraag
         De laatste vraag van een interview: “Stel u mag de Goedheiligman voor één keer
         alles vragen wat u wenst, wat is dan uw vraag?”
Spikkelen
         Het inbrengen van externe verbinders bij homogene gemeenschappen.
Tegenbinding
         De binding tussen burgers die niets met elkaar hebben anders dan een belang bij
         een civiele – ‘fatsoenlijke’ – invulling van hun samenleving; een oppervlakkige
         omgang met anderen tijdens toevallige ontmoetingen.
Trekkers
         Mensen die een initiatief trekken, zich aan een bepaald onderwerp hebben
         verbonden, daar voluit voor gaan en zich niet door de eerste tegenslag uit het veld
         laten slaan.
Veerkracht
         Het vermogen zich aan te passen aan veranderende omstandigheden.
Verbinders
         Mensen die een verbinding kunnen leggen tussen verschillende groepen, tussen
         verschillende netwerken, tussen burgers en beleidsmakers. Ze zijn ‘meertalig’ en
         kunnen zich in verschillende soorten groepen gemakkelijk bewegen.
Veenbrand/Veenbrandfenomeen
         Het schijnbaar plotseling oplaaien of doven van een hype, protest of actie.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 260 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 261 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 261 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 262 ======================================================================

<pre>                                                                                            261
literatuur
Aardema, H. (2010) Voorbij de hypocratie. Innovatiekans voor volksvertegenwoordigers en
          mensen om hen heen, Alphen aan den Rijn: Kluwer.
Aberbach, J.D., R.D. Putnam en B.A. Rockman (1981) Bureaucrats and politicians in
          Western democracies, Cambridge, ma: Harvard University Press.
Actieprogramma Lokaal Bestuur (2010a) Een jaar leren en experimenteren. Samenwerken
          met burgers, Den Haag: Vereniging van Nederlandse Gemeenten en Ministerie van
          Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
Actieprogramma Lokaal Bestuur (2010b) Naar buiten. Spoorboekje burgerparticipatie voor
          raad en college, Den Haag: Vereniging van Nederlandse Gemeenten en Ministerie
          van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
Adriaanse, C.M.M. (2006) ‘Publieke familiariteit bindt in Buitenveldert’, City Journal 1,
          12: 14-19.
Aedes-Magazine (2011) ‘Lonken naar beproefd boerenmodel’, Aedes Magazine 23: 30-33.
Ajzen, I. (1987) ‘Attitudes, traits, and actions. Dispositional prediction of behavior in
          personality and social psychology’, Advances in Experimental Social Psychology 1,
          20: 1-63.
Alexander Kunz, M. (2009) ‘Professor Sarah Soule explains effective social movements’,
          Stanford Graduate School of Business Alumni Magazine, www.gsb.stanford.edu/
          news/bmag/sbsm0909/kn-effective-social-movements.html.
Alonso, S., J. Keane en W. Merkel (2011) The future of representative democracy,
          Cambridge: Cambridge University Press.
Anderson, C. (2006) The long tail, New York: Hyperion.
Andeweg, R.B. (1989) ‘Institutional conservatism in the Netherlands: proposals for and
          resistance to change’, West European Politics 1, 12: 42-60.
Andeweg, R.B. en J. Thomassen (red.) (2011a) Democratie doorgelicht. Het functioneren van
          de Nederlandse democratie, Leiden: Leiden University Press.
Andeweg, R.B. en J. Thomassen (red.) (2011b) Van afspiegelen naar afrekenen? De toekomst
          van de Nederlandse Democratie, Leiden: Leiden University Press.
Ankersmit, F.R. (2008) ‘On the future of representative democracy: comments on the
          future of representative democracy project’, The future of representative democracy,
          www.thefutureofrepresentativedemocracy.org/, geraadpleegd op 4 april 2012.
Arend, S. van der (2007) Pleitbezorgers, procesmanagers en participanten. Interactief beleid
          en de rolverdeling tussen overheid en burgers in de Nederlandse democratie, Delft:
          Eburon.
Arendt, H. (2004) Over revolutie, Amsterdam/Antwerpen: Atlas.
Arnstein, S.R. (1969) ‘A ladder of citizen participation’, Journal of the American Planning
          Association 35, 4: 216-224.
Bakker, J., B. Denters en P.-J. Klok (2011) ‘Welke burger telt mee(r) in de doe-democratie?’,
          Beleid en Maatschappij 4, 38: 402-418.
Bandura, A. (1977) Self-efficacy. The exercise of control, Cranbury, nj: W.H. Freeman & Co.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 262 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 263 ======================================================================

<pre>262   vertrouwen in burgers
Barabási, A.L. en R. Albert (1999) ‘Emergence of scaling in random networks’, Science 5439,
          286: 509-512.
Barker, D.J.P., C. Cooper, G. Rose (1998) Epidemiology in medical practice 5th ed., Edin-
          burgh: Churchill Livingstone.
Becker, J. en P. Dekker (2005) ‘Beeld van publiek en beleid’, blz. 349-452 in scp (red.) De
          sociale staat van Nederland 2005, Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.
Beinhocker, E.D. (2006) The origin of wealth. The radical remaking of economics and what it
          means for business and society, Cambridge, ma: Harvard Business School Press.
Bekker, R. (2009) Een grenzeloze overheid vraagt grenzeloze ambtenaren. Toespraak tijdens
          de buluitreiking Public Sector MBA van Nyenrode Business Universiteit op 17
          december, www.caop.nl/fileadmin/caop/data/Leerstoelen/Albeda_Leerstoel/
          Publicaties/Bekker/Speech_buluitreiking_Nijenrode_20091217.pdf, geraadpleegd
          op 4 april 2012.
Bekkers, V.J.J.M., A.J. Meijer en N. Burger (2010) Cocreatie in de publieke sector. Een verken-
          nend onderzoek naar nieuwe, digitale verbindingen tussen overheid en burger, Den
          Haag: Boom Juridische uitgevers.
Benkler, Y. (2006) The wealth of networks. How social production transforms markets and
          freedom, New Haven, nj: Yale University Press.
Berg, J. van den, Y. Deelstra, G.R. Teisman en W. Kesseler (red.) (2011) Kwartiermakers van
          de toekomst, Deventer: Uitgeverij Mastercircle.
Berlo, D. van (2009) Ambtenaar 2.0. Nieuwe ideeën en praktische tips om te werken in over-
          heid 2.0, Den Haag: Den Haag Media Groep.
Blokland-Potters, T.V. (2006) Het sociale weefsel van de stad. Cohesie, netwerken en korte
          contacten, Rotterdam: Erasmus Universiteit.
Blom, E. (2009) Handboek communities. De kracht van sociale netwerken, Utrecht: Bruna.
Blond, P. (2010) Red Tory. How the left and right have broken Britain and how we can fix it,
          London: Faber and Faber.
Boer, N. de (2010) ‘Samen buurten. Participatie in steden en dorpen’, blz. 29-42 in M. van
          Houten en A. Winsemius (red.) Participatie ontward. Vormen van participatie
          uitgelicht, Utrecht: Movisie.
Boer, N. de, en J. van der Lans (2011) Burgerkracht. De toekomst van sociaal werk in Neder-
          land, Den Haag: Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling.
Boonstra, N., J. Mak en R. van Wonderen (2009) Respect op het plein. Werken aan gedrags-
          verandering in de buurt, Utrecht: Verwey-Jonker Instituut.
Bos, K. van den (2009) ‘Rechtvaardigheid en onzekerheid’, blz 89-114 in W. Tiemeijer,
          C. Thomas en H. Prast (red.) De menselijke beslisser, Amsterdam: Amsterdam
          University Press.
Bos, K. van den (2011) Vertrouwen in de overheid. Wanneer hebben burgers het, wanneer
          hebben ze het niet, en wanneer weten ze niet of de overheid te vertrouwen is?, Den
          Haag: Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
Boss, E.-M. (2010) ‘Met vereende krachten. Georganiseerd vrijwilligerswerk’, blz. 43-54 in
          M. van Houten en A. Winsemius (red.) Participatie ontward. Vormen van partici-
          patie uitgelicht, Utrecht: Movisie.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 263 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 264 ======================================================================

<pre>                                                                                literatuur  263
Bovens, M.A.P., M. Noordegraaf, G.K. Pikker, J. Vermeulen en K. Van Lierop (2006) Cultu-
          ren rond besturen. Vierde jaarbericht van de Begeleidingscommissie Vernieuwings-
          impuls Dualisme en Lokale Democratie, Den Haag: Sdu.
Bovens, M.A.P. (2010) Diplomademocratie. Over de spanning tussen meritocratie en demo-
          cratie, Amsterdam: Prometheus-Bert Bakker.
Bovens, M.A.P. en A.C. Wille (2011) ‘Politiek vertrouwen in Nederland: tijdelijke dip of
          definitieve daling?’, blz. 21-43 in R. Andeweg en J. Thomassen (2011) Democratie
          doorgelicht. Het functioneren van de Nederlandse democratie, Leiden/Enschede:
          Leiden University Press.
Brafman, O. en R.A. Beckstrom (2006) The starfish and the spider. The unstoppable power
          of leaderless organizations, New York: Portfolio Books.
Brandsen, T., P. Dekker en A. Evers (2010) Civicness in the governance and delivery of social
          services, Baden-Baden: Nomos.
Brans, M., P. Facon en D. Hoet (2003) Beleidsvoorbereiding in een lerende overheid. Stand van
          zaken in en uitdagingen voor de Belgische federale overheid, Gent: Academia Press.
Breed, C.J.M. (2007) Bestuurscultuur en strategie. Een onderzoek naar de cognitieve kaart
          van topambtenaren, Den Haag: Sdu.
Breed, C.J.M en N. Hopman (2009) ‘Samen voorbij Weber?’, blz. 239-252 in H.P.M. van
          Duivenboden, E. van Hout, C. van Montfort en J. Vermaas (red.) Verbonden
          verantwoordelijkheden in het publieke domein, Den Haag: Lemma.
Brink, G.J.M. van den (2007) Prachtwijken?! De mogelijkheden en beperkingen van Neder-
          landse probleemwijken, Amsterdam: Bert Bakker.
Brink, G.J.M. van den (2010) Empathie & handhaving, Apeldoorn: Politieacademie.
Brink, G.J.M. van den (2011) Eigentijds idealisme. Een afrekening met het cynisme in Neder-
          land, Amsterdam: Amsterdam University Press.
Brink, G.J.M. van den (2012) De lage landen en het hogere. De betekenis van geestelijke begin-
          selen in het moderne bestaan, Amsterdam: Amsterdam University Press.
Bruijn, H. de (2011) Framing. Over de macht van taal in de politiek, Amsterdam: Atlas.
Buckley, W. (1968) ‘Society as a complex adaptive system’ in W. Buckley (red.) Modern
          systems research for the behavioral scientist, Chicago: Aldine Publishing Company.
Budge, I. (1996) The new challenge of direct democracy, Cambridge, ma: Polity Press.
Burgelman, R.A. en L.R. Sayles (1988) Inside corporate innovation. Strategy, structure, and
          managerial skills, New York: Free Press.
Cabinet Office (2010) Building the big society, www.cabinetoffice.gov.uk/sites/default/
          files/resources/building-big-society_0.pdf, geraadpleegd op 4 april 2012.
Castells, M. (1996) The rise of the network society. The information age: economy, society
          and culture, Malden, ma: Blackwell.
Castells, M. (2001) The Internet galaxy. Reflections on the Internet, business and society,
          Oxford: Oxford University Press.
Castells, M. (2007) ‘Communication, power and counter-power in the network society’,
          International Journal of Communication 1, 1: 238-266.
Christensen, C.M., H. Baumann, R. Ruggles en T.M. Sadtler (2006) ‘Disruptive innovation
          for social change’, Harvard Business Review 84: 94-101.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 264 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 265 ======================================================================

<pre>264   vertrouwen in burgers
Christensen, C.M., M.B. Horn en C.W. Johnson (2008) Disrupting class. How disruptive
          innovation will change the way the world learns, New York: McGraw-Hill.
Cialdini, R.B. (2001) Influence. Science and practice, Boston, ma: Allyn & Bacon.
Coenen, F., R.V.D. Peppel en J. Woltjer (2001) ‘De evolutie van inspraak in de Nederlandse
          planning’, Beleidswetenschap 4, 15: 321-327.
Cohen, J. en A. Fung (2004) ‘Radical democracy’, Swiss Political Science Review 4, 10: 23-
          34.
Coleman, S. en J.G. Blumler (2009) The Internet and democratic citizenship. Theory, prac-
          tice and policy, New York: Cambridge University Press.
Collins, J.C. en J.I. Porras (1994) Built to last, New York: HarperCollins.
Collins, J.C. (2005) Good to great and the social sectors. Why business thinking is not the
          answer, Boulder, co: Jim Collins.
Crince le Roy, R. (1969) De vierde macht, Oratie Universiteit Utrecht
Csikszentmihalyi, M. (1990) Flow. The psychology of optimal experience, New York: Harper
          and Row.
Csikszentmihalyi, M. (1996) Creativity. Flow and the psychology of discovery and invention,
          New York: HarperCollins.
Cuperus, R. (2009) De wereldburger bestaat niet. Waarom de opstand der elites de samenle-
          ving ondermijnt, Amsterdam: Bert Bakker.
Dalton, R.J. (2004) Democratic challenges, democratic choices. The erosion of political
          support in advanced industrial democracies, Oxford: Oxford University Press.
Dam, R.I. van, I.E. Salverda en R. During (2010) Strategieën van burgerinitiatieven. Burgers
          en landschap, Wageningen/Den Haag: Wageningen Universiteit en Alterra,
          Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.
Dekker, P. (2008) ‘Onvrede: problemen bij een diagnose’, Socialisme en Democratie 10: 23-
          31.
Dekker, P. (2010) ‘Civicness: from civil society to civic services’, blz. 19-39 in T. Brandsen,
          P. Dekker en A. Evers (red.) Civicness in the governance and delivery of social
          services, Baden-Baden: Nomos.
Denters, S.A.H. en L.E. Rose (2005) ‘Towards local governance?’, blz. 246-262 in S.A.H.
          Denters en L.E. Rose, Comparing local governance. Trends and developments, New
          York: Palgrave Macmillan.
Department for Communities and Local Government (2011) Community right to challenge,
          www.communities.gov.uk/documents/localgovernment/pdf/1986977.pdf,
          geraadpleegd op 4 april 2012.
Deutsch, M. en H.B. Gerard (1955) ‘A study of normative and informational social influen-
          ces upon individual judgment’, Journal of Abnormal and Social Psychology 3, 51:
          629-636.
Dieren, W. van (2010) ‘De vertooggemeenschap als basis voor participatie’, blz. 68-73 in
          Projectdirectie Sneller & Beter (red.), Open, Den Haag: Ministeries van Verkeer en
          Waterstaat en Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.
Dijk, J.A.G.M. van (1991) De netwerkmaatschappij: sociale aspecten van nieuwe media,
          Houten/Zaventem: Bohn Stafleu.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 265 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 266 ======================================================================

<pre>                                                                               literatuur   265
Dijk, J.A.G.M. van (2001) Netwerken, het zenuwstelsel van onze maatschappij. Inaugurele
         rede uitgesproken bij de aanvaarding van het ambt van Hoogleraar Toegepaste
         Communicatiewetenschap aan de Universiteit Twente.
Dijstelbloem, H. (2010) ‘De verlaten staat. Over de mars van het publiek uit de instituties’,
         De Gids 3.
Dijstelbloem, H., P. den Hoed, J.W. Holtslag en S. Schouten (2010) Het gezicht van de
         publieke zaak. Openbaar bestuur onder ogen, Amsterdam: Amsterdam University
         Press.
Directie Veiligheid Gemeente Rotterdam (2010) Veiligheidsindex 2010. Meting van de veilig-
         heid in Rotterdam, Rotterdam: Gemeente Rotterdam.
Donk, W.B.H.J. van de, D.W.J. Broeders en F.J.P.M. Hoefnagel (2005) Trends in het media-
         landschap, Amsterdam: Amsterdam University Press.
Dooley, K.J. (1997) ‘A complex adaptive systems model of organization change. Nonlinear
         dynamics’, Psychology and Life Sciences 1, 1: 69-97.
Doorn, J.J.A. van (1978) ‘De verzorgingsmaatschappij in de praktijk’, blz. 17-46 in J.J.A. van
         Doorn en C.J.M. Schuyt (red.) De stagnerende verzorgingsstaat, Amsterdam:
         Boom.
Downs, A. (1956) An economic theory of economy, New York: Harper and Row.
Dozy, M. en P.W. Tops (2009) Leren van experimenten. Een overzicht en analyse van 55
         experimenten in politie-innovatie, Apeldoorn: Politieacademie.
Duyvendak, J.W. en A. Krouwel (2001) ‘Interactieve beleidsvorming: voortzetting van een
         rijke Nederlandse traditie?’, blz. 17-32 in J. Edelenbos en R. Monnikhof (red.)
         Lokale interactieve beleidsvorming. Een vergelijkend onderzoek naar de consequen-
         ties van interactieve beleidsvorming voor het functioneren van de lokale democratie,
         Utrecht: Lemma.
Duyvendak, W.G.J. en M. Hurenkamp (2004) Kiezen voor de kudde. Lichte gemeenschappen
         en de nieuwe meerderheid, Amsterdam: Van Gennep.
Eagly, A. en S. Chaiken (1993) The psychology of attitudes, New York: Harcourt, Brace.
Edelenbos, J. en R. Monnikhof (2001) Lokale interactieve beleidsvorming. Een vergelijkend
         onderzoek naar de consequenties van interactieve beleidsvorming voor het functio-
         neren van de lokale democratie, Utrecht: Lemma.
Edelenbos, J., I. van Meerkerk en Y. Batenburg (2009) ‘Burgerinitiatief Vlaardingen en de
         veerkracht van instituties’, Bestuurskunde 1, 81-91.
Edwards, A.R. (2002) ‘The moderator as an emerging democratic intermediairy: the role
         of the moderator in internet discussions about public issues’, Information Polity
         7: 3-20 http://hdl.handle.net/1765/451, geraadpleegd op 4 april 2012.
Edwards, A.R. (2004) ‘Internet en democratische intermediairen. Een nieuwe benadering
         van ‘digitale democratie’’, Bestuurskunde 13, 4: 154-162.
Elchardus, M. (2002) De dramademocratie, Tielt, België: Lannoo Uitgeverij.
Engbersen, G. (2008) ‘Sociale uitsluiting en sociale herovering in Rotterdam’, blz. 37-44 in
         T. Notten (red.) De lerende stad. Het laboratorium Rotterdam, Apeldoorn: Garant.
Engbersen, R. en K. Voogd (2008) Het levende plein. Een pleidooi voor het introduceren van
         een Rotterdamse pleinaanpak, Rotterdam: Sociaal Platform Rotterdam.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 266 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 267 ======================================================================

<pre>266   vertrouwen in burgers
Engelen, E.R. (2004) ‘Associatief-democratische dromen over verplaatste politiek’, blz.
          307-337 in E.R. Engelen en M. Sie Dhian Ho (red.) De staat van de democratie:
          democratie voorbij de staat, Amsterdam: Amsterdam University Press.
Engelen, E.R. en M. Sie Dhian Ho (2004) De staat van de democratie: democratie voorbij de
          staat, Amsterdam: Amsterdam University Press.
Euser, B. (2009) Lokale leiders. De opkomst van de geuzendemocratie, Amsterdam: Augus-
          tus.
Evers, F. en L. Susskind (2009) Het kan wel! Bestuurlijk onderhandelen voor een duurzaam
          resultaat, Haarlem: mgmc.
Farrell, M.P. (2003) Collaborative circles. Friendship dynamics and creative work, New York:
          New York University Press.
Fishkin, J.S. (1995) The voice of the people. Public opinion and democracy, New Haven, ct:
          Yale University Press.
Fishkin, J.S. (2009) When the people speak. Deliberative democracy and public consultation,
          New York ny: Oxford University Press.
Flache, A. en M.W. Macy (2006) ‘Why more contact may increase cultural polarization’,
          101st Annual Meeting of the American Sociological Association, Montreal, Canada,
          11-14 augustus.
Folke, C. (2006) ‘Resilience. The emergence of a perspective for social-ecological systems
          analyses’, Global Environmental Change 3, 16: 253-267.
Fowler, J.H. en N.A. Christakis (2009) Connected. The surprising power of our social
          networks and how they shape our lives, New York: Little, Brown and Company.
Frey, B.S. (1994) ‘How intrinsic motivation is crowded out and in’, Rationality and Society
          3, 6: 334-352.
Frissen, V., M. van Staden, N. Huijboom, B. Kotterink, S. Huveneers, M. Kuipers en G.
          Bodea (2008) Naar een ‘user generated state’? De impact van nieuwe media voor
          overheid en openbaar bestuur. tno rapport 34466, Delft: tno.
Fung, A., E.O. Wright en R. Abers (2003) Deepening democracy. Institutional innovations
          in empowered participatory governance, London: Verso.
Fung, A. (2006) ‘Varieties of participation in complex governance’, Public Administration
          Review, special issue December: 66-75.
Gardner, H. en E. Laskin (1995) Leading minds. An anatomy of leadership, New York: Basic-
          Books.
Geerlof, J. (2011) De 60%-maatschappij. Einde aan de talentverspilling, Amsterdam: Thoe-
          ris.
Gemeente Rotterdam (2010) ‘Score Veiligheidsindex 2005-2009’, blz. 44-45 in Veiligheids-
          index: meting van de veiligheid in Rotterdam, Rotterdam: Gemeente Rotterdam,
          www.rotterdam.nl/Directie%20Veilig/PDF/Nieuwsflits/Veiligheidsindex2010L
          R.pdf.
Gerber, E.R. (1999) The populist paradox. Interest group influence and the promise of direct
          legislation, Princeton, nj: Princeton University Press.
Ginneken, J. van (1999) Brein-bevingen. Snelle omslagen in opinie en communicatie,
          Amsterdam: Boom.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 267 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 268 ======================================================================

<pre>                                                                                 literatuur 267
Gladwell, M. (2000) The tipping point. How little things can make a big difference, New
          York: Black Bay Books.
Goodin, R.E. (2005) Reflective democracy, Oxford: Oxford University Press.
Granovetter, M.S. (1973) ‘The strength of weak ties’, American Journal of Sociology 6, 78:
          1360-1380.
Grin, J., M.A. Hajer en W. Versteeg (2006) Meervoudige democratie. Ervaringen met
          vernieuwend bestuur, Amsterdam: Aksant.
Gruijter, M.J. de, E. Smits van Waesberghe, J.C.J Boutellier, L. Drost, R. Slagmolen en
          M. Pikuli (2010) Een vreemde in eigen land. Boze autochtone burgers over nieuwe
          Nederlanders en de overheid, Utrecht/Amsterdam: forum/Aksant.
Gunsteren, H.R. van (1992) Eigentijds burgerschap, Den Haag: Sdu.
Gunsteren, H.R. van en R. Andeweg (1994) Het grote ongenoegen: over de kloof tussen
          burgers en politiek, Haarlem: Aramith.
Gunsteren, H.R. van (2003) Veerkracht. Rede uitgesproken bij het neerleggen van het ambt
          van hoogleraar politieke theorieën en rechtsfilosofie Universiteit Leiden.
Gunsteren, H.R. van, en C. Habbema (2009) PersPectief op het politiek-publicitair complex
          in 2009, Amsterdam: Gennep.
Gunsteren, H.R. van (2011) ‘Een sober dieet van conflicten’, Socialisme & Democratie 68,
          11-12: 72-75.
Gurr, T.R. (1970) Why men rebel, Princeton, nj: Princeton University Press.
Habermas, J. (1996) Between facts and norms. Contributions to a discourse theory of law and
          democracy, Cambridge, ma: mit Press.
Hajer, M.A. (2009) Authoritative governance. Policy-making in the age of mediatization,
          Oxford: Oxford University Press, vs.
Hajer, M.A. (2011) De energieke samenleving. Op zoek naar een sturingsfilosofie voor een
          schone economie, Den Haag: Planbureau voor de Leefomgeving.
Hardin, G. (1968) ‘The tragedy of the commons’, Science 3859, 162: 1243-1248.
Hart, J. de (2005) Voorbeelden en nabeelden. Historische vergelijkingen naar aanleiding
          van de dood van Fortuyn en Hazes, Den Haag: Sociaal en Cultureel Plan-
          bureau.
Hart, P. ’t, A.C. Wille en A. Boin (2002) Politiek-ambtelijke verhoudingen in beweging,
          Amsterdam: Uitgeverij Boom.
Haque, U. (2011) The protests and the metamovement,
          http://blogs.hbr.org/haque/2011/10/the_protests_and_the_metamovem.html,
          geraadpleegd op 4 april 2012.
Heer, J. de (2010) ‘Besluitvorming als expressie van politics of culture’, blz. 143-144 in
          Projectdirectie Sneller & Beter (red.) Open, Den Haag: Ministeries van Verkeer en
          Waterstaat en Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.
Heifetz, R.A., A. Grashow en M. Linsky (2009) The practice of adaptive leadership. Tools
          and tactics for changing your organization and the world, Boston, ma: Harvard
          Business School Press.
Hendriks, F. (2006) Vitale Democratie. Theorie van democratie in actie, Amsterdam:
          Amsterdam University Press.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 268 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 269 ======================================================================

<pre>268    vertrouwen in burgers
Hindman, M.S. (2009) The myth of digital democracy, Princeton, nj: Princeton University
           Press.
Hoed, P. den en S. Schouten (2010) ‘De publieke zaak wil publiek worden behandeld:
           een blik op de ontwikkeling van het openbaar bestuur in Nederland sinds 1848’,
           blz. 55-104 in H. Dijstelbloem, P. den Hoed, J.W. Holtslag en S. Schouten (red.)
           Het gezicht van de publieke zaak: openbaar bestuur onder ogen, Amsterdam:
           Amsterdam University Press.
Hoogwout, M. (2010) De rationaliteit van de klantgerichte overheid. Een onderzoek
           naar de spanningen die de invoering van het klantdenken bij gemeenten veroor-
           zaakt en de manier waarop gemeenten daarmee omgaan, Nieuwegein:
           Réunion.
Hoppe, R. (2011) The governance of problems. Puzzling, powering and participation, Bristol:
           Policy Press.
Houten, M. van, en A. Winsemius (2010) ‘Participatie ontward. Slotbeschouwing’,
           blz. 211-227 in M. van Houten en A. Winsemius (red.) Participatie ontward.
           Vormen van participatie uitgelicht, Utrecht: Movisie.
Huizinga, J. (1952) Homo ludens. Proeve ener bepaling van het spel-element der cultuur,
           Haarlem: Tjeenk Willink.
Hulst, M.J. van, L.J. de Graaf en G.J.M. van den Brink (2011) ‘Exemplary Practitioners.
           A review of actors who make a difference in governing’, Administrative Theory &
           Praxis 1, 33: 120-143.
Idenburg, P.A. (1999) Het gaat om mensen. Excellente veranderaars in organisaties, Amster-
           dam: Balans.
Jacobs, J. (1961) The death and life of great American cities, New York: Random House.
Jarvis, J. (2009) What would Google do?, New York: HarperCollins.
Johnson, S. (2002) Emergence. The connected lives of ants, brains, cities, and software,
           London: Penguin Books.
Karsten, L. (2002) Oases in het beton. Aandachtspunten voor een jeugdvriendelijke openbare
           ruimte, Assen: Van Gorcum.
Keane, J.C. (2009) The life and death of democracy, London: Simon en Schuster.
Kennedy, J.C. (1995) Nieuw Babylon in aanbouw. Nederland in de jaren zestig, Amster-
           dam/Meppel: Boom.
Kickert, W.J.M. (1993) Verandering in management en organisatie bij de rijksoverheid,
           Alphen aan de Rijn: Samsom, H.D. Tjeenk Willink.
Klandermans, B. (1997) The social psychology of protest, Cambridge, ma: Blackwell.
Klijn, E.H. (2008) ‘Complexity theory and public administration: What’s new?’, Public
           Management Review 3, 10: 299-317.
Knepper, S. en J. Kortenray (2008) De vertrouwenscrisis. Over het krakend fundament van
           de samenleving, Amsterdam: Meulenhoff.
Koch, R. en G. Lockwood (2010) Superconnect. Harnessing the power of networks and the
           strength of weak links, New York: W.W. Norton en Company.
Koolwijk, F. van en B. Pluijter (2009) Nieuwe idealist (v/m), Diemen: Uitgeverij Veen
           Magazines b.v.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 269 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 270 ======================================================================

<pre>                                                                                literatuur  269
Korsten, A.F.A. (1979) Het spraakmakende bestuur. Een studie naar effecten van participatie
          in relatie tot democratiemodellen en sociale ongelijkheid, Den Haag: vuga.
Korsten, A.F.A. (2005) Grote klasse! Op zoek naar excellente ambtenaren en leiderschap,
          Heerlen: Beljon en Westerterp.
Kort, I.A.T. de (2009) Designing a strategic plan development approach for integrated area
          development projects, Den Haag: Gildeprint Drukkerijen.
Kortmann, C.A.J.M. (1979) ‘De Wet Openbaar Bestuur’, Tijdschrift voor bestuursweten-
          schappen en publiek recht, 34, 1: 40-42.
Kriesi, H. (2005) Direct democratic choice. The Swiss experience, Oxford: Lexington
          Books.
Kwekkeboom, R. en M. Jager-Vreugdenhil (2009) De praktijk van de wmo. Onderzoeks-
          resultaten lectoraten social work, Amsterdam: swp.
Lans, J. van der (2012) Loslaten, vertrouwen, verbinden. Over burgers en binding, Stichting
          Doen – Nationale Postcodeloterij.
Lawton, M.P. en L. Nahemow (1973) ‘Ecology and the aging process’, blz. 619-674 in
          C. Eisdorfer en M.P. Lawton (red.) The psychology of adult development and aging,
          Washington DC: American Psychological Association.
Lawton, M.P. (1986) Environment and aging, Albany, NY: Center for the Study of Aging.
Lewicki, R.J., D.M. Saunders en B. Barry (2006) Negotiation, New York: McGraw-Hill.
Lijphart, A. (1977) Democracy in plural societies. A comparative exploration, New Haven:
          Yale University Press.
Lilienfeld, D.E. en P.D. Stolley (1994) Foundations of epidemiology, 3rd ed. New York, ny:
          Oxford University Press.
Linders, E.A.H.M. (2010) De betekenis van nabijheid. Een onderzoek naar informele zorg in
          een volksbuurt, Den Haag: Sdu Uitgevers.
Lunsing, J.R. (2008) De besluitenguillotine. Hoe het lokaal bestuur een referendum kan
          winnen, Den Haag: Lemma.
Malone, T.W., R. Laubacher en C. Dellarocas (2010) ‘The collective intelligence genome’,
          mit Sloan Management Review 3, 51: 21-31.
Marissing, E. van (2008) Buurten bij beleidsmakers. Stedelijke beleidsprocessen, bewoners-
          participatie en sociale cohesie in vroeg-naoorlogse stadswijken in Nederland,
          Utrecht: Koninklijk Nederlands Aardrijkskundig Genootschap Faculteit Geo-
          wetenschappen Universiteit Utrecht.
Marres, N.S. (2005) No issue, no public. Democratic deficits after the displacement of politics,
          Amsterdam: Universiteit van Amsterdam.
Meijer, A.J., N.N.R. Burger en W. Ebbers (2008) ‘Citizens4Citizens. Eindrapport van een
          empirisch onderzoek’, B-dossier/D2.5, Enschede: Telematica Instituut.
Meijer, A.J., N.N.R. Burger en W. Ebbers (2009) ‘Citizens4Citizens. Mapping participatory
          practices on the Internet’, The Electronic Journal of e-Government 7: 99-112.
Metz, J. (2009) ‘Over burgerparticipatie, welzijnsbeleid en de wmo. Historiografie van de
          werksoort maatschappelijk activeringswerk’, Journal of Social Intervention:
          Theory and Practice 2, 18: 61-83.
Meuleman, L. (2008) Public management and the metagovernance of hierarchies, networks
</pre>

====================================================================== Einde pagina 270 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 271 ======================================================================

<pre>270   vertrouwen in burgers
          and markets. The feasibility of designing and managing governance style combinati-
          ons, Heidelberg: Physica-Verlag.
Meurs, P.L., E.K. Schrijvers en G.H. de Vries (2006) Leren van de praktijk. Gebruik van
          lokale kennis en ervaring voor beleid, Amsterdam: Amsterdam University Press.
Michels, A. en L. de Graaf (2010) ‘Examining citizen participation. Local participatory
          policy making and democracy’, Local Government Studies 4, 36: 477-491.
Miller, P. (2010) The smart swarm. How understanding flocks, schools, and colonies can make
          us better at communicating, decision making, and getting things done, New York:
          Avery.
Mitchell, M. (2009) Complexity. A guided tour, New York: Oxford University Press, vs.
Montfort, C. van en M. van Twist (2009) ‘Grensvervaging en legitimiteit’, blz. 49-67 in
          H. van Duivenboden, E. van Hout, C. van Montfort en J. Vermaas (red.) Verbonden
          verantwoordelijkheden in het publieke domein, Den Haag: Lemma.
Mouffe, C. (2000) The democratic paradox, London: Verso Books.
Mouffe, C. (2005) ‘Some reflections on an agonistic approach to the public’, blz. 804-807 in
          B. Latour en P. Weibel (red.) Making things public. Atmospheres of democracy,
          Karlsruhe: zkm/Center for art and media.
Munsey, C. (2008) ‘Why do we vote?’, Monitor on Psychology 6, 39: 60-63.
Nahemow, L. (2000) ‘The ecological theory of aging: Powell Lawton’s legacy’, blz. 22-40 in
          R. Rubinstein, M. Moss en M. Kleban (eds.) The Many Dimensions of Aging, New
          York: Springer.
nicis Instituut (2009) Bouw aan democratie met burgers! Nieuwe kansen voor het lokale
          referendum, Den Haag: nicis Institute.
Nielsen, M. (2012) Reinventing discovery. The new era of networked science, Princeton, nj:
          Princeton University Press.
Niessen, R. (2008) Trotse ambtenaren in de toekomst! Column uitgesproken op het congres
          ‘De ambtenaar van de toekomst’, Den Haag.
Nieuwenkamp, R. (2001) De prijs van het politieke klimaat. Wederzijds vertrouwen en loyali-
          teit in de verhouding tussen bewindspersonen en ambtelijke top, Delft: Eburon.
Noordegraaf, M. en K. van Lierop (2006/2007) Duurzaam besturen. Bijdragen van beleids-
          makers aan duurzame ontwikkeling, Utrecht: Programmabureau Leren voor Duur-
          zame Ontwikkeling.
Norris, P. (1999) Critical citizens: Global support for democratic governance, Oxford:
          Oxford University Press, vs.
Norris, P. (2011) Democratic deficit: Critical citizens revisited, New York: Cambridge
          University Press.
Noveck, B.S. (2009) Wiki Government. How technology can make government better, demo-
          cracy stronger, and citizens more powerful, Washington dc: Brookings Institution
          Press.
Nowotny, H. (2005) ‘The increase of complexity and its reduction’, Theory, Culture &
          Society 5, 22: 15-31.
Olson, M. (1965) The logic of collective action. Public goods and the theory of groups,
          Cambridge, ma: Harvard University Press.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 271 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 272 ======================================================================

<pre>                                                                                  literatuur   271
Olsson, T. (2008) ‘The practises of Internet networking. A resource for alternative political
           movements’, Information, Communication & Society 5, 11: 659-674.
Oosterling, H. (2009) Woorden als daden. Rotterdam Vakmanstad/Skillcity 2007-2009,
           Heijningen: Jap Sam Books.
Ostrom, E. (1990) Governing the commons. The evolution of institutions for collective
           action, Cambridge, vk: Cambridge University Press.
Ostrom, E. (2000) ‘Crowding out citizenship’, Scandinavian Political Studies 1, 23: 3-16.
Ostrom, E. (2009) A polycentric approach for coping with climate change, Working paper
           5095, Washington dc: The World Bank,.
Peeters, R., M. van der Steen en M. van Twist (2010) De logica van het ongepaste. Over de
           professionaliteit van wijkmanagers in de onvolkomen organisatie, Den Haag: nsob.
Pels, D. (2008) ‘Drie uitdagingen van het populisme’, blz. 117-126 in S. Knepper en J.
           Kortenray (red.) De vertrouwenscrisis. Over het krakend fundament van de samen-
           leving, Amsterdam: Meulenhoff.
Peters, K. (1999) Verdeelde macht. Een onderzoek naar invloed op rijksbesluitvorming in
           Nederland, Amsterdam: Uitgeverij Boom.
Peters, K. (2006) ‘Impuls voor de lokale democratie? De casus van de wmo’, blz. 41-65 in
           P.L. Meurs, E.K. Schrijvers en G.H. de Vries (red.) Leren van de praktijk. Gebruik van
           lokale kennis en ervaring voor beleid, Amsterdam: Amsterdam University Press.
Peters, T.J. en R.H. Waterman (2004) In search of excellence. Lessons from America’s best-
           run companies, New York: HarperBusiness Essentials.
Pierre, J. en G.B. Peters (2005) Governing complex societies. Trajectories and scenarios,
           Basingstoke: Palgrave MacMillan.
Pitkin, H.F. (1967) The concept of representation, Berkeley, ca: University of California
           Press.
Pitkin, H.F. (2004) ‘Representation and democracy: uneasy alliance’, Scandinavian Political
           Studies 3, 27: 335-342.
Poldervaart, S.W. (2002) Leven volgens je idealen. De andere politieken van huidige sociale
           bewegingen in Nederland, Amsterdam: Aksant.
Pollitt, C. en G. Bouckaert (2011) Public management reform. A comparative analysis new
           public management, governance, and the neo-Weberian state, Oxford: Oxford
           University Press.
Polstra, L. en M. van Houten (2010) ‘Werken aan perspectief. Participatie door sociale acti-
           vering’, blz. 105-116 in M. van Houten en A. Winsemius (red.) Participatie
           ontward. Vormen van participatie uitgelicht, Utrecht: Movisie.
Postmes, T., L. Steg en K. Keizer (2009) ‘Groepsnormen en gedrag. Sturing door sociale
           identiteit en dialoog’, blz. 139-162 in W. Tiemeijer, C. Thomas en H. Prast (red.) De
           menselijke beslisser, Amsterdam: Amsterdam University Press.
Poteete, A.R., M.A. Janssen en E. Ostrom (2010) Working together. Collective action, the
           commons, and multiple methods in practice, Princeton, nj: Princeton University
           Press.
Projectdirectie Sneller & Beter (red.) (2010) Open, Den Haag: Ministeries van Verkeer en
           Waterstaat en Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 272 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 273 ======================================================================

<pre>272   vertrouwen in burgers
Putnam, R.D. (2001) Bowling alone. The collapse and revival of American community, New
          York: Simon and Schuster.
Putters, K., K.J. Grit, M.C.W. Janssen, D. Schmidt en P.L. Meurs (2010) Governance of local
          care and social service. An evaluation of the implementation of the wmo in the
          Netherlands, Rotterdam: ibmg – Instituut Beleid en Management Gezondheids-
          zorg, http://repub.eur.nl/res/pub/21240/.
Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling (rmo) (2007) Vormen van democratie, Amster-
          dam: swp.
Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling (2009) Polariseren binnen onze grenzen, Den
          Haag: rmo.
Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling (2011) De nieuwe regels van het spel. Internet en
          publiek debat, Den Haag: rmo.
Raad voor het openbaar bestuur (Rob) (2004) Burgers betrokken, betrokken burgers, Den
          Haag: Rob.
Raad voor het openbaar bestuur (2010) Vertrouwen op democratie, Den Haag: Rob.
Rainey, H.G. (1997) Understanding and managing public organizations, San Francisco, ca:
          Jossey-Bass Publishers.
Reedy, J. en C. Wells (2009) ‘Information, the internet, and direct democracy’, blz. 157-172
          in A. Chadwick en P.N. Howard (red.) Routledge Handbook of Internet politics,
          Oxon: Routledge.
Reijndorp, A. (2004) Stadswijk. Stedenbouw en dagelijks leven, Rotterdam: nai Uitgevers.
Rischard, J.F. (2002) High noon. 20 global problems, 20 years to solve them, New York: Basic
          Books.
Röell, E. (2012) Het vertrouwen van ambtenaren in burgers, Den Haag: De Nationale
          Ombudsman, www.nationaleombudsman-nieuws.nl/sites/default/files/
          vertrouwen_in_burgers.pdf, geraadpleegd op 4 april 2012.
Roetering, E. en M. Verschelling (2010) ‘Samen werken aan werk. Cliëntenparticipatie in de
          sociale zekerheid’, blz. 149-155 in M. van Houten en A. Winsemius (red.) Partici-
          patie ontward. Vormen van participatie uitgelicht, Utrecht: Movisie.
Rosanvallon, P. (2008) Counter-democracy. Politics in an age of distrust, Cambridge:
          Cambridge University Press.
Rossem, R. van en C. Baerveldt (2005) ‘Activisme en het middenveld. Lidmaatschap en
          actiebereidheid in België en Nederland’, blz. 107-127 in B. Völker (red.) Burgers in
          de buurt. Samenleven in school, wijk en vereniging, Amsterdam: Amsterdam
          University Press.
Sapirstein, G. (2010) Social resilience. The forgotten element in disaster reduction,
          www.oriconsulting.com/social_resilience.pdf, geraadpleegd op 4 april 2012.
Schäfer, M.T. (2008) Bastard culture! User participation and the extension of cultural indus-
          tries, Utrecht: All Print.
Schram, A. en J. Sonnemans (1996) ‘Why people vote. Experimental evidence’, Journal of
          Economic Psychology 4, 7: 417-442.
Schudson, M. (1998) The good citizen. A history of American civic life, Cambridge, ma:
          Cambridge University Press.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 273 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 274 ======================================================================

<pre>                                                                                  literatuur 273
Schudson, M. (2010) ‘Political observatories, databases & news in the emerging ecology of
          public information’, Daedalus 139, 2: 100-109.
Schuyt, K. (2006a) Democratische deugden. Groepstegenstellingen en sociale integratie,
          Amsterdam: Amsterdam University Press.
Schuyt, K. (2006b) Steunberen van de samenleving. Sociologische essays, Amsterdam:
          Amsterdam University Press.
Schuyt, K. (2009) Over het recht om wij te zeggen. Groepstegenstellingen en de democrati-
          sche gemeenschap, Amsterdam: Amsterdam University Press.
Scott, J.C. (1998) Seeing like a state. How certain schemes to improve the human condition
          have failed, New Haven, nj: Yale University Press.
Sennett, R. (2012) Together. The rituals, pleasures, and politics of cooperation, London:
          Penguin Books.
Seters, P. van (2008) ‘Approaching global civil society’, blz. 25-39 in J.W.S.G. Walker en
          A.S. Thompson (red.) Critical mass. The emergence of global civil society. Water-
          loo, on, Canada: Wilfrid Laurier University Press.
Shirky, C. (2008) Here comes everybody. How change happens when people come together,
          London: Penguin Books.
Shirky, C. (2010) Cognitive surplus. Creativity and generosity in a connected age, New York:
          The Penguin Press.
Shirky, C. (2011) ‘The political power of social media. Technology, the public sphere, and
          political change’, Foreign Affairs January/February: 28-41.
Sinnema, M. en H.P.M. van Duivenboden (2009) Betrokken burgers, bewogen bestuur.
          Retrospectief onderzoek eParticipatie, Den Haag: b&a Consulting.
Smith, G. (2009) Democratic innovations, Cambridge: Cambridge University Press.
Snodgrass, R.T. (2011) An interview with Melanie Mitchell: on complexity, april,
          http://ubiquity.acm.org/article.cfm?id=1967047, geraadpleegd op 4 april
          2012.
Sociaal Platform Rotterdam (2008) Toen wij van Rotterdam vertrokken. Slotadvies spr,
          Rotterdam: Sociaal Platform Rotterdam.
Soros, G. (2000) Open society. Reforming global capitalism, London: Little, Brown and
          Company.
Stalder, F. (2008) ‘Bourgeois anarchism and authoritarian democracies’, First Monday, 13, 7,
          http://firstmonday.org/htbin/cgiwrap/bin/ojs/index.php/fm/article/view/20
          77/1989, geraadpleegd op 4 april 2012.
stamm cmo (2011) Krimp en kracht, de nieuwe realiteit in Drents perspectief, Assen:
          Koninklijke Van Gorcum.
Steen, M. van der, R. Peeters en M. van Twist (2010) De boom en het rizoom. Overheidsstu-
          ring in een netwerksamenleving, Den Haag: Ministerie van vrom.
Steenhuis, H. (2011) ‘Ik kom in opstand, dus wij zijn’, Trouw, 23 oktober.
Steeph (2011) Meest onervaren Kamer sinds 1860, Sargasso.nl, 24 november
          http://sargasso.nl/archief/2011/11/24/meest-onervaren-tweede-kamer-sinds-
          1860/, geraadpleegd op 4 april 2012.
Stekelenburg, J. van (2006) Promoting or preventing social change. Instrumentality, iden-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 274 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 275 ======================================================================

<pre>274    vertrouwen in burgers
          tity, ideology, and group-based anger as motives of protest participation, Amster-
          dam: Vrije Universiteit.
Stekelenburg, J. van, B. Klandermans en W.W. van Dijk (2011) ‘Combining motivations and
          emotion. The motivational dynamics of protest participation’, Revista de Psicolo-
          gia Social 1, 26: 91-104.
Steunenberg, B. (2011) ‘Onder nationale beleidsambtenaren. Europese beleidsvoorberei-
          ding en de rol van het Nederlandse parlement’, blz. 501-520 in R. Andeweg en
          J. Thomassen (red.) Democratie doorgelicht. Het functioneren van de Nederlandse
          democratie, Leiden: Leiden University Press.
Stivers, C. (2010) ‘Democratic knowledge. The task before us’, Administration & Society 2,
          42: 248-259.
Stockholm Resilience Centre (2007) What is resilience?, www.stockholmresilience.org/
          research/whatisresilience.4.aeea46911a3127427980004249.html, geraadpleegd op
          4 april 2012.
Stokkom, B. van (2006) Rituelen van beraadslaging. Reflecties over burgerberaad en burger-
          bestuur, Amsterdam: Amsterdam University Press.
Strauss, A.L. en J. Corbin (1998) Basics of qualitative research. Procedures and techniques
          for developing grounded theory, Thousand Oaks, ca: Sage.
Sunstein, C.R. (2003) Why societies need dissent, Cambridge, ma: Harvard University
          Press.
Swierstra, T. en E. Tonkens (2009) ‘Gebrek aan zelfrespect, orde en zingeving. Polarisatie
          als antwoord’, blz. 120-138 in Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling (red.)
          Polarisatie: bedreigend en verrijkend, Amsterdam: swp.
Tapscott, D. en A.D. Williams (2008) Wikinomics. How mass collaboration changes every-
          thing, London: Atlantic Books.
Tapscott, D. en A.D. Williams (2010) Macrowikinomics. Rebooting business and the world,
          New York: Penguin Group.
Teisman, G.R. (2005) Publiek management op de grens van orde en chaos. Over leidinggeven
          en organiseren in complexiteit, Den Haag: Sdu.
Termeer, C.J.A.M. (2009) ‘Barriers to new modes of horizontal governance’, Public
          Management Review 3, 11: 299-316.
The Economist (2011) ‘The wisdom of crowds. The strange but extremely valuable science
          of how pedestrians behave’, The Economist 401, 8764: 135-136
Thomassen, J. (2010) De permanente crisis van de democratie. Afscheidsrede Universiteit
          Twente.
Tiemeijer, W.L. (2006) Het geheim van de burger. Over staat en opinieonderzoek, Amster-
          dam: Aksant.
Tilly, C. en S.G. Tarrow (2007) Contentious politics, Boulder, co: Paradigm Publishers.
Tjeenk Willink, H. (2002) ‘De herwaardering van het particulier initiatief’, blz. 28-39 in
          P. Dekker en J. van Berkum (red.) Particulier initiatief en publiek belang: beschou-
          wingen over de aard en toekomst van de Nederlandse non-profitsector, Den Haag:
          Sociaal en Cultureel Planbureau.
Tonkens, E. (2009a) ‘Burgerparticipatie en burgerinitiatief’, blz. 135-141 in E. Tonkens (red.)
</pre>

====================================================================== Einde pagina 275 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 276 ======================================================================

<pre>                                                                                literatuur   275
         Tussen onderschatten en overvragen. Actief burgerschap en activerende organisaties
         in de wijk, Amsterdam: sun Trancity.
Tonkens, E. (2009b) ‘Burgerschap en binding’, blz. 52-60 in E. Tonkens (red.) Tussen onder-
         schatten en overvragen. Actief burgerschap en activerende organisaties in de wijk,
         Amsterdam: sun Trancity.
Tonkens, E. (red.) (2009c) Tussen onderschatten en overvragen. Actief burgerschap en acti-
         verende organisaties in de wijk, Amsterdam: sun Trancity.
Tops, P.W., P. Depla en P. Manders (1996) Verhalen over co-produktie. De praktijk van poli-
         tieke en bestuurlijke vernieuwing in Noord-Brabantse gemeenten, Tilburg:
         kpmg/vbg.
Tops, P.W. (2009) ‘De pvda en het nieuwe stedelijke activisme’, blz. 55 in F. Becker en M.
         Hurenkamp (red.) Lokale politiek als laboratorium, Den Haag: Wiardi Beckman
         Stichting.
Tops, P.W., M. Boogers, F. Hendriks en R. Weterings (1999) Een inventariserend onderzoek
         naar nieuwe vormen van politieke participatie in de alledaagse democratie, Tilburg:
         Centrum voor Recht, Bestuur en Informatisering.
Tops, P.W. (2007) Vitale coalities in het openbaar bestuur. De passie van de professional,
         besturing van veranderingsprocessen, Assen: Van Gorcum.
Tsagarousianou, R. (1998) ‘Back to the future of democracy? New technologies, civic
         networks and direct democracy in Greece’, blz. 41-59 in R. Tsagarousianou, D.
         Tambini en C. Bryan (red.) Cyberdemocracy. Technology, cities, and civic networks,
         London: Routledge.
Turner, R.H. en L.M. Killian (1957) Collective behavior, Englewood Cliffs, nj: Prentice Hall.
Uitermark, J. (2011) ‘Revolutie ‘for the lulz’. De opkomst en transformatie van de online
         sociale beweging Anonymous’, Sociologie 2, 7: 156-182.
Veen, M. van der, S. Sleenhoff en T. Klop (2010) ‘De producentenbenadering’, blz. 273-302
         in H. Dijstelbloem, P. den Hoed, J.W. Holtslag en S. Schouten (red.) Het gezicht
         van de publieke zaak. Openbaar bestuur onder ogen, Amsterdam: Amsterdam
         University Press.
Veld, R.J. in ’t (2010) Kennisdemocratie. Opkomend stormtij, Den Haag: Sdu.
Veld, R.J. in ’t (2011) Transgovernance. The quest for governance of sustainable development,
         Potsdam: Institute for Advanced Sustainability Studies.
Verba, S., K.L. Schlozman en H.E. Brady (1995) Voice and equality. Civic voluntarism in
         American politics, Cambridge, ma: Harvard University Press.
Verhaeghen, P.C. (2002) Sluiers over corporate. Het verhaal van een manager, Roeselare:
         Roularta Books.
Verhoeven, I. (2006) ‘Alledaags politiek burgerschap en de overheid’, blz. 119-142 in
         P.L. Meurs, E.K. Schrijvers en G.H. de Vries (red.) Leren van de praktijk: gebruik van
         lokale kennis en ervaring voor beleid, Amsterdam: Amsterdam University Press.
Verhoeven, I. (2009) Burgers tegen beleid. Een analyse van dynamiek in politieke betrokken-
         heid, Amsterdam: Aksant.
Verhoeven, I. en E. Tonkens (2011) ‘Bewonersinitiatieven: partnerschap tussen burgers en
         overheid’, Beleid en Maatschappij 4, 38: 419-437.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 276 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 277 ======================================================================

<pre>276   vertrouwen in burgers
Vries, K. de (2008) ‘Over ambtenaren en politiek’, Bestuurswetenschappen 62, 1: 19-29.
vrom-Raad (2006) Stad en stijging. Sociale stijging als leidraad voor stedelijke vernieuwing,
         Den Haag: Ministerie van vrom.
Wagenaar, H. (1997) ‘Beleid als fictie. Over de rol van verhalen in de bestuurlijke praktijk’,
         Beleid en Maatschappij 1, 24: 7-19.
Wagenaar, H. (2007) ‘Governance, complexity, and democratic participation. How citizens
         and public officials harness the complexities of neighbourhood decline’, The
         American Review of Public Administration 1, 37: 17-50.
Wallage, J. (2001) In dienst van de democratie. Het rapport van de Commissie Toekomst
         Overheidscommunicatie, Den Haag: Sdu Uitgevers.
Walle, S. van de, S. van Roosbroek en G. Bouckaert (2008) ‘Trust in the public sector: is
         there any evidence for a long-term decline?’, International Review of Administra-
         tive Sciences 1, 74: 47-64.
Warren, M.E. (1996) ‘What should we expect from more democracy? Radically democratic
         responses to politics’, Political Theory 2, 24: 241-270.
Wassenberg, F. en T. Lupi (2011) Sterke woonerfwijken. Voorkomen is beter dan herstructu-
         reren, Den Haag: nicis Instituut.
Watts, D.J. (2011) Everything is obvious, once you know the answer. How common sense fails,
         London: Atlantic Books.
Wellman, B. (2001) ‘Physical place and cyberplace. The rise of personalized networking’,
         International Journal of Urban and Regional Research 2, 25: 227-252.
Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (2004) Bewijzen van goede dienstverle-
         ning, Amsterdam: Amsterdam University Press.
Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (2005) Vertrouwen in de buurt, Amster-
         dam: Amsterdam University Press.
Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (2006) Lerende overheid. Een pleidooi
         voor probleemgerichte politiek, Amsterdam: Amsterdam University Press.
Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (2009) Vertrouwen in de school, Amster-
         dam: Amsterdam University Press.
Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (2010a) Aan het buitenland gehecht.
         Over verankering en strategie van Nederlands buitenlandbeleid, Amsterdam:
         Amsterdam University Press.
Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (2010b) Minder pretentie, meer
         ambitie. Ontwikkelingshulp die verschil maakt, Amsterdam: Amsterdam
         University Press.
Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (2011) iOverheid, Amsterdam:
         Amsterdam University Press.
Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (2012) Publieke zaken in de marktsamen-
         leving, Amsterdam: Amsterdam University Press.
Wildavsky, A. en J.L. Pressman (1973) How great expectations in Washington are dashed in
         Oakland, Berkeley, ca: University of California Press.
Wilde, R.C. en A.V. Nistelrooij (2010) ‘Voorbij burgerparticipatie’, Openbaar Bestuur 1, 29-
         31.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 277 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 278 ======================================================================

<pre>                                                                               literatuur  277
Wijdeven, T.M.F. van de en L.J. de Graaf (2008) Met vertrouwen van start in het Gronings
         Nieuw Lokaal Akkoord. Over werken vanuit vertrouwen in de buurt (deel 2), Den
         Haag: sev.
Wijdeven, T.M.F. van de en F. Hendriks (2010) Burgerschap in de doe-democratie, Den
         Haag: nicis Instituut.
Wubbels, E. (2006) Meer contact leidt tot polarisatie, Kennislink, www.kennislink.nl/
         publicaties/meer-contact-leidt-tot-polarisatie, geraadpleegd op 5 april 2012.
Yardley, W. (2011) ‘The branding of the Occupy movement’, The New York Times 27 novem-
         ber, www.nytimes.com/2011/11/28/business/media/the-branding-of-the-
         occupy-movement.html?_r=2&pagewanted=all.
Yuan, Y.C. en G. Gay (2006) ‘Homophily of network ties and bonding and bridging social
         capital in computer-mediated distributed teams’, Journal of Computer-Mediated
         Communication 4, 11: 1062-1084.
Zijderveld, A.C. (1983) ‘Transformatie van de verzorgingsstaat’, blz. 195-223 in P.A. Iden-
         burg (red.) De nadagen van de verzorgingsstaat: Kansen en perspectieven voor
         morgen, Amsterdam: Meulenhoff.
Zomeren, M. van, R. Spears, A.H. Fischer en C.W. Leach (2004) ‘Put your money where
         your mouth is! Explaining collective action tendencies through group-based anger
         and group efficacy’, Journal of Personality and Social Psychology 5, 87: 649-664.
Zook, C. en J. Allen (2011) The Great Repeatable Business Model, Harvard Business Review
         89, 11: 106-114.
Zuylen, J. van (2007) Help! een burgerinitiatief. Den Haag: Ministerie van bzk.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 278 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 279 ======================================================================

<pre>278  vertrouwen in burgers
Aangehaalde media overig
Agis Diabetesdagboek op uw mobiel, www.agisweb.nl/Voor_Consumenten/Mobiele_
         applicaties/Diabetesdagboek_op_uw_mobiel, geraadpleegd op 4 april 2012.
AnonNews (2010) Persbericht Anonymous, www.anonnews.org/?p=press&a=item&i=51,
         16 december, geraadpleegd op 4 april 2012.
Computerwijk Wat is computerwijk?, www.computerwijk.nl/nl/wat-is-computerwijk.
         html, geraadpleegd op 4 april 2012.
Eigen kracht-manifest. Weg met Frankenstein, leve de Wikistad. http://stadinbeweging.nl/
         downloads/wikistad.pdf, geraadpleegd op 4 april 2012.
Energielabel app, http://energielabelapp.nl/, geraadpleegd op 4 april 2012.
Geluidsnet, www.geluidsnet.nl, geraadpleegd op 4 april 2012.
Henk en Ingrid in Spijk (2010), Vara Zembla 23 oktober 2010 Research: Miek Hehenkamp.
         Regie: Nicolien Herblot. Eindredactie: Kees Driehuis.
Memorie van toelichting Wet Maatschappelijke Ondersteuning (wmo) (2005),
         http://test.invoeringwmo.nl/bibliotheek/memorie-van-toelichting-bij-het-
         wetsvoorstel-van-de-wmo, geraadpleegd op 5 april 2012.
Rijksoverheid Vrijwilligerswerk, Den Haag: Rijksoverheid, www.rijksoverheid.nl/onder-
         werpen/vrijwilligerswerk, geraadpleegd op 4 april 2012.
Vereniging Huurdersbelangen (2011) Hoe zit het nou precies met die 70% regeling bij reno-
         vatie/sloop en de vergoedingen?, www.vereniginghuurdersbelangen.nl/
         index.php?id=28&no_cache=1&tx_ttnews%5Btt_news%5D=350&tx_ttnews%5Bb
         ackPid%5D=7&cHash=87018348b0, geraadpleegd op 5 april 2012.
Vlaanderen.be (2012) Maatschappelijk middenveld, www.vlaanderen.be, www2.vlaande-
         ren.be/bbb/woordenlijst/index.htm#M, geraadpleegd op 4 april 2012.
World without oil, www.worldwithoutoil.org/, geraadpleegd op 4 april 2012.
YouTube (2010) First follower: leadership lessons from Dancing Guy, www.youtube.com/
         watch?v=fW8amMCVAJQ, geraadpleegd op 5 april 2012.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 279 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 280 ======================================================================

<pre>                                                                                                            279
   rapporten aan de regering
    Eerste raadsperiode (1972-1977)
 1  Europese Unie
 2  Structuur van de Nederlandse economie
 3  Energiebeleid
    Gebundeld in één publicatie (1974)
 4  Milieubeleid (1974)
 5  Bevolkingsprognoses (1974)
 6  De organisatie van het openbaar bestuur (1975)
 7  Buitenlandse invloeden op Nederland: Internationale migratie (1976)
 8  Buitenlandse invloeden op Nederland: Beschikbaarheid van wetenschappelijke en technische kennis (1976)
 9  Commentaar op de Discussienota Sectorraden (1976)
10  Commentaar op de nota Contouren van een toekomstig onderwijsbestel (1976)
11  Overzicht externe adviesorganen van de centrale overheid (1976)
12  Externe adviesorganen van de centrale overheid (1976)
13  Maken wij er werk van? Verkenningen omtrent de verhouding tussen actieven en niet-actieven (1977)
14  Interne adviesorganen van de centrale overheid (1977)
15  De komende vijfentwintig jaar – Een toekomstverkenning voor Nederland (1977)
16  Over sociale ongelijkheid – Een beleidsgerichte probleemverkenning (1977)
    Tweede raadsperiode (1978-1982)
17  Etnische minderheden (1979)
    A. Rapport aan de Regering
    B. Naar een algemeen etnisch minderhedenbeleid?
18  Plaats en toekomst van de Nederlandse industrie (1980)
19  Beleidsgerichte toekomstverkenning
    Deel 1: Een poging tot uitlokking (1980)
20  Democratie en geweld. Probleemanalyse naar aanleiding van de gebeurtenissen in Amsterdam op 30 april 1980
21  Vernieuwingen in het arbeidsbestel (1981)
22  Herwaardering van welzijnsbeleid (1982)
23  Onder invloed van Duitsland. Een onderzoek naar gevoeligheid en kwetsbaarheid in de betrekkingen tussen
    Nederland en de Bondsrepubliek (1982)
24  Samenhangend mediabeleid (1982)
    Derde raadsperiode (1983-1987)
25  Beleidsgerichte toekomstverkenning
    Deel 2: Een verruiming van perspectief (1983)
26  Waarborgen voor zekerheid. Een nieuw stelsel van sociale zekerheid in hoofdlijnen (1985)
27  Basisvorming in het onderwijs (1986)
28  De onvoltooide Europese integratie (1986)
29  Ruimte voor groei. Kansen en bedreigingen voor de Nederlandse economie in de komende tien jaar (1987)
30  Op maat van het midden- en kleinbedrijf (1987)
</pre>

====================================================================== Einde pagina 280 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 281 ======================================================================

<pre>280 vertrouwen in burgers
         Deel 1: Rapport aan de Regering
         Deel 2: Pre-adviezen
     31  Cultuur zonder grenzen (1987)
     32  De ﬁnanciering van de Europese Gemeenschap. Een interimrapport (1987)
     33  Activerend arbeidsmarktbeleid (1987)
     34  Overheid en toekomstonderzoek. Een inventarisatie (1988)
         Vierde raadsperiode (1988-1992)
     35  Rechtshandhaving (1988)
     36  Allochtonenbeleid (1989)
     37  Van de stad en de rand (1990)
     38  Een werkend perspectief. Arbeidsparticipatie in de jaren ’90 (1990)
     39  Technologie en overheid (1990)
     40  De onderwijsverzorging in de toekomst (1991)
     41  Milieubeleid. Strategie, instrumenten en handhaafbaarheid (1992)
     42  Grond voor keuzen. Vier perspectieven voor de landelijke gebieden in de Europese Gemeenschap (1992)
     43  Ouderen voor ouderen. Demograﬁsche ontwikkelingen en beleid (1993)
         Vijfde raadsperiode (1993-1997)
     44  Duurzame risico’s. Een blijvend gegeven (1994)
     45  Belang en beleid. Naar een verantwoorde uitvoering van de werknemersverzekeringen (1994)
     46  Besluiten over grote projecten (1994)
     47  Hoger onderwijs in fasen (1995)
     48  Stabiliteit en veiligheid in Europa. Het veranderende krachtenveld voor het buitenlands beleid (1995)
     49  Orde in het binnenlands bestuur (1995)
     50  Tweedeling in perspectief (1996)
     51  Van verdelen naar verdienen. Afwegingen voor de sociale zekerheid in de 21e eeuw (1997)
     52  Volksgezondheidszorg (1997)
     53  Ruimtelijke-ontwikkelingspolitiek (1998)
     54  Staat zonder land. Een verkenning van bestuurlijke gevolgen van informatie- en communicatietechnologie (1998)
         Zesde raadsperiode (1998-2002)
     55  Generatiebewust beleid (1999)
     56  Het borgen van publiek belang (2000)
     57  Doorgroei van arbeidsparticipatie (2000)
     58  Ontwikkelingsbeleid en goed bestuur (2001)
     59  Naar een Europabrede Unie (2001)
     60  Nederland als immigratiesamenleving (2001)
     61  Van oude en nieuwe kennis. De gevolgen van ict voor het kennisbeleid (2002)
     62  Duurzame ontwikkeling. Bestuurlijke voorwaarden voor een mobiliserend beleid (2002)
     63  De toekomst van de nationale rechtsstaat (2002)
     64  Beslissen over biotechnologie (2003)
     65  Slagvaardigheid in de Europabrede Unie (2003)
</pre>

====================================================================== Einde pagina 281 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 282 ======================================================================

<pre>                                                                             rapporten aan de regering              281
66 Nederland handelsland. Het perspectief van de transactiekosten (2003)
67 Naar nieuwe wegen in het milieubeleid (2003)
   Zevende raadsperiode (2003-2007)
68 Waarden, normen en de last van het gedrag (2003)
69 De Europese Unie, Turkije en de islam (2004)
70 Bewijzen van goede dienstverlening (2004)
71 Focus op functies. Uitdagingen voor een toekomstbestendig mediabeleid (2005)
72 Vertrouwen in de buurt (2005)
73 Dynamiek in islamitisch activisme. Aanknopingspunten voor democratisering en mensenrechten (2006)
74 Klimaatstrategie – tussen ambitie en realisme (2006)
75 Lerende overheid. Een pleidooi voor probleemgerichte politiek (2006)
76 De verzorgingsstaat herwogen. Over verzorgen, verzekeren, verheffen en verbinden (2006)
77 Investeren in werkzekerheid (2007)
78 Europa in Nederland (2007)
79 Identiﬁcatie met Nederland (2007)
80 Innovatie vernieuwd. Opening in viervoud (2008)
81 Infrastructures. Time to Invest (2008)
   Achtste raadsperiode (2008-2012)
82 Onzekere veiligheid. Verantwoordelijkheden rond fysieke veiligheid (2008)
83 Vertrouwen in de school. Over de uitval van ‘overbelaste’ jongeren (2009)
84 Minder pretentie, meer ambitie. Ontwikkelingshulp die verschil maakt (2010)
85 Aan het buitenland gehecht. Over verankering en strategie van Nederlands buitenlandbeleid (2010)
86 iOverheid (2010)
87 Publieke zaken in de marktsamenleving (2012)
   Rapporten aan de Regering nrs. 1 t/m 67 en publicaties in de reeks Voorstudies en achtergronden zijn niet meer lever-
   baar. Alle studies van de wrr zijn beschikbaar via de website www.wrr.nl.
   Rapporten aan de Regering nrs. 68 t/m 87 zijn verkrijgbaar in de boekhandel of via Amsterdam University Press,
   Herengracht 221, 1016 BG Amsterdam (www.aup.nl).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 282 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 283 ======================================================================

<pre>282 vertrouwen in burgers
         verkenningen
         Zevende raadsperiode (2003-2007)
      1  J. Pelkmans, M. Sie Dhian Ho en B. Limonard (red.) (2003) Nederland en de Europese grondwet
      2  P.T. de Beer en C.J.M. Schuyt (red.) (2004) Bijdragen aan waarden en normen
      3  G. van den Brink (2004) Schets van een beschavingsoffensief. Over normen, normaliteit en normalisatie in
         Nederland
      4  E.R. Engelen en M. Sie Dhian Ho (red.) (2004) De staat van de democratie. Democratie voorbij de staat
      5  P.A. van der Duin, C.A. Hazeu, P. Rademaker en I.J. Schoonenboom (red.) (2004) Vijfentwintig jaar later.
         De Toekomstverkenning van de wrr uit 1977 als leerproces
      6  H. Dijstelbloem, P.L. Meurs en E.K. Schrijvers (red.) (2004) Maatschappelijke dienstverlening. Een onderzoek
         naar vijf sectoren
      7  W.B.H.J. van de Donk, D.W.J. Broeders en F.J.P. Hoefnagel (red.) (2005) Trends in het medialandschap.
         Vier verkenningen
      8  G. Engbersen, E. Snel en A. Weltevrede (2005) Sociale herovering in Amsterdam en Rotterdam.
         Eén verhaal over twee wijken
      9  D.J. Wolfson (2005) Transactie als bestuurlijke vernieuwing. Op zoek naar samenhang in beleid en uitvoering
     10  Nasr Abu Zayd (2006) Reformation of Islamic Thought. A Critical Historical Analysis
     11  J.M. Otto (2006) Sharia en nationaal recht. Rechtssystemen in moslimlanden tusssen traditie, politiek en
         rechtsstaat
     12  P.L. Meurs, E.K. Schrijvers en G.H. de Vries (red.) (2006) Leren van de praktijk. Gebruik van lokale kennis en
         ervaring voor beleid
     13  W.B.H.J. van de Donk, A.P. Jonkers en G.J. Kronjee (red.) (2006) Geloven in het publieke domein. Verkenningen
         van een dubbele transformatie
     14  D. Scheele, J.J.M. Theeuwes, G.J.M. de Vries (red.) (2007) Arbeidsﬂexibiliteit en ontslagrecht
     15  P.A.H. van Lieshout, M.S.S. van der Meij en J.C.I. de Pree (red.) (2007) Bouwstenen voor betrokken jeugdbeleid
     16  J.J.C. Voorhoeve (2007) From War to the Rule of Law. Peace Building after Violent Conﬂicts
     17  M. Grever en K. Ribbens (2007) Nationale identiteit en meervoudig verleden
     18  B. Nooteboom and E. Stam (eds.) (2008) Micro-foundations for Innovation Policy
     19  G. Arts, W. Dicke and L. Hancher (eds.) (2008) New Perspectives on Investments in Infrastructures
         Achtste raadsperiode (2008-2012)
     20  D. Scheele, R. van Gaalen en J. van Rooijen (2008) Werk en inkomsten na massaontslag: de zekerheid is niet van
         de baan
     21  Monique Kremer, Peter van Lieshout and Robert Went (eds.) (2009) Doing Good or Doing Better. Development
         Policies in a Globalizing World
     22  W.L. Tiemeijer, C.A. Thomas en H.M. Prast (red.) (2009) De menselijke beslisser. Over de psychologie van keuze en
         gedrag
     23  Huub Dijstelbloem, Paul den Hoed, Jan Willem Holtslag en Steven Schouten (red.) (2010) Het gezicht van de
         publieke zaak. Openbaar bestuur onder ogen
     24  M.B.A. van Asselt, A. Faas, F. van der Molen en S.A. Veenman (red.) (2010) Uit zicht. Toekomstverkennen met
         beleid
     25  D. Broeders, C.M.K.C. Cuijpers en J.E.J. Prins (red.) (2011) De staat van informatie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 283 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 284 ======================================================================

<pre>                                                                                         verkenningen    283
Alle Verkenningen zijn verkrijgbaar in de boekhandel of via Amsterdam University Press, Herengracht 221,
1016 BG Amsterdam (www.aup.nl).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 284 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 285 ======================================================================

<pre>284  vertrouwen in burgers
          webpublicaties
          Zevende raadsperiode (2003-2007)
    WP 01 Opvoeding, onderwijs en jeugdbeleid in het algemeen belang
    WP 02 Ruimte voor goed bestuur: tussen prestatie, proces en principe
    WP 03 Lessen uit corporate governance en maatschappelijk verantwoord ondernemen
    WP 04 Regulering van het bestuur van maatschappelijke dienstverlening: eenheid in verscheidenheid
    WP 05 Een schets van het Europese mediabeleid
    WP 06 De regulering van media in internationaal perspectief
    WP 07 Beleid inzake media, cultuur en kwaliteit: enkele overwegingen
    WP 08 Geschiedenis van het Nederlands inhoudelijk mediabeleid
    WP 09 Buurtinitiatieven en buurtbeleid in Nederland anno 2004: analyse van een veldonderzoek van 28 casussen
    WP 10 Geestelijke gezondheid van adolescenten: een voorstudie
    WP 11 De transitie naar volwassenheid en de rol van het overheidsbeleid: een vergelijking van institutionele arrange-
          menten in Nederland, Zweden, Groot-Brittanië en Spanje
    WP 12 Klassieke sharia en vernieuwing
    WP 13 Sharia en nationaal recht in twaalf moslimlanden
    WP 14 Climate strategy: Between ambition and realism
    WP 15 The political economy of European integration in the polder: Asymmetrical supranational governance and the
          limits of legitimacy of Dutch eu policy-making
    WP 16 Europe in law, law in Europe
    WP 17 Faces of Europe: Searching for leadership in a new political style
    WP 18 The psychology and economics of attitudes in the Netherlands
    WP 19 Citizens and the legitimacy of the European Union
    WP 20 No news is bad news! The role of the media and news framing in embedding Europe
    WP 21 Actor paper subnational governments: Their role in bridging the gap between the eu and its citizens
    WP 22 The Dutch third sector and the European Union: Connecting citizens to Brussels
    WP 23 Europe in parliament: Towards targeted politicization
    WP 24 Europe in the Netherlands: Political parties
    WP 25 The eu Constitutional Treaty in the Netherlands: Could a better embedding have made a difference?
    WP 26 How to solve the riddle of belated Euro contestation in the Netherlands?
    WP 27 Connection, consumer, citizen: Liberalising the European Union gas market
    WP 28 Dutch eu-policies with regard to legal migration – The directive on family reuniﬁcation
    WP 29 The accession of Turkey to the European Union: The political decision-making process on Turkey in The
          Netherlands
    WP 30 The Habitats Directive: A case of contested Europeanization
    WP 31 Encapsulating services in the ‘polder’: Processing the Bolkestein Directive in Dutch Politics
    WP 32 Zorgen over de grens
    WP 33 De casus Inburgering en Nationaliteitswetgeving: iconen van nationale identiteit
    WP 34 In debat over Nederland
</pre>

====================================================================== Einde pagina 285 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 286 ======================================================================

<pre>                                                                                                webpublicaties 285
      Achtste raadsperiode (2008-2012)
WP 35 Veel voorkomende criminaliteit
WP 36 Gevaarlijke stoffen
WP 37 ict en internet
WP 38 Voedsel en geneesmiddelen
WP 39 Waterbeheer en waterveiligheid
WP 40 Verschuivende vensters: veranderingen in het institutionele landschap van de Nederlandse ontwikkelings-
      samenwerking
WP 41 Internationale publieke goederen: karakteristieken en typologie
WP 42 Het Nederlandse veiligheidsbeleid in een veranderende wereld
WP 43 Internationalisering en Europeanisering van strafrechtelijke rechtshandhaving in Nederland
WP 44 Praktijken van beleidsgerichte toekomstverkenning : een inventarisatie
WP 45 Het landelijk epd als blackbox: besluitvorming en opinies in kaart
WP 46 Happy Landings? Het biometrische paspoort als zwarte doos
WP 47 Over de rolverdeling tussen overheid en burger bij het beschermen van identiteit
WP 48 eCall Blackbox
WP 49 Blackbox-onderzoek veiligheidshuizen
WP 50 Goed opdrachtgeverschap jegens ictu
WP 51 Het biometrische paspoort in Nederland: crash of zachte landing?
WP 52 De prijs van heupen en knieën
WP 53 Vitaal en bevlogen
WP 54 Procedures en problemen op de markt voor reïntegratiedienstverlening
WP 55 Securization in the Netherlands shaped by and shaping regulation
WP 56 Hallmarking Halal
WP 57 Markets and public values in healthcare
WP 58 Het buitenlandse beleid van middelgrote mogendheden
WP 59 ‘Location based privacy’ in constellaties van publiek-private verantwoordelijkheid
WP 60 Landelijk overgewichtbeleid gespiegeld aan kennis uit de gedragswetenschappen
WP 61 Public interests in the implementation of the eu ets in the Netherlands: stakeholder perspectives
WP 62 Overheidstoezicht door de inspectie voor de gezondheidszorg
WP 63 Van maakbaar naar betekenisvol bestuur: een achtergrondstudie naar (keten) governance en (nieuw) publiek
      management en de gevolgen voor toezicht en evaluatie
WP 64 Sectorstudie toezicht hoger onderwijs
</pre>

====================================================================== Einde pagina 286 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 287 ======================================================================

<pre>WRR RAPPORTEN A AN DE REGER I NG 88
Vertrouwen in burgers
In het rapport Vertrouwen in burgers onderzoekt de Wetenschappelijke Raad voor
het Regeringsbeleid (wrr) hoe beleidsmakers burgers meer kunnen betrekken bij
het actief vormgeven van de samenleving.
Actief betrokken burgers zijn van groot belang voor een levende democratie. Ze
houden volksvertegenwoordigers en overheidsinstanties bij de les, vernieuwen de
samenleving met hun ideeën en initiatieven en geven het beleid draagvlak. Het is
daarom zorgelijk dat slechts kleine groepen burgers zich aangesproken voelen door
de wijze waarop beleidsmakers hen pogen te betrekken.
Door middel van literatuurstudie en veldonderzoek heeft de raad de kansen en
mogelijkheden om burgers te verleiden tot actieve betrokkenheid in kaart gebracht.
De raad onderscheidt drie velden van burgerbetrokkenheid: beleidsparticipatie,
maatschappelijke participatie en maatschappelijk initiatief, en doet aanbevelingen
voor het vergroten van de burgerbetrokkenheid op alle velden. Essentieel voor de
rol van beleidsmakers daarbij zijn twee uitgangspunten: denk vanuit het perspec-
tief van burgers en vergroot de kaders voor betrokkenheid.
                                ISBN 978 90 8964 404 6
                 A m s t e r da m U n i v e r s i t y P r e s s • w w w. au p. n l
</pre>

====================================================================== Einde pagina 287 =================================================================

<br><br>