<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>Weten is nog geen doen</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid werd in voorlopige vorm ingesteld
in 1972. Bij wet van 30 juni 1976 (Stb. 413) is de positie van de raad deﬁnitief geregeld. De
huidige zittingsperiode loopt tot 31 december 2017.
Ingevolge de wet heeft de raad tot taak ten behoeve van het regeringsbeleid wetenschap-
pelijke informatie te verschaffen over ontwikkelingen die op langere termijn de samen-
leving kunnen beïnvloeden. De raad wordt geacht daarbij tijdig te wijzen op tegenstrij-
digheden en te verwachten knelpunten en zich te richten op het formuleren van pro-
bleemstellingen ten aanzien van de grote beleidsvraagstukken, alsmede op het aangeven
van beleidsalternatieven.
Volgens de wet stelt de wrr zijn eigen werkprogramma vast, na overleg met de minister-
president die hiertoe de Raad van Ministers hoort.
De samenstelling van de raad is:
prof. dr. A.W.A. Boot
prof. dr. mr. M.A.P. Bovens
prof. dr. G.B.M. Engbersen
prof. mr. dr. E.M.H. Hirsch Ballin
Prof. mr. J.E.J. Prins (voorzitter)
prof. dr. M. de Visser
prof. dr. C.G. de Vries (adviserend raadslid)
prof. dr. M.P.C. Weijnen
Secretaris: dr. F.W.A. Brom
Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid
Buitenhof 34
Postbus 20004
2500 ea Den Haag
Telefoon 070-356 46 00
E-mail info@wrr.nl
Website www.wrr.nl
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>Weten is nog geen doen
EEN REALISTISCH PERSPECTIEF OP
REDZAAMHEID
        Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, Den Haag 2017
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>Rapporten aan de Regering vanaf nrs. 68 t/m 96 zijn verkrijgbaar in de boekhandel of via
Amsterdam University Press (www.aup.nl).
Alle Rapporten aan de Regering en publicaties in de reeksen Verkenningen en Working
Papers zijn beschikbaar via www.wrr.nl.
Ontwerp omslag: Textcetera / cimon communicatie, Den Haag
Binnenwerk: Textcetera / Things To Make And Do, Den Haag
isbn        978 94 90186 48 7
e-isbn      978 94 90186 49 4
nur         756
Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, Den Haag 2017
Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgesla-
gen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op
enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of enige andere
manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.
Voor zover het maken van kopieën uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikel 16B
Auteurswet 1912 jº het Besluit van 20 juni 1974, Stb. 351, zoals gewijzigd bij het Besluit van
23 augustus 1985, Stb. 471 en artikel 17 Auteurswet 1912, dient men de daarvoor wettelijk
verschuldigde vergoedingen te voldoen aan de Stichting Reprorecht (Postbus 3051,
2130 kb Hoofddorp). Voor het overnemen van gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezin-
gen, readers en andere compilatiewerken (artikel 16 Auteurswet 1912) dient men zich tot
de uitgever te wenden.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>WRR

WETENSCHAPPELIJKE RAAD VOOR HET REGERINGSBELEID

Aan de Minister-President
Voorzitter van de Ministerraad
De heer drs. M. Rutte
Postbus 20001

2500 EA DEN HAAG

ons kenmerk telefoonnummer

2017005/AK/beq 070 356 4691

onderwerp e-mail datum
WRR-Rapport nr. 97 voorzitter@wrr.nl 12 april 2017
Weten is nog geen doen. Een

realistisch perspectief op

redzaamheid

Het doet ons genoegen u hierbij het rapport Weten fs nog geen doen. Een realistisch
perspectief op redzaamheid aan te bieden. Dit rapport vormt een volgende stap in het
onderzoek van de WRR naar de relevantie en betekenis van gedragswetenschappelijke kennis
voor beleid.

De hedendaagse samenleving stelt hoge eisen aan de redzaamheid van burgers. Redzaamheid
vraagt niet alleen het nodige denkvermogen, maar ook ‘doenvermogen’. Om redzaam te zijn
moet je een plan kunnen maken, in actie komen, volhouden en kunnen omgaan met
verleidingen en tegenslag. Lang niet alle burgers zijn onder alle omstandigheden hiertoe in
staat. Vooral in stresssituaties staan deze verrmogens onder druk. De overheid heeft soms te
hoge verwachtingen van het doenvermogen van burgers. De impliciete veronderstelling achter
veel van het huidige beleid lijkt te zijn dat weten automatisch leidt tot handelen en dat
informeren en sanctioneren volstaat.

De WRR meent dat een meer realistisch perspectief op de mentale vermogens van burgers kan
bijdragen aan een nieuwe invulling van het sociaal contract tussen overheid en burgers. Als de
overheid oog heeft voor de mentale belasting die beleid met zich meebrengt en voorkomt dat
momenten van onoplettendheid en zwakte direct ingrijpende gevolgen hebben, draagt dat bij
aan de redzaamheid van burgers en de legitimiteit van overheid en beleid.

Ingevolge de instellingswet ziet de raad graag de bevindingen van de ministerraad tegemoet.

De voorzitter, De secretaris,
ee EL
Prof.mr. J.E.J. Prins Dr. F.W.A. Brom

Buitenhof 34, Postbus 20004, 2500 EA Den Haag
telefoon (070) 356 46 00, website: www.wrr.nl, e-mail: info@wrr.nl
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>                                                                             7
inhoudsopgave
Samenvatting                                                                 9
Ten geleide                                                                 17
1        Het belang van mentale vermogens voor redzaamheid                  19
1.1      Een realistisch perspectief op redzaamheid                         19
1.2      Meer dan kennis alleen                                             21
1.3      Het toegenomen belang van mentale vermogens                        25
1.4      Opzet rapport                                                     28
2        Redzaamheid in de praktijk                                         31
2.1      De dagelijkse opgave van redzaamheid                               31
2.2      Gezondheid                                                         31
2.3      Persoonlijke ﬁnanciën                                              41
2.4      Arbeidsmarkt                                                      49
2.5      Conclusie: de lat ligt hoog in de participatiesamenleving         56
3        Determinanten van doenvermogen                                    63
3.1      Niet-cognitieve determinanten: persoonlijkheidskenmerken          64
3.2      Niet-cognitieve determinanten: overtuigingen                      70
3.3      Samenhang tussen kenmerken en mentale vermogens                    73
3.4      Conclusie: verschillende kansen op redzaamheid                     78
4        Redzaamheid en situationele invloeden                             85
4.1      De invloed van acute stress                                       86
4.2      Mentale vermoeidheid                                               91
4.3      De psychologische effecten van armoede                          100
4.4      Conclusie: stress en belasting beïnvloeden redzaamheid negatief  101
5        Training en interventie                                         105
5.1      Betere zelfcontrole                                             105
5.2      Het trainen van domeinspeciﬁeke vaardigheden                      112
5.3      Is het trainen van niet-cognitieve vermogens wenselijk?          118
5.4      Conclusie: beperkt bewijs voor trainbaarheid                     122
6        Mentale vermogens, redzaamheid en beleid                         127
6.1      Mentale vermogens en redzaamheid: meer dan denkvermogen alleen   127
6.2      Gevolgen voor beleid: weten is nog geen doen                     132
6.3      Voorbereiding van beleid: meer zicht op mentale belasting        138
6.4      Inhoud van beleid: meer dan informatie alleen                    141
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>8        weten is nog geen doen
6.5        Uitvoering van beleid: veriﬁëren en differentiëren           146
6.6        Epiloog: een realistische overheid is een legitieme overheid  153
Bijlage I: Verantwoording survey                                         157
Bijlage II: Lijst van gesproken personen                                163
Literatuurlijst                                                         167
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>                                                                                   9
samenvatting
focus op redzaamheid
De hedendaagse samenleving stelt hoge eisen aan de redzaamheid van burgers. Op
cruciale onderdelen van het leven wordt van burgers veel alertheid gevraagd. Het is
niet meer voldoende om de brief met het jaarlijkse pensioenoverzicht netjes in een
mapje op te bergen. Lang voordat de pensioendatum in zicht komt moet je in actie
komen en keuzes maken. Een langdurige loopbaan bij één werkgever is steeds
minder vanzelfsprekend. Van werknemers en zzp’ers wordt verwacht dat zij hun
inzetbaarheid op peil houden en gespitst zijn op nieuwe kansen en bedreigingen.
Binnen het gezondheidszorgbeleid staan autonomie en eigen verantwoordelijk-
heid voorop. De redzame patiënt is geïnformeerd, volgt een gezonde leefstijl, kiest
zelf voor een behandelaar en beslist actief mee over de behandeling.
Lang niet alle burgers zijn onder alle omstandigheden hiertoe in staat. Er bestaat
een behoorlijk verschil tussen wat van burgers wordt verwacht en wat zij daadwer-
kelijk aankunnen. De groep voor wie de eisen soms te hoog gegrepen zijn, is niet
beperkt tot een kleine groep ‘kwetsbaren’ zoals mensen met een laag iq. Ook men-
sen met een goede opleiding en een goede maatschappelijke positie kunnen in
situaties verzeild raken waarin hun redzaamheid ontoereikend is, zeker op
momenten dat het leven tegenzit. Dat is niet omdat hun intelligentie of kennis
tekortschiet, maar omdat er een beroep wordt gedaan op allerlei andere mentale
vermogens, zoals het vermogen om in actie te komen, om het hoofd voldoende
koel te houden, en om vast te houden aan goede voornemens.
de volgende gedragswetenschappelijke stap: aandacht voor
doenvermogen
In dit rapport hebben we onderzocht welke mentale vermogens nodig zijn voor
maatschappelijke redzaamheid. Dat intelligentie en goed kunnen lezen, schrijven
en rekenen van groot belang zijn is algemeen erkend. De afgelopen jaren is er in
wetenschap en beleid de nodige aandacht geweest voor de beperkingen van het
menselijk denk- en oordeelsvermogen. Vanuit de gedragswetenschappen is aange-
toond dat het vermogen van mensen om informatie te wegen en rationale keuzes
te maken begrensd is.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>10          weten is nog geen doen
                                                                        in actie
                                EN                                      komen          DO
                             E R M OG
                                                                                       E N V E R M OG E
                                            informatie      een            met
                                           verzamelen       plan           tegenslag
                                             en wegen      maken           omgaan
                              NK V
                                  DE                                    volhouden      N
            Dit rapport zet een volgende stap en richt zich op ‘doenvermogen’, dat men in het
            dagelijks leven vaak aanduidt als ‘persoonlijkheid’ of ‘karakter’. Met dit neolo-
            gisme doelen we op non-cognitieve vermogens, zoals een doel stellen en een plan
            maken, in actie komen, volhouden en om kunnen gaan met verleidingen en tegen-
            slag.
            determinanten van doenvermogen
            Aan de basis van dit doenvermogen liggen een drietal persoonskenmerken: tem-
            perament, zelfcontrole en overtuiging. Deze drie kenmerken hangen signiﬁcant
            samen met vermogens die centraal staan bij redzaamheid, zo blijkt uit de literatuur
            en een survey.
                                             Mentale
     COGNITIEF                              vermogens
      intelligentie,
       cognitieve
     vaardigheden
                                                           DOE N V E R M
                                K       V E R M OG E N                     OG
                         D   EN
                                                             in actie       EN
                                                             komen
                                                                                                  relevant voor
                          informatie                een         met                                   werk
      Persoons-          verzamelen                 plan        tegenslag
     kenmerken                                                                                    gezondheid
                           en wegen                maken        omgaan                             ﬁnanciën
                                                             volhouden
          NIET
     COGNITIEF
     temperament,
      zelfcontrole,
       overtuiging
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>                                                                   samenvatting         11
Mensen met een approach temperament zijn eerder geneigd om ‘stressoren’ onder
ogen te zien en aan te pakken, terwijl mensen met een avoidance temperament eer-
der geneigd zijn ‘stressoren’ te ontkennen en te vermijden. De eerste groep scoort
relatief hoog op levensuitkomsten en de omgang met problemen, de twee groep
relatief laag.
      Ten tweede is er een verband met het vermogen tot zelfcontrole. Dit is het ver-
mogen om dominante gedragsneigingen te veranderen of te onderdrukken en
gedrag, gedachten en emoties te reguleren. In een samenleving waarin van mensen
gevraagd wordt zich niet over te geven aan allerlei verleidingen, maar vooruit te
denken en nu al maatregelen te nemen om mogelijke problemen later te voor-
komen, is zelfcontrole een belangrijke vereiste voor redzaamheid.
      Ten derde is er een verband met overtuigingen. De een is optimist en denkt dat
het allemaal wel goed komt, de ander voelt zich machteloos en vervalt tot passivi-
teit. Hierbij is duidelijk dat meer niet altijd beter is. Een teveel aan optimisme en
zelfvertrouwen kan contraproductief zijn, namelijk als het ertoe leidt dat men pro-
blemen niet onder ogen ziet of negeert.
de startpositie van mensen verschilt
We hebben gezien dat deze niet-cognitieve kenmerken inderdaad samenhangen
met de mentale vermogens die in dit rapport centraal staan. Mensen verschillen in
de mate waarin ze over hierover beschikken. Die verschillen hangen enigszins
samen met opleidingsniveau, maar zeker niet volledig. Er is een substantieel per-
centage lager opgeleiden dat hoog scoort op niet-cognitieve vermogens, en omge-
keerd is er een substantieel percentage hoger opgeleiden dat laag scoort. De verde-
ling volgt grosso modo een normaalverdeling. Sommigen scoren goed, anderen
heel slecht, maar de meeste mensen scoren rond het gemiddelde.
      Daaruit volgt een belangrijke conclusie. Niet alle burgers hebben in aanleg
gelijke kansen op redzaamheid. Niet-cognitieve persoonskenmerken hebben
immers een erfelijke component, net als intelligentie.
stress en mentale belasting zetten mentale vermogens onder
druk
Bovendien zijn levensomstandigheden van invloed op de inzetbaarheid van die
niet-cognitieve vermogens. We weten bijvoorbeeld dat zelfcontrole door veel-
eisende cognitieve taken of door langdurige blootstelling aan verleidingen onder
druk komt te staan. Dat is extra problematisch op momenten wanneer het leven
tegenzit, zoals bij een echtscheiding, faillissement, of ontslag. Juist dan is het cru-
ciaal dat iemand in actie komt, de juiste keuzes maakt en die weet vol te houden.
Helaas zijn dit nu net de situaties die gepaard gaan met stress.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>12       weten is nog geen doen
         geen hooggespannen verwachtingen over trainbaarheid
         Over de mogelijkheid om niet-cognitieve vermogens te trainen is nog niet veel
         bekend, maar het onderzoek dat er is geeft nog geen aanleiding tot hooggespannen
         verwachtingen. Iemands temperament veranderen is lastig, zo niet onmogelijk.
         Overtuigingen zijn beter veranderbaar, maar het is nog niet vastgesteld of het
         trainingseffect ook doorwerkt op andere gebieden. Als iemand overtuigd raakt dat
         hij in staat is zelf een baan te vinden, betekent dat niet automatisch dat hij ook
         gelooft dat hij kan stoppen met roken. Zelfcontrole is in theorie het meest efﬁ-
         ciënte aangrijpingspunt voor interventie, maar onderzoek laat slechts bescheiden
         resultaten zien, en het is de vraag in hoeverre die blijvend zijn.
              Gunstiger zijn de perspectieven voor training van vaardigheden in speciﬁeke
         domeinen. Maar dat geldt alleen als interventies zich niet uitsluitend richten op
         het denkvermogen, maar ook op het doenvermogen.
   De wrr waarschuwt geen overspannen verwachtingen te koesteren over de algemene trainbaar-
   heid van niet-cognitieve vermogens. In elk geval bestaan er geen eenvoudige, snelle en goedkope
   oplossingen. Verschillen in doenvermogen zullen een realiteit blijven.
   – Zolang er onvoldoende empirisch bewijs is, adviseert de wrr dus om terughoudend te zijn
       met de invoering van algemene interventies.
   – Experimenteer met en doe gedegen onderzoek naar de mogelijkheden van training van niet-
       cognitieve vermogens.
   – Daar waar de werkzaamheid van training van speciﬁeke vaardigheden empirisch is onder-
       bouwd, zou de overheid een toegankelijk aanbod moeten bevorderen.
         betekenis voor beleid: weten is nog geen doen
         Het klassieke beleidsperspectief van de overheid gaat uit van een burger bij wie de
         juiste kennis automatisch leidt tot de juiste daden. Het is het rationalistische per-
         spectief dat aan de basis ligt van veel juridische en economische benaderingen van
         beleid. Daarnaast zetten wij een realistisch perspectief dat een vertaling is van de
         gedragswetenschappelijke bevindingen van dit rapport. Dat perspectief gaat ervan
         uit dat mensen niet altijd handelen, ondanks hun goede voornemens. Weten leidt
         niet altijd tot doen. Bovendien kan een keuze die op de lange termijn ‘onverstan-
         dig’ is, op de korte termijn gezien de situatie van het individu wel degelijk de
         ‘verstandige’ optie zijn. Het uitgangspunt van beide perspectieven is hetzelfde, te
         weten eigen verantwoordelijkheid, en het doel is eveneens hetzelfde: autonomie
         en redzaamheid voor iedere burger. De twee perspectieven verschillen echter in
         hun aannames over de mentale vermogens van burgers en over psychologische
         wetmatigheden. Omdat het eerste perspectief uitgaat van te hoge verwachtingen
         van het doenvermogen van burgers brengt dit het doel van redzaamheid niet altijd
         dichterbij.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>                                                                               samenvatting          13
 1. Rationalistisch perspectief                       2. Realistisch perspectief
 Assumpties over mentale vermogens:                   Assumpties over mentale vermogens:
 – iedereen beschikt over voldoende                   – normaalverdeling: sommigen scoren hoog,
    mentale vermogens voor redzaamheid                   sommigen laag, grote middengroep
 – uitzondering: kleine groep kwetsbaren              – staart van (zeer) kwetsbaren
 – aandacht voor denkvermogen                         – ook aandacht voor doenvermogen
 Assumpties over gedrag:                              Assumpties over gedrag:
 – weten leidt tot doen                               – weten is nog geen doen
 – zelfcontrole is onbeperkt                          – zelfcontrole is begrensd
 Inrichting beleid                                    Inrichting beleid
 – meer keuze is altijd beter                         – verleiding en stress verminderen
 – sturen via informatie en ﬁnanciële prikkels        – sturing via keuzearchitectuur
 – burger moet de wet kennen                          – burger moet de wet ook ‘kunnen’
 Uitvoering beleid                                    Uitvoering beleid
 – afstandelijk, zakelijk                             – persoonlijk, proportioneel
 – geen contact voorafgaand aan sancties              – wel contact voorafgaand aan sancties
 – alleen hulp bij evidente overmacht                 – meer differentiëren: niet willen/niet kunnen
        implicaties voor de relatie tussen overheid en burger
        Hoe tolerant moeten de overheid en instituties zijn voor menselijk gedrag? Vanuit
        pragmatisch oogpunt gaat het erom hoe regels zo kunnen worden ingericht dat de
        beoogde redzaamheid zo goed mogelijk wordt gerealiseerd. Een realistisch per-
        spectief dat rekening houdt met verschillen en beperkingen in doenvermogen van
        burgers biedt meer kans op het realiseren van redzaamheid. Regels en instituties
        moeten een zekere ‘robuustheid’ of ‘correctievermogen’ hebben jegens menselijke
        fouten. Bij het ontwerpen van beleid moet de vraag gesteld worden wat er gebeurt
        met mensen die niet meteen hun post openmaken of niet meteen in actie komen
        als dat noodzakelijk is.
             Maar er zijn ook principiële argumenten voor een realistisch perspectief op de
        burger. Vanuit dit tweede perspectief is duidelijk dat verkeerde keuzes of passivi-
        teit niet per se hoeven te duiden op onwil, maar ook kunnen duiden op onvermo-
        gen of overbelasting. Sommige mensen staan op het gebied van redzaamheid nu
        eenmaal voor een grotere opgave dan anderen, niet alleen vanwege verschillen in
        cognitief vermogen, maar ook doordat zij bepaalde moeilijk veranderbare per-
        soonskenmerken hebben meegekregen die een relatief grote kans op problemen
        geven.
De wrr beveelt aan in beleid uit te gaan van een realistische inschatting van het denkvermogen en
het doenvermogen van gewone burgers.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>14       weten is nog geen doen
         voorbereiding van beleid: meer zicht op mentale belasting
         Het is duidelijk dat er grenzen zijn aan de mentale belasting die mensen aankun-
         nen. De overheid houdt hier echter niet altijd rekening mee. Ook houdt zij niet in
         de gaten wat het totaal aan keuzes, verleidingen en veronderstelde acties is dat op
         mensen afkomt en of dat wel hanteerbaar is. Bij voorgenomen beleid en regel-
         geving dient daarom expliciet getoetst te worden of de inrichting van de regel-
         geving rekening houdt met verschillen in doenvermogen van burgers. De burger
         moet de wet niet alleen kennen maar ook ‘kunnen’. Gaat de wetgeving wel uit van
         reële assumpties over het gedrag van burgers?
              Reductie van mentale belasting is met name belangrijk in situaties die niet
         vaak in het leven voorkomen, maar grote impact hebben, zoals baanverlies, echt-
         scheiding of het krijgen van een kind. Het is juist in dit soort omstandigheden dat
         burgers die onder gewone omstandigheden redzaam zijn, het overzicht verliezen
         en daardoor beslissingen uitstellen of verkeerde keuzes maken, waardoor ze in de
         problemen komen. Reductie van de belasting, door vereenvoudiging van de regels
         of door gerichte ondersteuning, kan dan bijdragen aan de redzaamheid van bur-
         gers.
   De wrr beveelt daarom aan:
   – om bij de voorbereiding van beleid te toetsen of de inrichting van de regelgeving rekening
      houdt met verschillen in doenvermogen;
   – om de mentale belasting voor burgers in kaart te brengen en met behulp van pilots of een ibo
      te onderzoeken hoe de mentale belasting bij stressvolle life events kan worden gereduceerd.
         inhoud van beleid: pas de keuzearchitectuur aan
         Effectief beleid houdt rekening met de verschillen in mentale vermogens van bur-
         gers. In het rationalistische perspectief is informatieverstrekking een belangrijk
         instrument, maar in het realistische perspectief komt een breder palet aan stu-
         ringsmiddelen in beeld. De overheid kan inspelen op de beperkte niet-cognitieve
         vermogens van burgers door de keuzearchitectuur aan te passen. Dat kan met
         behulp van simpele labels, aanvinken van standaard-opties (defaults), opt-outstel-
         sels, ‘ongewenste’ keuzes beperkt mogelijk maken, of geschaalde vrijheden. Een
         belangrijk onderdeel van een realistische benadering is het terugdringen van ver-
         leidingen, zodat mensen niet voortdurend een beroep hoeven te doen op hun zelf-
         controle.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>                                                                            samenvatting         15
De wrr beveelt aan:
– om een keuzearchitectuur te hanteren die uitgaat van een realistisch beeld van de burger;
– de keuzedruk te reduceren;
– verleidingen die een groot beroep doen op de zelfcontrole van burgers te verminderen;
– zeer terughoudend te zijn met het bieden van grote keuzevrijheden op het terrein van essen-
   tiële ﬁnanciële voorzieningen, zoals ziektekosten- en arbeidsongeschiktheidsverzekeringen en
   pensioenvoorzieningen.
      uitvoering van beleid: verifiëren en differentiëren
      Een rationalistisch perspectief kan hele onaangename gevolgen hebben als dat
      wordt gecombineerd met geautomatiseerde beleidsuitvoering. De overheid legt
      bijvoorbeeld automatische boetes op als een burger niet betaalt. Wie even niet
      oplet, of verzuimt op tijd te betalen, ziet zijn boetes in korte tijd oplopen tot een
      enorm bedrag. Vanuit een realistisch perspectief op mentale vermogens dient de
      overheid bij handhaving van beleid eerst te veriﬁëren in hoeverre er sprake is van
      niet willen of van niet kunnen betalen. Vervolgens dient zij te differentiëren, en
      haar reactie af laten hangen van de aard van de situatie. De overheid dient daarbij
      proportioneel op te treden. Forse overtredingen verdienen forse sancties, maar
      kleine fouten moeten ook kleine gevolgen hebben. Vanuit een realistisch perspec-
      tief moet er ook ruimte zijn voor burgers om op hun schreden terug te keren en
      eerdere ‘fouten’ te herstellen. Dat geldt zeker als de burgers de gevolgen van een
      keuze niet konden overzien.
–  De wrr beveelt aan bij de uitvoering van beleid vroegtijdig en persoonlijk contact met burgers
   te zoeken wanneer er sprake is van onregelmatigheden om zo beter onderscheid te maken tus-
   sen burgers die niet willen en die niet kunnen, en bij te kunnen sturen op een moment dat
   mensen nog genoeg mentale ruimte hebben om helder na te denken en in actie te komen.
–  Een kenniscentrum kan helpen om een realistisch perspectief op de uitvoering van beleid ver-
   der in de praktijk te brengen, door middel van toetsen en ontwikkelen van best practices, pilots
   en veldexperimenten.
      een realistische overheid is een legitieme overheid
      Een realistisch perspectief kan bijdragen aan een nieuwe invulling van het sociaal
      contract tussen overheid en burgers. Burgers moeten erop kunnen vertrouwen dat
      de overheid hen niet over de rand duwt en dat momenten van onoplettendheid en
      zwakte niet direct ingrijpende gevolgen hebben. Dat is goed voor de redzaamheid
      van burgers, maar ook voor de schatkist en het draagt bij aan de legitimiteit van
      overheid en beleid.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>                                                                                     17
ten geleide
Dit rapport is voorbereid door een wrr-projectgroep onder leiding van
prof. dr. Mark Bovens. De projectgroep bestond verder uit de projectcoördinator
drs. Anne-Greet Keizer en dr. Will Tiemeijer. Gedurende kortere tijd maakten ook
Gijs Custers, Rodinde Pauw, Rosalie Joosten, Vivian van Wingerden en Emma
Hartholt deel uit van de projectgroep als stagiaires.
Weten is nog geen doen. Een realistisch perspectief op redzaamheid is tot stand geko-
men na een intensief proces van consultatie en analyse. Naast bestudering van de
wetenschappelijke literatuur zijn gesprekken gevoerd met ruim 90 experts,
beleidsmakers en betrokkenen uit de praktijk. Wij zijn hen veel dank verschuldigd
voor hun tijd, kennis en suggesties. Hun namen staan achter in het rapport.
Tot slot danken wij in het bijzonder de deskundigen die bereid waren eerdere ver-
sies van dit rapport van commentaar te voorzien. De theoretische hoofdstukken
uit dit rapport zijn getoetst door prof. dr. Denise de Ridder en prof. dr. Jaap Denis-
sen. In de laatste fase zijn delen van het rapport besproken met prof. dr. Kees van
den Bos, prof. dr. Wilco van Dijk, prof. dr. Michiel Scheltema en mr. Reinier van
Zutphen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>                                                                                             19
1   het belang van mentale vermogens voor
    redzaamheid
1.1 een realistisch perspectief op redzaamheid
    Een focus op redzaamheid…
    Het is een jaarlijks ritueel voor veel burgers. De brief met het jaaroverzicht van het
    pensioenfonds komt binnen, hij wordt opengemaakt, blijft nog een tijdje liggen,
    en verdwijnt dan ongelezen in het mapje ‘pensioenen’. Jarenlang was dit een onge-
    vaarlijke gewoonte. Het pensioen werd automatisch via de werkgever geregeld en
    de dekking zat wel goed. Tegenwoordig is het onverstandig om niet naar je pensi-
    oen om te kijken. Een onbezorgde oude dag is niet meer vanzelf gegarandeerd.
    Lang voordat de pensioendatum in zicht komt moet je in actie komen en keuzes
    maken. Door een reeks aanpassingen van het pensioenstelsel kan het ongelezen
    wegstoppen in een mapje op lange termijn tot grote ﬁnanciële problemen leiden.
         De afm (2015) concludeert dat een derde van de burgers bij de huidige pen-
    sioenopbouw niet kan voorzien in zijn beoogde bestedingsbehoefte. Vaak wordt
    gedacht dat deze problemen zich alleen voordoen bij mensen met een laag inko-
    men. Dat is niet het geval. “Vooral onder mensen met een hoog inkomen is het
    bewustzijn laag. Bijna 70 procent ziet het tekort niet aankomen” (afm 2015: 20).
         Ook op andere cruciale onderdelen van het leven wordt van burgers veel alert-
    heid gevraagd. Een langdurige loopbaan bij één werkgever is niet meer vanzelf-
    sprekend. Vaste contracten maken plaats voor ﬂexwerk. Van werknemers en
    zzp’ers wordt verwacht dat zij hun inzetbaarheid op peil houden en gespitst zijn
    op nieuwe kansen en bedreigingen. Ook binnen het gezondheidszorgbeleid staan
    keuzevrijheid en eigen verantwoordelijkheid voorop. Van burgers wordt in toene-
    mende mate verwacht dat zij zelf de regie nemen over de zorg die ze ontvangen
    (Rademakers 2014). Een redzame patiënt is geïnformeerd, kiest zelf voor een
    behandelaar en beslist actief mee over de behandeling.
         Lang niet iedereen is altijd in staat zo alert te zijn. Er bestaat een behoorlijk ver-
    schil tussen wat van burgers wordt verwacht en wat zij daadwerkelijk aankunnen.
    De helft van alle Nederlanders (48 procent) heeft bijvoorbeeld moeite om zelf de
    regie te voeren over gezondheid, ziekte en zorg. Het ontbreekt hen aan kennis,
    motivatie en zelfvertrouwen (Rademakers 2014). Eén op de drie huishoudens heeft
    onvoldoende buffers om een normale tegenslag, zoals het stukgaan van een was-
    machine, op te vangen. Ongeveer 650.000 huishoudens hebben problematische
    schulden, terwijl nog eens 735.000 huishoudens risico daarop lopen (Panteia
    2014).1
         Wanneer er problemen ontstaan, wordt dat verschil nog groter. Problemen
    maken de situatie ingewikkelder, en bovendien zijn mensen door stress minder
    goed in staat weloverwogen keuzes te maken. Niet zelden zijn ﬁnancieel paniek-
    voetbal, contraproductieve beslissingen of algehele passiviteit het resultaat.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>20 weten is nog geen doen
   We zullen zien dat de groep voor wie die eisen soms te hoog gegrepen zijn, niet
   beperkt is tot een kleine groep van ‘kwetsbaren’, zoals mensen met een laag iq.
   Ook mensen met een goede opleiding en een goede maatschappelijke positie kun-
   nen in situaties verzeild raken waarin hun redzaamheid ontoereikend is, zeker op
   momenten dat het leven tegenzit. Dat is niet omdat hun intelligentie of kennis
   tekortschiet, maar omdat er een beroep wordt gedaan op allerlei andere mentale
   vermogens, zoals het vermogen om in actie te komen, om het hoofd voldoende
   koel te houden, en om vast te houden aan goede voornemens. We zullen ook zien
   dat die vermogens maar beperkt te trainen zijn.
   In dit rapport zullen we betogen dat de oplossing deels ligt in een ander ontwerp
   van regels en instituties – een ontwerp dat minder is gebaseerd op hoe mensen
   zich zouden moeten gedragen, en meer op hoe zij zich feitelijk gedragen. De impli-
   ciete veronderstelling achter veel van de huidige regels lijkt te zijn dat iedereen
   altijd netjes de post bijhoudt en begrijpt, reageert op aanmaningen, zich voortdu-
   rend bijschoolt, op tijd zijn pensioen organiseert, actieve keuzes in de zorg maakt
   en, mocht er toch iets misgaan, de juiste wegen weet te bewandelen om die fouten
   te herstellen. De praktijk is echter dat lang niet iedereen dat kan en doet.
        In sommige gevallen komt dat omdat mensen hun best niet doen en weigeren
   hun verantwoordelijkheid te nemen. Maar in veel andere gevallen komt het omdat
   de zaken gewoon te ingewikkeld zijn geworden, mede door het overheidsbeleid
   zelf. Ook mensen die goedwillend zijn en verantwoordelijkheid tonen, kunnen
   lelijk in de problemen raken als ze even niet opletten, zaken voor zich uit schuiven,
   een fout maken, of zwichten voor de verleidingen van de korte termijn. Een slim
   ontwerp van regels en instituties houdt hier rekening mee. Een slim systeem ont-
   slaat mensen niet van hun eigen verantwoordelijkheid en neemt ook het stuur niet
   van ze over, maar zorgt wel voor voldoende kreukelzones en vangrails, zodat niet
   elke fout meteen noodlottig aﬂoopt.
   …vanuit een gedragswetenschappelijk perspectief
   In dit rapport kijken we naar redzaamheid vanuit een gedragswetenschappelijk
   perspectief. Centraal staan de mentale kenmerken van individuele mensen. Daar-
   mee willen we zeker niet suggereren dat redzaamheid alleen het gevolg is van indi-
   viduele kenmerken en keuzes. Maatschappelijke omstandigheden spelen uiteraard
   een grote rol. Zoals in het volgende hoofdstuk zal blijken, komen problematische
   schulden bijvoorbeeld voor in alle lagen van de bevolking, maar betreft het toch
   relatief vaak huishoudens met weinig inkomen. Die hebben nu eenmaal minder
   reserves. En op de arbeidsmarkt is de verhouding tussen het aantal vacatures en
   werklozen natuurlijk van invloed op de kans op een baan. Sommige zaken, zoals
   een eigen huis of een opleiding, zijn nauwelijks te bemachtigen zonder te lenen.
   Kortom, het zou onterecht zijn om ﬁnanciële en fysieke narigheid bij voorbaat vol-
   ledig te wijten aan mentale kenmerken en vermogens.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>                            het belang van mentale vermogens voor redzaamheid            21
    Dit gezegd hebbende, zullen we in dit rapport de focus richten op individuele
    factoren. Ook bij vergelijkbare sociale en economische omstandigheden blijkt
    namelijk dat de één redzamer is dan de ander. De vraag is wat hierbij de rol is van
    mentale vermogens.
1.2 meer dan kennis alleen
    Marshmallows en redzaamheid
    Om wat voor mentale vermogens gaat het hier precies? Een klein voorbeeld kan
    helpen dit duidelijk te maken. De Marshmallow-test is een van de bekendste expe-
    rimenten uit de ontwikkelingspsychologie. Het ﬁlmpje hierover is al meer dan drie
    miljoen keer bekeken op YouTube. In een kale spreekkamer staan een kleine tafel
    en een stoel. Op de tafel staat een bordje met één grote witte marshmallow erop.
    Op de stoel achter de tafel zit een kleuter. De onderzoeksleidster zegt: ‘Dit is de
    deal: je kunt je marshmallow nu opeten, maar als je wacht tot ik terugkom, dan
    krijg je er nog een.’ De onderzoeksleidster verlaat vervolgens de kamer. Het ﬁlmpje
    laat een hilarische compilatie zien van kinderen die worstelen met deze verleiding.
    De meesten zitten te wiebelen op hun stoel, ze proberen weg te kijken, doen hun
    handen voor hun ogen, maar pakken dan de marshmallow toch even op. Ze ruiken
    eraan en leggen hem dan weer terug. Anderen likken er voorzichtig aan of knabbe-
    len er een stukje van af. Een enkeling eet hem direct op zodra de onderzoeks-
    leidster weg is.
    De Marshmallow-test werd al rond 1970 ontwikkeld door de aan Stanford verbon-
    den psycholoog Mischel. Hij ontwierp een serie experimenten om bij kinderen het
    vermogen tot het uitstellen van behoeftebevrediging te testen. Soms gebruikte hij
    ook koekjes, pretzels of crackers, maar steeds ging het erom of, en onder welke
    omstandigheden, kinderen in staat waren om zich te beheersen met een grotere
    beloning in het vooruitzicht. Van de honderden kleuters die aan de test deelnamen
    bleek ongeveer een derde in staat om zo lang te wachten dat ze een tweede marsh-
    mallow kregen. In de decennia na 1970 is Mischel de kinderen blijven volgen. De
    kleuters die in staat bleken om zich te beheersen, bleken ook op latere leeftijd tot
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>22 weten is nog geen doen
   meer zelfcontrole in staat en deden het beter op school. Bij hersenonderzoek op
   middelbare leeftijd bleken er ook duidelijke verschillen te zien tussen hen die zich
   als kleuter goed konden beheersen en hen die dat minder goed konden.
        De Marshmallow-test is maar één voorbeeld uit een zeer rijke onderzoeks-
   traditie. In de decennia na de eerste marshmallow-experimenten is er in de
   psychologie op zeer uitgebreide schaal onderzoek gedaan naar wat in het vakjargon
   ‘niet-cognitieve mentale vermogens’ zijn gaan heten. Daarbij gaat het om andere
   mentale eigenschappen dan intelligentie of het vermogen om kennis op te nemen.
   Denk aan persoonskenmerken als zelfcontrole, consciëntieusheid, zelﬁnzicht, het
   vermogen tot zelfreﬂectie en toekomstgerichtheid. Het gaat daarbij zowel om het
   organiseren van emoties (zelfcontrole, regulatie, self-efﬁcacy), om het organiseren
   van het eigen ‘leven’ (toekomstoriëntatie, plannen, bijstellen indien nodig, over-
   zicht houden), en om het organiseren van de omgeving (tijdig hulp inroepen).
        In hoofdstuk 3 tot en met 5 van dit rapport zullen we uitgebreid ingaan op de
   uitkomsten van dit zeer omvangrijke en vruchtbare onderzoeksgebied. Eén van de
   centrale bevindingen is dat deze vermogens een belangrijke sleutel zijn om ver-
   schillen te verklaren in schoolprestaties, gezondheid en maatschappelijk succes.
   Of iemand een studie afrondt, gezond blijft, zijn ﬁnanciën en zijn leven op orde
   heeft, is maar ten dele een kwestie van intelligentie of kennis. Het vermogen tot
   zelfcontrole, tot plannen en op tijd hulp inschakelen is minstens zo belangrijk.
   Uit het onderzoek blijkt ook dat die vermogens, net als bij de kleuters van Mischel,
   niet gelijk zijn verdeeld over de bevolking. Ook blijkt dat ze in stresssituaties kun-
   nen afnemen en dat ze maar in beperkte mate te trainen zijn.
   Redzaamheid en mentale vermogens…
   Voor we verdergaan, staan we eerst nog even stil bij de begrippen die we hanteren
   in dit rapport. Allereerst het begrip redzaamheid. Daaronder verstaan we het totaal
   aan vermogens waarover een individu beschikt om zijn doelen te bereiken en zich
   te kunnen redden in het leven. In politiek en beleid wordt vaak gesproken over
   zelfredzaamheid, waarmee het belang van ‘eigen regie’ en ‘eigen verantwoordelijk-
   heid’ wordt benadrukt. Iemand kan echter ook in staat zijn om mee te doen in de
   samenleving, omdat hij functioneert in een omgeving die hem ondersteunt. We
   kiezen in dit rapport daarom voor ‘redzaamheid’ en gebruiken ‘zelfredzaamheid’
   om aan te geven dat de nadruk op eigen regie en eigen verantwoordelijkheid door
   anderen als norm wordt geponeerd.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>                        het belang van mentale vermogens voor redzaamheid             23
Mentale vermogens zijn natuurlijk niet de enige bronnen van redzaamheid. Om
jezelf te kunnen redden in het moderne leven zijn sociale vaardigheden, een ﬁnan-
ciële buffer, fysieke capaciteiten en culturele bagage ook heel belangrijk.2 In dit rap-
port gaat het speciﬁek om de geestelijke vermogens die een rol spelen bij redzaam-
heid. Daarbinnen onderscheiden wij vervolgens meerdere componenten.
     Traditioneel wordt er altijd gekeken naar het denkvermogen van mensen, in
het bijzonder naar intelligentie, kennis, en basisvaardigheden als kunnen lezen,
schrijven en rekenen. Het is evident dat verschillen in deze cognitieve vermogens
van burgers van groot belang zijn voor de mate waarin ze in staat zijn zichzelf te
redden. Hierover is al veel gezegd en geschreven. De afgelopen jaren is er boven-
dien de nodige aandacht geweest voor de beperkingen van het menselijke denk- en
oordeelsvermogen. Vanuit de gedragswetenschappen is aangetoond dat het ver-
mogen van mensen om informatie te wegen en rationale keuzes te nemen
begrensd is (o.a. door Daniel Kahneman).
Dit rapport zet een volgende stap. Het richt zich op het ‘doenvermogen’, dat men
in het dagelijks leven vaak aanduidt als ‘persoonlijkheid’ of ‘karakter’. Met dit neo-
logisme doelen we op vermogens zoals de situatie overzien, doelen stellen en een
plan maken; in actie komen en het plan uitvoeren; het plan volhouden; en omgaan
met emotie en tegenslag. In hoofdstuk 2 zullen we dit verder toelichten. Een eerste
schets van de samenhang van de door ons gehanteerde begrippen staat in ﬁguur 1.1.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>24          weten is nog geen doen
Figuur 1.1         Mentale vermogens
                                           Mentale
     COGNITIEF                            vermogens
      intelligentie,
       cognitieve
     vaardigheden
                                                         DOE N V E R M
                                  K   V E R M OG E N                     OG
                           D   EN
                                                           in actie       EN
                                                           komen
                                                                                      relevant voor
                            informatie            een         met                         werk
      Persoons-            verzamelen             plan        tegenslag
     kenmerken                                                                        gezondheid
                             en wegen            maken        omgaan                   ﬁnanciën
                                                           volhouden
          NIET
     COGNITIEF
     temperament,
      zelfcontrole,
       overtuiging
            Het onderscheid tussen denkvermogen en doenvermogen is niet altijd scherp; er
            bestaat een zekere overlap. Het maken en uitvoeren van een plan om een toekom-
            stig doel te bereiken, vereist bijvoorbeeld niet alleen zelfcontrole, maar ook kennis.
            Toch is het onderscheid reëel. Er zijn mensen die heel slim zijn en veel weten, maar
            desondanks grote moeite hebben hun leven op orde te brengen, en omgekeerd zijn
            er ook mensen die cognitief niet sterk zijn, maar wel met vaste hand richting weten
            te geven aan hun leven.
Box 1.1            Terminologie: doenvermogen als koepelbegrip
     In wetenschappelijke literatuur en populaire publicaties worden veel verschillende termen
     gebruikt voor de mentale vermogens die in dit rapport centraal staan, zoals: grit, zelfcontrole,
     zelfregulatie, executieve functies, en executive control. Deze termen zijn verwant en verwijzen
     naar vergelijkbare mentale fenomenen. Als overkoepelende term wordt in de gedragsweten-
     schappelijke literatuur wel gesproken over niet-cognitieve vermogens, om ze te onderscheiden
     van cognitieve vermogens. Dat is echter een negatieve aanduiding die slechts aangeeft waar het
     niet over gaat. Daarom kiest de wrr ervoor ‘doenvermogen’ te gebruiken als overkoepelende
     term voor de niet-cognitieve vermogens die centraal staan in dit rapport. In de hoofdstukken 3,
     4 en 5 gaan we uitgebreid in op de gedragswetenschappelijke kennis en zullen we ook gebruik-
     maken van de in het vakjargon gangbaardere aanduiding ‘niet-cognitieve vermogens’.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>                              het belang van mentale vermogens voor redzaamheid         25
    …zijn wat anders dan ǥ21st century skills’
    Wij zijn niet de enigen die stellen dat naast kennis, intelligentie en kunnen reke-
    nen, lezen en schrijven, ook andere mentale vermogens belangrijk zijn. In de
    wereld van arbeidsmarkt en economie is tegenwoordig veel te doen over wat wel
    soft skills of 21st century skills worden genoemd. Die zogenaamde 21ste-eeuwse vaar-
    digheden spelen bijvoorbeeld een rol in het door de oecd en het Ministerie van
    Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen geïnitieerde debat over de vraag welke
    kennis en vaardigheden kinderen op school moeten leren om klaar te zijn voor de
    toekomst (www.onderwijs2032.nl). In deze discussies gaat het over moderne vaar-
    digheden als een goede omgang met ict, creativiteit en nieuwsgierigheid, kritisch
    denken en kunnen samenwerken. De leidende gedachte is dat dit soort vaardig-
    heden onmisbaar zijn voor het verdienvermogen van ons land en voor de persoon-
    lijke ontwikkeling van kinderen.
         Dit wrr-rapport richt zich niet op deze speciﬁeke vaardigheden. Onze vraag
    is namelijk niet wat de economie verlangt van de kenniswerkers van de 21e eeuw,
    en ook niet wat er nodig is om je te ontwikkelen tot een volwaardig en compleet
    persoon. Onze vraag is basaler: wat moet een mens in huis hebben om zich staande
    te houden in een samenleving waarin veel zelfredzaamheid wordt verwacht? Dan
    komen andere en meer algemene vermogens in beeld dan de genoemde skills. Dan
    gaat het om zaken als vooruit kunnen kijken, kunnen omgaan met uitgestelde
    beloning en tegenslag, om optimisme en zelfcontrole. Dergelijke vermogens zijn
    voor alle aspecten van het leven van belang, niet alleen voor arbeid in de kennis-
    economie.
         Voorts spreken we met opzet van vermogens en niet van skills of competenties.
    Zoals in hoofdstuk 3, 4 en 5 zal blijken, bepalen vooral aanleg en sociale omgeving
    of iemand beschikt over deze vermogens. Het is nog maar de vraag of ze kunnen
    worden aangeleerd of verbeterd door middel van onderwijs of training.
1.3 het toegenomen belang van mentale vermogens
    Mentale vermogens en meritocratie
    Voor maatschappelijk succes zijn verschillende hulpbronnen van belang, zoals
    fysieke eigenschappen, een sociaal netwerk en ﬁnanciële middelen. Het belang van
    de verschillende hulpbronnen is echter niet constant. Honderd jaar geleden had
    fysieke kracht op de arbeidsmarkt bijvoorbeeld meer waarde dan tegenwoordig.
    Hetzelfde gold voor afkomst – wie tot de hogere standen behoorde, kon een gebrek
    aan talent compenseren met goede connecties en eigen ﬁnancieel vermogen.
         In de afgelopen eeuw is het belang van mentale vermogens toegenomen.
    Wie tegenwoordig niet over de juiste opleiding en de vereiste mentale instelling
    beschikt, komt niet ver meer op de arbeidsmarkt. Persoonlijke verdienste is op veel
    terreinen belangrijker geworden dan afkomst. De Britse socioloog Michael Young
    (1958) gebruikte hiervoor in een satirisch essay de term ‘meritocratie’. Hij
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>26 weten is nog geen doen
   hanteerde daarbij een simpele deﬁnitie: ‘I.Q. + effort = merit’. Verdienste is de
   optelsom van intelligentie en doorzettingsvermogen. Wij zouden nu zeggen: van
   denkvermogen en doenvermogen.
        Andere sociologen wijzen op tendensen die de mentale vermogens van bur-
   gers ondermijnen. Zo spreekt Zygmunt Bauman (2007) in tamelijk apodictische
   termen over ‘vloeibare tijden’ waarin het denken, plannen en handelen op de lange
   termijn in verval raken. Collectieve instituties zijn ‘vloeibaar’, dat wil zeggen
   onderhevig aan permanente verandering en zonder vaste, gestolde patronen. We
   moeten daarom leren ‘om op drijfzand te lopen’. De mens moet ﬂexibel zijn en
   zich voortdurend aanpassen aan snelle veranderingen. “Individuele levens worden
   opgesplitst in een reeks van kortetermijnprojecten en episodes die in beginsel
   oneindig is (...) Elke volgende stap moet het antwoord zijn op een andere combina-
   tie van mogelijkheden en een andere verdeling van kansen, en vraagt daarom een
   ander stel vaardigheden en een ander gebruik van hulpbronnen.” (Bauman 2007:
   3). Dit leven in onzekerheid is niet van tijdelijke aard, maar onontkoombaar. Men-
   sen zullen in de komende decennia meer aan hun hoofd krijgen, zo verwacht ook
   het scp (Van den Broek et al. 2016). Daarom is het voor burgers belangrijk om te
   beschikken over vaardigheden om met onzekere situaties om te gaan. Ook de
   Duitse socioloog Hartmut Rosa (2013) spreekt van ‘sociale versnelling’, ofwel ‘the
   shrinking of the present’, waardoor betrouwbare toekomstverwachtingen steeds
   problematischer en vloeibaarder worden. Dat betekent dat het ook steeds moeilij-
   ker wordt om doelen voor de toekomst te stellen en daar doelgericht en gediscipli-
   neerd naar toe te werken. Zo wordt redzaamheid steeds belangrijker, maar tegelij-
   kertijd ook lastiger.
   Toegenomen keuzedruk en verleidingen
   De wrr heeft er al eerder op gewezen dat burgers in de afgelopen decennia gecon-
   fronteerd worden met steeds meer keuzes en verleidingen (wrr 2014b). Door libe-
   ralisering en privatisering is er steeds meer aanbod van diensten en producten op
   het terrein van ﬁnanciën, gezondheidszorg, verzekeringen, pensioenen, energie-
   voorziening en telecommunicatie. Iedere burger wordt geacht weloverwogen keu-
   zes te maken uit een ruim aanbod van complexe producten en diensten. Zo is de
   ‘kritische zorgconsument’, die informatie inwint en op basis daarvan een keuze
   maakt voor een behandelaar of zorginstelling, een noodzakelijk onderdeel van het
   systeem van kwaliteitsborging in de zorg dat de overheid heeft ingevoerd (Victoor
   et al. 2012). Net zoals kritische energieconsumenten noodzakelijk zijn om de prij-
   zen van energie zo laag mogelijk te houden.
        Ook de omstandigheden waarin die keuzes moeten worden gemaakt, vormen
   voor veel burgers een uitdaging. Matthew Crawford (2015) wijst in zijn boek De
   wereld buiten je hoofd op de talloze aﬂeidingen – ‘de hele wereld ziet eruit als
   Times Square’ – die het steeds moeilijker maken om ons te concentreren en een
   coherent ‘zelf’ te zijn. Meer verleidingen, die dankzij het internet 24 uur per dag
   aanwezig zijn, vergroten de keuzedruk. Het belang van gezonde voeding en vol-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>                        het belang van mentale vermogens voor redzaamheid          27
doende beweging is bijvoorbeeld algemeen bekend, maar onze omgeving biedt een
overvloed aan ongezond voedsel en maakt het makkelijk om lichaamsbeweging te
vermijden. Denk bijvoorbeeld aan het nieuwe ns-station in Rotterdam, waar rol-
trappen, liften en een scala aan eetgelegenheden prominent aanwezig zijn. Onze
genen hebben zich nog niet aangepast aan deze omgeving vol ‘obesinudges’
(Westendorp en Van Bodegom 2015). Het aanbod speelt in op de evolutionair gese-
lecteerde reﬂexen die de mensheid in een ver verleden hielpen om te overleven,
maar ons nu ongezond maken.
     Veel bedrijven bedienen zich van subtiele technieken om het keuzegedrag van
klanten te beïnvloeden. Zo weegt Google 57 verschillende ‘indicatoren’ mee uit het
proﬁel van gebruikers, en applicaties op smartphones bieden bedrijven gedetail-
leerd inzicht in ons dagelijkse gedrag (Kaptein 2015). Het gevolg is dienstverlening
die anticipeert op onze wensen (‘als u deze serie leuk vond, dan vindt u deze ook
vast goed’), maar ook op onze zwakheden (niet alleen snoepaanbiedingen bij de
kassa, maar ook persoonlijk bericht als je favoriete merk chocolade of die nieuwe
telefoon die je eerder in de webshop hebt bekeken in de aanbieding is).
Hoge eisen op de arbeidsmarkt
De ﬂexibilisering van de arbeidsmarkt en de afslanking van het stelsel van werk-
nemers- en pensioenvoorzieningen doen een groter beroep op de mentale vermo-
gens van burgers. Voor het snel groeiende aantal zzp’ers is zelforganisatie welhaast
per deﬁnitie een kerncompetentie. Als zelfstandige zijn ze zelf verantwoordelijk
voor vangnetten bij ziekte, arbeidsongeschiktheid of magere tijden. Ook moeten
ze zelf zorgen voor hun oudedagsvoorziening. Het zzp-bestaan vraagt bij uitstek
om veel van de eigenschappen die hier centraal staan: toekomstoriëntatie, plan-
nen, bijstellen indien nodig, overzicht houden.
     Die noodzaak tot zelforganisatie geldt echter ook steeds meer voor werk-
nemers. Een op de vijf werkenden heeft een ﬂexibele baan (Kremer et al. 2017) en
de uitkeringen bij ontslag zijn steeds meer ingeperkt. Werknemers worden geacht
zich als kleine ondernemers te gedragen: netwerken onderhouden, expertise op
peil houden, zichzelf steeds bijscholen en tijdig overstappen wanneer er in hun
sector of functie geen werk meer is. Ook de plannen voor een ﬂexibeler en
gevarieerder pensioenstelsel zullen in de toekomst veel meer planning en zelf-
controle van werknemers vragen.
     Bij het aantrekken van nieuwe werknemers wordt tegenwoordig gevraagd om
meer dan opleidingsniveau, relevante kennis en speciﬁeke vaardigheden. Werk-
gevers zoeken kandidaten die ook bepaalde karaktereigenschappen bezitten, zoals
veerkracht, doorzettingsvermogen, discipline, gevoel voor sociale normen en
motivatie. Verschillende studies laten zien dat deze eigenschappen inderdaad van
belang zijn voor een succesvolle carrière (o.a. Heckman 2013; Van den Berge et al.
2014). Werk vraagt niet alleen veel mentale vermogens, maar brengt voor een groot
aantal mensen ook mentale problemen met zich mee. In 2014 had ruim 14 procent
van de werknemers in Nederland burn-outklachten. “Minstens een paar keer per
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>28  weten is nog geen doen
    maand voelden zij zich bijvoorbeeld leeg aan het eind van een werkdag, emotio-
    neel uitgeput door het werk of moe bij het opstaan als zij werden geconfronteerd
    met hun werk” (cbs en tno 2015a). Hierbij speelt een rol dat mentale vermogens
    minder goed werken wanneer ze onder druk staan door stress (Weehuizen 2006).
    De arbeidsmarkt vraagt dus om een heel palet aan mentale vermogens, zoals
    stressbestendigheid, het in toom houden van impulsen, het vermogen met ande-
    ren samen te werken, en de eigen krachten goed kunnen organiseren (Weehuizen
    2006).
    Verschuivende verantwoordelijkheden tussen overheid en burger
    Het scp heeft laten zien dat sinds 1990 voor een groot aantal aspecten van het
    leven, zoals zorg, werk en inkomen, wonen en inburgering, een groter beroep
    wordt gedaan op de eigen verantwoordelijkheid (Veldheer et al. 2012). Van burgers
    wordt door de overheid veel meer zelfredzaamheid gevraagd. Dit is een belangrijk
    onderdeel van wat de ‘participatiesamenleving’ is gaan heten. Dat begrip werd
    geïntroduceerd in de troonrede van 2013:
       “Het is onmiskenbaar dat mensen in onze huidige netwerk- en informatiesamenleving
       mondiger en zelfstandiger zijn dan vroeger. Gecombineerd met de noodzaak om het
       tekort van de overheid terug te dringen, leidt dit ertoe dat de klassieke verzorgingsstaat
       langzaam maar zeker verandert in een participatiesamenleving. Van iedereen die dat kan,
       wordt gevraagd verantwoordelijkheid te nemen voor zijn of haar eigen leven en omge-
       ving. Wanneer mensen zelf vorm geven aan hun toekomst, voegen zij niet alleen waarde
       toe aan hun eigen leven, maar ook aan de samenleving als geheel” (Troonrede 2013).
    Het citaat geeft inzicht in de belangrijkste drijfveren achter het streven naar meer
    participatie. Ten eerste vindt het kabinet het een principieel uitgangspunt dat
    mensen zo veel mogelijk in staat zijn voor zichzelf en hun omgeving te zorgen.
    Daarnaast stelt het kabinet dat de kosten van de verzorgingsstaat hoog zijn en dat
    veel voorzieningen niet meer houdbaar zijn als er niets verandert. Ook daarom is
    het uitgangspunt dat er zo weinig mogelijk aanspraak moet worden gedaan op
    overheidssteun. Van burgers wordt bijvoorbeeld gevraagd actief bezig te zijn met
    de eigen gezondheid, met hun inzetbaarheid, en met hun oudedagsvoorziening.
    Kortom, de overheid stelt in de participatiesamenleving hogere eisen aan de bur-
    gers. Die eisen doen een groot beroep op hun mentale vermogens.
1.4 opzet rapport
    Dit rapport neemt het streven naar zelfredzame burgers als vertrekpunt. We con-
    centreren ons daarbij op de mentale kant van die redzaamheid. Daarbij leggen we
    vooral de nadruk op doenvermogen. Dat is niet omdat denkvermogen niet van
    belang zouden zijn. Voldoende kunnen lezen, schrijven en rekenen zijn essentieel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>                        het belang van mentale vermogens voor redzaamheid            29
voor maatschappelijke redzaamheid. Tot op heden bestaat echter nog minder aan-
dacht voor het belang van doenvermogen. In het kort luidt de vraagstelling dus als
volgt:
–   Welke rol speelt doenvermogen bij de redzaamheid van burgers?
–   Wat vloeit hieruit voort voor het overheidsbeleid?
In hoofdstuk 2 kijken we eerst in hoeverre doenvermogen een rol speelt in drie
belangrijke onderdelen van het dagelijks leven: gezondheid, geldzaken en werk.
Dat doen we op basis van gesprekken met deskundigen en reeds beschikbaar
onderzoek. Vervolgens presenteren we in hoofdstuk 3 de wetenschappelijke ken-
nis over doenvermogen. We ontsluiten daarin de nieuwe inzichten uit het onder-
zoek in de gedragswetenschappen van de afgelopen decennia. In hoofdstuk 4
bespreken we het effect van externe omstandigheden, zoals stress, op dit vermo-
gen. In hoofdstuk 5 gaan we in op de vraag in hoeverre het mogelijk en wenselijk is
om het te trainen.
     Het onderzoek uit de gedragswetenschappen laat zien dat veel burgers, onder
omstandigheden, soms moeite hebben om mentaal geheel redzaam te zijn. Ten
eerste is er een grote variatie aan vermogens; burgers beschikken over een verschil-
lend startkapitaal. Sommigen kunnen zichzelf van nature beter managen dan
anderen. Ten tweede worden mentale vermogens beïnvloed door stressvolle
omstandigheden, bijvoorbeeld door life events die iedereen kunnen overkomen,
zoals het verlies van een baan, een echtscheiding, of de geboorte van een kind.
     In dit rapport adviseren we de overheid daarom een meer gedifferentieerd
beeld van de burger te hanteren. Het is effectiever om uit te gaan van een grote
variëteit aan mentale vermogens onder burgers en niet van een grote meerderheid
van zelfredzamen versus een kleine groep van kwetsbaren. Het is onverstandig om
de eerste groep in beleid – al dan niet expliciet – als norm te nemen, en de laatste
groep te beschouwen als een uitzondering voor wie aanvullend beleid nodig is. Dat
miskent dat er ook een grote groep is van burgers die zich onder ‘normale’ omstan-
digheden goed weet te redden, maar die onder moeilijke condities soms even niet
beschikt over de mentale vermogens die veel overheidsbeleid veronderstelt. Hoe
zo’n gedifferentieerd beleid eruit zou kunnen zien, bespreken we in het slothoofd-
stuk.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>30  weten is nog geen doen
noten
1   We spreken van ‘problematische schulden’ en niet enkel van ‘schulden’, omdat schulden niet
    per deﬁnitie slecht of verkeerd zijn. Veel mensen staan in de eerste helft van hun leven voor
    een aantal grote uitgaven – een studie, een auto of een huis – die ze best kunnen betalen als ze
    daarvoor hun latere inkomen zouden kunnen aanwenden. Ook is er geen principieel bezwaar
    tegen leningen voor zaken die misschien niet strikt noodzakelijk zijn maar wel bijdragen aan
    de kwaliteit van leven, zeg bepaalde hobby’s of mooie spullen. Zolang men maar zijn beta-
    lingsverplichtingen nakomt, is er niets aan de hand. In de literatuur wordt het begrip ‘proble-
    matische schulden’ vaak geoperationaliseerd als een zodanige achterstand in betalingsver-
    plichtingen dat iemand, uitgaande van zijn of haar aﬂoscapaciteit, deze redelijkerwijs niet
    binnen drie jaar kan inlopen (Tiemeijer 2016).
2   We sluiten hiermee aan bij het scp (Vrooman et al. 2014), dat vier categorieën van individu-
    eel kapitaal onderscheidt, namelijk ﬁnancieel kapitaal, sociaal kapitaal, cultureel kapitaal en
    persoonskapitaal. Het scp beschouwt mentaal kapitaal als een onderdeel van het persoons-
    kapitaal.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>                                                                                       31
2     redzaamheid in de praktijk
2.1   de dagelijkse opgave van redzaamheid
      Een gezonde leefstijl volgen, de ﬁnanciële administratie op orde houden, een baan
      vinden en behouden, dat zijn opdrachten waar iedereen voor staat. In dit hoofd-
      stuk staat de volgende vraag centraal: over welke mentale vermogens moet een
      individu beschikken om mee te kunnen doen in de participatiesamenleving?
      Gezondheid, persoonlijke ﬁnanciën en arbeidsmarkt zijn niet het onderwerp van
      dit rapport, maar ze illustreren het belang van de juiste mentale vermogens om
      redzaam te zijn in deze samenleving. We beschrijven in dit hoofdstuk situaties die
      voor relatief veel mensen van toepassing zijn. We maken daarbij een analytisch
      onderscheid tussen vermogens die nodig zijn om uit de problemen te blijven (pre-
      ventie) en vermogens die nodig zijn om met problemen om te gaan (regie). In de
      praktijk zullen we zien dat sommige vermogens voor beide situaties belangrijk
      zijn, en dat het niet altijd helder is wanneer problemen beginnen.
           Dit hoofdstuk is gebaseerd op verschillende bronnen. In elk domein hebben
      we een aantal gesprekken gevoerd met professionals en andere betrokkenen (in
      totaal meer dan 60 gesprekken, zie bijlage 2). We hebben onze gesprekspartners
      gevraagd wat mensen moeten kunnen om redzaam te zijn en wat mensen typeert
      die daar goed of slecht in zijn. Voor nadere onderbouwing van de informatie uit de
      achtergrondgesprekken maken we gebruik van onderzoek dat binnen de verschil-
      lende domeinen wordt gedaan. Omdat we in dit hoofdstuk dicht bij de praktijk
      willen blijven, nemen we hier soms de taal van die praktijk over. We gebruiken
      daarom naast vermogens ook de termen gezondheidsvaardigheden, ﬁnanciële
      vaardigheden of competenties, en arbeidsmarktvaardigheden.
      In de volgende paragrafen bespreken we voor elk domein wat er in de participatie-
      samenleving gevraagd wordt van burgers en gaan we daarna in op de rol die men-
      tale vermogens daarbij spelen.
2.2   gezondheid
2.2.1 meer keuzevrijheid en eigen verantwoordelijkheid
      Gezondheid wordt door burgers stelselmatig genoemd als een van de belangrijkste
      waarden in het leven (Kooiker 2011). Hun gezondheid stelt hen in staat om te kun-
      nen doen wat ze willen. De afgelopen jaren heeft de burger steeds meer ruimte
      gekregen om zelf betrokken te zijn bij zijn gezondheid. Keuzevrijheid en autono-
      mie staan voorop; mensen mogen in toenemende mate ‘eigen regie’ voeren over de
      zorg die ze ontvangen. Patiëntenorganisaties strijden hier al jaren voor en ook
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>32 weten is nog geen doen
   zorgverleners delen deze opvatting in toenemende mate. Zorgprofessionals vin-
   den dat ze in het verleden te veel hebben gezorgd voor ‘cliënten’, die daardoor te
   zorgafhankelijk zijn gemaakt (Mast et al. 2014).
        Burgers meer regie geven was een belangrijk argument voor de invoering van
   een nieuw zorgstelsel in 2005, naast de betaalbaarheid van de zorg. De burger
   moest meer te kiezen krijgen, maar daarbij ook meer individuele verantwoorde-
   lijkheid dragen voor het betaalbaar houden van de zorg. “De cliënt moet een kriti-
   sche zorgconsument worden die aangemoedigd wordt om verantwoorde keuzes te
   maken” (Tweede Kamer 2004-2005: 10). Met de zorgverzekeringswet die is inge-
   voerd op 1 januari 2006 is de ﬁnanciering van de curatieve zorg in de vorm gegoten
   van een gereguleerde markt, met de veronderstelling dat de burger zich volgens de
   regels van deze markt zou gaan gedragen. Als zorgconsument moet hij geïnfor-
   meerd zijn, zelf kiezen voor een verzekeraar en behandelaar (Nijman et al 2014).
   De beleidsaanname is dat burgers de zorgaanbieder en verzekeraars dwingen om
   goede kwaliteit te leveren tegen een scherpe prijs (Reitsma et al. 2012). Daarnaast
   wordt er steeds meer gesproken over de ‘actieve patiënt’, waarbij voorop staat dat
   wie dat wil zelf de regie moet kunnen voeren. Het gaat dan bijvoorbeeld om com-
   municeren met de zorgverlener, meebeslissen over de behandeling en die voor een
   deel ook zelf uitvoeren (zelfmanagement) (Rademaker 2014). De rol van kritische
   zorgconsument en actieve patiënt brengt dus niet alleen meer mogelijkheden met
   zich mee, maar ook verantwoordelijkheden.
   Ook het denken over leefstijl is veranderd. Accenten en prioriteiten verschillen
   door de jaren heen, maar de laatste jaren betogen opeenvolgende kabinetten dat
   leefstijl in de eerste plaats de verantwoordelijkheid is van het individu (De Boer en
   Kooiker 2012). Mensen mogen zelf keuzes maken om hun eigen gezondheid op peil
   te houden of te bevorderen. “Het kabinet staat voor eigen verantwoordelijkheid en
   eigen kracht van mensen. Dat geldt ook voor gezondheid. Dit betekent dat niet de
   overheid maar de mensen zelf in eerste instantie aan zet zijn. (…)” (Ministerie van
   vws 2011: 6,7).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>                                                                 redzaamheid in de praktijk          33
            Burgers zijn echter niet altijd in staat zelf de omstandigheden te bepalen waar-
            onder ze leefstijlkeuzes maken. Zo nodigt de publieke ruimte in Nederland steeds
            meer uit om veel en ongezond te eten en weinig te bewegen. In een obesogene
            omgeving is de ongezonde keuze vaak de meest voor de hand liggende (Dagevos
            en Munnichs 2007).
            De praktijk blijkt dan ook weerbarstig. Ondanks de waarde die burgers hechten
            aan gezondheid, kiezen veel mensen niet voor een gezonde leefstijl, of hebben
            moeite die vol te houden.1 Slechts ongeveer een kwart van de Nederlandse bevol-
            king voldoet aan de ‘Richtlijnen voor Goede Voeding’ van de Gezondheidsraad.2
            Van alle Nederlanders heeft 43,1 procent last van overgewicht, en 11,7 procent van
            ernstig overgewicht.3 Een ongezonde leefstijl, overgewicht, roken en overmatig
            drinken beperken zich niet tot een bepaalde subgroep. Hoewel in mindere mate,
            gaat het ook om mensen met een hoger opleidingsniveau (zie tabel 2.1).
Tabel 2.1
 Onderwijsniveau                   Ernstig         Voldoen aan        Rokers         Zware drinkers
                                 overgewicht      Nederlandse                      onder de drinkers
                                                norm voor gezond
                                                    bewegen
 Basisonderwijs                      25,7              53,7             33,3              12,6
 vmbo, mbo1, avo, onderbouw          17,4              57,3             26,2              10,3
 havo, vwo, mbo                      14,4              58,5             27,3              10,7
 hbo wo bachelor                     10,4              59,2             20,2               9,8
 wo master, doctor                    6,1              63,3             16,5               9,1
 Onbekend                            17,2              57,2             17,1                 –
Bron cbs, eigen bewerking4
            Ook de rol van kritische zorgconsument is voor veel mensen lastig. Patiënten blij-
            ken niet altijd te kiezen op basis van vergelijkende informatie over prijs en kwali-
            teit, maar laten zich leiden door andere waarden, zoals ‘is de zorg dichtbij en de
            zorgverlener vertrouwd?’, of ‘heb ik eerder positieve of negatieve ervaringen in
            hetzelfde ziekenhuis?’, ook al ging dat om een heel ander specialisme
            (Victoor 2015). Bijna de helft van alle Nederlanders heeft moeite met een actieve rol
            (Nijman et al. 2014). De zorgverleners die we spraken bevestigen dat beeld, en
            geven aan dat het niet altijd duidelijk is in hoeverre er sprake is van een bewuste
            keuze van de patiënt. Het is de vraag of iedere burger wel een actieve patiënt wil en
            kan zijn. De passieve opstelling kan ook voortkomen uit gewoontes, de sociale
            situatie van de patiënt of stressvolle omstandigheden.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre>34         weten is nog geen doen
           Toch worden alle burgers gedurende hun leven in meer of mindere mate met
           gezondheidsproblemen geconfronteerd. Want hoewel Nederlanders relatief
           gezond zijn en belangrijke indicatoren als ‘levensverwachting’ en ‘levensverwach-
           ting in als goed ervaren gezondheid’ de afgelopen decennia verder zijn toegeno-
           men, krijgen vrijwel alle burgers vroeg of laat te maken met een (chronische) ziekte
           of lichamelijke beperkingen.5
                       18,7
                                    MIGRAINE EN            9,1
                                ERNSTIGE HOOFDPIJN
                                      ASTMA,
                  8,4               CHRONISCHE                 6,8
                                    BRONCHITIS,
                                       CARA
                       4,2         SUIKERZIEKTE                     4,8
                          17,4         HOGE
                                      BLOED-       13,8
                                       DRUK
                         17      GEWRICHTSSLIJTAGE        9,5
                                  HEUPEN OF KNIEËN
Bron: SCP 2013.
           De aantallen nemen bovendien toe. Alle chronische aandoeningen in de top 10
           komen bij zowel vrouwen als mannen in de periode 2011-2013 meer voor dan in de
           periode 2005-2007 (scp 2013).6 Meer dan de helft van de Nederlanders zal dus op
           enig moment in het leven passende mentale vermogens nodig hebben om een
           chronische ziekte goed te managen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 37 ======================================================================

<pre>                                                                            redzaamheid in de praktijk         35
2.2.2      wat moet je kunnen: gezond leven en een actieve patiënt zijn
           Gezondheid wordt beïnvloed door verschillende factoren, waarvan de burger er
           slechts een aantal kan beïnvloeden. Wie heel gezond leeft kan immers toch getrof-
           fen worden door ziekte. Maar van redzame burgers wordt verwacht dat ze zelf
           actief hun gezondheid op peil houden en wanneer ze toch ziek raken hun weg vin-
           den in het zorgproces (Rademaker 2014, Van der Heide 2015).7
           De opdracht waarvoor burgers zich in dit domein gesteld zien is meervoudig en
           omvat zowel preventie als regie. Beide vragen om mentale vermogens. Het gaat
           echter om een analytisch onderscheid, omdat preventie voor iedereen geldt en
           voor patiënten met sommige aandoeningen zelfs nog belangrijker is. De leefstijl
           kan immers direct effect hebben op het ziekteverloop.
Opdrachten voor gezondheid
 Preventie    Het kiezen voor en volhouden van een gezonde leefstijl
 Regie        Bij aandoeningen de weg vinden in het zorgproces en daarin als patiënt een actieve rol vervullen
           Een gezonde leefstijl kiezen en volhouden
           Een gezonde leefstijl is op papier simpel: een gezond voedingspatroon volgen, niet
           roken, weinig of geen alcohol en drugs consumeren en voldoende beweging maar
           ook rust en ontspanning.8 Eten, drinken en bewegen doet het individu zelf. Daar-
           uit zouden we de conclusie kunnen trekken dat een ongezonde leefstijl dus de
           eigen keuze en eigen verantwoordelijkheid van mensen is. In de praktijk blijkt het
           niet zo simpel. Eten, drinken en bewegen zijn complexe verzamelingen van soms
           heel divers gedrag (Brug in Dagevos en Munnichs 2007). De determinanten voor
           het eten van iets ongezonds kunnen bovendien heel anders zijn dan die voor het te
           weinig bewegen of het opsteken van een sigaret.
                Voor het kiezen en volhouden van een gezonde leefstijl moet een individu
           over verschillende vermogens beschikken. Ten eerste moet hij relevante informa-
           tie verzamelen en wegen. Dat bepaalde voedselproducten ongezond zijn is alge-
           meen bekend, maar de informatie over gezond eten is tegenwoordig zo omvangrijk
           en soms zelfs tegenstrijdig, dat het niet eenvoudig is te bepalen wat de verstandig-
           ste keuze is (wrr 2014b). Soms gaat het ook om inzicht in hoe de kennis toe te pas-
           sen. Mag je bijvoorbeeld geperste sinaasappels meetellen voor de voorgeschreven
           dagelijkse portie van twee stuks fruit?
                Tegenwoordig wordt niet meer gesproken over ongezonde voeding, maar over
           een ongezond voedingspatroon. Het individu moet dus niet alleen over kennis
           beschikken, maar ook zijn persoonlijke situatie kunnen overzien. Wat is voor hem
           een gezonde of ongezonde keuze? Daarvoor is het nodig te kunnen plannen en
           persoonlijke doelen te kunnen stellen. Een gezonde leefstijl hangt niet af van een
           keuze op een speciﬁek moment, maar bestaat uit een samenspel van vele keuzes
</pre>

====================================================================== Einde pagina 37 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 38 ======================================================================

<pre>36         weten is nog geen doen
           die elke dag weer gemaakt moeten worden en die elkaar beïnvloeden: wie een keer
           te veel eet of te weinig beweegt kan dit de volgende dag compenseren. Maar hij
           moet dat dan wel doen.
                De volgende stap is overgaan tot actie: van de bank af komen en de verstandige
           keuze daadwerkelijk uitvoeren. Nog belangrijker is het volhouden van die verstan-
           dige keuzes. Afvallen is voor veel mensen nog wel te doen, maar op gewicht blij-
           ven is een heel ander verhaal, zeker in een obesogene omgeving met zijn vele ver-
           leidingen om onverstandige keuzes te maken. Doorzettingsvermogen is extra
           belangrijk wanneer een individu wordt geconfronteerd met tegenvallers of life
           events. Bepalend voor een gezonde leefstijl is dus ook kunnen omgaan met stress
           en verdriet.
Box 2.1          Centrum Gezond Gewicht9
   Dat het niet zo simpel is om een gezonde leefstijl te ontwikkelen was een belangrijke reden voor
   de oprichting van het Centrum Gezond Gewicht in Rotterdam. Waar de gangbare interventies
   afgestemd zijn op gemiddelden en zich voornamelijk richten op voeding en beweging, kijkt
   men in dit centrum vanuit een ‘holistisch en multidisciplinair perspectief’ naar de individuele
   patiënt. De snel groeiende kennis over obesitas maakt steeds duidelijker dat er een veelvoud van
   factoren aan ten grondslag ligt. Die factoren zijn deels psychisch-sociaal en cultureel, maar voor
   een belangrijk deel ook biologisch of hangen bijvoorbeeld samen met medicijngebruik. Daarom
   onderzoekt het centrum eerst wat voor elk individu de oorzaak is van het overgewicht en past de
   behandeling daarop aan.
         Die individuele behandeling is zo belangrijk omdat zij anders niet alleen ineffectief, maar
   zelfs contraproductief is. Het bekende ‘jojo-effect’ is niet alleen het gevolg van verval in oude
   gewoonten, maar kent ook een biologische basis. Een caloriearm dieet kan bijvoorbeeld eetlust
   en verzadigingsgevoelens zodanig verstoren, dat een gezond eetpatroon een nog grotere uitda-
   ging wordt. Een ineffectieve behandeling brengt bovendien frustratie, stress en soms zelfs
   depressie met zich mee, waardoor de mentale vermogens van mensen onder druk komen te
   staan.
   Wanneer biologische en medische factoren zijn onderzocht en behandeld, komen de mensen
   van wie duidelijk is dat ze medisch gezien kunnen afvallen in aanmerking voor een groeps-
   training van anderhalf jaar. Bij deze groep spelen mentale vermogens een belangrijke rol. Het
   programma is gericht op het aanleren van een gezonde leefstijl, met als bijwerking dat je daarvan
   afvalt. De deelnemers zijn veelal gedreven en actief in het dagelijks leven, maar vinden het moei-
   lijk om op dit gebied in actie te komen. De stap van het plan naar het uitvoeren vormt vaak een
   probleem. Dat komt ook omdat ze erg gericht zijn op de korte termijn, moeite hebben met
   impulsbeheersing en het oneerlijk vinden dat ze de porties moeten verkleinen of bepaalde din-
   gen niet kunnen eten (‘Waarom zou ik dat niet mogen?’).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 38 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 39 ======================================================================

<pre>                                                                 redzaamheid in de praktijk         37
Deelnemers hebben vaak wel voldoende algemene kennis over een gezond eetpatroon, maar
onvoldoende inzicht in de toepassing van die kennis op de eigen situatie. Soms zit het in kleine
dingen, zoals niet snappen dat 250 gram rauwe rijst wel 600 à 700 gram weegt als het is gekookt,
en daardoor onbedoeld te veel calorieën binnenkrijgen.
     Veel patiënten hebben moeite om te gaan met emoties, zoals boosheid en verdriet. Een
grote rol spelen life events, vaak meerdere tegelijk. Dat hoeven niet altijd ingrijpende gebeurte-
nissen te zijn, zoals het overlijden van een partner of het verliezen van een baan. Het gaat ook om
kleinere gebeurtenissen die de routine kunnen verstoren, zoals op jezelf gaan wonen of wisselen
van baan. De deelnemers zijn zeer zorgzaam voor anderen, maar hebben vaak een laag zelfbeeld.
Na elk mislukt dieet bouwt de stress verder op en neemt het zelfvertrouwen af. Als het gewicht
naar beneden gaat, gaat het zelfbeeld vaak omhoog.
       De rol van een actieve patiënt
       Wanneer mensen klachten krijgen komt de rol van de actieve patiënt in beeld. Wat
       dat vraagt van het individu verschilt per aandoening, maar een aantal vermogens
       zijn voor veel aandoeningen van toepassing. De zorgverleners die we hebben
       gesproken benadrukken dat het beeld van wat de patiënt wil en daarvoor moet
       kunnen de afgelopen jaren sterk is veranderd (zie ook Rademakers 2013).
       Een actieve rol vraagt allereerst dat de patiënt duidelijk kan verwoorden wat er aan
       de hand is en vervolgens de opdrachten van de arts goed kan begrijpen en uitvoe-
       ren.10 Bij de huisarts, die het eerste aanspreekpunt is bij klachten, is het vooral van
       belang om helder en eerlijk te communiceren. Na een diagnose gaat het om kennis
       over de ziekte, en het vermogen daar op de juiste manier naar te handelen. Bijvoor-
       beeld weten wanneer en hoe je contact moet zoeken met een zorgverlener over je
       chronische aandoening. Bij welke klachten ga je naar de huisarts en wanneer moet
       je contact opnemen met je specialist? Dit type afweging vraagt om meer dan ken-
       nis alleen. De patiënt moet de situatie overzien, in actie komen als dat nodig is en
       kunnen omgaan met emoties en beperkingen die de ziekte met zich meebrengt.
             Een volgende stap is meebeslissen over de behandeling. De meeste patiënten
       vinden dat belangrijk, maar niet iedereen wil zelf meedenken en meebeslissen
       (Rademakers 2013, ncpf 2014).11 Dat vraagt om goed kunnen communiceren met
       de zorgverlener, maar ook inzicht ontwikkelen in wie je bent en waar je behoefte
       aan hebt als patiënt. Dat is niet altijd eenvoudig, zeker in een situatie waarin er
       (nog) geen duidelijke diagnose gesteld kan worden. Meebeslissen over de behande-
       ling vraagt immers om zicht te hebben op de verschillende behandelopties en in
       staat zijn die te wegen. Mede daarom is er de laatste jaren veel aandacht voor de
       beschikbaarheid van informatie voor de patiënt (Victoor 2015).
             Maar wanneer iemand wordt geconfronteerd met een diagnose of fysieke
       klachten, blijkt dat het ideaalbeeld van de patiënt die samen met de behandelaar
       keuzes maakt in de praktijk vaak heel anders uitpakt. Als patiënt in het ziekenhuis
</pre>

====================================================================== Einde pagina 39 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 40 ======================================================================

<pre>38 weten is nog geen doen
   zijn mensen meestal helemaal niet zo mondig. “De onverwachte confrontatie met
   ziekte maakt dat mensen angstig zijn en niet altijd goed weten hoe zij zich moeten
   opstellen als patiënt en wat ze kunnen vragen of zeggen” (Van Egmond et al. 2014:
   5). Na het horen van de diagnose zijn ze eerst bezig met het verwerken van het
   nieuws en moeten ze leren omgaan met de onzekerheid en angst die de diagnose
   met zich meebrengt. Uit onderzoek blijkt dat mensen meer dan de helft vergeten
   van wat artsen in de spreekkamer vertellen (Makaryus en Friedman 2005).12
   Sommige ziektes vragen om een korte behandeling, waarna de patiënt zijn leven
   weer kan oppakken, eventueel met de opdracht een zeer gezonde leefstijl aan te
   houden. Steeds meer mensen krijgen in hun leven de diagnose van een chronische
   aandoening. Omdat de behandelmogelijkheden van veel chronische aandoeningen
   zijn toegenomen, volgt er na de diagnose een lange, vaak zelfs levenslange periode
   waarin de patiënt onder behandeling blijft. Naarmate de ziekte ernstiger is, men
   ouder wordt of meerdere aandoeningen heeft, neemt het aantal zelfmanagement-
   taken toe (Heijmans et al. 2010, Heijmans et al. 2016).
        Als reactie hierop werkt de zorgsector in toenemende mate met gespeciali-
   seerde ondersteuning voor chronische patiënten, zoals gespecialiseerde verpleeg-
   kundigen en praktijkondersteuners in huisartspraktijken. Succesfactoren voor
   zelfmanagement liggen echter voor een belangrijk deel bij de patiënt. Motivatie,
   opvattingen en intentie zijn van groot belang (Ursum et al. 2011). Bij binnenkomst
   van de patiënt in de spreekkamer is het voor de zorgverlener moeilijk te beoorde-
   len wie over welke vermogens beschikt en wie niet (Heijmans et al. 2016). Op basis
   van objectieve kenmerken als leeftijd, opleidingsniveau of migratieachtergrond
   kan je niet zonder meer voorspellen of iemand problemen ondervindt bij het
   omgaan met zijn ziekte.13 Sommige gesprekspartners geven aan dat ze daarvoor de
   juiste kennis ontberen.
        De laatste jaren is er in de zorg meer aandacht voor ondersteuning van de
   patiënt in zijn actieve rol, mede op initiatief van het Ministerie van vws. Zo wor-
   den bij de totstandkoming van richtlijnen voor artsen tegenwoordig patiënten
   betrokken en ondersteunt vws bijvoorbeeld de ontwikkeling van instrumenten
   voor het voeren van een gesprek tussen patiënt en zorgverlener, zoals de aanpak
   ‘Samen beslissen’.14 Maar de bestaande interventies ter ondersteuning van de
   patiënt kunnen de verwachtingen nog maar ten dele waarmaken. Heijmans et al.
   (2016) concluderen dat de interventies meer ‘op maat’ moeten worden aangebo-
   den, met aandacht voor patiëntenkenmerken als motivatie, voorkeuren en de indi-
   viduele mogelijkheden van chronisch zieken.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 40 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 41 ======================================================================

<pre>                                                                redzaamheid in de praktijk         39
Box 2.2          Met e-health toepassingen inspelen op doenvermogen
  De laatste jaren wordt sterk ingezet op de introductie van e-health toepassingen die de zelfred-
  zaamheid van patiënten zouden kunnen vergroten (Rademakers 2013). Maar vaak zijn websites
  of apps nog vooral gericht op informatieoverdracht. Het wordt echt interessant als een app
  inspeelt op het doenvermogen van het individu. Een voorbeeld uit het Verenigd Koninkrijk is de
  ‘Baby buddy’.15 Deze app houdt het stadium van de zwangerschap bij, biedt informatie aan die
  past bij dat moment, en biedt de mogelijkheid om vragen te stellen. Maar vrouwen kunnen via
  de app ook doelen voor zichzelf stellen, zoals elke dag minstens 20 minuten bewegen, en wor-
  den door de app gestimuleerd die doelen te realiseren. De app houdt ook afspraken en controles
  bij en geeft hiervoor tijdige reminders. Bovendien kunnen de vrouwen hun avatar personalise-
  ren met o.a. kleding, waardoor het gebruik leuker wordt en daarmee de vrouwen motiveert om
  de app ook gedurende een periode van 15 maanden te blijven gebruiken.
         Niet iedereen beschikt over gezondheidsvaardigheden
         In wetenschappelijk onderzoek werd tot voor kort vooral gekeken naar wat men-
         sen moeten weten en kunnen op het gebied van informatieverwerking. De
         omvangrijke health literacy-literatuur beperkte zich tot lees-, schrijf- en rekenvaar-
         digheden. Later kwamen daar het kunnen omgaan met mondelinge en digitale
         informatie bij, en recent zien we een verdere uitbreiding met bijvoorbeeld
         motivatie.16 Onder de noemer ‘gezondheidsvaardigheden’ krijgen nu ook niet-
         cognitieve kenmerken aandacht, zij het nog sporadisch.17 Gezondheidsvaardig-
         heden zijn geen doel op zich, maar beïnvloeden de gezondheid op verschillende
         manieren. Ze zijn bepalend voor: 1) het kennisniveau van het individu; 2) de leef-
         stijl; 3) het zorggebruik en de toegang tot de zorg; 4) communicatie met de zorg-
         verlener; en 5) zelfmanagement en medicijngebruik (Rademakers 2014).
               Er zijn zowel in Nederland als daarbuiten verschillende instrumenten ontwik-
         keld om patiëntenproﬁelen te maken die de (zelfmanagement)vaardigheden van de
         patiënt in kaart brengen.18 Hibbard et al. (2004) hebben een schaal ontwikkeld voor
         patiëntactivatie, genaamd Patient Activation Measure (pam).19 De schaal beoogt
         een antwoord te geven op de vraag waarom sommige patiënten actief bezig zijn
         met hun gezondheid en anderen niet. De schaal kent vier oplopende niveaus van
         patiëntactivatie: 1) het oppakken van een rol, 2) het opbouwen van kennis en zelf-
         vertrouwen, 3) in actie komen, en 4) gedrag volhouden. Mensen met een lage score
         hebben meer kans om overdonderd te zijn door de opdracht hun gezondheid te
         managen, weinig vertrouwen te hebben in hun vermogen een positieve impact te
         hebben op hun gezondheid, hun rol in het zorgproces verkeerd te begrijpen en
         over een beperkt oplossingsvermogen te beschikken.20 Ze hebben vaker door
         negatieve ervaringen een passieve houding ontwikkeld, en dat betekent dat ze
         veelal liever niet over hun gezondheid willen nadenken (Hibbard en Gilburt 2014).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 41 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 42 ======================================================================

<pre>40            weten is nog geen doen
              Rademakers heeft het pam-instrument getest voor Nederland (o.a. Rademakers et
              al. 2012 en 2014). Daaruit blijkt dat ook in Nederland niet iedereen in gelijke mate
              beschikt over gezondheidsvaardigheden en dat die verschillen niet volledig zijn te
              reduceren tot het opleidingsniveau (zie tabel 2.2). Hoogopgeleiden scoren welis-
              waar beter, maar ook in die groep beschikt slechts 29,1 procent over niveau vier, en
              komt 16,1 procent niet verder dan niveau 1.
Tabel 2.2            Samenhang tussen opleiding en patiëntactivatieniveau (in %)21
  Patiëntactivatieniveau                                              Opleidingsniveau1
                                             Laag                          Medium                              Hoog
 1. Rol nemen                                 31,4                            21,2                              16,1
 2. Opbouwen kennis en                        23,3                            27,7                              23,3
    zelfvertrouwen
 3. In actie komen                            31,8                            29,2                              31,5
 4. Gedrag volhouden                          13,5                            21,9                              29,1
Tabel gebaseerd op Rademakers et al. 2014.
              Kennis alleen is dus niet voldoende om aan de opdrachten van gezondheids-
              redzaamheid te kunnen voldoen. Op basis van de ervaringen van onze gespreks-
              partners en de literatuur kunnen we een overzicht maken van de vermogens die
              nodig zijn voor redzaamheid.
Tabel 2.3            Gezondheid
       Wat moet je kunnen?                            Preventie                                       Regie
                                                   Gezonde leefstijl                       Actieve rol in het zorgproces
 Informatie verzamelen en wegen     Informatie over gezonde voeding, bewe-         Kennis hebben over de aandoening en de
                                    gen en de negatieve effecten van roken         eigen klachten beschouwen in het licht
                                    en drinken verzamelen en wegen                 van die kennis
 Situatie overzien, doel stellen,   Eigen leefstijl kunnen beoordelen en           Persoonlijke situatie overzien, doelen
 plan maken                         een plan maken om die te verbeteren,           formuleren en samen met de arts een
                                    vandaag gezonde keuzes maken om op             plan maken voor behandeling, inzien
                                    latere leeftijd gezondheidsklachten te         wat behandelkeuzes betekenen voor de
                                    voorkomen                                      gezondheid later
 In actie komen, plan uitvoeren     Van de bank komen, gezond eten en              Zelf contact opnemen met de arts als dat
                                    stoppen met roken                              nodig is, een second opinion vragen
 Plan volhouden                     Verleiding van obesogene omgeving              Therapietrouw zijn, gezonde leefstijl
                                    weerstaan, dagelijks voldoende bewegen,        aannemen en volhouden; geloven dat een
                                    geloven dat men invloed kan hebben op          individu invloed kan hebben op de eigen
                                    de eigen gezondheid                            gezondheid
 Omgaan met emoties                 Bij teleurstelling of tegenslag niet weer      Accepteren van de ziekte en kunnen
                                    beginnen met roken of drinken, of vluch-       omgaan met emoties en beperkingen
                                    ten in een ongezond voedingspatroon
</pre>

====================================================================== Einde pagina 42 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 43 ======================================================================

<pre>                                                          redzaamheid in de praktijk        41
2.3   persoonlijke financiën
2.3.1 meer mensen met problematische schulden
      Ook op het terrein van persoonlijke ﬁnanciën zijn de verleidingen en complexiteit
      toegenomen. In plaats van een obesogene omgeving spreken Jones et al. (2013) van
      ‘debtogenic urban landscapes’. Juist in armere buurten, kent Engeland hoofdstra-
      ten die bestaan uit een aaneenrijging van goktenten, pinautomaten en pandjes-
      bazen. In Nederland zijn de voorbeelden in de publieke ruimte minder extreem,
      maar ook binnenshuis kun je tegenwoordig 24 uur per dag geld uitgeven bij web-
      winkels of via internetgokken, en wordt geadverteerd voor hypotheken die je bin-
      nen een week kunt afsluiten.
           Voor de burger is niet altijd duidelijk wat er achter die verleidingen schuil gaat.
      Zo zijn ﬁnanciële producten, zoals hypotheken, beleggingsproducten of verzeke-
      ringen, door hun aard lastig te doorgronden (wrr 2016). Ze zijn ingewikkeld en
      kennen vaak verborgen risico’s. Het gaat om producten die burgers vaak maar een
      paar keer in hun leven aanschaffen, waardoor ze beperkt kunnen terugvallen op
      eerdere kennis en ervaring. Desondanks kochten Nederlandse huishoudens de
      afgelopen jaren steeds meer uiteenlopende ﬁnanciële producten, zoals beleggin-
      gen, aanvullende pensioenen en spaar- en beleggingsverzekeringen. Daarbij zaten
      veel risicodragende kapitaalverzekeringen (de zogenoemde woekerpolissen) en
      andere complexe beleggingsproducten.
      Tegelijk hebben burgers een grotere eigen verantwoordelijkheid genomen dan wel
      gekregen voor het afdekken van ﬁnanciële risico’s. Denk aan de groei van het aantal
      zzp’ers die buiten het pensioensysteem vallen en de overgang van studieﬁnancie-
      ring naar een leenstelsel. Ook op andere manieren draagt de overheid bij aan de
      complexiteit van ﬁnanciële planning. De Nationale ombudsman concludeerde in
      2013 dat overheidsregelingen zo complex zijn en vaak zo onoverzichtelijk en
      onvoorspelbaar in hun uitwerking, dat er meer probleemschulden ontstaan. Er zijn
      zo veel regelingen dat veel mensen niet meer weten waarop zij recht hebben, en
      ﬁnanciële planning bijna onmogelijk is (Actal 2014). Onderzoeksbureau Deloitte
      telde voorjaar 2014 in totaal 27 verschillende inkomensregelingen waarop een huis-
      houden in potentie aanspraak kan maken. Bij de berekening waarop iemand vol-
      gens die regelingen recht heeft, worden in totaal zeven verschillende deﬁnities
      voor inkomen en vermogen gehanteerd. Zo moet de burger onderscheid weten te
      maken tussen inkomensbegrippen als verzamelinkomen, toetsingsinkomen,
      besteedbaar inkomen en netto-inkomen. En voor het aanvragen van bijvoorbeeld
      kwijtschelding van gemeentelijke belastingen moeten soms wel vijftien bewijs-
      stukken worden overlegd. Bovendien veranderen de regels nogal eens.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 43 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 44 ======================================================================

<pre>42 weten is nog geen doen
   De groep Nederlanders die te maken heeft met of risico loopt op ﬁnanciële proble-
   men is substantieel. Een op de drie huishoudens heeft een te lage buffer om een
   normale tegenslag op te vangen, zoals het stukgaan van een wasmachine
   (Jungmann en Madern 2016). Slechts 37 procent van de huishoudens heeft meer
   dan 3.500 euro aan reserve (Wijzer in geldzaken 2014). Ongeveer 650.000 huis-
   houders hebben problematische schulden, terwijl nog eens 735.000 huishoudens
   risico daarop lopen (Panteia 2015).22 Deze cijfers zijn niet spijkerhard maar schat-
   tingen op basis van grootschalige enquêtes.23 Er bestaat namelijk geen databank
   van mensen met (risico op) problematische schulden, en niet iedereen met schul-
   den meldt zich bij ofﬁciële instanties.
        Het schuldenprobleem is sinds de ﬁnanciële crisis van 2008 toegenomen.
   Meer mensen zagen zich geconfronteerd met terugloop van inkomsten, werkloos-
   heid en dalende huizenprijzen. De koopkracht van huishoudens nam een aantal
   jaren fors af (Nibud 2014). De stijging van het aantal schuldenaren vlakt nu af. Zo
   constateert het Bureau Krediet Registratie (bkr) dat in de tweede helft van 2015
   voor het eerst het aantal consumenten met betalingsachterstanden op leningen
   niet meer stijgt maar stabiel is gebleven op driekwart miljoen. De afgelopen tien
   jaar hebben steeds meer mensen zich gemeld bij de schuldhulpverlening (zie gra-
   ﬁek 2.1). In de ﬁguur staat het aantal verzoeken om hulpverlening bij een lid van de
   nvvk, de brancheorganisatie voor dienstverlening op het gebied van schuldhulp-
   verlening.24 De gemiddelde schuld van de mensen die zich aanmelden bedraagt
   inmiddels €42.900.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 44 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 45 ======================================================================

<pre>                                                                 redzaamheid in de praktijk       43
Figuur 2.1      Aanvragen schuldhulpverlening geregisteerd bij de nvvk
90.000
                                                                               84.250      89.000
80.000
                                                              78.986
70.000                                                                    76.043
60.000
                                                                53.250
50.000
                                        47.500         44.100
             39.000           46.000
40.000
                     43.000
         34.500
30.000
20.000
     2003     2004    2005     2006      2007     2008     2009     2010   2011     2012    2013
Bron: nvvk jaarverslagen (2014b; 2013; 2012; 2011; 2010; 2009; 2005).
         De laatste jaren zien we dat problematische schulden onder alle lagen van de
         bevolking voorkomen, niet alleen bij de klassieke onderkant, maar ook bij mensen
         met een goede opleiding en een goed inkomen. Ze komen relatief vaak voor onder
         mensen met weinig opleiding, een laag inkomen en een huurwoning, maar blijven
         zeker niet tot die groepen beperkt (zie tabel 2.4). Blijkbaar spelen ook andere facto-
         ren een rol.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 45 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 46 ======================================================================

<pre>44          weten is nog geen doen
Tabel 2.4           Achtergrondkenmerken bij problematische schulden
 Opleidingsniveau
 t/m VMBO                                                                 55%
 HAVO, VWO, MBO                                                           29%
 HBO, WO                                                                  16%
 Totaal                                                                  100%
 Netto maandinkomen
 ≤ 1.000                                                                  11%
 1.000 - 2.000                                                            49%
 2.000 - 3.000                                                            32%
 ≥ 3.000                                                                   8%
 Totaal                                                                  100%
 Soort woning
 Koopwoning                                                               42%
 Huurwoning                                                               58%
 Totaal                                                                  100%
Bron: Panteia 2015
2.3.2       wat moet je kunnen: gezond financieel gedrag en uit de
            schulden komen
            Wat je moet kunnen voor ﬁnanciële redzaamheid hangt samen met je persoonlijke
            situatie. Het op orde houden van je ﬁnanciën is overzichtelijk wanneer maande-
            lijks een vast salaris binnenkomt, dat ruim voldoende is voor het automatisch
            betalen van de vaste lasten en ruimte overlaat om te sparen. Juist op het moment
            dat er problematische schulden zijn ontstaan, wordt veel van de mentale vermo-
            gens van mensen gevraagd. In deze paragraaf lopen we na wat men moet kunnen
            om ﬁnanciële problemen te voorkomen, en wat er gebeurt als men toch in de pro-
            blematische schulden raakt of in de schuldsanering terechtkomt.
Opdrachten voor persoonlijke ﬁnanciën
 Preventie      Gezond ﬁnancieel gedrag vertonen
 Regie          Uit de problematische schulden komen
            Vertoon gezond ﬁnancieel gedrag
            Het voorkomen van betalingsachterstanden is waar het om draait bij gezond ﬁnan-
            cieel gedrag. Dat betekent dat de uitgaven in lijn zijn met de inkomsten, dat men-
            sen vooruit plannen op de langere termijn, zich bewust zijn van ﬁnanciële risico’s
            en daarvoor maatregelen treffen zoals het aanleggen van een ﬁnanciële buffer
            (Jungmann et al. 2012). Nog concreter betekent het dat men niet alleen in staat
</pre>

====================================================================== Einde pagina 46 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 47 ======================================================================

<pre>                                                               redzaamheid in de praktijk           45
          moet zijn om een complex ﬁnancieel product als een hypotheek aan te schaffen,
          maar ook basale opdrachten moet kunnen uitvoeren als de post openmaken en
          rekeningen op tijd betalen.
               Met ﬁnancieel gezond gedrag zijn achterstanden in betaling niet altijd te voor-
          komen. Door pech kan men toch in een moeilijke ﬁnanciële situatie terechtkomen.
          Andersom vertonen individuen met een positief banksaldo niet altijd ﬁnancieel
          gezond gedrag. Zij blijven echter uit de problemen, zolang de inkomsten boven de
          uitgaven uitstijgen. Alleen de juiste mentale vermogens zijn dus niet voldoende
          voor ﬁnanciële zelfredzaamheid.
          Het Nibud omschrijft wat iemand moet kunnen om ﬁnancieel zelfredzaam te zijn,
          aan de hand van vijf gebieden van competenties (zie box 2.1). Sommige van deze
          competenties heeft een individu dagelijks nodig, andere slechts incidenteel.
Box 2.3          Competenties voor ﬁnanciële redzaamheid
  Het Nibud heeft vijf competenties voor ﬁnanciële zelfredzaamheid opgesteld (Nibud 2012). Deze
  competenties beschrijven de kennis en vaardigheden waarover een consument zou moeten
  beschikken om inkomsten en uitgaven in balans te kunnen houden op de korte en lange termijn.
  –    In kaart brengen. De consument beschikt over een overzicht dat inzicht geeft in de mogelijk-
       heden om zijn ﬁnanciën in balans te houden.
  –    Verantwoord besteden. De consument besteedt zijn inkomsten zodanig dat zijn huishoud-
       ﬁnanciën op de korte termijn in balans zijn.
  –    Vooruitkijken. De consument realiseert zich dat wensen en gebeurtenissen op de middel-
       lange en de lange termijn ﬁnanciële gevolgen hebben en stemt zijn huidige bestedingen
       hierop af.
  –    Bewust ﬁnanciële producten kiezen. De consument kiest ﬁnanciële producten op basis van
       budgettaire overwegingen en passend bij zijn persoon en persoonlijke huishoudsituatie.
  –    Over voldoende kennis beschikken. De consument beschikt over alle relevante kennis om
       zijn huishoudﬁnanciën op de korte, middellange en de lange termijn in balans te brengen en
       te houden.
  Bron: Nibud 2012
          De lijst van het Nibud omschrijft heel precies welke taken en handelingen men
          moet kunnen verrichten. Kennis is een onderdeel, maar het is duidelijk dat je het
          niet redt met kennis alleen. Toch heeft tot nu toe in de internationale literatuur
          vooral het belang van ﬁnanciële geletterdheid (ﬁnancial literacy) centraal gestaan.
          Daarbij ligt de nadruk op iemands mogelijkheden om economische informatie te
          verwerken en de mate waarin iemand geïnformeerde besluiten neemt (Jungmann
          en Madern 2016). Hoewel er inmiddels bredere deﬁnities in omloop zijn, waarin
          ook gedragsaspecten worden meegenomen, staat kennis nog steeds centraal. De
</pre>

====================================================================== Einde pagina 47 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 48 ======================================================================

<pre>46 weten is nog geen doen
   gangbare hypothese in dit onderzoeksveld is dat mensen in de ﬁnanciële proble-
   men komen door een gebrek aan ﬁnanciële kennis en dat het vergroten daarvan de
   sleutel voor verbetering is. Recent onderzoek zet hier steeds meer vraagtekens bij
   (Jungmann en Madern 2016). Wanneer rekening wordt gehouden met persoons-
   kenmerken als risicohouding, voorkeur voor planmatig gedrag, vertrouwen in
   eigen kunnen en rekenvaardigheid, verdwijnt de correlatie tussen kennis en gedrag
   bijna helemaal.
        De schuldhulpverleners die we spraken bevestigen dit beeld. Het is bijvoor-
   beeld niet zo dat hoger opgeleiden het altijd beter doen dan lager opgeleiden. Het
   ontwikkelen van problematische schulden is niet voorbehouden aan bepaalde
   groepen. Slechts voor een deel gaat het om de klassieke onderkant, de groep die
   bestaat uit mensen voor wie het zelf regelen van hun persoonlijke ﬁnanciën onder
   alle omstandigheden problematisch is, omdat ze niet beschikken over de noodza-
   kelijke cognitieve vermogens. De schuldhulpverleners zien twee nieuwe groepen
   met problematische schulden. Ten eerste ‘de nieuwe armen’. Dit zijn mensen met
   een tot voor kort redelijk overzichtelijk leven en een baan, die door tegenslag snel
   ernstig in de problemen komen. Deze groep beschikt vaak niet over grote, direct
   inzetbare ﬁnanciële buffers, en is dus relatief kwetsbaar voor veranderende
   omstandigheden. De tweede groep bestaat uit rijkeren. Het gaat om mensen die
   een goed inkomen hebben, maar door een life event, zoals een scheiding of een
   ziekte, in de ﬁnanciële problemen komen. Hoge vaste lasten, vaak gecombineerd
   met onvermogen of onwil om de vertrouwde levensstijl aan te passen, zorgen
   ervoor dat deze groep vanuit een comfortabele positie snel een ﬂinke schuld kan
   opbouwen. Hulpverleners zien dat beide groepen niet kunnen of willen omgaan
   met de veranderde omstandigheden.
   Uit het bovenstaande blijkt dat ﬁnanciële problematiek bijna nooit op zichzelf
   staat. Uit verschillende onderzoeken (zie Panteia 2015) en gesprekken komt naar
   voren dat life events een grote rol spelen bij het wel of niet in de schulden komen.
   Die gebeurtenissen, zoals het krijgen van een kind, ontslag, of verlies van een part-
   ner, kunnen iedereen overkomen. Of ze leiden tot ﬁnanciële problemen heeft te
   maken met de impact van de gebeurtenis en het bezit van ﬁnanciële buffers. Niet
   iedereen ziet de gebeurtenis en de daarmee gepaard gaande inkomensterugval aan-
   komen of heeft nagedacht over de mogelijkheid dat zoiets zou kunnen gebeuren
   (o.a. Nibud 2014). Door een combinatie van onvoorziene omstandigheden, onder-
   schatting van risico’s en optimisme over de toekomst denkt men onvoldoende na
   over toekomstige gebeurtenissen die grote ﬁnanciële gevolgen kunnen hebben.
   Het hangt ook samen met de reactie van mensen op een life event. Individuen
   moeten hun persoonlijke situatie kunnen beoordelen, veranderingen daarin
   accepteren en vervolgens doelen bijstellen. Dat vraagt om aanpassingsvermogen
   en vertrouwen in eigen kunnen om een situatie snel om te buigen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 48 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 49 ======================================================================

<pre>                                                    redzaamheid in de praktijk         47
Omgaan met problematische schulden en schuldsanering
Wie eenmaal problematische schulden heeft, bevindt zich in een complexe situ-
atie. Een situatie die vraagt om alertheid. Er zijn bijna altijd diverse schuldeisers en
vorderingen, elk met hun eigen regels en betalingsregelingen. De schuldenaar
moet weten welke informatie wanneer en aan wie door te geven, moet overweg
kunnen met de vele formulieren en vereiste bewijsstukken, met de procedures en
wachttijden, op de hoogte zijn van eventuele mogelijkheden tot bezwaar, adressen
voor hulp, bureaucratische regels en logica. Daarnaast moet hij assertief en aan-
houdend zijn tegenover een bureaucratie die niet altijd gericht is op ondersteuning
van het individu. Hij moet zich kunnen verweren tegen schuldeisers die misbruik
maken van onwetendheid, en soms intimiderend zijn (acm 2015).25 De incassobu-
reaus maken de problemen van schuldenaren niet zelden nog groter, omdat ze niet
altijd even subtiel te werk gaan. De Autoriteit Consument en Markt (acm) conclu-
deert dat incassobureaus “geregeld ontoelaatbare druk uitoefenen” om rekeningen
betaald te krijgen (2015:15). Ze dreigen bijvoorbeeld met maatregelen waartoe zij de
wettelijke bevoegdheid niet hebben, zoals dagvaarding, gedwongen verkoop, ont-
ruiming of beslaglegging. Deze druk heeft geregeld resultaat, want de meeste
schuldenaren weten niet goed wat een incassobureau wel en niet mag.
      Onder de schuldeisers bevinden zich vaak diverse overheidsonderdelen, zoals
de Belastingdienst, het Centraal Justitieel Incassobureau (cjib) en het College voor
Zorgverzekeringen (cvz).26 Ook al zijn zij alle onderdeel van de overheid, dat
betekent niet dat ze dezelfde regels en procedures hanteren. Elke overheidsinstan-
tie kent zijn eigen regime, en onderling is er nauwelijks afstemming zodat zij
elkaar soms behoorlijk in de weg zitten. Het is bijvoorbeeld denkbaar dat de accept-
giro voor betaling van een cjib-boete onverwacht door de bank wordt geweigerd
omdat een andere overheidsinstantie net een dag daarvoor via een overheidsvor-
dering de bankrekening van de schuldenaar heeft leeggehaald. Dat is extra verve-
lend omdat het cjib vervolgens bij een aanmaning meteen een ﬁkse boete voor te
laat betalen in rekening brengt.
Alle deskundigen stellen dat het zaak is er vroeg bij te zijn en actie te ondernemen.
Maar ze constateren tegelijkertijd dat het vaak lang duurt voordat iemand de pro-
blematiek onder ogen ziet. Men schaamt zich voor het eigen falen, vindt dat men
daarvoor zelf verantwoordelijk is en dus ook de problemen moet oplossen. Soms
zijn de problemen zo groot dat schuldhulp of -sanering noodzakelijk is. Ook die
situatie doet een beroep op de mentale vermogens van de schuldenaar.
      Ten eerste moet de schuldenaar in staat zijn om hulp te vragen. De stap naar de
schuldhulpverlening is voor veel mensen groot. Tussen de eerste betalingsachter-
stand en aanmelding bij de gemeentelijke schuldhulpverlening ligt gemiddeld zo’n
vijf jaar (Jungmann en Anderson 2011). Dat heeft te maken met schaamte, maar
komt ook doordat de toegang tot de regeling is verbonden aan stringente voor-
waarden, en juist voor deze mensen is het lastig om daaraan te voldoen (Jungmann
et al. 2014). Bij veel gemeenten geldt bijvoorbeeld een nog niet afgeronde scheiding
</pre>

====================================================================== Einde pagina 49 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 50 ======================================================================

<pre>48 weten is nog geen doen
   als weigeringsgrond. En wie een eigen huis heeft of een auto die niet noodzakelijk
   is voor woon-werkverkeer, zal die eerst moeten verkopen. Bovendien wordt geke-
   ken naar het gedrag van de schuldenaar. Die moet zich aan afspraken houden, de
   administratie voldoende op orde hebben en geen nieuwe schulden maken. Maar in
   een situatie van problematische schulden zijn mensen het overzicht vaak kwijtge-
   raakt. Ze worden volledig opgeslokt door de acute problemen, kunnen niet meer
   vooruitkijken en staan voortdurend onder druk van schuldeisers. In die situatie is
   het niet eenvoudig om te voldoen aan de voorwaarde van overzicht over de eigen
   ﬁnanciële situatie, gebrek aan overzicht is nu juist een oorzaak van het probleem.
        Het schuldsaneringstraject is zwaar en vraagt veel doorzettingsvermogen en
   discipline. Van de mensen die worden toegelaten maakt ongeveer dertig procent
   het traject niet af, ondanks de strenge selectiecriteria.27 Niet iedereen beschikt over
   voldoende motivatie. Soms lijkt men niet bereid om de levensstijl waaraan men
   gewend is los te laten, en afstand te doen van wat men beschouwt als noodzakelijk.
   Professionals geven aan dat mensen tijd nodig hebben om te zien en accepteren
   wat hun situatie is en werkelijke keuzes te maken. Voor een deel hangt dit samen
   met de stress die de situatie veroorzaakt.
   Wat je moet kunnen omvat dus meer dan kennis. Zo blijkt uit onderzoek dat het
   hebben van een positieve houding – geen kortetermijnvisie hebben, niet verlei-
   dingsgevoelig zijn en wel spaarbehoeftig zijn – van grotere invloed is dan het
   beschikken over praktische vaardigheden als overzicht hebben, actief administra-
   tie voeren of een spaarrekening hebben (Madern en Van der Schors 2012). Op basis
   van de literatuur en de ervaringen van onze gesprekspartners kunnen we een over-
   zicht maken van de vermogens waarover men moet beschikken om ﬁnancieel red-
   zaam te zijn. Het uit de schulden komen vraagt om andere acties dan het voor-
   komen van schulden, maar wat je moet kunnen komt sterk overeen (zie tabel 2.5).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 50 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 51 ======================================================================

<pre>                                                                          redzaamheid in de praktijk               49
Tabel 2.5            Persoonlijke ﬁnanciën
       Wat moet je kunnen?                       Preventie                                      Regie
                                           Gezond ﬁnancieel gedrag                     Uit de schulden komen
 Informatie verzamelen en         Bewust ﬁnanciële producten kiezen en      Rechten en plichten van toeslagen en
 beoordelen                       begrijpen wat deze betekenen voor je      regelingen kennen en begrijpen
                                  persoonlijke ﬁnanciële situatie
 Situatie overzien, doel stellen, Administratie bijhouden, uitgaven en      Administratie op orde krijgen,
 plan maken                       inkomen in balans houden, ﬁnanciële       uitgaven en inkomsten aanpassen aan
                                  buffers opbouwen om met life events om    de persoonlijke situatie, kiezen voor
                                  te kunnen gaan (sparen)                   een zwaar saneringstraject om uit de
                                                                            schulden te komen
 In actie komen, plan uitvoeren   Post openmaken, rekeningen betalen,       Contact opnemen met schuldeisers,
                                  inkomen vergroten, vertrouwen dat het     hulp inschakelen, geloven dat men
                                  mogelijk is om uitgaven en inkomsten in   zelf een positieve invloed op het
                                  balans te houden                          schuldenprobleem kan hebben
 Plan volhouden                   Reclame en aanbiedingen weerstaan         De verleiding weerstaan om te kopen wat
                                                                            mensen zonder schulden kopen
 Omgaan met emoties               Geen impulsaankopen doen                  Schaamte overwinnen en toch hulp
                                                                            vragen
2.4         arbeidsmarkt
2.4.1       flexibilisering en individuele verantwoordelijkheid
            In de participatiesamenleving wordt iedereen geacht mee te doen, bij voorkeur in
            de vorm van betaald werk. Dat betekent inzetbaar zijn, een baan vinden en behou-
            den. Dit uitgangspunt wordt door veel burgers onderschreven. Maar de kansen van
            het individu op die arbeidsmarkt worden beïnvloed door verschillende ontwikke-
            lingen.
            Ten eerste speelt de ontwikkeling van de economie een rol. Zo is na het uitbreken
            van de crisis in 2008 het aantal werklozen in Nederland toegenomen. Het baanver-
            lies steeg van 80 duizend per jaar in 2008, naar aantallen tussen de 105 en 125 dui-
            zend in de jaren daarna (cbs 2015). De werkloosheid steeg van 3,7 procent in 2008
            naar 6,6 procent in 2015 (cbs 2016).28 In het derde kwartaal van 2016 is de werk-
            loosheid weer gedaald naar 5,7 procent (ibid). De groep werklozen is niet homo-
            geen. Ouderen zijn vaker langdurig werkloos dan jongeren, en laag- en middel-
            baaropgeleiden zijn net iets vaker werkloos dan hoogopgeleiden. Maar de verschil-
            len zijn relatief klein; sommige groepen lopen meer kans, maar werkloosheid kan
            iedereen overkomen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 51 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 52 ======================================================================

<pre>50       weten is nog geen doen
         Ten tweede moeten mensen door de ﬂexibilisering van de arbeidsmarkt tijdens
         hun loopbaan vaker de strijd om een baan aangaan.29 Nederland loopt binnen
         Europa voorop. Een op de vijf werkenden heeft een ﬂexibele baan en een op de tien
         werkenden is zzp’er (Kremer et al. 2017). In 2005 had nog 72 procent van de werk-
         zame beroepsbevolking een vaste arbeidsrelatie, in 2015 was dat slechts 62 procent
         (cbs 2016). In dezelfde periode steeg het aantal ﬂexibele relaties van 15 procent naar
         21 procent. Ook het aantal zelfstandigen groeit. Waar zij in 2005 nog maar 13 pro-
         cent van de werkzame beroepsbevolking uitmaakten, was dat in 2015 17 procent.
         Het overgrote deel hiervan, zo’n 70 procent, is zzp’er (ibid 2016). We zien ook
         meer hybride vormen van werk, waarbij mensen tegelijk een vaste baan hebben en
         zzp’er zijn. Tot nu toe lijkt de conjunctuur weinig te hebben veranderd aan de
         gestage ontwikkeling van ﬂexibilisering (Bolhaar et al. 2016). De toename van
         ﬂexibilisering is echter geen autonome ontwikkeling, maar wordt beïnvloed door
         verschillende factoren die kunnen veranderen, zoals het gedrag van werkgevers en
         krapte op de arbeidsmarkt.
Figuur 2.2       Percentage van het totaal aantal werkenden dat een ﬂexibel arbeidscontract
                 heeft of zzp'er is
%
25
20
15
10
 5
 0
    2003    2004     2005     2006 2007 2008   2009   2010   2011   2012 2013  2014   2015
         ﬂexibel contract          zzp        werkloosheidspercentage
Bron: Bolhaar et al. 2016: 11
         Flexibele contracten vormen niet altijd een voorbode van een vast contract. Aan
         het eind van de jaren ’90 kreeg 43 procent van de werknemers met een tijdelijk
         contract binnen een jaar een vast contract, maar in de jaren 2008-2011 was dit
</pre>

====================================================================== Einde pagina 52 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 53 ======================================================================

<pre>                                                  redzaamheid in de praktijk         51
gedaald tot 28 procent (Keune 2016:18).30 Werknemers met een ﬂexibele arbeidsre-
latie wisselen tot twee maal vaker van baan dan werknemers met een vast contract,
en krijgen daarbij vaker opnieuw een ﬂexibel contract (cbs & tno 2015b).
De ﬂexibilisering beïnvloedt de werkzekerheid. Zo ligt de kans dat mensen met
een tijdelijk contract twee jaar later nog werk hebben tien procentpunten lager dan
bij mensen met een vast contract (Van Echteld et al. 2016: 7). En doordat zelfstandi-
gen hun eigen opdrachten moeten binnenhalen, hebben zij minder zekerheid van
werk. De gevolgen zijn voor burgers voelbaar. In 2013 maakte ongeveer de helft van
de Nederlanders zich zorgen om zijn baan, dacht 45 procent na over ander werk, en
heeft 23 procent werkelijk stappen ondernomen om ander werk te vinden.31
     Ten derde is door technologische ontwikkelingen de inhoud van werk steeds
sterker aan verandering onderhevig (Van Echteld et al. 2016). Routineus werk zal
steeds meer geautomatiseerd worden. Hierdoor lijken creativiteit, sociale vaardig-
heden, aanpassingsvermogen en andere meta-vaardigheden aan belang te winnen
op de arbeidsmarkt (Went et al. 2015). In de afgelopen 25 jaar is de vraag naar arbeid
in het middensegment gedaald, terwijl de vraag aan de onder- en bovenkant van de
arbeidsmarkt is toegenomen (Van den Berge & ter Weel 2015).32 Deze baanpolari-
satie betekent dat veel middelbaar opgeleiden naar de onderkant van de arbeids-
markt worden geduwd of zich via bijvoorbeeld omscholing naar de bovenkant van
de arbeidsmarkt moeten bewegen.
     Met de inhoud van het werk verandert ook het type organisatie. Een kennis-
intensievere productie kan tot een minder sterke arbeidsdeling leiden, en meer
vraag naar breed inzetbare werknemers die een complexe taakstelling en grote
individuele verantwoordelijkheid aankunnen. Een breed inzetbaar personeelsbe-
stand kan het bedrijf helpen om ﬂexibel en competitief te blijven (Guilbert et al.
2015).33Werknemers voelen dit zelf ook: tussen de 45 en 59 procent van de werken-
den geeft aan behoefte te hebben aan opleiding.34 De werknemers die zich zorgen
maken om hun baan hebben hier het meeste behoefte aan, degenen die zich geen
zorgen maken het minste.
     Een vierde ontwikkeling is dat de verantwoordelijkheid voor het behoud van
inkomen en het vinden van werk meer bij de burger zelf is komen te liggen. Al in
de jaren negentig is een trend ingezet van afnemende inkomenszekerheid, met de
invoering van de participatiewet (zie box 2.4) als voorlopig laatste stap
</pre>

====================================================================== Einde pagina 53 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 54 ======================================================================

<pre>52        weten is nog geen doen
          (Vrooman 2016). De toegangscriteria zijn aangescherpt en de hoogte en duur van
          de uitkeringen zijn beperkt (Van Echteldt en Josten 2012). Zo neemt de ﬁnanciële
          druk om werk te zoeken toe. ww-rechten worden tegenwoordig langzamer opge-
          bouwd, en gelden tot een verlaagd maximum van 24 maanden. Daarnaast zijn de
          laatste jaren de uitgaven aan begeleiding en bemiddeling van werklozen verlaagd
          (cpb 2016). Tussen 2002 en 2013 is het budget voor actief arbeidsmarktbeleid
          gehalveerd, terwijl de werkloosheid steeg.
               Tegenover het uitkeringsrecht zijn meer verplichtingen komen te staan. Van
          Echteld en Josten (2012) zien een verschuiving van verzorgen naar disciplineren.
          Het toezicht op naleving van de sollicitatieplicht is strenger, het begrip passende
          arbeid is opgerekt en mensen moeten sneller werk onder hun niveau accepteren.
          Bovendien is de overheid tegenwoordig minder actief bij re-integratie. Pas drie
          maanden na inschrijving bij het uwv als werkloze, volgt een eerste persoonlijke
          afspraak. Dit betekent dat een werkloze steeds meer zelf moet uitvinden en doen.
Box 2.4          Strengere regels en meer verplichtingen
   Vanaf 1 januari 2016 is de Werkloosheidswet (ww) verder versoberd. Voormalig werknemers
   krijgen een ww-uitkering, die inkomenszekerheid biedt gedurende de zoektocht naar werk. De
   uitkering beslaat 70 procent van het laatstverdiende loon en duurt tussen de drie en 24 maanden,
   afhankelijk van de duur van het arbeidsverleden. De dienstverlening bestaat verder uit een
   online-omgeving met contact met de klantmanager, tips, zelftesten, informatie en online trai-
   ningen. Pas na drie maanden volgt er een gesprek met een adviseur, eventueel nog vervolgd met
   een gesprek in de zevende en tiende maand van de ww. Er is aanvullende dienstverlening
   beschikbaar, maar alleen voor speciﬁeke doelgroepen zoals 50-plussers (cpb 2016).
        De Participatiewet bestaat sinds 2015 en vervangt de vroegere Wwb, Wsw en een deel van
   de Wajong.35 De wet richt zich op mensen die kunnen werken, maar ondersteuning van de
   gemeente nodig hebben bij het vinden en behouden van werk. Dat gebeurt in de eerste plaats via
   begeleiding en bemiddeling door een klantmanager, eventueel aangevuld met scholing, training
   of loonkostensubsidie (cpb 2016). Daarbij krijgt de burger die in de bijstand zit een inkomens-
   ondersteuning tot 70 procent van het minimumloon.
        Met de invoering van deze wetten zijn de plichten voor de burger toegenomen. Zo heeft de
   ontvanger van een bijstandsuitkering een arbeids- en re-integratieverplichting en moet hij een
   tegenprestatie leveren naar vermogen. De ontvanger van een ww-uitkering is verplicht om vier
   maal per vier weken sollicitatie-activiteiten te ondernemen.36 De eerste zes maanden hoeft er
   alleen gesolliciteerd te worden naar werk op het eigen niveau, daarna wordt alle arbeid als pas-
   send gezien. Zowel een bijstandsontvanger als een ww’er moet bereid zijn om voor passende
   arbeid tot drie uur per dag te reizen of te verhuizen. Daarnaast moeten alle wijzingen doorgege-
   ven worden, van ziektedagen tot vrijwilligerswerk en vriendendiensten. Houden de ontvangers
   zich niet aan deze plichten, dan kunnen zij gekort worden op hun uitkering.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 54 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 55 ======================================================================

<pre>                                                                 redzaamheid in de praktijk     53
2.4.2      wat moet je kunnen: inzetbaar zijn en werk vinden en
           behouden
           Passend werk vinden en behouden, dat zijn de belangrijkste opgaven op de
           arbeidsmarkt. Wat moet je daarvoor doen of kunnen? Een werkende moet zijn
           inzetbaarheid op peil houden, voor zijn huidige baan, maar vooral ook voor zijn
           verdere loopbaan. Een werkloze is vooral gericht op het vinden van een baan, en
           moet daarvoor inzetbaar zijn. Beide situaties vragen om de juiste opleiding en
           werkervaring. Maar die kenmerken verklaren niet volledig waarom de één veel
           makkelijker een baan kan vinden en behouden dan de ander. Er zijn ook andere
           vermogens belangrijk.
Opdrachten op de arbeidsmarkt
 Preventie    Inzetbaarheid op peil houden en verder ontwikkelen
 Regie        Passend werk vinden en behouden
           Van werk naar werk
           Flexibilisering van de arbeidsmarkt heeft tot gevolg dat werkenden minder zeker-
           heid hebben dat ze hun huidige baan voor de rest van hun werkzame leven kunnen
           behouden. Voor de werkende zijn er daarom twee hoofdtaken: hij moet zijn hui-
           dige baan zien te behouden door goed te presteren, maar zich ondertussen ook
           oriënteren op een volgende baan. Een nieuwe functie bestaat vaak uit een ander
           takenpakket, waarvoor aanvullende kennis en vaardigheden nodig zijn. De werk-
           nemer moet zich blijven ontwikkelen en aanpassen.
                De aandacht voor individuele ontwikkeling is de afgelopen decennia toegeno-
           men, vaak aangeduid als employability, in het Nederlands te vertalen als ‘inzetbaar-
           heid’.37 De term wordt ook gebruikt om te verwijzen naar de toegenomen keuze-
           vrijheid van werknemers om hun eigen loopbaan in te vullen. Het is het ideaal van
           een geëmancipeerde werknemer die voor zichzelf opkomt, zonder de belemme-
           ring van knellende, vastgeroeste kaders. Vanuit dit ideaal ligt de verantwoordelijk-
           heid voor inzetbaarheid ook steeds meer bij het individu en minder bij de organi-
           satie (Thijssen 2000).
                Door de nadruk op inzetbaarheid vervaagt de grens tussen scholing en werk
           (Van Echteld et al. 2016). Werknemers moeten voortduren aandacht besteden aan
           kennis en vaardigheden, ook als het gaat om scholingsbehoefte die pas op de
           langere termijn gaat spelen. Loopbaancoaches geven aan dat mensen hier heel ver-
           schillend mee omgaan. Sommige mensen zijn moeilijk in beweging te krijgen, ter-
           wijl dit bij mensen met veel motivatie en geloof in eigen kunnen makkelijker gaat.
                Om van baan te wisselen moet iemand weten waar hij naartoe wil. Dat vraagt
           om een zelfbeeld, dat vaak in coachingstrajecten aan de orde komt aan de hand van
           vragen als ‘wie ben ik?’, ‘wat kan ik?’ en ‘wat wil ik?’. Maar het is ook noodzakelijk
           te weten wat er speelt op de arbeidsmarkt en hoe je capaciteiten zich daartoe ver-
           houden. De werknemer moet het gesprek hierover met zijn werkgever durven aan-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 55 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 56 ======================================================================

<pre>54 weten is nog geen doen
   gaan, of binnen zijn netwerk mensen vragen om mee te denken. Op basis van deze
   informatie dient hij vervolgens een doel te formuleren en een plan te maken om
   dat doel te bereiken.
   Al deze activiteiten kosten tijd, aandacht en energie. Het kan ook confronterend
   zijn om te beseffen dat de huidige baan toch niet de droombaan is, en om vervol-
   gens de onzekerheid van sollicitaties op te zoeken. Dat is dan ook een activiteit die
   gemakkelijk ‘nog even’ uitgesteld wordt. Onze gesprekspartners geven aan dat
   mensen een zekere rust nodig hebben in andere levensdomeinen voordat zij zich
   ongedwongen met hun inzetbaarheid kunnen bezighouden. Het werken aan de
   inzetbaarheid moet dus niet alleen wedijveren met de verleiding van interessantere
   activiteiten, maar ook met problemen in andere levensdomeinen.
        Zelfs onder gunstige omstandigheden zal de werknemer moeten kunnen
   omgaan met de onzekerheid en teleurstelling die het proces van heroriëntatie en
   ontwikkeling met zich meebrengen. Een aanvullende training kan niet zo verlopen
   als gehoopt, en na een sollicitatie kan een afwijzing volgen. Ondanks dit soort
   tegenslagen zal hij dan toch moeten doorzetten.
   Van werkloosheid naar werk
   Wanneer iemand, om welke reden dan ook, zijn baan verliest, zal hij ook moeten
   werken aan zijn inzetbaarheid, maar daarbij staat hij onder grotere druk. Die druk
   wordt van buiten opgelegd, bijvoorbeeld door de strengere naleving van de sollici-
   tatieplicht, maar kan ook zelfopgelegd zijn omdat werk belangrijk is voor de per-
   soonlijke identiteit.
        Baanverlies kan een ﬂinke tegenslag zijn, zowel ﬁnancieel als persoonlijk.
   Onze gesprekspartners geven aan dat werklozen eerst die tegenslag moeten ver-
   werken, voordat zij eraan toe zijn om stappen te zetten richting een nieuwe baan.
   Ze spreken over een periode van ‘rouwverwerking’ die volgt op een ontslag. Hoe-
   lang die periode is verschilt van persoon tot persoon. Een te beschermde positie
   kan de verwerking belemmeren en het effect hebben dat mensen niet meer in actie
   komen. Voor de kans op een baan is het juist belangrijk om zo snel mogelijk te gaan
   solliciteren. Ook blijken interventies voor langdurig werklozen minder effectief
   dan voor mensen die pas kort zonder werk zitten (Liu, Huang & Wang 2014).38
        Daarnaast worden veel werklozen steeds ongelukkiger naarmate zij langer
   werkloos zijn. Hun psychisch welzijn daalt, en zij krijgen meer last van
   depressieve klachten, stresssymptomen en een lager zelfvertrouwen (Paul &
   Moser 2009). Dit maakt het lastiger om weer aan het werk te komen. Deze mentale
   factoren verklaren dan ook deels het zelfversterkende effect van werkloosheid
   (McKee-Ryan 2005).
   Groepen die al lang niet meer hebben gesolliciteerd, hebben vaak minder sterke
   zoekvaardigheden (Liu, Huang & Wang 2014). Daarnaast blijkt dat lang niet ieder-
   een inzicht heeft in de beschikbare banen of kan inschatten in hoeverre hij over de
</pre>

====================================================================== Einde pagina 56 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 57 ======================================================================

<pre>                                                                         redzaamheid in de praktijk                 55
            juiste capaciteiten beschikt (De Ruig, Frouws & Stroeker 2011). Als de kennis en
            vaardigheden voor werk of solliciteren niet voldoende zijn, kan daarbij hulp van
            bijvoorbeeld de Sociale Dienst of het uwv worden ingeschakeld. De trainingen en
            sollicitatieregels van deze uitvoeringsinstanties hebben echter een verplichtend
            karakter: deelnemers ervaren vaak weinig autonomie (Raad voor Werk en Inko-
            men 2010). Zowel professionals uit het veld als onderzoekers geven aan dat
            werkzoekenden succesvoller zijn als ze zoeken vanuit een intrinsieke motivatie
            (Gelderblom, de Koning & Lachhab 2007). Bij gebrek aan autonomie vermindert
            die intrinsieke motivatie echter (Vansteenkiste et al. 2004).
                  Door het hele proces heen is de kans groot om tegenslag te ondervinden; de
            droombaan vraagt om een extra taal als functie-eis, op een sollicitatiebrief komt
            geen reactie, of je wordt na alle moeite toch net tweede. Onze gesprekspartners
            benadrukken dat het helpt om de zoektocht te zien als een leerproces en daarbij te
            blijven geloven in het eigen kunnen. Mensen met een hogere zelfwaarde, meer
            optimisme en minder ﬁnanciële zorgen hebben minder last van de negatieve
            gevoelens. Daarnaast worden mensen die denken controle te hebben over hun
            situatie of minder negatief tegen hun werkloosheid aankijken minder snel onge-
            lukkig tijdens deze periode (Paul & Moser 2009).
            Ook de arbeidsmarkt vraagt dus om meer dan cognitieve vermogens alleen. Op
            basis van de literatuur en de ervaringen van onze gesprekspartners kunnen we een
            overzicht maken van de vermogens waarover men moet beschikken om redzaam
            te zijn op de arbeidsmarkt.
Tabel 2.6            Arbeidsmarkt
       Wat moet je kunnen?                         Preventie                                    Regie
                                               Van werk naar werk                   Van werkloosheid naar werk
 Informatie verzamelen en wegen   Weten wat de gevraagde kennis en         Kennis hebben van sollicitatieprocessen
                                  vermogens zijn op de arbeidsmarkt, dit   en hun (ongeschreven) gedragsregels
                                  vergelijken met de eigen situatie
 Situatie overzien, doel stellen, Loopbaankeuzes maken, hier naartoe       Geschikte beroepen selecteren en
 plan maken                       werken                                   de stappen van het sollicitatieproces
                                                                           identiﬁceren
 In actie komen, plan uitvoeren   Blijven werken aan persoonlijke          Solliciteren, netwerken en trainingen
                                  ontwikkeling, netwerken, solliciteren    volgen, vertrouwen in eigen capaciteiten
                                                                           houden of opbouwen
 Plan volhouden                   De tijd vrijmaken voor bijscholing als   Blijven zoeken naar een baan, ook
                                  investering voor de toekomst             bij afwijzing, blijven geloven in eigen
                                                                           capaciteiten
 Omgaan met emoties               Feedback durven vragen en daarmee        Verwerken van ontslag, omgaan met
                                  omgaan, nieuwe carrièrestap durven       afwijzing
                                  maken
</pre>

====================================================================== Einde pagina 57 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 58 ======================================================================

<pre>56  weten is nog geen doen
2.5 conclusie: de lat ligt hoog in de
    participatiesamenleving
    Burgers willen graag zelfredzaam zijn, maar niet iedereen blijkt daar op elk
    moment toe in staat. Dat komt mede door veranderingen in de omgeving waarin
    ze dagelijks functioneren. De burger heeft meer verantwoordelijkheid genomen en
    gekregen. Minder baanzekerheid, gezond moeten leven in een obesogene omge-
    ving en teruglopende inkomsten vanwege de crisis vragen veel ﬂexibiliteit. Er
    wordt nogal wat verwacht van burgers. Er is soms sprake van een redzaamheids-
    paradox: de grote nadruk op eigen verantwoordelijkheid verkleint de zelfredzaam-
    heid van burgers juist. Keuzevrijheid is een ideaal dat vrijwel iedereen onder-
    schrijft, maar het kan ook mentale belasting en keuzestress met zich meebrengen.
    Dat speelt nog sterker op het moment dat een individu, al dan niet door eigen toe-
    doen, met gezondheidsproblemen of schulden te maken krijgt of zijn baan verliest.
    Die situaties vragen nog meer van zijn mentale vermogens, maar juist dan blijken
    mensen daar minder over te beschikken.
    In dit hoofdstuk hebben we gezien dat niet iedereen op elk moment redzaam is.
    Het is bekend dat er een groep is die niet beschikt over het benodigde denkvermo-
    gen en vaardigheden als lezen, schrijven en rekenen. Volgens de Algemene
    Rekenkamer (2016) telt Nederland ongeveer 2,5 miljoen laaggeletterden van 16 jaar
    en ouder. Zij hebben bijvoorbeeld problemen met het lezen van veiligheids-
    instructies, het invullen van formulieren voor bijvoorbeeld zorg- of huurtoeslag,
    het schrijven van een klachtenbrief, het lezen en begrijpen van gezondheidstips,
    patiëntenfolders en bijsluiters van medicijnen. Daarnaast bezit 18 procent van de
    Nederlanders tussen 12 en 74 jaar weinig computervaardigheden en 9 procent zeer
    weinig computervaardigheden (Baay et al. 2015). Dit speelt een belangrijke rol bij
    gebrek aan redzaamheid en vraagt om aandacht van professionals en beleids-
    makers.
    Tegelijkertijd is dit niet het volledige verhaal. Voor redzaamheid is ook doenver-
    mogen noodzakelijk. We hebben in dit hoofdstuk immers gezien dat ook mensen
    met een hoge opleiding niet altijd beschikken over de benodigde ﬁnanciële,
    arbeidsmarkt- of gezondheidsvaardigheden. En onderzoek en onze gesprekspart-
    ners bevestigen dat kennis alleen niet voldoende is om van de bank af te komen, de
    eigen situatie te kunnen inschatten en de verstandige keuze vol te houden, ook als
    het tegenzit.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 58 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 59 ======================================================================

<pre>                                                                   redzaamheid in de praktijk     57
Figuur 2.3
                                     Mentale
                                    vermogens
                                   R M OG E N      DOE N V E R M
                              VE                                   OG
                           NK
                      DE                             in actie        EN
                                                     komen
                                                                                  relevant voor
                        informatie          een         met                           werk
                       verzamelen           plan        tegenslag                 gezondheid
                         en wegen          maken        omgaan                     ﬁnanciën
                                                     volhouden
         Een tweede conclusie is dat redzaamheidsproblemen zich niet beperken tot de
         ‘klassieke onderkant’. Ook hoogopgeleide mensen hebben moeite om te allen tijde
         in actie te komen, vol te houden en om te gaan met tegenslag. Professionals geven
         aan dat het soms moeilijk is te beoordelen wie over welke vermogens beschikt en
         wie niet. Het vraagt van die professional allereerst inzicht in de rol die mentale ver-
         mogens spelen en vervolgens kennis over hoe daar mee om te gaan. Op elk domein
         zijn we professionals, voorzieningen of programma’s tegengekomen die hierop
         inspelen. Over het algemeen is de aandacht voor niet-cognitieve mentale vermo-
         gens echter nog beperkt.
         Een blik in de dagelijkse praktijk maakt duidelijk dat doenvermogen belangrijk is
         voor de zelfredzaamheid die zo centraal staat in onze huidige samenleving. Wat
         biedt wetenschappelijk onderzoek aan kennis over doenvermogen? Daarover gaan
         de volgende drie hoofdstukken.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 59 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 60 ======================================================================

<pre>58  weten is nog geen doen
noten
1   Verslaving kan hierbij een rol spelen. Erfelijkheid bepaalt naar schatting voor ongeveer
    50 procent het risico op afhankelijkheid van alcohol, nicotine of drugs (Ministerie van Finan-
    ciën 2016a). Ook bij overgewicht spelen genetische factoren een rol.
2   Gezondheidsenquête / leefstijlmonitor cbs i.s.m. rivm, cijfers voor 2014.
3   Mensen met ernstig overgewicht hebben een bmi van 30,0 kg/m2 en hoger. Voor personen
    jonger dan 18 gelden andere grenswaarden. Een veel kleiner percentage mensen, 2,0 procent,
    heeft last van ondergewicht. Mensen met ondergewicht hebben een bmi van minder dan
    18,5 kg/m2. Voor personen jonger dan 20 jaar gelden andere grenswaarden (bron cbs).
4   Cijfers hebben betrekking op 2015, percentages van de Nederlandse bevolking van 12 jaar en
    ouder, ernstig overgewicht percentage van Nederlandse bevolking van 4 jaar en ouder.
5   De levensverwachting bij geboorte van mannen was in 2014 79,9 en van vrouwen 83,3.
    Dat betekent een stijging ten opzichte van 2001 van 4,1 (mannen) en 2,6 (vrouwen) jaar.
    Ook de levensverwachting in ‘als goed ervaren gezondheid’ is in die periode toegenomen van
    61,8 naar 64,9 (mannen) en van 61,6 naar 64,0 (vrouwen) (cbs, eigen bewerking).
6   De toename heeft te maken met veroudering van de bevolking, maar ook bijvoorbeeld met
    verbeterde diagnostiek en een hoger percentage overgewicht (diabetes).
7   In dit rapport kijken we voor een gezonde leefstijl naar aspecten als een gezond voedings-
    patroon, voldoende bewegen en niet roken. We sluiten daarbij aan op Nationaal Programma
    Preventie waarin vier risicofactoren als speerpunt zijn benoemd: roken, alcoholgebruik,
    overgewicht en niet bewegen (en twee aandoeningen: depressiviteit en diabetes) (Ministerie
    van vws 2013).
8   We beperken ons hier tot de risicofactoren die worden genoemd in het Nationaal Programma
    Preventie (Ministerie van vws 2013), maar er zijn andere risicofactoren te noemen, zoals
    stress of beoefening van risicovolle sporten.
9   De groepsbehandeling van het Centrum Gezond Gewicht is onderwerp van wetenschappe-
    lijk onderzoek. Het onderzoek loopt nog, maar de eerste resultaten zijn in lijn met de uit-
    komsten van andere studies naar langdurige en intensieve begeleidingsprogramma’s van
    obesitaspatiënten.
10  De patiënt is op grond van de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst (wgbo)
    verplicht om de hulpverlener naar beste weten de inlichten en medewerking te geven die
    deze redelijkerwijs nodig heeft voor het kunnen verlenen van goede zorg (zie artikel
    7: 452 bw).
11  In de toelichting op de consultatieversie Wet op de geneeskundige behandelingsovereen-
    komst (wgbo) wordt erkend dat sommige patiënten liever niet geïnformeerd worden of niet
    willen participeren in de besluitvorming. “Als patiënten in het gesprek aangeven dat ze het
    aan de hulpverlener willen overlaten en daarom instemmen met wat de hulpverlener voor-
    stelt, kan dat”(Concept wijziging wgbo memorie van toelichting blz. 4;
    https://www.internetconsultatie.nl/concept_wijziging_wgbo).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 60 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 61 ======================================================================

<pre>                                                            redzaamheid in de praktijk             59
12 De minister van vws heeft in een debat met de Tweede Kamer aangegeven dat het daarom
   een goed idee is als patiënten een gesprek met hun arts opnemen, om dat thuis nog eens af te
   luisteren. Dit kan de patiënt helpen om zijn gedachten op een rij te zetten en beslissingen te
   nemen. In een brief aan de Tweede Kamer heeft ze de juridische status van de geluidsopname
   nader toegelicht (Minister van vws 2016).
13 Op communicatiegebied wordt daarom vaak gepleit voor de universal precautions approach:
   “in principe eenvoudig communiceren bij iedereen maar wel via speciale technieken het
   begrip bij de patiënt toetsen en de noodzaak voor gewenste aanvullende informatie helder
   krijgen” (Heijmans et al. 2016: 56).
14 In een breed programma werken de Federatie Medisch Specialisten en de npcf gezamenlijk
   aan de Samen beslissen agenda (Ministerie van vws 2015). De activiteiten richten zich op het
   vergroten van de bewustwording bij artsen en patiënten, patiëntinformatie en ondersteu-
   nende instrumenten.
15 Deze app is ontwikkeld door de liefdadigheidsinstelling Better beginnings (https://
   www.bestbeginnings.org.uk/baby-buddy). De app is inmiddels meer dan 90.000 keer
   gedownload en heeft in 2016 de bima-prijs gewonnen voor digitale gezondheid en welzijn.
16 Nutbeam (2000) introduceerde een inmiddels veelgebruikte indeling van drie niveaus van
   literacy en benadrukte daarmee dat health literacy om meer moet gaan dan kunnen lezen en
   schrijven. De drie niveaus van Nutbeam zijn: a) functionele vaardigheden: voldoende basis-
   vaardigheden in lezen en schrijven om effectief te kunnen functioneren in dagelijkse situ-
   aties. Dit niveau is vergelijkbaar met een smalle deﬁnitie van health literacy; b) interactieve
   vaardigheden: meer gevorderde cognitieve- en geletterdheidvaardigheden die, samen met
   sociale vaardigheden, gebruikt kunnen worden om actief te participeren in dagelijkse activi-
   teiten, om informatie te verkrijgen en betekenis te ontlenen aan verschillende vormen van
   communicatie, en nieuwe informatie toe te passen bij veranderende persoonlijke omstandig-
   heden; c) kritische vaardigheden: meer gevorderde cognitieve vaardigheden die, samen met
   sociale vaardigheden, toepast kunnen worden om informatie kritisch te analyseren en deze
   informatie te gebruiken om meer controle uit te oefenen over het eigen leven bij life events en
   bepaalde situaties. Dit derde niveau sluit aan bij de brede health literacy deﬁnitie van de who.
17 Het Ministerie van vws heeft begin 2017 via Zonmw een subsidieoproep geplaats voor
   onderzoeksvoorstellen over gezondheidsvaardigheden. Het onderzoek moet zich richten op
   1) het in kaart brengen van de huidige situatie op het terrein van beperkte gezondheidsvaar-
   digheden ten behoeve van de curatieve zorg; 2) op basis van dit overzicht een vertaling
   maken naar de praktijk; 3) witte vlekken in kaart brengen (https://www.zonmw.nl/nl/
   subsidies/subsidieoproepen-op-uitnodiging/detail/item/kwaliteit-van-zorg-gezondheids-
   vaardigheden/). In deze oproep wordt de brede deﬁnitie van gezondheidsvaardigheden
   gebruikt, en ook aandacht gevraagd voor de rol van bijvoorbeeld zelfvertrouwen en motiva-
   tie.
18 Vilans (kenniscentrum voor langdurige zorg) heeft in oktober 2013 een overzicht van zeven-
   tien instrumenten gemaakt. De auteurs geven aan dat het geen uitputtend overzicht is en dat
   het merendeel van deze instrumenten deelaspecten meet (Vilans 2014). Rademakers (2014)
   heeft in haar Kennissynthese gezondheidsvaardigheden een overzicht opgenomen van acht in
   het Nederlands beschikbare instrumenten om gezondheidsvaardigheden te meten.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 61 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 62 ======================================================================

<pre>60 weten is nog geen doen
19 De pam is ontwikkeld door aan experts een survey voor te leggen met de vraag welke kennis,
   overtuigingen en vaardigheden heeft een consument nodig om succesvol om te gaan met een
   chronische ziekte (Hibbard et al 2004). pam-scores correleren slechts beperkt met sociaal-
   economische status (Hibbard en Gilburt 2014).
20 Tussen de 25 procent en 40 procent van de bevolking in het Verenigd Koninkrijk scoort laag
   op de patiëntactivatieschaal (Hibbard en Gilburt 2014: 7).
21 Opleidingsniveau was onderverdeeld in drie groepen: laag (geen, basisschool of beroepstrai-
   ning), medium (secundair of beroepsopleiding) en hoog (hoger beroepsonderwijs of univer-
   siteit) (Rademakers et al. 2014), N= 1394. De interne consistentie van de pam in dit onderzoek
   was goed (Cronbach’s alpha 0.83).
22 We spreken van ‘problematische schulden’ en niet enkel van ‘schulden’, omdat schulden niet
   per deﬁnitie slecht of verkeerd zijn. Veel mensen staan in de eerste helft van hun leven voor
   een aantal grote uitgaven – een studie, een auto of een huis – die ze best kunnen betalen als ze
   daarvoor hun latere inkomen zouden kunnen aanwenden. Ook is er geen principieel bezwaar
   tegen leningen voor zaken die misschien niet strikt noodzakelijk zijn maar wel bijdragen aan
   de kwaliteit van leven, zoals bepaalde hobby’s of mooie spullen. Zolang men maar zijn beta-
   lingsverplichtingen nakomt, is er niets aan de hand. In de literatuur wordt het begrip ‘proble-
   matische schulden’ vaak geoperationaliseerd als een zodanige achterstand in betalingsver-
   plichtingen dat iemand, uitgaande van zijn of haar aﬂoscapaciteit, deze redelijkerwijs niet
   binnen drie jaar kan inlopen (Tiemeijer 2016).
23 Waarvan de laatste versie met een steekproef van ruim 10.000 omvangrijk genoemd mag
   worden.
24 In werkelijkheid zal de stijging overigens iets minder stijl zijn geweest dan in deze graﬁek,
   omdat een deel van de stijging voor rekening komt van het langzaam groeiend aantal leden
   van de nvvk.
25 In de afgelopen jaren zijn de incassobevoegdheden van tal van schuldeisers ﬂink uitgebreid.
   Vooral de ruime bevoegdheden van overheidsinstanties maken het voor schuldenaars zeer
   lastig om nog regie over hun ﬁnanciën te voeren en eventuele betalingsregelingen na te
   komen. De Nationale ombudsman constateerde in 2013 dat veel onderdelen van de overheid
   hun eigen weg gaan als het gaat om invorderen, verrekenen en terugvorderen. Zij hanteren
   ieder hun eigen uitgangspunt. Het kan gebeuren dat hun inkomen beneden de beslagvrije
   voet komt, met als gevolg dat ze noodgedwongen nieuwe schulden maken (o.a. Jungmann et
   al 2012).
26 Overheidsinstanties als de Belastingdienst, cjib, uwv en svb zijn in veel gevallen de belang-
   rijkste schuldeisers, vanwege hun speciale positie. Overheidsinstanties hebben geen vonnis
   van de rechter nodig om loonbeslag te kunnen leggen, voor hen volstaat een dwangbevel. Zij
   mogen in bepaalde situaties een vordering tot maximaal €1000 direct van de bankrekening
   van de debiteur incasseren en hoeven hierbij geen rekening te houden met de beslagvrije
   voet. De beslagvrije voet vormt dat deel van het inkomen waar andere schuldeisers geen
   loonbeslag op kunnen laten leggen. In de regel gaat het om een bedrag van 90 procent van de
   bijstandsnorm. De Belastingdienst mag ook teveel ontvangen toeslag verrekenen met nog uit
   te keren toeslagen (zie ook Tiemeijer 2016).
27 Zie nvvk 2015 en Peters et al. (2015).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 62 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 63 ======================================================================

<pre>                                                              redzaamheid in de praktijk        61
28 In de jaren 2003-2008 lag de werkloosheid tussen de 4,2 en 5,9 procent.
29 Er is sprake van een ﬂexibele arbeidsmarkt of ﬂexibilisering als werkenden en werkgevers
   geen vaste contractrelatie hebben. Hieronder vallen in dit rapport onder andere contracten
   van tijdelijke aard (ook uitzendwerk en payroll) en zzp-werk. Parttimewerk op vaste basis
   valt hier niet onder. We gebruiken de term ‘ﬂexibel werkenden’ om te spreken over zzp’ers
   en mensen met een ﬂexibel contract. Het is goed op te merken dat zzp’er niet per deﬁnitie een
   vaste identiteit is. Men kan tijdelijk zzp’er zijn, of naast een vaste baan (hybridisering).
30 Een ﬂexibel contract is een arbeidsovereenkomst van beperkte duur of voor een niet vast aan-
   tal uren. Hieronder valt ook uitzendwerk, payrolling en oproepwerk. Er wordt ook wel
   gesproken over ﬂexwerkers (cbs-deﬁnitie). Ook het tijdelijk contract, een relatie tussen een
   werkgever en een werknemer waarbij het arbeidscontract van beperkte duur is (cbs-deﬁni-
   tie), valt hieronder.
31 http://www.monitorarbeid.tno.nl/dynamics/modules/SFIL0100/view.php?ﬁl_Id=129
32 De segmenten zijn ingedeeld aan de hand van het scholingsniveau van de werkenden. Daarbij
   geldt het afmaken van de middelbare school of een mbo-1 opleiding als laaggeschoold, mbo-2
   tot en met -4 als middelbaar opgeleid en hbo en wo als hoogopgeleid.
33 De mate waarin dit aanpassingsvermogen een voordeel geeft, verschilt echter wel tussen
   bedrijven en sectoren.
34 http://www.monitorarbeid.tno.nl/dynamics/modules/SFIL0100/view.php?ﬁl_Id=150
35 Dit zijn: de Wet werk en bijstand, Wet sociale werkvoorziening, en de Wet werk en arbeids-
   ondersteuning jonggehandicapten.
36 Een sollicitatie-activiteit kan bijvoorbeeld inhouden: een netwerkgesprek, een training, of
   een daadwerkelijke sollicitatie versturen.
37 De term is al langer in gebruik, maar heeft sinds de jaren negentig door de nadruk op eigen
   verantwoordelijkheid en zelfredzaamheid op de arbeidsmarkt steeds meer betrekking gekre-
   gen op het individu (Thijssen 2000).
38 Hierbij moeten we een kanttekening maken. Dit effect is niet per se te wijten aan de duur van
   de werkloosheid. Het kan ook zo zijn dat de ‘overgebleven’ langdurig werklozen juist dege-
   nen waren die het meeste moeite hadden een baan te vinden, omdat bijvoorbeeld hun werk-
   ervaring niet past, waardoor een interventie gericht op zoekvaardigheden weinig zal helpen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 63 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 64 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 64 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 65 ======================================================================

<pre>                                                                                             63
3          determinanten van doenvermogen
           In het vorige hoofdstuk bleek dat niet alleen denkvermogen maar ook doenvermo-
           gen van belang is voor redzaamheid. In dit hoofdstuk willen we dieper ingaan op
           deze bevindingen, en dan vooral op de vraag wat de niet-cognitieve determinanten
           zijn van de mentale vermogens die we in hoofdstuk 2 hebben geïdentiﬁceerd.
                Onderstaande ﬁguur is dezelfde ﬁguur als die waarmee we het vorige hoofd-
           stuk afsloten, maar nu met aan de linkerkant twee cirkels toegevoegd. Deze bevat-
           ten de cognitieve respectievelijk niet-cognitieve kenmerken die beïnvloeden in
           hoeverre mensen beschikken over de vijf mentale vermogens die centraal staan bij
           redzaamheid. Dat cognitieve kenmerken van belang zijn, behoeft geen betoog. Het
           is evident dat wie een lage intelligentie heeft of laaggeletterd is, meer moeite zal
           hebben om informatie te verzamelen en te wegen. Dit rapport gaat daarom over
           het belang van de niet-cognitieve kenmerken.
                In dit hoofdstuk is de vraag wat die niet-cognitieve kenmerken zijn. Wat staat
           er op de plaats van het vraagteken?
Figuur 3.1
                                        Mentale
    COGNITIEF                          vermogens
     intelligentie,
      cognitieve
    vaardigheden
                                                      DOE N V E R M
                               K   V E R M OG E N                     OG
                        D   EN
                                                        in actie       EN
                                                        komen
                                                                            relevant voor
                         informatie            een         met                  werk
     Persoons-          verzamelen             plan        tegenslag
    kenmerken                                                               gezondheid
                          en wegen            maken        omgaan            ﬁnanciën
                                                        volhouden
         ?
</pre>

====================================================================== Einde pagina 65 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 66 ======================================================================

<pre>64        weten is nog geen doen
3.1       niet-cognitieve determinanten:
          persoonlijkheidskenmerken
          Voor een antwoord op deze vraag is het noodzakelijk dieper in de psychologie te
          duiken.
3.1.1     modellen voor persoonlijkheid
          Een eerste leverancier van potentiële kandidaten voor de plaats van het vraagteken
          is de persoonlijkheidspsychologie. Binnen dat vakgebied zijn de afgelopen decen-
          nia diverse modellen ontwikkeld voor de persoonlijkheidskenmerken die onder-
          scheiden moeten worden. In de tabel zijn vier modellen samengevat. We zullen
          deze kort toelichten.
Tabel 3.1        Persoonlijkheidsmodellen
 Big Five             Eysenck         Big Three              Rothbart
                                                             Extraversion
 Extraversion         Extraversion    Positive emotionality
                                                             /Surgency
                                                             Negative
 Neuroticism          Neuroticism     Negative emotionality
                                                             affectivity
 Conscientiousness    (Psychoticism)  Constraint             Effortful control
 Agreeableness
 Openness to
 experience
          Big Five
          De eerste kolom bevat de vijf factoren van het Five Factor Model van McCrea en
          Costa (1999), ook wel aangeduid als de Big Five. Dit is tegenwoordig het bekendste
          en meest gebruikte model voor classiﬁcatie van persoonlijkheid. In dit model wor-
          den vijf algemene persoonlijkheidsdimensies onderscheiden, die door McCrea en
          Costa extraversion, neuroticism, agreeableness, conscientiousness en openness to
          experience worden genoemd.
               Cruciaal is dat de vijf factoren niet zijn afgeleid uit een psychologische theorie
          of uit empirische waarneming van de menselijke neurobiologie, maar het resultaat
          zijn van een lexicale aanpak, dat wil zeggen, een analyse van de woorden die men-
          sen gebruiken om anderen te beschrijven. Talen kennen duizenden woorden om
          karaktereigenschappen te beschrijven. Diverse onderzoekers hebben getracht door
          middel van factoranalyse de onderliggende dimensies hiervan te achterhalen. Vaak
          kwamen ze daarbij uit op de bovengenoemde vijf factoren (of iets dat daar sterk op
          leek).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 66 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 67 ======================================================================

<pre>                                                         determinanten van doenvermogen         65
            Bij factoranalyse heeft de keuze voor labels echter altijd iets arbitrairs. Sommige
            onderzoekers hebben dan ook andere labels gekozen met een andere gevoels-
            waarde. De factor neuroticism is bijvoorbeeld ook wel emotionality genoemd en de
            factor openness to experience ook wel intellect.1 Vooral de term conscientiousness
            kan verkeerde associaties oproepen. In het Nederlands wordt vaak gesproken van
            ‘consciëntieusheid’ of ‘nauwkeurigheid’, maar deze termen doen weinig recht aan
            de aspecten van planmatig, doelgericht en persistent streven die ook vaak tot deze
            factor worden gerekend.
                 In een veelgebruikt meetinstrument voor de Big Five, de zogenaamde
            neo-pi-r, bestaat elke dimensie weer uit zes facetten. Die geven een redelijke indi-
            catie van de aspecten die doorgaans tot de vijf hoofdfactoren worden gerekend (zie
            tabel 3.2).
Tabel 3.2          Factoren en dimensies van de Big Five (overgenomen uit Carver en Scheier
                   2011)
 Domains                                               Facets
 Neuroticism                   N1: Anxiety                        N4: Self-Conciousness
                               N2: Angry Hostility                N5: Impulsiveness
                               N3: Depression                     N6: Vulnerability
 Extraversion                  E1: Warmth                         E4: Activity
                               E2: Gregariousness                 E5: Excitement Seeking
                               E3: Assertiveness                  E6: Positive Emotions
 Openness to Experience        O1: Fantasy                        O4: Actions
                               O2: Aesthetics                     O5: Ideas
                               O3: Feelings                       O6: Values
 Agreeableness                 A1: Trust                          A4: Compliance
                               A2: Straightforwardness            A5: Modesty
                               A3: Altruism                       A6: Tender-Mindedness
 Conscientiousness             C1: Competence                     C4: Achievement Striving
                               C2: Order                          C5: Self-Discipline
                               C3: Dutifulness                    C6: Deliberation
            Driedelingen
            Het Five Factor Model is inmiddels uitgegroeid tot standaard. Zoals gezegd ligt zijn
            oorsprong echter in de woorden die mensen gebruiken om elkaar te beschrijven en
            niet in een theorie. Dat geldt wel voor de drie andere genoemde modellen. Deze
            gaan uit van de menselijke neurobiologie en komen elk uit op een driedeling in
            plaats van een vijfdeling.
                 De oudste van deze drie is het model van Eysenck (1967, 1981). Hij veronder-
            stelt twee ‘supertraits’, namelijk neuroticisme (ook wel emotional stability
            genoemd) en extraversie. Beide zijn geworteld in speciﬁeke onderdelen van het
            zenuwsysteem en de hersens, en zijn niet alleen in naam, maar ook inhoudelijk
            min of meer gelijk aan de eerste twee factoren van de Big Five. De derde dimensie
            van Eysencks model is pychoticisme, maar deze heeft minder aandacht gekregen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 67 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 68 ======================================================================

<pre>66 weten is nog geen doen
   dan de eerste twee. Een hiermee verwante driedeling is het Big Three model van
   Tellegen (Watson en Tellegen 1985). Daarin worden drie factoren onderscheiden,
   namelijk negative emotionality, positive emotionality en constraint.2
         Beide driedelingen sluiten goed aan op de bevindingen uit de ontwikkelings-
   psychologie. Daarin spreekt men meestal niet van persoonlijkheid maar van tem-
   perament. In de eerste paar maanden na de geboorte vormen zich twee hoofd-
   dimensies van temperament, namelijk surgency/extraversion en negative affecti-
   vity (Rothbart 2011). De eerste dimensie duidt op een neiging tot positieve emo-
   ties, toenadering zoeken, hoog niveau van activiteit, impulsiviteit, hoge intensiteit
   van plezier, veel (glim)lachen en weinig verlegenheid. De tweede dimensie duidt
   op woede en frustratie, angst, gevoelens van ongemak en droefheid, en een lange
   herstelperiode na stress. Na ongeveer een jaar gaat ook een derde dimensie van
   temperament ‘online’. Deze wordt vaak aangeduid als effortful control (Simonds et
   al. 2007) en wordt omschreven als “the ability to inhibit a dominant response
   (inhibitory control) in order to perform a subdominant response (activation con-
   trol), to detect errors, and to engage in planning” (Rothbart 2011: 57). Het vermo-
   gen tot effortful control ontwikkelt zich vooral tussen twee en vijf jaar, maar komt
   pas tegen de volwassenheid tot volle wasdom (Rothbart 2011).
   Erfelijkheid en stabiliteit
   Als persoonlijkheidskenmerken of temperamenten een biologisch substraat heb-
   ben, zou je een zekere erfelijkheid verwachten. Die blijkt er inderdaad te zijn.
   Alweer vijftien jaar geleden concludeerden Bouchard en Loehlin reeds dat “vir-
   tually all human traits are inﬂuenced by genetic factors to a signiﬁcant degree”
   (2001: 243). De erfelijkheid voor veel persoonlijkheidskenmerken wordt door-
   gaans geschat op 40 tot 50 procent (Bouchard 2004; Rebollo en Harris 2008;
   Vukasovic en Bratko 2015). Dat betekent dat de invloed van erfelijkheid op per-
   soonlijkheid bijna even groot is als die van omgevingsfactoren.
         Temperament en persoonlijkheid zijn ook behoorlijk stabiel. Als kinderen
   heel jong zijn, is hun persoonlijkheid nog in ontwikkeling en relatief veranderlijk,
   maar al vrij snel kristalliseren fundamentele kenmerken zich uit. Voor kinderen
   van drie jaar kan al voorspeld worden hoe hun persoonlijkheid zal zijn op 26-jarige
   leeftijd (Caspi et al. 2003). Na het derde jaar neemt de zogenaamde rangordestabili-
   teit in kenmerken verder toe,3 en eenmaal volwassen komt de verdere ontwikke-
   ling van persoonlijkheid weliswaar niet volledig tot stilstand, maar gaan verande-
   ringen nog maar langzaam en liggen de verhoudingen behoorlijk vast. Dus wie bij-
   voorbeeld als 18-jarige een angstig en vermijdend persoon is, zal dat waarschijnlijk
   zijn verdere leven blijven (Roberts et al. 2006; Roberts en Del Vecchio 2000).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 68 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 69 ======================================================================

<pre>                                                 determinanten van doenvermogen            67
      Samenhang met levensuitkomsten
      Wat heeft dit te maken met redzaamheid? Dit soort kenmerken zijn voor dit rap-
      port pas relevant als ze ook samenhangen met levensuitkomsten en met de wijze
      waarop mensen omgaan met problemen en tegenslag. Welnu, dit is inderdaad het
      geval, zo laten talloze onderzoeken zien.4 Hier volgt een kleine greep uit de bevin-
      dingen (vertaald naar de terminologie van de Big Five):5
      – Gezondheid. Diverse persoonlijkheidskenmerken blijken te correleren met
           (geestelijke) gezondheid. Een hoge score op neuroticisme blijkt een risicofac-
           tor, terwijl conscientiousness vaak juist een beschermende factor is. De resul-
           taten van een meta-analyse door Kern en Freidman “strongly support the
           importance of conscientiousness-related traits to health across the life span”
           (2008: 505).
      – Academische prestaties. Consciëntieusheid heeft ook een sterk verband met
           ‘academic performance’, zo blijkt uit een meta-analyse van Poropat (2009).
           Altruïsme en openheid hebben een zwak verband, en extraversie en neuroti-
           cisme geen.
      – Werkprestaties. Al vijfentwintig jaar geleden verrichten Barrick et al. (1991)
           een omvangrijke meta-analyse van het verband tussen big ﬁve en ‘job perfor-
           mance’. Zij vonden voor elke factor een correlatie, maar alleen die voor
           consciëntieusheid was statistisch signiﬁcant. Tien jaar later deden Barrick et al.
           (2001) het nog eens over, nu met een analyse van meta-analyses van het ver-
           band tussen de grote vijf factoren en werkprestaties. Het resultaat was in grote
           lijnen hetzelfde.
      Ook bestaat er een samenhang tussen de vijf factoren en de manier waarop mensen
      omgaan met moeilijkheden en tegenslagen (‘stressoren’). Mensen die hoog scoren
      op extraversie, neigen wat vaker naar een stijl die engagement coping (of approach
      coping) wordt genoemd. Deze stijl is gericht op het onder ogen zien en aanpakken
      van de stressor en de daaruit voortvloeiende emoties, bijvoorbeeld door actief
      oplossingen te bedenken, plannen te maken en die ook uit te voeren, en door hulp
      te zoeken. Daarentegen neigen mensen die hoog scoren op neuroticisme wat vaker
      naar een stijl die disengagement coping (of avoidance coping) wordt genoemd. Deze
      stijl is gericht op het ontsnappen aan de stressor en de daaruit voortvloeiende
      emoties, bijvoorbeeld door ontkennen en terugtrekken, gevoelens onderdrukken
      en hopen dat het probleem vanzelf verdwijnt. Ook consciëntieusheid is van
      belang. Mensen die hoog scoren op deze factor zijn eerder geneigd het probleem in
      kwestie aan te pakken (Connor-Smith en Flachsbart 2007; Carver en Scheier 2010).
3.1.2 keuze voor approach en avoidance temperament en
      zelfcontrole
      Welke van de kenmerken uit de vier modellen moeten we nu selecteren voor de
      plaats van het vraagteken? Ook al wordt het big-ﬁve-model tegenwoordig het
      meest gebruikt, de wetenschap levert geen uitsluitsel over welk model het beste is
</pre>

====================================================================== Einde pagina 69 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 70 ======================================================================

<pre>68        weten is nog geen doen
          en welke termen het beste de lading dekken, ook al lijken de modellen behoorlijk
          op elkaar. Dit maakt het moeilijker om zonder meer een antwoord te geven op de
          vraag welke niet-cognitieve kenmerken te selecteren, maar biedt ook enige ruimte
          voor eigen invulling. Alles afwegende is daarom ons voorstel om alleen de factoren
          die in alle vier modellen terugkeren op te nemen op de plaats van het vraagteken,
          en deze te labelen als ‘approach temperament’, ‘avoidance temperament’ respectie-
          velijk ‘(vermogen tot) zelfcontrole’ (zie tabel 3.3). We lichten dit hieronder toe.
Tabel 3.3        Persoonlijkheidsmodellen
 Big Five             Eysenck        Big Three             Rothbart
                                                           Extraversion           Approach
 Extraversion         Extraversion   Positive emotionality
                                                           /Surgency              temperament
                                                           Negative               Avoidance
 Neuroticism          Neuroticism    Negative emotionality
                                                           affectivity            temperament
 Conscientiousness    (Psychoticism) Constraint            Effortful control      Zelfcontrole
 Agreeableness
 Openness to
 experience
          Temperament: approach en avoidance
                                               AANPAKKEN
                                          VERMIJDEN
</pre>

====================================================================== Einde pagina 70 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 71 ======================================================================

<pre>                                           determinanten van doenvermogen              69
De eerste twee termen nemen we over van Elliot en Thrash (2002, 2010). Ook zij
constateren dat er grote gelijkenis bestaat tussen de eerste twee dimensies van de
bovengenoemde modellen. Op basis van factoranalyse komen zij tot twee latente
factoren achter de persoonlijkheidskenmerken, die zij vervolgens approach en
avoidance temperament noemen. Nader bepaald:
– approach temperament is een gevoeligheid voor en gerichtheid op positieve
     stimuli (zoals beloning) en vormt de basis voor extraversie, positieve emotio-
     naliteit en ‘surgency’;
– avoidance temperament is een gevoeligheid voor en gerichtheid op negatieve
     stimuli (zoals bestrafﬁng), en vormt de basis voor neuroticisme, negatieve
     emotionaliteit en negatieve affectiviteit.6
Deze twee temperamenten zijn volgens Elliot en Thrash “the core dispositions on
which other dispositions rest” (2010: 894). Deze temperamenten maken ook echt
verschil. Hoe iemand scoort op de dimensies die door beide temperamenten wor-
den aangeduid, is daadwerkelijk van invloed op hoe hij omgaat met ‘stressoren’.
We mogen dus een samenhang verwachten met iemands niveau van redzaamheid.
Een andere reden om juist deze twee termen te kiezen is dat zij voor het onder-
werp van dit rapport de juiste associaties oproepen. Ze maken onmiddellijk duide-
lijk wat iemands basale neiging is ten aanzien van de levensopgaven die op hem
afkomen: aanpakken of vermijden.
Capaciteit voor zelfcontrole
Ook bij de derde dimensie van de vier modellen is er inhoudelijke overlap. We kie-
zen ook hier voor één gemeenschappelijke noemer en hebben daarbij een voorkeur
voor de term ‘(capaciteit voor) zelfcontrole’.7 Dat is “the capacity to alter or over-
ride dominant response tendencies and to regulate behavior, thoughts, and emo-
tions” (De Ridder et al. 2012: 77).
      Niet elke academisch psycholoog zal even enthousiast zijn over deze keuze.
Toch vinden we deze term beter dan de wat ambigue term conscientiousness (vaak
vertaald als ‘nauwkeurigheid’). Ten eerste sluit de term zelfcontrole beter aan bij de
termen restraint en effortful control van het derde en vierde model in het schema.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 71 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 72 ======================================================================

<pre>70  weten is nog geen doen
    Ten tweede geldt hier hetzelfde argument als bij de keuze voor approach en avoid
    temperament, namelijk dat het begrip de juiste associaties heeft. Het verwijst naar
    het vermogen tot bewuste controle over het eigen gedrag, en dat past goed bij de
    idee van redzaamheid.
         Overigens wordt in de literatuur in plaats van zelfcontrole ook vaak gesproken
    van zelfregulatie. Dit laatste begrip wordt gedeﬁnieerd als “the self’s capacity for
    altering its behaviors”(Baumeister en Vohs 2007: 1) dan wel “the process of
    purposefully directing one’s actions, thoughts, and feelings toward a goal”(Carver
    en Scheier 2011). Zelfcontrole en zelfregulatie worden vaak zelfs als synoniemen
    behandeld. Dit is echter niet juist, en kan ook makkelijk tot verwarring leiden.
    Zelfcontrole is weliswaar een belangrijk element van zelfregulatie, maar zelfregula-
    tie omvat daarnaast nog andere mentale kenmerken.
3.2 niet-cognitieve determinanten: overtuigingen
    We hebben nog niet alle kandidaten voor de plaats van het vraagteken behandeld.
    In deze paragraaf gaan we in op twee andere relevante psychologische concepten,
    namelijk optimisme en waargenomen controle. Wat beide met elkaar gemeen heb-
    ben, is dat ze verwijzen naar bepaalde overtuigingen over het zelf, de wereld en de
    relatie tussen beide. Ze hebben dus te maken met waarneming, ervaring en beteke-
    nisgeving. Hoewel deze overtuigingen soms diepgeworteld zijn, zijn ze toch rela-
    tief vatbaar voor wat iemand meemaakt. Een reeks van negatieve ervaringen op een
    bepaald gebied kan iemands optimisme en gevoel van controle volledig ondergra-
    ven. Omgekeerd kan een reeks van positieve ervaringen ertoe leiden dat dit toe-
    neemt.
    Eigenwaarde
    Voordat we dieper ingaan op optimisme en waargenomen controle, moet een mis-
    verstand uit de weg worden geruimd. Anders dan veel mensen denken, blijkt een
    positief zelfbeeld ofwel gevoel van eigenwaarde geen factor van belang. Vooral in
    de Verenigde Staten werd lang gedacht dat als mensen een goed gevoel over zich-
    zelf hebben dat zou leiden tot betere school- en werkprestaties, minder depressie,
    tienerzwangerschappen, middelengebruik of criminaliteit etc. Het werd gezien als
    de oplossing voor welhaast elk probleem.
         In de jaren tachtig en negentig is dan ook veel onderzoek gedaan naar de effec-
    ten van self esteem. Baumeister et al. (2003) publiceerden een review van de belang-
    rijkste en beste onderzoeken die op dat moment beschikbaar waren. Helaas, de
    resultaten vielen vies tegen. In veel van de onderzoeken wordt geen of slechts een
    zwak verband gevonden met de gewenste uitkomsten. “Self-esteem is thus not a
    major predictor or cause of almost anything” (2003: 37). Ook vonden zij geen
    bewijs voor de idee dat mensen met een positief gevoel van eigenwaarde beter
    kunnen omgaan met stress en tegenslag.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 72 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 73 ======================================================================

<pre>                                            determinanten van doenvermogen            71
Pessimisme en optimisme
Wél van belang is optimisme. In de literatuur worden twee typen van optimisme
onderscheiden. Ten eerste explanatory optimism (Seligman 2011). Dit heeft betrek-
king op hoe mensen gebeurtenissen in hun leven verklaren. Iemand heeft een pes-
simistische verklaringsstijl als hij de dingen die hem overkomen verklaart vanuit
algemene en onveranderlijke kenmerken van de wereld waarover hij geen macht
heeft. Iemand met een optimistische verklaringsstijl verklaart gebeurtenissen van-
uit speciﬁeke omstandigheden die hij in principe zou kunnen veranderen. Welke
stijl iemand heeft wordt gemeten door mensen situaties voor te leggen als ‘Een
vriend behandelt je vijandig’ of ‘Je wordt uitbundig geprezen voor je project’, en
vervolgens aan hen te vragen wat de belangrijkste oorzaak daarvoor zou zijn indien
hen dit zou overkomen.
      Ten tweede dispositional optimism (Scheier en Carver 1985). Hierin gaat het
niet om mogelijke verklaringen voor speciﬁeke gebeurtenissen maar om algemene
verwachtingen over het leven. In deze visie zijn pessimisme en optimisme “broad,
generalized versions of conﬁdence and doubt [. . .] pertaining to life, rather than to
just a speciﬁc context” (Carver et al 2010: 880). Doorgaans wordt deze vorm van
optimisme gemeten met stellingen als ‘Als er iets in mijn leven mis kan gaan, dan
gaat het ook mis’ en ‘Ik ben altijd optimistisch over mijn eigen toekomst’. Een
optimistisch karakter gaat gepaard met allerlei wenselijke uitkomsten. Zo genieten
optimistische mensen over het algemeen een hoger subjectief welzijn en een
betere gezondheid, en lijken zij betere sociale relaties te hebben (Carver en
Scheier 2014). Ook gaan optimisten en pessimisten verschillend om met stress.
Optimistische mensen zijn geneigd hun problemen actief aan te pakken, terwijl
pessimistische mensen geneigd zijn problemen uit de weg te gaan (Solberg Nes en
Segerstrom 2006).
Waargenomen controle
Dan is er een schier oneindige hoeveelheid psychologische concepten die op een of
andere manier het idee van controle of beheersing omvatten (Skinner 1996). We
gaan ze hier niet allemaal noemen, maar beperken ons tot de invalshoek van
</pre>

====================================================================== Einde pagina 73 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 74 ======================================================================

<pre>72 weten is nog geen doen
   Thompson en Schlehofer (2008), die afwisselend spreken van persoonlijke en
   waargenomen controle. Dat is “the perception that one has the ability, resources,
   or opportunities to get positive outcomes or avoid negative effects through one’s
   own actions” (2008:1). Voor alle duidelijkheid: we hebben het hier dus over iets
   anders dan zelfcontrole, het begrip uit de vorige paragraaf. De capaciteit tot zelf-
   controle is een neurobiologisch verankerd vermogen, deels genetisch bepaald, ter-
   wijl waargenomen controle een overtuiging is over jezelf, de wereld en de relatie
   tussen beide.
        Waargenomen controle bestaat volgens Thompson en Schlehofer uit twee ele-
   menten, namelijk ‘locus of control’ en ‘self-efﬁcacy’. Het eerste element heeft
   betrekking op de vraag of iemand gelooft dat mensen door eigen handelen hun
   doelen kunnen bereiken en slechte uitkomsten kunnen vermijden (i.c. een interne
   locus of control), of dat dit wordt bepaald door externe factoren (i.c. een externe
   locus of control). Het tweede element heeft betrekking op de vraag of iemand
   denkt zelf te beschikken over de kwaliteiten en vaardigheden die nodig zijn om
   doelen te bereiken. Het eerste heeft dus betrekking op overtuigingen over de
   externe realiteit, het tweede op overtuigingen over zichzelf. De beide elementen
   van waargenomen controle passen bij wat in hoofdstuk 2 door professionals als
   ‘geloof in eigen kunnen’ is aangeduid.
        Er zijn diverse schalen beschikbaar om waargenomen controle of aspecten
   daarvan te meten. Deze hebben vaak betrekking op een speciﬁek domein, bijvoor-
   beeld ‘health efﬁcacy’ of ‘ﬁnancial self efﬁcacy’. Daarnaast bestaat er één algemene
   schaal voor waargenomen controle, de zogenaamde Pearlin and Schooler Mastery
   Scale. Deze bevat stellingen als “Ik kan ongeveer alles als ik mijn zinnen erop heb
   gezet” en “Ik voel me vaak hulpeloos bij het omgaan met de problemen van het
   leven”. Onderzoek laat zien dat het gevoel van controle positieve effecten heeft.
   Het hangt samen met emotioneel welbevinden, een betere omgang met stress en
   minder lichamelijke gevolgen van stress, betere prestaties, minder pijn, en een gro-
   tere kans op slagen bij moeilijke gedragsveranderingen (Thompson &
   Spacapan 1991).
   Voor maatschappelijke uitkomsten maakt het dus weinig verschil of mensen blij
   zijn met zichzelf of niet. Waar het om gaat, is dat zij geloven dat ze in staat zijn hun
   situatie te verbeteren en geloven in een goede aﬂoop der dingen. Overigens geldt
   voor deze concepten dat meer niet altijd beter is. Een overdosis aan optimisme kan
   ertoe leiden dat mensen problemen onderschatten en een te sterke ‘can do’-over-
   tuiging kan leiden tot onverantwoord gedrag (‘Ik kan stoppen met drinken wan-
   neer ik wil!’). Het gaat om het juiste niveau van optimisme en waargenomen con-
   trole.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 74 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 75 ======================================================================

<pre>                                                         determinanten van doenvermogen       73
3.3       samenhang tussen kenmerken en mentale vermogens
          We kunnen het eerder gepresenteerde schema dus als volgt invullen.
Figuur 3.2       Persoonskenmerken, mentale vermogens en maatschappelijke domeinen
                                      Mentale
   COGNITIEF                         vermogens
    intelligentie,
     cognitieve
   vaardigheden
                                    R M OG E N      DOE N V E R M
                               VE                                   OG
                            NK
                       DE                             in actie       EN
                                                      komen
                                                                              relevant voor
                        informatie           een         met                      werk
   Persoons-           verzamelen            plan        tegenslag
  kenmerken                                                                   gezondheid
                         en wegen           maken        omgaan                ﬁnanciën
                                                      volhouden
       NIET
  COGNITIEF
  temperament,
   zelfcontrole,
    overtuiging
          De vraag is nu: wat is precies het verband tussen enerzijds de cognitieve en niet-
          cognitieve kenmerken en anderzijds het vijftal mentale vermogens die centraal
          staan in redzaamheid? In het vorige hoofdstuk hebben we aannemelijk gemaakt
          dat die vermogens niet alleen samenhangen met cognitieve kenmerken maar zeker
          ook met niet-cognitieve kenmerken. Het zou echter prettig zijn als we hier nog wat
          ‘harder bewijs’ voor hebben. Immers, als we uitsluitend een signiﬁcante samen-
          hang vinden tussen cognitieve kenmerken en de vijf vermogens voor redzaamheid
          (pijl A), dan voegt het denken en spreken in termen van mentale vermogens voor
          redzaamheid niets toe. Dan is dat alleen maar een andere manier om te zeggen dat
          mensen met een hoge intelligentie en goede cognitieve vaardigheden het op veel
          terreinen van het leven vaak beter doen dan mensen met bescheiden intelligentie
          en cognitieve vaardigheden. Dat wisten we al.
               Als er daarentegen ook een signiﬁcante samenhang te vinden is tussen niet-
          cognitieve kenmerken en de vijf vermogens voor redzaamheid (pijl B) is er meer
          aan de hand. Dan is er echt sprake van een aparte niet-cognitieve dimensie die van
</pre>

====================================================================== Einde pagina 75 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 76 ======================================================================

<pre>74        weten is nog geen doen
          invloed is op de mate waarin iemand beschikt over die vermogens. De hypothese
          van dit rapport is dat dat inderdaad het geval is. In deze paragraaf zullen we dit
          kwantitatief onderbouwen.
          Meting van mentale vermogens
          Daartoe moeten we allereerst vaststellen in hoeverre mensen beschikken over de
          mentale vermogens die centraal staan bij redzaamheid. Om dat te meten, hebben
          we in het najaar van 2015 een survey afgenomen onder een representatieve steek-
          proef van 1000 Nederlanders van 18 jaar en ouder.8 Daarbij hebben we niet alle
          mentale vermogens afzonderlijk getoetst, maar gebruikgemaakt van een reeds
          bestaand meetinstrument, namelijk de zogenoemde ‘Utrechtse Proactieve Coping
          Competentie’-schaal (upcc, zie box 3.1). In de upcc wordt mensen gevraagd hoe
          goed ze zijn in vaardigheden zoals ‘toekomstige ontwikkelingen inschatten’, ‘rea-
          listische plannen maken’, ‘echt doen wat ik van plan was’, ‘volhouden’, ‘alternatie-
          ven bedenken als een oplossing niet werkt’ en ‘steun zoeken als het moeilijk
          wordt’. Bij elkaar geven de items van deze schaal een behoorlijk goede dekking van
          het vijftal vermogens dat hier centraal staat. De gemiddelde score op deze schaal is
          dus een goede indicatie van de mate waarin mensen beschikken over die mentale
          vermogens.
Box 3.1          Utrechtse Proactive Coping Competenties (upcc)
   In hoeverre beschikt u over de volgende vaardigheden [1 niet vaardig – 5 zeer vaar-
   dig]
   1.   Toekomstige ontwikkelingen inschatten
   2.   Vooruitkijken
   3.   Eerste tekenen herkennen als iets fout dreigt te gaan
   4.   Open staan voor commentaar van anderen
   5.   Mijn eigen mogelijkheden en kansen zien
   6.   Mijn eigen belemmeringen zien
   7.   Mijn omgeving inschatten
   8.   Duidelijk formuleren wat ik wil bereiken
   9.   Mijn wensen in plannen vertalen
   10. Realistische plannen maken
   11. Andere mensen om raad vragen
   12. Oplossingen vinden
   13. Alternatieven bedenken als een oplossing niet werkt
   14. Echt doen wat ik van plan was
   15. Volhouden
   16. Steun zoeken als het moeilijk wordt
   17. Nagaan of ik bereikt heb wat ik wilde bereiken
   18. Positieve kanten aan een tegenslag zien
</pre>

====================================================================== Einde pagina 76 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 77 ======================================================================

<pre>                                                                    determinanten van doenvermogen   75
            19. Leren van tegenslag
            20. Erbij stil staan als iets goed gaat
            21. Mijzelf belonen als iets lukt
            Bron: Bode, Thoolen en De Ridder 2008
                   De gemiddelde score van de respondenten op de 21 vaardigheden blijkt 3,52 op een
                   schaal die loopt van 1 tot 5.9 De onderstaande ﬁguur laat de verdeling zien. Hoewel
                   de ﬁguur twee afwijkende pieken bevat, is de vorm van een normaalverdeling dui-
                   delijk herkenbaar.10 Er zijn behoorlijke verschillen in de mate waarin Nederlanders
                   beschikken over de mentale vermogens die vereist zijn voor redzaamheid. Som-
                   mige mensen scoren heel hoog, anderen heel laag, en de meesten bevinden zich
                   rondom het gemiddelde.
Figuur 3.3                 Verdeling score UPCC
                                                                          Mean     = 3,52
            125                                                           Std.Dev. = ,512
                                                                          N        = 1.014,0
            100
Frequency
             75
             50
             25
              0
                    0,00        1,00        2,00        3,00       4,00    5,00       6,00
                                                      Score UPCC
</pre>

====================================================================== Einde pagina 77 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 78 ======================================================================

<pre>76         weten is nog geen doen
           Nadere analyse leert dat de mate waarin iemand beschikt over de vijf vermogens
           van redzaamheid wel enigszins correleert met intelligentie en cognitieve vaardig-
           heden (geoperationaliseerd als opleidingsniveau), maar het verband is slechts
           zwak.11 Dat blijkt ook uit onderstaande tabel. Daarin is een onderscheid gemaakt
           tussen drie groepen, te weten een groep die heel laag scoort op de upcc (en dus
           gekwaliﬁceerd zou kunnen worden als ‘minst redzaam’), een groep die heel hoog
           scoort op de upcc, (en dus gekwaliﬁceerd kan worden als ‘meest redzaam’) en een
           grote middengroep. De tabel laat duidelijk zien dat zich onder de ‘minst redzamen’
           een ﬂinke groep hoger opgeleiden bevindt, terwijl zich onder de ‘meest redzamen’
           een behoorlijke groep lager opgeleiden bevindt.
Tabel 3.4        upcc score voor drie groepen
                                   Minst redzaam          Middengroep         Meest redzaam
                                       N = 187              N = 654              N = 173
 Gemiddelde score UPCC                  2,76                 3,55                 4,20
 Gemiddelde leeftijd                      47                   49                   48
 Geslacht (percentages)
 Man                                      49                   48                   53
 Vrouw                                    51                   52                   47
 Opleidingsniveau (percentages)
 Laag                                     40                   22                   16
 Midden                                   36                   44                   38
 Hoog                                     24                   34                   46
 Totaal                                 100                   100                  100
           Determinanten van de score op de upcc
           Er zijn dus meer factoren in het spel. Om meer zicht te krijgen op de samenhang
           tussen niet-cognitieve kenmerken en de score op de upcc, hebben we in het sur-
           vey ook een aantal standaardschalen opgenomen om te meten hoe mensen scoren
           op de factoren die in het schema in het blokje linksonder staan. Nader bepaald:12
           –   Avoidance en approach temperament zijn gemeten met de daarvoor ontwik-
               kelde schalen van Elliot en Thrash (2010);
           –   Zelfcontrole is gemeten met de Brief self control scale van Tangney et al. (2004);
           –   Optimisme is gemeten met de zogenaamde lot-r van Carver en Scheier
               (1994);
           –   Waargenomen controle is gemeten met Mastery scale van Pearlin en Schooler
               (1978).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 78 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 79 ======================================================================

<pre>                                                            determinanten van doenvermogen         77
             In alle gevallen is een schaal gebruikt die loopt van 1 tot 5, waarbij een hogere score
             erop duidt dat men meer over de gemeten eigenschap beschikt (zie de bijlage voor
             de details). Als extra controlevariabele is ook de mate gemeten waarin mensen
             sociaal zijn ingebed.13
                   Vervolgens zijn regressieanalyses uitgevoerd, met de genoemde niet-cogni-
             tieve kenmerken als onafhankelijke variabele en de score op de upcc als afhanke-
             lijke variabele. In de tabel staan de resultaten.
Tabel 3.5           Uitkomsten regressieanalyse
        (N = 1014)             Model 1            Model 2             Model 3           Model 4
 Geslacht                       ,017                ,020                ,006              ,006
 Leeftijd                       ,031                ,044                ,005              ,003
 Opleiding (dummy               ,168***             ,134***             ,125***           ,112***
 laag vs midden)
 Opleiding (dummy               ,236***             ,182***             ,177***           ,151***
 laag vs hoog)
 Sociale inbedding              ,385***             ,223***             ,179***           ,108**
 Avoidance gemiddeld                               -,216***            -,155***          -,101**
 Approach gemiddeld                                 ,393***             ,375***           ,337***
 Zelfcontrole                                                           ,233***           ,212***
 Optimisme                                                                                ,117**
 Mastery                                                                                  ,076*
 R2                             ,192                ,355                ,399              ,413
* p < 0,05, ** p < 0,01, *** p < 0,001
             De resultaten laten het volgende zien:
             – Opleidingsniveau hangt signiﬁcant samen met de score op de upcc;
             – Echter, alle niet-cognitieve kenmerken hangen eveneens signiﬁcant samen met
                 de score op de upcc. In twee gevallen is de bijdrage zelfs sterker dan oplei-
                 dingsniveau;
             – Met afstand de belangrijkste voorspeller is approach temperament, gevolgd
                 door zelfcontrole. Beide leggen meer gewicht in de schaal dan opleidings-
                 niveau;
             – Door toevoeging van de niet-cognitieve kenmerken wordt de verklaarde
                 variantie meer dan verdubbeld;
             – Er is een zekere samenhang tussen sociale inbedding en niet-cognitieve ken-
                 merken, want naarmate meer niet-cognitieve kenmerken worden toegevoegd,
                 neemt de bijdrage van sociale inbedding sterk af.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 79 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 80 ======================================================================

<pre>78  weten is nog geen doen
    Kortom, deze resultaten maken aannemelijk dat de niet-cognitieve kenmerken die
    we in dit hoofdstuk hebben behandeld, inderdaad signiﬁcant samenhangen met
    het vijftal vermogens dat centraal staat bij redzaamheid. Niet-cognitieve kenmer-
    ken doen ertoe.
    Twee zijden van dezelfde medaille?
    Nu zijn dit soort sterke verbanden niet zelden reden voor enige achterdocht. Zijn
    de onafhankelijke en afhankelijke variabelen wel echt verschillende concepten?
    Meten ze werkelijk verschillende realiteiten? Wie bijvoorbeeld zou onderzoeken
    in hoeverre het vermogen om sudoku’s op te lossen samenhangt met iq, zal zeker
    een sterk verband vinden tussen beide, maar is daarmee echt iets verklaard? Beide
    variabelen liggen erg dicht tegen elkaar aan, en zijn misschien zelfs slechts twee
    manifestaties van dezelfde mentale realiteit. Is hier niet iets soortgelijks aan de
    hand?
          Daar lijkt het wel op. Het ligt voor de hand dat wie hoog scoort op approach
    temperament, en dus geneigd is nieuwe stimuli niet te vermijden maar te benade-
    ren, ook hoog zal scoren op de upcc-vaardigheden ‘vooruit kijken’ en ‘oplossin-
    gen vinden’. Het ligt eveneens voor de hand dat wie hoog scoort op de zelf-
    controle-schaal, ook hoog zal scoren op de upcc-vaardigheden ‘echt doen wat ik
    van plan was’ en ‘volhouden’. Dat is welhaast per deﬁnitie het geval.
          Onze conclusie is dan ook dat er geen scherp onderscheid is tussen enerzijds
    de niet-cognitieve concepten uit de literatuur die in dit hoofdstuk centraal ston-
    den, en anderzijds de mentale vermogens van redzaamheid uit hoofdstuk 2. In
    zekere zin gaat het om twee verschillende perspectieven op dezelfde mentale reali-
    teit, twee verschillende vocabulaires om die te beschrijven. Het ene vocabulaire is
    dat van de algemene psychologische theorieën en onderzoeksprogramma’s van de
    afgelopen decennia, het andere vocabulaire is dat van de praktijk waarin het gaat
    om de vraag wat een mens moet kunnen om het te redden in het leven. De één
    beschrijft mensen in termen van psychologische kenmerken, de andere in termen
    van vermogens.
3.4 conclusie: verschillende kansen op redzaamheid
    In dit hoofdstuk stond de vraag centraal wat de niet-cognitieve determinanten zijn
    van de mentale vermogens die centraal staan bij redzaamheid. We lopen ze nog-
    maals langs.
    Approach en avoidance temperament
    Ten eerste is er een verband met avoidance en approach temperament. Deze twee
    temperamenten zijn gevoeligheden voor en gerichtheden op het benaderen van
    positieve stimuli (zoals beloning) respectievelijk het vermijden van negatieve sti-
    muli (zoals bestrafﬁng). Ze correleren sterk met de big ﬁve-kenmerken extraversie
    respectievelijk neuroticisme. Op basis van het beschikbare onderzoek kan worden
</pre>

====================================================================== Einde pagina 80 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 81 ======================================================================

<pre>                                            determinanten van doenvermogen            79
voorspeld dat mensen met een approach temperament eerder geneigd zullen zijn
om ‘stressoren’ onder ogen te zien en aan te pakken, terwijl mensen met een avoi-
dance temperament eerder geneigd zullen zijn ‘stressoren’ te ontkennen en te ver-
mijden. In ons eigen survey zien we een verband tussen beide temperamenten en
de score op de upcc.
     Voor alle duidelijkheid: het is niet zo dat het ene temperament per deﬁnitie
goed is en het andere per deﬁnitie slecht. Iedere ouder weet dat je ‘makkelijke’ en
‘moeilijke’ kinderen hebt, maar wat geldt als makkelijk en moeilijk wordt ook
bepaald door de omgeving. Een kind dat verlegen, afwachtend en sensitief is, zal
beter passen in een rustig, kalm en prikkelarm gezin dan in een druk gezin met
extraverte en assertieve gezinsleden, een hoog tempo en veel prikkels. Het
doorslaggevende criterium is de ‘goodness of ﬁt’ van het temperament (Chess en
Thomas 1999). Hetzelfde geldt voor volwassenen. Sommige mensen hebben een
temperament dat goed aansluit op de verwachtingen en eisen van het hedendaagse
onderwijs, de arbeidsmarkt en de samenleving in het algemeen, anderen minder.
Hoe meer de samenleving verwacht dat mensen redzaam zijn, hun problemen
proactief aanpakken, en daarbij een zekere doortastendheid en assertiviteit verto-
nen, hoe lastiger het zal zijn voor iemand met een vermijdend temperament.
Zelfcontrole
Ten tweede is er een verband met het vermogen tot zelfcontrole. Dat is “the capa-
city to alter or override dominant response tendencies and to regulate behavior,
thoughts, and emotions” (De Ridder et. al 2012: 77). Er is een belangrijke overlap
met wat in de big ﬁve wordt aangeduid als consciëntieusheid. Een goede zelf-
controle ofwel consciëntieusheid is verbonden met allerhande positieve uitkom-
sten, zoals betere school- en werkprestaties, een betere gezondheid en welzijn, en
probleemgerichte coping. In ons eigen onderzoek is er een duidelijke samenhang
met de upcc.
     Is een groter vermogen tot zelfcontrole ook altijd beter? Daarover verschillen
de meningen.14 Eén ding is in ieder geval duidelijk. Hoe meer de samenleving ver-
langt dat mensen zich niet overgeven aan allerlei verleidingen, maar vooruit den-
ken en nu al maatregelen nemen om mogelijke problemen later te voorkomen, hoe
belangrijker een goed vermogen tot zelfcontrole is voor redzaamheid.
Overtuigingen
Ten derde is er een verband met overtuigingen. De één is een optimist en denkt dat
het allemaal wel goed komt, de ander gaat bij voorbaat uit van het ergste. De één
heeft groot vertrouwen in eigen kunnen en gaat de problemen onverwijld te lijf, de
ander voelt zich machteloos en vervalt tot passiviteit. Opnieuw zien we in ons
eigen onderzoek een signiﬁcante samenhang met de upcc.
     Hier is overigens wél duidelijk dat meer niet altijd beter is. Een teveel aan opti-
misme en zelfvertrouwen kan contraproductief zijn, namelijk als het ertoe leidt
dat men problemen niet onder ogen ziet of negeert. Wie rookt, te veel drinkt of
</pre>

====================================================================== Einde pagina 81 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 82 ======================================================================

<pre>80 weten is nog geen doen
   veel gokt, maar ervan overtuigd is dat hij ‘zo kan stoppen als hij wil’, kan vroeg of
   laat voor onaangename verrassingen komen te staan. Hetzelfde geldt voor wie aan-
   houdende kwalen of ﬁnanciële problemen wegwuift in de overtuiging ‘dat het wel
   goed zal komen’. Voor redzaamheid is het wellicht het beste als er sprake is van een
   redelijk optimisme en waargenomen controle, zodat iemand problemen durft aan
   te pakken, maar dan wel in combinatie met voldoende realiteitszin.
   Verschillende kansen op wenselijke uitkomsten
   Eén en ander leidt tot een belangrijke gevolgtrekking, namelijk dat de één in aanleg
   betere kansen op redzaamheid meekrijgt dan de ander. Niet alleen intelligentie
   heeft immers een erfelijke component, dat geldt ook voor
   persoonlijkheidskenmerken. Zoals eerder gezegd, wordt de erfelijkheid van per-
   soonlijkheidskenmerken geschat op 40 à 50 procent. Sommige mensen komen
   dus ter wereld met een relatief sterke aanleg om de kenmerken te ontwikkelen die
   passen bij een samenleving die veel waarde hecht aan redzaamheid, terwijl andere
   mensen ter wereld komen met een relatief zwakke aanleg daarvoor.
        Voor alle duidelijkheid, daarmee is allerminst gezegd dat mensen volledig
   gedetermineerd worden door hun genen, en er geen enkele beïnvloeding of bijstu-
   ring mogelijk is. Genen vormen het startpakket waarmee een kind aan het leven
   begint, maar daarmee is niets gezegd over hoe dat pakket vervolgens tot expressie
   komt, en evenmin over de mogelijke effecten van oefening. Zo wordt ongetwijfeld
   ook muzikale aanleg genetisch beïnvloed, maar iemand met weinig aanleg en veel
   oefening zal waarschijnlijk een betere pianist worden dan iemand met veel aanleg
   en weinig oefening. Bovendien zal het zeker verschil maken of zijn ouders muziek-
   liefhebbers of zelfs professionele muzikanten zijn, of er in de buurt muziekgezel-
   schappen en concertzalen zijn, of muziekles door de overheid wordt gesubsidieerd
   of niet, enzovoort. Dit alles laat echter onverlet dat de een van nature makkelijker
   leert pianospelen dan de ander.
        Hoe kunnen we dit nu vertalen naar redzaamheid? Stel dat er een drempel-
   waarde is voor de mentale vermogens waarover men minimaal moet kunnen
   beschikken om het zonder continue hulp te kunnen redden in het leven. Omdat
   deels erfelijk is bepaald in hoeverre iemand bij aanvang van het leven beschikt over
   een goede basis voor de ontwikkeling van de vereiste mentale vermogens, zal de
   één een grotere afstand moeten overbruggen om die drempel te passeren dan de
   ander. In ﬁguur 3.4 zijn drie denkbare gevallen weergegeven.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 82 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 83 ======================================================================

<pre>                                                               determinanten van doenvermogen         81
Figuur 3.4         Te overbruggen afstand
                            Startpositie                Drempel voldoende mentale    Maximaal niveau
                                                                  vermogens         mentale vermogens
                    Persoon 1: hoge ‘goodness of ﬁt’
                    temperament, sterk vermogen tot
                    zelfcontrole, gematigd optimisme en
                    waargenomen controle
                                                      Door training te
                                                    overbruggen afstand
                    Persoon 2: gemiddeld op alle onderdelen
                                               Door training te
                                             overbruggen afstand
Persoon 3: lage ‘goodness of ﬁt’
temperament, zwak vermogen tot
zelfcontrole, pessimisme, weinig
waargenomen controle
                                         Door training te
                                      overbruggen afstand
           De eerste persoon heeft een gunstig lot getrokken in de natuurlijke loterij. Hij
           hoeft slechts een kleine afstand te overbruggen om de drempel passeren, en heeft
           bovendien de bagage om daar ﬂink bovenuit te komen. De tweede persoon is
           gemiddeld. Hij moet een wat grotere afstand overbruggen en zal ook minder ver
           komen, maar heeft wel voldoende in huis om de drempel van voldoende vermo-
           gens te passeren. De derde persoon heeft het echter slecht getroffen. Om de drem-
           pel te passeren, zal hij een grotere afstand moeten overbruggen dan binnen zijn
           mogelijkheden ligt.
           Concluderend: voor de vraag welk overheidsbeleid gepast is, zijn niet één maar
           twee parameters van belang. Het gaat niet alleen om de mate waarin de betreffende
           vermogens door middel van training verbeterbaar zijn, maar ook om de afstand die
           iemand moet overbruggen om het gewenste niveau van redzaamheid te bereiken.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 83 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 84 ======================================================================

<pre>82  weten is nog geen doen
noten
1   Zie Carver en Scheier 2014.
2   Watson, Clark en Tellegen (1988) bouwen daar weer op voort met net weer andere termen –
    zo heet bij hen de derde factor disinhibiton.
3   Dat is iemands positie op een persoonlijkheidskenmerk vergeleken met die van zijn leeftijds-
    genoten op dat persoonlijkheidskenmerk.
4   Veel van dit onderzoek is cross-sectioneel. Dat betekent dat geen causaliteit maar slechts cor-
    relaties zijn aangetoond. Het is echter uitermate plausibel dat er in veel gevallen wel degelijk
    sprake is van een causaal effect van persoonlijkheidskenmerken op de betreffende levensuit-
    komsten. Die kenmerken kristalliseren zich immers al grotendeels uit in de jonge jaren en
    veranderen daarna hooguit nog langzaam.
5   In meta-analyses worden de onderzoeksresultaten doorgaans vertaald naar en samengevat in
    de terminologie van de Big Five. We hebben die vertaalslag dus niet zelf gemaakt, maar over-
    genomen uit de genoemde analyses.
6   Ze betrekken ook bis en bas, hier verder niet behandeld.
7   Ook wel ‘trait self-control’genoemd, zie De Ridder et al. (2012).
8   De streekproef is na weging representatief naar geslacht, leeftijd, huishoudgrootte, oplei-
    ding, sociale klasse en regio (zie bijlage 1).
9   Cronbach’s alpha is 0,93 en de eerste factor heeft een eigenwaarde van ruim negen en ver-
    klaart bijna 43 procent van de variantie. De tweede en derde factor hebben eigenwaardes van
    1,55 resp 1,17 en brengen tezamen de variantie naar ruim 50 procent. Dit bevestigt nog eens de
    bevindingen van Bode et al. 2008. Strikt genomen is dit niet een eendimensionale maar een
    driedimensionale oplossing, maar het is duidelijk dat er één factor met kop en schouders
    bovenuit steekt. Die factor beschouwen we dus als ‘redzaamheid’.
10  Volgens de Kolmogorov-Smirnov test en de Shapiro-Wilk-test is er geen sprake van een
    normaalverdeling. De pieken bij de 3- en 4-score lijken hiervoor de belangrijkste verklaring.
    Mogelijk zijn deze (deels) een artefact van de vraagstelling. De 21 vaardigheden werden
    relatief laat in de enquête voorgelegd, dus het is mogelijk dat een deel van de respondenten
    geen zin meer had echt na te denken over de vragen, en consequent de middencategorie
    heeft aangekruist. Dat zou in ieder geval de piek bij de 3-score verklaren. Het blijkt dat
    39 respondenten inderdaad consequent voor de middenoptie hebben gekozen. Waarom ook
    de 4-score een piek heeft, is minder duidelijk. Het zou mogelijk verklaard kunnen worden uit
    hetzelfde principe: mensen hebben niet meer echt nagedacht over alle afzonderlijke vaar-
    digheden, en vinden de 4-score ‘vaardig’ het meest aantrekkelijk. Het blijkt dat 37 responden-
    ten consequent voor de vaardig-score hebben gekozen. (Ter vergelijking, het aantal respon-
    denten dat consequent voor de 1-, 2- en 5-categorie heeft gekozen, bedraagt respectievelijk 2,
    4 en 2.)
11  Pearson correlation = 0,212 (p < .000). Hierbij is opleiding gemeten volgens de cbs-indeling
    in zeven niveaus.
12  Uiteraard is in alle gevallen met een Nederlandse vertaling gewerkt.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 84 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 85 ======================================================================

<pre>                                                 determinanten van doenvermogen     83
13 Hiervoor is gebruik gemaakt van de eenzaamheidsschaal van Van Tilburg en De Jong
   Giersveld (2007).
14 Zie bijvoorbeeld onderzoek van Koole et al. 2014.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 85 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 86 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 86 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 87 ======================================================================

<pre>                                                                                      85
4 redzaamheid en situationele invloeden
  In sommige situaties is het makkelijker om scherp te blijven en het goede te doen
  dan in andere situaties. Wie uren achtereen moet opletten en zich mentaal moet
  inspannen, krijgt op zeker moment concentratieproblemen en gaat fouten maken.
  Wie zich voortdurend moet beheersen – kalm blijven, geen ruzie maken, geen
  alcohol drinken, geen sigaretje opsteken, je aan je dieet houden – krijgt vroeg of
  laat toch een moment van zwakte en doet dan wat hij juist niet wilde. Als iemand
  in de stress schiet, wordt het vaak moeilijker nog helder te denken en niet op elke
  prikkel te reageren. Zelfs de koelbloedigste geesten gaan slechter presteren als de
  druk maar voldoende wordt opgevoerd.
       Voor dit rapport is dit van groot belang. Het betekent dat de mate waarin
  iemand in staat is tot redzaamheid mede afhangt van zijn actuele situatie en
  levensomstandigheden. Dat is ten eerste van invloed op het morele oordeel. In
  hoeverre is het bijvoorbeeld ‘eigen schuld’ als iemand verkeerde besluiten neemt
  doordat zijn vermogen tot zelfcontrole door stressvolle omstandigheden is aange-
  tast, zoals bijvoorbeeld bij acute en problematische schulden (Tiemeijer 2016)? Ten
  tweede opent het – in ieder geval in theorie – nieuwe perspectieven voor beleid.
  Als het zo is dat levensomstandigheden van invloed zijn op redzaamheid, zou de
  overheid kunnen proberen omstandigheden te bevorderen die gunstig zijn voor
  redzaamheid (of die in ieder geval niet ondermijnen).
       Daarom gaan we in dit hoofdstuk dieper in op deze situationele invloeden.
  Achtereenvolgens behandelen we de volgende onderwerpen:
  – de invloed van acute stress. Een beetje stress is doorgaans gunstig, maar te veel
      stress leidt tot verminderde mentale prestaties. Onder stresscondities is het
      moeilijker helder te denken en weloverwogen te handelen;
  – mentale vermoeidheid. Wie lang achtereen veeleisend denkwerk moet ver-
      richten, wordt op den duur vermoeid en kan fouten gaan maken. Ook besteden
      we aandacht aan egodepletie, het fenomeen dat het vermogen tot zelfcontrole
      tijdelijk uitgeput kan raken;
  – de psychologische effecten van armoede. Daarin lijken de voorgaande twee
      mechanismen samen te komen.
  Toespitsing op zelfcontrole
  In dit hoofdstuk gaan we dieper in op het vermogen tot zelfcontrole. Waarom lich-
  ten we dit kenmerk eruit? Zoals al in het vorige hoofdstuk aangegeven, hangt het
  vermogen tot zelfcontrole samen met allerlei uitkomsten. Ten eerste betekent zelf-
  controle dat men beter weerstand kan bieden aan contraproductieve neigingen en
  impulsen. Mensen met een groot vermogen tot zelfcontrole zullen eerder proble-
  men aanpakken die zij instinctief liever zouden vermijden, of omgekeerd, zich niet
  meteen halsoverkop in een nieuwe situatie storten als enige afstand beter is.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 87 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 88 ======================================================================

<pre>86  weten is nog geen doen
    Ten tweede hangt zelfcontrole waarschijnlijk ook samen met levensuitkomsten
    omdat het bescherming biedt tegen een minder gunstige ‘score’ op de andere niet-
    cognitieve kenmerken die we in hoofdstuk 3 hebben geïdentiﬁceerd. Zelfcontrole
    kan potentiële bescherming bieden tegen de risico’s van pessimistische overtui-
    gingen of gebrek aan geloof in eigen kunnen. Mensen met een groot vermogen tot
    zelfcontrole zullen eerder zichzelf weten te dwingen tot ervaringen die, indien
    succesvol, kunnen leiden tot meer geloof in eigen kunnen. Kortom, het leven is
    soms een moeras, maar wie beschikt over een groot vermogens tot zelfcontrole, zal
    eerder in staat zijn om zich aan de eigen haren uit dat moeras te trekken.
    In de literatuur wordt naast zelfcontrole vaak gesproken over ‘zelfregulatie’, ‘exe-
    cutive control’ of ‘executieve functies’. Dat zijn concepten die overlappen met zelf-
    controle, maar net iets breder zijn. Zelfregulatie wordt wel gedeﬁnieerd als “the
    process of purposefully directing one’s actions, thoughts, and feelings toward a
    goal” (Carver en Scheier 2011). Het begrip executieve functies verwijst naar een
    familie van “top-down mental processes needed when you have to concentrate
    and pay attention, when going on automatic or relying on instinct or intiuition
    would be ill-advised, insufﬁcient, or impossible” (Diamond 2013: 135). Vaak wor-
    den drie ‘core executive functions’ onderscheiden, te weten werkgeheugen, men-
    tale ﬂexibiliteit en inhibitie. Die derde functie lijkt sterk op zelfcontrole. Er zijn
    diverse onderzoeken gedaan naar de invloed van situationele omstandigheden op
    zelfregulatie, executive control of executieve functies. We zullen een aantal van
    deze onderzoeken hierna bespreken. Want, ook al hanteren die onderzoeken
    andere begrippen, ze zijn bieden wel degelijk inzicht in de invloed van situationele
    factoren op het vermogen tot zelfcontrole.
         Zoals al blijkt uit deze inleiding, is de robuustheid van de wetenschappelijke
    bevindingen in dit hoofdstuk minder groot dan in het vorige hoofdstuk. Dat was
    gebaseerd op een zeer brede empirische basis, vaak meta-analyses van tientallen zo
    niet honderden studies. Daarentegen zijn nogal wat inzichten uit dit hoofdstuk
    meer ‘work in progress’. Het betreft vaak recent onderzoek, de resultaten zijn niet
    altijd eenduidig, en veel vragen staan nog open.
4.1 de invloed van acute stress
    Een kernelement van veel deﬁnities van stress is volgens Contrada “the idea of an
    imbalance between environmental demands and adaptive capacity” (Contrada
    2011: 1). Er is een ‘mismatch’ tussen wat iemand aankan en wat de situatie vraagt.
    Over de lichamelijke processen van acute stress is vrij veel bekend. Het lichaam
    maakt stoffen aan waardoor het klaar is voor onmiddellijke actie, waaronder corti-
    sol, dat ook wel bekend staat als het stresshormoon. Een verhoogd cortisolniveau
    is een indicator van stress.1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 88 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 89 ======================================================================

<pre>                                                        redzaamheid en situationele invloeden          87
Box 4.1          Betrokken hersenonderdelen (gebaseerd op Arnsten 2013)
  Veel onderzoek naar de effecten van stress gaan uitgebreid in op de hersensonderdelen en neuro-
  transmitters die betrokken zijn bij de onderzochte fenomenen. Het is inzichtgevend een klein
  tipje van de hersenpan op te lichten.
  Voor het onderwerp van dit rapport is vooral de prefrontale cortex (pfc) van belang. “The basic
  function of the prefrontal cortex is the representation and execution of new forms or organized
  goal-directed action,” aldus Fuster in zijn standaardwerk over de prefrontale cortex (2015: 1, cur-
  sivering in origineel). De pfc is dus het hoofdkwartier voor zelfregulatie. Zij staat in nauwe ver-
  binding met andere corticale en subcorticale hersendelen, nader bepaald:
  –    de dorsolaterale pfc (dlpfc) heeft veel verbindingen met de zintuiglijke en motorische
       cortices, en speelt een sleutelrol in de regulatie van aandacht, denken en handelen;
  –    de rechter inferieure pfc (ripfc) lijkt gespecialiseerd in het inhiberen van ongepaste reacties
       en gedrag;
  –    de ventromediale pfc (vmpfc) heeft veel verbindingen met subcorticale structuren die ver-
       antwoordelijk zijn voor emoties en gewoontegedrag (zoals de amygdala);
  –    de dorsomediale pfc (dmpfc) speelt een rol in het monitoren van fouten en ‘reality testing’.
  Onder niet-stressvolle condities reguleren deze prefrontale hersenonderdelen het denken,
  emotie en gedrag (zie ﬁguur 4.1).
  Figuur 4.1
                                             DMPFC
                                             • Reality testing
                                             • Error monitoring
                                                 DLPFC
                                                 • Top-down guidance of
                                                    attention and thought
                                                   RIPFC
                                 Striatum          • Inhibition of
                         Hypothalamus                  inappropriate actions
                                                     VMPFC
                                                     • Regulating emotion
                                        Amygdala
                    NA DA
</pre>

====================================================================== Einde pagina 89 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 90 ======================================================================

<pre>88         weten is nog geen doen
   Wat gebeurt er nu bij stress? Dan treden een aantal veranderingen op (zie ﬁguur 4.2). De amyg-
   dala activeert stressresponsen in de hypothalamus en de hersenstam, wat op zijn beurt leidt tot
   afgifte van noradrenaline (na) en dopamine (da). Hierdoor vermindert de regulatie door de pfc
   en versterkt de invloed van de amygdala. Gevolg is onder meer dat de aandacht minder wordt
   gestuurd door de weloverwogen ‘top down’ controle vanuit de pfc, en meer door de waargeno-
   men stimuli in onze omgeving. Het gedrag wordt meer ‘bottom up’ gestuurd. “[D]uring stress,
   orchestration of the brain’s response patterns switches from slow, thoughtful pfc regulation to
   the reﬂexive and rapid emotional responses of the amygdala and related subcortical structures”
   (Arnsten 2013: 4).
   Figuur 4.2         Het effect van acute stress
                                                 Loss of
                                                 prefrontal
                                                 regulation
                           Emotional
                           habits
                                   Striatum
     Bottom-up             Hypothalamus
     attention
                                          Amygdala
                                           Emotional
                       NA DA
                                           associations
                Emotional
                reﬂexes
           Hieronder gaan we in op studies naar de invloed van acute stress op executieve
           functies. De opzet van dit soort studies is doorgaans als volgt. Eerst wordt bij een
           experimentele groep acute stress opgewekt, bijvoorbeeld door hen te vragen om
           vrijwel onvoorbereid een groep van kritische luisteraars toe te spreken, of door
           hen cortisol toe te dienen. Daarna krijgen zowel de experimentele als de controle-
           groep een bepaalde taak te doen, waarna wordt gekeken of er verschil is in presta-
           tie.
                 Wat leren dit soort experimenten ons over de gevolgen van stress op mentaal
           functioneren? Recent zijn enkele onderzoeken gedaan naar de effecten van stress
           op werkgeheugen, een van de ‘core executive functions’.2 Een voorbeeld is Schoofs
           et al. (2009). Zij wekten eerst bij de experimentele groep stress op. Daarna werd
           gemeten hoe de proefpersonen presteerden op drie taken, waarvan er twee een
</pre>

====================================================================== Einde pagina 90 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 91 ======================================================================

<pre>                                      redzaamheid en situationele invloeden         89
groot beroep doen op het werkgeheugen, en een beduidend minder. Zo moesten
zij in een van de moeilijke taken gedurende twaalf minuten sommen oplossen ter-
wijl ze tegelijkertijd woorden moesten onthouden. Uit de resultaten bleek dat de
experimentele groep minder goed presteerde op de twee moeilijke taken dan de
controlegroep. Bij de makkelijke taak was er geen verschil. Ook bleek dat er bij de
twee moeilijke taken wel een correlatie was tussen prestatie en cortisolniveau,
maar bij de makkelijke taak niet. Schoofs et al. concluderen dat “stress impairs per-
formance in demanding [working memory] tasks requiring maintenance and exe-
cutive processing of information” (2009: 1073).3
Naar de effecten van stress op de twee andere ‘core executive functions’ is nog
minder onderzoek gedaan. Plessow et al. (2011, 2012) onderzochten het effect op
cognitieve ﬂexibiliteit. Eerst werd bij de proefpersonen stress opgewekt, daarna
moesten zij twee verschillende cognitieve taken doen die random alterneerden.
Het bleek dat de experimentele groep na een alternatie minder goed presteerde dan
een controlegroep. Door de stress was hun cognitieve ﬂexibiliteit dus afgenomen.
Schwabe en Wolf (2009, 2011) onderzochten het effect van acute stress op inhibi-
tie. Centraal in hun onderzoek stond het onderscheid tussen ‘goal directed beha-
vior’ en ‘habitual behavior’. Het eerste type gedrag wordt gestuurd door en aange-
past aan de mate waarin het gewenste doel wordt bereikt, het tweede type gedrag
niet, en is slechts een geautomatiseerde reactie op bepaalde stimuli. Zij vonden dat
proefpersonen met acute stress minder snel een niet langer productieve gewoonte
aﬂeerden dan de controlegroep. “Overall, our ﬁndings provide strong evidence
that stress favors habit performance, at the expense of goal directed performance”
(2009a: 7915).4
</pre>

====================================================================== Einde pagina 91 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 92 ======================================================================

<pre>90 weten is nog geen doen
   Indirecte aanwijzingen dat stress negatieve invloed kan hebben op executieve
   functies komen van Starcke en Brand (2012). Zij verrichtten een review van zeven-
   tien studies naar de impact van acute stress op het nemen van besluiten. Meerdere
   experimenten lieten zien dat mensen onder invloed van stress eerder geneigd zijn
   al een besluit te nemen nog vóórdat zij alle alternatieven goed hebben overwogen.
   Andere experimenten toonden dat bij bepaalde groepen stress ertoe leidt dat zij bij
   een voedselkeuze eerder kiezen voor de optie met de hoogste onmiddellijke belo-
   ningswaarde (zoals snacks). Alles bij elkaar wijst het onderzoek volgens Starcke en
   Brand in dezelfde richting, namelijk dat stress een nadelig effect heeft op de execu-
   tieve functies. Daardoor worden keuzen sterker gestuurd door automatische reac-
   ties en gewoontes, en minder door ‘controlled cognitive processes’ (2012: 1241).5
   Risicoaversie en onmiddellijke beloning
   Zoals gezegd is er weinig onderzoek gedaan naar de effecten van acute stress op de
   ‘core executive functions’. Daarom is het goed het net wat breder uit te gooien, en
   ook onderzoek mee te nemen naar de effecten van stress of bepaalde andere vor-
   men van negatief affect op twee in de economie belangrijke variabelen, namelijk
   risicoaversie en time discounting.6 Haushofer en Fehr (2014) zetten op een rijtje
   wat hierover inmiddels bekend is.
        Ten eerste blijkt dat mensen onder invloed van angst of stress risicomijdender
   worden, zo concluderen zij op basis van dertien studies. Een voorbeeld is een
   experiment van Cohn et al. 2015. Zij wekten bij hun proefpersonen angst en stress
   op door hun linkerhand te verbinden met een elektrode, en aan te kondigen dat zij
   gedurende het experiment op onverwachte momenten een sterke elektrische
   schok zouden kunnen krijgen. Vervolgens werd gekeken hoeveel zij van een hen
   toegekend budget investeerden in een reeks van risicovolle keuzes, waarbij vooraf
   niet zeker was of ze winst zouden maken of verlies. Het bleek dat zij een minder
   groot deel van hun budget investeerden dan de controlegroep.7
        Ten tweede blijkt dat mensen onder invloed van negatieve gevoelens eerder
   kiezen voor de onmiddellijke beloning, zo concluderen Haushofer en Fehr op basis
   van elf onderzoeken (2014: 866). Een voorbeeld is Lerner et al. (2013). Zij vonden
   dat als proefpersonen eerst een droevige ﬁlmclip hadden gezien, zij als beloning
   voor deelname aan het experiment vaker kozen voor een onmiddellijke beloning in
   plaats van een beduidend grotere beloning later. “Sadness makes one myopic,” zo
   luidt de conclusie (2013: 76). Cornelisse et al. (2013) dienden proefpersonen cortisol
   toe, en vonden dat als hen een kwartier daarna time-discounting opgaven werden
   voorgelegd, zij eerder kozen voor de onmiddellijke beloning dan personen die een
   placebo hadden gekregen.
   Al met al zijn er de nodige onderzoeksresultaten die uitwijzen dat stress c.q. een
   verhoogd cortisolniveau een negatief effect hebben op executieve functies. Nader
   bepaald: ze hebben een negatieve invloed op het werkgeheugen, kunnen leiden tot
   minder cognitieve ﬂexibiliteit, meer gewoontegedrag, en grotere gevoeligheid voor
</pre>

====================================================================== Einde pagina 92 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 93 ======================================================================

<pre>                                          redzaamheid en situationele invloeden          91
    directe stimuli en kortetermijnbeloning. De kwaliteit van de besluitvorming
    neemt af, en het gedrag wordt minder gereguleerd door ‘top down’controle en
    meer door ‘bottom up’ reactiviteit.8 Binnen de conceptualisering van dit rapport
    kunnen we dus concluderen dat acute stress een negatieve invloed kan hebben op
    het vermogen tot zelfcontrole en dus op redzaamheid.
4.2 mentale vermoeidheid
    Een andere vraag is hoe lang iemand een goede zelfcontrole, zelfregulatie of execu-
    tive control kan volhouden, dus los van eventuele stresseffecten. Onbeperkt lang
    of wordt men op zeker moment moe? Dat laatste is het geval. Wie zich langdurig
    mentaal moet inspannen of zijn impulsen moet beheersen, merkt dat vroeg of laat
    de vermoeidheid toeslaat. De prestaties worden minder en het wordt moeilijker de
    executive control of zelfcontrole vol te houden. Maar waarom? Wat is hier het
    mechanisme?
    Hiermee komen we op een ingewikkeld onderwerp, en het hedendaagse onder-
    zoek op dit gebied kent enkele netelige controverses. Het is onvermijdelijk hier
    dieper op in te gaan en in wetenschappelijke details te treden. Vanuit het perspec-
    tief van redzaamheid bezien staat er namelijk veel op het spel. In essentie gaat het
    om de vraag: als mensen op zeker moment een goede zelfregulatie niet langer vol-
    houden, komt dat dan doordat ze het niet langer kunnen of doordat ze het niet lan-
    ger willen? Dat maakt in potentie veel uit voor het morele oordeel. Het is net als
    met intelligentie en schoolprestaties. Als een leerling zijn uiterste best doet maar
    nu eenmaal niet goed kan leren omdat zijn intelligentie beperkt is, valt hem weinig
    te verwijten. Dat is een kwestie van niet kunnen. Zo’n leerling verdient steun en
    hulp. Daarentegen, als een leerling een goed stel hersens heeft, maar er met de pet
    naar gooit en liever in de kroeg hangt, zullen veel mensen het zijn eigen schuld
    vinden als hij zijn diploma niet haalt. Dan is het gewoon een kwestie van niet wil-
    len. Zo’n leerling verdient veeleer een schop onder zijn kont.
          Er staat dus nogal wat op het spel. Om enige orde in al het onderzoek te schep-
    pen, zullen we onderscheid maken tussen twee typen mentale vermoeidheid:
    – Objectieve vermoeidheid. Hiervan is sprake wanneer als gevolg van aanhou-
         dende mentale arbeid iemands prestaties daadwerkelijk afnemen;
    – Subjectieve vermoeidheid. Hiervan is sprake wanneer iemand als gevolg van
         aanhoudende inspanning zich vermoeid gaat voelen.
    Zowel de bevindingen op het gebied van objectieve mentale vermoeidheid als de
    verklaring voor subjectieve mentale vermoeidheid zijn momenteel onderwerp van
    controverse.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 93 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 94 ======================================================================

<pre>92 weten is nog geen doen
                                         MOET
                             OPLETTENDHEID      MOET
                            MOET                   IMPULSBEHEERSING
                             INSPANNING
                                                     MOET
   Objectieve vermoeidheid en executive control
   Wat is er bekend over het effect van langdurig volgehouden mentale inspanning op
   prestaties? Met de opkomst van de industriële revolutie groeide de wetenschap-
   pelijke belangstelling voor deze vraag (zie Hockey 2013). Het was immers belang-
   rijk dat fabrieksarbeiders zo lang mogelijk hun werk konden volhouden zonder
   fouten te maken. Wetenschappers gingen daarom onderzoeken wat er gebeurde als
   mensen een veeleisende cognitieve taak, bijvoorbeeld ingewikkelde sommen
   maken, uren of soms zelfs dagen achtereen moesten volhouden. Al snel bleek ech-
   ter dat, anders dan men vooraf had verwacht, er geen eenduidig verband is tussen
   ‘time on task’ en prestaties. “Under fatiguing conditions, performance sometimes
   declines, sometimes remains unchanged, or sometimes even increases as time on
   task increases”, vat Ackerman samen (2011: 3). Bovendien bleek het vaak lastig
   onderzoeksresultaten te repliceren.
        Een paar dingen zijn echter wel duidelijk. Waakzaamheid en oplettendheid
   nemen al binnen een halfuur af. Dat is belangrijk voor bepaalde beroepen, zoals
   militairen of controlepersoneel. Afnemende prestaties zijn vooral waarschijnlijk
   bij snelle, repetitieve en ononderbroken werkzaamheden en bij taken die aanhou-
   dende executive control vereisen. Dit laatste blijkt uit een handvol onderzoeken
   van Nederlandse bodem. Van der Linden et al. (2003) vonden bijvoorbeeld dat
   nadat proefpersonen twee uur lang een ingewikkelde cognitieve taak moesten ver-
   richten, zij minder goed presteerden op een test die cognitieve ﬂexibiliteit meet, en
   ook minder goed presteerden op een test die meet in hoeverre mensen een plan
   maken voordat ze tot actie overgaan.9 In andere onderzoeken werd gevonden dat
   langdurige mentale inspanning leidt tot problemen met het focussen van aandacht
   (Van der Linden en Eling 2006), dat langdurige mentale inspanning ertoe leidt dat
</pre>

====================================================================== Einde pagina 94 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 95 ======================================================================

<pre>                                      redzaamheid en situationele invloeden           93
proefpersonen minder systematisch te werk gaan, en bij negatieve uitkomsten
minder snel van strategie veranderen (Van der Linden et al. 2003). Voorts vonden
Boksem et al. (2005) dat proefpersonen die drie uur lang een taak moesten volhou-
den waarvoor een goede focus belangrijk is, geleidelijk aan meer fouten gingen
maken. Ook werden zij eerder afgeleid door niet-relevante stimuli, en konden ze
minder goed hun aandacht beperken tot de stimuli die voor die opdracht relevant
waren. Boksem et al. (2006) constateerden in een oefening die twee uur duurde dat
de proefpersonen na verloop van tijd niet alleen meer fouten gingen maken, maar
zich ook minder vaak realiseerden dat ze een fout hadden gemaakt, en minder vaak
gebruikmaakten van de mogelijkheid tot correctie. Kortom, al deze studies wijzen
erop dat indien men mentale inspanning een aantal uur moet volhouden de execu-
tive control wordt aangetast.
Zelfcontrole en egodepletie
De laatste jaren is er veel aandacht voor een fenomeen dat ‘egodepletie’ wordt
genoemd. Deze term verwijst naar het feit dat mensen zelfcontrole niet eindeloos
kunnen volhouden. Vroeg of laat wordt hun zelfcontrole minder en gaan mensen
toegeven aan de impulsen die zij trachten te beheersen. Volgens Baumeister et al.
(2007) komt deze afname in wilskracht doordat de mentale hulpbronnen die nodig
zijn voor zelfcontrole geleidelijk uitgeput raken (‘depleted’). Het is als een spier die
steeds zwakker wordt als hij lang wordt belast. Er wordt wel gesproken van het
‘strength’- of ‘resource’-model van zelfcontrole.
     Inmiddels zijn er vele tientallen experimenten gedaan waarin het egodepletie-
effect werd gevonden. De standaardmethodiek daarvoor is het zogenaamde dual
task design. In deze opzet moet de experimentele groep twee achtereenvolgende
taken verrichten die beide zelfcontrole vereisen. In de eerste taak moeten zij bij-
voorbeeld hun emoties onderdrukken terwijl ze kijken naar een hartverscheu-
rende smartlap als The fault in our stars. Daarna moeten ze een tweede taak doen
die eveneens zelfcontrole vereist, bijvoorbeeld het zo lang mogelijk indrukken van
een handgreep of afblijven van lekkernijen als chocoladekoekjes. Vervolgens wor-
den hun prestaties vergeleken met die van een controlegroep, die wél de tweede
maar níet de eerste taak heeft gedaan. Als nu blijkt dat de experimentele groep het
bij de tweede taak slechter deed dan de controlegroep, is er inderdaad sprake van
egodepletie.
Ondanks de vele onderzoeken waarin het effect werd gevonden, is er de laatste
jaren twijfel gerezen over de vraag of het egodepletie-effect wel echt bestaat. Die
twijfel is nog eens versterkt door de ‘replication crisis’ in de sociale psychologie.
In box 4.2 gaan we daarom uitgebreid in op die kwestie. Voor wie die niet wenst te
lezen alvast onze conclusie voor dit moment: waarschijnlijk is het egodepletie-
effect minder groot dan aanvankelijk werd gedacht, maar het gaat vooralsnog te ver
om te concluderen dat het helemaal niet bestaat.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 95 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 96 ======================================================================

<pre>94         weten is nog geen doen
Box 4.2           Bestaat egodepletie wel?
   Op menig straathoek kan men tegenwoordig vernemen dat ‘wilskracht is als een spier’ die uitge-
   put kan raken. Deze wetenschappelijke bevinding heeft de afgelopen jaren via diverse (popu-
   lair)wetenschappelijke publicaties zijn weg gevonden naar het grotere publiek.10
   Recent is echter serieuze wetenschappelijke twijfel ontstaan of het fenomeen van egodepletie
   werkelijk bestaat. De eerste twijfels ontstonden naar aanleiding van een meta-analyse van
   Hagger et al. (2010). Deze analyse van bijna tweehonderd experimenten volgens het dual-task-
   design vond “a signiﬁcant effect of ego depletion on self-control task performance” (2010: 495).
   Volgens Carter en McCullough (2013, 2014) zijn de positieve resultaten van Hagger et al. echter
   vertekend door publication bias. Onderzoeken waarin het depletie-effect niet werd gevonden,
   worden meestal niet gepubliceerd, en zijn dus ook niet in de review meegenomen. Carter en
   McCullough analyseerden de data van Hagger c.s. opnieuw, en zetten daarbij ook drie verschil-
   lende technieken in om te corrigeren voor mogelijke publicatie-bias. Zoals valt te verwachten,
   resteerde daarna een beduidend kleiner effect. Bij één van de drie technieken bleef zelfs in het
   geheel geen signiﬁcant effect over.
   Vervolgens werd in 2014 besloten tot een wereldwijde replicatieronde van het egodepletie-
   onderzoek volgens een dual-task-design, onder leiding van eerdergenoemde Hagger. Voor een
   goed begrip van de resultaten van deze replicatie is het noodzakelijk in te gaan op het exacte
   design. Dat werd ontleend aan Sripada et al. (2014) en is als volgt:
   –    Voor de experimentele groep bestaat de eerste taak uit een ‘effortful regulation’ taak van
        7,5 minuten. Daarin krijgen de deelnemers op een computerscherm woorden gepresenteerd,
        en moeten zij op een knop drukken indien het woord een ‘e’ bevat, tenzij deze naast of één
        letter verwijderd staat van een andere klinker. De controlegroep hoeft alleen maar een knop
        in te drukken als ze een woord met de letter ‘e’ zien.
   –    De tweede taak duurt 10 minuten. Hierin krijgen de deelnemers op een computerscherm
        steeds een rij van drie cijfers tussen nul en drie te zien waarvan er steeds twee identiek zijn
        en één uniek. Ze moeten dan op de knop drukken met het getal van het unieke cijfer. Soms
        staat dat cijfer op een positie in de rij die overeenstemt met de waarde van het cijfer (bijvoor-
        beeld het getal drie op de meest rechtse positie), soms op een positie die niet overeenstemt
        met zijn waarde (bijvoorbeeld het getal één op de middelste positie). De afhankelijke varia-
        bele is de reactietijd op de cijfertaak.
   Voorjaar 2016 werden de resultaten van de replicatieronde gepubliceerd, en wat bleek: mislukt!
   De meeste van de in totaal 23 participerende onderzoeksgroepen vonden geen signiﬁcant ver-
   schil in prestaties tussen de experimentele groep en de controlegroep.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 96 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 97 ======================================================================

<pre>                                                   redzaamheid en situationele invloeden            95
Dus wat nu?
Exit egodepletie? Hebben we hier (opnieuw) te maken met zo’n psychologisch fenomeen dat
welbeschouwd helemaal niet bestaat? Dat valt nog te bezien. Het is nog te vroeg om volledig te
overzien wat de implicaties zijn van deze replicatieronde, maar we willen wel enkele punten
naar voren brengen.
     Laten we beginnen met de vraag wat met deze mislukte replicatie nu eigenlijk is vastge-
steld. Wat zijn de feiten? Er is niet vastgesteld dat mensen nooit problemen kunnen hebben met
zelfcontrole. Ook is er niet vastgesteld dat mensen zelfcontrole onbeperkt kunnen volhouden.
Wat dan wel? Strikt genomen is alleen vastgesteld dat wie 7,5 minuten de eerste e-doorstreep-
taak heeft uitgevoerd, daardoor niet zo moe wordt dat hij daarna signiﬁcant langer reactietijden
heeft op de tweede cijfer-taak. Daarmee is niet ‘het’ egodepletieonderzoek gerepliceerd, maar
slechts één speciﬁek experiment uit de betreffende literatuur, namelijk het experiment van
Sripada et al. (2014). Dat er sprake is van 23 deelnemende laboratoria is indrukwekkend, maar
aangezien in elk lab exact dezelfde procedure is gevolgd, is er in feite sprake van één replicatie-
experiment, zij het met een zeer groot aantal proefpersonen verdeeld over meerdere continen-
ten.
     De hamvraag wordt dan in hoeverre het experiment van Sripada ‘cruciaal’ is voor het hele
egodepletiefenomeen. Is hier nu het essentiële fenomeen gemeten waarmee het hele effect staat
of valt? Daarover kan men twijfels hebben. Baumeister en Vohs (2016) noemen de keuze voor
deze speciﬁeke procedure “foolish”. De letter-e-taak is weliswaar cognitief vermoeiend, maar
doet geen beroep op zelfcontrole omdat er geen sprake is van een impuls of gewoonte die geïnhi-
beerd moet worden. Daarvan was alleen sprake geweest als bij proefpersonen eerst een automa-
tische neiging was gecreëerd om alle letters ‘e’ in een tekst door te strepen. Bovendien is het
Baumeister en Vohs niet duidelijk waarom de afhankelijke variabele – namelijk reactietijd – een
indicator zou zijn van zelfcontrole. Met terugwerkende kracht hebben ze duidelijk spijt dat ze
destijds, toen het voorstel voor replicatie volgens dit ontwerp aan hen werd voorgelegd, niet ste-
viger bezwaar hebben gemaakt. Nu rest hen weinig anders dan maar een eigen replicatie op te
starten, en inmiddels hebben ze daartoe eerste stappen gezet. Ook Inzlicht (een uitgesproken
opponent van Baumeister en Vohs als het gaat om de vraag wat de oorzaak is van egodepletie) is
zeer kritisch over deze replicatie. “Was this a perfect study? Not even close. Can we do better?
Absolutely”.11
Maar stel dat de eerste taak, anders dan Baumeister en Vohs beweren, wél een beroep doet op
zelfcontrole, dan nog kan men methodologische kritiek hebben. Misschien is 7,5 minuut wel te
kort om een uitputtingseffect te bewerkstelligen. Zoals Hagger et al. (2015) zelf ook opmerken, is
niet uitgesloten dat zo’n korte periode voor de meeste mensen nog best te doen is, maar hun
mentale vermogens toch zwakker worden als zij zelfcontrole uren, dagen of zelfs weken achter-
een moeten volhouden, en al die tijd niet mogen toegeven aan de verleiding tot roken, alcohol
drinken, onverantwoorde aankopen doen, et cetera. Om die reden hebben we in de hoofdtekst
</pre>

====================================================================== Einde pagina 97 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 98 ======================================================================

<pre>96         weten is nog geen doen
   ook vrij veel aandacht besteed aan de Nederlandse studies naar vermoeidheid. Daarin waren de
   periodes van mentale inspanning veel langer, vaak minimaal een paar uur. In veel gevallen bleek
   dat wel degelijk effect te hebben.
   Lab versus het echte leven
   Een laatste punt: in hoeverre mag men resultaten in laboratoriumonderzoek generaliseren?
   Psychologen wordt soms verweten dat zij te snel de resultaten van laboratoriumonderzoek
   doortrekken naar het echte leven. Die praktijk is inderdaad discutabel. Maar het omgekeerde
   geldt ook. Het uitblijven van signiﬁcante resultaten mag men evenmin één-op-één generaliseren
   naar het echte leven. Daarom is het belangrijk ook onderzoek te doen naar mogelijke egodepletie
   in real life settings. Voor zover ons bekend, is dat tot op heden in slechts twee onderzoeken sys-
   tematisch gedaan.
        Het eerste onderzoek is van Hoffman et al. (2012). Zij vroegen een week lang 205 proefper-
   sonen – merendeels studenten – elke dag op zeven verschillende momenten via hun smart-
   phone of ze het laatste halfuur een ‘desire’ hadden gevoeld, en zo ja, waarnaar. Ook werd steeds
   gevraagd in hoeverre ze dat verlangen hadden weerstaan of er (deels) aan hadden toegegeven. Uit
   de resultaten bleek dat “the more frequently and recently participants had resisted any earlier
   desire, the less successful they were at resisting any other subsequent desire” (2012: 587).
        Het tweede onderzoek is van Dai et al. (2015). Zij onderzochten hoe trouw verpleegkundig
   personeel in ziekenhuizen de handen waste tussen patiëntcontacten. De regel is dat zij steeds
   voordat zij een volgende patiënt bezoeken hun handen moeten wassen, want dat voorkomt veel
   infectieziekten. Een probleem is echter dat men zich lang niet altijd aan die regel houdt. Wat is
   hiervan de oorzaak? Dai en collega’s konden beschikken over gedetailleerde handenwasgege-
   vens voor meer dan 4000 verpleegkundigen in 35 verschillende ziekenhuizen voor een periode
   van bijna drie jaar.12 Bij elkaar waren dat maar liefst 14 miljoen potentiële handenwasmomenten.
   De analyse van Dai et al. (2015) laat zien dat naarmate de uren van iemands dienst vorderden, de
   discipline in het handenwassen afnam, vooral bij degenen met een hoge werkintensiteit. Aan
   het einde van een twaalfurige dienst was de kans dat iemand zijn handen steeds tussen patiënten
   waste met gemiddeld een derde afgenomen. Rustperiodes daarentegen leidden tot herstel van
   discipline en dat herstel was sterker naarmate de rust langer duurde. De onderzoekers verklaren
   hun resultaten uit egodepletie.
   Conclusie voor dit moment
   Wat moet nu de conclusie zijn? Het is goed als resultaten van psychologisch onderzoek worden
   geveriﬁeerd in replicatieonderzoek, maar het is de vraag of dit nu zo’n geweldig voorbeeld is.
   Om werkelijk te kunnen concluderen dat egodepletie niet bestaat, had dit het cruciale all-or-
   nothing-experiment moeten zijn, en dat is het zeker niet. Waarschijnlijk is het egodepletie effect
   minder sterk dan tot voor kort werd gedacht omdat inmiddels wel duidelijk is dat publicatiebias
   een rol heeft gespeeld. Vooralsnog gaat het echter te ver om te concluderen dat het effect in het
</pre>

====================================================================== Einde pagina 98 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 99 ======================================================================

<pre>                                               redzaamheid en situationele invloeden           97
geheel niet zou bestaan – ook de onderzoekers van deze replicatie-effort zelf gaan niet zover.
Veeleer moet de conclusie zijn dat nauwkeuriger onderzoek nodig is naar de vraag waarom het
effect soms wel optreedt, soms niet, en wat de mediërende factoren zijn.
        Subjectieve vermoeidheid
        Als mensen een taak die een beroep doet op hun zelfregulatie lang moeten volhou-
        den, kunnen hun prestaties geleidelijk minder worden. Hiermee is echter nog niet
        de vraag beantwoord hoe lang mensen met die taak doorgaan. Wanneer stoppen
        ze? Het is verleidelijk te antwoorden: als hun energie op is. Vermoeidheid duidt op
        lege batterijen. Echter, hoe plausibel dit ook klinkt, het kan nooit het volledige ant-
        woord zijn. Experimenten laten namelijk zien dat als je de beloning verhoogt,
        mensen in staat zijn langer door te gaan met een cognitief inspannende taak of met
        zelfcontrole (Boksem et al. 2006, Muraven en Slessarecva 2003). Kennelijk hebben
        mensen, als hen dat goed uitkomt, nog een reserveset batterijen. Dat blijkt ook uit
        de alledaagse ervaring dat mensen die zeggen echt geen energie meer te hebben om
        een vervelende taak vol te houden, plotsklaps nog over reserves blijken te beschik-
        ken als ze iets mogen gaan doen dat ze leuk vinden, zoals een favoriete hobby.
             Veel wetenschappers gaan er daarom van uit dat de reden dat mensen ermee
        ophouden een gevoel van vermoeidheid is (Van der Linden 2011). Op welk
        moment dat gevoel ontstaat, hangt niet alleen af van hoe lang men al bezig is met
        de betreffende taak (‘time on task’). Ook andere factoren spelen een rol, zoals per-
        soonlijkheidskenmerken, hoe interessant iemand de taak vindt, hoeveel nut hij
        eraan ontleent, hoe zijn stemming is, hoelang geleden hij heeft gegeten en – niet te
        vergeten – de aanwezigheid van aﬂeidingen (smartphones!). Het gaat volgens
        Hockey (2013) dus niet om de vraag hoeveel ‘energie’ iemand nog heeft, maar om
        hoeveel inspanning hij wil leveren voor de betreffende taak. Welke keus iemand
        hierin maakt, wordt volgens hem bepaald door een kosten-batenafweging.13
             Maar de grote vraag is: wat staat er dan aan de kostenkant van de afweging?
        Hierover is een heuse controverse gaande. Aan de ene kant staan wetenschappers,
        met name Baumeister en Vohs, die menen dat er ergens een lichamelijke limiet is,
        een bepaalde lichaamsstof of -reserve die uitgeput raakt wanneer mentale inspan-
        ning te lang moet worden volgehouden. In essentie is de verklaring dus energe-
        tisch. In hun zoektocht naar een energetische bron hebben zij tot nu toe hun hoop
        vooral gevestigd op glucose – overigens zonder veel succes.
             Aan de andere kant staan wetenschappers als Hockey (2013) Kurzban et al.
        (2013) en Inzlicht en Berkman (2015) en Inzlicht et al. (2014) die zich heftig verzet-
        ten tegen een dergelijke energetische verklaring. Zij gaan ervan uit dat het louter
        een motivationele kwestie is. Dat mensen het moeilijk vinden om mentale inspan-
        ning en zelfcontrole vol te houden, komt puur omdat ze op zeker moment niet
        meer willen. Ten eerste is er toe nu toe geen enkel bewijs gevonden voor een relatie
        tussen glucosespiegel en zelfcontrole. Ten tweede, zoals gezegd, blijken mensen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 99 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 100 ======================================================================

<pre>98 weten is nog geen doen
   wel degelijk in staat een zelfcontroletaak langer vol te houden als je hun belonin-
   gen geeft. Bovendien houden mensen het ook langer vol als ze geloven dat er geen
   grenzen zijn aan het vermogen tot zelfcontrole (Job et al. 2010). Kortom, het zit
   tussen de oren. “[S]elf-control wanes over time not because people have no energy
   but because people experience a shift in motivation away from “have-to” goals,
   which are carried out through a sense of obligation and duty, and instead come to
   prefer “want-to” goals, which are fun, personally enjoyable, and meaningful”
   (Inzlicht en Berkman 2015: 520).
   Is het werkelijk nodig om in dit rapport zo diep op deze discussie in te gaan? Ja,
   want zoals eerder gezegd, terugvertaald naar de problematiek van dit rapport is de
   vraag of beperkingen in zelfregulatie en redzaamheid een kwestie zijn van niet
   kunnen of niet willen. Als de eerste school gelijk heeft, en gebrek aan zelfcontrole
   het gevolg is van een uitgeputte energiebron, kunnen mensen er weinig aan doen
   dat ze vroeg of laat niet meer in staat zijn weloverwogen besluiten te nemen en
   zich te beheersen. Hen dat kwalijk nemen zou net zo onzinnig zijn als mensen ver-
   wijten dat ze vroeg of laat moeten slapen. Als de tweede school daarentegen gelijk
   heeft, is het hun eigen keuze als ze ondoordachte keuzes maken en toegeven aan
   verleidingen. Veel mensen zullen weinig compassie hebben met mensen die in
   problemen komen doordat zij zich steeds weer laten verleiden tot allerlei ‘domme’
   keuzen, zoals impulsaankopen voor spullen die ze niet nodig hebben of een onge-
   zonde leefstijl. Moeten ze zich maar meer beter beheersen.
        De waarheid ligt vermoedelijk in het midden. Ongetwijfeld waren de vroege
   theorieën over mentale vermoeidheid en egodepletie te eendimensionaal in hun
   exclusieve focus op energie (al dan niet als metafoor). Motivatie speelt zeker een
   rol. Maar het is het andere uiterste om alles uit motivatie te verklaren en de moge-
   lijke rol van energie (of andere hulpbronnen in geest of lichaam met een begrensd
   karakter) geheel te ontkennen. Bepaalde feiten zouden dan ook moeilijk te verkla-
   ren zijn. Als mentale inspanning werkelijk geen enkele energie kost, waarom span-
   nen mensen zich dan toch geregeld minder hard in voor een mentale taak dan zij
   zouden kunnen? En waarom voelt drie uur sommen maken voor de meeste men-
   sen dan vermoeiender dan drie uur slapen?14 Bovendien, zoals Baumeister en Vohs
   (2016) opmerken, als zelfcontrole geen enkele energie zou kosten, waarom zou het
   dan evolutionair gezien adaptief zijn als het lichaam op zeker moment
   vermoeidheidssignalen gaat afgeven die mensen stimuleren over te stappen van
   ‘have to goals’ naar ‘want to goals’? Dat is alleen maar contraproductief. Juist dege-
   nen die zelfcontrole lang weten vol te houden zijn evolutionair in het voordeel.
        Kortom, de empirische resultaten worden een stuk makkelijker te begrijpen
   als men postuleert dat mentaal veeleisende arbeid ook intrinsieke kosten heeft. Dat
   die kosten er daadwerkelijk zijn, is ook de stelling van Kool en collega’s. Uit hun
   onderzoek blijkt dat mensen een intrinsieke afkeer hebben van veeleisende men-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 100 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 101 ======================================================================

<pre>                                       redzaamheid en situationele invloeden            99
tale arbeid (Kool et al. 2010). “In cognitive/leisure decisions, the utility of leisure
derives, in important part, from the relief it offers from costly control” (Kool en
Botvinick 2014: 138).
Een ‘central governor’?
Een mogelijke uitweg uit de controverse biedt het onderzoek naar fysieke ver-
moeidheid. De fenomenologie van mentale en fysieke vermoeidheid lijkt namelijk
sterk op elkaar. Uit onderzoek naar duursporten blijkt dat, anders dan aanvankelijk
gedacht, ook gevoelens van lichamelijke uitputting niet direct correleren met de
feitelijke staat van het lichaam. Mensen gaan fysieke vermoeidheid al voelen ruim
vóórdat alle spierkracht is opgebruikt. Bovendien blijkt, net als bij mentale ver-
moeidheid, bij een hogere beloning wel degelijk nog een extra inspanning
mogelijk. De sportfysioloog Noakes veronderstelt daarom dat de menselijke
neurobiologie een ‘central governor’ kent die de inspanning van het lichaam regu-
leert (Noakes et al. 2005). Op basis van signalen van het lichaam genereert deze
‘central governor’ gevoelens van vermoeidheid ruim vóórdat het lichaam zodanig
uitgeput raakt dat daadwerkelijk fysieke schade dreigt (‘catastrophic breakdown’),
zoals gescheurde pezen en spieren. Evolutionair gezien is dat een bijzonder zinnige
lichamelijke innovatie.
     Evans et al. (2015) veronderstellen dat de ‘central governor’-theorie over
fysieke vermoeidheid kan helpen om mentale vermoeidheid beter te begrijpen, en
postuleren een geïntegreerd model dat is geïnspireerd op deze theorie. De kwin-
tessens hiervan is dat er ‘multiple inputs’ zijn die bepalen of mentale vermoeid-
heid ontstaat en de betreffende activiteit wordt voortgezet of gestaakt. Van belang
zijn “current conditions (workload, available energy, goal value), expected condi-
tions (future workload and available energy), and opportunity costs of not pur-
suing some other goal” (2015:9). Ook eerdere ervaringen met hoeveel inspanning
de betreffende taak kost kunnen een rol spelen. Kortom, zowel energie als motiva-
tie spelen een rol.
Al met al…
Dus wat valt er nu te concluderen? Zoals gezegd gaat het om een lopende discussie.
Het laatste woord is er nog allerminst over gezegd, want ook het ‘central gover-
nor’-concept is niet onomstreden (zie Inzlicht en Marcora 2016). Duidelijk is in
ieder geval dat er, anders dan in klassiek vermoeidheidsonderzoek werd veronder-
steld, geen direct verband is tussen beschikbare energie of hulpbronnen enerzijds
en prestatieniveau of zelfcontrole anderzijds. Het is geen louter metabolische
kwestie. Het is echter onwaarschijnlijk dat er helemaal geen grenzen zijn aan hoe-
veel mentale arbeid een mens zonder rust of onderbreking kan verzetten, en
zelfϣregulatie dus onbeperkt kan worden volgehouden. Ook al is nog onduidelijk
wat de fysiologische processen precies zijn, het is incorrect om daaruit te conclu-
deren dat die grenzen ‘dus’ niet bestaan. Dat sluit ook niet aan bij onderzoek waar-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 101 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 102 ======================================================================

<pre>100 weten is nog geen doen
    uit blijkt dat het lichaam zich bij aanhoudende zelfcontrole gedraagt alsof de ener-
    gie minder wordt. Mede daarom zien veel wetenschappers wel degelijk een rol van
    beperkte hulpbronnen – welke dat dan ook mogen zijn.
          Per saldo kunnen de bevindingen waarschijnlijk het beste worden samengevat
    met het begrip ‘buffer’. Als mensen een beroep moeten doen op hun zelfregulatie,
    bijvoorbeeld om inspannende mentale taken te verrichten of hun zelfcontrole te
    bewaren, zetten zij daarvoor niet meteen al hun hulpbronnen in. Ze behouden een
    reserve die kan fungeren als buffer. Daardoor is het mogelijk om toch meer inspan-
    ning te leveren, mocht dat onverwacht nodig of wenselijk zijn. Vroeg of laat stuit
    men echter op de grenzen van wat mogelijk is.
4.3 de psychologische effecten van armoede
    Hoe stress en mentale belasting van invloed zijn op zelfregulatie wordt ook duide-
    lijk uit het onderzoek naar armoede.15 Haushofer en Fehr (2014) wijzen op de rol
    van stress. Armoede leidt volgens hen tot stress, en stress leidt – zoals we hierbo-
    ven hebben gezien – tot verminderde mentale prestaties. Haushofer en Fehr (2014)
    vonden in totaal 25 onderzoeken naar het effect van een daling of stijging in
    armoede op indicatoren van psychologisch welzijn, zoals geluk, gerapporteerde
    geestelijke gezondheid, depressie, en cortisolniveau. Uit de grote meerderheid van
    die onderzoeken bleek dat een stijging in armoede leidt tot negatieve gevoelens en
    stress, terwijl een daling in armoede het tegengestelde effect heeft.
          Ook egodepletie zou een rol kunnen spelen. Spears (2011) rapporteert een
    drietal onderzoeken die uitwijzen dat als mensen met weinig inkomen moeten
    besluiten hoe ze hun schaarse budget het beste kunnen besteden, dat kan leiden tot
    tijdelijk verminderde zelfcontrole. In een van deze onderzoeken onderzocht hij de
    mate van ‘secondary eating’ tijdens het boodschappen doen. ‘Secundair eten’ is
    eten terwijl je iets anders doet, zoals autorijden of tv-kijken. Het is een vorm van
    ‘gedachteloos eten’ die wordt beschouwd als teken van gebrek aan controle. Uit de
    analyses bleek dat mensen met weinig inkomen meer secundair eten als zij bood-
    schappen doen dan mensen met veel inkomen. Kennelijk hebben zij dus mentale
    energie moeten steken in economische beslissingen, waardoor er minder overblijft
    voor zelfcontrole.
          Maar geldproblemen kunnen nog een ander psychologisch effect hebben: blik-
    vernauwing. Mani et al. (2013) onderzochten het psychologische effect van ﬁnan-
    ciële schaarste door in een Amerikaans winkelcentrum aan passanten enkele denk-
    beeldige ﬁnanciële keuzes voor te leggen. Stel bijvoorbeeld dat hun auto plotseling
    een mankement zou hebben, zouden ze die dan laten repareren, en zo ja, hoe zou-
    den ze dat dan ﬁnancieren? De vraag werd in twee varianten gesteld, namelijk een
    goedkope en een dure variant. In de goedkope variant kostte de reparatie 150 dol-
    lar, een bedrag dat de meeste mensen zonder veel problemen kunnen betalen. In de
    dure variant kostte de reparatie 1500 dollar. Dat bedrag zal voor mensen met een
    goed inkomen evenmin een probleem zijn, maar wel voor mensen met weinig
</pre>

====================================================================== Einde pagina 102 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 103 ======================================================================

<pre>                                          redzaamheid en situationele invloeden        101
    inkomen. Het kan bij hen gevoelens van geldzorgen activeren. Vervolgens werd de
    proefpersonen gezegd dat ze even over de vraag konden nadenken, en werden
    ondertussen twee korte testjes afgenomen, namelijk een die ﬂuïde intelligentie
    meet en een die cognitieve controle over impulsen meet.16 Tot slot werd hun
    gevraagd wat ze hadden besloten over het ﬁnanciële dilemma. Waar het de onder-
    zoekers nu om ging, was niet het antwoord op de dilemma’s, maar de scores op
    beide testjes. Daaruit bleek dat in de goedkope variant (150 dollar) mensen met
    weinig of veel inkomen het even goed deden op die twee testjes. Daarentegen, in
    de dure variant (1500 dollar) deden de mensen met weinig inkomen het signiﬁcant
    slechter. Kennelijk waren bij hen geldzorgen geactiveerd die de intelligentie en
    controle aantastten. Omgerekend naar iq was het effect gelijk aan een daling in iq
    van ongeveer dertien punten. “These sizable magnitudes suggest the cognitive
    impact of poverty could have large real consequences” (2013: 980).
4.4 conclusie: stress en belasting beïnvloeden
    redzaamheid negatief
    Wat is de invloed van mentale belasting en stress op zelfcontrole ofwel executive
    control, executieve functies of zelfregulatie? Dat was de centrale vraag in dit
    hoofdstuk. Wat opvalt, is hoe weinig we eigenlijk weten. “I have no expectation
    that the laws of mental fatigue will be formulated in the immediate future”,
    merkte Dodge een eeuw geleden op (1917: 89). Sindsdien is er slechts bescheiden
    vooruitgang geboekt. Zelfs egodepletie, een fenomeen dat tot voor kort onomstre-
    den was, staat weer ter discussie.
         De volgende conclusies laten zich echter wel trekken. De capaciteit tot zelf-
    regulatie kan worden aangetast door:
    – acute stress c.q. een verhoogd cortisolniveau. Acute stress en cortisol hebben een
        negatieve invloed op het werkgeheugen. Tevens kunnen zij leiden tot vermin-
        derde cognitieve ﬂexibiliteit, meer gewoontegedrag, een grotere gevoeligheid
        voor directe prikkels en – indien de stress gepaard gaat met negatief gevoel –
        een kortetermijnoriëntatie. De kwaliteit van de besluitvorming neemt af, en
        het gedrag wordt minder gereguleerd door ‘top down’-controle en meer door
        ‘bottom up’-reactiviteit;
    – mentale belasting, bijvoorbeeld veeleisende cognitieve taken of langdurige zelf-
        controle. Die effecten hoeven niet meteen op te treden. Wie dat wil, kan zijn
        reserves aanspreken om het beoogde prestatieniveau langer vol te houden,
        maar dat kan ten koste gaan van andere lichamelijke of mentale functies, en de
        reserves zijn niet onbeperkt. Vroeg of laat nemen de prestaties af. Bovendien
        lijkt het er vooralsnog op dat zelfcontrole niet eindeloos kan worden volgehou-
        den;
    – gevoelens van schaarste en armoede. Bij mensen met serieuze ﬁnanciële zorgen
        kunnen verschillende psychologische mechanismen optreden die tot gevolg
        hebben dat executieve functies worden aangetast. Het kan gaan om stress- of
</pre>

====================================================================== Einde pagina 103 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 104 ======================================================================

<pre>102 weten is nog geen doen
        depletie-effecten, maar ook kan er sprake zijn van ‘attentional capture’. Men
        wordt zozeer in beslag genomen door geldzorgen dat er minder aandacht over-
        blijft voor andere zaken.
    Kortom, situationele factoren kunnen effect hebben op de mate waarin iemand in
    staat is om doelen te stellen voor de toekomst, zich daarop te focussen en er plan-
    matig naartoe te werken, dat vol te houden en zich niet te laten aﬂeiden. Dit zijn
    vermogens die altijd van pas komen, maar vooral wanneer het leven tegenzit, zoals
    bij baanverlies, een scheiding of problematische schulden. Juist dan is het zaak je
    kop erbij te houden. Helaas zijn dit nu net situaties die gepaard kunnen gaan met
    stress, en dus een negatief effect kunnen hebben op zelfregulatie. Juist wanneer
    redzaamheid van het grootste belang is, loopt iemand het meeste risico dat de daar-
    voor noodzakelijke vermogens worden aangetast.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 104 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 105 ======================================================================

<pre>                                                redzaamheid en situationele invloeden              103
noten
1   Behalve acute stress wordt in de literatuur ook chronische stress onderscheiden. Hiervan is
    sprake wanneer na acute stress het lichaam onvoldoende rust krijgt om terug te keren naar de
    ‘normale’ situatie, en er dus een toestand is waarin voortdurend sprake is van verhoogde aan-
    wezigheid van stresshormonen.
2   Er is vrij veel onderzoek gedaan naar de effecten van stress op het langetermijngeheugen en
    herinnering (zie Schwabe et al. 2010), maar beduidend minder naar de effecten op werk-
    geheugen.
3   Vergelijkbare resultaten werden gevonden door Oei et al. (2006), Schoofs et al. (2008), Qin et
    al. (2009) en Olver et al. (2015). Zoals gezegd kan men ook kunstmatig het cortisolniveau ver-
    hogen. Een meta-analyse van achttien studies wijst uit dat toediening van cortisol inderdaad
    op korte termijn leidt tot minder goed functioneren van het werkgeheugen
    (Shields et al. 2015).
4   Enigszins in tegenspraak hiermee lijkt echter dat Shields et a.l (2015) in een meta-analyse van
    24 studies naar de effecten van toediening van hydrocortison op inhibitie, hierdoor juist op
    korte termijn de inhibitie werd verbeterd.
5   Nog meer resultaten: McCormick et al. (2007) vonden dat vrouwen met hogere cortisol-
    niveaus meer fouten maakten op de Wisconsin Card Sorting Test, die verondersteld wordt
    set-shifting en cognitive ﬂexibility te meten (één van de executieve functies) dan vrouwen
    met lagere cortisolniveaus, maar bij mannen lag het andersom. Scholz et al. (2009) vonden bij
    mannen dat eerst een tsst leidde tot verhoogd cortisolniveau en de hartslag daarna minder
    goed scoorden op een go-no go task. Maier et al. (2015) vonden dat proefpersonen bij wie met
    de secpt stress was opgewekt minder zelfcontrole hadden bij een hypothetische voedsel-
    keuze.
6   Men kan erover twisten of risicoaversie wel negatieve invloed heeft op goede zelfregulatie.
    Een gematigde risicoaversie zou wel eens kunnen bijdragen aan een goede zelfregulatie, maar
    een sterke risicoaversie is waarschijnlijk nadelig, omdat het kan bijdragen aan het uit de weg
    gaan van problemen die handelen vereisen.
7   In een ander experiment (Kandasamy et al. 2014) werd een week lang aan proefpersonen cor-
    tisol toegediend. Op de eerste, derde, vijfde en zevende dag van het experiment moesten zij
    tevens een computertaak doen waarbij zij een reeks keuzes moesten maken tussen verschil-
    lende ‘loterijen’ (dat wil zeggen, sets van kansen op een prijs). Het bleek dat zij, vergeleken
    met een controlegroep, weliswaar niet meteen op dag één al kozen voor minder risicovolle
    loterijen, maar later in die week wel.
8   Overigens gaat bovenstaande alleen over acute stress. Weer andere wetenschappelijke litera-
    tuur gaat over chronische en toxische stress. Met dat laatste wordt gedoeld op zodanige stress
    dat deze blijvende gevolgen heeft. Inmiddels is duidelijk dat langdurige stress tijdens de
    vroege kinderjaren kan leiden tot blijvende geestelijke en lichamelijke effecten, waaronder
    een permanente verhoogde stressgevoeligheid (zie bijvoorbeeld Schonkoff et al. 2012). Het is
</pre>

====================================================================== Einde pagina 105 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 106 ======================================================================

<pre>104 weten is nog geen doen
    dus een vorm van genen-omgevinginteractie die van invloed is op het mentaal kapitaal dat
    iemand meekrijgt voor het volwassen leven. Dit is een belangrijk onderwerp, maar vanwege
    de beperkte ruimte gaan we hier verder niet op in.
9   De Wisconsin Cart Sorting test respectievelijk the Tower of London test.
10  Ook de wrr schreef hierover, namelijk in Tiemeijer et al. (2009), Tiemeijer (2010) en
    wrr (2014a).
11  Zie http://soccco.uni-koeln.de/sites/sozialpsychologie1/Events/CologneMeetings/
    CSCM-2016/CSCM-2016_Baumeister_Inzlicht.pdf
12  Deze waren langs elektronische weg verkregen met hulp van zogenaamde rifd-signalen.
13  Op dezelfde lijn zitten Boksem en Tops. Als de kosten van “task performance come to exceed
    the motivation to obtain reward or avoid punishment, the present activities may be aban-
    doned” (2008: 134-135). Kurzban et al. (2013) zijn nog speciﬁeker. Zij stellen dat het in deze
    calculatie draait om opportunity costs. Mensen stoppen met een taak wanneer de gepercipi-
    eerde utiliteit van alternatieve bezigheden zozeer stijgt dat deze groter wordt dan de utiliteit
    van de betreffende taak.
14  De opportunity costs van beide, volgens Kurzban et al. (2013) het enige relevante criterium,
    zijn immers hetzelfde.
15  We besteden hier aandacht aan de effecten van armoede, omdat dit direct aansluit op de vraag
    welke rol niet-cognitieve vermogens spelen bij redzaamheid van burgers en meer speciﬁek de
    vraag wat je moet kunnen om je persoonlijke ﬁnanciën op orde te houden. Maar armoede is
    niet de enige mogelijke factor. Onderzoek laat zien dat executieve functies ook negatief beïn-
    vloed worden door verdriet, eenzaamheid en fysieke problemen (zie bijvoorbeeld Diamond
    2013 en Cacioppo en Hawkley 2009).
16  De zogenaamde Raven’s test en een spatial compatibility taak.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 106 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 107 ======================================================================

<pre>                                                                                        105
5   training en interventie
    Wie beschikt over de nodige mentale vermogens, doet het beter op school en op
    het werk, heeft een betere gezondheid en minder schulden, en kan beter omgaan
    met de verleidingen van de markt en de verantwoordelijkheden van de participa-
    tiesamenleving. We hebben echter ook gezien dat niet iedereen altijd en in gelijke
    mate beschikt over deze vermogens. Wat is er dan logischer dan te proberen om
    door middel van educatie of training deze vermogens te versterken?
    Dit hoofdstuk bespreekt in hoeverre training hier een oplossing kan bieden. Daar-
    bij spitsen we ons toe op drie vragen:
    – In hoeverre is het mogelijk om iemands zelfcontrole, executieve functies of
         zelfregulatie door middel van oefening of interventie te verbeteren?
    – In hoeverre is het mogelijk om bepaalde domeinspeciﬁeke vaardigheden te
         leren, zoals verstandig omgaan met geld?
    – In hoeverre is het normatief toegestaan dat de overheid dergelijke training aan-
         biedt of zelfs oplegt?
5.1 betere zelfcontrole
    Ook in deze paragraaf richten we ons op één niet-cognitief kenmerk, namelijk het
    vermogen tot zelfcontrole. Waarom richten we ons niet op temperamenten en
    overtuigingen? Ten eerste hangt zelfcontrole sterk samen met gewenste maat-
    schappelijke uitkomsten. Ten tweede is zelfcontrole in theorie ook het meest efﬁ-
    ciënte aangrijpingspunt voor interventie en training. Pogingen om iemands tem-
    perament te veranderen hebben waarschijnlijk weinig effect, want na het derde
    levensjaar heeft iemands temperament zich wel zo’n beetje uitgekristalliseerd
    (Rothbart 2011). Hooguit kun je mensen leren beter met hun temperament om te
    gaan, en dat vereist per deﬁnitie zelfcontrole.
          Pogingen om iemands overtuigingen te veranderen, kunnen mogelijk wél
    effect hebben. Hier is echter het probleem dat er weinig ‘overdracht’ is, dat wil zeg-
    gen, het effect beperkt zich waarschijnlijk tot alleen het onderwerp waarover die
    training gaat. Als iemand er bijvoorbeeld van overtuigd is dat hij slecht met geld
    kan omgaan, kan een cursus ‘omgaan met geld’ hem wellicht brengen tot optimis-
    tischer gedachten. Maar waarschijnlijk beperken die positievere gedachten zich tot
    het ﬁnanciële domein. Toegenomen geloof in eigen ﬁnancieel kunnen zal niet of
    nauwelijks verschil maken voor overtuigingen op het gebied van gezondheid.1 En
    opnieuw geldt dat bij trainingen op dit gebied de route van zelfregulatie gevolgd
    moet worden.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 107 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 108 ======================================================================

<pre>106   weten is nog geen doen
      Kortom, er valt veel te zeggen voor een focus op verbetering van zelfcontrole. Als
      het lukt hier winst te boeken, is dat gunstig voor een groot aantal problemen en
      levensopgaven – ook die waarvan nu nog niet valt te voorzien of men ermee zal
      worden geconfronteerd.
      Hieronder gaan we in op twee onderzoekslijnen, namelijk onderzoek naar:
      – training van zelfcontrole. Baumeister c.s. gebruiken de metafoor van een spier.
          De vraag is in hoeverre het mogelijk is om door middel van interventie en
          oefening de ‘zelfcontrolespier’ sterker te maken.
      – het aanleren van mentale technieken die bijdragen aan goede doelen. Wie niet
          sterk is, moet slim zijn. Als het mogelijk blijkt om iemand ‘tips and tricks’ te
          leren dat hij, ondanks een zwakke ‘zelfcontrolespier’, er toch beter in slaagt zijn
          doelen te bereiken, is zijn zelfcontrole ook toegenomen. Interventies zouden
          zich dan daarop kunnen richten.
5.1.1 trainen van zelfcontrole
      De laatste jaren zijn enkele tientallen onderzoeken verschenen over de vraag in
      hoeverre men zelfcontrole kan trainen. Dit onderzoek heeft vaak de volgende
      opzet. Eerst wordt een 0-meting gedaan in de vorm van een zelfcontroletaak,
      daarna volgt een periode van enkele weken waarin de proefpersonen een bepaalde
      vaardigheid oefenen die zelfcontrole vereist, en tot slot wordt een 1-meting gedaan,
      waarin opnieuw wordt gekeken hoe men presteert op de eerste zelfcontroletaak.
           Eén van de betere onderzoeken op dit gebied is dat van Muraven (2010) onder
      mensen die wilden stoppen van roken. Voordat de proefpersonen daadwerkelijk
      zouden gaan stoppen, deden zij twee weken lang dagelijks oefeningen waarvan
      hen was verteld dat deze leiden tot meer zelfcontrole. Bij de twee experimentele
      groepen waren dat oefeningen waarin men daadwerkelijk de impulsen moet
      beheersen, namelijk twee weken lang geen zoetigheid eten respectievelijk twee
      weken lang tweemaal daags zo lang mogelijk een handgreep ingedrukt houden.
      Bij de twee controlegroepen waren dat oefeningen die géén beroep deden op de
      impulsbeheersing, namelijk twee weken lang een dagboek bijhouden over hoe ze
      omgingen met de verleidingen van het moment respectievelijk tweemaal daags
      sommen maken. Nadat de trainingsperiode voorbij was, begon de daadwerkelijke
      stoppoging. Gedurende vier weken werd bijgehouden hoe het de proefpersonen
      verging. Het bleek dat de leden van experimentele groepen hun stoppoging signiﬁ-
      cant langer volhielden dan de leden van de controlegroepen. Aan het eind van de
      vier weken waren ook signiﬁcant minder van hen opnieuw begonnen met roken.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 108 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 109 ======================================================================

<pre>                                                       training en interventie       107
Het onderzoek naar trainingen van zelfcontrole laat echter niet altijd effect zien.
De resultaten zijn erg wisselend. Op het moment van schrijven zijn er twee
bescheiden meta-analyses gepubliceerd naar de resultaten van dit soort trainingen,
terwijl twee andere in voorbereiding zijn. De resultaten zijn als volgt:
– De eerste analyse is onderdeel van een grote meta-analyse van Hagger et al.
    (2010) naar egodepletie. Met betrekking tot de effecten van training, analyseer-
    den zij zeven studies, en vonden zij een groot effect, namelijk d = 1,07.
– De tweede meta-analyse is van Inzlicht en Berkman (2015). Zij analyseerden in
    totaal dertien studies, waaronder die van Hagger et al., maar pasten hierop een
    correctie toe voor publicatie-bias. Zij kwamen vervolgens uit op een effect van
    d = 0,60. Dit is nog altijd een behoorlijk resultaat. Nadere inspectie leert echter
    dat dit grote resultaat vooral werd veroorzaakt door drie studies van Oaten en
    Cheng die extreme effecten laten zien en waarover Inzlicht en Berkman grote
    twijfels hebben. Als deze studies uit de analyse worden weggelaten, zakt het
    gevonden verband naar een aanmerkelijk bescheidener d = 0,17, en is het ver-
    schil met een nuleffect ook niet langer signiﬁcant.
– De derde meta-analyse is van Beames et al. (in press) en omvat 30 gepubli-
    ceerde en ongepubliceerde studies (exclusief die van Oaten en Cheng). Zij von-
    den een effect van g = 0,36.2 Als rekening wordt gehouden met mogelijke
    publicatie-bias komen ze iets lager uit, maar er blijft nog steeds sprake van een
    signiﬁcant effect.
– De vierde meta-analyse is van Friese et al. (in preparation). Zij analyseerden in
    totaal 34 – deels weer andere – studies (opnieuw exclusief die van Oaten en
    Cheng) en komen tot een gemiddeld effect van g = 0,28. Ook zij komen iets
    lager uit wanneer wordt gecorrigeerd voor mogelijke publicatie-bias.
Al met al lijkt er dus sprake van een bescheiden trainingseffect. Voorzichtigheid
met deze conclusie is echter geboden. Er zijn maar weinig studies waarin werd
gemeten of de resultaten ook langer beklijven. De resultaten daarvan doen ver-
moeden dat de deelnemers toch geleidelijk terugzakken naar hun oude niveau van
zelfcontrole. In een behoorlijk aantal studies werd zelfs in het geheel geen effect
gevonden. Bovendien is volgens meerdere van bovengenoemde onderzoekers
vooralsnog onduidelijk wat precies het psychologisch mechanisme is dat verant-
woordelijk is voor de verbeterde resultaten. Het is zelfs niet uitgesloten dat er lou-
ter sprake is van een placebo-effect.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 109 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 110 ======================================================================

<pre>108        weten is nog geen doen
Box 5.1          Trainingen bij kinderen
   Er zijn twee andere onderzoekslijnen die raken aan het onderwerp van dit hoofdstuk, maar daar-
   van verschillen doordat ze vooral op kinderen zijn gericht.
   Training van executieve functies
   De eerste lijn is sterk geworteld in de onderwijspsychologie en heeft betrekking op training van
   executieve functies. Er is veel onderzoek gedaan naar de effecten van het trainen van executieve
   functies, vaak bij (jonge) kinderen. Daaruit blijkt dat bepaalde executieve functies inderdaad
   trainbaar zijn. In een review van dat onderzoek concluderen Diamond en Lee (2011: 959) dat:
                 “[d]iverse activities have been shown to improve children’s executive functions:
                 computerized training, noncomputerized games, aerobics, martial arts, yoga,
                 mindfulness, and school curricula. All successful programs involve repeated prac-
                 tice and progressively increase the challenge to executive functions. Children with
                 worse executive functions beneﬁt most from these activities; thus, early executive-
                 function training may avert widening achievement gaps later.”
   Toch moeten hierbij de nodige kanttekeningen worden geplaatst. Om deze resultaten te realise-
   ren, is namelijk veel oefening vereist (“Repeated practice is the key” aldus Diamond 2013).
   Bovendien is de overdracht van de leereffecten beperkt. Kinderen worden dus wel beter in de
   geoefende taak, en ook op taken die daar sterk op lijken, maar er is geen effect op heel andere
   taken die eveneens een beroep doen op de onderliggende executieve functie. Ook meta-analyses
   van onderzoek naar training van werkgeheugen geven weinig reden tot optimisme (Melby-
   Lervåg en Hulme 2013, Shipstead et al. 2012).
   Voor- en Vroegschoolse Educatie (vve)
   Een andere onderzoekslijn gaat over Voor- en Vroegschoolse Educatie-interventies. In deze lite-
   ratuur gaat het niet expliciet en uitsluitend over zelfcontrole, executieve functies of zelfregulatie
   maar meer algemeen over het (veronderstelde) belang van niet-cognitieve kenmerken en vermo-
   gens voor levensuitkomsten, en over de vraag in hoeverre die kenmerken en vermogens door
   middel van vve-programma’s kunnen worden aangepakt. Een centrale ﬁguur hierbij is de eco-
   noom Heckman. Zijn boodschap mag zich verheugen in groeiende belangstelling van economen
   en beleidsmakers, getuige een oecd-rapport uit 2014 (Kautz et al. 2014). Die boodschap luidt dat
   investeringen in vve die mede inzetten op de ontwikkeling van niet-cognitive skills, zich ruim-
   schoots terugverdienen door betere uitkomsten voor individu en maatschappij.
         Het paradepaardje in deze literatuur is het al lang lopende Perry Preschool programme. Dat
   programma is gericht op 3- en 4-jarige zwarte kinderen met een iq onder de 85 en afkomstig uit
   gezinnen met lage sociaal-economische status (ses). In dit tweejarige programma worden de
   kinderen onder meer getraind in zelfregulatieve vaardigheden zoals planning en zelfcontrole, en
   in sociale vaardigheden. Iedere schooldag wordt 2,5 uur besteed aan het programma. Ook wer-
   den de moeders van de kinderen elke week anderhalf uur bezocht, met als doel hen te betrekken
   bij de ontwikkeling van hun kind. Inmiddels is in diverse evaluatie-onderzoeken gekeken hoe
   het de Perry-kinderen nadien verging, tot aan hun 40e levensjaar toe. Daaruit blijkt dat het pro-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 110 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 111 ======================================================================

<pre>                                                                      training en interventie         109
   gramma niet tot een langdurige verbetering in iq leidt, maar wel tot diverse andere wenselijke
   maatschappelijke uitkomsten, met name minder criminaliteit (Heckman et al. 2010). Heckman,
   Pinto en Savelyev (2013) laten zien dat deze maatschappelijke uitkomsten zich laten voorspellen
   op basis van het effect dat het programma had op externalizing behavior van deze kinderen
   gedurende de leeftijd van 7 tot 9 jaar.3 Anders gezegd, bij kinderen die als gevolg van dit pro-
   gramma op 7- tot 9-jarige leeftijd minder verstorend gedrag vertoonden, waren de maatschappe-
   lijke uitkomsten op volwassen leeftijd ook beter. “Persistent changes in personality skills play a
   substantial role in producing the success of the Perry program,” concluderen Heckman et al.
   (2010: 28). “[A] few hours per day of preschool at ages three and four with a curriculum that pro-
   motes social competency, planning, and organization can signiﬁcantly and beneﬁcially affect life
   outcomes” (2010:29).
         In het genoemde oecd-rapport wordt ook ingegaan op andere programma’s. Het blijkt dat
   programma’s die zich op jonge kinderen richten de meeste kans van slagen hebben. Helaas zijn
   de resultaten van programma’s gericht op adolescenten minder goed, en hierbij zijn ook minder
   nametingen op lange termijn gedaan. “The two programmes with the longest follow-ups
   improve outcomes in the short run, but the beneﬁts fade after a few years. These programmes
   alter participants’ environments and incentives during the intervention, which could inﬂuence
   their behaviour in the short term without having a lasting effect” (Kautz et al. 2014: 34).
5.1.2      omzeilen van zelfcontrole door mentale technieken
           Het lijkt dus niet eenvoudig om zelfcontrole door training te verbeteren. Maar mis-
           schien is er een alternatief. Men kan ook proberen mensen zodanige gewoonten
           aan te leren dat zij voor het bereiken van hun doelen niet steeds een beroep hoeven
           te doen op hun zelfcontrole. Wie zichzelf de gewoonte aanleert bij de lunch in het
           bedrijfsrestaurant altijd te kiezen voor fruit in plaats zoetigheid, of na een bezoek
           aan de winkel elke uitgave meteen in een kasboek te noteren, doet dat op een zeker
           moment automatisch en hoeft zich daarvoor niet langer mentaal in te spannen.
           Sterker, de laatste jaren wint het inzicht terrein dat mensen die goed lijken te zijn
           in zelfcontrole, niet per se een sterkere ‘wilskrachtspier’ hebben dan anderen, maar
           vooral beter in staat zijn zichzelf gewoonten aan te leren die hun doelen dichterbij
           brengen (De Ridder et al. 2012; Galla en Duckworth 2015; Gillebaart en
           Ridder 2015). Ze hoeven daardoor minder een beroep te doen op die spier, die daar-
           door minder snel moe wordt en voor andere zaken kan worden ingezet.4 Ergo: trai-
           ningen gericht op betere zelfcontrole zouden ook kunnen aangrijpen op het veran-
           deren van gewoontes.
                Naar dit soort trainingen is inmiddels het nodige onderzoek naar gedaan. Een
           eerste techniek die kan helpen om gedrag te veranderen is ‘mentaal constrasteren’.
           Dat houdt in dat iemand zich eerst een voorstelling probeert te maken van de toe-
           komstige situatie of het doel dat hij wenst te bereiken, en daarna van obstakels in
           het heden die hem daartoe belemmeren, en die hij dus moet zien te overwinnen.
           Deze gedachteoefening vergroot de motivatie en energie voor gedragsverandering,
</pre>

====================================================================== Einde pagina 111 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 112 ======================================================================

<pre>110 weten is nog geen doen
    verbindt de gewenste toekomst met omstandigheden in de actuele realiteit, en
    benadrukt de noodzaak tot actie. Onderzoek laat zien dat mentaal contrasteren
    daadwerkelijk bevordert dat mensen hun gedrag veranderen in de gewenste rich-
    ting (Oettingen 2000; Oettingen et al. 2015).
         Een tweede techniek die kan helpen gedrag te veranderen is de vorming van
    zogenaamde ‘implementatie-intenties’ (Gollwitzer 1999). Dat houdt in dat
    iemand voor zichzelf kleine actieplannen formuleert met de vorm “als ik situatie x
    tegenkom, dan doe ik y”. Wie gezonder wil leven, kan bijvoorbeeld met zichzelf
    afspreken dat “als het op een werkdag niet regent, dan ga ik met de ﬁets naar kan-
    toor” of “als ik morgen op de receptie ben, dan neem ik na elke alcoholische con-
    sumptie een glas water”. Door zichzelf bewust dergelijke regels in te prenten,
    brengt iemand een mentale connectie aan tussen een speciﬁeke situatie en een spe-
    ciﬁeke reactie. Als de situatie zich dan daadwerkelijk voordoet, zal hij niet meer
    actief hoeven nadenken over wat te doen, maar min of meer automatisch kiezen
    voor die voorgenomen reactie. Hij creëert als het ware ‘instant gewoontes’. Inmid-
    dels zijn er vele studies verricht waaruit blijkt dat als iemand een doel echt belang-
    rijk vindt, het formuleren van concrete implementatie-intenties daadwerkelijk bij-
    draagt aan gedragsverandering gericht op bereiken van dat doel (Gollwitzer en
    Sheeran 2006).
    De combinatie
    Mentaal contrasteren en het vormen van implementatie-intenties zijn in zekere in
    complementaire technieken. “Mental contrasting can create strong goal commit-
    ment, whereas implementation intentions facilitate the implementation of strong
    goals commitments”, zo vatten Stadler et al. samen (2010: 275). De combinatie van
    beide heeft dan ook meer effect op het gedrag dan elk afzonderlijk (Adriaanse et al.
    2010; Duckworth et al. 2011). In het onderzoek van Stadler et al. (2010) gaf een
    interventie gericht op eten van meer groente en fruit, waarin beide technieken
    waren gecombineerd, zelfs na twee jaar nog zichtbaar effect.
         Voor dit rapport is vooral van belang dat deze gunstige effecten zich niet
    noodzakelijkerwijs beperken tot het speciﬁeke doel dat onderwerp was van de
    gedachteoefening. Daarmee zouden we een domeinoverstijgende, algemeen inzet-
    bare techniek hebben die mensen kan helpen om hun doelen effectiever te berei-
    ken, ondanks de grenzen aan hun zelfcontrole en wilskracht. Oettingen et al.
    (2015) beschrijven enkele experimenten waarin deelnemers eerst werden getraind
    in het gebruiken van beide technieken voor doelen op een handvol levensterrei-
    nen, zoals betere academische prestaties en betere relaties met andere mensen.
    Vervolgens maten zij in hoeverre de proefpersonen ook beter presteerden op een
    gebied dat niet aan de orde was gekomen in de training, namelijk timemanage-
    ment. Zij vonden inderdaad een signiﬁcant effect. Kennelijk hadden de deelnemers
    uit eigen beweging hun nieuw verworven technieken voor gedragsverandering
    breder toegepast. Het onderzoek overziend, concluderen Oettingen et al. dat
</pre>

====================================================================== Einde pagina 112 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 113 ======================================================================

<pre>                                                            training en interventie        111
      mentaal contrasteren, al dan niet in combinatie met vormen van implementatie-
      intenties, “can be effectively taught as metacognitive strategy that people can use
      on their own to succesfully change their behavior” (Oettingen et al. 2015: 564).
           Voordat de vlag uitgaat, moeten we echter twee kanttekeningen plaatsen. Ten
      eerste is er nog weinig onderzoek gedaan naar de mate waarin dergelijke trainingen
      echt domeinoverstijgende effecten hebben. Doorgaans heeft onderzoek naar men-
      taal contrasteren en implementatie-intenties betrekking op speciﬁeke domeinen,
      zoals een gezondere leefstijl of betere schoolprestaties. Het bovengenoemde
      onderzoek van Oettingen et al. (2015) is wat dat betreft een uitzondering. Ten
      tweede vereist een gedragsverandering met hulp van mentaal contrasteren of
      implementatie-intenties per deﬁnitie bewuste mentale inspanning. Nieuwe
      gewoonten komen nu eenmaal niet vanzelf. Die ontstaan pas wanneer het nieuwe
      gedrag zo vaak wordt herhaald dat het wordt geautomatiseerd, en het kan weken of
      zelfs maanden duren voordat dat daadwerkelijk het geval is (Lally et al. 2010; Kaus-
      hal en Rhodes 2015). Tot die tijd vereist het inhiberen van ongewenste gewoonten
      en het activeren van gewenste gedragsopties dus wel degelijk wilskracht.5 Dit
      betekent dat ceterus paribus mensen die van huis uit een groter vermogen tot zelf-
      controle hebben, er eerder in zullen slagen een ingezette gedragsverandering uit te
      bouwen tot een nieuwe gewoonte dan mensen die wat dat betreft minder hebben
      meegekregen.
5.1.3 geen overspannen verwachtingen
      Wat leert het bovenstaande ons over de opdracht iedereen te brengen tot een
      acceptabel niveau van redzaamheid? Dat we geen overspannen verwachtingen
      moeten hebben over de mogelijkheid om in een handomdraai het vermogen tot
      zelfcontrole te versterken. Het onderzoek naar training van zelfcontrole geeft
      slechts bescheiden resultaten te zien, en het is maar de vraag of die resultaten lang
      blijven hangen.
           Een mogelijk alternatief is het inzetten van cognitieve strategieën (i.c. imple-
      mentatie intenties en mentaal contrasteren) om de beperkingen in zelfcontrole als
      het ware te omzeilen. Deze technieken blijken wel degelijk effectief. Het onder-
      zoek op dit gebied tot nu toe heeft echter voornamelijk betrekking op speciﬁeke
      gedragingen en domeinen, bijvoorbeeld een gezonde leefstijl. Er is nog nauwelijks
      onderzoek gedaan naar de vraag of het helpt om deze technieken als domeinover-
      stijgende ‘meta-cognitieve strategie’ aan te bieden, waarmee doelen op een reeks
      van levensdomeinen beter bereikt kunnen worden. Het is zeker de moeite waard
      hier meer onderzoek naar te doen.
           Maar ook hier moet men waken voor overspannen verwachtingen. Beide cog-
      nitieve technieken vereisen namelijk per deﬁnitie mentale inspanning. De essentie
      van beide technieken is dat iemand een monologue intérieur opvoert. Hij activeert
      zijn ‘innerlijke hulpverlener’ om zijn ‘automatische ik’ tot ander gedrag te bewe-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 113 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 114 ======================================================================

<pre>112   weten is nog geen doen
      gen, en zolang het nieuwe gedrag nog niet is geautomatiseerd, zal hij zichzelf
      steeds opnieuw zichzelf moeten disciplineren. Dat doet toch weer een beroep op
      zijn vermogen tot zelfcontrole.
5.2   het trainen van domeinspecifieke vaardigheden
      Hoe zit het met het trainen van de speciﬁeke vaardigheden die op de verschillende
      domeinen nodig zijn? Voorbeelden van dat soort interventies zijn cursussen voor
      beter omgaan met een bescheiden inkomen, cursussen voor gezonder leven, of
      trainingen voor effectief solliciteren. Inmiddels is er het nodige evaluatieonder-
      zoek beschikbaar.
           Een belangrijk verschil met de trainingen uit de vorige paragraaf, is dat ze zich
      speciﬁek richten op wat je moet kunnen op het domein in kwestie. Voor wie goed
      met geld wil omgaan, is het bijvoorbeeld essentieel om een maandbegroting te
      kunnen maken. Aan die vaardigheid heb je echter weinig op andere levensdomei-
      nen. Het is weliswaar niet uitgesloten dat men al doende ook beter wordt in alge-
      mene vermogens die ook elders van pas komen, zoals planmatig te werk gaan,
      maar dat is niet het uitgangspunt. Vanuit het perspectief van algemene redzaam-
      heid is echter ook die potentiële ‘bijvangst’ interessant.
           Hieronder behandelen we kort wat er bekend is over de resultaten van inter-
      venties en trainingen op diverse deelterreinen en presenteren we enkele voorbeel-
      den van potentieel kansrijke initiatieven.
5.2.1 trainen van gezondheidsvaardigheden
      Welke mogelijkheden zijn er om de gezondheidsvaardigheden van mensen te ver-
      sterken? Het onderzoek hiernaar is in opkomst. In de Verenigde Staten zijn ver-
      schillende metastudies uitgevoerd waarin kennis over interventies en evaluaties
      van interventies zijn samengebracht. Voor Europa is in 2015 een systematische
      analyse gemaakt van bestaande kennis over interventies gericht op gezondheids-
      vaardigheden in eu-lidstaten (Heijmans et al. 2015).
           Op basis van deze studies kunnen we geen harde conclusies trekken over de
      effectiviteit van beleidsprogramma’s gericht op het vergroten van gezondheids-
      vaardigheden.6 Het aantal interventies en evaluatiestudies is te beperkt, zeker bin-
      nen Europa. Bovendien verschilt de kwaliteit en afbakening van de studies. Hoe-
      wel de metastudies een brede deﬁnitie van gezondheidsvaardigheden gebruiken, is
      het merendeel van de interventies alleen gericht op cognitieve vaardigheden, op
      het verwerken van informatie door patiënten en problemen met lezen, schrijven
      en rekenen. Er zijn nog relatief weinig interventies gericht op motivatie, zelf-
      controle of self-efﬁcacy. De metastudies laten in het algemeen weinig bewijs zien
      voor effectiviteit van interventies.7 Maar ze geven volgens de auteurs wel voorzich-
      tige aanleiding om de beschikbare kennis over gezondheidsvaardigheden verder
</pre>

====================================================================== Einde pagina 114 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 115 ======================================================================

<pre>                                                       training en interventie       113
uit te breiden en nieuwe interventies op te zetten en te evalueren. Zo concludeert
de Europese studie dat de meest veelbelovende interventies zich niet richten op
kennis alleen, maar ook op andere vaardigheden (Heijmans et al. 2015).
Leefstijlverandering
Een andere onderzoekslijn richt zich op de preventie van ongezond gedrag. De
kennis over effectieve interventies is weliswaar gegroeid, maar vrijwel iedereen
concludeert dat het effect van veel kortdurende gedragsinterventies gericht op de
algemene bevolking nog niet goed onderzocht is (o.a. Texeira et al. 2015; Van den
Berg et al. 2010; Ministerie van Financiën 2016). Nog minder is bekend over de
duurzaamheid van effecten. Het beschikbare onderzoek biedt bovendien geen een-
duidig beeld van de effectiviteit. Sommige auteurs melden, al dan niet voorzichtig,
positieve resultaten (Texeira et al. 2015; Van den Berg et al. 2010; Ackermann et al.
2008; ) anderen juist tegenvallende (Van Sluijs et al. 2004; Lakerveld et al. 2013).
Wat weten we wel? Allereerst dat het verstrekken van informatie niet voldoende is
voor het bewerkstelligen van leefstijlverandering. Dit is de afgelopen jaren in vele
onderzoeken vastgesteld. Campagnes in de massamedia gericht op een gezondere
leefstijl hebben meestal wel enig effect op kennis en houding, maar niet op gedrag
(Van den Berg et al. 2010; Ministerie van Financiën 2016a). Daarbij lijkt een inte-
grale en langdurige aanpak het meest effectief in het reduceren van de prevalentie
van risicofactoren (ibid.). In die aanpak wordt niet alleen de persoon in kwestie
zelf, maar ook zijn sociale en fysieke omgeving betrokken. Het gaat dan om inter-
venties die de omgeving waarbinnen het individu een keuze maakt beïnvloeden,
zoals het aanscherpen van het rookverbod, een vettaks of het stimuleren van licha-
melijke beweging door een ﬁets-woon-werk-verkeerregeling.
      Prijsmaatregelen en wetgeving zijn het meest effectief gebleken voor het beïn-
vloeden van gedrag (Van den Berg et al. 2010, Ministerie van Financiën 2016a). Het
vergroten van mentale vermogens is dus niet de enige route naar een gezonde leef-
stijl. Door de omgeving aan te passen is het voor een individu makkelijker om een
gezonde leefstijl vol te houden. Er wordt dan minder gevergd van zijn mentale ver-
mogens. In het volgende hoofdstuk komen we daar op terug.
Eigen regie bij ziekte
We zien ook een toename van onderzoek naar trainingen die de patiënt beter in
staat moeten stellen om te gaan met zijn ziekte en eigen regie te voeren. Ze zijn
veelal gekoppeld aan een speciﬁek ziektebeeld, en omvatten een combinatie van
het overdragen van kennis over de ziekte en aandacht voor de omgang van de
patiënt met die ziekte. Het Utrecht Medisch Centrum biedt in samenwerking met
het Reumafonds trainingen voor jongeren en volwassenen met reuma (zie box 5.2).
De applicaties en trainingen zijn ontwikkeld in samenspraak, zodat ze aansluiten
bij de behoeften en voorkeuren van de patiënten. Het project is onderwerp van
wetenschappelijk onderzoek. De eerste publicaties laten positieve resultaten zien
</pre>

====================================================================== Einde pagina 115 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 116 ======================================================================

<pre>114         weten is nog geen doen
            voor de toegankelijkheid en tevredenheid van de gebruikers, maar er zijn nog geen
            data over de effecten van de training op de lange termijn (Ammerlaan et al. 2013,
            2014 en 2016).
Box 5.2            Reuma Uitgedaagd
    Reuma Uitgedaagd is een zelfmanagementtraining voor mensen met reuma, ontwikkeld door
    het umcu en het Reumafonds omdat de bestaande informatievoorziening onvoldoende aan-
    sloot op de behoefte van patiënten.8 De trainingen worden zowel online aangeboden als in de
    vorm van bijeenkomsten. De online variant van de training maakt gebruik van chat sessions, dis-
    cussion boards en individuele oefeningen en maakt het mogelijk om de interventies te baseren
    op individuele behoeften en voorkeuren. De trainers hebben zelf reuma en zijn voor deze trai-
    ning opgeleid. “Zij weten dus als geen ander wat het betekent om reuma een plaats in het dage-
    lijks leven te geven”.9
          De training is deels gericht op het aanleren van kennis over de ziekte, maar besteedt daar-
    naast aandacht aan niet-cognitieve aspecten als communiceren met de omgeving en zorgverle-
    ners, grenzen aangeven, emoties en pijn managen, en keuzes maken die consequenties hebben
    voor de latere gezondheid, zoals wel of niet sporten of uitgaan. Centraal staat niet de overdracht
    van feitelijke kennis, maar het trainen van het vermogen om zelf regie te voeren. Zo worden jon-
    geren geholpen om vaardigheden te ontwikkelen die aansluiten op de vragen die hun bezig-
    houden, zoals: ‘Ik vind het moeilijk om mijn omgeving uit te leggen wat ik wel of niet kan.
    Hoe pak ik dit aan?’
5.2.2       training gericht op gezond financieel gedrag
            Voor mensen die niet goed met geld kunnen omgaan bieden gemeenten, vrijwilli-
            gersorganisaties en andere organisaties allerlei cursussen aan. Sommige richten
            zich op preventie, andere op het vergroten van vaardigheden van mensen die al in
            de ﬁnanciële problemen zitten of dreigen te komen. Afhankelijk van ambitie en
            doelgroep van de interventies worden verschillende instrumenten ingezet. De
            belangrijkste zijn budgetcoaching, budgetcursus, voorlichting en onderwijsmodu-
            les. Maar hoe effectief is ﬁnanciële training?
                 In opdracht van de wrr hebben Jungmann en Madern (2016) een literatuur-
            studie gedaan naar wat hierover bekend is. Kort samengevat is hun antwoord dat
            we het eigenlijk niet weten. In Nederland is niet veel onderzoek gedaan naar de
            effecten van dit soort cursussen of andere vormen van ﬁnanciële educatie, en het
            schaarse onderzoek dat er is kent geen controlegroep. In het buitenland is meer
            onderzoek gedaan, vooral in de Verenigde Staten, waar sinds de crisis van 2008 de
            aandacht voor ﬁnanciële zelfredzaamheid sterk is toegenomen. Enkele jaren gele-
            den zijn er twee meta-analyses verschenen. De eerste is van Fernandes et al. (2014)
            en omvatte in totaal 201 studies, waarvan er 90 betrekking hadden op educatieve
            interventies om het ﬁnanciële gedrag van mensen te veranderen. De resultaten val-
            len zwaar tegen. In totaal verklaarden deze interventies slechts 0,1 procent van de
</pre>

====================================================================== Einde pagina 116 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 117 ======================================================================

<pre>                                                             training en interventie     115
      variantie in het ﬁnanciële gedrag. De tweede meta-analyse is van Miller et al. (2014)
      en omvat 188 studies, deels dezelfde als die van Fernandes et al. Zij maken iets
      meer onderscheid naar verschillende typen effecten, en komen op grond daarvan
      tot een iets minder sombere conclusie. Op sommige gebieden (sparen, bijhouden
      van ﬁnanciën) kunnen educatieve interventies enig positief effect hebben, maar op
      andere (credit default) niet.
            Dit zijn geen resultaten om over naar huis te schrijven. Moet de conclusie dus
      luiden dat ﬁnanciële cursussen of trainingen zinloos zijn? Nee, dat is voorbarig.
      Jungman en Madern (2016) geven daarvoor twee redenen. Ten eerste zijn deze
      interventies gericht op kennisoverdracht. Ze gaan uit van de veronderstelling dat
      als mensen beter zijn geïnformeerd, zij ook betere besluiten zullen nemen. Het
      gaat bij ﬁnancieel gedrag echter niet alleen om cognitieve factoren. Financieel
      gedrag hangt ook samen met de niet-cognitieve factoren die in dit rapport centraal
      staan en daar werd in de onderzochte interventies niets aan gedaan. Zo bezien is
      het gebrek aan resultaat dus niet zo verbazingwekkend. Ten tweede wordt door de
      sterke aggregatie die eigen is aan meta-analyse enigszins aan het zicht onttrokken
      dat bij bepaalde typen interventies wel degelijk effect werd gemeten. Jungmann en
      Madern pleiten ervoor om bij die succesvolle studies nader te onderzoeken wat
      hier precies de werkzame mechanismen zijn geweest, en die verder te ontwikke-
      len.
            Het inzicht dat een toename van ﬁnanciële geletterdheid er niet automatisch
      toe leidt dat mensen zich ﬁnancieel beter gaan gedragen, heeft zijn weerslag op de
      opzet van sommige interventies in Nederland. Jungmann en Madern (2016) con-
      stateren dat waar in budgetcursussen lange tijd de nadruk lag op de overdracht van
      technische kennis, de afgelopen jaren steeds meer aandacht komt voor het gedrags-
      aspect van schulden. In cursussen wordt aandacht besteed aan vragen als: ‘Hoe ga
      ik om met verleidingen?’ of ‘Wat maakt dat ik mijn eigen goede voornemens toch
      telkens weer breek?’. Deelnemers van een training van de voedselbank in Amster-
      dam en de Nibud budgetcursus melden effecten als een toename van bereidheid
      om post te openen, groei van vertrouwen in eigen kunnen, weten wat te doen als
      ze iets niet weten en een bewustere omgang met geld (Jungmann en Madern 2016).
      Het ontbreekt echter vooralsnog aan gedegen onderzoek naar de effecten.
5.2.3 training van arbeidsmarktvaardigheden
      Binnen het domein van de arbeidsmarkt wordt zowel door de werknemer, de
      werkgever als de overheid ingezet op training. Daarbij wordt steeds meer aandacht
      besteed aan de niet-cognitieve vaardigheden. Toch is het onderzoek naar de
      mogelijkheden om arbeidsmarktvaardigheden te trainen nog beperkt. Bovendien
      ligt in het beschikbare onderzoek de focus op de effectiviteit van re-
      integratiebeleid, en veel minder op inzetbaarheid.
            Daarbij is de kennis die dat onderzoek oplevert bescheiden, vanwege een aan-
      tal methodologische beperkingen. Zo vindt veel onderzoek op de korte termijn
      plaats, waardoor niet duidelijk is in hoeverre de training ook langetermijneffecten
</pre>

====================================================================== Einde pagina 117 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 118 ======================================================================

<pre>116        weten is nog geen doen
           heeft. Ook gebruiken veel studies slechts een kleine sample, van bijvoorbeeld der-
           tig mensen per groep. Hierdoor kan de groep te klein zijn om signiﬁcante resulta-
           ten te vinden.10 Daarnaast worden arbeidsmarktvaardigheden gezien als middel en
           niet als doel, waardoor bij interventies niet altijd wordt gemeten in hoeverre de
           vaardigheden zijn vergroot, maar alleen naar de baankans van het individu wordt
           gekeken. Met deze beperkingen in het achterhoofd, bespreken we hier onderzoek
           over het trainen van inzetbaarheid en andere arbeidsmarktvaardigheden.
           Vanuit werkloosheid naar werk
           Het meeste onderzoek naar de effectiviteit van training richt zich op de hulp aan de
           mensen die werkloos zijn. Door middel van ‘actief arbeidsmarktbeleid’ worden
           werklozen met behulp van verschillende regelingen gemotiveerd en geholpen om
           werk te vinden.11 Hier richten we ons alleen op de interventies die ook niet-
           cognitieve vermogens proberen te verbeteren, zoals de begeleiding door klant-
           managers en de bijbehorende sollicitatietraining.12
Box 5.3           jobs-training
    Een voorbeeld van zo’n interventie is de Job Opportunity and Basic Skills-training (jobs). Deze
    richt zich zowel op het verbeteren van de zoekvaardigheden en het zelfvertrouwen van de deel-
    nemers, als op het voorbereiden op de afwijzing en tegenslag die ze tegen kunnen komen. In
    enkele dagdelen brengen de werklozen, met steeds moelijker wordende opdrachten, hun eigen
    competenties in kaart en gebruiken ze die om aansluiting te zoeken op de arbeidsmarkt. In ver-
    gelijking met de controlegroep vinden deelnemers vaker een baan, hebben ze minder last van
    depressie of psychologische klachten en participeren ze twee jaar later nog steeds meer op de
    arbeidsmarkt (Vinukor et al. 2000; Vuori et al. 2002).
           De jobs-training combineert de training van praktische vaardigheden met aspec-
           ten die gericht zijn op motivatie. Uit een meta-analyse van 47 (quasi-)experimen-
           tele studies blijkt dat trainingen die deze beide onderdelen combineren het meest
           effectief zijn.13 Als de training naast de praktische aspecten van het zoeken naar een
           baan ook aandacht besteedt aan motivatie en mentale vaardigheden, zoals pro-acti-
           viteit, wordt de baankans van de deelnemers tot wel 2,7 keer zo groot.
                Op basis van de jobs-training ontwierpen Akkermans et al. (2015) een trai-
           ning van carrièrecompetenties. Zij gebruikten deze zowel bij studenten als bij een
           groep die aan het re-integreren was op de arbeidsmarkt. De training richt zich op
           zes verschillende carrièrecompetenties. Net zoals bij aanpassingsvermogen zijn
           hier ook reﬂectieve en control-gerelateerde aspecten terug te vinden. De training
           bestond uit vier dagdelen, waarin zes competenties werden behandeld: reﬂecteren
           op motivatie, reﬂecteren op kwaliteiten, netwerken, zelfpresentatie, work explora-
           tion en career control. In dit onderzoek bleken alle zes de competenties te verbete-
           ren bij een training.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 118 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 119 ======================================================================

<pre>                                                     training en interventie        117
Zowel voor inzetbaarheid als re-integratie geldt dat de effectiviteit van de training
afhangt van de aansluiting bij de vermogens en de situatie van het individu. Voor
een ‘kansrijk’ individu is training minder nuttig en minder nodig dan voor iemand
met een grote afstand tot de arbeidsmarkt. Het screenen van de deelnemers zou
dan ook kunnen bijdragen aan de (kosten)effectiviteit. Zo wilt het uwv in de
nabije toekomst starten met het selecteren van klanten op basis van de “Werkver-
kenner”.14 De Werkverkenner helpt de afstand tot de arbeidsmarkt te bepalen aan
de hand van “harde” en “zachte” persoonlijke gegevens. Op basis daarvan kan dan
worden bepaald welke ondersteuning het meest gepast is. Voor de mensen met een
grotere afstand tot de arbeidsmarkt wordt daarbij extra persoonlijke ondersteuning
ingezet.15
Onderzoeken naar trainbaarheid van arbeidsmarktvaardigheden geven een gema-
tigd positief beeld. Hoewel de onderliggende kenmerken niet altijd te veranderen
zijn, kunnen mensen nieuwe manieren leren om met een probleem om te gaan.
Onze gesprekspartners gaven aan dat mensen vaker succesvol zijn als ze meerdere
van dit soort strategieën kennen. Doordat ze verschillende wegen naar succes zien,
blijft hun zoekmotivatie hoger en zijn ze beter bestand tegen tegenslagen. Omdat
een groot aantal van de studies zich alleen richten op werklozen, is niet zeker of
alle trainingen ook zinvol zullen zijn voor werkenden. Maar de Careerskills trai-
ning laat zien dat het in principe mogelijk is om met een training zowel de compe-
tenties van werklozen als niet-werklozen te verbeteren (Akkermans 2015).
Van werk naar werk
Hoewel het merendeel van het onderzoek zich richt op de training van werklozen,
zijn er ook enkele studies beschikbaar waarin vermogens centraal staan die rele-
vant zijn voor de algemene inzetbaarheid. Zo onderzochten Koen et al. (2014) hoe
verschillende inzetbaarheidsfactoren de kans op het vinden van passend werk
kunnen vergroten. De factor aanpassingsvermogen helpt mensen om zich effectief
aan te passen aan veranderende omstandigheden. In een studie ontvingen 46 stu-
denten een eendaagse training gefocust op de vier aspecten van aanpassingsver-
mogen: voorbereiding, nieuwsgierigheid (verkenning van loopbaanmogelijkhe-
den), zelfvertrouwen (in het kunnen omgaan met moeilijke loopbaansituaties) en
controle (nemen van verantwoordelijkheid in de loopbaan) (Koen et al. 2012).16
Deze studenten bleken, zowel direct na de training als zes maanden later, meer
controle, nieuwsgierigheid en concern te ervaren dan de studenten in de controle-
groep. Wanneer zij een baan hadden gevonden, bleken zij deze als beter passend te
ervaren.
     Ook de hiervoor genoemde Careerskills training van Akkermans et al. (2015)
is getest bij studenten. Hoewel de effecten op lange termijn of op de baankans niet
bekend zijn, deden ook de studenten het aan het einde van de training beter op alle
zes de competenties.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 119 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 120 ======================================================================

<pre>118   weten is nog geen doen
      Beide studies vormen een indicatie dat mentale vermogens die belangrijk zijn voor
      inzetbaarheid trainbaar zijn, al zijn de effecten op de lange termijn nog niet zeker.
5.2.4 meer dan kennis alleen
      De genoemde domeinen laten alle drie een toenemende aandacht voor niet-cogni-
      tieve vermogens zien, zoals motivatie en geloof in eigen kunnen. Zeker voor de
      domeinen gezondheid en ﬁnanciën geldt dat men vanouds sterk geneigd is te grij-
      pen naar cognitie en kennisoverdracht, en de op die terreinen gepubliceerde meta-
      analyses betreffen voornamelijk interventies waarin het aanbieden van kennis cen-
      traal staat. De resultaten daarvan zijn niet erg bemoedigend. Voor zover het
      mogelijk is om conclusies te trekken op basis van het beschikbare onderzoek,
      vallen de resultaten tegen.
           Binnen de domeinen wordt daarom steeds meer gewerkt met trainingen die
      zich niet uitsluitend richten op cognitieve, maar ook op niet-cognitieve vermo-
      gens. De meest veelbelovende interventies richten zich op vaardigheden die vra-
      gen om een combinatie van beide. Daarnaast sluiten ze aan op de mogelijkheden
      van het individu en zijn speciﬁeke situatie. De voorgaande hoofdstukken maakten
      al duidelijk dat er theoretisch goede redenen zijn om hiervan meer resultaat te ver-
      wachten. Dat neemt niet weg dat er nog veel onderzoek gedaan moet worden,
      voordat deze trainingen breed aangeboden of verplicht kunnen worden.
           Daarnaast is ook meer onderzoek nodig om te kijken in hoeverre de versterkte
      vermogens ook overdraagbaar zijn naar andere domeinen. Het ligt voor de hand dat
      dit varieert voor de verschillende vermogens. Het vermogen om een plan te maken
      is waarschijnlijk minder contextgebonden dan het geloof in eigen mogelijkheden.
5.3   is het trainen van niet-cognitieve vermogens
      wenselijk?
      In de voorgaande paragraaf hebben we gezien dat op alle domeinen programma’s
      ontwikkeld worden om speciﬁeke vaardigheden te vergroten. Maar is het eigenlijk
      wel wenselijk dat de overheid zich bemoeit met de niet-cognitieve kenmerken en
      vermogens van burgers? Mag de overheid daadwerkelijk proberen om de deze ver-
      mogens te vergroten? Hieronder gaan we in op enkele potentiële bezwaren.
           Deze bezwaren gelden vooral voor het versterken van de generieke mentale
      vermogens van burgers en minder sterk voor het trainen van domeinspeciﬁeke
      vaardigheden. Per slot van rekening is er niet zoveel verschil tussen het leren van
      cognitieve vaardigheden, zoals lezen en rekenen, en het leren plannen of budgette-
      ren. Bovendien gelden deze bezwaren vooral voor interventies met een verplicht
      karakter, bijvoorbeeld verplichte trainingen als onderdeel van een re-integratie- of
      schuldsaneringstraject. Wanneer mensen op vrijwillige basis willen sleutelen aan
      hun niet-cognitieve kenmerken of vermogens – denk bijvoorbeeld aan psychothe-
      rapie – zijn die bezwaren niet van toepassing.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 120 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 121 ======================================================================

<pre>                                                      training en interventie        119
Paternalisme en infantilisering?
Een eerste bezwaar heeft te maken met het verwijt van paternalisme. Waarom zou
de overheid zich moeten bemoeien met de mate waarin mensen beschikken over
bepaalde mentale vermogens in het algemeen en een goed zelfregulatievermogen
in het bijzonder? Zolang burgers anderen geen schade berokkenen, is het toch hun
eigen zaak wat ze doen of laten? Dit is het Harm Principle, het klassieke argument
tegen overheidsingrijpen dat teruggaat tot John Stuart Mill. Het gaat er vanuit dat
de overheid alleen reden heeft om de vrijheid van individuen in te perken als ze
anderen schaden, niet als ze zichzelf schaden.
     Snijdt dit bezwaar hout? Twee relativeringen zijn op zijn plaats. Ten eerste kan
het bezwaar van paternalisme worden ingebracht tegen vrijwel elke beleids-
interventie die burgers tegen zichzelf probeert te beschermen. Het geldt evenzeer
voor de leerplicht, het verbod op drugs, beleid dat roken en drinken ontmoedigt,
en een reeks van maatregelen die deelname aan het verkeer veilig proberen te
maken, zoals verplichte airbags en gordels in auto’s. In al die gevallen ontmoedigt
de overheid gedrag van burgers dat op lange termijn schadelijk is voor henzelf, of
verplicht ze burgers zelfs tot het nemen van beschermende maatregelen. De rede-
nen hiervoor komen voort uit de beperkingen die we in de vorige hoofdstukken
hebben besproken. Niet iedereen is altijd in staat om weerstand te bieden aan de
verleidingen van alcohol, tabak of te hard rijden. Of is niet in staat, zeker op jonge
leeftijd, om hun langetermijnbelang van een goede scholing zelf te behartigen.
Er is op dit punt geen principieel verschil tussen het vergroten van mentale vermo-
gens en andere maatregelen bedoeld om mensen te behoeden voor onheil.
     Ten tweede is het nog niet zo eenvoudig een scherp onderscheid te maken tus-
sen gedrag dat alleen de betrokkene zelf schaadt en gedrag dat tevens anderen
schaadt. De zaken liggen niet zo eenvoudig als Mill suggereerde. De leerplicht, de
verplichte zorgverzekering of het verbod op te hard rijden zijn niet alleen bedoeld
om de betrokkenen zelf te beschermen, maar ook – soms zelfs primair – om de
belangen van anderen veilig te stellen. Wie geen zin heeft om zich te scholen of te
verzekeren, schaadt in eerste instantie misschien alleen zichzelf, maar in tweede
instantie ook de samenleving als geheel. Die zal immers vroeg of laat de rekening
gepresenteerd krijgen van dit onverantwoordelijke gedrag, bijvoorbeeld in de
vorm van uitkeringen of zorgkosten. Dat is nu juist één van de argumenten voor
inzetten op zelfredzaamheid. Een gebrek aan redzaamheid kost uiteindelijk ieder-
een geld. Op de keper beschouwd zijn er maar heel weinig gedragingen die noch
direct noch indirect anderen kunnen schaden.
     Een hiermee verwant bezwaar is dat van infantilisering. Een overheid die
meent dat haar burgers getraind moeten worden in zelfregulatievermogen,
beschouwt hen kennelijk als kinderen die onvoldoende in staat zijn voor zichzelf
te zorgen. En is het wel effectief om burgers te scholen in zelfregulatievermogen?
Beklijven die lessen niet veel beter wanneer je ze zelf, door schade en schande, in
de praktijk leert? Hiervoor geldt deels hetzelfde als voor de leerplicht – tal van
vaardigheden leer je makkelijker onder lichte dwang en niet of slechts moeizaam
</pre>

====================================================================== Einde pagina 121 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 122 ======================================================================

<pre>120 weten is nog geen doen
    uit jezelf. Juist degenen met een zwakke zelfcontrole zijn vaak gebaat bij een stok
    achter de deur. Bovendien bestaat het risico dat de praktijklessen van de school des
    levens te laat komen. Een zzp’er die er op zijn 55e achterkomt dat hij heeft ver-
    zuimd een goed pensioen op te bouwen, ervaart dat ongetwijfeld als ‘schade en
    schande’ die hem zullen motiveren zijn ﬁnanciële toekomst voortaan verstandiger
    te plannen. Alleen, wat heeft hij dan nog aan die levensles? Het zal het vrijwel
    zeker niet meer lukken alsnog het gewenste pensioen bijeen te sparen. Dat is een
    wel erg harde leerschool.
    Deze bezwaren vragen beide om proportionaliteit tussen autonomie inperken en
    versterken. Beleid dat zich richt op het vergroten van de mentale vermogens van
    burgers dient de autonomie van burgers zo min mogelijk aan te tasten en per saldo
    de redzaamheid van burgers te vergroten. De overheid kan zeker stimuleren dat
    deze programma’s worden aangeboden, maar het wordt paradoxaal wanneer zij
    deze wil verplichten. Men kan mensen niet dwingen autonoom te zijn. Een over-
    heid die dat toch probeert, laadt de verdenking op zich van een soort ‘tweede-
    ordepaternalisme’.
    Respect voor de mentale integriteit
    Een tweede groep bezwaren valt onder de noemer psycho-engineering. Leidt aan-
    dacht voor mentale redzaamheid niet tot een nieuwe variant van de ‘gulzige’ over-
    heid die haar burgers kneedt, modelleert en disciplineert (Trommel 2009)? Komt
    de overheid hiermee niet alleen achter de voordeur (Frissen 2013) maar onder de
    schedel? Gaan hulpverleners zich dan ook bemoeien met onze gedachten (Furedi
    2009)? Dit zijn belangrijke vragen. Net zozeer als de overheid de lichamelijke inte-
    griteit dient te respecteren, dient zij de mentale integriteit te respecteren.
         Een verstandige richtlijn is daarom dat de overheid terughoudender dient te
    zijn naarmate zij dichter nadert tot de kern van de persoonlijke identiteit van de
    burgers, en er groter risico bestaat op inbreuk op hun authenticiteit. Sommige
    mentale kenmerken zijn diepgeworteld in iemands persoonlijkheid, zoals tempe-
    rament en vermogen tot zelfcontrole. Die zijn welhaast constitutief voor wie
    iemand is. Pogingen die te beïnvloeden zijn een zeer zware ingreep in de indivi-
    duele identiteit en autonomie. In principe zou dat alleen op vrijwillige basis
    mogen, bijvoorbeeld via therapie. Het kan in ieder geval niet verplicht worden
    voorgeschreven.17 De ruimte is al wat groter voor programma’s gericht op betere
    zelfcontrole. Dat mentale aspect ligt al verder af van de kern van iemands persoon-
    lijke identiteit en dichter tegen vaardigheden aan. Daar is dus meer ruimte voor het
    aanbieden van trainingen, bijvoorbeeld op de kinderopvang, op school of via het
    maatschappelijk werk. Nog groter is de ruimte voor het beïnvloeden van gedrag
    door het veranderen van kennis en overtuigingen. Denk aan campagnes tegen
    roken, drugs- en alcoholgebruik en voor gezond eten.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 122 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 123 ======================================================================

<pre>                                                      training en interventie        121
Overigens kan het geen kwaad hier opnieuw de parallel te trekken met vormen
van beïnvloeding die algemeen geaccepteerd zijn. Elke vorm van educatie is een
vorm van het kneden, modelleren en disciplineren tot zelfstandige burgers. In dat
opzicht is er geen principieel verschil tussen het verbeteren van de cognitieve en
andere mentale vaardigheden. Deze groep van bezwaren wijst echter wel op het
belang van publieke verantwoording. Juist bij dit soort interventies moet de over-
heid openheid van zaken geven over de aard en de reikwijdte van de interventies,
en over de aannemelijkheid van hun effectiviteit.
Labelling en stigmatisering
Een derde mogelijk bezwaar heeft te maken met het risico van negatieve labelling
en stigmatisering. Meer aandacht voor redzaamheid en mentale vermogens kan
leiden tot weer nieuwe toevoegingen aan de reeds bestaande rijkdom aan etiketten
in onderwijs en hulpverlening. Is dat wel wenselijk? Gaat de overheid hiermee
niet nog verder in de ‘normalisering’ van de burgers? We hadden al mensen met
dyslexie en dyscalculie. Krijgen we nu ook mensen met ‘dysregulatie’? Wie een-
maal dat stigma heeft, wordt wellicht niet meer voor redzaam aangezien, of voelt
zich wellicht ontslagen van de plicht zich te beheersen (“Ik kan er niks aan doen, ik
heb dysregulatie”).
Dit gevaar is niet geheel denkbeeldig. De neiging onderscheid te maken tussen
‘normaal’ en ‘afwijkend’ is nu eenmaal diepgeworteld, zowel bij mensen als bij
instituties. Met dit rapport willen we echter de cruciale vraag opwerpen wat eigen-
lijk normaal is. Tot op heden lijkt het overheidsbeleid uit te gaan van een uniform
en hoog niveau van zelfredzaamheid en mentale vermogens. Impliciet beschouwt
de overheid dat hoge niveau dus als normaal. De kwintessens van dit rapport is
echter dat er geen harde grens is tussen ‘normaal’ en ‘afwijkend’. Er is juist een
grote variatie tussen mensen op dit gebied, en veel mensen voldoen niet aan het
hoge niveau dat de overheid als ‘normaal’ lijkt te beschouwen. Voor zover je al
kunt spreken van normaal en afwijkend, zijn het juist de mensen met een zeer
hoog of zeer laag niveau van mentale vermogens die ‘abnormaal’ zijn, niet de grote
groep in het midden.
     Het risico van negatieve labelling en stigmatisering valt nooit volledig uit te
sluiten, maar kan wel worden verzacht door de erkenning van deze grote variatie,
plus de erkenning dat het normale niveau per deﬁnitie gelijk staat aan het gemid-
delde niveau en niet aan dat van de bovenste tien of twintig procent. Het is net als
met intelligentie. Het gemiddelde iq is per deﬁnitie 100. Niemand zal echter het
enkele feit dat sommige mensen een iq hebben van 80 of 120 beschouwen als
geldige reden om hen als minderwaardig te kwaliﬁceren, of hen te ontslaan van de
plicht hun best te doen. Hooguit kun je concluderen dat de een in de loterij des
levens mazzel heeft gehad, en de ander niet.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 123 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 124 ======================================================================

<pre>122 weten is nog geen doen
5.4 conclusie: beperkt bewijs voor trainbaarheid
    We weten nog veel niet over de mogelijkheid om doenvermogen door training te
    versterken. Meer en beter onderzoek is wenselijk.18 Maar op basis van het beschik-
    bare onderzoek lijken de mogelijkheden om door middel van training doenvermo-
    gen te versterken niet bijzonder groot.
         Nu moet worden opgemerkt dat de lat voor bewezen effectieve interventies
    ook wel hoog ligt – misschien wel té hoog. Het is bijzonder moeilijk en vaak zeer
    kostbaar om zodanig onderzoek te verrichten dat echt met 95 procent zekerheid
    kan worden vastgesteld dat een interventie een causaal en duurzaam effect heeft
    op bepaalde maatschappelijke uitkomsten. Wie het echt goed wil doen, moet vele
    jaren wachten voordat hij met redelijke zekerheid uitspraken kan doen over de lan-
    getermijneffecten van een interventie. In reviews en meta-analyses wordt dan ook
    bijna altijd opgemerkt dat veel van de onderzochte studies helaas niet volledig vol-
    deden aan de hoogste methodologische standaarden, dat er bovendien nog veel
    onzekerheid bestaat over effecten op lange termijn, en dat derhalve meer onder-
    zoek nodig is.
         De vraag is of het altijd wenselijk is om te wachten met interventies totdat ook
    de laatste onzekerheid is weggenomen. In een eerder rapport hebben we opge-
    merkt dat een zeker conservatisme aan het evidence based beleidsdenken eigen is
    (zie wrr 2009). Impliciet is de veronderstelling dat de status quo de best denkbare
    situatie is, tenzij met 95 procent zekerheid kan worden gesteld dat het alternatief
    nog beter is. Het is discutabel of dat wetenschappelijke conservatisme ook altijd
    gerechtvaardigd is in de wereld van politiek, beleid en samenleving. Naarmate de
    status quo meer nadelen en problemen kent, valt er meer te zeggen voor het uit-
    proberen van nieuwe aanpakken, ook als nog niet alle evidence binnen is. Dat geldt
    zeker voor trainingen gericht op mensen die momenteel ernstig tekortschieten in
    de vermogens die nodig zijn voor redzaamheid, en als de deelname bovendien op
    vrijwillige basis geschiedt. Natuurlijk moet uiteindelijk het effect plausibel worden
    gemaakt, maar al te grote terughoudendheid geeft ook het risico op gemiste kan-
    sen.
         Hoe ‘stevig’ het bewijs dient te zijn, hangt ook af van de vraag hoe verplich-
    tend een interventie is. Bij programma’s die vrijblijvend worden aangeboden kan
    men zich wellicht wat meer onzekerheid permitteren dan bij programma’s waar-
    aan men verplicht moet deelnemen. In dat laatste geval zijn er bovendien norma-
    tieve overwegingen en grenzen waarmee men rekening moet houden. Als de over-
    heid expliciet bepaalde groepen zou verplichten tot een training in relevant
    geachte niet-cognitieve vermogens, schaadt zij daarmee mogelijk de geestelijke
    integriteit van mensen. Bovendien ontstaat het gevaar van stigmatisering. Het
    risico is dat mensen met beperkte zelfcontrole – of andere non-cognitieve ‘tekort-
    komingen’ – niet meer voor vol worden aangezien.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 124 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 125 ======================================================================

<pre>                                                     training en interventie       123
Tot slot, als het gaat om dermate belangrijke vermogens, is het natuurlijk logisch
om de blik op het onderwijs te richten. De laatste jaren wordt steeds vaker bepleit
om kinderen meer niet-cognitieve vaardigheden bij te brengen. Nu is aan de ene
kant een aanpak gericht op jonge kinderen kansrijker dan een aanpak gericht op
volwassenen, want jonge kinderen zijn plooibaarder. Hoe vroeger men erbij is, hoe
groter de kans dat interventie succesvol is. Aan de andere kant zijn er echter ook
grote praktische bezwaren. Een grootscheeps offensief gericht op veel of alle kin-
deren zou veel geld kosten en een grote belasting betekenen voor leerlingen en
leerkrachten. Voordat men hiertoe overgaat, is er harder bewijs nodig voor de
effectiviteit en kostendoelmatigheid van interventies gericht op het vergroten van
zelfregulatie of andere niet-cognitieve kenmerken dan nu beschikbaar is.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 125 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 126 ======================================================================

<pre>124 weten is nog geen doen
noten
1   Sterker, het komt geregeld voor dat mensen zeer overtuigd zijn van hun eigen kunnen op het
    ene domein, maar uiterst onzeker over hun kunnen op een ander domein.
2   De g staat voor Hedge’s g. Dit is een gestandaardiseerde maat voor het verschil tussen de
    experimentele en controlegroep, en dus vergelijkbaar met Cohen’s d, maar dan met een cor-
    rectie voor kleine steekproeven.
3   Externalizing behavior zou men kunnen beschouwen als indicatie voor een gebrek aan niet-
    cognitieve vaardigheden. Het werd in dit onderzoek gemeten op basis van de oordelen van
    leraren over kenmerken als disrupts classroom procedures, swears or uses obscene words, lying
    or cheating of agressive towards peers.
4   Bovendien, als dan op zeker moment toch de egodepletie toeslaat, betekent dat niet alleen
    ruim baan voor slechte gewoonten maar ook voor goede gewoonten (Neal et al. 2013).
5   Dit geldt ook voor een andere techniek die soms wordt ingezet en een gunstig effect lijkt te
    hebben, namelijk ‘self monitoring of behavior’ (Michie et al. 2009).
6   We baseren ons hier op een analyse van vier metastudies naar health literacy: Heijmans et al.
    (2015), healit4eu; Berkman et al. (2011) Health literacy interventions; Dennis et al. (2012)
    Which provider can bridge the health literacy gap in lifestyle risk factor modiﬁcation education;
    Sheridan et al. (2011) Interventions for individuals with low health literacy: a systematic
    review.
7   Dit heeft volgens de onderzoekers te maken met de heterogeniteit in uitkomsten, populaties,
    onderzoeksopzetten en gemeten uitkomsten.
8   De training is afgeleid van het Arthritis Self Management Program (asmp) van de Stanford
    University in de Verenigde Staten, en is gebaseerd op de self-efﬁcacy theorie van Bandura
    (Ammerlaan et al. 2016).
9   Website www.reuma-uitgedaagd.nl/volwassenen/trainingen Geraadpleegd op 06-06-2016.
10  Het blijkt in het algemeen lastig om onderzoek te doen naar de effectiviteit van interventies
    tegen werkloosheid. Zo kan de groep deelnemers in een gemeente te klein zijn om signiﬁ-
    cante resultaten te bereiken, zitten er ﬁnanciële risico’s aan het niet direct invoeren van wer-
    kend beleid en zijn er ethische en sociale bezwaren tegen het plaatsen van mensen in een con-
    trolegroep (De Koning et al. 2014).
11  Het cpb (2016) geeft aan dat die instrumenten op vijf verschillende manieren het vinden van
    werk beïnvloeden: door de uitkeringssituatie minder aantrekkelijk te maken, door het effect
    van dreigen met bijvoorbeeld scholing of andere trajecten, via het insluitingseffect van zulke
    trajecten, het aantrekkelijker maken voor een werkgever, en het vergroten van kennis en
    vaardigheden. Uit onderzoek blijkt dat maatregelen zoals tijdelijke loonkostensubsidies,
    begeleiding vanuit klantmanagers en sancties de beste effecten bewerkstelligen (Card et al.
    2010, Kluve 2010, Card et al. 2015 in cpb 2016).
12  Hieronder valt het gehele proces van begeleiding en bemiddeling, zoals sollicitatietraining en
    het leren gebruiken van social media (cpb 2016: 180).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 126 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 127 ======================================================================

<pre>                                                               training en interventie         125
13 Onder de praktische aspecten vallen zoekvaardigheden en zelfpresentatie. Onder de motiva-
   tiegerelateerde aspecten worden verstaan: het geloof in eigen kunnen, pro-activiteit, het stel-
   len van doelen, omgaan met stress en het zoeken van sociale steun.
14 Bijlage Perspectief voor vijftigplussers 2016.
15 Hierbij moet wel rekening worden gehouden met de gevoeligheid van sommige vragen en
   sociale wenselijkheid van sommige antwoorden. Niet elke klant zal alle informatie willen
   delen.
16 Onder career adaptability verstaan Koen et al. “the readiness to cope with the predictable
   task of preparing for and participating in the work role and with the unpredictable adjust-
   ments prompted by the changes in work and work conditions” (Koen et al. 2012).
17 Wellicht met uitzondering van enkele bepaalde speciﬁek omschreven groepen, zoals
   tbs-sers.
18 Het is interessant hierbij ook te kijken naar onderzoek bij militairen. Moderne militaire ope-
   raties kennen een grote verscheidenheid aan stressoren die een sterk beroep doen op mentale
   vermogens. Daarom wordt onderzoek gedaan naar de ‘mentale veerkracht’ die nodig is om
   optimaal te blijven presteren tijdens en ook na uitzendingen gezond te blijven (zie bijvoor-
   beeld Kamphuis et al. 2012, Delahaij et al. 2016).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 127 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 128 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 128 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 129 ======================================================================

<pre>                                                                                       127
6        mentale vermogens, redzaamheid en
         beleid
6.1      mentale vermogens en redzaamheid: meer dan
         denkvermogen alleen
         De hedendaagse samenleving stelt hoge eisen aan de redzaamheid van burgers. In
         de komende jaren zal het belang van redzaamheid alleen maar toenemen (Van den
         Broek et al. 2016). In dit rapport hebben we onderzocht welke mentale vermogens
         nodig zijn voor maatschappelijke redzaamheid. Dat intelligentie en goed kunnen
         lezen, schrijven en rekenen van groot belang zijn om redzaam te zijn is algemeen
         erkend. Een minimaal niveau aan denkvermogen is een conditio sine qua non om te
         functioneren in de moderne samenleving. Om redzaam te zijn, moeten burgers
         informatie kunnen verzamelen, deze kunnen begrijpen en op waarde kunnen
         schatten. Dat staat aangegeven in ﬁguur 6.1.
Figuur 6.1    Denkvermogen
                                    EN
                                 E R M OG    informatie
                                            verzamelen
                                              en wegen
                                 NK V
                                      DE
         In de afgelopen jaren heeft de wrr al de nodige aandacht gevraagd voor de beper-
         kingen van het menselijke denk- en oordeelsvermogen (Tiemeijer et al. 2009, wrr
         2014a). Gedragswetenschappelijk onderzoek laat zien dat het vermogen van men-
         sen om informatie te wegen en rationele beslissingen te nemen begrensd is. Ook in
         het beleid komt daar steeds meer aandacht voor. Veel ministeries maken gebruik
         van gedragswetenschappelijke inzichten.
         Dit rapport maakt een volgende stap in deze fascinerende lijn van onderzoek en
         beleid. Denkvermogen is nog maar de helft van het verhaal. Weten leidt immers
         niet automatisch tot handelen. Doenvermogen is minstens zo belangrijk voor red-
         zaamheid in de sfeer van gezondheid, persoonlijke ﬁnanciën en de arbeidsmarkt.
         Mensen moeten doelen kunnen vaststellen, een plan kunnen maken, daadwerke-
         lijk in actie komen, volhouden en met tegenslag kunnen omgaan. Deze vermogens
         zijn weergegeven in ﬁguur 6.2.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 129 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 130 ======================================================================

<pre>128      weten is nog geen doen
Figuur 6.2    Mentale vermogens
                                                         in actie
                           EN                            komen          DO
                        E R M OG
                                                                        E N V E R M OG E
                                    informatie    een       met
                                   verzamelen     plan      tegenslag
                                     en wegen    maken      omgaan
                        NK V
                             DE                          volhouden      N
         Zoals de ﬁguur laat zien, overlappen beide soorten vermogens elkaar. Voor het
         maken van een plan is immers ook informatie en inzicht nodig. Toch hebben we
         ons in dit rapport vooral gericht op de niet-cognitieve vermogens, de rechtercirkel
         in ﬁguur 6.2. Recente wetenschappelijke kennis maakt duidelijk hoe belangrijk die
         zijn om je te kunnen redden in de moderne maatschappij. Maar in de praktijk is er
         nog maar beperkte aandacht voor deze vermogens.
         Persoonskenmerken en mentale vermogens
         In hoofdstuk 3 hebben we onderzocht wat de determinanten zijn van dat doenver-
         mogen (zie ﬁguur 6.3). Zowel de literatuur als eigen onderzoek laten zien dat er
         nauwe samenhang bestaat tussen levensuitkomsten en bepaalde persoonskenmer-
         ken. Mensen met een approach temperament scoren relatief hoog op levensuit-
         komsten en de omgang met problemen, mensen met een avoidance temperament
         relatief laag. Mensen met veel zelfcontrole scoren relatief hoog, mensen met weinig
         zelfcontrole relatief laag. Daarnaast speelt overtuiging een belangrijke rol. Hoe
         meer iemand gelooft dat hij in staat is gewenste uitkomsten te bereiken of onge-
         wenste uitkomsten te verhinderen, hoe groter de kans dat hij ook daadwerkelijk de
         vereiste acties onderneemt. Overigens is het wel zo dat een hele hoge score op
         deze kenmerken, niet altijd beter is. Te veel geloof in eigen kunnen maakt bijvoor-
         beeld overmoedig en kan leiden tot onbesuisde acties. Het gaat om de juiste com-
         binatie tussen omgeving en persoonskenmerken.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 130 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 131 ======================================================================

<pre>                                                   mentale vermogens, redzaamheid en beleid      129
Figuur 6.3       Persoonskenmerken, mentale vermogens en maatschappelijke domeinen
                                       Mentale
   COGNITIEF                          vermogens
    intelligentie,
     cognitieve
   vaardigheden
                                                      DOE N V E R M
                              K   V E R M OG E N                      OG
                       D   EN
                                                         in actie       EN
                                                         komen
                                                                                 relevant voor
                        informatie            een           met                      werk
   Persoons-           verzamelen             plan          tegenslag
  kenmerken                                                                      gezondheid
                         en wegen            maken          omgaan                ﬁnanciën
                                                        volhouden
       NIET
  COGNITIEF
  temperament,
   zelfcontrole,
    overtuiging
          We hebben laten zien dat die niet-cognitieve kenmerken daadwerkelijk samenhan-
          gen met de mentale vermogens die we in hoofdstuk 2 hebben geïdentiﬁceerd. Ken-
          nis alleen is niet voldoende. Nederlanders verschillen bovendien in de mate waarin
          ze over niet-cognitieve vermogens beschikken. Die verschillen hangen enigszins
          samen met opleidingsniveau, maar zeker niet volledig. Er is een substantieel per-
          centage lager opgeleiden dat hoog scoort op die vermogens, en een substantieel
          percentage hoger opgeleiden dat laag scoort. De verdeling van niet-cognitieve ver-
          mogens volgt grosso modo een normaalverdeling. Sommigen scoren goed, ande-
          ren heel slecht, maar de meeste mensen scoren rond het gemiddelde.
               Daaruit volgt een belangrijke conclusie. Niet alle burgers hebben in aanleg
          gelijke kansen op redzaamheid. Niet-cognitieve persoonskenmerken hebben
          immers een erfelijke component, net als intelligentie. Sommige mensen komen ter
          wereld met een sterke aanleg om persoonskenmerken te ontwikkelen die passen
          bij een samenleving die veel waarde hecht aan zelfredzaamheid, terwijl andere
          mensen ter wereld komen met een zwakke aanleg daarvoor.
          Stress en mentale belasting zetten mentale vermogens onder druk
          In hoofdstuk 4 hebben we gezien dat levensomstandigheden van invloed zijn op
          de inzetbaarheid van die niet-cognitieve vermogens. Er is echter nog weinig
          bekend over de mechanismen die dit veroorzaken. Wat we wel weten is dat zelf-
          controle en executieve vermogens onder druk kunnen komen te staan door acute
</pre>

====================================================================== Einde pagina 131 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 132 ======================================================================

<pre>130 weten is nog geen doen
    stress en door mentale belasting, bijvoorbeeld door veeleisende cognitieve taken of
    door langdurige blootstelling aan verleidingen. Die effecten hoeven niet meteen op
    te treden. Wie dat wil, kan zijn reserves aanspreken om het beoogde prestatie-
    niveau langer vol te houden. Maar dat kan ten koste gaan van andere lichamelijke of
    mentale functies, en de reserves zijn niet onbeperkt.
          Mentale vermogens komen altijd van pas, maar vooral wanneer het leven
    tegen zit, zoals bij baanverlies, een scheiding of problematische schulden. Juist dan
    is het cruciaal dat iemand in actie komt, de juiste keuzes maakt en die weet vol te
    houden. Helaas zijn dit nu net situaties die gepaard gaan met stress, wat een nega-
    tief effect kan hebben op niet-cognitieve vermogens. Verschillende onderzoeken
    hebben aangetoond dat verdriet, eenzaamheid, armoede en schulden leiden tot
    stress. Schuldenaren worden zozeer in beslag genomen door geldzorgen dat er
    minder aandacht overblijft voor andere zaken. Juist wanneer redzaamheid van het
    grootste belang is, loopt iemand het meeste risico dat de daarvoor noodzakelijke
    vermogens tijdelijk worden aangetast.
    Geen hooggespannen verwachtingen over trainbaarheid
    Als niet-cognitieve vermogens zo belangrijk zijn voor redzaamheid, vallen die dan
    niet te trainen? In hoofdstuk 5 bleek dat daarover nog niet veel bekend is. Het
    onderzoek dat er wél is, geeft echter nog geen aanleiding tot hooggespannen ver-
    wachtingen. Iemands temperament veranderen is lastig, zo niet onmogelijk. Over-
    tuigingen zijn beter te veranderen, maar het is nog niet vastgesteld of het trainings-
    effect ook doorwerkt op andere gebieden. Als iemand overtuigd raakt dat hij in
    staat is zelf een baan te vinden, betekent dat niet automatisch dat hij ook gelooft
    dat hij kan stoppen met roken. Zelfcontrole is in theorie het meest efﬁciënte aan-
    grijpingspunt voor interventie en training, omdat dit tegenwicht kan bieden aan
    een ongunstig temperament of houding. Maar ook het onderzoek naar training van
    zelfcontrole geeft slechts bescheiden resultaten te zien, en het is maar de vraag of
    die resultaten blijvend zijn.
          Een alternatief is het inzetten van cognitieve strategieën om de beperkingen in
    zelfcontrole als het ware te omzeilen. Zo kan iemand zich een voorstelling probe-
    ren te maken van de toekomstige situatie of het doel dat hij wenst te bereiken, en
    van de obstakels die dit belemmeren. Dit ‘mentaal contrasteren’ vergroot de moti-
    vatie voor gedragsverandering en benadrukt de noodzaak tot actie. Een andere
    optie is het vormen van ‘implementatie-intenties’. Dat zijn kleine actieplannen in
    de vorm “als ik situatie x tegenkom, dan doe ik y”. Dit helpt mensen om te gaan
    met situaties die niet te vermijden zijn in het dagelijks leven, zoals de collega die
    trakteert op taart terwijl jij probeert af te vallen. Deze technieken blijken wel effec-
    tief. Het onderzoek op dit gebied gaat echter vooral over speciﬁeke opgaven, zoals
    bijvoorbeeld het volhouden van een gezonde leefstijl. Er is nog nauwelijks onder-
    zoek gedaan naar de vraag of het helpt om deze technieken als domeinoverstij-
    gende ‘meta-cognitieve strategie’ aan te bieden. Het is zeker de moeite waard hier
</pre>

====================================================================== Einde pagina 132 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 133 ======================================================================

<pre>                                            mentale vermogens, redzaamheid en beleid              131
        meer onderzoek naar te doen. Maar ook hier moet men waken voor overspannen
        verwachtingen. Zowel mentaal contrasteren als implementatie-intenties doen
        immers opnieuw een beroep op de capaciteit tot zelfcontrole.
             Iets gunstiger zijn de perspectieven voor training van vaardigheden in speci-
        ﬁeke domeinen. Voor gezondheid en ﬁnanciën gold dat men zich tot dusver sterk
        richtte op het aanbieden van kennis. De resultaten daarvan zijn niet erg bemoedi-
        gend. Daarom wordt steeds meer gewerkt met trainingen die zich niet uitsluitend
        richten op denkvermogen, maar ook op doenvermogen, door aandacht te besteden
        aan motivatie of geloof in eigen kunnen. De meest veelbelovende interventies
        richten zich op vaardigheden die vragen om een combinatie van cognitieve en
        niet-cognitieve kenmerken. Ze zoeken daarnaast aansluiting bij de mogelijkheden
        van het individu en zijn speciﬁeke situatie, en zijn bijvoorbeeld gericht op het
        leren omgaan met een bepaalde ziekte. In de hoofdstukken 2 en 5 hebben we
        enkele voorbeelden hiervan besproken, zoals de zelfmanagement training voor
        reumapatiënten, of de jobs-training voor werklozen. Op basis van de bestaande
        kennis zou de overheid in ieder geval moeten bevorderen dat er een ruim en toe-
        gankelijk aanbod van dit type trainingen voor handen is. Maar ook hiernaar moet
        nog veel onderzoek gedaan worden, bijvoorbeeld naar de vraag in hoeverre de ver-
        sterkte vaardigheden ook overdraagbaar zijn naar situaties in andere domeinen.
Geen overspannen verwachtingen over trainbaarheid
Op voorhand waarschuwen we geen overspannen verwachtingen te koesteren over de algemene
trainbaarheid van niet-cognitieve vermogens. In ieder geval bestaan er geen eenvoudige, snelle en
goedkope oplossingen. Verschillen in mentale vermogens zullen een realiteit blijven.
– Wees terughoudend met grootschalige invoering van trainingen
Zolang er onvoldoende empirisch bewijs is dat algemene interventies gericht op persoonskenmer-
ken werken, is het beter om terughoudend te zijn met invoering hiervan in het onderwijs, gezien de
risico’s van negatieve labelling van kinderen, de kosten die ermee gemoeid zijn, en de extra belas-
ting van leerkrachten en leerlingen.
– Experimenteer met trainingen
We bevelen aan meer te experimenteren en meer gedegen onderzoek te doen naar de mogelijk-
heden van training van niet-cognitieve vermogens.
– Bevorder een toegankelijk aanbod van training van speciﬁeke vaardigheden
Vaardigheden in speciﬁeke domeinen zijn beter trainbaar. Hierbij is van belang dat er een ruim en
toegankelijk aanbod is van trainingen waarvan de werkzaamheid empirisch is onderbouwd. Deze
trainingen moeten kennisoverdracht combineren met aandacht voor niet-cognitieve vermogens.
Deze trainingen kunnen worden aangeboden door private partijen, zoals werkgevers, banken, zorg-
verzekeraars en private instellingen. De overheid heeft een rol in het bevorderen van de toeganke-
lijkheid en de kwaliteit van het aanbod van deze evidence-based trainingen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 133 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 134 ======================================================================

<pre>132        weten is nog geen doen
           Kortom, zolang het onmogelijk is door gerichte interventie ieders mentale vermo-
           gens tot het optimale niveau te brengen, zijn verschillen in redzaamheid nu een-
           maal een feit. De overheid dient zich er rekenschap van te geven dat veel burgers
           – soms tijdelijk, soms structureel – niet of onvoldoende beschikken over het doen-
           vermogen dat noodzakelijk is voor redzaamheid. Wat zijn de implicaties van dit
           fact of life voor overheidsbeleid? Daarover gaat de rest van dit hoofdstuk.
6.2        gevolgen voor beleid: weten is nog geen doen
           De implicaties voor het overheidsbeleid schetsen we door twee beleidsperspectie-
           ven naast elkaar te zetten (zie ﬁguur 6.4). Het eerste perspectief is het klassieke
           beleidsperspectief, dat ervan uitgaat dat meer weten automatisch leidt tot beter
           doen. Het is het rationalistische perspectief dat aan de basis ligt van veel juridische
           en economische benaderingen van beleid. Het tweede perspectief is een vertaling
           van de gedragswetenschappelijke bevindingen uit de vorige hoofdstukken. Dit
           realistischere perspectief gaat ervan uit dat mensen niet altijd handelen, ondanks
           hun goede voornemens. Weten leidt niet altijd tot doen. Bovendien kan een keuze
           die op de lange termijn ‘onverstandig’ is, op de korte termijn gezien de situatie van
           het individu wel degelijk de ‘verstandige’ optie zijn. We zetten deze twee perspec-
           tieven naast elkaar omdat ze geïnspireerd zijn door hetzelfde achterliggende doel,
           namelijk het vergroten van de autonomie van burgers. De twee perspectieven ver-
           schillen echter in hun aannames over de mentale vermogens van burgers en over
           psychologische wetmatigheden. Ze verschillen ook in de inrichting van beleid om
           dit achterliggende doel te bereiken. We lichten hieronder puntsgewijs de verschil-
           len toe.
Figuur 6.4        Verschillende beleidsperspectieven
    1. Rationalistisch perspectief                     2. Realistisch perspectief
    Assumpties over mentale vermogens:                 Assumpties over mentale vermogens:
    – iedereen beschikt over voldoende                 – normaalverdeling: sommigen scoren hoog,
       mentale vermogens voor redzaamheid                 sommigen laag, grote middengroep
    – uitzondering: kleine groep kwetsbaren            – staart van (zeer) kwetsbaren
    – aandacht voor denkvermogen                       – ook aandacht voor doenvermogen
    Assumpties over gedrag:                            Assumpties over gedrag:
    – weten leidt tot doen                             – weten is nog geen doen
    – zelfcontrole is onbeperkt                        – zelfcontrole is begrensd
    Inrichting beleid                                  Inrichting beleid
    – meer keuze is altijd beter                       – verleiding en stress verminderen
    – sturen via informatie en ﬁnanciële prikkels      – sturing via keuzearchitectuur
    – burger moet de wet kennen                        – burger moet de wet ook ‘kunnen’
    Uitvoering beleid                                  Uitvoering beleid
    – afstandelijk, zakelijk                           – persoonlijk, proportioneel
    – geen contact voorafgaand aan sancties            – wel contact voorafgaand aan sancties
    – alleen hulp bij evidente overmacht               – meer differentiëren: niet willen/niet kunnen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 134 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 135 ======================================================================

<pre>                                   mentale vermogens, redzaamheid en beleid         133
Beide perspectieven zijn natuurlijk ideaaltypische constructies. In veel opzichten
is het tweede perspectief een rijkere versie van het eerste. Door ze tegenover elkaar
te zetten wordt echter beter zichtbaar hoe andere assumpties over de mentale ver-
mogens van burgers kunnen doorwerken in beleid.
– Assumpties over mentale vermogens. In het eerste perspectief wordt er impliciet
    van uitgegaan dat bijna alle volwassen burgers beschikken over voldoende
    mentale vermogens voor redzaamheid. Voor zover mensen verschillen in men-
    tale vermogens, zijn de verschillen gering en niet relevant voor de inrichting
    van de samenleving. Slechts een kleine groep van kwetsbare mensen, bijvoor-
    beeld mensen met een verstandelijke beperking of laaggeletterden, mist duur-
    zaam de vereiste mentale vermogens voor redzaamheid. Zij vormen echter de
    uitzondering op de regel.
         In het tweede perspectief wordt ervan uitgegaan dat volwassen burgers
    variëren in de mate waarin zij beschikken over het denk- en doenvermogen dat
    vereist is voor redzaamheid. De één krijgt op dat gebied veel mee, de ander
    weinig, en de meeste mensen zitten daartussenin en zijn ‘gemiddeld’. De
    kleine groep van kwetsbaren die in het eerste paradigma gold als uitzondering
    op de regel, is hier veeleer het uiteinde in een normaalverdeling. De groep die
    met redzaamheidsproblemen te maken kan krijgen is veel groter en diverser.
– Assumpties over gedrag. In het eerste perspectief is er geen aandacht voor doen-
    vermogen. Centraal staan intelligentie, kennis en oordeelsvermogen, want de
    assumptie is dat weten leidt tot doen. Als mensen hun doel eenmaal hebben
    bepaald, zullen ze de noodzakelijke acties ondernemen om dat te realiseren, en
    die acties ook volhouden en afmaken. Voor zover ze dat niet doen, ligt de oor-
    zaak daarvan in een gebrek aan kennis of aan een rationele calculatie van oppor-
    tunity costs, dat wil zeggen dat andere acties aantrekkelijker en lonender zijn.
    De effecten van belasting en stress komen in dit perspectief niet in beeld.
         In het tweede perspectief speelt doenvermogen wél een wezenlijke rol in
    mentale redzaamheid. Mensen verschillen van huis uit in hoeverre ‘aanpakken
    of vermijden’ in hun karakter zit, en in hun geloof in eigen kunnen en hun ver-
    mogen tot zelfcontrole. Weten leidt daarom niet altijd tot doen. Als mensen
    eenmaal hun belang hebben bepaald, kan er sprake zijn van uitstelgedrag en
    van beperkte mentale energie en wilskracht, waardoor men niet in actie komt
    of de actie niet volhoudt. Bovendien zijn omstandigheden en life events hierop
    van invloed. Overbelasting en stress tasten de kwaliteit van besluitvorming en
    de zelfcontrole aan.
– Inrichting beleid. In het eerste perspectief is de rol van de overheid beperkt en
    eenduidig. Het bevorderen van autonomie betekent dat de keuzevrijheid altijd
    zo groot mogelijk moet zijn. Sturing hoeft alleen aan te grijpen op de determi-
    nanten van belangenafweging en keuzes, via informatie en ﬁnanciële prikkels.
    Verdere ondersteuning van de overheid beperkt zich tot – vaak tijdelijke –
</pre>

====================================================================== Einde pagina 135 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 136 ======================================================================

<pre>134 weten is nog geen doen
        voorzieningen voor mensen die buiten hun schuld in problemen zijn gekomen
        (bijvoorbeeld door gedwongen ontslag), of tot permanente ondersteuning van
        zeer kwetsbare groepen.
             In het tweede perspectief is de rol van de overheid breder en minder een-
        duidig. Keuzevrijheid is nog steeds het uitgangpunt, maar er kunnen omstan-
        digheden zijn waarin de overheid juist inzet op het verminderen van verleidin-
        gen. Het kan ook wenselijk zijn dat mensen worden geholpen bij hun keuzes.
        Dat kan door middel van één-op-één hulp, door middel van educatie en trai-
        ning, door middel van goed gekozen nudges, en door de omgeving anders in te
        richten. Voorts houdt het overheidsbeleid rekening met mensen die (tijdelijk)
        over minder doenvermogen beschikken.
    –   Uitvoering van beleid. In het eerste perspectief zullen uitvoeringsinstanties
        relatief afstandelijk en zakelijk handelen, omdat ervan uit wordt gegaan dat
        mensen op basis van informatie in staat zijn hun belang te bepalen en vervol-
        gens daarnaar te handelen. Hiervoor is geen persoonlijk contact noodzakelijk.
        Als mensen niet reageren op informatie en aanmaningen, is dit een bewuste
        keuze en zijn eventuele sancties dus gelegitimeerd. Wie niet horen wil, moet
        voelen.
             In het tweede perspectief zullen overheidsinstanties meer aandacht beste-
        den aan de verschillen in doenvermogen tussen burgers. In dit perspectief zijn
        de potentiële risicogroepen breder dan de bekende groep kwetsbaren. Zij wor-
        den zo nodig actief en persoonlijk benaderd. Processen worden zo ingericht dat
        ze de mentale belasting voor burgers zo veel mogelijk beperken. Vergaande
        sancties worden pas ingezet nadat is geveriﬁeerd dat er inderdaad sprake is van
        intentioneel laakbaar gedrag. Bovendien moeten de sancties in verhouding
        zijn, en niet leiden tot het verder vergroten van de problemen. Voelen leidt niet
        altijd tot handelen.
    Betekenis voor beleid
    Burgers zijn niet in staat altijd en overal verstandige keuzes te maken en daarnaar
    te handelen. Beslissingen worden uitgesteld, gezonde leefstijlkeuzes worden niet
    volgehouden, aanmaningen worden niet geopend en boetes worden niet altijd op
    tijd betaald. Niets menselijks is ons vreemd. Bovendien kan iedereen geconfron-
    teerd worden met life events, waardoor ons handelingsvermogen tijdelijk sterk kan
    teruglopen. De vraag is hoe tolerant de overheid en haar instituties voor dit soort
    menselijk gedrag moeten zijn.
          Vanuit pragmatisch oogpunt gaat het om de vraag: wat werkt? Hoe kunnen
    we regels en instituties zo inrichten dat de beoogde redzaamheid zo goed mogelijk
    wordt gerealiseerd? Dat is niet zo moeilijk in een wereld waarin alle burgers altijd
    alle informatie begrijpen en netjes op de juiste manier verwerken, vervolgens tij-
    dig in actie komen, dat zo lang als nodig weten te vol houden en zich bij tegenslag
    niet uit het veld laten slaan. Helaas zijn er weinig van zulke ideale burgers. De
    meeste mensen laten wel eens een steekje vallen – en soms zelfs meer. Dat vraagt
</pre>

====================================================================== Einde pagina 136 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 137 ======================================================================

<pre>                                   mentale vermogens, redzaamheid en beleid       135
om een slim ontwerp van regels en instituties. Idealiter zijn die zo ontworpen dat
wie om wat voor reden ook niet onmiddellijk het gewenste gedrag vertoont, niet
meteen verongelukt. Moderne auto’s hebben steeds meer technische snufjes om
bestuurders bij wie even de aandacht verslapt te corrigeren, zodat zij niet onmid-
dellijk van de weg raken. Ook regels en instituties zouden dus een zekere ‘robuust-
heid’ of ‘correctievermogen’ moeten hebben jegens menselijke fouten.
     Een eerste ontwerp-principe is een goede keuze van impliciete of expliciete
defaults. Beleidsmakers en systeembouwers zouden zich moeten afvragen wat er
gebeurt met mensen die niet meteen hun post open maken en begrijpen, die niet
meteen in actie komen als dat noodzakelijk is of aan de bel trekken als het mis gaat.
Uiteraard hoeft men burgers niet eindeloos te behoeden voor steeds weer nieuwe
fouten. Regels en systemen zijn echter niet goed ontworpen als ze zo ingewikkeld
zijn dat alleen specialisten er nog uitkomen, en als de procedures zo streng en
inﬂexibel zijn dat elke fout meteen hard wordt afgestraft, zodat autonomie en red-
zaamheid alleen maar verder uit beeld raken. Een voorbeeld van een beleid dat
tekortschoot is het sanctieregiem op de inlichtingenplicht voor ww-uitkeringen
zoals die tot voor kort gold. Eén moment van onoplettendheid kon hier tot gevolg
hebben dat mensen werden geconfronteerd met forse boetes, waardoor per saldo
hun redzaamheid alleen maar werd ondermijnd. Inmiddels heeft de overheid dit
beleid aangepast en kan bij het bepalen van de boete rekening worden gehouden
met de ernst van de overtreding, de mate van verwijtbaarheid en de omstandig-
heden van betrokkenen.1
Een tweede ontwerp-principe is dat er altijd ruimte moet blijven voor maatwerk.
Dat kan worden bevorderd door te voorzien in hardheidsclausules en door deauto-
matisering van de beoordeling van lastige gevallen. Dat geeft meer ruimte voor
aandacht voor bijzondere omstandigheden. Zo heeft de Nationale ombudsman
(2013) bijvoorbeeld gesteld dat de overheid een zorgplicht heeft om gebrekkige
redzaamheid te signaleren. Wanneer een burger boetes niet voldoet, of niet rea-
geert, dient een overheidsinstantie zoveel mogelijk eerst persoonlijk contact op te
nemen en te kijken of er een betalingsregeling mogelijk is, en of een verwijzing
naar de schuldhulpverlening zinvol is. Pas als dat niet lukt, is dwanginvordering
aan de orde.
     Maar waarom zou de overheid zo veel begrip moeten hebben voor zoge-
naamde ‘fouten’ van burgers? Waarom zouden we allerlei kostbare institutionele
vangnetten en noodverbanden moeten aanleggen voor burgers die gewoon niet
opletten en verzuimen tijdig de juiste actie te ondernemen? Daarmee komen we
op de morele kant van de zaak. Hoeveel clementie moeten overheid en samen-
leving hebben met mensen die vanwege onverantwoorde beslissingen, of door
onoplettendheid of laksheid in de problemen zijn gekomen? Massa’s mensen gaan
stug door met hun ongezonde leefstijl van te veel eten, roken en drinken, terwijl
iedereen weet dat dit niet verstandig is. Veel mensen geven meer geld uit dan er
binnenkomt, en spenderen dat aan belabonnementen of vakanties in plaats van te
</pre>

====================================================================== Einde pagina 137 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 138 ======================================================================

<pre>136         weten is nog geen doen
            sparen voor de huur van volgende maand, of geld opzij te leggen voor hun oude-
            dagsvoorziening. Als mensen zo onverantwoord handelen, hebben ze moreel
            gezien dan nog wel recht op steun van de samenleving als het misgaat? Is dat niet
            gewoon eigen schuld?
                 Vanuit het eerste perspectief is die conclusie inderdaad snel getrokken. De
            burgers in kwestie hebben onverantwoord gehandeld, zo zal men argumenteren,
            en zullen dus zelf de consequenties daarvan moeten dragen. Natuurlijk zijn er wel
            situaties van overmacht – een plotse invaliderende ziekte, ontslag als gevolg van
            economische tegenwind – maar welbeschouwd komt dat maar weinig voor, zo ver-
            volgt de redenering, en tot op zekere hoogte had men daarop kunnen en moeten
            anticiperen. Iedereen weet dat het leven tegenvallers in petto heeft, dus wie ver-
            standig is, spaart voor een buffer, probeert gezond te leven, werkt aan zijn inzet-
            baarheid op de arbeidsmarkt, enzovoort. Als mensen ondanks deze kennis niet het
            goede doen, hebben ze dat kennelijk bewust zo gewild en besloten. Dat mag
            natuurlijk, maar dan moet men ook zelf de consequenties aanvaarden.
                 Vanuit het tweede perspectief zou het oordeel echter weleens anders kunnen
            uitvallen. Verkeerde keuzes of passiviteit hoeven niet per se te duiden op onwil,
            maar kunnen ook voortkomen uit onvermogen of overbelasting. Natuurlijk, er zijn
            zeker mensen die weinig gemotiveerd zijn om het goede te doen en zich onverant-
            woordelijk gedragen, maar wel steun verwachten uit de collectieve middelen als
            het onverhoopt misgaat. Het zou naïef zijn dat te ontkennen. Daar staat tegenover
            dat er ook mensen zijn die oprecht gemotiveerd zijn het goede te doen, maar het
            gewoon niet lukt omdat ze daartoe (tijdelijk) de mentale vermogens missen, ook al
            doen ze nog zo hun best. Het zou cynisch zijn dat te ontkennen. Sommige mensen
            staan op het gebied van mentale redzaamheid nu eenmaal voor een grotere opgave
            dan anderen, niet alleen vanwege verschillen in cognitief vermogen, maar ook
            doordat zij bepaalde moeilijk te veranderen persoonskenmerken hebben meege-
            kregen die een grotere kans op problemen geven, zoals een vermijdend karakter en
            weinig zelfcontrole. Sommige mensen worden ook zozeer overvoerd met tegen-
            slagen dat hun geloof in eigen kunnen erdoor wordt aangetast. Bovendien kunnen
            overbelasting en stress leiden tot een tijdelijke daling in mentale prestaties en zelf-
            controle, hetgeen weer leidt tot minder goede besluiten, enzovoort. Door deze
            dynamiek kan een kleine misstap mensen snel in een situatie brengen waar de pro-
            blemen bijna niet meer oplosbaar zijn op eigen kracht.
    Ga uit van een reële inschatting van de mentale vermogens van burgers
    Er zijn dus zowel pragmatische als principiële argumenten om bij het ontwerpen van beleid niet uit
    te gaan van de rationale nutsmaximalisator die ten grondslag ligt aan economische modellen en
    veel juridische vooronderstellingen. Onze aanbeveling is in beleid uit te gaan van een realistische
    inschatting van het denkvermogen en het doenvermogen van gewone burgers.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 138 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 139 ======================================================================

<pre>                                     mentale vermogens, redzaamheid en beleid       137
Een pregnant voorbeeld van het belang van een realistisch perspectief op redzaam-
heid is het domein van problematische schulden. Momenteel bestaat er een grote
afstand tussen wat de overheid aan ﬁnanciële redzaamheid veronderstelt, en wat
veel mensen op dat gebied feitelijk aankunnen. Daardoor lopen substantiële groe-
pen het risico op problematische schulden en worden die problemen vaak snel
alleen maar groter (Tiemeijer 2016). Ook in de zorg wordt het voor het goed functi-
oneren van het huidige stelsel noodzakelijk geacht dat burgers de rol vervullen van
een actieve patiënt. Maar omdat bijna de helft van de burgers daartoe niet in staat
is, staat die uitkomst onder druk (Heijmans et al. 2016). Er zijn ook voorbeelden op
terreinen die we voor dit rapport niet hebben bestudeerd. Zo wijzen rapporten van
het scp op de grote keuzedruk bij scholieren en jongvolwassenen in het onderwijs
(Turkenburg et al. 2013 en Herweijer en Turkenburg 2016). Er ligt veel druk op het
maken van de juiste studiekeuzes, juist op een leeftijd dat scholieren daar grote
moeite mee hebben. Je moet al vroeg precies weten wat je wil en de zelfcontrole en
het doorzettingsvermogen hebben om deze trajecten af te maken. Het is lastig om
opleidingen te stapelen als je ooit een verkeerde keuze hebt gemaakt, en het wijzi-
gen van studie is kostbaar in het leenstelsel. In het studiehuis ligt bovendien een
grote nadruk op zelfstandig leren. Ook dat vraagt van scholieren veel doenvermo-
gen.
Redzaamheidsparadoxen
Het uitgangspunt van beide perspectieven is hetzelfde, te weten eigen verant-
woordelijkheid, en het doel is eveneens hetzelfde, te weten autonomie en red-
zaamheid voor iedere burger. We kunnen concluderen dat het eerste perspectief
dit doel niet altijd dichterbij zal brengen. Het gaat uit van te hoge verwachtingen
van het doenvermogen van burgers en van onjuiste assumpties over gedragsme-
chanismen. In bepaalde gevallen is het resultaat zelfs tegengesteld. Eerder spraken
we van een redzaamheidsparadox: een te grote nadruk op redzaamheid op korte
termijn kan op lange termijn juist de redzaamheid van burgers verkleinen.
      Dit speelt bijvoorbeeld bij de vraag hoeveel vrijheid mensen moeten krijgen
bij pensioenopbouw. Zo zijn voor de grote meerderheid van de Nederlanders
“meer keuzemogelijkheden en vrijheid op pensioengebied eerder een probleem
dan een oplossing” (Delsen 2015: 140). Grotere keuzevrijheid kan op korte termijn
de autonomie vergroten, maar deze op lange termijn juist schaden, namelijk als
men de verkeerde keuzes blijkt te hebben gemaakt en onvoldoende pensioen heeft
opgebouwd. Tegen de tijd dat duidelijk wordt dat men de verkeerde keuzes heeft
gemaakt, is het te laat om die nog te herstellen. Het is natuurlijk verstandig om
werknemers al aan het begin van hun carrière te informeren over noodzaak van en
mogelijkheden voor pensioensparen, maar het is naïef te denken dat hiermee het
probleem ook is opgelost. Of om te denken dat mensen hun pensioen niet belang-
rijk vinden als ze keuzes maken die voor de lange termijn niet positief uitpakken
(Krijnen et al. 2015).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 139 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 140 ======================================================================

<pre>138 weten is nog geen doen
    Het tweede perspectief is realistischer. Het sluit beter aan op de feitelijke variëteit
    in mentale vermogens, inclusief de individuele grenzen van die vermogens, en
    biedt zo meer kans om ook op de lange termijn autonomie en redzaamheid te reali-
    seren. In dit perspectief is keuzevrijheid nog steeds het uitgangspunt, maar wordt
    verdisconteerd dat keuzevrijheid ook kan leiden tot keuzestress; door het totaal
    aan keuzes, of door de omstandigheden waaronder mensen keuzes moeten maken.
    Daarom wordt voorzien in sturing en ondersteuning bij moeilijke keuzes – hulp
    die verder gaat dan alleen maar informatieverstrekking.
         Overigens kent ook dit tweede perspectief een latent gevaar, namelijk dat men
    te lage verwachtingen van de redzaamheid van burgers heeft en te snel de proble-
    men voor hen gaat oplossen. Dat is misschien verstandig bij keuzes die iemand
    maar één of enkele malen in het leven maakt (bijvoorbeeld de keuze voor een
    hypotheek of een pensioen), maar niet bij keuzes die steeds weer terugkeren (bij-
    voorbeeld het beheer van het huishoudbudget). Mensen moeten dit uiteindelijk,
    zo goed als binnen hun vermogen ligt, zelf kunnen. Welbeschouwd bestaat er dus
    nog een tweede redzaamheidsparadox: te weinig nadruk op redzaamheid verhin-
    dert dat op lange termijn de redzaamheid van burgers tot verdere ontwikkeling
    kan komen.
6.3 voorbereiding van beleid: meer zicht op mentale
    belasting
    Wat betekent een en ander voor beleid? Allereerst gaan we in op de wijze waarop
    de overheid beleid en wetgeving maakt die gericht zijn op natuurlijke personen.2
    Monitoren van mentale belasting
    Het is duidelijk dat er grenzen zijn aan de mentale belasting die mensen aankun-
    nen. Niet alleen gaan er maar 24 uur in een dag, ook zijn er grenzen aan de mentale
    inspanning die iemand kan leveren gedurende die uren. Op zeker moment slaat de
    vermoeidheid toe, neemt de kwaliteit van mentale prestaties af en wordt het moei-
    lijker zelfcontrole vol te houden. Die effecten worden nog eens versterkt onder
    invloed van stress, verdriet en eenzaamheid. Je zou dus kunnen zeggen dat mensen
    dagelijks slechts een beperkt ‘budget’ hebben om weloverwogen keuzes te maken
    en daarnaar te handelen. Dat budget staat verder onder druk als een beroep wordt
    gedaan op de oplettendheid van mensen, omdat ze zelf in actie moeten komen
    wanneer bijvoorbeeld regelingen of toeslagen complex zijn of veranderen. Zelfs
    kleine veranderingen in wet- en regelgeving doen een extra beroep om mentale
    vermogens, omdat mensen dan niet kunnen handelen op basis van routines. Er is
    een grens aan de opmerkzaamheid van mensen.
         De overheid lijkt hier echter geen rekening mee te houden. Impliciet veron-
    derstelt de overheid een onuitputtelijk mentaal budget – althans, niemand houdt
    in de gaten wat het totaal aan keuzes, verleidingen en veronderstelde acties is dat
    op mensen afkomt, en of dat nog wel hanteerbaar is. Voor een deel is die blinde
</pre>

====================================================================== Einde pagina 140 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 141 ======================================================================

<pre>                                            mentale vermogens, redzaamheid en beleid                139
       vlek inherent aan de wijze waarop het Nederlands openbaar bestuur is georgani-
       seerd. Kenmerkend daarvoor is de grote autonomie van beleidsdomeinen en
       departementen. Dat kan gemakkelijk leiden tot een gefragmenteerde beeld van de
       werkelijkheid. Elke beleidskoker ziet vooral dat deel van de werkelijkheid dat van-
       uit zijn opdracht bezien relevant is, en hanteert regels die binnen de grenzen van
       het beleidsdomein wellicht logisch en hanteerbaar zijn. Maar voor burgers gaat het
       natuurlijk om de optelsom.
             Het totaal aantal keuzes en verleidingen dat zich per tijdseenheid aan een
       mens opdringt hebben we al eerder aangeduid als ‘keuzedruk’ (wrr 2014a). Het in
       kaart brengen van de keuzedruk, en de mentale belasting die er uit voort vloeit,
       kan helpen om bij nieuwe beleidsvoorstellen mee te wegen wat de gevolgen zijn
       voor de mentale belasting van burgers, en een discussie stimuleren over de wense-
       lijkheid en vormgeving van dat beleid.
Mentale belasting monitoren
Mentale belasting kent verschillende componenten. Het gaat om de cognitieve last, de benodigde
oplettendheid, het aantal keuzes, maar ook om de zelfcontrole die nodig is de ‘verstandige’ keuze
te maken en vol te houden. Wanneer die belasting het beschikbare ‘mentale budget’ van burgers
duurzaam overschrijdt, moet de overheid hier rekening mee houden. Deze monitoring is momen-
teel nog onvoldoende ontwikkeld. Bij nieuwe beleidsvoorstellen wordt wel in kaart gebracht wat
de gevolgen zijn voor inkomen (cpb), welvaart (cpb) of regeldruk (Actal). De wrr beveelt aan om
bij nieuw beleid ook de mentale belasting van burgers beter in kaart te brengen en te monitoren.
Dit voorstel is geïnspireerd op het idee van een ‘cognitive load stress test’, zoals voorgesteld door
het Behavioural Insights Team (bit), maar gaat een stap verder (Gandy et al 2016). De ‘non-cogni-
tive load stress test’ zou vragen kunnen bevatten als
– Hoeveel tijd kost het gebruikers om een aanvraag voor een dienst of toelage in te dienen?
– Is de informatie die wordt gevraagd makkelijk te achterhalen?
– Kan de taak op de automatische piloot worden uitgevoerd, of vraagt het veel berekeningen en
     afwegingen?
– Wordt van iemand gevraagd om zijn eigen situatie te beoordelen, of om bepaald gedrag lan-
     gere tijd vol te houden?
Dergelijke vragen stimuleren beleidsmakers om bij het ontwerpen van voorzieningen te kiezen
voor opties die de mentale belasting voor burgers zo veel mogelijk beperken. Daarbij zou ook moe-
ten worden gekeken naar de omstandigheden van de doelgroep van de voorgenomen wet- en
regelgeving. De opvolger van Actal (de autoriteit die de regeldruk van voorgenomen wet- en regel-
geving zal beoordelen) zou kunnen toetsen of de plannen zijn toegesneden op de mogelijkheden
en omstandigheden van deze mensen.
       ‘Doenvermogentoets’: de burger moet de wet niet alleen kennen maar ook ‘kunnen’
       Veel beleidseconomen en wetgevingsjuristen hanteren, vaak impliciet, het ratio-
       nalistische perspectief. Bij het maken van beleid draait het om de goede mix van
       informatie en ﬁnanciële prikkels. De burger wordt geacht de wet te kennen en ook
       te ‘kunnen’. Vanuit het tweede, realistischere perspectief is deze rechtseconomi-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 141 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 142 ======================================================================

<pre>140 weten is nog geen doen
    sche benadering niet voldoende. Bij het voorbereiden van beleid en wetgeving
    moeten ook gedragswetenschappelijke inzichten worden meegenomen. Daarbij
    gaat het niet alleen om de beperkingen van het menselijk denkvermogen, zoals al
    steeds vaker het geval is, maar ook om de grenzen aan het doenvermogen. De vraag
    is niet alleen of de burger de wet wel kan kennen, maar ook of de burger de wet wel
    ‘kan’ – gaat de wetgeving wel uit van reële assumpties over het gedrag van burgers?
    Deze vraag zou onderdeel uit moeten maken van een bredere gedragsweten-
    schappelijke toets bij de voorbereiding van beleid en wetgeving. De wrr (2014a)
    heeft al eerder bepleit om de vragen van het Integraal Afwegingkader beleid en
    regelgeving (iak) aan te scherpen. Bij voorgenomen beleid en regelgeving dient
    expliciet de vraag aan de orde te komen of de inrichting van de regelgeving reke-
    ning houdt met verschillen in doenvermogen van burgers.
    Reductie van mentale belasting bij life events
    Reductie van mentale belasting is met name belangrijk in situaties die niet vaak in
    een leven voorkomen maar grote impact kunnen hebben, zoals het krijgen van een
    kind, een echtscheiding, het verlies van een familielid, een ontslag of een faillisse-
    ment. Op dat soort momenten moet er vaak zeer veel geregeld worden, maar is er
    tegelijk sprake van veel stress of verdriet, waardoor het vermogen om dat te doen
    terugloopt. Life events gaan vaak gepaard met veranderingen in inkomen, die vra-
    gen om directe actie in een situatie waarin rust en overzicht juist ontbreken, bij-
    voorbeeld als je door een scheiding alleen verantwoordelijk bent voor de zorg voor
    je kinderen. Een alleenstaande ouder met weinig inkomen moet zeer alert zijn om
    administratief overeind te blijven. De Nationale ombudsman (2013: 13) berekende
    dat een alleenstaande ouder met twee schoolgaande kinderen, een deeltijdbaan,
    een aanvullende bijstandsuitkering en een huurwoning, ten minste twaalf ver-
    schillende inkomensbestanddelen van acht verschillende instanties heeft. Daar-
    voor moeten achttien verschillende formulieren ingevuld worden en ontvangt het
</pre>

====================================================================== Einde pagina 142 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 143 ======================================================================

<pre>                                                mentale vermogens, redzaamheid en beleid               141
         gezin tachtig verschillende betalingen per jaar. Het managen van die administratie
         vraagt een enorme zelforganisatie, die boven op de mentale belasting komt van het
         in je eentje opvoeden van twee schoolgaande kinderen.
              Juist in dit soort omstandigheden komen normaal gesproken redzame burgers
         in de problemen, doordat ze het overzicht en de motivatie verliezen en daardoor
         beslissingen uitstellen of verkeerde keuzes maken. Reductie van de mentale belas-
         ting, door vereenvoudiging van de regels of door gerichte ondersteuning, kan dan
         bijdragen aan de redzaamheid van burgers.
                              SCHEIDING
                                        LIFE                  MENTALE
                                                              BELASTING
                                EVENTS
                                    OVERSPANNEN
                                              SCHULDEN
  Pilot reductie mentale belasting life events
  De wrr beveelt aan om voor enkele veelvoorkomende life events, zoals baanverlies, echtscheiding
  en verlies van partner, een pilot of ibo ‘reductie mentale belasting’ te starten. In deze pilot zou
  rijksbreed in kaart moeten worden gebracht wat beleid en regelgeving vragen aan mentale vermo-
  gens van burgers in deze ingrijpende situaties. Daarbij moet een onderscheid gemaakt worden tus-
  sen de stressfactoren van het life event zelf, en de stress en mentale belasting die de regelgeving in
  die situaties oproept. In de pilot kan vervolgens bekeken worden hoe deze mentale belasting kan
  worden gereduceerd.
6.4      inhoud van beleid: meer dan informatie alleen
         Aanpassen van de keuzearchitectuur
         Er zijn grenzen aan het vermogen van mensen om altijd die optie te kiezen en uit
         te voeren die het beste aansluit op hun welbegrepen eigenbelang. Dit kan op ter-
         mijn grote gevolgen hebben voor hun ﬁnanciële of fysieke redzaamheid. Beleid dat
         de redzaamheid van burgers wil vergroten zal daarom rekening moeten houden
         met de differentiatie in mentale vermogens van burgers. In het eerste perspectief,
         dat uitgaat van de rationele burger, betekent dit vooral informatieverstrekking.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 143 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 144 ======================================================================

<pre>142       weten is nog geen doen
          Voorzie mensen van alle kennis en informatie die nodig is om een weloverwogen
          keuze te maken en het zal goed komen. Inmiddels is duidelijk dat dit lang niet altijd
          zo werkt. Sterker, een overdaad aan informatie kan de mentale vermogens van het
          individu verder onder druk zetten en leiden tot keuzestress (Schwartz 2005).
               In het tweede perspectief wordt daarom gekozen voor een veel breder palet
          aan sturingsmiddelen. Het is veel effectiever om mee te bewegen met de men-
          selijke beperkingen in plaats van het nog een keer uit te leggen. Vandaar de grote
          aandacht voor nudging. Dat is een vorm van beïnvloeding die niet alleen is geba-
          seerd op informatieoverdracht maar op een zodanige vormgeving van de keuze-
          architectuur dat mensen als het ware vanzelf worden geleid richting ‘een verstan-
          dige keuze’ (zie ook Tiemeijer et al. 2009; wrr 2014a). Kenmerkend voor nudging
          is dat de keuzevrijheid intact blijft. Mensen krijgen weliswaar een duwtje in de
          richting van een bepaalde optie, maar het staat iedereen geheel vrij om iets anders
          te kiezen. Daarin verschilt nudging van hardere instrumenten, zoals wettelijke
          geboden, verboden of ﬁnanciële sancties. Nudging kan een geschikt instrument
          zijn om mensen met minder doenvermogen toch met zachte hand te bewegen naar
          de keuze die past bij hun langetermijndoelen en -wensen.
                                                      KEUZE
    Pas de keuzearchitectuur aan
    De overheid kan inspelen op de variëteit in niet-cognitieve vermogens van burgers door de
    keuzearchitectuur aan te passen. Dat kan op verschillende manieren:
    – Simpele labels
    – Aanvinken van standaardopties (defaults)
    – Opt-outstelsels
    – Verleidingen verminderen
    – Geschaalde vrijheden
</pre>

====================================================================== Einde pagina 144 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 145 ======================================================================

<pre>                                  mentale vermogens, redzaamheid en beleid           143
De kracht van het duwtje kan verschillen. Een hele lichte vorm van nudging zijn
simpele labels die in één oogopslag duidelijk maken of een product past in een
gezond eetpatroon, zoals een stoplichtsysteem. In het rapport Naar een voedselbe-
leid wees de wrr al op de vele keurmerken en logo’s op de verpakkingen van pro-
ducten die de consument informeren (wrr 2014b). Echt verhelderend is dat niet,
en te veel of moeilijk vergelijkbare informatie kan als resultaat hebben dat mensen
het alleen maar moeilijker vinden om te kiezen (Van Putten et al. 2016). In plaats
van soms moeilijk te ontcijferen labels, kan beter worden volstaan met (rode of
groene) kleuren die de keuze min of meer automatisch beïnvloeden vanwege hun
diep ingesleten associatie met ‘niet doen’, ‘oppassen’, respectievelijk ‘veilig’ (Van
Herpen et al. 2013). De overheid kan een ordenende taak vervullen, door zorg te
dragen voor begrijpelijke en hanteerbare informatie die het in ieder geval niet
moeilijker maakt voor burgers om een passende keuze te maken.
Een andere mogelijkheid is om de fysieke omgeving zo in te richten dat deze de
goede keuzes in de hand werkt. Een voorbeeld is de ‘gezonde’ kantine, die op
steeds meer scholen wordt ingevoerd. Daarin zijn de gezonde producten promi-
nent uitgestald en makkelijk te pakken, terwijl de ongezonde snacks zijn verban-
nen naar een positie op het tweede plan, zodat het meer bewuste inspanning ver-
eist om die op te merken en te verkrijgen.
     Een relatief krachtige nudge is het aanpassen van de default, dat wil zeggen, het
sturen via vooraf aangevinkte standaardopties op keuzeformulieren.3 Als de over-
heid alvast de keuze aanvinkt die voor de meeste mensen waarschijnlijk de beste is,
zullen mensen die niet bereid of in staat zijn zelf een keuze te maken, deze optie
krijgen toebedeeld. Nog steeds blijft de keuzevrijheid gehandhaafd, want wie dat
wil kan afwijken van de vooraf geselecteerde optie (opting-out). Ook het moment
van kiezen is relevant. Er zijn momenten waarop mensen beter in staat of gemoti-
veerd zijn om verstandige keuzes te maken. Combineer daarom bijvoorbeeld het
jaarlijkse pensioenoverzicht met een toegankelijk aanbod om deel te nemen aan
een aanvullende pensioenregeling, waarbij een default-optie wordt voorgelegd die
goed aansluit bij de individuele omstandigheden van het individu.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 145 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 146 ======================================================================

<pre>144       weten is nog geen doen
Box 6.1          Nudging voor ﬁnanciële redzaamheid
   Een geslaagd voorbeeld van nudging in de ﬁnanciële sfeer biedt de Dienst Uitkeringen Onder-
   wijs (duo). Aanvankelijk kregen studenten die na vier jaar geen recht meer hadden op een basis-
   beurs en toch doorstudeerden, automatisch het maximale leenbedrag uitgekeerd. Wanneer een
   student dat niet wilde, moest hij dat op de website van de duo zelf veranderen. Veel studenten
   deden dat niet en leenden automatisch het maximale bedrag. In 2009 veranderde de duo de
   standaardoptie in het (in veel gevallen veel lagere) bedrag dat de student tot op dat moment als
   prestatiebeurs ontving. Het aantal studenten dat na aﬂoop van de basisbeurs maximaal leende
   daalde hierdoor van 68 procent in 2009 naar 11 procent in 2011. In 2014 werd nog een verandering
   doorgevoerd. Het vakje ‘maximaal lenen’ ontbrak voortaan als optie op het aanvraagscherm van
   de duo-website en studenten moesten daar zelf aangeven hoeveel ze wilden lenen. Dit leidde
   tot een halvering van het aantal studenten dat koos voor maximaal lenen (Van der Steeg en
   Waterreus 2015:220-221).
          Er is al het nodige geschreven over de normatieve kanten van de inzet van nudging.
          Voor een uitgebreidere behandeling daarvan verwijzen we naar het rapport Met
          kennis van gedrag beleid maken (wrr 2014a). Veel van de bezwaren die tegen nud-
          ging worden ingebracht gelden net zo goed voor sturing via andere instrumenten.
          Ze gaan over de vraag of overheidsbemoeienis met een bepaald gedrag wenselijk is,
          los van de manier waarop die bemoeienis vorm krijgt. Er is echter één bezwaar dat
          speciﬁek is verbonden met nudging, namelijk het gevaar van intransparantie. De
          wrr heeft daarom in zijn eerdere rapport gesteld dat overheden (of andere par-
          tijen) altijd voldoende open dienen te zijn over de wijze waarop ze nudging inzet-
          ten (zie ook rmo 2014 en Rli 2014).
          Verleidingen verminderen
          De meest rigoureuze manier om mensen te behoeden voor hun mentale zwakhe-
          den is natuurlijk om ze niet in verleiding te brengen. Voorbeelden van dergelijk
          beleid zijn het anti-rook, anti-drugs en anti-alcoholbeleid van de afgelopen jaren.
          Daarbij is de vrijheid om te roken, om drugs aan te schaffen, en voor minderjarigen
          om alcohol te kopen, sterk aan banden gelegd. De ratio achter dit beleid bevindt
          zich duidelijk op het gebied van zelfregulatie. Inmiddels weet iedereen wel dat te
          veel drinken, roken en verkeerd eten ongezond zijn, en velen zouden ook graag
          minderen of stoppen. Dit is echter bij uitstek een terrein waar weten niet vanzelf
          leidt tot doen. Doorslaggevend is hier het vermogen om verleidingen te weerstaan,
          dat vooral wordt bepaald door zelfcontrole. Omdat de zelfcontrole van veel bur-
          gers beperkt is, zal beleid ook moeten inzetten op het verminderen van verleidin-
          gen. Door het voor jongeren veel moeilijker te maken om te roken of drank te
          kopen, nemen de verleidingen sterk af en is er minder zelfcontrole nodig. Dat-
          zelfde geldt voor het tegengaan van obesitas. Een gezond voedingspatroon is
          bijzonder moeilijk vol te houden wanneer de publieke ruimte een obesogene
</pre>

====================================================================== Einde pagina 146 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 147 ======================================================================

<pre>                                            mentale vermogens, redzaamheid en beleid               145
        omgeving is waarin burgers voortdurend worden verleid tot veel en verkeerd eten.
        De wrr stelt daarom voor om op speciﬁeke plekken, zoals in scholen en zorg-
        instellingen, de verkoop van ongezonde producten aan banden te leggen (zie ook
        wrr 2014b).
              Een vergelijkbare strategie kan ook toepast worden op andere domeinen. In
        het wrr-rapport Samenleving en ﬁnanciële sector in evenwicht (wrr 2016) hebben
        we aandacht gevraagd voor het vergroten van de ﬁnanciële weerbaarheid van de
        samenleving. Dat kan onder meer door het moeilijker te maken om schulden te
        maken. Gokschulden, hypotheekschulden en schulden als gevolg van consumptief
        krediet spelen een belangrijke rol bij het ontstaan van ﬁnanciële problemen. Om
        die tegen te gaan is het zinvol om de mogelijkheden voor gokken, en consumptief
        krediet in te perken. Ook past hierbij het verder terugbrengen van de hypotheek-
        ruimte.
Verleidingen verminderen
Een onderdeel van een realistischere benadering van redzaamheid bestaat uit het terugdringen van
verleidingen, zodat mensen niet voortdurend een beroep hoeven te doen op hun zelfcontrole. Dat
speelt in het bijzonder in situaties en omgevingen waarin mensen gevoelig zijn voor verleidingen,
als gevolg van stress, armoede of jeugdige leeftijd. Voorbeelden hiervan zijn het sluiten van coffee-
shops in de nabijheid van scholen, snoepvrije kassa’s4, het weren van gokhallen uit sociaal-econo-
misch zwakke wijken en strenger toezicht op ﬂitskredieten door de afm5. Hier ligt een gezamen-
lijke verantwoordelijkheid voor bedrijven, maatschappelijke partijen en de overheid.
        Een realistische benadering betekent ook dat de overheid terughoudend is met
        grote keuzevrijheid rond cruciale vangnetten zoals pensioenvoorzieningen,
        arbeidsongeschiktheidsverzekeringen en ziektekostenverzekeringen. Veel burgers
        hebben op dit punt het nodige zelﬁnzicht, getuige het feit dat slechts een kleine
        minderheid voorstander zegt te zijn van een grote keuzevrijheid op het terrein van
        pensioenvoorzieningen (Van Dalen en Henkens 2016). Indien toch wordt besloten
        om meer keuzevrijheid te bieden, dan verdienen opt-outstelsels, waarbij men in
        beginsel automatisch verzekerd is tenzij men nadrukkelijk anders wil, de voorkeur.
              Daarbij kan men ook denken aan geschaalde vormen van keuzevrijheid. Daar-
        bij is er een verplichte basisvoorziening, maar is men boven een bepaald bedrag vrij
        om zich wel of niet bij te verzekeren. Een voorbeeld hiervan is de verplichte basis-
        verzekering in de zorg met optionele aanvullende verzekeringen. Eenzelfde syste-
        matiek is denkbaar bij arbeidsongeschiktheids- en pensioenvoorzieningen, bij-
        voorbeeld een stelsel waaraan iedereen verplicht deelneemt aan pensioensparen en
        een arbeidsongeschiktheidsverzekering, ook de groepen die dat nu niet kunnen of
        willen, zoals zzp’-ers. Maar de verplichting blijft beperkt tot een verzekerd mini-
        mum inkomen, daarboven is men vrijer om zelf keuzes te maken. Zo wordt
        voorkomen dat burgers zonder veel doenvermogen na arbeidsongeschiktheid of
</pre>

====================================================================== Einde pagina 147 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 148 ======================================================================

<pre>146       weten is nog geen doen
          pensionering in armoede vervallen en een beroep moeten doen op de sociale voor-
          zieningen. Tegelijkertijd behouden de burgers die zo veel mogelijk zelf kunnen en
          willen regelen de nodige vrijheid (De Vries en Van Woerkom 2016).
   Wees terughoudend met keuzevrijheid voor essentiële voorzieningen
   Hoever de overheid wil gaan in het verminderen van verleidingen en keuzes, is een politieke afwe-
   ging. Het is aan de politiek om hierin een evenwicht te vinden. Maar voor verschillende sectoren
   geldt dat inzetten op een grote individuele keuzevrijheid op de langere termijn niet altijd de groot-
   ste bijdrage levert aan individuele autonomie en redzaamheid. De wrr beveelt aan om zeer terug-
   houdend te zijn met het bieden van grote keuzevrijheden op het terrein van essentiële ﬁnanciële
   voorzieningen, zoals ziektekosten- en arbeidsongeschiktheidsverzekeringen en pensioenvoorzie-
   ningen. Mocht men toch overgaan tot het bieden van keuzevrijheid, dan verdienen opt-outstelsels
   met geschaalde vrijheden de voorkeur.
6.5       uitvoering van beleid: verifiëren en differentiëren
          Hoe ziet de beweging van beleid voor de rationele burger naar beleid voor de reële
          burger eruit in de uitvoeringspraktijk?
          De proportionele overheid: kleine fouten, kleine gevolgen
          Een te groot geloof in het rationalistische perspectief kan hele onaangename gevol-
          gen hebben als dat wordt gecombineerd met geautomatiseerde beleidsuitvoering.
          Door de combinatie van onrealistische assumpties over de vermogens en motie-
          ven van burgers en machinale uitvoering kunnen nare situaties ontstaan waarin
          goedwillende burgers disproportioneel worden gestraft. Wie even niet oplet, of
          verzuimt op tijd te betalen, ziet zijn boetes in korte tijd automatisch en zeer snel
          oplopen.
          Wie bijvoorbeeld een oude snorﬁets wegdoet en die niet afmeldt voor de verzeke-
          ring, krijgt een boete van 330 euro. Na acht weken wordt de boete automatisch met
          50 procent verhoogd tot 495 euro. Blijft de acceptgiro dan nog liggen, dan wordt
          dit bedrag nog eens met 100 procent verhoogd. Binnen een paar maanden is de
          boete dan al opgelopen tot 990 euro (Nationale ombudsman 2015:15). Het cjib
          heeft vervolgens de bevoegdheid om dit bedrag direct van de bankrekening te
          halen en om loonbeslag te leggen. Als dat niets oplevert, kan het cjib overgaan tot
          gijzeling. Dit overkwam duizenden burgers per jaar.6 Na gijzeling blijft de boete
          nog steeds openstaan en soms raken mensen hun baan of huis kwijt door de gijze-
          ling. Per saldo lost gijzeling dan niets op en maakt ze de problemen alleen maar
          groter. De afgelopen jaren kende het uwv een streng regiem voor mensen die niet
          tijdig en correct de vereiste inlichtingen doorgaven ten behoeve van hun uitkering.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 148 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 149 ======================================================================

<pre>                                                mentale vermogens, redzaamheid en beleid            147
         Dat regiem bracht ook veel goedwillende burgers in de problemen, omdat ze bij-
         voorbeeld een onopzettelijke fout hadden gemaakt bij het invullen van een formu-
         lier, of afhankelijk waren van anderen die niet tijdig informatie aanleverden.
               In al deze gevallen had men kunnen tegenwerpen dat de betreffende burgers
         het strikt genomen aan zichzelf te danken hebben: hadden ze maar beter moeten
         opletten – maar voor veel mensen is dat opletten soms te veel gevraagd. Inmiddels
         lijkt bij deze dossiers de wal het schip te keren. De uitvoering van de Fraudewet is
         inmiddels aanmerkelijk versoepeld en het cjib kent sinds juli 2015 de mogelijkheid
         van betalingsregelingen, en houdt rekening met een vrijwillige schuldregeling of
         schuldsaneringstraject. Gijzeling zonder onderbouwing van het om dat de schul-
         denaar wel kan maar niet wil betalen wordt door veel rechters niet meer toege-
         staan. Overheden gaan er niet meer automatisch vanuit dat de burger bewust nala-
         tig heeft gehandeld, maar erkennen dat er ook sprake kan zijn van een onbewuste
         fout. Een fout waarbij de consequenties bovendien in verhouding moeten blijven.
Box 6.2          Doorbreken van de automatische sanctieoplegging
  Vanwege het grote aantal gijzelingen en het rapport van de Nationale ombudsman is de Rijks-
  dienst Wegverkeer (rdw) gestart met een pilot waarin niet meer automatisch sanctie op sanctie
  volgt als blijkt dat een voertuig niet verzekerd is.7 Na een tweede sanctie ontvangt de kenteken-
  houder een brief met het verzoek contact op te nemen. In 47 procent van de gevallen komt con-
  tact daadwerkelijk tot stand. In 23 procent leidt dit tot aanpassing van het kentekenregister.8
        De pilot kent verschillende positieve uitkomsten, zoals toegenomen tevredenheid van ken-
  tekenhouders en tussenpersonen, betere samenwerking tussen de betrokken instanties, meer
  voldoening bij de medewerkers van de rdw en correcties in het kenteken- en persoonsregister.
  Inmiddels heeft de rdw besloten om deze werkwijze onderdeel te maken van het reguliere
  werkproces (Ministerie van VenJ 2017). Ook de Nationale ombudsman is positief over het inbou-
  wen van een contactmoment voordat een situatie van opeenstapeling van boetes kan ontstaan
  (Nationale ombudsman 2017a).
         Vanuit een realistischer perspectief op mentale vermogens dient de overheid bij
         handhaving van beleid eerst te veriﬁëren in hoeverre er sprake is van niet willen of
         van niet kunnen betalen. Vervolgens dient zij te differentiëren, en haar reactie af te
         laten hangen van de aard van de situatie. Omgekeerd mag ook van de burger ver-
         wacht worden dat hij zich als een verantwoordelijk burger gedraagt. Er moet dus
         sprake zijn van wederkerigheid: de bejegening van de burger die de zaak tracht te
         ﬂessen moet anders zijn dan van de burger die zich inspant zijn schulden te beta-
         len. Bij het innen van ﬁnanciële sancties hanteert de overheid sinds juli 2014 een
         model dat handvatten biedt voor het maken van een onderscheid tussen verschil-
         lende typen personen:
</pre>

====================================================================== Einde pagina 149 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 150 ======================================================================

<pre>148       weten is nog geen doen
Tabel 6.1
     Kwadrantenmodel               Persoon wil betalen                  Persoon wil niet betalen
                                        Stimuleren:                             Handhaven:
   Persoon kan betalen
                                  Betaalgemak vergroten                   Instrumenten inzetten
                                   Tijd en ruimte geven:                 Opsporen en bewegen:
 Persoon kan niet betalen
                                  Voorzieningen inzetten                  Instrumenten inzetten
Bron: Ministerie van VenJ 2015b. Zie ook Handreiking behoorlijke en effectieve invordering van geld-
schulden (Ministerie van bzk 2016).
          Maar een besef dat sommige mensen wel willen maar niet kunnen betalen is niet
          genoeg. Vanuit een realistischer perspectief op mentale vermogens dient de over-
          heid daarbij proportioneel op te treden. Forse fraudes verdienen forse sancties,
          maar kleine fouten moeten ook kleine gevolgen hebben. Bij burgers die wel willen
          betalen, maar moeite hebben met de formulieren of met plannen, is hulp bij het
          registreren en betalen eerder op zijn plaats dan automatische boetes. Voor wie wel
          wil betalen, maar dat even niet kan, is een betalingsregeling veel effectiever dan
          loonbeslag. Bij problematische schulden zou de overheid geen bijzondere
          bevoegdheden zoals gijzeling moeten inzetten als niet eerst is vastgesteld dat de
          schuldenaar beschikt over voldoende aﬂoscapaciteit. Pas wanneer er inderdaad
          sprake is van niet willen, zijn forse sancties op hun plaats.
               Vanuit een realistisch perspectief is het veelal ook niet zinvol om mensen met
          een ongezonde leefstijl te straffen door ze uit te sluiten van behandelingen of een
          hogere eigen bijdrage te laten betalen.9 Het probleem zit meestal niet in niet wil-
          len, maar vooral in het niet kunnen volhouden van een gezonde leefstijl. Een pro-
          portionele overheid kort bijvoorbeeld ook niet automatisch op een uitkering als de
          werkzoekende niet volledig voldoet aan het verplichte aantal sollicitaties, maar wel
          aantoonbaar bezig is zijn arbeidsmarktpositie te verbeteren, bijvoorbeeld door vrij-
          willigerswerk. Zo volgt de gemeente Amsterdam een nieuwe aanpak waar bij
          maatwerk wordt aangeboden in de vorm van een activeringstraject of vrijwilli-
          gerswerk aan groepen die op grote afstand staan van de arbeidsmarkt (Gemeente
          Amsterdam 2016).
               Vanuit een realistisch perspectief op mentale vermogens moet er ook ruimte
          zijn voor burgers om op hun schreden terug te keren en eerdere ‘fouten’ te herstel-
          len. Dat geldt zeker als de burger de gevolgen van een keuze niet kon voorzien. Zo
          blijkt uit onderzoek van de Nationale ombudsman (2016) dat mensen binnen de
          wmo niet altijd voldoende worden geïnformeerd over de eigen bijdrage voor gele-
          verde zorg (zie box 6.3). Hierdoor kunnen zij zich niet voorbereiden op de ﬁnan-
          ciële consequenties of ervoor kiezen om van de ondersteuning af te zien. Er zou
          daarom meer ruimte moeten komen om op een eerder gemaakte keuze terug te
          komen. Ook dat is een manier om stress en keuzelasten te reduceren.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 150 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 151 ======================================================================

<pre>                                                mentale vermogens, redzaamheid en beleid           149
Box 6.3         Overvallen door een hoge eigen bijdrage10
  Het keukentafelgesprek is een begrip geworden sinds de invoering van de wmo. Gemeente en
  zorgbehoevende bespreken daarin samen de wensen en mogelijkheden voor ondersteuning. In
  dat gesprek moet de gemeente aangeven dat de burger eventueel een eigen bijdrage verschuldigd
  is, zodat burgers daarmee rekening kunnen houden. Het is echter niet de gemeente die de hoogte
  van de eigen bijdrage bepaalt, maar het cak. Burgers die daarna informeren bij de gemeente krij-
  gen dit ook te horen. Sommige gemeenten verwijzen naar het rekenprogramma op de website
  van het cak. In theorie kan de burger met dit programma een indicatie krijgen van zijn eigen
  bijdrage, op basis van het soort zorg, de situatie van het huishouden, het (verzamel)inkomen,
  het vermogen en de leeftijd van de desbetreffende persoon. Maar dan moet de burger ook weten
  welk tarief de gemeente voor de zorg hanteert en welke productcode hij moet invoeren. Als de
  burger dus een geïnformeerde keuze wil maken, moet hij zelf in actie komen, zijn weg vinden
  naar de juiste informatie en volhouden om uiteindelijk de berekening te kunnen maken. Voor
  veel burgers is deze drempel te hoog, en zij lopen het risico achteraf geconfronteerd te worden
  met een hoge rekening. Bijkomend probleem is dat na ontvangst van de factuur van het cak de
  bezwaartermijn tegen het toekenningsbesluit van de gemeente veelal verstreken is. Vanuit het
  perspectief van de burger is het dan onbegrijpelijk dat hij geen bezwaar in kan dienen tegen het
  besluit van het cak, maar alleen tegen een besluit van de gemeente waarvan hij de ﬁnanciële
  consequenties helemaal niet kan overzien.
         Vroegtijdig en persoonlijk contact
         Bij een proportionele overheid past ook dat er vroegtijdig en persoonlijk contact
         wordt gezocht wanneer er sprake is van onregelmatigheden. De overheid kan
         alleen maar veriﬁëren en differentiëren als zij zich op de hoogte stelt van de per-
         soonlijke situatie. Vanuit gedragswetenschappelijk perspectief is er veel te zeggen
         voor vroegtijdig en persoonlijk contact met burgers. Wanneer burgers eenmaal
         diep in de problemen zitten, bijvoorbeeld wanneer ze grote schulden hebben, is de
         stress vaak zo hoog opgelopen dat ze weinig mentale ruimte hebben om helder na
         te denken, plannen te maken en deze ook vol te houden. Tegen die tijd zijn ze vaak
         het overzicht kwijt, hebben ze weinig geloof in eigen kunnen meer en is van hun
         redzaamheid niet veel over. Door in een vroegtijdig stadium en op een open
         manier contact op te nemen, blijft het stressniveau laag en zijn burgers beter in
         staat om op eigen kracht uit de problemen te blijven.11 Dat is niet alleen goed voor
         de redzaamheid van burgers, maar ook voor de schatkist, omdat burgers geen
         beroep hoeven te doen op schuldhulpverlening of andere sociale voorzieningen.12
</pre>

====================================================================== Einde pagina 151 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 152 ======================================================================

<pre>150        weten is nog geen doen
Box 6.4            Vroegtijdig en persoonlijk contact door cz
    De ziektekostenverzekeraar cz voert sinds 2013 een debiteurenbeleid dat rekening houdt met de
    persoonlijke omstandigheden van cliënten. Zodra mensen een lichte achterstand hebben in het
    betalen van de premie, worden ze al opgebeld. Dat gesprek wordt niet geopend met: ‘wanneer
    gaat u betalen?’, maar met: ‘hoe kunnen we u helpen?’. Waar het verschuldigde bedrag vroeger
    standaard in zes maanden moest zijn afbetaald, met een minimum van 50 euro aﬂossing per
    maand, vraagt cz nu aan de klant wat hij kan missen en wordt een meer op maat gesneden beta-
    lingsregeling getroffen. cz opereert daarbij op het randje van de wet, want formeel dienen cliën-
    ten met een achterstand van enkele maanden als wanbetaler te worden aangemeld bij het Zorg-
    instituut Nederland (Reijn 2016). Dat legt dan standaard een ﬂinke bestuursrechtelijke boete
    bovenop hun premie. Die boete moet net zo lang worden betaald tot ze door de zorgverzekeraar
    weer worden afgemeld.
         De persoonlijke, proportionele aanpak van cz heeft succes. cz treft vijf keer zoveel beta-
    lingsregelingen als vroeger en die worden veel beter nageleefd. De afschrijvingen op oninbare
    premies zijn gehalveerd van 20 miljoen euro in 2010 naar ongeveer 10 miljoen in 2015 en in
    plaats van 70 procent wordt nu ruim 90 procent van de achterstanden weer ingelopen.13
         cz is ook een van de trekkers van de schuldeiserscoalitie ‘Van schulden naar kansen’ die een
    ethisch manifest heeft opgesteld met daarin gedragsregels hoe om te gaan met wanbetalers. In
    die coalitie zitten ook postorderbedrijven, woningbouwverenigingen, telecomaanbieders en
    energiebedrijven die op een meer verantwoorde manier willen omgaan met problematische
    schulden. In het manifest maken ze duidelijk onderscheid tussen niet willen en niet kunnen:
    ‘Sommige klanten kunnen niet betalen. Met hen proberen we een oplossing te vinden. Klanten
    die niet willen betalen, kunnen verwachten dat we hen redelijk maar streng behandelen.’14
           Eenzelfde lijn wordt voorgesteld in de Handreiking behoorlijke en effectieve invor-
           dering van Bestuursrechtelijke geldschulden die door het Ministerie van bzk is
           gepubliceerd (2016). Een werkgroep heeft vanuit de praktijk een aantal best practi-
           ces geïnventariseerd, waarbij het in contact komen met de schuldenaar een kern-
           element is. Ook in dat kader is gebleken dat informeel en persoonlijk contact
           essentieel is om tot een voor beide partijen bevredigende oplossing te komen.15
           Bij dit alles gaat het niet alleen om (fysieke) nabijheid, maar ook om communicatie.
           Dat begint al bij de naam. Veel gemeentes spreken in hun informatiemateriaal bij-
           voorbeeld van ‘schuldhulpverlening’ of van ‘hulp bij schulden’. Mensen die nog
           geen ernstige schulden hebben of die zichzelf niet graag beschouwen als mensen
           die ‘hulp’ nodig hebben, kunnen dus makkelijk denken dat dit niet voor hen
           bedoeld is. Daar ga je alleen heen als je echt helemaal aan de grond zit. De betref-
           fende webpagina’s zien er soms ook nogal ambtelijk en streng uit, en spreken
           meteen van ‘voorwaarden’ waaraan moet worden voldaan, ‘stukken’ die moeten
           worden meegenomen, et cetera. Het is niet altijd even uitnodigend. Dat kan anders
           worden ingericht (zie box 6.5).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 152 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 153 ======================================================================

<pre>                                                  mentale vermogens, redzaamheid en beleid           151
Box 6.5          Het geldloket
  Een aardig voorbeeld van hoe het ook kan is het ‘Geldloket’ van de gemeente Amersfoort. Dat is
  in een apart kantoor gehuisvest, op een centrale locatie, met op de ramen duidelijk zichtbare tek-
  sten als ‘Stel hier je geldvragen’, ‘Uit elkaar? Ontslag? Gezinsverandering? Wil je weten wat dat
  ﬁnancieel voor je betekent?’ en ‘Bel of loop binnen voor een afspraak’. Ook de website van het
  Geldloket lijkt in tekst en vormgeving meer op die van een non-proﬁt adviesinstantie. ‘Geld-
  loket Amersfoort wijst de weg in geldzaken,’ luidt de slogan op de homepage. Nergens is het
  woord ‘schulden’ te vinden, en burgers komen er ook niet zozeer langs voor hulp maar om, zoals
  de medewerkers het zelf uitdrukken, te ‘sparren’ over hun ﬁnanciële situatie. Volgens het jaar-
  verslag van de verantwoordelijke Amersfoortse instelling bereikt het Geldloket juist mensen die
  in ﬁnancieel zwaar weer zijn beland maar nog geen problematische schulden hebben.16
  De wrr beveelt aan bij de uitvoering van beleid vroegtijdig en persoonlijk contact te zoeken wan-
  neer er sprake is van onregelmatigheden om zo beter onderscheid te kunnen maken tussen bur-
  gers die niet willen en die niet kunnen en bij te kunnen sturen op een moment dat mensen nog
  genoeg mentale ruimte hebben om helder na te denken en in actie te komen.
         De professionele werkvloer: van kennisvergroting naar stressvermindering
         Ook als de overheid bij het ontwerpen en uitvoeren van beleid reële verwachtin-
         gen hanteert over wat de burger kan en wil, zullen sommige mensen, op sommige
         momenten, niet zelf redzaam zijn. Hoe moeten professionals daarmee omgaan?
         Ze moeten allereerst in staat zijn om in te schatten over welke mentale vermogens
         deze burger beschikt. Dat betekent dat zorgverleners, uwv-medewerkers en
         schuldhulpverleners kennis moeten hebben over het belang van doenvermogen,
         om waar nodig de burger effectiever te kunnen ondersteunen. In de opleiding van
         deze professionals kan daar meer aandacht aan worden besteed. Bovendien kan de
         overheid de ontwikkeling stimuleren van instrumenten om een inschatting te
         maken van individuele mentale vermogens en hoe daarmee om te gaan.
Box 6.6          Ontwerpprincipes voor de werkvloer
  In de Verenigde Staten heeft de Crittenton Women’s Union met behulp van inzichten uit de
  ‘hersenwetenschap’ programma’s ontwikkeld die families met lage inkomens ondersteunen bij
  het bereiken van economische zelfstandigheid (Babcock 2014). Het doenvermogen van deze
  doelgroep staat vaak onder druk door de stress en mentale belasting die hun persoonlijke situ-
  atie meebrengt. Het programma Mobility mentoring richt zich op het wegnemen van verschil-
  lende barrières voor redzaamheid. Bijvoorbeeld door aandacht te besteden aan de toegankelijk-
  heid van voorzieningen en het vasthouden van deelnemers, door uitvallers de kans te geven hun
</pre>

====================================================================== Einde pagina 153 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 154 ======================================================================

<pre>152        weten is nog geen doen
    deelname weer op te pakken met zo weinig mogelijk negatieve consequenties. Of door een pro-
    gramma zo in te richten dat deelnemers zich bewust worden van hun eigen behoeftes, wensen
    en doelen, waarna bruikbare informatie wordt aangedragen over welke acties deelnemers kun-
    nen oppakken om die doelen te bereiken. Intrinsieke motivatie is immers een belangrijke voor-
    waarde voor succes.
    Het leidt tot op het oog heel simpele richtlijnen voor het contact tussen professional en cliënt,
    gericht op het reduceren van stress of mentale belasting van die cliënt:
    –   Zorg dat contact plaatsvindt in een locatie zonder aﬂeiding en op een manier die warm en
        uitnodigend is zodat de kans groter is dat de deelnemers hun focus kunnen behouden. Werk
        dus niet met hippe kantoortuinen, maar kies voor rustige spreekkamers en zorg voor kin-
        deropvang.
    –   Laat programma’s en voorzieningen zoveel mogelijk aansluiten bij de speciﬁeke behoeften
        en perspectieven van de cliënt, in plaats van te werken met directieve en gecentraliseerde
        benaderingen.
    –   Biedt instrumenten als checklists, herinneringen per sms en materiaal om administratie op
        orde te brengen, omdat deze cliënten het vaak lastig vinden om deadlines te onthouden en
        overzicht te behouden.
    –   Leg een route voor die bestaat uit kleine stappen die leiden naar een langetermijndoel dat
        voor de cliënt anders te overweldigend is of buiten zijn tijdshorizon ligt. Op deze manier
        kan men via herhaaldelijke positieve feedback ook het geloof in eigen kunnen van de cliënt
        versterken.
    De gemeente Alphen aan den Rijn is begin 2017 gestart met het Mobility Mentoring programma
    dat uitgaat van soortgelijke richtlijnen.
           Daarnaast kan de overheid erkennen dat omgang met sommige burgers meer tijd
           en ruimte vraagt dan bij anderen. Meer ﬂexibiliteit in het vergoedingssysteem zou
           het mogelijk maken voor sommige patiënten meer tijd te nemen, zodat zij met
           hulp van de arts kunnen groeien in hun rol van actieve patiënt. De uwv-mede-
           werker zou de professionele ruimte moeten hebben om de omgang met een werk-
           zoekende aan te passen op zijn speciﬁeke situatie. Bijvoorbeeld door rekening te
           houden met het ‘rouwproces’ van iemand die net zijn baan verloren heeft en door
           een traject voor te leggen waarin stapsgewijs wordt gewerkt aan het opdoen van
           positieve ervaringen die het vertrouwen in eigen kunnen weer doen toenemen en
           zijn kansen op de arbeidsmarkt vergroten.
                Tot slot moeten professionals oog hebben voor problemen op andere levens-
           domeinen en positieve en negatieve feedback loops. Juist omdat stress en mentale
           belasting een belangrijke rol spelen, staan problemen vaak niet op zich. Dat bete-
           kent ook dat de beste oplossing om redzaamheid van burgers te vergroten soms in
           een ander domein kan liggen. Dat inzicht vindt steeds meer zijn weg in de hulpver-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 154 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 155 ======================================================================

<pre>                                              mentale vermogens, redzaamheid en beleid            153
          lening. Zo heeft de afdeling jeugdpsychiatrie van het umcu het behandelteam uit-
          gebreid met maatschappelijk werkers. Zij begeleiden de patiënt tijdens de behan-
          deling, om ervoor te zorgen dat de patiënt na herstel van een psychose niet baan,
          huis en inkomen kwijt is en daardoor risico loopt op een terugval. En onder de titel
          ‘City Deal Inclusieve Stad’ wordt in een aantal gemeenten gewerkt aan de ontwik-
          keling van integrale alternatieve arrangementen op het gebied van o.a. wonen,
          werk en inkomen, zorg, jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning.17
  Richt een kenniscentrum in
  Gedragswetenschappelijke kennis vindt langzaam zijn weg in beleid, maar niet vanzelf en niet
  overal in gelijke mate (zie ook wrr 2014a). Voor het doordenken en in de praktijk brengen van dit
  realistische perspectief op de uitvoering van beleid is een kenniscentrum een optie. Daarin kunnen
  best practices worden ontwikkeld en getoetst, pilots en veldexperimenten worden uitgevoerd en
  opleidingen worden gestimuleerd. Het project ‘Prettig contact met de overheid’ (pcmo) zou een
  goede aanzet daarvoor kunnen zijn.
6.6       epiloog: een realistische overheid is een legitieme
          overheid
          De voorbeelden van cz en het Geldloket laten zien dat een meer realistisch per-
          spectief op mentale vermogens kan helpen om problematische schulden te voor-
          komen. Dat is goed voor de redzaamheid van burgers en voor de schatkist. Mis-
          schien nog wel belangrijker is dat een realistischer perspectief ook bij kan dragen
          aan de legitimiteit van overheid en beleid. In de afgelopen decennia heeft gedrags-
          wetenschappelijke onderzoek laten zien dat wanneer burgers zich fair behandeld
          voelen door bestuursorganen, ze meer vertrouwen hebben en eerder bereid zijn
          om hun beslissingen te accepteren, ook als deze negatief uitpakken.18 Dit rapport
          heeft geprobeerd die lijn van onderzoek en beleid een stap verder te brengen. Een
          realistischere benadering van burger en beleid, gebaseerd op de in dit rapport bij-
          eengebrachte inzichten uit de moderne gedragswetenschap, kan bijdragen aan een
          nieuwe invulling van het sociaal contract tussen overheid en burger. Een overheid
          die geen rekening houdt met de begrenzingen van het denk- en doenvermogen van
          burgers wordt uiteindelijk als een onbetrouwbare overheid gezien. De gedrags-
          wetenschap laat zien dat niet alle burgers, onder alle omstandigheden, in staat zijn
          om de wet te kennen en rationeel te handelen. Burgers moeten er daarom op kun-
          nen vertrouwen dat de overheid hen niet over de rand duwt en dat momenten van
          onoplettendheid en mentale zwakte niet direct ingrijpende gevolgen hebben.
          Dat vraagt om een overheid met een menselijk gezicht die rekening houdt met de
          verschillen tussen burgers.
               Een realistische overheid pakt fraudeurs hard aan, maar is coulant voor wie wel
          wil, maar niet kan. Een realistische overheid houdt er rekening mee dat ‘normale’
          mensen, als gevolg van keuzedruk, stress, verdriet, armoede, of ouderdom, niet
</pre>

====================================================================== Einde pagina 155 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 156 ======================================================================

<pre>154 weten is nog geen doen
    altijd even alert en goed georganiseerd zijn. Een realistische overheid faciliteert
    burgers door verstandige keuzes makkelijker te maken. Een realistische overheid
    heeft oog voor het menselijk tekort en zorgt ervoor dat kleine fouten geen grote
    gevolgen hebben. Een realistische overheid zoekt vroegtijdig en persoonlijk con-
    tact met burgers wanneer zaken mislopen. Een realistische overheid is daardoor
    een betrouwbare en een legitieme overheid.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 156 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 157 ======================================================================

<pre>                                           mentale vermogens, redzaamheid en beleid             155
noten
1   In het geval van verminderde verwijtbaarheid wordt een lagere boete opgelegd, dan wanneer
    betrokkene volledig verwijtbaar is of er sprake is van grove schuld of opzet. Verder worden bij
    het vaststellen van de boetehoogte ook de (ﬁnanciële) omstandigheden van de betrokkene
    bezien. Betrokkene wordt door de uitvoeringsinstanties en gemeenten in de gelegenheid
    gesteld hierover informatie te leveren (Ministerie van szw 2016a).
2   Grotere rechtspersonen gedragen zich, dankzij arbeidsdeling en specialisatie, vermoedelijk
    iets vaker conform het beeld van de homo economicus of de homo juridicus.
3   De afm en de acm hebben in opdracht van de minister van Financiën gekeken naar de kan-
    sen en risico’s van standaardproducten (Ministerie van Financiën 2016b). Daaruit blijkt dat
    mensen ondanks de keuzevrijheid vaak bij de ‘default’ blijven. Daarnaast zijn er aanwijzin-
    gen dat het aanbieden van een kleiner aantal producten het vergelijkingsgedrag stimuleert.
    Uit het onderzoek blijkt verder dat standaardproducten consumenten niet helpen bij het
    maken van keuzes en de keuzestress niet verminderd. De minister concludeert dat de resulta-
    ten over de automatische standaardkeuze (default) wel een aanknopingspunt zijn voor verder
    onderzoek.
4   Enkele supermarktketens experimenteren met gezondere koopjes bij de kassa. Maar het Voe-
    dingscentrum concludeerde in augustus 2015 dat veel winkels nog geen prioriteit geven aan
    het stimuleren van gezond gedrag onder hun klanten (http://www.voedingscentrum.nl/
    kassa).
5   Flitskredieten zijn leningen die korter lopen dan drie maanden. Sinds 1 juni 2011 moeten aan-
    bieders een vergunning van de afm hebben en mag maximaal 14 procent rente worden bere-
    kend (https://www.nibud.nl/consumenten/soorten-leningen/). Het Nibud waarschuwt
    echter nog steeds voor het risico’s van ﬂitskredieten. Verstrekkers van ﬂitskredieten vragen
    nu extra geld voor bepaalde diensten, zoals een garantiestelling, een advies over verzekerin-
    gen of het snel overboeken van het geld. Deze diensten zijn in theorie misschien niet ver-
    plicht, maar in de praktijk waarschijnlijk wel noodzakelijk. Ze maken dit soort leningen erg
    duur. Daarnaast rekenen de leningverstrekkers forse boetes wanneer men te laat terugbetaalt.
6   In 2013 is in ongeveer 22.000 zaken (betreffende ongeveer 7000 unieke personen) tot gijze-
    ling overgegaan. In 2014 werd in ongeveer 41.000 zaken tot gijzeling overgegaan (Ministerie
    van VenJ 2015a; Ministerie van VenJ 2015c) .
7   In opdracht van het om vergelijkt de rdw periodiek het kentekenregister met het verzeke-
    ringsregister om te zien voor welke voertuigen geen verzekering staat geregistreerd. In de
    pilot Betekenisvolle interventie registervergelijking (bir) heeft de rdw contact gezocht met
    kentekenhouders van wie de rdw bij herhaling een onverzekerd voertuig constateerde
    (Ministerie van VenJ 2016).
8   Dat kan het gevolg zijn van een actie door de kentekenhouder die het voertuig alsnog heeft
    geregistreerd, ofwel uit de registratie heeft genomen. In vijf gevallen bleken de kenteken-
    houders onjuist geregistreerd in het gba, waardoor ze onterecht nog in de registercontrole
    vielen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 157 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 158 ======================================================================

<pre>156 weten is nog geen doen
9   De nhs in Yorkshire heeft eind 2016 aangekondigd dat mensen die roken of ernstig overge-
    wicht hebben binnenkort voor een halfjaar of een jaar worden uitgesloten van operaties. Ze
    kunnen de wachttijd bekorten door twee maanden niet te roken of minimaal tien procent af
    te vallen (http://www.rokersbelangen.nl/436-geen-medische-behandeling-meer-voor-
    dikke-mensen-en-rokers). Ook in Nederland wordt af en toe gediscussieerd over de behande-
    ling van mensen met een ongezonde leefstijl. Zo bleek in 2015 uit een onderzoek van omroep
    kro-ncrv in samenwerking met de Federatie Medisch Specialisten dat ruim 40 procent van
    de ondervraagde artsen, een dwarsdoorsnede van de dokters in het ziekenhuis, graag het
    recht zou hebben om een behandeling te weigeren aan ongezond levende mensen (Trouw
    2015).
10  Gebaseerd op Nationale ombudsman 2016.
11  Onderzoek laat ook zien dat persoonlijk contact bijdraagt aan de ervaren legitimiteit van de
    beslissing, ook als deze negatief uitvalt voor de burger (Van den Bos, Van der Velden en Lind
    2014). Het project ‘Prettig Contact Met de Overheid’ vond in de informele aanpak van
    bezwaarprocedures een stijging van 40 procent in de tevredenheid van burgers en een
    gemiddelde kostenbesparing van 20 procent (bij een landelijke uitrol werd een jaarlijkse
    besparing van 100 miljoen euro geraamd) (rob 2014).
12  Een informele klachtenbehandeling kan volgens de Nationale ombudsman ook een integrale
    oplossing van de problemen van burgers mogelijk maken. In een rapport over de klacht-
    behandeling in het sociaal domein na de decentralisaties pleit hij voor een laagdrempelige
    manier om met de burger te bespreken welk probleem hij heeft en op welke manier dit het
    beste kan worden opgelost (Nationale ombudsman 2017b).
13  Bron: https://www.skipr.nl/actueel/id27291-cz-succesvol-met-soepeler-beleid-wanbeta-
    lers.html
14  Zie: http://www.schuldeiserscoalitie.nl/manifest/
15  In de zomer van 2016 is een pioniertraject gestart om de handreiking in de praktijk te testen,
    en na evaluatie van het traject te komen tot een landelijke uitrol (Ministerie van szw 2016b).
16  Dit betreft 89 procent respondenten die langskomen met een preventieve vraag. De website
    werd in campagnejaar 2014 bijna 400 keer per maand geraadpleegd (Geldloket Amersfoort
    2015).
17  Aan de City deal Inclusieve stad doen mee Eindhoven, Enschede, Leeuwarden, Utrecht en
    Zaanstad (City deal inclusieve stad 2016). Het initiatief richt zich op het verbeteren van de
    ondersteuning van inwoners die op meerdere terreinen hulp nodig hebben en gebaat zijn bij
    een integrale aanpak. Uitgangspunt is het organiseren van meer mogelijkheden voor maat-
    werk en ﬂexibiliteit binnen de eigen gemeentelijke organisatie, de landelijke kaders, maar ook
    bij de uitvoerende instanties. De ervaring leert bijvoorbeeld dat mensen die voor steun aan-
    kloppen bij een wijkteam problemen hebben met de basisbehoeften. Mensen staan pas open
    voor begeleiding rond opvoeding, participatie en werk als deze basale problemen zijn opge-
    lost.
18  Zie voor een overzicht Lind en Arndt 2015 en Van den Bos et al. 1998.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 158 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 159 ======================================================================

<pre>                                                                                    157
bijlage i: verantwoording survey
Het veldwerk voor het survey is uitgevoerd door bureau Veldkamp. Dat heeft hier-
voor gebruik gemaakt van de steekproefbron tns nipobase. Dit is een database van
huishoudens die zich bereid hebben verklaard met enige regelmaat aan enquêtes
van Veldkamp en tns nipo deel te nemen. Deze steekproefbron bevat circa
140.000 personen. Circa 120.000 van hen zijn 18 jaar en ouder. Het invullen van de
vragenlijsten vindt plaats op internet. Het veldwerk heeft plaatsgevonden van vrij-
dag 2 oktober tot en met maandag 12 oktober 2015.
Respons en weging
Het streven was een zo representatief mogelijk steekproef van Nederlanders van
18 jaar, maar met een oversample van respondenten bij wie op voorhand schulden-
problematiek kon werden vermoed. Om de gewenste steekproefsamenstelling te
realiseren is daarom:
– een initiële steekproef getrokken van bruto N = 1.100 personen van 18 jaar en
    ouder, waarbij is gestreefd naar representativiteit op de kenmerken geslacht,
    leeftijd, gezinsgrootte, opleiding, sociale klasse en regio. Voor deze steekproef-
    trekking is gebruik gemaakt van normcijfers die zijn ontleend aan de Gouden
    Standaard (2014).
– en zijn twee aanvullende steekproeven getrokken, namelijk 100 personen
    waarvan bekend is dat ze een bijstandsuitkering hebben en 210 personen die tot
    de C/D klasse gerekend kunnen worden.
In totaal telde de steekproef 1410 personen. Hiervan hebben in totaal 1011 mensen
de vragenlijst volledig ingevuld, een respons van 72 procent. De samenstelling van
de respons was als volgt:
</pre>

====================================================================== Einde pagina 159 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 160 ======================================================================

<pre>158          weten is nog geen doen
Tabel 7
          variabelen             normcijfers %        ongewogen %             gewogen %
 Geslacht
 man                                  49                   46                     49
 vrouw                                51                   54                     51
 Leeftijd
 18–24 jaar                           11                    8                     11
 25–34 jaar                           15                   12                     15
 35–49 jaar                           27                   26                     27
 50–64 jaar                           26                   29                     26
 65 jaar en ouder                     21                   25                     21
 Huishoudgrootte
 1 persoon                            21                   26                     21
 2 personen                           37                   39                     37
 3 personen                           16                   16                     16
 4 of meer personen                   18                   12                     18
 5 of meer personen                    9                    7                      8
 Opleiding
 lager (t/m mavo)                    25                    26                     25
 middelbaar (mbo t/m vwo)             41                   40                     42
 hoger (hbo+)                        34                    35                     35
 Sociale klasse
 A (hoog)                            20                    16                     20
 B1                                   32                   25                     33
 B2                                   17                   12                     14
 C                                    27                   42                     28
 D (laag)                              4                    5                      4
 Regio
 3 grote gemeenten                    16                   14                     12
 rest west/randgemeenten             30                    34                     33
 noord                                10                   11                     10
 oost                                 21                   21                     21
 zuid                                 24                   20                     24
             De verschillen tussen de gewogen steekproef en de normcijfers zijn beperkt, zodat
             slechts kleine weegfactoren nodig zijn:
             – 15 procent van de respondenten heeft een weegfactor van minder dan 0,59
</pre>

====================================================================== Einde pagina 160 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 161 ======================================================================

<pre>                                            bijlage i: verantwoording survey     159
–   77 procent van de respondenten heeft een weegfactor tussen 0,60 en 1,59
–   8 procent van de respondenten heeft een weegfactor van meer dan 1,59
Personen zonder internetaansluiting zijn niet vertegenwoordigd in de steekproef.
In 2013 had echter 95 procent van de Nederlanders toegang tot internet, en in 2014
is 90 procent van de Nederlanders dagelijks actief op internet (cbs).
Beschrijving variabelen
Het survey bevatten meerdere onderwerpen en vragen. Hieronder beschrijven we
alleen de variabelen die van belang zijn voor dit Rapport.
1. Leeftijd. Dit is de leeftijd in levensjaren.
2. Opleiding. Van elke respondent is de hoogst voltooide opleiding volgens de
    cbs-indeling gescoord. Voor de analyse zijn vervolgens drie opleidingsniveau
    samengesteld:
    – laag: cbs-niveaus 1, 2 en 3;
    – middel: cbs-niveaus 4 en 5;
    – hoog: cbs-niveaus 6 en 7.
3. Sociale inbedding. Dit is gemeten met de eenzaamheid-schaal van Van Til-
    burg en De Jong Gierveld (2007)
    – Ik ervaar een leegte om me heen
    – Er zijn genoeg mensen op wie ik in geval van narigheid kan terugvallen
    – Ik heb veel mensen op wie ik volledig kan vertrouwen
    – Er zijn voldoende mensen met wie ik me nauw verbonden voel
    – Ik mis mensen om me heen
    – Vaak voel ik me in de steek gelaten
De stellingen werden in random volgorde voorgelegd. Respondenten konden bij
elke stelling antwoorden op een vijfpunt-schaal (1 = helemaal niet op mij van toe-
passing, 5 =heel erg op mij van toepassing).
4. Utrechtse Proactive Coping Competenties (upcc). Als indicatie van de
    mate waarin een respondent beschikt over de vijf vermogens van redzaamheid,
    is gebruik gemaakt van de Utrechtse Proactive Coping Competenties – schaal
    (Bode, Thoolen en De Ridder 2008).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 161 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 162 ======================================================================

<pre>160 weten is nog geen doen
             De respondenten werd gevraagd in hoeverre zij beschikken over de vol-
       gende vaardigheden.
       – Toekomstige ontwikkelingen inschatten
       – Vooruitkijken
       – Eerste tekenen herkennen als iets fout dreigt te gaan
       – Open staan voor commentaar van anderen
       – Mijn eigen mogelijkheden en kansen zien
       – Mijn eigen belemmeringen zien
       – Mijn omgeving inschatten
       – Duidelijk formuleren wat ik wil bereiken
       – Mijn wensen in plannen vertalen
       – Realistische plannen maken
       – Andere mensen om raad vragen
       – Oplossingen vinden
       – Alternatieven bedenken als een oplossing niet werkt
       – Echt doen wat ik van plan was
       – Volhouden
       – Steun zoeken als het moeilijk wordt
       – Nagaan of ik bereikt heb wat ik wilde bereiken
       – Positieve kanten aan een tegenslag zien
       – Leren van tegenslag
       – Erbij stil staan als iets goed gaat
       – Mijzelf belonen als iets lukt
    De 21 vaardigheden werden in random volgorde voorgelegd. Respondenten kon-
    den bij elke stelling antwoorden op een vijfpunt-schaal (1 = niet vaardig, 5 = zeer
    vaardig). Cronbach’s alfa was 0,93.
    5. Avoidance en approach-temperament. Deze zijn gemeten met (een licht
       aangepaste versie van) de Nederlandse vertaling door Bipp et al (2015) van de
       Avoidance and Approach Temperament Scale van Elliot en Thrash (2010). De
       eerste zes stellingen meten Avoidance-temperament, de tweede zes Approach-
       temperament.
       – Van nature ben ik een erg nerveus persoon
       – Ik maak me snel zorgen
       – Angst en onrust voel ik heel intens
       – Ik reageer heel sterk op slechte ervaringen
       – Als het erop lijkt dat er iets ergs kan gebeuren, heb ik de neiging om te vluchten
       – Ik kan me makkelijk slechte dingen voorstellen die me zouden kunnen overko-
            men
</pre>

====================================================================== Einde pagina 162 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 163 ======================================================================

<pre>                                               bijlage i: verantwoording survey       161
     –  Ik krijg energie van nadenken over de dingen die ik wil
     –  Wanneer ik mogelijkheden zie voor iets dat ik leuk vind, word ik meteen
        enthousiast
     –  Er is niet veel voor nodig om mij enthousiast en gemotiveerd te krijgen
     –  Ik ben altijd alert op positieve mogelijkheden en ervaringen
     –  Als ik iets wil, voel ik een sterke wens daar achteraan te gaan
     –  Wanneer me goede dingen overkomen, raakt me dat heel sterk
Respondenten konden bij elke stelling antwoorden op een vijfpunt-schaal
(1 = helemaal niet op mij van toepassing, 5 =heel erg op mij van toepassing). De
twee sets van stellingen werden in random volgorde als één blok van twaalf stellin-
gen voorgelegd.
      De gemiddelde score op beide sets van zes stellingen werd genomen als indi-
cator voor Avoidance respectievelijk Approach temperament (Cronbach’s alpha’s
waren 0,85 respectievelijk 0,78).
6. Zelfcontroleschaal. Zelfcontrole is gemeten met een Nederlandse vertaling
     van de Brief Self Control Scale van Tangney et al (2004). Deze bestaat uit de vol-
     gende dertien stellingen, die in random volgorde zijn voorgelegd.
     – Ik kan verleidingen goed weerstaan
     – Ik vind het moeilijk om slechte gewoonten af te leren (rev)
     – Ik ben lui (rev)
     – Ik zeg ongepaste dingen (rev)
     – Ik doe vaak dingen die slecht voor me zijn als ze leuk zijn (rev)
     – Ik weiger dingen die slecht voor me zijn
     – Ik zou willen dat ik meer zelfdiscipline had (rev)
     – Mensen zeggen dat ik een ijzeren zelfdiscipline heb
     – Pleziertjes weerhouden me er soms van mijn werk af te krijgen (rev)
     – Ik heb moeite me te concentreren (rev)
     – Ik kan goed werken aan lange termijn doelen
     – Soms kan ik ergens niet mee stoppen, zelfs als ik weet dat het verkeerd is (rev)
     – Ik onderneem vaak actie zonder eerst alle alternatieven te overwegen (rev)
Respondenten konden bij elke stelling antwoorden op een vijfpunt-schaal
(1 = helemaal niet op mij van toepassing, 5 = heel erg op mij van toepassing).
      Voor de analyse zijn de stellingen waarachter ‘(rev)’ staat omgecodeerd, en ver-
volgens is het gemiddelde van alle dertien stellingen genomen als score voor zelf-
controle (Cronbach’s alfa = 0,80).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 163 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 164 ======================================================================

<pre>162 weten is nog geen doen
    7. Optimisme en Mastery. Hiervoor is gebruik gemaakt van Nederlandse verta-
         lingen van de lot-r schaal (Scheier et al 1994) en de Mastery-scale (Pearlin en
         Schooler 1978). De lot-r bestaat exclusief de vier ﬁller-items uit de volgende
         zes items.
         – In onzekere tijden, heb ik meestal toch de beste verwachtingen
         – Als er iets in mijn leven mis kan gaan, dan gaat het ook mis (rev)
         – Ik ben altijd optimistisch over mijn toekomst
         – Ik verwacht eigenlijk nooit dat de dingen zullen gaan zoals ik wil (rev)
         – Ik reken er meestal niet op dat mij iets goeds zal overkomen (rev)
         – Over het algemeen verwacht ik dat me meer goede dingen dan slechte dingen
             zullen overkomen
         De Mastery schaal bestaat uit de volgende zeven items:
         – Sommige van mijn problemen kan ik met geen mogelijkheid oplossen (rev)
         – Soms heb ik het gevoel dat ik een speelbal van het leven ben (rev)
         – Ik heb weinig controle over de dingen die me overkomen (rev)
         – Ik kan ongeveer alles als ik mijn zinnen erop heb gezet
         – Ik voel me vaak hulpeloos bij het omgaan met de problemen van het leven
             (rev)
         – Wat in de toekomst gebeurt, hangt voor het grootste deel van mezelf af (rev)
         – Er is weinig dat ik kan doen om belangrijke dingen in mijn leven te veranderen
    Beide schalen zijn samengenomen tot reeks van dertien items die in random
    volgorde is voorgelegd, zodat bespaard kon worden op de vier ﬁller-items van de
    lot-r. In de analyse zijn beide schalen echter apart behandeld.
          Respondenten konden bij elke stelling antwoorden op een vijfpunt-schaal
    (1 = helemaal niet op mij van toepassing, 5 = heel erg op mij van toepassing).
    Voor de analyse zijn de stellingen waarachter ‘(rev)’ staat omgecodeerd.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 164 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 165 ======================================================================

<pre>                                                                               163
bijlage ii: lijst van gesproken personen
Functieaanduidingen ten tijde van het gesprek
   P. van de Aa, beleidsonderzoeker, gemeente Rotterdam
   M. Aarts, ﬁnancieel coach en trainer, saldosupport ﬁnanciële coaching Delft
   G. Adriaansen, beleidsmedewerker, ministerie van Volksgezondheid Welzijn
   en Sport
   N. Andringa, teamleider, wijkteam ZuidWest Leeuwarden
   J. Ammerlaan, verpleegkundig onderzoeker, Universitair Medisch Centrum
   Utrecht
   M. Apers, medisch maatschappelijk werker, Universitair Medisch Centrum
   Utrecht
   J. Boelhouwer, wetenschappelijk medewerker informatievoorziening, Sociaal
   en Cultureel Planbureau
   K. van den Bos, hoogleraar sociale psychologie, Universiteit Utrecht
   R. Blonk, bijzonder hoogleraar arbeidsparticipatie en psychische klachten,
   Universiteit Utrecht/tno
   N. de Boer-Nijhof, werkgroep patiëntenparticipatie, Universitair Medisch
   Centrum Utrecht
   G. Bos, loopbaancoach, Menea Zoetermeer
   R. Bos, medisch maatschappelijk werker, Universitair Medisch Centrum
   Utrecht
   J.W. Bosman, teammanager schuldhulpverlening , gemeente Tilburg
   Y. van den Bosch, praktijkondersteuner, huisartsenpraktijk Schiedam
   C. Brocatus, case manager, sociale dienst regio Hoeckse Waard
   J. Broer, ﬁnancieel consulent, Geldloket Amersfoort
   M. Buisman, onderzoeker, Expertisecentrum Beroepsonderwijs (ecbo)
   L. Burdof, hoogleraar determinants of public health, Erasmus Medisch
   Centrum Rotterdam
   M.J. Cramer, cardioloog, Universitair Medisch Centrum Utrecht
   C. Crum, beleidsmedewerker, ministerie van Volksgezondheid Welzijn en
   Sport
   M. van Dam, Bureau Nationale Ombudsman
   A. Demiray, adviseur intensieve dienstverlening, uwv Amsterdam
   F. Dekker, arbeidssocioloog, Erasmus Universiteit Rotterdam
   J. Denissen, hoogleraar ontwikkelingspsychologie, Universiteit Tilburg
   A. van Diepen, senior adviseur, Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling,
   Den Haag
   W. van Dijk, bijzonder hoogleraar psychologische determinanten van econo-
   misch keuzegedrag, Universiteit Leiden
</pre>

====================================================================== Einde pagina 165 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 166 ======================================================================

<pre>164 weten is nog geen doen
       R. Dillingh, kennisdirectie arbeidsmarkt, Ministerie van Sociale Zaken en
       Werkgelegenheid
       F. Van der Doelen, beleidsmedewerker, Ministerie van Veiligheid en Justitie
       E. Erdogrul, klantmanager sociale dienst Zoetermeer
       I. den Exter-Schuurman, huisarts, huisartsenpraktijk Schiedam
       T. Fokkema, onderzoeker, Nederlands Interdisciplinair Demograﬁsch Insti-
       tuut
       K. Fiege, vrijwilliger, Samen Meedoen Amsterdam
       E. Gerritsen, Secretaris-generaal, Ministerie van Volksgezondheid Welzijn en
       Sport
       Y. el Ghali, vrijwilliger, Samen Meedoen Amsterdam
       C. van der Hoop, klantmanager sociale dienst Zoetermeer
       A. Den Haan, klantmanager inkomen, sociale dienst regio Hoeckse Waard
       M. Harbers, onderzoeker, Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu
       M. ten Have, medewerker bijzonder beheer, ing
       W.J. van Helden, projectleider, Bureau Nationale ombudsman
       C. Hermans, hoofd centrale strategische unit, Ministerie van Veiligheid en
       Justitie
       N. Hoeymans, onderzoeker, Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu
       W. Houtkoop, senior onderzoeker, Expertisecentrum Beroepsonderwijs
       (ecbo)
       G. Jiskoot, onderzoeker, Erasmus Medisch Centrum Rotterdam
       N. Jungmann, lector rechten, schulden en incasso, Hogeschool Utrecht
       M. de Klerk, senior wetenschappelijk medewerker, Sociaal en Cultureel
       Planbureau
       E. van der Klis, voormalig sociaal raadsman, Combiwel Amsterdam
       J. de Kock, voorzitter, nvvk
       J. Koen, assistent professor, Universiteit van Amsterdam
       B. Koning, operations specialist bijzonder beheer, ing
       A. Knops, beleidsmedewerker Patiëntenfederatie Nederland
       A. de Kruijf, consulent, Geldloket Amersfoort
       A. Kruize, reumatoloog, Universitair Medisch Centrum Utrecht
       L. Kuijpers, beleidsmedewerker, Ministerie van Volksgezondheid Welzijn en
       Sport
       K. Kuipers, raadsadviseur, Ministerie van Algemene Zaken
       D. Lagerwerf, diëtiste centrum gezond gewicht, Erasmus Medisch Centrum
       Rotterdam
       M. van Leeuwen, medewerker, wijkteam ZuidWest Leeuwarden
       J. Lee Sack Fong, klantmanager/ voorzitter beroepsvereniging klantmanagers
       C. Liberton, projectleider professionalisering & volwasseneneducatie,
       Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen
       T. Madern, senior onderzoeker, lectoraat Armoede en Participatie,
       Hogeschool van Amsterdam
</pre>

====================================================================== Einde pagina 166 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 167 ======================================================================

<pre>                                 bijlage ii: lijst van gesproken personen  165
G. Mentink, beleidsmedewerker, ministerie van Volksgezondheid Welzijn en
Sport
A, Moerman, afdelingsmanager sociaal raadslieden en schuldhulpverlening,
Rijnstad, losr/mogroep
J. van Os, programmasecretaris, Zonmw
M. Polman, beleidsmedewerker, Ministerie van Volksgezondheid Welzijn en
Sport
N. Popma, ﬁnancieel coach en trainer, Stach Breda
J. Rademakers, hoofd onderzoeksafdeling, Nivel
R. Risselada, directie kennis, Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegen-
heid
D. de Ridder, hoogleraar gezondheidspsychologie, Universiteit Utrecht
T. Roos, landelijk projectmanager 50plus Werkt, uwv Amsterdam
L.F.C. van Rossum, hoofd Centrum Gezond Gewicht, Erasmus Medisch
Centrum Rotterdam
E. Rutten, senior beleidsmedewerker, Ministerie van Sociale Zaken en Werk-
gelegenheid
M. Scheltema, regeringscommissaris voor de algemene regels van bestuurs-
recht
H. Schipper, directeur rechtsbestel, Ministerie van Veiligheid en Justitie
H. Schippers, accounthouder buitenlandse zaken, Actal
W. Schooneboom, medewerker, wijkteam ZuidWest Leeuwarden
M. Schmaal, Maatschappelijk werker/systeembegeleider, Universitair
Medisch Centrum Utrecht
O. Schneider, loopbaancoach, Menea
M. Schuring, post-doctoraal onderzoeker, Erasmus Medisch Centrum
Rotterdam
H. Slooter, adviseur intensieve dienstverlening, uwv Amsterdam
A. Speijer, coördinator kwaliteit van zorg vsop
M. Stal, raadsadviseur, Ministerie van Algemene Zaken
C. van Stijn, coördinator thuisadministratie, Humanitas Zoetermeer
K. Stronks, hoogleraar sociale geneeskunde, Amsterdam Medisch Centrum
A. Tuzgöl, projectleider bureau de Nationale ombudsman
S. Tjeerds, beleidsmedewerker, Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegen-
heid
M. Trappenburg, hoogleraar van het maatschappelijk werk, Universiteit voor
Humanistiek
L. van der Velden, directie democratie en burgerschap, Ministerie van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
S. Vermeulen, raadadviseur wetgevingskwaliteitsbeleid, ministerie van
Veiligheid en Justitie
A. Victoor, beleidsmedewerker Patiëntenfederatie Nederland
Y. van der Vlugt, projectleider, Bureau Nationale ombudsman
</pre>

====================================================================== Einde pagina 167 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 168 ======================================================================

<pre>166 weten is nog geen doen
       E. Vogels, beleidsmedewerker, Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegen-
       heid
       M. de Vries, klantmanager, sociale dienst gemeente Leiden
       K. Werkhorst, sectorhoofd juridische zaken en wetgevingsbeleid, ministerie
       van Veiligheid en Justitie
       B. van Wijck, anesthesioloog/pijnspecialist, Universitair Medisch Centrum
       Utrecht
       M. de Wit, senior onderzoeker, ggd Amsterdam
       A. Zarinkhameh, Raad voor de Volksgezondheid & Zorg
       R. van Zijp, Secretaris, Actal
       R. van Zutphen, Nationale ombudsman
</pre>

====================================================================== Einde pagina 168 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 169 ======================================================================

<pre>                                                                                             167
          literatuurlijst
Ackerman, P.L. (2011) Cognitive fatigue: multidisciplinary perspectives on current research
          and future applications, Washington D.C.: American Psychological Association.
Ackermann, R. T., E. A. Finch, E. Brizendine, H. Zhou & D.G. Marrero (2008) ‘Translating
          the Diabetes Prevention Program into the community: the deploy pilot
          study’, American Journal of Preventive Medicine, 35, 4: 357-363.
acm (2015) Een onderzoek naar de handelspraktijken van incassobureaus. Den Haag:
          Autoriteit Consument en Markt.
Actal (2014) Advies regeldruk door inkomenskoppelingen en inkomensdrempels, Den Haag:
          Actal.
Adriaanse, M.A., G. Oettingen, P.M. Gollwitzer, E.P. Hennes, D.T. Ridder de, & J.B. Wit de
          (2010) ‘When planning is not enough: Fighting unhealthy snacking habits by
          mental contrasting with implementation intentions (mcii)’, European Journal of
          Social Psychology, 40, 7: 1277-1293.
afm (2015) Neem drempels weg opdat Nederlanders in actie komen voor hun pensioen, afm,
          Oktober 2015. Amsterdam: Autoriteit Financiële Markten.
Akkermans, J., V. Brenninkmeijer, W.B. Schaufeli en R.W. Blonk (2015) ‘It’s All About
          Careerskills: Effectiveness of a Career Development Intervention for Young
          Employees’, Human Resource Management 54, 4: 533-551.
Algemene Rekenkamer (2016) Aanpak van laaggeletterdheid. Den Haag: Algemene
          Rekenkamer.
Ammerlaan, J.W., L.W. Scholtus, J.W.J. Bijlsma en B.J. Prakken (2013) ‘An urge for change:
          transitional care for young adults with juvenile idiopathic arthritis’, Patient
          Education and Counselling 2013, 92: 127-9.
Ammerlaan, J.W., L.W. Scholtus, C.H.C. Drossaert, H. van Os-Medendorp, B. Prakken,
          A.A. Kruize & J.J.W. Bijlsma (2014) ‘Feasibility of a website and a hospital-based
          online portal for young adults with juvenile idiopathic arthritis: views and
          experiences of patients’, jmir Research Protocol 2014 4, 3: e102.
Ammerlaan, J., O.K. Mulder, N.C. de Boer-Nijhof, B. Maat, A.A. Kruize, J. van Laar,
          H. van Os-Medendorp & R. Geenen (2016) ‘Building a tailored, patient-guided,
          Web-based self-management intervention ‘ReumaUitgedaagd!’ for adults with a
          Rheumatic disease: results of a usability study and design for a randomized control
          trail’, jmir Research Protocols, 23.06.2016.
Arnsten, A.F.T. (2013) Fleeting thoughts: Molecular vulnerabilities in prefrontal cortical
          circuits, blz. 45-54 in D.T. Stuss & R.T. Knight (red.) Principles of frontal lobe
          function, Oxford: Oxford University Press.
Baay, P., M. Buisman en W. Houtkoop (2015) Laaggeletterden: achterblijvers in de
          digitale wereld? Vaardigheden van burgers en aanpassingen door
          overheden, ’s-Hertogenbosch: ecbo.
Babcock, E.D. (2014) Using brain science to design new pathways out of poverty, Boston:
          Crittenton Women’s Union.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 169 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 170 ======================================================================

<pre>168      weten is nog geen doen
Barrick, M.R. en M.K. Mount (1991) ‘The big ﬁve personality dimensions and job
         performance: a metaϢanalysis’, Personnel Psychology 44, 1: 1-26.
Barrick, M.R., M.K. Mount en T.A. Judge (2001) ‘Personality and performance at the
         beginning of the new millennium: what do we know and where do we go next?’,
         International Journal of Selection and Assessment 9, 1-2: 9-30.
Bauman, Z. (2007) Liquid Times: Living in an Age of Uncertainty, London: Polity Press.
         Nederlandse vertaling (2011) Vloeibare tijden. Leven in een eeuw van onzekerheid
         (vertaald door J.M.M. de Valk, met een woord vooraf door Willem Schinkel),
         Utrecht: Uitgeverij Klement/Pelckmans.
Baumeister, R.F., J.D. Campbell, J.I. Krueger en K.D. Vohs (2003) ‘Does high self-esteem
         cause better performance, interpersonal success, happiness, or healthier
         lifestyles?’, Psychological Science in the Public Interest 4, 1: 1-44.
Baumeister, R. F. en en K.D. Vohs (2016) ‘Misguided effort with elusive implications’,
         Perspectives on Psychological Science, 11, 4: 574-575.
Baumeister, R.F., K.D. Vohs en D.M. Tice (2007) ‘The strength model of self-control’,
         Current Directions in Psychological Science 16, 6: 351-355.
Beames, J., T.P. Schoﬁeld & T.F. Denson (te verschijnen) ‘A Meta-analysis of Improving
         Self-control with Practice’, in D.T. de Ridder, M. Adriaanse, K. Fujita
         (red.) International Handbook of Self-control in Health and Well-being. Abingdon
         Oxford: Routledge.
Berg, M. van den en C.G. Schoemaker (red.) (2010) Effecten van preventie. Deelrapport van
         de vtv 2010. Van gezond naar beter, Bilthoven: rivm.
Berge, W. van den, R. Daas, A.B. Dijkstra, T. Ooms en B. ter Weel (2014) Investeren in skills
         en competenties. Een voorstudie voor programmering van onderzoek en beleid,
         Den Haag: Centraal Planbureau.
Berge, W. van der en B. ter Weel (2015) ‘De impact van technologische verandering op de
         Nederlandse arbeidsmarkt’, blz. 1999-2004, in R. Went, M. Kremer en A.
         Knottnerus (red) (2015) De robot de baas. De toekomst van werk in het tweede
         machinetijdperk, Amsterdam: Amsterdam University Press.
Berkman, N.D., S.L. Sheridan, K.E. Donahue, D.J. Halpern, A. Viera & K. Crotty (2011)
         Health literacy interventions and outcomes: An update of the literacy and health
         outcomes systematic review of the literature. (Evidence report/ technology
         Assessment, number 1999. Prepared by rti-international-University of North
         Carolina Evidence-based Practice center under Contract No. 290-2007-10056-I.
         ahrq Publication Number 11-E006). Rockville, md: Agency for healthcare
         research and quality.
Bode, C., B. Thoolen & D. de Ridder (2008) ‘Measuring proactive coping. Psychometric
         characteristics of the Utrecht Proactive Coping Competence scale
         (upcc)’, Psychologie & Gezondheid 36, 2: 81-91.
Boer, de en S. Kooiker (2012) ‘Zorg’ in V. Veldheer, J.J. Jonker, L. van Noije en C. Vroomen
         (red.) (2012) Een beroep op de burger. Minder verzorgingsstaat, meer eigen
         verantwoordelijkheid?, Sociaal en Cultureel Rapport 2012, Den Haag: Sociaal en
         Cultureel Planbureau.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 170 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 171 ======================================================================

<pre>                                                                         literatuurlijst       169
Boksem, M. A., T.F. Meijman & M.M. Lorist (2005) ‘Effects of mental fatigue on attention:
          an erp study’, Cognitive Brain Research 25, 1: 107-116.
Boksem, M. A., T.F. Meijman & M.M. Lorist (2006) ‘Mental fatigue, motivation and action
          monitoring’, Biological Psychology 72, 2: 123-132.
Boksem, M. A. & M. Tops (2008) ‘Mental fatigue: costs and beneﬁts’, Brain Research
          Reviews, 59, 1: 125-139.
Bolhaar, J., A. Brouwers en B. Scheer (2016) De ﬂexibele schil van de Nederlandse
          arbeidsmarkt: een analyse op basis van microdata, cpb Achtergronddocument.
          Den Haag: Centraal Planbureau.
Bos, K. van den, L. van der Velden en A. Lind (2014) ‘On the role of perceived procedural
          justice in citizens’ reactions to government decisions and the handling of
          conﬂicts’, Utrecht Law Review 10, 4: 1-26.
Bos, K. van den, H.A.M. Wilke en E.A. Lind (1998). ‘When do we need procedural fairness?
          The role of trust in authority’, Journal of Personality and social Psychology 75, 6:
          1449.
Bouchard, T.J. (2004) ‘Genetic inﬂuence on human psychological traits a survey’, Current
          Directions in Psychological Science 13, 4: 148-151.
Bouchard Jr, T.J. en J.C. Loehlin (2001) ‘Genes, evolution, and personality’, Behavior
          Genetics 31, 3: 243-273.
Broek, A. van den, C. van Campen, J, de Haan, A. Roeters, M. Turkenburg en L. Vermeij
          (red.) (2016) De toekomst tegemoet. Leren, werken, zorgen, samenleven en
          consumeren in het Nederland van later, Sociaal en Cultureel Rapport 2016,
          Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.
Brug, J. (2007) ‘Overgewicht als maatschappelijk en wetenschappelijk vraagstuk’, blz. 21-28,
          in H. Dagevos en G. Munnichs (red.), De obesogene samenleving: Maatschappelijke
          perspectieven op overgewicht, Amsterdam: Amsterdam University Press.
Cacioppo, J.T. en L.C. Hawklet (2009) ‘Perceived social isolation and cognition’,
          blz. 447-454 in Trends in cognitive sciences, Vol. 13, no. 10.
Card, D., Kluve, J. en Weber, A. (2010) ‘Active labour market policy evaluations: A meta-
          analysis’, The Economic Journal, 120, 548: 452-477.
Card, D., Kluve, J. en Weber, A. (2015) What works? A meta analysis of recent active labor
          market program evaluations, nber Werkdocument nr. 21431, Cambridge ma:
          National Bureau of Economic Research.
Carter, E.C. en M.E. McCullough (2013) ‘Is ego depletion too incredible? Evidence for the
          overestimation of the depletion effect’, Behavioral and Brain Sciences 36, 6:
          683-684.
Carter, E.C. en M.E. McCullough (2014) ‘Publication bias and the limited strength model of
          self-control: has the evidence for ego depletion been overestimated’, Frontiers in
          Psychology 5, 823: 1-11.
Carver, C.S. en M.F. Scheier (2011) Perspectives on personality, Pearson Higher Ed.
Carver, C.S. en M.F. Scheier (2014) ‘Dispositional optimism’, Trends in Cognitive Sciences 18,
          6: 293-299.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 171 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 172 ======================================================================

<pre>170      weten is nog geen doen
Carver, C.S., M.F. Scheier en S.C. Segerstrom (2010) ‘Optimism’ Clinical Psychology
         Review 30, 7: 879-889.
Caspi, A., H. Harrington, B. Milne, J.W. Amell, R.F. Theodore en T.E. Mofﬁtt (2003)
         ‘Children’s behavioral styles at age 3 are linked to their adult personality traits at
         age 26’, Journal of Personality 71, 4: 495-514.
cbs (2015) Laagst aantal werklozen na baanverlies sinds begin crises, Den Haag/Heerlen:
         Centraal Bureau voor de Statistiek.
cbs (2016) Arbeidsdeelname en werkloosheid per maand, Den Haag/Heerlen: Centraal
         Bureau voor de Statistiek.
cbs en tno (2015a) Nationale enquête arbeidsomstandigheden 2015. Methodologie en globale
         resultaten, Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek en tno.
cbs en tno (2015b) Dynamiek op de Nederlandse arbeidsmarkt: De focus op ﬂexibilisering.
         Den Haag/Heerlen/Bonaire: Centraal Bureau voor de Statistiek en tno.
City deal inclusieve stad (2016) Doen wat nodig is, oktober 2016.
cpb (2016) Kansrijk arbeidsmarktbeleid. Deel 2, Den Haag: Centraal Planbureau.
Chess, S. &A. Thomas (1999) Goodness of ﬁt: clinical applications from infancy through
         adult life, Abingdon Oxford: Psychology Press.
Cohn, A., J. Engelmann, E. Fehr en M.A. Maréchal (2015) ‘Evidence for countercyclical risk
         aversion: an experiment with ﬁnancial professionals’, The American Economic
         Review 105, 2: 860-885.
Connor-Smith, J.K. en C. Flachsbart (2007) ‘Relations between personality and coping:
         a meta-analysis’, Journal of Personality and Social Psychology 93, 6: 1080.
Contrada, R.J. (2011) ‘Stress, adaptation and health’, blz. 1-10 in R.J. Contrada en A. Baum,
         The handbook of stress science: biology, psychology and health, New York: Springer
         Pub.
Cornelisse, S., V. van Ast, J. Haushofer, M. Seinstra en M. Joels (2013) Time-dependent effect
         of hydrocortisone administration on intertemporal choice. Beschikbaar op: ssrn
         2294189.
cpb (2016) Kansrijk arbeidsmarktbeleid 2, Den Haag: Centraal Planbureau.
Crawford, M.(2015) De wereld buiten je hoofd: Een ﬁlosoﬁe van de aandacht, Amsterdam:
         De Bezige Bij.
Dagevos, H. en G. Munnichs (red.), (2007) De obesogene samenleving: Maatschappelijke
         perspectieven op overgewicht, Amsterdam: Amsterdam University Press.
Dai, H., K.L. Milkman, D.A. Hofmann and B.R. Staats (2015) ‘The impact of time at work
         and time off from work on rule compliance: The case of hand hygiene in health
         care’, Journal of Applied Psychology, 100, 3: 846-862.
Dalen, H. van en K. Henkens (2016) Keuzevrijheid in pensioen, Netspar Brief 5, maart 2016.
Delahaij, R., W. Kamphuis and C. van den Berg (2016) ‘Keeping engaged during
         deployment: the interplay between self-efﬁcacy, family support, and threat
         exposure’, blz. 78-88 in Military psychology, vol. 28, no. 2.
Delsen, L. (2015). ‘Keuzemogelijkheden binnen en tussen pensioenregelingen: niet voor elk
         wat wils’ Beleid en Maatschappij, 42(2), 122-143.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 172 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 173 ======================================================================

<pre>                                                                         literatuurlijst        171
Dennis, S., A. Williams, J. Taggart, A, Newal, E. Denney-Wilson, N. Zwar, T. Schortus and
          M.F. Harris (2012) Which providers can bring the the health literacy gap in lifestyle
          risk factor modiﬁcation education: a systematic review and narrative synthesis,
          London: BioMed Central.
Diamond, A. (2013) ‘Executive functions’, Annual Review of Psychology 64: 135.
Diamond, A. and K. Lee (2011) ‘Interventions shown to aid executive function development
          in children 4 to 12 years old’, Science 333, 6045: 959-964.
Dodge, R. (1917) ‘The laws of relative fatigue’, Psychological Review 24, 2: 89.
Duckworth, A.L., H. Grant, B. Loew, G. Oettingen and P.M. Gollwitzer (2011) ‘SelfϢ
          regulation strategies improve selfϢdiscipline in adolescents: Beneﬁts of mental
          contrasting and implementation intentions’, Educational Psychology, 31, 1: 17-26.
Echteldt, P. en E. Josten (2012) ‘Werken voor je geld’ blz. 95-115 in V. Veldheer, J.J. Jonker,
          L. van Noije en C. Vrooman (red.), Een beroep op de burger. Minder
          verzorgingsstaat, meer eigen verantwoordelijkheid? Sociaal en cultureel Rapport
          2012, Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.
Echteld, P. van, S. Croezen, J. Vlasblom, M. de Voogd-Hamelink en L. Mattijssen (2016)
          Aanbod van arbeid. Werken, zorgen en leren op een ﬂexibele arbeidsmarkt, Den
          Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.
Egmond, S. van, M. Heerings en G. Munnichs (red.) (2014) Sterke verhalen uit het ziekenhuis.
          Leren van patiëntenervaringen voor goede zorg, Den Haag: Rathenau Instituut.
Elliot, A.J. and T.M. Thrash (2002) ‘Approach-avoidance motivation in personality:
          approach and avoidance temperaments and goals’, Journal of Personality and Social
          Psychology 82, 5: 804.
Elliot, A.J. and T.M. Thrash (2010) ‘Approach and avoidance temperament as basic
          dimensions of personality’, Journal of Personality 78, 3: 865-906.
Evans, D.R., Ian A. Boggero and Suzanne C. Segerstrom (2015) ‘The nature of self-
          regulatory fatigue and “ego depletion” lessons from physical fatigue’, Personality
          and Social Psychology Review, 20, 4: 291-310.
Eysenck, H.J. (1981) ‘General features of the model’, blz. 1-37 in A model for personality,
          Berlin/Heidelberg: Springer Verlag.
Eysenck, H.J. en S.B. Eysenck (1967) ‘On the unitary nature of extraversion’, Acta
          Psychologica 26: 383-390.
Fernandes, D., J.G. Lynch Jr. and R.G. Netemeyer (2014) ‘Financial literacy, ﬁnancial
          education, and downstream ﬁnancial behaviors’, Management Science 60, 8:
          1861-1883.
Friese, M., J. Frankenbach, V. Job and D.D. Loschelder (under submission), Does self-control
          training improve self-control? A meta-analysis.
Frissen, P. (2013) De fatale staat. Over de politiek noodzakelijke verzoening met tragiek,
          Amsterdam: Van Gennep.
Furedi, F. (2009) Wated. Why education isn’t educating, London/New York: Continuum
          International Publishing Group Ltd.
Fuster, J. (2015), The Prefrontal Cortex (Fifth Edition), London: Academic Press.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 173 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 174 ======================================================================

<pre>172       weten is nog geen doen
Gailliot, M.T., R.F. Baumeister, C.N. DeWall, J.K. Maner, E.A. Plant, D.M. Tice, L.E. Brewer,
          and B.J. Schmeichel (2007) ‘Self-control relies on glucose as a limited energy
          source: willpower is more than a metaphor’, Journal of Personality and Social
          Psychology 92, 2: 325.
Galla, B. M. and A.L. Duckworth (2015) ‘More than resisting temptation: Beneﬁcial habits
          mediate the relationship between self-control and positive life outcomes’, Journal
          of Personality and Social Psychology, 109, 3: 508-525.
Gandy, K., K. King, P. Streeter Hurle, C. Bustin and K. Glazebrook (2016). Poverty and
          decision-making. How behavioural science can improve opportunity in the uk,
          London: bit uk.
Gelderblom, A., J. de Koning en K. Lachhab (2007) Effecten van ‘zachte’ kenmerken op de re-
          integratie van de wwb, ww en ao populatie: een literatuurstudie. Rotterdam: seor.
Geldloket Amersfoort (2015) Zicht op nieuwe armoede. Signaleringsrapport crisisarmoede
          in Amersfoort. http://www.geldloketamersfoort.nl/media/
          zichtopnieuwearmoede.pdf
Gemeente Amsterdam (2016) Koersbesluit re-integratie, concept (vastgesteld in B&W-
          vergadering 19 april 2016).
Gillebaart, M. and D.T. Ridder (2015) ‘Effortless selfϢcontrol: A novel perspective on
          response conﬂict strategies in trait selfϢcontrol’, Social and Personality Psychology
          Compass 9, 2: 88-99.
Gollwitzer, P. M. (1999) ‘Implementation intentions: strong effects of simple
          plans’, American Psychologist, 54, 7: 493-503.
Gollwitzer, P. M. and P. heeran (2006) ‘Implementation intentions and goal achievement:
          A metaϢanalysis of effects and processes’, Advances in Experimental Social
          Psychology 38: 69-119.
Guilbert, L., J.L. Bernaud, B. Gouvernet and J. Rossier (2015) ‘Employability: Review and
          research prospects’, International Journal for Educational and Vocational
          Guidance, 1-21.
Hagger, M. S., N.L. Chatzisarantis, Alberts, H., Anggono, C. O., Batailler, C., Birt, A. and
          Zwienenberg, M. (2015) ‘A multi-lab pre-registered replication of the ego-
          depletion effect’, Perspectives on Psychological Science, 11, 4: 564-573.
Hagger, M. S., C. Wood, C. Stiff and N.L. Chatzisarantis (2010) ‘Ego depletion and the
          strength model of self-control: a meta-analysis’, Psychological Bulletin 136, 4: 495.
Haushofer, J. and E. Fehr (2014) ‘On the psychology of poverty’, Science 344, 6186: 862-867.
Heckman, J. (2013) Giving kids a fair chance, Cambridge ma: the mit Press.
Heckman, J.J., S.H. Moon, R. Pinto, P.A. Savelyev and A. Yavitz (2010) ‘The rate of return to
          the HighScope Perry Preschool Program’, Journal of public Economics 94, 1: 114-128.
Heckman, J., R. Pinto and P. Savelyev (2013) ‘Understanding the mechanisms through
          which an inﬂuential early childhood program boosted adult outcomes’, The
          American Economic Review, 103, 6: 2052-2086.
Heide, I. van der (2015) Health Literacy. An asset for public health, Amersfoort: Gildeprint.
Heijmans, M., P. Spreeuwenberg en M. Rijken (2010) Ontwikkelingen in de zorg voor
          chronisch zieken. Rapportage 2010, Utrecht: Nivel.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 174 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 175 ======================================================================

<pre>                                                                         literatuurlijst   173
Heijmans, M., G. Waverijn, J. Rademakers, R. van der Vaart en M. Rijken (2015) ‘Functional,
          communicative and critical health literacy of chronic disease patients and their
          importance for self-management’, Patient Education and Counseling 98, 1: 41-48.
Heijmans, M., H. Zwikker, I. van der Heide en J. Rademakers (2016) Nivel Kennisvraag 2016:
          Zorg op maat. Hoe kunnen we de zorg beter laten aansluiten bij mensen met lage
          gezondheidsvaardigheden? Utrecht: Nivel.
Herpen, E. van, S. Hieke and H. van Trijp (2013). ‘Inferring product healthfulness from
          nutrition labelling. The inﬂuence of reference points’, Appetite 72: 138-149
          [available online 2013].
Herweijer, L. en M. Turkenburg (2016) Wikken en wegen in het hoger onderwijs, Den Haag:
          Sociaal en Cultureel Planbureau.
Hibbard, J.H., J. Stockard, E. R. Mahoney and M. Tusler (2004 ) ‘Development of the Patient
          Activiation Measure’ (pam: Conceptualizing and measuring activation in patients
          and consumers, pp 1005-1026 in Health Services Research 39: 4, Part 1.
Hibbard, J. and H. Gilburt (2014) Supporting people to manage their health – an
          introduction to patient activation, London: The King’s Fund.
Hockey, R. (2013) The psychology of fatigue: work, effort and control, Cambridge:
          Cambridge University Press.
Hofmann, W., R.F. Baumeister, G. Förster and K.D. Vohs (2012) ‘Everyday temptations: an
          experience sampling study of desire, conﬂict, and self-control’, Journal of
          personality and social psychology, 102, 6: 1318-1335.
Inzlicht, M. and E. Berkman (2015) ‘Six questions for the resource model of control (and
          some answers)’, Social and Personality Psychology Compass 9, 10: 511-524.
Inzlicht, M., B.J. Schmeichel and C.N.Macrae (2014) ‘Why self-control seems (but may not
          be) limited’, Trends in cognitive sciences, 18, 3: 127-133.
Inzlicht, M. and S. Marcora (2016)’The central governor model of exercise regulation teaches
          us precious little about the nature of mental fatigue and self-control failure’,
          Frontiers in psychology 2016 7: 656.
Job, V., C.S. Dweck and G.M. Walton (2010) ‘Ego depletion—Is it all in your head? Implicit
          theories about willpower affect self-regulation’, Psychological Science 21, 11:
          1686-1693.
Jones, R., J. Pykett and M. Whitehead (2013) Changing behaviours: on the rise of the
          psychological state, Cheltenham Glos: Edward Elgar Publishing.
Jungmann, N. en M. Anderson (2011) Vroegsignalering moet en kan! Een onderzoek naar de
          toegevoegde waarde van een Landelijk Informatiesysteem Schulden. Nederhorst den
          Berg: Social Force.
Jungmann, N., A. Moerman, E. Schruer en I. van den Berg (2012) paritas passé: debiteuren
          en crediteuren in de knel door ongelijke incassobevoegdheden. Utrecht:
          Hogeschool Utrecht, losr.mogroep.
Jungmann, N., E. Lems, F. Vogelpoel, G. Van Beek en P. Wesdorp (2014) Onoplosbare
          schuldsituaties, Utrecht: nvvk.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 175 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 176 ======================================================================

<pre>1 74      weten is nog geen doen
Jungmann, N. en T. Madern (2016) Duurzame verbetering van gezond ﬁnancieel gedrag.
          Droom of werkelijkheid?, wrr werkdocumenten 33, Den Haag: Wetenschappelijke
          Raad voor het Regeringsbeleid.
Kamphuis, W., D. van Hemert, N. van Wouwe, C. van den Berg en L. van Boxmeer (2012)
          ‘Een model van mentale veerkracht. Hoe kan defensie herstel na uitzendingen
          bevorderen?’, blz. 495-507 in Militaire spectator, jaargang 181, nr. 11.
Kandasamy, N., B. Hardy, L. Page, M. Schaffner, J. Graggaber, A.S Powlson, P.C. Fletcher, M.
          Gurnell and J. Coates (2014) ‘Cortisol shifts ﬁnancial risk preferences’, Proceedings
          of the National Academy of Sciences 111, 9: 3608-3613.
Kaptein, M. (2015) Persuasion proﬁling. How the internet knows what makes you tick,
          Amsterdam: Business contact.
Kaushal, N. and R.E. Rhodes (2015) ‘Exercise habit formation in new gym members: a
          longitudinal study’, Journal of Behavioral Medicine, 38, 4: 652-663.
Kautz, T., J.J. Heckman, R. Diris, B. ter Weel and L. Borghans (2014) Fostering and
          Measuring skills: Improving Cognitive and Non-cognitive Skills to Promote Lifetime
          Success, Parijs: oecd.
Keune, M. (red.) (2016) Nog steeds een mirakel? De legitimiteit van het poldermodel in de
          eenentwingtigste eeuw, Amsterdam: University Press.
Kern, M.L. and H.S. Friedman (2008) ‘Do conscientious individuals live longer?
          A quantitative review’, Health Psychology 27, 5: 505.
Kluve, J. (2010) ‘The effectiveness of European active labor market programs’, Labour
          Economics 17, 6: 904-918.
Koen, J., U.C. Klehe and A.E. van Vianen(2012) ‘Training career adaptability to facilitate a
          successful school-to-work transition’, Journal of Vocational Behavior 81, 3:
          395-408.
Koen, J., A.E.M. van Vianen en U.C. Klehe (2014) De sleutel tot succesvolle re-integratie:
          over de cruciale rol van inzetbaarheid bij het vinden van (passend) werk, Gedrag en
          organisatie 2014 27, 3: 331-351.
Koning de, J., P. de Hek, L. Mallee, F. Rosing en M. Groenewoud (2014) Uitkomsten en
          ervaringen experimenten netto-effectiviteit re-integratie, Rotterdam/Amsterdam:
          seor, Epsilon Research, Regioplan beleidsonderzoek.
Kooiker, S. (2011) Nederlanders aan het woord over gezondheid en gezond leven.
          Achtergrondrapport bij vtv 2010. Van gezond naar beter, Bilthoven: Sociaal en
          Cultureel Planbureau/Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu.
Kool, W. en M. Botvinick (2014) ‘A labor/leisure tradeoff in cognitive control’, Journal of
          Experimental Psychology: General 143, 1: 131.
Kool, W., J.T. McGuire, Z.B. Rosen and M.M. Botvinick (2010) ‘Decision making and the
          avoidance of cognitive demand’, Journal of Experimental Psychology: General, 139,
          4: 665-682.
Koole, S. L., M. Tops, S. Strübin, J. Bouw, I.K. Schneider and N.B. Jostmann (2014). ‘The ego
          ﬁxation hypothesis: Involuntary persistence of self-control’, blz. 95-112 in J.P.
          Forgas and E. Harmon-Jones (eds.) The control within: Motivation and its
          regulation, New York: Psychology.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 176 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 177 ======================================================================

<pre>                                                                          literatuurlijst      175
Kremer, M. R. Went en A. Knottnerus (red.) (2017) Voor de zekerheid. De toekomst van
           ﬂexibel werkenden en de moderne organisatie van arbeid, Den Haag:
           Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid.
Krijnen, J. M., M. Zeelenberg and S.M. Breugelmans (2015). ‘Decision importance as a cue
           for Deferral’. Judgment and Decision Making, 10 (5): 407.
Kurzban, R., A. Duckworth, J.W. Kable and J. Myers (2013) ‘An opportunity cost model of
           subjective effort and task performance’, Behavioral and Brain Sciences 36, 6:
           661-679.
Lakerveld, J., S.D. Bot, M.J. Chinapaw, M.W. Tulder van, P.J. Kostense, J.M. Dekker and
           G. Nijpels (2013) ‘Motivational interviewing and problem solving treatment to
           reduce type 2 diabetes and cardiovascular disease risk in real life: a randomized
           controlled trial’, International Journal of Behavioral Nutrition and Physical
           Activity, 10, 1: 1-9.
Lally, P., C.H. Jaarsveld van, H.W. Potts and J. Wardle (2010) ‘How are habits formed:
           Modelling habit formation in the real world’, European Journal of Social
           Psychology, 40, 6: 998-1009.
Lerner, J.S., Y. Li and E.U. Weber (2013) ‘The ﬁnancial costs of sadness’, Psychological
           Science 24, 1: 72-79.
Lind, E. and C. Arndt (2016), ‘Preceived Fairness and Regulatory Policy: A behavioural
           science perspective on government-citizen interactions’, oecd Regulatory Policy
           Working Papers, No. 6, oecd Publishing: Paris. http://dx.doi.org/
           10.1781/1629d397-en
Linden, D. van der (2011) ‘The urge to stop: The cognitive and biological nature of acute
           mental fatigue’, blz. 149-164 in P.L. Ackerman (ed.) Cognitive fatique:
           Multidisciplinary perspectives on current research and future applications,
           Washington, dc: American Psychological Association.
Linden, D. van der and P. Eling (2006) ‘Mental fatigue disturbs local processing more than
           global processing’, Psychological research 70, 5: 395-402.
Linden, D. van der, M. Frese and S. Sonnentag (2003) ‘The impact of mental fatigue on
           exploration in a complex computer task: Rigidity and loss of systematic
           strategies’, Human Factors: The Journal of the Human Factors and Ergonomics
           Society, 45, 3: 483-494.
Liu, S., J.L. Huang and M. Wang (2014) ‘Effectiveness of job search interventions: A meta-
           analytic review’, Psychological Bulletin 140, 4: 1009.
Madern, T. en A. Van der Schors (2012) Kans op ﬁnanciële problemen. Utrecht: Nibud.
Maier, S.U., A.B. Makwana and T.A. Hare (2015) ‘Acute stress impairs self-control in goal-
           directed choice by altering multiple functional connections within the brain’s
           decision circuits’, Neuron 87, 3: 621-631.
Makaryus, A. and E. Friedman (2005) ‘Patients’understanding of their treatment plans and
           diagnosis at discharge’, blz. 991-994 in Mayo Clinic Proceedings, vol. 80, issue 8,
           august 2005.
Mani, A., S. Mullainathan, E. Shaﬁr and J. Zhao (2013) ‘Poverty impedes cognitive
           function’, Science 341, 6149: 976-980.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 177 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 178 ======================================================================

<pre>176       weten is nog geen doen
Mast, J., E. Wijenberg en M. Minkman (2014) Zo zelfredzaam. Een overzicht van
          instrumenten voor het meten van zelfredzaamheid, Utrecht: Vilans.
McCormick, C.M., E. Lewis, B. Somley en T.A. Kahan (2007) ‘Individual differences in
          cortisol levels and performance on a test of executive function in men and
          women’, Physiology & Behavior 91, 1: 87-94.
McCrae, R.R. and P.T.Costa Jr. (1999) ‘A ﬁve-factor theory of personality’, blz. 139-153
          in L.A. Pervin and O.P. John (eds.) Handbook of personality: Theory and research, 2,
          Elsevier.
McKee-Ryan, F., Z. Song, C.R. Wanberg and A.J. Kinicki (2005) ‘Psychological and physical
          well-being during unemployment: a meta-analytic study’, Journal of applied
          psychology 90, 1: 53.
Melby-Lervåg, M. and C. Hulme (2013) ‘Is working memory training effective? A meta-
          analytic review’, Developmental Psychology 49, 2: 270.
Michie, S., C. Abraham, C. Whittington, J. McAteer and S. Gupta (2009) ‘Effective
          techniques in healthy eating and physical activity interventions: a meta-
          regression’, Health Psychology, 28, 6: 690-701.
Miller, M., J. Reichelstein, C. Salas and B. Zia (2014) Can you help someone become
          ﬁnancially capable? A meta-analysis of the literature, World Bank Policy Research
          Working Paper 6745 , Washington, dc.
Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (2016) Handreiking behoorlijke
          en effectieve invordering van geldschulden, DenHaag: Ministerie van Binnenlandse
          Zaken en Koninksrijksrelaties.
Ministerie van Financiën (2016a) ibo gezonde leefstijl. Eindrapportage van de werkgroep
          “ibo Gezonde leefstijl”, april 2016.
Ministerie van Financiën (2016b) Brief van de minister van Financien, experimenteel
          onderzoek standaardproducten, 7 november 2016.
Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (2016a) Brief van de minister van Sociale
          Zaken en Werkgelegenheid, Uitzonderen inlichtingenplicht en verrekenen inkomsten
          met uitkeringen, 10 oktober 2016.
Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (2016b) Brief van de Staatssecretaris van
          Sociale Zaken en Werkgelegenheid, ‘Voortgang concretisering Rijksincassovisie en
          verbreding Beslagregister’, 2 december 2016.
Ministerie van Veiligheid en Justitie (2015a) Brief van de Staatssecretaris van Veiligheid en
          Justitie, ‘Antwoorden Kamervragen over het bericht dat kantonrechters vinden dat
          wanbetalers te makkelijk gegijzeld worden’, 29 april 2015
Ministerie van Veiligheid en Justitie (2015b) Brief van de staatssecretaris van Veiligheid en
          Justitie, Tenuitvoerlegging Financiële sanctie, 5 juni 2015.
Ministerie van Veiligheid en Justitie (2015c) Brief van de Staatssecretaris van Veiligheid en
          Justitie, ‘Antwoorden Kamervragen over het bericht dat veel mensen in de problemen
          komen na zinloze gijzeling vanwege verkeersboetes’, 5 juni 2015.
Ministerie van Veiligheid en Justitie (2016) Brief van de Secretaris-Generaal, Start monitor
          verbetermaatregelen gijzeling, 17 november 2016, Den Haag: Ministerie van
          Veiligheid en Justitie.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 178 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 179 ======================================================================

<pre>                                                                         literatuurlijst       177
Ministerie van Veiligheid en Justitie (2017) Brief van de Minister van Veiligheid en Justitie,
         Beleidsreactie onderzoek verzekeringsplicht, 16 februari 2017, Den Haag: Ministerie
         van Veiligheid en Justitie.
Ministerie van Volksgezondheid,Welzijn en Sport (2011) Landelijke nota gezondheidsbeleid:
         Gezondheid dichtbij, Den Haag: Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en
         Sport.
Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (2013) Kamerbrief over agenda voor een
         Nationaal Programma Preventie, Den Haag: Ministerie van Volksgezondheid,
         Welzijn en Sport.
Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (2015) Brief van de minister van vws,
         Samen beslissen, 29 oktober 2015, kenmerk 849015-142825-mc, Den Haag:
         Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en (2016) Kamerbrief van de minister van vws,
         Juridische status gesprek met arts, 10 maart 2016, kenmerk 913642-146919-mc,
         Den Haag: Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
Muraven, M. (2010) ‘Building self-control strength: Practicing self-control leads to
         improved self-control performance’, Journal of Experimental Social
         Psychology, 46, 2: 465-468.
Muraven, M. and E. Slessareva (2003) ‘Mechanisms of self-control failure: motivation and
         limited resources’, Personality and Social Psychology Bulletin 29, 7: 894-906.
ncpf (2014) Meldactie ‘Samen beslissen’, Utrecht: ncpf.
Nationale ombudsman (2013), In het krijt bij de overheid, Den Haag: Nationale ombudsman.
Nationale ombudsman (2015), Gegijzeld door het systeem, Den Haag: Nationale
         ombudsman.
Nationale ombudsman (2016) Een onverwacht hoge rekening, Den Haag: Nationale
         ombudsman.
Nationale ombudsman (2017a) Brief over gijzelingen aan staatssecretaris Veiligheid en
         Justitie, 23 februari 2017, Den haag: Nationale ombudsman.
Nationale ombudsman (2017b) Terug aan tafel, samen de klacht oplossen. Onderzoek naar
         klachtbehandeling in het sociaal domein na de decentralisatie, Den Haag: Nationale
         ombudsman
Neal, D. T., W. Wood and A. Drolet (2013) ‘How do people adhere to goals when willpower
         is low? The proﬁts (and pitfalls) of strong habits’, Journal of Personality and Social
         Psychology, 104, 6: 959-975.
Nibud (2012) Goed omgaan met geld: Achtergronden bij de competenties voor ﬁnanciële
         Zelfredzaamheid, Utrecht: Nibud.
Nibud (2014) Overkoepelende blik op de omvang en preventie van schulden in Nederland.
         Utrecht: Nibud.
Nijman, J., M. Hendriks, A. Brabers, J. de Jong and J. Rademakers (2014) ‘Patient activation
         and health literacy as predictors of health information use in a general sample of
         Dutch health care consumers’, Journal of health communication 19, 8: 955-969.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 179 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 180 ======================================================================

<pre>178       weten is nog geen doen
Noakes, T.D., A.S.C. Gibson and E.V. Lambert (2005) ‘From catastrophe to complexity: a
          novel model of integrative central neural regulation of effort and fatigue during
          exercise in humans: summary and conclusions’, British Journal of Sports
          Medicine 39, 2: 120-124.
Nutbeam, D. (2000) ‘Health literacy as a public health goal: a challenge for contemporary
          health education and communication strategies into the 21st century’, blz. 259-268
          in Health promotion international, Vol 15, No.3, Oxford: Oxford University Press.
nvvk (2015) Jaarverslag 2015. http://www.nvvk.eu/jaarverslag 2015/cijfers/
Oaten, M. and K. Cheng (2006) ‘Longitudinal gain selfϢregulation from regula physical
          exercise’, British Journal of Health Psychology 11, 4: 717-733.
Oei, N.Y.L., W.T.A.M. Everaerd, B.M. Elzinga, S. van Well and B. Bermond (2006)
          ‘Psychosocial stress impairs working memory at high loads: an association with
          cortisol levels and memory retrieval’, Stress 9, 3: 133-141.
Oettingen, G. (2000) ‘Expectancy effects on behavior depend on self-regulatory
          thought’, Social Cognition, 18, 2: 101-129.
Oettingen, G., H.B. Kappes, K.B. Guttenberg and P.M. Gollwitzer (2015) ‘SelfϢregulation of
          time management: Mental contrasting with implementation
          intentions’, European Journal of Social Psychology, 45, 2: 218-229.
Olver, J.S., M. Pinney, P. Maruff and T.R. Norman (2015) ‘Impairments of spatial working
          memory and attention following acute psychosocial stress’, Stress and Health, 31,
          2: 115-123.
Panteia (2014) Monitor betalingsachterstanden, Zoetermeer: Panteia.
Panteia (2015) Huishoudens in de rode cijfers 2015: Over schulden van Nederlandse
          huishoudens en preventiemogelijkheden, Zoetermeer: Panteia.
Paul, K.I. and K. Moser (2009) ‘Unemployment impairs mental health: Meta-
          analyses’, Journal of Vocational behavior 74, 3: 264-282.
Peters, S.L., L. Combrink-Kuiters en C. Verkleij (2015) Monitor wsnp. Elfde meting over het
          jaar 2014, Den Haag/Utrecht: Raad voor de rechtspraak.
Pearlin, L.I. and C. Schooler (1978) ‘The structure of coping’, Journal of Health and Social
          Behavior, 2:21.
Plessow, F., R. Fischer, C. Kirschbaum and T. Goschke (2011) ‘Inﬂexibly focused under
          stress: acute psychosocial stress increases shielding of action goals at the expense
          of reduced cognitive ﬂexibility with increasing time lag to the stressor’, Journal of
          Cognitive Neuroscience 23, 11: 3218-3227.
Plessow, F., A. Kiesel and C. Kirschbaum (2012) ‘The stressed prefrontal cortex and goal-
          directed behaviour: acute psychosocial stress impairs the ﬂexible implementation
          of task goals’, Experimental Brain Research 216, 3: 397-408.
Putten, M. van, A. van der Schors, E. van Dijk en W. Van Dijk (2016). Consumenteninertie in
          de keuze van contracten van dienstenmarkten, Leiden/Utrecht: Universiteit
          Leiden/Nibud.
Poropat, A.E. (2009), ‘A meta-analysis of the ﬁve-factor model of personality and academic
          performance’, Psychological Bulletin 135, 2: 322.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 180 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 181 ======================================================================

<pre>                                                                          literatuurlijst       179
Qin, S., E.J. Hermans, H.J. van Marle, J. Luo and G. Fernández (2009) ‘Acute psychological
          stress reduces working memory-related activity in the dorsolateral prefrontal
          cortex’, Biological Psychiatry 66, 1: 25-32.
Raad voor werk en inkomen (2010) Het heft in eigen hand: Sturen op zelfsturing, Den Haag:
          rwi.
Rademakers, J. (2013) De Nederlandse patiënt en zorggebruiker in beeld, Utrecht: Nivel.
Rademakers, J. (2014) Kennissynthese gezondheidsvaardigheden. Niet voor iedereen
          vanzelfsprekend, Utrecht: Nivel.
Rademakers. J., J. Nijman, L. van der Hoek, M. Heijmans and M. Rijken (2012) ‘Measuring
          patient activation in the Netherlands: translation and validation of the American
          short from Patient Activation Measure’ (pam 13), bmc Public Health 2012 12:577.
Rademakers, J., J. Nijman, A. Brabers, J. de Jong and M. Hendriks (2014) ‘The relative effect
          of health literacy and patient activation on provider choice in The Netherlands’,
          Health Policy 2014 114, (2-3):200-206.
Rebollo, I., en J.R. Harris (2008) ‘Persoonlijkheid: onderzoek naar erfelijkheid met hulp van
          tweelingen’, in D. Boomsma (red). Tweelingen onderzoek. Wat meerlingen vertellen
          over de mens. Amsterdam: vu Uitgeverij.
Reitsma, M., A. Brabers, W. Masman en J. de Jong (2012) De kiezen burger, Utrecht: Nivel.
Ridder, de D.T., G. Lensvelt-Mulders, C. Finkenauer, F.M. Stok and R.F. Baumeister (2012)
          ‘Taking stock of self-control: a meta-analysis of how trait self-control relates to a
          wide range of behaviors’, Personality and Social Psychology Review, 16, 1: 76-99.
Rli (2014) Doen en laten: effectiever beleid door mensenkennis, Den Haag: Raad voor de
          leefomgeving en infrastructuur.
rmo (2014) De verleiding weerstaan; grenzen aan beïnvloeding van gedrag door de overheid,
          Den Haag: Raad voor de Maatschappelijke Ontwikkeling.
Rob (2014) Hoe hoort het eigenlijk? http://www.rob-rfv.nl/documenten/
          hoe_hoort_het_eigenlijk_passend_contact_-_webversie.pdf
Roberts, B. W. and W.F. DelVecchio (2000) ‘The rank-order consistency of personality
          traits from childhood to old age: a quantitative review of longitudinal
          studies’, Psychological bulletin, 126, 1: 3-25.
Roberts, B.W., K.E. Walton and W. Viechtbauer (2006) ‘Patterns of mean-level change in
          personality traits across the life course: a meta-analysis of longitudinal studies’,
          Psychological Bulletin 132, 1: 1.
Rosa, H. (2013), Social Acceleration: A New Theory of Modernity, New York: Columbia
          University Press.
Rothbart, M.K. (2011) Becoming who we are: temperament and personality in Development,
          New York: Guilford Press.
Ruig, L., de, B. Frouws en N. Stroeker (2011) Lees voor gebruik de bijsluiter: Mechanismen
          achter onbedoelde effecten van sociale zekerheid en re-integratie, Zoetermeer:
          Research voor Beleid.
Scheier, M.F. and C.S. Carver (1985) ‘Optimism, coping, and health: assessment and
          implications of generalized outcome expectancies’, Health Psychology 4, 3: 219.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 181 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 182 ======================================================================

<pre>180      weten is nog geen doen
Scheier, M.F., C.S. Carver and M.W. Bridges (1994) ‘Distinguishing optimism from
         neuroticism (and trait anxiety, self-mastery, and self-esteem): a reevaluation of the
         Life Orientation Test’, Journal of personality and social psychology, 67, 6:
         1063-1078.
Scholz, U., R. la Marca, U.M. Nater, I. Aberle, U. Ehlert, R. Hornung, M. Martin and M.
         Kliegel (2009) ‘Go no-go performance under psychosocial stress: Beneﬁcial effects
         of implementation intentions’, Neurobiology of Learning and Memory, 91, 1:
         89-92.
Schonkoff, J.P., A.S. Garner, B.S. Siegel, M.I. Dobbins, M.F. Earls, L. McGuinn, J. Pascoe and
         D.L. Wood (2012) ‘The lifelong effects of early childhood adversity and toxic
         stress’, Pediatrics 129, 1: e232-e246.
Schoofs, D., D. Preuß and O.T. Wolf (2008) ‘Psychosocial stress induces working memory
         impairments in an n-back paradigm’, Psychoneuroendocrinology 33, 5: 643-653.
Schoofs, D., O.T. Wolf and T. Smeets (2009) ‘Cold pressor stress impairs performance on
         working memory tasks requiring executive functions in healthy young
         men’, Behavioral Neuroscience 123, 5: 1066.
Schwabe, L., M. Joëls, B. Roozendaal, O.T. Wolf and M.S. Oitzl (2012) ‘Stress effects on
         memory: an update and integration’, Neuroscience & Biobehavioral Reviews, 36, 7:
         1740-1749.
Schwabe, L. en O.T. Wolf (2009) ‘Stress prompts habit behavior in humans’, The Journal of
         Neuroscience 29, 22: 7191-7198.
Schwabe, L. and O.T. Wolf (2011) ‘Stress-induced modulation of instrumental behavior:
         from goal-directed to habitual control of action’, Behavioural Brain Research, 219,
         2: 321-328.
Schwabe, L., O.T. Wolf and M.S. Oitzl (2010) ‘Memory formation under stress: quantity
         and quality’, Neuroscience & Biobehavioral Reviews, 34, 4: 584-591.
Schwartz, B. (2005). The paradox of choice: why more is less, New York: HarperCollins
         Publishers inc.
scp (2013) Factsheet gezondheid van vrouwen en mannen, Den Haag: Sociaal en Cultureel
         Planbureau.
Seligman, M.E. (2011) Learned optimism: how to change your mind and your life. Vintage.
Sheridan, S.L., D.J. Halpem, A.J. Viera, N.D. Berkman, K.E. Donahue and K. Crotty (2011)
         ‘Interventions for individuals with low health literacy: a systematic review’,
         Journal of Health Communication 16 Suppl 3:30-54.
Shields, G.S., J.C. Bonner and W.G. Moons (2015) ‘Does cortisol inﬂuence core executive
         functions? A meta-analysis of acute cortisol administration effects on working
         memory, inhibition, and set-shifting’, Psychoneuroendocrinology, 58: 91-103.
Shipstead, Z., T.S. Redick and R.W. Engle (2012) ‘Is working memory training
         effective?’, Psychological Bulletin 138, 4: 628.
Simonds, J., J.E. Kieras M.R Rueda and M.K. Rothbart (2007) ‘Effortful control, executive
         attention, and emotional regulation in 7–10-year-old children’, Cognitive
         Development, 22, 4: 474-488.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 182 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 183 ======================================================================

<pre>                                                                        literatuurlijst      181
Skinner, E.A. (1996) ‘A guide to constructs of control’, Journal of Personality and Social
          Psychology, 71, 3: 549.
Sluijs, E.M. van, M.N. van Poppel and W. van Mechelen (2004) ‘Stage-based lifestyle
          interventions in primary care: are they effective?’, American Journal of preventive
          Medicine 26, 4: 330-343.
Solberg N., L. and S.C. Segerstrom (2006) ‘Dispositional optimism and coping: A meta-
          analytic review’, Personality and social psychology review, 10, 3: 235-251.
Spears, D. (2011) ‘Economic Decision-Making in Poverty Depletes Behavioral Control’,
          The B.E. Journal of Economic Analysis & Policy: Vol. 11: Iss. 1 (Contributions),
          Article 72. Available at: http://www.bepress.com/bejeap/vol11/iss1/art72
Sripada, C., D. Kessler and J. Jonides (2014) ‘Methylphenidate blocks effort-induced
          depletion of regulatory control in healthy volunteers’, Psychological Science, 25, 6:
          1227-1234.
Stadler, G., G. Oettingen and P.M. Gollwitzer (2010) ‘Intervention effects of information
          and self-regulation on eating fruits and vegetables over two years’, Health
          Psychology, 29, 3: 274-283.
Starcke, K. and M. Brand (2012) ‘Decision making under stress: a selective
          review’, Neuroscience & Biobehavioral Reviews 36, 4: 1228-1248.
Steeg, M. van der en I. Waterreus (2015). Gedragsinzichten benutten voor beter onderwijs,
          esb 100, april 2015, 4707: 219-221.
Tangney, J.P., R.F. Baumeister and A.L. Boone, (2004), ‘High self-control predicts good
          adjustment, less pathology, better grades, and interpersonal success’, Journal of
          Personality 72, 2: 271-324.
Teixeira, P.J., E.V. Carraça, M.M. Marques, H. Rutter, J.M. Oppert, I. de Bourdeaudhuij, J.
          Lakerveld and J. Brug, (2015) ‘Successful behavior change in obesity interventions
          in adults: a systematic review of self-regulation mediators’, bmc Medicine 13, 1.
Thijssen, J. (2000) ‘Employability in het brandpunt’, Tijdschrift voor hrm 1, 2000, p. 7-36.
Thompson, S.C. and M.M. Schlehofer (2008) ‘The many sides of control motivation’,
          blz. 41-56 in J.Y. Shah and W.L. Gardner (eds.) Handbook of motivation science,
          New York: Guilford Press.
Thompson, S.C. and S. Spacapan (1991) ‘Perceptions of control in vulnerable
          populations’, Journal of Social Issues 47: 4 1-21.
Tiemeijer, W., C. Thomas en H.M. Prast (red.) (2009). De menselijke beslisser: over de
          psychologie van keuze en gedrag, wrr-verkenning 22, Amsterdam: Amsterdam
          University Press.
Tiemeijer, W. (2010) Hoe mensen keuzes maken, Amsterdam: Amsterdam University
          Press.
Tiemeijer, W. (2016) Eigen schuld? Een gedragswetenschappelijk perspectief op
          problematische schulden, wrr-verkenning 33, Den Haag.
Tiemeijer, W., C. Thomas en H. Prast (2009) De menselijke beslisser, Amsterdam:
          Amsterdam University Press.
Tilburg, T. van en J. de Jong Gierveld (red.)(2007) Zicht op eenzaamheid: Achtergronden,
          oorzaken en aanpak, Assen: Van Gorcum Uitgeverij.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 183 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 184 ======================================================================

<pre>182       weten is nog geen doen
Trommel, W.A. (2009) Gulzig bestuur. Amsterdam: Vrije Universiteit.
Troonrede (2013), transcript, gezien op 22-06-2016 via https://www.rijksoverheid.nl/
          documenten/toespraken/2013/09/17/troonrede-2013
Trouw (2015), Ongezond leven? Dan geen behandeling, Edwin Kreulen, 9 juni 2015.
Turkenburg, M., L. Herweijer en J.Dagevos (2013) De studie waard, Den Haag: Sociaal en
          Cultureel Planbureau.
Tweede Kamer (2004-2005) Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van
          Volksgezondheid, Welzijn en Sport (xvi) voor het jaar 2005, Kamerstukken ii,
          29800 xvi nr.2, p.10.
Ursum, J., M. Rijken, M. Heijmans, M. Cardol en F. Schellevis (2011) Nivel overzichtsstudie:
          zorg voor chronisch zieken: organisatie van zorg, zelfmanagement, zelfredzaamheid
          en participatie, Utrecht: Nivel.
Vansteenkiste, M., J. Simons, W. Lens, K.M. Sheldon and E.L. Deci (2004), ‘Motivating
          learning, performance, and persistence: the synergistic effects of intrinsic goal
          contents and autonomy-supportive contexts’, Journal of personality and social
          psychology 87, 2: 246-260.
Veldheer, V., J.J. Jonker, L. van Noije en C. Vrooman (red.) (2012) Een beroep op de burger.
          Minder verzorgingsstaat, meer eigen verantwoordelijkheid?, Sociaal en Cultureel
          Rapport 2012, Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.
Victoor, A. (2015) (How) do patients choose a healthcare provider? (Hoe) kiezen patiënten
          een zorgaanbieder?, Tilburg: Tilburg Universiteit.
Victoor, A., R.D. Friele, D. Delnoij and J. Rademakers (2012) ‘Free choice of healthcare
          providers in the Netherlands is both a goal in itself and a precondition: modelling
          the policy assumptions underlying the promotion of patient choice through
          documentary analysis and interviews’, BioMed Central.
Vilans (2014) Tools gezondheidsvaardigheden. Overzicht van hulpmiddelen voor mensen die
          minder gezondheidsvaardig zijn, Utrecht: Vilans.
Vinokur, A.D., Y. Schul, J. Vuori and R.H. Price (2000) ‘Two years after a job loss: long-
          term impact of the jobs program on reemployment and mental health’, Journal of
          occupational Health Psychology 5, 1: 32.
Vries, C. De en G. Van Woerkom (2016). ‘Naar een evenwichtiger speelveld voor
          werknemers en zelfstandigen’, Financieel Dagblad 1 november 2016. https://
          fd.nl/opinie/1173887/naar-een-evenwichtiger-speelveld-voor-werknemers-en-
          zelfstandigen
Vrooman, C. (2016) Meedoen in onzekerheid: verwachtingen over participatie en projectie,
          oratie, beschikbaar op: www.uu.nl/sites/default/ﬁles/fsw-vrooman-oratie.pdf.
Vrooman, C., M. Gijsberts en J. Boelhouwer (2014) Verschil in Nederland. Sociaal en
          Cultureel rapport 2014, Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.
Vukasoviü, T. and D. Bratko (2015) ‘Heritability of personality: a meta-analysis of behavior
          genetic studies’, Psychological Bulletin 141, 4: 769.
Vuori, J., J. Silvonen, A.D. Vinokur and R.H. Price (2002) ‘The Työhön Job Search Program
          in Finland: Beneﬁts for the unemployed with risk of depression or
          discouragement’ , Journal of occupational Health Psychology 7, 1: 5.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 184 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 185 ======================================================================

<pre>                                                                      literatuurlijst     183
Watson, D., L.A. Clark and A. Tellegen (1988) ‘Development and validation of brief
        measures of positive and negative affect: the panas scales’, Journal of Personality
        and Social Psychology 54, 6: 1063-1070.
Watson, D. and A. Tellegen (1985) ‘Toward a consensual structure of mood’, Psychological
        bulletin, 98, 2: 219.
Weehuizen, R. (2006) Mental capital, Den Haag: cos.
Westendorp, R. en D. van Bodegom (2015) Oud worden in de praktijk. Laat de omgeving het
        werk doen, Amsterdam: Atlas Contact.
Went, R., M. Kremer en A. Knottnerus (red.) (2015) De robot de baas. De toekomst van werk
        in het tweede machinetijdperk, Amsterdam: Amsterdam University Press.
Wijzer in geldzaken (2014) Monitor ﬁnancieel gedrag, Den Haag: Wijzer in geldzaken.
wrr (2009) Vertrouwen in de school. Over de uitval van ‘overbelaste’ jongeren,
        Amsterdam/Den Haag: Amsterdam University Press/ Sdu Uitgevers.
wrr (2014a) Met kennis van gedrag beleid maken, Amsterdam: Amsterdam University
        Press.
wrr (2014b) Naar een voedselbeleid, Den Haag: Wetenschappelijke Raad voor het
        Regeringsbeleid.
wrr (2016) De samenleving en ﬁnanciële sector in evenwicht, Den Haag: Wetenschappelijke
        Raad voor het Regeringsbeleid.
Young, M. (1958/1994) The rise of the meritocracy. With a new introduction by the author,
        New York: Norton.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 185 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 186 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 186 =================================================================

<br><br>