<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>VORR

WETENSCHAPPELIJKE RAAD VOOR HET REGERINGSBELEID

Met kennis van gedrag
beleid maken

ae
oor

</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>Met kennis van gedrag beleid maken</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (wrr) werd in voorlopige vorm
ingesteld in 1972. Bij wet van 30 juni 1976 (Stb. 413) is de positie van de raad definitief
geregeld. De huidige zittingsperiode loopt tot 31 december 2017.
Ingevolge de wet heeft de raad tot taak ten behoeve van het regeringsbeleid wetenschap-
pelijke informatie te verschaffen over ontwikkelingen die op langere termijn de samen-
leving kunnen beïnvloeden. De raad wordt geacht daarbij tijdig te wijzen op tegen-
strijdigheden en te verwachten knelpunten en zich te richten op het formuleren van
probleemstellingen ten aanzien van de grote beleidsvraagstukken, alsmede op het
aangeven van beleidsalternatieven.
Volgens de wet stelt de wrr zijn eigen werkprogramma vast, na overleg met de minister-
president die hiertoe de Raad van Ministers hoort.
De samenstelling van de raad is (tot 31 december 2017):
dhr. prof.dr. J.A. Knottnerus (voorzitter)
dhr. prof.dr. A.W.A. Boot
dhr. prof.dr.mr. M.A.P. Bovens
dhr. prof.dr. G.B.M. Engbersen
dhr. prof.dr. E.M.H. Hirsch Ballin
mw. prof.dr. M. de Visser
dhr. prof.dr.ir. G.H. de Vries (adviserend lid)
mw. prof.dr.ir. M.P.C. Weijnen
Secretaris: mw. dr. W. Asbeek Brusse
Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid
Buitenhof 34
Postbus 20004
2500 ea Den Haag
Telefoon 070-356 46 00
E-mail info@wrr.nl
Website www.wrr.nl
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>Met kennis van gedrag
beleid maken
            Amsterdam University Press, Amsterdam 2014
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>Rapporten aan de Regering nrs. 68 t/m 92 zijn verkrijgbaar in de boekhandel of via
Amsterdam University Press (www.aup.nl).
Alle Rapporten aan de Regering en publicaties in de reeksen Verkenningen en Webpublica-
ties zijn beschikbaar via www.wrr.nl.
Omslagontwerp: cimon communicatie, Den Haag
Vormgeving binnenwerk: Textcetera, Den Haag
isbn         978 90 8964 871 6
e-isbn       978 90 4852 735 9 (pdf )
e-isbn       978 90 4852 736 6 (e-Pub)
nur          740
© wrr/Amsterdam University Press, Den Haag/Amsterdam 2014
Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgesla-
gen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op
enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of enige andere
manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.
Voor zover het maken van kopieën uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikel 16B
Auteurswet 1912 jº het Besluit van 20 juni 1974, Stb. 351, zoals gewijzigd bij het Besluit van
23 augustus 1985, Stb. 471 en artikel 17 Auteurswet 1912, dient men de daarvoor wettelijk
verschuldigde vergoedingen te voldoen aan de Stichting Reprorecht (Postbus 3051, 2130
kb Hoofddorp). Voor het overnemen van gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezingen,
readers en andere compilatiewerken (artikel 16 Auteurswet 1912) dient men zich tot de
uitgever te wenden.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>                      WRR
                                         WETENSCHAPPELIJKE RAAD VOOR HET REGERINGSBELEID
                      Aan de minister-president
                      Voorzitter van de ministerraad
                      De heer drs. M. Rutte
                      Postbus 20001
                      2500 EA DEN HAAG
                      ons kenmerk                            direct nummer
                      2014029/AK/am                          070-356 4691
                      onderwerp                              e-mail                              datum
                      WRR-rapportnr. 92                      voorzifterwrr.nl                    27 augustus 2014
                      Met kennis van gedrag beleid
                      maken
                      Met genoegen bieden wij u hierbij het adviesrapport Met kennis van gedrag beleid maken aan.
                      In dit rapport gaat de WRR in op de vraag wat de relevantie en mogelijkheden zijn van nieuwe
                      gedragswetenschappelijke kennis voor de beleidsvorming door de rijksoverheid. Het overleg van
                      secretarissen-generaal heeft de WRR eind 2013 gevraagd hierover advies uit te brengen.
                      De afgelopen vijf jaar is binnen overheidskringen de belangstelling voor dit onderwerp sterk
                      toegenomen. Dat komt niet in de laatste plaats door de financiële crisis van 2008, die eens temeer
                      liet zien dat mensen zich vaak niet gedragen zoals in klassieke economische modellen wordt
                      verondersteld. Vooral in landen als de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk bestaat er
                      sindsdien veel aandacht voor de bijdrage die gedragseconomische en psychologische inzichten
                      kunnen leveren aan beter overheidsbeleid op diverse terreinen, variërend van persoonlijke
                      financiën en verantwoorde omgang met schaarse bronnen tot een veilige sociale omgeving.
                      Daarbij zijn opmerkelijke successen geboekt.
                      Kort samengevat is onze bevinding dat structurele aandacht voor gedragswetenschappelijke
                      kennis gedurende de beleidsvorming kan leiden tot een completere probleemanalyse, meer valide
                      beleidstheorieën, verbetering van bestaand beleid, en daardoor meer kans op effectiviteit.
                      Tevens impliceert het een meer inductieve wijze van beleidsvorming, waarin wordt geleerd van
                      exploratie en experiment. Het verdient daarom aanbeveling het gedragswetenschappelijke
                      perspectief op beleid steviger te verankeren in de instituties en procedures van de rijksoverheid.
                      In dit rapport schetsen we drie mogelijke richtingen daartoe.
                      Ingevolge de Instellingswet ziet de Raad graag de reactie van de Ministerraad tegemoet.
                      De voorzitter,                                                   De secretaris,
                      Prof.dr. J.A. Knottnerus                                         Dr. W. Asbeek Brusse
                      Buitenhof      Postbus 20004, 2500 EA Den Haag
telefoon (070) 356 46  00, website: www.wrr.nl, e-mail: info@wrr.nl
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>                                                                          7
inhoudsopgave
Samenvatting                                                              9
Ten geleide                                                              15
Inleiding                                                                17
DEEL I   HET GEDRAGSWETENSCHAPPELIJKE PERSPECTIEF
1        Gedragswetenschappen en hun waarde voor beleid                 25
1.1      Lessen van de gedragswetenschappen                             26
1.2      De opkomst van gedragswetenschap en haar doorwerking in beleid 32
1.3      Bijdrage aan beleid en beleidstheorieën                        34
1.4      Conclusie: het gedragswetenschappelijke perspectief            38
2        ‘Watching behavior before writing the rules’                   43
2.1      Buitenlandse ervaringen                                        44
2.2      Vereisten                                                      46
2.3      Een structurele inbedding van (gedrags)wetenschappen           48
2.4      Drie hoofdrichtingen                                           54
2.5      Tot slot: meer kans op succes                                  57
DEEL II  TWEE ACTUELE THEMA’S
3        Normatieve overwegingen bij nudging                            63
3.1      Wat is een ‘nudge’?                                            63
3.2      Normatieve overwegingen bij sturing via keuzearchitectuur      65
3.3      Rechtsstatelijkheid                                            69
3.4      Nudging als symptoombestrijding?                               74
4        Keuzedruk                                                      81
4.1      Autonomiekloven                                                82
4.2      Oefenen in keuzevaardigheden en wilskracht                     89
4.3      Twee mogelijke beleidsrichtingen                               92
4.4      Een aanzet voor discussie                                      95
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>8        met kennis van gedrag beleid maken
Slotwoord                                                   99
Bijlage i: Adviesaanvraag                                  101
Bijlage ii: Geraadpleegde externe deskundigen en meelezers 103
Literatuur                                                 105
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>                                                                                   9
samenvatting
De wrr is gevraagd advies uit te brengen over de relevantie en mogelijkheden van
nieuwe gedragswetenschappelijke kennis voor de beleidsvorming binnen de
Rijksoverheid. Dit rapport is hiervan het resultaat. Het vormt daarmee een vervolg
op de wrr-Verkenning De menselijke beslisser uit 2009.
Belang van aandacht voor het gedragswetenschappelijke perspectief
Er valt voor de overheid winst te behalen door in de beleidsontwikkeling meer
rekening te houden met en gebruik te maken van nieuwe gedragsweten-
schappelijke inzichten over menselijk keuzegedrag. De overheid zou in zowel de
beleidsanalyse als in de keuze voor sturingsinstrumenten niet bij voorbaat moeten
vertrouwen op klassiek economische veronderstellingen over hoe mensen kiezen.
De economische crisis van 2008 heeft eens te meer duidelijk gemaakt dat die ver-
onderstellingen vaak te optimistisch of onjuist zijn. Het is daarom belangrijk bij
beleidsontwikkeling steeds eerst goed in kaart te brengen wat op het betreffende
terrein de oorzaken en redenen voor de keuzes van burgers zijn, en welke factoren
op die keuzes van invloed zijn. Watching Behavior Before Writing The Rules, aldus
de gedragseconoom Richard Thaler.
Daarvoor zijn minstens twee argumenten. Ten eerste wordt de overheid steeds
vaker geconfronteerd met problemen waarin de optelsom van individuele gedra-
gingen en keuzes een belangrijke rol speelt, van klimaatverandering tot leefstijl-
gerelateerde ziekten. Ten tweede legt de overheid steeds meer nadruk op de eigen
verantwoordelijkheid en keuzevrijheid van burgers. Om te voorkomen dat veel
mensen hierdoor in de problemen komen, is het belangrijk dat de overheid in haar
beleid uitgaat van reële veronderstellingen over hoe mensen keuzes maken en wat
ze op dit gebied aankunnen. In tijden van bezuinigingen is kennis over wat werkt
nog belangrijker voor een goede besteding van overheidsmiddelen.
In de afgelopen jaren is in de gedragseconomie en de sociale psychologie belang-
rijke kennis ontwikkeld over hoe mensen kiezen. Enkele bevindingen zijn dat
mensen gevoelig zijn voor allerhande biases bij het verwerken van informatie en
het nemen van beslissingen, moeite hebben rekening te houden met de lange ter-
mijn, zich veel aantrekken van wat andere mensen doen, en vaak onbewust wor-
den beïnvloed door de wijze waarop keuzes worden voorgelegd en door factoren
in de omgeving. Vooral de verschijning van het boek Nudge (2008) van Thaler en
Sunstein heeft wereldwijd een impuls gegeven aan het concreet toepassen van dit
soort inzichten in beleid. Nudging is een veelgebruikte term geworden voor het op
een slimme maar niet dwingende wijze sturen van gedrag, door gebruik te maken
van de nieuwe gedragswetenschappelijke kennis over hoe mensen keuzes maken
en soms ook in te spelen op hun ‘irrationaliteit’. Inmiddels is er in met name de
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>10 met kennis van gedrag beleid maken
   Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk succes geboekt met nudges. Ons
   advies aan de Nederlandse overheid is te gaan experimenteren met nudges waar-
   van plausibel is dat zij kans van slagen hebben.
   Relevant voor hele beleidsproces
   Gedragswetenschappelijke kennis is echter niet alleen relevant voor nudging.
   Integendeel, de wrr ziet vooral winst in het systematische gebruik van gedrags-
   wetenschappelijke kennis in het gehele beleidsproces. Cruciaal daarbij is om
   (impliciete) veronderstellingen over oorzaken van problemen en mogelijke oplos-
   singen te baseren op en te toetsen aan de inmiddels opgebouwde kennis over
   gedragsmechanismen, en die veronderstellingen zonodig ook in de praktijk met
   experimenten nader te onderzoeken. De volgende vragen zouden gedurende het
   gehele beleidsproces gesteld en beantwoord moeten worden:
   – analyse: in hoeverre en op welke wijze wordt het probleem in kwestie veroor-
        zaakt door het gedrag van (doelgroepen van) burgers, en wat zijn hierbij rele-
        vante drijfveren, motieven en omgevingsinvloeden?
   – aanpak: welke (gedrags)mechanismen worden door het beleid of de beleids-
        interventie in werking gezet zodat het geformuleerde doel in de praktijk zal
        worden bereikt (bij onderscheiden doelgroepen)?
   – bewijsvoering: hoe en waaruit weten we dat?
   Dit betekent dat al vroeg in het beleidsproces gedragsexperts moeten worden inge-
   schakeld, en niet pas nadat de richtinggevende beleidsbesluiten zijn genomen. Een
   dergelijke vroege betrokkenheid is makkelijker vorm te geven als de overheid eigen
   deskundigen op dit gebied in dienst heeft.
   Drie richtingen om het gedragswetenschappelijke perspectief te verankeren
   Gedragswetenschappelijke kennis verdient dus een sterkere inbedding in de
   beleidsvorming, zodat daarbij niet alleen het economische of juridische perspectief
   kan worden ingebracht, maar ook het gedragswetenschappelijke perspectief. Hoe
   dit te organiseren? We geven drie mogelijke richtingen in overweging (die apart of
   naast elkaar gevolgd kunnen worden):
   – intra-departementaal. Elk departement kan voor zich investeren in het intern
        verankeren en toepassen van gedragswetenschappelijke kennis door een vol-
        doende aantal gekwalificeerde gedragsexperts aan te stellen. Dit verdient de
        voorkeur boven ad hoc ingehuurde kennis, want die beklijft onvoldoende voor
        de opbouw van substantiële kennis, en zal vaak te laat in het beleidsproces wor-
        den ingebracht;
   – inter-departementaal. De vragen van het Integraal Afwegingskader (iak) kun-
        nen worden aangescherpt zodat zij sterker ertoe aanzetten om de achter-
        liggende beleidstheorie te expliciteren. Ook kan een gedragswetenschappelijke
        eenheid bij de Rijksoverheid worden ingericht waarin substantiële en metho-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>                                                                 samenvatting      11
    dologische gedragskennis zijn verankerd. Deze eenheid kan in samenwerking
    met de departementen beleidsproblemen analyseren en passende oplossingen
    ontwikkelen en toetsen;
–   aanpassing proces voor beleidsvorming en wetgeving. In het beleids- en wet-
    gevingsproces kunnen zodanige checks and balances worden georganiseerd dat
    de gedragswetenschappelijke voeding en toetsing van beleid min of meer wor-
    den afgedwongen. Dit kan worden gerealiseerd door middel van verplichte ex-
    ante evaluatie bij grotere dossiers, instelling van een oversight body en meer
    transparantie. Dit sluit aan op recente oecd-aanbevelingen voor de inrichting
    van het beleid- en wetgevingsproces. Omdat deze derde richting een meer
    ingrijpende verandering behelst, zou eventueel kleinschalig kunnen worden
    begonnen met enkele pilot-projecten.
Transparantie over nudges
In de literatuur over nudging worden regelmatig bepaalde normatieve bezwaren
tegen dat middel ingebracht. Veel bezwaren tegen nudges gelden welbeschouwd
echter ook voor het bestaande beleidsinstrumentarium. Volgens de wrr is het
belangrijkste bezwaar de ondoorzichtigheid van sommige typen nudges. De over-
heid zal daarom altijd openheid moeten betrachten over de inzet van nudges, zelfs
als de effectiviteit daardoor zou afnemen. In voorkomende gevallen zijn expliciete
instemming van het parlement en afweging tegen rechtsstatelijke beginselen ver-
eist.
Keuzedruk
Eén van de lessen van de gedragswetenschappen is dat er grenzen zijn aan de hoe-
veelheid keuzes en verleidingen die mensen aankunnen. Als de ‘keuzedruk’ te
hoog oploopt, neemt de kwaliteit van hun beslissingen af en zwichten zij eerder
voor verleidingen, zoals ongezond voedsel of onverantwoorde impulsaankopen.
Dit betekent dat er een discrepantie kan ontstaan tussen enerzijds het aantal
keuzes en verleidingen dat mensen psychologisch redelijkerwijs aankunnen en
anderzijds de feitelijke keuzedruk waarmee zij worden geconfronteerd. Recent
onderzoek suggereert dat vooral bij mensen met lage inkomens een dergelijke dis-
crepantie kan ontstaan en deze ook schadelijke gevolgen kan hebben.
Op het probleem van te grote keuzedruk zijn twee reacties mogelijk. De eerste
mogelijkheid is mensen te helpen hun keuzevaardigheid en zelfcontrole te vergro-
ten, bijvoorbeeld door middel van educatie. Deze aanpak geniet in principe de
voorkeur. Het is echter zeer onwaarschijnlijk dat met deze aanpak alle problemen
kunnen worden opgelost. Daarom kan het wenselijk zijn óók in te zetten op de
tweede mogelijkheid, te weten het makkelijker maken om goed te kiezen, bijvoor-
beeld door mensen met nudges een zetje te geven in de richting die waarschijnlijk
gunstig voor hen zal uitpakken.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>12 met kennis van gedrag beleid maken
   In dit rapport geven we geen antwoord op de vraag hoe en wanneer deze strate-
   gieën concreet moeten worden ingezet. In plaats daarvan willen we een algemene
   vraag opwerpen: in hoeverre ligt hier een opdracht voor de overheid? In hoeverre
   dient de overheid beleid waarin meer keuzes bij de burgers worden gelegd (of
   waardoor de nadelige gevolgen van verkeerde keuzes worden vergroot) vergezeld
   te laten gaan van handvatten en voorzieningen die burgers helpen de juiste keuzes
   te maken – hetzij door hun keuzevaardigheid en zelfcontrole te vergroten, hetzij
   door duwtjes in de goede richting te geven? Kort gezegd: in hoeverre moet de
   overheid mensen helpen om zichzelf te helpen?
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>                                                                                    15
ten geleide
In dit rapport schetst de wrr de wijze waarop gedragswetenschappelijke kennis
een prominentere rol kan spelen in de beleidsvorming. Het rapport is geschreven
door dr. Petra Jonkers en dr. Will Tiemeijer, beiden wetenschappelijk staf-
medewerker bij de wrr, in overleg met de voorzitter van de wrr, prof. dr. André
Knottnerus. Delen uit dit rapport zijn reeds gepresenteerd tijdens de aan dit
onderwerp gewijde bijeenkomst van de interdepartementale kenniskamer op
15 mei 2014.
Het rapport bouwt in belangrijke mate voort op de wrr-Verkenning De menselijke
beslisser. Over de psychologie van keuze en gedrag, uit 2009. In die verkenning zijn
belangrijke onderzoekslijnen en resultaten uit de gedragswetenschappen gepre-
senteerd.
Tijdens het schrijven van dit rapport is met diverse deskundigen gesproken. Ook is
in de slotfase van het rapport een conceptversie voor commentaar aan externe des-
kundigen voorgelegd. De namen van de gesprekspartners en meelezers zijn ver-
meld in bijlage ii. Veel dank aan allen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>                                                                                   17
inleiding
De afgelopen jaren is bij diverse beleidsmakers grote belangstelling ontstaan voor
onderzoek uit de gedragseconomie en sociale psychologie dat laat zien dat mensen
niet altijd kiezen zoals in de klassieke economische modellen wordt verondersteld.
De mens is geen homo economicus. Hij is slechts ‘beperkt rationeel’ en ‘beperkt
wilskrachtig’. Zijn keuzes worden beïnvloed door schijnbaar irrelevante factoren,
zoals de wijze waarop een keuze is vormgegeven of kenmerken van de sociale en
fysieke omgeving. Bovendien lukt het hem lang niet altijd eenmaal gemaakte keu-
zes daadwerkelijk uit te voeren en vol te houden.
De toenemende belangstelling voor gedragseconomie en sociale psychologie is
geen exclusief Nederlands fenomeen, integendeel. Ook in andere landen, met
name de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk, is veel interesse voor de
nieuwe kennis. Daar wordt inmiddels druk geëxperimenteerd, het meest promi-
nent door het Amerikaanse Office for Information and Regulatory Affairs (oira)
en het Engelse Behavioural Insights Team (bit). Ook de Europese Commissie, de
oecd en de Wereldbank hebben recent gerapporteerd over de nieuwe mogelijk-
heden die de gedragswetenschappelijke kennis het openbaar bestuur biedt.
Toenemende relevantie en urgentie
Waarom al die aandacht? Daarvoor zijn goede redenen. In veel beleid draait het om
het beïnvloeden van het gedrag van burgers. Een belangrijke boodschap van de
gedragseconomie en sociale psychologie is nu dat beleid waarin de mens exclusief
wordt benaderd als rationele calculeerder, reële kans loopt te mislukken. Mensen
kiezen meestal niet zo goed geïnformeerd en weloverwogen als nogal wat beleids-
makers lijken te veronderstellen. De economische crisis die in 2008 inzette maakte
eens te meer duidelijk dat de assumpties uit economische modellen veelal te opti-
mistisch of onjuist zijn. In essentie vestigen de hedendaagse gedragseconomie en
sociale psychologie de aandacht op de noodzaak van empirisch valide beleids-
theorieën over hoe mensen keuzes maken en welke factoren daarop van invloed
zijn.
De urgentie van goede beleidstheorieën is de laatste jaren alleen maar toegenomen.
Ten eerste omdat, wellicht meer dan ooit tevoren, bepaalde maatschappelijke pro-
blemen alleen oplosbaar zijn als mensen duurzaam hun gedrag veranderen. Voor-
beelden zijn de milieuproblematiek, de hoogte van de collectieve uitgaven en kos-
ten van de zorg, of de veiligheid van de openbare ruimte. Daarom wil de overheid
bevorderen dat mensen zuinig omgaan met schaarse middelen, sparen voor later,
gezond leven, rekening houden met elkaar, et cetera. Werden vroeger de keuzes die
mensen op zulke gebieden maakten als particuliere aangelegenheden beschouwd,
tegenwoordig is er meer oog voor de negatieve externe effecten van bepaalde keu-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>18 met kennis van gedrag beleid maken
   zes. De mogelijkheden voor de overheid om hierin te sturen met behulp van de
   klassieke instrumenten zijn echter beperkt, want zulke middelen (bijvoorbeeld
   forse subsidies of bepaalde voorzieningen) kunnen erg kostbaar zijn. Bovendien
   gaat het om kwesties waarin mensen in principe vrij zijn en dwingende sturing
   ongewenst of onmogelijk is. Er zijn dus andere vormen van gedragsbeïnvloeding
   nodig. Wil de overheid hierin effect sorteren, dan is allereerst goed inzicht vereist
   in hoe mensen keuzes maken.
   Ten tweede is het aantal keuzes, en daarmee het beroep dat wordt gedaan op ratio-
   naliteit, wilskracht en eigen verantwoordelijkheid, de afgelopen decennia sterk
   toegenomen. Het beleid van eind vorige eeuw werd gekenmerkt door liberalisering
   en privatisering waardoor zich nieuwe keuzes voor burgers aandienden. Voorts
   nopen de overheidsfinanciën al jaren tot versobering van de verzorgingsstaat, en
   legt de overheid (mede) daarom veel nadruk op de eigen verantwoordelijkheid van
   burgers. Dat betekent voor hen echter ook grotere risico’s. Een onjuiste keuze of
   onoplettendheid kan duur uitpakken. Een verkeerde studiekeuze is bijvoorbeeld
   veel kostbaarder dan vroeger, en wie vergeet een boete op tijd te betalen, kan mak-
   kelijker dan voorheen in een neergaande schuldenspiraal geraken. Bovendien kun-
   nen bepaalde keuzes nadelig uitpakken voor anderen. Zo wil de huidige regering
   bijvoorbeeld in haar beleid op het gebied van leefstijl een ‘omslag’ maken naar een
   situatie waarin mensen (opnieuw) zelf verantwoordelijk zijn voor hun gezond-
   heid, en ‘betutteling’ door de overheid achterwege blijft.1 Echter, als veel mensen
   die grotere verantwoordelijkheid niet aankunnen, zal dat leiden tot hogere zorg-
   kosten en maatschappelijke kosten.2 Uiteindelijk kunnen ongelukkige individuele
   keuzes dus ook de samenleving als geheel benadelen. Al met al is het dus belangrijk
   dat de overheid inzicht heeft in wat mensen op het gebied van keuzes redelijker-
   wijs aankunnen, en daarmee rekening houdt in haar beleid.3
   Meer dan nudging alleen
   De meest in het oog springende manifestatie van de grote aandacht voor gedrags-
   economie en sociale psychologie is het fenomeen nudging. Richard Thaler en Cass
   Sunstein muntten de term in hun boek Nudge (2008). Dat boek kwam in het licht
   van de ervaringen met de crisis en de behoefte aan alternatieve beleidsoplossingen
   als geroepen. Centraal in het boek staat dat veel mensen niet doen wat ze willen en
   andersom, met alle gevolgen van dien voor henzelf en voor de maatschappij als
   geheel. Met het begrip ‘nudge’ doelen Thaler en Sunstein op vormen van sturing
   waarin bewust wordt ingespeeld op de beperkte rationaliteit van mensen teneinde
   hun een ‘duwtje’ te geven in de richting van het gewenste gedrag, zonder dat hen
   de mogelijkheid wordt ontnomen om desgewenst toch anders te kiezen (zie ook
   pagina 64). Over nudging is veel te doen, niet in de laatste plaats vanwege enkele
   spectaculaire successen die met het middel zijn behaald. Het Engelse Behavioural
   Insights Team dat door premier Cameron in het leven werd geroepen, staat inmid-
   dels ook wel bekend als de Nudge-unit. Door alle aandacht voor nudging dreigt
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>                                                                    inleiding      19
echter uit zicht te geraken dat de potentiële betekenis van de nieuwe gedrags-
wetenschappelijke kennis voor het overheidsbeleid veel verder strekt. Nudging is
slechts het bekende ‘topje van de ijsberg’. Minstens zo belangrijk is wat zich onder
de waterspiegel bevindt, namelijk een potentiële transformatie naar een beleids-
praktijk waarin het gedragswetenschappelijke perspectief net zo serieus wordt geno-
men als het economische en juridische perspectief.
Andere rapporten
De aanleiding voor dit rapport vormt een verzoek van het overleg van de secreta-
rissen-generaal om over dit onderwerp advies uit te brengen. De wrr is echter niet
de enige die in 2014 hierover adviseert. Eerder dit jaar verschenen reeds twee
adviesrapporten, namelijk:
– Doen en laten, effectiever milieubeleid door mensenkennis van de Raad voor de
     leefomgeving en infrastructuur (rli). Dit rapport gaat over de mogelijkheden
     van de nieuwe gedragswetenschappelijke kennis voor milieubeleid en mobili-
     teit, en bevat praktische hulpmiddelen en aanpakken waarmee beleidsmakers
     op deze gebieden aan de slag kunnen;
– De verleiding weerstaan. Grenzen aan beïnvloeding van gedrag door de overheid
     van de Raad voor de Maatschappelijke Ontwikkeling (rmo). Dit rapport gaat
     over een specifieke deelvraag, namelijk onder welke voorwaarden nudging een
     bijdrage kan leveren aan het vergroten van de autonomie van burgers.
Beide raden brachten tegelijk met hun adviesrapporten ook enkele achtergrond-
studies uit, onder meer naar normatieve overwegingen met betrekking tot de
nieuwe sturingsmogelijkheden. Tezelfdertijd verscheen eveneens een publicatie
van het Centrum voor Ethiek en Gezondheid over de normatieve pro’s en contra’s
van leefstijlbeïnvloeding.
Wij zullen in het voorliggende rapport vooral ingaan op aspecten waaraan de
andere adviesraden vanwege hun specifieke taak en focus minder aandacht hebben
geschonken, maar die voor een volledig antwoord op de adviesaanvraag aan de
wrr van belang zijn. Belangrijk is dat de drie raden het erover eens zijn dat de
nieuwe sociaal psychologische en gedragseconomische kennis een nuttige en rele-
vante bijdrage kan leveren aan beleid. De overheid doet er dus verstandig aan
gedragswetenschappelijke kennis een steviger positie te geven in de beleids-
vorming en -uitvoering.
Vraagstelling en opbouw
Zoals gezegd heeft het overleg van secretarissen-generaal de wrr gevraagd “advies
uit te brengen over de relevantie en mogelijkheden van nieuwe gedragsweten-
schappelijke kennis voor de beleidsvorming binnen de rijksoverheid” (brief secre-
taris generaal Ministerie van Economische Zaken aan voorzitter wrr, zie bijlage).
Dit rapport vormt daarmee een vervolg op de wrr-Verkenning De menselijke
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>20 met kennis van gedrag beleid maken
   beslisser uit 2009. Daarin gaf een keur van Nederlandse wetenschappers een state
   of the art overzicht van de belangrijkste inzichten uit gedragseconomie, sociale
   psychologie, neurowetenschap en voorlichtingskunde. Met dit rapport willen we
   antwoord geven op de vraag wat deze kennis kan betekenen voor de overheid en
   haar beleid. Daarbij zullen we omwille van de leesbaarheid niet steeds die afzon-
   derlijke disciplines apart noemen maar kortheidshalve spreken van ‘de gedrags-
   wetenschappen’.
   Dit rapport bestaat uit twee delen. Het eerste is algemeen van aard en bestaat uit
   twee hoofdstukken:
   – in hoofdstuk 1 geven we een algemeen beeld van de inhoud, opkomst en rele-
       vantie van gedragswetenschappen voor beleid. We vatten beknopt samen wat
       de belangrijkste gedragswetenschappelijke inzichten zijn, schetsen een korte
       geschiedenis van de opkomst van deze nieuwe kennis en haar verspreiding in
       beleidskringen, en laten zien hoe deze kennis een bijdrage kan leveren aan
       beter beleid;
   – in hoofdstuk 2 stellen we de institutionele vraag: hoe kan het gedragsweten-
       schappelijke perspectief beter worden verankerd in de beleidsprocessen? Is
       bewustwording en scholing van beleidsambtenaren voldoende of is er meer
       nodig? Moet Nederland ook een Behavioural Insights Team krijgen? In dit
       hoofdstuk schetsen we het palet aan opties voor betere verankering van het
       gedragswetenschappelijke perspectief.
   Het tweede deel van dit rapport gaat dieper in op twee specifieke en actuele
   thema’s waarvoor we aandacht willen vragen, en bestaat eveneens uit twee hoofd-
   stukken:
   – in hoofdstuk 3 gaan we in op nudging, en dan vooral op de potentiële norma-
       tieve bezwaren tegen nudging. We zullen een kort overzicht geven van de be-
       zwaren die in de literatuur worden genoemd, analyseren hoe ernstig deze be-
       zwaren moeten worden genomen, en bespreken hoe de serieuze bezwaren
       ondervangen zouden kunnen worden;
   – in hoofdstuk 4 vragen we aandacht voor een belangrijk feit dat de gedrags-
       wetenschappen zichtbaar maken, namelijk dat er een discrepantie kan bestaan
       tussen de hoeveelheid keuzes en verleidingen die mensen dagelijks krijgen
       voorgeschoteld en de hoeveelheid die ze redelijkerwijs aankunnen. Er is dan
       sprake van een ‘autonomie-kloof’. We willen de vraag agenderen in hoeverre
       het mogelijk is die kloof kleiner te maken, en welke rol de overheid daarin zou
       kunnen spelen.
   Tot slot een inperking. Dit rapport gaat over beleid gericht op de beïnvloeding en
   sturing van de keuzes van burgers, en niet over beleid gericht op de beïnvloeding
   en sturing van de keuzes van maatschappelijke organisaties of bedrijven. We zullen
   het niet hebben over beleid om organisaties of bedrijven te bewegen tot meer
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>                                                                  inleiding      21
maatschappelijk verantwoord ondernemen, duurzamer productie, beter toezicht,
beter personeelsbeleid of wat dies meer zij. In dit rapport komen maatschappelijke
organisaties en bedrijven slechts aan de orde voor zover hun woorden en daden
een factor kunnen zijn in de keuzes die burgers maken.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>22  met kennis van gedrag beleid maken
noten
1   De minister van vws schrijft hierover: “Een goede gezondheid begint bij jezelf […] De over-
    heid en professionals kunnen niet voor alle problemen een oplossing bieden. Daarvoor heb-
    ben we de financiële middelen en menskracht niet, maar belangrijker is dat we dat ook niet
    willen. Het is dan ook tijd voor een omslag. Gezondheid moet weer iets van de Nederlander
    zelf worden.” (2011: 7) Zie ook Van zz naar gg (van ziekte & zorg naar gedrag & gezondheid),
    de titel van een publicatie van de Raad voor de Volksgezondheid uit 2010.
2   De jaarlijkse zorgkosten van overgewicht werden begin deze eeuw geschat op 1,2 miljard
    euro, en de jaarlijkse maatschappelijke kosten op nog eens 2 miljard euro (Minvws 2009).
3   Door diverse waarnemers is dan ook opgemerkt dat waar de burgers een grotere eigen verant-
    woordelijkheid krijgen toegekend, dit regelmatig gepaard gaat met een zekere druk op men-
    sen die verantwoordelijkheid wel op de ‘juiste’ manier invullen. Zie Ossewaarde 2006, rmo
    2006 en scp 2012.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>DEEL I
het gedragswetenschappelijke perspectief
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>                                                                                        25
1 gedragswetenschappen en hun waarde
  voor beleid
  Wat zijn de relevantie en mogelijkheden van nieuwe gedragswetenschappelijke
  kennis voor de beleidsvorming binnen de Rijksoverheid? Om een indruk te geven
  van het potentieel, beginnen we met een inmiddels klassiek voorbeeld, dat betrek-
  king heeft op een nieuw type pensioenspaarplannen dat in de Verenigde Staten is
  ontwikkeld. In dit land sparen werknemers in principe niet automatisch voor een
  pensioen. Als zij toch een pensioen willen opbouwen, moeten ze zich uit eigen
  beweging aanmelden voor het bedrijfs-pensioenspaarplan van hun werkgever.1
  Velen doen dat echter niet, vaak om niet-inhoudelijke redenen zoals drukte of uit-
  stelgedrag. Gevolg is dat ze later, na hun pensionering, een sterk inkomensverlies
  lijden. Om dat te voorkomen, ontwikkelden Benartzi en Thaler het zogenaamde
  smart-pensioenspaarprogramma (Save More Tomorrow). Het programma bleek
  een groot succes, en heeft geleid tot een snelle diffusie van pensioenprogramma’s
  met de volgende twee kenmerken:
  – auto-enrollment. Elke nieuwe werknemer doet standaard mee aan het spaar-
       programma van zijn werkgever, tenzij hij daar zelf actief bezwaar tegen maakt;
  – auto-escalation. Elke nieuwe werknemer draagt in het begin een laag percen-
       tage van zijn salaris af – meestal 3 procent – wat later automatisch stapsgewijs
       wordt verhoogd tot een bepaald plafond, tenzij hij daar zelf actief bezwaar
       tegen maakt.
  Kortom, niemand is verplicht mee te doen, maar wie niet kan of wil besluiten,
  wordt automatisch ingeschreven bij een regeling waarmee hij voldoende pensioen
  bijeen spaart. Het bijzondere van dit programma is dat het welbewust inspeelt op
  en gebruik maakt van neigingen die in de klassieke economie als ‘irrationeel’ wor-
  den beschouwd, namelijk status quo bias (de neiging om de voorkeur te geven aan
  de huidige situatie boven een alternatieve situatie), hyperbolic discounting (de nei-
  ging om winst en verlies in de toekomst veel minder zwaar te wegen dan winst en
  verlies in het heden) en inertia (de neiging om vervelende klusjes zoals papierwerk
  uit te stellen). Sinds de ontwikkeling van deze nieuwe systematiek in het begin van
  deze eeuw, biedt inmiddels bijna de helft van alle Amerikaanse werkgevers een
  pensioenspaarplan aan conform de principes van auto-enrollment en auto-
  escalation. Benartzi en Thaler (2013) schatten de jaarlijkse bijdrage van alleen al het
  auto-escalation-gedeelte op ongeveer 7,4 miljard dollar aan extra bijeen gespaard
  geld.
  Dit hoofdstuk
  Dit voorbeeld laat zien welke goede resultaten zijn te behalen wanneer men accep-
  teert dat mensen niet altijd ‘rationeel’ kiezen en welbewust inspeelt op hun beper-
  kingen in deze. Sterker, het voorbeeld is inmiddels welhaast uitgegroeid tot de
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>26  met kennis van gedrag beleid maken
    ‘moeder aller nudges’. Het Nederlandse pensioenstelsel zit echter anders in elkaar
    dan het Amerikaanse. De relevante vraag is daarom niet of deze specifieke maat-
    regel ook in Nederland ingevoerd zou moeten worden, maar veeleer wat nu precies
    de kern is van die nieuwe gedragswetenschappelijke inzichten waardoor een suc-
    cesvolle maatregel als deze überhaupt bedacht kon worden. Het is deze kern waar-
    mee ook Nederland wellicht zijn voordeel kan doen. In dit hoofdstuk zullen we
    betogen dat de bijdrage van de gedragswetenschappen aan beleid bestaat uit twee
    elementen:
    – ten eerste leveren de gedragswetenschappen een bepaalde substantiële kennis
         (over beperkte rationaliteit, beperkte zelfcontrole, invloed van de omgeving,
         etc). Deze kennis kan helpen tot betere beleidsanalyses te komen, en reikt
         tevens nieuwe oplossingen aan, zoals bijvoorbeeld nudging;
    – ten tweede bieden de gedragseconomische en sociaalpsychologische weten-
         schap een bepaalde manier van kijken naar de beleidsrealiteit. In dit rapport
         spreken we kortheidshalve steeds over het gedragswetenschappelijke perspec-
         tief. Dit perspectief vloeit logisch voort uit de substantiële kennis, en heeft als
         consequentie dat vaak een meer inductieve manier van beleidsvorming gebo-
         den is, waarin expliciet ruimte wordt geboden voor experimenteren.
1.1 lessen van de gedragswetenschappen
    In zijn eerdere Verkenning De menselijke beslisser heeft de wrr een overzicht gege-
    ven van de nieuwe gedragswetenschappelijke kennis van de laatste decennia. We
    vatten deze kennis hieronder nogmaals samen. In essentie komt het erop neer dat
    mensen slechts ten dele de autonome auteur van hun eigen leven zijn. Lang niet
    altijd bepalen we bij elke keuze kalm en weloverwogen welke richting we inslaan.
    Vaak worden we, zonder dat we het ons realiseren, beïnvloed door de wijze waarop
    een keuze is vormgegeven en door factoren in de omgeving. De nieuwe kennis kan
    worden samengevat met een handvol begrippen, namelijk biases and heuristics,
    sociale normen, de rol van het onbewuste en ego depletion.
    Biases and heuristics
    Het biases and heuristics onderzoeksprogramma is onlosmakelijk verbonden met
    de namen Tversky en Kahneman. Centraal staat de vraag hoe mensen keuzes
    maken. Klassieke economen gaan vaak uit van het zogenaamde Expected utility
    model, waarvoor de basis werd gelegd door Von Neumann en Morgenstern in hun
    Theory of Games and Economic Behavior uit 1944. Het Expected utility model pos-
    tuleert dat mensen van elke beschikbare optie bepalen welke voor hen relevante
    opbrengsten daarmee zijn verbonden, hoe waarschijnlijk het is dat elke opbrengst
    wordt gerealiseerd, en welke waarde zij aan elke opbrengst toekennen. Op basis
    hiervan berekenen ze het verwachte nut van elke optie en kiezen ze de optie die
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>                            gedragswetenschappen en hun waarde voor beleid          27
het hoogste scoort. Die keuze wordt wel als ‘rationeel’ beschouwd. Overigens
wordt ‘nut’ daarbij regelmatig gelijkgesteld aan ‘financieel gewin’. Rationeel is dan
de optie die financieel het meest aantrekkelijk is.
Het blijkt echter dat, afgemeten naar dit model, mensen vaak niet ‘rationeel’
kiezen. Hun keuzes worden beïnvloed door allerlei biases (systematische verteke-
ningen van de werkelijkheid), vaak zonder dat zij zich dat realiseren. Hét klassieke
(en voor ingewijden ook overbekende) voorbeeld is het zogenaamde Asian disease
dilemma. Tversky en Kahneman stelden proefpersonen de volgende vraag: Stel,
het land bereidt zich voor op het uitbreken van een zeldzame Aziatische ziekte,
waarvan verwacht wordt dat deze 600 mensen zal doden. Er zijn twee medische
behandelingen om de ziekte te bestrijden, die de volgende verwachte consequen-
ties hebben:
– bij het volgen van behandeling A wordt van 200 mensen het leven gered;
– bij het volgen van behandeling B is er een kans van een derde dat van alle
    600 mensen het leven wordt gered en een kans van twee derde dat van
    niemand het leven wordt gered.
Welke behandeling heeft uw voorkeur? De meeste respondenten kozen voor de
eerste optie. Aan een vergelijkbare groep respondenten legden Kahneman en
Tversky hetzelfde dilemma voor, maar met beide opties net iets anders geformu-
leerd, namelijk als volgt:
– bij het volgen van behandeling A zullen 400 mensen sterven;
– bij het volgen van behandeling B is er een kans van een derde dat niemand zal
    sterven en een kans van twee derde dat alle 600 mensen zullen sterven.
In deze formulering kozen de meeste mensen voor de tweede optie (Tversky en
Kahneman 1981). Dit is een onverwachte uitkomst, althans, uitgaande van het
Expected utility model. De kansen en uitkomsten van de opties zijn in beide varian-
ten immers gelijk, dus er zou ook geen verschil in voorkeur van de respondenten
moeten zijn. Dat mensen toch verschillend reageren, wordt door Tversky en
Kahneman verklaard uit het feit dat mensen doorgaans een afkeer hebben van ver-
lies. Daarom zijn ze eerder bereid risico te nemen bij het vooruitzicht van nega-
tieve uitkomsten dan bij het vooruitzicht van positieve uitkomsten. Omdat in het
eerste dilemma de nadruk wordt gelegd op de mogelijke winst en in het tweede
dilemma op het mogelijke verlies, zijn ze in die tweede variant eerder geneigd voor
de risicovolle optie te kiezen. Men kan voorkeuren dus beïnvloeden door een
keuze anders te presenteren.
Inmiddels is in talloze onderzoeken een hele reeks van biases aangetoond. We
wegen verlies zwaarder dan winst, willen onzekerheid het liefste vermijden, heb-
ben een voorkeur voor de status quo, wegen voordeel nu veel zwaarder dan voor-
deel later, et cetera. Daardoor kan de framing van een keuze groot effect hebben op
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>28 met kennis van gedrag beleid maken
   de optie die iemand kiest. Ook kan het veel verschil maken welke optie eventueel
   als ‘default’ is gekozen. Een bekend voorbeeld (dat later nog uitgebreid zal terug-
   keren) is orgaandonatie. In landen waarin iedereen donor is die zich daarvoor niet
   actief heeft afgemeld (een ‘ja, tenzij’-systeem), staan veel meer mensen geregisterd
   als orgaandonor dan in landen waar alleen mensen donor zijn die zich daarvoor
   actief hebben aangemeld (een ‘nee, tenzij’- systeem). Het verschil bedraagt vele
   tientallen procenten (Johnson en Goldstein 2003). In ons land wordt dan ook
   regelmatig gepleit voor omkering van de default.2
   Cruciaal bij dit alles is dat de afwijkingen van het Expected utility model niet
   random zijn, maar een zekere systematiek en voorspelbaarheid hebben (Ariely
   2008). Daardoor wordt het in principe mogelijk op deze afwijkingen te anticiperen
   en ze te benutten voor gedragsbeïnvloeding. Dat het pensioenspaarprogramma
   waarmee dit hoofdstuk begon zoveel succes heeft, is dan ook geen kwestie van
   geluk maar van wijsheid. Het programma is welbewust ontwikkeld vanuit kennis
   over voorspelbare biases in keuzeprocessen, en zo ontworpen dat daarvan maxi-
   maal gebruik wordt gemaakt ten behoeve van een goed spaarresultaat.
   Een andere belangrijke bevinding is dat mensen lang niet altijd zin of gelegenheid
   hebben om te kiezen conform het Expected utility model. Geregeld zijn mensen
   geen optimizers maar satisficers, dat wil zeggen, zij kiezen met behulp van heuris-
   tieken en zonder zich te verdiepen in alle opties. Ze kiezen bijvoorbeeld bij de aan-
   schaf van consumentenelektronica zonder veel uitzoekwerk voor een bekend
   merk, vanuit de ervaring dat een bekend merk meestal voldoende kwaliteit levert.
   In het onderzoek spreekt men wel van mensen als cognitive misers (Fiske en Taylor
   1991), dat wil zeggen, cognitieve ‘krenten’ die liever geen tijd en energie steken in
   het vergaren van alle beschikbare informatie zolang dat niet echt nodig is. Goed
   geïnformeerd en weloverwogen besluiten nemen kan zeer vermoeiend zijn (zie
   ook hoofdstuk 4).
   Sociale normen
   Met het begrip ‘sociale normen’ wordt gedoeld op de robuuste onderzoeks-
   bevinding dat mensen zich in hun keuzegedrag sterk laten beïnvloeden door wat
   zij denken dat de meerderheid doet. Goldstein et al. (2008) deden onderzoek naar
   methoden om hotelgasten zover te krijgen dat ze hun handdoeken zouden her-
   gebruiken. Zoals bekend bespaart dat water en energie. Daarom hangt in veel
   hotelkamers een tekst met het verzoek tot hergebruik. Het bleek dat significant
   meer gasten aan dat verzoek voldeden als in die tekst ook werd gemeld dat de
   meerderheid van eerdere gasten ervoor had gekozen hun handdoeken te her-
   gebruiken. Wie regelmatig in hotels verblijft, zal weten dat deze resultaten inmid-
   dels het gehele hotelwezen hebben bereikt, want je ziet de mededeling tegenwoor-
   dig overal. Maar niet alleen hotels kunnen succesvol gebruik maken van sociale
   normen. Experimenten laten zien dat het mogelijk is mensen te bewegen tot zuini-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>                            gedragswetenschappen en hun waarde voor beleid          29
ger omgang met energie door hen te vertellen dat de meeste inwoners in hun buurt
minder energie verbruiken dan zijzelf. Het communiceren van deze sociale norm
blijkt vaak effectiever dan het communiceren van allerlei inhoudelijke argumen-
ten, zoals over het belang van energiebesparing, welbegrepen eigenbelang et cetera
(Nolan et al. 2008). Ook kan men sociale normen inzetten ter verhoging van tax
compliance (Coleman 1996). In Engeland heeft het bit de Britse belastingdienst
geholpen het aantal op tijd ingevulde belastingaangiften te verhogen door nadruk-
kelijk te sturen via sociale normen (“Nine out of ten people pay their tax on time”).
Eén van de fraaiste onderzoeken op het gebied van de sociale norm is van Neder-
landse makelij, namelijk een onderzoek van Keizer et al. (2008). Zij plaatsten in
een Groningse straat waar veel fietsen stonden een duidelijk zichtbaar “graffiti ver-
boden” bord. Aan de gestalde fietsen hingen zij een flyer. Ze creëerden twee proef-
condities. In de ene conditie waren de muren rondom het bord schoon, maar in de
andere conditie waren die, ondanks het verbod, toch beklad met graffiti (zie afbeel-
ding op de volgende pagina). Het bleek dat mensen die hun fiets kwamen ophalen
in de graffiti-conditie significant vaker de flyer gewoon op straat wierpen dan in de
schone conditie. In een ander experiment staken Keizer en collega’s een envelop
met daarin duidelijk zichtbaar een vijf euro biljet half in een brievenbus. Het bleek
dat als die brievenbus omgeven was met rommel en graffiti, significant meer voor-
bijgangers geneigd waren de envelop uit de opening van de brievenbus te halen en
mee te nemen.
Deze experimenten maken duidelijk dat sociale normen niet per se verbaal hoeven
te worden meegedeeld. Het effect kan ook optreden als de omgeving een bepaalde
norm communiceert. Bovendien blijkt er sprake van een zekere besmetting. De
waargenomen schending van de ‘hou het netjes’ norm ondermijnt kennelijk meer
algemeen de motivatie om je aan sociale normen te houden. Zo kan normloosheid
zich dus verspreiden. Iemand ziet graffiti, interpreteert dat als een teken van norm-
loosheid en wordt zelf gemakzuchtiger en gooit vuil op straat. Vervolgens ziet een
ander dat er afval op straat slingert en dat verlaagt bij hem de drempel om iets te
stelen, et cetera. Voor het beleid op gebied van openbare orde en subjectieve veilig-
heid zijn dit belangrijke bevindingen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>30       met kennis van gedrag beleid maken
Afbeelding 1.1
Bron: Keizer et al. (2008)
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>                          gedragswetenschappen en hun waarde voor beleid            31
De rol van het onbewuste
Tot slot maakt de psychologie duidelijk dat ons gedrag slechts ten dele het resultaat
is van bewuste keuzes. Vaak worden mensen, zonder dat ze het zich realiseren,
beïnvloed door allerlei vormen van informatie en cues in de omgeving. Dit wordt
aangeduid als (subliminal) priming, en is één van de belangrijkste mechanismen uit
de psychologie. Er zijn vele experimenten gedaan waarin dit effect werd aan-
getoond. Bargh et al. (1996) lieten bijvoorbeeld zien dat als proefpersonen in een
taalvaardigheidstest veel woorden tegenkomen die te maken hebben met het
stereotype van bejaarden (zoals oud, grijs en bingo), zij na afloop van het experi-
ment onbewust iets langzamer naar buiten lopen. Ook niet-talige informatie kan
invloed hebben, zoals bleek uit het onderzoek van Keizer et al. dat hierboven werd
genoemd. Uit andere experimenten bleek dat het zien van een verpleegkundige
automatisch de kans vergroot dat we willen helpen, terwijl het zien van een bank-
directeur automatisch de kans vergroot dat we geld willen verdienen (Aarts,
Chartrand et al. 2005; Custers en Aarts 2010). Weer ander onderzoek toonde aan
dat de geur van allesreiniger mensen motiveert hun directe omgeving schoon te
houden, zonder dat zij zich bewust zijn van de geur (Holland, Hendriks en Aarts
2005). Dit lijken misschien triviale bevindingen, maar hun implicaties zijn ver-
strekkend. Het betekent dat gedrag buiten het bewustzijn om kan worden beïn-
vloed. Afbeeldingen van voedsel of de geur van lekker eten kunnen dus ook onze
eetlust opwekken wanneer we die afbeeldingen of geur niet bewust waarnemen.3
Het onbewuste speelt voorts een belangrijke rol bij gewoontegedrag, één van de
grootste vijanden voor wie gedrag wil veranderen. Gewoontegedrag is in hoge
mate efficiënt, want het is een vorm van automatisering die cognitieve ruimte vrij
maakt voor andere taken. In deze automatisering schuilt echter een nadeel, want
daardoor zijn gewoonten lastig te veranderen. Wie al twintig jaar auto rijdt, zal
niet makkelijk de technieken van het ‘nieuwe rijden’ tot gewoonte maken. Niet
alleen vaardigheden, ook keuzes kunnen worden geautomatiseerd. Aarts et al.
(1998) laten zien dat vervoersgedrag van forensen beter kan worden voorspeld van-
uit hun gewoontes dan vanuit hun intenties. Vergelijkbare resultaten werden
gevonden in onderzoek naar andere doelgerichte gedragingen, zoals consumeren
van junkfood, alcoholgebruik tijdens cafébezoek, en omgang tussen mensen op de
werkplek. Het verschijnsel treedt vooral op als het doelgerichte gedrag frequent en
consistent in dezelfde situatie of omgeving wordt uitgevoerd (Danner et al. 2008).
Om gedragsveranderingen blijvend door te voeren, moet daarom veelal oud
gewoontegedrag vervangen worden door, bij voorkeur, nieuw gewoontegedrag.
Voordat ingesleten automatismen kunnen worden veranderd, moeten mensen
zich echter eerst (opnieuw) ervan bewust worden dat ook een andere keuze
mogelijk is. Eerst moet een teachable moment ontstaan (Havighurst 1953). Een ver-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>32  met kennis van gedrag beleid maken
    huizing is bijvoorbeeld een goed moment om mensen opnieuw te laten nadenken
    over hun forensengewoontes, en een ernstige ziekte om hen opnieuw te laten
    nadenken over hun leefstijl.
    Zelfcontrole
    Er zijn niet alleen grenzen aan de menselijke rationaliteit, maar ook aan de men-
    selijke wilskracht. Zo is het vaak niet eenvoudig om voornemens tot gedrags-
    verandering vol te houden. Dit inzicht is niet nieuw, maar wel de wetenschap-
    pelijke duiding ervan. Psychologisch onderzoek laat zien dat zelfcontrole uitgeput
    kan raken als er te lang een beroep op gedaan wordt. Dit wordt aangeduid met ego
    depletion. We gaan daar nu niet diep op in, maar het onderwerp komt uitgebreid
    terug in hoofdstuk 4.
    Een andere manier van werken
    Tot slot een laatste les van heel andere aard. Beleidsmakers kunnen al deze kennis
    gebruiken om op nieuwe en effectieve manieren het gedrag van burgers te beïn-
    vloeden. De lessen van de gedragswetenschappen hebben echter een vergaandere
    strekking. Als de context zo nadrukkelijk invloed heeft op de keuzes die mensen
    maken, is er niet één model voor keuzeprocessen dat, los van tijd en plaats, altijd gel-
    dig is en dat men zonder vooraf testen met gerust hart kan toepassen op het
    beleidsprobleem in kwestie. Omdat de context zo nadrukkelijk van invloed is,
    hoeft een aanpak die werkte in de ene context, niet per se effectief te zijn in een
    andere context. Voor alle duidelijkheid: hiermee is niet gezegd dat menselijk keu-
    zegedrag volstrekt onvoorspelbaar zou zijn. Integendeel, er zijn wel degelijk
    bepaalde gedragsmechanismen en regelmaten. Het is alleen moeilijk voorspelbaar
    hoe welke mechanismen in welke specifieke situatie zullen uitwerken.
    Dit betekent dat als het gaat om gedragsbeïnvloeding van burgers, een meer induc-
    tieve vorm van beleidsvorming raadzaam is. Het is onverstandig bij voorbaat te
    vertrouwen op modellen en oplossingen die in het verleden bij andere beleids-
    opgaven werkzaam bleken. Uiteraard kunnen ‘behaalde resultaten uit het verleden’
    wel inspiratie bieden voor de gedachtevorming, maar het is riskant hierop blind te
    vertrouwen. Misschien wel de belangrijkste boodschap van de gedrags-
    wetenschappen is dat men het beste kan beginnen met een gedegen ‘onderdompe-
    ling’ in de empirie van de ‘beleidsobjecten’ en hun gedragsmotieven, en daarbij
    nadrukkelijk open moet staan voor tegen-intuïtieve bevindingen.
1.2 de opkomst van gedragswetenschap en haar
    doorwerking in beleid
    De doorwerking van de wetenschappelijke inzichten in keuzegedrag was in het
    openbaar bestuur het eerste merkbaar op het gebied van consumentengedrag. De
    privatisering van nutsdiensten vanaf het einde van de jaren zeventig, maar vooral
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>                           gedragswetenschappen en hun waarde voor beleid           33
de monitoring en bijsturing daarvan door consumentenautoriteiten, heeft bij-
gedragen aan de introductie van de gedragseconomie in (toezichts)beleid. Vanaf
ongeveer 2000 verschenen wereldwijd studies over de beperkte rationaliteit van
mensen en de betekenis daarvan voor het functioneren van de nieuwe markten.4
Duidelijk werd dat op sommige markten consumenten slechts beperkt reageren op
financiële prikkels, en financiële prikkels onverwachte averechtse effecten kunnen
hebben, zoals motivational crowding out. Informatie-asymmetrie bleek, anders
dan altijd werd gedacht, niet het voornaamste probleem van consumenten.
Inmiddels strekt de doorwerking van gedragswetenschappelijke inzichten veel
verder dan alleen consumentengedrag. Met name Thaler en Sunstein hebben hier-
aan sterk bijgedragen. Het Amerikaanse Office for Information and Regulatory
Affairs betrekt de nieuwe kennis tegenwoordig nadrukkelijk bij de concrete vorm-
geving van regelgeving. Ook in Europa wordt door verschillende landen voorzich-
tig geëxperimenteerd met de toepassing van deze inzichten, onder andere door de
Scandinavische landen en sinds kort ook Frankrijk. Daarnaast zetten de Europese
Commissie en de oecd in op een breder gebruik van gedragsinzichten in beleid,
mede in het kader van verbetering van de kwaliteit van regelgeving. De ec raadt
aan om gedragsstudies te verrichten in het vroegste stadium van beleidsvoorberei-
ding, liefst voordat (politieke) beleidsvoornemens worden geformuleerd.5
Veruit de meeste aandacht gaat echter uit naar het Verenigd Koninkrijk, dat onbe-
twist voorop loopt in de toepassing van gedragswetenschap in het openbaar
bestuur. De Britse Strategy Unit stelde al relatief vroeg voor om gedragsweten-
schappelijke kennis breed toe te passen in beleid, namelijk in het issuepaper
Personal Responsibility and Changing Behaviour: the state of knowledge and its
implications for public policy uit 2004. Dat paper agendeerde de noodzaak om
nieuwe sturingsproblemen op een andere manier aan te pakken. Veel als nieuw
ervaren maatschappelijke problemen in gezondheidszorg (kosten), klimaat, werk-
gelegenheid en criminaliteit vinden hun oorzaak in individueel gedrag dat de over-
heid niet goed met klassieke instrumenten kan veranderen, terwijl er wél handelen
van de overheid wordt verwacht. Ook constateren de auteurs dat publiek en poli-
tiek bij het oplossen van individuele problemen meer eigen verantwoordelijkheid
én meer controle over het eigen leven wenselijk achten. Dat zou volgens de auteurs
gepaard moeten gaan met middelen om op individueel niveau ook daadwerkelijk
de eigen verantwoordelijkheid te kunnen nemen. Zij bepleiten daarom een ‘ecolo-
gische’ aanpak, waarbij niet alleen mensen op hun eigen verantwoordelijkheid
worden aangesproken, maar ook een gunstiger context wordt gecreëerd voor ander
gedrag. De overheid moet bovendien – als persoonlijke verantwoordelijkheid
belangrijker wordt – beleid zó inrichten dat het gelijkheid en niet de ongelijkheid
tussen mensen vergroot. Dat is de boodschap van de tweede invloedrijke publica-
tie uit het Verenigd Koninkrijk op dit gebied, Mindspace, van deels dezelfde
auteurs. Deze publicatie presenteert bovendien concrete handvatten voor de ont-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>34  met kennis van gedrag beleid maken
    wikkeling van beleidsinterventies voor gedragsverandering.6 In 2010 werd vervol-
    gens het Behavioural Insights Team (bit) opgericht. Het bit heeft als doel “mensen
    te helpen betere keuzes voor zichzelf te maken” en te bevorderen dat overheids-
    beleid en de evaluatie daarvan vaker zijn gebaseerd op gedragswetenschappelijke
    inzichten. In hoofdstuk 2 besteden we meer aandacht aan het bit.
    Gedragswetenschappen in het Nederlandse openbaar bestuur
    Wat is de situatie in Nederland? Een aantal specifieke domeinen kent inmiddels
    een vrij lange traditie van aandacht voor gedragswetenschappelijke inzichten,
    zoals bijvoorbeeld justitie (criminologie), jeugdbeleid en onderwijs ((ortho)peda-
    gogiek), verkeer (verkeerspsychologie) en voorlichting. Voorbeelden van meer
    recente toepassing van gedragsinzichten zijn te vinden bij de Belastingdienst,
    Autoriteit Financiële Markten (afm), Autoriteit Consument & Markt (acm) en
    De Nederlandsche Bank (dnb). Zij gebruiken die inzichten in hun handhavings-
    en toezichtsbeleid (wrr 2013a). De acm controleert bijvoorbeeld de reisbranche
    op het naleven van informatievoorziening over prijzen, en op mogelijk misbruik
    van defaults in aanbiedingen.
    Echter, als het gaat om de bestuursdepartementen zelf en hun beleidsvorming,
    lijkt de aandacht voor het onderwerp nog gering. De laatste jaren heeft een aantal
    beleidsambtenaren zich op de nieuwe materie gestort, het meest zichtbaar bij het
    ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM), dat onder de naam bit IenM eind
    2012 begon met de organisatie van een eigen netwerk van beleidsmakers en
    gedragswetenschappers. De programmadirectie Beter Benutten van dit ministerie
    probeert met behulp van gedragskennis de vraag naar mobiliteit bij gebruikers te
    veranderen en daarmee de doorstroom op de wegen te bevorderen. Een ander
    voorbeeld is de systematische doorlichting van beleidsveronderstellingen achter
    re-ïntegratiebeleid van het ministerie van szw in het rapport Lees voor gebruik de
    bijsluiter, in opdracht van dat ministerie.7 De vertaling van de bevindingen naar de
    praktijk lijkt evenwel nog lastig. Tot slot zij opgemerkt dat de adviesaanvraag
    waaruit dit rapport is voortgekomen, kan worden beschouwd als teken van groei-
    ende interesse voor de mogelijkheden die de nieuwe kennis biedt.
1.3 bijdrage aan beleid en beleidstheorieën
    Wanneer beleidsmakers voorbijgaan aan de lessen en de bijdragen die gedrags-
    wetenschappen kunnen leveren, bestaat een reële kans dat zij kansen laten liggen.
    Omgekeerd, wanneer zij zich rekenschap geven van deze lessen, kan dat resulteren
    in onverwachte en innovatieve beleidsoplossingen. Een sleutelwoord is het begrip
    ‘beleidstheorie’. Hoogerwerf (1984: 495) definieert dat als “het geheel van veron-
    derstellingen dat aan een beleid ten grondslag ligt.” In essentie is een beleids-
    theorie het antwoord op de vraag: waarom leidt maatregel a tot effect b? Veel
    beleid kent geen geëxpliciteerde beleidstheorie. De ervaring leert dat wanneer men
</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre>                            gedragswetenschappen en hun waarde voor beleid            35
probeert alsnog de beleidstheorie te reconstrueren, niet zelden veronderstellingen
aan het licht komen waarvan op grond van gedragswetenschappelijk onderzoek de
validiteit op zijn minst betwijfeld mag worden. Het risico is daardoor dat het
betreffende beleid minder resultaat oplevert dan werd gehoopt, of zelfs mislukt.
In deze paragraaf willen we dat illustreren met enkele voorbeelden uit de Neder-
landse praktijk van de afgelopen jaren.
Ten eerste de privatiseringen en liberaliseringen die al eerder ter sprake kwamen.
Daarbij bleken mensen zich toch minder vaak als calculerende consumenten te
gedragen dan economische modellen veronderstellen. Een klassieke illustratie in
deze categorie is de liberalisering van de taximarkt eind jaren negentig. Dit beleid
veronderstelde dat klanten met taxichauffeurs zouden gaan onderhandelen voor
de beste prijs-kwaliteit verhouding. Echter, dat gebeurde niet, en de resultaten van
het beleid waren dramatisch. Anders dan voorspeld, daalden de tarieven niet, maar
stegen zij juist met ongeveer 25 procent, terwijl de kwaliteit van de dienst-
verlening achteruit ging en veel minder mensen gebruik maakten van een taxi.
“Conclusie is dat in de beleidsvoorbereiding destijds te weinig aandacht is besteed
aan de manier waarop transacties op de taximarkt tot stand komen en aan de voor-
waarden waaronder klanten tot een geschikte keuze kunnen komen,” aldus de
toenmalige minister van VenW.
Een tweede, meer recent voorbeeld is de Levensloopregeling die per 1 januari 2006
in werking trad.8 Via deze regeling konden werknemers fiscaal voordelig een deel
van hun brutosalaris sparen voor betaald verlof of eerder stoppen met werken. De
wet had als hoofddoel een beter evenwicht mogelijk te maken tussen verschillende
taken, tijd en inkomen van werknemers, verspreid over de verschillende levens-
fasen. Mensen konden bijvoorbeeld sparen voor verlof tijdens ‘het spitsuur van het
leven’. Van deze regeling werd veel verwacht. Na invoering werden de hoog-
gespannen verwachtingen echter niet waargemaakt. Het aantal deelnemers bleef
steken op slechts een tiende (zo’n 300.000 mensen) van het aantal dat vooraf was
ingeschat. Op grond van gedragswetenschappelijke inzichten had dit niet mogen
verbazen. Al in 2004 concludeerde het Nibud dat mensen liever de mogelijkheid
van onbetaald verlof met terugkeergarantie hebben dan van doorbetaald verlof
waarvoor eerst moet worden gespaard. Bovendien, als dat laatste toch aan de orde
is, sparen zij liever voor verlof met een concreet doel (zoals studieverlof ) dan voor
verlof dat misschien nodig is (zoals zorgverlof ) (Nibud 2004). In de uiteindelijke
vormgeving leek de levensloopregeling vooral specifieke groepen duidelijke voor-
delen te bieden. Zij werd vooral voor vervroegde uittreding ingezet. Veel deel-
nemers zaten relatief kort voor het pensioen én konden zich permitteren flink te
sparen. Echter, voor andere groepen wogen de beperkte fiscale voordelen vermoe-
delijk onvoldoende op tegen de nadelen als de complexiteit, het verlies aan inko-
men in het heden, en de beperkte opbrengsten op de onzekere lange termijn. Een
drempel was ook dat mensen alleen aan de levensloopregeling konden deelnemen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 37 ======================================================================

<pre>36 met kennis van gedrag beleid maken
   als zij eventuele deelname in de meer bekende en vertrouwde spaarloonregeling
   zouden opgeven. Dit staat haaks op de menselijke neiging vast te willen houden
   aan de status quo. De levensloopregeling leek ‘het spitsuur van het leven’ eerder
   zwaarder te belasten dan te ontlasten (Min szw 2009) en is in 2012 beëindigd.9
   Een derde voorbeeld is het Nederlandse beleid om werklozen weer aan een baan te
   helpen. Volgens het scp (2010) ontbreekt het in Nederland aan een interventie-
   theorie die beschrijft wanneer, bij wie en op welke manier geïntervenieerd moet
   worden om preventie, activering en re-integratie te bewerkstelligen. We weten
   wel hoe we de kosten en de instroom in uitkeringen moeten beheersen, maar min-
   der goed hoe we uitstroom kunnen bevorderen, aldus het scp. Dat is uiteraard een
   onwenselijke situatie. Welke bijdrage zouden de gedragswetenschappen nu kun-
   nen leveren aan een goede beleidstheorie? Vaak lijkt het alsof er op het gebied van
   re-integratie maar twee ‘scholen’ zijn. Aan de ene kant staan de mensen die pleiten
   voor een harde aanpak van plichten en sancties, aan de andere kant staan de men-
   sen die menen dat zachte aanpak van scholing en empowerment het beste werkt.
   Gedragswetenschappelijk onderzoek maakt duidelijk dat waarschijnlijk geen van
   beide beleidsthorieën helemaal klopt. Volgens een analyse van Koning (2012) leidt
   de dreiging met sancties (of met een re-ïntegratietraject, dat werklozen ook als
   sanctie lijken te ervaren) tot snellere werkhervatting. Ook zouden regelmatige
   maar strenge klantcontacten met werkzoekenden de werkhervatting bevorderen.
   Algemene scholing werkt daarentegen niet. “Beter een stok dan een wortel,” con-
   cludeert Koning. Toch lijkt alleen de stok niet voldoende. Volgens Koning zijn er
   signalen dat het werk dat mensen als gevolg van die sancties vinden, geregeld deel-
   tijdbanen betreft waarvan de vraag is hoeveel perspectief die voor de langere
   termijn bieden. Bovendien concludeert Research voor Beleid op basis van gedrags-
   wetenschappelijke literatuur “dat een controlerend en dreigend karakter van re-
   integratie onbedoelde effecten kan genereren. […] Effectiever lijkt het motiveren
   van uitkeringsgerechtigden, het bieden van keuzevrijheid, het aanleren van een
   positieve houding, het stellen van leerdoelen, het ondersteunen en het versterken
   van het zelfregulerend vermogen” (2011: 9). Dat klinkt toch een stuk ‘zachter’. Ver-
   moedelijk is de meest effectieve aanpak een subtiele mix van instrumenten, met
   zowel harde als zachte elementen.
   Kortom, gedragswetenschappelijk onderzoek kan beleidsmakers behoeden voor
   misschien wel (politiek) aantrekkelijke maar welbeschouwd te simpele intuïties
   over ‘wat werkt’, en de basis leveren voor een meer genuanceerde beleidstheorie.
   Voorts, om te achterhalen welke (combinatie van) maatregel(en) het meeste effect
   sorteert, zijn experimenten belangrijk. Een voorbeeld is een initiatief van het
   Engelse bit. Dat startte een experiment waarin werkzoekenden werden aange-
   moedigd elke week (positief ) te schrijven over hun (toekomst)plannen en hun
   strategie om nieuw werk te zoeken. “Asking unemployed individuals to create a
</pre>

====================================================================== Einde pagina 37 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 38 ======================================================================

<pre>                            gedragswetenschappen en hun waarde voor beleid           37
concrete plan for immediate implementation regarding how, when, and where
they would pursue reemployment efforts led to a 15-20% decrease in their likeli-
hood of claiming unemployment benefits just 13 weeks later.”10 Inmiddels is deze
aanpak grootschaliger in arbeidsbureaus ingezet.
Weer een ander voorbeeld biedt het probleem van overgewicht en obesitas. In
Nederland had in 2012 “ruim 30 procent van de bevolking van 4 jaar en ouder
matig overgewicht. Daarnaast had 10 procent ernstig overgewicht, ofwel obesi-
tas,” aldus het cbs.11 Het beleid dat het ministerie van vws voert om overgewicht
tegen te gaan, ontbeert volgens Faddegon (2011) een expliciete beleidstheorie. Wel
kan “uit verscheidende maatregelen die het ministerie neemt en uitspraken van de
bewindspersonen van het ministerie van vws worden afgeleid dat men veel ver-
trouwen stelt in het vermogen van mensen om op grond van de juiste informatie
gezonde keuzes te maken” (2011: 5). Faddegon plaatst op grond van het weten-
schappelijk onderzoek naar gezondheidsgedrag kanttekeningen bij de grote
nadruk op eigen verantwoordelijkheid “omdat zij uitgaat van te hoge verwachtin-
gen over de bereidheid en het vermogen tot correcte informatieverwerking, en niet
wordt onderkend hoezeer mensen zelf kunnen worstelen met een gezondere leef-
stijl en hoe sterk zij blootgesteld worden aan sociale en fysieke omgevingsinvloe-
den waarop zij zelf nauwelijks invloed kunnen uitoefenen” (2011: 45). Volgens
hem moet in het beleid tegen overgewicht meer rekening worden gehouden met
individuele factoren zoals korte-termijn-oriëntatie en zelfregulatieproblemen. Dit
is echter niet de lijn van de huidige bewindslieden. “Zelfcontrole en bewust kiezen
zijn vaak lastig,” schrijft de minister in de meest recente beleidsnota, “maar de ver-
antwoordelijkheid hiervoor ligt bij de mensen zelf” (Minvws 2011: 57). Een advies
van het College Voor Zorgverzekeringen (cvz) uit 2011 om bepaalde cursussen op
het gebied van gezonde leefstijl op te nemen in het basispakket van de ziekte-
kostenverzekering, nam zij dan ook niet over.12 In plaats daarvan richt het huidige
beleid zich vooral op het bevorderen van een gezond aanbod, en het makkelijker en
aantrekkelijker maken van de gezonde keuze door goede informatievoorziening.
(In dit verband verdient overigens de motie Vendrik uit 2009 vermelding. In deze
motie wordt de regering opgedragen tot een maatregel die rechtstreeks afkomstig
is uit de nudge-literatuur, namelijk ‘de gezonde schoolkantine’. Dat is kort samen-
gevat een kantine die zo is ingericht dat leerlingen worden verleid te kiezen voor
gezonde in plaats van ongezonde producten. De motie draagt de regering op
ervoor te zorgen dat in 2015 alle schoolkantines gezond zijn.13)
Een beleidsterrein waar traditioneel veel aandacht bestaat voor (gedrags)weten-
schappelijk onderzoek is dat van de (sociale) veiligheid. Dat betekent echter niet
dat het beleid ook altijd in overeenstemming is met de wetenschappelijke bevin-
dingen. Een voorbeeld is het programma Naar een veiliger samenleving uit 2002
van het eerste kabinet Balkenende. In 2006 constateerde de Algemene Reken-
kamer dat een beleidstheorie voor dit programma ontbreekt. Er was geen sprake
</pre>

====================================================================== Einde pagina 38 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 39 ======================================================================

<pre>38  met kennis van gedrag beleid maken
    “van een gedegen onderbouwing van de samenhang tussen middelen, maatregelen
    en gewenste effecten” (2006: 6). In hun weerwoord op deze kritiek schreven de
    verantwoordelijke bewindslieden “dat zij bij de start van het Veiligheidspro-
    gramma op zeer korte termijn antwoord wilden geven op de terechte roep uit de
    samenleving naar meer veiligheid. Het opstellen van een beleidstheorie zou dit
    proces kunnen vertragen” (2006: 56). Vervolgens kreeg het scp opdracht om als-
    nog de beleidsveronderstellingen achter het beleid te expliciteren en toetsen. scp-
    onderzoekers Van Noije en Wittebrood (2008) concluderen dat een deel van de
    veronderstellingen achter het beleid inderdaad ‘plausibel’ is, maar een ander deel
    niet. Anders dan in het programma wordt verondersteld, leidt gevangenisstraf niet
    tot minder recidive en soms zelfs tot meer, werkt niet-strafrechtelijk ingrijpen in
    een aantal gevallen beter, en kunnen heropvoedingskampen (Glen Mills-scholen)
    zelfs averechts werken. In de jaren nadien is in de beleidsvorming dankbaar
    gebruik gemaakt van het rapport van Van Noije en Wittebrood. Hun onderzoek
    heeft het dus makkelijker gemaakt om toekomstig beleid (alsnog) beter te baseren
    op gedragswetenschappelijke kennis en inzichten.
    Een al wat ouder voorbeeld op het gebied van het veiligheidsbeleid dat laat zien
    hoe slim gebruik kan worden gemaakt van vrij subtiele psychologische inzichten,
    betreft het zogenaamde broken windows beleid (Wilson en Kelling 1982). Sociale
    veiligheid kan men bevorderen door de buurt netjes, schoon en ordelijk te houden,
    en overtredingen meteen te bestraffen. In New York is deze aanpak voor het eerst
    toegepast, en nadien ook in andere steden. Interessant is overigens dat hier de pro-
    fessionele ervaring en intuïtie op het wetenschappelijk onderzoek vooruit liep. Pas
    enkele jaren terug bevestigden enkele gecontroleerde experimenten (die hiervoor
    al ter sprake kwamen) dat het ene normoverschrijdende gedrag inderdaad het
    andere uitlokt. “One example of disorder, like graffiti or littering, can indeed
    encourage another, like stealing,” aldus Keizer et al. 2008.14
1.4 conclusie: het gedragswetenschappelijke perspectief
    De relevantie en mogelijkheden van nieuwe gedragswetenschappelijke kennis
    voor de beleidsvorming binnen de Rijksoverheid zijn in principe dus groot. Ten
    eerste leveren de gedragswetenschappen een bepaalde substantiële kennis die kan
    bijdragen aan beter beleid. In de gedragswetenschap is al lange tijd bekend dat veel
    mensen niet altijd weloverwogen en goed geïnformeerd kiezen, vaak een voorkeur
    hebben voor de status quo, niet alleen worden gedreven door financieel eigen-
    belang, geregeld de neiging hebben geringe voordelen op korte termijn zwaarder te
    wegen dan grote winsten op lange termijn, gevoelig zijn voor wat anderen doen,
    zonder het zich te realiseren worden beïnvloed door factoren in de omgeving,
    enzovoort. Deze kennis is zowel van belang voor de beleidsanalyse als voor de
</pre>

====================================================================== Einde pagina 39 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 40 ======================================================================

<pre>                           gedragswetenschappen en hun waarde voor beleid              39
keuze van concrete beleidsinstrumenten. Wie de moeite neemt zich erin te verdie-
pen, verkleint de kans op mislukkingen, en vergroot de kans op nieuwe en effec-
tieve beleidsoplossingen.
Ten tweede impliceren de gedragswetenschappen een bepaald perspectief op de
beleidsrealiteit en een bepaalde wijze van beleid maken. Zo is het weliswaar
bekend dat sturen via defaults of sociale normen zeer effectief kan zijn, maar niet of
deze aanpak in dit specifieke geval ook succes zal hebben, en zo ja hoe dan precies.
Op zo’n moment bieden de gedragswetenschappen meestal geen kant-en-klare
kennis waaruit deductief kan worden afgeleid ‘wat te doen’, maar leidt het gedrags-
wetenschappelijke perspectief vooral tot het stellen van vragen. Wat weten we bij-
voorbeeld over de motieven van mensen voor het gedrag in kwestie? Welke over-
wegingen spelen hierbij een rol? In hoeverre is er eigenlijk sprake van een bewuste
keuze of juist van gewoontegedrag? En wat is er bekend over de mogelijke invloed
van de keuzecontext?15 Dit soort vragen wordt lang niet altijd spontaan opgewor-
pen tijdens de beleidsvorming. Gedragsdeskundigen hebben echter geleerd dat ze
belangrijk zijn. Vervolgens bieden gedragswetenschappen ook methodes om die
vragen zo goed mogelijk te beantwoorden. Allerlei vormen van kwalitatief onder-
zoek kunnen helpen om de relevante motieven en invloeden boven water te krij-
gen, en verschillende sturingsmiddelen en alternatieve aanpakken kunnen worden
verkend, bijvoorbeeld in gecontroleerde experimenten, teneinde de meest werk-
zame te identificeren. Deze ‘leren door proberen’ aanpak is een essentieel
ingrediënt van de successen van het Engelse bit.
Voordat we het hoofdstuk afsluiten, nog één belangrijke opmerking. Het mag
inmiddels duidelijk zijn dat serieuze aandacht voor het gedragswetenschappelijke
perspectief kan leiden tot effectiever beleid. We willen echter niet de indruk wek-
ken dat effectiviteit de enige waarde is die er in politiek en bestuur toe doet. In de
afweging ‘wat te doen’ spelen ook andere legitieme waarden en overwegingen een
rol, bijvoorbeeld politieke en rechtsstatelijke. Ook al is een beleidstheorie nog zo
valide en onderbouwd, en ook al is een interventie nog zo veelbelovend, het is uit-
eindelijk aan de politiek om te besluiten of deze ook de basis voor het beleid moe-
ten vormen. Daarbij dienen alle belangen en waarden tegen elkaar te worden afge-
wogen. Wél zou de politiek zichzelf en de samenleving tekort doen als zij zich
daarbij niet terdege rekenschap zou geven van wat het gedragswetenschappelijke
perspectief laat zien. De voorbeelden van de winst die hier valt te boeken stapelen
zich onmiskenbaar op.
Concluderend, de gedragswetenschappen kunnen een bijdrage leveren aan precie-
zere en meer onderbouwde analyses, kunnen helpen om het bestaande beleid en
de instrumenteninzet te verbeteren, openen in potentie mogelijkheden voor
geheel nieuwe vormen van sturing, en impliceren een meer inductieve wijze van
beleidsvorming.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 40 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 41 ======================================================================

<pre>40  met kennis van gedrag beleid maken
noten
1   Een zogenaamde 401(k) regeling.
2   Het valt overigens nog te bezien of omkering van de default ertoe zal leiden dat er daadwer-
    kelijk meer organen beschikbaar zullen komen voor transplantatie. Onderzoek laat zien dat
    in de praktijk het verschil tussen de opbrengsten van een ‘nee, tenzij’-systeem en een’ ja, ten-
    zij’-systeem veel geringer is op het moment dat nabestaanden om toestemming wordt
    gevraagd (zie Coppen 2010 en Taels en Van Raaij 2009). Een belangrijke reden lijkt te zijn dat
    nabestaanden vaak niet willen instemmen als zij niet overtuigd zijn van de bewuste keuze
    van hun overleden familielid. Het negeren van de wens van nabestaanden bij een niet-
    bewuste keuze is echter ethisch uiterst problematisch. Een ethisch beter verdedigbare aanpak
    is om het laten registreren van de wens (wel, niet of onder voorwaarden doneren) te stimule-
    ren. Ook daarvoor kan met succes gedragswetenschappelijke kennis worden ingezet, zoals
    experimenten van bit, maar ook in Nederland laten zien.
3   In de nasleep van de Stapel-affaire en de algehele onrust in de sociale psychologie die hier-
    door ontstond, heeft Kahneman in 2012 ervoor gepleit om een aantal belangrijke priming-
    experimenten nog eens opnieuw onder de loep te nemen, want sommige daarvan leken niet
    repliceerbaar. Vervolgens heeft een grote groep van sociaal psychologen dertien belangrijke
    experimenten uit de sociale psychologie opnieuw uitgevoerd. Het bleek dat tien van de der-
    tien experimenten succesvol konden worden gerepliceerd of zelfs sterkere verbanden aan-
    toonden. Kahneman noemt in reactie het replicatie-onderzoek “extremely well done and
    entirely convincing”. Zie: www.nature.com/news/psychologists-strike-a-blow-for-repro
    ducibility-1.14232.
4   Bijvoorbeeld New Economics Foundation (2005).
5   De Europese Commissie heeft bij Microsoft – na boetes, onderhandelingen en rechtszaken –
    afgedwongen dat de firma de default in besturingsprogramma’s opheft waardoor consumen-
    ten gemakkelijker kunnen kiezen voor applicaties van andere providers. Sinds 2008 organi-
    seerde de Europese Commissie drie conferenties over gedragseconomie. Intussen wijst de
    Commissie op het nut van gedragseconomie voor het uitvoeren van impact assessments (zie
    Van Bavel et al. 2013).
6   Het mnemosticon (geheugensteuntje) Mindspace staat voor psychologische condities die de
    effectiviteit van interventies mede bepalen: Messenger, Incentives, Norms, Defaults, Salience,
    Priming, Affect, Commitment en Ego.
7   Research voor Beleid (2011) onderzoekt de veronderstellingen achter diverse beleidsvoorstel-
    len en bespreekt de mogelijke onverwachte (en ongewenste) effecten. Het rapport kan als een
    soort systematic review worden opgevat: een aantal veronderstellingen over de samenhang
    tussen uitkering en re-integratie in het arbeidsproces wordt op basis van verzamelde onder-
    zoeken besproken.
8   Voluit de Wet aanpassing fiscale behandeling vut- en prepensioenregelingen en introductie
    levensloopregeling.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 41 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 42 ======================================================================

<pre>                                 gedragswetenschappen en hun waarde voor beleid                     41
9  De hooggespannen verwachtingen waren onder meer gebaseerd op diverse onderzoeken
   naar behoefte om te sparen voor verlof (zie een overzicht in Groot en Korteweg 2005). Dát
   veel mensen op een of andere manier behoefte hebben aan sparen voor verlof, betekent echter
   niet dat ze daarvoor een ingewikkeld keuzeproces willen doorlopen. Een ‘customer journey
   onderzoek’ dat recentelijk meer gebruikt wordt in voorlichtingskringen had mogelijk de bar-
   rières in kaart kunnen brengen die ervaren worden bij het overwegen van deelname in de
   levensloopregeling. Het had enerzijds het beeld kunnen bijstellen van het aantal personen
   dat daadwerkelijk van de regeling gebruik had willen maken; en anderzijds suggesties kun-
   nen bieden voor een slimmere vormgeving.
10 Vacature Federale Overheid vs, www.foxnews.com/politics/interactive/2013/07/30/
   behavioral-insights-team-document/.
11 cbs-Webmagazine, 28 januari 2014, www.cbs.nl/nl-NL/menu/themas/gezondheid-
   welzijn/publicaties/artikelen/archief/2014/2014-3939-wm.htm. Overigens is blijkens de
   cijfers het aantal mensen met overgewicht de laatste drie jaar gelijk gebleven.
12 Zie www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/kamerstukken/2011/06/10/
   kamerbrief-met-een-reactie-op-pakketadvies-2011.html. In het besluit van de minister
   speelde ook een financiële overweging een rol. Het cvz had berekend dat opname van deze
   interventies in het basispakket de eerste vier jaar leidt tot extra kosten, maar deze geleidelijk
   afnemen, en na vier jaar omslaan in een batig saldo van ongeveer 50 miljoen euro na tien jaar.
   De minister spreekt deze berekening niet tegen, maar schrijft dat ze geen geld heeft om de
   kosten van de eerste vier jaar te dekken, en mede daarom het advies van het cvz niet over-
   neemt.
13 Een gezonde schoolkantine bestaat volgens het Handvest Gezonder voedingsaanbod op scho-
   len voor minimaal 75% uit lekkere en gezonde producten uit de Schijf van Vijf (zoals fruit,
   broodjes, salades) en maximaal 25% niet-basisvoedingsmiddelen (snoep, snacks). In het
   handvest zijn overigens geen richtlijnen opgenomen over de wijze waarop deze uitgestald
   mogen of moeten worden. Dit is wel een belangrijk aspect van de nudge zoals deze door
   Thaler en Sunstein (2008) is voorgesteld. Zie: http://gezondeschoolkantine.voedings
   centrum.nl/Assets/Uploads/de-gezonde-kantine/Documents/Gezonde%20school
   kantine/Netwerken/Handvest%20Gezonder%20voedingsaanbod%20op%20scholen.pdf.
14 Overigens is de effectiviteit van het broken windows beleid wetenschappelijk niet onom-
   streden. De twijfel betreft vooral het veronderstelde effect op zware criminaliteit. Zie bij-
   voorbeeld Hartcourt 2009.
15 Er zijn diverse modellen en analysekaders ontwikkeld om meer systematisch gedragsinzich-
   ten in beleid te gebruiken. Vaak zijn ze toegespitst op een specifiek beleidsveld. dpc ontwik-
   kelde in 2011 bijvoorbeeld het gespreksmodel ‘Campagne Strategie Instrument (casi)’ voor
   het opsporen van relevante gedragsmechanismen in voorlichtingscampagnes; De Universi-
   teit Maastricht biedt met ‘Intervention Mapping’ een iteratief stappenplan voor de ontwik-
   keling van interventies op het terrein van de gezondheidszorg. De rli presenteerde recent een
   uitgebreid ‘gedragsanalysekader voor de ontwikkeling van effectiever milieubeleid’ en een
   ‘gedragstoets’.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 42 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 43 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 43 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 44 ======================================================================

<pre>                                                                                      43
2 ‘watching behavior before writing the
  rules’ 1
  Hoe ervoor te zorgen dat in de beleidsontwikkeling meer aandacht en ruimte ont-
  staan voor de bijdrage die de gedragswetenschappen kunnen leveren? De rmo
  concludeert dat “psychologische kennis nu nog te vaak ad-hoc is georganiseerd bij
  de overheid. De overheid kan deze kennis structureler organiseren door haar beter
  institutioneel in te bedden” (2014: 74). Ook de rli pleit voor een “structurele toe-
  passing van gedragskennis in beleid.” Daarom zou een zorgvuldige gedragsanalyse
  “een vast onderdeel moeten zijn van de voorbereiding van stukken voor de
  ambtelijke voorportalen, ministeriële commissies en onderraden” (rli 2014: 55).
  Dit hoofdstuk
  Er lijkt dus consensus te bestaan over de wenselijkheid van meer aandacht voor het
  gedragswetenschappelijke perspectief. Minder duidelijk is echter hoe dat te organi-
  seren. Zijn vergroten van bewustzijn en scholing voldoende? Of zijn ook institu-
  tionele aanpassingen nodig? Zo ja, welke dan? Daarover gaat dit hoofdstuk. Aller-
  eerst zullen we ingaan op de belangrijkste buitenlandse initiatieven op dit gebied,
  en daarna op de vraag wat het nu precies is dat er bij de overheid georganiseerd zou
  moeten worden. Op basis daarvan werken we toe naar drie mogelijke richtingen
  voor verankering van het gedragswetenschappelijke perspectief, namelijk:
  – intra-departementaal. Elk departement investeert voor zich in het intern ver-
      ankeren en toepassen van gedragswetenschappelijke kennis door een vol-
      doende aantal gekwalificeerde gedragsexperts aan te stellen;
  – inter-departementaal. De vragen van het Integraal Afwegingskader (iak) wor-
      den aangescherpt zodat zij sterker ertoe aanzetten om de achterliggende
      beleidstheorie te expliciteren, en/of er wordt een gedragswetenschappelijke
      eenheid bij de Rijksoverheid ingericht;
  – aanpassing proces voor beleidsvorming en wetgeving. In het beleids- en wet-
      gevingsproces worden zodanige checks and balances georganiseerd dat de
      gedragswetenschappelijke voeding en toetsing van beleid min of meer wordt
      afgedwongen.
  Deze drie richtingen vormen als het ware het menu waaruit de overheid kan kie-
  zen. Voor de beste maaltijd verdient het overigens aanbeveling niet te bescheiden
  te zijn. Juist in combinatie zullen deze drie richtingen waarschijnlijk het meeste
  effect sorteren.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 44 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 45 ======================================================================

<pre>44  met kennis van gedrag beleid maken
2.1 buitenlandse ervaringen
    We beginnen met ervaringen uit Engeland. Veruit het meest in het oog springende
    initiatief is het reeds enige malen genoemde Behavioural Insights Team.2 Dit is in
    2010 door Prime Minister Cameron – die geadviseerd wordt door de Amerikaanse
    gedragseconoom Richard Thaler – opgericht en ondergebracht in zijn Cabinet
    Office. De organisatie telt inmiddels zo’n vijftien professionals uit diverse gedrags-
    wetenschappen, en wordt ondersteund door een Advisory Board van wetenschap-
    pers. Het bit werd aanvankelijk voor twee jaar opgericht, maar deze periode werd
    verlengd. Sinds 2014 gaat het bit verder als Mutual Joint Venture.
    bit heeft formeel als doel ‘mensen te helpen betere keuzes voor zichzelf te maken’
    én te bevorderen dat overheidsbeleid en de evaluatie daarvan vaker zijn gebaseerd
    op gedragswetenschappelijke inzichten. Het bit ontwikkelt in samenwerking met
    departementen en private partijen concrete interventies en begeleidt de toepassing
    en evaluatie daarvan. In de rapporten van het bit wordt weliswaar gerefereerd aan
    het begrip ‘nudging’, en de organisatie erkent ook – op haar website – dat zij infor-
    meel als de ‘nudge unit’ bekend staat, maar het begrip behoort niet tot haar jargon.
    Het bit ontwikkelt modellen voor algemene toepassing van gedragsinzichten in
    beleid, waarvan mindspace (2010) afkomstig van de voorloper van bit het
    bekendste is. In 2013 is een vereenvoudiging van dat model gepresenteerd: beleid
    moet voor burgers Easy, Attractive, Social en Timely (east) worden aangeboden.
    Het bit heeft op diverse terreinen successen geboekt en draagt die breed uit. In het
    voirge hoofdstuk werden reeds projecten van het bit genoemd met betrekking tot
    tax compliance en het motiveren van werklozen om actiever werk te zoeken. Ook
    heeft het bit interessante resultaten behaald op het gebied van woningisolatie en
    verhogen van het aantal orgaandonoren. De successen van het bit worden aan
    diverse factoren toegeschreven.3 De directeur David Halpern en zijn medewerkers
    zijn gedragswetenschappers die ervaring hebben opgedaan in de departementen.
    De Prime Minister heeft met de oprichting van de eenheid expliciet zijn steun
    gegeven. Het bit is bovendien van start gegaan in een periode waarin er grote
    behoefte was aan deregulering (‘the red tape challenge’) en weinig geld beschik-
    baar was voor (extra) overheidsbeleid. Daarom was goedkope en slimme (bij)stu-
    ring waarvoor geen extra regulering nodig is bijzonder welkom. In veel departe-
    menten is bovendien de vraag naar evidence based beleid sterk toegenomen, en is
    ook geïnvesteerd in systematische evaluaties. Zo zijn evaluation boards ingesteld
    waarin ook externe wetenschappers deelnemen. Door de samenwerking met
    wetenschappers van universiteiten kan up to date wetenschappelijke kennis wor-
    den gebruikt. Van wetenschappers wordt vaak een pro-deo inbreng gevraagd, in
    ruil voor toegang tot resultaten om over te publiceren. Daardoor kan zoveel
    mogelijk worden voortgebouwd op bestaande evidence. Dat uit zich ook in de aard
    van de trials die worden opgezet. Die bestaan vaak uit meerdere onderdelen waar-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 45 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 46 ======================================================================

<pre>                                ‘watching behavior before writing the rules’         45
van er altijd wel een paar succes opleveren. Om zich snel te kunnen bewijzen, kos-
ten te besparen en politieke risico’s te beperken, richtte het bit zich aanvankelijk
vooral op quick wins: projecten waar een duidelijke verandering mogelijk is. Door
gebruik te maken van bestaande infrastructuur werd met relatief weinig inspan-
ning en kosten (heel) veel geld bespaard. Omdat het bit niet direct zelf geïnvol-
veerd is in het maken van beleid, heeft het relatief veel vrijheid in het zoeken naar
beleidsoplossingen gebaseerd op gedragsinzichten.
Overigens waren diverse ministeries al bezig met gedragseconomie voorafgaand
aan de instelling van het bit, zoals het Department for Environment, Food & Rural
Affairs (defra). Inmiddels kennen de meeste departementen eigen teams die zoe-
ken naar mogelijkheden om beleid effectiever te maken met gedragsweten-
schappelijke kennis en die ook trials uitvoeren. Deze hebben betrekking op diverse
onderwerpen, variërend van consumentenbescherming (eenvoudigere tarieven
van energieleveranciers) tot het terugdringen van antibioticagebruik (door artsen
te confronteren met voorschrijfgedrag van zichzelf en anderen).
Een tweede bron van inspiratie zijn de Verenigde Staten. Van 2009 tot 2012 was
Cass Sunstein daar hoofd van de Office of Information and Regulatory Affairs
(oira). Dat bureau is belast met de oversight van alle overheidsregulering en geeft
al dan niet goedkeuring aan die regels. Onder Sunsteins bewind heeft de oira
getracht de gedragswetenschappelijke inzichten te vertalen in eenvoudiger en
effectiever regelgeving. Voorts tekende in 2012 president Obama Executive order
13563 waarin overheidsinstanties wordt voorgeschreven dat “each agency shall
identify and consider regulatory approaches that reduce the burdens and maintain
flexibility and freedom of choice for the public. These approaches include war-
nings, appropriate default rules, and disclosure requirements as well as provision
of information to the public that is clear and intelligible” (eo 13563 section 4).
Tevens wordt aan overheidsinstellingen de opdracht gegeven tot periodieke
“retrospective analysis of rules that may be outmoded, ineffective, insufficient, or
excessively burdensome, and to modify, streamline, expand, or repeal them in
accordance with what has been learned” (eo 13563 section 6). De oira hanteert
dus een andere werkwijze dan het bit door systematisch bestaande regelgeving
door te lichten. Overigens bleek in de zomer van 2013 dat de Amerikaanse regering
alsnog een Behavioural Insights Team wil instellen. Onder expliciete verwijzing
naar het Engelse voorbeeld spreekt de regering van “a new team that will help
build federal capacity to experiment with these approaches, and to scale
behavioural interventions that have been rigorously evaluated, using, where possi-
ble, randomized controlled trials.”4 Recent is dat team daadwerkelijk van start
gegaan. Het staat onder leiding van de sociaal wetenschapper Maya Shankar, die is
gestationeerd bij het Office of Science and Technology Policy van het Witte Huis.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 46 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 47 ======================================================================

<pre>46  met kennis van gedrag beleid maken
    Concluderend, in Engeland en de Verenigde Staten gaat men verder dan alleen
    bewustwording en scholing. In Engeland is een speciaal Behavioural Insights Team
    in het leven geroepen, dat duidelijk successen boekt. De vs kennen een toetsende
    instantie en inmiddels ook een bit. Andere landen lijken te volgen. Zo overweegt
    de federale regering in Duitsland ook een dergelijk team in te richten.5
2.2 vereisten
    Moet de Nederlandse overheid deze buitenlandse voorbeelden volgen en eveneens
    een gedragseenheid oprichten? Dit is inderdaad een serieuze optie. We willen ech-
    ter ervoor waarschuwen niet klakkeloos buitenlandse voorbeelden over te nemen.
    Het openbaar bestuur in de vs en het vk is wezenlijk anders georganiseerd dan het
    Nederlandse, dus wat daar werkt, hoeft niet noodzakelijkerwijs ook hier te wer-
    ken. Daarom is het verstandig, voordat we overgaan tot mogelijke institutionele
    oplossingen, eerst dieper in te gaan op de vraag wat er nu exact moet worden geor-
    ganiseerd om te bevorderen dat beleid wordt gevormd dat vanuit gedragsweten-
    schappelijk perspectief bezien kansrijk is. Daarover gaat deze paragraaf.
    Wat allereerst georganiseerd dient te worden, is kritische reflectie op de aard van
    het beleidsprobleem in kwestie en op mogelijke oplossingen. Daarbij zouden de
    volgende drie vragen centraal moeten staan.
    1. Analyse: in hoeverre en op welke wijze wordt het probleem in kwestie veroor-
        zaakt door het keuzegedrag van (doelgroepen van) burgers, en wat zijn hierbij
        relevante drijfveren, motieven en omgevingsinvloeden?
    2. Aanpak: welke (gedrags)mechanismen worden door het beleid of de beleids-
        interventie in werking gezet zodat het geformuleerde doel in de praktijk zal
        worden bereikt (bij onderscheiden doelgroepen)?
    3. Bewijsvoering: hoe en waaruit weten we dat?
    Deze vragen dwingen in feite de rol van gedragsmotieven, omgevingsinvloeden en
    gedragsmechanismen in ogenschouw te nemen. Het zijn deze vragen die gedu-
    rende het gehele beleidsproces steeds weer moeten worden opgeworpen, vanaf de
    eerste beleidsintuïties tot aan de finale parlementaire behandeling, en met een
    zekere volhardendheid moeten worden herhaald zolang ze nog onvoldoende zijn
    beantwoord. Vergeleken met deze vragen zijn de vragen in het Integraal
    Afwegingskader (iak) die bij het maken van beleid en wetgeving moeten worden
    doorlopen, erg algemeen. Vraag 3 luidt “Wat is het probleem?” en vraag 6 luidt
    “Wat is het beste instrument?” Uiteraard bieden deze iak-vragen het voordeel dat
    ze kort en bondig zijn, maar dat gaat wel ten koste van hun ‘sturend’ potentieel. Ze
    dwingen beleidsmakers geenszins zich rekenschap te geven van de relevante
    gedragswetenschappelijke kennis of overwegingen (zie Jonkers 2013).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 47 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 48 ======================================================================

<pre>                                 ‘watching behavior before writing the rules’        47
Een volgende vereiste is tegenspraak. Het is onverstandig de kritische reflectie op
de aard van het probleem en mogelijke oplossingen geheel over te laten aan de ver-
antwoordelijke beleidsmakers en hun medestanders. Zoals de gedrags-
wetenschappen ons duidelijk maken, is iedereen vatbaar voor de confirmation bias,
dus ook beleidsmakers. Daardoor zullen zij vooral oog hebben voor feiten en over-
wegingen die hun ideeën en opvattingen ondersteunen. Als hun interactie zich
beperkt tot gelijkgezinden, is er bovendien een reële kans op groupthink. Van
Gestel meent dan ook dat wetgevers op zoek moeten gaan naar tegendenkers en
niet blind moeten vertrouwen op eigen praktijkervaring. Zij moeten “scepsis toe-
laten en op zoek gaan naar tegenbewijs, en […] vooral ook openstaan voor kritiek.”
(2011:17). Het is dus belangrijk om ‘vreemde ogen’ te organiseren.
Tegelijk werkt tegenspraak het beste als dat gepaard gaat met meedenken. Wie
alleen maar lastige vragen stelt en geen oplossingen biedt wordt al snel genegeerd.
Natuurlijk is het niet altijd eenvoudig oplossingen te bieden. Soms zijn die er
gewoon niet. In zo’n geval kan men hooguit adviseren dat het beter is niets te doen
dan het verkeerde te doen. Vaak is het echter wel degelijk mogelijk een handelings-
perspectief te bieden. Het Engelse bit dankt haar succes deels aan haar vermogen
onverwachte, creatieve en nieuwe alternatieven te bedenken, en zonodig ook het
onderzoek uit te voeren dat nodig is om de meest werkzame varianten te selecte-
ren. Op zo’n moment worden ‘vreemde ogen’ ook een ‘frisse blik’. Uiteraard lukt
meedenken beter naarmate de betrokken gedragsexperts meer ervaring hebben op
hun vakgebied, beter weten wat elders succesvol was, een groter netwerk hebben
van tweedelijns-deskundigen die zij kunnen raadplegen, enzovoort.
Dit leidt tot een volgende vereiste: er dienen voldoende gedragswetenschappelijke
kennis en massa binnen de overheid aanwezig te zijn, zowel kwantitatief als kwali-
tatief. Wat mag gelden als ‘voldoende’ is niet exact bepaald. Het is echter duidelijk
dat de huidige situatie bij de Nederlandse departementen, waar slechts een enkele
ambtenaar per departement de rol van gedragswetenschappelijke tegen- en mee-
denker moet vervullen, nogal bleek afsteekt bij de Engelse situatie, waar alleen al
het bit ruim vijftien professionals telt, en eveneens nogal bleek afsteekt bij de juri-
dische en economisch-financiële disciplines, die in Nederland doorgaans complete
eigen directies kennen. Het gaat ook echt om een aparte professie die de nodige
opleiding en ervaring vereist. Net zo min als een sociaal psycholoog door enkel het
lezen van een handboek economie of recht meteen gekwalificeerd is tot econo-
misch of juridisch advies op hoog niveau, geldt het omgekeerde. Voor een succes-
volle bijdrage aan de beleidsvorming moet men niet alleen beschikken over text-
book-knowledge, maar ook over de professionele ervaring en intuïtie die doorgaans
pas komen na meerjarige beroepsuitoefening.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 48 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 49 ======================================================================

<pre>48  met kennis van gedrag beleid maken
    Moet de overheid deze expertise zélf in huis hebben, of kan zij ermee volstaan deze
    op projectbasis in te huren? Er zijn twee argumenten om te voorzien in – op zijn
    minst – een eigen basiscapaciteit. Ten eerste gaat daardoor de opgedane kennis niet
    aan het eind van het project verloren, en kan een op het departementale terrein
    toegesneden kennisreservoir worden opgebouwd. Ten tweede zullen gedrags-
    wetenschappers vaak hun belangrijkste bijdrage kunnen leveren in het vroege
    beleidsproces, op het moment dat beleidsmakers zich mogelijk nog niet of
    nauwelijks bewust zijn van de gedragsmatige aspecten van het probleem, en zich
    dus nog geen duidelijke uitbestedingsvraag heeft gevormd. Een groot voordeel van
    in house gedragsexperts is dat zij vanaf het prille begin kunnen aanschuiven, mee-
    denken en tegendenken, en niet pas in beeld komen nadat de richtinggevende
    beleidsbesluiten al zijn genomen. “The earlier in the policy-making process beha-
    vioural science is incorporated the more effective its contribution is likely to be,”
    aldus Van Bavel et al. in een publicatie van de Europese Commissie (2013: 10).
    Tot slot is een vereiste dat er voldoende tijd en ruimte zijn voor leren en experi-
    menteren. De scherpe vragen die hierboven werden genoemd, zijn makkelijker
    gesteld dan beantwoord. Positief daaraan is dat meteen ook duidelijk wordt dat
    doorgaans geen kant en klare antwoorden voorhanden zijn. Bovendien is één van
    de lessen van de nieuwe gedragswetenschappelijke kennis dat wat in de ene situ-
    atie werkt, niet per se in een andere context hoeft te werken, juist omdat het keuze-
    gedrag van mensen zozeer onderhevig kan zijn aan omgevingsinvloeden. De bij-
    drage van gedragsexperts aan de beleidsvorming zal in eerste instantie dan ook
    geregeld bestaan uit het benoemen van onzekerheden, zodat deze geadresseerd
    kunnen worden. Vaak zal dit vereisen dat reeds in een vroeg stadium van de
    beleidsanalyse en –vorming onderzoek wordt gedaan naar de specifieke gedrags-
    motieven van de beleidsdoelgroep en het relevante krachtenveld in haar omge-
    ving. In een volgend stadium kunnen dan verschillende sturingsmiddelen en
    arrangementen worden verkend, bijvoorbeeld in gecontroleerde experimenten,
    teneinde de meest werkzame te identificeren. Meer ruimte voor leren en experi-
    menteren biedt bovendien de mogelijkheid om geleidelijk een body of knowledge
    te ontwikkelen waarop anderen bij volgende beleidsopgaven weer kunnen voort-
    bouwen.
2.3 een structurele inbedding van
    (gedrags)wetenschappen
    Nu zijn dit mooie woorden. Veel beleidsmakers zullen het onmiddellijk eens zijn
    met het belang van het formuleren van een goede beleidstheorie, het stellen van
    scherpe vragen en organiseren van tegenspraak, het nut van experimenten, et
    cetera. Tegelijk weten zij echter dat in de praktijk deze ‘koninklijke weg’ voor
    beleidsvorming vaak niet kan worden bewandeld. Sterker, de praktijk is uitermate
    weerbarstig. De wens om in de beleidsvorming meer rekening te houden met
</pre>

====================================================================== Einde pagina 49 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 50 ======================================================================

<pre>                                  ‘watching behavior before writing the rules’         49
wetenschappelijke inzichten wordt al vele decennia geuit, en er zijn reeds vele
pogingen gedaan wetenschap en beleid beter met elkaar te verbinden, zoals het
instellen van kennisdirecties. Desondanks blijft de verhouding tussen beide moei-
zaam. Bij politiek belangrijke onderwerpen is het allesbehalve uitzonderlijk dat als
(gedrags)wetenschappelijke kennis er al aan te pas komt, dat pas gebeurt in een sta-
dium dat de koers reeds is bepaald, en er weinig meer aan het beleid kan worden
veranderd. Twee factoren lijken hierbij een belangrijke rol te spelen. Ten eerste
werken beleidsmakers vaak onder hoge tijdsdruk. Daardoor hebben zij niet altijd
geduld voor lang debatteren, nader onderzoek of experimenten. Ze willen snel
knopen doorhakken, bijvoorbeeld omdat men ‘daadkracht’ wil tonen of de finan-
ciële consequenties reeds zijn ingeboekt. Ten tweede is mogelijk dat het politiek
niet opportuun (of zelfs riskant!) is al te diep in te gaan op de vraag of er werkelijk
zoveel evidence beschikbaar is voor de geprefereerde beleidsoplossing, bijvoor-
beeld omdat de betreffende maatregel reeds in het regeerakkoord is afgesproken.
De gedragsexpert die dan aankomt met data waaruit blijkt dat het allemaal zo sim-
pel niet ligt, is – politiek gezien – een ongewenste stoorzender.
De cruciale vraag is derhalve hoe ervoor te zorgen dat óók in zulke situaties wordt
gekozen voor een beleidsaanpak die valide is – niet alleen economisch of juridisch,
maar ook gedragswetenschappelijk – en voortijdig jumping to solutions wordt
voorkomen. Daarvoor zijn alleen goede voornemens, scholing en het aanstellen
van gedragswetenschappers niet genoeg. Als politiek en samenleving willen dat
ook in dergelijke gevallen voldoende aandacht voor het gedragswetenschappelijke
perspectief min of meer gegarandeerd is, zullen de procedures voor beleids-
vorming en wetgeving moeten worden aangepast. Die zullen beleidsmakers wel-
haast moeten dwingen zich serieus rekenschap te geven van de relevante kennis.
Hoe kan dat worden georganiseerd?
In deze paragraaf schetsen we enkele mogelijkheden daartoe. Als vertrekpunt kie-
zen we een recent oecd-rapport over de vraag hoe de overheid systematisch de
kwaliteit van beleid en wetgeving kan vergroten (namelijk haar Recommendation
of the council on regulatory policy and governance uit 2012). Dit zijn de eerste vier
aanbevelingen uit dat rapport:
– “Commit at the highest political level to an explicit whole-of-government
    policy for regulatory quality. The policy should have clear objectives and
    frameworks for implementation to ensure that, if regulation is used, the eco-
    nomic, social and environmental benefits justify the costs, the distributional
    effects are considered and the net benefits are maximised.”
– “Adhere to principles of open government, including transparency and partici-
    pation in the regulatory process to ensure that regulation serves the public
    interest and is informed by the legitimate needs of those interested in and
    affected by regulation. This includes providing meaningful opportunities
    (including online) for the public to contribute to the process of preparing draft
</pre>

====================================================================== Einde pagina 50 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 51 ======================================================================

<pre>50 met kennis van gedrag beleid maken
       regulatory proposals and to the quality of the supporting analysis. Gover-
       nments should ensure that regulations are comprehensible and clear and that
       parties can easily understand their rights and obligations.”
   –   “Establish mechanisms and institutions to actively provide oversight of regu-
       latory policy procedures and goals, support and implement regulatory policy,
       and thereby foster regulatory quality.”
   –   “Integrate Regulatory Impact Assessment (ria) into the early stages of the
       policy process for the formulation of new regulatory proposals. Clearly iden-
       tify policy goals, and evaluate if regulation is necessary and how it can be most
       effective and efficient in achieving those goals. Consider means other than
       regulation and identify the tradeoffs of the different approaches analysed to
       identify the best approach.”
   In deze aanbevelingen zijn drie elementen herkenbaar die vaak worden genoemd
   in de literatuur over de kwaliteit van beleidsvorming en wetgeving, namelijk ex
   ante evaluatie, regulatory oversight bodies en transparantie.6 Hieronder gaan we op
   elk van deze drie in. We concentreren ons daarbij op de rol die zij kunnen spelen in
   een steviger verankering van het gedragswetenschappelijke perspectief, maar het is
   belangrijk op te merken dat de winst die hier valt te behalen verder gaat. Mits goed
   uitgevoerd kan de inzet van deze drie middelen leiden tot een algemene verhoging
   van de kwaliteit van beleid en wetgeving, niet alleen naar gedragsweten-
   schappelijke maatstaven, maar ook naar juridische, economische, milieutechnische
   en zelfs democratische maatstaven. De meeste literatuur waarop deze paragraaf is
   gebaseerd, is dan ook afkomstig uit het meer algemene debat over de kwaliteit van
   beleidsvorming en wetgeving.
   Ex ante evaluatie
   Een eerste instrument om beleidsmakers te prikkelen zich meer rekenschap te
   geven van de (gedrags)wetenschappelijke basis voor hun beleid is ex ante evaluatie.
   Dat gebeurt het meest direct bij een vorm van ex ante evaluatie die ook wel plan-
   evaluatie wordt genoemd. Het doel van planevaluatie is om de beleidstheorie ach-
   ter het voorgenomen beleid te (re)construeren, en de veronderstellingen die daarin
   centraal staan te onderzoeken op empirische validiteit. Beleid dat ten onrechte uit-
   gaat van de mens als homo economicus, zal bij een planevaluatie waarschijnlijk
   door de mand vallen. Een meer indirecte vorm van ex ante evaluatie om beleids-
   makers ertoe te prikkelen zich meer rekenschap te geven van de (gedrags)weten-
   schappelijke basis voor hun beleid is regulatory impact assessment (ria, ook wel
   integrale impact assessment genoemd). Het doel van een dergelijke assessment is
   een onderbouwde inschatting te maken van de economische, milieutechnische en
   sociale effecten van het voorgenomen beleid (en eventuele alternatieven daarvoor).
   Een dergelijke inschatting dwingt min of meer om de gedragswetenschappelijke
   basis van het voorgenomen beleid te expliciteren en valideren. Kortom, beide vor-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 51 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 52 ======================================================================

<pre>                                 ‘watching behavior before writing the rules’          51
men van ex ante evaluatie zetten aan tot de vroegtijdige (gedragsweten-
schappelijke) reflectie die, zoals uiteengezet in de vorige paragraaf, allereerst geor-
ganiseerd dient te worden.
Hoe doet Nederland het op het gebied van ex ante evaluatie? Dat houdt niet over.
Het aantal planevaluaties dat in Nederland wordt verricht is minimaal. Het aantal
ex ante evaluaties waarin op één of andere wijze wordt nagegaan wat de kansen
zijn dat het betreffende beleid zijn doel realiseert, is weliswaar groter, maar nog
altijd veel kleiner dan het aantal ex post evaluaties.7 De oecd noemt de Neder-
landse praktijk van effectinschatting “unsatisfactory, weak and ineffective”
(2010: 19) en stelt dat ons land “should develop a new strategy, structures and pro-
cesses for the ex ante impact assessment of new regulations” (2010: 28).8 Wél kent
ons land het Integraal Afwegingskader (iak). Dit is wel voorgesteld als ‘de Neder-
landse ria’ maar verschilt daarvan toch op belangrijke punten (Meuwese 2012).
Beleidsmakers die het iak kennen en ermee werken, ervaren het ook nogal eens als
verplichting waaraan nog even voldaan moet worden nádat de belangrijkste
beleidsbelissingen reeds zijn genomen.
Concluderend, een eerste optie voor het institutioneel bevorderen van
(gedrags)wetenschappelijke inbreng, reflectie en tegenspraak, is om planevaluatie
verplicht te stellen – misschien niet generiek, maar in ieder geval bij de grotere dos-
siers. Cruciaal is dat daarbij niet alleen wordt gekeken naar de juridische of econo-
mische aspecten van beleid, maar ook wordt onderzocht welke veronderstellingen
aan het beleid ten grondslag liggen met betrekking tot de motieven en factoren die
het gedrag in kwestie bepalen, en welke empirische steun voor deze veronderstel-
lingen bestaat. Een stap verder is om (bij grotere dossiers) te verplichten tot inte-
grale impact assessments. In de meest vergaande variant daarvan kan men verplicht
stellen in die assessments ook beleidsalternatieven en de nuloptie te onderzoeken.
Een oversight body
Een tweede instrument om beleidsmakers ertoe te prikkelen zich meer rekenschap
te geven van (gedrags)wetenschappelijke kennis is de instelling van een onafhan-
kelijke oversight body zoals dat door de oecd wordt bepleit. Van een dergelijk
lichaam kan een aanzienlijke disciplinerende werking uitgaan, zeker als haar oor-
delen openbaar worden gemaakt, en zij eventueel zelfs beleidsplannen kan terug-
zenden die zij onvoldoende onderbouwd vindt.
Nu kent ons land in principe al dergelijke onafhankelijke oversight bodies, en wel in
de vorm van de Raad van State en het parlement. Het probleem is echter dat zij pas
laat in het beleidsproces zitten. Van Gestel: “Kritische vragen met betrekking tot
nut en noodzaak van wetgeving komen vaak pas laat in het wetgevingsproces naar
voren, wanneer de besluitvorming in de ministerraad reeds is afgerond en het poli-
tieke point of no return feitelijk al is gepasseerd. Daarbij geldt dat bijvoorbeeld de
</pre>

====================================================================== Einde pagina 52 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 53 ======================================================================

<pre>52 met kennis van gedrag beleid maken
   Raad van State en de Eerste Kamer weinig geschikte middelen hebben om een fun-
   damentele heroverweging op dit punt bij te stellen” (2011: 16). Er bestaat wel een
   ambtelijke toetsingsinstantie die eerder in het beleidsproces zit, namelijk de
   afdeling Wetgevingskwaliteitsbeleid (wkb). Deze kijkt echter vooral naar de juri-
   dische aspecten van voorgenomen beleid en minder naar de gedragsweten-
   schappelijke. Tot slot kent ons land ook de mogelijkheid van internetconsultatie
   over wetgeving-in-wording. Het wordt echter aan departementen overgelaten of
   zij hiervan gebruik wensen te maken of niet. Bovendien is een risico dat de respons
   beperkt blijft tot een niet-representatieve groep van betrekkelijk goed ingevoerde
   belanghebbenden en wetenschappers zich niet geroepen voelen te reageren.
   Kortom, een tweede optie voor het institutioneel bevorderen van (gedrags)weten-
   schappelijke inbreng en tegenspraak, is de inrichting van een onafhankelijke over-
   sight body die vroeg in het beleidsproces zit. Een dergelijke instantie moet dan
   natuurlijk niet alleen beschikken over juridische, economische of milieu-
   technische expertise, maar ook over gedragswetenschappelijke expertise, zodat zij
   in haar oordeel kan meewegen in hoeverre een beleidsvoorstel is gebaseerd op
   empirisch juiste veronderstellingen over de motieven en factoren die van invloed
   zijn op het gedrag in kwestie. De positie van deze oversight body kan men meer of
   minder zwaar maken. Een lichte variant is om de oordelen van dit orgaan niet
   openbaar te maken en te beschouwen als documenten voor ‘intern beraad’. In een
   zwaardere variant kan men besluiten dat een dergelijk orgaan haar oordelen wél
   openbaar moet maken (net als bij de Europese Impact Assessment Board). In de
   zwaarste variant kan men haar zelfs een formeel terugzendrecht geven.
   Transparantie
   Een derde instrument om beleidsmakers ertoe te prikkelen zich meer rekenschap
   te geven van (gedrags)wetenschappelijke kennis, is het licht der openbaarheid. Als
   de buitenwereld kan meekijken welke beleidsopties op grond van welke argumen-
   ten en welke bewijsvoering worden overwogen, kan iedereen tijdig zijn (empiri-
   sche) kritiek daarop geven. Van openbaarheid kan daarom ook een preventieve en
   reinigende werking uitgaan (de shadow of transparancy). Het wordt immers voor
   iedereen zichtbaar als beleidsmakers zich niets gelegen laten liggen aan de
   (gedragswetenschappelijke) empirie. Zeker zo belangrijk is echter dat door grotere
   transparantie de buitenwereld ook meer gelegenheid heeft om lokale kennis of
   nieuwe ideeën in te brengen. In het veld aanwezige expertise kan op die manier
   worden ingezet ten bate van de beleidsvorming.
   In Nederland heeft het proces van beleidsvorming nog niet de hoogste graad van
   transparantie bereikt. Wat in de vroege beleidsvorming gebeurt, is niet altijd zicht-
   baar voor de buitenwereld. Beleidsstukken voor ‘intern beraad’ met daarin ‘per-
   soonlijke beleidsopvattingen’ hoeven volgens de Wet openbaarheid van bestuur
   niet openbaar te worden gemaakt. Wel worden beleidsvoorstellen de laatste jaren
</pre>

====================================================================== Einde pagina 53 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 54 ======================================================================

<pre>                                 ‘watching behavior before writing the rules’       53
vaker voor internetconsultatie aangeboden. Het voornemen van het kabinet is om
daarbij “waar mogelijk” inzage te geven in de antwoorden op de hoofdvragen van
het iak en de beschikbare effecttoetsen te publiceren “voor zover deze op grond
van de Wet openbaarheid van bestuur, nu ook al op verzoek openbaar gemaakt
kunnen worden.” Ook de adviezen van de afdeling Wkb zijn niet openbaar, en
evenmin de besprekingen in de voorportalen van de ministerraad of in de
ministerraad zelf. Adviezen van de Raad van State zijn pas openbaar nadat deze
naar het parlement zijn gestuurd. Al met al is in Nederland weinig transparant wat
in de vorming en bepaling van beleid nu precies de rol is van evidence in het alge-
meen en van gedragswetenschappelijke kennis in het bijzonder.
Een derde optie voor het institutioneel bevorderen van de (gedrags)wetenschap-
pelijke inbreng, tegenspraak en meedenken, is dus om de transparantie van het
beleidsvormingsproces te vergroten, met name in de vroege fase. In dit verband
valt ook te overwegen om te experimenteren met green papers en white papers die
algemeen beschikbaar zijn en zodanig opgesteld dat niet-ingewijden ze kunnen
begrijpen.
Barrières
De huidige institutionele en procedurele garanties voor een gezonde ‘tucht van de
gedragswetenschappelijke empirie’ zijn in Nederland dus vrij zwak, althans, ver-
geleken met het ideaalbeeld van de oecd. De vraag is waarom die situatie zo is. De
wrr is bepaald niet de eerste die dit constateert. Zowel de Sociaal Economische
Raad als Actal hebben reeds eerder geadviseerd om een ec-achtige systematiek
voor ria op te starten, maar dat heeft het kabinet niet gedaan. Zijn er wellicht ook
risico’s of nadelen verbonden aan het versterken van die tucht? Ja, in principe wel.
Ten eerste is het risico dat het pacificerend vermogen van de democratie wordt
geschaad. De Nederlandse democratie is gebouwd volgens het consensusmodel
(Lijphart 1999), dat in de eerste plaats beleid vereist en produceert dat door vol-
doende partijen wordt gedragen, niet noodzakelijkerwijs beleid dat uiteindelijk
ook de maatschappelijke effecten zal realiseren waarvoor het bedoeld is. Sterker
nog, wie in het proces van beleidsvorming aankomt met (gedrags)weten-
schappelijke gegevens waaruit blijkt dat de achterliggende beleidstheorie niet
deugt of het verwachte maatschappelijke effect zal tegenvallen, is in potentie een
spelbederver die een moeizaam bereikte consensus in gevaar kan brengen. Het gaat
hier dus om een afweging tussen korte termijn politiek succes versus langere ter-
mijn maatschappelijk succes.
Ten tweede is er het risico van bureaucratie, afvinkgedrag en vertraging. De kans
bestaat dat een ria-verplichting ontaardt in inhoudsloos afvinken zoals dat ook
wel bij verplichte wetgevingstoetsen waarneembaar is. Sommige ambtenaren kij-
ken nu ook al zo tegen het iak aan. Bovendien, op het eerste gezicht moet een der-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 54 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 55 ======================================================================

<pre>54  met kennis van gedrag beleid maken
    gelijke verzwaring van het beleidsvormings- en wetgevingsproces welhaast leiden
    tot langere trajecten. Edoch, anders dan bij het eerste risico, waar het echt om een
    trade-off tussen verschillende belangen en rationaliteiten gaat, valt hier waar-
    schijnlijk wel één en ander tegen te doen. Zo zijn er goede handleidingen beschik-
    baar voor hoe men een ria zo kan inrichten dat het risico op lege bureaucratie zo
    gering mogelijk is. Het gevaar schuilt hem niet per se in het middel als zodanig,
    maar veeleer in een halfslachtige aanpak. Bovendien kan het gevaar van plicht-
    matig afvinken worden beperkt door het genoemde oversight body. Als daarin
    daadwerkelijk substantiële gedragswetenschappelijke kennis aanwezig is, kan dit
    lichaam goed beoordelen of de ex ante evaluatie serieus is verricht of dat de betref-
    fende beleidsmakers hun huiswerk over moeten doen. Het risico van afvinkgedrag
    wordt uiteindelijk bepaald door de inschatting van beleidsmakers hoe groot de
    kans is dat ‘zij daar mee wegkomen’. Die kans is groter als de beoordeling door de
    oversight body niet openbaar wordt gemaakt en de beoordelaars geneigd zijn tot
    non-interventiegedrag en politieke calculatie. Om afvinken tegen te gaan, is het
    beter als de beoordelaars zich kunnen permitteren enige afstand in te nemen tot de
    (bureau)politiek van alledag, en hun oordeel openbaar wordt gemaakt. Tot slot het
    risico dat het wetgevingsproces langer gaat duren. Dat is inderdaad niet uitgeslo-
    ten, maar zeker is het allerminst. Het ligt er maar aan tegen welk alternatief je het
    afzet. Het is de vraag of de huidige processen voor consultatie zoveel vlotter verlo-
    pen. In ieder geval kunnen haastwerk en al te grote daadkracht in de beleids-
    vormende fase leiden tot ellende in de uitvoeringsfase die zóveel overleg en bijstel-
    ling nodig maken, dat zij de overheid en samenleving per saldo veel meer geld en
    energie kosten.
2.4 drie hoofdrichtingen
    Hoe nu concreet ervoor te zorgen dat in de beleidsontwikkeling meer aandacht en
    ruimte ontstaat voor de bijdrage die de gedragswetenschappen kunnen leveren?
    Tegen de achtergrond van het voorgaande, schetsen we drie mogelijke hoofd-
    richtingen die op verschillende manieren de vereisten uit paragraaf 2.2 adresseren.
    Deze drie variëren in ‘zwaarte’ maar sluiten elkaar niet uit.
    Richting 1: intra-departementale aanpak
    De eerste aanpak is om de huidige institutionele inrichting van de Rijksoverheid en
    de relatieve departementale autonomie ongemoeid te laten, maar daarbinnen de
    krachten te versterken die kunnen bijdragen aan een sterkere positie van het
    gedragswetenschappelijke perspectief. Zo kan men beleidsmakers scholen in de
    nieuwe kennis, en binnen departementen experts aanstellen die tot taak krijgen
    gedragswetenschappelijke inbreng en tegenspraak te leveren, die nieuwe ideeën en
    alternatieven kunnen aandragen, kunnen helpen experimenten uit te voeren, et
    cetera. Zoals eerder gezegd is het aan te bevelen daarbij verder te gaan dan het aan-
    stellen van eenlingen, en een zekere kritische massa van gedragswetenschappelijk
</pre>

====================================================================== Einde pagina 55 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 56 ======================================================================

<pre>                                 ‘watching behavior before writing the rules’        55
opgeleide medewerkers te organiseren. Ministeries hebben vele specialisten in
vaste dienst voor juridische of financieel-economische aangelegenheden, en huren
die niet uitsluitend op ad hoc basis in. Als het gaat om het gedragsweten-
schappelijke perspectief, zou hetzelfde moeten gelden.
Het voordeel van deze aanpak is dat zij relatief snel kan worden gerealiseerd.
Bovendien kan zo elk ministerie de vormgeving kiezen die het beste aansluit op de
karakteristieken van zijn beleidsterrein. Het nadeel is dat de gedragsweten-
schappelijke voeding en tegenspraak mogelijk beperkt blijven tot die vanuit bron-
nen binnen het departement. De frisse c.q. corrigerende blik van buiten wordt dan
gemist. Ook is deze aanpak nogal vrijblijvend. De kans is reëel dat als de politieke
druk en tijdsdruk toenemen, er weinig terecht komt van alle goede voornemens,
en richtinggevende beleidsbesluiten als vanouds worden genomen zonder wezen-
lijke inbreng van de nieuw aangestelde experts.
Richting 2: inter-departementale aanpak
De tweede aanpak is het rijksbreed organiseren van grotere aandacht voor gedrags-
wetenschappelijke inbreng en vragen. Een logisch aangrijpingspunt is het iak.
De iak-vragen kunnen zodanig worden aangescherpt dat zij beleidsmakers meer
dwingen zich rekenschap te geven van kennis van de relevante motieven, om-
gevingsinvloeden en gedragsmechanismen (zie ook het analysekader van de rli).
Bovendien maken scherpere vragen het voor anderen makkelijker de gedrags-
wetenschappelijke kwaliteit van beleidsvoorstellen te beoordelen, en kunnen de
vragen het parlement helpen zijn controlerende rol te vervullen. Kamerleden kun-
nen deze vragen in hoorzittingen, overleggen en Kamervragen zonodig bij herha-
ling stellen.
Voorts kan een – eventueel tijdelijk – bit naar Engels model worden opgericht, van
voldoende omvang en bemenst door gedragswetenschappers met ruime onder-
zoeks- en beleidservaring. Deze eenheid kan de departementen ondersteunen bij
de beleidsanalyse, stimuleren bij het genereren van ideeën voor alternatieve inter-
venties en helpen bij het verrichten van onderzoek. Deze eenheid kan ook funge-
ren als kennisinstelling die is te raadplegen over bestaand wetenschappelijk
(beleids)onderzoek en systematic reviews zoals die van de Campbell Collaboration,
en ook weer nieuwe kennis verzamelt. Eventueel kan zij daartoe ook een eigen
onderzoekstaak krijgen. Overigens hoeft dit Nederlandse bit niet per se een geheel
nieuwe instelling te zijn. De functie kan ook worden ondergebracht bij een reeds
bestaand overheidsonderdeel en/of de vorm krijgen van een samenwerkings-
verband waaraan diverse partijen uit de overheid gespecialiseerd personeel en ken-
nis leveren.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 56 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 57 ======================================================================

<pre>56 met kennis van gedrag beleid maken
   Het voordeel van deze aanpak is dat de kwaliteit van de beleidsvorming hierdoor
   minder exclusief afhankelijk is van de individuele departementen. Door de aan-
   scherping van de iak-vragen is er in potentie een grotere externe druk om daad-
   werkelijk serieus de gedragswetenschappelijke gronden voor beleid te onderzoe-
   ken en te toetsen. Een Nederlands bit kan bovendien bijdragen aan een goede
   diffusie van inzichten en best practices en biedt schaalgrootte-voordelen. Een
   nadeel is echter dat ook een aangescherpt iak op de momenten dat het er werkelijk
   op aankomt te vrijblijvend kan blijken. Een nadeel van een bit op afstand van de
   departementen is dat het onbedoeld kan gaan fungeren als excuus om geen
   gedragswetenschappelijke expertise binnen de departementen zelf te organiseren.
   Richting 3: aanscherpen beleids- en wetgevingsproces
   Een derde aanpak is om de huidige inrichting van de procedures voor beleids-
   vorming en wetgeving aan te passen, en daarin zodanige checks and balances aan te
   brengen dat beleidsmakers min of meer worden gedwongen serieus aandacht te
   schenken aan het gedragswetenschappelijke perspectief. Hierboven zijn drie
   oecd-ingrediënten voor deze aanpak genoemd: verplichten van planevaluatie
   en/of impact assessment (eventueel alleen bij grote dossiers), instellen van een
   oversight body en vergroten van de transparantie. Uiteraard moeten de verplich-
   ting tot ex ante evaluatie en de inrichting van een oversight body wel zodanig zijn
   dat hierin het gedragswetenschappelijke perspectief goed is vertegenwoordigd.
   Voor alle volledigheid merken we nogmaals op dat deze derde richting gaat over
   veel meer dan alleen gedragswetenschap. Mits goed uitgevoerd kan het leiden tot
   een algemene verhoging van de kwaliteit van beleid en wetgeving, niet alleen naar
   gedragswetenschappelijke maatstaven, maar ook naar juridische, economische,
   milieutechnische en zelfs democratische maatstaven. Belangrijk is dat de drie
   ingrediënten binnen deze richting in principe een ‘totaalpakket’ vormen. In theo-
   rie is het denkbaar om slechts één of twee ingrediënten in te voeren, maar hieraan
   zijn risico’s verbonden. Als alleen de verplichte ex ante evaluatie maar niet de toet-
   sing door een oversight body wordt overgenomen, en ook niets wordt gedaan aan
   de relatieve intransparantie van het Nederlandse beleidsvormingsproces, kan deze
   ex ante evaluatie vervallen tot een extra verplichting die enkel naar de letter en niet
   naar de geest wordt uitgevoerd.
   Een voordeel van de derde richting is dat zij relatief sterke garanties biedt op een
   reële (gedrags)wetenschappelijke inbreng en tegenspraak. Deze worden in feite in
   het systeem ingebakken. Hier staat tegenover dat de ruimte voor pacificatie kan
   afnemen. Het gaat hier dus om een afweging tussen korte termijn politiek succes
   versus langere termijn maatschappelijk succes. Ook kan een halfslachtige aanpak
   leiden tot loze bureaucratie, en is niet zonder meer uitgesloten dat het beleid- en
   wetgevingsproces in bepaalde gevallen meer tijd gaat kosten. Indachtig de lijn van
   dit advies, zouden wij afraden deze vernieuwing meteen generiek en overheids-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 57 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 58 ======================================================================

<pre>                                     ‘watching behavior before writing the rules’       57
    breed in te voeren. Het lijkt verstandig kleinschalig te beginnen met enkele pilots,
    wellicht gevoed door buitenlandse ervaringen, en die te laten begeleiden door goed
    onderzoek om te kijken of deze aanpak ook echt leidt tot het beoogde resultaat.
2.5 tot slot: meer kans op succes
    De vorige paragraaf gaf een menu van richtingen waaruit kan worden gekozen. Het
    is aan de politiek om te bepalen welke de voorkeur verdient. Aan het slot van dit
    hoofdstuk geven we wel twee algemene overwegingen mee.
    Ten eerste, de beste kansen op succesvolle verankering van het gedragsweten-
    schappelijke perspectief ontstaan als ervoor wordt gekozen om (de kernelementen
    van) alle drie richtingen tegelijk in te voeren. Gedragsdeskundigen binnen departe-
    menten kunnen hun taak beter vervullen als zij zich geruggensteund weten door
    faciliteiten voor kennisopbouw en onderzoek, al dan niet in de vorm van een bit,
    en door bindende voorschriften die een zekere noodzaak geven aan hun betrok-
    kenheid. Omgekeerd is het veel makkelijker om zonder vertraging te voldoen aan
    de procedures van de derde richting als beleidsmakers reeds in de vroege beleids-
    ontwikkeling goede toegang hebben tot de beschikbare gedragswetenschappelijke
    kennis en hulp. Voor deze drie hoofdrichtingen geldt dus: het geheel is meer dan
    de som der delen.
    Op de achtergrond speelt de algemene vraag hoe men het beste een verandering
    kan realiseren. Is een institutionele oplossing (een nieuwe regel, een nieuwe instel-
    ling) wel de beste aanpak? Een reëel risico hiervan is dat wanneer beleidsmakers
    niet zelf de intrinsieke wens hebben anders te gaan werken, zij de nieuwe of aange-
    scherpte regels al snel kunnen beschouwen als slechts een extra horde die moet
    worden genomen op de weg naar het Staatsblad, en zij al snel door hebben hoe ze
    deze strategisch kunnen bespelen of ontwijken. Daarom is het volgens de critici
    van institutionele oplossingen veel beter de beleidsmakers zélf te veranderen.
    Beleidsmakers moeten beter worden geschoold, ze moeten durven tegenspreken
    en hun superieuren moeten durven openstaan voor tegenspraak. Het is allereerst
    de cultuur die anders moet. Deze reactie hebben we ook vernomen bij de voorbe-
    reiding van dit rapport. Vaak schuilt hierin veel waarheid. Het punt is alleen dat het
    omgekeerde óók waar is. Zolang de institutionele prikkels en regels haaks staan op
    het gewenste andere gedrag, maken programma’s om mensen te bewegen tot dat
    andere gedrag weinig kans. Al snel stuiten zij immers op de grenzen van een
    omgeving die het nieuwe gedrag niet beloont of zelfs afstraft. Velen die bij de over-
    heid werken, kunnen voorbeelden noemen van ‘cultuuromslagen’ die, na aanvan-
    kelijk enthousiasme, uiteindelijk weinig succes hadden omdat de ‘dieptestructuur’
    van het probleem ongemoeid werd gelaten. Kortom, voor echte resultaten is cul-
    tuurverandering én structuurverandering nodig.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 58 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 59 ======================================================================

<pre>58 met kennis van gedrag beleid maken
   Ten tweede, de beste kansen ontstaan als men steeds ‘het hogere doel’ voor ogen
   blijft houden. Een steviger verankering van het gedragswetenschappelijke perspec-
   tief in de beleidsvorming is geen doel op zichzelf. Het gaat er niet om dat ‘de
   gedragsmensen tijdig zijn betrokken’ of ‘voldaan is aan de procedures’. Het gaat
   erom bepaalde waarden of doelen te realiseren. Eén van de redenen dat het bit kon
   floreren is dat haar werkzaamheden duidelijk waren ingebed in een groter regula-
   tief doel, namelijk minder regels en vergroten van de keuzevrijheid van mensen in
   tijden van financiële schaarste. Die context leidde als vanzelf tot grotere aandacht
   voor de mogelijkheden die het gedragswetenschappelijke perspectief kan bieden.
   In Nederland kwam de aandacht voor gedragswetenschappen tot nu toe vooral
   voort uit enthousiasme van enkele beleidsmedewerkers voor een specifiek onder-
   deel van de nieuwe gedragswetenschappelijke kennis, namelijk ‘nudging’ (zie het
   volgende hoofdstuk). Echter, wie denkt dat de relevantie en betekenis van gedrags-
   wetenschappen zich ook daartoe beperken, vergist zich. De nieuwe kennis is in
   potentie van belang voor iedere beleidsmaker die zich bezighoudt met deregule-
   ring, keuzevrijheid en eigen verantwoordelijkheid.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 59 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 60 ======================================================================

<pre>                                       ‘watching behavior before writing the rules’               59
noten
1   Titel van een artikel van Richard Thaler (New York Times, 7 juli 2012). Zie
    www.nytimes.com/2012/07/08/business/behavioral-science-can-help-guide-policy-
    economic-view.html?, geraadpleegd op 31/3/2014.
2   Eén van de auteurs van dit rapport nam in februari 2014 deel aan een werkbezoek aan het
    Behavioural Inisghts Team en een groot aantal ministeries in het Verenigd Koninkrijk. Dit
    bezoek was georganiseerd door de ambtelijke ondersteuning van de interdepartementale
    kenniskamer over gedragswetenschappen d.d. 15 mei 2014, in het bijzonder het ministerie
    van Economische Zaken.
3   Bijvoorbeeld door Thaler in de Meeting Summary van de conferentie ‘Psychological Science
    and Behavioural Economics in the Service of Public Policy, May 2013’.
4   Zie: www.foxnews.com/politics/interactive/2013/07/30/behavioral-insights-team-
    document/, geraadpleegd op 15 februari 2014.
5   Prof.dr. Lucia Reisch, Kopenhagen Business School, conferentie ‘5 years of applied behavioral
    science in public policy’, Roskilde University, 27 juni 2014
6   Zie bijvoorbeeld Leeuw 2008, Vranken en Van Gestel 2008, Meuwese 2012.
7   Hanemaayer (2012) telt in de periode 2000 – 2010 een kleine honderd ex ante evaluaties.
    Klein Haarhuis en Keulemans (2014) komen op basis van een beduidend ruimere definitie op
    ruim 300 ex ante analyses voor de periode 2005 – 2011, maar in slechts de helft daarvan wordt
    op één of andere wijze nagegaan wat de kansen zijn dat het betreffende beleid zijn doel reali-
    seert. De aantallen verschillen ook sterk per departement. Voorts blijkt dat de (ex ante) eva-
    luaties die nu in opdracht van ministeries worden uitgevoerd zeker niet altijd impact hebben
    op beleid.
8   Het instrument dat wellicht het dichtst in de buurt komt van hetgeen de oecd voor ogen
    staat, is de Maatschappelijke Kosten Baten Analyse (mkba). Dit is een vorm van effect-
    inschatting waarbij “de toekomstige maatschappelijke voor- en nadelen van een beleidsvoor-
    stel in kaart worden gebracht. Daarbij kan zichtbaar worden gemaakt welke groepen er bij een
    maatregel op vooruit gaan en welke erop achteruit gaan” (Brief Minfin aan Tweede Kamer
    d.d. 6 december 2013) Het uitvoeren van een mkba is verplicht bij de voorbereiding van
    infrastructuurprojecten die zijn opgenomen in het Meerjarenprogramma Infrastructuur,
    Ruimte en Transport (mirt) en projecten die door het kabinet zijn aangewezen als ‘speciale
    rijksprojecten’.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 60 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 61 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 61 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 62 ======================================================================

<pre>DEEL II
twee actuele thema’s
</pre>

====================================================================== Einde pagina 62 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 63 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 63 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 64 ======================================================================

<pre>                                                                                         63
3   normatieve overwegingen bij nudging
    “Nudging took the policy world by storm in 2008,” constateert Matt Grist
    (2010: 27). Dit lijkt weinig overdreven. Het boek Nudge van Thaler en Sunstein is
    wereldwijd een bestseller en met name in de Angelsaksische wereld hebben
    beleidsmakers zich met enthousiasme op het gedachtegoed gestort. Met de popu-
    lariteit komen echter ook normatieve vragen: is het wel zo wenselijk als de over-
    heid zich gaat bedienen van dit soort sturingstechnieken? Zeker niet iedereen
    beantwoordt die vraag bevestigend. Eén van de vragen in het adviesverzoek dat
    aan dit rapport ten grondslag ligt, is dan ook om een overzicht te geven van de rele-
    vante normatieve argumenten met betrekking tot nudging en deze te wegen (zie
    bijlage I).
    Dit hoofdstuk
    Daarmee is het onderwerp van dit hoofdstuk gegeven. Dit hoofdstuk is dus speci-
    fieker van aard dan de voorgaande twee. Het gaat in dit hoofdstuk niet over de alge-
    mene bijdrage die de gedragswetenschappen aan beleid kunnen leveren, maar over
    slechts één specifiek aspect daarvan, namelijk nudging, en bovendien alleen over
    de normatieve vraag: mag het, en zo ja, onder welke voorwaarden?
    Daartoe zullen we allereerst stilstaan bij de vraag wat ‘nudging’ nu eigenlijk is. Dat
    is welbeschouwd een nogal vage term. Vervolgens zullen we de bezwaren tegen
    nudging behandelen die vaak in de literatuur worden genoemd, en vragen we aan-
    dacht voor de rechtsstatelijke aspecten van deze vormen van sturing. Ook willen
    we wijzen op het risico van te hoog gespannen verwachtingen van nudging. Die
    kunnen er soms toe leiden dat een structurele aanpak van problemen ten onrechte
    op de lange baan wordt geschoven. Alles afwegende zijn er naar ons oordeel geen
    principiële bezwaren tegen nudging (of andere vormen van inzet van gedrags-
    wetenschappelijke kennis ten behoeve van gedragsbeïnvloeding), mits het geen
    controversiële kwesties betreft, voldoende transparantie wordt betracht over de
    inzet van het middel, en de gebruikelijke rechtsstatelijke aspecten worden mee-
    gewogen. Het lijkt raadzaam als de overheid –binnen die randvoorwaarden– gaat
    experimenteren met concrete nudges, zodat duidelijk wordt of zij hun belofte
    daadwerkelijk kunnen waarmaken.
3.1 wat is een ‘nudge’?
    Voorbeelden van nudges die inmiddels de nodige bekendheid hebben verkregen
    zijn het smart-pensioenprogramma, de gezonde schoolkantine en de mogelijk-
    heid om de default-keuze bij orgaandonatie om te draaien (van ‘nee, tenzij’ naar ‘ja,
    tenzij’). Maar wat is precies een ‘nudge’? Thaler en Sunstein definiëren een ‘nudge’
    als:
</pre>

====================================================================== Einde pagina 64 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 65 ======================================================================

<pre>64        met kennis van gedrag beleid maken
   “… any aspect of the choice architecture that alters people’s behaviour in a predictable way wit-
   hout forbidding any options or significantly changing their economic incentives. To count as a
   mere nudge, the intervention must be easy and cheap to avoid. Nudges are not mandates. Put-
   ting the fruit at eye level counts as a nudge. Banning junk food does not.” (2008: 8)
          Een centraal begrip hierbij is choice architecture. Thaler en Sunstein definiëren dat
          begrip niet heel scherp, maar uit hun boek valt op te maken dat dit betrekking heeft
          op kenmerken van ontwerp, vormgeving, presentatie of context die van invloed
          zijn op iemands keuzes en gedrag, en via welke men dus kan trachten keuzes en
          gedrag te beïnvloeden.
          Sinds de introductie van het begrip ‘nudge’, lijkt de term echter aan inflatie onder-
          hevig. Zo worden inmiddels ook bepaalde vormen van informatieverstrekking tot
          nudging gerekend. De Engelse House of Lords (2011) onderscheidt bijvoorbeeld vier
          typen nudges:
          – interventies in de wijze waarop keuzes op formulieren of websites worden
               gepresenteerd, bijvoorbeeld het veranderen van de default-keuze of de volg-
               orde van opties;
          – interventies in de fysieke omgeving, bijvoorbeeld het tegengaan van hard rij-
               den door een bepaalde markering op de weg, of het bevorderen van traplopen
               door in gebouwen de trappen prominent en de liften meer buiten het zicht te
               plaatsen;
          – het gebruik van sociale normen, bijvoorbeeld door informatie te verstrekken
               over iemands energieverbruik in vergelijking tot andere bewoners in dezelfde
               straat;
          – verstrekken van informatie, bijvoorbeeld over het energieverbruik of co2-
               uitstoot van producten of het aantal calorieën in voedsel.
          De eerste twee categorieën zijn duidelijke voorbeelden van sturing via keuze-
          architectuur. Maar geldt dat ook voor de andere twee? Zijn dit nog wel interventies
          in de architectuur van een keuze? Vooral bij de laatste is ook de vraag wat hier nog
          het verschil is met voorlichting (of andere vormen van communicatie) en wat er
          eigenlijk zo nieuw aan die aanpak is. Verstrekken van voedselinformatie en ener-
          gielabels zijn al jaren staande praktijk. Thaler en Sunstein leveren zelf overigens
          een bijdrage aan deze onduidelijkheid door vrij losjes met het nudge-begrip om te
          gaan. Vooral in zijn recente werk beschrijft Sunstein talloze ‘nudges’ die in feite
          neerkomen op een begrijpelijker presentatie van informatie, zoals een verbeterde
          ‘schijf van vijf’ voor gezonde voeding. Kortom, ‘nudging’ lijkt te zijn uitgegroeid
          tot een generieke aanduiding voor allerhande niet-dwingende interventies die zijn
          gebaseerd op gedragswetenschappelijke veronderstellingen over hoe mensen ‘van
          vlees en bloed’ keuzes maken en de rol die informatie daarbij speelt.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 65 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 66 ======================================================================

<pre>                                            normatieve overwegingen bij nudging          65
    Erg bevredigend is dit niet. Een dergelijk onnauwkeurig gebruik van een begrip
    kan makkelijk leiden tot communicatiemisverstanden. We hebben daarom tijdens
    de voorbereiding van dit rapport getracht een scherpere definitie van nudging te
    formuleren, één waarmee alle interventies die worden gepresenteerd als ‘nudge’
    logisch worden samengebracht onder één essentie. Dat bleek echter zeer lastig.
    Afgaande op wat in de literatuur feitelijk als nudge wordt opgevoerd, lijkt het eer-
    der om een familie van instrumenten te gaan, waarbij de grenzen vooral worden
    bepaald door wat het middel niet is.1 Nudging is in ieder geval niet traditionele
    ‘command en control’ sturing via wettelijke geboden en verboden, en nudging is
    ieder geval niet traditionele sturing via de portemonnee, dat wil zeggen, door mid-
    del van subsidies of boetes. Al met al zit er weinig anders op dan te accepteren dat
    de term enigszins onderbepaald is. Om desondanks misverstanden te voorkomen,
    zullen we in dit hoofdstuk waar nodig steeds specificeren over welk ‘type’ nudging
    we het hebben.
3.2 normatieve overwegingen bij sturing via
    keuzearchitectuur
    Veel van de kritiek op nudging betreft sturing via keuzearchitectuur. Dit is ook de
    meest vernieuwende vorm van nudging. In de – veelal Amerikaanse – literatuur2
    worden vooral de volgende vier bezwaren geuit:
    – sturing via keuzearchitectuur is een inbreuk op de vrijheid van mensen. De
        overheid moet zich niet bemoeien met individuele keuzes. Zolang iemand
        anderen geen schade berokkent, is het zijn eigen zaak wat hij doet of laat;
    – de overheid kan nooit weten wat ‘de beste keuze’ is voor elke burger. Ten eerste
        mist zij daarvoor de informatie, ten tweede zijn beleidsmakers zelf ook maar
        mensen die fouten maken. Zij kunnen de verkeerde besluiten nemen;
    – sturing via keuzearchitectuur leidt tot infantilisering. Het ontslaat mensen van
        de plicht tot zelf nadenken over wat ze willen en wat goed voor hen is;
    – keuzearchitectuur is een onzichtbare vorm van sturing en derhalve manipula-
        tie.
    Hoe moeten we deze bezwaren wegen? Wat meteen opvalt, is dat de eerste drie
    bezwaren kunnen worden ingebracht tegen elke vorm van overheidssturing, dus
    ook die via geboden, verboden of financiële prikkels. Daarom mogen ze eigenlijk
    niet gelden als argument om juist sturing via keuzearchitectuur te verwerpen. Hier
    verraadt zich de Amerikaanse achtergrond van veel normatieve beschouwingen
    over nudging. Zoals bekend is de afkeer van overheidsbemoeienis in de Verenigde
    Staten sterker dan in Europa, en het lijkt erop dat het werk van Thaler en Sunstein
    in dat land opnieuw de aloude discussie heeft opgerakeld in hoeverre overheids-
    bemoeienis überhaupt wenselijk is. Deze discussie gaat het bestek van dit rapport
    te buiten. Daarom zullen we slechts kort ingaan op deze eerste drie bezwaren.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 66 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 67 ======================================================================

<pre>66 met kennis van gedrag beleid maken
   Zoals gezegd, is het eerste punt van critici dat de overheid zich niet moet bemoeien
   met de individuele keuzes van mensen. Dit is echter in essentie een politiek-
   ideologische stellingname waarmee men het niet (volledig) eens hoeft te zijn. In
   Nederland bepalen Grondwet, rechtsstatelijke principes en internationale verdra-
   gen de grenzen van hetgeen waarmee de overheid zich mag bemoeien. Daarbinnen
   is de vraag of en op welke manier de overheid gedrag mag sturen een politieke
   afweging van de volksvertegenwoordiging. Dat geldt dus ook voor eventuele stu-
   ring via keuzearchitectuur.3
   Dat gezegd hebbende, is er wél enige grond voor de vrees dat dit nieuwe sturings-
   instrument kan leiden tot expansie van het aantal gedragingen waarmee de over-
   heid zich bemoeit. De drempel wordt namelijk lager om ook te gaan sturen op
   gedragingen die voorheen een louter particuliere aangelegenheid waren. Om men-
   sen bijvoorbeeld te beperken in hun frisdrankconsumptie gaat een verbod of quo-
   tum veel te ver. Daaraan zal geen overheid zich wagen. Maar sturing via de grootte
   van bekers – een meer vrijblijvend middel – kan wél. Zo probeerde de voormalig
   New Yorkse burgermeester Bloomberg overgewicht tegen te gaan door horeca-
   gelegenheden te verbieden bekers te serveren van meer dan een halve liter.4 Daar
   staat tegenover dat sturing via keuzearchitectuur, vooral in Nederland, juist kan
   leiden tot minder overheidsbemoeienis, namelijk als het in de plaats komt van bij-
   voorbeeld geboden of verboden (zie ook rmo 2014).
   Het tweede bezwaar is dat de overheid niet kan weten wat ‘de beste keuze’ is voor
   elke burger. Ook dit bezwaar geldt echter voor elke vorm van overheidsbemoeienis,
   dus ook bijvoorbeeld geboden of verboden. Het voordeel van sturing via keuze-
   architectuur is juist dat iedereen die meent dat de overheid de verkeerde keuze als
   ‘de beste’ aanmerkt, straffeloos daarvan kan afwijken. Een meer fundamentele
   tegenwerping op dit bezwaar is dat de overheid bij haar sturing doorgaans hele-
   maal niet de pretentie heeft te weten wat voor een individuele burger in een speci-
   fieke situatie op een specifiek tijdstip de beste keuze is. Doorgaans kiest de overheid
   pas voor sturing op het moment dat collectieve belangen in het geding zijn. Zij
   tracht burgers dan te bewegen tot de keuzes die beter zijn voor de samenleving als
   geheel. Mocht die optie ook in het belang zijn van de individuele burger in die spe-
   cifieke situatie op dat moment, dan is dat uiteraard zeer wenselijk, maar dat is niet
   het primaire argument voor sturing.5
   Hiermee is overigens zeker niet gezegd dat beleidsmakers altijd het beste weten
   wat goed is voor de samenleving. Beleidsmakers kunnen evenzeer worden
   geplaagd door allerhande biases, zoals de confirmation bias, dat wil zeggen, de nei-
   ging vooral oog te hebben voor feiten die de eigen voorkeur ondersteunen en een
   zekere blindheid voor disconfirming evidence. De overheid zou daarom haar
   beleidsontwikkeling zo moeten inrichten dat beleidsmatige blikvernauwing
   zoveel mogelijk wordt tegengegaan (zie hoofdstuk 2).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 67 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 68 ======================================================================

<pre>                                         normatieve overwegingen bij nudging        67
Het derde bezwaar tegen sturing via keuzearchitectuur betreft de mogelijke infan-
tilisering die zou kunnen optreden doordat mensen niet langer zelf zich hoeven te
verdiepen in de keuze in kwestie, niet langer zelf een verstandige afweging hoeven
te maken, niet langer de wilskracht hoeven op te brengen zich daaraan te houden,
en daardoor minder de gelegenheid hebben te leren van fouten. De overheid zou
daarmee bijdragen aan afnemende keuzevaardigheid. Hoewel dit bezwaar niet
geheel zonder grond is, valt er wel het nodige op af te dingen. Sturing via keuze-
architectuur richt zich vaak op gedrag dat voortkomt uit keuzes die worden
gemaakt doordat mensen verzuimen actief te kiezen. In zulke gevallen kan er
nauwelijks sprake zijn van unlearning. Bovendien zal bij bepaalde zaken de ‘les’
van een verkeerde keuze jaren op zich laten wachten, en zal iemand die mogelijk
pas leren als het te laat is om de fout nog te herstellen. Onvoldoende sparen voor
een pensioen is daarvan wellicht een voorbeeld. Al met al valt wat te zeggen voor
de conclusie van Sunstein dat “[w]ith respect to infantilization and learning, the
best approach is to examine concrete proposals to test whether the objections are
merely rhetorical or have real force” (2014: 114).
Manipulatie door intransparantie
Het vierde kritiekpunt is dat sturing via keuzearchitectuur een onzichtbare vorm
van sturing is, en derhalve manipulatie. In tegenstelling tot de vorige drie bezwa-
ren, geldt dit bezwaar inderdaad specifiek voor sturing via keuzearchitectuur, en
niet voor sturing via geboden en verboden, financiële prikkels of communicatie.
Deze traditionele instrumenten kunnen alleen maar effect hebben wanneer zij
bewust worden waargenomen en verwerkt. Voor sturing via keuzearchitectuur is
dat niet nodig. Integendeel, vaak wordt verondersteld dat sturing via keuze-
architectuur juist het beste werkt wanneer zij niet als zodanig wordt herkend.
Zodra men de ‘truc’ zou doorzien, zou deze geen effect meer hebben. Het is dit
stiekeme dat leidt tot de beschuldiging van manipulatie.
Dit is een reëel bezwaar, dat ook door iedereen wordt erkend. Zelfs de grootste
pleitbezorgers van sturing via keuzearchitectuur vinden dat de overheid vol-
doende transparant moet zijn over de wijze waarop zij mensen tracht te beïnvloe-
den. Ook de rli en rmo laten hierover geen misverstand bestaan. De discussie gaat
veeleer over de vraag wat ‘voldoende’ transparantie is. Thaler en Sunstein stellen
dat conform het publicity principle van Rawls de overheid moet afzien van elke
sturing die zij niet publiekelijk kan of wil verdedigen.6 Wij zouden daaraan willen
toevoegen dat slechts eenmalige instemming met het principe van sturing via
keuzearchitectuur onvoldoende legitimatie is voor jarenlange inzet van het instru-
ment op allerhande terreinen. Aan de andere kant lijkt het ook niet nodig elke con-
crete sturingspoging – zeg een strategische plaatsing van fruit in een kantine – te
voorzien van een expliciete waarschuwing, vergelijkbaar met de bordjes in bus,
tram en openbare ruimte dat camera’s waken over uw en onze veiligheid.
Luc Bovens (2008) hanteert als stelregel dat voor iedere oplettende burger de stu-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 68 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 69 ======================================================================

<pre>68 met kennis van gedrag beleid maken
   ringspoging te achterhalen moet zijn. Dat lijkt een verstandig uitgangspunt. Een
   mogelijkheid is om indien bij nieuw beleid de inzet van sturing door middel van
   keuzearchitectuur wordt overwogen, dit expliciet aan de Kamer te melden, bij-
   voorbeeld in een memorie van toelichting. Bij eenmaal ingevoerd beleid zou de
   overheid op de geëigende internetpagina’s verantwoording kunnen afleggen over
   de sturing door middel van keuzearchitectuur.
   Overigens is de vrees dat deze eis tot transparantie de effectiviteit van sturing via
   keuzearchitectuur zou ondermijnen wetenschappelijk nog niet goed onderzocht.
   Mogelijk werkt sturing van alledaagse ‘non-keuzes’ – bijvoorbeeld de plaatsing van
   voedsel in de kantine – inderdaad minder goed als men eenmaal doorheeft wat de
   truc is. Maar geldt dat ook voor nudges die betrekking hebben op infrequente en
   expliciet voorgelegde keuzes? Bijvoorbeeld die ten gunste van een bepaalde spaar-
   voorziening? Vermoedelijk kan op een keuzeformulier probleemloos worden ver-
   meld dat een default is gekozen die voor de meeste mensen gunstig uitpakt. Hoe
   dan ook, wat nader onderzoek naar de gevolgen van transparantie ook zal uitwij-
   zen, naar onze overtuiging dient het belang van transparantie altijd te prevaleren,
   óók als dat leidt tot (enig) verlies van effectiviteit.
   Differentiëren naar onderwerp
   Het gewicht van de hiergenoemde bezwaren is natuurlijk sterk afhankelijk van de
   aard van het onderwerp. Critici hebben meestal geen problemen met ‘onschuldige
   voorbeelden’ (bijvoorbeeld de herinrichting van de schoolkantine) maar vrezen
   dat deze de weg vrij maken voor nudges van kwalijker aard, bijvoorbeeld op het
   gebied van orgaandonatie. In bijna elke normatieve discussie over sturing via
   keuzearchitectuur duikt vroeg of laat het argument van het hellende vlak op.
   Het is daarom verstandig in het oordeel over de normatieve (on)wenselijkheid van
   deze vorm van sturing het onderwerp in kwestie te betrekken. Wanneer het gaat
   om grote keuzes die direct raken aan het eigen lichaam en de eigen identiteit, bij-
   voorbeeld over wat er na overlijden gebeurt met je organen, of welke school te kie-
   zen voor je kind (men zou als default kunnen kiezen dat iedereen wordt geplaatst
   op de school die het dichtste in de buurt ligt), moet men terughoudender zijn met
   (krachtige) nudges. Mensen moeten bij dat soort keuzes in de gelegenheid worden
   gesteld zelf en bij volle bewustzijn hun voorkeur te bepalen, met zo min mogelijk
   sturing door de overheid (zie Tiemeijer en Anderson 2014). Als men bij zulke
   kwesties toch wil sturen via keuzearchitectuur, dan lijkt daarvoor expliciete steun
   van een ruime democratische meerderheid een minimale vereiste.
   Overigens is het vaak geen alles-of-niets kwestie. De kracht van de sturing door
   keuzearchitectuur kan worden afgestemd op de gevoeligheid van het onderwerp.
   Orgaandonatie biedt een illustratie. Sommigen bepleiten dat Nederland kiest voor
   een opt-out systeem: iedereen is donor tenzij hij of zij aangeeft dat niet te willen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 69 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 70 ======================================================================

<pre>                                            normatieve overwegingen bij nudging        69
    Dat zou tot veel meer donoren leiden.7 Dit is echter een vrij ‘agressieve’ vorm van
    sturing. Er zijn ook minder vergaande varianten, zoals een forced choice systeem. In
    een dergelijk systeem wordt als voorwaarde voor het verkrijgen van bijvoorbeeld
    een rijbewijs gesteld dat iemand moet kiezen of hij wel of geen donor wil zijn, ech-
    ter zonder dat daarbij vooraf een default wordt aangegeven. Een nog mildere vorm
    is prompted choice. Ook hier wordt iedereen bij het ophalen van een rijbewijs een
    formulier gegeven met de vraag of hij wel of niet donor wil zijn, maar is het invul-
    len van het betreffende formulier vrijwillig, en geen noodzakelijke voorwaarde
    voor het verkrijgen van dat rijbewijs.
3.3 rechtsstatelijkheid
    In de literatuur over nudging is nog weinig aandacht besteed aan rechtsstatelijke
    aspecten. Dat is op zich niet verwonderlijk. De idee van nudges is namelijk dat zij
    een duwtje geven in een bepaalde richting zonder dwang uit te oefenen en zonder
    beperking van de vrijheid van burgers om zelf te kiezen. Daarom kwalificeren zij
    niet automatisch voor juridische toetsing en de rechtsstatelijke afweging die daar-
    bij hoort (Alemanno en Spina 2014).
    Dat wil echter niet zeggen dat de rechtsstatelijke aspecten van mogelijke inzet van
    nudges geen aandacht zouden verdienen. Integendeel, deze instrumenten worden
    ingezet om iets in de praktijk voor elkaar te krijgen, en kunnen dus materiële con-
    sequenties of rechtsgevolgen hebben. Naarmate die consequenties van nudges gro-
    ter zijn, moet ook meer worden gelet op aspecten van rechtsstatelijkheid. Zo zijn
    de consequenties van een duwtje richting gezonde maaltijd niet zo groot – wie
    zich in de kantine liet verleiden dit keer de kiwi te nemen, kan morgen gewoon
    weer gaan voor de kroket. Maar wie als gevolg van een nudge heeft gekozen voor
    een pensioenspaarprogramma (zie hoofdstuk 1) moet – ook al was hij volledig vrij
    om van de default af te wijken door een andere keuze te maken – vervolgens wel
    jarenlang premie betalen. Daarom is het altijd raadzaam bij het ontwerpen van
    nudges met verder strekkende gevolgen vooraf de mogelijke juridische consequen-
    ties te doordenken én tevens een rechtsstatelijke afweging te maken. In deze para-
    graaf gaan we hierop dieper in.
    Voorbeelden
    Wat ‘rechtsstatelijkheid’ precies inhoudt, is nergens expliciet vastgelegd, maar
    grofweg wordt eronder verstaan dat de overheid is gebonden aan beginselen van
    legaliteit, proportionaliteit en behoorlijk bestuur, dat fundamentele rechten van de
    burger gewaarborgd moeten worden (bijvoorbeeld op het gebied van privacy) en
</pre>

====================================================================== Einde pagina 70 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 71 ======================================================================

<pre>70 met kennis van gedrag beleid maken
   dat burgers toegang moeten hebben tot de rechter. De onderstaande voorbeelden
   maken duidelijk dat deze beginselen en waarden bij nudges of andere ‘gedrags-
   instrumenten’ in het geding kunnen komen.
   – De inzet van sociale normen kan heel effectief zijn om gedrag te beïnvloeden.
        De overheid die meedeelt dat “x procent van de mensen zijn belastingformu-
        lier op tijd invult” communiceert dat de meeste mensen zich aan een wettelijke
        verplichting houden. Aansporing tot naleving is dan aanvaardbaar. Maar hoe-
        ver mag de overheid hierin gaan? Wat zou het betekenen om bij onderwerpen
        die raken aan het eigen lichaam en de eigen identiteit (zie paragraaf 3.2) mensen
        te informeren over wat ‘de meerderheid’ kiest in de hoop dat zij zich daaraan
        conformeren? Als de vrije keuze, bijvoorbeeld bij medische kwesties, een
        zwaarwegend of zelfs wettelijk vastgelegd goed is, moet de overheid in haar
        voorlichting voorzichtig zijn met sociale normen, defaults of frames
        (Alemanno en Spina 2014:18). Tot slot, als er informatie wordt verschaft over
        hoeveel mensen iets vinden of doen, moet die informatie uiteraard aantoon-
        baar correct zijn.
   – Gepersonaliseerde feedback kan eveneens heel effectief zijn (“Uw energie-
        verbruik is x procent hoger dan het gemiddelde in uw straat”). Het respecteert
        de keuzevrijheid én kan de keuzevaardigheid vergroten, omdat mensen sneller
        de gevolgen van hun gedrag kunnen meewegen in hun beslissingen. Geperso-
        naliseerde feedback is echter gebaseerd op privacygevoelige informatie. Energie-
        leveranciers kunnen via de slimme meter gedetailleerde informatie verkrijgen
        over iemands leefgewoonten. Het aantal momenten waarop zij het energie-
        verbruik mogen aflezen is dan ook beperkt, teneinde misbruik van persoon-
        lijke informatie te voorkomen.8 Als een dergelijke waarborg niet kan worden
        gerealiseerd, kan dit reden zijn van het instrument af te zien.
   – Naming en shaming is al langer in zwang. Het instrument Openbaarmaking
        speelt in op de sociale norm en maakt gebruik van gevoeligheid voor reputatie-
        schade. In 2013 heeft de Raad van State echter aanbevolen terughoudend te zijn
        in het gebruik. De Raad stelt dat omwille van de proportionaliteit de sanctie
        elke keer moet worden afgewogen en niet standaard mag worden ingezet, zoals
        was voorgesteld in een wijziging in het mededingingsrecht.9 Naming en
        shaming kan nogal onvoorspelbare gevolgen hebben (wrr 2013a).
   Waarborgen
   Het is dus belangrijk bij de mogelijke inzet van nudges (of andere instrumenten
   die zijn gebaseerd op gedragswetenschappelijke inzichten) ook de rechtsstatelijke
   aspecten mee te wegen. De bestaande structuur voor het waarborgen van de
   rechtsstatelijkheid van overheidshandelen biedt daarvoor een basis. Men zou hier-
   bij een onderscheid kunnen maken naar de mate waarin deze instumenten zijn
   verankerd in wetgeving.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 71 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 72 ======================================================================

<pre>                                       normatieve overwegingen bij nudging           71
Bij instrumenten die expliciet zijn vastgelegd in wetgeving is relatief sterke beïn-
vloeding of dwingende kracht toegestaan. Dat geldt dus ook voor nudges. Via het
wetsvoorstel is de inzet van deze nudges immers expliciet aan het parlement voor-
gelegd, zodat de rechtsstatelijke aspecten van de inzet van dit middel aan de orde
gesteld kunnen worden. Een voorbeeld is de invoering van de reeds genoemde
slimme energiemeter.
Iets meer terughoudendheid lijkt geboden bij instrumenten die zelf niet als zoda-
nig expliciet in wetgeving zijn vastgelegd, maar wel worden ingezet voor een
goede uitvoering, handhaving en toezicht op de naleving van wetten. Hierbij kan
onderscheid worden gemaakt tussen wetten die mogelijkheden scheppen (zoals de
in paragraaf 1.3 genoemde levensloopregeling) en wetten die verplichtingen opleg-
gen (je houden aan de maximumsnelheid). In het eerste geval mogen gedrags-
instrumenten de vrijheden die de wet biedt niet weer teniet doen. In het tweede
geval is meer sturende of zelfs dwingende kracht toegestaan indien dat bijdraagt
aan naleving van de wet. Een voorbeeld hiervan zijn middelen om automobilisten
te bewegen zich aan de wettelijke maximumsnelheid houden, zoals het visueel
versmallen van de weg.
Echter, uitvoerende organen mogen niet zomaar regels stellen. Een interventie
moet passen binnen de bevoegdheden die zij van de wet hebben gekregen.10 Wan-
neer er sancties verbonden zouden zijn aan keuzes die door nudges zijn beïnvloed,
is bijvoorbeeld een wettelijke grondslag vereist. Bovendien zijn uitvoerende orga-
nen, handhavingsorganen en inspecties ook bij de inzet van nudges gebonden aan
de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, zoals bijvoorbeeld rechtsgelijk-
heid, verbod op willekeur en fair play.11 Ook de (ogenschijnlijk technische) vorm-
geving van overheidsdiensten met bijvoorbeeld een default kan rechtsstatelijke
vragen oproepen (Leenes en Prins 2006). Volgens Boer (2013) is dat het geval bij de
vooringevulde belastingaangifte die ook juridische consequenties heeft.12 Daarom
is de mogelijkheid om een oordeel van de rechter te vragen belangrijk.
Tot slot, bij nudges en andere gedragsinstrumenten zonder expliciete grondslag in
wetgeving zou de overheid zich wellicht moeten beperken tot nudges in de ‘klas-
sieke zin’ van Sunstein en Thaler: “cheap and easy to avoid”. De situatie is enigs-
zins vergelijkbaar met die van gedragsbeïnvloedende voorlichtingscampagnes. De
inzet van dergelijke campagnes is geen expliciet wettelijk voorschrift, en vaak staan
zulke campagnes ook niet direct in dienst van de uitvoering van een bepaalde wet.
Ze moeten echter wel passen binnen algemene overheidsdoelstellingen, regel-
geving en aanvaard beleid (zoals bijvoorbeeld het ontmoedigen van roken). In de
loop der jaren zijn ook bepaalde ‘principia voor de overheidscommunicatie’
gegroeid waaraan de voorlichtingsprofessie zich gebonden acht.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 72 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 73 ======================================================================

<pre>72 met kennis van gedrag beleid maken
   Naast deze structuur van waarborgen is transparantie al genoemd als algemene
   noodzakelijke voorwaarde. Door te voorzien in kenbaarheid van beleid verhoogt
   transparantie ook de rechtsstatelijkheid. Zeker als vaker gebruik gaat worden
   gemaakt van de inzet van nudges en andere instrumenten die zijn gebaseerd op
   nieuwe gedragswetenschappelijke inzichten, verdient het aanbeveling een syste-
   matisch overzicht te ontwikkelen van dergelijke instrumenten. Per instrument
   kan daarin worden aangegeven welke rechtsstatelijke aspecten in het bijzonder in
   het geding kunnen zijn, en op welke wijze daarmee reeds bij de vormgeving reke-
   ning kan worden gehouden.
   Met nudges rechtsstatelijkheid vergroten
   Bij de inzet van nudges en andere interventies waarbij gebruik wordt gemaakt van
   gedragswetenschappelijke kennis moet dus worden nagegaan of zij niet op gespan-
   nen voet staan met rechtsstatelijke beginselen. Echter, de inzet van gedragsweten-
   schappelijke kennis en daarop gebaseerde instrumenten kan in bepaalde gevallen
   de rechtsstatelijkheid van beleid en uitvoering ook juist vergroten.
   Allereerst kunnen wetgever en beleidsmaker door (gedragswetenschappelijk)
   onderzoek naar effecten en neveneffecten van potentieel beleid in de praktijk zich
   een beter beeld vormen van wat zij precies vragen van en opleggen aan burgers.13
   Dat biedt een betere basis voor het afwegen van de rechtsstatelijkheid van beleid,
   bijvoorbeeld omdat duidelijker wordt of en hoe beleid (on)gelijk kan uitpakken
   voor burgers.
   Ook kan de inzet van nudges specifieke rechtsbeginselen dienen. Denk bijvoor-
   beeld aan het proportionaliteitsbeginsel. Nudges bieden de mogelijkheid om te
   sturen op een manier die minder ingrijpt in het leven van mensen dan wettelijke
   geboden of verboden. De inzet van nudges kan bovendien verschillen tussen bur-
   gers verkleinen, stigmatisering voorkomen en daarmee de gelijkheid bevorderen.
   Zo komt de ‘gezonde kantine’ iedereen ten goede zonder obese personen mentaal
   te belasten. Daarnaast kan de overheid met kennis over de effecten van framing
   streven naar zo neutraal mogelijke voorlichting, waar dat gewenst of zelfs verplicht
   is. Dat vergroot de onpartijdigheid van de overheid (Alemanno en Spina 2014).
   Gedragswetenschappelijke kennis kan voorts een correctere bejegening van bur-
   gers door de overheid faciliteren. De inzichten uit het werk van Tyler over procedu-
   ral justice worden al steeds meer binnen de Nederlandse overheid toegepast, onder
   meer in het project Prettig Contact met de overheid (zie o.a. Van den Bos 2011).
   Bescherming tegen (als) willekeurig (ervaren) handelen van de overheid betreft
   een kernwaarde van de rechtsstaat.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 73 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 74 ======================================================================

<pre>                                                  normatieve overwegingen bij nudging             73
       Tot slot kan de inzet van nudges regelgeving minder complex maken. Dit is een
       expliciete reden voor de inzet van nudges in onder meer het Verenigd Koninkrijk,
       de vs en Australië.14 In Nederland wordt bijvoorbeeld het belastingrecht als over-
       belast gezien (Gribnau 2012, Boer 2013). Het zou teveel zijn opgetuigd met allerlei
       maatregelen (zoals aftrekmogelijkheden) om allerhande instrumentele doelen te
       bereiken. Niet iedereen weet daarvan echter in gelijke mate te profiteren en dat
       komt de rechtsgelijkheid niet ten goede (Boer 2013).15 Het kan dan interessant zijn
       alternatieve maatregelen te ontwikkelen waarvoor geen uitbreiding van het belas-
       tingrecht nodig is. Een voorbeeld dat gebruik maakt van gedragswetenschappelijke
       inzichten, is het pay-as-you-save mechanisme dat in het Verenigd Koninkrijk
       wordt ingezet om woningisolatie te bevorderen.16 Dat kan theoretisch aanzetten
       tot gedragsverandering zonder een financiële prikkel vanuit het belastingrecht.
       Altijd afwegen
       Concluderend, bij de afweging welke interventies in te zetten, komen ook rechts-
       statelijke beginselen om de hoek kijken. Het ene instrument is wellicht effectiever
       dan het andere, maar grijpt mogelijk ook dieper in, of maakt meer onderscheid tus-
       sen personen dan te rechtvaardigen is. Het verdient daarom aanbeveling nudges
       (en andere instrumenten die zijn gebaseerd op gedragswetenschappelijke inzich-
       ten) te onderscheiden in categorieën, zoals in aanzet in het iak al is gebeurd, en bij
       elke categorie de specifieke rechtsstatelijke afwegingen en waarborgen te beschrij-
       ven.17 Een zekere ‘formalisering’ van dergelijke nieuwe instrumenten zou enerzijds
       de systematische inzet ervan kunnen vergemakkelijken, terwijl anderzijds de ver-
       kregen inzichtelijkheid een aanzet biedt tot bescherming tegen misbruik
       (Alemanno en Spina 2014). Bovendien kan de beschrijving van dergelijke afwegin-
       gen het afwegingskader dat het iak beoogt te bieden versterken (Jonkers 2013;
       Boer 2013).
Rechtsstatelijkheid van experimenten
Een specifiek punt van aandacht is de rechtsstatelijkheid van experimenten. In de vorige hoofd-
stukken werd uiteengezet dat de gedragswetenschappen een meer inductieve wijze van beleids-
vorming impliceren, waarin het uitvoeren van experimenten vaak wenselijk of zelfs nood-
zakelijk is. Daarnaast gebeurt het geregeld dat de wetgever de werkzaamheid van wetgeving
voorafgaand aan grootschalige invoering eerst op kleine schaal wil onderzoeken. Daarmee
erkent de wetgever dat hij de gevolgen van bepaalde wetgeving in de praktijk nog niet goed kan
overzien en voorkomt hij dat de invoering van de definitieve wet zélf een experiment is
(Ranchordás 2013).18
Uiteraard is niet elk experiment zonder meer toegestaan. Sommigen hebben ook twijfels hoe
wenselijk het is als verschillende groepen burgers – al is het dan maar tijdelijk – verschillende
beïnvloedingsarrangementen ondergaan. Een wettelijke bepaling wordt bijvoorbeeld tijdelijk
</pre>

====================================================================== Einde pagina 74 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 75 ======================================================================

<pre>74        met kennis van gedrag beleid maken
   opgelegd aan alleen de inwoners van gemeente A en niet aan de inwoners van gemeente B. De
   vraag is dus welke eisen men vanuit rechtsstatelijke overwegingen aan experimenten mag stel-
   len. Voor een antwoord op die vraag kan men te rade gaan bij twee bronnen.
   Ten eerste de voorwaarden en jurisprudentie met betrekking tot wettelijke experimenteer-
   bepalingen.19 Zo moet bij experimentele wet- of regelgeving in de memorie van toelichting wor-
   den ingegaan op “de relevantie van de experimentele wet- of regelgeving, de aard ervan, het
   doel, de functie, de opzet en de beoordeling van het experiment” (Koning 2014: 42). De Raad van
   State toetst het betreffende voorstel aan deze eisen. Tevens biedt (buitenlandse) jurisprudentie
   suggesties voor precisering van de voorwaarden waaronder experimenten met beleid toelaatbaar
   zijn. Het onderscheid tussen groepen in de mate waarin zij door het experiment ‘privileges’ krij-
   gen mag niet buitenproportioneel of willekeurig zijn, en moet strikt gebonden zijn aan het doel
   dat met de regelgeving wordt nagestreefd én het doel van het experiment, namelijk het verkrij-
   gen van informatie over de effectiviteit van nieuwe regelgeving (Ranchordás 2013: 437). Cruciaal
   is daarom dat daadwerkelijk een serieuze evaluatie van het experiment en heroverweging van de
   wet of beleidsregel plaatsvinden. Zonder evaluatie en heroverweging is het experiment feitelijk
   – en ten onrechte – een ‘gewone’, zij het tijdelijke (spoed)interventie (Koning 2014: 45,
   Ranchordás 2013: 435).20
   Ten tweede de wetenschappelijke regels en richtlijnen met betrekking tot experimenten. In de
   experimentele wetenschappen bestaan diverse regels en procedures om te bepalen welke experi-
   menten en onderzoekstechnieken zijn toegestaan en hoe onderzoekers met hun proefpersonen
   behoren om te gaan. Niet alleen in de medische wetenschappen, ook in de gedrags-
   wetenschappen zijn ethische richtlijnen en commissies inmiddels volledig ingeburgerd.21 Eén
   van de kernvragen daarbij is of deelnemers aan een experiment schade (“harm”) kunnen oplo-
   pen door deelname. Roemruchte experimenten uit het verleden zoals die naar autoriteitsgevoe-
   ligheid van Milgram of het Stanford Prison Experiment van Zimbardo zouden vandaag de dag
   ongetwijfeld worden afgekeurd door de ethische commissies.
3.4       nudging als symptoombestrijding?
          Een punt van kritiek dat nog weinig aandacht heeft gekregen, is het risico dat met
          nudging alleen aan symptoombestrijding wordt gedaan. Het middel laat de wer-
          kelijke problemen ongemoeid, in casu de maatschappelijke structuren en de
          onderliggende problematische waarden en preferenties van burgers. Volgens
          Rowson is het fundamentele probleem met nudging “that it is not transformative.
          Indeed, darkly, this may be why it is so popular. Nudge changes the environment
          in such a way that people change their behavior, but it doesn’t change people at any
          deeper level in terms of attitudes, values, motivations etc” (2011: 16). Zo spreekt de
          slimme energiemeter mensen aan op hun financiële eigenbelang, in plaats van hun
          attitudes ten aanzien van de omgang met schaarse bronnen te veranderen. In theo-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 75 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 76 ======================================================================

<pre>                                        normatieve overwegingen bij nudging         75
rie kan de slimme energiemeter zelfs de intrinsieke motivatie tot energiebesparing
wegdrukken (crowding out). Ook veranderen nudges niets aan de aanbodzijde van
het probleem. De oorzaken voor de ongezonde levensstijl of financiële problemen
van segmenten van de bevolking liggen ten dele bij een obesogene of debtogene
omgeving die welbewust gebruik maakt van de begrensde rationaliteit en zelf-
controle van mensen. In verschillende landen zijn fastfoodketens en gokkantoren
nogal eens geconcentreerd in achterstandsbuurten, waar de mensen gemiddeld
genomen extra gevoelig zijn voor irrationeel gedrag.22 Voor een werkelijke veran-
dering zouden mensen massaal getraind moeten worden in zelfcontrole én zou de
markt flink aan banden moeten worden gelegd. Daarmee zou het probleem wél bij
de wortel worden aangepakt.
Hoe moeten we deze kritiek van ‘symptoombestrijding’ beoordelen? Het hangt
sterk af van het onderwerp waarover het gaat. Sommige problemen laten zich wel-
licht door sturing via keuzearchitectuur of gerichte informatie grotendeels oplos-
sen. Hierop is een reële kans als het gaat om infrequente keuzes waarbij sprake is
van één optie die voor de meeste mensen de beste is, en waarbij de reden waarom
mensen niet voor die optie kiezen niet ligt in bepaalde problematische attitudes
(die dus ‘getransformeerd’ zouden moeten worden), maar de oorzaak daarvoor
banaler is, namelijk drukte, uitstelgedrag of onoplettendheid. Als het bijvoorbeeld
gaat om het stimuleren van pensioensparen of het prikkelen van mensen hun
belastingaangifte op tijd in te leveren, kunnen nudges een eenvoudige en afdoende
oplossing zijn. Het lijkt nogal streng om dergelijke nudges desondanks te verwer-
pen met het argument dat het ‘slechts symptoombestrijding’ zou zijn.23
Daarentegen, bij andere onderwerpen gaat het om een gedragspatroon dat dus-
danig diep is geworteld in een complex van oorzaken – zowel in het individu als de
omgeving – dat nudges het probleem nooit volledig kunnen oplossen. Te denken
valt aan gedrag op het gebied van leefstijl of omgang met schaarse bronnen. Sturing
via keuzearchitectuur verandert immers niets aan de basale condities waardoor
mensen de ‘verkeerde’ besluiten nemen. De diepere oorzaken van dit gedrag
betreffen aan de vraagzijde bepaalde attitudes, inertie, gebrek aan keuzevaardig-
heid of zelfcontrole die mensen blijkbaar niet kunnen of willen veranderen, en aan
de aanbodzijde een bepaalde maatschappelijke ordening en vrijheden die de over-
heid niet kan, mag of durft aan te pakken. Daarmee is niet gezegd dat nudging bij
voorbaat zinloos is, maar wel dat het middel hooguit een bijdrage kan leveren, en
voor werkelijk effect een bredere beleidsinspanning vereist is. De valkuil is die van
de te hoog gespannen verwachtingen van nudging, waardoor de discussie over de
wenselijkheid van meer structurele maatregelen mogelijk ten onrechte op de lange
baan wordt geschoven.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 76 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 77 ======================================================================

<pre>76 met kennis van gedrag beleid maken
   De proef op de som nemen
   Hoe exact de balans tussen symptoombestrijding en structurele aanpak moet lig-
   gen, is deels afhankelijk van de effecten van nudging in specifieke situaties. De
   belofte is er zeker. Bepaalde resultaten uit het verleden – zoals die met pensioens-
   paren – laten zien dat grote successen mogelijk zijn. In andere gevallen bleken de
   resultaten van interventies waarvan het nodige werd verwacht echter tegen te val-
   len. Het is een betrekkelijk jong onderzoeksterrein, en feitelijk is nog weinig
   bekend over wanneer en onder welke condities welke nudges werken. De enige
   manier om hierover meer te leren is door te proberen.
   Daarmee komen we terug op het belang van onderzoek en experimenteren. Het
   lijkt verstandig zo snel mogelijk de stappen te zetten die noodzakelijk zijn om te
   achterhalen in hoeverre de belofte van nudging werkelijk kan worden waar-
   gemaakt. Het is dus zaak de proef op de som te nemen. In het beste geval kan grote
   maatschappelijke winst worden geboekt, in het slechtste geval zijn beleidsmakers
   straks sadder maar ook wiser. Ons advies is daarom – in overeenstemming met de
   inductieve aanpak die door het gedragswetenschappelijke perspectief wordt geïm-
   pliceerd – meer te gaan experimenteren met nudges waarvan plausibel is dat zij
   reële kans van slagen hebben. Vanzelfsprekend dient dit te worden begeleid met
   goed evaluatieonderzoek, en dient hierbij rekening te worden gehouden met de
   eerder genoemde normatieve aspecten.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 77 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 78 ======================================================================

<pre>                                                normatieve overwegingen bij nudging               77
noten
1   Hier refereren we aan een begrip van Wittgenstein, te weten familiegelijkenis. Hij gebruikt
    dit begrip om de relatie te beschrijven tussen de leden van een verzameling elementen die in
    kenmerken op elkaar lijken, zonder dat er sprake is van één kenmerk dat bij alle elementen
    aanwezig is.
2   Zie bijvoorbeeld Glaeser (2006), Mitchell (2005), Bovens (2008), White (2013), en zie
    Sunstein (2014) voor een weerwoord.
3   Hierbij zij opgemerkt dat men wel op de hoogte is van het bestaan van bepaalde kennis of de
    beschikbaarheid van bepaalde middelen van sturing, maar deze desondanks niet wil inzetten,
    dat evenzeer gezien mag worden als een keuze c.q. besluit waarvoor men redenen mag ver-
    langen. Wie de literatuur van de nudging-critici leest, krijgt soms de indruk dat alle bewijs-
    last zou liggen bij degenen die voorstander zijn van bepaalde nudges, en het afzien van
    bepaalde nudges geen verdediging behoeft. Dat is echter principieel niet correct. Als bijvoor-
    beeld nudges beschikbaar zijn waarvan aannemelijk is dat die beduidend kosteneffectiever
    zijn voor het bereiken van het gestelde beleidsdoel dan andere vormen van regulering, komt
    het welbewust niet-inzetten van die nudges neer op een keus voor inefficiëntie. Als bijvoor-
    beeld nudges beschikbaar zijn waarvan aannemelijk is dat die hetzelfde resultaat kunnen
    bereiken als dwingende regulering, is het welbewust kiezen voor dwingende regulering in
    plaats van nudging een vorm van overbodige vrijheidsbeperking. Men mag de tegenstanders
    van nudging dus vragen naar hun redenen waarom die inefficiëntie c.q. die vrijheidsbeper-
    king de voorkeur verdient boven de inzet van nudges.
4   Veel inwoners van New York waren allesbehalve positief over dit plan. “Mayor Bloomberg’s
    proposed extra-large soda ban combines the draconian government overreach people love,
    with the probable lack of results they expect,” grapte de komiek Jon Stewart. Op de valreep
    verbood de rechter het plan van Bloomberg, echter niet met een beroep op constitutionele
    rechten, maar primair op wetstechnische gronden (Wall Street Journal, 12 maart 2013).
5   Het perspectief dat de rmo in zijn adviesrapport heeft gekozen verdient dan ook aanvulling.
    Het rmo-rapport gaat over een specifieke deelvraagstelling, namelijk de vraag onder welke
    voorwaarden de overheid de autonomie van burgers kan versterken door middel van nieuwe
    inzichten uit de gedragswetenschappen. Het eindoordeel over de (on)wenselijkheid van con-
    crete interventies of nudges dient echter niet alleen te worden gebaseerd op de mogelijk
    baten en lasten voor het afzonderlijke individu en zijn autonomie, maar ook op de mogelijke
    baten en lasten voor de samenleving als geheel.
6   De nadruk op transparantie is ook herkenbaar in het morele afwegingskader dat het rapport
    mindspace biedt. Daarin wordt sturing met behulp van nudges als minder controversieel
    gezien wanneer het is gericht op mensen die minder goed rationele keuzes kunnen maken,
    zoals kinderen, het is gericht op het tegengaan van gedrag dat schadelijk is voor anderen
    (harm principle) en wanneer gebruik wordt gemaakt van herkenbare instrumenten.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 78 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 79 ======================================================================

<pre>78 met kennis van gedrag beleid maken
7  Overigens laat vergelijkend landenonderzoek zien dat nabestaanden in landen met een opt-
   out systeem zo vaak bezwaar aantekenen, dat de opbrengst van het aantal donororganen in de
   praktijk tegenvalt en niet zo veel meer is dan in landen waar mensen zichzelf bewust registre-
   ren. Zie ook voetnoot 2 van hoofdstuk 1.
8  Zie o.a. de Consuwijzer van de acm, www.consuwijzer.nl/sites/consuwijzer.nl/files/
   downloads/infoblad-slimme-meter.pdf, geraadpleegd op 22 juli 2014.
9  Zie Advies 15.12.0486/iv, Kamerstukken ii, 2012/2013, 33 622, nr. 4; Voorstel van wet tot wij-
   ziging van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt en enige andere wetten in ver-
   band met de stroomlijning van het door de Autoriteit Consument en Markt te houden
   markttoezicht, met memorie van toelichting.
10 Zo heeft de Autoriteit Consument & Markt wettelijke regels over het duidelijk vermelden
   van prijzen (o.a. Wet oneerlijke handelspraktijken, de Luchtvaartverordening en de Recla-
   mecode Reisaanbiedingen) concreet uitgewerkt voor en in overleg met de reisbranche. De
   acm stelt onder meer dat onvermijdbare kosten in advertentieprijzen moeten worden ver-
   meld en dat keuzeopties niet standaard aangevinkt – dus als default – mogen worden aange-
   boden. Zie www.acm.nl/nl/publicaties/publicatie/11460/Toezichthouder-wil-duidelijker-
   prijzen-in-de-reisbranche, geraadpleegd op 9 juli 2014.
11 Alemanno en Spina (2014:22) wijzen op een controverse naar aanleiding van een psychologi-
   sche test die het Department for Work and Pensions op aangeven van bit uk afnam bij werk-
   zoekenden. Niet alleen ontstond er discussie over de wetenschappelijke kwaliteit van de test,
   maar ook over het feit dat soms gedreigd werd een uitkering stop te zetten als een werk-
   zoekende de test niet wilde invullen. Alemanno en Spina raden aan ervoor te zorgen dat
   interventies evidence-based zijn en “to avoid capricious and unreasonable actions interfering
   with the private sphere of individuals”.
12 Boer (2013) vraagt zich af wie er eigenlijk verantwoordelijk is als een burger een fout laat zit-
   ten in de door de belastingdienst aangeleverde informatie, die daarmee als default functio-
   neert.
13 Adams en Witteveen (2014: 1368) beschrijven andersom het invoeren en handhaven van fact
   free wetgeving als beperking van rechtsstatelijkheid. Volgens hen is bijvoorbeeld de verlen-
   ging van de ‘Rotterdamwet’ gebaseerd op een te oppervlakkige en gekleurde evaluatie die
   weinig reden geeft voor een (langdurige) verlenging van de wet. De auteurs zijn sowieso kri-
   tisch over dit experiment met wetgeving.
14 De vs en het vk zijn al eerder in de tekst genoemd. In Australië maakt reductie van complexi-
   teit onderdeel uit van het ‘Treasury’s Wellbeing Framework’, zie S. Gorecki en J. Kelly 2012.
   Zie hierover ook hoofdstuk 4.
15 Overigens waarschuwt Boer (2013) ook weer voor het risico van instrumentalisme als de
   Belastingdienst met een overenthousiaste inzet van nudges mensen gaat (bij)sturen.
16 De GreenDeal in het Verenigd Koninkrijk maakt o.a. gebruik van het zogenaamde pay-as-
   you-save mechanisme. Burgers kunnen kosten voor woningisolatie in termijnen terug-
   betalen uit de besparing op hun energierekening (zie uk Green Building Council 2013). Door
   zo baten en lasten gelijk op te laten gaan, wordt de impact van de hedenbias op de beslissing
   om te investeren in woningisolatie verkleind.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 79 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 80 ======================================================================

<pre>                                                 normatieve overwegingen bij nudging             79
17 Op deelterreinen bestaan al overzichten van gedragsinterventies. Voor de gezondheidszorg
   bijvoorbeeld van Michie et al. (2013) en in Nederland die van het rivm:
   www.loketgezondleven.nl/interventies. Justitie kent www.erkenningscommissie.nl/beoor-
   delingen/erkendegedragsinterventies/.
18 Volgens Ranchordás (2013: 416) gaat experimenteerwetgeving daarmee een stap verder dan
   ex ante evaluatie; het is een ‘reality check’ van nieuwe regels.
19 Omschreven in Aanwijzingen 10a en b van de Aanwijzingen voor de regelgeving.
20 Ranchordás (2013: 424) merkt overigens op dat experimenten met wetgeving wetenschap-
   pelijke (laboratorium)experimenten uiteindelijk slechts benaderen. Ze leveren ook geen
   vergelijkbaar bewijs. Het gaat om het uitproberen van wetgeving voorafgaand aan grootscha-
   liger invoering en niet om het uittesten van bijvoorbeeld de werkzaamheid of veiligheid van
   producten.
21 Experimenten die onder de Wet Medisch-wetenschappelijk Onderzoek vallen, worden
   getoetst door een medisch ethische toetsingscommissie. Voor gedragswetenschappelijk
   onderzoek is de praktijk in bijvoorbeeld faculteiten Sociale Wetenschappen relevanter. Zij
   hebben eigen toetsingscommissies voor niet-medisch, sociaalwetenschappelijk onderzoek.
   Zie bijvoorbeeld www.fsw.leidenuniv.nl/psychologie/organisatie/commissies/commissie-
   ethiek-psychologie-cep.html. Een overzicht van ‘social research ethics’ en toetsingscriteria in
   diverse landen is te vinden op www.researchethics.ca/social-science-humanities.htm
   (geraadpleegd op 22 juli 2014).
22 Zie Fairchild (2012), Jones et al. (2013).
23 Zie ook het onderscheid tussen compliance en conversion (Institute for Government 2011)
   Compliance betekent in deze context niet algemeen ‘naleving’, maar tijdelijke, door een spe-
   cifieke prikkel opgewekte naleving. Iemand weet hoe hij zich moet aanpassen aan een regel,
   zonder zelf te veranderen. Een autobestuurder rijdt mogelijk tijdelijk zachter door een visu-
   ele versmalling van de weg. Van conversion is sprake bij duurzame gedragsverandering waar-
   bij niet steeds een directe prikkel nodig is. Het verwijt van ‘symptoombestrijding’ is bij com-
   pliance minder aan de orde dan bij conversion. Overigens kan ‘slechts vluchtige’ compliance
   al nuttig zijn. Het is mogelijk goedkoper en soms is tijdelijke naleving al voldoende, bijvoor-
   beeld om iemand tot het maken van een eenmalige keuze aan te zetten. Daar komt bij dat tij-
   delijke gedragsverandering de aanzet kan zijn tot duurzame gedragsverandering, omdat zij
   ook van invloed blijkt op hoe mensen over zichzelf gaan denken. Het zelfbeeld van mensen
   beïnvloedt vervolgens weer hun gedragingen door ‘zichzelf ondersteunende effecten’ (self-
   sustaining effects). Beleid kan vluchtig gedrag ‘verduurzamen’ door tijdelijk, door prikkels
   opgewekt gedrag positief te labellen (Lokhorst 2009). Zie verder ook Jonkers (2013) en
   Gribnau (2013).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 80 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 81 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 81 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 82 ======================================================================

<pre>                                                                                        81
4 keuzedruk
  Mensen kiezen minder rationeel dan verondersteld en hebben vaak moeite zich te
  houden aan hun voornemens. Die boodschap van de gedragswetenschappen is bij
  velen nu wel doorgekomen. Het zou echter onjuist zijn hieruit te concluderen dat
  goed kiezen en zelfcontrole onmogelijk zijn. Mensen die daartoe gemotiveerd zijn,
  kunnen wel degelijk weloverwogen keuzes maken. Zo blijken velen die gemak-
  zuchtig of slecht geïnformeerd kiezen op gebied van leefstijl, vervoersgedrag of
  financiën, op andere terreinen, bijvoorbeeld werk of hobby’s, wél degelijk bereid
  en in staat tot zorgvuldige keuzes die een adequate vertaling zijn van hun belangen
  en doelen. Ook gebrek aan zelfcontrole is relatief. Als mensen iets écht belangrijk
  vinden, kunnen zij uiterst gedisciplineerd zijn. Wie vele vergeefse pogingen deed
  tot stoppen met roken, blijkt niet zelden wel degelijk daartoe in staat als zich plots
  een acute en levensbedreigende ziekte aandient. Kortom, goed kiezen en zelf-
  controle zijn deels een kwestie van prioriteiten stellen en een juiste allocatie van
  mentale energie. De vraag is derhalve of we ons zo makkelijk moeten neerleggen
  bij de beperkte rationaliteit en wilskracht die Thaler en Sunstein constateren. Is het
  niet veel logischer om te proberen de competenties op dat vlak te vergroten?
  Dit hoofdstuk
  In dit hoofdstuk willen we ingaan op de vraag wat de mogelijkheden en de grenzen
  zijn van het vergroten van keuzevaardigheid en zelfcontrole. Het aantal keuzes en
  verleidingen waarmee mensen worden geconfronteerd, is in de afgelopen decennia
  immers geweldig toegenomen. Zo worden er op de markt veel meer opties en pro-
  ducten aangeboden dan vroeger. Met de huidige nadruk op keuzevrijheid en eigen
  verantwoordelijkheid, voegt de overheid daar nog eens extra keuzes aan toe. Al
  met al kan hierdoor de ‘keuzedruk’ behoorlijk oplopen. Er kan een situatie ont-
  staan waarin er meer keuzevaardigheid en zelfcontrole van mensen wordt verlangd
  dan zij redelijkerwijs kunnen opbrengen. Gedragswetenschappelijk onderzoek
  levert aanwijzingen dat die situatie – in ieder geval voor bepaalde groepen – daad-
  werkelijk realiteit is, en ook schadelijke gevolgen heeft. De vraag is derhalve of dit
  consequenties dient te hebben voor het overheidsbeleid, en zo ja, welke.
  Anders dan in de voorgaande hoofdstukken, zullen we in dit hoofdstuk niet toe-
  werken naar antwoorden en conclusies. Dit hoofdstuk is primair bedoeld om aan-
  dacht te vragen voor dit onderwerp en het debat erover te stimuleren. Het hoofd-
  stuk mondt dan ook uit in drie hoofdvragen voor nader onderzoek en debat.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 82 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 83 ======================================================================

<pre>82  met kennis van gedrag beleid maken
4.1 autonomiekloven
    Zorgvuldig kunnen kiezen en vervolgens die keuze ook kunnen uitvoeren, is een
    groot goed, allereerst voor het individu zelf. Welke conceptie van ‘het goede leven’
    men ook aanhangt, mensen zijn beter af naarmate zij beter zijn toegerust om uit
    een reeks van mogelijkheden die optie te selecteren die het beste past bij hun doe-
    len, en ook de wilskracht kunnen opbrengen om niet van het gekozen pad af te
    wijken. Dit betekent welhaast per definitie een grotere autonomie. Nota bene:
    anders dan in het vorige hoofdstuk, is ‘de beste keuze’ hier dus niet gedefinieerd in
    termen van het algemeen belang, maar in termen van individuele waarden en
    levensprojecten. Overigens zullen deze vaak parallel lopen aan het algemeen
    belang, bijvoorbeeld als het gaat om gezonder leven, sparen voor later, et cetera.
    Keuzedruk
    Goed kiezen en je houden aan je voornemens, is echter geen makkelijke opgave. Er
    wordt behoorlijk wat gevraagd van mensen. We zullen hieronder het totaal aantal
    keuzes en verleidingen dat zich per tijdseenheid aan een mens opdringt, aandui-
    den als de ‘keuzedruk’, naar analogie van termen als financiële druk, belastingdruk,
    sociale druk enzovoorts.1 Alles wijst erop dat de keuzedruk de laatste decennia
    flink is toegenomen. In algemene zin worden mensen beduidend minder dan vroe-
    ger in hun levenskeuzes beperkt door hun sociale herkomst en maatschappelijke
    conventies. Het palet aan mogelijke levenspaden is aanmerkelijk toegenomen.
    Bovendien staat het overheidsbeleid al enkele tientallen jaren in het teken van libe-
    ralisering en privatisering. Mensen worden tegenwoordig geacht zelf te kiezen
    voor onder meer energieleverancier, zorgverzekering en telecom-aanbieder. Last
    but not least, met de komst van internet is het aantal potentiële koopmomenten
    geëxplodeerd. Kon vroeger iemand alleen maar impulsaankopen doen als hij zich
    daadwerkelijk fysiek in een winkel bevond, tegenwoordig kan men dag en nacht
    met een paar muisklikken alles kopen.
    De beïnvloedingstechnieken waarmee de overheid nu voorzichtig kennismaakt,
    worden door bedrijven al veel langer en geraffineerder ingezet. Veelzeggend is dat
    Robert Cialdini, auteur van het boek Influencing people – een standaardwerk op het
    gebied van beïnvloeding- zich voor zijn theorieën baseerde op wat hij leerde als
    deelnemer aan workshops over verkoop. Vandaag de dag is beïnvloeding alom-
    tegenwoordig, bijvoorbeeld in de inrichting van winkels, door middel van reclame,
    het verbinden van producten met positieve emoties, het verspreiden van lekkere
    etensgeuren, sturende prijsstellingen, supersizing, product placement in tv-
    programma’s, opzettelijk onduidelijke aanbiedingen (telefoonabonnementen,
    financiële producten), enzovoort. Een techniek die vermoedelijk de komende jaren
    een hoge vlucht zal nemen, is de inzet van gepersonaliseerde verleidings-
    technieken op internet. Op basis van iemands surf- en internet-aankoopgedrag
    kan men achterhalen voor welk soort verkoopargumenten hij het meest gevoelig
</pre>

====================================================================== Einde pagina 83 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 84 ======================================================================

<pre>                                                                   keuzedruk        83
is. Dat maakt het mogelijk dat wie een internetwinkel bezoekt niet alleen een op
hem toegesneden aanbod krijgt te zien, maar de gepresenteerde vormgeving en
aankoopargumenten ook specifiek zijn afgestemd op zijn hot buttons. Wie bijvoor-
beeld vooral gevoelig is voor wat anderen doen, zal worden verteld dat al heel veel
mensen (of digitale vrienden) dit product ook kochten. Wie vooral gevoelig is voor
autoriteit, zal worden verteld dat de gerespecteerde deskundige x dit product advi-
seert. Dit alles gebeurt zonder dat de persoon in kwestie daarover wordt geïnfor-
meerd (zie Kaptein 2013).
Overheid versus bedrijfsleven?
Mensen leven dus in een omgeving die allesbehalve neutraal is. Critici van over-
heidsbemoeienis wekken soms de indruk dat wanneer de overheid zich onthoudt
van beïnvloeding, een neutrale situatie resteert waarin mensen hun autonome
keuzes kunnen maken, maar dat is onjuist. Als de overheid zich afzijdig houdt,
betekent dit hooguit een verschuiving in de locus van beïnvloeding. Vele maat-
schappelijke partijen oefenen – al dan niet opzettelijk – invloed uit op het keuze-
gedrag van burgers, waaronder het bedrijfsleven.
Interessant is dat critici van beïnvloeding door de overheid vaak minder proble-
men hebben met inzet van dergelijke technieken door het bedrijfsleven. Eén van
de argumenten hierbij is dat niemand verplicht is zich iets aan te trekken van de
beïnvloeding van een bedrijf. Men kan altijd overstappen naar de concurrent (zie
White 2013). Daarentegen is het redelijkerwijs onmogelijk over te stappen naar een
andere overheid die meer vrijheid biedt. Dit argument klinkt op het eerste gehoor
valide. Toch is het de vraag of de beïnvloeding van bedrijven werkelijk zo
makkelijk valt te negeren. Zij is alomtegenwoordig, soms zeer geavanceerd en zon-
der uitzondering op hetzelfde gericht. Alle financiële instellingen willen produc-
ten verkopen waaraan ze verdienen en alle fast food restaurants willen hamburgers
en frisdrank verkopen. Dat laatste resulteert in wat wel een ‘obesogene omgeving’
wordt genoemd, een omgeving die aanzet tot calorierijke consumptie. Naar analo-
gie hiervan beschrijven Jones et al. (2013) hoe in Engeland ook ‘debtogenic urban
landscapes’ ontstaan, vaak in achterstandsbuurten. Daar is de hoofdstraat niet zel-
den veranderd in een aaneenrijging van goktenten, pinautomaten en pandjes-
bazen. Gokbedrijven hebben zich welbewust gericht op de zwakkere achterstands-
buurten, en daar “particular choice environments” gecreëerd “in which gambling
has been normalized in both social en spatial contexts” (2103: 74). Aan zulke omge-
vingen kan men zich niet zomaar onttrekken.
Dit roept de vraag op of de overheid in dergelijke gevallen niet meer tegenwicht
moet bieden aan de beïnvloeding door het bedrijfsleven. Anders gezegd, mag de
overheid evil nudges bestrijden met meer goedaardige counternudges? Op zich is
daartegen geen bezwaar. Het is breed geaccepteerd dat de overheid informationele
tegenkrachten organiseert op bepaalde vormen van beïnvloeding van derden, bij-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 84 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 85 ======================================================================

<pre>84        met kennis van gedrag beleid maken
          voorbeeld met keurmerken, voorlichtingscampagnes en waarschuwingen (“Geld
          lenen kost geld”) of zich bedient van counterframes. Waarom zouden dan andere
          regels gelden als de overheid ook gebruik wil maken van de nieuwe technieken die
          centraal staan in dit rapport? In feite doet de overheid dat ook al. De gezonde
          schoolkantine kan men zien als een vorm van counternudging. Er is geen principi-
          eel bezwaar tegen dit soort initiatieven mits de overheid zich maar houdt aan de
          condities die in het vorige hoofdstuk zijn genoemd. Sommigen vinden dat echter
          nog te braaf. Ze vinden dat de overheid best verder mag gaan. Juist omdat het
          bedrijfsleven zo alomtegenwoordig is in haar beïnvloeding, zou de overheid de
          normatieve teugels best mogen laten vieren. Dit lijkt ons echter niet de juiste weg.
          Als het gaat om nudging, is de noodzaak van voldoende transparantie en – waar
          nodig – voldoende democratische steun absoluut, dat wil zeggen, niet afhankelijk
          van de sterkte van de beïnvloeding van de ‘tegenpartij’.
          Nog los van de principiële discussie mag echter zeer worden betwijfeld of ‘coun-
          ternudging’ wel zo’n effectieve strategie is in gevallen waarin de belangen van
          overheid en bedrijfsleven werkelijk uiteenlopen. Het kader laat zien wat voor
          ‘wedloop’ in beïnvloeding kan ontstaan. Meestal verliest de overheid dat soort
          wedlopen. Doorgaans beschikt het bedrijfsleven over veel meer en betere midde-
          len om consumenten de ene kant op te duwen dan de overheid heeft om consu-
          menten de andere kant op te duwen. Bovendien zijn dergelijke nudging wars een
          vorm van symptoombestrijding, omdat zij het onderliggende probleem onge-
          moeid laten. Als de overheid een meer duurzame en structurele oplossing wil, zijn
          er twee mogelijkheden. De eerste is om de (uitwassen van) beïnvloeding door
          bedrijven wettelijk te verbieden. In Nederland zijn bijvoorbeeld subliminale
          reclame, doelbewuste misleiding en bepaalde vormen van reclame (o.a. gericht op
          kinderen) verboden. Wanneer het algemene gevoelen is dat bedrijven binnen het
          wettelijke kader nog steeds te ver gaan, moeten de regels wellicht worden aange-
          scherpt. De tweede mogelijkheid is om mensen zodanig te trainen in keuze-
          competenties en wilskracht dat zij succesvol weerstand kunnen bieden aan alle
          reclame en verleidingen die op hen worden afgevuurd. Verderop in dit hoofdstuk
          komen we uitgebreid op deze tweede mogelijkheid terug.
   Nudging wars?
   Als naast het bedrijfsleven ook de overheid zich gaat bedienen van subtiele beïnvloedingstech-
   nieken, kan een ware wedloop aan beïnvloeding ontstaan, zo blijkt uit Willis (2013). Dit geldt in
   het bijzonder bij belangenconflicten. Willis analyseert in haar studie de mislukte poging van de
   Amerikaanse overheid om banken zover te krijgen dat ze stoppen met mensen te beboeten wan-
   neer zij meer geld pinnen dan op hun rekening staat (een zogenaamde ‘overdraft’). Tot voor kort
   brachten de meeste Amerikaanse banken automatisch een fee van zo’n 20 à 30 dollar in rekening
   voor elke ‘overdraft’. Omdat veel mensen niet weten hoeveel saldo ze precies op hun rekening
</pre>

====================================================================== Einde pagina 85 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 86 ======================================================================

<pre>                                                                                    keuzedruk      85
hebben, en zij ook geen waarschuwing krijgen wanneer ze in de gevarenzone zitten, kon een
dagje winkelen zomaar resulteren in een hele stapel boetes. Het zijn vooral de armste Amerika-
nen die deze boetes krijgen, omdat zij natuurlijk weinig saldo op hun rekening hebben.
De Amerikaanse federale overheid wilde daarom de regels veranderen. Banken werd vanaf 2010
verplicht pintransacties te weigeren als iemand daardoor (nog verder) rood zou komen te staan,
tenzij de persoon in kwestie vooraf had aangegeven de mogelijkheid van ‘overdraft’ te willen
behouden en eventuele boetes op de koop toe te nemen. De default werd dus omgedraaid, en
‘overdrafts’ waren alleen nog mogelijk voor wie expliciet koos voor de ‘opt out’ van de stan-
daard.
De banken waren allesbehalve blij met deze maatregel, omdat ze daardoor forse inkomsten
dreigden mis te lopen. In 2006 verdienden de banken zo’n 20 miljard dollar aan boetes voor
‘overdrafts’. Banken startten daarom intensieve marketingcampagnes om zoveel mogelijk men-
sen te bewegen voor de ‘opt out’ te kiezen. Ze richtten zich vooral op mensen die in het verleden
vaak boetes hadden moeten betalen, doorgaans de Amerikanen met weinig inkomen. Ongeveer
de helft van wie voor de opt-out koos, gaf als één van de redenen daarvoor dat zij hoopten daar-
mee verlost te zijn van de agressieve marketing van de banken. Ook brachten de banken zelf
geraffineerde nudges in stelling. Willis beschrijft een formulier van een bank waarin mensen de
volgende keuze werd voorgelegd:
–    yes. Keep my account working the same with shareplus atm and debit card overdraft
     coverage;
–    no. Change my account to remove shareplus atm and debit card overdraft coverage.
Deze bank speelde welbewust in op de voorkeur van mensen voor de status quo en op hun ver-
liesaversie. Andere banken maakten gebruik van de kracht van sociale normen, en lieten hun
klanten weten dat “[t]he majority of our members prefer having this service.” (Willis 2012: 1199).
Door al deze marketing kozen uiteindelijk veel mensen voor de opt-out.
Wat kunnen we hiervan leren? Volgens Willis kan nudging succes hebben “[w]hen there is little
opposition to a nudge, or the opposition lacks the means to counter the nudge […] This is likely
to be the case in transactions between citizens and the government” (2013: 1226). Ook de eerder
genoemde pensioenspaarregelingen konden slagen omdat er geen wezenlijk belangenconflict
bestaat tussen werkgevers en werknemers. Heel anders wordt het echter als bedrijven tegenstan-
der zijn van de default-optie. “The key difference between the retirement savings plan participa-
tion default and the overdraft default is the presence of an opposed party.” (2013: 1200) Banken
brachten zwaar marketinggeschut in stelling. Natuurlijk zou de overheid een communicatief
tegenoffensief kunnen starten “but the government generally loses marketing wars.” In dit geval
was het mogelijk beter geweest als de overheid de formulering van de default had voorgeschre-
ven, of had gekozen voor andere regelgeving. “When firms oppose nudges, substantive regula-
tion aimed directly at placing consumers in welfare-enhancing positions will certainly be more
transparent, and is likely to be more effective and less costly as well” (2013: 1229).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 86 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 87 ======================================================================

<pre>86        met kennis van gedrag beleid maken
          Begrensde bronnen
          De laatste jaren groeit de wetenschappelijke twijfel of mensen zo’n grote keuze-
          druk wel aankunnen. Een inmiddels klassiek onderzoek is dat van Iyengar en Lep-
          per (2000). Zij plaatsten in een delicatessenwinkel een uitstalling met verschil-
          lende soorten exclusieve jams, waarvan mensen vrijelijk mochten proeven. De
          vraag was vervolgens hoeveel mensen ook een pot jam zouden kopen. In de ene
          onderzoeksconditie stonden zes soorten jam uitgestald, in de andere 24 soorten.
          Het bleek dat in de laatste conditie weliswaar meer mensen kwamen proeven,
          maar uiteindelijk minder mensen ook een pot kochten. Iyengar en Lepper conclu-
          deren dat een te groot aantal opties de motivatie om een keuze te maken vermin-
          dert.2
          Een andere belangrijke onderzoekslijn is die naar zelfcontrole. Dat begrip duidt op
          de mate waarin iemand in staat is een doel dat hij zichzelf heeft gesteld ook te ver-
          wezenlijken en weerstand te bieden aan verleidingen die hem daar vanaf kunnen
          brengen. Stoppen met roken of gezonder gaan eten zijn typische voorbeelden van
          gedragingen die de nodige zelfcontrole vereisen. Inmiddels wijst veel onderzoek
          erop dat er een sterk causaal verband bestaat tussen de mate waarin iemand
          beschikt over zelfcontrole en zijn succes op allerhande levensterreinen. Moffitt
          et al. (2011) onderzochten het verband tussen zelfcontrole en relevante indicatoren
          op het gebied van welvaart en welzijn op basis van een cohort van 1000 mensen
          wier leven al sinds hun geboorte wordt gevolgd, en die op het moment van analyse
          inmiddels ruim dertig jaar oud waren. Hun zelfcontrole was al tijdens hun kinder-
          tijd gemeten. Uit de analyse bleek dat “childhood self-control predicts physical
          health, substance dependence, personal finances, and criminal offending out-
          comes” In een ander cohort van 500 tweelingen bleek dat “the sibling with lower
          self control had poorer outcomes, despite shared family background” (2011: 2693).
          De Ridder et al. constateren in een meta-analyse van zo’n honderd studies naar
          zelfcontrole een vergelijkbaar positief verband. “Self-control is thus one of the
          most beneficial traits in personality” (2012: 92) Zelfcontrole kan men beschouwen
          als één van de soft skills waarvan Heckman heeft laten zien dat het voor maat-
          schappelijk succes gunstig is als mensen zich die reeds vroeg aanleren3, en waar-
          voor de wrr (2103b) in zijn rapport ‘Naar een lerende economie’ aandacht heeft
          gevraagd. 4
   Zelfcontrole
   In hoeverre is er bij de Nederlandse populatie in den brede sprake van een samenhang tussen
   zelfcontrole en bepaalde wenselijke uitkomsten? Om daarvan een indruk te krijgen, heeft de
   wrr in een enquête onder ruim 800 Nederlanders5 tien items laten meelopen uit de verkorte
   schaal voor zelfcontrole van Tangney et al. (2004). Het betreft de volgende tien items.6
</pre>

====================================================================== Einde pagina 87 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 88 ======================================================================

<pre>                                                                                    keuzedruk          87
–    Ik vind het moeilijk om slechte gewoonten af te leren
–    Ik ben snel afgeleid
–    Ik zeg ongepaste dingen
–    Dingen die slecht voor mij zijn, sla ik af
–    Ik kan verleidingen goed weerstaan
–    Mensen zouden zeggen dat ik een ijzeren zelfdiscipline heb
–    Plezier en leuke dingen weerhouden mij er soms van om werk af te krijgen
–    Ik doe dingen die op dat moment goed voelen, maar waarvan ik later spijt heb
–    Soms kan ik ergens niet mee stoppen, zelfs als ik weet dat het verkeerd is
–    Ik onderneem vaak actie zonder eerst alle alternatieven te overwegen.
Op basis van de antwoorden op deze stellingen, is voor elke respondent een score voor zelf-
controle berekend.7 Vervolgens is met regressieanalyses gekeken in welke mate zelfcontrole
samenhangt met drie wenselijke uitkomsten:
–    algehele levenstevredenheid. Dit is het antwoord op de vraag: “Kunt u op een schaal van 1 tot
     en met 10 aangeven in welke mate u alles bij elkaar genomen tevreden bent met het leven dat
     u nu leidt?”;
–    subjectieve gezondheid. Dit is het antwoord op de vraag: “Wat vindt u, over het algemeen
     genomen, van uw gezondheid?” (1 = ‘zeer slecht’ tot 5 = ‘zeer goed’);
–    financieel rondkomen. Dit is het antwoord op de vraag: “Hoe goed kunt u momenteel met
     het totale netto-inkomen van uw huishouden rondkomen?” (1 = ‘zeer moeilijk’ tot 5 = ‘zeer
     makkelijk’).
In de analyse is gecontroleerd voor sekse, leeftijd en opleidingsniveau. De resultaten:
                                                           Bèta-coëfficiënten
                                       tevredenheid           gezondheid            rondkomen
     Sekse (M = 0, V = 1)                  -,013                 -,084*                ,003
     Leeftijd                               ,075*                -,247**               ,011
     Hoogst voltooide opleiding             ,056                  ,109**               ,259**
     Zelfcontrole                           ,192**                ,143**               ,094**
     R2                                     ,050                  ,103                 ,082
 * p < ,05; ** P < ,01
Op zich is de variantie (R2) die met dit eenvoudige model wordt verklaard niet heel groot. Waar
het echter om gaat, is dat er duidelijk een zelfstandige bijdrage uitgaat van zelfcontrole, die bij de
eerste twee afhankelijke variabelen zelfs groter is dan die van opleiding. (Dat opleiding wel de
</pre>

====================================================================== Einde pagina 88 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 89 ======================================================================

<pre>88        met kennis van gedrag beleid maken
   grootste bijdrage levert aan ‘rondkomen’ is niet vreemd, want mensen die hoog zijn opgeleid
   verdienen meestal meer dan mensen die laag zijn opgeleid.) Uiteraard is dit slechts een beperkt
   onderzoek. In combinatie met het in de lopende tekst aangehaalde onderzoek, is de suggestie
   echter duidelijk. Als het doel van de overheid is de algemene levenstevredenheid, subjectieve
   gezondheid of financiële marges van mensen te vergroten, valt te overwegen niet alleen te inves-
   teren in opleiding maar ook in zelfcontrole.
          Het grote probleem is echter dat zelfcontrole energie kost. Wanneer we ons te veel
          en te sterk moeten beheersen, raken we mentaal uitgeput. Baumeister en collega’s
          spreken van ego depletion. In een van de eerste studies naar ego depletion lieten
          Baumeister et al. (1998) proefpersonen aan een tafel plaatsnemen waarop een
          schaal met radijsjes en een schaal met versgebakken chocoladekoekjes stonden
          opgesteld. De helft van de deelnemers mocht alleen van de radijsjes eten, de andere
          helft alleen van de chocoladekoekjes. In de tijd die deelnemers zogenaamd op het
          volgende deel van het onderzoek moesten wachten kregen zij alvast een puzzel-
          taak voorgelegd, zogenaamd om het oplossend vermogen van studenten met dat
          van middelbare scholieren te vergelijken. Het bleek dat de deelnemers die niet van
          de chocoladekoekjes mochten eten, veel minder lang probeerden de puzzel op te
          lossen dan de deelnemers die niet van de radijsjes mochten eten.8 De zelfbeheer-
          sing die nodig was om af te blijven van die smakelijke koekjes, had kennelijk de
          capaciteit tot zelfcontrole aangetast. Interessant is dat als mensen moeten kiezen,
          zij een beroep lijken te doen op dezelfde energiebron als bij zelfcontrole. Kiezen is
          een mentale stap die soms moeite kost. Van een mentale staat waarin men diverse
          opties heeft, moet men de oversteek maken naar een mentale staat waarin wegen
          zijn afgesloten en een voorkeur is gevormd. Deze ‘transformatie’ kost energie. In
          onderzoek van Vohs et al. (2008) bleek dat proefpersonen die daadwerkelijk een
          keuze moeten maken over een lastige kwestie, daarna minder goed in staat zijn tot
          zelfcontrole dan proefpersonen die alleen maar overwegingen met betrekking tot
          die keuze hoeven te geven. Kennelijk putten mensen voor het maken van keuzes
          uit dezelfde bron als voor zelfcontrole.9
          Het probleem van uitgeputte mentale reserves is niet gelijkelijk verdeeld onder
          mensen. De één is beter bestand tegen keuzedruk dan de ander. Recent onderzoek
          van Shah et al. suggereert dat de problemen vooral groot kunnen zijn bij arme
          mensen. “Resource scarcity creates its own mindset, changing how people look at
          problems and make decisions.” (Shah et al. 2012: 682). Wie iedere dag opnieuw de
          eindjes aan elkaar moet zien te knopen en geen buffers heeft, wordt daardoor in
          beslag genomen, is gefocust op het hier en nu en heeft minder oog voor de langere
          termijn. “Preoccupations with budgetary concerns leave fewer cognitive resources
          available to guide choice and action. Just as an air traffic controller focussing on a
          potential collision course is prone to neglect other planes in the air, the poor, when
</pre>

====================================================================== Einde pagina 89 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 90 ======================================================================

<pre>                                                                       keuzedruk        89
    attending to monetary concerns, lose their capacity to give other problems their
    full consideration.” Wat het nog erger maakt, is dat arme mensen zich minder kun-
    nen permitteren een verkeerde keuze te maken dan mensen met genoeg geld. Wie
    een goed inkomen heeft, beschikt meestal over buffers om plotse financiële tegen-
    vallers op te kunnen vangen zonder een mogelijk dure lening te moeten aangaan.
    Voor wie dat mist, komt het leven soms neer op het vullen van het ene gat met het
    andere. De opgave tot voortdurende zelfcontrole, weerstaan van verleiding en
    moeten uitstellen van beloningen, kan leiden tot chronische ego depletion. Uit
    zowel experimenten als uit veldonderzoek blijkt dat (het gevoel van) armoede een
    oorzaak is van lagere cognitieve prestaties (Mani et al. 2013).
    Autonomiekloven
    Er kan dus een discrepantie bestaan tussen enerzijds de keuzecompetenties en
    zelfcontrole die van mensen wordt gevraagd, en anderzijds de competenties en
    zelfcontrole waarover zij beschikken. Anderson (2009) spreekt van een autonomy
    gap. Die notie is ook van belang voor de overheid. Veel beleid veronderstelt
    immers dat mensen beschikken over bepaalde deliberative capacities waardoor zij
    de relatieve voor- en nadelen van de verschillende opties goed kunnen inschatten,
    en over bepaalde executive capacities om daadwerkelijk een knoop te kunnen
    doorhakken en daarbij niet te gaan voor de snelle winst. “To the extent to which
    significant numbers of people do in fact lack (and are unlikely to develop) the
    decision-making skills necessary to sort out these choices well, then such a policy
    would be marked by an autonomy gap” (2009: 10)
4.2 oefenen in keuzevaardigheden en wilskracht
    Tegen deze achtergrond is het discutabel of we ons wel moeten neerleggen bij de
    beperkte rationaliteit en wilskracht van mensen. Autonomiekloven zijn immers
    onwenselijk. De vraag dient zich dus aan of het mogelijk is de keuzecompetentie
    en zelfcontrole van mensen te vergroten.
    Betere besluiten
    Als mensen in hun beslissingen worden gehinderd door allerhande biases, is de
    logische reactie om te onderzoeken of men de invloed van die biases kan neutrali-
    seren of corrigeren. In de organisatie- en managementliteratuur is veel geschreven
    over strategieën om besluitvorming te verbeteren, bijvoorbeeld door middel van
    kosten-baten analyse. Er is echter maar weinig onderzoek gedaan naar methoden
    om de kwaliteit van individuele beslissingen te vergroten. “It seems fair to say that
    psychologists have made far more progress in cataloguing cognitive biases than in
    finding ways to correct or prevent them” (Lilienfield et al. 2009: 391). Het onder-
    zoek dat er is, laat bovendien gemengde resultaten zien. Toch levert het onderzoek
    wel enige aanwijzingen (zie Larrick 2004).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 90 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 91 ======================================================================

<pre>90 met kennis van gedrag beleid maken
   Een eerste aanbeveling is voor de hand liggend en volgt logisch uit het voorgaande.
   Wanneer er sprake is van omstandigheden die helder en geconcentreerd nadenken
   verhinderen, kan men beter geen besluiten nemen. “One way to improve decision
   making is to simply avoid making important decisions when depleted, fatigued,
   angry, aroused, hungry, or distracted,” vatten Soll et al. (2014: 10) samen. Het is
   beter te wachten tot men decision ready is. Als men dan eenmaal zover is, leidt het
   welbekende opsommen van redenen pro en contra volgens Larrick (2004) vaak
   niet tot betere beslissingen. Mensen zijn namelijk geneigd vooral redenen te
   bedenken die hun eerste oordeel ondersteunen, en vinden het lastiger voldoende
   tegenargumenten te formuleren. Dat kan hen het idee geven dat het eerste oordeel
   inderdaad het juiste is. Wat daarentegen wél helpt, zijn cognitieve strategieën die
   ertoe aanzetten om een keuze vanuit verschillende perspectieven te benaderen.
   Wanneer men voor een keuze staat, zijn de kennis en overwegingen die als eerste
   opkomen (of door de omgeving worden aangereikt) niet per se volledig of de meest
   relevante kennis en informatie. Bovendien zijn mensen geneigd tot een confirma-
   tion bias (Garb 1998), dat wil zeggen, hebben zij de neiging vooral die feiten en
   gebeurtenissen waar te nemen die aansluiten op hun wensen en overtuigingen, en
   contradictoire informatie niet te zien, te negeren of zo te herinterpreteren dat deze
   alsnog passend wordt. ‘Consider the oppositie’ blijkt dan ook een effectieve strate-
   gie. Bij deze strategie wordt mensen gevraagd redenen te bedenken waarom hun
   eerste oordeel onjuist zou kunnen zijn. Daardoor wordt hun aandacht gevestigd op
   aspecten van de werkelijkheid die zij anders mogelijk zouden negeren. Een ver-
   wante strategie, vooral bedoeld om ongerechtvaardigd optimisme tegen te gaan, is
   de vraag te stellen waarom iets verkeerd zou kunnen gaan. In beide gevallen heb-
   ben we het over een vorm van reality testing.
   Het probleem van dit soort denktechnieken is evenwel dat mensen ze pas zullen
   inzetten wanneer er sprake is van een zeker besef dat men mogelijk belangrijke
   informatie over het hoofd ziet. En daar wringt hem nu net de schoen. Mensen heb-
   ben vaak geen oog voor hun eigen biases (blind spot bias, Pronin et al. 2002; naive
   realism, Ross en Ward 1997). Dat leidt tot de interessante vraag of mensen beter
   gaan kiezen als zij expliciet worden onderwezen in het bestaan van de biases die de
   gedragswetenschappen de laatste decennia hebben geïdentificeerd, en de wijze
   waarop deze het eigen oordeel kunnen vertroebelen. Hiernaar is nog nauwelijks
   onderzoek gedaan. Het schaarse beschikbare onderzoek biedt nog te weinig basis
   om hierover betrouwbare uitspraken te kunnen doen.10
   Betere zelfcontrole
   Naar zelfcontrole is meer onderzoek gedaan, onder meer door de reeds genoemde
   Baumeister en collega’s. Uit hun bevindingen blijkt dat zelfcontrole is als een spier.
   Als er een groot beroep op wordt gedaan, wordt die zwakker, maar als men rust
   neemt, herstelt deze zich. Een nacht goed slapen leidt tot hernieuwd vermogen tot
   zelfcontrole, en mensen zijn ‘s ochtends beter in staat tot zelfcontrole dan later op
</pre>

====================================================================== Einde pagina 91 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 92 ======================================================================

<pre>                                                                     keuzedruk       91
de dag. En net als voor spieren geldt dat je zelfcontrole kunt trainen. Oaten en
Cheng (2006) verrichtten een aantal studies waaruit bleek dat uitoefenen van zelf-
controle op een bepaald terrein ook leidt tot meer zelfcontrole op andere terreinen.
Zo kregen studenten een individueel studieprogramma aangeboden dat een
beroep deed op zelfcontrole. Niet alleen bleek dit programma succesvol in het ver-
beteren van de studieresultaten, ook leidde het tot meer succes op andere terreinen
waarvoor zelfcontrole nodig is. Na afloop van het studieprogramma rookten de
deelnemers minder, dronken zij minder alcohol, aten ze gezonder en deden ze
meer aan sport. Moffitt et al., die zo’n sterk verband constateerden tussen zelf-
controle en diverse indicatoren voor welvaart en welzijn, schrijven dan ook “inno-
vative policies that put self-control center stage might reduce a panoply of costs
that now heavily burden citizens and governments.” (2011: 2697)
Eén van de meest veelbelovende ontwikkelingen op het gebied van vergroten van
zelfcontrole is het gebruik van implementatie-intenties (Gollwitzer 1999). Dat zijn
kleine en concrete gedragsplannetjes in de vorm van een ‘als … dan regel’, bijvoor-
beeld: ‘Als ik morgen naar de receptie ga, drink ik om en om alcohol en fris’ of: ‘Als
het ‘s ochtends om acht uur droog is, ga ik met de fiets naar het werk in plaats van
met de auto’. Het formuleren van dit soort implementatie-intenties blijkt veel
effectiever te zijn dan alleen maar het uitspreken van een algemeen voornemen
zonder verder concrete ‘operationalisering’. De essentie van implementatie-
intenties is dat mensen van tevoren bedenken welk gedrag zij zullen vertonen als
een bepaalde concrete situatie zich voordoet, en vervolgens proberen zichzelf als
het ware te programmeren. Als die situatie zich dan daadwerkelijk voordoet, hoe-
ven ze minder bewuste controle uit te oefenen om hun gedrag bij te sturen. In veel
onderzoeken is de effectiviteit van implementatie-intenties aangetoond (Gollwit-
zer en Sheeran 2006).
Vormen van educatie
De vorige alinea’s gingen over algemene mogelijkheden en strategieën om tot
betere besluiten en meer zelfcontrole te komen. Daarnaast bestaan er vele pro-
gramma’s en interventies gericht op specifieke levensdomeinen. Gezondheids-
voorlichting en –educatie is een bekend voorbeeld. De laatste decennia is er ook
steeds meer aandacht voor financial literacy en financial education.
De vraag is natuurlijk hoe effectief dit soort programma’s en interventies zijn. Dat
valt niet zo makkelijk te bepalen. Voor veel leefstijlinterventies is nog geen goed
effectiviteitsonderzoek beschikbaar. In ieder geval zijn er geen snelle oplossingen,
zo blijkt uit een rapport van de rivm (2010). Massamediale campagnes (postbus 51)
gericht op een gezondere leefstijl hebben meestal wel enig effect op kennis en hou-
ding, maar niet op gedrag. Ook kortdurende interventies zonder vervolg – een cur-
sus van enkele sessies, een schoolprogramma van een paar lessen, een eenmalig
advies van de huisarts – hebben hooguit een kortdurend effect. Voor een meer blij-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 92 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 93 ======================================================================

<pre>92  met kennis van gedrag beleid maken
    vend positief effect is een langer lopende en meer integrale aanpak vereist, waarin
    niet alleen de persoon in kwestie zelf maar ook zijn sociale en fysieke omgeving
    worden betrokken (ouders, vrienden, gelegenheden tot bewegen en sport). Ook
    constateert het rivm goede resultaten bij interventies in de eerstelijnszorg gericht
    op preventie van gezondheidsproblemen bij mensen met een verhoogd risico
    (ondersteuning bij het stoppen met roken, begeleiding bij het afvallen, online-
    coaching bij minder drinken, enzovoorts).
    Naar de effecten van financiële educatie is nog minder onderzoek gedaan. Wat er
    beschikbaar is, komt voornamelijk uit de vs, waar zeker sinds de crisis van 2008 de
    belangstelling voor financial literacy is toegenomen. Helaas vallen de resultaten
    vaak tegen. Uit sommige studies blijkt een significant effect maar uit andere niet.
    Collins en O’Rourke (2010) concluderen in een review van 41 evaluaties van finan-
    ciële educatie interventies dat de meeste een positief effect laten zien, maar de
    winst vaak klein is. Niet zelden kan men op methodologische gronden vraagtekens
    plaatsen, want veel van dit evaluatieonderzoek kent geen controlegroep. Op basis
    van het beschikbare onderzoek kan volgens Hastings et al. (2012) eigenlijk niet
    worden geconcludeerd wanneer financiële educatie nu werkzaam is en wanneer
    niet. Jungmann et al. (2012) onderzochten acht Nederlandse interventies die gere-
    geld worden ingezet in het kader van schuldpreventie, variërend van educatief
    jeugdtheater tot budgetcursussen. Zij rapporteren positieve effecten van deze
    interventies. Ook hier kan echter de kanttekening worden gemaakt dat de evalua-
    ties geen experimentele opzet kenden. Ook waren zij gebaseerd op gerapporteerde
    veranderingen in kennis, houding en gedrag, niet op feitelijk waargenomen veran-
    deringen van gedrag.
    Kortom, educatie gericht op een verstandiger omgang met geld of een gezonder
    levensstijl kán effectief zijn, maar zeker is het allerminst. Het beeld is gemengd, en
    veel zal afhangen van de specifieke doelgroep, inhoud en opzet van de educatie,
    moment van effectmeting, et cetera. Uiteraard geldt ook hier dat deze vorm van
    educatie alleen kan helpen bij mensen die zich reeds realiseren dat ze een probleem
    hebben en/of op zijn minst open staan voor deze voorlichting of educatie.
4.3 twee mogelijke beleidsrichtingen
    We maken de stand van zaken op. De gedragswetenschappen maken duidelijk dat
    mensen slechts beperkt rationeel zijn en moeite kunnen hebben met zelfcontrole.
    We hoeven ons daarbij echter niet zondermeer neer te leggen. Weloverwogen kie-
    zen en wilskracht kan men tot op zekere hoogte leren respectievelijk trainen.
    Tegelijk maken de gedragswetenschappen duidelijk dat we hiervan niet alle heil
    mogen verwachten. Zeker niet elke interventie op gebied van educatie en/of trai-
    ning is succesvol, voor blijvend resultaat is vaak een forse inspanning nodig, en het
    onderzoek naar ego depletion maakt duidelijk dat er domweg grenzen zijn aan wat
</pre>

====================================================================== Einde pagina 93 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 94 ======================================================================

<pre>                                                                     keuzedruk      93
mensen aankunnen. Het blijft dus mogelijk dat de keuzedruk die mensen ervaren
groter is dan wat zij redelijkerwijs aankunnen. Gesteld dat politiek en samenleving
dit een onwenselijke situatie vinden, wat zou de overheid dan aan die situatie kun-
nen doen?
De meest radicale oplossing is natuurlijk om de ontwikkeling van de afgelopen
jaren te keren, en de keuzedruk te verlagen door het aantal keuzes en/of opties
waaruit mensen kunnen kiezen (weer) te beperken. Bepaalde winkelketens in
Nederland doen goede zaken door hun klanten juist niet te overstelpen met een
overdaad aan keuzes, maar hun assortiment te beperken tot slechts één of enkele
varianten van elk product, waarvan de kwaliteit min of meer is gegarandeerd. Ken-
nelijk vinden nogal wat mensen die beperkte keuzevrijheid prettig. Zou de over-
heid dan niet kunnen afdwingen dat dit principe breder wordt toegepast? Dat lijkt
niet erg realistisch. De overheid kan wel voorschrijven dat een basisoptie wordt
aangeboden die aan bepaalde eisen voldoet (zorgverzekering, kabel), maar het is
niet voorstelbaar dat de overheid aan derde partijen daadwerkelijk een maximum
voorschrijft in het aantal producten of productvarianten dat zij mogen aanbieden.
Ook als het gaat om meer publieke voorzieningen, bijvoorbeeld energie, zullen
veel mensen niet willen terugkeren naar de situatie waarin zij gedwongen moeten
afnemen bij één leverancier.11 In plaats daarvan is het reëler te accepteren dat men-
sen tegenwoordig nu eenmaal worden geconfronteerd met veel keuzes en verlei-
dingen, en de aandacht te richten op de vraag hoe te bevorderen dat zij daarmee zo
goed mogelijk kunnen omgaan. We noemen hieronder twee mogelijke beleids-
richtingen.
Vergroten keuzevaardigheid en zelfcontrole
De eerste richting is om in te zetten op het vergroten van keuzecompetenties en
het trainen van wilskracht. Hoe beter mensen in staat zijn weloverwogen keuzes te
maken en zich daaraan te houden, hoe beter ze zijn toegerust om hun levensdoelen
te verwezenlijken, en zich niet van de wijs te laten brengen door verleidingen die
misschien wel op korte termijn winst opleveren maar op lange termijn – gemeten
naar hun eigen maatstaven! – alleen maar in hun nadeel zijn. Het is een ‘mentale
bewapening’ tegen allerhande vormen van trekken en duwen vanuit de omgeving,
waaronder mogelijke evil nudges van bedrijven. Bovendien zal dit vaak goed zijn
voor de samenleving als geheel, omdat bij veel gedragingen het individuele belang
en het collectieve belang met elkaar zullen overeenstemmen. Een gezondere leef-
stijl en verantwoord financieel gedrag van individuen zijn uiteindelijk in ons aller
voordeel. In het vorige hoofdstuk is uiteengezet dat het bij complexe problemen
onverstandig is om alle kaarten te zetten op nudging, omdat dat middel in isole-
ment waarschijnlijk onvoldoende krachtig is om daadwerkelijk een duurzame
gedragsverandering te realiseren. Soms is dat niet meer dan symptoombestrijding.
Wanneer men dergelijke problemen echt wil tackelen, is het vergroten van keuze-
competentie en zelfcontrole een noodzakelijk complement op nudging. Boven-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 94 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 95 ======================================================================

<pre>94 met kennis van gedrag beleid maken
   dien kan een grotere keuzevaardigheid leiden tot meer efficiëntie, omdat mensen
   daardoor beter in staat zijn die producten en diensten te selecteren die – nog steeds
   gemeten naar hun maatstaven – de beste prijs-kwaliteitsverhouding leveren.
   Kortom, beleid dat erin slaagt om, bijvoorbeeld via onderwijs, maatschappelijke
   ondersteuning of andere vormen van hulp, de keuzevaardigheid en zelfcontrole
   van burgers te vergroten lijkt een no regret beleid. Mits één en ander op vrijwillige
   basis gebeurt, is er in een democratische rechtstaat geen principieel argument te
   bedenken tégen een dergelijk beleid. Natuurlijk is het wel mogelijk dat de overheid
   om praktische redenen afziet van een dergelijk beleid, bijvoorbeeld omdat het
   onderwijs al zoveel taken heeft of omdat het te duur is. Het is uiteindelijk aan de
   politiek om te bepalen aan welke prioriteiten men de collectieve middelen wenst
   te besteden.
   Grenzen erkennen
   Een tweede richting is om in het overheidsbeleid meer rekening te houden met de
   grenzen van wat mensen aankunnen op het gebied van verstandig kiezen en zelf-
   controle. Immers, hoe hard men ook zijn best zal doen de keuzevaardigheid en
   zelfcontrole van mensen te vergroten, voor (een deel van) de burgers zal het aantal
   keuzes en verleidingen dat op hen afkomt groter zijn dan wat zij redelijkerwijs aan
   kunnen. Zeker de ingewikkeldere keuzes – zeg het kiezen van financiële produc-
   ten – vereisen bepaalde begripsvaardigheden en intelligentie waarover niet
   iedereen in gelijke mate beschikt. Bovendien zijn de bronnen die moeten worden
   aangesproken voor bewust en geïnformeerd kiezen en zelfcontrole niet onuit-
   puttelijk. Wie over iedere keuze goed wil nadenken, komt tijd tekort in het leven.
   Mensen kunnen niet zonder gewoonten, satisficing, delegatie van keuzes of – al
   dan niet noodgedwongen – negatieve keuzes, dat wil zeggen, keuzes die men de
   facto maakt door niet actief te kiezen. Voorts zal zelfs de meest ervaren en doorge-
   winterde beslisser op een gegeven moment ten prooi vallen aan ego depletion, en
   zijn weerstand verliezen tegen de verleidingen van alledag.
   Het is de vraag of beleidsmakers hiervoor altijd voldoende oog hebben.12 Voorals-
   nog is de trend de keuzevrijheid steeds verder te vergroten. Op zich is dat begrijpe-
   lijk. Ieder departement heeft voor zich vaak steekhoudende argumenten om de
   keuzevrijheid op zijn domein te vergroten. Het probleem is alleen dat niemand
   goed zicht heeft op het geheel, en niemand verantwoordelijk is voor het totaal aan
   keuzes dat op het bordje van burgers terecht komt. Als het gaat om financiële las-
   ten, wordt geregeld de beleidsbrede optelsom gemaakt zodat het ‘koopkracht-
   plaatje’ voor verschillende groepen duidelijk wordt. Het zou interessant zijn als
   eenzelfde optelsom kon worden gemaakt voor de hoeveelheid keuzevaardigheid
   en zelfcontrole die op de onderscheiden domeinen door beleid wordt veronder-
   steld. Daardoor wordt het ‘totale keuzedrukplaatje’ voor onderscheiden maat-
   schappelijke groepen zichtbaar.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 95 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 96 ======================================================================

<pre>                                                                                   keuzedruk        95
         Dat zou vervolgens gespiegeld kunnen worden aan de ‘draagkracht’ van mensen
         op dat gebied. Het is goed mogelijk dat voor verschillende groepen daaruit ook een
         verschillend beeld naar voren komt. Er zijn aanwijzingen dat autonomiekloven
         groter zijn in de lagere strata van de samenleving. Zo is inmiddels genoegzaam
         bekend dat men ongezonde levensstijlen, zoals een ongezond eetpatroon of roken,
         vaker tegenkomt bij lager opgeleiden dan bij hoger opgeleiden. Dat kan niet alleen
         maar worden verklaard door verschillen in inkomen, want roken is allesbehalve
         een goedkope gewoonte. Ook komen financiële problemen (welhaast per definitie)
         meestal eerder voor bij mensen met weinig inkomen dan bij mensen met een goed
         inkomen. Dergelijke problemen kunnen blijkens het onderzoek van Mani et al.
         (2013) een negatief effect hebben op de cognitieve capaciteit. Dat heeft in potentie
         belangrijke beleidsconsequenties:
  “First, policy-makers should be aware of imposing cognitive taxes on the poor just as they avoid
  monetary taxes on the poor. Filling out long forms, preparing for a lengthy interview, deciphe-
  ring new rules, or responding to complex incentives all consume resources. Policy-makers rarely
  recognize these cognitive taxes; yet our results suggest that they should focus on reducing them.
  Simple interventions such as smart defaults, help filling forms out, planning prompts, or even
  reminders may be particularly helpful to the poor.” (Mani, Mullainathan, Shafir en Zhao 2013:
  980)
         Daarmee komen toch weer de nudges om de hoek kijken. Ook al zijn er veel goede
         argumenten om in te zetten op het vergroten van keuzevaardigheid en zelf-
         controle, we moeten onder ogen zien dat hieraan grenzen zijn. Bepaalde groepen
         in de samenleving kunnen geholpen zijn met als zodanig herkenbare, niet-
         dwingende duwtjes in de richting van de optie die voor hen waarschijnlijk het
         beste uitpakt. Sommigen zullen nudging misschien beschouwen als ‘betutteling’,
         maar een categorische weigering van een dergelijke ‘betutteling’ zou – hoe goed
         ook bedoeld – deze groepen wel eens van de wal in de sloot kunnen helpen. Waar-
         aan zij de voorkeur geven, zou hen op zijn minst gevraagd kunnen worden.
4.4      een aanzet voor discussie
         Zoals aan het begin van dit hoofdstuk gezegd, zullen we in dit rapport geen
         beleidsconclusies trekken over de thema’s die in hoofdstuk aan de orde zijn
         gesteld. Ons doel is primair om te laten zien welke nieuwe beleidsvragen en
         dilemma’s dit onderdeel van de gedragswetenschappelijke kennis oproept. Dezer
         dagen lijkt alle aandacht uit te gaan naar de vraag hoe de nieuwe gedragsweten-
         schappelijke kennis kan helpen om reeds geformuleerde beleidsdoelen van de
</pre>

====================================================================== Einde pagina 96 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 97 ======================================================================

<pre>96 met kennis van gedrag beleid maken
   overheid te realiseren, maar de kwesties die we hier aan de orde hebben gesteld zijn
   zeker zo belangrijk. Naar onze mening verdienen zij beslist nader onderzoek en
   debat. Daarbij zouden de volgende vragen centraal moeten staan:
   – wat is de huidige ‘keuzedruk’ op burgers, hoe ontwikkelt deze zich, hoe ver-
       houdt deze zich tot wat mensen aankunnen, en welke verschillen zijn hierin
       tussen mensen?
   – waar is sprake van zodanige discrepantie tussen feitelijke keuzedruk en wat
       mensen aankunnen dat hun welvaart en welzijn significant worden geschaad
       en/of collectieve belangen worden geschaad?
   – wat hieraan te doen? In welke mate en op welke wijze is het mogelijk om de
       keuzevaardigheid en zelfcontrole van mensen te vergroten, in welke mate en
       op welke wijze is het mogelijk de keuzedruk voor mensen te verminderen, en
       wat kan en mag de rol van de overheid bij dit alles zijn?
   De fundamentele vraag is deze: in hoeverre mag men dan van de overheid verlan-
   gen dat zij beleid waarin meer keuzes bij de burgers worden gelegd (of dat de nade-
   lige gevolgen van verkeerde keuzes vergroot) vergezeld laat gaan van handvatten
   en voorzieningen die burgers helpen de juiste keuzes te maken – hetzij door duw-
   tjes in de goede richting te geven, hetzij door hun keuzevaardigheid en zelf-
   controle te vergroten? Kort gezegd: in hoeverre moet de overheid mensen helpen
   om zichzelf te helpen?
</pre>

====================================================================== Einde pagina 97 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 98 ======================================================================

<pre>                                                                                keuzedruk           97
noten
1   Hiermee bedoelen we niet hetzelfde als het begrip keuzestress, dat al enige jaren in omloop
    is. Met keuzestress wordt gedoeld op een subjectieve beleving van een veelheid (of overdaad)
    aan keuzes. Met name bepaalde groepen jongeren zouden hier last van hebben. In dit hoofd-
    stuk hebben wij het echter over het feitelijke aantal keuzes en verleidingen waarmee een
    mens wordt geconfronteerd, dus los van de vraag hoe die wordt beleefd. Sommige mensen
    kunnen goed omgaan met een hoge keuzedruk, bijvoorbeeld omdat zij beschikken over goed
    ontwikkelde keuzevaardigheden en wilskracht, voldoende tijd hebben om over keuzes na te
    denken, en/of een flegmatiek karakter hebben. Anderen zijn daar minder goed in, hebben
    mogelijk minder tijd om over al die keuzes goed na te denken, en/of hebben een karakter
    waardoor ze al bij een relatief geringe keuzedruk toch ‘in de stress’ schieten.
2   In een vergelijkbare experiment met weinig of veel cholocolaatjes om uit te kiezen, bleek dat
    degenen die uit het kleine assortiment kozen tevredener waren met hun keus dan degenen
    die uit het grote assortiment kozen. Overigens lijkt het erop dat het effect niet altijd optreedt,
    maar slechts onder bepaalde condities, die nog niet goed zijn geïdentificeerd (Scheibehenne
    et al. 2010).
3   Zie bijvoorbeeld Heckman (2011) en Almlund et al. (2011).
4   Zie voor de relatie tussen zelfcontrole en voedingskeuze ook het project ‘Health on Impulse:
    Promoting Healthy Food Choices under Low Self-Control Conditions’ van Zonmw,
    www.zonmw.nl/nl/projecten/project-detail/health-on-impulse-promoting-healthy-food-
    choices-under-low-self-control-conditions/samenvatting/.
5   De enquête werd afgenomen door bureau Veldkamp onder een steekproef uit het tns-Nipo
    Onderzoekspanel. Het veldwerk werd verricht in de tweede helft van april 2014. De resulta-
    ten zijn na lichte weging relatief demografisch representatief voor de Nederlandse bevolking.
6   De verkorte schaal van Tangney et al. (2004) is slechts drie items langer, namelijk dertien
    stuks.
7   Respondenten konden antwoorden op een vijfpunt-schaal, lopend van 1 (‘helemaal niet op
    mij van toepassing’) tot 5 (‘helemaal op mij van toepassing’), of konden kiezen voor ‘weet
    niet’. De stellingen vormen samen één schaal met Cronbach’s alpha = 0,74. De zelfcontrole-
    score is de gemiddelde score op de stellingen (waarbij de score voor de eerste drie en laatste
    vier stellingen is omgedraaid), exclusief de stellingen waarop de respondent met ‘weet niet’
    antwoordde. Respondenten die vaker dan drie maal voor ‘weet niet’ hebben gekozen, zijn
    niet in de verdere analyse meegenomen.
8   Niemand wist de puzzel overigens op te lossen, want die was opzettelijk onoplosbaar
    gemaakt.
9   Er is overigens enige discussie wat nu precies de reden is dat zelfcontrole niet onuitputtelijk
    is, en of er daadwerkelijk sprake is van een beperkte energiebron, of dat de beperkingen uit
    bepaalde psychologische drijfveren voortkomt. Zie Inzlicht et al. (2014).
10  Zie voor een eerste verkenning Grist (2010).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 98 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 99 ======================================================================

<pre>98 met kennis van gedrag beleid maken
11 Wat overigens nog wél denkbaar is, is een andere, enigszins verwante aanpak om de keuze-
   druk (weer) te verlagen, namelijk het verruimen van de mogelijkheid om terug te komen op
   eerder gemaakte keuzes. Deels is dit al praktijk. Wie per telefoon of via internet iets koopt,
   mag desgewenst binnen de wettelijke bedenktijd de koop ongedaan maken, ook als er verder
   niets mis is met het product in kwestie. Wie bij nader inzien toch niet zo blij is met zijn
   nieuwe energieaanbieder, mag binnen twee weken afzien van de overstap. Door dit soort
   regelingen wordt de keuzedruk lager, niet doordat het aantal keuzes of opties wordt vermin-
   derd, maar doordat men meer tijd krijgt voordat de keuze geldt als definitief. De overheid zou
   dus het aantal keuzes waarvoor een dergelijke regeling geldt kunnen vergroten en/of de reeds
   bestaande regelingen verder verruimen. Uiteraard zijn hier wel grenzen aan. Wanneer der-
   gelijke regelingen te ver worden opgerekt, wordt voor aanbieders een fatsoenlijke bedrijfs-
   voering onmogelijk.
12 Het Australische ministerie van Financiën toetst in haar beleidsadvisering alle nieuwe
   beleidsvoorstellen op vijf dimensies voor well being. Eén daarvan is deze: “The complexity of
   the choices facing individuals and the community. Our concerns include the costs of dealing
   with unwanted complexity, the transparency of government and the ability of individuals
   and the community to make choices and trade-offs that better match their preferences.”
   (Gorecki en Kelly 2012).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 99 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 100 ======================================================================

<pre>                                                                                    99
slotwoord
Sinds vijf jaar is er veel te doen over nudging. Het boek van Thaler en Sunstein is
een wereldwijde bestseller, beide wetenschappers hebben sinds publicatie belang-
rijke rollen vervuld bij de Amerikaanse en Engelse overheid, en onlangs werd The
European Nudge Network opgericht. Ook in ons land neemt de aandacht toe. Er is
belangstelling bij de departementen, er worden bijeenkomsten over georganiseerd,
en het wetenschappelijk onderzoek naar nudging komt op gang. In dit rapport
hebben we betoogd dat nudges vermoedelijk niet het wondermiddel zijn waarvoor
sommigen het houden, maar dat het zeker aanbeveling verdient de proef op de som
te nemen door ermee te experimenteren. Tegen nudging zijn in principe geen nor-
matieve bezwaren, mits het geen controversiële kwesties betreft, voldoende trans-
parantie wordt betracht en de gebruikelijke rechtstatelijke aspecten worden mee-
gewogen.
De belangrijkste boodschap van dit rapport is echter dat beleidsmakers verder moe-
ten kijken dan alleen naar nudges. Die vormen slechts het topje van de ijsberg. Wat
daar onder schuilt, is minstens zo belangrijk, en behelst veel meer dan enkel uit-
breiding van het instrumentenpalet. Structurele aandacht voor gedragsweten-
schappelijke inzichten kan resulteren in een completere probleemanalyse, tot meer
valide beleidstheorieën, verbetering van bestaand beleid, en impliceert een meer
inductieve wijze van beleid maken, waarin wordt geleerd van exploratie en experi-
ment. Bovendien vestigt de nieuwe kennis de aandacht op de mogelijkheid dat de
overheid meer keuzevaardigheid en zelfcontrole bij mensen aanwezig veronder-
stelt dan realistisch is. Zij roept dus ook weer belangrijke nieuwe beleidsvragen op.
Dit alles heeft consequenties voor de inrichting van de overheid. Er lijkt een dis-
crepantie te ontstaan tussen enerzijds de kennis en disciplines die traditioneel
sterk zijn vertegenwoordigd binnen de overheid en anderzijds de beleidsopgaven
waarvoor de overheid zich steeds vaker ziet gesteld. In die beleidsopgaven spelen
keuzes en gedrag een belangrijke rol. De laatste jaren wordt veel energie gestoken
in deregulering en het vergroten van keuzevrijheid, maar tegelijk wordt de samen-
leving steeds nadrukkelijker geconfronteerd met de ongewenste gevolgen van
bepaalde keuzes en gedrag, zoals vervuiling, uitputting van schaarse bronnen of
hoge zorgkosten. Het is niet realistisch te verwachten dat ‘de voortschrijdende
techniek’ al deze problemen alleen gaat oplossen. Daarvoor is ook een gedrags-
verandering nodig. Mensen krijgen dus meer eigen verantwoordelijkheid maar
tegelijk neemt het belang van verantwoord kiezen toe, zowel voor het individu als
voor de samenleving als geheel.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 100 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 101 ======================================================================

<pre>100 met kennis van gedrag beleid maken
    Desondanks is gedragsdeskundigheid slechts bescheiden vertegenwoordigd in het
    openbaar bestuur. Juristen en (klassieke) economen hebben doorgaans veel beter
    toegang tot de relevante beleidscircuits. Bij de ministeries zijn zij goed vertegen-
    woordigd, soms zelfs met complete directies, en de procedures zijn vaak zodanig
    dat zij niet gepasseerd mogen worden. Voor de gedragswetenschappen ligt dat
    anders. Daardoor sijpelen inzichten uit die disciplines moeizaam door naar het
    beleidsdebat. Veelzeggend is dat daarin pas voorzichtig enige verandering lijkt te
    komen door een boek dat is geschreven door een rechtswetenschapper (Sunstein)
    en een econoom (Thaler). Dit rapport is een pleidooi om nu volgende stappen te
    zetten. Het is belangrijk nu te zorgen voor een institutionele verankering van het
    gedragswetenschappelijke perspectief, zodat overheid en samenleving structureel
    in staat worden gesteld de winst te realiseren die aan de horizon reeds zichtbaar is.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 101 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 102 ======================================================================

<pre>                          101
bijlage i: adviesaanvraag
</pre>

====================================================================== Einde pagina 102 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 103 ======================================================================

<pre>102 met kennis van gedrag beleid maken</pre>

====================================================================== Einde pagina 103 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 104 ======================================================================

<pre>                                                                                       103
bijlage ii: geraadpleegde externe
deskundigen en meelezers
Dhr. prof. mr. J.P. Boer, hoogleraar rechtsgeleerdheid, Universiteit Leiden
Dhr. mr. M.T. Bouwes, directeur Wetgevingskwaliteitsbeleid, Ministerie Veiligheid en
  Justitie
Dhr. dr. A. van Dijk, Ministerie van Economische Zaken
Mw. drs. H. Dijkhuis, programmacoördinator, Zonmw
Dhr. drs. W.F. Dillingh, Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Dhr. dr. T. Dirkmaat, Ministerie van Economische Zaken
Dhr. drs. M.G.K. Einerhand, Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Dhr. R. van Egmond MSc, Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Dhr. prof. dr. R.A.J. van Gestel, hoogleraar rechtsgeleerdheid, UvT
Dhr. ir. B.M.E. Geurts, raadsadviseur, Ministerie van Algemene Zaken
Dhr. prof. dr. J.L.M. Gribnau, hoogleraar rechtsgeleerdheid, UvT en Universiteit Leiden
Mw. drs. D. de Groot, Wetgevingskwaliteitsbeleid, Ministerie van Veiligheid en Justitie
Mw. B.M. Hilhorst MA, Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Mw. dr. C. Klein Haarhuis, wodc
Dhr. prof. dr. P.W.C. Koning, hoogleraar arbeidsmarkt en sociale zekerheid, vu, Chief
  Scientist Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Dhr. prof. dr. F.L. Leeuw, hoogleraar bestuurskunde Universiteit Maastricht en directeur
  wodc
Mw. drs. T. Madern, Nibud
Mw. drs. Th. Noorlander, Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Dhr. dr. B. Pol, Tabula Rasa
Mw. prof. dr. D. de Ridder, hoogleraar psychologie en directeur Self Regulation Lab, Uni-
  versiteit Utrecht
Dhr. dr. E. Schmieman, plv. directeur Raad voor de Leefomgeving en Infrastructuur
Mw. prof. dr. E.-M. Sent, hoogleraar economie, Radboud Universiteit Nijmegen
Mw. drs. C. Swankhuizen, Tabula Rasa
Dhr. J.C. van der Velden, Permanente Vertegenwoordiging van Nederland in de eu,
  Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Mw. mr. S. Vermeulen, Wetgevingskwaliteitsbeleid, Ministerie van Veiligheid en Justitie
Dhr. prof. dr. W.J.M. Voermans, hoogleraar rechtsgeleerdheid Universiteit Leiden
Mw. B.M. Westenberg, coördinator campagnemanagement, dpc, Ministerie van Alge-
  mene Zaken
Mw. drs. M. Westhoff, programmamanager Nudging, Zonmw
Dhr. J. Zuure MSc, Raad voor de Maatschappelijke Ontwikkeling
</pre>

====================================================================== Einde pagina 104 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 105 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 105 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 106 ======================================================================

<pre>                                                                                              105
literatuur
Aarts, H., Verplanken, B. en Van Knippenberg, A. (1998) ‘Predicting behavior from actions
          in the past: Repeated decision making or a matter of habit?’, Journal of Applied
          Social Psychology 28: 1356-1375.
Aarts, H., T.L. Chartrand, R. Custers, U. Danner, G. Dik, V.E. Jefferis en C.M. Cheng (2005)
          ‘Social stereotypes and automatic goal pursuit’, Social Cognition: a Journal of
          Social, Personality and Developmental Psychology 23, 6: 465-490.
Adams, L.H.J. en W.J. Witteveen (2014) ‘Drie dimensies van de rechtsstaat’, Nederlands
          Juristenblad, 14, 1364-1373.
Alemanno, A. en A. Spina (2014) ‘Nudging Legally, On the Checks and Balances of
          Behavioural Regulation’, International Journal of Constitutional Law 2
          (te verschijnen)
Algemene Rekenkamer (2006) Staat van de beleidsinformatie 2006, Tweede Kamer,
          vergaderjaar 2005–2006, 30 558, nrs. 1–2.
Almlund, M., A.L. Duckworth, J.J. Heckman en T.D. Kautz (2011) Personality Psychology
          and Economics, nber Working Paper nr. 16822.
Anderson, J. (2009) ‘Autonomielücken als soziale Pathologie. Ideologiekritik jenseits des
          Paternalismus’, [‘Autonomy Gaps as Social Pathology: Ideologiekritik without
          Paternalism’], in R. Forst, M. Hartmann, R. Jaeggi, en M. Saar (red.)
          Sozialphilosophie und Kritik, Frankfurt: Suhrkamp.
Ariely, D. (2008) Predictably Irrational: The Hidden Forces That Shape Our Decisions, New
          York: Harper.
Bargh, J.A., M. Chen en L. Burrows (1996) ‘Automaticity of Social Behavior: Direct Effects of
          Trait Construct and Stereotype Activation on Action’, Journal of Personality and
          Social Psychology 71, 2: 320-244.
Baumeister, R.F., E. Bratslavsky, M. Muraven en D.M. Tice (1998) ‘Ego Depletion: Is the
          Active Self a Limited Resource?’, Journal of Personality and Social Psychology 74,
          5: 1252-1265.
Bavel, R. van, B. Herrmann, G. Esposito en A. Proestakis (2013) Applying Behavioural
          Sciences to eu Policy-making, Luxemburg: Publications Office of the European
          Union.
Benartzi, S. en R.H. Thaler (2013) ‘Behavioral Economics and the Retirement Savings Crisis’
          Science 339, 8 maart: 1152–1153.
Boer, J.P. (2013) Sturende belastingheffer een monster? Juridische kanttekeningen bij fiscaal
          instrumentalisme en ‘taks nudging’, oratie, Den Haag: sdu Uitgevers.
Bos, K. van den (2011) Vertrouwen in de overheid: Wanneer hebben burgers het, wanneer
          hebben ze het niet, en wanneer weten ze niet of de overheid te vertrouwen is?, Den
          Haag: Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
Bovens, L. (2008) ‘The ethics of nudge’, in T. Grune-Yanoff en S.O. Hansson Preference
          change: approaches from philosophy, economics and psychology, Berlijn: Springer.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 106 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 107 ======================================================================

<pre>106      met kennis van gedrag beleid maken
Coleman, S. (1996) The Minnesota income tax compliance experiment state tax results,
         Minnesota: Department of Revenue.
Collins, J.M. en C.M. O’Rourke (2010) ‘Financial Education and Counseling – Still Holding
         Promise’, Journal of Consumer Affairs 44, 3: 483-498.
Coppen, R. (2010) Organ donation, policy and legislation. With special reference to the Dutch
         Organ Donation Act, proefschrift Universiteit van Tilburg.
Custers, R. en H. Aarts (2010) ‘The Unconscious Will: How the Pursuit of Goals Operates
         Outside of Conscious Awareness’, Science 329, 2 July: 47-50.
Danner, U.N., H. Aarts en N.K. de Vries (2008) ‘Habit vs. intention in the prediction of
         future behaviour: the role of frequency, context stability and mental accessibility
         of past behaviour’, Britsh Journal of Social Psychology 47, 2: 245- 265.
Faddegon, K. (2009) ‘Psychologische verschillen in keuzegedrag’ blz. 115-138 in W.L.
         Tiemeijer, C.A. Thomas en H.M. Prast (red.) De menselijke beslisser: over de
         psychologie van keuze en gedrag, WRR-Verkenning nr. 22, Amsterdam:
         Amsterdam University Press.
Faddegon, K. (2011) Landelijk overgewichtbeleid gespiegeld aan kennis uit de
         gedragswetenschappen, wrr-Webpublicatie nr. 60, Den Haag : wrr.
Fairchild, A.L. (2012), Half Empty or Half Full? New York’s Soda Rule in Historical
         Perspective, www.nejm.org, 3 april.
Fishbein, M. en I. Ajzen (1975) Belief, Attitude, Intention and Behavior: an Introduction to
         Theory and Research, Reading: Addidon-Wesley.
Fiske, S.T., en Taylor, S.E. (1991). Social Cognition (2e ed.). New York: McGraw-Hill.
Garb, H. (1998) Studying the Clinician: Judgment Research and Psychological Assessment,
         Washington dc: American Psychological Association.
Gestel, R.A.J. van (2011)’Vertrouwen in een lerende wetgever’, RegelMaat 26, 1: 7-23.
Glaeser, E. (2006) ‘Paternalism and Psychology’, University of Chicago Law Review 73, 1:
         133-156.
Goldstein, N.J., R.B. Cialdini en V. Griskevicius (2008) ‘A Room with a Viewpoint: Using
         Social Norms to Motivate Environmental Conservation in Hotels’, Journal of
         Consumer Research 35, 3: 472-482.
Gollwitzer, P.M. (1999) ‘Implementation Intentions: Strong Effects of Simple Plans’,
         American Psychologist 54: 493-503.
Gollwitzer, P.M. en P. Sheeran (2006) ‘Implementation Intentions and Goal Achievement:
         A Meta-Analysis of Effects and Processes’, Advances in Experimental Social
         Psychology 38: 69-119.
Gorecki, S. en J. Kelly (2012) ‘New Approaches to Economic Challenges’, Workshop on
         National Experiences, Australia: Treasury’s Wellbeing Framework, oecd.
Gribnau, J.L.M. (2012) ‘Instrumentalisme en vrijheid’, Nederlands Tijdschrift voor Fiscaal
         Recht 8 maart: 1-8.
Grist, M. (2010) steer. Mastering our Behaviour through Instinct, Environment and Reason,
         Londen: the rsa.
Groot, I en J.A. Korteweg (2005) Hoe gaat de levensloop lopen? Literatuuronderzoek naar de
         nieuwe levensloopregeling, Amsterdam: seo.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 107 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 108 ======================================================================

<pre>                                                                           literatuur        107
Hanemaayer, D. (2012) Ex ante evaluatie in Nederland: de stand van zaken, Den Haag: Boom
         Lemma.
Harcourt, B. E. (2009) Illusion of Order: The False Promise of Broken Windows Policing
         Harvard University Press.
Hastings, J.S., B.C. Madrian en W.L. Skimmyhorn (2012) Financial Literacy, Financial
         Education and Economic Outcomes (nr. w18412), National Bureau of Economic
         Research.
Havighurst, R.J. (1953) Human Development and Education, New York: Longmans, Green.
Heckman, J. (2011) ‘The Economics of Inequality: The Value of Early Childhood Education’
         American Educator 35, 1: 31-35, 47.
Holland, R.W., M. Hendriks en H. Aarts (2005) ‘Smells Like Clean Spirit’, Psychological
         Science: Research, Theory and Application in Psychology and Related Sciences 16, 9:
         689-693.
Hoogerwerf, A. (1984) ‘Beleid berust op veronderstellingen: de beleidstheorie’, Acta
         Politica 19: 493.
House of Lords (2011) Behaviour Change Report, Londen : The Stationery Office Limited.
Institute for Government (2011) mindspace; Influencing behaviour through public policy
         Londen: Cabinets Office.
Inzlicht, M., Schmeichel, B.J., en Macrae, C.N. (2014) ‘Why Self-Control Seems (but may
         not be) Limited’ Trends in Cognitive Sciences 18, 3: 127-133.
Iyengar, S. S. en M.R. Lepper (2000) ‘When Choice is Demotivating: Can One Desire Too
         Much of a Good Thing?’, Journal of Personality and Social Psychology 79, 6: 995.
Johnson, E.J. en D.G. Goldstein (2003) ‘Do Defaults Save Lives?’, Science 302, 21 november:
         1338-1339.
Jones, R., J. Pykett, en M. Whitehead (2013) Changing Behaviours: On the Rise of the
         Psychological State, Cheltenham: Edward Elgar Publishing.
Jonkers, P. (2013) ‘Inzicht in gedrag voorwaarde voor goede wetgeving’, RegelMaat 1: 7-21
Jungmann, N., R. van Geuns, J. Klaver, P. Wesdorp en J. van der Wolk (2012) Op weg naar
         effectieve schuldhulpreventie: voorkomen is beter dan genezen, Utrecht:
         Hogeschool van Utrecht.
Kaptein, M. (2012) Digitale verleiding. Hoe beïnvloedingsprofielen de online marketing op
         z’n kop zetten, Amsterdam: Atlas Contact.
Keizer, K., S. Lindenberg en L. Steg (2008) ‘The Spreading of Disorder’, Science 322, 12
         december: 1681-1684.
Klein Haarhuis, C.M. m.m.v. S.A.C. Keulemans (2014) Ex ante onderzoek in Metaperspectief;
         Aard, aantallen en gebruik van ex ante analyses door de rijksoverheid, Den Haag:
         Boom Lemma.
Koning, P. (2012) ‘Beter een stok dan een wortel; toeleiding naar werk’ in J. Uitermark, A.-
         J. Gielen en M. Ham (red.) Wat werkt nu eigenlijk? Politiek en praktijk van sociale
         interventies, Amsterdam, Uitgeverij VanGennep.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 108 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 109 ======================================================================

<pre>108      met kennis van gedrag beleid maken
Koning, R. (2014) ‘De Crisis- en herstelwet: nood, spoed of experiment?’, blz. 35-45 in
         A.G. Bregman, H.E. Bröring en K.J. de Graaf, Onbegrensde rechtsbeoefening,
         Opstellen aangeboden aan prof. mr. D.A. Lubach, Den Haag: Stichting Instituut
         voor Bouwrecht.
Larrick R. P. (2004) ‘Debiasing’, in D.J. Koehler en N. Harvey (red.), Blackwell handbook of
         judgment and decision making, Malden: Blackwell Publishing.
Leenes, R. en C. Prins (2006) ‘Techniek als alternatief reguleringsinstrument. Implicaties
         voor privaatrechtelijke verhoudingen’, Recht der Werkelijkheid 27, 3: 117-134.
Leeuw, F.L. (2008) Gedragsmechanismen achter overheidsinterventies en rechtsregels, oratie,
         Maastricht: Maastricht University.
Lijphart, A. (1999) Patterns of Democracy, New Haven: Yale University Press.
Lilienfeld, S.O., R. Ammirati en K. Landfield (2009) ‘Giving Debiasing Away: Can
         Psychological Research on Correcting Cognitive Errors Promote Human
         Welfare?’, Perspectives on Psychological Science 4, 4: 390-398.
Lokhorst, A.M. (2009) Using Commitment to Improve Environmental Quality (diss.
         Leiden).
Mani, A., S. Mullainathan, E. Shafir en J. Zhao (2013) ‘Poverty Impedes Cognitive
         Function’, Science 341, 30 augustus: 976-980.
Meuwese, A. (2012) ‘Waarom het iak het keurmerk ‘ia’ (nog) niet mag voeren’, RegelMaat
         27, 1.
Michie, S. et al. (2013) ‘The Behavior Change Technique Taxonomy (v1) of 93 Hierarchically
         Clustered Techniques: Building an International Consensus for Reporting of
         Behavior Change Interventions’, Annals of Behavioural Medicine 46: 81-95.
Minszw (2009) Evaluatie Levensloopregeling, Den Haag: Ministerie Sociale Zaken en
         Werkgelegenheid.
Minvws (2009) Nota Overgewicht. Uit balans: de last van overgewicht, Den Haag:
         Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
Minvws (2011) Landelijke nota gezondheidsbeleid Gezondheid dichtbij, Den Haag: Ministerie
         van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
Mitchell, G. (2005) ‘Libertarian Paternalism is an Oxymoron’, Northwestern University
         Law Review 99, 3: 1245-1278.
Moffitt, T.E., L. Arseneault, D. Belsky, N. Dickson, R.J. Hancox, H. Harrington, R. Houts,
         R. Poulton, B.W. Roberts, S. Ross, M.R. Sears, W.M. Thomson en A. Caspi (2011)
         ‘A gradient of childhood self-control predicts health, wealth, and public safety’,
         Proceedings of the National Academy of Sciences 108, 7: 2693-2698.
New Economics Foundation (2005) Behavioural economics: seven principles for policy-
         makers, Londen: New Economics Foundation.
Nibud (2004) Meningen over levensloop, Utrecht: Nationaal Instituut voor
         Budgetvoorlichting.
Nolan, J.M., P. Wesley Schultz, R.B. Cialdini, N.J. Goldstein en V. Griskevicius (2008)
         ‘Normative social influence is underdetected’, Personality and Social Psychology
         Bulletin 34, 7: 913-923.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 109 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 110 ======================================================================

<pre>                                                                            literatuur       109
Noije, L. van en K. Wittebrood (2008) Sociale veiligheid ontsleuteld. Veronderstelde en
          werkelijke effecten van veiligheidsbeleid, Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau
Oaten, M. en K. Cheng (2006) ‘Improved Self-Control: The Benefits of a Regular Program of
          Academic Study’, Basic and Applied Social Psychology 28, 1: 1-16.
oecd (2010) Better Regulation in the Netherlands, Parijs: Organisation for Economic Co-
          operation and Development.
oecd (2012) Recommendation of the Council on Regulatory Policy and Governance, Parijs:
          Organisation for Economic Co-operation and Development.
Ossewaarde, R. (2006) Eigen verantwoordelijkheid: bevrijding of beheersing?, Den Haag:
          Raad voor de Maatschappelijke Ontwikkeling.
Prime Minister’s Strategy Unit (2004) Personal Responsibility and Changing Behaviour: the
          state of knowledge and its implications for public policy, Londen: Strategy Unit.
Pronin, E., D.Y. Lin en L. Ross (2002) ‘The Bias Blind Spot: Perceptions of Bias in Self
          Versus Others’, Personality and Social Psychology Bulletin 28, 3: 369-381.
Ranchordás, S. (2013) ‘The Whys and Woes of Experimental Legislation’, The Theory and
          Practice of Legislation 1, 3: 415-440.
Research voor Beleid (2011) Lees voor gebruik de bijsluiter. Mechanismen achter onbedoelde
          effecten van sociale zekerheid en re-integratie, Zoetermeer: Research voor Beleid.
Ridder, D. T. de, G. Lensvelt-Mulders, C. Finkenauer, F.M. Stok en R.F. Baumeister (2012)
          ‘Taking Stock of Self-Control. A Meta-Analysis of How Trait Self-Control Relates
          to a Wide Range of Behaviors’, Personality and Social Psychology Review 16, 1:
          76-99.
rivm (2010) Effecten van preventie. Deelrapport van de vtv 2010 Van gezond naar beter,
          Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu.
rli (2014) Doen en laten. Effectiever beleid door mensenkennis, Den Haag: Raad voor de
          leefomgeving en infrastructuur.
rmo (2006) Verschil maken. Eigen verantwoordelijkheid na de verzorgingsstaat, Den Haag:
          Raad voor de Maatschappelijke Ontwikkeling.
rmo (2014) De verleiding weerstaan; grenzen aan beïnvloeding van gedrag door de overheid,
          Den Haag: Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling.
Rowson, J. (2011) Transforming Behaviour Change: Beyond Nudge and Neuromania,
          Londen: rsa.
rvz (2010) Van zz naar gg, Den Haag: Raad voor de Volksgezondheid en Zorg.
Scheibehenne, B., R. Greifeneder en P.M. Todd (2010) ‘Can There Ever Be Too Many
          Options? A Meta-Analytic Review of Choice Overload’, Journal of Consumer
          Research 37, 3: 409-425.
scp (2010) Werkloosheid in goede banen, Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.
scp (2012) Een beroep op de burger. Minder verzorgingsstaat, meer eigen
          verantwoordelijkheid, Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.
Shah, A.K., S. Mullainathan en E. Shafir (2012) ‘Some Consequences of Having Too Little’,
          Science 338, 2 november: 682-685.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 110 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 111 ======================================================================

<pre>110        met kennis van gedrag beleid maken
Soll, J.B., K.L. Milkman, en J.W. Payne (2014) ‘A User’s Guide to Debiasing’, in G. Keren en
           G. Wu, Wiley-Blackwell Handbook of Judgment and Decision Making (te
           verschijnen).
Sunstein, C.R. (2014) Why Nudge? The Politics of Libertarian Paternalism, Cambridge: Yale
           University Press.
Taels, M. en W.F. van Raaij (2009) Eindrapport Orgaandonatie, een Vervolgonderzoek naar
           Beslissystemen, de Donorkaart en het Donorformulier, Tilburg: Universiteit van
           Tilburg.
Tangney, J.P., R.F. Baumeister en A. Boone (2004) ‘High Self-Control Predicts Good
           Adjustment, Less Pathology, Better Grades, and Interpersonal Success’, Journal of
           Personality 72, 2: 271-324.
Thaler, R. (2013) in Psychological Science and Behavioural Economics in the Service of Public
           Policy, 22 mei, Washington, dc Meeting Summary, National Institute on Ageing,
           National Institutes of Health, juli.
Thaler, R. en C.R. Sunstein (2008) Nudge: Improving Decisions About Health, Wealth, and
           Hapiness, New Haven: Yale University Press.
Tiemeijer, W.L. en J.H. Anderson (2014) ‘Normatieve overwegingen rondom
           gedragssturing’, in De verleiding weerstaan; grenzen aan beïnvloeding van gedrag
           door de overheid, Den Haag: Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling.
Tversky, A. en D. Kahneman (1981) ‘The Framing of Decisions and the Psychology of
           Choice’, Science 211, 30 januari: 453-458.
uk Green Building Council (2013) Retrofit Incentives. Boosting take-up of energy efficiency
           measures in domestic properties, Task Group Report.
Vohs, K.D., R.F. Baumeister, B.J. Schmeichel, J.M. Twenge, N.M. Nelson en D.M. Tice (2008)
           ‘Making Choices Impairs Subsequent Self-Control: A Limited-Resource Account
           of Decision Making, Slef-Regulation, and Active Initiative’, Journal of Personality
           and Social Psychology 94, 5: 883-898.
Vranken, J.B.M. en R.A.J. van Gestel (2008) ‘Een nieuwe afdeling advisering bij de Raad van
           State: Drie denkrichtingen’, Nederlands Juristenblad 46/47.
Ward, A. en L. Ross (1997) ‘Naive Realism in Everyday Life: Implications for Social Conflict
           and Misunderstanding’, Values and Knowledge 103-135.
White, M.D. (2013) The Manupilation of Choice. Ethics and Libertarian Paternalism, New
           York: Palgrave Macmillan.
Willis, L. E. (2012) ‘When Nudges Fail: Slippery Defaults’, University of Chicago Law
           Review 80, 3.
Wilson, J.Q. en G.L. Kelling (1982) ‘Broken Windows: the police and neighborhood safety’,
           The Atlantic, maart online op www.theatlantic.com/politics/crime/windows
wrr (2009) De menselijke beslisser: over de psychologie van keuze en gedrag, W.L. Tiemeijer,
           C.A. Thomas en H.M. Prast (red.), Amsterdam: Amsterdam University Press.
wrr (2013a) Toezien op publieke belangen. Naar een verruimd perspectief op rijkstoezicht,
           Amsterdam: Amsterdam University Press.
wrr (2013b) Naar een lerende economie. Investeren in het verdienvermogen van Nederland,
           Amsterdam: Amsterdam University Press
</pre>

====================================================================== Einde pagina 111 =================================================================

<br><br>