<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>Q
=
—_
—
O
Y
Zz
Lu
Q
=
LJ
O

DE PUBLIEKE ROL VAN BANKEN

—- ©
ooo

a a

</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>Geld en schuld</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid werd in voorlopige vorm ingesteld
in 1972. Bij wet van 30 juni 1976 (Stb. 413) is de positie van de raad definitief geregeld. De
huidige zittingsperiode loopt tot 31 december 2022.
Ingevolge de wet heeft de raad tot taak ten behoeve van het regeringsbeleid wetenschap-
pelijke informatie te verschaffen over ontwikkelingen die op langere termijn de samen-
leving kunnen beïnvloeden. De raad wordt geacht daarbij tijdig te wijzen op tegenstrij-
digheden en te verwachten knelpunten en zich te richten op het formuleren van pro-
bleemstellingen ten aanzien van de grote beleidsvraagstukken, alsmede op het aangeven
van beleidsalternatieven.
Volgens de wet stelt de wrr zijn eigen werkprogramma vast, na overleg met de minister-
president die hiertoe de Raad van Ministers hoort.
De samenstelling van de raad is:
Prof. dr. A.W.A. Boot
Prof. dr. mr. M.A.P. Bovens
Prof. dr. G.B.M. Engbersen
Prof. dr. E.M.H. Hirsch Ballin
Prof. mr. J.E.J. Prins (voorzitter)
Prof. dr. M. de Visser
Prof. dr. C.G. de Vries
Secretaris: Prof. dr. F.W.A. Brom
Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid
Buitenhof 34
Postbus 20004
2500 ea Den Haag
Telefoon 070-356 46 00
E-mail info@wrr.nl
Website www.wrr.nl
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>Geld en schuld
DE PUBLIEKE ROL VAN BANKEN
        Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, Den Haag 2019
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>Vormgeving binnenwerk: Textcetera, Den Haag
Omslagafbeelding: Textcetera / wrr
Figuren en tabellen: Textcetera / wrr
Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgesla-
gen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op
enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of enige andere
manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.
Voor zover het maken van kopieën uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikel 16B
Auteurswet 1912 jº het Besluit van 20 juni 1974, Stb. 351, zoals gewijzigd bij het Besluit van
23 augustus 1985, Stb. 471 en artikel 17 Auteurswet 1912, dient men de daarvoor wettelijk
verschuldigde vergoedingen te voldoen aan de Stichting Reprorecht (Postbus 3051,
2130 kb Hoofddorp). Voor het overnemen van gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezin-
gen, readers en andere compilatiewerken (artikel 16 Auteurswet 1912) dient men zich tot
de uitgever te wenden.
isbn      978-90-80899-70-4
nur       741
wrr Den Haag
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>WRR

WETENSCHAPPELIJKE RAAD VOOR HET REGERINGSBELEID

Aan de Minister-President
Voorzitter van de Ministerraad
De heer drs. M. Rutte
Postbus 20001

2500 EA Den Haag

ons kenmerk Telefoonnummer

2019001 070 356 4600

onderwerp e-mail datum
WRR-rapport nr. 100 voorzitter@wrr.nl 2 januari 2019
Geld en schuld

Het doet ons genoegen u hierbij het rapport Geld en Schuld: De publieke rol van banken aan te
bieden. Met dit rapport geeft de raad antwoord op de adviesaanvraag van het kabinet over de
werking van het geldstelsel. De aanleiding voor deze adviesaanvraag is gelegen in een Tweede
Kamerdebat over het burgerinitiatief ‘Ons Geld’ en een in de Kamer aangenomen motie over
een onderzoek naar de werking van het geldstelsel.

De wijze waarop girale geldschepping werkt is, hoewel bij velen niet bekend, niet geheel nieuw.
Wel nieuw is de context waarbinnen geldschepping door banken plaatsvindt, deze is de laatste
decennia langzaam maar ingrijpend veranderd. De steeds belangrijkere roi van giraal geld, het
verdwijnen van een publieke betaal- en spaaroptie (de Postbank), de concentratie en
toegenomen uniformiteit in het bankwezen hebben geleid tot een context waarbinnen geld en
schuld gemakkelijker uit de hand kunnen lopen. Ook heeft het geleid tot een onbalans tussen
publieke en private belangen.

De raad beveelt daarom aan om te zorgen voor meer diversiteit in het stelsel, meer werk te
maken van het temmen van de schuldengroei, beter voorbereid te zijn op de volgende crisis en
te zorgen voor een stevigere verankering van de publieke dimensie van het bankwezen.

Ingevolge de instellingswet ziet de raad graag de bevindingen van de ministerraad tegemoet.

De voorzitter, De secretaris,

Prof. mr. J.E.J Prins Prof. dr. F.W.A. Brom

Buitenhof 34, Postbus 20004, 2500 EA Den Haag
telefoon (070) 356 46 00, website: www.wrr.nl, e-mail: info@wrr.nl
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>                                                                         7
inhoudsopgave
Samenvatting                                                             9
Ten geleide                                                             17
1        Inleiding                                                      19
1.1      Wat is geld?                                                   21
1.2      Wat is schuld?                                                 25
1.3      Het belang van vertrouwen                                     28
1.4      Dynamiek van het monetair-financieel systeem                  30
1.5      De insteek van dit rapport                                     32
2        Hoe werkt geldschepping?                                       37
2.1      Banken en geldschepping                                        37
2.2      Stuwende en remmende krachten                                 44
2.3      Monetair beleid                                               58
2.4      Conclusie                                                     65
3        Geschiedenis van geldschepping                                69
3.1      Geld en financiering in de negentiende eeuw                   70
3.2      De tussenoorlogse periode en de Grote Depressie (1918-1939)   80
3.3      Bretton Woods-periode (1945-1973)                             88
3.4      De pre-crisisperiode (1973-2008)                              95
3.5      Conclusie                                                   103
4        Het monetair-financieel systeem gewogen                     107
4.1      Dienstbaarheid                                              108
4.2      Stabiliteit                                                   117
4.3      Rechtvaardigheid                                            124
4.4      Legitimiteit                                                134
4.5      Conclusie                                                    138
5        Hoe werkt het publiekgeldsysteem?                           143
5.1      Het betalingsdeel                                           145
5.2      Het financieringsdeel                                       150
5.3      Monetair en financieel beleid                                155
5.4      Transitie naar het nieuwe systeem                           160
5.5      Conclusie                                                   163
6        Voor- en nadelen van het publiekgeldsysteem                  167
6.1      Dienstbaarheid                                               167
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>8        geld en schuld
6.2        Stabiliteit                                                            176
6.3        Rechtvaardigheid                                                      180
6.4        Legitimiteit                                                          185
6.5        Overige vraagstukken                                                  189
6.6        Conclusie                                                             192
7          Evenwicht in het huidige systeem                                      199
7.1        Het temmen van de geld- en schuldcyclus                               199
7.2        Balans tussen publieke en private belangen                            216
7.3        Conclusie                                                             224
8          Conclusies en aanbevelingen                                            227
8.1        Hoe werkt geldschepping?                                              228
8.2        Een dienstbaar, stabiel, rechtvaardig en legitiem monetair-financieel
           systeem                                                               229
8.3        Het publiekgeldsysteem als oplossing?                                  231
8.4        Twee grote uitdagingen voor het huidige systeem                       233
8.5        Aanbevelingen                                                         236
8.6        Tot slot                                                              247
Bijlage I       Adviesaanvraag                                                   249
Bijlage II      Lijst met gesproken personen                                      251
Bijlage III     Belastingregime, schuldenberg en risicohouding                   255
Bijlage IV      Begrippenlijst                                                   275
Literatuur                                                                        281
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>                                                                                       9
samenvatting
Iedereen gebruikt geld. Om ermee te betalen en om te sparen. Er wordt wel gezegd
dat geld de smeerolie is van de economie, maar geld is meer dan dat. Onze huidige
samenleving zou niet mogelijk zijn zonder geld. Een bijna even belangrijke rol
speelt schuld. Met geleend geld kunnen mensen investeringen doen of een huis
kopen. Kredietverlening kan zo bijdragen aan economische ontwikkeling. Geld en
schuld zijn dus zeer belangrijk in onze samenleving. Tegelijkertijd is de precieze
werking ervan niet altijd makkelijk te doorgronden.
Het is de verdienste van het burgerinitiatief ‘Ons Geld’ dat het fundamentele vra-
gen rond geld en schuld op de maatschappelijke en politieke agenda heeft gezet.
Het voorstel om geldschepping voortaan exclusief in publieke handen te leggen
verzamelde meer dan 120.000 handtekeningen. Het debat in de Tweede Kamer dat
hierop volgde, leidde tot een verzoek aan de Wetenschappelijke Raad voor het
Regeringsbeleid (wrr) om de voor- en nadelen van verschillende systemen van
geldschepping te onderzoeken. In dit rapport bespreken wij hoe geldschepping
werkt, hoe de context van geldschepping is veranderd en welke problemen het
huidige stelsel kent. We onderzoeken in hoeverre een publiekgeldsysteem – zoals
onder andere bepleit door ‘Ons Geld’ – daarvoor een oplossing vormt. Ten slotte
doen we aanbevelingen voor hervormingen van ons stelsel. Hieronder volgt een
korte samenvatting.
hoe werkt geldschepping?
Bij geld denkt men vaak eerst aan bankbiljetten en munten. Ons huidige geld
bestaat echter nog maar voor ongeveer zeven procent uit contant geld. Het over-
grote deel van de geldhoeveelheid – 93 procent – bestaat uit giraal geld. Dit zijn
banktegoeden, feitelijk schulden van de bank aan de rekeninghouder. Dit girale
geld wordt voornamelijk door commerciële banken gecreëerd bij het verstrekken
van leningen.
Hoe gaat dit in zijn werk? Wanneer een bank een lening verstrekt, is de uitstaande
lening een nieuwe bezitting voor de bank; de lener dient deze met rente af te beta-
len. Tegelijkertijd schrijft de bank een giraal tegoed bij op de rekening van de klant
die de lening aangaat. Dit girale tegoed is een schuld van de bank aan de rekening-
houder; de rekeninghouder kan dit tegoed desgewenst opnemen in contanten.
Geld, schuld en banken zijn in het huidige systeem dus nauw met elkaar verweven.
Dat banken nieuw geld kunnen scheppen betekent niet dat dit een ongeremd pro-
ces is. Er zijn drie belangrijke factoren die geldcreatie in de economie beïnvloeden.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>10 geld en schuld
   Ten eerste is dat het gedrag van burgers en bedrijven. Er moet vraag naar leningen
   zijn. Alleen dan kan er een lening worden verstrekt en wordt er nieuw geld
   gecreëerd. Daarnaast is het van belang wat burgers en bedrijven met dit nieuwe
   geld doen. Wanneer zij het uitgeven, kan het leiden tot extra bestedingen en blijft
   het in de economie. Wanneer zij er iemand mee betalen die met het geld een lening
   aflost, is het girale geld na één stap weer vernietigd.
   Ten tweede zijn de balansrisico’s voor banken een beperkende factor. Banken
   lopen bij het verstrekken van een lening het risico dat deze niet wordt terugbe-
   taald. Een bank moet voldoende eigen vermogen hebben om eventuele verliezen
   op te vangen. En omdat een giraal tegoed een schuld is van de bank aan de reke-
   ninghouder, brengt het creëren hiervan ook risico’s met zich mee. Burgers en
   bedrijven kunnen het tegoed omzetten in contant geld of overmaken naar een
   andere bank. Om hieraan te kunnen voldoen moet de bank wel voldoende centra-
   lebankreserves en contant geld hebben. Deze risico’s vormen een rem op geld-
   schepping. Omdat de stabiliteit van banken van publiek belang is, bestaan er op dit
   gebied ook wettelijke eisen (kapitaal- en liquiditeitseisen) die remmend kunnen
   werken.
   Ten derde speelt monetair beleid een rol. De rentes die de centrale bank hanteert
   hebben grote invloed op andere rentes, op wisselkoersen en op prijzen van
   aandelen en obligaties. Dit alles beïnvloedt de vraag naar leningen en de bereidheid
   van banken om die te verstrekken. Ook heeft de centrale bank in de nasleep van de
   financiële crisis op grote schaal obligaties opgekocht (de zogeheten kwantitatieve
   verruiming). Dit verlaagt rentes. Bovendien vergroot dit de maatschappelijke geld-
   hoeveelheid indien de obligaties van andere instellingen dan banken worden
   gekocht.
   veranderde context voor geldschepping
   Geldschepping door commerciële banken bij kredietverstrekking bestaat al heel
   lang. Maar de context waarbinnen deze geldschepping plaatsvindt is de laatste
   decennia langzaam maar ingrijpend veranderd.
   Ten eerste heeft er een verschuiving plaatsgevonden van contant geld naar giraal
   geld. Waar na de Tweede Wereldoorlog de maatschappelijke geldhoeveelheid nog
   maar voor iets meer dan de helft uit giraal geld bestond, is dat nu meer dan 90 pro-
   cent. Ten tweede zijn de publieke betaal- en spaaropties nagenoeg verdwenen: de
   Postbank en haar voorlopers de Postcheque- en Girodienst en de Rijkspost-
   spaarbank. Veel burgers en bedrijven hadden een rekening bij deze banken. De
   Postbank is echter in de jaren negentig geprivatiseerd en opgegaan in de ING. Ten
   derde heeft er concentratie en uniformering binnen het bankwezen plaatsgevon-
   den. Een divers bankenlandschap met veel verschillende soorten banken is lang-
   zaam veranderd in een landschap met drie grote, sterk op elkaar lijkende banken.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>                                                                 samenvatting        11
Deze veranderde context is van belang omdat de risico’s van geldschepping voor
banken veranderd zijn. De kans dat nieuw gecreëerd geld per saldo wegvloeit naar
andere banken of in contant geld wordt omgezet is veel kleiner geworden, en daar-
mee ook de noodzaak om veel reserves en makkelijk verkoopbare bezittingen aan
te houden. De grote omvang betekent ook dat banken een impliciete overheids-
garantie hebben, die het risico op faillissement vermindert. Dit houdt in dat de
remmen op geldschepping minder sterk zijn geworden.
De geschiedenis van geldstelsels laat zien dat het altijd zoeken is naar een balans
tussen inkadering en flexibiliteit. Een al te strikte inkadering is op den duur pro-
blematisch voor economische groei en kan crises verergeren. Bij te veel flexibiliteit
ontstaan er makkelijker zeepbellen en is er een verhoogd risico op crises, of ligt
inflatie op de loer. De veranderde context – samen met financiële liberalisering en
minder directe sturingsinstrumenten van centrale banken – heeft ervoor gezorgd
dat de remmen die in de decennia na de Tweede Wereldoorlog bestonden op het
gebied van geldschepping en kredietverlening nu minder aanwezig zijn. Het even-
wicht is te zeer verschoven in de richting van flexibiliteit.
twee kernproblemen
De wrr signaleert twee kernproblemen in ons huidige stelsel: de grote omvang en
hoge volatiliteit van schulden en de onbalans tussen publieke en private belangen.
De hoogte van private schulden is historisch gezien ongekend. Ook in andere lan-
den is de private schuld sterk gestegen, maar Nederland voert de boventoon. Naast
de genoemde flexibiliteit in het geldstelsel spelen verschillende factoren hierbij
een rol, zoals de fiscale bevoordeling van schuld, de indirecte overheidssteun voor
banken en het beleid op het gebied van de woningmarkt en pensioenen. Er wordt
vaak verondersteld dat hoge schulden geen probleem zijn zolang er voldoende
bezittingen tegenover staan en zij netjes worden afbetaald. Maar ook dan kunnen
hoge schuldenniveaus een probleem vormen. Zij leiden tot meer instabiliteit, zor-
gen ervoor dat herstel na een crisis langer duurt en leiden tot onevenwichtige eco-
nomische groei.
Het tweede probleem is de borging van de publieke dimensie. De paradox is dat
terwijl een steeds groter deel van het bankwezen in de afgelopen vijftig jaar is gaan
opereren als puur commerciële instellingen, het bankwezen – ongemerkt – een
steeds grotere publieke rol is gaan vervullen. Door het toenemende belang van
giraal geld, het verdwijnen van de publieke optie voor betalen en sparen en de con-
centratie in het bankwezen, is een beperkt aantal banken steeds belangrijker
geworden voor cruciale publieke belangen, zoals de betaalinfrastructuur, krediet-
verlening en financiële stabiliteit. Andersom speelt de overheid ook een grotere rol
in het bankwezen. Door de omvang van banken en hun belangrijke rol in het
betaalverkeer en kredietverlening is de impliciete en expliciete overheidsgarantie
groter geworden, zoals tijdens de crisis ook bleek uit de omvangrijke bedragen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>12 geld en schuld
   waarmee banken zijn gered. Banken zijn door deze ontwikkelingen feitelijk een
   soort semipublieke instellingen geworden. En moet opnieuw worden nagedacht
   over een goede balans tussen publieke en private belangen.
   het publiek-geldsysteem als oplossing?
   De initiatiefnemers van ‘Ons Geld’ zien een ander systeem van geldschepping als
   oplossing voor de huidige problemen. Het is geïnspireerd door een plan dat in de
   jaren dertig in de Verenigde Staten is ontwikkeld en dat bekend staat als het
   Chicagoplan. Ook in andere landen, zoals IJsland, het Verenigd Koninkrijk en
   Zwitserland, worden vergelijkbare voorstellen bediscussieerd.
   Deze voorstellen verschillen in uitwerking, maar ze komen in essentie steeds neer
   op het doorsnijden van de nauwe band tussen geld en schuld. Het huidige banken-
   landschap zou worden gesplitst in een betaaldeel en een financieringsdeel. In het
   betaaldeel wordt geld aangehouden op rekeningen direct bij de centrale bank of bij
   betaalbanken waarbij alle tegoeden voor honderd procent gedekt zijn met centrale-
   bankreserves. Nieuw geld kan dan alleen nog door de centrale bank worden
   gecreëerd. Nieuw geld komt in de economie door overheidsuitgaven, leningen of
   eventueel directe overboekingen aan burgers. Daarnaast kan het nieuwe geld
   gebruikt worden om de belastingen te verlagen of de staatsschuld af te betalen. In
   het financieringsdeel dienen banken eerst geld op te halen voordat zij leningen
   kunnen verstrekken. Zij kunnen dus geen nieuw geld creëren. Mensen die geld uit-
   lenen aan deze financieringsbanken kunnen ook verliezen lijden en zij kunnen niet
   op ieder moment hun geld terugvragen. Hoe dit financieringsdeel er exact uit zou
   moeten zien verschilt per voorstel.
   Hoewel de wens om het betaaldeel en het financieringsdeel te splitsen begrijpelijk
   is, gaat het met veel nieuwe onzekerheden gepaard. Zal de centrale bank voldoende
   in staat zijn om publieke druk te weerstaan? Indien de mogelijkheid tot geldschep-
   pen exclusief bij de centrale bank is belegd, kan de centrale bank voorkomen dat
   geldschepping uit de hand loopt. Het omgekeerde is ook denkbaar. Zonder ade-
   quate checks and balances kan een concentratie van deze macht bij de centrale bank
   juist leiden tot overmatige geldschepping. Zal er genoeg kredietverlening beschik-
   baar zijn om de investeringsgroei en de woningmarkt te faciliteren? Zal er scha-
   duwgeld ontstaan in het financieringsdeel, waardoor het systeem feitelijk weer
   sterk lijkt op het huidige systeem? Kan uitgesloten worden dat de overheid ooit
   nog een bank in het financieringsdeel zal redden?
   Het monetair-financieel stelsel is uiteindelijk geen technisch maar een sociaal stel-
   sel. Het gedrag van burgers, bedrijven, banken, politici en beleidsmakers doet ertoe
   en kan niet van tevoren helemaal worden voorspeld of vastgelegd. Wat goed werkt
   op de tekentafel kan daardoor in de praktijk heel anders uitpakken. Bovendien
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>                                                                    samenvatting      13
heeft een publiekgeldsysteem als geheel nooit gefunctioneerd. Dit betekent dat
niet eenduidig vast te stellen is of het beoogde systeem over het geheel genomen
beter zal functioneren dan ons huidige stelsel.
Ten slotte zijn de transitie en de internationale context belangrijke drempels voor
de invoering. Bij de transitie is een crisis niet uit te sluiten, vanwege de onzeker-
heden bij burgers en bedrijven. Het is onduidelijk hoe het systeem zou werken in
een context van grote internationale verwevenheden, waaronder ons lidmaatschap
van de eurozone. De wrr acht een overgang naar een publiekgeldsysteem daarom
een ongewenst experiment met het monetair-financiële systeem, de ruggengraat
van de economie.
Het voorstel voor een publiekgeldsysteem is echter om meerdere redenen het
bestuderen waard. Het biedt niet alleen een goede spiegel voor het huidige sys-
teem, het legt ook een aantal belangrijke pijnpunten bloot en het kan inspiratie
bieden voor de noodzakelijke hervormingen.
aanbevelingen
Voor een evenwichtigere groei van schuld en een betere balans tussen publieke en
private belangen moet een aantal belangrijke veranderingen worden doorgevoerd.
Daartoe doet de wrr een viertal aanbevelingen:
– Zorg voor diversiteit in de financiële sector
– Tem de overmatige schuldengroei
– Wees beter voorbereid op de volgende crisis
– Veranker de publieke dimensie van banken
Zorg voor diversiteit in de financiële sector
Diversiteit in de financiële sector is om meerdere reden belangrijk. Het gaat hierbij
niet alleen om meer keuze voor de consument of scherpere prijzen. In de financiële
sector is diversiteit van nog groter belang dan in andere sectoren omdat het essen-
tieel is voor de financiële stabiliteit en het een voorwaarde is voor het in goede
banen leiden van geld- en kredietschepping. Hoewel er na de crisis wel gesproken
is over de noodzaak van meer diversiteit in het bankwezen, heeft het nog niet tot
het gewenste resultaat geleid. In tegendeel, gemeten naar balansomvang is het aan-
deel van de drie grote banken toegenomen van 71% in 2006 naar 75% in 2016.
Om daadwerkelijk te komen tot meer diversiteit pleit de wrr voor het creëren van
een publiek verankerd alternatief voor betalen en sparen, naast de huidige banken.
Dit kan de vorm aannemen van een bank, al dan niet door de overheid opgezet, die
zich alleen met betalen en sparen bezighoudt. Een ambitieuzere vorm is de intro-
ductie van digitaal centralebankgeld. Zo’n publiek verankerd alternatief zal ook
veranderingen vergen bij de huidige commerciële banken, bijvoorbeeld op het
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>14 geld en schuld
   gebied van hun financiering. We kunnen verwachten dat het bestaan van een der-
   gelijk alternatief daarmee een disciplinerende werking zal hebben op deze banken
   en hun dominantie af zal nemen.
   De overheid zou ook meer direct werk dienen te maken van het verkleinen van de
   dominantie van systeembanken. Het huidige stelsel bevoordeelt op tal van manie-
   ren impliciet de grote banken. Dat maakt het lastig voor nieuwkomers om een plek
   te verwerven. Het zwaarder belasten van systeemrisico is een goed drukmiddel om
   systeemrelevantie te ontmoedigen. Uitdagers kunnen ook actiever gestimuleerd
   worden, bijvoorbeeld door verschillende toezichtregimes voor verschillende
   typen banken, zoals tot aan de jaren tachtig het geval was.
   Tem de overmatige schuldengroei
   Lagere schuldenniveaus zijn belangrijk voor meer stabiliteit, een sneller herstel na
   de volgende crisis en een meer evenwichtige economische groei. Hoewel er op dit
   gebied stappen zijn gezet na de crisis, zijn de totale private schulden nu niet lager
   dan voor de crisis, maar hoger. Er is dus een extra inspanning nodig.
   Een belangrijke stap daarvoor is het fiscaal gelijk trekken van schuld en eigen ver-
   mogen. Zowel het beperken van de aftrek op schuld als het introduceren van een
   aftrek op eigen vermogen kunnen hieraan bijdragen.
   Het temmen van de schuldengroei vergt daarnaast een versteviging van het
   bestaande macroprudentiële beleid – het beleid dat zich specifiek richt op het
   indammen van systeemrisico’s. Wanneer vanuit andere beleidsterreinen, zoals
   monetair beleid, bankentoezicht en sociaal-economisch beleid (zoals pensioen- en
   woningmarktbeleid), schulden juist worden gestimuleerd zal de werking van
   macroprudentieel beleid uiteindelijk beperkt zijn. Daarom is het belangrijk dat ook
   binnen die beleidsterreinen de invloed op schuldenniveaus onderdeel wordt van
   de afwegingen.
   Wees beter voorbereid op de volgende crisis
   Instabiliteit is inherent aan het financiële stelsel. De stabiliteit die de decennia na
   de Tweede Wereldoorlog kenmerkte was waarschijnlijk een uitzonderlijke periode
   die niet snel terug zal keren. Crises zijn over het algemeen ook de momenten
   waarop beleidswijzigingen plaatsvinden die onder normale omstandigheden niet
   tot stand zouden komen. Het is belangrijk om beter voorbereid te zijn op de vol-
   gende crisis.
   Allereerst is het van belang om in een crisis tijdig verlies te nemen en zo ruimte te
   maken voor herstel. Wanneer problematische financiële posities niet worden aan-
   gepakt, kan de nasleep van een crisis lang zijn. In Nederland ligt bijna het gehele
   risico van leningen bij de schuldenaar. Zowel vanuit het oogpunt van rechtvaardig-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>                                                                  samenvatting        15
heid als met het oog op een snel herstel na de crisis, is het belangrijk na te denken
over een meer evenwichtige risicoverdeling van schulden. Ook is een verplichte
algemene herkapitalisatie van banken na een crisis aan te bevelen, zelfs wanneer
een deel daarvan niet zelf in de problemen is geraakt. De ervaringen in de
Verenigde Staten en Europa leren dat dit essentieel is voor een snel herstel.
Daarnaast is het belangrijk om voorbereid te zijn op het feit dat bij een volgende
crisis vergaande maatregelen ter tafel kunnen komen. Gangbare instrumenten van
de centrale bank om crises te bestrijden – zoals het verlagen van de rente en het
opkopen van obligaties – zijn nu al in belangrijke mate ingezet. Het is dus niet
ondenkbaar dat meer controversiële maatregelen, bijvoorbeeld de optie van mone-
taire financiering van overheidsuitgaven, voorgesteld zullen worden. Tijdens een
crisis is de tijd om beslissingen te nemen relatief beperkt. Het is dus essentieel om
van tevoren – bijvoorbeeld door middel van scenariostudies – verschillende maat-
regelen doordacht en voorbereid te hebben.
Veranker de publieke dimensie van banken
Door het toenemen van het belang van giraal geld, het verdwijnen van de publieke
betaal- en spaaropties en de concentratie in het bankwezen, zijn banken een steeds
grotere publieke rol gaan spelen. De combinatie van private activiteiten en
publieke functies zorgt voor permanente spanningen, die tot op zekere hoogte
onvermijdelijk zijn. Het is daarom echter wel zaak dat deze publieke dimensie
beter verankerd wordt.
Dit vergt allereerst het versterken van de publieke dimensie in de organisatie van
banken. De belangen van de samenleving dienen een stevigere plaats te krijgen.
Hiervoor kan gedacht worden aan een maatschappelijke adviesraad, vergelijkbaar
met een cliëntenraad in zorginstellingen. Ook kunnen andere organisatievormen
– zoals het coöperatieve model – hieraan bijdragen. Het is dan wel van belang dat
ook het Europees toezicht hiervoor voldoende ruimte laat.
Het versterken van de publieke dimensie vergt ook dat de positie van de burger
versterkt wordt. Dit kan door burgers meer mogelijkheden te bieden om met de
voeten te stemmen, door het vergemakkelijken van overstappen naar het andere
banken en het bieden van het genoemde publiek verankerde alternatief. Maar het is
ook van belang dat de stem van de burger beter gehoord wordt, niet alleen binnen
banken, maar ook bij toezichthouders.
tot slot
Geld en schuld zijn cruciaal voor de samenleving. Geld en schuld kunnen als een
dubbele helix stijgen, maar als het tij keert imploderen zij samen. Zij kunnen de
economie tot grote hoogte stuwen maar ook diep laten vallen, ten nadele van de
samenleving. Het in goede banen leiden van geld en schuld is een permanente
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>16 geld en schuld
   opgave. Te ruim baan en het loopt uit de hand. Te krap en de situatie wordt
   onhoudbaar. Hoe het spel wordt gespeeld hangt af van het speelveld, de regels en
   de technologische ontwikkelingen. Spelregels moeten geldschepping en krediet-
   verlening inkaderen, maar er ook voldoende ruimte voor laten. Ook moeten zij
   zorgen voor een goede balans tussen publieke en private belangen. Steeds als een
   evenwicht bereikt lijkt te zijn, doen zich ontwikkelingen voor die om nieuwe ant-
   woorden vragen. In dit rapport doen we daarom aanbevelingen die nodig zijn om
   weer te komen tot een evenwichtige groei van krediet en schuld en een betere
   balans tussen publieke en private belangen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>                                                                                     17
ten geleide
Dit rapport is opgesteld door een projectgroep bestaande uit: Arnoud Boot (raads-
lid), Josta de Hoog (projectcoördinator), Arthur van Riel, Berend Rigter (stagiair),
Bart Stellinga, Janne Verstappen, Casper de Vries (raadslid, voorzitter project-
groep) en Robert Went.
Geld en schuld: De publieke rol van banken is tot stand gekomen op basis van een
uitvoerige studie van de wetenschappelijke literatuur en beleidsstukken en eigen
analyse. Daarnaast hebben wij gesprekken gevoerd met externe deskundigen in de
publieke en private sector: zowel politici, beleidsmakers, toezichthouders, centrale
bankiers, academici en vertegenwoordigers van burgerinitiatieven en banken. Hun
namen staan achterin het rapport vermeld. Wij zijn deze personen zeer dankbaar
voor hun bijdrage aan dit rapport.
In de afronding van het rapport hebben wij teksten voorgelegd aan Dirk Bezemer,
Wim Boonstra, Teunis Brosens, Charlotte van Dixhoorn, Bas Dommerholt,
Wouter Elsenburg, Clemens Kool, Martijn Jeroen van der Linden, Bart Noote-
boom, Roland Uittenbogaard, Hans Visser, Edgar Wortmann en verschillende
experts van De Nederlandsche Bank. We zijn al deze personen veel dank verschul-
digd voor hun nuttige commentaar en suggesties.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>                                                                                                      19
1        inleiding
         In de theatervoorstelling ‘Door de bank genomen’ wisselen toneelspelers uitleg
         over het financiële systeem af met korte sketches over hebberige bankdirecteuren
         en kleine crediteuren die verdrukt raken in de snelle wereld van het geld. Aan het
         begin van het stuk vragen de spelers aan het duizendkoppige publiek in het Rotter-
         damse Luxor theater wie ons geld maakt. De spanning is voelbaar in de zaal, en de
         mensen reageren verbaasd als ze horen dat dit niet de overheid of de centrale bank
         is. De verbazing slaat om in verontwaardiging wanneer de theatermakers uitleggen
         dat het de commerciële banken zijn die het grootste deel van het geld creëren.
         Het huidige geldstelsel wordt door de theatermakers gammel, onbestuurbaar, eli-
         tair en vol met problemen genoemd.1 Maar – zo krijgen de bezoekers ook te horen –
         er is een alternatief. Al in de jaren dertig van de vorige eeuw werd door een aantal
         economen van de Universiteit van Chicago het voorstel gedaan om banken niet
         langer giraal geld te laten scheppen en geldschepping uitsluitend in handen van
         een publieke instelling te leggen. Een burgerinitiatief van Stichting Ons Geld met
         deze strekking werd meer dan 120.000 keer ondertekend en besproken in de
         Tweede Kamer. Tijdens het debat is een motie aangenomen met daarin het verzoek
         aan de regering om de wrr te vragen advies uit te brengen over deze kwestie (zie
         box 1.1). Dit rapport is het resultaat van de daaropvolgende adviesaanvraag van de
         regering aan de wrr (zie bijlage I).
Box 1.1          Motie met verzoek tot adviesaanvraag2
  “De Kamer,
  gehoord de beraadslaging,
  constaterende dat een verdieping in het onderzoek naar de rol en functies van banken bij geldschep-
  ping en andere functies noodzakelijk is;
  overwegende dat er behoefte is aan een dienstbaar bankstelsel met minder risico’s voor spaarders
  en de belastingbetaler;
  verzoekt de regering, aan de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid te vragen om een
  advies uit te brengen over de werking van het geldstelsel inclusief alle vormen van geldschepping
  door banken en hierbij in ieder geval te betrekken de voor- en nadelen van alternatieve systemen
  van geldschepping en de omvang van de geldscheppingswinst,
  en gaat over tot de orde van de dag.
  Omtzigt
  Merkies”
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>20 geld en schuld
   De discussie over de toekomst van ons geldstelsel is niet alleen een Nederlandse
   discussie. Zo heeft Martin Wolf, een van de bekendste columnisten van de Finan-
   cial Times, voor een alternatief geldstelsel gepleit. Economen van het Internatio-
   naal Monetair Fonds (imf) en van de Britse centrale bank (Bank of England) doen
   er onderzoek naar. Het IJslandse parlement heeft een voorstel over dit onderwerp
   geschreven. En in Zwitserland is in juni 2018 over het vergelijkbare Vollgeld-initia-
   tief een referendum gehouden, waarbij 24% voor een alternatief systeem stemde en
   76% tegen.3 Het kan ook praktisch gezien niet enkel een nationale discussie zijn:
   Nederland maakt deel uit van de eurozone en ook los daarvan zijn de internatio-
   nale verwevenheden te groot om zonder coördinatie een ander geldstelsel in te
   kunnen voeren.
   De initiatiefnemers werpen met hun voorstel licht op iets waar velen – ook men-
   sen uit de financiële sector – niet bekend mee zijn. Het zijn normaal gesproken niet
   de centrale banken, maar de commerciële banken die het geld scheppen. Zij doen
   dit op het moment dat zij een lening verstrekken. Zoals we in dit rapport uiteen
   zullen zetten, betekent dit dat geldcreatie in het huidige systeem onlosmakelijk
   verbonden is met schuldcreatie. Geld en schuld zijn voor een belangrijk deel twee
   kanten van dezelfde medaille. Dat houdt in dat de omvangrijke schuldengroei,
   waar veel internationale instellingen en economen zich zorgen over maken, niet is
   los te zien van een sterke groei van de geldhoeveelheid.4
   Tot de financiële crisis was de aandacht voor geld en schuld in de meeste economi-
   sche analyses beperkt. Geld en schuld werden veelal als een onbetekenende ‘sluier’
   over de economische activiteit beschouwd, zonder noemenswaardig effect op de
   reële economie. Dit ondanks het feit dat de financiële sector enkele malen de
   omvang van de reële economie had bereikt. In de veelgebruikte macro-economi-
   sche modellen van het Centraal Planbureau (cpb) speelde de financiële sector geen
   rol. Economische modellen waarin financiële risico’s geen plek hebben “beheers-
   ten het onderwijs en de beleidsdiscussies” (Bezemer 2018) en ook het fundamen-
   tele macro-economisch onderzoek had weinig aandacht voor de rol van geld en
   schuld.
   Het burgerinitiatief vraagt terecht meer aandacht voor de rol van geld en schuld in
   onze maatschappij. Het zijn de pijlers van het financiële systeem en de manier
   waarop geld en schuld geregeld zijn heeft effect op iedere uithoek van de samen-
   leving. In deze inleiding gaan we eerst kort in op geld en schuld (paragraaf 1.1 en
   1.2). Daarna bespreken we het belang van vertrouwen (paragraaf 1.3) en de dyna-
   miek van het monetair-financieel systeem (paragraaf 1.4). Tot slot bespreken we de
   opbouw van dit rapport (paragraaf 1.5).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>                                                                                  inleiding        21
1.1 wat is geld?
        “There is no denying that views on money are as difficult to describe as shifting clouds.”
        Schumpeter5
    Voor iets dat zoveel gebruikt wordt, is het opmerkelijk hoe weinig overeenstem-
    ming er bestaat over wat geld precies is. Het is ‘het slijk der aarde’, ‘the thing that
    makes the world go round’, het is ‘de wortel van al het kwaad’ en ‘het moet rollen’.
    Geld is heel vertrouwd, maar tegelijkertijd niet zo makkelijk te duiden als je zou
    mogen verwachten. Economen hebben nog altijd moeite om het functioneren van
    geld in een kapitalistische economie precies te begrijpen (King 2016: 52).6
    Geld is allereerst een (impliciete) afspraak tussen mensen en daarmee een sociaal
    construct (Van Dalen en Klamer 2015: 14). Geld is een sociaal fenomeen: het bestaat
    immers bij de gratie van interacties tussen mensen. Iets functioneert alleen als geld
    als mensen er vertrouwen in hebben dat andere mensen het ook als geld (blijven)
    gebruiken en accepteren (Carruthers 2010). Daarbij spelen netwerkeffecten een
    belangrijke rol. De waarde van geld is uiteindelijk gebaseerd op het vertrouwen dat
    het door anderen wordt geaccepteerd en “niet op het materiaal waarvan het is
    gemaakt” (Boonstra 2018: 54). In de loop van de geschiedenis heeft geld dan ook
    veel verschillende verschijningsvormen gehad: munten, schelpen, zout, kralen,
    bankbiljetten en enen en nullen in computersystemen.
    Het vertrouwen in geld is in het dagelijks leven soms zo vanzelfsprekend, dat we
    niet stilstaan bij de vraag waar dit vertrouwen vandaan komt. Hoewel dit vertrou-
    wen in belangrijke mate een kwestie van gewoonte is, komt vertrouwen in geld
    niet uit de lucht vallen: er zijn mechanismen nodig om dit te genereren en te
    behouden (Giannini 2011: 14-15). Welke mechanismen dat zijn hangt af van het
    geldstelsel. In geldstelsels waarbij geld gemaakt is van een materiaal met een
    waarde los van het gebruik als geld (zoals munten van edelmetaal), gaat het bij-
    voorbeeld om de mogelijkheid om het edelmetaalgehalte te controleren en de
    afbeeldingen op de munten die laten zien dat het ‘echt’ is. Juridische en wettelijke
    kaders zijn ook van groot belang, bijvoorbeeld door valsmunterij strafbaar te stel-
    len. In geldstelsels waarbij het materiaal van geld van verwaarloosbaar belang is,
    zoals ons huidige stelsel, zijn deze institutionele kaders extra belangrijk. Nu girale
    tegoeden dominant zijn, wordt vertrouwen bijvoorbeeld gegenereerd door het
    depositogarantiestelsel, toezicht op banken en de mogelijkheid van liquiditeits-
    steun voor banken.
    Over het ontstaan van geld bestaan verschillende theorieën, die we in dit rapport
    niet uitgebreid behandelen.7 De meest gebruikte verklaring over de oorsprong is
    dat geld is ontstaan als antwoord op de inefficiënties van ruilhandel (Jones 1976;
    Van Dixhoorn 2013b; Goodhart en Jensen 2015: 3). Hoewel theoretisch goed te
    beargumenteren valt dat geld efficiënter is dan ruilhandel, is er geen historisch
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>22 geld en schuld
   bewijs dat geld daadwerkelijk op deze manier is ontstaan (Bezemer 2012; Hum-
   phrey 1985; Ryan-Collins 2015). Een andere stroming ziet de oorsprong van geld in
   schuldrelaties tussen mensen. Zodra schuldbekentenissen loskwamen van de twee
   personen waartussen ze waren aangegaan en ze circuleerden als betaalmiddel voor
   goederen en diensten, was er geld (Mitchell-Innes 1913; Wray 2004; Graeber 2011).
   Weer een andere stroming legt de nadruk op de rol van staat en religieuze autori-
   teiten bij het ontstaan van geld. Geld is in die opvatting het gevolg van de belastin-
   gen (of offers) die deze instituties inden (Van Dixhoorn 2013b).
   De verschillende geschiedschrijvingen bieden elk een ander perspectief op geld en
   dat heeft consequenties voor de wijze waarop ook nu nog over geld wordt nage-
   dacht. De geschiedenis van geld als antwoord op de inefficiënties van ruilhandel
   benadrukt het spontane en neutrale karakter van geld. Menger (2007 [1871]: 262)
   stelde nadrukkelijk: “No one invented [money].” Wanneer de geschiedenis van geld
   wordt gezocht in schuld, staan sociale relaties voorop, met name de relatie tussen
   crediteur en debiteur (Wray 2004). En wanneer de rol van de staat en religieuze
   autoriteiten vooropstaat, wordt als vanzelf de belangrijke rol van de staat voor het
   functioneren van geld benadrukt.
   Hoe we geld precies moeten definiëren is dus verre van eenduidig. Binnen de eco-
   nomische wetenschap is het gebruikelijk om de functies van geld centraal te stel-
   len: het is een betaalmiddel, spaarmiddel en rekeneenheid (Van Dalen en Klamer
   2015; Van Dixhoorn 2013b; Burgess en Janssen 2007; Boonstra 2015). Geld is aller-
   eerst datgene wat binnen een samenleving als algemeen betaalmiddel wordt geac-
   cepteerd. Het kan hierbij gaan om de aanschaf van producten en diensten, het
   betalen van loon, het vereffenen van schulden, de aankoop van financiële instru-
   menten zoals aandelen en het betalen van belastingen. Geld is dus (ongedifferen-
   tieerde) koopkracht. Belangrijk voor het functioneren als betaalmiddel is dat het
   overdraagbaar is: het moet van de ene persoon kunnen worden overgedragen aan
   een andere persoon zonder dat dit ten koste gaat van de bruikbaarheid ervan.
   Belangrijk is ook dat het in zekere mate deelbaar is: je moet er verschillende bedra-
   gen mee kunnen betalen. Het is cruciaal dat de waarde van het geld voldoende sta-
   biel is: men accepteert een middel alleen als betaling als men dit op een later
   moment kan gebruiken om iets van vergelijkbare waarde te kopen.
   De stabiliteit van de waarde het geldmiddel zorgt voor een tweede functie van
   geld: spaarmiddel of oppotmiddel. Omdat iets alleen als geld kan functioneren
   wanneer dit over tijd zijn waarde grotendeels behoudt, kunnen mensen besluiten
   om geld voor langere tijd te bewaren. Dit stelt ook weer een volgende eis aan het
   geldmiddel: het moet niet makkelijk kunnen vergaan. Deze spaarfunctie is overi-
   gens niet beperkt tot geld. Ook aandelen, obligaties, juwelen of een huis kunnen
   functioneren als spaarmiddel. Wat geld als spaarmiddel onderscheidt is dat het
   vrijwel direct kan worden gebruikt als betaalmiddel. Het is, in jargon, een zeer
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>                                                                               inleiding        23
            ‘liquide’ spaarmiddel, terwijl juwelen dat in veel mindere mate zijn. Ook verschilt
            het in termen van zekerheid: sparen door middel van aandelenbezit brengt andere
            risico’s mee dan het sparen door middel van geld.
            Geld heeft ten derde de functie van meet- of rekeneenheid. Het maakt totaal ver-
            schillende dingen vergelijkbaar. Hoewel een brood en een telefoon zeer verschil-
            lend zijn, kan de prijs van deze twee zaken eenvoudig vergeleken worden. Ook op
            macroniveau maakt het vergelijkingen mogelijk, bijvoorbeeld tussen het binnen-
            lands bruto product van verschillende landen. Dit hangt weer samen met de eerste
            functie: om dienst te doen als algemeen betaalmiddel is het ook essentieel dat
            diensten, producten, vastgoed, financiële instrumenten en belastingen worden
            uitgedrukt in dezelfde geldeenheden.8
            In dit rapport gaan we uit pragmatische overwegingen uit van geld als dat wat alge-
            meen als betaalmiddel wordt geaccepteerd.9 Uitgaande van deze definitie, bestaat
            het geld vandaag de dag voornamelijk uit contanten (munten en biljetten) en girale
            tegoeden bij banken; betaalrekeningen en spaarrekeningen die direct opneembaar
            zijn. Daarnaast bestaan er vormen van quasigeld (zoals spaartegoeden die voor lan-
            gere tijd vaststaan) die wel of niet als geld kunnen meetellen. Nog breder worden
            soms ook bepaalde kortlopende schulden meegeteld als geld.
            In de statistieken wordt uitgegaan van drie verschillende maatschappelijke geld-
            hoeveelheden (monetaire aggregaten).10 Omdat we deze ook in het rapport zullen
            gebruiken, bespreken we ze hier kort. M1 is de smalste definitie van de geldhoe-
            veelheid: dit gaat om alle contanten en direct opneembare girale tegoeden bij
            banken. M2 en M3 zijn bredere definities, waarvoor ook spaargeld en bijvoorbeeld
            aandelen in geldmarktfondsen meetellen (zie tabel 1.1). Bij deze bredere definities
            worden dus ook financiële instrumenten meegeteld die strikt genomen geen
            betaalmiddel zijn, maar daar wel relatief snel en eenvoudig (en met niet of
            nauwelijks verlies in waarde) in kunnen worden omgezet.
Tabel 1.1          Geldhoeveelheden11
                                                                   M1       M2          M3
 Contant geld                                                      ●        ●            ●
 Girale tegoeden waar direct betalingen mee kunnen worden gedaan   ●        ●            ●
 Deposito’s met een looptijd korter dan twee jaar                           ●            ●
 Deposito’s met een notificatieperiode van minder van drie maanden          ●            ●
 Repo's                                                                                  ●
 Aandelen/participaties in geldmarktfondsen                                              ●
 Schuldbewijzen met looptijd tot en met 2 jaar                                           ●
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>24        geld en schuld
          Wanneer we kijken naar de huidige ruime geldhoeveelheid (M3), bestaat deze voor
          7% uit contant geld, voor 39% uit girale tegoeden waarmee direct betalingen kun-
          nen worden gedaan (we zullen in dit rapport spreken van betaaltegoeden) en voor
          51% uit deposito’s met een looptijd van korter dan twee jaar of een notificatie-
          periode van korter dan drie maanden (we zullen in dit rapport spreken van spaar-
          tegoeden). Andere financiële middelen maken 3% uit van M3 (zie figuur 1.1).
Figuur 1.1       Samenstelling van de geldhoeveelheid
                       September 2018, miljarden euro's
                                                                       Betaaltegoeden
                         450                                           Spaartegoeden
                                                                       Contanten
                                                                       Overig
                                                62
                         338                    29
                          M1        M2         M3
Bron: dnb tabel 5.4
          Deze officiële definities van de geldhoeveelheid kunnen afwijken van wat er feite-
          lijk als geld functioneert. Het is om die reden dat de precieze definities in de loop
          van de tijd af en toe zijn aangepast. Innovatie in de financiële wereld kan leiden tot
          nieuwe producten die in de loop van tijd als geld gaan functioneren of die eenvou-
          dig daarin kunnen worden omgezet. De grenzen van wat geld is en wat niet, zijn
          dus niet zo duidelijk als het op het eerste gezicht lijkt. De opkomst van crypto-
          munten zoals bitcoin bevraagt opnieuw die grenzen (zie box 1.2).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>                                                                                        inleiding      25
Box 1.2           Is bitcoin geld?
   De afgelopen jaren houden zogeheten ‘cryptomunten’ de gemoederen flink bezig. Bij crypto-
   munten gaat het om digitale munten die worden gegenereerd door cryptografie, een computer-
   berekening. De bekendste is de bitcoin. Deze werd in oktober 2008 gelanceerd, niet toevallig
   vlak na de val van Lehman Brothers. De ontwikkelaars hoopten hiermee een alternatief te creë-
   ren voor de dominante geldvormen (contanten en banktegoeden) die afhankelijk zijn van, en
   sterk beïnvloed worden door de overheid en banken. Vertrouwen in de bitcoin zou niet langer
   gestoeld zijn op vertrouwen in deze instellingen maar op (dat was althans de claim) objectieve,
   rationele, niet te corrumperen mathematische berekeningen in een gedecentraliseerd, gedeeld
   en publiek toegankelijk boekhoudsysteem.
   Is bitcoin geld? Vooralsnog voldoet de bitcoin niet aan de drie genoemde functies van geld. De
   mogelijkheden om bitcoin te gebruiken als betaalmiddel zijn beperkt: weinig instanties accepte-
   ren betaling met bitcoin (Betlem 2017) en zoals gezegd is de volatiliteit van de waarde groot. De
   koers steeg naar meer dan $20.000 in december 2017, waarna deze daalde tot minder dan $4.000
   in december 2018. Als spaarmiddel kan de bitcoin door deze volatiliteit ook niet goed dienstdoen
   (Richter 2017). Het is eerder een speculatiemiddel (dnb 2018d). Ten slotte fungeert bitcoin niet
   of nauwelijks als rekeneenheid. Van slechts weinig producten of diensten is de prijs in bitcoin
   aangegeven. Wie bitcoins wil gebruiken heeft realtime apps nodig om te zien hoeveel ze op dat
   moment waard zijn in dollars of euro’s.
   Natuurlijk weten we niet wat de toekomst zal brengen en cryptomunten zijn nog jong. Het
   voorbeeld laat echter wel zien hoe lastig het is om een stabiele munt te creëren. De limiet op het
   aantal bitcoins dat in omloop kan komen en het gebruik van decentrale verificatietechnieken
   garanderen niet een stabiele en betrouwbare munt, zoals de fluctuaties en de verliezen die men-
   sen hebben geleden laten zien. Deze mathematische methoden om vertrouwen te wekken heb-
   ben op dit moment duidelijke beperkingen. Het vertrouwen in een munt is voor een belangrijk
   deel gestoeld op stabiliteit van waarde. Voor de euro, de dollar en vele andere munten geldt dat er
   instituties zijn die deze stabiliteit expliciet tot doel hebben en garanties om het functioneren te
   ondersteunen. Het is de vraag of een cryptomunt zonder zo’n institutionele inbedding ooit een
   volwaardig alternatief zal kunnen worden voor geld.
1.2       wat is schuld?
          Hoewel schuld binnen de economie een veelbesproken onderwerp is, leidt het
          eveneens tot verwarring en is niet altijd duidelijk waar het precies over gaat. Wat
          het spreken over schuld niet makkelijker maakt, is dat schuld een moreel beladen
          begrip is. Het hebben van schuld is vaak niet alleen een economische constatering,
          maar ook een morele constatering (Graeber 2011: 4). Dat geldt in het bijzonder in
          het Nederlands of Duits waar het woord ‘schuld’ zowel gebruikt wordt voor een
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>26 geld en schuld
   verplichting tegenover een ander (debt) als voor de verantwoordelijkheid voor ver-
   wijtbaar handelen (guilt). Bovendien wordt in veel religies schuld – zowel ten aan-
   zien van de schuldverlener als de schuldeiser – als iets verderfelijks beschouwd. In
   de Bijbel staat bijvoorbeeld “Wees elkaar niets schuldig, behalve liefde.” (Romei-
   nen 13:8) en “Wie leent, is de slaaf van wie uitleent.” (Spreuken 22:7). Binnen de
   islam is rente – in sommige interpretaties woekerrente – verboden (Visser 2009:
   174). Lang gold in Europa het vragen van rente ook als iets verderfelijks.
   Tegelijkertijd zijn investeringen die mogelijk zijn door schulden cruciaal voor eco-
   nomische ontwikkeling. Volgens Ferguson (2008: 2) zijn krediet en schuld zelfs
   even belangrijk voor de ontwikkeling van onze beschaving als welke technologi-
   sche innovatie dan ook. Met schuld kun je inkomsten die je in de toekomst ver-
   wacht uit arbeid, goederen of kapitaal naar het heden halen en nu investeren of
   besteden aan consumptie. Zo kan een ijscoman een ijsmachine kopen met het geld
   dat hij in de toekomst met het verkopen van ijsjes denkt te verdienen. Of kan een
   boer kosten en lonen betalen uit krediet op basis van de toekomstige oogst. Een
   lening kan iemand in staat stellen een opleiding te bekostigen om diens arbeids-
   perspectief te verbeteren.
   Schuld is in essentie een niet gelijktijdige uitwisseling tussen twee partijen.
   Graeber (2011) heeft het over schuld als een niet voltooide ruil. Het kan gaan over
   een sociale ruil: je helpt iemand verhuizen en verwacht dat die persoon later bij
   jouw verhuizing helpt. In dit rapport gaat het over een financiële ruil. Je leent geld
   dat je later zult terugbetalen of je koopt een product dat je op een later moment
   zult betalen. Doordat de ene kant van de ruil (het verstrekken van de lening) op
   een ander moment plaatsvindt dan de andere kant (het terugbetalen van de
   lening), is er bij schuld altijd het risico dat er tussendoor iets gebeurt waardoor niet
   (of niet volledig) terugbetaald kan worden. Het verstrekken en aangaan van een
   lening vereist dan ook vertrouwen in de toekomst en vertrouwen in elkaar. Dit
   komt mooi tot uitdrukking in het woord ‘crediteur’ en in het Duitse woord voor
   schuldeiser, Gläubiger.
       “The old saying holds. Owe your banker £1,000 and you are at his mercy; owe him £1 mil-
       lion and the position is reversed”
       Keynes12
   Een schuld is over het algemeen vrijwillig aangegaan. Daarop zijn uitzonderingen:
   de schuld aan de belastingdienst is niet via een vrijwillige afspraak tussen twee
   partijen tot stand gekomen en ook door het krijgen van een boete ontstaat een
   schuld. Ook in het geval dat de schuld vrijwillig is overeengekomen, is de positie
   van de twee partijen vaak niet gelijk. Daarom worden burgers sinds jaar en dag
   beschermd tegen bijvoorbeeld woekerrentes. De maximale rente wordt al eeuwen
   door overheden bepaald. Ook nu is dat nog het geval.13
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>                                                                                       inleiding       27
          In beginsel dient een schuld terugbetaald te worden, maar om sociale, economi-
          sche en praktische redenen zijn daar grenzen aan. Grenzen die in de loop van de
          tijd zijn verschoven. De beruchte debtors’ prisons waarin mensen die hun schulden
          niet konden betalen werden opgesloten, zoals de Londense Marshalsea waarin
          Charles Dickens’ Little Dorrit zich afspeelt, bestaan niet meer. Maar mensen kun-
          nen nog steeds tijdelijk opgesloten (gegijzeld) worden, wanneer zij hun schulden
          niet voldoen.14 Nederland werd in de gouden eeuw het eerste land in Europa waar
          bankroet uit de criminele sfeer werd gehaald en er een min of meer ordentelijke
          faillissementsregeling kwam. In 1627 werd besloten om in het Amsterdamse stad-
          huis een Desolate Boedelkamer in te richten waar faillissementen konden worden
          afgewikkeld en een nieuwe start kon worden gemaakt (Frederik 2012). Zo kon
          Rembrandt na zijn faillissement weer gaan schilderen, in plaats van in de gevange-
          nis te belanden of te vluchten naar de vrijplaats Vianen. Er zit dus een grens aan de
          opeisbaarheid van schulden: de kredietverstrekker wordt geacht een bepaald risico
          te accepteren (Graeber 2011: 3).
          Schuld heeft meerdere betekenissen, zeker in de Nederlandse taal, wat soms
          spraakverwarring oplevert. Van een morele schuld, een abstracte verplichting tot
          een concreet en bij de rechter afdwingbaar schuldcontract. Het feit dat schuld veel
          verschillende vormen kan aannemen verklaart ook de verwarring over de vraag of
          geld altijd schuld is (zie box 1.3).
Box 1.3           Is geld altijd schuld?
  Eén van de vragen die vaak terugkomt in de discussie over een ander systeem van geldschepping
  is of geld altijd schuld is. In het huidige systeem wordt geld gecreëerd wanneer een lening wordt
  verstrekt. Het overgrote deel van ons geld (banktegoeden) is feitelijk een schuld van de bank aan
  de rekeninghouder. Daarmee is geld onlosmakelijk verbonden met schuld. Diverse auteurs
  schrijven: ‘alle geld is schuld’ (Van Dixhoorn 2013a; Bjerg 2015; Wray 2014; Boonstra 2015). Dat
  hoeft niet altijd zo te zijn. Ons huidige contante geld – munten en bankbiljetten – is niet tegelij-
  kertijd een schuld: je kunt contant geld immers niet bij de centrale bank inruilen tegen goud of
  iets anders.15 Hoewel centrale banken contant geld boekhoudkundig registreren als schuld, is het
  in het economische verkeer geen schuld omdat de bezitter daarvan bij de centrale bank niets kan
  opeisen. Om deze reden is het in zekere zin een willekeurige keuze om contant geld als schuld
  en niet als eigen vermogen te registreren, dat ook aan de verplichtingenzijde op de balans staat.
  Schuld kan dus gaan functioneren als geld – wanneer het voldoende deelbaar en overdraagbaar
  is – maar niet alle schuld functioneert als geld en niet alle vormen van geld zijn schuld. Dat
  neemt niet weg dat geld altijd een claim op de huidige en toekomstige productie is. Nieuw gege-
  nereerd geld vergroot deze claim en kan dus niet zonder gevolgen in onbeperkte mate worden
  bijgemaakt, vanwege het gevaar van inflatie.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>28        geld en schuld
1.3       het belang van vertrouwen
          Het woord vertrouwen is al een aantal keer gevallen in deze inleiding. Vertrouwen
          is cruciaal voor het functioneren van geld en voor het aangaan van leningen. De
          financiële crisis heeft een forse deuk in dat vertrouwen geslagen (zie bijvoorbeeld
          dnb 2015b). Het breed gesteunde burgerinitiatief kan ook gezien worden als uiting
          van wantrouwen tegen het huidige systeem, net als de populariteit van crypto-
          munten.
          In Nederland is het vertrouwen in het bankwezen laag in vergelijking met het ver-
          trouwen in andere instituties. Wat ook opvalt is dat het vertrouwen onder hoger
          opgeleiden lager is dan onder lager opgeleiden. Dat is uniek; voor andere instituties
          is het doorgaans andersom (zie figuur 1.2).
Figuur 1.2         Vertrouwen in instituties
100%
 90%
 80%
 70%
 60%
 50%
 40%
 30%
 20%
 10%
  0%
       Kerken      Pers   Banken   Europese     Tweede   Grote    Ambtenaren    Leger      Politie    Rechters    Vertrouwen
                                      Unie       Kamer bedrijven                                                   in andere
                                                                                                                    mensen
           basisonderwijs vmbo, mbo-1, havo onderbouw  havo, vwo, mbo     hbo, wo bachelor      wo, master, doctor
Bron: cbs 2017
          Opmerkelijk genoeg blijkt uit een enquête van De Nederlandsche Bank (dnb) dat
          economen minder vertrouwen hebben in de stabiliteit van het Nederlandse finan-
          ciële systeem dan het algemene Nederlandse publiek (zie figuur 1.3). Volgens dnb
          hangt dit samen met de mate waarin respondenten het idee hebben dat regelgeving
          voldoende is aangescherpt: respondenten die minder vertrouwen hebben in de
          stabiliteit zijn ook negatiever over de aanscherping van de regels (dnb 2016b).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>                                                                                      inleiding 29
Figuur 1.3       Vertrouwen in stabiliteit Nederlandse financiële systeem
          Stelling: Ik heb vertrouwen in de stabiliteit van het Nederlandse financiële systeem
          Nederlands publiek
           3      18         6            31                          38               3
          Economenpanel
           4                36             4         22                  31            2
          zeer oneens      oneens  geen mening neutraal            eens       zeer eens
Bron: dnb 2016b
         De afgelopen jaren is dan ook veel gesproken over het vertrouwen in de financiële
         sector. De Nederlandse Vereniging voor Banken (nvb) is een Vertrouwensmonitor
         Banken gestart (zie bijvoorbeeld nvb 2016); universiteiten organiseerden debatten
         en de minister van Financiën schreef een kamerbrief over het vertrouwen in de
         financiële sector.16
         Vertrouwen is echter geen eenduidig begrip. Wanneer het gaat over vertrouwen in
         het monetair-financieel systeem lopen er veel verschillende vormen van vertrou-
         wen door elkaar heen. Het gaat om vertrouwen in de beleidsmakers (in de politiek,
         de centrale bank), in banken en andere financiële instellingen, in bankiers, in geld,
         in de toekomst en om intermenselijk vertrouwen. Die vormen van vertrouwen
         hangen ook nog eens sterk met elkaar samen. Voor het vertrouwen in geld zijn
         instituties – zoals een centrale bank en een depositogarantiestelsel – van groot
         belang. Het vertrouwen in geld is dan ook sterk verweven met het vertrouwen in
         deze instituties. Een financiële crisis leidt niet alleen tot minder vertrouwen in
         financiële instituties, maar gaat ook gepaard met een daling van het algemeen
         intermenselijk vertrouwen (Cruijsen et al. 2013).
         Vertrouwen kan niet afgedwongen worden; het moet uiteindelijk worden gegeven.
         Vertrouwen moet verdiend worden met gebleken betrouwbaarheid, door te vol-
         doen aan gerechtvaardigde verwachtingen. Voor vertrouwen is het ook belangrijk
         dat onvrede geuit en besproken kan worden (Nooteboom 2017). In dit rapport kij-
         ken wij naar deze twee aspecten van vertrouwen. We vatten daarbij de betrouw-
         baarheid van het stelsel op als de dienstbaarheid, stabiliteit en rechtvaardigheid van
         het stelsel. De mogelijkheid om met onvrede iets te doen gaat over invloed en legi-
         timiteit.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>30        geld en schuld
1.4       dynamiek van het monetair-financieel systeem
          Geld en schuld zijn onderdeel van een groter monetair-financieel systeem. Banken,
          de centrale bank, maar ook overheden, pensioenfondsen, verzekeraars en schaduw-
          banken17 spelen hierin een rol. Net zoals dat wat als geld functioneert verandert in
          de tijd, is ook het monetair-financieel systeem niet statisch. Met name de indus-
          trialisatie en globalisering hebben grote gevolgen gehad voor hoe het systeem nu
          functioneert (we beschrijven dit in hoofdstuk 3).
          Technologische ontwikkelingen hebben veel invloed gehad op de dynamiek van
          het systeem. De snelheid waarmee geld zich over de wereld kan verplaatsen is
          enorm toegenomen. Waar ooit goudstukken en later papieren wissels fysiek van
          de ene plaats naar de andere werden verscheept, kan een betaling van de ene naar
          de andere kant van de wereld nu in milliseconden geregeld zijn. Het is veel eenvou-
          diger geworden om niet alleen in de bakker om de hoek, maar ook in bedrijven in
          Brazilië of Zuid-Afrika te investeren.
          Nieuwe technologieën maken cryptomunten zoals bitcoin (zie de eerdere box 1.2)
          en nieuwe financiële innovaties mogelijk. Deze nieuwe technologieën bieden
          mogelijkheden waar gevestigde partijen nog niet altijd een antwoord op hebben.
          Centrale banken volgen deze ontwikkelingen nauwgezet. Zij kunnen tot innova-
          ties en betere financiële dienstverlening leiden, maar ook risico’s opleveren voor
          publieke belangen, zoals de stabiliteit van het financiële systeem. Centrale banken
          onderzoeken daarnaast ook hoe zij zelf nieuwe technologie kunnen gebruiken, en
          doen bijvoorbeeld in veel landen onderzoek naar de voor- en nadelen van een digi-
          tale centralebankmunt. Dat het geldstelsel in de toekomst zal veranderen is zeker;
          hoe precies is echter niet te voorspellen (zie box 1.4). “The issue is shaping up to be
          every bit as vexed as those of robots and jobs”, stelt Andrew Haldane (voorwoord in
          Birch 2017), chief economist van de Bank of England. “Passions around cashless
          societies run high. If nothing else, this tells us that money is, always has been and
          always will be, much more than a cryptographic code; it is a social convention.”
Box 1.4          Fintech als revolutie?
   Er wordt veel gesproken over ‘fintech’, maar wat is dat eigenlijk? De directeur van het imf,
   Christine Lagarde (2017), omschrijft het als “the collection of new technologies whose applications
   may affect financial services, including artificial intelligence, big data, biometrics, and distributed
   ledger technologies such as blockchains”. Dat is een erg brede definitie, maar er zijn dan ook veel
   nieuwe initiatieven en combinaties, en niemand weet wat er allemaal nog gaat komen. In de dis-
   cussie over fintech staan twee vraagstukken centraal: (1) Wat zal fintech betekenen voor finan-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>                                                                                    inleiding        31
ciële diensten? en (2) Wat betekent het voor financiële dienstverleners? Hoewel deze vragen uiter-
aard sterk samenhangen, is het voor de helderheid van de discussie goed om ze apart te bespre-
ken.
Betalen, sparen, financieren en verzekeren worden gezien als de vier klassieke functies van de
financiële sector. imf-onderzoekers voegen daar nog een vijfde aan toe: advies geven over deze
vier functies. Op al deze vijf terreinen is sprake van nieuwe initiatieven en toepassingen van
nieuwe technologieën (He et al. 2017). In debatten gaat het veel over de potentie van distributed
ledger technologies (blockchain), waarmee bijvoorbeeld betalingen op een meer decentrale
manier kunnen worden vormgegeven. Andere ontwikkelingen, die al een tijd aan de gang zijn,
zijn bijvoorbeeld de inzet van machine learning en algoritmes om handel in financiële producten
te automatiseren (zogenoemde high-frequency trading) en bij verzekeraars om bijvoorbeeld
claims te beoordelen. Tegelijkertijd is het moeilijk om precies vast te stellen hoe groot de rol van
fintech is en wat het potentieel is van deze nieuwe diensten (Bijlsma en Van Veldhuizen 2016).
Wat zullen deze innovaties betekenen voor de bestaande financiële instellingen? Ook hier geldt
dat het alleen duidelijk is dat er zaken zullen veranderen, en in veel mindere mate wat er veran-
dert. Op basis van de eerste ervaringen lijkt het erop dat kleine fintechspelers nog geen echte
bedreiging vormen voor de bestaande grote banken. Banken hebben vooralsnog een stevige
marktpositie door hun banklicentie, omvang, expertise, vaardigheden en impliciete en expli-
ciete garanties. Wanneer zij door grote banken worden overgenomen kunnen deze fintech-
spelers wel bij die banken voor innovatie zorgen. De vraag is echter wat het voor de sector gaat
betekenen op het moment dat de bigtech (zoals Amazon, Apple, Facebook en Google) financiële
diensten gaan aanbieden. Amazon is Amazon cash gestart. Google biedt in een flink aantal lan-
den Google Pay aan. Deze ontwikkelingen hoeven echter niet noodzakelijk tot een hevige
concurrentiestrijd te leiden. Bestaande banken kunnen er ook voor kiezen om bijvoorbeeld
partnerschappen op te zetten met deze grote financiële toetreders (Boot 2018).
Tegelijkertijd betekent het ook weer niet dat de huidige grote banken zeker kunnen zijn van hun
toekomstige relevantie. Daarvoor is fintech een te fundamentele ontwikkeling. Of we toch een
transitie zien naar meer diversiteit en schaalverkleining, een bestendiging van de positie van de
huidige giganten, of de inlijving van die giganten door bigtechbedrijven zoals Facebook, Ama-
zon en Apple is onduidelijk (Bijlsma en Van Veldhuizen 2016). Het is belangrijk om te beseffen
dat het hier niet gaat om een natuurkracht: deze ontwikkeling wordt door uiteenlopende facto-
ren gestuurd, ook door wet- en regelgeving. Dit vraagstuk vergt dus permanente politieke aan-
dacht.
       Niet alleen fintech zorgt voor dynamiek en onzekerheden, ook in andere opzichten
       bevinden we ons op nieuw en onbekend terrein. De schuld als percentage van het
       bbp was nog nooit zo hoog.18 Het monetair beleid bevindt zich in onbekende wate-
       ren. De beleidsrente van de ecb is al jaren rond het nulpunt en de centrale bank
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>32  geld en schuld
    heeft de afgelopen jaren ongekende hoeveelheden staatsobligaties en bedrijfs-
    obligaties opgekocht. Wat de weg uit dit ongebruikelijke monetaire beleid is, of dat
    deze ongebruikelijke situatie de nieuwe standaard is en we ons daarvan simpelweg
    nog niet bewust zijn, is niet duidelijk. Het leidt tot de bijzondere situatie dat
    bedrijven en de Nederlandse staat obligaties kunnen uitgeven met een negatieve
    rente. Dat wil zeggen dat de overheid en sommige bedrijven rente krijgen van de
    instellingen van wie zij geld lenen. Dat illustreert treffend de onzekerheid en uit-
    zonderlijkheid van het moment. Het zijn, kortom, ingewikkelde en spannende tij-
    den waarin van alles aan de hand is rond geld en schuld en het de vraag is of we uit
    de voeten kunnen met de bestaande antwoorden.
1.5 de insteek van dit rapport
    De wrr is door de regering verzocht om advies uit te brengen over “de werking
    van het geldstelsel inclusief alle vormen van geldschepping door banken en hierbij
    in ieder geval te betrekken de voor- en nadelen van alternatieve systemen van geld-
    schepping en de omvang van de geldscheppingswinst” (zie bijlage I). Het voorlig-
    gende rapport is het antwoord op dit verzoek.
    In ons huidige systeem is geld onlosmakelijk verbonden met schuld en met het
    functioneren van banken. Dat betekent dat veranderingen op het gebied van geld
    ook onvermijdelijk leiden tot veranderingen op het gebied van krediet en het
    financiële landschap. De zorgen die aan het burgerinitiatief ten grondslag liggen
    gaan ook verder dan alleen het veiligstellen van geld en het betalingsverkeer, zij
    gaan eveneens over de grote rol van schuld en banken in onze samenleving. Van-
    daar dat wij het in dit rapport niet alleen hebben over geld, maar er noodzakelijker-
    wijs ook aandacht is voor schulden en het bredere functioneren van het monetair-
    financieel stelsel.
    Het monetair-financieel stelsel heeft een breed effect op economie en samenleving.
    Begrip van geld en schuld en de financiële sector is dan belangrijk. In het rapport
    ‘Samenleving en financiële sector in evenwicht’ uit 2016 heeft de wrr gepleit voor
    een meer harmonische en productieve wisselwerking tussen financiële sector en
    samenleving. Het vertrekpunt in dat rapport is de samenleving en de problemen
    die financiële instabiliteit, financiële dominantie en kortzichtigheid opleveren
    voor de samenleving. In het voorliggende rapport zullen we ook het geldstelsel
    bespreken en analyseren we het monetair-financieel stelsel vanuit de belangrijkste
    doelen (dienstbaarheid, stabiliteit, rechtvaardigheid en legitimiteit).
    We zullen allereerst ingaan op de werking van het huidige geldstelsel (hoofd-
    stuk 2). Wij bespreken hoe geld gecreëerd wordt en wat de belangrijkste remmen
    en stimulansen hierbij zijn. Banken spelen een belangrijke rol in ons geldstelsel: zij
    creëren nieuw geld wanneer zij leningen verstrekken. Tegelijkertijd doen zij dit
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>                                                                     inleiding     33
niet in een vacuüm: zij worden hierbij beïnvloed door de vraag naar leningen,
inschatting van risico’s, financiële regulering en monetair beleid. In hoofdstuk 3
beschrijven wij hoe het geldstelsel zich sinds de negentiende eeuw heeft ontwik-
keld. Daar kijken we hoe de verschijningsvorm van geld door de tijd heen is veran-
derd en hoe het monetair-financieel systeem altijd heeft bewogen tussen flexibili-
teit en inkadering.
Om de voor- en nadelen van een alternatief systeem van geldschepping te kunnen
bespreken, gaan wij in hoofdstuk 4 in op de belangrijkste problemen in het huidige
systeem. We doen dit aan de hand van vier doelen: dienstbaarheid, stabiliteit,
rechtvaardigheid en legitimiteit. In dit hoofdstuk gaan we onder andere in op het
vraagstuk van geldscheppingswinst van commerciële banken (box 4.3).
Daarna bespreken wij in hoofdstuk 5 hoe het alternatieve systeem van geldschep-
ping eruit zou zien. Wij noemen dit het publiekgeldsysteem. Hoewel er verschil-
lende varianten van dit systeem bestaan, komen zij in essentie neer op het creëren
van een systeem waarin geld voortaan helemaal direct of indirect publiek is en
geldschepping volledig in publieke handen wordt gelegd. Hoewel er radicale
andere alternatieven mogelijk zijn – zoals het afschaffen van een nationale munt,
of een systeem waarbij geld weer aan een edelmetaal wordt gekoppeld – zijn deze
voorstellen nauwelijks uitgewerkt en spelen zij geen rol van betekenis in het hui-
dige debat. We concentreren ons dan ook op (de verschillende varianten van) het
publiekgeldsysteem. De potentiële voor- en nadelen van dit alternatieve systeem
analyseren we in hoofdstuk 6. Hier komt ook de geldscheppingswinst in het
publiekgeldsysteem aan bod (subparagraaf 6.3.2).
In het laatste deel van het rapport bekijken we de mogelijkheden om de achter-
liggende problemen aan te pakken. Daartoe bespreken we eerst de lessen van de
crisis en de belangrijkste beleidshervormingen binnen het huidige systeem
(hoofdstuk 7). Het rapport sluit af met conclusies en aanbevelingen (hoofdstuk 8).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>34  geld en schuld
noten
1   George van Houts tijdens hoorzitting Geldstelsel d.d. 14 oktober 2015, Handelingen ii,
    2015-2016, 65, item 10.
2   Kamerstukken ii, 2015-2016, 34346, nr. 19.
3   Dit is van de mensen die voor of tegen stemden. Het opkomstpercentage was 33,8%.
4   De creatie van geld gaat in het huidige systeem bijna altijd gepaard met de creatie van schuld.
    De creatie van schuld hoeft echter niet altijd gepaard te gaan met de creatie van geld.
5   Geciteerd in Ingham (1996: 502).
6   Een deel van de verklaring hiervoor zou kunnen liggen in het feit dat het micro-economische
    perspectief al decennialang de economische wetenschappen domineert. Dit perspectief rede-
    neert vanuit individuele actoren (mensen, bedrijven, huishoudens) die beslissingen nemen
    over de allocatie van schaarse goederen. Sociale relaties spelen een ondergeschikte rol in deze
    benadering. Geld heeft echter alleen een rol in de relatie tussen mensen. Dit zou een oorzaak
    kunnen zijn waarom economische wetenschappen worstelen met het geldvraagstuk.
7   Over de geschiedenis van geld is een heel aantal interessante publicaties beschikbaar. Adam
    Smith besteedt er in zijn Wealth of Nations (1776) een hoofdstuk aan. Jevons beschrijft de
    geschiedenis in 1875 in Money and the Mechanism of Exchange. Carl Menger schrijft in 1892
    On the origins of money. Knapp schrijft in 1905 met The State Theory of Money een alterna-
    tieve geschiedenis van geld, evenals Mitchell-Innes in twee artikelen in The Banking Law
    Journal in 1913 en 1914. Keynes gaat in op de geschiedenis van geld in 1930 in A Treatise on
    Money. Ook recenter zijn er auteurs geweest die de geschiedenis van geld hebben proberen te
    beschrijven zoals Zarlenga in 2002 met The lost science of money, Ingham in 2004 met
    The Nature of Money, Ferguson in 2008 met The Ascent of Money: A Financial History of the
    World en Graeber in 2011 met Debt: The First 5000 Years.
8   Er zijn situaties denkbaar waarbij een andere valuta dan die van het betaalmiddel de functie
    van rekeneenheid vervult. Begin jaren negentig waren in Moskou veel producten in super-
    markten geprijsd in Duitse marken, maar bij de kassa rekende men af in roebels tegen de gel-
    dende dagkoers.
9   Die grens is overigens nooit helemaal scherp te trekken. Of een lokale Rotterdamse munt als
    de ‘Dam’ bijvoorbeeld als geld beschouwd moet worden, is niet met een simpel ja of nee te
    beantwoorden. Op bepaalde plekken wordt deze munt geaccepteerd, op veel andere plaatsen
    niet.
10  Er wordt in statistieken ook nog gebruik gemaakt van een vierde geldhoeveelheid: M0. Hier
    gaat het echter niet om de maatschappelijke geldhoeveelheid, maar om het totaal aan contan-
    ten en centralebankreserves, tezamen aangeduid als basisgeldhoeveelheid. Centralebank-
    reserves zijn in het huidige systeem geen geld, maar tegoeden van commerciële banken bij de
    centrale bank. We komen hier in hoofdstuk 2 op terug.
11  In tabel 1.1 wordt gesproken over repo’s. Repo is de afkorting van repurchase agreement. Bij
    een repo verkoopt een partij een financiële bezitting (bijvoorbeeld een staatsobligatie) aan
    een andere partij, met de belofte om deze op een later tijdstip terug te kopen. De verkopende
    partij krijgt op die manier voor een bepaalde tijd beschikking over geld, de kopende partij
</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre>                                                                             inleiding          35
   krijgt beschikking over het financiële instrument. Repo’s vervullen verschillende functies.
   Voor institutionele beleggers is het bijvoorbeeld een manier om hun geld relatief veilig te
   kunnen ‘stallen’. Omdat het depositogarantiestelsel niet alle tegoeden dekt, is een repo een
   manier om grote bedragen voor een bepaalde tijd tegen onderpand ‘weg te zetten’. De tegen-
   partij heeft op deze manier juist beschikking over liquiditeit.
12 Geciteerd in Moggridge (1992: 756).
13 Het huidige maximale percentage is gelijk aan de wettelijke rente plus een verhoging van
   12 procent op jaarbasis. Zie: https://www.afm.nl/nl-nl/consumenten/themas/producten/
   lenen/max-rente.
14 “In 2013 is in ongeveer 22.000 zaken (betreffende ongeveer 7000 unieke personen) tot gijze-
   ling overgegaan. In 2014 werd in ongeveer 41.000 zaken tot gijzeling overgegaan.” (wrr 2017:
   155).
15 Tot 1971 was er wel een indirecte koppeling met goud. Guldens konden worden ingewisseld
   tegen dollars en dollars konden in theorie worden ingewisseld tegen goud. Zie hoofdstuk 3
   voor een uitgebreide beschrijving.
16 Kamerbrief Minister van Financiën 21 juni 2016.
17 Schaduwbanken zijn instellingen buiten het reguliere bankwezen die bancaire activiteiten
   ondernemen zoals kredietverstrekking (wrr 2016: 84), maar geen giraal geld kunnen schep-
   pen.
18 Daar staat in Nederland tegenover dat we een groot opgebouwd pensioenvermogen hebben.
   Dat is echter beklemd vermogen dat tijdens een crisis niet direct kan worden aangewend.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 37 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 37 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 38 ======================================================================

<pre>                                                                                                        37
2         hoe werkt geldschepping?
          In dit hoofdstuk beschrijven we hoe nieuw geld wordt gecreëerd. Wanneer
          gevraagd wordt wie het nieuwe geld creëert – of dat nu in de theaterzaal van ‘De
          Verleiders’ is of in een enquête (Sustainable Finance Lab 2016) – meent het meren-
          deel dat dit door de overheid of de centrale bank gebeurt. Slechts een klein deel
          realiseert zich dat het geld voornamelijk door commerciële banken wordt
          gemaakt.1 Sinds de financiële crisis wordt er door de centrale bank ook een substan-
          tiële hoeveelheid geld gecreëerd, via een proces dat kwantitatieve verruiming
          wordt genoemd (we komen hierop terug in paragraaf 2.3). In dit hoofdstuk leggen
          we uit hoe geldschepping bij commerciële banken werkt (paragraaf 2.1), behande-
          len we de stuwende en remmende krachten die daarop inwerken (paragraaf 2.2) en
          bespreken we monetair beleid (paragraaf 2.3). Paragraaf 2.4 sluit af met een korte
          conclusie.
2.1       banken en geldschepping
          Het overgrote deel van de geldhoeveelheid bestaat uit banktegoeden (giraal geld en
          spaargeld), slechts een klein deel bestaat uit contant geld.2 Bij het creëren van
          nieuw geld gaat het dus om banktegoeden die huishoudens en organisaties aan-
          houden bij commerciële banken. Geld wordt door deze banken gecreëerd. Om te
          begrijpen hoe dat werkt, gaan we eerst in op de werking van een bankbalans
          (box 2.1).
Box 2.1          De bankbalans
   De werking van een bank kan het beste begrepen worden aan de hand van een bankbalans. Om
   dit zo simpel mogelijk te presenteren, stellen we ons de bankbalans letterlijk voor als een ‘balans’
   in evenwicht. Aan de linkerkant staan de bezittingen van de bank en aan de rechterkant de ver-
   plichtingen (zie figuur 2.1). Met de bezittingen verdient de bank inkomen, met de verplichtingen
   worden deze bezittingen gefinancierd. De vereenvoudigde bankbalans hieronder geeft alleen de
   belangrijkste bezittingen en verplichtingen weer.
   Aan de linkerkant staan de bezittingen van een bank. Dat zijn allereerst verstrekte leningen, bij-
   voorbeeld hypotheken en bedrijfsleningen. Deze leningen zijn een belangrijke inkomstenbron,
   maar een bank kan er ook verliezen op lijden. Ten tweede heeft de bank verkoopbare financiële
   bezittingen, zoals staatsobligaties. Deze bezittingen genereren doorgaans minder inkomen dan
   leningen, maar ze zijn wel eenvoudiger te verkopen aan andere partijen. Ten slotte bezit de bank
   centralebankreserves. Dit zijn de tegoeden die een bank aanhoudt bij de centrale bank. Dit is een
</pre>

====================================================================== Einde pagina 38 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 39 ======================================================================

<pre>38         geld en schuld
   belangrijk onderdeel, omdat deze reserves het betaalmiddel zijn voor banken onderling en tus-
   sen banken en de centrale bank. Contant geld valt ook onder deze post: voor een bank zijn
   centralebankreserves en contant geld inwisselbaar.
   Figuur 2.1           Vereenvoudigde weergave van een bankbalans
            Bezittingen                                               Verplichtingen
        Verstrekte leningen                                     Betaaltegoeden
        Financiële bezittingen                                  Spaartegoeden
        Centralebankreserves                                    Obligaties
                                                                Schulden aan andere banken en centrale bank
                                                                Eigen vermogen
   Aan de rechterkant van de balans staan de verplichtingen van banken. Dit zijn de schulden die de
   bank heeft en het eigen vermogen. De schulden bestaan onder meer uit betaaltegoeden: het geld
   dat mensen op hun betaalrekeningen hebben staan. Dit is een schuld van de bank aan de reke-
   ninghouders. Ook de spaartegoeden zijn feitelijk schulden aan de rekeninghouders. Zij lijken op
   betaaltegoeden, maar er zijn verschillen. In normale tijden betaalt de bank hier een hoger rente-
   percentage op dan op betaaltegoeden en er kunnen geen directe betalingen mee worden ver-
   richt.3 Ook heeft de bank schulden aan andere banken en aan de centrale bank en geeft een bank
   obligaties uit.
   Ten slotte is er het ‘eigen vermogen’ van de bank. Het eigen vermogen is het bedrag dat overblijft
   wanneer de schulden zijn afgetrokken van de bezittingen. Het is het geld dat eigenaren in de
   bank hebben gestopt, vermeerderd met ingehouden winsten en verminderd met gemaakte ver-
   liezen en uitgekeerd dividend. Het belang van het eigen vermogen is dat hiermee verliezen kun-
   nen worden opgevangen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 39 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 40 ======================================================================

<pre>                                                               hoe werkt geldschepping?             39
De twee kanten van de balans zijn per definitie altijd in evenwicht. Wanneer men een staatsobli-
gatie van honderd euro aan de bank verkoopt, dan stijgen de financiële bezittingen van de bank
met honderd euro aan de linkerkant van de balans, en stijgt het girale tegoed met honderd euro
aan de rechterkant van de balans. Wanneer een financiële bezitting van de bank (bijvoorbeeld
een staatsobligatie) in waarde daalt en er geen andere veranderingen zijn, dan daalt het eigen ver-
mogen van de bank met hetzelfde bedrag. Wanneer een bank zoveel verlies lijdt op zijn bezittin-
gen (links) dat het eigen vermogen totaal is verdwenen (rechts), is de bank technisch failliet.
       Hoe werkt dan de creatie van geld? Veel mensen menen dat banken eerst geld
       ophalen en dat geld vervolgens uitlenen aan andere mensen. Dat is echter niet hoe
       het werkt in het huidige systeem.4 Wanneer iemand een lening krijgt bij een bank,
       creëert de bank tegelijkertijd de lening en het girale tegoed (het geld). Op dat
       moment is er nieuw geld gecreëerd. Hoe zit dat?
       We kunnen dit uitleggen aan de hand van een versimpelde bankbalans (zie
       figuur 2.2) en een voorbeeld. Stel Anne wil €5.000 lenen van de bank om een auto
       te kopen. Voordat de bank een lening verstrekt, bepaalt zij eerst haar kredietwaar-
       digheid. Als de bank akkoord gaat en de lening rond is, verhoogt de bank het girale
       tegoed van Anne met €5.000 en is er nieuw geld gecreëerd. Dat nieuwe geld is dus
       een schuld van de bank aan Anne. Tegelijkertijd krijgt Anne op dat moment een
       schuld aan de bank met hetzelfde bedrag. Deze schuld van Anne wordt bij de bezit-
       tingen aan de linkerkant van de bankbalans bijgeschreven, het girale tegoed wordt
       bij de verplichtingen aan de rechterkant van de bankbalans bijgeschreven. De
       bankbalans blijft in evenwicht, maar de omvang van de bankbalans is aan beide zij-
       den groter geworden. We zeggen dat de bankbalans is verlengd.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 40 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 41 ======================================================================

<pre>40       geld en schuld
Figuur 2.2     Creatie van giraal geld door kredietverstrekking5
                                 + 5000                  + 5000
                                                          Betaal-
                                                        tegoeden
                                 Leningen
                                                          Spaar-
                                                        tegoeden
                                  Overige
                                bezittingen
                                                     Overige schulden
                                CB-reserves          Eigen vermogen
                                Bezittingen           Verplichtingen
         Bij deze vorm van geldschepping wordt dus steeds tegelijkertijd nieuw giraal geld
         en een nieuwe schuld gecreëerd. Andersom wordt het girale geld weer vernietigd
         wanneer iemand zijn schuld aan de bank afbetaalt. Wanneer Anne €500 aan de
         bank terugbetaalt, daalt haar girale tegoed met €500 euro (rechterzijde) en daalt
         ook de bezitting van de bank (de lening) met €500 euro. Wederom blijft de balans
         in evenwicht (zie figuur 2.3). Door de afbetaling is deze verkort.
Figuur 2.3     Vernietiging van giraal geld door schuldaflossing
                                   - 500                   - 500
                                                          Betaal-
                                                        tegoeden
                                 Leningen
                                                          Spaar-
                                                        tegoeden
                                  Overige
                                bezittingen
                                                     Overige schulden
                                CB-reserves          Eigen vermogen
                                Bezittingen           Verplichtingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 41 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 42 ======================================================================

<pre>                                                          hoe werkt geldschepping?      41
      Naast het creëren en vernietigen van geld bij het verstrekken en afbetalen van
      bankleningen, wordt er ook geld gecreëerd of vernietigd wanneer banken van niet-
      banken financiële bezittingen kopen of juist aan hen verkopen. Het gaat dan bij-
      voorbeeld om staatsobligaties, bedrijfsobligaties of aandelen. Wanneer Thomas
      een staatsobligatie verkoopt aan de bank, wordt er geld op de betaalrekening van
      Thomas bijgeschreven. De bank heeft nu een nieuw bezit aan de linkerzijde (de
      staatsobligatie) en een nieuwe verplichting aan de rechterzijde (hoger banktegoed
      van Thomas). De maatschappelijke geldhoeveelheid wordt hiermee vergroot. In
      het omgekeerde geval – wanneer Thomas een staatsobligatie koopt van de bank –
      wordt er juist een bedrag van zijn rekening afgeschreven en wordt daarmee giraal
      geld vernietigd. Deze manier van geldschepping en -vernietiging is echter veel
      minder omvangrijk dan het verstrekken van leningen (McLeay et al. 2014: 4).6 Een
      andere vorm van geldschepping die momenteel belangrijk is, is de kwantitatieve
      verruiming. We komen hierop terug in paragraaf 2.3 bij monetair beleid.
2.1.1 giraal betalen en contant geld opnemen
      Om het systeem van geldschepping goed te begrijpen, is het van belang om ook te
      kijken naar het betalingsverkeer tussen rekeninghouders bij verschillende banken.
      Anne heeft €5.000 geleend van Bank A om een auto te kopen. Wanneer zij deze
      auto aanschaft en hier giraal voor betaalt (door pinnen in de showroom of girale
      overschrijving), geeft zij feitelijk haar bank opdracht om haar betaaltegoed met
      €5.000 euro te verlagen en het betaaltegoed van de autodealer met €5.000 euro te
      verhogen. De autodealer heeft echter een betaalrekening bij Bank B. Hoe wordt dit
      afgehandeld?
      Bij deze afhandeling spelen de eerdergenoemde centralebankreserves die een bank
      bij de centrale bank aanhoudt een belangrijke rol. Deze reserves functioneren als
      interbancair geld. Ze zijn niet toegankelijk voor consumenten en bedrijven en tel-
      len niet mee voor de maatschappelijke geldhoeveelheid. Wanneer er girale tegoe-
      den tussen banken wordt overgeschreven, betalen banken elkaar met deze reser-
      ves. In het voorbeeld verlaagt Bank A Annes tegoed met €5.000 euro en vraagt aan
      Bank B om het tegoed van de autodealer met €5.000 euro te verhogen. Dit bete-
      kent dat de schuld die Bank A heeft aan Anne (het girale tegoed) met €5.000 ver-
      mindert. De schuld van Bank B aan de autodealer neemt juist met €5.000 toe. Bank
      B zal deze schuld niet willen overnemen, zonder dat er ook bezittingen van Bank A
      naar haar gaan. Bank A maakt daartoe €5.000 aan centralebankreserves over naar
      Bank B. Nu is de bankbalans voor beide banken weer in evenwicht. Het resultaat is
      dat Bank A zowel minder verplichtingen heeft (het tegoed van Anne is met €5.000
      verlaagd) als minder bezittingen (de centralebankreserves zijn ook met €5.000
      verlaagd). Voor Bank B geldt precies het omgekeerde (zie figuur 2.4).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 42 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 43 ======================================================================

<pre>42        geld en schuld
Figuur 2.4       Overschrijving tussen banken
                    Bank A                                               Bank B
                                                                                     + 5000
                                - 5000
                                                                                      Betaal-
                                 Betaal-                                            tegoeden
                               tegoeden                      Leningen
      Leningen
                                  Spaar-                                              Spaar-
                               tegoeden                                             tegoeden
                                                              Overige
      Overige                                               bezittingen
     bezittingen
                                                             + 5000
                           Overige schulden                                      Overige schulden
      - 5000
                                                            CB-reserves
     CB-reserves            Eigen vermogen                                       Eigen vermogen
     Bezittingen             Verplichtingen                 Bezittingen           Verplichtingen
          Transacties tussen klanten bij verschillende banken vinden miljoenen keren per
          dag plaats. Het nettoresultaat van al deze transacties verrekenen banken onderling
          met centralebankreserves. Wanneer de centralebankreserves van een bank te laag
          worden, moet zij deze aanvullen door reserves van andere banken te lenen via een
          interbancaire lening of door te lenen bij de centrale bank. Bij zo’n lening worden
          zowel de verplichtingen (schuld aan een andere bank of de centrale bank) als de
          bezittingen (centralebankreserves) van de bank verhoogd. Omdat de bank meer
          rente moet betalen op deze leningen dan op de betaaltegoeden, zal een bank niet
          blij zijn met een al te grote uitstroom van betaaltegoeden. Die moeten immers
          opgevangen worden met relatief duurdere leningen van andere banken. Juist
          daarom zal de bank proberen om klanten (rekeninghouders) aan zich te binden.
          Kortom, ook voor banken geldt dat zij hun financiering op orde moeten houden.
          In die zin is een bank dus wel bezig met het ‘aantrekken’ van betaal- en spaar-
          tegoeden. Het gaat hier echter om het op orde houden van de mix van financiering
          van een bank. Een bank hoeft niet eerst geld aan te trekken voordat zij een lening
          kan verstrekken.
          Wanneer iemand contant geld opneemt bij de bank, wordt giraal geld omgezet in
          contant geld. Dit verandert wel de samenstelling van het geld in omloop, maar niet
          de geldhoeveelheid. Als Anne bijvoorbeeld het geld contant had opgenomen bij
          een pinautomaat, dan zien we wederom aan beide zijden van de bankbalans iets
          gebeuren: de centralebankreserves van de bank (waar contant geld onder valt)
</pre>

====================================================================== Einde pagina 43 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 44 ======================================================================

<pre>                                                          hoe werkt geldschepping?        43
      nemen af, maar het tegoed van Anne bij de bank neemt ook af. Voor het storten van
      contant geld op een girale rekening geldt ook dat dit geen effect heeft op de
      omvang van de geldhoeveelheid (Boonstra 2018: 114).7
2.1.2 gratis geld?
      Banken creëren dus nieuw geld bij het verstrekken van een lening. Dit gegeven
      leidt al snel tot verwarring, omdat het de suggestie wekt dat banken ‘zomaar’ geld
      kunnen aanmaken en uitgeven; dat banken gratis geld krijgen. Dat is niet het geval.
      Het geld dat wordt gecreëerd is in feite een schuld van de bank aan de klant (het
      girale tegoed) en is het geld van de klant. De klant is ook een schuld aan de bank
      aangegaan. Het is dus door het tegelijkertijd creëren van een schuld van de klant
      aan de bank en van de bank aan de klant, dat er (giraal) geld ontstaat. Dit wordt ook
      wel ‘wederzijdse schuldaanvaarding’ genoemd (zie Boonstra 2015: 16; Boonstra
      2018: 115).
      De term ‘wederzijdse schuldaanvaarding’ lijkt te impliceren dat de twee schulden
      een spiegel van elkaar zijn. Maar de twee vormen van schuld hebben een ander
      karakter. De schuld van de klant aan de bank (bijvoorbeeld een hypotheekschuld)
      heeft vaak een langere looptijd, moet op vaste momenten worden afbetaald en er
      dient rente over te worden betaald (de inkomsten voor de bank). De schuld van de
      bank aan de klant (het betaaltegoed) kent geen vaste aflostermijn – het kan heel
      goed nooit worden afgelost. Het functioneert als geld: er kunnen betalingen mee
      worden verricht en het kan op ieder moment worden opgenomen. De klant kan
      het omzetten in contant geld of het girale tegoed overschrijven naar een andere
      bank.
      De bank verdient inkomen met het verschil tussen de rente die betaald wordt op de
      lening en de rente die vergoed wordt over het girale tegoed. Dit verschil wordt de
      rentemarge genoemd. Omdat het nieuwe geld dat de bank creëert niet door de
      bank kan worden uitgegeven, verdient een bank geen klassieke geldscheppings-
      winst, ‘seigniorage’ genoemd. Seigniorage wordt traditioneel gezien als het ver-
      schil tussen de kosten van het maken van geld en de maatschappelijke waarde
      ervan. Wanneer de overheid bijvoorbeeld een euromunt slaat waarvan de materi-
      aal- en productiekosten 10 cent bedragen, en deze euro vervolgens zou uitgeven,
      heeft de overheid een seigniorage van 90 cent. Omdat banken wel girale tegoeden
      kunnen creëren op het moment dat zij een lening verstrekken, hebben zij een
      financieringsvoordeel boven ‘gewone’ bedrijven, al staan hier de kosten van het
      onderhouden van betaalverkeer tegenover (we gaan hier in box 4.3 nader op in).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 44 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 45 ======================================================================

<pre>44    geld en schuld
2.2   stuwende en remmende krachten
      Het overgrote deel van de geldhoeveelheid wordt tegenwoordig gecreëerd door
      commerciële banken op het moment dat zij een lening verstrekken. Dat wil niet
      zeggen dat moderne geldcreatie ongeremd is. Er zijn uiteenlopende factoren die
      zowel stuwend als remmend kunnen werken op girale geldschepping. De finan-
      ciële sector, burgers, het bedrijfsleven en de overheid hebben allen een rol, met een
      spilfunctie voor de centrale bank (zie Tobin 1963; McLeay et al. 2014). Er zijn drie
      belangrijke factoren die invloed hebben op geldschepping. Allereerst het gedrag
      van burgers en bedrijven. Ten tweede de balansrisico’s voor banken en regelgeving
      op dit terrein. En ten derde de invloed van monetair beleid en de rol van de cen-
      trale bank. Deze factoren staan niet los van elkaar, maar beïnvloeden elkaar weder-
      zijds. De eerste twee factoren bespreken we in deze paragraaf. Monetair beleid
      wordt in de volgende paragraaf besproken.
2.2.1 de rol van burgers en bedrijven
      Banken kunnen geld scheppen bij het verstrekken van een lening. Daar zit ook
      meteen een belangrijke beperking in: er moet wel vraag zijn naar een lening. Ook
      voor geldschepping geldt: ‘it takes two to tango.’
      De vraag naar krediet hangt in belangrijke mate af van de plannen, wensen en
      verwachtingen van kredietnemers. Daarbij is niet voor ieder moment van krediet-
      verlening steeds toestemming van de bank nodig. Denk bijvoorbeeld aan de
      mogelijkheid voor bedrijven om tot een bepaald bedrag rood te staan (kredietlijn).
      De bank geeft bedrijven dus een bepaalde marge waarbinnen ze kunnen lenen van
      de bank. De daadwerkelijk verstrekte leningen voor dit rood staan (en de daarmee
      gepaard gaande geldschepping) zijn voor de bank niet precies te bepalen. Het gaat
      om zulke grote aantallen transacties, dat het niet zo is dat iedere keer dat nieuw
      geld wordt gecreëerd, er ook daadwerkelijk iemand de transactie aan het sturen of
      goedkeuren is. Rood staan gebeurt veelal op initiatief van de kredietnemers.
      Vervolgens maakt het uit wat de kredietnemers doen met hun betaaltegoeden. Stel
      dat Piet geld leent om een huis te kopen van Willem, die naar een huurhuis ver-
      huist. Omdat Willem nog een hypotheek heeft, gebruikt hij het ontvangen geld
      om zijn hypotheek mee af te lossen. Het nieuw gecreëerde geld is dan al na één stap
      weer vernietigd (in ieder geval deels). Het kan ook zijn dat het nieuw gecreëerde
      geld juist leidt tot grotere uitgaven in de economie. Als Willem zijn huis al had
      afbetaald, kan hij het nieuw verkregen geld voor andere doeleinden inzetten. Dit
      geld kan ook weer terechtkomen bij bedrijven die er uitgaven mee financieren,
      enzovoort. Op die manier faciliteert het nieuw gecreëerde geld grotere uitgaven.
      Wanneer het geld gebruikt wordt om goederen te importeren stroomt het girale
</pre>

====================================================================== Einde pagina 45 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 46 ======================================================================

<pre>                                                           hoe werkt geldschepping?       45
      geld juist weg naar het buitenland (naar de bankrekening van de exporteur).
      Kortom, het gedrag van kredietnemers en rekeninghouders heeft effect op de
      omvang van de geldhoeveelheid.
      Of er op het niveau van een land sprake is van netto geldschepping hangt dan ook
      in belangrijke mate af van de bereidheid van mensen om schulden aan te gaan, de
      wens van mensen om schulden af te lossen en de mate waarin mensen hun midde-
      len willen aanhouden in de vorm van betaal- of spaarrekeningen bij binnenlandse
      banken. Dit alles hangt weer in belangrijke mate af van hun toekomstverwachtin-
      gen over inkomens en de waardeontwikkeling van bezittingen, zoals huizen. De
      onzekerheid over de toekomst is een belangrijke bron van instabiliteit. In tijden
      van positieve economische ontwikkeling en stijgende huizenprijzen kunnen
      mensen zeer optimistisch worden over de toekomst en (te) veel schuld op zich
      nemen. Dit wordt gefaciliteerd doordat banken in goede tijden doorgaans ruimhar-
      tig zijn bij het verstrekken van krediet (aangemoedigd door de waardestijging van
      het onderpand). Netto is dan sprake van sterke kredietgroei en geldschepping. Als
      de toekomst minder rooskleurig blijkt dan eerst gedacht, trappen veel partijen
      tegelijkertijd op de rem: bedrijven en burgers willen minder hoge schulden aan-
      gaan en proberen schulden af te lossen. Banken verlagen de kredietlijnen omdat de
      waarde van het onderpand daalt. Krimp van krediet en de geldhoeveelheid gaan
      dan hand in hand.
      De vraag naar bankkrediet is uiteraard niet onafhankelijk van de banken zelf. Ban-
      ken hebben een bepaald kredietbeleid: ze stellen vast wie ze wel of geen krediet
      verlenen en bepalen de voorwaarden (rente, vergoedingen, terugbetalings-
      termijnen, de hoeveelheid onderpand, etc.). Omdat banken inkomen verdienen
      met kredietverlening, proberen zij ook actief klanten binnen te halen die leningen
      willen aangaan. Ook voor banken geldt dat toekomstverwachtingen en de risico-
      inschattingen een belangrijke invloed hebben op hun acties. Hierbij kijken zij ook
      naar de acties van hun concurrenten: zij zullen hun voorwaarden voor leningen en
      gerekende rentes deels bepalen aan de hand van wat andere banken aanbieden. Ook
      de rente van de centrale bank, die invloed heeft op de financieringskosten van de
      banken zelf, speelt een belangrijke rol. Dit alles heeft vervolgens ook weer invloed
      op de vraag naar leningen.
2.2.2 balansrisico’s voor banken
      De tweede belangrijke factor zijn de balansrisico’s die banken lopen. Wanneer ban-
      ken geld scheppen door tegelijkertijd een lening en een nieuw giraal tegoed te creë-
      ren, zijn er twee risico’s voor een bank om rekening mee te houden. Ten eerste is er
      het risico dat de bank een daling in de waarde van de bezittingen (de uitstaande
      leningen en andere financiële producten) niet kan opvangen met haar eigen ver-
      mogen. Het gaat dan om het solvabiliteitsrisico. Ten tweede is er het risico dat de
      bank niet voldoende middelen heeft om aan opnames van contant geld en over-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 46 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 47 ======================================================================

<pre>46       geld en schuld
         schrijvingen naar andere banken te voldoen of in de problemen komt door het
         wegvallen van kortlopende financiering. Het gaat dan om het liquiditeitsrisico.
         Vanwege de brede maatschappelijke gevolgen van het falen van een bank, wordt
         het inschatten van deze risico’s niet helemaal aan banken zelf overgelaten. Er zijn
         wettelijke eisen voor de solvabiliteit en de liquiditeit van banken.
         Het opvangen van verliezen: hefboom- en kapitaalratio
         Net als ieder ander bedrijf financiert een bank zich met een combinatie van vreemd
         vermogen (de schulden) en eigen vermogen (het geld dat is ingelegd door de eige-
         naren, vermeerderd met ingehouden winsten, verminderd met verliezen) (zie
         figuur 2.5).
Figuur 2.5     Het eigen vermogen en vreemd vermogen van een bank
                                                  Betaal-
                                                 tegoeden
                          Leningen
                                                                    Vreemd vermogen
                                                   Spaar-
                                                 tegoeden
                           Overige
                         bezittingen
                                              Overige schulden
                         CB-reserves          Eigen vermogen        Eigen vermogen
                         Bezittingen           Verplichtingen
         Het bijzondere aan een bank is dat een belangrijk deel van het vreemd vermogen
         bestaat uit girale tegoeden van rekeninghouders, en dit vreemd vermogen functio-
         neert als geld in het maatschappelijk verkeer. Zoals uitgelegd, kan de bank dit
         vreemd vermogen creëren op het moment dat zij een lening verstrekt. Hierbij
         moet zij echter in de gaten houden dat het aandeel vreemd vermogen niet te groot
         wordt ten opzichte van het eigen vermogen. Het eigen vermogen vangt immers de
         klappen op als de bank verliezen lijdt doordat bezittingen in waarde dalen. Met
         voldoende eigen vermogen komt de terugbetaling van de schulden niet in gevaar
         en leiden verliezen of waardedalingen niet tot het faillissement van de bank. Bij
         banken is dit in het bijzonder ook van maatschappelijk belang omdat een faillisse-
         ment niet alleen de bank zelf, maar ook de stabiliteit van het financieel stelsel in
         gevaar kan brengen en grote maatschappelijke gevolgen kan hebben.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 47 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 48 ======================================================================

<pre>                                                   hoe werkt geldschepping?        47
Tegelijkertijd is het voor de aandeelhouders van een bank om verschillende rede-
nen aantrekkelijk wanneer de bank zich voor een groot deel met vreemd vermogen
(schulden) financiert. De kosten van het financieren met schuld zijn gewoonlijk
lager dan de kosten van het financieren met eigen vermogen. De rente die over
schulden wordt betaald is – net als voor andere ondernemingen – fiscaal aftrekbaar
voor de winstbelasting. Bovendien bestaan de schulden van banken voor een groot
deel uit girale tegoeden. Girale tegoeden zorgen ervoor dat mensen betalingen
kunnen doen, waardoor zij genoegen nemen met een lagere vergoeding dan andere
schuldeisers. Dit alles betekent dat aandeelhouders en schuldeisers van banken
enerzijds baat hebben bij genoeg eigen vermogen om schokken op te vangen, maar
dat aandeelhouders ook baat hebben bij een relatief klein aandeel eigen vermogen
om zodoende het rendement op dit eigen vermogen te verhogen (Admati en
Hellwig 2013). De bank dient naar het juiste evenwicht te zoeken tussen vreemd
vermogen en eigen vermogen. Wat dat juiste evenwicht is, is niet voor alle belang-
hebbenden hetzelfde.
De verhouding tussen het eigen vermogen en het balanstotaal wordt ook wel ‘hef-
boomratio’ genoemd. Waarom is dit een belangrijk aandachtspunt voor banken,
eigenaren en toezichthouders? Stel, we vergelijken twee banken die allebei een
balans hebben van €100 miljoen (zie figuur 2.6). Het verschil is dat bank A een hef-
boomratio van 4% heeft (€4 miljoen eigen vermogen) en een bank B een hefboom-
ratio van 20% (€20 miljoen eigen vermogen). Als de waarde van de bezittingen van
deze banken met 4% stijgt (€4 miljoen), stijgt de waarde van het eigen vermogen
ook met €4 miljoen. Voor de aandeelhouders van bank A betekent dat een verdub-
beling van de waarde van het eigen vermogen (van €4 naar €8 miljoen). Voor de
eigenaren van Bank B betekent dat slechts een waardestijging van 20%; van €20
miljoen naar €24 miljoen. Met eenzelfde stijging van de waarde van de bezittingen
van een bank, is het eigen vermogen van Bank A dus relatief veel meer gestegen
dan het eigen vermogen van Bank B. Dit is het hefboomeffect: een relatief kleine
stijging in de waarde van bezittingen leidt tot een grote stijging van de waarde van
de investering van eigenaren. Maar het mes snijdt aan twee kanten. Het betekent
namelijk ook dat wanneer de waarde van de bezittingen van de banken daalt met
4%, het eigen vermogen van Bank A is verdampt en de bank bijna failliet is, terwijl
bank B geen problemen ondervindt.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 48 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 49 ======================================================================

<pre>48         geld en schuld
Figuur 2.6          Werking van de hefboom
                                                      Beginsituatie
                                             Bank A                   Bank B
                                                                                                              Bezittingen
                                         100        96            100        80                               Schulden
                                                                                                              Eigen vermogen
                                                                             20
                                                    4
       Situatie wanneer de waarde van de                                        Situatie wanneer de waarde van de
       bezittingen met vier miljoen stijgt                                      bezittingen met vier miljoen daalt
        Bank A                     Bank B                                      Bank A                     Bank B
    104          96           104          80
                                                                            96         96            96           80
                                           24                                                                     16
                 8
           Wanneer banken weinig eigen vermogen hebben, kan een beperkte schok banken
           en daarmee de financiële sector direct in problemen brengen (dnb 2010; Wolf
           2014). Daarom bestaan er ook wettelijke eisen op het gebied van het eigen vermo-
           gen van een bank. In jargon wordt gesproken over kapitaalregulering (zie box 2.2).
           Sinds de jaren tachtig wordt beleid op dit gebied ontwikkeld door het Basel Com-
           mittee on Banking Supervision (bcbs).
Box 2.2             Eigen vermogen en kapitaal
   Bij bedrijven of bij huishoudens wordt gesproken over eigen vermogen. Het eigen vermogen bij
   bedrijven bestaat uit het ingelegde geld. Over de tijd vermeerdert dit met ingehouden winsten
   (winsten die niet zijn uitbetaald aan de aandeelhouders of andere eigenaren) en vermindert het
   met de gemaakte verliezen. Bij banken wordt niet gesproken over eigen vermogen, maar over
   ‘kapitaal’ of ‘kapitaalbuffers’. Met name het woord ‘buffers’ wekt verwarring, omdat het de sug-
   gestie wekt dat het gaat om geld dat een bank in een fysieke of virtuele kluis heeft liggen. Ook
   wordt het soms verward met de reserves die een bank bij de centrale bank aanhoudt. Centrale-
   bankreserves zijn echter bezittingen van de bank en staan aan de linkerkant van de bankbalans.
   Bij kapitaal gaat het om de manier waarop de bank is gefinancierd (de rechterkant van de balans).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 49 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 50 ======================================================================

<pre>                                                                hoe werkt geldschepping?          49
Kort door de bocht is kapitaal niets anders dan een – misschien onhandig gekozen – term voor
het eigen vermogen van een bank. Maar er bestaat een verschil. Beleidsmakers hebben besloten
om bij de definitie van kapitaal ook onderdelen mee te tellen die technisch gezien niet onder het
eigen vermogen van de bank vallen. Dit wordt tier-ii kapitaal genoemd (tier-i is ongeveer gelijk
aan het eigen vermogen). Een voorbeeld van tier-ii kapitaal zijn schulden die in noodgevallen
kunnen worden omgezet in eigen vermogen. Een modern voorbeeld daarvan zijn contingent
convertibles (coco’s). Dat is een lening aan de bank, die wordt omgezet in een aandeel als het
kapitaal van de bank onder een bepaald minimumniveau zakt. De schuldeiser wordt dan aan-
deelhouder, waarmee de schuld van de bank wordt verkleind en het eigen vermogen vergroot
(Ministerie van Financiën 2016b).
       Als de hefboom te groot wordt, wordt de kans op faillissement groter. De hef-
       boomratio – of leverage ratio – is het percentage eigen vermogen ten opzichte van
       de totale bezittingen (zie figuur 2.7).8 Het Bazel iii-akkoord (2010) schrijft een
       minimum hefboomratio voor van 3%, maar deze eis is vooralsnog niet bindend in
       Europese regelgeving. Een bindende hefboomratio is wel onderdeel van een recent
       pakket aan maatregelen dat de Europese Commissie (2016a; 2016b) heeft voorge-
       steld. Hierover vinden momenteel (najaar 2018) nog onderhandelingen plaats
       tussen de Commissie, de Raad van Ministers en het Europees Parlement. In Neder-
       land heeft men vooruitlopend op deze afspraken bepaald dat Nederlandse systeem-
       banken vanaf 2018 moesten voldoen aan een minimumeis van 4% (Ministerie van
       Financiën 2016b) al is het huidige kabinet van plan deze eis te schrappen wanneer
       de nieuwe Europese regels voor de kapitaalratio (zie hieronder) in werking treden
       (Ministerie van Financiën 2018b).
       Een hefboomratio, waarbij alleen gekeken wordt naar het eigen vermogen ten
       opzichte van het totaal aan bezittingen, maakt het volgens toezichthouders aan-
       trekkelijker voor een bank om met hetzelfde eigen vermogen risicovollere bezit-
       tingen aan te houden met een hoger rendement. Daarom wordt er in regelgeving
       en toezicht primair gekeken naar een ratio waarbij de bezittingen gewogen worden
       naar risico. Dit is de kapitaalratio. Voor deze ratio wordt daarbij niet alleen naar
       eigen vermogen gekeken, maar naar de bredere definitie van kapitaal (zie box 2.2).
       De kapitaalratio is het percentage kapitaal ten opzichte van de totale, naar risico
       gewogen bezittingen van een bank (zie figuur 2.8). Dit betekent dat tegenover
       risicovolle bezittingen meer kapitaal dient te staan dan tegenover veilige bezittin-
       gen. Dit betekent dat in het geval dat een bank vooral in veilige staatsobligaties
       investeert, deze minder eigen vermogen hoeft te hebben dan een bank die risico-
       volle leningen verstrekt.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 50 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 51 ======================================================================

<pre>50       geld en schuld
Figuur 2.7      De hefboomratio
                                                 Betaal-
                                                tegoeden
                        Leningen
                                                                        Eigen vermogen
                                                  Spaar-                Totaal aan bezittingen
                                                tegoeden
                        Overige
                       bezittingen
                                            Overige schulden
                       CB-reserves          Eigen vermogen
                       Bezittingen           Verplichtingen
Figuur 2.8      De kapitaalratio
                                        Betaal-
                                       tegoeden
               Leningen
                                                               Kapitaal
                                         Spaar-              +   +      Risicogewogen bezittingen
                                       tegoeden
               Overige
              bezittingen
                                   Overige schulden
              CB-reserves           Eigen vermogen
              Bezittingen            Verplichtingen
         De minimum kapitaalratio die banken moeten hanteren is 8 procent, al zijn er in
         de praktijk diverse extra eisen waardoor de kapitaalratio in de praktijk hoger kan
         liggen. Door de tijd heen is de precieze invulling veranderd, zowel boven de streep
         – de zaken die meetellen als kapitaal – als onder de streep – de weging van de risi-
         co’s van de bezittingen. Sinds het Bazel ii-akkoord (2004) hebben grote banken
         veel vrijheid gekregen bij het berekenen van de door hen gelopen risico’s. Voor het
</pre>

====================================================================== Einde pagina 51 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 52 ======================================================================

<pre>                                                    hoe werkt geldschepping?         51
wegen van de bezittingen hebben de banken de keuze tussen een vooraf gegeven
wegingsmodel of ze kunnen zelf een wegingsmodel ontwikkelen dat door de toe-
zichthouder moet worden goedgekeurd. Grote banken maken veelal gebruik van
zo’n eigen risicomodel, kleine banken gebruiken daarentegen veelal het voorge-
schreven standaardmodel (wrr 2016).
Na de crisis ontstond de wens om ook de feitelijke omvang van de bankbalans
beter te beoordelen. Daarom werd in het Bazel-iii akkoord (2010) de hierboven
besproken hefboomratio in het leven geroepen. Onderzoek van de Bank of England
toont aan dat deze beter was dan de gewogen kapitaalratio in het voorspellen
welke banken zonder overheidssteun tijdens de crisis om zouden vallen (Aikman
et al. 2014; King 2016: 139). Bovendien bleken vergelijkbare risico’s door banken
zeer verschillend te worden beoordeeld (bis 2016).
Wat heeft dit alles te maken met geldschepping? Bij het verstrekken van een lening
en de gelijktijdige creatie van een nieuw giraal tegoed is sprake van een verlenging
van de bankbalans. Aan de linkerkant van de balans komt er een lening bij, aan de
rechterkant nemen de girale tegoeden toe. Naarmate een bank meer leningen ver-
strekt zal het eigen vermogen ten opzichte van de balansomvang afnemen (en
dalen de hefboom- en kapitaalratio).9 Daarmee neemt de mate waarin banken ver-
liezen kunnen opvangen af. De bank maakt hierbij risico-inschattingen: wat is de
kans dat we zoveel verlies gaan lijden op de leningen dat we in financiële nood
komen?
Als het eigen vermogen ten opzichte van de totale balans te laag wordt, kan het een
rem gaan vormen op verdere kredietverstrekking. De bank kan er dan voor kiezen
om minder leningen te verstrekken of het eigen vermogen te versterken door min-
der winst uit te keren of, indien mogelijk, nieuw eigen vermogen aan te trekken.
De keuze van de bank is gebaseerd op een combinatie van de eigen risico-inschat-
ting en wetgeving op dit gebied: de minimum kapitaal- en hefboomratio’s. Zo
vormt de omvang van het eigen vermogen in potentie een rem op bancaire geld-
schepping.
De vraag is echter in hoeverre dit daadwerkelijk het geval is. In goede tijden wor-
den risico’s van bezittingen vaak onderschat, in slechte tijden juist overschat. In
goede tijden wordt ingeschat dat er weinig kapitaal nodig is en dus veel leningen
kunnen worden verstrekt. In slechte tijden worden de bezittingen als veel risico-
voller ingeschat en moet de balans sterk verkort worden. Kortom, risicoweging kan
procyclisch werken. Bovendien zijn de balansratio’s ongeschikt om een ‘absolute’
rem te vormen op kredietverlening en geldschepping: zolang een bank het eigen
vermogen op peil kan houden door middel van winstinhouding of het aantrekken
van nieuw vermogen, zal zij kunnen blijven groeien zonder dat ratio’s achteruit-
gaan.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 52 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 53 ======================================================================

<pre>52 geld en schuld
   Een andere reden waarom kapitaalratio’s geen absolute rem vormen op geldschep-
   ping en kredietverlening is dat banken innovatieve manieren hebben gevonden om
   bezittingen van de balans te halen. De hypotheekpakketten die zo populair waren
   in aanloop naar de crisis waren bijvoorbeeld in belangrijke mate ingegeven door de
   wens van banken om hun balans te verkorten en zo te blijven voldoen aan wette-
   lijke kapitaaleisen. Banken riepen speciale instellingen in het leven (onderdeel van
   het zogeheten ‘schaduwbankwezen’, waarover meer in hoofdstuk 4) die een veel-
   heid aan hypotheken opkochten en dit financierden door speciale obligaties uit te
   geven. Deze obligaties (mortgage backed securities) waren zeer populair, bijvoor-
   beeld onder pensioenfondsen en verzekeraars. Op deze manier stonden de hypo-
   theken niet langer op de bankbalans en hadden banken ruimte om nieuwe lenin-
   gen te verstrekken.
   Het voldoen aan opvragingen: liquiditeitsratio’s en reserveverplichting
   Het tweede risico waar een bank rekening mee moet houden is het liquiditeits-
   risico. Wanneer veel mensen tegelijkertijd hun girale tegoeden in contant geld wil-
   len omzetten of het geld willen overschrijven naar een andere bank, is het de vraag
   of een bank aan deze vraag kan voldoen. De bank moet hiervoor over voldoende
   contant geld of centralebankreserves beschikken.10 Voor het geval deze niet toerei-
   kend zijn, dient de bank te beschikken over bezittingen die gemakkelijk te verko-
   pen zijn en zo zijn om te zetten in contant geld of centralebankreserves: liquide
   bezittingen. Dit zijn bijvoorbeeld staatsobligaties.
   De bekendste vorm van liquiditeitsproblemen is een bankrun zoals die bijvoor-
   beeld in 2007 plaatsvond bij de Britse bank Northern Rock. Rekeninghouders ston-
   den toen massaal in de rij om hun betaaltegoeden om te zetten in contanten. Hoe-
   wel dat een bekend en aansprekend beeld is, zijn de bankruns van deze tijd minder
   zichtbaar: wanneer rekeninghouders in groten getale hun tegoeden digitaal over-
   boeken naar andere banken, is dat voor individuele banken immers net zo proble-
   matisch (Boonstra 2018: 134-135). Dan is er sprake van een girale bankrun. Een
   andere bron van mogelijke liquiditeitsproblemen zijn kortlopende schulden die de
   bank aangaat op financiële markten. In goede tijden worden deze leningen telkens
   vernieuwd, maar als de verstrekkers van deze leningen twijfelen aan de degelijk-
   heid van de bank, kunnen zij dit stopzetten. Dit creëert voor de bank een groot
   financieringsprobleem. Tijdens de financiële crisis van 2007-2009 was het dit laat-
   ste type bankrun dat tot de grootste problemen leidde (Liikanen Report 2012).
   Wat is een liquiditeitsprobleem? In essentie gaat het om het verschil in looptijd
   tussen de bezittingen en de schulden. De bezittingen staan voor een bank gemid-
   deld genomen langer vast dan de schulden. Een hypotheek wordt bijvoorbeeld ver-
   strekt voor dertig jaar, een bedrijfslening voor vijf jaar, terwijl een giraal tegoed
   dagelijks opneembaar is. Wanneer giraal geld wordt opgenomen, gaat er aan beide
   kanten van de balans van een bank eenzelfde bedrag vanaf. Links contant geld
</pre>

====================================================================== Einde pagina 53 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 54 ======================================================================

<pre>                                                    hoe werkt geldschepping?        53
(bezitting van de bank) en rechts vermindert het girale tegoed van de rekening-
houders (schuld van de bank). Wanneer giraal geld wordt overgeschreven naar een
andere bank, krimpt ook de balans aan beide kanten: links centralebankreserves en
rechts het girale tegoed. Mocht de bank niet voldoende centralebankreserves heb-
ben, kan worden overgaan tot de verkoop van liquide middelen (zoals staats-
obligaties van betrouwbare overheden) aan andere banken, waardoor de centrale-
bankreserves worden aangevuld. Ook kan een bank simpelweg reserves lenen van
andere banken, waardoor er aan de rechterkant van de balans nieuwe schulden bij-
komen.11 Uiteindelijk kan een bank ook nog centralebankreserves lenen van de
centrale bank, tegen een door de centrale bank bepaald onderpand. De centrale
bank kan echter oordelen dat de bank niet meer levensvatbaar is en besluiten om
geen noodfinanciering te verstrekken. Dan moet de bank de deuren sluiten.
Voor de bank is het dus cruciaal om voldoende stabiele financiering (de rechterkant
van de balans) te hebben om liquiditeitsproblemen te voorkomen. Ook dient de
bank genoeg reserves en makkelijk verkoopbare bezittingen te hebben (de linker-
kant van de balans), voor het geval er veel opnames of overschrijvingen zijn of
wanneer de aan de bank verstrekte leningen niet worden verlengd.
Tijdens de kredietcrisis bleek het liquiditeitsrisico veel groter dan van tevoren
ingeschat. Banken dachten dat bepaalde bezittingen, zoals hypotheekpakketten,
onder alle omstandigheden te verkopen zouden zijn. Bovendien gingen zij ervan
uit dat kortetermijnfinanciering van andere financiële instellingen altijd beschik-
baar zou blijven. Beide aannames bleken misplaatst. Daarom zijn in het nieuwe
Bazel iii-akkoord (2010) naast regels op het gebied van kapitaal, ook regels op het
gebied van liquiditeit opgenomen. Het akkoord schrijft twee ratio’s voor waar ban-
ken zich aan moeten houden: (1) de liquiditeitsdekkingsratio (Liquidity Coverage
Ratio of lcr) en (2) de netto stabiele financieringsratio (Net Stable Funding Ratio
of nsfr). De lcr is al geïmplementeerd in de eu, de nsfr nog niet – onderhande-
lingen daarover vinden nog plaats op het moment van schrijven (najaar 2018).
Daarnaast kunnen centrale banken reserveverplichtingen hanteren, al worden die
momenteel ingezet om monetair beleid te voeren en niet om de liquiditeit van
banken te reguleren. Dit wordt verderop in deze paragraaf toegelicht.
De liquiditeitsdekkingsratio vereist dat banken voldoende liquide bezittingen
hebben om te voldoen aan de netto uitstroom van middelen gedurende dertig
dagen in een stressscenario. Deze uitstroom moet voor minstens honderd procent
gedekt zijn door hoogwaardige liquide bezittingen (zie figuur 2.9).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 54 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 55 ======================================================================

<pre>54        geld en schuld
Figuur 2.9        Liquiditeitsdekkingsratio (lcr)
                                   Betaal-
                                  tegoeden
       Leningen
                                                       Snel liquide te maken bezittingen
                                                                                                  ≥ 100%
                                    Spaar-             Verwachte uitstroom schulden in 30 dagen
                                  tegoeden
        Overige
      bezittingen
                              Overige schulden
      CB-reserves              Eigen vermogen
      Bezittingen               Verplichtingen
          Als een bank verwacht dat er gedurende een periode van dertig dagen €100 mil-
          joen aan middelen zal uitstromen, moet de bank voor minimaal €100 miljoen aan
          hoogwaardige liquide bezittingen hebben (zie box 2.3 voor de vraag wat telt als
          liquide bezitting). Deze liquiditeitsdekkingsratio moet ervoor zorgen dat proble-
          men in de financiële sector niet direct het betalingsverkeer in de reële economie
          kunnen verstoren (bis 2016).
Box 2.3           Hoogwaardige liquide bezittingen
   De grote vraag bij de beoordeling van de liquiditeit van een bank is natuurlijk wat als hoogwaar-
   dige liquide bezittingen kunnen worden beschouwd. Het is nog niet zo eenvoudig om dat vast te
   stellen. Volgens de Bank for International Settlements (bis 2013: 13-22) moet er allereerst gekeken
   worden naar de fundamentele kenmerken van het financiële bezit: het risico, prijsvorming,
   samenhang met andere risico’s en markttoegang. Ten tweede moet gekeken worden naar ken-
   merken van de markt waarop het bezit wordt verhandeld. Een bezitting geldt als liquide wan-
   neer er sprake is van een actieve markt van enige omvang, lage volatiliteit van de prijs waartegen
   de bezitting verhandeld wordt en een bezitting die door investeerders tijdens een crisis wordt
   gezien als veilige haven. Het moet bovendien gaan om bezittingen die juist in tijden van crisis
   aan deze voorwaarden voldoen, terwijl in een crisis veel markten opdrogen.
   Op basis van deze criteria worden bezittingen in beleid en regelgeving geclassificeerd naar mate
   van liquiditeit. Bezittingen die worden gezien als liquide in nagenoeg alle omstandigheden,
   zoals bijvoorbeeld staatsobligaties met een hoge kredietbeoordeling, tellen volledig mee in de
</pre>

====================================================================== Einde pagina 55 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 56 ======================================================================

<pre>                                                                 hoe werkt geldschepping?           55
bepaling van de liquiditeitsdekkingsratio. Bezittingen waarvan kan worden verwacht dat zij in
geval van nood moeilijker of alleen met een verlies te verkopen zijn, krijgen een ‘haircut’ en tel-
len niet voor 100% mee in deze bepaling. Individuele bedrijfsleningen of hypotheekleningen tel-
len helemaal niet mee, omdat die niet of nauwelijks verhandelbaar zijn.
Juist omdat de liquiditeit van bezittingen in grote mate afhankelijk is van marktomstandig-
heden, zit er een zekere circulariteit in wetgeving op dit gebied: liquiditeitsregels beïnvloeden
namelijk die omstandigheden – en daarmee de liquiditeit van bezittingen. Dit kan onbedoelde
gevolgen hebben. Juist het aanwijzen van bepaalde bezittingen als ‘liquide’ maakt deze bezittin-
gen meer liquide en andere bezittingen die buiten de boot vallen minder liquide. Ook kan het
stellen van minimumeisen juist eraan bijdragen dat banken in tijden van nood hun liquide bezit-
tingen niet willen verkopen, omdat ze aan de eisen willen blijven voldoen. Paradoxaal genoeg
kan dit de bezittingen weer minder liquide maken, omdat in slechte tijden iedereen eraan vast
wil blijven houden. Om dit te voorkomen staat expliciet in de Bazelstandaard dat banken in
geval van nood tijdelijk onder de minimumeis mogen komen. Of zij dat in de praktijk zullen
aandurven – ook vanwege mogelijk risico voor hun reputatie – moet blijken (zie Stellinga en
Mügge 2017).
       Ten tweede is er de netto stabiele financieringsratio (nsfr), die gaat over de mate
       waarin banken beschikken over voldoende stabiele financiering. De netto stabiele
       financieringsratio vereist dat langer lopende leningen worden gefinancierd met
       langlopende bezittingen (zie figuur 2.10). Zowel van de ‘bezittingen’ als van de
       ‘verplichtingen’ wordt de liquiditeit gewogen. De gewogen stabiliteit van de ver-
       plichtingen moet groter zijn dan de gewogen stabiliteit van de bezittingen.
       Aan de bezittingenkant geldt dat alle leningen die uitstaan voor langer dan een jaar
       vallen in de categorie waarvoor 100 procent stabiele financiering nodig is. Daar-
       naast is er een heel aantal bezittingen die 85 procent tot aflopend naar 5 procent
       stabiele financiering nodig hebben. Alleen contant geld, centralebankreserves, vor-
       deringen op de centrale bank met een resterende looptijd van minder dan zes
       maanden en specifieke handelsvorderingen hebben nul procent stabiele financie-
       ring nodig.
       Tegenover de bezittingen staan vormen van financiering die met verschillend
       gewicht meetellen als stabiele financieringsvorm. Eigen kapitaal en girale tegoeden
       gelden bijvoorbeeld als 90-100% stabiel, terwijl andere vormen van financiering
       voor minder meetellen.12 Deze stabiele financieringsratio moet er voor zorgen dat
       er een zeker evenwicht zit tussen de duur waarvoor geld wordt uitgeleend en de
       termijn waarop dat wordt gefinancierd, de zogeheten looptijdmatching (bis
       2014a).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 56 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 57 ======================================================================

<pre>56       geld en schuld
Figuur 2.10      De netto stabiele financieringsratio
                                      Betaal-
                                     tegoeden
             Leningen
                                                         Stabiliteitsweging verplichtingen
                                                                                           ≥ 100%
                                       Spaar-            Stabiliteitsweging bezittingen
                                     tegoeden
             Overige
            bezittingen
                                  Overige schulden
           CB-reserves            Eigen vermogen
            Bezittingen            Verplichtingen
         Wat is het effect van deze liquiditeitsratio’s op geldschepping? Wanneer een bank
         een vijfjarige lening verstrekt aan Farid, heeft de schuld van Farid aan de bank een
         looptijd van vijf jaar, terwijl het girale tegoed dat de bank op de rekening van Farid
         bijschrijft ieder moment kan worden opgenomen. Omdat de bezitting en de
         schuld die gecreëerd worden een andere looptijd hebben, betekent iedere nieuwe
         lening een extra verschil in looptijd op de balans en dus meer liquiditeitsrisico’s. In
         de praktijk worden girale tegoeden echter als een zeer stabiele bron van financie-
         ring beschouwd. Voor de netto stabiele financieringsratio gelden girale tegoeden
         van consumenten en kleine bedrijven als 90-95 procent stabiel (bis 2014a). Klan-
         ten maken wel geld over van de ene naar de andere bank, maar per saldo blijft de
         omvang van de girale tegoeden ongeveer hetzelfde. Pas als klanten na het verstrek-
         ken van hun lening het geld massaal contant opnemen of naar andere banken of het
         buitenland overmaken, ontstaat er een liquiditeitsprobleem voor een individuele
         bank.
         Er zijn tegenwoordig dus wettelijke liquiditeitseisen waar een bank aan moet vol-
         doen. Tegelijkertijd bestaat er beleid om de liquiditeitsrisico’s voor banken te
         beperken of op te vangen. We noemden al de mogelijkheid om bij centrale banken
         te lenen. Daarnaast geldt dat het depositogarantiestelsel de liquiditeitsrisico’s van
         banktegoeden tot €100.000 sterk vermindert. Klanten weten dat hun tegoeden tot
         een bepaalde hoogte gegarandeerd zijn en zullen daarom minder snel hun geld
         weghalen bij een bank. Voor professionele financiële partijen geldt het deposito-
         garantiestelsel niet. Ook andere financiers van een bank (zoals obligatiehouders of
         verstrekkers van korte leningen) hebben geen garantie op terugbetaling in geval
         van faillissement. Liquiditeitsproblemen zullen dus eerder uit deze hoek komen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 57 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 58 ======================================================================

<pre>                                                             hoe werkt geldschepping?        57
         Daarnaast is liquiditeit sterk afhankelijk van het marktsentiment. Wanneer een
         collectief optimisme heerst, worden bezittingen hoger gewaardeerd en lijken zij
         zeer liquide. Eventuele remmen worden dan niet in werking gesteld. Dit opti-
         misme kan tijdens een crisis echter totaal verdwijnen: “[when] liquidity dries up, it
         disappears altogether rather than being re-allocated elsewhere” (Brunnermeier et al.
         2009: 23).
         Naast deze twee nieuwe liquiditeitseisen hanteren centrale banken ook al sinds
         jaar en dag reserveverplichtingen. Het gaat hierbij om de eis om een bepaald mini-
         mumpercentage aan reserves aan te houden ten opzichte van de girale tegoeden
         (zie figuur 2.11). Deze eis speelt tegenwoordig echter in veel ontwikkelde landen
         een beperkte rol en wordt niet ingezet om de liquiditeit van banken te sturen. Het
         Verenigd Koninkrijk heeft bijvoorbeeld geen enkele verplichting op dit terrein en
         in Europa geldt een vrij lage eis: centralebankreserves dienen gemiddeld ten min-
         ste 1 procent te zijn van het totaal aan betaaltegoeden, spaartegoeden en obligaties
         met een looptijd tot twee jaar, en financiering verstrekt door geldmarktfondsen
         (ecb 2016; ecb 2011a).
Figuur 2.11     Minimum-reserveverplichting
                                              Betaal-
                                             tegoeden
                    Leningen
                                                              Centralebankreserves
                                               Spaar-         Betaal- en spaartegoeden,
                                             tegoeden         deel overige schulden
                     Overige
                   bezittingen
                                         Overige schulden
                   CB-reserves            Eigen vermogen
                   Bezittingen             Verplichtingen
         De reden dat er veel verwarring bestaat over minimumreserves is dat deze drie ver-
         schillende doelen kunnen dienen (Gray 2011). De reserveverplichting kan een pru-
         dentieel doel dienen. Dan is de verplichting bedoeld om te zorgen dat een bank
         voldoende liquide middelen heeft om aan een plotselinge uitstroom van middelen
         te voldoen. De verplichting kan ook een manier zijn om de geldhoeveelheid direct
         te beïnvloeden. Wanneer de centrale bank de hoeveelheid beschikbare reserves
         strikt beperkt, wordt de kredietverlening geremd. Ten slotte kan de reservever-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 58 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 59 ======================================================================

<pre>58    geld en schuld
      plichting bedoeld zijn om het rentebeleid van de centrale bank te laten werken.
      Door het verplicht aanhouden van reserves, krijgen banken te maken met de rente
      die de centrale bank op deze reserves hanteert. De huidige reserveverplichting
      heeft dit laatste doel.
      In hoeverre vormen de reserveverplichtingen een rem op geldschepping? In de
      huidige situatie zijn reserves feitelijk niet gemaximeerd: commerciële banken zijn
      vrij om, indien gewenst, meer reserves te lenen van de centrale bank, mits daar-
      voor goede kwaliteit onderpand kan worden gepresenteerd. Dat betekent ook dat
      zij geen directe rem op geldschepping zijn. Centrale banken hanteren in ontwik-
      kelde economieën de reserve-eisen dan ook niet langer om kredietgroei te remmen
      of te maximeren, terwijl dit vroeger wel staand beleid was. Wel zijn reserves
      belangrijk voor een indirectere rem op geldschepping: de rente van de centrale
      bank.
2.3   monetair beleid
      Een laatste belangrijke factor die invloed heeft op geldschepping is monetair
      beleid. We bespraken al dat de rente op leningen en de rente die wordt gegeven op
      betaal- en spaartegoeden een belangrijke invloed hebben op geldschepping. Deze
      rente wordt beïnvloed door het monetaire beleid van de centrale bank. In deze
      paragraaf bespreken we eerst de doelen en instrumenten van monetair beleid (sub-
      paragraaf 2.3.1), dan de werking van monetair beleid (2.3.2) en kwantitatieve verrui-
      ming (2.3.3).
2.3.1 doelen en instrumenten
      Waar monetair beleid zich precies op richt, wat de instrumenten zijn en wat de
      grenzen zijn, verandert door de tijd heen. Het hoofddoel van het huidige Europese
      monetair beleid is prijsstabiliteit (art. 127 lid 1 vweu). Dit heeft de ecb vertaald
      naar een lage en stabiele inflatie van dicht bij, maar onder de 2 procent (zie box 2.4).
      Het garanderen van de (interne en externe) stabiliteit van de munt is altijd een van
      de belangrijke doelen geweest (Capie et al. 1994), maar de invulling daarvan is in de
      loop van de tijd veranderd. Daarnaast hebben centrale banken ook altijd andere
      doelstellingen gehad, zoals het bijdragen aan economische ontwikkeling, werk-
      gelegenheid en financiële stabiliteit. Met name sinds de jaren tachtig is het streven
      naar beperkte inflatie echter het dominante doel geworden.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 59 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 60 ======================================================================

<pre>                                                                   hoe werkt geldschepping?           59
Box 2.4          Het doel van 2 procent
  Het hoofddoel van prijsstabiliteit is duidelijk vastgelegd in een verdrag (art. 127 lid 1 vweu). De
  Raad van Bestuur van de ecb heeft dit doel in 1998 gepreciseerd: “Prijsstabiliteit wordt gedefini-
  eerd als een jaarlijkse stijging van de Geharmoniseerde Consumptieprijsindex (hicp) voor het
  eurogebied met minder dan 2%. Prijsstabiliteit moet worden gehandhaafd op de middellange ter-
  mijn.” In 2003 heeft de Raad van Bestuur toegelicht dat hierbij wordt gestreefd naar een inflatie
  van dicht bij, maar onder de 2 procent.
  Op een aantal manieren is prijsstabiliteit dus nader ingevuld. Ten eerste wordt hieruit duidelijk
  dat het niet gaat om een absolute stabiliteit van de munt, maar om een beperkte inflatie van 2%.
  De ecb geeft hiervoor een aantal redenen (ecb 2018a). Een beperkte inflatie creëert een ruimte
  ten opzichte van de risico’s van deflatie (een daling van het prijspeil). Omdat de rente niet al te
  ver onder nul kan zakken, is het voor een centrale bank gemakkelijker om inflatie dan deflatie te
  bestrijden. Daarnaast wil de ecb een voldoende ruime marge creëren om met verschillen in
  inflatie tussen de landen van de eurozone om te kunnen gaan. Zo wordt voorkomen dat som-
  mige landen met de effecten van een zeer lage inflatie of zelfs deflatie te maken krijgen.13 Ook
  wordt door het aanhouden van een beperkte inflatie een marge ingebouwd ten opzichte van de
  mogelijkheid dat de inflatie van de consumentenprijzen (hicp) de werkelijke inflatie overschat.
  Met deze invulling wordt ook duidelijk waaraan de inflatie wordt afgemeten: aan de stijging van
  de consumptieprijzen, de Geharmoniseerde Consumptieprijsindex. ‘Geharmoniseerd’ wil zeg-
  gen dat alle landen in de Europese Unie dezelfde methodologie gebruiken om deze inflatie te
  meten (ecb 2018b). Belangrijk is dat met de focus op consumentenprijzen prijsstijgingen op
  andere gebieden, met name die van vastgoed, aandelen en overige financiële bezittingen, buiten
  beeld blijven.
  Ten slotte maakt de definitie duidelijk dat het gaat om de middellange termijn. Afwijkingen op
  korte termijn worden geaccepteerd en monetair beleid beoogt slechts een voorspelbare en gelei-
  delijke terugkeer te bewerkstelligen.
          De ecb beoogt prijsstabiliteit te garanderen door de rente te beïnvloeden waar-
          tegen financiële instellingen met elkaar zakendoen (de geldmarkrente). De belang-
          rijkste instrumenten om monetair beleid vorm te geven zijn: (1) permanente facili-
          teiten, (2) open markttransacties en (3) reserveverplichtingen (ecb 2004; ecb
          2011a; dnb 2018a). In het verleden hanteerden centrale banken ook een aantal meer
          directe instrumenten om kredietgroei te beperken (zie hoofdstuk 3). Dergelijke
          maatregelen worden vandaag de dag veelal geschaard onder de noemer ‘macropru-
          dentieel beleid’.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 60 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 61 ======================================================================

<pre>60    geld en schuld
      De permanente faciliteiten houden in dat banken op eigen initiatief voor één dag
      centralebankreserves kunnen lenen tegen geaccepteerd onderpand (de marginale
      beleningsfaciliteit) of hun reserves bij de centrale bank stallen (de depositofacili-
      teit). De rentes die banken daarop moeten betalen respectievelijk vergoed krijgen,
      vormen normaal gesproken de onder- en bovengrens van de geldmarktrente.14
      Het tweede instrument van de centrale bank bestaat uit de open markttransacties,
      die plaatsvinden op initiatief van de centrale bank. Het gaat hier doorgaans om
      leningen (tegen geaccepteerd onderpand) van één week, waar banken op kunnen
      ‘bieden’. De doelstelling ervan is om de geldmarktrente op het gewenste niveau te
      krijgen. De centrale bank kan echter ook overgaan tot het kopen van financiële
      instrumenten met centralebankreserves. Dat is een bijzondere vorm van de open
      markttransactie en wordt nu bijvoorbeeld toegepast binnen het beleid van kwanti-
      tatieve verruiming (zie hieronder).
      Het derde instrument zijn de reserveverplichtingen waar we hierboven al over
      spraken. Dit is het gemiddelde bedrag aan reserves dat commerciële banken dienen
      aan te houden. Het bedrag is momenteel 1 procent van het totaal aan betaaltegoe-
      den, spaartegoeden en obligaties met een looptijd tot twee jaar, en financiering ver-
      strekt door geldmarktfondsen. Zoals gezegd worden deze reserveverplichtingen
      binnen het huidige systeem niet op een directe manier ingezet om de creatie van
      geld en schuld te beperken, zoals eerder wel in bepaalde periodes het geval was. Dit
      omdat de ecb altijd bereid is om centralebankreserves tegen onderpand en tegen
      een bepaalde rente aan te vullen.
2.3.2 werking van monetair beleid
      Prijsstabiliteit (of eigenlijk: stabiele inflatie) is dus de primaire doelstelling van het
      huidige monetair beleid. De centrale bank beschikt daarvoor over drie belangrijke
      instrumenten. Hoe werkt deze invloed precies? Figuur 2.1 toonde een versimpelde
      bankbalans. Daarbij zagen we dat banken reserves aanhouden bij de centrale bank.
      Deze staan aan de linkerzijde van de balans en zijn dus de bezittingen van de ban-
      ken. Deze centralebankreserves hebben banken nodig wanneer klanten geld over-
      schrijven van bank A naar bank B (bank A moet dan een gelijke hoeveelheid cen-
      tralebankreserves overschrijven naar bank B) en wanneer klanten contant geld
      opnemen.
      De centrale bank bepaalt de rente waartegen banken de centralebankreserves
      boven het wettelijk minimum bij de centrale bank kunnen stallen en tegen welke
      rente banken extra centralebankreserves kunnen lenen (deze rentes vormen de
      bodem en het plafond van de zogeheten rentecorridor). Deze rentes beïnvloeden
      de rente die banken onderling aan elkaar rekenen (geldmarktrente) en als het goed
      is uiteindelijk ook andere rentes.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 61 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 62 ======================================================================

<pre>                                                    hoe werkt geldschepping?          61
Interessant hieraan is dat een geloofwaardige centrale bank niet per se grote acties
hoeft te ondernemen om deze rente te beïnvloeden. Feitelijk is het uitspreken van
een bepaalde rentevoorkeur vaak al genoeg om de onderlinge rentes tussen banken
te beïnvloeden. Banken weten immers dat als puntje bij paaltje komt, de centrale
bank zal interveniëren en de gewenste rente afdwingt. In de beginjaren van de ecb
lagen bijvoorbeeld de aankondiging van de streefrente en de daadwerkelijke acties
om deze rente bewerkstelligen een aantal dagen uit elkaar, waarbij de rente al direct
na aankondiging de gewenste kant op bewoog. Kennis en verwachtingen van
marktspelers over de doelstelling van de centrale bank, zijn dus vaak net zo belang-
rijk als de daadwerkelijke acties die de centrale bank onderneemt om de doelstel-
ling te behalen (Disyatat 2008).
Met name sinds de inzet van onconventioneel beleid is dit mechanisme uitgelopen
op wat bekend staat als ‘forward guidance’; het doelbewust beïnvloeden van toe-
komstverwachtingen door communicatie over een langere tijdshorizon. De cen-
trale bank communiceert niet alleen over wat zij nu doet, maar ook over wat zij
verwacht te doen de komende tijd. Voor de geloofwaardigheid van dit mecha-
nisme is het dan wel belangrijk dat de centrale bank ook werkelijk uitvoert wat zij
heeft aangekondigd. Omdat de Bank of England een aantal maal, door onverwachte
economische ontwikkelingen, eerdere uitspraken niet nakwam, heeft dit instru-
ment in het vk aan kracht ingeboet (Wallace 2017).
Hoewel het uiteindelijke doel van de centrale bank prijsstabiliteit is, beïnvloedt zij
dus in eerste instantie de geldmarktrente. De vertaling van deze geldmarktrente
naar prijsstabiliteit heet het transmissiemechanisme. Die vertaling is minder
mechanisch dan het woord doet vermoeden: deze is verre van eenduidig. Er zijn
namelijk tal van factoren die invloed hebben op de prijsontwikkeling. Bovendien
geldt dat veel afhangt van de verwachtingen van marktspelers over toekomstige
economische ontwikkelingen. Zoals de ecb (2011a: 58) dan ook aangeeft: “central
banks typically see themselves confronted with long, variable and uncertain lags in
the conduct of monetary policy”.15
Het voert te ver om diep in te gaan op alle facetten van dit transmissiemechanisme
(zie ecb 2011a: 58-62 voor meer informatie). Een cruciaal element heeft echter
direct betrekking op geldschepping. Stel dat de centrale bank op de middellange
termijn een inflatie voorziet die hoger is dan het doel. Zij zal dan aangeven te stre-
ven naar een hogere geldmarktrente en de eigen (rente)instrumenten inzetten om
dit te bereiken. Wanneer de rente voor het lenen van centralebankreserves en het
onderling lenen tussen banken stijgt, zal – zo is de verwachting – dit invloed heb-
ben op het gedrag van banken. Om de winstgevendheid te behouden, ligt het voor
de hand dat banken de rente op leningen ophogen. Als iedere bank dit doet is het
effect dat de kredietvraag zal afnemen. Aan de verplichtingenkant zal de bank pro-
beren om minder afhankelijk te zijn van de duurder geworden geldmarkt en zich
</pre>

====================================================================== Einde pagina 62 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 63 ======================================================================

<pre>62         geld en schuld
           meer met spaargelden financieren. Door concurrentiemechanismen stijgt dan op
           macroniveau de rente op spaarrekeningen. Als gevolg hiervan wordt sparen voor
           burgers en bedrijven aantrekkelijker en zullen zij een kleiner deel van hun inko-
           mens uitgeven. Beide hebben per saldo hetzelfde effect: bedrijven zullen minder
           investeren en burgers geven minder geld uit aan producten en diensten. Het idee is
           dat dit op termijn zal bijdragen aan het in de hand houden van de inflatie (ecb
           2011a).
           Deze – sterk versimpelde – beschrijving van hoe monetair beleid doorgaans wordt
           geïmplementeerd verschilt van de wijze waarop veel introductieboeken monetaire
           economie de werking van monetair beleid nog altijd uitleggen. Daarin wordt vaak
           gesuggereerd dat centrale banken zich richten op de hoeveelheid centralebank-
           reserves, omdat een verhoging of verlaging daarvan via een ‘geldmultiplicator’ zou
           leiden tot een hogere of lagere geldhoeveelheid. Hoewel sommige landen in het
           verleden beleid op deze manier hebben vormgegeven, is dit niet hoe monetair
           beleid nu werkt. Zoals de ecb (2004: 5) aangeeft, is dit een voorbeeld waarin
           “academic economists developed theories detached from reality, without resenting or
           even admitting this detachment” (zie ook McLeay et al. 2014; Disyatat 2008;
           Goodhart 2011). De werking is immers omgekeerd. In plaats van dat een basisgeld-
           hoeveelheid wordt gecreëerd op initiatief van de centrale bank en dat deze door
           banken wordt vertaald naar een totale geldhoeveelheid, zet de centrale bank de
           rentestand en levert daarvoor de benodigde centralebankreserves (McLeay et al.
           2014; Disyatat 2008). In box 2.5 gaan wij nader in op deze kwestie.
Box 2.5           De geldmultiplicator
   De term ‘geldmultiplicator’ suggereert dat centrale banken de centralebankreserves verhogen en
   dat banken dan automatisch ook meer krediet gaan verlenen: het geld van centrale banken wordt
   vermenigvuldigd. Er zijn echter tal van factoren die invloed hebben op bancaire kredietverle-
   ning en geldschepping. Zo maakt het uit of er vraag is naar leningen, of banken zelf verwachten
   dat zij die leningen terugbetaald krijgen, wat hun positie is op het gebied van liquiditeit en eigen
   vermogen, wat andere banken doen, enzovoort. Er is dan ook geen reden om aan te nemen dat
   banken automatisch hun balans verlengen als de centrale bank meer reserves uitgeeft. De relatie
   is veeleer omgekeerd: dynamiek rond private geldschepping zorgt voor verandering in de betaal-
   en spaartegoeden bij banken, wat invloed heeft op de vraag naar centralebankreserves. In plaats
   van een ‘geldmultiplicator’ is het dan ook accurater te spreken van een ‘gelddeler’ (Goodhart
   2011).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 63 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 64 ======================================================================

<pre>                                                                    hoe werkt geldschepping?            63
   Maar ligt de hoeveelheid reserves dan niet vast? Het antwoord is: niet in het huidige systeem.
   Centrale banken proberen via de rente de inflatie te sturen. Zij doet dat via de rentes die zij han-
   teert op centralebankreserves en leningen aan banken. Omdat de centrale bank deze rente zet,
   moet de hoeveelheid centralebankreserves zich vervolgens aanpassen aan de vraag van commer-
   ciële banken.
   Centralebankreserves spelen wel een belangrijke rol bij het beïnvloeden van deze rente. Banken
   kunnen deze centralebankreserves lenen (of overtollige reserves stallen) tegen rentes die de ecb
   bepaalt. Wanneer de hoeveelheid centralebankreserves vast zou liggen en de centrale bank geen
   faciliteiten hiervoor zou aanbieden, zou zij niet op die manier de rente kunnen beïnvloeden en
   zou dit juist leiden tot een sterke schommeling in de geldmarktrente. Voor individuele banken is
   het immers vrij onvoorspelbaar wat er op dagelijkse basis met deze reserves gebeurt en wat zij
   nodig hebben: het hangt sterk af van de mate waarin rekeninghouders contanten nodig hebben
   of geld overmaken naar andere banken.
   Het is dus in de huidige situatie niet zo dat de centrale bank de hoeveelheid reserves bepaalt en
   dit – via een vaste multiplier – leidt tot een bepaalde omvang van de geldschepping door banken.
   Indirect kan de omvang van centralebankreserves wel effect hebben op de mate van kredietver-
   strekking. Banken streven doorgaans naar een zekere stabiele hoeveelheid reserves ten opzichte
   van hun bankbalans. Ook kan de hoeveelheid reserves invloed hebben op de geldmarktrente,
   zeker wanneer de centrale bank niet intervenieert (zie Disyatat 2008: 6).
2.3.3      kwantitatieve verruiming
           Sinds de jaren zeventig was het dominante uitgangspunt voor monetairbeleids-
           makers om de inflatie te beteugelen. De financiële crisis heeft echter laten zien dat
           er ook nog steeds een ander gevaar bestaat: deflatie. De reden is de schuldenkater
           die het gevolg was van de crisis. Burgers en bedrijven zagen de toekomst veel som-
           berder in en losten schulden af in plaats van nieuwe kredieten aan te gaan. De
           balansproblemen bij banken en hun pessimisme over de toekomstige economische
           ontwikkeling leidde ook tot een terughoudender kredietbeleid. Om deze schok op
           te vangen verlaagden centrale banken de rente sterk, in de hoop dat dit (via ver-
           schillende transmissiekanalen) zou bijdragen aan prijsstabiliteit.16 De beleidsrente
           naderde echter al spoedig de ondergrens van nul procent. Dit staat bekend als het
           zero lower bound-probleem.17 Krediet was ontzettend goedkoop, maar toch bleven
           geldschepping en inflatie achter bij de doelstelling. Het rentebeleid leek geen ant-
           woord te hebben op deze situatie.
           In reactie gingen veel centrale banken – waaronder de fed, de Bank of England en
           in 2014 de ecb – over op een beleid dat bekend staat als kwantitatieve verruiming
           (quantitative easing), met als doel de lange rentes te beïnvloeden nu de korte rente
           niet lager kon. Bij kwantitatieve verruiming koopt de centrale bank financiële
</pre>

====================================================================== Einde pagina 64 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 65 ======================================================================

<pre>64             geld en schuld
               bezittingen, zoals staats- of bedrijfsobligaties, van pensioenfondsen, banken of
               grote bedrijven. Op het moment dat de centrale bank bijvoorbeeld een staatsobli-
               gatie koopt van een pensioenfonds, krijgt het pensioenfonds hiervoor geld bijge-
               schreven op de betaalrekening bij een commerciële bank. De nieuwe verplichting
               die de commerciële bank hierdoor aan het pensioenfonds krijgt (het girale tegoed),
               wordt door de centrale bank gecompenseerd met een gelijktijdige verhoging van
               de centralebankreserves van de commerciële bank. Zo blijft de bankbalans in even-
               wicht. Met het kopen van een staatsobligatie van het pensioenfonds wordt dus de
               maatschappelijke geldhoeveelheid vergroot (zie figuur 2.12). Op het moment dat de
               centrale bank obligaties koopt van een commerciële bank, neemt de maatschappe-
               lijke geldhoeveelheid echter niet direct toe, maar de centralebankreserves wel. Er
               vindt dan enkel een verschuiving plaats aan de linkerkant van de bankbalans
               (bezittingen). Het obligatiebezit neemt af en de centralebankreserves nemen toe.
Figuur 2.12           Kwantitatieve verruiming schematisch weergegeven
                                Centrale Bank                         Bank                            Pensioenfonds
                                                                                           Staatsobligatie
                                                                               Betaal-
                                                                              tegoeden
                         Overige                CB-        Leningen
 Voor aankoop          bezittingen           reserves                                          Overige
                                                                                                                   Vreemd
staatsobligatie                                                                              bezittingen
                                                                                                                  vermogen
                                                                                Spaar-
                                                                              tegoeden
                                                            Overige
                                                          bezittingen     Overige schulden
                         Staats-           Contant geld                                        Betaal-
                        obligaties                                                            tegoeden         Eigen vermogen
                                                         CB-reserves       Eigen vermogen
                      Bezittingen         Verplichtingen Bezittingen       Verplichtingen   Bezittingen        Verplichtingen
                                Centrale Bank                         Bank                            Pensioenfonds
                                              + 100                             + 100
                                                                                                - 100
                                                                               Betaal-
                                                           Leningen           tegoeden
                         Overige                CB-
                       bezittingen           reserves                                          Overige
                                                                                             bezittingen
  Na aankoop                                                                                                       Vreemd
staatsobligatie                                                                                                   vermogen
                                                                                Spaar-
                                                           Overige            tegoeden
                          + 100                           bezittingen
                                                                                                + 100
                         Staats-           Contant geld                   Overige schulden     Betaal-
                                                             + 100
                        obligaties                                                            tegoeden
                                                         CB-reserves       Eigen vermogen                      Eigen vermogen
                      Bezittingen         Verplichtingen Bezittingen       Verplichtingen   Bezittingen        Verplichtingen
               Het beoogde transmissiemechanisme is het beïnvloeden van de rente om zo de
               financieringskosten voor burgers, bedrijven en overheden te verlagen en uitgaven
               te vergroten en uiteindelijk bij het beleidsdoel van een inflatie van dicht bij de
               2 procent uit te komen. Het idee is dat de pensioenfondsen, door de verkoop van
               hun obligaties aan de centrale bank, nu meer betaaltegoeden hebben dan zij wen-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 65 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 66 ======================================================================

<pre>                                                       hoe werkt geldschepping?        65
    selijk vinden. Herinner dat betaaltegoeden nauwelijks of geen rente geven en dat
    bij bedragen boven de €100.000 er ook een risico bestaat op het verlies van het
    tegoed. De centrale bank hoopt dan ook dat pensioenfondsen deze tegoeden
    gebruiken voor de aanschaf van financiële instrumenten met een hogere vergoe-
    ding, zoals bedrijfsobligaties en aandelen. Hogere vraag naar deze financiële instru-
    menten zal de waarde daarvan opstuwen en de financieringskosten van bedrijven
    verlagen omdat de rente tegengesteld beweegt aan de obligatieprijs. De hoop is dat
    dit deze bedrijven aanzet tot hogere uitgaven, wat zou moeten zorgen voor een
    inflatie van rond de 2 procent (McLeay et al. 2014). Ook zou de waardestijging van
    financiële bezittingen ertoe kunnen leiden dat de eigenaren zich rijker voelen en
    meer zullen uitgeven.
    Een tweede mogelijke effect is dat centralebankreserves banken potentieel extra
    ruimte geven voor het verstrekken van leningen. Of monetairbeleidsmakers dit
    ook zagen als belangrijk onderdeel van het transmissiemechanisme is niet heel
    duidelijk (zie Goodhart 2013). De Bank of England stelt expliciet dat dit geen
    belangrijk onderdeel is van de beoogde transmissie (McLeay et al. 2014).
2.4 conclusie
    In dit hoofdstuk toonden we dat geldschepping plaatsvindt op een andere wijze
    dan veelal wordt gedacht. Onder normale omstandigheden is het niet de centrale
    bank, maar zijn het de commerciële banken die het overgrote deel van de geldhoe-
    veelheid creëren. Dit gebeurt met het verstrekken van een lening. Op dat moment
    wordt er tegelijkertijd een schuld aan de bank en giraal geld op de rekening van
    diegene die de lening aangaat gecreëerd. Op het moment dat de lening wordt terug-
    betaald, wordt er weer geld vernietigd.
    Het nieuwe geld komt niet bij de bank terecht, maar bij de persoon die de lening is
    aangegaan. Het girale tegoed bij een bank wordt als geld beschouwd en is inwissel-
    baar voor contant geld. Verreweg het grootste deel van onze huidige geldhoeveel-
    heid (meer dan 90 procent) bestaat uit giraal geld. Bankbiljetten worden in
    opdracht van de ecb gedrukt en munten worden in opdracht van nationale over-
    heden geslagen, maar omdat het in omloop wordt gebracht tegen giraal geld, wordt
    daarmee de totale hoeveelheid geld niet verhoogd.
    Dat banken nieuwe girale tegoeden kunnen scheppen bij het verstrekken van een
    lening, betekent niet dat er geen enkele rem zit op geldschepping. De groei en
    krimp van de geldhoeveelheid wordt beïnvloed door de interactie van een veelheid
    aan factoren (Lavoie 2003). We bespraken in dit hoofdstuk de drie belangrijkste:
    het gedrag van burgers en bedrijven, balansrisico’s voor banken en monetair beleid.
    We zagen hoe het huidige monetair beleid vooral werkt via de rente en niet stuurt
    op de geldhoeveelheid, en hoe dit beleid wordt bemoeilijkt zodra rente de nulgrens
</pre>

====================================================================== Einde pagina 66 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 67 ======================================================================

<pre>66 geld en schuld
   nadert. Geldschepping en monetair beleid hebben niet altijd op deze wijze
   gewerkt. In het volgende hoofdstuk bespreken we hoe het systeem zich in de tijd
   ontwikkeld heeft.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 67 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 68 ======================================================================

<pre>                                                              hoe werkt geldschepping?           67
noten
1   In een in opdracht van Sustainable Finance Lab door Motivaction afgenomen enquête wer-
    den 23.000 respondenten in twintig landen gevraagd wie zij denken dat het grootste deel
    (meer dan 95%) van ons geld hebben gecreëerd. Het aandeel van respondenten dat dacht dat
    banken hiervoor verantwoordelijk waren was 20%. Een veel groter deel denkt dat het nieuwe
    geld door de centrale bank of de overheid wordt gecreëerd (respectievelijk 27% en 22% van de
    populatie). Het resterende deel gaf het antwoord “Weet niet.” De Nederlandse respondenten
    waren als volgt verdeeld: banken 12%; centrale bank 22%; overheid 23%; weet niet 43%.
2   Dit contante geld bestaat uit bankbiljetten en munten. Bankbiljetten worden in opdracht van
    de ecb gemaakt en op verschillende plaatsen in Europa gedrukt. Munten worden in opdracht
    van nationale overheden geslagen. Dit heeft echter geen gevolgen voor de geldhoeveelheid,
    aangezien dit geld alleen in omloop komt als mensen hun girale tegoeden bij banken omzet-
    ten in contanten.
3   Hoewel met digitaal bankieren het praktische verschil bij sommige spaarrekeningen slechts
    enkele seconden bedraagt.
4   Althans niet voor de banken die een vergunning hebben als geldscheppende instelling. Voor
    banken die geen betaalrekening mogen aanbieden, geldt wel dat zij eerst geld op moeten
    halen.
5   Dit is een vereenvoudigde bankbalans. Er staan dezelfde elementen op als op de balans in
    figuur 2.1.
6   Een bank creëert ook nieuw geld wanneer zij producten of diensten koopt en wanneer zij
    medewerkers betalen. Dit wordt betaald uit de inkomsten en gaat dus ten laste van de winst.
    Op de balans heeft dit effect op het eigen vermogen.
7   Dit geldt op microniveau. Wanneer mensen op grote schaal giraal geld inwisselen voor con-
    tant geld, heeft dat wel effect op de geldhoeveelheid omdat er dan bankruns kunnen ontstaan
    of het banken beperkt in de mogelijkheid om nieuw geld te creëren.
8   Om precies te zijn: het gaat om tier-I kapitaal, wat grofweg neerkomt op het eigen vermogen.
9   Andersom geldt dat wanneer een lening terugbetaald wordt, de bankbalans korter wordt en
    de hefboom- en kapitaalratio stijgen.
10  Centralebankreserves kunnen door een bank gemakkelijk worden omgezet in contant geld en
    vice versa. Dus voor een bank zijn ze inwisselbaar.
11  Het kan echter zo zijn dat het wegvallen van financiering zoveel druk zet op de bank dat die
    over moet gaan tot gedwongen verkoop van bezittingen die minder liquide zijn. De bank
    maakt hierbij vaak verlies, omdat andere marktpartijen ze alleen willen kopen tegen een
    flinke afslag. Hierdoor zorgen liquiditeitsproblemen ook voor risico’s op faillissement.
12  Merk daarbij op dat dit slechts inschattingen zijn. Girale tegoeden kunnen wel degelijk in
    groten getale worden weggehaald, ondanks de hoge stabiliteitsweging.
13  Deflatie kan problemen geven vanwege loonstarheid en omdat bij deflatie schulden in reële
    termen hoger worden.
14  De geldmarkt is de vraag en het aanbod van financiële middelen met een korte looptijd.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 68 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 69 ======================================================================

<pre>68 geld en schuld
15 De ecb is niet de eerste die dit observeerde. De onzekerheden over en vertraging in het effect
   van monetair beleid werd bijvoorbeeld ook al beschreven door Friedman (1961).
16 Centrale bankiers ondernamen tal van operaties om het financiële systeem te ondersteunen,
   juist omdat financiële stabiliteit en prijsstabiliteit in de crisis onontwarbaar met elkaar ver-
   weven raakten. Zoals Goodhart en Lastra (2015) het formuleren: “in practice the primary
   objective of central banking has become financial stability (also for the ecb)”.
17 Bij een rente van nul procent kunnen centrale banken de rente niet veel verder verlagen om
   de markt te beïnvloeden. Bij een sterk negatieve rente zullen banken om winstgevend te blij-
   ven dat op een zeker moment moeten vertalen naar negatieve rentes op girale tegoeden. De
   kans bestaat dan dat mensen geld van hun rekening afhalen, omdat er dan in feite strafrente
   betaald wordt voor het aanhouden van girale tegoeden. Dit kan voor financieringsproblemen
   bij banken zorgen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 69 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 70 ======================================================================

<pre>                                                                                       69
3 geschiedenis van geldschepping
  In het vorige hoofdstuk beschreven we hoe geldschepping vandaag de dag werkt.
  Het grootste deel van ons geld is tegenwoordig giraal en bestaat dus alleen als cij-
  fers op de balansen van commerciële banken. Een veel kleiner deel van het geld
  bestaat uit contanten – munten en biljetten. Door de dominantie van giraal geld
  spelen commerciële banken een leidende rol in geldschepping. In dit hoofdstuk
  plaatsen we deze situatie in een historische context. De vormgeving van ons
  monetair-financieel systeem en de rol die banken daarin spelen zijn in de loop der
  tijd ingrijpend veranderd. Juist een historische blik helpt ons om te zien dat
  hedendaagse vanzelfsprekendheden misschien niet zo vanzelfsprekend zijn als we
  denken. Zo zien we tegenwoordig bankbiljetten als even veilig als munten, terwijl
  in de negentiende eeuw Nederlanders dnb-bankbiljetten lange tijd nauwelijks
  vertrouwden.
  De geschiedenis illustreert ook de padafhankelijkheid waar we mee te maken heb-
  ben: er is nooit sprake van een schone lei waarbij het systeem vanaf de tekentafel
  opnieuw kan worden vormgegeven. Bij hervormingen of innovaties hebben
  publieke en private partijen altijd te maken met erfenissen uit het verleden. Niet
  zelden is er dan sprake van onbedoelde en onvoorziene effecten. Ten slotte laat de
  geschiedenis ook een zekere continuïteit in de discussies en dilemma’s zien. Fun-
  damentele vragen over de vormgeving van het monetair-financieel systeem keren
  telkens weer in een andere gedaante terug. Het huidige debat over private geld-
  schepping lijkt bijvoorbeeld op de discussie in het Verenigd Koninkrijk en de Ver-
  enigde Staten in de negentiende eeuw of banken wel eigen bankbiljetten in con-
  currentie mochten uitgeven. Kortom, een historische blik biedt relativering van
  huidige vanzelfsprekendheden en de mogelijkheid om lessen te trekken uit het
  verleden die kunnen helpen bij het oplossen van hedendaagse problemen.
  We focussen op de periode vanaf het begin van de negentiende eeuw. Allereerst
  omdat vanaf die tijd sprake was van pogingen van veel overheden om een natio-
  naal monetair-financieel systeem vorm te geven en te onderhouden. Ten tweede
  omdat banken vanaf dat moment een grotere rol gingen spelen in de economische
  ontwikkeling.1 We bespreken vier tijdsvakken: (1) de ‘lange’ negentiende eeuw tot
  aan de Eerste Wereldoorlog, met daarbij een focus op de periode 1870-1914, (2) de
  tussenoorlogse periode (1918-1939), (3) de periode van Bretton Woods (1944-1973)
  en (4) de pre-crisisperiode (1973-2008).
  Hoewel we focussen op ontwikkelingen in Nederland, besteden we waar relevant
  ook aandacht aan andere landen. Ook is er aandacht voor mondiale ontwikkelin-
  gen, die doorgaans een grote invloed hebben op de Nederlandse situatie. Per
  periode bespreken we hoe belangrijk de verschillende geldvormen (munten, bank-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 70 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 71 ======================================================================

<pre>70    geld en schuld
      biljetten, banktegoeden) waren, waarvoor ze werden gebruikt en op welke manier
      zij werden gecreëerd. Vanwege de hechte relatie tussen betalen en financieren
      bespreken we ook de ontwikkelingen in de financiering van verschillende econo-
      mische activiteiten. Ten slotte bespreken we per periode op welke manieren
      beleidsmakers probeerden de vormgeving en ontwikkelingen in het monetair-
      financieel systeem te beïnvloeden.
3.1   geld en financiering in de negentiende eeuw
      Begin negentiende eeuw stond ons land er in economisch opzicht matig voor. De
      industriële productie had zich in de anderhalve eeuw daarvoor bewogen tussen
      krimp en stagnatie, terwijl de handel zich concentreerde op koloniale producten
      en landbouwexporten. De overheid had door internationale conflicten en de
      Franse tijd zeer hoge schulden gemaakt en had daardoor een zwakke financiële
      positie. Ook het monetair systeem was in slechte staat. Er waren tal van binnen-
      en buitenlandse munten in omloop met een uiteenlopende waarde en indeling.
      Over de kwaliteit en beschikbaarheid van financiering is meer discussie in de
      wetenschap. Het bankwezen was relatief onderontwikkeld, mede door de aanwe-
      zigheid van alternatieve financieringskanalen (kapitaal aangetrokken via familie,
      vrienden of de effectenmarkt). Niettemin was het in deze context dat de Neder-
      landse overheid, met koning Willem I aanvankelijk als aanjager, zich voornam om
      het monetair-financieel systeem te rationaliseren en te moderniseren. In deze para-
      graaf bespreken we op hoofdlijnen hoe dit systeem zich in deze periode ontwik-
      kelde.
3.1.1 geld en betalen
      In de negentiende eeuw betaalde men hoofdzakelijk met muntgeld. Toen Neder-
      land eind 1813 opnieuw onafhankelijk werd van de Fransen waren er naast guldens,
      stuivers, duiten en daalders tal van provinciale en buitenlandse munten in omloop.
      Deze muntvoorraad was bovendien sterk versleten. De net aangetreden Koning
      Willem I stelde zich expliciet ten doel om aan deze verwarrende situatie een einde
      te maken door de decimaal ingedeelde gulden (naar voorbeeld van de franc germi-
      nal) als nationale munteenheid in te stellen. Ook de eenwording met de zuidelijke
      provincies (het latere België) maakte een dergelijke hervorming noodzakelijk.
      Het nieuwe muntgeld werd vanaf de Muntwet van 1816 geslagen door ’s Rijks
      Munt in Utrecht. Andere muntsoorten werden niet direct verboden. In de loop
      van de negentiende eeuw werden in verschillende stappen de andere munten
      ongeldig verklaard en uit de roulatie genomen. Pas tussen 1846 en 1849 kwam hier
      echt schot in, toen de overheid een omvattende omzetting van de muntvoorraad
      ondernam. Toch duurde het nog tot de Muntwet van 1901 tot er sprake was van een
      volledig verbod op alle buitenlandse munten (Van Renselaar en Stokman 2001;
      dnb 2001; Jonker 1997).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 71 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 72 ======================================================================

<pre>                                                          geschiedenis van geldschepping           71
         Tot het afscheid van de internationale koppeling aan goud, zoals hierna nog te
         bespreken eerst na 1931 en definitief in 1971, was de nominale waarde van geld
         direct verbonden met een bepaalde hoeveelheid edelmetaal die ook bij de centrale
         bank opeisbaar was: zilver, goud of een combinatie van beide. In de negentiende
         eeuw bestonden de Nederlandse zogeheten standaardmunten (rijksdaalder, gulden
         en de halve gulden) voor het overgrote deel dan ook uit een officieel vastgestelde
         hoeveelheid zilver (zie box 3.1).
Box 3.1         Aanmunting van standaardmunten en tekenmunten
  In de negentiende eeuw waren er in Nederland zowel ‘standaardmunten’ als ‘tekenmunten’ (of
  ‘pasmunten’) in omloop. We spreken van ‘standaardmunten’ als de nominale waarde van de
  munt precies correspondeert met de vastgestelde waarde van het edelmetaal waarvan het is
  gemaakt. We spreken van ‘tekenmunten’ of ‘pasmunten’ als de metaalwaarde van de munt lager
  is dan de nominale waarde. Een zilveren gulden geslagen in 1850 was bijvoorbeeld een stan-
  daardmunt: de gulden bevatte 9,45 gram zilver – precies de wettelijk vastgestelde metaalkoppe-
  ling. Het zilveren kwartje bevatte maar 0,64 gram zilver en was daarmee een tekenmunt. Ieder-
  een was vrij om (in ruil voor edelmetaal) standaardmunten te laten slaan door ’s Rijks Munt. Dit
  heet vrije aanmunting. Tekenmunten mochten echter alleen voor rekening van de rijksoverheid
  worden geslagen. Bij een tekenmunt is namelijk sprake van geldscheppingswinst, waardoor
  vrije aanmunting sterk verstorende effecten zou kunnen hebben (Nationale Bank van België
  1957; Kymmell 1992).
         Naast muntgeld speelde papiergeld een rol. Dit papiergeld werd primair gebruikt
         voor betalingen tussen grote en middelgrote bedrijven, tussen financiële instel-
         lingen onderling en voor overheidsuitgaven (Kymmell 1992: 32-33; dnb 2001).
         Aanvankelijk waren er twee soorten biljetten in omloop: de bankbiljetten van De
         Nederlandsche Bank (dnb) en het zogeheten kassierspapier.2 dnb was in die tijd
         een private instelling, in 1814 opgericht door Willem I om te opereren als circula-
         tiebank (een bank die papiergeld uitgeeft) en als kredietverlener ten behoeve van
         de beoogde versnelling van de economische ontwikkeling, waarbij tot in de jaren
         1840 de circulatie van papiergeld achterbleef vanwege de lage acceptatiegraad.
         dnb-bankbiljetten konden op twee manieren in omloop komen: wanneer mensen
         muntgeld of edelmetaal ter inwisseling naar de bank brachten, of wanneer dnb
         krediet verleende aan een ondernemer of financiële partij. In het laatste geval was
         dan ook sprake van geldschepping: dnb vergrootte de geldhoeveelheid met de
         omvang van het door haar verstrekte krediet.
         De biljetten van dnb werden tot lang na haar oprichting in 1814 gewantrouwd
         door de Nederlandse handelsgemeenschap, primair vanwege de relatie met de
         koning. Koning Willem-I dwong bovendien tijdens zijn regeerperiode daadwerke-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 72 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 73 ======================================================================

<pre>72 geld en schuld
   lijk enkele malen monetaire financiering bij dnb af. Mensen die een dnb-biljet in
   handen kregen waren dan ook geneigd om dit snel bij het dnb-kantoor in Amster-
   dam in te wisselen voor muntgeld. Buiten Amsterdam werden dnb-biljetten al
   helemaal gewantrouwd, waardoor de circulatie van papiergeld in Nederland moei-
   zaam van de grond kwam (Uittenbogaard 2014). Bovendien was er een vertrouwd
   alternatief: kassierspapier. Een kassier gaf dit uit als bewijs van gedeponeerd munt-
   geld of waardepapieren. Het fungeerde binnen de Amsterdamse en Rotterdamse
   handelsgemeenschap ook als betaalmiddel. Omdat de betrouwbaarheid van deze
   biljetten gebonden was aan de betrouwbaarheid van de kassier, golden deze biljet-
   ten vooral als lokaal betaalmiddel. Hierbij was slechts in beperkte mate sprake van
   geldschepping: kassiers hielden over het algemeen een zeer groot deel van de hun
   toevertrouwde middelen in kas (Jonker 1997).
   Vanaf 1840 werden dnb-biljetten steeds dominanter en verdween met name na de
   geldzuivering eind jaren veertig het kassierspapier uit beeld (Jonker 1997; Uitten-
   bogaard 2014).3 In Amsterdam domineerden dnb-biljetten halverwege de negen-
   tiende eeuw. Vanaf dat moment wonnen de biljetten ook steeds meer terrein elders
   in Nederland. Wat hierbij hielp was dat dnb ook buiten Amsterdam kantoren
   opende. Hier was dnb al in zijn eerste statuut uit 1814 toe verplicht, maar pas in de
   jaren zestig van de negentiende eeuw werd zij hier door de politiek toe gedwon-
   gen. Het duurde overigens nog geruime tijd – tot de Muntwet van 1901 – voordat
   deze dnb-biljetten officieel erkend werden als wettig betaalmiddel. Door de hoge
   denominatie van deze bankbiljetten (tussen de 25 en 1.000 gulden) bleef het
   gebruik grotendeels beperkt tot bedrijven en financiële spelers. Het overgrote deel
   van de Nederlandse bevolking zal in die tijd nooit een bankbiljet in handen hebben
   gehad (Kymmell 1992: 32; Van Renselaar en Stokman 2001).
   Hoe zat het met girale tegoeden bij banken? Hoewel Nederland in de zeventiende
   eeuw (dus ten tijde van de Republiek; 1588-1795) op dit terrein vooropliep, speelde
   giraal geld na de teloorgang van de Amsterdamse Wisselbank nauwelijks een rol
   (zie box 3.2). Dit was ook omdat er lange tijd geen sprake was van een georgani-
   seerd bankwezen. Zoals hieronder nog te bespreken liep een groot deel van de
   financiering via handelshuizen en de beurs, waardoor banken nauwelijks een rol
   speelden. Pas vanaf het begin van de twintigste eeuw kwam hier verandering in.
   Hierdoor nam gaandeweg het aandeel giraal geld in de totale geldhoeveelheid flink
   toe – van 20 procent in 1890 tot 40 procent aan de vooravond van de Eerste
   Wereldoorlog (dnb 2001). Net als bij bankbiljetten gold ook voor dit geldtype ech-
   ter dat het primair door handelaren, ondernemers en bedrijven werd gebruikt (Van
   Renselaar en Stokman 2001).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 73 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 74 ======================================================================

<pre>                                                            geschiedenis van geldschepping            73
Box 3.2          De Amsterdamse Wisselbank
  Nederland was in de zeventiende eeuw op het gebied van giraal geld een voorloper. Handelaren
  konden bij de Amsterdamse Wisselbank (1609-1820) contant geld deponeren en zo een girale
  rekening openen. De Wisselbank had lange tijd een goede reputatie, omdat deze zo goed als al
  het contante geld in kas hield. Daarmee was de girale wisselbank in feite een voorbeeld van een
  full reserve bank (zoals die ook in het publiekgeldsysteem wordt voorgesteld – hier komen we in
  hoofdstuk 5 op terug). Een bankrun in het rampjaar 1672 leidde dan ook niet tot faillissement
  zoals bij andere wisselbanken. Hierdoor groeide dit instituut langzaam uit tot spil in het interna-
  tionale handelsverkeer, waarbij handelaren met elkaar zaken konden doen door tegoeden naar
  elkaar over te schrijven. De daarbij gehanteerde rekeneenheid, de bankgulden, vervulde een rol
  die zich laat vergelijken met die van het pond sterling in de negentiende eeuw en die van de dol-
  lar na 1945. Door de economische achteruitgang van de Republiek en ongedekt krediet aan de
  voc en Amsterdam (de Wisselbank was een gemeentelijke instelling) verloor de Wisselbank aan
  het eind van de achttiende eeuw echter haar goede reputatie. Voortgezet als een lokale bank ging
  zij in 1820 definitief op de fles.
          In een aantal andere landen – zoals bijvoorbeeld het Verenigd Koninkrijk, de Vere-
          nigde Staten en Zwitserland – ontwikkelden bankbiljetten zich op een andere
          manier dan in Nederland. In die landen waren het eerst de commerciële banken die
          bankbiljetten uitgaven en werd deze uitgifte later genationaliseerd. Omdat er wel
          enige parallellen zijn met de discussie over een publiekgeldsysteem, bespreken we
          een voorbeeld in box 3.3.4
Box 3.3          Dynamiek in geldschepping: de casus van het Verenigd Koninkrijk
  Het Verenigd Koninkrijk liep wat betreft ontwikkelingen in het monetair-financieel systeem in
  veel opzichten voor. Al in de zeventiende eeuw en begin achttiende eeuw speelden door de Bank
  of England en commerciële banken uitgegeven biljetten een belangrijke rol. Er was hier sprake
  van private geldschepping: regionale banken (country banks) konden kredieten verlenen in de
  vorm van zelf uitgegeven schuldbewijzen in vaste nominaties, die als betaalmiddel werden
  gebruikt (private bankbiljetten). Dit vertrouwen in door commerciële banken uitgegeven bank-
  biljetten had een keerzijde: op geaggregeerd niveau kon kredietverlening onverantwoorde vor-
  men aannemen en tot financiële instabiliteit leiden. Ook leidde de langdurige opschorting van
  de goudstandaard door het Verenigd Koninkrijk – tussen 1797 en 1825 om de napoleontische oor-
  logen te financieren – tot een fundamenteel debat over de grondslagen van het monetair-finan-
  cieel systeem.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 74 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 75 ======================================================================

<pre>74         geld en schuld
   Met de Bank Charter Act van 1844, ingevoerd door het kabinet van Robert Peel, werd uiteindelijk
   besloten dat voortaan alleen de Bank of England bankbiljetten mocht uitgeven.5 Deze bankbiljet-
   ten moesten echter 100 procent gedekt worden door goud of door een vooraf gelimiteerde hoe-
   veelheid staatsschuld. Wat de politici hiermee feitelijk beoogden was om geldschepping te
   centraliseren bij de Bank of England en zo te stabiliseren. Private banken zouden zo niet langer
   geldscheppende instellingen zijn. Er zijn dus duidelijke parallellen met huidige plannen om
   geldschepping te nationaliseren (die teruggrijpen op het Chicago Plan uit de jaren dertig, waar
   we later op terugkomen), met als verschil dat de Bank of England aan een vaste limiet werd
   gebonden.
   Doordat de Bank of England aan een vaste limiet was gebonden, werd zij sterk begrensd in de
   mogelijkheid om in geval van instabiliteit andere financiële spelers te ondersteunen. Immers, er
   was een absolute grens aan de hoeveelheid geld (biljetten) die de Bank of England kon uitlenen
   aan instellingen in problemen. Deze strakke begrenzing paste niet bij een sterk industrialise-
   rende economie en de spilfunctie van de Londense markt. Tussen 1844 en 1866 moest de Bank
   Charter Act dan ook tot drie keer toe worden opgeschort, omdat deze vaste limiet in crisis-
   situaties tot een uitvergroting leidde van de problemen. Vanaf toen werd feitelijk afgestapt van
   een absolute begrenzing en ontstond het onder andere door Henry Thornton (1802) en Walter
   Bagehot (1873) geformuleerde idee van de centrale bank als lender of last resort. Ook vonden ban-
   ken na 1844 snel een alternatief voor zelf uitgegeven biljetten: girale tegoeden. Deze namen rap
   toe in populariteit, waarmee banken alsnog een dominante rol bleven spelen in geldschepping.
   Rond 1913 was het aandeel giraal geld in de totale geldhoeveelheid in het Verenigd Koninkrijk
   dan ook 96 procent – voor die tijd ongekend hoog (Murau 2017; Knafo 2006; Van Zanden 1997b;
   Capie et al. 1994). Ook in andere landen waar het uitgeven van bankbiljetten werd genationali-
   seerd (zoals Zwitserland en de Verenigde Staten) zien we een vergelijkbare snelle opkomst van
   giraal geld.
3.1.2      financiering
           Tot laat in de negentiende eeuw bestond de kern van de Nederlandse economie uit
           landbouw, kleinschalige nijverheid, diensten en internationale handel. Krediet-
           verlening had dan ook primair betrekking op het faciliteren van binnen- en buiten-
           landse handel. Een onderneming had bij aanschaf van een partij goederen niet
           altijd contanten voorhanden. Die afnemer kreeg die goederen dan op krediet van
           de toeleverancier. In ruil daarvoor kreeg de toeleverancier dan een ‘promesse’: een
           belofte dat hij na een bepaalde tijd zou worden betaald. Het kon ook zijn dat de
           toeleverancier in een andere plaats of in het buitenland woonde, waardoor het ver-
           schepen van contanten te veel moeite kostte of te risicovol was. Dan werd gebruik
           gemaakt van een ‘wissel’: hiermee gaf de afnemer een opdracht aan een financiële
           partij (doorgaans een bank) om de toeleverancier na een bepaalde tijd van contan-
           ten te voorzien. Overigens waren bij dergelijke transacties vaak twee banken
           betrokken: zowel die van de toeleverancier als van de afnemer. Die banken handel-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 75 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 76 ======================================================================

<pre>                                               geschiedenis van geldschepping       75
den dan onderling de transacties af. Veel internationale handel verliep daarbij via
Londen, dat als clearing house veruit het belangrijkste financiële knooppunt
vormde. Aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog werd meer dan de helft
van alle internationale transacties in pond sterling verrekend (Williams 1968;
Kymmell 1992: 40-48).
Naast handelskrediet konden Nederlandse ondernemers ook een beroep doen op
effectenkrediet: een kortlopende lening waarbij effecten (doorgaans Nederlandse
of buitenlandse staatsobligaties) dienden als onderpand. Veel ondernemers beleg-
den hun overtollige kasmiddelen en winsten in dergelijke rentedragende effecten.
Indien een ondernemer door bepaalde omstandigheden of gebeurtenissen op korte
termijn geld nodig had, kon die een lening aangaan op de zogeheten ‘prolongatie-
markt’. De verstrekkers van dit effectenkrediet waren particulieren en financiële
partijen: commissionairs, bankiers en enkele kassiers. Deze kredieten hadden een
looptijd van een of drie maanden, met een vaste rente. Het werd echter in veel
gevallen stilzwijgend verlengd (‘geprolongeerd’) tegen de rente geldend op de dag
van verlenging.
Door de goed functionerende prolongatiemarkt en de achterblijvende economi-
sche ontwikkeling was het Nederlandse bankwezen tot ver in de negentiende
eeuw internationaal gezien kleinschalig en onderontwikkeld. Ondernemers finan-
cierden investeringen uit eigen inkomen en opgebouwd vermogen en vermogen
uit het sociale netwerk (familie en vrienden). Er waren dan ook nauwelijks grote
banken die zich richtten op het verstrekken van zowel lang- als kortlopend krediet.
Van de banken was dnb veruit de belangrijkste kredietverlener (Kymmell 1992: 19;
Jonker 1997). Vanaf eind negentiende eeuw kwam er langzaam verandering op
gang. De hernieuwde groei van de binnenlandse industrie vanaf 1860 leidde tot
een grotere vraag naar krediet. In diezelfde periode kreeg ook de internationale
handel een flinke stimulans. Beide ontwikkelingen stimuleerden veranderingen in
het Nederlandse bankwezen (Van Goor 2001: 74-79; cf. Van Riel 2016).
Rond 1860 werden diverse banken opgericht die zich wilden ontplooien als
‘moderne banken’: Credietvereeniging Amsterdam (1853), Commandietkas te
Rotterdam (1861), Rotterdamsche Bank (1863), Twentsche Bank (1861) en Amster-
damsche Bank (1872). Deze trokken aanvankelijk bewust geld aan om daarmee
langetermijnfinanciering te verschaffen. Zij opereerden daarbij op wat in jargon
‘fractionele reserves’ heet: zij hebben meer tegoeden uitstaan dan dat zij contante
middelen in kas houden. Nederlandse banken zagen het Engelse bankwezen en
dnb als inspiratiebron voor bankieren op fractionele reserves. Zoals geformuleerd
door de directie van de in 1865 opgerichte Kas-Vereeniging: “Uit het voorbeeld van
dnb blijkt dat een bank ook dan nog solide kan zijn wanneer niet al hare schulden
ten volle in klinkende munt zijn gedekt; immers ene gelijktijdige aanbieding van al
de biljetten is zeer onwaarschijnlijk, ja bijna ondenkbaar.” (geciteerd in Kymmell
</pre>

====================================================================== Einde pagina 76 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 77 ======================================================================

<pre>76    geld en schuld
      1996: 200). De geldhoeveelheid nam hierdoor toe, aangezien de banktegoeden die
      tegenover de kredieten stonden konden fungeren als betaalmiddel of direct daarin
      konden worden omgezet (Van Goor 2001; Jonker 1997).
      De toepassing van deze moderne ideeën in het Nederlandse bankwezen was echter
      in eerste instantie weinig succesvol. Banken bleven zich in het begin nog vooral
      richten op handelskrediet. Wegens gebrek aan kennis over de risico’s van lang-
      lopende financiering, de scepsis bij ondernemingen om een beroep te doen op deze
      banken en de aanhoudende populariteit van het prolongatiesysteem gingen ont-
      wikkelingen traag. Vanaf het begin van de twintigste eeuw kwamen de ontwikke-
      lingen van de voorgaande decennia samen. Het bankwezen groeide snel (in termen
      van aantallen, balanstotalen en uitstaande leningen en banktegoeden) en begon op
      significante schaal grote ondernemingen te financieren. Pas in deze fase was er vol-
      doende kennis en ontstond de bereidheid bij banken (en hun financiers) om risico-
      volle langetermijninvesteringen in de industrie te doen en af te stappen van de
      voorkeur voor het veiligere kortlopende krediet. De echte doorbraak zou echter
      komen na het begin van de Eerste Wereldoorlog, toen de prolongatiemarkt lange
      tijd sloot (Van Goor 2001: 124; Jonker 1997: 118; zie paragraaf 3.2).
3.1.3 beleid en regelgeving
      Een overkoepelende zorg voor overheden is het garanderen van een zekere stabili-
      teit van de waarde van de nationale munt. Deze zorg spitst zich toe op twee aspec-
      ten ervan: de externe waarde (dus in termen van buitenlandse valuta) en de interne
      waarde (in termen van koopkracht of edelmetaal) (Capie et al. 1994). In de negen-
      tiende eeuw koppelden overheden hun munt aan zilver, goud of aan beide (de
      zogeheten bimetalen standaard). Aangezien de meeste landen dit deden, leidde
      deze interne koppeling ook tot externe koppeling: er was sprake van nagenoeg
      vaste wisselkoersen tussen munten (Eichengreen 1992). Figuur 3.1 laat bijvoorbeeld
      de historische ontwikkeling zien van de wisselkoers tussen het Britse Pond en de
      Nederlandse gulden, waarbij de stabiliteit in de negentiende eeuw in het oog
      springt.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 77 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 78 ======================================================================

<pre>                                                                                                  geschiedenis van geldschepping                                        77
Figuur 3.1                  Wisselkoers Britse Pond en Nederlandse gulden
Gulden per pond
20
18
16
14
12
10
 8
 6
 4
 2
 0
     1776   1786    1796   1806   1816   1826   1836   1846   1856   1866   1876   1886   1896   1906   1916   1926   1936   1946   1956   1966   1976   1986   1996   2006
Bron: Posthumus / Korthals Altes / Eigen analyse
                   Door deze directe koppeling waren landen zeer afhankelijk van ontwikkelingen in
                   de vraag naar en het aanbod van edelmetaal. Nederland voelde zich bijvoorbeeld
                   gedwongen om van de bimetalen standaard af te stappen toen er in 1847 grote hoe-
                   veelheden goud werden gevonden in Californië. Door een dalende internationale
                   goudprijs zouden Nederlanders namelijk goedkoop goud kunnen importeren en
                   laten aanmunten tot gouden munten met een hogere nominale waarde. Dit zou op
                   termijn niet houdbaar zijn. Iets vergelijkbaars gold in 1875 toen Nederland over-
                   stapte van een zilveren standaard op een gouden standaard.6 Na de Frans-Pruisi-
                   sche oorlog van 1871 had het nieuwe Duitse Keizerrijk, net als de vs, de overstap
                   gemaakt van een bimetalen of zilveren standaard naar een gouden standaard. Vele
                   andere landen volgden. De verwachting was daarom dat er een zilveroverschot zou
                   ontstaan dat zou kunnen leiden tot inflatie in landen die vast zouden houden aan
                   de zilveren standaard. Kortom, hoewel een koppeling met edelmetaal een zekere
                   stabiliteit suggereerde, maakt een metalen standaard de munt afhankelijk van
                   onvoorspelbare factoren en speelde internationale dynamiek een belangrijke rol in
                   de Nederlandse beleidskeuzes (Van Zwet 2001; Van Riel 2018).
                   Op geaggregeerd niveau had de edelmetaalkoppeling ook belangrijke implicaties
                   voor macro-economische uitkomsten. De mondiale omarming van de gouden
                   standaard leidde tot een wereldwijde schaarste aan goud, met als gevolg een syste-
                   matische deflatie (daling van de prijsindex). Tussen 1880 en het midden van de
</pre>

====================================================================== Einde pagina 78 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 79 ======================================================================

<pre>78 geld en schuld
   jaren 1890 daalden in Nederland zowel de prijzen van de productie als die voor
   consumenten met ruwweg een kwart (Van Zanden en van Riel 2004). Deze prijs-
   daling had overigens niet alleen met de beperkte beschikbaarheid van goud te
   maken: de sterk stijgende export van goedkope agrarische producten vanuit de
   Verenigde Staten en delen van Groot-Brittannië, de industrialisatie die nu goed op
   stoom kwam en de lagere transportkosten droegen hier ook aan bij. Pas in de jaren
   negentig van de negentiende eeuw werd deze deflatie een halt toegeroepen. Dit
   kwam met name doordat veel overheden de dekkingsgraad van de goudreserves
   versoepelden, centrale banken ook wisselreserves in buitenlandse valuta gingen
   aanhouden en commerciële banken gebruik maakten van de ruimte om giraal geld
   te scheppen (Van Riel 2018).
   In Nederland was dnb belast met het garanderen van de koppeling met edel-
   metaal. In de praktijk bestond die eruit dat dnb genoeg reserves (edelmetaal en
   munten) moest aanhouden om ervoor te zorgen dat dnb-biljetten altijd inwissel-
   baar zouden zijn voor zilver en later goud. dnb was echter ook verstrekker van
   krediet (in de vorm van bankbiljetten), dus de dekking was nooit helemaal volle-
   dig. In de eerste vijftig jaar was dnb bij de uitgifte van bankbiljetten gebonden aan
   een absoluut maximum, dat een aantal keren werd versoepeld. Bij de Bankwet van
   1863 werd deze eis omgezet in de voorwaarde dat dnb ten minste 40 procent van
   de waarde van biljetten in omloop door de metaalvoorraad diende af te dekken.
   Vanaf 1888 mocht dnb ter dekking ook wissels op andere centrale banken aanhou-
   den. Figuur 3.2 toont de bankbalans van dnb in 1914. De dekkingsgraad (metaal
   plus buitenlandse wissels gedeeld door de bankbiljetten) is dan 57 procent.
   dnb had net als veel andere centrale banken in die tijd nog geen expliciete verant-
   woordelijkheid voor het garanderen van financiële stabiliteit. Toch werd het eind
   negentiende eeuw steeds gebruikelijker onder centrale banken om in geval van
   problemen in het bankwezen te opereren als lender of last resort. Hierbij onder-
   steunt de centrale bank andere banken die in moeilijkheden verkeren door hen
   reserves (bankbiljetten, munten of metaal) te lenen. Ook dnb zag vanaf eind
   negentiende eeuw een dergelijke taak voor zichzelf weggelegd (Capie et al. 1994).
   Aangezien dnb zich al langer primair opwierp als ‘bank voor bankiers’ lag dit voor
   de hand – in 1860 was de helft van alle wissels afkomstig van kassiers en bankiers
   in bezit van dnb. Zo ondersteunde dnb een aantal financiële partijen tijdens de
   internationale kredietcrisis van 1857 (Kymmell 1992: 71).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 79 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 80 ======================================================================

<pre>                                                           geschiedenis van geldschepping             79
Figuur 3.2        dnb-balans in 1914
   Leningen                                                                Betaaltegoeden Rijk en banken
   Buitenlandse wissels                                                    Bankbiljetten
   Metaalvoorraad                                                          Eigen vermogen
                                Bezittingen          Verplichtingen
Bron: Kymmell (1996: 65)
           Door de vaste koppeling met edelmetaal was er een potentieel conflict tussen
           monetair beleid en stabiliteitsbeleid. Wanneer banken in liquiditeitsproblemen
           komen impliceert de lender of last resort-functie dat de centrale bank hen te hulp
           schiet. Dit zorgt echter wel voor een verslechtering van de financiële positie van de
           centrale bank: het zorgt voor een verlenging van diens bankbalans (meer leningen
           aan de linkerkant; meer uitgegeven bankbiljetten aan de rechterkant) en dus een
           lagere dekkingsgraad (Uittenbogaard 2014: 138-9). Dit kan in strijd zijn met de ver-
           plichting van centrale banken om te zorgen voor een stabiele dekkingsgraad en
           daarmee twijfel doen rijzen aan de inwisselbaarheid van biljetten. dnb had in deze
           periode op dit gebied geen problemen, maar in bijvoorbeeld het Verenigd Konink-
           rijk was dit tijdens een crisis in 1890-1891 een acuut probleem. De Baring bank had
           zoveel verliezen geleden op Argentijnse staatsobligaties dat de Bank of England te
           hulp moest schieten. Die had echter zelf niet genoeg goud voorhanden, en kon dus
           alleen maar noodsteun verlenen door zelf leningen bij andere centrale banken aan
           te gaan (Eichengreen 1992).
3.1.4      samenvatting: geldschepping in de negentiende eeuw
           In de negentiende eeuw gebruikten Nederlandse burgers vooral muntgeld. Dit was
           publiek geld, in die zin dat de productievoorwaarden door de overheid werden
           bepaald: de overheid stelde het metaalgehalte van de standaardmunten vast en had
           de exclusieve bevoegdheid tot aanmunting van tekenmunten. Overigens duurde
           het daarbij wel tot halverwege de eeuw alvorens de muntvoorraad echt was gestan-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 80 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 81 ======================================================================

<pre>80  geld en schuld
    daardiseerd. dnb-bankbiljetten waren tot de Bankwet van 1863 en de vestiging van
    kantoren buiten Amsterdam primair gerelateerd aan handelskrediet. Geldschep-
    ping door middel van bankbiljetten hing daardoor primair af van ontwikkelingen
    in de handel.
    Interessant is wel dat dnb formeel een private organisatie was, inclusief winst-
    oogmerk. Deze dnb-biljetten waren dan ook in zekere zin een hybride publiek-
    private geldvorm. Girale geldschepping (dus door banken geïnitieerd) was primair
    gekoppeld aan kortlopend handelskrediet en gaandeweg iets meer aan langlopend
    krediet. Pas begin twintigste eeuw was sprake van een structurele stijging in het
    aandeel van girale tegoeden in de totale geldhoeveelheid.
    In deze periode was de belangrijkste remmende factor op geldschepping de
    (beleidsmatige) koppeling met edelmetaal. Dit gold allereerst voor de munten, die
    deels of geheel van edelmetaal werden gemaakt. Echter ook de geldschepping
    middels bankbiljetten door dnb was gekoppeld aan diens edelmetaalvoorraden.
    Tegelijkertijd vergde de economische ontwikkeling – toenemende internationale
    handel en de industrialisering van vele sectoren – een expansie van de geldhoeveel-
    heid. Vanuit die optiek was de rigiditeit van de edelmetaalkoppeling een belemme-
    rende factor. Die beperking deed zich nog sterker voelen tijdens periodieke finan-
    ciële crises, aangezien de centrale bank alleen als lender of last resort kan optreden
    wanneer de strikte koppeling wordt losgelaten. Girale geldschepping en het losser
    worden van de koppeling tussen edelmetaal en papier waren hier een oplossing
    voor.
    Deze balans tussen verankering en flexibiliteit was in veel landen een permanente
    uitdaging, die niet zelden met instabiliteit en crises gepaard ging. Een onwrikbare
    verankering leidde tot problemen bij het faciliteren van economische groei en bij
    het oplossen van crises. Door de aanvankelijk achterblijvende economische ont-
    wikkeling had Nederland, anders dan het vk, in deze periode minder last van deze
    problematiek. Niettemin werd de overheid door zowel nationale als internationale
    ontwikkelingen gedwongen tot aanpassing. Vanaf begin jaren vijftig van de negen-
    tiende eeuw werd de dekkingsgraad van dnb-biljetten in stappen versoepeld.
    Onder internationale invloed werd de edelmetaalkoppeling ook tweemaal aange-
    past. Kortom, ook in Nederland was het nodig om een strikte handhaving van de
    koppeling met edelmetaal los te laten om problemen te voorkomen.
3.2 de tussenoorlogse periode en de grote depressie
    (1918-1939)
    De Eerste Wereldoorlog vormde het einde van de ‘eerste globaliseringsgolf’ die
    grofweg vanaf 1870 was opgekomen. Deze globalisering was gefaciliteerd door de
    liberalisering van internationale handel, de structurele daling van transportkosten,
</pre>

====================================================================== Einde pagina 81 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 82 ======================================================================

<pre>                                                   geschiedenis van geldschepping           81
      en de convergentie naar de gouden standaard. Onder invloed van de oorlog en de
      financiering daarvan was de gouden standaard niet te handhaven. Beleggers verlo-
      ren inkomsten en de toegang tot hun vermogens doordat internationale betalingen
      werden bevroren. De mate waarin de landen tijdens de oorlog hun toevlucht zoch-
      ten tot schuld of belastingen varieerde, maar meerdere landen gingen over tot
      monetaire financiering (geld bijdrukken ten behoeve van overheidsuitgaven),
      doorgaans met oplopende inflatie tot gevolg. Na de oorlog was daarom sprake van
      een periode van moeizame aanpassing, waarbij de opgelopen schuldenlast in lan-
      den met zwakke politieke instituties uiteindelijk tot hoge inflatie leidde. Dit pro-
      bleem deed zich in de meest extreme vorm voor in Duitsland, dat economisch aan
      de afgrond stond door een onhoudbare hoge oorlogsschuld, de verplichtingen van
      Versailles en de bezetting van het Roergebied door Frankrijk en België in 1923.
      Excessieve geldschepping en stijgende prijzen versterkten elkaar toen dermate dat
      sprake was van hyperinflatie. Pas in 1924 stabiliseerde de situatie. In reactie op deze
      chaotische periode streefden overheden naar een terugkeer naar de ‘gouden tijden’
      van weleer.
      Het Nederlandse monetair-financieel systeem bleef in deze periode gestaag veran-
      deren. Tijdens deze periode werd onder meer de basis gelegd voor de verspreiding
      van giraal geld in de richting van ‘gewone’ burgers. De oprichting van de Post-
      cheque- en Girodienst (pcgd) en gemeentelijke giro-instellingen waren hiervoor
      cruciaal. Toch bleef contant geld (munten) voor veel mensen de norm. De finan-
      ciële sector maakte ook een rappe verandering door, aangezien banken nog meer
      gingen inzetten op het stimuleren en faciliteren van industrialisering. Girale geld-
      schepping werd daarmee gekoppeld aan langlopende bedrijfsfinanciering, al ging
      dit vrij snel mis: tussen 1921 en 1924 kwamen veel banken in financiële problemen
      en moest dnb (met daarachter de overheid) reddend optreden.
3.2.1 geld en betalen
      In de tussenoorlogse periode bleven munten voor de meeste mensen en kleine
      bedrijven het gangbare betaalmiddel. Het girale betalingsverkeer stond nog in de
      kinderschoenen. Giraal geld werd primair gebruikt voor grootzakelijke betalingen.
      Daar kwam bij dat het hier ging om betalingen tussen klanten van dezelfde bank;
      overschrijvingen naar de rekening van klanten van andere banken waren duur en
      kostten te veel moeite (dnb 2002: 15). Wel werden vanaf 1937 pogingen onder-
      nomen om door middel van een bankgirosysteem een goedkoper en sneller alter-
      natief te ontwikkelen voor betalingen door middel van cheques. Met nog
      25 clearingbanken leverde dat echter nog nauwelijks tijd- of kostenvoordelen op.
      Voor grotere transacties kregen dnb-bankbiljetten dan ook de voorkeur boven
      girale betalingen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 82 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 83 ======================================================================

<pre>82    geld en schuld
      De handelsbanken richtten zich vooral op ondernemingen en rijke burgers. Girale
      tegoeden en betalingen bij die banken waren dan ook primair gekoppeld aan het
      bedrijfsleven. Met name kleine ondernemers vielen hierdoor tussen wal en schip:
      ze moesten wel vaak betalingen doen over grotere afstand, maar de faciliteiten
      hiertoe (het opstellen van wissels of het verzenden van bankbiljetten per post)
      waren duur en omslachtig. Om het girale betalingsverkeer voor een breder publiek
      – burgers en kleine ondernemingen – toegankelijk te maken, richtte de Neder-
      landse overheid in 1918 de Postcheque- en Girodienst (pcgd) op. Na oprichting
      groeide de pcgd snel: van 33.000 rekeninghouders in 1920 tot 113.000 in 1925
      (Peekel en Veluwenkamp 1984: 14; Van Zanden 1997b: 129). Gelijktijdig met dit
      landelijke initiatief was ook op gemeentelijk niveau sprake van innovatie. In
      Amsterdam ontstond een plan om met behulp van een giraal betaalsysteem het
      betalingsverkeer van gemeentelijke diensten efficiënter te maken: de zogeheten
      gemeentegiro (Lelieveldt 2017).
      Al met al werd in deze periode dus de kiem gezaaid voor de latere wijdverbreide
      populariteit van giraal geld. Was rond 1900 nog maar 20 procent van de geld-
      hoeveelheid giraal, in 1920 was dit al opgelopen tot boven de 50 procent. Toch
      stokte dit proces daarna. Tot de Tweede Wereldoorlog daalde het aandeel tot rond
      de 40 procent. Dit had te maken met de problemen die het bankwezen ondervond
      begin jaren twintig en de toenemende bezorgdheid in de jaren dertig over de eco-
      nomische en politieke situatie (zie hieronder; Van Zanden 1997b).
3.2.2 financiering
      Na de Eerste Wereldoorlog was het Nederlandse bankwezen nog altijd kleinschalig
      en gesegmenteerd. Handelsbanken hielden zich bezig met kortlopende kredieten
      en het aanbieden van rekening courant aan bedrijven en rijkere burgers. Enkele
      honderden spaarbanken (waaronder de in 1881 opgerichte Rijkspostspaarbank)
      richten zich op de kleine spaarders uit stedelijke gebieden, maar hielden zich ver-
      der niet bezig met kredietverlening aan het bedrijfsleven; op de bezittingenkant
      van hun balansen stonden vooral publieke leningen (staatsobligaties). Het platte-
      land werd voor spaarfaciliteiten en kredietvraag bediend door een netwerk van
      ongeveer 1000 coöperatieve landbouwkredietinstellingen, met een aantal reke-
      ninghouders dat vrijwel even groot was als het totale aantal agrarische bedrijven.
      Hypotheekbanken hielden zich bezig met de financiering van vastgoed op basis
      van zogenaamde ‘pandbrieven’. De girale betaaldienst voor burgers en kleine
      ondernemers zou vanaf dat moment het terrein worden van de pcgd. Figuur 3.3
      toont de verhouding tussen de verschillende typen Nederlandse banken (in ter-
      men van omvang van de bankbalans) in 1923.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 83 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 84 ======================================================================

<pre>                                                       geschiedenis van geldschepping        83
Figuur 3.3      Aandeel verschillende type banken in totaal van bankbalans (1923)
                             6%
                  6%
          7%
                                                                          Handelsbanken
                                                                          Hypotheekbanken
                                                                          Girodiensten
     9%
                                                                          Agrarische banken
                                                                          Rijkspostspaarbank
                                                            59%
                                                                          Spaarbanken
         13%
Bron: Van Zanden (1997b: 127)
         Toch was het bankwezen duidelijk aan een opmars bezig. De sluiting van de beurs
         bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog droeg hieraan bij: ondernemers en
         geldverstrekkers waren hierdoor meer op banken aanwezen. Wat ook hielp was de
         economische groei: mede door de neutraliteit tijdens de Eerste Wereldoorlog
         groeide de Nederlandse economie tijdens en na de oorlog relatief snel. Met 3,4 pro-
         cent per jaar lag de groei tussen 1913 en 1929 meer dan een procentpunt boven het
         West-Europees gemiddelde (Van Ark en De Jong 1996: 201). Ook zette de indus-
         trialisatie zich verder voort. Hoge winsten in de landbouw en de handel werden in
         toenemende mate bij het bankwezen gestald. Dit alles stimuleerde (en werd gesti-
         muleerd door) de verdere ontwikkeling van het bankwezen. Om de grotere bedrij-
         ven te kunnen bedienen zetten banken zelf ook in op schaalvergroting. Banken
         werden nog actiever bij de financiering van industrialisatie en speelden in som-
         mige gevallen ook een actieve rol bij het opzetten van industriële ondernemingen.
         Tussen 1910 en 1923 verdubbelden bankiers hun commissariaatszetels bij indus-
         triële ondernemingen, waarmee zij aanzienlijke invloed verwierven. De verwe-
         venheid met het bedrijfsleven nam dan ook toe: tal van bedrijven – industriëlen,
         mkb en boeren – werden afhankelijk van (kortlopende) bankfinanciering. In de
         jaren 1918-1920 was zelfs sprake van een zeer grote vraag naar langetermijnfinan-
         ciering voor grootschalige investeringen (Van Zanden 1997a: 128-131).
         Na een piek in 1920 stagneerde de Nederlandse economie, mede door financiële en
         economische problemen in Duitsland. Economische problemen vertaalden zich
         naar de banken. In 1921 vond een aantal bankruns plaats op kleinere banken, maar
</pre>

====================================================================== Einde pagina 84 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 85 ======================================================================

<pre>84       geld en schuld
         in 1922 werd gevreesd voor een run op girale tegoeden in het complete bankwezen.
         dnb zag zich genoodzaakt om verschillende banken bij te staan: twee middelgrote
         banken (de Bank-Associatie en de Rotterdamse bank Marx & Co) en verschillende
         kleine banken. Daarbij maakte dnb flinke verliezen. Dat leidde ertoe dat dnb niet
         in staat was om de grote Rotterdamsche Bankvereeniging te ondersteunen en zich
         genoodzaakt zag om de overheid om financiële hulp te vragen voor de reorganisa-
         tie. Een vergelijkbare zet werd een jaar later gedaan bij de reorganisatie van de Cen-
         trale van Middenstandsbanken (Stoffer 1986; Van Zanden 1997b: 143-144).
         Ondanks de problemen had de bankencrisis van 1921-1923 geen grote negatieve
         economische gevolgen. In 1922 en 1923 was zelfs sprake van economische groei.
         Door het uitblijven van massale bankfaillissementen bleef het publiek vertrouwen
         in banken gewaarborgd, al was wel sprake van een stagnatie in de groei van het aan-
         deel girale tegoeden in de geldhoeveelheid. Zoals figuur 3.4 laat zien hadden de
         bankproblemen daarnaast gevolgen voor de omvang van geldhoeveelheid: waar die
         met name na 1910 sterk was gestegen ten opzichte van het bbp, liep deze in de daar-
         opvolgende periode weer terug.
Figuur 3.4      Omvang van giraal en contant geld
M1, percentage van bbp, 1900-heden
60%
50%
40%
30%
                                                                                           Giraal geld
                                                                                           Contant geld
20%
10%
 0%   1900
      1905
      1910
      1915
      1920
      1925
      1930
      1935
      1940
      1945
      1950
      1955
      1960
      1965
      1970
      1975
      1980
      1985
      1990
      1995
      2000
      2005
      2010
      2015
Bronnen geldhoeveelheid: De Jong (1967); De Vries (1989); cbs Statline; dnb Statistieken
Bronnen bbp: Smits et al. (2000); Van der Bie (1997); cbs (2001); cbs Statline.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 85 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 86 ======================================================================

<pre>                                                           geschiedenis van geldschepping           85
           Wat wel veranderde was de bereidheid van de handelsbanken om zich bezig te
           houden met industriefinanciering: intensieve relaties met het bedrijfsleven werden
           beëindigd, het aantal bankierscommissariaten nam sterk af en de verhouding van
           balanstotalen ten opzichte van het nationaal inkomen daalde. Ook was sprake van
           een relatieve achteruitgang van de positie van de handelsbanken en een groei van
           meer gespecialiseerde instellingen (agrarische banken en spaarbanken). Door de
           grotere voorzichtigheid bij zowel banken als bij dnb, bleef het Nederlandse bank-
           wezen wel gevrijwaard van financiële problemen tijdens de Grote Depressie in de
           jaren dertig. In tegenstelling tot veel andere Europese landen deed zich geen
           nieuwe bankencrisis voor: de reserves bij banken en bij dnb waren zo groot dat er
           geen vertrouwenscrisis ontstond. De schaduwkant hiervan was dat Nederland
           heel lang kon vasthouden aan de gouden standaard, wat zorgde voor een dure gul-
           den en een slechte concurrentiepositie. Dit had grote negatieve economische
           gevolgen (Van Zanden 1997a; Jonker 1999: 69; zie hieronder).
3.2.3      beleid en regelgeving
           Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog had Nederland – net als andere lan-
           den – de inwisselbaarheid van geld in goud opgeschort. Nederland stapte dus af
           van de gouden standaard. Ook werd de wettelijke dekkingsgraad van dnb-bank-
           biljetten verlaagd: waar dnb eerst 40 procent van de waarde van uitgegeven bank-
           biljetten moest aanhouden in munten of edelmetaal, werd dit in 1914 verlaagd tot
           20 procent. Na de oorlog werd getracht het vooroorlogse monetaire raamwerk op
           basis van de gouden standaard te herstellen. In 1925 besloten veel landen, waar-
           onder Nederland, tot herinvoering van deze standaard. Dit ging echter met veel
           problemen gepaard. Het droeg in vergaande mate bij aan de Grote Depressie van de
           jaren dertig. Deze crisis begon in de vs en verspreidde zich vervolgens snel over de
           wereld (Eichengreen 1992; zie box 3.4).
Box 3.4           Crisis in de vs: Banking Act en het Chicago Plan
   De vs raakten vanaf 1929 in een hevige financieel-economische crisis. In de jaren daarvoor had-
   den miljoenen Amerikanen hun geld belegd in aandelen, in veel gevallen deels gefinancierd met
   van de bank geleend geld. Toen de beurs crashte in oktober 1929 (Zwarte Donderdag) zagen dus
   niet alleen tal van Amerikanen hun beleggingen verdampen, maar waren mensen ook niet in
   staat het geleende geld terug te betalen. Het bankwezen werd hard geraakt. Dit leidde tot vier
   golven van bankruns, waarvan de vierde (in 1933) de ergste was. Al met al waren er in deze
   periode zo’n 7.000 bankfaillissementen. De fed had hierin een belangrijk aandeel, zij was terug-
   houdend bij het ondersteunen van in moeilijkheden verkerende banken. De criteria voor het
   verlenen van noodhulp waren zo streng dat veel banken uiteindelijk ten onder gingen. Dit leidde
   tot een negatieve spiraal van paniek bij banken en rekeninghouders, verslechterde economische
   omstandigheden en vele bedrijfsfaillissementen – wat vervolgens leidde tot een ingrijpende
</pre>

====================================================================== Einde pagina 86 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 87 ======================================================================

<pre>86        geld en schuld
   hervorming van het bankwezen. De economische malaise was ongekend: het reële nationale
   inkomen daalde in de vs met 30 procent en de werkloosheid liep op tot meer dan 20 procent van
   de beroepsbevolking (Konzelmann et al. 2010; Coljé 1988; Romer en Romer 2003).
   In reactie op de Amerikaanse financiële crisis introduceerde de Roosevelt-regering een veelheid
   aan hervormingen. Zo werd de verwevenheid tussen effectenmarkten en het bankwezen aange-
   pakt door commerciële banken te verbieden zich met effectenhandel bezig te houden.7 Ook werd
   een depositogarantiestelsel geïntroduceerd, primair in reactie op de vele bankruns. Daarnaast
   werden de bevoegdheden van de fed om in geval van nood het bankwezen te ondersteunen ver-
   ruimd. Een aantal prominente economen verbonden aan de Chicago School, waaronder Frank
   Knight en Henry Simons, vond deze maatregelen echter onvoldoende en bepleitten verder-
   gaande maatregelen. Zij stelden voor om tot een nog scherpere scheiding te komen binnen het
   bankwezen: banktegoeden dienden te worden afgescheiden van risicovolle activiteiten en vol-
   ledig te worden gedekt door contant geld, centralebankreserves of staatsobligaties. Hiermee zou
   de overheid meer controle kunnen uitoefenen op het monetair-financieel systeem en zouden
   bankruns worden geëlimineerd, omdat banktegoeden volledige dekking hebben. Hierdoor zou
   de depositogarantie overbodig worden. Hoewel zij deze ideeën onder de aandacht van de Roose-
   velt-regering brachten, werden de plannen niet geïmplementeerd (Benes en Kumhof 2013; Laina
   2015). Wel vormen deze plannen de basis voor de hedendaagse pleidooien (waaronder die van
   Stichting Ons Geld) voor ingrijpende hervormingen van het monetair-financieel systeem. In
   hoofdstuk 5 gaan we uitgebreid in op deze ideeën.
          Europese landen werden meegezogen in de problemen van de vs. Dit begon met
          een financiële crash in Oostenrijk en Duitsland. Amerikaanse banken die leningen
          hadden uitstaan bij banken in deze landen trokken massaal hun geld weg met het
          oog op de problemen in eigen land. De Oostenrijkse en Duitse centrale banken
          hadden slechts beperkte voorraden goud om op een geloofwaardige manier hun
          bankwezen te ondersteunen. Internationale hulp bleef echter uit – met name
          Frankrijk was sceptisch over het verlenen van steun aan deze landen. Daarop pro-
          beerden Duitse en Oostenrijkse centrale banken hun tegoeden bij Engelse banken
          om te zetten in goud, wat weer problemen veroorzaakte in het Verenigd Konink-
          rijk. De Bank of England bleek onmachtig om de uitstroom van goud te keren en in
          1931 besloten de autoriteiten dan ook om af te stappen van de gouden standaard.
          Veel andere landen volgden dit voorbeeld. Daar waar vóór 1914 een internationale
          samenwerking tot stand kwam om de gouden standaard te handhaven, was in de
          jaren twintig de bereidheid tot samenwerking afwezig, waardoor het vasthouden
          aan deze standaard juist leidde tot instabiliteit (Temin 1993; Eichengreen en Temin
          2000; Moessner en Allen 2010).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 87 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 88 ======================================================================

<pre>                                                    geschiedenis van geldschepping         87
      In Nederland was juist sprake van een sterke goudinstroom, deels omdat dnb zelf
      meedeed aan de ‘run’ op de Bank of England, maar ook omdat mensen Nederland
      zagen als veilige haven. Nederland bleef dan ook lang vasthouden aan de koppeling
      met goud. dnb en het ministerie van Financiën verdedigden de goudkoppeling in
      morele termen: devaluatie werd gezien als valsmunterij (Langeveld 2009). Andere
      landen hadden hun munt wel laten devalueren, door de koppeling met goud los te
      laten. De ‘blijvers’ betaalden een hoge prijs, want het schaadde hun internationale
      concurrentiepositie flink: hun producten werden duur in vergelijking met andere
      landen. Vooral de Nederlandse landbouw moest het flink ontgelden. De Neder-
      landse economie ging stevig onderuit en de werkloosheid liep op tot bijna 20 pro-
      cent van de beroepsbevolking (cbs 2009). Het is dan ook niet verwonderlijk dat
      vanuit het Nederlandse bedrijfsleven de roep klonk om te devalueren. Pas in sep-
      tember 1936, vijf jaar na het vk, besloot de Nederlandse regering van de gouden
      standaard af te stappen. De reden was echter niet dat de autoriteiten overtuigd
      waren van de onwenselijkheid ervan, maar dat de Nederlandse positie onhoudbaar
      was geworden nadat ook Zwitserland en Frankrijk de inwisselbaarheid hadden
      opgeschort (Van Zanden 1997a: 148-151).
      In veel landen waren de economische problemen van de jaren dertig ontstaan door
      een financiële crash. In reactie daarop verscherpten overheden toezicht en regel-
      geving. Beleidsmakers splitsten banken op, legden internationaal kapitaalverkeer
      aan banden, stelden veel strengere eisen aan het schokabsorberend vermogen en
      gingen kredietverlening intensief reguleren. Nederland vormde de uitzondering –
      doordat het bankwezen niet in problemen kwam in de jaren dertig was er minder
      urgentie om hervormingen door te voeren. Toch werden na de Tweede Wereld-
      oorlog ook hier beleid en toezicht aangescherpt en geformaliseerd. Ook in andere
      landen kwam financiële regulering pas na 1945 goed van de grond. We bespreken
      deze ontwikkelingen in de volgende paragraaf.
3.2.4 samenvatting: geldschepping in de tussenoorlogse periode
      Voor de meeste Nederlanders bleef in deze periode muntgeld het gangbare betaal-
      middel. Bankbiljetten waren nog steeds iets voor de rijkeren en voor grote transac-
      ties. Wel werd met de introductie van het tienguldenbankbiljet en de inflatie ten
      tijde van de Eerste Wereldoorlog de drempel voor burgers verlaagd om ook met
      biljetten te betalen. Giraal betalen kreeg een flinke steun in de rug door de intro-
      ductie van publieke girodiensten, al bleef dit voor veel burgers nog buiten bereik.
      Giraal betalen was voor het bedrijfsleven wel gangbaar, maar bancaire dienst-
      verlening op dit gebied bleef duur en omslachtig. dnb ontplooide zich meer en
      meer als ‘bank van de banken’, zij het met horten en stoten. Gaandeweg richtte
      dnb zich primair op het aanschaffen (in jargon: herdisconteren) van kredieten ver-
      strekt door de commerciële banken. Daarmee werd geldschepping meer en meer
</pre>

====================================================================== Einde pagina 88 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 89 ======================================================================

<pre>88  geld en schuld
    gekoppeld aan het kredietbeleid van commerciële banken. Dit kredietbeleid was
    ook veranderd: banken waren zich naast korte handelskredieten ook meer gaan
    richten op langlopende industriefinanciering.
    Met de herinvoering van de gouden standaard werden geldschepping, monetair
    beleid en stabiliteitsbeleid weer sterk afhankelijk van de vraag naar en het aanbod
    van goud. De vaste goudkoppeling speelde een belangrijke rol bij de mondiale
    financieel-economische malaise van de jaren dertig. Het belemmerde centrale ban-
    ken bij het goed uitvoeren van hun stabiliteitstaken (het verschaffen van liquiditeit
    in geval van nood). Ook was er weinig bereidheid bij overheden om andere landen
    die in problemen verkeerden bij te staan: alle landen wilden goud behouden of
    terugvorderen van andere landen. Hierdoor ontstond een wereldwijde run op
    goud die uiteindelijk voor iedereen slecht uitpakte. Nederland bleek net als in de
    negentiende en begin twintigste eeuw zeer gevoelig voor deze internationale
    dynamiek, maar koos nu voor een andere strategie. Eerder koos Nederland voor
    herziening van metaalkoppelingen toen internationale ontwikkelingen daar aan-
    leiding toe gaven. In de jaren dertig was de gouden standaard echter tot geloofs-
    artikel verheven, met als gevolg dat Nederland de bakens pas verzette toen het echt
    niet anders meer kon.
3.3 bretton woods-periode (1945-1973)
    Door de Grote Depressie was in aanloop naar de Tweede Wereldoorlog het inter-
    nationale monetair-financieel systeem al sterk gefragmenteerd geraakt. De oorlog
    zelf betekende vanzelfsprekend een nog grotere verstoring, ook in Nederland. In
    de laatste jaren voor de oorlog waren mensen uit voorzorg hun munten gaan
    opsparen. Om die reden had het ministerie van Financiën in 1938 papieren guldens
    en rijksdaalders laten drukken – zogeheten ‘zilverbonnen’ of ‘muntbiljetten’. Tij-
    dens de Duitse bezetting werd deze praktijk door de bezetter op grote schaal
    voortgezet, met als gevolg een zeer sterke toename van de geldhoeveelheid. Ook
    de girale geldhoeveelheid was vergaand vergroot en daarmee was de hefboom van
    banken structureel toegenomen. Na de bevrijding zag de nieuwe Nederlandse
    regering zich genoodzaakt om een ‘geldzuivering’ door te voeren.8
    Na de oorlog probeerden landen – middels het in 1944 overeengekomen Bretton
    Woods-akkoord – het internationaal monetair-financieel systeem zodanig vorm te
    geven dat landen meer bewegingsvrijheid hadden én internationale verstoringen
    minder makkelijk het systeem als geheel konden ontwrichten. Hoewel er
    wederom voor een edelmetaalkoppeling werd gekozen – valuta werden gekoppeld
    aan de dollar en deze op zijn beurt aan goud – was door Bretton Woods toch sprake
    van een grote beleidswending. Deze wending zat zowel in de formalisering van
    internationale samenwerking op het gebied van monetair-financiële kwesties als in
    de specifieke keuzes die gemaakt werden, waaronder het aan banden leggen van
</pre>

====================================================================== Einde pagina 89 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 90 ======================================================================

<pre>                                                    geschiedenis van geldschepping         89
      internationale financiële transacties. De sterke regulering van financiële markten
      was onderdeel van breder overheidsbeleid om ervoor te zorgen dat de financiële
      sector beter zou bijdragen aan economisch herstel en verdere ontwikkeling. Door
      toenemende welvaart ging de financiële sector zich ook langzaam steeds meer rich-
      ten op alle burgers. Aan het eind van deze periode vervaagden de scheidslijnen
      tussen verschillende typen banken geleidelijk.
3.3.1 geld en betalen
      Vanaf eind jaren vijftig nam het belang van giraal geld verder toe. In de jaren na de
      Tweede Wereldoorlog was de verhouding contant en giraal geld ongeveer gelijk.
      Vanaf de tweede helft van de jaren vijftig hield de girale geldgroei ongeveer gelijke
      tred met die van de economie, terwijl het gebruik van contant geld verder daalde.
      In 1975 was de verhouding ruwweg 70-30 procent in het voordeel van giraal geld.
      In 1968 waren er ruim een miljoen rekeningen bij de Postcheque- en Girodienst
      (Peekel en Veluwenkamp 1984: 3). Administratieve automatisering creëerde de
      mogelijkheid om salarisbetalingen op girale wijze te verrichten. Werkgevers en
      overheid zagen belangrijke voordelen ten opzichte van de dure en arbeidsinten-
      sieve procedure van contante betalingen (Lelieveldt 2017: 9). Daarnaast werd giraal
      betalen steeds aantrekkelijker. De pcgd en gemeentelijke girodiensten introdu-
      ceerden belangrijke innovaties. In 1961 was de Gemeentegiro Amsterdam bijvoor-
      beeld de eerste Nederlandse bank die giropassen uitgaf waarmee in winkels betaald
      kon worden. In 1969 plaatste zij als eerste bank een gelduitgifteautomaat (Van
      Engelen 2009: 37).
      Daarnaast was sprake van toenemende concurrentie tussen de verschillende finan-
      ciële partijen om de gunst van de burger. Tot de jaren zestig hadden de verschil-
      lende typen banken elk hun eigen werkterrein en klantenbestand. Door de sterke
      economische groei werden burgers snel welvarender. Na een primaire focus op het
      bedrijfsleven probeerden banken nu klanten bij de pcgd weg te lokken. Dit deden
      zij met het aanbieden van rentes op betaalrekeningen en met de introductie van
      gedekte cheques die consumenten konden gebruiken in binnen- en buitenland.
      Gaandeweg vervaagden grenzen tussen de verschillende typen banken en transfor-
      meerden zij in algemene (universele) banken. In bepaald opzicht bleef echter nog
      sprake van gescheiden werelden: er waren twee parallelle betaalsystemen: één van
      de publieke pcgd, de ander van een samenwerkingsverband van private banken
      (dnb 2002).
3.3.2 financiering
      Vlak na de oorlog stond de Nederlandse economie er beroerd voor. Fabrieken lagen
      stil, bedrijven waren dicht en de materiële schade was enorm. Ook werd niet meer
      dan 37 procent van de import gedekt door de export, wat op termijn natuurlijk
      onhoudbaar zou zijn (Van Zanden 1997a: 174). De overheid zag zich genoodzaakt
</pre>

====================================================================== Einde pagina 90 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 91 ======================================================================

<pre>90 geld en schuld
   tot ingrijpende maatregelen om wederopbouw te stimuleren, een actieve benade-
   ring die werd ingegeven door zowel de ervaringen van de Grote Depressie als de
   daaropvolgende oorlog. De overheid zag de financiering daarbij als essentiële scha-
   kel voor de wederopbouw. Net als andere Europese overheden reguleerde de
   Nederlandse regering de groei, allocatie en prijs van krediet. Banken moesten
   vooraf toestemming vragen voor krediet hoger dan 50.000 gulden en dnb moest
   erop toezien dat alleen leningen ‘die essentieel waren voor de wederopbouw’ wer-
   den verstrekt (Barendregt en Visser 1997: 187). Op deze manier wilde de overheid
   ervoor zorgen dat krediet productief werd aangewend (zie ook subparagraaf 3.3.3).
   Daarnaast richtte de overheid – wederom net als andere Europese landen – zelf
   financiële instellingen op om herstel te bevorderen. Een vooroorlogs initiatief (de
   in 1935 opgerichte Maatschappij voor Industriefinanciering) was nog geflopt door
   een veel te laag startkapitaal. De in 1946 opgerichte Nederlandse Herstelbank ver-
   schafte echter met succes financiering aan industriële bedrijven, onder garantie van
   de overheid. De in 1951 opgerichte Export Financieringsmaatschappij droeg bij aan
   het stimuleren van de Nederlandse export (Posthuma 1955; Van Riel 2016).
   Naarmate de economie zich verder herstelde, veranderde ook de rol van de finan-
   ciële sector. Door de economische groei groeide de kredietvraag van het bedrijfs-
   leven sterk. Ook bleek bij veel bedrijven dat ingehouden winsten niet langer
   voldoende waren voor de financiering van investeringen en voor schaalvergroting.
   De Herstelbank en de Export Financieringsmaatschappij konden niet aan deze
   groeiende investeringsvraag voldoen. In reactie daarop gingen commerciële ban-
   ken zich, na decennia van terughoudendheid, weer meer interesseren in het ver-
   strekken van langlopend krediet aan het Nederlandse bedrijfsleven. Dit vereiste
   wel een goede basis van contanten en centralebankreserves, maar juist op dit vlak
   zagen de banken zich voor een probleem gesteld (wrr 2016: 67-68).
   Door toenemende welvaart onder de Nederlandse bevolking en een gelijkmatigere
   spreiding van deze welvaart, kwam een sterk groeiend en relatief steeds groter deel
   van de geldhoeveelheid in handen van mensen in loondienst. Zij waren echter
   gewend om dit geld, nog steeds veelal uitgekeerd door middel van het loonzakje,
   aan te houden in contanten of (in toenemende mate) op giro- en spaarrekeningen,
   zoals bij de pcgd/Rijkspostspaarbank. Dit betekende dat wanneer banken lenin-
   gen verstrekten aan bedrijven en daarbij nieuwe girale tegoeden creëerden, een
   steeds groter deel hiervan buiten het commerciële bankwezen terechtkwam.
   Omdat hierdoor contanten en centralebankreserves wegstroomden, vormde dit
   een rem op de mogelijkheden voor banken om nieuwe kredieten te verstrekken en
   daarmee een rem op girale geldschepping. Om te voorkomen dat reserves bleven
   weglekken, gingen banken zich daarom steeds meer richten op het aanbieden
   betaalrekeningen. Het gevolg was dat bedrijfsfinanciering en het spaargeld van bur-
   gers meer en meer verweven raakten (Peekel en Veluwenkamp 1984: 22-23).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 91 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 92 ======================================================================

<pre>                                                    geschiedenis van geldschepping         91
      Sterkere concurrentie leidde tot een ingrijpende fusie- en consolidatieslag. In 1964
      fuseerden de Nederlandsche Handel-Maatschappij en de Twentsche Bank tot
      Algemene Bank Nederland (abn) en gingen de Amsterdamsche Bank en de Rotter-
      damsche Bank samen verder als Amsterdam-Rotterdam Bank (amro). In 1972
      fuseerden de koepels van agrarische coöperaties in de Coöperatieve Centrale Raif-
      feisen-Boerenleenbank (Rabobank). De kleinere spaarbanken (waarvan er in 1960
      nog 266 waren), de Rijkspostspaarbank en de girale instellingen moesten het flink
      ontgelden in deze concurrentieslag. Ondanks vele fusies verloren spaarbanken
      marktaandeel. De Amsterdamse gemeentegiro werd in 1976 onderdeel van de
      pcgd. Ook gingen de pcgd en de Rijkspostspaarbank meer samenwerken – een
      opstap voor de latere fusie in de Postbank, die later weer op zou gaan in ing.
3.3.3 beleid en regelgeving
      In de naoorlogse periode kwam het monetaire beleid in veel Europese landen pri-
      mair in het teken te staan van het bevorderen van economische groei en het maxi-
      maliseren van werkgelegenheid. Het zorgdragen voor de inwisselbaarheid van geld
      in edelmetaal – voorheen het voornaamste doel van beleid – kwam daarbij op de
      tweede plaats te staan (Forsyth en Notermans 1997: 40-48). Ook nam de invloed
      van de politiek toe: centrale banken verloren in veel landen op dit terrein hun
      autonomie en ministeries van Financiën namen taken over (Goodhart 2010). Hoe-
      wel dit wellicht in mindere mate gold voor dnb, lag ook in Nederland de uiteinde-
      lijke verantwoordelijkheid voor monetair beleid bij het ministerie van Financiën.
      De ‘schaduw van hiërarchie’ lag altijd over het handelen van de centrale bank (De
      Greef et al. 1997). Daarnaast werden veel centrale banken die voorheen nog private
      instellingen waren genationaliseerd (dnb in 1948), met het oog op het publieke
      belang van monetair beleid (Capie et al. 1994).
      Voor het faciliteren van de nationale beleidsruimte werden ook internationale
      afspraken gemaakt. Het Bretton-Woodsakkoord (vernoemd naar de Amerikaanse
      plaats waar in 1944 een veertigtal landen dit akkoord sloten) vormde een belang-
      rijke vernieuwing. In het Bretton-Woodsregime was indirect nog steeds een kop-
      peling met goud: overheden koppelden hun valuta aan de Amerikaanse dollar, die
      vervolgens weer was gekoppeld aan goud. Daarom spreekt men ook wel van de
      ‘dollar-gold exchange standard’.9 Overheden legden internationale financiële
      transacties aan banden. Ook binnen de nieuw opgerichte Europese Economische
      Gemeenschap waren kapitaalcontroles de regel (Bakker 1996). Door de kapitaal-
      restricties ontstond er enige vrijheid om het monetair beleid te richten op de
      binnenlandse conjunctuur. Het bekende ‘monetair trilemma’ uit de economische
      theorie stelt dat landen de keuze hebben uit maximaal twee van de volgende drie
      opties: (1) vaste wisselkoersen, (2) zelfstandig monetair beleid en (3) volledige vrij-
      heid van kapitaalverkeer (Obstfeld en Taylor 1998). Met het Bretton-Woods-
      akkoord kozen overheden dus voor de eerste twee opties.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 92 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 93 ======================================================================

<pre>92        geld en schuld
          Ook op een ander punt verschilde het Bretton-Woodsregime wezenlijk met de
          periode daarvoor. Om het probleem van tijdelijke tekorten op de lopende rekenin-
          gen van een land op te lossen werd het imf toegerust met een omvangrijke kapi-
          taalvoorraad waarmee leningen konden worden verstrekt aan landen in de proble-
          men. In geval van een structureel negatieve handelsbalans bestond de expliciete
          mogelijkheid om wisselkoersen aan te passen. Door die mogelijkheid hoefden lan-
          den niet direct over te gaan tot reële aanpassingen in lonen en prijzen. De behoefte
          aan deze gereguleerde flexibiliteit was – naast de noodzaak van internationale coör-
          dinatie – een belangrijke les van de tussenoorlogse periode (Feinstein et al. 1997:
          204). Nederland maakte eind 1949 (in navolging van het Verenigd Koninkrijk)
          gebruik van deze optie en devalueerde met 30 procent ten opzichte van de dollar
          (Bakker en Van Lent 1989: 170). Ondanks deze veranderingen bleek ook deze
          variant van de gouden standaard uiteindelijk niet houdbaar (zie box 3.5).
Box 3.5          De ondergang van de goud-dollarstandaard
   Hoewel in het Bretton-Woodsstelsel goud nog steeds een rol speelde, was de koppeling veel
   indirecter, namelijk via de dollar. Doordat de internationale reserves (dollars in plaats van goud)
   door de fed konden worden vergroot, leidde deze standaard, in tegenstelling tot de gouden
   standaard, niet tot grote problemen op het gebied van internationale stabiliteit. Wel gaf het de
   Verenigde Staten als hofleverancier van de internationale reserve een groot voordeel boven
   andere landen (Eichengreen 2011).
   Het nadeel van het kunnen uitbreiden van de internationale reserves – zoals voorzien door de
   Belgisch-Amerikaans econoom Robert Triffin, maar ook door Keynes tijdens de onderhandelin-
   gen over Bretton Woods in 1944 – is bovendien dat naarmate een relatieve ‘overvloed’ aan inter-
   nationale reserves groter zou worden, de ruilvoet van de vs werd uitgehold en de koppeling
   tussen de dollar en het goud gaandeweg ongeloofwaardig zou worden. Naarmate buitenlandse
   centrale banken steeds grotere claims op de Amerikaanse goudvoorraad kregen, kon op termijn
   een ‘run’ op deze voorraad ontstaan, zelfs al controleerden de vs twee derde van de mondiale
   goudvoorraad.
   Dit is precies wat eind jaren zestig en begin jaren zeventig gebeurde. De sterke groei van de
   wereldhandel en de Europese economieën had de vraag naar liquiditeit op een structureel hoger
   plan gebracht, waardoor de gouddekking was teruggelopen van 55 procent in 1944 naar 22 pro-
   cent in 1970. Omvangrijke kapitaalexporten in verband met hulpprogramma’s en de Vietnam-
   oorlog schroefden het probleem verder op. Vanaf begin 1965 trachtte met name Frankrijk onder
   De Gaulle de Amerikaanse dominantie bovendien te ondermijnen door dollars in goud om te
   zetten en te pleiten voor een terugkeer naar de gouden standaard. In augustus 1971 besloot de
   Amerikaanse president Nixon om de inwisselbaarheid van dollars in goud op te schorten,
</pre>

====================================================================== Einde pagina 93 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 94 ======================================================================

<pre>                                                      geschiedenis van geldschepping          93
waarmee zowel de laatste koppeling tussen geld en goud als de transatlantische monetaire band
verdween. In 1973 werd de ontkoppeling definitief. Voorheen gekoppelde munten gingen over
op een zwevende wisselkoers. Nederland ging al snel over op een feitelijke D-markkoppeling.
      dnb kreeg met de Bankwet (1948) de opdracht “de waarde van de Nederlandse
      geldeenheid te reguleren op zodanige wijze als voor ’s lands welvaart het meest
      dienstig is, en daarbij die waarde zoveel mogelijk te stabiliseren” (geciteerd in Ren-
      selaar en Stokman 2001: 8). Het monetair beleid werd hiermee primair gekoppeld
      aan het maatschappelijk belang (’s lands welvaart). Nederland hanteerde hiertoe
      een aantal instrumenten. Een van die instrumenten was kapitaalcontroles. Deze
      waren oorspronkelijk bedoeld om een uitstroom van kapitaal te voorkomen, zodat
      het kapitaal in Nederland kon worden aangewend voor de wederopbouw. Met het
      economisch herstel en het herstel van de handelsbalans ging het echter gaandeweg
      meer om het voorkomen van een al te grote instroom van financiering. dnb
      vreesde dat deze instroom inflatoire effecten zou hebben. Nederland was dan ook
      een van de eerste Europese landen die controles op kapitaaluitstroom ophief (Bak-
      ker 1996). Naast kapitaalcontroles hanteerde dnb ook andere directe instrumenten
      om kredietgroei te sturen. In grote lijnen bestonden die uit restricties op korte kre-
      dieten en op negatieve saldo’s op betaalrekeningen. Een al te sterke kredietgroei
      zou immers via oververhitting van de economie en geldgroei kunnen leiden tot
      toenemende inflatie (Barendregt en Visser 1997: 189).
      Deze kredietcontroles waren bedoeld voor zowel prijsstabiliteit als financiële sta-
      biliteit (De Greef et al. 1997). Met de Wet Toezicht Kredietwezen (1952) had dnb
      eindelijk formeel verantwoordelijkheid gekregen voor de stabiliteit van het Neder-
      landse bankwezen (Coljé 1988: 11). Hiervoor had dnb naast kredietcontroles nog
      andere beleidsinstrumenten: kapitaalvereisten en liquiditeitsregels. De kapitaal-
      regels hadden betrekking op de vraag in hoeverre het eigen vermogen voldoende
      was om verliezen te kunnen opvangen zonder dat de bank direct insolvabel is.
      Deze eisen hielden in dat het eigen vermogen van banken ten minste 20 procent
      van de risicodragende bezittingen moest bedragen (Van Eekelen 1987; Coljé 1988).
      De liquiditeitsregels hadden betrekking op de vraag of banken voldoende centrale-
      bankreserves of eenvoudig liquide te maken bezittingen aanhielden (zoals staats-
      obligaties). Deze eisen beoogden primair om geldschepping in de hand te houden
      (Eijffinger 1983).10 Verder beoogden zij de mismatch tussen de looptijd van ban-
      caire kredieten en verplichtingen te beperken: elke bank moest ervoor zorgen dat
      lange kredieten (meer dan twee jaar) geheel werden afgedekt door langlopende
      verplichtingen (waaronder spaargeld).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 94 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 95 ======================================================================

<pre>94    geld en schuld
      Daarnaast was er het zogenaamde structuurbeleid: het handhaven van bepaalde
      scheidslijnen binnen het bankwezen en tussen het bankwezen en andere (financiële
      en niet-financiële) sectoren. Dit beleid reguleerde welke activiteiten verschillende
      type banken mochten ontplooien en aan welke soorten regelgeving zij onderhevig
      waren. Dit beoogde een zekere segmentering in de sector te handhaven. Ook was
      het structuurbeleid bedoeld om te voorkomen dat er te grote banken of financiële
      conglomeraten zouden ontstaan en dat banken aandeelhouder zouden worden in
      niet-financiële bedrijven. Dit enerzijds om de (markt)macht van banken te beper-
      ken, anderzijds om transparante eigendomsverhoudingen te waarborgen om zo
      effectief toezicht te kunnen blijven uitoefenen. dnb kreeg dus invloed op de
      concurrentieverhoudingen binnen de sector: fusies en overnames moesten aan
      dnb werden voorgelegd en enkel bij een ‘verklaring van geen bezwaar’ kon een
      fusie doorgang vinden (Van Eerden 2001).
      In de praktijk was dnb waar het op fusies aankwam erg flexibel, zoals blijkt uit de
      hierboven beschreven consolidatieslag en vorming van universele banken in de
      jaren zestig. Achtergrond daarbij was het idee dat binnen de zich vormende Euro-
      pese markt Nederlandse banken een minimale omvang dienden te hebben om
      succesvol te kunnen opereren. Doordat algemene banken vanuit hun achtergrond
      in veel mindere mate verplicht werden zich te beperken in hun activiteiten en zich
      door het verbinden daarvan voordeliger konden financieren, nam de dominantie
      van dit type bank toe.
3.3.4 samenvatting: geldschepping in de bretton-woodsperiode
      Op het gebied van betalen en sparen was er in de naoorlogse periode sprake van
      een definitieve doorbraak van giraal geld. Door automatisering, schaalvergroting
      en professionalisering was het aanbieden van girale rekeningen en het verwerken
      van betalingsverzoeken een stuk eenvoudiger en goedkoper geworden, ook tussen
      banken onderling. Door toenemende en gelijkmatiger verdeelde welvaart kwam
      ook een steeds groter aandeel van de geldhoeveelheid terecht bij mensen in loon-
      dienst. De meeste mensen gaven niettemin nog altijd de voorkeur aan het publieke
      girosysteem of aan contant geld. Voor private banken vormde dit in toenemende
      mate een rem op kredietverlening en daarmee op geldschepping: zij zagen een gro-
      ter aandeel van reserves en contanten wegvloeien, waardoor zij minder makkelijk
      nieuwe leningen konden verstrekken. In reactie hierop gingen zij zich meer en
      meer richten op de consument en vormden zij zich langzaam om tot algemene
      banken. Dit alles ging bovendien gepaard met een proces van schaalvergroting en
      branchevervaging.
      Ook overheidsbeleid speelde een belangrijke rol op het gebied van krediet-
      verlening. Krediet- en rentelimieten en allocatieregels waren beleidsinstrumenten
      die gericht waren op het stimuleren van de economische bijdrage van financiële
      dienstverlening, het beperken van inflatie en opwaartse druk op de rente in de
</pre>

====================================================================== Einde pagina 95 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 96 ======================================================================

<pre>                                                  geschiedenis van geldschepping       95
    context van vaste wisselkoersen en het beperken van financiële instabiliteit. De
    Nederlandse overheid was hiermee verre van uniek; alle westerse overheden
    maakten van dit soort instrumenten gebruik (Stellinga 2015).
    Met het Bretton-Woodsakkoord maakten overheden afspraken over de vorm-
    geving van het internationale monetair-financieel systeem. Omdat landen kapi-
    taalcontroles hanteerden en omdat de belangrijkste internationale reserve (de dol-
    lar) in overvloedige mate beschikbaar was, leidde de koppeling met goud in deze
    periode niet tot instabiliteit. Toch was het juist de overvloedige hoeveelheid
    dollars die uiteindelijk het systeem ondermijnde: hoe hoger de internationale
    claims op de Amerikaanse goudvoorraad, hoe ongeloofwaardiger de dollar-goud-
    koppeling werd en hoe meer landen geneigd waren hun dollarclaims in goud om te
    zetten. Uiteindelijk ontstond er dus toch een ‘run’ op het Amerikaanse goud – net
    als er in de jaren dertig een ‘run’ op het Engelse goud was. En zoals Engeland in
    1931 gedwongen werd de gouden standaard op te geven, zo moest de vs in 1971 het
    ‘goudloket’ sluiten. Daarmee kwam een definitief einde aan de koppeling tussen
    geld en goud. Deze episode illustreert wederom dat een vaste koppeling van geld
    aan een bepaalde (externe) grootheid uiteindelijk ook niet de gewenste stabiliteit
    biedt.
3.4 de pre-crisisperiode (1973-2008)
    Het vertrouwen in een actieve rol voor de overheid kantelde in de jaren zeventig
    toen overheden vooral onwerkzame antwoorden leken te hebben op de optre-
    dende problemen – economische stagnatie en inflatie, mede vanwege de oliecrises.
    Monetaire stimulansen konden de economische problemen niet wegmasseren en
    droegen bij aan hoge inflatie. Vanaf de jaren tachtig wonnen economische denk-
    beelden aan populariteit die veel positiever dachten over vrijemarktwerking en
    veel negatiever over overheidsinterventie. Daarbij werd de financiële sector veelal
    beschouwd als een grotendeels passieve schakel in economische processen; als een
    neutraal ‘doorgeefluik’. Ook zouden financiële markten niet fundamenteel ver-
    schillen van andere markten. Net als voor andere sectoren zou gelden: vertrouw op
    marktwerking (Blyth 2002). Hoewel beleidsmakers pragmatischer waren dan deze
    ideeën, lieten zij zich hierdoor wel degelijk vergaand inspireren.
    Nederland in het bijzonder nam deze denkkaders relatief snel over. Beperkingen
    op het gebied van krediet en internationale kapitaalstromen werden zo goed als
    volledig ontmanteld. Ook het naoorlogse structuurbeleid werd afgeschaft en vanaf
    deze periode nam kredietverlening een hoge vlucht – met name in de vorm van
    hypotheken – en ontstonden door fusies en overnames een beperkt aantal grote
    financiële instellingen. Het ‘publieke’ giro- en spaardeel werd ook onderdeel van
    deze instellingen, door de totstandkoming van de Postbank in 1986 en de daarop-
    volgende privatisering daarvan, terwijl de vele lokale spaarbanken opgingen in
</pre>

====================================================================== Einde pagina 96 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 97 ======================================================================

<pre>96       geld en schuld
         koepels (met het in 1987 tot stand gekomen sns als voornaamste). Door de sterk
         toegenomen populariteit van giraal betalen raakten Nederlandse burgers voor hun
         spaar-, betaal- en leenbehoeftes zo goed als volledig afhankelijk van een aantal
         private spelers.
3.4.1    geld en betalen
         In de decennia voor de financiële crisis van 2008 groeide het aandeel giraal geld in
         de totale geldhoeveelheid (M1) van 70 procent in 1975 naar 83 procent bij het uit-
         breken van de crisis (zie figuur 3.5).11 Giraal betalen werd de norm voor uiteen-
         lopende transacties. Niet alleen voor de uitbetaling van lonen en het betalen van de
         huur of hypotheeklasten, door de introductie van de elektronische bankpas en het
         pinsysteem volgden ook de dagelijkse boodschappen en andere betalingen in de
         detailhandel. Technologische innovaties speelden hierbij een belangrijke rol, bij-
         voorbeeld in de uitrol van betaalfaciliteiten in winkels. Ook leidde verdere auto-
         matisering tot een reductie van kosten van het girale betalingsverkeer (Lelieveldt
         2017).
Figuur 3.5       De ontwikkeling in verhouding giraal en contant geld
M1 in Nederland (1945-2015)
100%
 90%
 80%
 70%
 60%
 50%                                                                                  Contant geld
                                                                                      Giraal geld
 40%
 30%
 20%
 10%
  0%
    1945 1950 1955 1960 1965 1970 1975 1980 1985 1990 1995 2000 2005 2010 2015
Bron: cbs, Statline; dnb (directe datalevering)12
</pre>

====================================================================== Einde pagina 97 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 98 ======================================================================

<pre>                                                    geschiedenis van geldschepping        97
      Nagenoeg iedereen kreeg de beschikking over een of meerdere bankrekeningen. In
      1984 waren er 5 miljoen pcgd-rekeningen en 6 miljoen girorekeningen bij particu-
      liere banken (Peekel en Veluwenkamp 1984: 3). In 2002 hadden Nederlandse con-
      sumenten gezamenlijk ruim 20 miljoen rekeningen (veel meer dan het aantal
      inwoners), terwijl bedrijven en overheidsinstellingen er tezamen 2 miljoen reke-
      ningen op nahielden (dnb 2002). Vanzelfsprekend werden nog steeds veel transac-
      ties contant betaald (vanaf 2002 met euro’s in plaats van guldens), maar in omvang
      werden zij gaandeweg overtroffen door girale betalingen.
      Een cruciale verandering was dat de Postbank – de samenvoeging van de Rijkspost-
      spaarbank en de pcgd – in 1986 werd verzelfstandigd en daarna stapsgewijs gepri-
      vatiseerd. De Postbank fuseerde met de nmb tot nmb-Postbank die in 1991 met
      Nationale Nederlanden opging in de ing Groep. Hiermee kwam – met uitzonde-
      ring van contant geld – een einde aan het bestaan van een ‘publiek’ gedeelte van het
      betalingsverkeer en het girale geldsysteem (dnb 2002; Uittenbogaard 2017). Deze
      fusies en privatisering vonden plaats tijdens een bredere consolidatieslag binnen
      het Nederlandse bankwezen. De banktegoeden van het gros van de Nederlanders
      waren vanaf dat moment dus ondergebracht bij vier grote banken (ing, abn-
      amro, Rabo en sns) die tal van activiteiten combineerden en in 2013 beschikten
      over een gezamenlijk marktaandeel in banktegoeden van ongeveer 89 procent
      (dnb 2015c: 19).
3.4.2 financiering
      In veel landen was vanaf de jaren tachtig sprake van een overgang naar een nieuwe
      economie van kennisintensieve diensten, een verdere vergroting van de diensten-
      sector, een intensivering van de internationalisering en liberalisering. Omdat
      dienstensectoren in vergelijking met industriële sectoren minder gebaseerd zijn op
      fysiek kapitaal en meer op immaterieel kapitaal (kennis en kunde) impliceerde dit
      een verschuiving in financieringsbehoeften en -mogelijkheden. De de-industriali-
      sering leidde tot een afname van behoeften aan langlopende financiering (oeso
      2000). Wel was er door de economische globalisering grotere behoefte aan advies
      en assistentie bij internationale expansie – bijvoorbeeld wanneer bedrijven zich
      door middel van fusies en overnames internationaal wilden uitbreiden.
      In tandem met deze ontwikkelingen, zetten banken steeds meer in op internatio-
      nalisering. Technologische ontwikkelingen en veranderend overheidsbeleid (zie
      hieronder) speelden hierbij een belangrijke rol. Internationale kapitaaltransacties
      namen explosief toe. Ook breidden banken hun buitenlandse activiteiten sterk uit.
      Conform de Europese trend werd het Nederlandse bankwezen vanaf de jaren
      negentig steeds actiever op internationaal terrein. Deze internationalisering
      geschiedde deels via fusies en overnames, maar ook ging het simpelweg om de aan-
      schaf van buitenlandse financiële producten of via directe kredietverstrekking aan
      buitenlandse partijen. Ten tijde van de kredietcrisis vormden buitenlandse bezit-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 98 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 99 ======================================================================

<pre>98 geld en schuld
   tingen dan ook zo’n 50 procent van de totale bezittingen van het Nederlandse
   bankwezen – met daarbij een hoofdrol voor ing en abn-amro (wrr 2016:
   109-110).
   Naast internationalisering raakte het bankwezen ook steeds hechter verweven met
   effectenmarkten. Grote banken gingen zich naast het verstrekken van leningen ook
   steeds meer richten op het faciliteren van transacties op kapitaalmarkten13, bij-
   voorbeeld door het begeleiden van bedrijven bij een beursgang en het aanbieden
   van beleggingsproducten (wrr 2016: hoofdstuk 4). Daarbij zagen we de opkomst
   van ‘securitisatie’, waarbij banken grote hoeveelheden leningen stalden bij speciaal
   in het leven geroepen instellingen (‘schaduwbanken’ – zie ook box 4.2), die deze
   leningen financierden met beleggingspapier (‘securities’). Dit beleggingspapier
   werd verkocht aan andere financiële partijen, zoals pensioenfondsen en verzeke-
   raars. Hierdoor werden deze partijen meer blootgesteld aan risico’s die voorheen
   vooral beperkt waren gebleven tot het bankwezen. Tegelijkertijd raakten banken
   voor hun financiering steeds afhankelijker van geldmarkten, bijvoorbeeld van
   ‘repomarkten’. Dit zijn markten waarbij financiële partijen elkaar kortetermijn-
   financiering bieden op basis van een onderpand. Door deze ontwikkelingen raak-
   ten banken steeds vatbaarder voor de kortetermijndynamiek op financiële markten
   (wrr 2016: 96-100).
   Tegelijkertijd waren ook ontwikkelingen in de samenleving van invloed op het
   functioneren van de financiële sector. Door de toename in welvaart en de groei van
   particuliere vermogens maakten burgers steeds meer gebruik van financiële dien-
   sten, zoals spaar-, leen- en verzekeringsfaciliteiten. Financiële producten en dien-
   sten waren niet langer enkel voor de meest welvarende mensen, maar werden
   massaproducten. Bovendien leidden de groeiende arbeidsmarktparticipatie en
   inkomens van vrouwen tot een prijsopdrijvende werking op de woningmarkt.
   Verder leidden hervormingen van de verzorgingsstaat ertoe dat financiële zelfred-
   zaamheid steeds meer centraal kwam te staan. Hierbij paste het zelf afsluiten van
   diensten (sparen en verzekeren) die voorheen meer op collectief niveau werden
   georganiseerd (Schelkle 2012).
   Deze ontwikkelingen hadden een grote invloed (en werden ook zelf beïnvloed)
   door het Nederlandse bankwezen. Banken gingen zich meer en meer richten op
   kredietverlening aan consumenten, met name het verstrekken van hypotheken. In
   de kredietportefeuille van banken nam het aandeel ‘leningen aan huishoudens’ toe
   van 43 procent in 1990 naar 57 procent vandaag de dag. Dit ging gepaard met een
   enorme stijging van de huishoudschulden. Die hadden een omvang ter waarde van
   27 procent van het bbp in 1982, maar stegen vervolgens tot een waarde van 106 pro-
   cent van het bbp in 2011 (wrr 2016: 122). Belangrijk hierbij is in ogenschouw te
</pre>

====================================================================== Einde pagina 99 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 100 ======================================================================

<pre>                                                              geschiedenis van geldschepping          99
          nemen dat kredietverlening en huizenprijzen niet onafhankelijk van elkaar zijn:
          stijgende kredietverlening stimuleert huizenprijsstijgingen, die vervolgens weer
          bijdragen aan een toename van kredietverlening, enzovoort.
          Naast veranderend overheidsbeleid, werd dit gefaciliteerd door de consolidatie
          binnen het bankwezen en het toenemende belang van giraal geld. Voorheen wer-
          den commerciële banken geremd in hun kredietverlening doordat dit gepaard ging
          met het weglekken van reserves naar het publieke gedeelte van het geldsysteem
          (contant geld en tegoeden bij de publieke banken). Door de toenemende populari-
          teit van giraal geld en de integratie van de oude pcgd en de Rijkspostspaarbank in
          het commerciële bankwezen werd deze rem feitelijk weggenomen. Omdat grote
          banken zo op elkaar leken konden zij er steeds meer op vertrouwen dat de in- en
          uitstroom van tegoeden ongeveer gelijk zou blijven.
Figuur 3.6       Krediet (bankleningen) en geld in omloop
Nederland, percentage bbp
160%
140%
120%
100%
                                      breuk in definities
                                                                                             Bankleningen
 80%                                                                                         M3
                                                                                             M2
                                                                                             M1
 60%
 40%
 20%
  0%
     1946        1956       1966       1976              1986   1996      2006      2016
Bron: Data dnb (geldhoeveelheid) en Taylor en Schularick (bankleningen)
3.4.3     beleid en regelgeving
          De hierboven geschetste ontwikkelingen werden in belangrijke mate gefaciliteerd
          door veranderend overheidsbeleid. Overheden zetten in op het zo veel mogelijk
          stimuleren van bewegingsvrijheid voor financiële spelers en stromen. De gedachte
          was dat dit uiteindelijk via efficiëntere dienstverlening en financiële innovatie zou
          bijdragen aan economische groei. Net als in andere westerse landen ontmantelden
          Nederlandse beleidsmakers het brede pakket aan naoorlogse regels die de prijs,
          groei en allocatie van krediet beïnvloedden (Barendregt en Visser 1997). Rond eind
</pre>

====================================================================== Einde pagina 100 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 101 ======================================================================

<pre>100 geld en schuld
    jaren tachtig waren alle restricties zo goed als verdwenen, wat de deur openzette
    voor een sterke groei van kredietverlening. De sterke groei van huishoudschulden
    werd ook gefaciliteerd door sociaal-economisch beleid. Het woningmarktbeleid in
    veel landen stimuleerde huiseigenaarschap. In Nederland kunnen we denken aan
    de Nationale Hypotheekgarantie en (in mindere mate) de Wet Bevordering Eigen
    Woningbezit. Ook de bevoordeling van schuldfinanciering in het belasting-
    systeem – zoals de hypotheekrenteaftrek – droeg bij aan de sterke groei van Neder-
    landse hypotheekschulden (Tijdelijke Commissie Huizenprijzen).
    Financiële globalisering kreeg een stevige impuls door de ontmanteling van alle
    kapitaalrestricties. Nederland was (samen met het vk en Duitsland) een van de
    eerste landen die alle restricties ophief. Alle andere eu-landen volgden in de jaren
    negentig. Daarnaast gaven beleidsinitiatieven op Europees niveau een stevige
    impuls aan de interne markt voor financiële dienstverlening. Financiële instel-
    lingen kregen met het paspoortsysteem de vrijheid om, eenmaal gevestigd in een
    eu-lidstaat, in alle eu-landen een filiaal op te zetten, met het thuisland als toe-
    zichthouder. Overheden harmoniseerden wetgeving met het oog op het creëren
    van een gelijk speelveld, bijvoorbeeld met het Actieplan voor financiële diensten
    uit 1999. De invoering van de Economische en Monetaire Unie versterkte de euro-
    peanisering van financiële markten verder (oeso 1997; Abdelal 2007; Lane 2013).
    Ook ontmantelden westerse overheden het naoorlogse structuurbeleid. Het eer-
    dere uitgangspunt dat een gesegmenteerde sector bijdraagt aan financiële stabili-
    teit, werd afgedaan als onjuist; instellingen met een gediversifieerd bedrijfsmodel
    zouden niet alleen efficiënter opereren maar ook beter in staat zijn om risico’s te
    spreiden. In Nederland kwam het structuurbeleid feitelijk ten einde toen rond
    1990 een reeks aan fusies werd goedgekeurd. abn en amro fuseerden tot abn-
    amro in 1991 en Fortis kwam in 1990 voort uit vsb, amev en het Belgische verze-
    keringsbedrijf ag Groep. Zoals hierboven reeds beschreven, fuseerden Postbank,
    nmb en Nationale Nederlanden tot de ing Groep, waarbij ook de voorheen strakke
    scheiding tussen bankieren en verzekeren werd opgeheven. Van schotten en
    scheidslijnen tussen verschillende onderdelen van het financiële systeem was
    nauwelijks meer sprake.
    Beleidsmakers zagen tot op zekere hoogte ook de risico’s van het stimuleren van
    bewegingsvrijheid van financiële instellingen. De hoofdmoot van het nieuwe
    stabiliteitsbeleid lag bij kapitaaleisen: regels die banken verplichtten om genoeg
    eigen vermogen te hebben om onvoorziene verliezen op te kunnen vangen. Met de
    Europese eenwording harmoniseerden Europese landen hun kapitaalregels en
    baseerden zich daarbij op de kapitaaleisen ontwikkeld door het Bazelse Comité,
    het samenwerkingsverband van centrale banken van een tiental oeso-landen. Het
    Bazel I-akkoord (1988) werd medio jaren negentig via Europese regels van kracht
    in Nederland.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 101 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 102 ======================================================================

<pre>                                               geschiedenis van geldschepping      101
Deze eisen hadden dus betrekking op het schokabsorberend vermogen van banken
in verhouding tot de genomen risico’s. Van banken werd verlangd dat zij minstens
8 procent kapitaal (eigen vermogen) tegenover hun risicogewogen bezittingen
stelden. Nederland had al sinds 1957 een formeel kader voor kapitaaleisen. Deze
eisen waren tussen 1970 en 1985 stapsgewijs versoepeld (Van Eekelen 1987), zodat
de invoering van Bazel I op dit terrein geen substantiële verandering teweegbracht.
Een grotere verandering kwam met Bazel ii (2004), waarmee banken met een
eigen geavanceerd risicomanagementsysteem meer vrijheid kregen om zelf in te
schatten hoeveel eigen vermogen zij nodig hebben. Toezichthouders wilden hier-
mee publieke en private belangen verenigen; banken zouden risico’s beter mana-
gen, in ruil voor meer vrijheden (Tarullo 2008). In verhouding tot het naoorlogse
structuurbeleid en kredietbeleid waren deze kapitaaleisen een veel indirectere
vorm van publieke sturing. Beleidsmakers zagen kapitaaleisen als een markt-
vriendelijke manier om banken te beschermen tegen mogelijke problemen (Hell-
wig 2010).
Ook op het terrein van (internationaal) monetair beleid veranderde veel. Met de
teloorgang van het vaste wisselkoersstelsel van Bretton Woods in 1971 was defini-
tief afscheid genomen van edelmetaal als een van de belangrijkste ankers van
monetair beleid. Gelijktijdig was de vraag of landen nog wel dienden te streven
naar vaste wisselkoersen. Vanuit de economische wetenschappen gingen stemmen
op om hiervan af te stappen of tenminste een mate van gereguleerde flexibiliteit na
te blijven streven.
Binnen de Europese Economische Gemeenschap (later eu) werd dit als onwense-
lijk gezien. Het uitgangspunt was dat de gemeenschappelijke markt vooral goed
functioneert wanneer economische spelers zekerheid hebben over de wisselkoers.
Vandaar dat met het uiteenvallen van Bretton Woods Europese landen zoveel
mogelijk streefden naar de koppeling met andere valuta. Nederland was daarbij
vanaf 1973 vooral gericht op Duitsland, niet alleen met het oog op het belang van
handel met dat land, maar ook vanwege de Duitse reputatie van lage en stabiele
inflatie (De Greef et al. 1997). Vanaf 1977 was feitelijk sprake van een D-markzone,
met daarin Nederland, Denemarken, Luxemburg en België. Rentebesluiten van de
Bundesbank werden over het algemeen door Nederland snel overgenomen.
Europese landen maakten afspraken om hun valuta’s binnen bepaalde marges ten
opzichte van elkaar te laten fluctueren. Dit bleek in de praktijk niet probleemloos,
zoals bleek uit de vele devaluaties. Doordat landen hun beperkingen op grensover-
schrijdend kapitaalverkeer hadden ontmanteld, waren zij vatbaar voor specula-
tieve aanvallen van financiële partijen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 102 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 103 ======================================================================

<pre>102   geld en schuld
      Frankrijk en Duitsland kwamen in 1990 overeen dat de Duitse hereniging door de
      Fransen werd geaccepteerd in ruil voor de komst van een monetaire unie. Politieke
      overwegingen speelden hierbij een belangrijke, zo niet doorslaggevende rol. Dit
      was niet de volgorde die Nederland had voorzien, waarbij economische integratie
      en convergentie voorop stonden, alvorens over te gaan tot een monetaire unie. In
      1991 werd formeel besloten tot een gemeenschappelijke Europese munt. Dit werd
      vastgelegd in het in 1992 ondertekende Verdrag van Maastricht. De Economische
      en Monetaire Unie werd in 2002 voltooid met de invoering van euromunten en
      -biljetten.
      Naast de aandacht voor vaste wisselkoersen waren de Europese centrale banken
      zich ook steeds meer gaan richten op het garanderen van prijsstabiliteit – door-
      gaans gedefinieerd als een lage inflatie van ongeveer 2 procent. Velen zagen de hoge
      en volatiele inflatie van de jaren zeventig immers als bewijs voor de noodzaak van
      een grondige herziening van het monetaire beleid. Voorheen geaccepteerde (expli-
      ciete of impliciete) doelstellingen – werkgelegenheid, economische groei en finan-
      ciële stabiliteit – verdwenen in het monetair beleid naar de achtergrond. Voor het
      bepalen van de inflatie werd met name gekeken naar de ontwikkeling van consu-
      mentenprijzen en niet naar de prijsontwikkeling van financiële bezittingen als
      huizen en aandelen.
      Met de liberalisering van financiële markten zagen centrale banken weinig heil
      meer in directe controlemechanismen en ze stapten over op indirecte instrumen-
      ten, met name het aanpassen van het rentetarief voor kortlopende leningen aan
      banken, in combinatie met een ‘communicatiestrategie’ richting financiële markt-
      spelers om beleid begrijpelijk en voorspelbaar te maken. Ook was een nieuwe con-
      sensus ontstaan dat niet alleen de uitvoering, maar ook de ontwikkeling van
      monetair beleid zo ver mogelijk af moest komen te staan van de dagelijkse poli-
      tiek – iets dat met name terugkwam in de vormgeving van de ecb. De politiek
      werd als te grillig en opportunistisch beschouwd om een degelijk en voorspelbaar
      monetair beleid te voeren en inflatie in de hand te houden (Forsyth en Notermans
      1997; Hilbers 1998; Blyth 2002; Goodhart 2010; oeso 2011).
3.4.4 samenvatting: geldschepping in de pre-crisisperiode
      De periode voor de kredietcrisis bracht ingrijpende veranderingen in het monetair-
      financieel systeem. In Nederland werd giraal geld definitief de norm. Nagenoeg
      iedereen kreeg een bank- en spaarrekening en steeds minder betalingen werden
      met contanten afgehandeld. Dit heeft ervoor gezorgd dat het bankwezen onmis-
      baar is geworden voor het betaalsysteem. In Nederland was daarbij bovendien van
      belang dat de pcgd en de Rijkspostspaarbank via privatiseringen onderdeel wer-
      den van het ‘commerciële bankwezen’. Waar voor de jaren zeventig twee relatief
      gescheiden werelden bestonden – de commerciële banken waren er voor het
      bedrijfsleven, de pcgd, Rijkspostspaarbank en spaarbanken voor de huis-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 103 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 104 ======================================================================

<pre>                                                 geschiedenis van geldschepping        103
    houdens – raakten deze activiteiten geheel verweven. Van schotten en scheidslij-
    nen binnen het bankwezen was nauwelijks nog sprake. Ook ontstonden er conglo-
    meraten van banken en verzekeraars.
    Op het gebied van financiering werden tal van remmen op kredietverlening ont-
    manteld; beleidsmakers schrapten zo goed als alle kapitaalcontroles, krediet-
    plafonds, allocatieregels en rentelimieten. De remmen die daarvoor in de plaats
    kwamen – grofweg: kapitaaleisen – fungeerden in de praktijk niet of nauwelijks als
    effectieve begrenzing (zie hoofdstuk 2). Kredietverlening nam dan ook een hoge
    vlucht; in Nederland was dat vooral de hypothecaire kredietverlening. Ook wer-
    den banken internationaal steeds actiever en gingen zij zich meer en meer richten
    op de kapitaalmarkt. Door fusies en overnames werden zij bovendien steeds
    grotere instellingen. Al met al werd een kleine groep zeer grote banken steeds
    belangrijker voor het monetair-financieel systeem.
    Veranderingen in het (internationale) monetaire beleid hadden ook gevolgen voor
    de geldschepping en kredietgroei. Zoals gezegd namen centrale banken afscheid
    van directe sturingsmechanismen en vertrouwden zij meer op het ‘rente-instru-
    ment’ – het variëren van de rente die zij rekenen op leningen aan banken. Omdat
    zij zich daarbij primair richtten op prijsontwikkelingen van goederen en diensten,
    zijn zij veel minder gericht op kredietgroei gerelateerd aan het financieren van
    financiële bezittingen en onroerend goed. Gegeven dit monetaire paradigma is het
    dan ook geen verrassing dat de hoge groei van intrafinanciële en hypothecaire kre-
    dieten in de tien jaar voorafgaand aan de crisis grotendeels buiten het aandachts-
    veld van centrale banken bleven. Pas tijdens de crisis bleek hoezeer centrale banken
    het belang van deze ontwikkelingen hadden onderschat.
3.5 conclusie
    Het monetair-financieel systeem heeft door de eeuwen heen ingrijpende verande-
    ringen doorgemaakt. Van een systeem gedomineerd door muntgeld (voor burgers)
    en handelswissels en dnb-biljetten (voor ondernemers) in de negentiende eeuw,
    zijn we gaandeweg terechtgekomen in een systeem waar giraal geld verreweg het
    belangrijkste betaalmiddel is. Waar tot ver in de twintigste eeuw de beleidsmatige
    koppeling met edelmetaal (goud of zilver) van belang was voor het functioneren
    van het systeem, speelt dit vandaag de dag geen rol meer. In plaats daarvan zijn
    kredietvraag en -aanbod, het functioneren van het bankwezen en overheidsbeleid
    van cruciaal belang.
    Er lag geen expliciete blauwdruk ten grondslag aan ons huidige systeem. De veran-
    deringen zijn veelal stapsgewijs (en soms relatief snel) tot stand gekomen, zonder
    dat deze vanuit een centrale regie zijn ontworpen. Tal van factoren – internationale
    ontwikkelingen, sociale en economische veranderingen, technologische dynamiek
</pre>

====================================================================== Einde pagina 104 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 105 ======================================================================

<pre>104 geld en schuld
    en veranderend beleid – hebben een groot stempel gedrukt op deze ontwikkelin-
    gen. Een voorbeeld: beleidsmakers en centrale banken zagen de sterke opkomst
    van giraal geld veelal als een positieve ontwikkeling met het oog op efficiëntie,
    maar ontdekten pas gaandeweg dat dit banken in staat stelde om hun kredietverle-
    ning sterk op te schroeven. Kortom, de huidige vormgeving van ons monetair-
    financieel systeem is niet gepland, laat staan dat die nu voor eens en voor altijd
    vastligt.
    Daarbij zien we wel een permanent dilemma tussen de noodzaak om de waarde
    van de munt stabiel te houden en de noodzaak tot een zekere mate van monetaire
    flexibiliteit ten behoeve van economische groei en om in te kunnen grijpen tijdens
    een crisis. Deze spanning kwam duidelijk naar voren ten tijde van de koppeling
    met edelmetaal. Enerzijds zag men deze koppeling als essentieel om zekerheid te
    verschaffen in een inherent onzekere wereld. Anderzijds kon een stringente kop-
    peling ook problemen veroorzaken, bijvoorbeeld wanneer die de financiering van
    economische activiteit in de weg zat of crisisbestrijding onmogelijk maakte.
    Omgekeerd kan ook een te grote flexibiliteit binnen het monetaire stelsel de stabi-
    liteit ondermijnen. De flexibiliteit op het terrein van kredietverlening in de jaren
    negentig en tweeduizend ondermijnde uiteindelijk zowel de financiële stabiliteit
    (de financiële crisis van 2007-2009) als de economische groei. De daaropvolgende
    schuldenkater en de economische malaise bedreigden vervolgens weer de prijs-
    stabiliteit (met als risico deflatie in plaats van inflatie).
    Nederland is als klein land dat sterk gericht is op de internationale omgeving zeer
    afhankelijk van die omgeving. Hoewel er zeker ruimte is voor een eigen koers,
    worden de effecten van dergelijke keuzes sterk bepaald door ontwikkelingen waar
    Nederlandse beleidsmakers niet of nauwelijks invloed op kunnen uitoefenen. Voor
    Nederland is het door de decennia heen zaak geweest zo strategisch mogelijk met
    deze ruimte om te gaan. Dat is niet altijd goed gelukt. In de jaren dertig bleven
    Nederlandse autoriteiten te lang vasthouden aan de gouden standaard, terwijl dra-
    gende landen hier al van afgestapt waren en er steeds meer bewijs was dat Neder-
    land zich daarmee economisch in de eigen voet schoot. Andersom zien we ook dat
    Nederland zich soms bewust blootstelt aan de internationale trends, bijvoorbeeld
    toen beleidsmakers vanaf de jaren tachtig in rap tempo nagenoeg alle beperkingen
    op kredietgroei, concentratie in het bankwezen en kapitaalstromen ontmantelden.
    Kortom, de zoektocht naar een balans tussen flexibel inspelen op internationale
    ontwikkelingen en een nationale koers is eveneens een blijvende opdracht.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 105 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 106 ======================================================================

<pre>                                                        geschiedenis van geldschepping            105
noten
1   Als gevolg van zijn dominante positie in zowel de handel als op het gebied van kapitaal-
    stromen was het Verenigd Koninkrijk (tot 1914 veruit de grootse exporteur van kapitaal in de
    wereld) duidelijk een voorloper, zowel op het gebied van de ontwikkeling van nationaal
    monetair-financieel beleid als wat betreft het economische belang van banken.
2   Overigens gaf ook de Nederlandse staat af en toe papiergeld uit (zogeheten muntbiljetten),
    maar deze waren primair bedoeld voor het uit omloop nemen van verouderd geld. Mensen
    kregen de muntbiljetten als bewijs van inlevering, die zij later weer konden gebruiken om
    nieuw geslagen geld te verkrijgen.
3   Na het vertrek van de Fransen en het herstel van de onafhankelijkheid eind 1813 was in
    Nederland, zoals gezegd, een groot aantal verschillende munten in omloop met een uiteen-
    lopende waarde en indeling. Tijdens de geldzuivering werden veel oude munten uit circulatie
    gehaald, parallel aan een injectie van papiergeld die als tijdelijk bedoeld was maar de circulatie
    feitelijk op een structureel hoger niveau bracht.
4   Overigens is er een belangrijk verschil tussen biljetten of girale tegoeden uitgegeven door
    banken. Wanneer een rekeninghouder bij bank A een betaling doet met giraal geld en de ont-
    vangende partij heeft een betaalrekening bij een andere bank (bank B), dient bank A ook
    bezittingen over te dragen aan bank B en heeft dit dus direct effect op de balans van bank A.
    Wanneer bank A echter bankbiljetten uitgeeft kunnen deze circuleren zonder dat dit direct
    de balans van de bank raakt. Volgens Boonstra (2018) creëert dit een verhoogd risico op exces-
    sieve geldschepping: zolang biljetten niet worden aangeboden aan de bank, zijn er slechts in
    beperkte mate remmen op de uitgifte van bankbiljetten. Wanneer vervolgens deze bank-
    biljetten op grote schaal bij de bank worden aangeboden in ruil voor munten, heeft de bank
    een liquiditeitsprobleem.
5   Op een aantal Schotse en Noord-Ierse banken na die nu nog steeds hun eigen bankbiljetten
    mogen uitgeven. Dit gebeurt wel onder regie van de Bank of England.
6   Omdat zilveren munten niet uit de omloop werden gehaald, maar ook niet meer vrij konden
    worden aangemunt, sprak men ook wel over een ‘hinkende standaard’.
7   Specifiek legde de Glass-Steagall Act (officieel de 1933 Banking Act) vier verplichtingen op.
    Banken die aangesloten waren bij de Federal Reserve mochten niet langer handelen in effec-
    ten voor klanten, ze mochten niet handelen en beleggen in effecten voor eigen rekening, ze
    mochten geen effectenemissies ondersteunen, en medewerkers mochten niet betrokken zijn
    bij financiële instellingen die niet door deze beperkingen werden geraakt (secties 16, 20, 21 en
    32).
8   In het najaar van 1945 dienden alle Nederlanders hun bankbiljetten in te leveren bij de bank.
    Zij kregen hiervoor een geblokkeerd giraal tegoed bij de bank voor terug en een tientje per
    gezinslid om een week van te leven. Dit werd bekend als het tientje van Lieftinck – naar de
    minister van Financiën die de geldzuivering regisseerde. Daarna kwamen nieuwe bankbiljet-
    ten beschikbaar. Dit was bedoeld om het overschot aan bankbiljetten dat door de Duitsers in
    omloop was gebracht terug te brengen en om mensen die tijdens de oorlog zwart geld had-
    den verdiend, hun winst te ontnemen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 106 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 107 ======================================================================

<pre>106 geld en schuld
9   Buiten de vs konden burgers dus niet langer hun biljetten en munten bij de centrale bank
    omwisselen voor edelmetaal. Dit kan gezien worden als een volgende stap in de ontkoppe-
    ling van nationale valuta en edelmetaal.
10  Vanaf 1954 gold een verplichte kasreserve: de bank diende een bepaalde hoeveelheid centrale-
    bankreserves aan te houden ten opzichte van de banktegoeden. Vanaf de jaren zeventig gold
    ook een liquiditeitsreserveregeling, waarbij ook gekeken werd naar andere liquide bezittin-
    gen van de bank (Eijffinger 1983: 20-29).
11  Rond de invoering van de euro is een piek te zien in het aandeel van giraal geld. Men hield
    minder contanten aan, zodat men deze niet om hoefde te wisselen in euro’s.
12  Data vanaf 2002 zijn minder betrouwbaar, omdat het aandeel contant geld niet meer kan
    worden waargenomen. Binnen de eurozone wordt contant geld toegerekend aan verschil-
    lende landen via een vaste verdeelsleutel.
13  De kapitaalmarkt is de vraag en het aanbod van financiële middelen met een langere looptijd.
    De geldmarkt gaat over de vraag en het aanbod van financiële middelen met een korte loop-
    tijd.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 107 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 108 ======================================================================

<pre>                                                                                        107
4 het monetair-financieel systeem
  gewogen
  In het vorige hoofdstuk hebben we gezien hoe het monetair-financieel systeem
  zich sinds de negentiende eeuw heeft ontwikkeld. Het financieel systeem is van
  fundamenteel belang voor het functioneren van de samenleving. Het stelt burgers,
  bedrijven en andere instellingen in staat om betalingen te doen, zich te financieren
  (leningen aan te gaan of eigen vermogen aan te trekken), te sparen voor later en
  zich te verzekeren tegen onverwachte gebeurtenissen. Betalen, sparen, financieren
  en verzekeren worden gezien als de vier klassieke functies van de financiële sector.1
  Een sector die deze functies goed vervult, draagt bij aan economische ontwikke-
  ling en welvaart. Een slecht functionerende sector kan echter ook veel schade aan-
  richten.
  Voor het functioneren van het gehele monetair-financieel stelsel is vertrouwen
  essentieel. Vertrouwen is geen eenvoudig begrip. Er zijn vele definities in omloop.
  Het wordt door Sobel (2002) gedefinieerd als de geneigdheid of bereidheid om het
  aan anderen over te laten om over jouw welzijn te beslissen. Vertrouwen wordt
  verdiend door betrouwbaarheid, het voldoen aan gerechtvaardigde verwachtingen.
  De mogelijkheid om onvrede te uiten is ook belangrijk voor vertrouwen. Wij kij-
  ken in dit rapport naar deze twee aspecten van vertrouwen. We vatten daarbij de
  betrouwbaarheid van het stelsel op als de dienstbaarheid, stabiliteit en rechtvaar-
  digheid van het stelsel. De mogelijkheid om met onvrede iets te doen gaat over
  invloed en legitimiteit.
  In dit hoofdstuk wegen we het huidige monetair-financieel systeem. Dit doen we
  aan de hand van de vier genoemde eigenschappen: dienstbaarheid aan de samen-
  leving (paragraaf 4.1), stabiliteit van het systeem (paragraaf 4.2), rechtvaardige ver-
  deling van baten, kosten en risico’s (paragraaf 4.3) en legitimiteit (paragraaf 4.4).
  De eerste drie doelen gaan over de uitkomsten van het monetair-financieel sys-
  teem. Het vierde doel betreft het proces en gaat over democratische invloed en
  verantwoording.
  Op basis van deze analyse signaleren we een aantal belangrijke problemen van het
  huidige systeem – problemen die ook worden genoemd door de voorstanders van
  een alternatief systeem van geldschepping. Dat roept de vraag op of deze proble-
  men allemaal terug te voeren zijn op ons systeem van geldschepping. Die vraag is
  niet eenvoudig te beantwoorden. In het huidige systeem zijn geld en schuld onlos-
  makelijk met elkaar verbonden. Geld bestaat voor een groot deel uit tegoeden bij
  banken en is zodoende gekoppeld aan het functioneren van banken. Vanwege deze
  verwevenheden zijn problemen die betrekking hebben op de manier waarop beta-
  len, sparen, kredietverlening en geldschepping in onze samenleving zijn georgani-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 108 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 109 ======================================================================

<pre>108   geld en schuld
      seerd, en specifiek welke rol banken hierbij spelen, niet goed van elkaar te scheiden.
      Bovendien spelen bij het ontstaan van belangrijke problemen – zoals bijvoorbeeld
      hoge schulden – veel verschillende factoren een rol. De in dit hoofdstuk besproken
      problemen zijn dan ook niet één-op-één te herleiden tot het huidige geldschep-
      pingssysteem. In hoofdstuk 5 en 6 bespreken we in hoeverre een ander systeem
      van geldschepping deze problemen zou kunnen oplossen.
4.1   dienstbaarheid
      Een dienstbare financiële sector draagt bij aan de ontwikkeling van een samen-
      leving, specifiek de economische ontwikkeling. Sinds de financiële crisis is er meer
      aandacht voor de vraag of de sector deze rol goed vervult. In deze paragraaf staan
      de functies betalen en financieren centraal. Eerst behandelen we het betalings-
      verkeer. Vervolgens staan zorgen over de omvang van schulden centraal. Ten slotte
      is de vraag in hoeverre deze schulden kunnen worden afgebouwd.
4.1.1 het betalingsverkeer
      Het betalingsverkeer is van cruciaal belang voor het functioneren van de samen-
      leving.2 De dienstbaarheid van het Nederlandse betalingsverkeer is op verschil-
      lende gronden te beoordelen. We bespreken hier kort vijf criteria: kosten, toegan-
      kelijkheid, gemak, veiligheid en betrouwbaarheid. Allereerst de kosten. Volgens
      verschillende studies zijn de totale kosten van het Nederlandse betalingsverkeer
      relatief laag vergeleken met andere landen: zij komen neer op ongeveer 0,92 pro-
      cent van het bbp (Schmiedel et al. 2012: 40). Daarbij zit Nederland vlak achter de
      top drie in Europa, die wordt gevormd door Denemarken, Zweden en Finland,
      waar de kosten ongeveer 0,80 procent van het bbp vormen. Ook zien we dat de
      kosten van het betalingsverkeer de laatste jaren afnemen. De kosten van contante
      betalingen zijn in Nederland wel toegenomen (van €0,30 per transactie in 2002
      naar €0,39 in 2009), maar de kosten van pinbetalingen namen juist sterk af, van
      €0,49 naar €0,33 (Jonker 2013). Omdat er een algehele verschuiving plaatsvindt
      van contante betalingen naar pinbetalingen – inmiddels betalen we het vaakst met
      pinpas (Jonker et al. 2018) – zijn de totale maatschappelijke kosten de afgelopen
      jaren naar alle waarschijnlijkheid afgenomen.
      Hoe zit het met de verdeling van deze kosten? In Nederland maakt de consument
      relatief weinig directe kosten: consumenten moeten vaak een bepaald bedrag beta-
      len voor het hebben van een bankrekening, maar betalen niet of nauwelijks voor
      transacties. In Europees vergelijkend verband behoort Nederland dan ook tot de
      landen waar de consument het minst betaalt voor het betalingsverkeer (London
      Economics et al. 2013: 53). De directe kosten komen terecht bij bedrijven en de
      banken zelf. Bedrijven maken kosten bij zowel contante betalingen als bij girale
      betalingen. Bij contante betalingen gaat het dan om bijvoorbeeld de kosten van
      transport, stortingen en beveiliging; bij girale betalingen gaat het om de kosten die
</pre>

====================================================================== Einde pagina 109 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 110 ======================================================================

<pre>                                   het monetair-financieel systeem gewogen          109
de bank hiervoor in rekening brengt. Hierbij moet uiteraard wel worden aangete-
kend dat banken diverse voordelen ontlenen aan hun positie binnen het betalings-
verkeer, waaronder de mogelijkheid om verschillende diensten te koppelen (zoals
kredietverlening en betaalrekeningen), de relatief lage rentes op betaaltegoeden en
de impliciete of expliciete overheidssteun voor banken (zie ook paragraaf 4.3).
Volgens een studie van McKinsey & Company (2006), in opdracht van de
Nederlandse Vereniging van Banken en De Nederlandsche Bank, wogen deze
opbrengsten in 2005 echter niet op tegen de kosten die banken maken voor het
onderhouden van het contante en girale betalingsverkeer.
Ten tweede is er de toegankelijkheid. De tarieven van een betaalrekening zijn laag,
dit bevordert het gebruik van de girale betaalinfrastructuur. De Nederlandse Vere-
niging voor Banken (nvb) heeft in 2001 een convenant gesloten met het Leger des
Heils en het ministerie van Financiën waarin werd vastgelegd dat iedereen van
18 jaar en ouder met een geldig identiteitsbewijs en een vaste verblijfplaats (of post-
adres bij een erkende hulpverlenings- of overheidsinstantie) moet kunnen
beschikken over een basisbetaalrekening (Louisse 2013). Tegenwoordig bestaat er,
mede op Europees initiatief, ook een wettelijke verplichting tot het aanbieden van
een betaalrekening (4:71f Wft). Alle consumenten die rechtmatig in de eu verblij-
ven dienen tegen een redelijke vergoeding toegang te hebben tot een betaalreke-
ning met basisfuncties.
Met de steeds dominantere rol van giraal betalingsverkeer zijn er wel zorgen op het
gebied van de toegankelijkheid van het contante betalingsverkeer (Maatschappelijk
Overleg Betalingsverkeer [mob] 2017b). Wat betreft de bereikbaarheid geldt dat
99,65 procent van alle Nederlanders toegang heeft tot een geldautomaat binnen
een straal van 5 km. Daarnaast zijn er vragen over het feit dat in bepaalde winkels
en bij bepaalde gemeenten alleen met pin kan worden betaald. Zeker wanneer het
gaat om publieke instanties waarvoor geen alternatief is, beneemt dat mensen de
mogelijkheid om met het wettig betaalmiddel te betalen (zie ook de Nationale
Ombudsman 2017). dnb heeft verschillende malen haar zorgen geuit over het
dalende gebruik van contant geld, al wordt dit nu nog wel op de meeste plaatsen
geaccepteerd (zie bijv. Voormeulen geciteerd in Bremmer 2018; dnb 2018c).
Ten derde speelt het betaalgemak. Zoals in het vorige hoofdstuk is aangestipt, is in
het betalingsverkeer sprake van constante innovatie. In Nederland waren het
vooral de publieke instanties – in het bijzonder de Postcheque en Girodienst en de
Gemeentegiro Amsterdam – die vooropliepen met het introduceren van vernieu-
wingen als geld- en betaalautomaten en het bevorderen van girale overschrijvin-
gen. Het betaalgemak voor de Nederlandse consument is ook vandaag de dag hoog,
mede dankzij innovaties zoals internetbankieren en contactloos betalen. Het is
</pre>

====================================================================== Einde pagina 110 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 111 ======================================================================

<pre>110   geld en schuld
      echter niet gemakkelijk om van bank te wisselen, omdat het eigen bankrekening-
      nummer niet kan worden meegenomen. Wel is er een overstapservice die een deel
      van dit ongemak wegneemt.
      Ten vierde is de veiligheid van belang. Volgens het Maatschappelijk Overleg Beta-
      lingsverkeer (mob 2017a) is het Nederlandse betalingsverkeer nu veiliger dan een
      aantal jaren geleden. Dit blijkt onder meer uit een daling van fraude bij girale beta-
      lingen, waaronder internetbankieren en het skimmen van bankpassen. Was in 2012
      de maatschappelijke schade van dit soort fraude nog rond de €81 miljoen, in 2016
      was dit gedaald tot €10 miljoen. Toch zijn er wel degelijk redenen tot zorgen.
      Vooral op het gebied van cybercriminaliteit valt te verwachten dat het een perma-
      nente opgave blijft om mensen te beschermen tegen online dreigingen. Naarmate
      we steeds meer gebruikmaken van internetbankieren en online betalingen, zullen
      criminelen zich ook steeds meer op dat circuit richten (cpb 2016; mob 2017b).
      Ten slotte is er de betrouwbaarheid, waarbij het gaat om verstoringen van het beta-
      lingsverkeer. Over het algemeen is de betrouwbaarheid goed, maar zoals de crisis
      liet zien is het betalingsverkeer kwetsbaar voor financiële instabiliteit: alleen dank-
      zij grootschalige interventies van overheden bleven de banken en daarmee ook
      hun connectie met de betalingsinfrastructuur overeind tijdens het hoogtepunt van
      de financiële crisis van 2008. Hiernaast lijken cyberproblemen het belangrijkste
      gevaar te vormen: banken hebben de laatste jaren te kampen met zware DDoS-
      aanvallen (Distributed Denial of Service), waarbij toegang tot internetbankieren
      wordt verstoord. Bovendien is de digitale betaalinfrastructuur afhankelijk van
      andere kritische infrastructuren zoals telecom en elektriciteit. dnb (2018d)
      noemde toenemende digitalisering en cyberaanvallen recent nog als een van de
      grootste risico’s. Deze risico’s worden alleen maar groter naarmate een verdere ver-
      schuiving van contant naar giraal geld plaatsvindt.
4.1.2 de omvang van schulden
      De hoeveelheid schulden in de wereld is historisch gezien uitzonderlijk hoog
      (Buttiglione et al. 2014).3 Ook in Nederland is de schuldenomvang de afgelopen
      decennia sterk gestegen. De totale omvang van de private schuld (consumenten,
      bedrijven en andere niet-financiële instellingen) steeg volgens bis-statistieken van
      minder dan 40 procent van het bbp in 1960 naar meer dan 250 procent nu. Dit is
      ook internationaal gezien hoog (zie figuur 4.1).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 111 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 112 ======================================================================

<pre>                                                    het monetair-financieel systeem gewogen             111
Figuur 4.1        Omvang uitstaande private schulden ten opzichte van bbp
350%
300%
250%
                                                                                        Nederland
200%                                                                                    Duitsland
                                                                                        Frankrijk
                                                                                        Italië
150%
                                                                                        Verenigd Koninkrijk
                                                                                        Verenigde Staten
100%
 50%
  0%
    1960 1965 1970 1975 1980 1985 1990 1995 2000 2005 2010 2015
Bron: bis total credit statistics. Private schuld gedefinieerd als schulden van huishoudens en bedrijven,
exclusief financiële spelers. Cijfers over de exacte omvang van schulden verschillen per databron. Cij-
fers van het cbs, Eurostat, de World Bank, imf en bis lopen sterk uiteen: het varieert voor 2016 bij-
voorbeeld tussen de 206% (World Bank), 231% (imf), 262% (Eurostat), 264% (cbs) en 289% (bis) van
het bbp. In de bis-gegevens zijn bedrijfsleningen niet geconsolideerd, wat betekent dat leningen bin-
nen concerns ook meetellen. Wij hebben in dit rapport voor deze bis-cijfers gekozen omdat dit de
langstlopende consistente en internationaal vergelijkende reeks is. Overigens geven, ondanks de ver-
schillen, alle reeksen dezelfde opwaartse trend weer.
           De sterke stijging van de private schuld is niet aan één oorzaak toe te schrijven. De
           wijze van geldschepping, waarbij banken bij het verstrekken van een lening geld
           creëren, zorgt in combinatie met financiële liberalisatie en deregulering voor
           beperkte begrenzing van kredietverlening. Ook financiële innovaties zoals het
           securitiseren van leningen dragen hieraan bij.4 De renteaftrek voor bedrijfsleven
           en hypotheken zorgt ervoor dat financieren met schulden relatief goedkoper is dan
           financieren met eigen vermogen. Het verplichte sparen via pensioenfondsen zorgt
           dat veel vermogen niet direct beschikbaar is en starters op de huizenmarkt relatief
           hoge schulden moeten aangaan.
           Voor de crisis werd de groei van leningen vooral als een positieve ontwikkeling
           gezien. In de economische wetenschap werd breed aangenomen dat een toename
           van kredietverlening (als percentage van het bbp) niet alleen positief gecorreleerd
           is met economische groei, maar deze zelfs in belangrijke mate veroorzaakt, hoewel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 112 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 113 ======================================================================

<pre>112 geld en schuld
    het empirische bewijs hiervoor beperkt was (Levine 1997; Bijlsma en Dubovik
    2014: 2). Daarnaast werd de stijging ook op niveau van individuen gezien als een
    positieve ontwikkeling. Er werd gesproken van democratisering van financiële
    dienstverlening. Toegang tot financiering was niet langer iets dat alleen was weg-
    gelegd voor het meest welvarende deel van de bevolking. Alle burgers zouden nu
    de kans hebben om zichzelf te ontwikkelen en hun toekomstige inkomens te
    vergroten (Debelle 2004; Rajan en Zingales 2004).
    Sinds de crisis is er veel meer aandacht voor de schaduwzijden van hoge private
    schulden. Er is inmiddels sprake van een nieuwe consensus over het verband tus-
    sen private schulden en economische groei: er kan ook sprake zijn van te veel
    schulden (Arcand et al. 2015; oeso 2015; Cecchetti en Kharroubi 2012; 2015). Uit
    recent onderzoek blijkt dat de relatie tussen kredietverlening en economische
    groei een ‘omgekeerde U-vorm’ heeft. Een land dat financieel onderontwikkeld is,
    heeft baat bij een toename van kredietverlening. Bij financieel ontwikkelde landen
    gaat dit verband echter niet meer op: hier kan een toenemende kredietverlening
    boven een zekere grens juist de economische groei remmen (Rousseau en Wachtel
    2011; Arcand et al. 2015). Waar die grens precies ligt valt niet makkelijk te zeggen.
    Wel concludeert de oeso (2015) dat de meeste oeso-landen – waaronder Neder-
    land – boven deze grens zitten en niet gebaat zijn bij een verdere stijging van pri-
    vate schulden (zie wrr 2016: 50-51).
    Bij de vraag of hoge private schulden in Nederland een probleem zijn, wordt snel
    verwezen naar de hoge betalingsmoraal. Het klopt dat er door banken in Nederland
    relatief weinig verliezen worden geleden op leningen. Het gaat ons hier echter om
    de macro-economische effecten van hoge schulden. Een hoog schuldenniveau
    brengt allereerst stabiliteitsrisico’s met zich mee. Een crisis wordt vaak vooraf-
    gegaan door een sterke kredietgroei (Borio 2012; Schularick en Taylor 2012;
    Drehmann et al. 2011). Wanneer er een crisis is, zorgen deze hoge schulden er ver-
    volgens ook voor dat het langer duurt om uit een crisis te geraken (Mian en Sufi
    2010; imf 2012: 96-100; imf 2016a; Liu en Rosenberg 2013).
    Daarnaast maken hoge schulden bestedingen volatieler. Uit een internationale ver-
    gelijking blijkt dat de volatiliteit van de Nederlandse consumptie van huishoudens
    hoog is ten opzichte van die in andere landen (Lukkezen en Elbourne 2015: 10).
    Door hoge private schulden en vastzittend spaargeld (pensioenen) wordt de
    ruimte voor consumptie in Nederland sterk beïnvloed door de ontwikkeling van
    huizenprijzen en variaties in de rente. In principe werkt dit twee kanten op: bij
    opwaartse bewegingen voelen huizenbezitters zich rijker en gaan zij minder spa-
    ren en meer uitgeven; bij neerwaartse bewegingen werkt dit andersom. Hierdoor
    neemt het procyclische karakter van de economie toe. Per saldo lijkt het effect van
    deze volatiliteit echter negatief te zijn (ser 2013; wrr 2016). Hetzelfde fenomeen
    doet zich voor in het bedrijfsleven. Wanneer schulden ten opzichte van het eigen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 113 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 114 ======================================================================

<pre>                                                   het monetair-financieel systeem gewogen               113
          vermogen groot zijn, zal ten tijde van conjuncturele neergang de continuïteit van
          een bedrijf eerder worden bedreigd, omdat op schuld altijd betaald moet worden,
          terwijl op eigen vermogen kan worden ingeteerd.
          Hoge schulden in de samenleving zijn dus nadelig voor economische ontwikke-
          ling. Verschillende auteurs wijzen erop dat niet alleen gekeken moet worden naar
          de omvang, maar ook naar de allocatie van krediet (zie box 4.1).
Box 4.1          Allocatie van krediet
  De hoge omvang van private schulden is een belangrijk probleem van deze tijd. Omvang zegt
  echter niet alles: het gaat ook om de vraag wie toegang heeft tot krediet en tegen welke prijs –
  dus de bestemming van het krediet. Volgens diverse auteurs is de allocatie van krediet ook
  cruciaal (Arcand et al. 2015; Beck et al., 2012; Cecchetti en Kharroubi, 2012, 2015; Bezemer 2017).
  Hierbij kunnen we onderscheid maken tussen kredietverlening aan huishoudens, bedrijven,
  publieke instellingen en financiële instellingen. In figuur 4.2 zien we dat in de afgelopen decennia
  het aandeel bedrijfsleningen en leningen aan publieke instellingen in de totale bankbalans is
  afgenomen. Het aandeel leningen aan huishoudens en financiële instellingen onderling nam
  juist sterk toe. Dit hangt sterk samen met de explosieve groei van hypotheekverstrekking en
  veranderingen binnen het financiële systeem.
  Volgens sommige auteurs heeft een dergelijke verschuiving van kredietverlening een negatief
  effect op economische ontwikkeling (zie bijvoorbeeld Turner 2015 voor een bespreking van de
  situatie in het Verenigd Koninkrijk; Bezemer en Muysken 2015; Jordá et al. 2014). Het is duidelijk
  dat sterke focus op hypotheekfinanciering en kredietverlening aan andere financiële instellingen
  schaduwzijden hebben. Hierbij geldt snel een zelfversterkend effect tussen kredietverlening en
  de prijzen van bezittingen, zoals huizen en aandelen, wat procyclische effecten heeft op de sec-
  tor en de economie (zie ook wrr 2016).
  Uit de relatieve verdeling van bancair krediet valt echter niet af te leiden of er ‘te weinig’ krediet
  naar het bedrijfsleven gaat. Als we kijken naar de omvang van leningen in termen van bbp, zijn
  banken in de afgelopen decennia niet minder gaan lenen aan het bedrijfsleven (op basis van dnb
  tabel 5.2.1). Bovendien financieren bedrijven zich ook op andere manieren, waarbij voor met
  name de grote bedrijven de kapitaalmarkten een optie zijn. Toch zijn er wel indicaties voor pro-
  blemen op dit gebied. Die zorgen spitsen zich vooral toe op de financiering van kleinere onder-
  nemingen. Er is sprake geweest van een algemene trend van relatiebankieren naar transactie-
  bankieren, waarbij kredietverlening meer gebeurt op basis van gestandaardiseerde criteria dan
  op basis van kennis van de klant of de bedrijfstak (Boot en Ratnovski 2016). Dit heeft positieve
  effecten maar betekent ook dat gemakkelijk meetbare indicatoren doorslaggevend worden, ter-
  wijl moeilijker te meten aspecten aan belang inboeten. Voor kleine bedrijven en ondernemers
</pre>

====================================================================== Einde pagina 114 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 115 ======================================================================

<pre>114         geld en schuld
    kan dit nadelig uitpakken. Bovendien zijn alternatieve financieringskanalen minder toeganke-
    lijk: voor bijvoorbeeld pensioenfondsen zijn mkb-leningen geen aantrekkelijke investerings-
    optie, met name door schaalproblemen (ser 2013; Europese Commissie 2013).
    Figuur 4.2        Allocatie van bankleningen
    Relatieve aandeel van kredietcategorieën in totale bankleningen
     100%
      90%
      80%
      70%
      60%
      50%
      40%
      30%
      20%
       10%
        0%
           1990             1995              2000               2005      2010               2015
               huishoudens          bedrijven          publieke sector financiële instellingen
    Bron: Samengesteld op basis van dnb-tabel 5.2.1.
4.1.3       afbouwen van schulden
            Onze huidige hoge private schulden zijn vanuit het oogpunt van stabiliteit en
            evenwichtige economische groei zorgelijk. Het verminderen van de uitstaande
            schuld waardoor de hefboom daalt – in jargon: deleveragen – lijkt voor de hand te
            liggen. Dit is in het huidige financiële systeem echter verre van eenvoudig. In
            Nederland zijn de totale private schulden zowel absoluut als relatief hoger dan
            voor de crisis. In absolute termen zijn zij gestegen van €1.400 miljard euro in juni
            2007, naar meer dan €2.000 miljard in 2017 (bis total credit statistics). Als percen-
            tage van bbp zijn de schulden in dezelfde tijd gestegen van rond de 230 procent
</pre>

====================================================================== Einde pagina 115 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 116 ======================================================================

<pre>                                                    het monetair-financieel systeem gewogen     115
          naar rond de 280 procent (zie figuur 4.3). Ondanks de toegenomen bewustwording
          van de risico’s van zo’n hoge schuldenlast, zijn de private schulden dus niet lager
          dan voor de crisis.
Figuur 4.3        Omvang van schulden in Nederland
Schulden private sector als percentage van het bbp
350%
300%
250%
200%
150%
100%
 50%
  0%
    1990        1993         1996       1999       2002      2005          2008     2011 2014 2017
                                    Huishoudens           Niet-financiële bedrijven
Bron: bis total credit statistics.
          Het is ook niet eenvoudig om na een crisis schulden af te bouwen. Wanneer huis-
          houdens en bedrijven hun schulden proberen af te betalen, daalt de beschikbare
          ruimte voor consumptie. Dit remt de economische groei, waardoor de werkloos-
          heid kan toenemen en paradoxaal genoeg de omvang van private schulden als
          percentage van het bbp juist kan toenemen. Bovendien kan het gepaard gaan met
          deflatoire (prijsverlagende) effecten, wat de economische groei nog verder belem-
          mert. Kortom, hoewel het afbetalen van schulden potentieel economische voor-
          delen heeft door verhoogde stabiliteit, kan dit op korte termijn de economie juist
          schaden (cf. Lo en Rogoff 2015; Mian en Sufi 2014; Pontuch 2014; Turner 2015).5
          Wanneer het afbetalen van schulden gebeurt door middel van overdracht van
          vermogen van ouders naar kinderen, is het negatieve effect op de consumptieve
          bestedingen minder groot.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 116 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 117 ======================================================================

<pre>116 geld en schuld
    Afbetalen is niet de enige manier om de schulden te verminderen. De andere
    opties hebben echter ook haken en ogen en zijn binnen het huidige systeem niet
    zonder meer inzetbaar. Na een crisis kan gekozen worden voor het herstructureren
    van schulden van huishoudens en bedrijven. Afhankelijk van hoe dit precies
    gebeurt, zou dit private schulden kunnen verminderen zonder dat dit direct leidt
    tot deflatie en lagere economische groei. Zo’n verlaging van schulden zou ook de
    basis kunnen vormen voor het aanzwengelen van consumptie en investeringen
    (Demertzis en Lehmann 2017). Het creëert echter verliezen voor kredietverstrek-
    kers en kan daarmee leiden tot financiële instabiliteit. Een optie is dat de overheid
    een actieve rol speelt in de herstructurering. In beide gevallen leidt dit tot herver-
    delingseffecten (schuldenaren worden bevoordeeld ten opzichte van niet-schulde-
    naren en kredietverstrekkers). Daarnaast is de vraag of het wel haalbaar zou zijn in
    ons internationaal verweven financieel systeem. Herstructurering tussen schulde-
    naren en schuldeisers binnen één enkel rechtssysteem is al een hele opgave (Rein-
    hart et al. 2015: 2) – wanneer zij echter over vele landen verspreid zijn, wordt die
    opgave nog vele malen groter.
    Het kan ook zo zijn dat de schuldenlast niet absoluut, maar relatief afneemt. Wan-
    neer de economie flink groeit maar de uitstaande schuld niet, vermindert dit de
    schuld als percentage van het bbp. Dit kan wanneer de groei wordt gefinancierd
    door middel van eigen vermogen en de brede geldhoeveelheid minder hard groeit
    dan de economie (omdat geldschepping steeds ook schuldcreatie is). De relatieve
    schuldenlast kan ook afnemen door inflatie. Dat veronderstelt op de lange termijn
    een grotere geldhoeveelheid. In ons huidige financiële systeem waar geldschepping
    voor het overgrote deel plaatsvindt door kredietverlening, gaat dit echter door-
    gaans juist gepaard met toenemende schulden – of deze geldgroei nu wordt veroor-
    zaakt door bancaire kredietverstrekking of door kwantitatieve verruiming.
    Er zijn manieren om de vraag aan te zwengelen zonder dat private schulden
    groeien. Dit kan allereerst door meer overheidsuitgaven en dus een stijging van
    publieke schulden. Bij monetaire financiering van overheidsuitgaven en ‘helikop-
    tergeld’ nemen ook de publieke schulden niet toe. Monetaire financiering betekent
    dat overheidsuitgaven direct worden gefinancierd door de centrale bank. Dit is
    echter momenteel verboden in het Verdrag betreffende de werking van de Euro-
    pese Unie (art 123). Bij ‘helikoptergeld’ stort de centrale bank nieuw gecreëerd geld
    direct op de rekeningen van huishoudens. Het is niet helemaal zeker dat helikop-
    tergeld ook onder het genoemde verbod op monetaire financiering valt. Ook deze
    opties roepen echter weer tal van vragen op, waar we later op in zullen gaan (zie
    subparagraaf 7.1.3). Duidelijk is echter wel dat het altijd een ingewikkelde opgave is
    om de schuldenlast te verminderen na een crisis en die opgave wordt niet makke-
    lijker wanneer er zoveel internationale verwevenheden bestaan. Een systeem van
    geldschepping waarin de creatie van geld en schuld onlosmakelijk met elkaar ver-
    bonden zijn, maakt het nog lastiger.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 117 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 118 ======================================================================

<pre>                                            het monetair-financieel systeem gewogen         117
4.2   stabiliteit
      Het tweede doel is stabiliteit. Financiële instabiliteit heeft brede maatschappelijke
      gevolgen. Wanneer een bank omvalt, zijn rekeninghouders hun geld kwijt of, voor
      zover hun tegoeden onder het depositogarantiestelsel vallen, kunnen zij hier tijde-
      lijk niet bij. Dit klinkt wellicht niet meteen dramatisch, maar omdat 90 à 95 pro-
      cent van onze geldhoeveelheid giraal is, kan een crisis bij een grote bank het voor
      miljoenen mensen en bedrijven onmogelijk maken om betalingen te doen en
      wordt daarmee de dagelijkse gang van zaken ernstig ontwricht. Obligatie- en
      aandeelhouders en houders van achtergestelde deposito’s6 zijn bovendien hun
      investering kwijt en de kredietverlening door de bank komt stil te liggen.
      Instabiliteit van het financiële systeem als geheel, zoals in 2008, heeft nog veel bre-
      dere effecten op de maatschappij. Naast de directe kosten zoals het redden van ban-
      ken, leidt een financiële crisis ook tot hoge indirecte kosten. Een crisis heeft een
      groot negatief effect op economische groei, bedrijfsinvesteringen en vertrouwen
      en gaat doorgaans gepaard met een groot welvaartsverlies. De werkloosheid neemt
      tijdens een crisis flink toe. Langdurige werkloosheid gaat gepaard met een verlies
      van kennis en expertise, wat op de langere termijn de negatieve economische
      gevolgen versterkt en mogelijk tot structureel hogere werkloosheid leidt (wrr
      2016: 160-1; Layard et al. 1991). Ook heeft een crisis negatieve gevolgen voor de
      publieke financiën (hier komen we in paragraaf 4.3 op terug). Overigens kan finan-
      ciële instabiliteit ook zonder een crisis in de reële economie nadelige economische
      gevolgen hebben: wanneer private bezittingen (zoals huizen) sterk in waarde dalen
      terwijl de verplichtingen (schulden) gelijk blijven, vormt dit een rem op economi-
      sche groei (Borio 2012; Turner 2014).
      In deze paragraaf kijken we eerst naar de stabiliteit van individuele banken en dan
      naar de stabiliteit van het systeem. Uiteraard zijn deze twee zaken innig verweven:
      de instabiliteit van een (systeem)bank kan het hele financiële systeem aan het wan-
      kelen brengen en andersom levert de instabiliteit van het financiële systeem ook
      grote problemen op voor individuele banken. Hierbij moet worden aangetekend
      dat het niet gaat over het streven naar de absolute stabiliteit van iedere individuele
      instelling. Juist voor de stabiliteit van het gehele systeem, kan het belangrijk zijn
      dat een instelling kan falen of kan worden geherstructureerd.
4.2.1 stabiliteit van individuele banken
      De fragiliteit van individuele banken hangt in belangrijke mate samen met de
      looptijdtransformatie en risicotransformatie die binnen een bank plaatsvinden.
      King (2016: 104) spreekt over de alchemie van de bankensector. Looptijdtransfor-
      matie en risicotransformatie hebben belangrijke voordelen in termen van beschik-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 118 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 119 ======================================================================

<pre>118 geld en schuld
    bare financiering en het rendement dat op spaargeld kan worden behaald, maar
    maakt banken ook inherent instabiel en gevoelig voor bankruns en schommelin-
    gen in de economie en financiële markten.
    Een bank kan niet onmiddellijk bij opvraging van girale tegoeden aan alle verplich-
    tingen die zij heeft voldoen: de bezittingen van een bank bestaan voor een signifi-
    cant deel uit langlopende leningen die niet direct liquide (te gelde) te maken zijn.
    In geval van problemen hebben mensen die hun geld als eerste ophalen meer kans
    om dat geld daadwerkelijk te krijgen dan mensen die later komen. Er bestaat dus
    het risico op een bankrun. Als mensen twijfelen of ze hun geld kunnen opnemen,
    gaan rekeninghouders massaal en gelijktijdig naar de bank. Er zijn diverse instru-
    menten om een bankrun te voorkomen. Centrale banken kunnen liquiditeitssteun
    verlenen. Veel landen hebben depositogarantiestelsels. Dit betekent dat rekening-
    houders ervan uit kunnen gaan dat hun tegoeden tot een bepaald bedrag gegaran-
    deerd zijn (in Europa momenteel €100.000).7
    Het risico op een bankrun is hiermee echter niet verdwenen. Depositogarantie-
    stelsels waarborgen vaak slechts bepaalde soorten tegoeden tot een bepaalde
    hoogte, en dekken derhalve maar een deel van de verplichtingen die banken heb-
    ben af (Cannas et al. 2014). De grote bedragen die professionele partijen beheren
    vallen niet onder het depositogarantiestelsel en worden vaak als eerste wegge-
    haald. Het risico bestaat dus nog steeds. We zullen de twee aspecten – looptijd-
    transformatie en risicotransformatie – die banken gevoelig maken voor dergelijke
    problemen nader bespreken.
    Looptijdtransformatie betekent dat de looptijd van de bezittingen van een bank
    (zoals een verstrekte lening) verschilt van de looptijd van de schulden (zoals een
    giraal tegoed of een lening op de geldmarkt). Een bank heeft bijvoorbeeld een
    hypotheek verstrekt met een looptijd van dertig jaar, terwijl het geld op de girale
    rekeningen op ieder moment opneembaar is en een lening op de geldmarkt al na
    een dag verloopt.
    Het verschil in looptijd tussen de bezittingen en de schulden van de bank, zorgt
    voor een liquiditeitsrisico. De bank moet de tegoeden van rekeninghouders
    onmiddellijk kunnen betalen, terwijl de schulden van anderen aan de bank voor
    een groot deel niet direct opeisbaar zijn. Dit betekent dat wanneer schuldeisers van
    de bank (rekeninghouders en verstrekkers van kortlopende leningen) in groten
    getale hun tegoeden weghalen, de bank niet voldoende centralebankreserves of
    andere liquide bezittingen in huis heeft om hieraan te voldoen. De bank moet dan
    een deel van haar bezittingen verkopen om hieraan te voldoen of bij de centrale
    bank tegen onderpand belenen (Bank of England 2013). Of dat lukt hangt af van de
    omvang van de liquiditeitsvraag en of de bank haar bezittingen gemakkelijk op de
    markt kan verkopen of belenen. In normale tijden zal dat minder een probleem
</pre>

====================================================================== Einde pagina 119 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 120 ======================================================================

<pre>                                     het monetair-financieel systeem gewogen          119
zijn dan tijdens een crisis. In een crisis drogen veel markten op en zij er geen
kopers voor de bezittingen of kan een bank haar bezittingen alleen verkopen tegen
een veel lagere prijs dan waarvoor zij in de boeken staan.
In de jaren voor de crisis was het verschil tussen de looptijd van de bezittingen en
de looptijd van de schulden sterk toegenomen. Een belangrijke reden hiervoor is
dat banken in de afgelopen decennia hun activiteiten meer en meer zijn gaan finan-
cieren door middel van kortlopende leningen op de geld- en kapitaalmarkten
(Brunnermeier et al. 2009). Individuele banken waanden zich beschermd tegen het
liquiditeitsrisico, omdat zij erop vertrouwden dat zij in geval van problemen altijd
een beroep konden doen op deze financieringsmarkten. De crisis maakte echter
duidelijk dat deze financieringsbron zomaar kan opdrogen, met een acuut liquidi-
teitstekort tot gevolg (Brunnermeier et al. 2009). Sinds de crisis is hier meer aan-
dacht voor, maar Nederlandse banken zijn in “internationaal perspectief nog steeds
relatief sterk afhankelijk van marktfinanciering, en daarmee kwetsbaar voor onrust
op financiële markten” (dnb 2017: 17).
Risicotransformatie betekent dat aan de ene kant van de balans risicovolle eigen-
dommen staan die in waarde kunnen fluctueren, terwijl aan de andere kant van de
balans schulden staan tegen een vast bedrag. De leningen die een bank heeft ver-
strekt en haar financiële bezittingen kunnen in waarde fluctueren, terwijl de bank
tegen een rekening waarop €1.000 staat altijd €1.000 moet kunnen geven, plus
eventuele rente.
Schommelingen in de waarde van de bezittingen kunnen door het eigen vermogen
van de bank tot op zekere hoogte worden opgevangen. Als het verlies op bezittin-
gen het eigen vermogen van de bank overstijgt, is de bank failliet. De solvabiliteit
van de bank bepaalt of de bank voldoende eigen vermogen heeft om schokken in
de waarde van de bezittingen op te vangen. De risico’s van insolvabiliteit en illiqui-
diteit zijn overigens aan elkaar gerelateerd en in tijden van crisis lang niet altijd
makkelijk uit elkaar te houden. Liquiditeitsproblemen kunnen snel overgaan in
solvabiliteitsproblemen en vice versa (Goodhart 2007).
Het aandeel eigen vermogen in de financiering van banken nam de afgelopen
decennia sterk af. De grote groei van bancaire balansen werd in steeds mindere
mate gefinancierd met eigen vermogen. Met andere woorden: het aandeel eigen
vermogen ten opzichte van de totale balans (hefboomratio) nam sterk af. Weinig
eigen vermogen maakt banken gevoeliger voor schokken en vergroot het procycli-
sche gedrag van banken. Bij lage ratio's zullen relatief beperkte verliezen (of
winsten) leiden tot een sterke balansverkorting (of -verlenging) (Schoenmaker en
Wierts 2015). Sinds de crisis is werk gemaakt van het verhogen van het eigen ver-
mogen van banken. Het is in Nederland gestegen van rond de 3 procent in 2007
naar rond de 6 procent vandaag de dag (dnb tabel 10.1).8 Elders in Europa is dit niet
</pre>

====================================================================== Einde pagina 120 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 121 ======================================================================

<pre>120   geld en schuld
      veel hoger (wrr 2016). Hoewel we dus een verbetering zien, is het eigen vermogen
      van banken nog steeds relatief laag. Ter vergelijking: bij mkb-bedrijven ligt het
      rond de 33 procent en bij het grootbedrijf rond 48 procent (Verhoeven et al. 2010).
4.2.2 systeeminstabiliteit
      De stabiliteit van het systeem is niet simpelweg de optelsom van de stabiliteit van
      individuele banken, zoals tijdens de crisis duidelijk werd. Het financiële stelsel
      heeft ook te maken met systeemrisico’s, doorgaans gedefinieerd als “het risico dat
      zich ontwikkelingen voordoen die het stelsel als geheel bedreigen, waardoor uit-
      eindelijk de economie forse schade oploopt” (dnb 2016a: 8). In de literatuur wordt
      voor analytische doeleinden hierbij een onderscheid gemaakt tussen kwetsbaarhe-
      den als gevolg van (1) de opbouw van grote onevenwichtigheden, zoals hoge schul-
      den en de ontwikkeling van zeepbellen; en (2) de structuur van de sector, zoals
      grote financiële instellingen (too big to fail) en wederzijdse afhankelijkheden (zie
      dnb 2016a; imf-fsb-bis 2016).
      Ten eerste: een financieel systeem zal altijd schokken kennen. Economische en
      financiële cycli gaan gepaard met perioden van collectief optimisme en pessi-
      misme. Zoals Rien Nagel (oud-bestuurder van de Rabobank) het beeldend formu-
      leerde: “Wij zijn als bank onderdeel van de kudde. Je kunt aan de rand van de
      kudde gaan lopen, maar niet te ver ernaast, daar is geen leven. Dus als iedereen
      dankzij gunstige economische ontwikkelingen opeens vijf keer een jaarsalaris gaat
      uitlenen als hypotheek, in plaats van de drie keer die jij nog als maximum hanteert,
      ga je vanzelf met de rest mee” (geciteerd in Keuning 2017).
      Toekomstverwachtingen van marktspelers zijn van groot belang voor het functio-
      neren van het financiële systeem, zowel in aanloop naar een crisis als daarna. Wan-
      neer een lening wordt verstrekt door een bank zit daar een element van verwach-
      ting in over toekomstige inkomstenstromen en, bij veel leningen, de waarde van
      het onderpand. De prijs van andere financiële instrumenten hangt ook af van ver-
      wachtingen over de toekomst. Een aandeel zakt in waarde als de verwachtingen
      over de winst de komende jaren naar beneden worden bijgesteld. Ook obligaties
      dalen in waarde wanneer de toekomst er minder rooskleurig uitziet.9
      Deze verwachtingen zijn niet alleen gebaseerd op berekeningen van bekende
      risico’s. Er is in de financiële wereld, zoals King in navolging van Knight en Keynes
      zegt, sprake van fundamentele onzekerheid (King 2016: 131). Risico’s kunnen bere-
      kend worden en daar kan een gefundeerde beslissing uit volgen. Bij onzekerheid
      kan men zich voor een beslissing alleen baseren op intuïtie, verhalen en sociale
      normen. Dit betekent dat veranderingen in perceptie of afnemend vertrouwen
      kunnen leiden tot heel andere oordelen en verandering in de bereidheid om finan-
      ciële bezittingen te kopen (King 2016: 150).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 121 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 122 ======================================================================

<pre>                                    het monetair-financieel systeem gewogen         121
In tijden van groot vertrouwen in de toekomst worden toekomstige inkomens
positief ingeschat, worden gemakkelijk leningen verstrekt (vanuit het perspectief
van een individuele bank kan het zelfs irrationeel zijn om dat niet te doen, zoals uit
bovenstaand citaat blijkt) en worden financiële bezittingen hoog gewaardeerd. De
positieve verwachtingen zorgen ook bij burgers en bedrijven tot een grotere
bereidheid om schulden op zich te nemen. Dit kan leiden tot een stijging van de
waarde van bezittingen zoals huizen en aandelen, wat weer het optimisme en de
waarde van het onderpand versterkt. Zo versterken de stijging van huizenprijzen
en kredietgroei elkaar. Dit alles draagt bij aan hogere winsten en groei, wat de
dynamiek nog verder versterkt. Er is sprake van hoogconjunctuur en een sterke
groei van kredietverstrekking.
Relatief kleine, onverwachte veranderingen zoals tegenvallende winsten kunnen
het algemene vertrouwen doen kantelen. Dit heeft mogelijk tot gevolg dat de
waarde van de financiële bezittingen van alle banken afneemt, er minder kopers
zijn voor bepaalde bezittingen en dat banken uiteindelijk in financiële problemen
kunnen raken. Veel spelers twijfelen dan aan de houdbaarheid van hun investerin-
gen en proberen bepaalde bezittingen te verkopen. Banken zullen in zo’n geval ook
minder bereid zijn om leningen te verstrekken en burgers en bedrijven zullen min-
der snel een lening aangaan. Huiseigenaren zien de waarde van hun huis dalen
maar hun hypotheekschuld niet. Zij voelen zich genoodzaakt de broekriem aan te
trekken, wat een verder negatief effect kan hebben op de financiële situatie. In het
ergste geval kan er paniek ontstaan; de voorheen positieve zelfversterkende effec-
ten werken nu in omgekeerde richting, maar veel heftiger. Er is sprake van grote
dalingen in de waarde van bezittingen in combinatie met het opdrogen van markt-
liquiditeit (Adrian en Shin 2008).10 Financiële instellingen raken in de problemen
omdat zij toegang tot financiering verliezen. Er ontstaat twijfel over de solvabiliteit
van financiële instellingen. Kortom, de hoogconjunctuur is omgeslagen in een
flinke crisis (Borio 2012; King 2016; zie wrr 2016).11
De afwisseling van collectief optimisme en pessimisme is een constante in de
geschiedenis. Het is niet realistisch om te verwachten dat we het systeem ooit
helemaal ‘stormvast’ kunnen krijgen. Wel moeten we ervan uit kunnen gaan dat
het financiële systeem schokken van enige omvang kan opvangen (Borio en Dreh-
mann 2009: 5). Door opgebouwde onevenwichtigheden en de structuur van de
sector is het probleem van systeeminstabiliteit vergroot. Financiële instabiliteit is
sinds de jaren zeventig een structureel probleem geworden, na decennia van afwe-
zigheid (Taylor 2012; wrr 2016: 70-71; zie figuur 4.4). De kans op schokken is flink
toegenomen, terwijl de schokabsorberende vermogens juist afnamen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 122 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 123 ======================================================================

<pre>    122                                                geld en schuld
    Figuur 4.4                                               De frequentie van bankencrises sinds 1800
                                                 70
                                                 60
Percentage van economieën met een bankencrisis
                                                 50
                                                 40
                                                 30
                                                 20
                                                 10
                                                 0
                                                      1800               1850                1900                   1950            2000
                                                               Economieën met een                   Economieën met een midden-
                                                               hoog inkomen                         en laag inkomen
                                                       De onevenwichtigheden in het huidige systeem blijken vooral uit een sterke groei
                                                       van schulden, zowel binnen de financiële als niet-financiële private sector (Schula-
                                                       rick en Taylor 2012; wrr 2016). Zoals hierboven uiteengezet zijn private schulden
                                                       flink gegroeid. Het beperkte eigen vermogen ten opzichte van deze schulden biedt
                                                       minder ruimte om schokken op te vangen. In de vorige subparagraaf bespraken we
                                                       al dat banken nog steeds weinig eigen vermogen hebben, ondanks verbeteringen
                                                       sinds de crisis. Ook bij bedrijven en burgers is de schuld in verhouding tot het
                                                       eigen vermogen de afgelopen decennia flink toegenomen (Schularick en Taylor
                                                       2012; wrr 2016). Dat betekent dat kleine economische schommelingen financiële
                                                       instellingen, bedrijven en consumenten snel in de problemen kunnen brengen.
                                                       Een financiële sector en een samenleving met weinig eigen vermogen zijn zeer
                                                       gevoelig voor schokken in het systeem (Bezemer en Muysken 2015; wrr 2016).
                                                       Naast de toegenomen schulden, speelt ook de veranderende structuur een rol bij
                                                       de toegenomen fragiliteit. Het gaat dan met name over de weggevallen schotten en
                                                       toegenomen uniformiteit. Door de liberalisering van internationale kapitaal-
                                                       stromen en de ontmanteling van andere barrières zijn voorheen primair nationaal
                                                       georiënteerde financiële systemen aanzienlijk geïnternationaliseerd. Deze finan-
                                                       ciële globalisering heeft belangrijke voordelen, maar zorgt wel voor een snelle
                                                       vertaling van lokale naar mondiale problemen en vice versa.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 123 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 124 ======================================================================

<pre>                                                   het monetair-financieel systeem gewogen              123
         Bovendien is sprake van een toename van verwevenheden tussen verschillende
         activiteiten. Waar in de naoorlogse periode financiële systemen nog waren geseg-
         menteerd in verschillende ‘compartimenten’, zijn scheidslijnen tussen verschil-
         lende typen financiële instellingen meer en meer verdwenen. Uiteenlopende
         financiële activiteiten staan op dezelfde balans en zijn zo met elkaar verweven
         geraakt. Hoewel op instellingsniveau deze spreiding van activiteiten het schok-
         absorberend vermogen kan vergroten, kan het systeem als geheel juist vatbaarder
         worden voor instabiliteit (Haldane 2009).12 Het feit dat de dagelijkse beweging in
         de aandelenkoersen van banken meer samenhangen dan die van bedrijven in
         andere sectoren, is een indicatie dat beleggers zich ook van deze systeemrisico’s
         bewust zijn (De Vries 2005; Muns en Bijlsma 2015).13 Daarnaast zijn financiële
         instellingen steeds meer met elkaar verweven geraakt. Het gaat hier niet alleen om
         banken onderling, maar ook over verwevenheid met andere financiële instellingen
         (zie box 4.2). Ten slotte zijn er instellingen ontstaan die zo omvangrijk of belang-
         rijk zijn voor het functioneren van het systeem, dat problemen bij deze instel-
         lingen een grote bedreiging voor het geheel vormen.
Box 4.2          Het schaduwbankwezen
  De crisis van 2007-2009 liet zien dat de bron van systeeminstabiliteit zich ook buiten het for-
  mele bankwezen kan bevinden. Volgens velen was in belangrijke opzichten sprake van een
  ‘shadow banking crisis’, waarbij de eerste problemen zich aandienden bij instellingen die strikt
  genomen geen bank waren (omdat ze geen bankvergunning hadden) en de problemen daarna
  pas oversloegen naar banken. Dit kan de suggestie wekken dat het gaat om een losstaand onder-
  deel binnen de financiële sector. Dat is echter niet het geval. Deze schaduwbankinstellingen
  waren nauw verweven met het bankwezen, doordat banken aan deze instellingen krediet of
  garanties hadden verstrekt, of doordat de instellingen juist banken financierden. Bovendien
  waren veel van de instellingen die tijdens de crisis in problemen raakten speciaal door banken
  opgezet om wet- en regelgeving te omzeilen.
  Er zijn uiteenlopende definities van wat wel en niet behoort tot het schaduwbankwezen. Een
  brede definitie ziet het als alle financiële instellingen die niet behoren tot het bankwezen,
  pensioenfondsen en verzekeringsinstellingen (zie bijvoorbeeld esrb 2018). Het nadeel van deze
  definitie is dat het veel verschillende instellingen op een hoop gooit die heel sterk van elkaar ver-
  schillen, zowel wat betreft activiteiten als wat betreft stabiliteitsrisico’s. De fsb (2015) hanteert
  dan ook een smallere definitie, waarin het alleen gaat om instellingen die activiteiten ontplooien
  en risico’s lopen die sterk lijken op de activiteiten en risico’s van banken (zoals kredietverlening
  op basis van kortlopende schulden). Dan gaat het bijvoorbeeld om instellingen die zich bezig-
  houden met securitisatie, ‘open-ended’ beleggingsfondsen en ‘broker dealers’.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 124 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 125 ======================================================================

<pre>124        geld en schuld
    Uiteraard heeft de gehanteerde definitie van het schaduwbankwezen veel invloed op de inschat-
    ting van de omvang ervan. Zo had met de brede definitie het Nederlandse schaduwbankwezen in
    2014 een balansomvang van €5.552 miljard (826% ten opzichte van het bbp), terwijl het met de
    smallere definitie €207 miljard was (31% ten opzichte van het bbp) (zie Van der Veer et al. 2015).
    Dit enorme verschil komt vooral door de vele ‘bijzondere financiële instellingen’ die in Neder-
    land staan geregistreerd – instellingen die door multinationals zijn opgezet vanwege het soepele
    belastingregime – maar niet binnen de smalle definitie van schaduwbankieren vallen en niet
    direct gelieerd zijn aan de bestaande banken.
    Vanuit het oogpunt van financiële stabiliteit zijn er drie belangrijke vragen: (1) Wat zijn de
    kwetsbaarheden binnen het schaduwbankwezen?; (2) Hoe vertalen die kwetsbaarheden zich
    (mogelijk via het reguliere bankwezen) naar de samenleving?; en (3) Welk beleid is nodig om
    deze kwetsbaarheden weg te nemen?. Na de crisis hebben beleidsmakers veel aandacht besteed
    aan deze vragen. Toch zijn er nog veel open vragen. Veel instellingen vallen nog altijd buiten de
    reikwijdte van beleid en toezicht en het begrip over de mogelijke kwetsbaarheden van verschil-
    lende instellingen is nog steeds beperkt. Uiteraard kan de groei van niet-bancaire financiële inter-
    mediatie bijdragen aan financiële stabiliteit en economische groei, maar de mogelijke risico’s
    moeten niet worden onderschat.
           Overigens zou een volgende financiële crisis ook uit een hele andere hoek kunnen
           komen. Denk bijvoorbeeld aan cyberaanvallen op cruciale onderdelen van het
           monetair-financieel systeem. Deze komen steeds vaker voor en worden gevaarlij-
           ker. Voor banken is cybersecurity inmiddels een topprioriteit (bis 2014b: 1). Cyber-
           risico’s kunnen een bedreiging vormen voor het totale systeem en net als financiële
           risico’s worden deze risico’s vergroot door de grote verwevenheden binnen het
           financiële systeem (Bank of England 2015).
4.3        rechtvaardigheid
           Een belangrijke eis aan het monetair-financieel systeem is rechtvaardigheid. Recht-
           vaardigheid gaat over de verdeling van kosten, baten en risico’s. Wie ontvangen de
           baten, bij wie slaan de kosten neer en hoe zijn de risico’s verdeeld?
           Een eerste vraag vloeit voort uit de instabiliteit van het financiële systeem. Er zijn
           zeer grote publieke kosten verbonden aan financiële crises. Dit betreft zowel directe
           kosten (bijvoorbeeld de kosten om financiële instellingen te redden) als indirecte
           kosten (werkloosheid, verslechtering van overheidsfinanciën). Een tweede vraag
           betreft de financiële voordelen die banken genieten door overheidsbeleid, de
           bijzondere positie die zij in het betalingsverkeer innemen en scheve concurrentie-
           verhoudingen. Ten slotte zijn er vragen over de verdeling van de kosten, baten en
           risico’s van toegenomen schulden.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 125 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 126 ======================================================================

<pre>                                           het monetair-financieel systeem gewogen        125
4.3.1 de publieke kosten van een crisis
      De winsten van voor de crisis zijn voor de bank, de kosten van de crisis voor de
      overheid en de burger, zo klonk het na de crisis.14 In hoeverre klopt die bewering?
      We gaan eerst in op de kosten van een crisis en daarna op de baten in de periode
      voor de crisis.
      Zoals in de vorige paragraaf beschreven hebben financiële crises grote economische
      en maatschappelijke gevolgen: denk aan verlies van vermogen, bedrijfsfaillisse-
      menten, toenemende werkloosheid en huisuitzettingen. Vandaar dat de overheid
      tijdens een crisis op verschillende manieren ingrijpt om het systeem overeind te
      houden en te zorgen dat de crisis niet verergert. Zij doet dat via liquiditeits- of
      kapitaalinjecties, het overnemen van probleemleningen, het afgeven van garanties
      of zelfs het nationaliseren van financiële instellingen.
      Het idee dat een overheid tijdens een crisis dient in te grijpen om erger te voor-
      komen is niet nieuw. De garantie die de overheid daarmee, impliciet of expliciet,
      afgeeft is in de afgelopen decennia echter sterk in omvang gegroeid. Ten eerste is de
      omvang van banken als percentage van het bbp flink toegenomen (esrb asc
      2014: 7). De groei van het schaduwbankwezen en de verwevenheid daarvan met
      banken betekent ook dat toezichthouders zich steeds meer zorgen moeten maken
      over de stabiliteit van financiële instellingen die strikt genomen geen bank zijn. Zo
      bleek de val van Lehman Brothers in september 2008 de aanleiding voor een
      wereldwijde crisis. Daarom heeft geen overheid daarna nog overwogen een
      belangrijke financiële instelling failliet te laten gaan.15
      Tijdens de crisis zagen we welke enorme omvang deze garantstelling feitelijk had
      aangenomen. De overheid had praktisch geen andere keuze dan omvangrijke
      financiële steun te verlenen. Dat zijn de directe kosten van een crisis. De omvang
      van de door de Nederlandse staat verleende steun aan banken (in de vorm van
      kapitaalinjecties, overnemen van problematische financiële bezittingen en garan-
      ties) bedroeg 27,3 procent van het bbp (dnb 2011), wat ongeveer neerkomt op €174
      miljard.
      Vanzelfsprekend betekent staatssteun niet meteen verliezen voor de overheid: in
      het geval van de aankoop van aandelen of de overname van probleemleningen ver-
      krijgt de overheid financiële bezittingen die op termijn iets kunnen opleveren. Op
      de garantstelling voor de ing heeft de staat bijvoorbeeld voordeel behaald (Alge-
      mene Rekenkamer 2016). Garanties hoeven bovendien niet altijd ingeroepen te
      worden. Toch zijn de netto kosten van steun vaak substantieel (imf 2015). Dit was
      niet anders bij de crisis van 2007-2009. Tussen 2008 en 2014 liepen de directe ver-
      liezen van eurozone-overheden op hun steun aan financiële instellingen op tot een
      bedrag van 4,7 procent van het bbp, grofweg €470 miljard. Dit bedrag kwam dan
      bovenop de bestaande staatsschuld. Daarbij waren er overigens behoorlijke ver-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 126 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 127 ======================================================================

<pre>126 geld en schuld
    schillen tussen landen, met als uitschieters Ierland (30 procent bbp), Griekenland
    (22 procent bbp) en Cyprus (19 procent bbp). Nederland lag met verliezen van
    4,8 procent van het bbp rond het gemiddelde (ecb 2015). De directe overheids-
    steun betekende dus een flinke verslechtering van de overheidsfinanciën in de
    vorm van een sterk oplopende staatsschuld.
    Naast de directe kosten brengt een crisis voor de overheid ook indirecte kosten met
    zich mee. Door een recessie, faillissementen en oplopende werkloosheid verslech-
    teren de overheidsfinanciën, zowel vanwege misgelopen belastinginkomsten als
    door hogere socialezekerheidsuitgaven. Tijdens een recessie houden burgers en
    bedrijven hun hand stevig op de knip, waardoor de overheid kan besluiten tot het
    stimuleren van de economie door het vergroten van overheidsuitgaven, wat (in
    ieder geval op korte termijn) de overheidsfinanciën verslechtert.
    Hoewel de directe kosten van het redden het meest zichtbaar zijn, zijn de indirecte
    kosten veel hoger (Turner 2015: 82; wrr 2016: 160; ecb 2015). De werkloosheid
    verdubbelde van 3,7% net voor de crisis (2008) naar 7,4% in 2014 (cbs). De Neder-
    landse overheidsschuld liep op van 260 miljard in 2006 naar 450 miljard in 2014
    (cbs). Kijken we naar de landen uit de eurozone, dan nam van de schuld als per-
    centage van het bbp toe met 27 procentpunten, waarvan dus slechts 4,7 procent-
    punten voortkwamen uit directe kosten.16 In Nederland nam de totale overheids-
    schuld toe met ongeveer 25 procentpunten en lag daarmee rond het gemiddelde.
    Ierland (86 procentpunten), Griekenland (73 procentpunten), Spanje (62 procent-
    punten) en Cyprus (53 procentpunten) waren de negatieve uitschieters (ecb 2015).
    In figuur 4.5 zien we hoe ook in andere eu-landen de overheidsschulden flink
    toenamen na de financiële crisis.
    De maatschappelijke onvrede over de hoge kosten van de crisis was – en is – hoog.
    Deze onvrede werd tevens gevoed door het gevoel dat een disproportioneel deel
    van de baten van de financiële hausse bij een relatief kleine groep lag, werknemers,
    managers en aandeelhouders in de financiële sector. Toch profiteren niet alleen
    bankiers van de hoogconjunctuur; ook overheden, bedrijven en burgers hebben
    profijt.17 Het is lastig om precies te berekenen bij wie de baten van een financiële
    hausse terechtkomen. Voor overheden is deze berekening wel gemaakt. Een hoog-
    conjunctuur voorafgaand aan een financiële crises heeft ook een positief effect op
    de overheidsfinanciën. De negatieve effecten van een financiële crisis overtreffen
    de daaraan voorafgaande positieve effecten echter substantieel. Per saldo zijn lan-
    den slechter af (imf 2015: 13-15).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 127 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 128 ======================================================================

<pre>                                                                                             het monetair-financieel systeem gewogen                                            127
Figuur 4.5                  Overheidsschulden eu-landen
Percentage bbp
200%
180%
160%
140%
                                                                                                                                                                 Nederland
120%
                                                                                                                                                                 Duitsland
                                                                                                                                                                 Spanje
100%                                                                                                                                                             Italië
                                                                                                                                                                 Verenigd Koninkrijk
                                                                                                                                                                 Ierland
80%
                                                                                                                                                                 Griekenland
                                                                                                                                                                 Cyprus
60%                                                                                                                                                              Eurozone
40%
20%
 0%
       1995   1996   1997   1998   1999   2000   2001   2002   2003   2004   2005   2006   2007   2008   2009   2010   2011   2012   2013   2014   2015   2016
Bron: Eurostat data (2018)
              Voor de crisis verdienden werknemers in de financiële sector (zelfs als gecorrigeerd
              wordt voor opleidingsniveau) substantieel meer dan werknemers in andere secto-
              ren. Dit geldt helemaal als gekeken wordt naar de vergoedingen voor het manage-
              ment (Philipon en Reshef 2012; Denk 2015). Ook eigenaren van banken beleefden
              gouden tijden; door winstuitkeringen en de inkoop van eigen aandelen streken zij
              flinke bedragen op (zie ook Haldane et al. 2010). Het beeld dat winsten privaat zijn
              en de verliezen publiek is echter te zwart-wit: de baten reiken verder dan het bank-
              wezen en ook direct betrokkenen hebben verliezen geleden. Toch zit er een kern
              van waarheid in het idee dat baten voor een belangrijk deel bij de sector terechtko-
              men, terwijl de kosten breed gedragen worden (wrr 2016).
              Na de crisis zijn diverse maatregelen genomen om deze problematiek te verminde-
              ren. De belangrijkste daarvan, de Europese Bank Recovery and Resolution Directive
              (brrd), beoogt om in geval van crisis de directe kosten voor de overheid en dus de
              gehele bevolking te verlagen. De kosten voor het redden van een bank dienen
              voortaan hoofdzakelijk bij aandeelhouders, obligatiehouders en grote spaarders
              komen te liggen. Pas in allerlaatste instantie kan een beroep worden gedaan op
              publieke steun. Dit is een belangrijke maatregel, maar wel een die zich nog in de
              praktijk moet bewijzen (zie hoofdstuk 7).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 128 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 129 ======================================================================

<pre>128   geld en schuld
4.3.2 financiële voordelen voor banken
      De financiële sector heeft diverse financiële voordelen die andere sectoren niet toe-
      komen. Volgens dnb (2015c: 31) profiteren Nederlandse banken “van een veelheid
      aan […] subsidies, die in belangrijke mate voortkomen uit de fiscaliteit”. Volgens
      dnb leiden dergelijke subsidies tot “overaanbod en lagere welvaart”, aangezien
      activiteiten “alleen moeten worden gesubsidieerd wanneer zij anders minder wor-
      den aangeboden dan maatschappelijk wenselijk is.” De voordelen die banken
      genieten kunnen leiden tot een grotere financiële sector dan maatschappelijk
      wenselijk is.
      Om wat voor soort steun gaat het? Doordat banken veel schuldfinanciering hebben
      (betaal- en spaartegoeden van mensen en bedrijven en andere schulden), hebben
      zij meer baat bij de renteaftrek op vreemd vermogen (schuld) dan gewone bedrij-
      ven dat hebben. Ook is de vraag naar leningen bij bedrijven groter dan deze zou
      zijn zonder de renteaftrek. Dit gaat niet per definitie om bankleningen. De hypo-
      theekrenteaftrek zorgt ervoor dat mensen een hogere hypotheek kunnen nemen
      dan zij anders zouden kunnen betalen en zorgt dus ook voor een verhoogde vraag
      naar bankleningen. Dit is ook een indirecte steun voor de sector. De btw-vrijstel-
      ling die de financiële sector net als het onderwijs en de gezondheidszorg geniet,
      zorgt ervoor dat de vraag naar bancaire diensten groter is dan zonder die vrijstel-
      ling (Bettendorf en Cnossen 2014).18 Fiscaal gefaciliteerd sparen, de overheids-
      garantie voor mkb-kredieten, de nationale hypotheekgarantie en de koopstarters-
      regelingen zijn andere vormen van indirecte steun aan de bankensector (zie dnb
      2015c: 31-33). Hoewel deze zaken de banken indirect steunen, zijn zij niet met dit
      oogmerk ingesteld en dienen zij andere beleidsdoelen.
      Daarnaast ontvangen banken impliciet of expliciet overheidssteun met het oog op
      het maatschappelijke belang van de sector. Zoals eerder beschreven heeft de finan-
      ciële sector belangrijke functies op het gebied van betalen, financieren en verzeke-
      ren en heeft het omvallen van banken grote negatieve effecten. Sommige banken
      zijn hierdoor te groot om failliet te laten gaan. Tijdens een crisis worden banken
      dan ook op verschillende manieren ondersteund (zie vorige paragraaf ). Ook wor-
      den de tegoeden van rekeninghouders tot een bepaald bedrag gegarandeerd.19 Deze
      impliciete en expliciete overheidsgarantie betekent dat mensen en bedrijven bereid
      zijn een lagere rente op banktegoeden en andere leningen aan banken te accepteren
      dan wanneer zij meer risico zouden lopen (zie oeso 2012). Dit laatste punt raakt
      aan het bredere vraagstuk over de financiële voordelen voor commerciële banken
      vanwege hun rol als geldscheppende instellingen (zie box 4.3).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 129 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 130 ======================================================================

<pre>                                                   het monetair-financieel systeem gewogen              129
Box 4.3          Geldscheppingsinkomen voor banken?
  In de Kamermotie waarin de wrr wordt verzocht om onderzoek te doen naar geldschepping
  (Kamerstukken ii, 2015-2016, 34346, nr. 19) wordt expliciet gevraagd om in te gaan op ‘de
  omvang van de geldscheppingswinst’. Geldscheppingswinst (ook wel ‘seigniorage’ of ‘sleischat’
  genoemd) wordt traditioneel gezien als het verschil tussen de productiekosten van geld en de
  waarde daarvan in het maatschappelijk verkeer. Wanneer de overheid een biljet van 10 euro
  maakt en de productiekosten zijn 10 cent, dan is de geldscheppingswinst bij de besteding ervan
  €9,90. Overigens ligt hieraan wel een beperkte opvatting over de kosten aan ten grondslag. De
  kosten van het generen van het maatschappelijk vertrouwen dat nodig is om een stukje papier
  als geld te laten functioneren zijn veel breder dan enkel de productiekosten. Geld vereist immers
  tal van instituties, denk bijvoorbeeld aan een goed functionerend juridisch stelsel en een
  centrale bank (Giannini 2011: 14-15).
  De traditionele benadering van geldscheppingswinst biedt weinig handvatten om de financiële
  voor- en nadelen van geldschepping in ons huidige stelsel te bepalen. Het heeft immers betrek-
  king op een vorm van geldschepping – de overheid maakt geld en geeft het zelf uit – die binnen
  de eu verboden is. Geld wordt tegenwoordig door commerciële banken en centrale banken
  gecreëerd wanneer zij leningen verstrekken of financiële bezittingen aanschaffen, waarbij de
  commerciële banken doorgaans verreweg het meeste geld creëren. Zij besteden dit geld echter
  niet zelf, maar stellen het ter beschikking aan de lenende partij in de vorm van een banktegoed.
  Omdat het traditionele perspectief dus weinig aanknopingspunten biedt is het interessant om te
  bezien of er ook andere manieren zijn om na te denken over de voordelen die deze spelers ontle-
  nen aan het feit dat zij geldscheppende instellingen zijn. In de wetenschappelijke literatuur is er
  vooral aandacht voor geldscheppingswinst bij publieke instellingen (de centrale banken), maar
  weinig aandacht voor deze winst bij private instellingen (de commerciële banken). Volgens eco-
  nomen verbonden aan de New Economics Foundation en de Copenhagen Business School
  (Bjerg et al. 2017; Macfarlane et al. 2017) bestaat de private geldscheppingsopbrengst uit het finan-
  cieringsvoordeel dat banken hebben doordat zij giraal geld kunnen creëren. De onderzoekers
  berekenen dit voordeel door de rente die banken betalen op girale tegoeden te vergelijken met de
  rente die banken zouden moeten betalen wanneer zij zich op een andere wijze zouden moeten
  financieren (de alternatievekostenmethode).
  Dit levert een relatief eenvoudige methode om de opbrengsten uit geldschepping te berekenen:
  we kijken naar de rente die banken betalen over de girale tegoeden en vergelijken die met de
  rente die banken anders zouden hebben moeten betalen (Bjerg et al. 2017). Er zijn echter drie
  belangrijke tekortkomingen aan deze methodiek. Ten eerste is het niet gemakkelijk te bepalen
  wat de rente is die banken ‘anders hadden moeten betalen’. Kijken we naar rentes die banken op
  andere schulden moeten betalen? Of kijken we naar de rentes die andersoortige instellingen
  (financiële of zelfs niet-financiële) moeten betalen over hun schulden? En welke looptijd han-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 130 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 131 ======================================================================

<pre>130         geld en schuld
    teren we dan voor de schulden: kort of lang? Ten tweede houdt deze benadering maar zeer
    beperkt rekening met de kosten. Het feit dat banken voor financiering door middel van girale
    tegoeden een hele betaalinfrastructuur in de lucht moeten houden krijgt in deze benadering bij-
    voorbeeld geen aandacht. De kosten van deze financiering zijn hoger dan alleen de rentevergoe-
    dingen. Daar komt bij dat het aanbieden van bankrekeningen zo verweven is met de rest van de
    activiteiten, dat het lastig is om hier specifieke kosten aan toe te wijzen.20 Ten slotte zegt het
    financieringsvoordeel nog niets over bij wie dat voordeel terechtkomt: is het bij de kredietne-
    mers van de bank (lagere rente op bankleningen), de werknemers (hoger loon) of de eigenaren
    (hoger dividend)?
    Dit alles betekent uiteraard niet dat banken geen financiële voordelen behalen uit hun geldschep-
    pende rol. Voor de samenleving als geheel is de cruciale vraag echter niet zozeer welk deel van de
    bancaire inkomsten gezien moet worden als de ‘geldscheppingsopbrengst’, maar in hoeverre
    banken door hun onmisbare rol of door sterke concentratie in de sector een te groot deel van de
    ‘taart’ krijgen. Zoals uit diverse studies blijkt, laat de concurrentie in het Nederlandse bank-
    wezen in een aantal opzichten te wensen over (zie dnb 2015c; acm 2014). Volgens dnb (2015c:
    41) vloeit dit voort uit de kenmerken van ons bankwezen, namelijk een “hoge marktconcentra-
    tie, toetredingsbarrières en moeilijk vergelijkbare producten”. Banken hebben daarbij voordelen
    van verschillende impliciete en expliciete overheidsgaranties, zoals hierboven vermeld (esrb
    asc 2014; oeso 2015). Deze kenmerken suggereren dat sprake is van bancaire overwinsten (zie
    ook wrr 2016: 39). Een focus daarop lijkt logischer dan een focus op bancaire geldscheppings-
    winst.
    Voor het bepalen van de opbrengst van publieke geldschepping (de uitgifte van bankbiljetten en
    centralebankreserves) wordt doorgaans niet gewerkt met deze ‘alternatievekostenmethode’.
    Binnen de eurozone wordt gewerkt met het concept ‘monetair inkomen’. Het gaat hier om de
    rente-inkomsten die de nationale centrale banken verdienen bij het implementeren van mone-
    tair beleid: het verschil in inkomsten op een deel van hun bezittingen en uitgaven op een deel
    van hun schulden. Wat betreft bezittingen gaat het om leningen aan commerciële banken en
    bepaalde waardepapieren, zoals obligaties die in het kader van kwantitatieve verruiming zijn
    aangekocht. Wat betreft schulden gaat het om centralebankreserves en contant geld. Het mone-
    taire inkomen van alle nationale centrale banken wordt opgeteld en volgens een verdeelsleutel
    aan de centrale banken uitgekeerd. Voor dnb bedroegen de monetaire inkomsten over de
    periode 2002-2017 gemiddeld 770 miljoen euro per jaar (gemiddeld ongeveer 0,12 procent van
    het bbp).21 Dit monetaire inkomen vormt samen met de inkomsten op andere uitzettingen het
    totale inkomen van dnb. Na aftrek van uiteenlopende kosten en voorzieningen wordt de winst
    uitgekeerd aan de Nederlandse overheid.
            Banken en de diensten die zij aanbieden worden dus via een aantal kanalen onder-
            steund. Daarmee is echter nog niet gezegd bij wie die voordelen terechtkomen. Het
            kan zijn dat de voordelen doorwerken in rente die consumenten betalen en
</pre>

====================================================================== Einde pagina 131 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 132 ======================================================================

<pre>                                    het monetair-financieel systeem gewogen         131
krijgen. Door sterke concentratie van veel financiële sectoren, met name die in
Nederland, valt echter te betwijfelen in hoeverre financiële instellingen deze voor-
delen volledig doorgeven aan klanten. De oeso (2015) stelt dat hoge impliciete
steun in belangrijke mate bijdraagt aan de “financial sector wage premia”, oftewel
het feit dat medewerkers van financiële instellingen substantieel meer verdienen
dan werknemers bij niet-financiële instellingen met een vergelijkbaar profiel (leef-
tijd, opleiding, etc.).
Daar komt bij dat ook binnen de financiële sector de baten ongelijk zijn verdeeld.
De financieringsvoordelen komen vooral terecht bij systeemrelevante instellingen.
Omdat de overheid feitelijk geen andere keuze heeft dan het redden van banken
die cruciaal zijn voor het systeem, kunnen deze banken eigenlijk niet failliet gaan.
Het gaat hier om het too big to fail-probleem. De omvang van dit voordeel voor
systeembanken wordt door het cpb rond de 0,4 procent van het bbp geschat
(Bijlsma en Mocking 2013). Dit komt neer op een jaarlijks bedrag van ongeveer
€2,5 miljard. De oeso (2012) schat het nog hoger in, op ongeveer 0,5 procent van
het bbp. Dit voordeel ontstaat bijvoorbeeld doordat kredietbeoordelingsbureaus de
impliciete overheidssteun vertalen in een hogere kredietwaardigheid voor de sys-
teeminstellingen, wat leidt tot lagere rentekosten (dnb 2018e: 47) en daarmee een
financieringsvoordeel.
Het feit dat grote banken weten dat ze uiteindelijk gered worden, leidt er ook toe
dat zij meer risico nemen (Adfonso et al. 2014; Carney 2014: 9). Zij durven risico-
vollere schulden aan te gaan en te opereren met een lagere hefboomratio. Dit kan
een zelfversterkend effect hebben, waardoor deze cruciale instellingen steeds gro-
ter worden (Liikanen Report 2012: 23).
Beleidsmakers hebben sinds de crisis diverse maatregelen genomen om het too big
to fail-probleem te reduceren. Zij kozen hierbij voor een ontmoedigingsbeleid:
door heffingen of belastingen proberen zij de voordelen van systeemrelevantie
tegen te gaan. Europese bankenregelgeving bepaalt dat toezichthouders systeem-
relevante instellingen hogere kapitaaleisen kunnen opleggen, wat in de praktijk
ook wordt toegepast. Het idee is dat banken dit ervaren als een ‘belasting’ op sys-
teemrelevantie, en de hogere eis zou tegelijkertijd ervoor moeten zorgen dat het
risico op het falen van deze instellingen vermindert. Beleidsmakers zijn een meer
directe aanpak, bijvoorbeeld het opsplitsen van banken in verschillende onderde-
len, uit de weg gegaan. Een Europees plan om bepaalde cruciale onderdelen van de
bank te ‘omheinen’ zodat, in geval van nood, die delen eenvoudiger te redden zijn,
is inmiddels van tafel. Wel stellen toezichthouders resolutieplannen op voor ban-
ken, wat het makkelijker moet maken om deze banken in geval van problemen af te
wikkelen of een specifiek onderdeel in leven te houden. De too big to fail-proble-
matiek is dus geadresseerd, maar niet verdwenen. Volgens G30-directeur Mackin-
tosh (2014: 410): “If a major international bank once again teeters on the brink of
</pre>

====================================================================== Einde pagina 132 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 133 ======================================================================

<pre>132   geld en schuld
      collapse, no one in finance believes they would be allowed to fail.” De recent uitge-
      sproken voorkeur van ecb om nog grotere banken te creëren, helpt hier ook niet bij
      (Nouy 2018).
4.3.3 baten en lasten van toegenomen schulden
      Ten slotte zijn er vragen over hoe de baten, kosten en risico’s van toenemende
      financiering door schulden verdeeld worden. In theorie zou dit kunnen duiden op
      een ‘democratisering van financiële dienstverlening’, waarbij ook minder wel-
      varende burgers de mogelijkheid krijgen om financiering aan te trekken en zo hun
      leven naar eigen inzicht vorm te geven (cf. Beck 2011). Uiteraard is goede toeganke-
      lijkheid van veilige en betaalbare financiële producten essentieel. In de praktijk zijn
      er echter ook risico’s verbonden aan deze ‘financialisering’ van de samenleving.
      Diverse studies suggereren dat dit ook kan bijdragen aan toenemende economi-
      sche ongelijkheid (oeso 2015). Om preciezer te zijn: toenemende economische
      ongelijkheid en een hoge groei van financiële dienstverlening kunnen elkaar
      wederzijds versterken (cf. Turner 2015: 119-124; oeso 2015).
      De redenering gaat als volgt. Mensen met hoge inkomens en meer bezittingen pro-
      fiteren aanzienlijk meer van de mogelijkheid tot lucratieve beleggingen en het aan-
      trekken van goedkope financiering (oeso 2015: 24). Mensen met lagere inkomens
      en weinig bezittingen hebben daarentegen vaker hogere rentelasten (in verhou-
      ding tot hun inkomen), moeten zich dieper in de schulden steken en verliezen eer-
      der hun baan en inkomsten tijdens een economische neergang. Wanneer mensen
      in de problemen komen met het afbetalen van leningen en meer moeten lenen om
      rond te kunnen komen, wordt het probleem alleen maar erger (Turner 2015: 123).
      Bovendien kunnen hoge schulden leiden tot meer stress en zorgen, met negatieve
      effecten op iemands gedrag en diens economische situatie. Dit draagt weer bij aan
      de schuldenproblematiek. Kortom, terwijl toegang tot krediet burgers kan helpen
      bij het naar eigen inzicht vormgeven van hun leven, doen problematische schul-
      den hier juist afbreuk aan (Tiemeijer 2016; wrr 2017).
      Deze schuldenproblematiek lijkt vooral te spelen in landen als het Verenigd
      Koninkrijk en de Verenigde Staten; in deze landen lenen relatief veel mensen voor
      private consumptie en zijn socialezekerheidsvoorzieningen sober (Mian en Sufi
      2014). Toch is er ook in Nederland een groeiend aantal huishoudens met problema-
      tische schulden; inmiddels meer dan een half miljoen. Het komt geregeld voor dat
      mensen door problematische schulden onder het bestaansminimum uitkomen
      (Tiemeijer 2016). Het aantal aanvragen voor de schuldhulpverlening loopt nog
      altijd op (zie figuur 4.6). Het gaat hier niet zozeer om bancaire schulden, maar bij-
      voorbeeld om flitskredieten, deurwaarderskosten en belastingen. Dit alles vestigt
      de aandacht op de verdeling van rechten en plichten tussen schuldeisers en schul-
      denaars. Schuldenaars hebben een relatief zwakke positie ten opzichte van de
      schuldverstrekker op het moment dat zij in betalingsproblemen komen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 133 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 134 ======================================================================

<pre>                                                het monetair-financieel systeem gewogen       133
Figuur 4.6          Aanvragen schuldhulpverlening geregistreerd bij de nvvk22
100.000
 90.000
 80.000
 70.000
 60.000
 50.000
 40.000
 30.000
 20.000
 10.000
       0
        2003    2004  2005  2006  2007   2008 2009  2010  2011  2012  2013  2014 2015  2016  2017
            Ook bij woningeigenaren zijn er vragen over de risicoverdeling tussen schuldeiser
            en schuldenaren. Dit speelt ook in Nederland. Fitch Ratings (2012; geciteerd in De
            Ruijter 2012) noemt Nederland (naast Engeland) zelfs het Europese land met “the
            most lender friendly legal system”. Dit zorgt ervoor dat hypotheeknemers er over
            het algemeen alles aan doen om hun betalingsverplichtingen na te komen. Wan-
            neer een hypotheeknemer deze niet kan nakomen, kan de bank het huis verkopen.
            De eventuele restschuld is voor de rekening van de schuldenaar. De bank heeft in
            dit geval de mogelijkheid tot een claim op het inkomen van de schuldenaar. De
            schuldenaar komt alleen onder betalingsverplichtingen uit wanneer deze een per-
            soonlijk faillissement aanvraagt, wat een zeer ingrijpende maatregel is (zie ook
            nvb 2014).
            Het spreekt vanzelf dat schuldenaren hun verplichtingen dienen na te komen en
            daar alleen in uiterste nood onderuit kunnen. Maar er zijn hier ook kanttekeningen
            bij te plaatsen. Financiële producten zoals hypotheken zijn langetermijnproducten
            waar de klant maar incidenteel mee in aanraking komt. Er is daardoor een groot
            informatie- en ervaringsprobleem bij de consument, terwijl de risico’s substan-
            tieel zijn en grote en langdurige consequenties kunnen hebben (Europees Parle-
            ment 2014). In het geval van hypotheekschulden komt daar nog iets bij: de ontwik-
            keling van huizenprijzen is fundamenteel onzeker. Dynamiek op de woningmarkt
            is een optelsom van de acties van een grote hoeveelheid spelers: consumenten,
            vastgoedhandelaren, hypotheekverstrekkers en beleidsmakers. Het is twijfelachtig
            of we daadwerkelijk kunnen spreken van volledige ‘eigen schuld’ wanneer een huis-
            eigenaar met een restschuld zit wanneer hij zijn huis moet verkopen door het
</pre>

====================================================================== Einde pagina 134 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 135 ======================================================================

<pre>134   geld en schuld
      plotseling instorten van de huizenmarkt. Maatregelen die na de crisis zijn geno-
      men verkleinen wel de kans dat een huiseigenaar met een restschuld blijft zitten,
      door een limiet te stellen aan de waarde van een lening ten opzichte van de waarde
      van het huis en door financieringsnormen die betrekking hebben op de verhou-
      ding tussen inkomen en hypotheeklasten.
4.4   legitimiteit
      We bespraken in de inleiding al dat het voor het vertrouwen in het monetair-
      financieel systeem belangrijk is dat er wordt voldaan aan de gerechtvaardigde ver-
      wachtingen over het systeem en dat de mogelijkheid bestaat om onvrede te uiten
      en invloed uit te oefenen. Op dit gebied bestaat er een aantal problemen. Ten eerste
      schept het publiek-private karakter onduidelijkheid over wat er van banken precies
      verwacht kan worden. Ten tweede zijn de democratische sturingsmogelijkheden
      de afgelopen decennia sterk ingeperkt. Ten derde is de mogelijkheid voor burgers
      om directe invloed uit te oefenen op banken ook beperkt.
4.4.1 het publiek-private karakter van financiële instellingen
      Het is duidelijk dat een goed functionerend monetair-financieel systeem van groot
      belang is voor de samenleving als geheel. De Parlementaire Enquêtecommissie
      Financieel Stelsel (commissie-De Wit ii), die voor de Tweede Kamer de financiële
      crisis heeft onderzocht, formuleert het als volgt: “De financiële sector is geen
      gewone sector en banken zijn geen gewone ondernemingen. De economie is sterk
      afhankelijk van de stabiliteit van het financiële stelsel. Het betalingsverkeer, het
      opbouwen van persoonlijke reserves in de vorm van spaargelden, pensioenen en
      verzekeringen, het stelsel van sociale voorzieningen en de kredietverlening aan het
      bedrijfsleven steunen op de financiële sector. Daarmee is het publieke belang bij
      een stabiele financiële sector groot” (Commissie-De Wit ii 2012: 540). Er zijn dus
      verschillende publieke belangen in het geding: zaken die voor de samenleving als
      geheel wenselijk zijn en die de politiek zich om die reden aantrekt (ser 2010; wrr
      2012).
      Binnen de economische wetenschap zijn er verschillende redenen om iets aan te
      duiden als een publiek belang. Een daarvan is dat sprake is van een publiek goed of
      dienst. Er is sprake van een publiek goed (of dienst) als er is voldaan aan twee voor-
      waarden. Ten eerste moet niemand van een dergelijke dienst uit te sluiten zijn. De
      tweede voorwaarde is dat het gebruik van een publieke dienst door de een, het
      gebruik van deze dienst door een ander niet verhindert. Een voorbeeld van een
      publieke dienst is het stelsel van dijkbewaking dat iedereen in Nederland behoedt
      voor overstromingen. De betaalinfrastructuur heeft karakteristieken van een
      publiek goed. Van het gebruik van contant geld kan men niemand buitensluiten.
      Bij een girale infrastructuur kan dat wel, maar er is besloten dat we dat niet wense-
      lijk vinden. Er is nu wetgeving die bepaalt dat iedereen in principe toegang zou
</pre>

====================================================================== Einde pagina 135 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 136 ======================================================================

<pre>                                    het monetair-financieel systeem gewogen       135
moeten hebben tot een bankrekening (4:71f Wft). Tevens verhindert het gebruik
van de girale of contante betaalinfrastructuur door de een niet het gebruik door een
ander (het bevordert dit eerder). Door het afnemende gebruik van contant geld is
de girale infrastructuur steeds crucialer geworden voor het functioneren van de
samenleving.
Kredietverlening is ook van groot publiek belang voor het functioneren van de
samenleving. In economische termen: kredietverlening kent belangrijke positieve
en negatieve externe effecten. Het draagt bij aan economische ontwikkeling, maar
overkreditering of beperkte beschikbaarheid van krediet kunnen deze juist scha-
den. Juist vanwege deze externe effecten is het goed functioneren van krediet-
verlening belangrijk.
Wat banken fundamenteel anders maakt dan bedrijven in andere sectoren zijn de
grote netwerkeffecten tussen het functioneren van individuele instellingen. Het
functioneren van de ene bank heeft direct effect op het functioneren van een
andere bank. Dat betekent dat het functioneren van individuele banken van groot
belang is voor het functioneren van het bankwezen als geheel en daarmee ook voor
de verwezenlijking van de publieke belangen. Zoals we in de vorige paragraaf heb-
ben besproken, bedreigt een faillissement van een systeembank zowel het spaar-
geld van mensen, het betalingsverkeer als de kredietverlening. In andere sectoren
is een (dreigend) faillissement van een privaat bedrijf doorgaans minder problema-
tisch voor het functioneren van het systeem als geheel. Het functioneren van de
bank gaat dus niet alleen de bank zelf en de directe belanghebbenden aan, maar
heeft bredere maatschappelijke implicaties.
Dat betekent dat banken twee gezichten hebben. Aan de ene kant is een bank een
organisatie met belangrijke publieke functies die essentieel zijn voor het functio-
neren van de samenleving. Niet voor niets is de sector uitgebreid gereguleerd en is
de overheid geneigd om in geval van problemen de sector te redden. De bank heeft
in dat opzicht kenmerken van een publieke organisatie, waarbij mensen verwach-
ten dat zij in het publieke belang zal opereren en andere verwachtingen hebben
over salarissen en bonussen. Aan de andere kant wordt een bank beschouwd als
puur private organisatie, waar concurrentie en marktwerking leidend zijn en we
kritisch vermogen van klanten verwachten bij de aankoop van financiële produc-
ten. Ook de juridische normen verschillen voor publieke en private organisaties.
Van publieke organisaties wordt bijvoorbeeld een zorgvuldiger besluitvorming
vereist (Jak 2014). Omdat er vanuit deze verschillende contexten wordt gerede-
neerd, is het begrijpelijk dat de verwachtingen over het handelen van een bank
soms sterk kunnen botsen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 136 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 137 ======================================================================

<pre>136   geld en schuld
4.4.2 democratische sturingsmogelijkheden
      Publieke betrokkenheid bij het monetair-financieel systeem is met het oog op het
      belang en de aard daarvan onvermijdelijk. De overheid heeft zelfs een grondwette-
      lijke opdracht om het geldstelsel te regelen (art. 106).23 Het feit dat er publieke
      belangen in het geding zijn, betekent niet dat de uitvoering van dienstverlening in
      publieke handen hoeft te liggen, net als dit in bijvoorbeeld het onderwijs of de
      gezondheidszorg niet het geval is. Het betekent wel dat de keuze voor randvoor-
      waarden en doelen van beleid uiteindelijk democratisch moet worden bepaald. In
      het bijzonder mogen we verwachten dat publieke instanties die verantwoordelijk
      zijn voor de ontwikkeling en uitvoering van financieel en monetair beleid, han-
      delen binnen een democratisch vastgesteld mandaat en verantwoording afleggen
      aan de politiek. Er is een aantal ontwikkelingen binnen het huidige monetair-
      financieel systeem die de ruimte voor democratische besluitvorming heeft
      ingeperkt.
      Ten eerste is daar de internationalisering. Financiële instellingen zijn steeds inter-
      nationaler gaan opereren, mede gefaciliteerd door het liberaliseren van internatio-
      nale kapitaalstromen. Veel beleid wordt tegenwoordig op Europees of wijder inter-
      nationaal niveau ontwikkeld. Zo speelt het Bazels Comité een belangrijke rol op
      het gebied van bankregulering. Dit is in een geïnternationaliseerde context belang-
      rijk om te voorkomen dat er op het gebied van wetgeving een ‘wedloop naar bene-
      den’ ontstaat. Het betekent ook dat het voor nationale overheden steeds moeilijker
      is geworden om van de internationale standaard af te wijken zonder dat dit gepaard
      gaat met (de dreiging van) de verplaatsing van financiële activiteiten (Pettifor 2017).
      Dit is mede het gevolg van een andere ontwikkeling: liberalisering. Sinds de jaren
      tachtig heeft de financiële sector veel meer vrijheid gekregen en zijn klassieke
      naoorlogse beleidsinstrumenten zoals scheiding van verschillende bankactivitei-
      ten, kredietplafonds en beperkingen op kapitaalverkeer overboord gezet.
      Daarnaast speelt technocratisering een rol in het beperken van de democratische
      invloed. Monetair en financieel beleid zijn ingewikkelde onderwerpen. Dit heeft
      ertoe geleid dat beleidsontwikkeling en -implementatie in steeds grotere mate zijn
      uitbesteed aan technocratische fora, zoals het Bazels comité. Het risico is dan dat
      afwegingen tussen verschillende politieke doelen onder een laag van expertise ver-
      dwijnen. Daar komt bij dat grote financiële spelers veel middelen hebben om
      beleidsontwikkeling op bovennationaal niveau te beïnvloeden, terwijl dit voor
      andere belanghebbenden (kleinere spelers, consumentenorganisaties of ngo’s) veel
      moeilijker is (Pagliari 2012). Ten slotte zijn er in Europa ook veel afspraken vastge-
      legd in de Europese verdragen (constitutionalisering). Europese afspraken op het
      gebied van monetair en financieel beleid staan voor een belangrijk deel in het Ver-
      drag betreffende de werking van de Europese Unie. Hierin staan onder andere het
      doel van het monetaire beleid (art. 127 lid 1 vweu) en het verbod op monetaire
      financiering (art. 123 vweu). Dat betekent dat wijzigingen op dit gebied slechts
</pre>

====================================================================== Einde pagina 137 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 138 ======================================================================

<pre>                                          het monetair-financieel systeem gewogen          137
      kunnen plaatsvinden indien alle lidstaten instemmen. Overheden hebben zich
      hiermee zo sterk gebonden dat hun mogelijkheden om in de toekomst, op basis
      van voortschrijdend inzicht of veranderende economische omstandigheden,
      andere besluiten te nemen beperkt zijn (Van der Sluis 2017).
      Internationalisering, liberalisering, technocratisering en constitutionalisering
      introduceren specifieke problemen op het gebied van democratische verantwoor-
      ding en controle. Daarbij geldt dat belangrijke instellingen binnen monetair en
      financieel beleid op grote afstaan van de politiek. Het beleid van centrale banken is
      formeel gezien vrij hermetisch afgesloten van parlementaire invloed. Dit geldt in
      het bijzonder voor de Europese Centrale Bank, maar ook voor nationale centrale
      banken. Deelname aan de Economische en Monetaire Unie vereist namelijk for-
      mele onafhankelijkheid van de centrale bank ten opzichte van de dagelijkse poli-
      tiek, al heeft de politiek invloed via de benoemingen van het bestuur van centrale
      banken en bestaan er diverse verantwoordingsmechanismen. Daarnaast wordt veel
      financiëlesectorbeleid ontwikkeld binnen dezelfde beleidsfora die in grote mate
      onafhankelijk zijn van nationale en Europese politiek. De mogelijkheden tot poli-
      tieke sturing en invloed zijn daarom beperkt (Stellinga 2015).
      Een factor van iets andere orde is dat in een context van hoge schulden en beperkt
      eigen vermogen, veranderingen in financiële wet- en regelgeving sneller tot pro-
      blemen kunnen leiden. Dit komt door het beperkte maatschappelijke vermogen
      om veranderingen op te vangen. Beleidsaanpassingen dienen dan met de nodige
      voorzichtigheid te gebeuren. Het afschaffen van de fiscale voordelen op schulden,
      is in zo’n situatie bijvoorbeeld lastiger. Zelfs als deze aanpassing op lange termijn
      voordelen heeft, kan het op korte termijn een groot effect hebben op huishoudens
      en instellingen met een hoge hefboom en gepaard gaan met meer onzekerheid en
      mogelijk instabiliteit. Ook bij banken geldt dat het moeilijker is vanuit een situatie
      van zeer lage eigen vermogens te komen tot verbeteringen. Een situatie van hoge
      schulden perkt dus eveneens de beleidsvrijheid in.
4.4.3 positie van de burger
      Ten slotte dienen we ook aandacht te besteden aan de invloedsmogelijkheden van
      burgers. In hun rol als consument hebben zij via de exitoptie een belangrijke
      invloedsmogelijkheid: zij kunnen banken belonen dan wel straffen voor het door
      hen gevoerde beleid. Dit geldt zowel aan de betaalkant als aan de kredietzijde. De
      exitoptie in de financiële sector wordt echter door diverse zaken bemoeilijkt. Aan
      de betaalkant is overstappen van de ene naar de andere bank nog altijd een grote
      administratieve opgave. Met name het ontbreken van rekeningnummerbehoud bij
      overstap maakt het voor veel consumenten onaantrekkelijk om naar een andere
      bank te gaan. Er komt dus veel meer bij kijken dan bij bijvoorbeeld het overstappen
      naar een andere supermarkt. Ten tweede is het voor consumenten lastig te beoor-
      delen of banken op een wenselijke manier handelen. Als het voor toezichthouders
</pre>

====================================================================== Einde pagina 138 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 139 ======================================================================

<pre>138 geld en schuld
    en directbetrokkenen al lastig is om te snappen wat banken allemaal doen, is het
    voor een niet-ingewijde welhaast onmogelijk. Ten derde biedt het Nederlandse
    bankenlandschap door de sterke concentratie de consument weinig uitwijkmoge-
    lijkheden.
    Burgers hebben ook een mogelijkheid om via voice invloed uit te oefenen op het
    functioneren van het financiële systeem. Een voorbeeld is wanneer zij zich organi-
    seren in ngo’s. Deze ‘tegenmachten’ hebben echter een moeilijke taak, al was het
    maar omdat ze beperkt zijn in middelen en mogelijkheden. De grote financiële
    spelers hebben veel middelen voorhanden om zich te organiseren en invloed uit te
    oefenen op politiek en beleid. Dit geldt in veel mindere mate voor ngo’s. De ‘ver-
    snippering’ van beleid over veel verschillende fora is ook in het voordeel van de
    grote spelers; zij kunnen immers op tal van terreinen actief zijn, terwijl tegen-
    machten met minder capaciteit zich op slechts een beperkt aantal terreinen kun-
    nen richten (Anheier 2013).
    Deze afhankelijkheid en beperkte invloedsmogelijkheden krijgen nog een nieuwe
    dimensie als we kijken naar de grote verschillen in de belevingswereld van burgers
    en banken. Haldane (2016), hoofdeconoom bij de Bank of England, noemt het een
    “Great Divide”. Het management van banken en andere financiële instellingen
    beleeft de post-crisisperiode als een waarin zij flink onder druk staan, overspoeld
    worden door nieuwe wet- en regelgeving en op de goede weg zijn om het vertrou-
    wen van burgers te herwinnen. Veel burgers, daarentegen, associëren de periode
    met gebrek aan grote veranderingen en de financiële sector met hebzucht en zelfs
    corruptie (Haldane 2016). De ervaren werkelijkheid en dus ook de verwachtingen
    lopen sterk uiteen.
4.5 conclusie
    We zien dat binnen het huidige stelsel bij alle gewenste eigenschappen – dienst-
    baarheid, stabiliteit, rechtvaardigheid en legitimiteit – belangrijke tekortkomingen
    bestaan. Uit de bovenstaande analyse komen twee achterliggende kernproblemen
    naar voren: (1) er is sprake van een onevenwichtige en onbeheerste groei van geld
    en schuld; (2) er is een verstoorde balans tussen publieke en private belangen.
    De excessieve groei van geld en schuld leidt allereerst tot problemen voor de
    dienstbaarheid. Hoewel kredietverlening belangrijk is voor economische ontwik-
    keling, is er een punt waarop meer kredietverlening niet meer bijdraagt aan pas-
    sende financiering voor samenleving en economie. Ook vormen hoge schulden
    een risico voor de stabiliteit. Crises worden vaak voorafgegaan door een sterke
    schuldenopbouw. Bovendien duurt het herstel na een crisis langer wanneer de
    schulden hoog zijn. Een excessieve schuldengroei leidt ook tot belangrijke vragen
    op het gebied van rechtvaardigheid, onder andere door de relatief willekeurige ver-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 139 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 140 ======================================================================

<pre>                                    het monetair-financieel systeem gewogen         139
mogenseffecten van een hausse en de crisis die daarop volgt. Ten slotte hangt deze
problematiek ook sterk samen met legitimiteit: het beperkt de bewegingsruimte
voor politici om beleidsaanpassingen te doen, omdat dan zelfs kleine veranderin-
gen grote economische consequenties kunnen hebben.
Het tweede achterliggende probleem is de balans tussen publieke en private
belangen. De financiële sector voorziet in cruciale publieke functies, te weten het
faciliteren van betalen, sparen, financieren en verzekeren. Hierbij speelt het bank-
wezen een grote rol. Veel van de problemen die wij hierboven beschreven zijn ont-
staan doordat in de afgelopen decennia de balans tussen private en publieke
belangen is verschoven. Door het toenemende gebruik van giraal geld en het ver-
dwijnen van een publieke optie voor giraal betalingsverkeer, zijn banken feitelijk
semipublieke instellingen geworden. Deze verschuiving is maar mondjesmaat
erkend. Een onbalans tussen private en publieke belangen brengt de dienstbaar-
heid van het monetair-financieel stelsel in gevaar. Tijdens de crisis bleek dat het
behandelen van banken als private instellingen bijdroeg aan de instabiliteit en een
onrechtvaardige verdeling van kosten en baten gaf. Ook leidde het tot legitimi-
teitsproblemen, omdat het voor zowel politiek als burgers onduidelijk was wat we
precies van banken konden verwachten.
Dat wil niet zeggen dat al deze problemen linksom of rechtsom uiteindelijk alle-
maal te herleiden zijn tot de geldscheppende functie van banken. Dat is ook niet
wat pleitbezorgers van een alternatief systeem van geldschepping suggereren. Wat
zij wel beargumenteren is dat in een monetair-financieel stelsel waarin een harde
scheiding wordt aangebracht tussen een betalingsdeel en financieringsdeel en
waarin commerciële banken niet langer geld mogen scheppen, veel van de hier-
boven beschreven problemen worden opgelost of verminderd. In de volgende
twee hoofdstukken analyseren we dit alternatieve systeem. In hoofdstuk 5 leggen
wij uit hoe dit systeem eruit kan zien. In hoofdstuk 6 bespreken we vervolgens de
mogelijke voor- en nadelen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 140 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 141 ======================================================================

<pre>140 geld en schuld
noten
1   De functie ‘verzekeren’ valt buiten de reikwijdte van dit rapport.
2   De betalingsinfrastructuur heeft kenmerken van een publiek goed.
3   In deze paragraaf staan private schulden centraal. In paragraaf 4.3 gaan we in op publieke
    schulden.
4   Securitiseren is het proces waarbij bankleningen worden ‘verpakt’ en doorverkocht aan
    andere financiële spelers. Dit creëert ‘ruimte’ op de bankbalans waardoor banken nieuwe
    leningen kunnen verstrekken.
5   In de economische wetenschap wordt hierbij gesproken over ‘the paradox of thrift’ (de spaar-
    zaamheidsparadox), die vooral bekend is uit het werk van John Maynard Keynes en Irving
    Fisher.
6   De tegoeden op deze spaarrekeningen worden in geval van faillissement pas terugbetaald als
    alle andere schuldeisers zijn betaald.
7   Depositogarantiestelsels zijn in Europa pas vrij laat geïnstitutionaliseerd – bijvoorbeeld het
    Verenigd Koninkrijk: 1982; Duitsland: 1977; Frankrijk: 1979; België: 1985; Nederland: 1979. De
    Verenigde Staten waren de pionier: daar werd het al in 1933, tijdens de Grote Depressie, geïn-
    troduceerd (Baltensperger en Dermine 1986: 14).
8   Het gaat hier om gegevens verzameld voor het imf Coordinated Compilation Exercise on
    Financial Soundness Indicators.
9   Een uitzondering zijn staatsobligaties van betrouwbaar geachte overheden, omdat zij func-
    tioneren als een veilige haven in tijden van crisis en in zo’n geval dus juist in waarde kunnen
    stijgen.
10  Dat wil zeggen dat er geen kopers meer zijn voor bepaalde producten, waardoor er geen
    ‘markt’ meer is waarop deze producten verhandeld kunnen worden.
11  Deze dynamiek werd eerder herkend in werken van economen als Kindleberger (1978) en
    Minsky (1986).
12  Niet alleen gelijksoortige financiële bezittingen, maar ook gelijksoortige strategieën kunnen
    de systeeminstabiliteit vergroten. Een voorbeeld hiervan is de korte crisis van 1987. Doordat
    iedere grote institutionele belegger in de Verenigde Staten hetzelfde risicomanagement-
    systeem gebruikte en op een bepaald moment het automatisch gegenereerde advies kreeg om
    te verkopen, was er geen tegenpartij en zakte de beurs door haar hoeven.
13  Hartmann et al. (2004) laten zien dat de beurskoersen in de eu en de vs sterker reageren op
    bewegingen in een aandelenindex van banken dan op bewegingen van de algehele markt-
    index. Muns en Bijlsma (2015) vergelijken de samenhang tussen bankenkoersen met de
    samenhang in andere sectoren. Als het systeemrisico op deze manier wordt gemeten blijkt
    dat de bankensector het hoogste systeemrisico heeft. De Vries (2005) toont aan dat deze
    sterke samenhang voortkomt uit de hoge kans op grote uitschieters gecombineerd met het
    feit dat banken dezelfde soort activiteiten ondernemen.
14  Zie bijvoorbeeld https://www.nemokennislink.nl/publicaties/winst-is-voor-de-bank-
    verlies-voor-de-burger/
</pre>

====================================================================== Einde pagina 141 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 142 ======================================================================

<pre>                                             het monetair-financieel systeem gewogen                141
15 dnb betoogt overigens dat wanneer andere financiële spelers ook garantie blijken te krijgen,
   zij ook meer gereguleerd dienen te worden (dnb 2015c: 35).
16 Het gaat dus om het verschil tussen de initiële situatie (een schuld van x% van het bbp) en de
   post-crisissituatie (een schuld van x+27% van het bbp). Merk op dat omdat de schulden wor-
   den uitgedrukt als percentage van het bbp, een slinkend bbp door de crisis dit percentage ook
   ophoogt.
17 Dat betekent niet dat goede tijden voor de financiële sector ook automatisch goede tijden zijn
   voor het land als geheel. Hoewel een financiële sector cruciaal is voor economische groei,
   heeft met de huidige hoogte van schulden een verdere groei van de financiële sector – zelfs
   zonder dat effecten van een financiële crisis worden meegerekend – een remmend effect op
   het bbp (Cournède en Denk 2015).
18 De vrijstellingen voor financiële diensten staan omschreven in de Wet op de omzetbelasting
   1968 art 11 lid 1 onderdeel i-k, dit in navoling van art 135 lid 1 van de Europse btw-richtlijn.
   Omdat het bij bancaire diensten lastig is te bepalen of het gaat om eindgebruik of inter-
   mediair gebruik, is het moeilijk om btw te berekenen over bancaire diensten.
19 Officieel is het depositogarantiestelsel een garantie van banken onderling, maar verwacht
   wordt dat de staat uiteindelijk garant staat.
20 Hoe worden de kosten van gezamenlijke productie volgens accountingmethoden geboekt?
   Er zijn hiertoe een aantal arbitraire methoden. Arbitrair omdat de gemaakte kosten niet één
   op één relateren aan de specifieke producten uit het gezamenlijke productieproces. Om deze
   reden kunnen de toegewezen kosten volgens de accountingtheorie niet gebruikt worden om
   de exacte winst per specifiek product vast te stellen.
21 dnb rapporteert dit bedrag in de jaarverslagen.
22 De nvvk is de branchevereniging voor schuldhulpverlening en sociaal bankieren.
23 Dit artikel luidt: “De wet regelt het geldstelsel.”
</pre>

====================================================================== Einde pagina 142 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 143 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 143 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 144 ======================================================================

<pre>                                                                                               143
5        hoe werkt het publiekgeldsysteem?
         In het vorige hoofdstuk bespraken we de mate waarin het huidige monetair-finan-
         cieel systeem in overeenstemming is met de vier belangrijke doelen: dienstbaar-
         heid, stabiliteit, rechtvaardigheid en legitimiteit. De vele problemen die in dit
         opzicht werden geïdentificeerd zijn een reden voor onder andere Stichting Ons
         Geld om te pleiten voor een fundamentele hervorming van het geldsysteem. Hoe-
         wel er verschillende varianten van een dergelijke hervorming bestaan, wordt in al
         deze varianten gepleit voor een systeem waarin al het geld direct of indirect vol-
         ledig publiek is. Vanwege dit kenmerk spreken we in dit rapport van het ‘publiek-
         geldsysteem’.1 Dit betekent dat het geld in dit systeem niet gecreëerd kan worden
         door commerciële banken, maar alleen door de centrale bank.2 Het betekent ook
         dat de instellingen die krediet verlenen (wij noemen ze financieringsinstellingen)
         strikt zijn gescheiden van het betaalverkeer (zie ook Van der Linden 2015).
         Stichting Ons Geld is niet de eerste of enige die een publiekgeldsysteem bepleit. In
         de jaren dertig schreven Amerikaanse economen het zogeheten Chicago Plan (zie
         box 5.1). Milton Friedman – ontvanger van de ‘Nobelprijs voor de economie’ – was
         eveneens een pleitbezorger van een dergelijk systeem (Friedman 1948).3 Ook de
         Amerikaanse econoom James Tobin (1985) bepleitte een variant van dit idee in de
         jaren tachtig. Sinds de financiële crisis krijgt het plan weer meer aandacht. Recent
         hebben economen (destijds werkzaam voor het imf) de voordelen van een
         moderne variant van het Chicago Plan onder de aandacht gebracht (Benes en Kum-
         hof 2013). Laurence Kotlikoff, Amerikaans hoogleraar economie aan de Boston
         University, stelt iets vergelijkbaars voor (Kotlikoff 2010). In het Verenigd Konink-
         rijk pleiten de Financial Times-columnist Martin Wolf (2014) en de econoom John
         Kay (2009) voor een dergelijk systeem. Ook zijn er in verschillende landen burger-
         initiatieven en politieke partijen actief die voor een publiekgeldsysteem pleiten. In
         het Verenigd Koninkrijk is dat Positive Money (Dyson et al. 2016; Huber 2017). In
         IJsland is er een politieke partij die hiervoor pleit en in Zwitserland werd er in juni
         2018 een referendum over dit onderwerp gehouden, waarbij het voorstel is ver-
         worpen.
Box 5.1         Het Chicagoplan
  Recente pleidooien voor een publiekgeldsysteem leunen vooral sterk op ideeën die in de jaren
  dertig werden ontwikkeld en uitgedragen door een aantal vooraanstaande Amerikaanse econo-
  men verbonden aan de University of Chicago, in het bijzonder Frank Knight en Henry Simons.4
</pre>

====================================================================== Einde pagina 144 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 145 ======================================================================

<pre>144        geld en schuld
   Tegen de achtergrond van de Grote Depressie en beleidshervormingen geïmplementeerd door
   de Roosevelt-regering, pleitten zij voor een nog radicalere hervorming van het bankwezen en
   voor hervorming van het monetaire beleid. Deze ideeën zijn later het Chicagoplan gaan heten.
   De context waarin het plan werd ontwikkeld was er een van ongekende economische krimp,
   deflatie, werkloosheid en een zeer grote hoeveelheid bankfaillissementen. De banken waren
   veelal door bankruns ten onder gegaan. In maart 1933 werden alle banken gesloten en doorge-
   licht: een deel bleef gesloten, een deel werd geherkapitaliseerd en een deel werd geacht op eigen
   kracht voort te kunnen. De regering bood tijdelijk een ongelimiteerde garantie van girale tegoe-
   den bij de banken die mochten heropenen, om zo paniek weg te nemen. Met de Banking Act van
   juni 1933 werd een formeel depositogarantiestelsel geïntroduceerd, waarbij het verzekerde
   bedrag werd vastgesteld op $2.500. Hiermee werden ongeveer 97 procent van de rekeninghou-
   ders en ongeveer 23,7 procent van de totale waarde van de girale tegoeden verzekerd. De Banking
   Act bepaalde ook dat commerciële banken zich niet langer met effectenhandel mochten bezig-
   houden (de Glass-Steagal Act), waarmee de verwevenheid tussen het bankwezen en effecten-
   markten werd gelimiteerd.
   Rond dezelfde tijd als de Banking Act van 1933 stuurden Knight, Simons en zes andere econo-
   men de eerste versie van het Chicagoplan onderhands aan een aantal leden van de Amerikaanse
   regering. Zij bepleitten hierin een grondige herziening van het bankenlandschap via de oprich-
   ting van een nieuw soort bank die alle girale tegoeden volledig diende af te dekken met centrale-
   bankreserves. Kredietverlening zou door aparte instellingen worden verstrekt, maar die moch-
   ten niet langer opereren op basis van zelfgecreëerde girale tegoeden. Kortom, zij beoogden een
   splitsing in het banksysteem in een betaal- en financieringsdeel. In de jaren daarop werd dit idee
   ook opgepakt door Irving Fisher, die in 1935 het boek 100 procent money publiceerde. Fisher
   stelde dat “it is important that there should be a further separation of functions and that the banks
   which have slow assets [...] should not have demand deposits against them” (geciteerd in: Phillips
   2015 [1995]: 50). Dit om de looptijdtransformatie tegen te gaan.
   De uitdragers van het Chicago Plan hadden echter ogenschijnlijk hun kans al gemist – in ieder
   geval wat betreft bankhervormingen, waarvan de belangrijkste al in 1933 waren doorgevoerd. In
   de periode daarna ging de beleidsdiscussie vooral over de vraag hoe monetair beleid kon worden
   aangepast zodat het zou bijdragen aan economische groei en werkgelegenheid. De Banking Act
   van 1935 had dan ook vooral betrekking op de organisatie en het beleid van het Federal Reserve
   System. Bij één element hiervan speelde het Chicago Plan op de achtergrond nog wel een rol,
   namelijk bij de regelingen met betrekking tot de reserves die commerciële banken bij de fed
   moesten aanhouden. Het idee hiervan was dat de fed kredietverlening zou kunnen afremmen
   dan wel stimuleren door deze eisen te variëren. Een van de opstellers van deze Act – Lauchlin
   Currie – was echter aanhanger van het Chicago Plan en had de regels zodanig geformuleerd dat
   de fed de mogelijkheid zou krijgen om 100-procentreserves te eisen tegen banktegoeden.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 145 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 146 ======================================================================

<pre>                                                      hoe werkt het publiekgeldsysteem?         145
  Anders gezegd, met deze reserveregels zou de weg naar full reserve banking openliggen. Bij de
  wetsbehandeling in het Congres werd echter bepaald dat de fed nooit hoger dan 30 procent zou
  mogen gaan, waarmee deze weg weer werd geblokkeerd (Phillips 2015 [1995]: 115-135).
       In dit hoofdstuk bespreken we aan de hand van recent gepresenteerde voorstellen
       hoe zo’n publiekgeldsysteem er in grote lijnen uitziet (Benes en Kumhof 2013;
       Dyson et al. 2016; Kotlikoff 2010; Huber 2017; Sigurjónsson 2015; Ons Geld 2015;
       Ons Geld 2016; Kay 2009). We zullen de verschillende voorstellen niet een voor
       een bespreken. In plaats daarvan verkennen we de plannen aan de hand van de vier
       belangrijkste kenmerken. Dat betekent dat niet alle details van de plannen aan bod
       kunnen komen.
       Allereerst bespreken we hoe het betalingsdeel eruitziet (paragraaf 5.1). Daarna zul-
       len wij ingaan op hoe investeren en lenen werkt in deze alternatieve voorstellen
       (paragraaf 5.2). In paragraaf 5.3 gaan wij in op de overheidstaken en -verantwoorde-
       lijkheden in het nieuwe systeem. Hier bespreken we ook hoe geld wordt gecreëerd
       en hoe het in de samenleving komt. Tot slot bespreken we de transitiepaden die in
       de voorstellen worden geschetst (paragraaf 5.4). Waar de voorstellen duidelijk van
       elkaar verschillen, zullen wij de verschillende varianten bespreken. In het volgende
       hoofdstuk gaan wij in op de voor- en nadelen van dit systeem.
5.1    het betalingsdeel
       In het publiekgeldsysteem is al het geld direct of indirect publiek geld. Het geld
       staat ofwel direct bij de centrale bank, ofwel bij betaalbanken die deze betaaltegoe-
       den voor honderd procent afdekken met tegoeden bij de centrale bank. Dat is
       anders dan in het huidige systeem. Op dit moment is alleen contant geld publiek
       geld: het wordt uitgegeven door de centrale bank. Banktegoeden zijn feitelijk een
       schuld van een private partij (de bank) aan de rekeninghouder. De huidige geld-
       hoeveelheid bestaat voor meer dan negentig procent uit banktegoeden. Bredere
       gelddefinities rekenen ook nog financiële instrumenten mee die gemakkelijk in
       geld kunnen worden omgezet.
       Dat het geld voor een belangrijk deel bestaat uit tegoeden bij banken is niet zonder
       risico. Zoals we in hoofdstuk 2 bespraken, staat een bank bloot aan faillissements-
       risico’s en liquiditeitsrisico’s. Bij faillissementsrisico’s gaat het om de mogelijkheid
       dat een bank zoveel verlies lijdt op diens bezittingen (hypotheekleningen,
       bedrijfsleningen, obligaties, aandelen, derivaten) dat het totale eigen vermogen
       verdampt. Dan is de bank technisch failliet. Bij liquiditeitsrisico’s gaat het om de
       mogelijkheid dat veel rekeninghouders tegelijkertijd hun tegoeden willen omzet-
       ten in contanten of willen overmaken naar een andere bank (bankrun). Omdat de
</pre>

====================================================================== Einde pagina 146 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 147 ======================================================================

<pre>146      geld en schuld
         bank slechts een fractie van deze tegoeden afdekt met centralebankreserves en
         andere liquide middelen, kan het zijn dat de bank hieraan niet kan voldoen. Ook
         dan komt de bank in problemen (zie figuur 5.1).5 Als het gaat om een relatief kleine
         bank, hoeft dit alles nog niet direct een groot gevaar te vormen voor het betalings-
         verkeer. Gaat het echter om een systeemcrisis waarbij een zeer grote bank of veel
         banken tegelijkertijd in de problemen komen, dan bestaat het gevaar dat het beta-
         lingsverkeer wordt ontwricht.
Figuur 5.1     Gesimplificeerde bankbalans
                                                            Betaal-
                                                          tegoeden
                                    Leningen
                                                            Spaar-
                                                          tegoeden
                                                           Derivaten
                                    Derivaten
                                    Obligaties
                                                          Uitstaande
                                   en aandelen
                                                           obligaties
                                Staatsobligaties
                                  CB-reserves         Eigen vermogen
                                  Bezittingen         Verplichtingen
         Het betalingsdeel is dus in grote mate afhankelijk van de andere, risicovolle activi-
         teiten van banken. De voorstanders van een alternatief systeem willen van deze
         situatie af. In de voorstellen worden betaaltegoeden voortaan helemaal publiek
         geld of worden zij volledig gedekt door publiek geld (Benes en Kumhof 2013; Kay
         2009; Kotlikoff 2010; Dyson et al. 2016; Huber 2017; Ons Geld 2016). Daartoe dient
         het betalingsdeel te worden afgescheiden van de rest van het financiële systeem.
         Hoe het betalingsdeel precies vorm krijgt verschilt per voorstel. We kunnen grof-
         weg twee varianten onderscheiden: (1) betaalrekeningen bij banken die volledig
         worden gedekt door centralebankreserves of eventueel staatsobligaties (subpara-
         graaf 5.1.1) en (2) betaalrekeningen direct bij de centrale bank (publiek geld; sub-
         paragraaf 5.2.2) (zie figuur 5.2).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 147 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 148 ======================================================================

<pre>                                                                 hoe werkt het publiekgeldsysteem? 147
Figuur 5.2         Opties betalingsdeel
   Optie 1
   Klanten hebben een betaalrekening bij een betaalbank
   Centrale bank                         Betaalbanken                           Rekeninghouders
                                 Centralebank-    Betaaltegoeden
                                   reserves
                                 Centralebank-    Betaaltegoeden
                                   reserves
                                 Centralebank-    Betaaltegoeden
                                   reserves
                                 Bezittingen     Verplichtingen
   Optie 2
   Klanten hebben een betaalrekening bij de centrale bank
   Centrale bank                           Rekeninghouders
    Betaaltegoeden
5.1.1        betaalrekeningen bij betaalbanken
             In deze optie komen er aparte (of op zijn minst afgescheiden) banken voor betaal-
             diensten. Het geld staat, net als nu, op de balans van de bank als schuld aan de reke-
             ninghouder. Het verschil is dat de bezittingen die hier tegenover staan zijn inge-
             perkt: de tegoeden moeten volledig gedekt worden door centralebankreserves of
             eventueel staatsobligaties (Benes en Kumhof 2013; Kotlikoff 2010; Kay 2009).
             Deze betaalrekeningen kunnen worden ondergebracht bij een specifiek daarvoor
             in het leven geroepen dochteronderneming van een financiële instelling die ook
             andere activiteiten ontplooit, of bij een zelfstandige instelling. In het eerste geval
             zouden de betaaltegoeden dus worden afgescheiden binnen een bank. De meer
             risicovolle activiteiten van een bank worden dan in andere dochterondernemingen
             ondergebracht. Dat kan leiden tot een efficiëntere wisselwerking tussen het beta-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 148 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 149 ======================================================================

<pre>148   geld en schuld
      lings- en financieringsgedeelte van het financiële systeem dan wanneer betaal-
      banken helemaal zelfstandige instellingen zijn. Door de schotten tussen de doch-
      terondernemingen is er in principe geen risico dat problemen bij andere activitei-
      ten van banken problemen voor het betalingsverkeer veroorzaken.
      De andere optie is om het betalingsgedeelte helemaal neer te leggen bij zelfstan-
      dige instellingen. Deze betaalbanken bieden alleen betaaltegoeden die voor hon-
      derd procent gedekt worden door centralebankreserves. Deze betaaltegoeden
      hoeven dan niet gegarandeerd te worden door een depositogarantiestelsel. Het
      verdienmodel van de banken kan eruit bestaan dat de rekeninghouders betalen
      voor het gebruik van de bank (een vaste vergoeding of per transactie). Dit zou dan
      de prijs zijn die rekeninghouders betalen voor de veiligheid van hun digitale
      betaalmiddel. Eventueel zou het ook kunnen bestaan uit het vermarkten van de
      gegevens van de klant, maar financiële gegevens genieten niet zonder reden over
      het algemeen bijzondere bescherming. Een andere mogelijkheid is dat de inkom-
      sten bestaan uit de rente die de centrale bank betaalt over de centralebankreserves.6
      In de meeste voorstellen voor het publiekgeldsysteem is sprake van volledige dek-
      king door centralebankreserves en eventueel contant geld (bijv. Benes en Kumhof
      2013). Een iets minder vergaande variant is het narrow banking-voorstel van Kay
      (2009). In dit voorstel zijn betaaltegoeden volledig gedekt door veilige en liquide
      bezittingen, voornamelijk staatsobligaties. Hoewel Kay de mogelijkheid open-
      houdt dat de bank naast staatsobligaties ook nog andere (relatief ) veilige bezittin-
      gen op de balans mag hebben, acht hij het zowel haalbaar als wenselijk om het toch
      te beperken tot staatsobligaties (Kay 2009: 31). De mate waarin het plan van Kay
      voldoet aan de eisen van het publiekgeldstelsel hangt daarbij wel af van de vraag of
      het hierbij alleen gaat om staatsobligaties van het thuisland van de banken en van
      de vraag of de overheid de mogelijkheid heeft om indien nodig de ‘geldpers’ aan te
      zetten. Voor de landen die onderdeel zijn van het eurogebied (dus ook Nederland)
      geldt dat op dit moment niet, aangezien zij hun monetaire bevoegdheden volledig
      hebben overgedragen. Kay is echter niet expliciet op dit punt, waardoor het ondui-
      delijk is of het moet worden gezien als een variant van een publiekgeldsysteem.
5.1.2 betaalrekeningen bij de centrale bank
      Een tweede optie is dat alle betaalrekeningen zijn ondergebracht bij de centrale
      bank (Dyson et al. 2016; Huber 2017; Ons Geld 2016). Private banken mogen dan
      geen betaalrekeningen meer aanbieden. Het geld op de nieuwe centralebankreke-
      ningen kan beschouwd worden als een digitale vorm van contant geld: dat wordt
      immers ook uitgegeven door de centrale bank. Dyson et al. (2016) pleiten ervoor
      dat het geld op de betaalrekeningen bij de centrale bank het juridisch eigendom is
      van de rekeninghouder.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 149 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 150 ======================================================================

<pre>                                                        hoe werkt het publiekgeldsysteem?            149
         De praktische uitvoering van het betalingsverkeer in deze tweede optie kan vervol-
         gens op een aantal manieren. De centrale bank kan zelf hiervoor de verantwoorde-
         lijkheid nemen. Het alternatief is dat het betalingsverkeer wordt overgelaten aan
         private betaalbanken. Het verschil met het idee van zelfstandige betaalbanken is
         dat het geld niet op de balans van de betaalbank staat, maar dat zij slechts een admi-
         nistratief tussenpersoon zijn. Het achterliggende idee is dat een centrale bank niet
         zit te wachten op de klantenservice aan miljoenen individuele klanten en dat deze
         service door private instellingen kan worden aangeboden. Deze instellingen behe-
         ren dan de betaalrekeningen en zouden verantwoordelijkheid hebben voor de
         zaken die in het huidige systeem door banken worden uitgevoerd: het openen van
         de rekening, het checken van de identiteit van klant, de uitvoering van antiwitwas-
         regulering, het uitgeven van betaalpassen en het onderhouden van de betaalinfra-
         structuur, waaronder het geldautomatennetwerk. Klanten moeten dan wel betalen
         voor deze diensten: per rekening, per transactie of met een vast bedrag. Concur-
         rentie tussen verschillende betaalbanken zou deze kosten zo laag mogelijk moeten
         houden (Dyson et al. 2016: 20).
         Zelfs als de betaalbank om welke reden dan ook failliet zou gaan, zou het geld nog
         steeds bij de centrale bank staan. De betaalbank mag niets doen met het geld, tenzij
         hier nadrukkelijk opdracht toe wordt gegeven door de rekeninghouder. Wederom
         kan deze betaalbank zowel een zelfstandige instelling zijn als een dochteronderne-
         ming van een financiële instelling. Bij de keuze voor het laatste dienen dan wel
         extra veiligheidskleppen te worden ingebouwd: de dochteronderneming dient
         juridisch en financieel gescheiden te zijn van de risico’s van de andere activiteiten
         binnen de moederonderneming (Dyson et al. 2016: 19).
         Ons Geld (2016) pleit ervoor om het geld niet op de balans van een centrale bank te
         zetten, maar in een basisregistratie (vergelijkbaar met het kadaster) van een mone-
         taire autoriteit. Op deze manier, zo beargumenteren zij, vertegenwoordigt geld
         geen schuld meer en is geld veilig voor financiële risico’s. Gezien het speciale
         karakter van een centrale bank is het praktische verschil met het wel registeren op
         de balans van een centrale bank echter beperkt (zie box 5.2).
Box 5.2         De balans van een centrale bank
  Het speciale karakter van een centrale bank komt tot uitdrukking in de balans. Op de rechter-
  zijde van de balans van een centrale bank staat in het nieuwe systeem digitaal publiek geld (zoals
  in het huidige systeem contant geld). Hoewel de conventie is dat dit geld boekhoudkundig als
  schuld wordt geregistreerd, is het in het economische verkeer geen schuld. Het hoeft niet te
</pre>

====================================================================== Einde pagina 150 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 151 ======================================================================

<pre>150         geld en schuld
    worden terugbetaald, en er kan niet iets anders voor worden opgeëist. De andere bijzonderheid
    aan de verplichtingenzijde is dat een centrale bank negatief eigen vermogen kan hebben, zonder
    dat dit betekent dat de centrale bank de deuren moet sluiten.7
    Op de linkerzijde van de balans van een centrale bank staan de bezittingen. Hoewel de conventie
    is dat er in het huidige systeem nieuwe centralebankreserves worden gecreëerd wanneer daar
    bezittingen van commerciële banken voor worden overgedragen, kan de centrale bank ook cen-
    tralebankreserves of geld creëren zonder dat hier bezittingen met een reële waarde tegenover
    staan. In een publiekgeldsysteem kan een centrale bank dus ook nieuw geld creëren door bezit-
    tingen zonder reële waarde (zoals een ‘geldscheppingscertificaat’) hiertegenover in de boekhou-
    ding te registeren.8
            Door dit bijzondere karakter van een centralebankbalans maakt het voor de veilig-
            heid van het geld niet uit of het op de balans van een centrale bank staat geregis-
            treerd of in een ander soort accountingsysteem. Het grootste gedeelte van de
            schulden (contant of digitaal geld) is niet opeisbaar en een centrale bank kan niet
            failliet gaan (tenzij zij veel buitenlandse schulden heeft). Dit bijzondere karakter
            betekent ook dat het niet uitmaakt voor de vraag of er schuldenvrij geld kan wor-
            den gecreëerd. Hoewel geld dat op de balans van een centrale bank staat, boek-
            houdkundig als schuld wordt geregistreerd, is het in het economisch verkeer geen
            schuld.
5.1.3       tot slot
            Al deze voorstellen gaan dus uit van een nieuw betalingsdeel waarbij geld voor
            honderd procent publiek geld is. De wijze waarop dat precies gebeurt verschilt,
            maar dat heeft geen grote praktische consequenties. Het logische gevolg is dat de
            centrale bank de volledige verantwoordelijkheid krijgt voor de creatie van nieuw
            geld. In de voorstellen zijn de betaalrekeningen veilig en stabiel. Als geld niet bloot
            staat aan financiële risico’s, is er geen garantiestelsel nodig (Van Dixhoorn 2013a:
            15; Dyson et al. 2016: 19), al wordt mogelijk technisch falen (bijvoorbeeld door
            cybercriminaliteit of simpelweg falende ict-systemen) daarbij buiten beschou-
            wing gelaten. Het uitgangspunt is dat op deze betaalrekeningen geen rente wordt
            betaald en dat er waarschijnlijk betaald moet worden voor deze diensten. Gegaran-
            deerde spaarrekeningen met een rentevergoeding bestaan in het alternatieve sys-
            teem niet meer.
5.2         het financieringsdeel
            Naast het betalen, is het financieren van economische activiteit een belangrijke
            functie van het financieel systeem. Financiële instellingen spelen hierbij een
            belangrijke rol. In deze paragraaf bespreken wij hoe de voorstellen het functione-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 151 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 152 ======================================================================

<pre>                                                        hoe werkt het publiekgeldsysteem?              151
         ren van deze financiële instellingen voor zich zien. Een belangrijk vraagstuk hierbij
         is hoe financiële instellingen zelf gefinancierd worden. In ons huidige systeem zijn
         banken voor een belangrijk deel gefinancierd met banktegoeden. Een bank kan
         deze banktegoeden creëren bij het verstrekken van een lening. In het nieuwe sys-
         teem mogen financieringsinstellingen dit niet. Zij moeten eerst geld ophalen,
         voordat zij geld kunnen uitlenen.
         Hoe zij precies gefinancierd zijn, verschilt per voorstel. Grofweg zijn er twee
         mogelijkheden: financiering op basis van eigen vermogen of op basis van schulden
         (zie box 5.3). We bespreken eerst de optie van financieringsinstellingen die voor-
         namelijk functioneren op basis van schulden (subparagraaf 5.2.1). De tweede
         mogelijkheid is dat zij functioneren op basis van eigen vermogen (subpara-
         graaf 5.2.2). Daarnaast verschillen de voorstellen in hoeverre publieke krediet-
         verlening een rol speelt (subparagraaf 5.2.3).
Box 5.3         Financieren: eigen vermogen en schulden
  Het verstrekken van financiering aan een onderneming kan grofweg op twee verschillende
  manieren: door middel van eigen vermogen en door middel van schuld. Bij de eerste vorm koopt
  de financier een aandeel (in het geval van een nv of een bv).9 Hiermee krijgt de financier een
  bepaalde mate van invloed op de beslissingen van de gefinancierde onderneming en deelt de aan-
  deelhouder via dividend mee in de gemaakte winsten. De financier kan het ingelegde geld niet
  zomaar terugkrijgen. Daarvoor moet hij zijn aandeel, voor zover mogelijk, verkopen: aan een
  ander of terug aan de onderneming. De waarde van het aandeel kan fluctueren. Wanneer de
  onderneming failliet gaat, staat de aandeelhouder achter in de rij bij het verdelen van wat er nog
  aan waarde in de onderneming resteert. De schuldenaren moeten eerst worden betaald.
  Bij het verstrekken van een lening (schuldfinanciering) maken de kredietgever en -nemer een
  overeenkomst met daarin bepalingen over de termijn van terugbetaling van het geld en over de
  rentebetalingen. De financier krijgt het ingelegde geld dus in principe terugbetaald, al is dit niet
  gegarandeerd. Bij faillissement van de onderneming kan het zijn dat de verkoopopbrengst van
  haar bezittingen nodig is om de schulden af te betalen. Of de opbrengst voldoende is, valt niet op
  voorhand te zeggen. Voor sommige schulden geldt dat zij verhandelbaar zijn; dan spreken we in
  het algemeen over obligaties. Banktegoeden zijn een bijzondere vorm van schuld omdat zij in
  principe te allen tijde opeisbaar zijn en zeer eenvoudig, ook in specifieke bedragen, overdraag-
  baar zijn.
         In deze paragraaf bespreken we hoe financieringsinstellingen zouden werken in het
         nieuwe systeem. Dat neemt niet weg dat ook directe financiering van bedrijven en
         burgers mogelijk zal zijn, net als in het huidige systeem. Uiteraard kunnen hierbij
</pre>

====================================================================== Einde pagina 152 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 153 ======================================================================

<pre>152           geld en schuld
              ook financiële intermediairs een rol spelen; zij kunnen vragers en aanbieders van
              financiering bij elkaar brengen. In deze paragraaf gaat het over instellingen die zelf
              financiering verstrekken.
5.2.1         financieringsinstellingen opererend op basis van vreemd
              vermogen
              In deze variant opereren private financieringsinstellingen in belangrijke mate op
              basis van vreemd vermogen (schulden) en deels op basis van eigen vermogen (om
              eventuele verliezen op te kunnen vangen). Deze instellingen lenen eerst geld van
              burgers en bedrijven die dit ter beschikking stellen, om het vervolgens uit te lenen
              aan andere burgers en bedrijven. Als een bedrijf of particulier een lening krijgt,
              maakt de financieringsinstelling geld aan hen over, in ruil voor een schuldcontract.
              Aan de andere kant zijn er mensen die geld lenen aan de financieringsinstelling en
              hiervoor een schuldtitel krijgen. Financieringsinstellingen hebben dan schulden
              aan degenen die geld hebben ingelegd. Het kan hierbij gaan om schulden op naam
              (investeringstegoeden) of om verhandelbare schulden (obligaties). In tegenstelling
              tot ons huidige systeem, zijn deze schulden echter niet direct opvraagbaar.
              In figuur 5.3 zien we met behulp van balansen hoe dit proces werkt.
Figuur 5.3                 Kredietverlening in het publiekgeldsysteem
Beginsituatie                                     Stap 1                                                 Stap 2
                                                  Els stelt €1000 ter beschikking aan de                 Bedrijf X leent €1000
                                                  financieringsinstelling                                van de financieringsinstelling
             Centrale bank                                   Centrale bank                                           Centrale bank
                                  Betaalrekening                                                                                          Betaalrekening
                       €1000                                                                                                  €1000
                                  Els                                                                                                     bedrijf X
                                                                                   Betaalrekening
                                                                       €2000       financierings-
                                  Betaalrekening                                   instelling                                             Betaalrekening
                       €1000      financierings-                                                                              €1000       financierings-
                                  instelling                                                                                              instelling
        Financieringsinstelling                         Financieringsinstelling                                 Financieringsinstelling
  Betaal-                                                                                                                                       Investerings-
                                                                                          Investerings- Lening
  rekening                               Eigen                             €1000                                        €1000     €1000         tegoed
                €1000      €1000
                                                   Betaal-                                tegoed        bedrijf X
  centrale                               vermogen                                                                                               Els
                                                   rekening                               Els
  bank                                                           €2000
                                                   centrale
              Bezittingen Verplichtingen                                                                Betaal-
                                                   bank                                                                                         Eigen
                                                                           €1000          Eigen         rekening        €1000     €1000
                                                                                                        centrale                                vermogen
                                                                                          vermogen
                                                                                                        bank
                                                               Bezittingen Verplichtingen                             Bezittingen Verplichtingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 153 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 154 ======================================================================

<pre>                                             hoe werkt het publiekgeldsysteem?      153
We gebruiken in dit voorbeeld schulden op naam (investeringstegoeden), maar in
principe werkt dit hetzelfde voor verhandelbare schulden (obligaties). Voor het
gemak gaan we ervan uit dat het betalingsdeel bij de centrale bank is ondergebracht
en dat financieringsinstellingen hier ook een rekening hebben. We zien hoe het
proces werkt wanneer Els €1.000 ter beschikking stelt aan de financieringsinstel-
lingen, die vervolgens €1.000 uitleent aan Bedrijf X. Uiteraard gaat het om een ver-
simpelde voorstelling van zaken: het gaat in de figuur om de veranderingen als
gevolg van kredietverlening.
Deze gang van zaken heeft een aantal consequenties. De belangrijkste daarvan is
dat financieringsinstellingen bestaand geld lenen en vervolgens uitlenen. Zij ope-
reren nu dus als echte intermediairs. De geldhoeveelheid groeit of krimpt niet door
deze activiteiten; in het voorbeeld blijft deze geldhoeveelheid onveranderd op
€2.000. Gelijktijdig gebeurt er ook iets in het financieringsdeel: er worden nieuwe
vorderingen gecreëerd. Els heeft nu een vordering van €1.000 (plus rentebetalin-
gen) op de financieringsinstelling; deze instelling heeft een vordering van €1.000
(plus rentebetalingen) op bedrijf X. Deze vorderingen verdwijnen weer als het
bedrijf zijn schuld aflost en de financieringsinstelling vervolgens het geld terugbe-
taalt aan Els. Ten slotte is het belangrijk om te zien dat hoewel de kredietverlening
geen invloed heeft op de geldhoeveelheid, deze natuurlijk wel invloed heeft op de
omvang van vorderingen in het financieringsdeel. Als een lenend bedrijf iets koopt
van een ander bedrijf, kan dit andere bedrijf het verkregen geld weer beschikbaar
stellen aan een financieringsinstelling. Dan kunnen er vervolgens nieuwe leningen
worden verstrekt. De hoeveelheid krediet ligt dus niet vast (zie ook paragraaf 6.1).
Wanneer de financieringsinstellingen opereren op basis van schulden (obligaties of
investeringstegoeden) is een cruciale vraag welke looptijd deze schulden hebben:
even lang of korter dan de verstrekte leningen? In sommige voorstellen hoeven de
schulden niet dezelfde looptijd te hebben als de leningen die de financierings-
instelling heeft uitstaan. Er is dus sprake van looptijdtransformatie, vergelijkbaar
met het huidige systeem. Een financieringsinstelling kan uitstaande kredieten heb-
ben met een gemiddelde looptijd van tien jaar op basis van schulden met een
gemiddelde looptijd van één jaar. In elk geval zijn de schulden niet direct opvraag-
baar. Ook in het geval van investeringstegoeden hebben deze ofwel een vooraf
vastgestelde looptijd of er is een bepaalde kennisgevingstermijn om deze tegoeden
om te mogen zetten in centralebanktegoeden (Dyson et al. 2016; Huber 2017).
Wanneer financieringsinstellingen op basis van schulden opereren (investerings-
tegoeden of obligaties) en deze een kortere looptijd hebben dan de bezittingen,
zijn bankruns op financieringsinstellingen en faillissementen nog steeds mogelijk.
Als veel mensen tegelijkertijd hun investeringstegoeden aan het eind van de loop-
tijd of na de kennisgevingstermijn willen omzetten in centralebanktegoeden, kan
de financieringsinstelling daar lastig aan voldoen. Ook wanneer de financierings-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 154 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 155 ======================================================================

<pre>154   geld en schuld
      instelling geen nieuwe obligaties weet uit te zetten, heeft zij een probleem. De
      financieringsinstelling moet in dat geval haar langlopende leningen verkopen.
      Wanneer dit in een recessie onder de kostprijs gebeurt, valt de financieringsinstel-
      ling om. Er is dan sprake van een bankrun in slow motion. In de voorstellen wordt
      dat gezien als onderdeel van het spel; investeringstegoeden of obligaties bij een
      financieringsinstelling worden niet gegarandeerd (zie bijvoorbeeld Dyson et al.
      2016: 24). Dyson et al. (2016: 25) geven wel aan dat het wenselijk is om het nieuwe
      financieringsdeel te laten functioneren op basis van gedeelde verliezen, waarbij
      houders van investeringstegoeden verliezen kunnen lijden zonder dat de instelling
      gelijk failliet is.
5.2.2 financieringsinstellingen opererend op basis van alleen eigen
      vermogen
      In een andere variant, bijvoorbeeld het plan van Limited Purpose Banking van
      Kotlikoff (2010), worden financieringsinstellingen alleen met eigen vermogen gefi-
      nancierd. Zij geven enkel verhandelbare aandelen uit. Anders geformuleerd: zij
      bieden beleggingsfondsen aan. Er kunnen veel verschillende typen beleggings-
      fondsen worden gecreëerd, met elk een verschillend risicoprofiel en looptijd:
      hypotheekfondsen, bedrijfsleningenfondsen, etc. (zie ook Chamley et al. 2012).10
      Het belangrijkste verschil met de eerste variant is dat winsten en verliezen op
      investeringen gelijkmatig worden verdeeld over alle financiers. In het Kotlikoff-
      plan is iedereen aandeelhouder. Wanneer de waarde van portefeuille daalt, daalt
      ook de waarde van het aandeel. Er vindt geen risicotransformatie binnen het beleg-
      gingsfonds plaats: mensen die aandelen hebben in deze beleggingsfondsen delen
      dus in alle winsten, maar ook in alle verliezen. Er vindt binnen deze fondsen ook
      geen looptijdtransformatie plaats. Fondsen kunnen worden gedifferentieerd naar
      de aard van de looptijd van de investeringen. Een fonds met een looptijd van der-
      tig jaar wordt dan geliquideerd na dertig jaar. Op dat moment krijgen de aandeel-
      houders de opbrengst van de ‘liquidatie’ van de portefeuille (Kotlikoff en Good-
      man 2009: 8; Van Dixhoorn 2013a: 28). Aandeelhouders kunnen wel te allen tijde
      proberen hun aandelen te verkopen.
      Het verschil met de eerste variant lijkt misschien niet zo fundamenteel, maar is dat
      wel. De verdeling van risico’s in een systeem waarin financieringsinstellingen ope-
      reren op basis van schulden is wezenlijk anders dan in een systeem waarin zij vol-
      ledig opereren op basis van eigen vermogen. In het tweede geval kan er geen bank-
      run plaatsvinden op financieringsinstellingen en zijn er geen herfinancierings-
      risico’s. Daar staat tegenover dat beleggers direct blootstaan aan verliezen op de
      beleggingen: de waarde van het aandeel kan fluctueren.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 155 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 156 ======================================================================

<pre>                                                 hoe werkt het publiekgeldsysteem?        155
5.2.3 private en publieke kredietverlening
      Een ander vraagstuk is wat de rol is van de overheid bij kredietverlening. Ook op
      dit punt verschillen de voorstellen. Een mogelijkheid die expliciet in het plan van
      Benes en Kumhof (2013) wordt gepresenteerd is dat private financieringsinstellin-
      gen deels worden gefinancierd door de centrale bank. De centrale bank leent dan
      geld aan de financieringsinstelling tegen een bepaalde rente. Het interessante van
      deze optie is dat centrale banken zo in principe de rentes in het financieringsdeel
      kunnen beïnvloeden. Wanneer de centrale bank vindt dat er niet genoeg krediet
      beschikbaar is of tegen een te hoge prijs, kan die extra geld beschikbaar stellen
      tegen een lage rente. Omgekeerd kan het reduceren van centralebankleningen of
      het verhogen van de prijs ervan overmatige kredietverlening remmen.
      Andere varianten zien hier ook wel de voordelen van (zie Huber 2017), maar zij zijn
      terughoudender dan Benes en Kumhof. In normale omstandigheden dient krediet-
      verlening een puur private aangelegenheid te zijn. Publiek geld lenen aan financie-
      ringsinstellingen dient een uitzondering te zijn. Deze terughoudende positie is te
      begrijpen vanuit de wens dat financieringsinstellingen geen geld meer mogen creë-
      ren door leningen te verstrekken. We kunnen ons de situatie voorstellen waarbij
      zij ‘geld tekort komen’ om aan de kredietvraag te voldoen. Wanneer de centrale
      bank dan nieuw geld creëert om aan de instellingen uit te lenen, komt dit dicht in
      de buurt van de huidige situatie waarin geld wordt gecreëerd als antwoord op de
      vraag naar krediet.
5.3   monetair en financieel beleid
      Een ingrijpende herordening van het monetair-financieel systeem heeft ook gevol-
      gen voor de taken van de overheid. We bespreken eerst het creëren, alloceren en
      vernietigen van geld, en daarna financiële regulering. Ten derde gaan wij in op de
      onafhankelijkheid en legitimiteit van de centrale bank.
5.3.1 het creëren, alloceren en vernietigen van geld
      De in dit hoofdstuk besproken voorstellen hebben met elkaar gemeen dat nieuw
      geld alleen door een publieke instelling kan worden gecreëerd. De verplichtingen
      van private financieringsinstellingen fungeren niet langer als geld; dat is althans
      wat deze voorstellen beogen. In de meeste voorstellen wordt deze taak aan een
      onafhankelijke publieke instelling of commissie toebedeeld (Huber 2017: 147; Ons
      Geld 2016). Dit orgaan wordt in diverse voorstellen een vierde macht genoemd;
      een geldscheppende macht, naast de wetgevende, uitvoerende en rechtsprekende
      macht (Dyson et al. 2016; Ons Geld 2016).
      We zullen in deze tekst voor het gemak aannemen dat deze taak bij de centrale
      bank wordt gelegd. Om misverstanden te voorkomen: in het huidige systeem kun-
      nen centrale banken ook geld creëren, zowel contant geld als (indirect via commer-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 156 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 157 ======================================================================

<pre>156 geld en schuld
    ciële banken) giraal geld. Het cruciale verschil is echter dat zij dat in het huidige
    systeem alleen doen in ruil voor financiële bezittingen van andere instellingen. In
    het nieuwe voorstel kunnen zij dit ook ‘uit het niets’ doen, terwijl private instel-
    lingen geen geld meer creëren. Er zijn tal van vragen die moeten worden beant-
    woord wat betreft de vormgeving van het geldscheppingsbeleid: Welke doelen
    moeten centraal staan in beleid?; Hoe weet de centrale bank hoeveel geld er moet
    worden gecreëerd of vernietigd?; Wie bepaalt de allocatie van het nieuw
    gecreëerde geld?; en Voeren centrale banken ook nog een rentebeleid? We behan-
    delen deze vragen hieronder beknopt.
    Voor wat betreft de doelen die centrale banken bij geldschepping moeten nastre-
    ven geldt feitelijk wat ook voor ons huidige systeem geldt: dit is uiteindelijk een
    politieke beslissing. In de eerdere beschrijving van de geschiedenis van het mone-
    tair-financieel stelsel zagen we dat de doelen van monetair beleid niet een vast-
    staand gegeven zijn, maar door de tijd heen veranderen (of zelfs heen en weer
    bewegen). In reactie op de hoge inflatie in de jaren zeventig hebben veel Europese
    landen besloten dat centrale banken primair prijsstabiliteit dienen na te streven,
    doorgaans gedefinieerd als een stabiele inflatie van ongeveer 2 procent. In de vs
    heeft de fed nog additionele formele doelstellingen, namelijk bijdragen aan maxi-
    male werkgelegenheid en een lage langetermijnrente. Vaak hebben centrale banken
    ook nog diverse andere doelen: financiële stabiliteit, een efficiënt en betrouwbaar
    betalingsverkeer en de bescherming van rekeninghouders. Hoe dan ook, in de
    nieuwe situatie zou de geldscheppende autoriteit meerdere doelen kunnen nastre-
    ven of zich beperken tot de huidige hoofddoelstelling van de ecb: prijsstabiliteit
    (Dyson et al. 2016).
    Hoe kan de centrale bank bepalen hoeveel nieuw geld er gecreëerd moet worden?
    Een mogelijkheid is dat zij een bepaalde regel volgt en daar niet van afwijkt, bij-
    voorbeeld door de geldhoeveelheid even hard laten stijgen als de nominale econo-
    mische groei (dat wil zeggen, de reële groei plus de prijsstijging). Een andere
    mogelijkheid, die dichterbij de huidige situatie ligt, is om de centrale bank discre-
    tionaire ruimte te geven bij de besluitvorming. Hoewel zij dan bijvoorbeeld een
    vuistregel kan hanteren (‘Laat de geldhoeveelheid stijgen in lijn met de economi-
    sche groei.’) bestaat de mogelijkheid om hiervan af te wijken. Omdat de dynamiek
    en wisselwerking tussen consumentenprijzen, de prijzen van bezittingen, rente,
    wisselkoers en volume van schuld ingewikkeld en variabel is en omdat economi-
    sche cycli door meer dan alleen de geldhoeveelheid worden beïnvloed, beargu-
    menteert Huber (2017: 157) dat er niet een vaste regel kan worden gevolgd. De geld-
    scheppende autoriteit dient zowel in het plan van Huber (2017) als in het plan van
    Ons Geld (2016) dan ook discretionaire bevoegdheden te hebben.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 157 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 158 ======================================================================

<pre>                                             hoe werkt het publiekgeldsysteem?        157
Dit alles raakt aan het transmissiemechanisme van geldschepping: het effect van de
acties van de centrale bank op de uiteindelijke doelen van het beleid. De allocatie
van het nieuwe geld speelt hierbij een belangrijke rol. Het nieuwe geld kan op een
aantal manieren ingezet worden (zie bijvoorbeeld Huber 2017: 162; Dyson et al.
2016: 28; Wortmann 2017):
• het verhogen van overheidsuitgaven (of het op peil houden van overheids-
     uitgaven met een gelijktijdige verlaging van belastingen);
• het verminderen van uitstaande overheidsschuld;
• het direct geld overmaken aan burgers (helikoptergeld);
• het geld lenen aan financieringsinstellingen.
De wijze waarop nieuw geld in de economie komt, maakt uit voor de macro-
economische effecten. Geld direct aan burgers overmaken heeft bijvoorbeeld een
ander effect op prijsstabiliteit dan geld eerst uitlenen aan financieringsinstellingen.
Volgens Dyson et al. (2016: 51) zal het voor de centrale bank nooit exact te voor-
spellen zijn wat de uitwerking zal zijn van het nieuw gecreëerde geld. Mensen
kunnen het geld voor meerdere zaken aanwenden. Worden er consumenten-
goederen van gekocht dan kan dat direct prijsdruk geven, maar burgers kunnen
ook besluiten om te sparen. Geldschepping beïnvloedt de koopkracht, maar het
hangt uiteindelijk van de beslissingen van een veelheid van actoren af hoe dit zich
vertaalt naar bredere doelen als werkgelegenheid, economische groei en inflatie.
Een belangrijke vraag is wie uiteindelijk beslist over de allocatie van nieuw geld.
De meeste voorstellen gaan uit van een duidelijke scheiding. Zo stellen Dyson et
al. (2016: 30) voor dat de politiek bepaalt hoe het nieuw gecreëerde geld wordt
besteed. Vervolgens bepaalt de centrale bank, met inachtneming van de doelstel-
lingen van monetair beleid en het veronderstelde transmissiemechanisme, welke
hoeveelheid geld hierbij past.
We zien dus dat geldscheppingsbeleid en budgettair beleid dicht bij elkaar komen:
de centrale bank dient goed op de hoogte te zijn van politieke beslissingen over de
allocatie van het geld. Overleg tussen centrale banken en de politiek is niets
nieuws. Ook in het huidige systeem heeft het monetaire beleid invloed op budget-
tair beleid, via rentebeleid, inflatie (die de waarde van overheidsschuld vermindert)
en het opkopen van staatsobligaties. Naar verwachting zal de verhouding tussen
centrale bank en de politiek in een publiekgeldsysteem wel veranderen. In het vol-
gende hoofdstuk gaan wij hier nader op in.
De voorstellen besteden hoofdzakelijk aandacht aan de vraag hoe nieuw gecreëerd
geld in de economie terechtkomt. De vraag wat er moet gebeuren als de centrale
bank oordeelt dat er te veel geld in omloop is en dat inflatie dreigt, krijgt niet of
nauwelijks aandacht. Ons Geld (2016) zegt hierover: “De overheid krijgt de macht
om de vraag naar en verdeling van dit geldmiddel bij te sturen. Herverdeling ver-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 158 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 159 ======================================================================

<pre>158   geld en schuld
      loopt traditioneel via belastingen. Evengoed zijn instrumenten in stelling te bren-
      gen die de vraag naar overheidsgeld afremmen of doen toenemen.” In Huber
      (2017), Dyson et al. (2016) en Benes en Kumhof (2013) wordt niet ingegaan op deze
      kwestie. Of dreigende inflatie dus alleen tegen moet worden gegaan met minder
      geldschepping of ook vergt dat geld ‘uit omloop moet worden gehaald’ (bijvoor-
      beeld door belastingverhoging), is niet duidelijk.
5.3.2 regulering van het financieringsdeel
      De meeste voorstellen benadrukken dat in het nieuwe systeem de overheid het
      financieringsdeel veel minder intensief hoeft te reguleren dan in het huidige sys-
      teem. Omdat het betalingsdeel veilig is voor de risico’s van het financieringsdeel,
      zou de overheid zich veel minder druk hoeven te maken om het reilen en zeilen
      van dit laatstgenoemde systeem. De verschillende plannen benadrukken dus
      vooral wat niet meer hoeft: geen depositogarantiestelsel, geen duizenden pagina’s
      financiële wetgeving, geen bail-outs (cf. Dyson et al. 2016: 12-13; Kotlikoff 2010:
      132). Wel onderkennen de meeste voorstellen dat een zekere mate van overheids-
      betrokkenheid wenselijk is. Wat is de overheidstaak in het nieuwe financierings-
      deel?
      Kotlikoff (2010) geeft aan dat de overheid een belangrijke rol heeft bij de toetsing
      van de risico’s van leningen. Hij bepleit de oprichting van een nieuwe toezicht-
      houder, de Financiële Autoriteit, die alle financiële instrumenten doorlicht, van
      ratings voorziet en die publiceert. Dat betekent dat mensen die hun geld willen
      investeren weten dat er een publieke autoriteit naar heeft gekeken en van een
      risico-inschatting heeft voorzien. Indien de financieringsinstelling dat graag wil,
      zou nog een privaat ratingbureau kunnen worden ingeschakeld. Het is ook
      mogelijk dat de Financiële Autoriteit deze private spelers inschakelt om te helpen
      bij het uitvoeren van de risicoanalyses, mits deze spelers geen financieel belang
      hebben in de bedrijven die worden beoordeeld. De overheid heeft dus primair een
      certificerings- en verificatietaak om het financieringsdeel soepel te laten lopen.
      Het verschilt per voorstel of de financieringsinstellingen zelf aan regulering onder-
      hevig zijn. In het systeem van Kotlikoff zijn alle financieringsinstellingen georgani-
      seerd als beleggingsfondsen: ze opereren volledig op basis van eigen vermogen.
      Door deze opzet is het beleid dat we nu hebben op het gebied van kapitaal en liqui-
      diteit overbodig. Er zou dan wel iets kunnen worden opgezet dat lijkt op wat de
      Autoriteit Financiële Markten (afm) doet: erop toezien dat investeerders niet wor-
      den misleid (bijvoorbeeld met valse beloftes over het rendement, of verkeerde
      informatie over de investeringsportfolio) en dat er geen fraude wordt gepleegd.
      Ook zou mededingingswetgeving natuurlijk nog een rol spelen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 159 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 160 ======================================================================

<pre>                                                 hoe werkt het publiekgeldsysteem?       159
      In de alternatieve mogelijkheid waarbij financieringsinstellingen zich financieren
      op basis van een combinatie van eigen vermogen en schulden is meer behoefte aan
      financiële regulering. Dyson et al. (2016: 25-6) noemen expliciet de wenselijkheid
      van kapitaalregulering. Omdat financieringsinstellingen schuldverplichtingen
      hebben, is het van belang dat er een veiligheidsmarge is die schuldeisers een zekere
      mate van bescherming biedt tegen faillissement en de daaruit volgende verliezen.
      Daarom stellen de auteurs voor om ook in het nieuwe systeem kapitaalregels op te
      leggen aan financieringsinstellingen. Beleidsmakers kunnen kiezen uit verschil-
      lende opties: ze kunnen kiezen voor een variant op de huidige risicogewogen kapi-
      taaleisen, of juist voor ongewogen kapitaaleisen (een minimum hefboomratio), of
      een combinatie van beide (Dyson et al. 2016).
      Bij een financieringsdeel waar looptijdtransformatie is toegestaan, dus waar de
      bezittingen van de bank een langere looptijd hebben dan de verplichtingen, zal
      mogelijk ook een vorm van liquiditeitsregulering nodig zijn. Cruciaal is dat erop
      wordt toegezien dat financieringsinstellingen geen direct opvraagbare tegoeden
      uitgeven. Die zouden namelijk verdacht veel lijken op de huidige girale tegoeden
      en deze tegoeden zouden als geld kunnen gaan functioneren. De consequentie
      daarvan zou zijn dat er een parallel privaat betalingsdeel ontstaat (schaduwgeld),
      wat de voorstellen in het algemeen juist proberen te vermijden. De overheid moet
      dus afdwingen dat de tegoeden die de financieringsinstellingen uitgeven een mini-
      mum looptijd of opzegtermijn hebben, om te voorkomen dat zij als schaduwgeld
      gaan functioneren.
      Een belangrijke open vraag is hoe de overheid omgaat met instabiliteit en crises in
      het financieringsdeel. Een onderliggende wens van de voorstellen is dat de over-
      heid zich niet langer garant stelt voor de risico’s die daar gelopen worden. De over-
      heid zou zich niet langer gedwongen voelen om private instellingen te redden van
      de ondergang, aangezien het betalingsdeel te allen tijde veilig is. De verschillende
      voorstellen geven dan ook aan dat de overheid niet moet interveniëren in het
      financieringsdeel als het daar misgaat. Er is in deze visie geen noodzaak om lender
      of last resort-acties te ondernemen: de instellingen moeten gewoon failliet kunnen
      gaan. Aangezien het betalingsgedeelte veilig is, zou de overheid het financierings-
      deel kunnen laten voor wat het is, zo is het algemene uitgangspunt. We bespreken
      in hoofdstuk 6 of dit een houdbaar standpunt is.
5.3.3 onafhankelijkheid en verantwoording
      In het nieuwe systeem kan alleen de centrale bank nieuw geld creëren.11 De ver-
      schillende voorstellen gaan in op de onafhankelijkheids- en legitimiteitsvragen die
      dit oproept. Omdat het een publieke instelling geheel verantwoordelijk maakt
      voor geldschepping, hameren de voorstellen op het belang van voldoende onaf-
      hankelijkheid van de politiek. Hoewel parlement en kabinet wel de doelen van
      monetair beleid kunnen bepalen en invloed moeten hebben op de allocatie van
</pre>

====================================================================== Einde pagina 160 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 161 ======================================================================

<pre>160          geld en schuld
             nieuw geld, zouden zij geen zeggenschap mogen hebben over de hoeveelheid geld.
             De centrale bank zou, zoals nu ook al deels het geval is, een onafhankelijke macht
             moeten zijn, net als de rechterlijke macht. Huber (2017) stelt voor om het hoofd en
             de leden van de centrale bank te benoemen voor een vaste tijd (met een mogelijke
             herbenoeming), in tegenstelling tot constitutionele of hoogste rechters die vaak
             voor het leven worden benoemd. Tijdens deze periode zou de positie van de
             centrale bankier niet op het spel staan: de politiek kan deze niet ontslaan. Deze
             onafhankelijkheid dient echter wel gepaard te gaan met een bepaalde mate van ver-
             antwoording aan de politiek (Huber 2017).
5.4          transitie naar het nieuwe systeem
             De in dit hoofdstuk besproken voorstellen pleiten voor een financieel systeem
             waarin al het geld volledig is gedekt door publiek geld (centralebankreserves) of
             zelf publiek geld is. Een belangrijke kwestie is langs welke weg die situatie daad-
             werkelijk bereikt kan worden. Er zijn twee elementen van de transitie: enerzijds
             moet ervoor worden gezorgd dat het betalingsdeel wordt afgescheiden. Anderzijds
             dienen veranderingen te worden doorgevoerd in het financieringsdeel. We bespre-
             ken beide elementen.
5.4.1        naar een nieuw betalingsdeel
             Hoe komen we tot het nieuwe betalingsdeel? De eerste vraag is welke banktegoe-
             den in aanmerking komen voor omzetting in publiek geld. De voorstellen verschil-
             len op dit punt. Dyson et al. (2016: 40) bepleiten een relatief smalle inkadering,
             waarin alleen girale tegoeden (sight deposits) in aanmerking komen, maar geen
             spaartegoeden (customers’ savings and time deposit accounts). Ons Geld (2016: 15)
             hanteert een ruimere definitie, waarbij het gaat om “alle spaar- en betaalsaldi (ban-
             caire geldtegoeden) die rekeninghouders thans als hun geld beschouwen, dus
             ongeacht de looptijd”. De afbakening van de tegoeden die worden omgezet is een
             belangrijk aandachtspunt. Zoals tabel 5.1 blijkt gaat het in Nederland om een ver-
             schil van €600 miljard (het verschil tussen €449 en €1.048 miljard).
Tabel 5.1           Omvang betaal- en spaartegoeden op balans van Nederlandse banken
                    (in miljarden euro’s; augustus 2018)
                                     Betaal­     Spaar­    Spaartegoeden      Totaal   Totaal als %
                                    tegoeden   tegoeden   met vaste looptijd           bankbalans
 Nederlandse rekeninghouders           273        406            88             768        32%
 Rekeninghouders eurogebied overig      58         8              10             76         3%
 Rekeninghouders buiten eurogebied     118         27            60             205         8%
 Totaal                                449        441            159           1048        43%
 Totaal als % bankbalans               18%        18%            7%            43%
Bron: dnb-tabel 5.2.5
</pre>

====================================================================== Einde pagina 161 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 162 ======================================================================

<pre>                                                                        hoe werkt het publiekgeldsysteem?                       161
                Ook moet een keuze worden gemaakt over hoe het nieuwe betalingsdeel eruit
                moet gaan zien. Zoals we in paragraaf 5.2 bespraken zijn er twee opties. De eerste is
                dat alle betaaltegoeden worden ondergebracht bij zelfstandige betaalbanken, die
                deze tegoeden voor 100 procent moeten afdekken met centralebankreserves. In het
                huidige systeem worden banktegoeden echter slechts voor een fractie gedekt door
                centralebankreserves. Om tot het nieuwe systeem te komen, dient de centrale
                bank dus net zoveel reserves te creëren en aan de banken uit te lenen dat de in aan-
                merking komende banktegoeden volledig zijn gedekt. Vervolgens wordt het beta-
                lingsdeel van de instelling afgescheiden van de rest – ofwel als zelfstandige onder-
                neming, ofwel als dochteronderneming van de bredere financiële instelling. In
                figuur 5.4 laten we zien hoe deze transitie eruitziet.
Figuur 5.4             Naar een betalingsdeel met gescheiden betaalbanken en
                       financieringsinstellingen
Beginsituatie                       Stap 1                                   Stap 2
                                    Centrale bank leent nieuw gecreëerde     Betaaltegoeden worden
                                    centralebankreserves aan private banken  losgekoppeld
  Bankbalans                        Bankbalans                               Bankbalans
                                                                                             Lening centrale
                        Betaal-                            Betaal-                                 bank
                      tegoeden                           tegoeden
       Overige                          Overige                                   Overige                     Investeringsbanken
     bezittingen                       bezittingen                              bezittingen      Overige
                       Overige                            Overige                             verplichtingen
                    verplichtingen                    verplichtingen
     CB-reserves                                                                 Bezittingen   Verplichtingen
      Bezittingen    Verplichtingen   CB-reserves     Lening centrale
                                                            bank
                                        Bezittingen     Verplichtingen
                                                                                                  Betaal-
                                                                                CB-reserves                   Betaalbanken
                                                                                                tegoeden
Opmerking bij figuur: De verhoudingen op de bankbalans zijn slechts een indicatie. Zoals hierboven opge-
merkt hangen deze af van de afbakening van ‘betaaltegoeden’.
                De tweede optie is dat betaalrekeningen bij de centrale bank worden onderge-
                bracht. Dit betekent dat de in aanmerking komende banktegoeden bij de commer-
                ciële banken worden overgeheveld naar de centrale bank. Dit gaat gelijktijdig
                gepaard met nieuwe leningen van de centrale bank aan deze banken, als vervanging
                van overgehevelde tegoeden.
                De transitie kan ofwel geleidelijk plaatsvinden, of (na een bepaalde voorberei-
                dingstijd) van de een op de andere dag. In de geleidelijke variant kan de centrale
                bank burgers de mogelijkheid geven om een rekening bij haar te openen. Wanneer
                burgers geld overmaken van een commerciële bank naar de centralebankrekening
</pre>

====================================================================== Einde pagina 162 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 163 ======================================================================

<pre>162   geld en schuld
      kan de centrale bank dit bedrag terug lenen aan deze bank in de vorm van een
      centralebanklening, om de commerciëlebankbalans te stabiliseren. Op die manier
      worden banktegoeden geleidelijk vervangen door centralebankrekeningen en
      ontstaat een parallel publiek betalingsdeel. Dit is dan een hybride (volgens de voor-
      stellen ‘incompleet’) systeem: gelijktijdig zijn er ook nog niet volledig door
      centralebankreserves gedekte betaalrekeningen en kunnen banken nog steeds bij
      kredietverlening nieuw geld creëren.
      Om van dit hybride systeem naar het gewenste eindpunt te komen dient er dus een
      einddatum te zijn waarop alle betaalrekeningen naar de centrale bank zijn overge-
      heveld. Na die datum worden de banktegoeden (behalve de centralebankleningen)
      omgezet in investeringstegoeden, obligaties of aandelen en kunnen de banken niet
      langer betaalrekeningen aanbieden. Bij de verandering van de een op de andere dag
      dient de overheid eerst iedereen op de hoogte te stellen van het plan, de beleids-
      matige kaders te ontwikkelen en dienen banken zich voor te bereiden. Daarna zou
      het nieuwe systeem in één klap kunnen worden ingevoerd (Dyson et al. 2016:
      38-40).
5.4.2 naar een nieuw financieringsdeel
      Als de bovenstaande transitie is voltooid, is een tweede kwestie welke aanpassin-
      gen in het financieringsdeel nog nodig zijn. Zoals in figuur 5.4 afgebeeld, hebben
      financieringsinstellingen na de transitie een flinke schuld aan de centrale bank.
      Hoe wordt deze schuld afgebouwd? Financieringsinstellingen kunnen de staats-
      obligaties die zij in het bezit hebben gebruiken om een deel van deze schuld af te
      lossen (Benes en Kumhof 2013). De rest van deze schuld kan op langere termijn
      worden afgelost op basis van de rentebetalingen en aflossingen van burgers en
      bedrijven op de uitstaande bankleningen. Dit zou dus een vrij lange tijd in beslag
      kunnen nemen (denk bijvoorbeeld aan hypotheken). Benes en Kumhof (2013) gaan
      nog verder: de overheid zou kunnen besluiten via publieke geldschepping iedereen
      een burgerdividend uit te keren waarmee schulden moeten worden afgelost, om zo
      de private schuld in één keer flink te verlagen.
      Daarnaast is er de vraag wat er precies gebeurt met de andere schuldverplichtingen
      (spaartegoeden en obligaties) van de financieringsinstelling. In het Limited Purpose
      Banking-model zouden alle uitstaande schuldverplichtingen moeten worden
      omgezet in aandelen (Kotlikoff 2010: 152). De schuldverstrekkers van de bank wor-
      den hierdoor aandeelhouder. In het geval dat financieringsinstellingen nog steeds
      mogen opereren op basis van schulden, worden de spaartegoeden omgezet in
      investeringstegoeden (Dyson et al. 2016) of in obligaties.
      Dyson et al. (2016) besteden specifiek aandacht aan de vraag of het financierings-
      deel blijft functioneren in en vlak na de transitieperiode. Het idee is immers dat
      financieringsinstellingen eerst geld moeten ophalen voordat zij het kunnen uit-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 163 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 164 ======================================================================

<pre>                                                hoe werkt het publiekgeldsysteem?      163
    lenen; en in het begin hebben ze dit geld misschien niet of nauwelijks. Dyson et al.
    (2016) houden de optie open van een tijdelijke fase waarin financieringsinstellin-
    gen nieuw geld kunnen lenen van de centrale bank om aan de kredietvraag te
    kunnen voldoen. Tegelijkertijd kunnen zij hun geldvoorraad vergroten door de
    rente-inkomsten van uitstaande leningen en het aantrekken van geld vanuit het
    ‘betalingsdeel’. Op termijn moet het financieringsdeel volgens hen wel volledig op
    private basis kunnen functioneren en hoeft de centrale bank niet langer financie-
    ring te verstrekken.
5.5 conclusie
    In dit hoofdstuk behandelden wij de plannen om het monetair-financieel systeem
    fundamenteel te herordenen. Deze plannen beogen allemaal een scheiding van het
    systeem in een betalingsdeel en een financieringsdeel. In het betalingsdeel is al het
    geld direct of indirect publiek geld. Nieuw geld kan niet langer gecreëerd worden
    door private instellingen; alleen de centrale bank kan dit. Kredietverlening door
    financieringsinstellingen dient te gebeuren op basis van bestaand geld. Zij moeten
    eerst geld ophalen bij burgers en bedrijven alvorens zij dit kunnen uitlenen. In dit
    hoofdstuk spraken we over het ‘publiekgeldsysteem’ als gemeenschappelijke noe-
    mer voor deze ideeën.
    Ondanks de overeenkomsten zijn er ook verschillen tussen de plannen, en laten
    deze plannen verschillende opties open. Geld kan worden ondergebracht bij
    betaalbanken, die hiertegen 100 procent centralebankreserves dienen aan te hou-
    den. Een alternatief is dat betaalrekeningen rechtstreeks worden aangehouden bij
    de centrale bank. De plannen laten meerdere opties open voor hoe nieuw geld in
    de economie kan worden gebracht. Ook de doelstellingen van monetair beleid en
    de relatie tussen de centrale bank en de politiek zijn geen vaststaand gegeven.
    Daarnaast verschillen de voorstellen wat betreft de vormgeving van het financie-
    ringsdeel. In sommige plannen mogen financieringsinstellingen alleen op basis van
    eigen vermogen opereren, terwijl zij in andere plannen ook schuldbewijzen
    mogen uitgeven. Bovendien verschillen de voorstellen in het soort beleid en toe-
    zicht waaraan financieringsinstellingen onderhevig zijn. Ten slotte zijn er meer-
    dere transitieopties, waarbij gekozen kan worden voor een geleidelijke of een
    snelle transitie. Tabel 5.1 geeft een overzicht van de gemeenschappelijke elementen
    en de variatiemogelijkheden.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 164 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 165 ======================================================================

<pre>164       geld en schuld
Tabel 5.2         De kern en variaties van het publiekgeldsysteem
                De kern van het publiekgeldsysteem         Variaties van het publiekgeldsysteem
 Geld           Al het geld is direct of indirect publiek. Het geld wordt direct op de rekening gezet bij de centrale
                                                           bank of bij een betaalbank gestald die daartegen honderd
                                                           procent centralebankreserves aanhoudt.
 Geld­          Geld kan niet gecreëerd worden door        Er zijn verschillende manieren waarop het nieuw gecreëerde
 schepping      commerciële banken, maar alleen door       geld ingezet kan worden: (1) door uitgaven van de overheid,
                de centrale bank.                          (2) door de afbetaling van de staatsschuld, (3) door het direct
                                                           over te maken aan burgers (helikoptergeld) en (4) door
                                                           kredietverlening, direct dan wel indirect via financierings­
                                                           instellingen.
 Krediet­       De instellingen die krediet verlenen       De voorstellen verschillen in hoeverre de looptijd van de
 verstrekking   (financieringsinstellingen) zijn duidelijk leningen en de looptijd van de financiering van de instelling
                gescheiden van de betaalbanken (of de      anders kan zijn (Mag de instelling geld dat van klanten kort
                centrale bank) waar het geld staat. Deze   is geleend, lang uitlenen?). Een tweede vraag is hoe de
                financierings­instellingen kunnen geen     instelling zich financiert. Gaat de financiering door middel
                nieuw geld creëren voor het verstrekken    van tegoeden met een vaste waarde (een schuldcontract
                van leningen, zij dienen daarvoor eerst    tussen instelling en financier) of stijgt en daalt de waarde van
                geld op te halen.                          die tegoeden met het functioneren van de instelling (eigen
                                                           vermogen – zoals aandelen in een beleggingsfonds)?
          In dit hoofdstuk bespraken wij de variaties in de vormgeving van het publiekgeld-
          systeem, maar gingen we nog niet in op de mogelijke voor- en nadelen. Volgens de
          pleitbezorgers scoort dit systeem veel beter op het gebied van dienstbaarheid, sta-
          biliteit, rechtvaardigheid en legitimiteit dan ons huidige systeem. In het volgende
          hoofdstuk gaan wij in op hun argumenten en op tegenwerpingen van critici, om
          zo een beeld te kunnen vormen van de mogelijke voor- en nadelen van het
          publiekgeldsysteem.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 165 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 166 ======================================================================

<pre>                                                     hoe werkt het publiekgeldsysteem?            165
noten
1   Het is ook onder andere namen bekend, zoals: full reserve banking, 100%-money, limited pur-
    pose banking, Vollgeld.
2   Het gaat in de voorstellen om een onafhankelijke publieke instelling. ‘Ons Geld’ spreekt over
    een monetaire autoriteit. Veel andere voorstellen spreken echter over de centrale bank. Om
    het overzichtelijk te houden zullen wij in deze tekst ook spreken over de centrale bank. Wij
    gebruiken deze term omdat die het meest gebruikelijk is. Het staat voor ons los van de vraag
    of deze instelling een balans moet hebben of leningen moet verstrekken.
3   Het is niet helemaal juist om te spreken over ‘Nobelprijs’ aangezien die voor de economische
    wetenschap niet bestaat. Het gaat hier om de Prijs van de Zweedse Rijksbank voor Economi-
    sche Wetenschappen ter nagedachtenis aan Alfred Nobel.
4   Volgens Benes en Kumhof (2013: 17) en Laina (2015) ontleenden de Chicago-economen dit
    idee op hun beurt echter aan de Engelse Frederick Soddy (Nobelprijswinnaar in de schei-
    kunde en econoom) die hierover reeds in de jaren twintig publiceerde.
5   Zoals we in hoofdstuk 2 aangaven, vormen kortlopende leningen die de bank aangaat op
    financiële markten een andere bron van mogelijke liquiditeitsproblemen. Normaliter worden
    deze leningen telkens vernieuwd of vindt de bank nieuwe schuldverstrekkers, maar als de
    verstrekkers van deze leningen twijfelen aan de degelijkheid van de instelling, kunnen zij de
    doorrol stopzetten, waarmee de bank een groot financieringsprobleem heeft.
6   Dit gaat uit van een 'normale' situatie van monetair beleid waarbij de rente die de ecb betaalt
    op centralebankreserves niet negatief is.
7   Uiteraard kunnen er wel problemen ontstaan wanneer een centrale bank veel verplichtingen
    heeft in buitenlandse valuta. Hoewel een centrale bank negatief eigen vermogen kan hebben,
    kunnen centrale bankiers huiverig hiervoor zijn, omdat zij vrezen dat dit de legitimiteit van
    de centrale bank aantast. Zie voor een discussie hierover Cohen-Setton (2015).
8   Dyson et al. (2016: 30) stellen voor dat het nieuw gecreëerde geld ‘gedekt’ wordt door eeuwig-
    durende renteloze obligaties uitgeschreven door de overheid en gekocht door de centrale
    bank.
9   In het geval van een coöperatie ligt het ingewikkelder. In principe zijn de leden aansprakelijk
    voor het functioneren van de coöperatie en is op die manier de solvabiliteit van de onderne-
    ming gewaarborgd. In de praktijk wordt deze aansprakelijkheid bijna altijd in de statuten uit-
    gesloten of beperkt tot een bepaald bedrag. Eigen vermogen kan dan op verschillende manie-
    ren opgebouwd worden. Sommige coöperaties hebben ledenrekeningen waarop geld gestort
    wordt door de leden. Coöperaties kunnen ook eigen vermogen opbouwen door ingehouden
    winsten. Ook zijn vermogenstitels mogelijk, aan te kopen door de leden of zelfs door exter-
    nen – al is dat laatste uitzonderlijk (Van der Sangen 2012).
10  In het voorstel van Kotlikoff zijn er ook geldfondsen: dit zijn feitelijk de betaalbanken. Deze
    fondsen mogen alleen staatsobligaties of centralebankreserves aanhouden, waardoor de
    waarde stabiel blijft. Men kan met een aandeel uit dit geldfonds een aandeel in een investe-
    ringsfonds kopen. Omgekeerd krijgen mensen die een lening willen geld van een financie-
    ringsinstelling, dit in de vorm van nieuwe aandelen in de geldfondsen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 166 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 167 ======================================================================

<pre>166 geld en schuld
11  De vraag is of schuldbewijzen en aandelen uitgegeven door private partijen als geld gaan
    functioneren. In hoofdstuk 6 gaan we hier nader op in. De voorstellen verschillen in of zij dit
    zien als een positieve of negatieve ontwikkeling. Wel zijn de voorstellen het erover eens dat
    de overheid dit private geld op geen enkele manier zou moeten ondersteunen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 167 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 168 ======================================================================

<pre>                                                                                          167
6   voor- en nadelen van het
    publiekgeldsysteem
    De afgelopen jaren hebben verschillende partijen gepleit voor een publiekgeld-
    systeem, zoals besproken in het vorige hoofdstuk. In dit hoofdstuk gaan wij in op
    de voor- en nadelen van zo’n systeem. We doen dit aan de hand van de vier doel-
    stellingen die in hoofdstuk 4 centraal staan: dienstbaarheid (paragraaf 6.1); stabili-
    teit (paragraaf 6.2); rechtvaardigheid (paragraaf 6.3); en legitimiteit (paragraaf 6.4).
    In paragraaf 6.5 bespreken wij de internationale dimensie, de transitie en het
    vraagstuk van dynamiek en innovatie. Paragraaf 6.6 vat dit hoofdstuk samen.
    Bij de bespreking van de voor- en nadelen is enige voorzichtigheid geboden. Het
    systeem heeft nooit volledig in de praktijk gefunctioneerd. Dat betekent dat er
    geen of slechts indirect empirisch bewijs voorhanden is over de voor- en nadelen
    van een alternatief geldscheppingssysteem. Macro-economische modellen die de
    verwachte effecten analyseren (bijv. Benes en Kumhof 2013; Flaschel et al. 2010;
    Chiarella et al. 2011; Yamaguchi 2011; Van Egmond en De Vries 2016) dienen met de
    nodige slagen om de arm te worden bezien. Het is ook belangrijk om in het achter-
    hoofd te houden dat er ook binnen het huidige systeem onduidelijk bestaat over
    bepaalde economische verbanden; dat maakt het nog lastiger om uitspraken te
    doen over de werking van een ander systeem. Ten slotte bestaan er verschillende
    varianten van een publiekgeldsysteem. Vooral de inrichting van het financierings-
    deel verschilt per voorstel. Deze varianten komen uiteraard met verschillende
    voor- en nadelen.
6.1 dienstbaarheid
    De eerste vraag is of een publiekgeldsysteem leidt tot een verbetering op het gebied
    van dienstbaarheid aan de samenleving. In hoofdstuk 4 beschreven we deze dienst-
    baarheid aan de hand van twee belangrijke functies van de financiële sector: beta-
    len en financieren. De functie van het betalen wordt binnen het huidige systeem
    goed vervuld, al zijn er zorgen over veiligheid van het betaalverkeer tijdens crises.
    Wat betreft financieren is het de vraag of deze functie op een manier wordt vervuld
    die dienstbaar is aan de samenleving. De volatiliteit van de kredietverlening en de
    hoogte van de schulden leveren problemen op. Wat zou het effect in deze zijn van
    een publiekgeldsysteem? We bespreken in deze paragraaf: (1) de werking van het
    betalingsverkeer; (2) de versterking van conjuncturele schommelingen; (3) de
    beschikbaarheid en prijs van krediet; en (4) de mogelijkheid van een eenmalige
    schuldenreductie.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 168 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 169 ======================================================================

<pre>168   geld en schuld
6.1.1 de werking van het betalingsverkeer
      Van een publiekgeldsysteem is niet direct een veel betere of minder goede werking
      van het betalingsverkeer te verwachten. Sommige auteurs zijn bezorgd dat het
      centraliseren van betalingsverkeer zou kunnen leiden tot minder innovatie op dit
      gebied, omdat de centrale bank geen noodzaak voelt om aanpassingen te doen (zie
      bijv. Van Dixhoorn 2013a: 33; Swiss National Bank [snb] 2018). Dit gaat echter niet
      op voor de variant van een publiekgeldsysteem waarbij er zelfstandige betaal-
      banken zijn die met elkaar concurreren om de gunst van de klant. Bovendien is het
      niet evident dat publieke instellingen minder zouden innoveren dan private instel-
      lingen. In Nederland werden tot aan de jaren zeventig de belangrijkste innovaties
      op het gebied van betalingsverkeer, zoals pinautomaten en het elektronische beta-
      lingsverkeer, door publieke instellingen geïntroduceerd; terwijl private banken
      vooral een volgende rol hadden (zie hoofdstuk 3).
      Er is niet direct een reden om te verwachten dat de totale kosten voor het beta-
      lingsverkeer omhoog of omlaag zullen gaan; wel is het de vraag wie de kosten
      betaalt in een publiekgeldsysteem. Nu gebruiken banken een deel van de inkom-
      sten uit hun bezittingen en het voordeel dat zij behalen uit relatief goedkopere
      financiering voor het bekostigen van het betalingsverkeer; in het nieuwe systeem is
      dit niet mogelijk. Betaalbanken hebben immers alleen centralebankreserves als
      bezittingen op de balans staan, waardoor de rente-inkomsten voor de bank beperkt
      of helemaal afwezig zullen zijn. Wanneer de rente op centralebankreserves niet
      kostendekkend is voor banken, zal dit naar verwachting leiden tot hogere kosten
      voor de consument (kpmg 2016: 14). Het is ook mogelijk dat de overheid de kosten
      van het betalingsverkeer voor zijn rekening neemt; ook dan is sprake van een
      andere verdeling van de kosten. Kortom, op het gebied van betalen zijn in normale
      tijden geen grote veranderingen te verwachten.
      Een belangrijk verschil met het huidige systeem is echter dat betaalrekeningen niet
      langer zijn blootgesteld aan financiële risico’s. Een financiële crisis beïnvloedt in
      een publiekgeldsysteem niet direct het betalingsverkeer. Wanneer zich in het
      financieringsdeel schaduwgeld ontwikkelt, zou dat alsnog een bedreiging kunnen
      vormen voor het betalingsverkeer, we komen hier in paragraaf 6.2 op terug. Wel
      bestaan er, net als in het huidige systeem, cyberrisico’s.
6.1.2 versterking van conjuncturele schommelingen
      Voorstanders van een publiekgeldsysteem stellen dat in het nieuwe systeem perio-
      den van collectief optimisme en pessimisme niet zo worden versterkt als binnen
      het huidige systeem (Benes en Kumhof 2013; Dyson et al. 2016; Ons Geld 2016).
      Dit omdat er een grotere rem is op kredietverstrekking door financieringsinstellin-
      gen. Dit vergt enige uitleg.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 169 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 170 ======================================================================

<pre>                                                   voor- en nadelen van het publiekgeldsysteem                                   169
           In het huidige systeem kan aan een groeiende vraag naar krediet relatief eenvoudig
           worden voldaan. Banken kunnen tegelijkertijd een lening en nieuw geld creëren.
           Zoals we in hoofdstuk 2 lieten zien, worden banken hierbij door verschillende fac-
           toren geremd, maar er is geen sprake van een harde begrenzing. In goede tijden kan
           de kredietverlening dus relatief snel stijgen. Evenzo daalt ten tijde van een crisis de
           waarde van de bezittingen van de bank en zal de bank kredietverlening juist sterk
           terugschroeven om een gezonde balans te krijgen.
           In een publiekgeldsysteem moeten financieringsinstellingen voordat zij een lening
           kunnen verstrekken eerst geld ophalen. De geldhoeveelheid kan niet worden ver-
           groot door financieringsinstellingen; alleen de centrale bank kan dat. Dit betekent
           dat kredietverlening minder hard kan stijgen dan in het huidige systeem. Tegelij-
           kertijd is het een minder harde begrenzing van krediet dan op het eerste gezicht
           lijkt. Krediet kan ook doorgroeien zonder dat de geldhoeveelheid stijgt.
           Een voorbeeld: Eva stelt €800 beschikbaar aan een financieringsinstelling die
           werkt op basis van investeringstegoeden, die dit bedrag vervolgens uitleent aan
           bedrijf X (zie figuur 6.1).
Figuur 6.1            Opbouw van schulden in publiekgeldsysteem deel I
Beginsituatie                                                Stap 1
                                                             Eva stelt €800 ter beschikking aan de financierings-
                                                             instelling, die het uitleent aan bedrijf X
                Centrale bank                                                      Centrale bank
                                    Betaalrekening                                                     Betaalrekening
                      €500
                                    bedrijf X                                                          bedrijf X
                                    Betaalrekening                                      €1300
                      €500
                                    bedrijf Y
                                    Betaalrekening                                                     Betaalrekening
                      €1000
                                    Eva                                                  €500          bedrijf Y
                                                                                         €200          Betaalrekening
                                                                                                       Eva
          Financieringsinstelling                                          Financieringsinstelling
          Bezittingen    Verplichtingen                                     Bezittingen     Verplichtingen
                                                             Lening                                           Investeringstegoed
                 €0            €0                                                €800           €800
                                                             bedrijf X                                        Eva
</pre>

====================================================================== Einde pagina 170 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 171 ======================================================================

<pre>170           geld en schuld
              Bedrijf X koopt hiervan goederen bij bedrijf Y. Bedrijf Y stelt vervolgens het geld
              (€800) ter beschikking aan de financieringsinstelling, die het vervolgens weer uit-
              leent aan bedrijf X (zie figuur 6.2). Zo kan met een vaste hoeveelheid geld, het
              bedrag aan schulden toch toenemen. In ons simpele voorbeeld zijn de schulden
              met €1600 gestegen.
Figuur 6.2               Opbouw van schulden in publiekgeldsysteem deel ii
 Stap 2                                                          Stap 3
 Bedrijf X koopt voor €800 aan goederen van bedrijf Y            Bedrijf Y stelt €800 ter beschikking aan de financierings-
                                                                 instelling, die het weer uitleent aan bedrijf X
                    Centrale bank                                                     Centrale bank
                                        Betaalrekening                                                   Betaalrekening
                          €500
                                        bedrijf X                                                        bedrijf X
                                                                                           €1300
                                        Betaalrekening
                         €1300
                                        bedrijf Y
                                                                                                         Betaalrekening
                                                                                            €500         bedrijf Y
                          €200          Betaalrekening                                      €200         Betaalrekening
                                        Eva                                                              Eva
             Financieringsinstelling                                           Financieringsinstelling
             Bezittingen     Verplichtingen                                    Bezittingen    Verplichtingen
Lening                                        Investeringstegoed                                                Investeringstegoed
                 €800            €800                                                             €800
bedrijf X                                     Eva                                                               Eva
                                                                 Lening
                                                                 bedrijf X         €1600
                                                                                                  €800          Investeringstegoed
                                                                                                                bedrijf Y
              Hoewel het begrenzen van de geldhoeveelheid niet betekent dat ook de hoeveel-
              heid krediet vastligt, is het toch reëel om te verwachten dat kredietverlening in een
              publiekgeldsysteem eerder geremd zal worden dan in het huidige systeem. De
              snelheid van netto kredietgroei (nieuwe kredietverstrekking min de schulden die
              worden afgelost) wordt begrensd door de mate waarin mensen bereid zijn hun geld
              om te zetten in een investeringstegoed. Financieringsinstellingen zullen mensen
              die hun geld aanhouden als veilig betaaltegoed, proberen te verleiden om het ter
              beschikking te stellen voor financiering, wat betekent dat zij risico lopen. Dit zal
              alleen lukken tegen een hogere vergoeding, wat uiteindelijk zal doorwerken in een
              hogere rente op verstrekte leningen: financieringsinstellingen moeten immers ren-
              dabel blijven. Deze hogere kredietprijs kan vervolgens de vraag drukken, wat een
              remmend effect heeft op kredietgroei. Volgens voorstanders is dit een effectieve
</pre>

====================================================================== Einde pagina 171 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 172 ======================================================================

<pre>                                       voor- en nadelen van het publiekgeldsysteem          171
      manier om kredietzeepbellen te voorkomen (bijvoorbeeld Benes en Kumhof 2013;
      voor meer informatie, zie Van Dixhoorn 2013a; Sustainable Finance Lab 2015;
      Dommerholt en Van Tilburg 2016).
      Daarbij moet in het achterhoofd worden gehouden dat de combinatie van geld-
      schepping en kredietverlening zeker niet de enige factor is die zorgt voor schom-
      melingen in kredietverlening en conjunctuur. Een aantal elementen die de con-
      juncturele cyclus versterken is immers inherent aan financiële markten. Zo hangt
      de vraag naar krediet sterk af van marktsentimenten (collectief optimisme of pessi-
      misme). Financiële bezittingen hebben bovendien geen ‘objectieve’ waarde: de
      prijs is afhankelijk van vraag en aanbod, die weer sterk wordt bepaald door toe-
      komstverwachtingen en het gedrag van andere marktspelers. Daarnaast is er ten
      tijde van financiële instabiliteit meer behoefte aan snel opneembare (liquide) mid-
      delen dan in goede tijden. Deze elementen die de conjunctuur versterken zijn ook
      in het publiekgeldsysteem aanwezig (Dow et al. 2015).
6.1.3 prijs en beschikbaarheid van krediet
      De beschikbaarheid van krediet is belangrijk voor de economische ontwikkeling.
      In hoofdstuk 4 hebben we gezien dat hierbij sprake is van een omgekeerde U-
      vorm. Zowel te weinig als te veel krediet kan negatieve economische consequen-
      ties hebben. Hoeveel krediet tegen welke prijs er in een publiekgeldsysteem
      beschikbaar zal zijn, is uiteraard niet exact te voorspellen. Dit hangt voor een
      belangrijk deel af van de manier waarop het financieringsdeel functioneert. Daarbij
      zal er een zekere uitruil bestaan tussen de stabiliteit van het financieringsdeel en de
      beschikbaarheid van krediet.
      Wanneer financieringsinstellingen opereren op eigen vermogen (zoals in het voor-
      stel van Kotlikoff ) en er geen verschil in looptijd en risico bestaat tussen de bezit-
      tingen en de financiering van de instellingen, zal de waarde van de aandelen fluctu-
      eren en zelfs kunnen instorten wanneer zij massaal worden verkocht, maar bestaat
      er geen risico op bankruns. Het is dan echter wel de vraag of er genoeg mensen
      bereid zijn om geld beschikbaar te stellen voor kredietverlening. Een financierings-
      deel waarin looptijdtransformatie wel is toegestaan en waar financieringsinstellin-
      gen opereren op basis van schulden, kan aantrekkelijker zijn voor investeerders.
      Het betekent echter ook een groter risico op instabiliteit (zie box 6.1 over de voor-
      en nadelen van looptijdtransformatie). Minder stabiele financieringsinstellingen
      worden geaccepteerd in ruil voor naar verwachting een grotere beschikbaarheid
      van krediet.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 172 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 173 ======================================================================

<pre>172         geld en schuld
Box 6.1           De voor- en nadelen van looptijdtransformatie
    De varianten van het publiekgeldscheppingsysteem verschillen in of zij looptijdtransformatie in
    het financieringsdeel toestaan. Looptijdtransformatie betekent dat er verschillen mogen zijn in
    de looptijd tussen de ingelegde tegoeden en de looptijd van de verstrekte leningen. Zo kunnen
    bijvoorbeeld de ingelegde tegoeden een looptijd van een maand hebben, terwijl de verstrekte
    leningen een looptijd hebben van tien jaar.
    Looptijdtransformatie heeft een belangrijke economische functie. Voor de economie als geheel
    is het van groot belang dat er langlopende financiering beschikbaar is. Dit geeft bedrijven en bur-
    gers zekerheden die hen in staat stellen om economische risico’s te nemen, wat bijdraagt aan
    economische ontwikkeling. Voor individuele financiers is het verstrekken van langlopende
    financiering echter risicovol: je bent je geld langere tijd kwijt en je weet niet of je het in de tus-
    sentijd nodig zal hebben. Als iedere financier individueel de afweging moet maken, zal dit een
    belemmering vormen voor de beschikbaarheid van langlopende financiering.
    Wanneer looptijdtransformatie is toegestaan, kunnen financiële instellingen hiervoor een
    oplossing bieden: zij kunnen langetermijnfinanciering verstrekken op basis van kortlopende
    financiering. De instellingen maken hierbij gebruik van de ‘wet van de grote aantallen’; onder
    normale omstandigheden is de in- en uitstroom van de financiering ongeveer gelijk, dus kan de
    instelling langlopende leningen verstrekken. Dit looptijdsverschil heeft dus belangrijke econo-
    mische voordelen. Tegelijkertijd brengt het ook stabiliteitsrisico’s met zich mee. Wanneer men-
    sen massaal hun geld willen opnemen, kan de instelling hier niet aan voldoen en moet deze de
    deuren sluiten.
    Wanneer geen looptijdtransformatie is toegestaan, zal dit de beschikbaarheid van langetermijn-
    financiering beperken. Volgens Boonstra (2015: 30) is “de kans dat consumenten of bedrijven
    hun spaargeld voor ettelijke jaren, laat staan decennia, willen vastzetten (...) nihil”. Wanneer
    financieringsinstellingen worden gefinancierd op basis van verhandelbare obligaties of aandelen
    neemt dat een deel van het probleem weg, omdat men deze instrumenten op ieder moment kan
    verkopen. Wel zal men dan een grotere onzekerheid hebben over de opbrengst daarvan bij ver-
    koop, wat de bereidheid om geld voor financiering beschikbaar te stellen kan verminderen.
            De voorstellen verschillen zozeer in hoe het financieringsdeel eruit zal zien, dat er
            geen eenduidig antwoord kan worden gegeven op de vraag of er in een publiek-
            geldsysteem voldoende betaalbaar krediet beschikbaar zal zijn. Wel is het waar-
            schijnlijk dat er minder krediet beschikbaar zal zijn dan in het huidige systeem. In
            het publiekgeldsysteem verschuift de het risico van kredietverstrekking ten min-
            ste ten dele van de bank naar het individu (die zijn geld ter beschikking van de
</pre>

====================================================================== Einde pagina 173 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 174 ======================================================================

<pre>                                  voor- en nadelen van het publiekgeldsysteem          173
financieringsinstelling stelt). Dit kan betekenen dat men minder geneigd is om geld
beschikbaar te stellen voor financiering, of dit alleen wil doen tegen een hoge
vergoeding.
Waar dat door voorstanders wordt gezien als een positieve ontwikkeling, waar-
schuwen anderen juist hiervoor. Verschillende auteurs (Pettifor 2017; Fontana en
Sawyer 2016; Goodhart en Jensen 2015; snb 2018) stellen dat de prijs van krediet
structureel omhoog zal gaan en de beschikbaarheid permanent zal afnemen. Zij
benadrukken dat dit slecht zal zijn voor economische ontwikkeling en dat nieuwe,
veelbelovende initiatieven op deze manier geen financiering kunnen krijgen. Vol-
gens Pettifor (2017) zouden onzekere, maar potentieel maatschappelijk waarde-
volle activiteiten snel in de kiem gesmoord worden als het kredietaanbod beperkt
wordt. Ook kan minder toegang tot krediet grote sociale gevolgen hebben. Zoals
gezegd heeft de relatie tussen kredietverlening en economische ontwikkeling het
karakter van een omgekeerde U-vorm. Te weinig kredietverlening is ongunstig en
te veel ook. Van tevoren is lastig vast te stellen waar de omvang van de kredietver-
lening in het publiekgeldsysteem zich op de omgekeerde U-vorm zou bevinden.
Overigens kan, los van het langetermijneffect, een terugval in de beschikbaarheid
en stijging van de prijs van krediet op de korte termijn problematisch zijn. We
komen hier bij de transitie op terug.
Volgens voorstanders is de vrees voor te weinig en te duur krediet om twee rede-
nen overdreven (Laina 2015; Dyson et al. 2016).1 Ten eerste zou het onwaarschijn-
lijk zijn dat een herordening van de financieringsrisico’s zou leiden tot een explo-
sieve groei van rentes, omdat er momenteel zoveel kapitaal is in de wereld. Dyson
et al. (2016: 47) stellen: “the economic context at the moment is one of large pools of
capital and a ‘search for yield’, implying that rather than there being a shortage of
credit, there is a shortage of useful projects to invest in”. Ten tweede zou de centrale
bank altijd kunnen interveniëren in het geval dat de rentestanden te hoog worden
bevonden: “the central bank would always be able to create money and inject it into
key markets to bring interest rates down” (Dyson et al. 2016: 47). Zoals we in het
vorige hoofdstuk bespraken is een financieringsdeel denkbaar waarbij financie-
ringsinstellingen geld mogen lenen van de centrale bank voor kredietverlening.
Wanneer de centrale bank meent dat krediet te schaars en te duur is, zou zij geld
kunnen uitlenen aan financieringsinstellingen om zo de prijs en beschikbaarheid
van krediet te sturen. Daarvoor is het wel nodig dat de centrale bank de krediet-
behoefte goed kan peilen. Pettifor (2017) meent dat daarmee te veel verwacht
wordt van de vooruitziende blik van de centrale bank. Dyson et al. (2016) stellen
dat dit niet noemenswaardig anders is dan de huidige verwachtingen van de cen-
trale bank op het gebied van inflatiemanagement (we komen hierop terug in para-
graaf 6.3).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 174 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 175 ======================================================================

<pre>1 74  geld en schuld
      Tot dusver hebben we gekeken naar de omvang van krediet geredeneerd vanuit de
      beslissingen die mensen nemen over het stallen dan wel investeren van hun geld.
      Voorstanders van het publiekgeldsysteem hebben nog een andere reden om te
      denken dat er in het alternatief minder schulden zullen bestaan (zie bijv. Dyson et
      al. 2016: 14). In het huidige systeem wordt er over het algemeen op het moment
      van geldschepping tegelijkertijd een schuld gecreëerd. In het publiekgeldsysteem
      kan, zo stellen de pleitbezorgers, de overheid nieuw geld creëren zonder dat tege-
      lijkertijd schuld wordt gecreëerd.2 Dat betekent dat de geldhoeveelheid kan stijgen,
      zonder dat de omvang van schulden stijgt. Die redenering gaat er echter vanuit dat
      de stijging van de geldhoeveelheid de drijvende factor is voor de stijging van de
      schuld in plaats van andersom. Uit figuur 3.6 blijkt dat krediet sterker is gestegen
      dan de geldhoeveelheid. Het is daarom lastig om op basis van deze argumentatie te
      zeggen dat het ontkoppelen van geld en schuld noodzakelijkerwijs leidt tot minder
      schulden.
      Tot nu toe hebben we gesproken over de gevolgen voor kredietverlening. Het is
      ook belangrijk om na te denken over wat het publiekgeldsysteem betekent voor
      andere financiële producten, zoals opties en andere derivaten. Hoewel krediet-
      verlening en de verkoop van financiële producten door veel meer partijen dan
      alleen banken worden ontplooid, spelen banken wel een belangrijke rol op deze
      terreinen. Het valt dan ook te verwachten dat er ook voor deze markten gevolgen
      zullen zijn, maar welke precies en wat het effect daarvan zou zijn op de samen-
      leving zijn lastig in te schatten. Dit vraagstuk wordt in de meeste voorstellen niet
      expliciet behandeld.
6.1.4 eenmalige schuldenreductie
      Het nieuwe systeem biedt volgens voorstanders de mogelijkheid tot een eenmalige
      grote reductie in schuldenniveaus, zowel publiek als privaat (Benes en Kumhof
      2013; Dyson et al. 2016; Sustainable Finance Lab 2015; Wortmann 2017). In het
      vorige hoofdstuk (paragraaf 5.4) legden we uit dat de transitie naar een publiek-
      geldsysteem gepaard zou gaan met omvangrijke leningen van de centrale bank aan
      het commerciële bankwezen. Deze leningen op de balans van de nieuwgevormde
      financieringsinstellingen zijn bedoeld ter vervanging van de betaaltegoeden die
      zijn verplaatst. Voorstanders zien hierin een mogelijkheid om private en publieke
      schulden fors te reduceren, met positieve gevolgen voor financiële stabiliteit en
      economische ontwikkeling.
      De centrale bank kan deze leningen aan banken deels wegstrepen tegen de staats-
      obligaties die de banken op de balans hebben staan.3 Dit kan voor zover de staats-
      schuld in handen is van de commerciële banken die bij de transitie betrokken zijn.
      Een staatsschuld als de Nederlandse is echter over veel nationale en internationale
      instellingen verspreid.4 Dit beperkt de mogelijkheden om de publieke schuld weg
</pre>

====================================================================== Einde pagina 175 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 176 ======================================================================

<pre>                                       voor- en nadelen van het publiekgeldsysteem        175
      te strepen tegen de leningen die door de centrale bank verstrekt worden. Visser
      (2015) wijst daarnaast op het belang van staatsobligaties voor risicoverdeling bin-
      nen beleggingsportefeuilles.
      Benes en Kumhof (2013) gaan nog een stap verder. Zij stellen voor burgers tijdens
      de transitie een dividend te geven waarmee zij hun private schulden dienen af te
      lossen. De commerciële banken kunnen met het verkregen geld vervolgens hun
      leningen bij de centrale bank aflossen. Wanneer dit burgerdividend alleen wordt
      uitgekeerd aan mensen met schulden, leidt dat tot grote herverdelingseffecten.
      Wanneer iedereen een gelijk bedrag krijgt, kunnen burgers, voor zover zij geen of
      lagere schulden hebben, dit dividend vrij besteden. Bij een laag bedrag, zal de
      daling van de private schulden uiteindelijk beperkt zijn. Bij een hoog bedrag is de
      kans op inflatie zeer groot.
6.1.5 samenvatting
      In deze paragraaf hebben we gekeken naar de mogelijke voor- en nadelen van een
      publiekgeldsysteem op het gebied van dienstbaarheid. We hebben hierbij zowel
      gekeken naar het betalingsverkeer als naar financiering. Er zijn weinig aanwijzingen
      dat onder normale omstandigheden het betalingsverkeer meer of minder goed zou
      functioneren. Wel zouden de kosten anders zijn verdeeld: waar in het huidige sys-
      teem banken het betalingsverkeer deels bekostigen op basis van de inkomsten op
      hun bezittingen, is dat niet of beperkter mogelijk in het alternatief (afhankelijk van
      de rente op centralebankreserves). De directe kosten voor rekeninghouders zou-
      den dus kunnen oplopen. Wanneer er sprake is van rekeningen bij de centrale
      bank, is een optie dat deze kosten publiek gedragen worden.
      Op het gebied van kredietverlening zal waarschijnlijk wel veel veranderen. Het is
      goed mogelijk dat de volatiliteit in kredietverlening afneemt, aangezien een stij-
      gende vraag naar krediet sneller doorwerkt in de rente, wat de kredietvraag ont-
      moedigt. De rem op kredietverstrekking in het publiekgeldsysteem is wel minder
      strikt dan op het eerste gezicht lijkt: het begrenzen van de hoeveelheid geld impli-
      ceert geen absolute begrenzing van de hoeveelheid krediet. Toch kan ook in een
      publiekgeldsysteem de conjunctuur door de financiële sector versterkt worden.
      Bepaalde elementen die in ons huidige systeem bijdragen aan volatiele krediet-
      verlening verdwijnen in het publiekgeldsysteem niet, zoals het feit dat financiële
      bezittingen niet objectief zijn te beprijzen, marktsentiment daarbij dus altijd een
      rol speelt en ook de vraag kan fluctueren.
      Hoeveel krediet er in een publiekgeldsysteem beschikbaar is en tegen welke prijs is
      lastig te zeggen. Het is sterk afhankelijk van de manier waarop het financierings-
      deel gereguleerd is en zich gaat ontwikkelen. Er is daarbij sprake een uitruil tussen
      de stabiliteit van financieringsinstellingen en de beschikbaarheid van krediet: hoe
      meer risico’s de financiers van deze instellingen moeten dragen, hoe stabieler de
</pre>

====================================================================== Einde pagina 176 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 177 ======================================================================

<pre>176   geld en schuld
      instellingen, maar hoe minder mensen geneigd zullen zijn om geld beschikbaar te
      stellen voor financiering of hoe hoger de vergoeding is die zij hiervoor wensen.
      Dus indien de overheid van financieringsinstellingen eist dat zij volledig opereren
      op eigen vermogen, of wanneer zij de looptijd van hun schulden moeten matchen
      met de looptijd van hun bezittingen, zullen individuele instellingen stabieler zijn,
      maar zullen burgers en bedrijven wellicht terughoudender zijn bij het beschikbaar
      stellen van krediet. Verhandelbaarheid van de schulden van of aandelen in deze
      financiële instellingen neemt slechts een deel van dit probleem weg.
      Minder kredietverlening hoeft op de lange termijn niet schadelijk te zijn: er kan
      immers ook sprake zijn van te veel krediet. Zowel te veel als te weinig kredietverle-
      ning heeft negatieve gevolgen voor de economische ontwikkeling. Het is lastig om
      te voorspellen waar het publiekgeldsysteem zich op deze as precies zal bevinden.
      Een sterke afname van de beschikbaarheid van krediet kan op korte termijn, los
      van het langetermijneffect, sterke negatieve gevolgen hebben.
      Het nieuwe systeem zou kunnen leiden tot een eenmalige verlaging van schulden
      door de leningen van de centrale bank aan financieringsinstellingen weg te strepen
      tegen de schulden die op de balans van deze instellingen staan. Bij publieke schul-
      den is dit voorstelbaar. Bij private schulden spelen vele politieke vragen over de
      implementatie, met name mogelijke herverdelingseffecten en het risico op inflatie.
      Hoewel in een model deze schulden gemakkelijk tegen elkaar weggestreept kun-
      nen worden, is de praktijk weerbarstiger.
6.2   stabiliteit
      De problematiek van financiële instabiliteit betreft zowel het financiële systeem als
      geheel, als individuele instellingen – en de wisselwerking daartussen. In hoeverre
      zou een publiekgeldsysteem deze problematiek verminderen? We bespreken eerst
      de stabiliteit van individuele instellingen, daarna gaan we in op de stabiliteit van
      het systeem als geheel.
6.2.1 de stabiliteit van individuele instellingen
      Zal het publiekgeldsysteem leiden tot stabielere instellingen? Die vraag dient apart
      beantwoord te worden voor instellingen in het betalingsdeel (betaalbanken) en
      instellingen in het financieringsdeel (financieringsinstellingen). In het nieuwe sys-
      teem zullen betaalbanken stabiel zijn; zij opereren immers op basis van volledige
      reserves en zullen dan ook niet ten onder kunnen gaan door een bankrun.5 Mocht
      er in het financieringsdeel overigens schaduwgeld ontstaan (schulden van financie-
      ringsinstellingen die als betaalmiddel gaan functioneren), dan kan dat nog steeds
      betekenen dat niet al het geld veilig is. We komen hier in paragraaf 6.5 op terug.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 177 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 178 ======================================================================

<pre>                                voor- en nadelen van het publiekgeldsysteem         177
In hoeverre financieringsinstellingen stabieler zullen worden is een veel ingewik-
kelder vraagstuk. Het hangt deels af van wet- en regelgeving: wat is wel en niet toe-
gestaan bij financieringsinstellingen? Wanneer deze instellingen volledig op basis
van eigen vermogen opereren (zoals in het Kotlikoff-plan) is er geen risico op een
bankrun en is het risico op faillissement veel kleiner. Net zoals bij onze huidige
aandelenmarkten, kan dan nog wel sprake zijn van grote verliezen voor investeer-
ders, met mogelijk macro-economische consequenties. Wanneer het financierings-
instellingen is toegestaan om grotendeels op basis van schulden te opereren, en er
verschil bestaat tussen de looptijd van bezittingen en schulden, zijn stabiliteits-
risico’s groter. In geval van waardedaling van de bezittingen, kan er een bankrun
plaatsvinden of kunnen zij problemen ondervinden met herfinanciering. Dit kan
weer kan bijdragen aan instabiliteit bij andere financieringsinstellingen. Kapitaal-
regulering, overheidseisen op het gebied van het eigen vermogen van banken zoals
die nu ook gelden, zou hier deels een antwoord op kunnen vormen.
Volgens voorstanders zal een publiekgeldsysteem ook leiden tot stabielere instel-
lingen in het financieringsdeel, omdat er vanuit de financiers een sterke discipline-
rende werking zal uitgaan. Deze marktdiscipline is het gevolg van het wegvallen
van de overheidsgaranties die het huidige systeem kenmerken. Dit vergt enige uit-
leg. In het een publiekgeldsysteem is het betalingsdeel afgeschermd van de risico’s
in het financieringsdeel. Volgens voorstanders reiken de voordelen hiervan verder
dan alleen een veilig betalingsdeel; financieringsinstellingen hoeven dan niet gered
te worden om het betalingsverkeer veilig te stellen. Hierdoor zou een belangrijke
marktverstorende factor – impliciete en expliciete overheidssteun voor private
instellingen en rekeninghouders leidt tot risicovoller gedrag – verdwijnen. De
afwezigheid van overheidsgaranties in het financieringsdeel is een belangrijke
voorwaarde voor de voorstanders van een publiekgeldsysteem. Ons Geld (2016:
30) stelt dat “[onwrikbaar] moet vast staan dat voor verliezen op zelf verkozen
risicovolle posities van overheidswege geen garantie of compensatie wordt gebo-
den.”
Nu investeerders daadwerkelijk risico lopen, zullen zij, zo redeneren de voorstan-
ders, de financieringsinstellingen veel beter controleren en eisen dat zij goed geka-
pitaliseerd zijn. Dit kan een disciplinerend effect hebben op instellingen. Voor-
standers verwachten veel van het versterken van marktdiscipline: “Transparantie
en goede inschatting van risico’s wordt dan beloond. Banken kunnen gaan excelle-
ren in de wijze waarop ze risico’s transparant maken en met de aan hen toever-
trouwde middelen omgaan. Banken die daar onvoldoende bekwaam of concurre-
rend in zijn verdwijnen door marktwerking van het toneel” (Ons Geld 2016: 27).
Kortom, omdat de financieringsinstellingen nu onderhevig zijn aan echte markt-
werking, zullen zij stabieler worden.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 178 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 179 ======================================================================

<pre>178   geld en schuld
      De vraag is allereerst of het realistisch is om te verwachten dat er daadwerkelijk
      geen overheidsgaranties meer zullen bestaan, dit behandelen we in de volgende
      paragraaf. Daarnaast is de vraag wat we mogen verwachten van de tucht van de
      markt. Zal marktdiscipline versterkt worden en zal dit bijdragen aan financiële sta-
      biliteit? Is het reëel om aan te nemen dat investeerders de financieringsinstellingen
      goed kunnen disciplineren? De ervaringen van voor de financiële crisis stemmen
      daarover niet hoopvol. Ook professionele investeerders kochten financiële produc-
      ten, zoals gesecuritiseerde hypotheekpakketten, waarvan zij de risico’s niet goed
      kenden en verkeerd inschatten. De credit rating agencies die de financiële produc-
      ten moesten beoordelen, bleken in veel gevallen veel positievere ratings af te geven
      dan gerechtvaardigd was (fsa 2009). Als het voor professionele partijen al lastig is
      om deze risico’s goed in te schatten, is het zeer de vraag of dit wel van een gemid-
      delde burger verwacht kan worden.
      Kotlikoff bepleit daarom in zijn voorstel voor Limited Purpose Banking voor één
      nationaal ratingbureau dat alle ratings openbaar maakt: een Federal Financial
      Authority (Kotlikoff en Goodman 2009). Een aantal van de perverse prikkels in de
      huidige vormgeving van de creditratingsector zou verdwijnen. Financiële instel-
      lingen kunnen dan niet shoppen tussen verschillende credit rating agencies.6 Het
      blijft echter inherent lastig om objectieve financiële waarderingen te geven, ook
      omdat de waarderingen zelf effect hebben op de waarde van de financiële bezittin-
      gen (Stellinga en Mügge 2017).
      Ten slotte is het belangrijk om voor ogen te houden dat stabiliteit voor individuele
      instellingen, net als in het huidige systeem, niet automatisch leidt tot stabiliteit op
      systeemniveau. Het vergelijken van individuele instellingen kan niet voorkomen
      dat financiële bezittingen door de hele markt verkeerd geprijsd zijn en dat er een
      verkeerde risico-inschatting aan hangt. Bovendien is het voor individuele spelers
      moeilijk om niet mee te gaan met het algemene sentiment. De beroemde uitspraak
      van Citibank-ceo Prince is hiervoor illustratief: “As long as the music is playing,
      you’ve got to get up and dance”. Versterking van de stabiliteit van individuele
      instellingen door een versterking van het markmechanisme hoeft dus niet te lei-
      den tot systeemstabiliteit op macroniveau (White 2008; Turner 2015; King 2016;
      Warwick Commission 2009; Goodhart 2016).
6.2.2 systeemrisico’s
      Volgens voorstanders zal een publiekgeldsysteem niet alleen leiden tot stabielere
      instellingen, maar ook tot meer stabiliteit op systeemniveau. De eerste reden hier-
      voor is de sterkere rem op kredietverlening, zoals we in de vorige paragraaf bespra-
      ken. Financieringsinstellingen kunnen minder eenvoudig aan een stijgende kre-
      dietvraag voldoen. Hierdoor zullen kredietzeepbellen, een belangrijke bron van
      instabiliteit, eerder worden geremd. Daar komt volgens hen nog een cruciaal voor-
      deel bij: zelfs als instabiliteit zich aandient, zal dit beperkt blijven tot het financie-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 179 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 180 ======================================================================

<pre>                                       voor- en nadelen van het publiekgeldsysteem        179
      ringsdeel. Het betalingsdeel is immers veilig. Er zullen daarin ook geen bankruns
      plaatsvinden. Al het geld staat direct bij de centrale bank of wordt volledig gedekt
      door centralebankreserves. Wanneer veel mensen tegelijkertijd hun geld willen
      omzetten in contanten of overschrijven naar een andere betaalbank leidt dat niet
      tot problemen. Het is de essentie van het systeem dat geld veilig is en het geen
      risico loopt (Benes en Kumhof 2013; Kotlikoff 2010).
      Het feit dat er aan de ene kant een veilig betalingsdeel bestaat en aan de andere kant
      een risicovol financieringsdeel zonder publieke garanties, kan ertoe leiden dat bij
      zorgen over de financiële situatie, mensen willen vluchten naar het betalingsdeel.
      Dit zou volgens critici juist bijdragen aan instabiliteit. De mate waarin dit kan,
      hangt sterk af van de werking van het financieringsdeel. Wanneer dit functioneert
      op basis van eigen vermogen of obligaties, zullen deze instrumenten sterk in
      waarde dalen, wordt het moeilijk voor financieringsinstellingen om nieuw geld op
      te halen en zullen zij daardoor geen nieuw krediet kunnen verlenen. Wanneer
      financieringsinstellingen zijn gefinancierd op basis van investeringstegoeden met
      een opzegtermijn, zal er mogelijk een systemische bankrun in slow motion plaats-
      vinden (Goodhart en Jensen 2015).
      Tevens kan de stabiliteit van het financieringsdeel bedreigd worden door (nieuwe)
      financiële producten die niet worden gebruikt voor de investeringen in de reële
      economie. Een voorbeeld zijn de cds-producten (credit default swaps) die obliga-
      tiehouders verzekeren tegen het risico dat een obligatie niet wordt afbetaald. Tij-
      dens de kredietcrisis had de verzekeraar aig daar zoveel van verkocht dat zij drie
      dagen na de val van Lehman Brothers moest worden gered. Ook deze vormen van
      instabiliteit kunnen in een publiekgeldsysteem nog bestaan.
6.2.3 samenvatting
      Zal een publiekgeldsysteem bijdragen aan financiële stabiliteit of juist het mone-
      tair-financieel systeem volatieler maken? Het grote voordeel van het alternatieve
      systeem is dat betaalbanken stabiel zijn. Of financieringsinstellingen ook stabieler
      zullen zijn is de vraag. Het hangt onder meer af van wettelijke eisen met betrek-
      king tot de financiering van deze instellingen: zij zullen stabieler zijn wanneer zij
      volledig (of voor een groot deel) moeten opereren op basis van eigen vermogen, of
      wanneer zij aan strikte looptijdmatching moeten voldoen tussen hun verstrekte
      krediet en hun schulden. Waarschijnlijk zou dit dan wel op gespannen voet staan
      met de beschikbaarheid van krediet en dus de dienstbaarheid aan de economie,
      zoals we in de vorige paragraaf bespraken.
      Volgens voorstanders zal de stabiliteit van de financieringsinstellingen beter zijn
      dan die van de huidige commerciële banken door de versterking van marktdisci-
      pline. Aangezien overheden financieringsinstellingen niet langer zullen redden in
      geval van nood, zullen de financiers van deze instellingen hen dwingen voorzichti-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 180 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 181 ======================================================================

<pre>180   geld en schuld
      ger en alerter te gaan opereren. Het is echter niet zeker dat dit het geval zal zijn. Ten
      eerste is de vraag of overheidssteun inderdaad zal verdwijnen. Ten tweede moeten
      de mogelijkheden voor investeerders om deze instellingen goed te monitoren en te
      disciplineren niet worden overschat. Daarnaast is marktdiscipline binnen de finan-
      ciële sector slechts beperkt in staat om de opbouw van systeemrisico’s tegen te
      gaan. De financiële crisis van 2007-2009 liet zien dat investeerders en banken col-
      lectief op een dwaalspoor konden raken. Banken deden erg hun best om even goed
      of beter te presteren dan hun collega’s, maar dit leidde juist tot de opbouw van sys-
      teemrisico’s; iedereen deed mee met de hype. Kortom, investeerders kunnen indi-
      viduele financiële instellingen afrekenen op onderpresteren, maar dit houdt de
      opbouw van systeemrisico’s niet noodzakelijkerwijs tegen en kan het zelfs verster-
      ken.
      Daar valt tegenin te brengen dat in een publiekgeldsysteem deze systeemrisico’s
      waarschijnlijk minder snel ontstaan. Het is aannemelijk dat er een grotere rem zou
      bestaan op kredietverlening, waardoor kredietverlening minder procyclisch
      wordt. Instabiliteit zou bovendien minder problematisch zijn omdat het betalings-
      deel veilig is. Critici plaatsen daar weer tegenover dat juist het hanteren van een
      strakke scheiding tussen het betalingsdeel en het financieringsdeel bijdraagt aan
      systeemrisico’s: in goede tijden zullen mensen verleid worden om hun geld te
      investeren, maar als er iets mis dreigt te gaan zal men naar het veilige betalingsdeel
      willen vluchten. Dit kan het financieringsdeel ontwrichten.
6.3   rechtvaardigheid
      In hoofdstuk 4 bespraken we problemen op het gebied van de rechtvaardige verde-
      ling van kosten, baten en risico’s in het huidige monetair-financieel systeem. Wat
      zouden de effecten hierop zijn van een publiekgeldsysteem? We bespreken drie
      onderwerpen (1) afschaffing van impliciete en expliciete overheidssteun; (2) de
      baten van geldschepping; en (3) baten en lasten van schulden.
6.3.1 afschaffen van impliciete en expliciete publieke steun
      In hoofdstuk 4 beschreven we twee problemen die samenhangen met het feit dat
      er expliciete en impliciete garanties bestaan voor de financiële sector. Ten eerste de
      ervaring dat de winsten in de financiële sector privaat zijn, maar de kosten van een
      crisis voor een belangrijk deel publiek. Ten tweede het feit dat overheidsgaranties
      banken, in het bijzonder grote banken, veel voordelen geven boven kleinere ban-
      ken of gewone bedrijven. In een publiekgeldsysteem zullen volgens de voorstan-
      ders door de scheiding tussen het betalingsdeel en het financieringsdeel impliciete
      of expliciete overheidsgaranties niet meer bestaan.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 181 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 182 ======================================================================

<pre>                                  voor- en nadelen van het publiekgeldsysteem        181
Omdat het geld in het betalingsdeel veilig is, zou er geen depositogarantiestelsel
meer nodig zijn. Hoewel het huidige depositogarantiestelsel in Nederland in eerste
instantie een wettelijk afgedwongen vangnet tussen banken onderling is, is het uit-
eindelijk ook een overheidsgarantie. Zeker bij een systeemcrisis of het omvallen
van een van de grote banken zal er naar de overheid gekeken worden. In het nieuwe
systeem is het betalingsverkeer veilig en hoeft de overheid deze garantie niet meer
te geven, zo stellen de voorstanders.
Aangezien faillissementen in het financieringsdeel niet langer het betaalsysteem in
gevaar brengen, zou in geval van een grote crisis de overheid de financieringsinstel-
lingen ook niet langer financieel hoeven te steunen. Het probleem van ‘private
opbrengsten, publieke verliezen’ zou voorbij zijn; vanaf nu is het ‘private opbreng-
sten, private verliezen’. Daarmee zijn ook meteen de financieringsvoordelen voor
voorheen systeemrelevante instellingen verdwenen (instellingen die zo groot zijn
dat investeerders weten dat de overheid hen zal moeten redden, kunnen tegen
lagere rente aan financiering komen). De overheid redt simpelweg geen enkele
financieringsinstelling meer (Benes en Kumhof 2013; Kotlikoff 2010; Dyson et al.
2016; Ons Geld 2016).
Dat expliciete en impliciete overheidssteun voor banken belangrijke schaduw-
zijden heeft, wordt breed onderkend. De vraag is echter of de afwezigheid van
overheidsgaranties ooit onwrikbaar kan vaststaan. Door een aantal zaken kan men
daar niet vanzelfsprekend vanuit gaan.
Allereerst het feit dat politici zich het lot aantrekken van hun achterban: wanneer
veel mensen financieel worden geraakt door omvallende financieringsinstellingen,
staat de overheid onder druk om hen uit de brand te helpen. Hoewel we ervaringen
uit het huidige systeem niet direct kunnen toepassen op het nieuwe systeem, illus-
treert de bail-in-problematiek hoe moeilijk het is voor de politiek om in geval van
problemen banken geen steun te verlenen. De discussie rondom het redden van de
Italiaanse banken Popolare di Vicenza en Veneto Banca laat zien hoe lastig het is om
de schuldeisers van een bank op te laten draaien voor alle kosten van een redding.
Uit angst om het bredere vertrouwen te schaden, koos de Italiaanse overheid
ervoor een belangrijk deel van de kosten van de redding voor haar rekening te
nemen.
Een tweede reden is dat ook bij het financieringsdeel publieke belangen in het
geding zijn die in gevaar kunnen komen door faillissementen van financierings-
instellingen. In hoofdstuk 4 zagen we al dat zelfs bij het veiligstellen van het beta-
lingsverkeer, de economische en maatschappelijke schade van een financiële crisis
groot is. Ook kredietverlening is van groot publiek belang. Als in het nieuwe sys-
teem sprake is van een geïsoleerd faillissement van een financieringsinstelling,
hoeft dit natuurlijk geen gevaar te vormen voor de kredietverlening. Bij een
</pre>

====================================================================== Einde pagina 182 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 183 ======================================================================

<pre>182   geld en schuld
      systeemcrisis is dit wel mogelijk en kan ingrijpen van de staat wenselijk zijn
      (Bachetta 2017). Als een groot deel van de burgers hun investeringen ziet verdam-
      pen en bedrijven toegang verliezen tot doorlopend krediet, kan de schade groot
      zijn. Door verlies aan welvaart en toenemende onzekerheid zullen burgers hun
      hand op de knip houden. Dit zou tot een negatieve spiraal kunnen leiden van
      bedrijfsfaillissementen, faillissementen van financieringsinstellingen en burgers
      die hun bezittingen zien verdampen.
      Ten derde is het de vraag in hoeverre er in het financieringsdeel ‘schaduwgeld’ zal
      ontstaan dat van fundamenteel economisch belang is. Het is mogelijk dat men op
      termijn met de investeringstegoeden en financiële instrumenten uitgegeven door
      financieringsinstellingen toch betalingen gaat doen en het dus als geld gaat functio-
      neren (Goodhart en Jensen 2015; Laina 2015; Dow et al. 2015). Zoals we in hoofd-
      stuk 3 hebben gezien, ontstond er na de nationalisatie van bankbiljetten in het Ver-
      enigd Koninkrijk, Zwitserland en de vs, al snel een steeds grotere rol voor giraal
      geld. Wanneer dit schaduwgeld een grote rol speelt in de economie, zal de overheid
      in geval van een crisis hier toch garanties verlenen (zie ook Murau 2017).
      Naast de vraag of het realistisch is om ervan uit te gaan dat er geen impliciete of
      expliciete publieke garanties zullen bestaan in het financieringsdeel, is het ook de
      vraag of het wenselijk zou zijn. Garanties kunnen ook onzekerheid wegnemen,
      waardoor mensen risico’s durven nemen en stabiliteit wordt ondersteund. Deze
      kunnen privaat zijn, zoals onderpandeisen en verzekeringen door derde partijen.
      Maar er kunnen publieke garanties nodig blijken om voldoende vertrouwen te
      geven om geld te investeren en te zorgen dat er niet bij de geringste twijfel paniek
      ontstaat.
6.3.2 geldscheppingswinst
      Volgens de voorstanders is een belangrijk voordeel van een publiekgeldsysteem
      dat de financiële baten van geldschepping ten gunste zullen komen van de over-
      heid. Volgens hen plukken in het huidige systeem de commerciële banken de
      vruchten van geldschepping. Het geld dat wordt gecreëerd bij het verstrekken van
      een lening kunnen banken niet zelf uitgeven; het is geld op de rekening van de per-
      soon die de lening heeft afgesloten. Banken maken hierop dus geen klassieke geld-
      scheppingswinst (seigniorage), het verschil tussen de productiekosten van geld en
      de waarde daarvan in het maatschappelijk verkeer. Wel hebben banken een finan-
      cieringsvoordeel, omdat zij hun financiering zelf kunnen creëren en daarover in het
      algemeen een relatief lage rente betalen. Hier staan overigens ook kosten tegenover
      voor het onderhouden van het betalingsverkeer (Huber 2017, zie ook box 4.3).
      Pleitbezorgers van een publiekgeldsysteem stellen dat de winst van geldschepping
      ten principale niet aan private bedrijven maar aan de overheid ten goede zou moe-
      ten komen (Ons Geld 2016; Dyson et al. 2016; Huber 2017). Aangezien in het
</pre>

====================================================================== Einde pagina 183 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 184 ======================================================================

<pre>                                voor- en nadelen van het publiekgeldsysteem           183
nieuwe systeem de centrale bank nagenoeg kosteloos geld kan creëren en uitgeven,
zou er in het nieuwe systeem sprake zijn van klassieke geldscheppingwinst en zou
deze publiek zijn.7 Volgens Dommerholt en Van Tilburg (2016) zou het extra geld
dat jaarlijks gecreëerd wordt neerkomen op ongeveer €20 miljard.8 Dit kan voor
overheidsuitgaven worden gebruikt en bedraagt ongeveer zeven procent van de
huidige rijksbegroting. Het gaat hierbij dus om monetaire financiering; de over-
heid hoeft geen extra schulden te maken of belastingen te verhogen om het door
de centrale bank gecreëerde bedrag uit te kunnen geven. Waaraan de overheid het
geld uitgeeft is vervolgens een politieke keuze, zoals het huidige budgettaire beleid
dat ook is. Verschillende groepen in de samenleving zullen daarin waarschijnlijk
verschillende keuzes willen maken. Het kan ook rechtstreeks aan burgers worden
overgemaakt (helikoptergeld).
Het feit dat in het nieuwe systeem de overheid geld ‘uit het niets’ kan creëren en
kan uitgeven zien sommige auteurs juist als het grootste gevaar van het publiek-
geldsysteem (zie bijv. Boonstra 2018). Zij betwisten niet dat de overheid in het
publiekgeldsysteem geldscheppingswinst kan incasseren, maar benadrukken
vooral het risico hiervan. Nieuw geld kan niet zonder gevolgen worden bijge-
maakt; het vergroot de claim op de huidige en toekomstige productie. Voor zover
geldschepping dan leidt tot inflatie, kunnen we dit zien als een indirecte belasting.
Volgens critici zou de mogelijkheid voor de overheid om geld te scheppen mis-
bruik kunnen uitlokken; onder politieke druk zou de centrale bank zo veel geld
creëren dat te hoge inflatie het gevolg is. In het slechtste geval zou het zelfs zodanig
uit de hand kunnen lopen dat sprake is van hyperinflatie, waarin de creatie van
nieuw geld en oplopende prijzen elkaar wederzijds versterken. Voor het gevaar van
publieke geldschepping wordt dan ook vaak gewezen op een aantal negatieve his-
torische ervaringen met hyperinflatie, zoals in de Weimarrepubliek (Duitsland,
begin jaren twintig), in Hongarije (na de Tweede Wereldoorlog) en in Zimbabwe
(vanaf medio jaren 2000). Dan zijn de ‘winsten’ voor de overheid en de ‘verliezen’
voor de samenleving, in de vorm van een hoge inflatietaks (Boonstra 2015; Mujagic
2015).
Volgens voorstanders van een publiekgeldsysteem is hier echter sprake van selec-
tief gebruik van historische ervaringen (Ryan-Collins 2015). Hyperinflatie komt
vooral voor in uitzonderlijke situaties, dus net na een oorlog of in dysfunctionele
dictaturen. Veel goed functionerende staten (waaronder Nederland) hebben in het
verleden gebruikgemaakt van monetaire financiering zonder dat hierbij sprake was
van hyperinflatie. Dyson wijst erop dat in ons huidige systeem monetaire financie-
ring ook technisch mogelijk is, maar de overheid zichzelf bewust heeft ingeperkt.
Monetaire financiering, met de daarbij behorende voordelen en gevaren, zou inder-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 184 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 185 ======================================================================

<pre>184   geld en schuld
      daad ook binnen het huidige systeem mogelijk zijn, al is daar in Europa wel een
      wijziging van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie voor
      nodig.
      Volgens voorstanders is het dus vooral zaak om te zorgen dat publieke geldschep-
      ping op een verantwoorde manier gebeurt. De overheid dient zich tot op zekere
      hoogte ‘aan de mast te binden’, bijvoorbeeld door een onafhankelijke centrale bank
      te laten bepalen hoeveel nieuw geld er mag worden gecreëerd. Het komt er volgens
      voorstanders dan ook vooral op aan om de juiste checks and balances te organiseren
      (Dyson et al. 2016).
6.3.3 baten en lasten van schulden
      Ten derde is de vraag hoe in het nieuwe systeem baten en lasten van schulden ver-
      deeld zullen zijn. Voorstanders van een publiekgeldsysteem menen dat hun voor-
      stel leidt tot minder schulden en dat dat minder ongelijkheid tot gevolg heeft. Het
      lagere schuldenniveau impliceert netto lagere rentelasten en leidt volgens Dyson
      et al. (2016: 16) ertoe dat “less income is transferred upwards to the top 10% of the
      population”. Daarbij moet wel worden opgemerkt dat een lager schuldenniveau
      niet noodzakelijkerwijs leidt tot lagere rentelasten. Als de rente omhooggaat
      omdat er minder krediet beschikbaar is, kunnen de rentelasten ook toenemen.
      Pettifor (2017) meent dat het juist voor mensen met lagere inkomens of bezittingen
      moeilijker wordt om leningen af te sluiten, waarmee hun mogelijkheden zullen
      afnemen om zich onafhankelijk van hun vermogensposities te ontwikkelen. Het
      gaat niet zozeer om de gemiddelde rentes die schuldenaars betalen, maar om de
      rente die mensen met een laag inkomen en weinig vermogen betalen. Die is in het
      huidige systeem al hoger dan voor andere mensen en dat zou in het alternatieve
      systeem wanneer er minder krediet beschikbaar is, alleen nog maar versterkt kun-
      nen worden (Pettifor 2017). Er is dus niet op voorhand iets zinnigs te zeggen over
      het effect van het alternatieve systeem op ongelijkheid. Daarvoor spelen te veel
      verschillende factoren een rol.
6.3.4 samenvatting
      Zullen in het nieuwe systeem kosten, baten en risico’s beter zijn verdeeld? We
      bespraken drie zaken: (1) de mate waarin publieke garanties ontmanteld kunnen
      worden en het systeem daarmee leidt tot ‘private winsten, private verliezen’;
      (2) geldscheppingswinst; en (3) baten en lasten van schulden.
      Voorstanders verwachten dat het nieuwe systeem leidt tot grotere rechtvaardig-
      heid omdat private verliezen eindelijk echt ‘privaat’ zijn. Financieringsinstellingen
      hoeven niet langer met belastinggeld gered te worden. Het is echter de vraag of dat
      onder alle omstandigheden geldt. Ook bij het financieringsdeel zijn publieke
      belangen in het geding die in gevaar kunnen komen wanneer private financierings-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 185 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 186 ======================================================================

<pre>                                       voor- en nadelen van het publiekgeldsysteem         185
      instellingen slecht functioneren of failliet gaan. Wanneer er een systeemcrisis
      plaatsvindt in het financieringsdeel, zijn ook zonder dat het betalingsverkeer in het
      geding komt de maatschappelijke gevolgen groot. In dat geval zal de overheid naar
      verwachting toch interveniëren. Dat is niet alleen omdat politici hun ‘achterban’
      willen vrijwaren van verliezen, maar ook simpelweg omdat er ook positieve kan-
      ten zitten aan overheidsgaranties en -interventies. Een goed functionerend finan-
      cieringsdeel is immers essentieel voor het functioneren van de samenleving. Het
      zou dus zeker zo kunnen zijn dat private instellingen minder snel gered worden
      dan in het huidige systeem, maar het is de vraag of in het nieuwe systeem verliezen
      in alle gevallen daadwerkelijk ‘privaat’ blijven.
      In een publiekgeldsysteem valt geldscheppingswinst aan de overheid toe. Voor
      zover het extra gecreëerde geld leidt tot inflatie, kan het gezien worden als een
      indirecte vorm van belastingheffing. Overigens, voor zover geldschepping leidt tot
      inflatie, geldt dat ook in het huidige systeem. Daarbij bestaat er bij monetaire finan-
      ciering het gevaar dat de ruimte voor geldcreatie wordt misbruikt door de over-
      heid. In het ergste geval kan dit tot hyperinflatie leiden. Daarom zijn adequate
      checks and balances op geldschepping onontbeerlijk.
      Ook bij het beoordelen van de baten en lasten van schulden is het lastig om defini-
      tieve uitspraken te doen. Voorstanders verwachten dat een lagere omvang van
      schulden zal leiden tot minder ongelijkheid. Tegenstanders verwachten dat het
      duurder worden van krediet juist zal leiden tot meer ongelijkheid.
6.4   legitimiteit
      Hoe pakt een publiekgeldsysteem uit op het gebied van legitimiteit? We bespreken
      drie onderwerpen: (1) scheiding van publieke en private activiteiten; (2) publieke
      sturing en democratische controle; en (3) de positie van de burger.
6.4.1 de scheiding van publieke en private activiteiten
      De overgang naar een publiekgeldsysteem leidt volgens pleitbezorgers tot een hel-
      dere indeling van het monetair-financieel systeem in een publiek deel (het beta-
      lingsdeel) en een privaat deel (het financieringsdeel). Dit zou duidelijkheid creëren
      over de status van financiële instellingen: het zijn private instellingen die gewoon
      failliet kunnen gaan en op geen enkele manier worden gesteund door de overheid.
      De voordelen hiervan gaan volgens hen verder dan enkel het aspect van kosten en
      baten; ook op het gebied van publieke controle en legitimiteit leidt dit tot een ver-
      betering. Omdat het goed functioneren van banken en het betalingsverkeer van
      groot belang is voor het functioneren van de economie, zijn politici en beleids-
      makers snel geneigd om de belangen van banken te vereenzelvigen met het
      publieke belang. Wanneer het publieke belang van het betalingsverkeer is veilig-
      gesteld, voelt de overheid zich niet langer impliciet verantwoordelijk voor het
</pre>

====================================================================== Einde pagina 186 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 187 ======================================================================

<pre>186   geld en schuld
      functioneren van financieringsinstellingen, zo is de verwachting. Daarmee ver-
      dwijnt een belangrijke bron van invloed van de private instellingen op publieke
      besluitvorming.
      We hebben hierboven echter al vraagtekens geplaatst bij deze verwachting. Het
      meest fundamentele bezwaar is dat ook financiering van publiek belang is. Wan-
      neer een kleine financieringsinstelling in de problemen komt en failliet gaat hoeft
      dit nog geen probleem te zijn. Wanneer dit echter geldt voor een systeeminstelling
      of voor veel instellingen tegelijk, dan komt het publieke belang van voldoende kre-
      diet voor de samenleving in gevaar. In dat opzicht lijkt het onrealistisch om te ver-
      wachten dat het financieringsdeel ooit helemaal ‘privaat’ kan zijn: financiering
      blijft altijd van cruciaal maatschappelijk belang.
6.4.2 publieke sturing en democratische controle
      Voorstanders verwachten dat de overheid in een publiekgeldsysteem beter kan
      sturen op inflatie en andere macro-economische uitkomsten. Benes en Kumhof
      (2013: 56), die uitgaan van een strikte inflatiedoelstelling, beargumenteren dat de
      overheid hierdoor de mogelijkheid heeft om de inflatie op nul te houden. Ook Ons
      Geld (2016: 23) is optimistisch over de overheidsinvloed op de waarde van de
      munt: “In de publieke geldsfeer wordt een dergelijke monetaire doelstelling [een
      constante betaalkracht van de munt] ook denkbaar. De monetaire overheidsmacht
      kan de publieke geldhoeveelheid immers direct en in elke richting aan- en bij-
      sturen. Zowel inflatie als deflatie kan hij gericht en effectief bestrijden”.
      Andere pleitbezorgers zijn voorzichtiger. Dyson et al. (2016) betwisten dat er
      sprake zal zijn van perfecte controle over macro-economische uitkomsten. Het
      transmissiemechanisme van geldschepping naar prijsstabiliteit is gecompliceerd
      en in zekere mate onvoorspelbaar. Inflatie wordt net als ieder ander macro-econo-
      misch doel door tal van factoren beïnvloed en is niet perfect te plannen door de
      overheid. Huber (2017: 190-192) schrijft: “the higher degree of exposure to foreign
      influences, including exposure to foreign monetary influences, [...] the lower the
      degree of national ‘autonomy’” (Huber 2017: 190). Voor een land als Nederland zijn
      dit zeer relevante overwegingen. Volgens Huber (2017) en Dyson et al. (2016) gaat
      het dan ook niet zozeer om perfecte controle over de beleidsuitkomst, maar om
      grotere invloed dan in het huidige systeem.
      De veronderstelling dat inflatie precies kan worden beïnvloed door het aanpassen
      van de geldhoeveelheid is inderdaad niet correct. Het veronderstelt ten eerste dat
      de centrale bank een correct model heeft van de economie en op basis daarvan de
      juiste beslissingen kan nemen. De economie kent echter fundamentele onzekerhe-
      den en data zijn niet realtime beschikbaar (Dow et al. 2015: 10). Het veronderstelt
      ten tweede dat er een direct en eenduidig verband is tussen de geldhoeveelheid en
      inflatie. Bij inflatie spelen echter nog veel meer factoren een rol (zie bijv. Borio
</pre>

====================================================================== Einde pagina 187 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 188 ======================================================================

<pre>                                      voor- en nadelen van het publiekgeldsysteem           187
      2017). Monetaire transmissie is in ieder stelsel, ook in het huidige stelsel, een zeer
      ingewikkeld vraagstuk en de overheid zal er nooit in slagen om exacte doelstellin-
      gen te realiseren. Mogelijk kan door de optie van monetaire financiering het gevaar
      van deflatie in het alternatieve systeem wel gemakkelijker worden bestreden dan
      in het huidige systeem.
      Nationale macro-economische uitkomsten worden ook in belangrijke mate
      beïnvloed door internationale ontwikkelingen. Zeker in een land met een open
      economie, zoals Nederland, worden nationale uitkomsten sterk beïnvloed door
      internationale dynamiek. Ook in een publiekgeldsysteem zullen de centrale ban-
      ken rekening moeten houden met internationale ontwikkelingen, zoals de Neder-
      landse centrale bank dat altijd heeft moeten doen.
      Volgens voorstanders vormt grotere publieke controle ook een democratische ver-
      betering. Volgens Ons Geld (2016: 10) dient geldschepping binnen de sferen van
      democratische controle te komen. Volgens Dyson et al. (2016) zouden in het
      nieuwe systeem beslissingen over de allocatie van nieuw geld belegd kunnen wor-
      den bij de overheid. Daarmee wordt volgens hen een cruciale politieke beslissing
      – waar dient nieuw geld aan te worden besteed? – onderwerp van democratische
      controle.
      De beslissingen over de hoeveelheid nieuw geld liggen in de moderne voorstellen
      bij een onafhankelijke publieke instelling (Dyson et al. 2016; Ons Geld 2016). Om
      politiek misbruik van de mogelijkheid tot geldschepping te voorkomen, dient deze
      onafhankelijkheid gegarandeerd te worden (Ons Geld 2016: 18). Pettifor (2017: 107)
      waarschuwt voor de mogelijk antidemocratische gevolgen hiervan: “it would place
      great financial and economic power in the hands of a few technocrats”. Andere
      auteurs wijzen op de grote kans op politieke druk op de centrale bank (Dow et al.
      2015; Visser 2015; snb 2018; Dommerholt en Van Tilburg 2016).
6.4.3 de positie van de burger
      Ten slotte stellen voorstanders dat de positie van burgers ten opzichte van finan-
      cieringsinstellingen verbetert. Met het afschaffen van impliciete overheidsgaran-
      ties zullen financieringsinstellingen veel meer hun best moeten doen om de consu-
      ment aan zich te binden. Burgers hebben, naast het overstappen naar een andere
      financieringsinstelling, nog een andere optie, namelijk de betaaltegoeden. Als een
      financieringsinstelling onder de maat presteert of te risicovol opereert, zal een bur-
      ger hier niet in investeren en kan met zijn geld in het publieke betalingsdeel blij-
      ven. Dit zou een disciplinerend effect hebben op het handelen van financierings-
      instellingen (zie Ons Geld 2016).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 188 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 189 ======================================================================

<pre>188   geld en schuld
      Een publiekgeldsysteem zou de burger inderdaad echt een andere optie geven en
      daarmee waarschijnlijk een steun in de rug zijn voor diens positie. Het betekent
      echter niet dat alle zaken die de burger een relatief zwakke positie geven ten
      opzichte van de bank direct opgelost zijn. De informatievoorsprong van een finan-
      cieringsinstelling blijft aanzienlijk. Het is de vraag of consumenten op dat gebied
      echt tegenwicht kunnen bieden. Dat is nu voor professionele partijen al erg lastig.
      Bovendien is een exitoptie in het financieringsdeel niet zonder meer gegarandeerd.
      We bespraken al dat het uitmaakt hoe het financieringsdeel precies functioneert. In
      hoeverre burgers op relatief korte termijn financieringsinstellingen kunnen afstraf-
      fen voor wanprestatie hangt sterk af van de toegestane looptijdtransformatie en de
      verhandelbaarheid van financiële instrumenten in het nieuwe systeem.
6.4.4 samenvatting
      Pleitbezorgers van een publiekgeldsysteem verwachten dat de overgang naar het
      nieuwe systeem leidt tot grotere helderheid over wat publiek en wat privaat is.
      Hoewel de verwevenheid tussen publiek en privaat in ons huidige systeem duide-
      lijk problematische aspecten heeft, is een scheiding tussen publiek en privaat min-
      der makkelijk dan het lijkt. Ook in het financieringsdeel zijn publieke belangen in
      het geding. Wanneer private instellingen slecht functioneren of failliet gaan in het
      financieringsdeel kunnen deze publieke belangen in de knel komen. Het financie-
      ringsdeel heeft dus ook een publieke dimensie, zelfs al zijn de instellingen formeel
      helemaal privaat.
      Voorstanders verwachten dat het publiekgeldsysteem leidt tot meer publieke con-
      trole over inflatie en andere macro-economische uitkomsten. Sommigen stellen
      zelfs dat het de mogelijkheid creëert om tot een constante inflatie van nul procent
      te komen. Een economie is echter te complex om zo’n groot sturingsvermogen van
      de centrale bank te kunnen verwachten. Bovendien heeft een centrale bank altijd te
      maken met ontwikkelingen in andere landen. In hoeverre het leidt tot meer con-
      trole over inflatie is onduidelijk. Feitelijk wisselt de centrale bank het primaire
      beleidsinstrument; van het aanpassen van de rente naar het aanpassen van de geld-
      hoeveelheid. Wanneer er uitsluitend op de geldhoeveelheid wordt gestuurd, is de
      kans groot dat rentes volatieler worden. Het is bovendien niet evident dat het stu-
      ren van de geldhoeveelheid meer invloed geeft dan het beïnvloeden van markt-
      rentes: voor beide geldt dat het transmissiemechanisme lang en onzeker is. Wel
      biedt de monetaire financiering in het publiekgeldsysteem, een directer instru-
      ment voor het bestrijden van deflatie.
      Wanneer de overheid de bevoegdheid krijgt om nieuw geld te creëren zullen
      checks and balances nodig zijn om dit in goede banen te leiden. Daarmee is het ook
      meteen de vraag of het systeem leidt tot een verbetering op het gebied van demo-
      cratische invloed.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 189 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 190 ======================================================================

<pre>                                       voor- en nadelen van het publiekgeldsysteem        189
      Vergelijkbare slagen om de arm zijn vereist bij het beoordelen van de positie van de
      burger in het nieuwe systeem. Enerzijds kan de positie van investeerders ten
      opzichte van financieringsinstellingen verbeteren als burgers daadwerkelijk een
      andere optie hebben, namelijk geld stallen in het betalingsdeel. Een zekere mate
      van asymmetrie zal er echter blijven bestaan omdat ook in een ander systeem bur-
      gers een informatieachterstand zullen hebben. Bovendien zal de positie van de
      burger ook afhangen van de mate waarin looptijdtransformatie is toegestaan en
      waarin de schulden van de financieringsinstelling verhandelbaar zijn.
6.5   overige vraagstukken
      Hierboven bespraken we de door voorstanders verwachte voordelen van een
      publiekgeldsysteem en noemden wij mogelijke kanttekeningen hierbij. In deze
      paragraaf bespreken we een drietal vraagstukken die niet direct raken aan de vier
      doelen besproken in hoofdstuk 4, maar toch van cruciaal belang zijn voor het
      beoordelen van de wenselijkheid van het voorgestelde systeem. Het gaat hier om
      (1) de wijze waarop het systeem kan worden ingepast in een internationale con-
      text; (2) de vraag of de transitie naar het nieuwe systeem soepel kan verlopen; en
      (3) de vraag in hoeverre innovatie en dynamiek het nieuwe systeem na verloop van
      tijd kunnen ondermijnen.
6.5.1 de internationale dimensie
      Een eerste vraag is hoe een eventuele nationale invoering van een publiekgeld-
      systeem zich verhoudt tot de internationale context. De voorstellen voor een
      publiekgeldsysteem redeneren veelal vanuit een ‘gesloten systeem’. Zoals hier-
      boven vermeld is de aandacht voor deze internationale dimensie in de voorstellen
      beperkt. Dyson et al. (2016) en Benes en Kumhof (2013) besteden bijvoorbeeld
      geen aandacht aan de ‘internationale kwestie’.
      In de praktijk hebben we natuurlijk wel met deze internationale dimensie te
      maken. Landen zijn niet autonoom in hun monetair-financieel beleid, zoals we in
      hoofdstuk 3 zagen. Ontwikkelingen in andere landen hebben grote invloed op
      nationale macro-economische doelen, landen dienen hierop te reageren. Tussen
      het einde van Bretton Woods en de invoering van de euro volgde dnb feitelijk de
      besluiten van de Duitse centrale bank. Daarnaast is een belangrijke vraag, zeker
      voor open economieën, wat invoering van een publiekgeldsysteem met de wissel-
      koers zou doen. Zou de munt duurder worden of juist devalueren? Zou het
      mogelijk zijn om stabiele wisselkoersen te creëren? Dat zijn zaken die lastig te
      voorspellen zijn en grote economische gevolgen hebben. Bovendien is financiële
      dienstverlening in deze tijd zo internationaal dat er ook op dat terrein tal van ver-
      wevenheden met het buitenland bestaan, waarvan onduidelijk is welke invloed dat
      heeft op hoe de plannen uitpakken.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 190 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 191 ======================================================================

<pre>190   geld en schuld
      Een ander, nog niet besproken element van de internationale dimensie is de prakti-
      sche kant: zou Nederland zo’n stelsel, gegeven de internationale context, kunnen
      invoeren? Nederland maakt onderdeel uit van de eurozone, dus allereerst zou
      invoering niet kunnen zonder dat Nederland zich hieruit terugtrekt of alle andere
      eurozonelanden overhaalt om een publiekgeldsysteem in te voeren. Los van de
      vraag of het waarschijnlijk zou zijn dat alle landen hiervoor kiezen, maakt het een
      eventuele transitie en de uitvoering veel ingewikkelder. De plannen redeneren
      immers vanuit de situatie dat één land tot invoering overgaat.9 Wie zou er het
      nieuw gecreëerde geld mogen uitgeven? En wie beslissen daarover? Gebeurt dat op
      Europees niveau of op het niveau van de staten? En volgens welke verdeelsleutel?
      Ook los van de euro zijn de internationale verwevenheden een belangrijke factor
      om rekening mee te houden. Het maakt zowel de transitie als het functioneren veel
      gecompliceerder.
6.5.2 de transitie
      Een tweede cruciale vraag betreft de feitelijke transitie naar een publiekgeld-
      systeem. Hoewel de transitie in verschillende voorstellen in termen van het effect
      op de balans van banken en de centrale bank uitgebreid wordt besproken, is er
      minder aandacht voor de onzekerheden en dynamiek die een transitie zou veroor-
      zaken. Wel noemen Dyson et al. (2016) expliciet de optie om te kiezen voor een
      geleidelijke transitie zodat mensen kunnen wennen aan de nieuwe situatie (zie
      paragraaf 5.4). Ook zou het mogelijk zijn om tijdens een snellere transitie diverse
      publieke garanties af te geven voor het financieringsdeel om zo eventuele paniek te
      voorkomen, al ondermijnt dit het idee dat de overheid in de toekomst niet langer
      garant staat voor dit deel. De voorstanders hebben vooral aandacht voor de meer
      technische kant van de transitie: de boekhoudkundige verschuivingen tussen
      balansen.
      Volgens Kroll (2015) worden hiermee in grote mate de complexiteit van de transitie
      en het risico op systeemfalen onderschat. Het monetair-financieel stelsel is ook een
      sociaal stelsel, waarbij vertrouwen van groot belang is en mensen niet altijd voor-
      spelbaar en rationeel handelen. Voor de financiële sector geldt dat verwachtingen
      van marktspelers over het gedrag van andere spelers van cruciaal belang zijn voor
      de eigen keuzes. Juist daarom kunnen er gemakkelijk zelfversterkende effecten
      optreden. Zeker voor een transitie naar een publiekgeldsysteem zijn dit belangrijke
      overwegingen. Het impliceert immers dat het geen technische exercitie is waarbij
      iedereen precies zo handelt als bedacht. Als mensen menen dat een transitie grote
      risico’s met zich mee gaat brengen (of als zij geloven dat andere mensen dat
      menen) dan kan dit ook daadwerkelijk realiteit worden. Voor de overheid is het
      echter onmogelijk om deze verwachtingen top-down te controleren.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 191 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 192 ======================================================================

<pre>                                       voor- en nadelen van het publiekgeldsysteem        191
      Een van de risico’s is een crisis in het bankwezen. Zoals bekend worden girale
      tegoeden (alleen betaalrekeningen of zowel betaal- als spaarrekeningen) omgezet
      in betaaltegoeden die honderd procent veilig worden verklaard. De keerzijde is dat
      de alle bancaire schulden die buiten deze definitie vallen vanaf dat moment risico
      zullen lopen. De mogelijkheid bestaat dat verstrekkers van vreemd vermogen bang
      zijn dat banken in de problemen zullen komen door deze overgang en ervoor kie-
      zen om de bezittingen naar een bank in een ander land te verplaatsen. Dan kan
      sprake zijn van kapitaalvlucht. Wanneer de overheid ervoor kiest om na een voor-
      bereidingsperiode van de een op de andere dag over te gaan op het nieuwe systeem
      is de kans op paniek reëel. Er bestaat een risico dat mensen zich massaal willen
      terugtrekken uit het financieringsdeel.10 In dat geval zou het financieringsdeel
      stoppen met functioneren of direct door de overheid moeten worden gered. Het is
      uiteraard niet met zekerheid te zeggen of dit gebeurt of niet. Het punt is dat het
      vertrouwen dat nodig is om het publiekgeldsysteem te laten functioneren niet
      zomaar gegeven is.
6.5.3 dynamiek en innovatie
      Een derde vraag is of door dynamiek en innovatie het systeem op termijn niet toch
      weer zal gaan lijken op het systeem dat we nu hebben. De belangrijkste kwestie in
      dit opzicht is of de overheid kan voorkomen dat er schaduwgeld (verplichtingen
      van private partijen die functioneren als geld, maar geen publiek geld zijn) ontstaat
      dat van cruciaal belang is voor de economie (cf. Goodhart en Jensen 2015; Laina
      2015; Dow et al. 2015). Het is mogelijk dat investeringstegoeden of andere finan-
      ciële instrumenten als geld gaan functioneren, zoals historisch ook vaak is gebeurd
      (zie hoofdstuk 3). Girale tegoeden zoals die nu veel gebruikt worden zijn ook ooit
      als ‘schaduwgeld’ begonnen. De kans op het ontstaan van schaduwgeld is het
      grootst wanneer financieringsinstellingen hiermee onderlinge betalingen toestaan.
      Als dit parallelle betalingsdeel belangrijk genoeg wordt, wordt het nog problemati-
      scher als de overheid zou besluiten om in geval van een crisis dit systeem te laten
      klappen en wordt de kans groter dat zij het zal redden.
      De voorstanders stellen dat dit niet zo’n vaart zal lopen. De overheid kan via regels
      en toezicht de ontwikkeling van schaduwgeld proberen te voorkomen. Dit kan bij-
      voorbeeld door directe opeisbaarheid van schulden niet toe te staan of door de
      financieringsinstellingen te verplichten steeds de risico’s ervan te communiceren
      (Dyson et al. 2016: 24; Musgrave 2014). Daar komt bij dat het nog niet zo eenvoudig
      is om een volwaardig parallel geldsysteem te ontwikkelen. Volgens Dyson et al.
      (2016: 48) duurde het vele decennia voordat banktegoeden een volwaardig alterna-
      tief werden voor contant geld, en dan alleen omdat de overheid allerlei garanties
      uitgaf om te interveniëren in geval van problemen. Het is volgens hen dus ‘makke-
      lijker gezegd dan gedaan’. Ons Geld (2016: 29) geeft aan dat het ontstaan van
      schaduwgeld zelfs helemaal niet erg is: de populariteit ervan zou gezien kunnen
      worden als “graadmeter voor de kwaliteit en werking van het publieke geldstelsel”.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 192 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 193 ======================================================================

<pre>192 geld en schuld
    Verder zou het ook geen bedreiging hoeven te zijn voor de werking van het geld-
    stelsel: “Het volstaat als de overheid zich toelegt op haar eigen publieke geld-
    omloop en al haar steun aan private geldmiddelen ontmantelt” (Ons Geld
    2016: 29). Zolang dit het geval is, maakt het niet zo veel uit of private partijen
    nieuwe betalingsmiddelen introduceren; die zijn risicodragend en de overheid zal
    dit systeem niet hoeven redden als het misgaat (Ons Geld 2016). Het is echter de
    vraag of dit politiek haalbaar en wenselijk is wanneer het gaat om een algemeen
    geaccepteerd betaalmiddel.
    Zowel voor- als tegenstanders presenteren hier belangrijke inzichten. De voor-
    standers beargumenteren terecht dat iets pas echt als ‘geld’ kan functioneren als er
    breed vertrouwen is in dit middel. Dit vertrouwen komt niet vanzelf: het moet
    groeien over de tijd en moet door tal van formele en informele instituties worden
    ondersteund (Mitchell-Innes 1913). Aan de andere kant is dit precies wat in het ver-
    leden regelmatig is gebeurd. Zowel bankbiljetten, girale tegoeden als meer recent
    de aandelen in geldmarktfondsen in de Verenigde Staten zijn langzamerhand als
    geld gaan functioneren. Dit illustreert de hoge mate van dynamiek en innovatie in
    het monetair-financieel systeem. Het feit dat we nu betalen met banktegoeden
    vloeit niet voort uit een bewust opgezet plan; het is het resultaat van tal van ont-
    wikkelingen door de tijd heen (zie hoofdstuk 3). Het idee dat de inrichting van het
    monetair-financieel systeem door de tijd heen stabiel blijft is niet realistisch.
    Dynamiek, innovatie en arbitrage zijn inherent aan dit systeem en maken het
    onwaarschijnlijk dat over langere tijd aan een strakke scheiding tussen een publiek
    betalingsdeel en een privaat financieringsdeel kan worden vastgehouden (Visser
    2015).
6.6 conclusie
    Zoals eerder gesteld is vertrouwen essentieel voor elk financieel systeem. Uitein-
    delijk is vertrouwen iets dat gegeven moet worden. Op voorhand kan niet worden
    bepaald of dit in het publiekgeldsysteem zal ontstaan of niet. We bespraken eerder
    een aantal belangrijke eigenschappen van een monetair-financieel systeem die
    kunnen bijdragen aan vertrouwen: dienstbaarheid, stabiliteit, rechtvaardigheid en
    legitimiteit. In dit hoofdstuk hebben we aan de hand van deze vier aspecten geke-
    ken naar de voor- en nadelen van het publiekgeldsysteem.
    We beginnen met dienstbaarheid. Er is geen reden om op voorhand te verwachten
    dat een publiekgeldsysteem leidt tot een efficiënter of minder efficiënt betalings-
    verkeer. Wel is een belangrijk voordeel dat het betalingsverkeer in principe niet
    langer wordt bedreigd door financiële instabiliteit en instabiliteit van individuele
    banken. Waarschijnlijk zouden burgers meer moeten betalen voor betaaldiensten,
    omdat betaalbanken verder geen inkomsten hebben. Kredietverlening zou strakker
    zijn ingekaderd en mogelijkerwijs minder procyclisch worden, met positieve eco-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 193 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 194 ======================================================================

<pre>                                                         voor- en nadelen van het publiekgeldsysteem                       193
            nomische gevolgen. Wanneer kredietverlening echter sterk daalt en krediet te duur
            wordt, kan dit ook ten koste gaan van economische ontwikkeling. Een transitie
            gaat gepaard met omvangrijke leningen van de centrale bank aan commerciële ban-
            ken. Dit kan de mogelijkheid bieden om uitstaande publieke schulden weg te stre-
            pen tegen deze leningen en zou zo kunnen leiden tot een eenmalige verlaging van
            publieke schulden.11
Dienstbaarheid      •    Het betalingsverkeer is tijdens een financiële crisis veilig.
                    •    Volume kredietverlening ligt waarschijnlijk lager, mogelijk wel stabieler. Invloed op economische
                         ontwikkeling is onbepaald.
                    •    Mogelijke eenmalige gedeeltelijke verlaging publieke schuld.
            Op het gebied van stabiliteit maakten we een onderscheid tussen de stabiliteit van
            instellingen en de stabiliteit van het systeem als geheel. Een publiekgeldsysteem
            betekent stabiele betaalbanken. Op de betaalbanken zijn geen bankruns mogelijk
            of deze leiden niet tot faillissementen, al blijft er een operationeel risico bestaan.
            Financieringsinstellingen kennen nog steeds een risico op instabiliteit. Volgens
            voorstanders neemt de stabiliteit van financieringsinstellingen ook toe, omdat zij
            nu werkelijk aan marktdiscipline onderhevig zijn. Het is echter de vraag of aan-
            deelhouders, houders van investeringstegoeden of obligatiehouders daadwerkelijk
            in staat zijn om de financieringsinstellingen te disciplineren. Bovendien kan een
            sterkere marktdiscipline voor individuele instellingen nog steeds hand in hand
            gaan met de opbouw van risico’s op systeemniveau. Volgens voorstanders zullen
            systeemrisico’s zich echter minder snel voordoen, door een betere rem op krediet-
            verlening. Ook brengen crises niet direct het betalingsverkeer in gevaar. Sommige
            auteurs menen juist dat de strikte scheiding tussen het financieringsdeel en het
            betalingsdeel het risico op een systeemcrisis vergroot, doordat mensen bij twijfel
            massaal naar het veilige betalingsdeel willen vluchten.
Stabiliteit         Stabiliteit individuele instellingen
                    •    Een bankrun op betaalbanken is niet problematisch.
                    •    Risico op instabiliteit bij financieringsinstellingen zal niet verdwijnen, wellicht wordt dit wel
                         kleiner. Hoe groot dit risico is hangt af van hoe het systeem precies is ingericht. Hoe mogen
                         financieringsinstellingen zich financieren? Er is mogelijk een uitruil met omvang van de krediet­
                         verlening: maatregelen die nodig zijn voor stabielere instellingen zouden een rem kunnen zijn op
                         kredietverlening.
                    Stabiliteit systeem
                    •    Voor zover het nieuwe systeem leidt tot minder sterke bewegelijkheid in kredietverlening, draagt
                         het bij aan financiële stabiliteit.
                    •    Voor de stabiliteit van het systeem als geheel is het van belang hoe financieringsinstellingen
                         gefinancierd worden. Wanneer het gaat om financiering die op korte termijn kan worden
                         teruggetrokken, kunnen de systeemrisico’s oplopen omdat bij een crisis mensen dan massaal
                         naar het publieke betalingsdeel zullen willen vluchten. Aan de andere kant zouden financierings­
                         instellingen rekening kunnen houden met dit risico en maatregelen nemen, wat zou bijdragen aan
                         de systeemstabiliteit.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 194 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 195 ======================================================================

<pre>194         geld en schuld
            Ten derde de rechtvaardigheid, oftewel de verdeling van baten, kosten en risico’s.
            De voorstanders verwachten dat problemen die samenhangen met de impliciete
            en expliciete overheidsgaranties zich in het publiekgeldsysteem niet zullen voor-
            doen door de afwezigheid van deze garanties. Het niet redden van private instel-
            lingen in het financieringsdeel is voor voorstanders een belangrijke voorwaarde
            voor het goed functioneren van het systeem. De vraag is echter of dit in alle situ-
            aties houdbaar is. Vanwege het publieke belang van kredietverlening is het zeker
            niet uitgesloten dat publieke steun in systeemcrises noodzakelijk is om erger te
            voorkomen. In een publiekgeldsysteem incasseert de overheid geldscheppings-
            winst. Of dit de samenleving als geheel ten goede komt, hangt er ondere andere
            van af of de geldschepping niet te zeer uit de hand loopt. Ten slotte is het onduide-
            lijk wat het effect is op de verdeling van baten en lasten van schulden.
 Rechtvaardigheid   Allocatie winsten en verliezen
                    •    Voor de publieke kosten van financiële instabiliteit hangt veel af van de inrichting van het
                         financieringsdeel. Financieringsinstellingen hoeven niet meer gered te worden om het betalings­
                         verkeer veilig te stellen, maar wel eventueel omwille van de kredietverstrekking.
                    •    De baten van geldschepping komen bij de overheid terecht. Of dit de samenleving als geheel ten
                         goede komt hangt in belangrijke mate af van de omvang van de geldschepping en hoe het nieuw
                         gecreëerde geld besteed wordt.
            Op het gebied van legitimiteit geeft het nieuwe systeem mogelijkerwijs een scher-
            pere afbakening van publieke en private elementen. Door een splitsing van het
            publieke betalingsdeel en het private financieringsdeel is het mogelijk dat de pri-
            vate belangen van financieringsinstellingen minder snel vereenzelvigd worden met
            publieke belangen. Toch is financiering van zo’n groot belang voor het functione-
            ren van de samenleving, dat ook het financieringsdeel een publieke dimensie heeft.
            Of het nieuwe systeem als legitiemer wordt ervaren, is niet op voorhand te zeggen.
            Zowel in het huidige systeem als in het alternatieve systeem is de centrale bank uit
            angst voor politieke beïnvloeding op afstand gezet. De praktijk is echter weerbar-
            stiger. Zeker wanneer de belangen groot zijn, zal de poging tot politieke beïnvloe-
            ding niet minder zijn. De directe invloed van burgers op financieringsinstellingen
            wordt mogelijk groter, vooral omdat de burger nu een duidelijk alternatief heeft
            (het betaalgedeelte). Tegelijkertijd moet de informatieachterstand die zij hebben
            ook in het nieuwe systeem niet onderschat worden.
 Legitimiteit       •    Publieke en private elementen en de daarbij behorende verwachtingen zullen meer gescheiden
                         zijn. Het betaalsysteem is niet langer verweven met private activiteiten. Het goed functioneren
                         van het financieringsdeel is echter ook van publiek belang, waarmee private financierings­
                         instellingen ook een publieke dimensie zullen hebben.
                    •    Het vooraf lastig te zeggen hoe het publiekgeldsysteem legitimiteit beïnvloedt. Een centrale bank
                         die beslissingen neemt over de geldhoeveelheid, kan leiden tot pogingen tot politieke beïnvloe­
                         ding. Afstand tot de politiek is dus belangrijk.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 195 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 196 ======================================================================

<pre>                                 voor- en nadelen van het publiekgeldsysteem        195
Dat betekent dat er op voorhand geen sluitend antwoord kan worden gegeven op
de vraag of het alternatief over het geheel genomen beter zou werken dan het hui-
dige systeem. Wel kunnen we een aantal van de aannames expliciet maken die
nodig zijn om tot de conclusie te komen dat het stelsel over het geheel genomen
beter zal functioneren. Deze aannames zijn:
• dat de centrale bank de kennis en informatie heeft om de groei van de geld-
    hoeveelheid in de juiste banen te leiden en dat de overheid zichzelf te allen
    tijde committeert aan een evenwichtige geldschepping;
• dat de tegoeden bij financieringsinstellingen niet als geld gaan functioneren,
    waardoor zij geldscheppende instellingen worden en zij feitelijk weer sterk lij-
    ken op de huidige banken;
• dat het redden van financieringsinstellingen door de overheid niet meer aan de
    orde is, omdat ze kunnen falen zonder de economie te ontwrichten, waardoor
    de problematiek van perverse prikkels en ‘private winsten, publieke kosten’ is
    uitgebannen;
• dat er in het nieuwe systeem voldoende en passende financiering beschikbaar
    zal zijn via kredietverlening van de financieringsinstellingen of via marktfinan-
    ciering;
• dat de instituties (centrale banken, betaalbanken, financieringsinstellingen)
    blijvend in staat zullen zijn om onder burgers, bedrijven en investeerders het
    vertrouwen te wekken dat nodig is om het systeem daadwerkelijk te laten func-
    tioneren;
• dat het geheel werkzaam kan zijn in een internationale context waarin de
    wederzijdse financiële afhankelijkheden groot zijn zonder dat alle landen over-
    gaan op een publiekgeldsysteem.
Naast deze voor- en nadelen van het systeem als geheel, is er de vraag van de haal-
baarheid. Het gaat dan met name om de transitie en de internationale verwevenhe-
den. De complicaties die een eventuele transitie met zich meebrengen, moeten
niet worden onderschat. Als alle spelers onzeker zijn over de nieuwe situatie is de
kans op een crisis tijdens de transitie niet gering. Bovendien treden bij beleids- en
stelselwijzigingen vaak onverwachte, onbedoelde, en veelal ook ongewenste
neveneffecten op. De keuze voor een overgang naar een publiekgeldsysteem komt
feitelijk neer op een grootschalig experiment met de ruggengraat van de economie.
Internationale verwevenheden moeten ook niet over het hoofd worden gezien bij
het afwegen van de haalbaarheid. Niet alleen maakt Nederland onderdeel uit van
de eurozone en alleen daarom al zou de stelselwijziging alleen op Europees niveau
kunnen plaatsvinden, tenzij Nederland uit de euro stapt. Maar ook los van de euro
bestaan er tal van internationale verwevenheden die de vrijheid van Nederland om
een geheel eigenzinnig monetair-financieel beleid te voeren sterk inperken en een
dergelijke transitie tot een ongeëvenaard experiment zouden maken. Deze inter-
nationale verwevenheden hebben niet of nauwelijks een plek in de plannen voor
een publiekgeldsysteem.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 196 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 197 ======================================================================

<pre>196 geld en schuld
noten
1   Daarnaast stellen voorstanders ook dat het misleidend is om te zeggen dat kredietverlening
    te duur wordt – beter is het om te zeggen dat de kredietprijs een betere weergave is van de
    echte financieringskosten. Nu is krediet kunstmatig goedkoop omdat de overheid een deel
    van de risico’s afdekt en daarmee feitelijk schulden subsidieert. Zoals Ons Geld (2016: 28) het
    formuleert, zal dat in het nieuwe systeem anders zijn: “Rentes zullen markt-gedreven tot
    stand gaan komen en daardoor een zuivere weerspiegeling gaan geven van risico, vraag en
    aanbod van desbetreffende geldlening.”
2   Zie box 1.3 voor een bespreking van de vraag of publiek geld een schuld is.
3   De praktijk is wat ingewikkelder. De centrale bank verstrekt op grote schaal leningen aan
    commerciële banken. Commerciële banken kunnen aan deze leningen voldoen door staats-
    obligaties over te dragen aan de centrale bank – dit kan ook als eis worden gesteld bij het ver-
    strekken van de lening. Vervolgens kan de centrale bank de staatsschuld kwijtschelden. Ove-
    rigens groeit de balans van de centrale bank flink bij de transitie. Omdat de boekhoudkundige
    schuld van de centrale bank in economische zin echter geen schuld is, zou dat niet hetzelfde
    zijn als de huidige staatsschulden.
4   Uiteraard kan de centrale bank altijd – ook in het huidige systeem – met nieuw gecreëerd geld
    proberen alle uitstaande staatsschuld op te kopen. Het is overigens lastig te achterhalen bij
    wie de Nederlandse staatsschuld precies in handen is (Tokmetzis 2013).
5   Bepaalde risico's blijven echter wel bestaan, zoals cyber-risico.
6   Overigens zou dat ook binnen het huidige systeem kunnen.
7   Overigens – zoals besproken in box 4.3 – zijn de kosten van het generen van het maatschap-
    pelijk vertrouwen dat nodig is om het geld te laten functioneren veel breder dan enkel de
    productiekosten. Het functioneren van geld vereist tal van instituties. Dit geldt zowel in het
    huidige systeem als in het publiekgeldsysteem.
8   "Deze 20 miljard euro is een schatting van de jaarlijkse geldschepping bij 2 procent in inflatie,
    2 procent groei en een geldhoeveelheid van 500 miljard euro. Deze schatting gaat ervan uit
    dat de omloopsnelheid van geld gelijk blijft, ook bij mogelijk hogere rentes in de toekomst."
    (Dommerholt en Van Tilburg 2016: 680). De schatting suggereert een rechtstreekse relatie
    tussen geldhoeveelheid en economische groei en inflatie en neemt kosten van geldschepping
    niet mee.
9   Wortmanns pleidooi voor een ‘virtual euro’ (2017) is hierop een uitzondering. Dit pleidooi
    bespreekt kort de vraag hoe ‘burgerdividend’ moet worden verdeeld over de verschillende
    eu-landen: “Member States are entitled to dividends on equal footing, irrespective of their debt
    with the banking system. For that, an appropriate allocation key must be applied. For Citizens,
    an equal share per capita seems most suitable, irrespective of individual debt with the banking
    system.” (ibid.: 4). Wanneer het gaat over de allocatie van nieuw gecreëerd geld, wordt sim-
    pelweg gesteld dat dit ter beschikking wordt gesteld aan “the State” die het vervolgens uit-
    geeft, waarbij “the State” verwijst naar “the European Union and the Eurozone Member States
    combined” (ibid.: 8). Het pleidooi gaat echter niet of nauwelijks in op alle complicaties die
    zich hierbij – of bij andere kwesties – kunnen aandienen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 197 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 198 ======================================================================

<pre>                                      voor- en nadelen van het publiekgeldsysteem            197
10 Dit hangt samen met de vraag of alleen de huidige girale tegoeden of ook de spaartegoeden
   naar de nieuwe betaalbanken worden overgeheveld. De voorstellen zijn hier over het alge-
   meen niet heel duidelijk in. In het tweede geval zou de transitie een veel grotere omvang
   hebben. In het eerste geval zouden spaartegoeden in een nacht veranderen van ‘veilige’ naar
   risicodragende tegoeden.
11 De balans van de centrale bank wordt wel verlengd tijdens de transitie. Hierboven hebben we
   aangegeven dat overheidsschulden (met rentebetaling en aflossingsverplichting) iets anders
   zijn dan de boekhoudkundige schulden van de centrale bank.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 198 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 199 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 199 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 200 ======================================================================

<pre>                                                                                          199
7   evenwicht in het huidige systeem
    In het vorige hoofdstuk hebben we gekeken naar de voor- en nadelen van een
    publiekgeldsysteem. Hoewel de wrr niet pleit voor een volledige overstap, zijn de
    problemen die het initiatief agendeert belangrijk en urgent. Bovendien biedt het
    plan interessante aanknopingspunten voor maatregelen die goed binnen het hui-
    dige stelsel kunnen worden ingevoerd.
    In de conclusie van hoofdstuk 4 hebben we de twee belangrijkste uitdagingen
    genoemd om te komen tot een meer dienstbaar, stabiel, rechtvaardig en legitiem
    monetair-financieel stelsel. Het is nodig te komen tot een meer evenwichtige en
    beheerste groei van geld en schuld en de balans tussen publieke en private
    belangen moet worden verbeterd. In dit hoofdstuk bekijken we welke stappen er
    genomen kunnen worden om dit te bewerkstelligen. Hierbij bespreken we zowel
    de stappen die sinds de crisis zijn gezet als oplossingen die gesuggereerd zijn.
7.1 het temmen van de geld- en schuldcyclus
    De eerste uitdaging waar we voor staan is het temmen van de geld- en schuld-
    cyclus. Een evenwichtige groei van geld en schuld is niet alleen belangrijk voor sta-
    biliteit van het financiële systeem, maar ook voor de dienstbaarheid daarvan. Zoals
    we in hoofdstuk 3 hebben besproken is er sprake van een permanente zoektocht
    naar een goede balans tussen flexibiliteit en inkadering. Wanneer het geldstelsel te
    strikt is ingekaderd, zoals bijvoorbeeld ten tijde van de strikte koppeling met edel-
    metaal, levert dat op termijn problemen op voor de economische groei en worden
    crisissituaties uitvergroot. De kunst is voldoende flexibiliteit in geldschepping en
    kredietverlening te bieden om in te spelen op conjuncturele fluctuaties. Wanneer
    het geldstelsel te flexibel is ontstaan er eenvoudig zeepbellen of ligt hoge inflatie op
    de loer. Er kan dan een zelfversterkende dynamiek ontstaan waarbij kredietverle-
    ningen, geldschepping en stijgende prijzen van financiële bezittingen elkaar
    opstuwen.
    In de decennia voor de financiële crisis was er een algemene tendens richting meer
    flexibiliteit. Tal van remmen op kredietverlening werden ontmanteld en de geld-
    scheppende rol van banken werd groter door de toenemende dominantie van
    giraal geld. Beleid moedigde het aangaan van schulden ook aan (wrr 2016). Deze
    flexibiliteit heeft geleid tot historisch hoge schulden. Bovendien gaf dit meer vol-
    atiliteit in kredietverlening en daarmee in de economie. De schaduwkanten hier-
    van hebben we in hoofdstuk 4 besproken: overmatige kredietgroei leidt tot een
    grotere kans op financiële crises en een langdurig herstel erna. Ook kunnen hoge
</pre>

====================================================================== Einde pagina 200 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 201 ======================================================================

<pre>200       geld en schuld
          schulden een negatieve invloed hebben op economische ontwikkeling. Bovendien
          kunnen zij leiden tot een onrechtvaardige verdeling van kosten en baten in de
          samenleving.
          In deze paragraaf bespreken we de belangrijkste beleidsinitiatieven en -suggesties
          om te komen tot een meer evenwichtige groei van geld en schuld. Dat zijn (1)
          betere remmen en het wegnemen van prikkels op schuldengroei; (2) oog voor
          beleidscoherentie en de structuur van de sector; en (3) aandacht voor het opvangen
          van een financiële crisis.
7.1.1     remmen en prikkels op schuldengroei
          De belangrijkste manier waarop na de crisis is gewerkt aan het tegengaan van
          excessieve schuldengroei is via macroprudentieel beleid. Ook zijn er eerste stap-
          pen gezet in het wegnemen van fiscale prikkels op schuldfinanciering.
          Macroprudentieel beleid
          De belangrijkste beleidshervorming om de risico’s van hoge schulden tegen te
          gaan is de introductie van macroprudentieel beleid. Dit beleid richt zich specifiek
          op het tegengaan van systeemrisico’s, gedefinieerd als “het risico dat zich ontwik-
          kelingen voordoen die het [financieel] stelsel als geheel bedreigen, waardoor uit-
          eindelijk de economie forse schade oploopt” (dnb 2016a: 8). Voor de risico’s wordt
          enerzijds gekeken naar de opbouw van grote onevenwichtigheden (zoals hoge
          schulden en de ontwikkeling van zeepbellen), anderzijds naar de structuur van de
          financiële sector (grote concentratie en verwevenheden) (zie dnb 2016a; imf-fsb-
          bis 2016).
          Macroprudentieel beleid maakt gebruik van dezelfde soort instrumenten als het
          bankentoezicht (ook wel microprudentieel beleid genoemd), zoals eisen op het
          gebied van kapitaal en liquiditeit. Het belangrijkste verschil is het doel waarmee
          het instrument wordt ingezet: is het specifiek gericht op het verkleinen van de risi-
          co’s voor individuele instellingen (microprudentieel) of op het verkleinen van
          systeemrisico’s (macroprudentieel)? Het macroprudentieel kader biedt verschil-
          lende mogelijkheden voor nationale toezichthouders om extra eisen op te leggen
          om systeemrisico’s tegen te gaan (zie box 7.1).
Box 7.1         Macroprudentieel beleid
   In de Europese richtlijn en verordening kapitaalvereisten (bekend als het crd iv-pakket) zijn de
   belangrijkste macroprudentiële instrumenten opgenomen (zie Europese Commissie 2014).
   Deze vloeien overwegend voort uit internationale afspraken in het Bazel iii-raamwerk. De
   belangrijkste instrumenten zijn extra kapitaaleisen bovenop de microprudentiële eisen. Zo is er
</pre>

====================================================================== Einde pagina 201 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 202 ======================================================================

<pre>                                                                        evenwicht in het huidige systeem               201
de anticyclische kapitaaleis. In economisch ‘goede tijden’, wanneer de kredietverlening te sterk
stijgt, kan aan banken een extra kapitaaleis van 2,5 procent worden opgelegd door de nationale
toezichthouder (in Nederland is dat dnb). Deze extra eis kan in ‘slechte tijden’ worden verlaagd.
Ook kunnen nationale toezichthouders (tijdelijk) de minimum risicoweging voor hypotheek-
leningen verhogen als zij denken dat sprake is van oververhitting op de huizenmarkt. Daarnaast
kan aan systeemrelevante instellingen een extra kapitaaleis opgelegd worden. Ook kan de natio-
nale toezichthouder nog andere onderdelen van het kapitaalraamwerk aanscherpen, mits kan
worden aangetoond dat de rest van de instrumenten niet toereikend zijn. Dit wordt het flexibili-
teitspakket genoemd (zie tabel 7.1). Los van dit Europees macroprudentieel kader, hebben veel
landen eisen gesteld op het gebied van hypotheekleningen. In Nederland is er bijvoorbeeld een
maximale loan-to-value-ratio van 100 procent, wat betekent dat de verstrekte lening niet hoger
mag zijn dan de getaxeerde waarde van het huis.
Tabel 7.1               Overzicht van macroprudentiële instrumenten in crd iv-pakket
                                                 Korte beschrijving                            Wettelijke basis
 Anticyclische        Een kapitaalopslag (variërend van 0% tot 2,5%, maar hoger is        Artikelen 130 en 135-140
 kapitaalbuffer      ­mogelijk) om risico’s van de financiële cyclus tegen te gaan. Wan-  van crd iv
                      neer een land deze opslag instelt, geldt de opslag ook voor krediet
                      dat door andere Europese banken in het land wordt verstrekt.
 Systeembuffer        Een kapitaalopslag voor een of meer systeemrelevante banken.        Artikelen 133-134 van crd iv
 g-sii/o -sii buffer  Een kapitaalopslag voor ‘mondiaal systeemrelevante instellingen’    Artikel 131 van crd iv
                      of ‘andere systeemrelevante instellingen’.
 Sectorale risico­    De risicoweging van hypotheekleningen kunnen worden verhoogd        Artikel 124 en 164 van
 gewichten            met het oog op het tegengaan van systeemrisico’s.                   Capital Requirements
                                                                                          Regulation (crr)
 Flexibiliteits­      Verschillende maatregelen (waaronder een verhoging van              Artikel 458 van crr
 pakket               liquiditeits­eisen of risicogewichten) indien andere macro­
                      prudentiële instrumenten niet toereikend zijn.
De verantwoordelijkheid voor macroprudentieel beleid is over verschillende organisaties ver-
deeld. Hierbij kan een onderscheid gemaakt worden tussen (1) het signaleren en waarschuwen
voor systeemrisico’s en (2) het activeren van instrumenten. Het eerste wordt op Europees niveau
gedaan door het Europees Comité voor Systeemrisico’s (in Engels: esrb), onderdeel van de ecb.
Op Nederlands niveau zijn het Financieel Stabiliteitscomité (bestaande uit vertegenwoordigers
van dnb, ministerie van Financiën en afm) en dnb hiervoor verantwoordelijk (Cavelaars et al.
2013). Het activeren van instrumenten is vooral een nationale aangelegenheid: dnb is hiervoor
verantwoordelijk, terwijl de politiek gaat over de hoogte van bijvoorbeeld de loan-to-value-
ratio. Bij activering van bepaalde instrumenten dient dnb wel goedkeuring te krijgen van Euro-
pese organisaties, zoals de esrb en de Europese Bankenautoriteit. Sinds de totstandkoming van
de Europese Bankenunie heeft ook de ecb specifieke macroprudentiële verantwoordelijkheden:
</pre>

====================================================================== Einde pagina 202 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 203 ======================================================================

<pre>202      geld en schuld
   het mag de crd iv-instrumenten die door nationale lidstaten in wet- en regelgeving zijn geïm-
   plementeerd activeren of aanscherpen, indien de ecb dit noodzakelijk acht met het oog op
   systeemrisico’s.
         Een van de belangrijkste vragen bij het tegengaan van systeemrisico’s is hoe je deze
         moet meten. Een belangrijke indicator voor de beslissing of de anticyclische kapi-
         taaleis in werking treedt, is de afwijking van de trendmatige kredietgroei. Het is
         echter de vraag of we in Nederland wel zo sterk moeten leunen op deze trend:
         omdat in de jaren voor de crisis kredietverlening zeer hard steeg, is de ‘referentie-
         lijn’ heel hoog. Er moet dus wel sprake zijn van extreme kredietgroei wil deze indi-
         cator in Nederland nu op rood gaan. dnb heeft geconcludeerd dat er tot nu toe
         geen reden is geweest om de eis in Nederland te verhogen, terwijl andere indicato-
         ren aangeven dat er wel degelijk reden tot zorg is (bijv. esrb 2016). Juist omdat één
         indicator niet genoeg zegt over de opbouw van systeemrisico’s, heeft de esrb
         geadviseerd om op basis van veel verschillende indicatoren besluiten te nemen
         over het activeren van de buffer (esrb 2014). Interessant is bijvoorbeeld dat Zwe-
         den de buffer vanaf maart 2017 heeft aangezet terwijl volgens de standaardindicator
         (trendmatige kredietgroei) dat niet zou hoeven (Finansinspektionen 2018: 4).1
         Een cruciale vervolgvraag is in hoeverre de instrumenten daadwerkelijk de risico’s
         kunnen indammen. Macroprudentiële instrumenten hebben tot nu toe een plek
         gekregen in kapitaalregulering. Deze kapitaaleisen zijn echter primair bedoeld om
         banken schokbestendiger te maken tegen mogelijke problemen, niet om schulden-
         groei te remmen. De bis-econoom Claudio Borio (2010), een van de ontwikkelaars
         van deze kapitaaleis, stelt dan ook dat deze extra kapitaaleis ongeschikt is om
         sterke kredietgroei af te remmen. De relatie tussen risicogewogen kapitaaleisen en
         kredietverlening is volgens Borio te indirect om te werken als effectieve rem (Borio
         2010). Een van de redenen hiervoor is dat juist in goede tijden de risico’s van de
         bezittingen van banken (zoals uitstaande leningen) toch al laag worden ingeschat
         (Carmassi en Micossi 2012; Danielsson et al. 2012).
         Dat roept de vraag op of macroprudentieel beleid verbreed moet worden. Het anti-
         cyclisch verhogen van liquiditeitseisen is binnen het bestaande kader bijvoorbeeld
         zeer ingewikkeld: dit kan alleen geïmplementeerd worden via het flexibiliteitspak-
         ket dat niet eenvoudig kan worden ingezet (zie tabel 7.1; zie ook ecb Task Force on
         Systemic Liquidity 2018). Belangrijker nog is dat de niet-bancaire financiële sector
         buiten het zicht van macroprudentieel beleid valt. Vooral het feit dat financiële
         instellingen die sterk lijken op banken, doordat zij aan kredietverlening doen of
         kortlopende schulden uitgeven, niet binnen dit kader vallen, is reden tot zorg. De
         crisis was in belangrijke mate het gevolg van zeer heftige kredietgroei tussen finan-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 203 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 204 ======================================================================

<pre>                                            evenwicht in het huidige systeem      203
ciële instellingen onderling die vervolgens onhoudbaar bleek. Binnen het macro-
prudentiële beleidskader blijven deze instellingen echter grotendeels buiten beeld
(zie esrb 2016).
Macroprudentiële instrumenten richten zich niet alleen op financiële instellingen,
maar stellen ook eisen aan specifieke leningen. Een belangrijk macroprudentieel
instrument in dit opzicht is de maximale loan-to-value-ratio (ltv-ratio). Het gaat
hier om de maximale lening die ten opzichte van de waarde van het onderpand
mag worden verstrekt. In Nederland is vanaf 2012 de maximaal toegestane ltv-
ratio voor hypotheekleningen in stappen afgebouwd naar een maximum van
100 procent sinds 1 januari 2018. Verschillende instituten pleiten voor een verdere
verlaging van de ltv-ratio naar 90 procent (Financieel Stabiliteitscomité 2015; imf
2017; dnb 2017) of zelfs 80 procent (Commissie Wijffels 2013). Het cpb (Veldhui-
zen et al. 2015; Van Dijk en Voogt 2017) waarschuwt daarentegen juist voor de hoge
maatschappelijke kosten die gepaard gaan met een verdere verlaging van de ltv-
ratio, met name voor starters op de huizenmarkt.
Hoewel het maximeren van de ltv-ratio de kredietverlening remt, vormt het geen
absoluut plafond. Zolang de waarde van huizen blijft stijgen en deze marktprijzen
worden gebruikt voor het bepalen van de ‘value’ in de ltv-ratio, kan er meer kre-
diet worden verstrekt. Dat kan vervolgens ook weer leiden tot een verdere stijging
van de huizenprijzen.2 Een loan-to-income-ratio (lti-ratio), die de hoogte van de
lening koppelt aan het inkomen van de kredietvrager, vormt in theorie een ster-
kere rem op kredietverlening. Nederland kent geen directe lti-normen, maar wel
normen op het gebied van de financieringslast. Afhankelijk van het inkomen en de
op dat moment geldende rente, geldt een maximale norm van het inkomen dat aan
de hypotheek besteed mag worden. Het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlich-
ting (nibud) brengt hier jaarlijks advies over uit. Dit vormt een plafond voor de
lening die verstrekt kan worden. De hypotheekverstrekker mag hier van afwijken,
indien hij dit kan onderbouwen en documenteert.
Fiscale prikkels
Naast het introduceren van macroprudentieel beleid, is door de Nederlandse over-
heid ook werk gemaakt van het wegnemen van fiscale prikkels op schuldengroei.
De fiscale bevoordeling van schuld ten opzichte van eigen vermogen maakt het
voor huishoudens, bedrijven en banken voordeliger om een schuld aan te gaan dan
om uit eigen vermogen te financieren. Huishoudens hebben een hypotheekrente-
aftrek en bedrijven kunnen de kosten van rentebetalingen aftrekken voor de ven-
nootschapsbelasting. Op beide vlakken zijn sinds de crisis voorzichtige stappen
genomen. De maximale hypotheekrenteaftrek is sinds 2014 gedaald van 52 procent
tot 49,5 procent in 2018 en wordt de komende jaren versneld afgebouwd tot 37 pro-
cent in 2023. Ook zijn er stappen gezet om de renteaftrek voor private-equity-
partijen te beperken. Het Nederlandse kabinet is daarnaast van plan een plafond
</pre>

====================================================================== Einde pagina 204 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 205 ======================================================================

<pre>204       geld en schuld
          voor de aftrekbaarheid van rentelasten (renteplafond) in te stellen voor banken en
          verzekeraars. Ook ligt er een plan om de fiscale voordelen van de zogeheten coco’s
          af te schaffen. Deze schulden, die in geval van nood kunnen worden omgezet in
          aandelen, raken hun fiscale aftrekbaarheid binnenkort kwijt (zie: Ministerie van
          Financiën 2018a).
          Er zijn ook landen die hebben geprobeerd om de ongelijke fiscale behandeling van
          schuld en eigen vermogen aan te pakken door aftrek op het eigen vermogen te
          introduceren. België heeft bijvoorbeeld in 2006 een zogeheten notionele interest-
          aftrek ingevoerd (zie box 7.2).
Box 7.2          Aftrek eigen vermogen in België
   In 2006 heeft België een aftrek voor eigen vermogen voor het bedrijfsleven mogelijk gemaakt.
   Dit zogeheten ‘aftrek voor risicokapitaal’ houdt in dat een fictieve rente kan worden afgetrokken
   over een gecorrigeerd eigen vermogen; in het aanslagjaar 2015 was dit fictieve rentepercentage
   2,63 procent (Federale Overheidsdienst Financiën 2018). Omdat de aftrek niet gold voor het
   eigen vermogen van dochterbedrijven, werd deze maatregel door de Europese Commissie (2012)
   en het Europees Hof van Justitie (2013) in strijd geacht met het vrij verkeer van kapitaal binnen
   de eu. België heeft daarop de wet aangepast. Nu wordt alleen nog aftrek verleend over de stijging
   van het eigen vermogen in vergelijking met het gemiddelde van de laatste vijf jaar. De aandacht
   bij deze maatregel gaat in eerste instantie vaak uit naar het effect op ‘gewone’ bedrijven en min-
   der naar het effect op banken. Uit onderzoek van Schepens blijkt dat door deze maatregel het
   eigen vermogen van Belgische banken toenam (Schepens 2016). Een belangrijk kritiekpunt op de
   maatregel is dat deze de internationale belastingarbitrage door multinationals faciliteert
   (Hebous en Ruf 2017).
          Ook andere landen (zoals Cyprus, Italië, Kroatië, Letland, Liechtenstein, Oosten-
          rijk en Turkije) hebben de afgelopen jaren een aftrek van eigen vermogen inge-
          voerd. De basis die meetelt (al het eigen vermogen of alleen nieuw eigen vermo-
          gen) en de fictionele rente verschillen per land. In het algemeen is het gewenst, dat
          verschillende vormen van vermogen gelijk worden behandeld om ontwijkgedrag
          te vermijden. De aftrekmogelijkheid van eigen vermogen voorziet hierin. Een
          renteplafond impliceert daarentegen nog altijd een ongelijke behandeling en kan
          mogelijk ongewenste bijeffecten hebben. Het zorgt wel voor de gewenste ontmoe-
          diging van financiering met vreemd vermogen.3
          Hoewel er sinds de crisis meer aandacht is voor de fiscale bevoordeling van schuld,
          zijn de daadwerkelijke stappen om hier iets aan te doen beperkt geweest. Wat
          betreft de hypotheekrenteaftrek is het gelukt om te komen tot een stapsgewijze
          versobering, maar voor het bedrijfsleven is het fiscale voordeel slechts in beperkte
</pre>

====================================================================== Einde pagina 205 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 206 ======================================================================

<pre>                                                   evenwicht in het huidige systeem       205
      mate aangepakt. Gezien het vrij verkeer van kapitaal binnen de Europese Unie,
      vergt het fiscaal gelijktrekken van eigen vermogen en schuldfinanciering coördina-
      tie op Europees niveau om belastingarbitrage te voorkomen. Bij banken ligt het
      ingewikkelder, daar schuldfinanciering (en daarmee gepaard gaande rentelasten)
      behoren tot de kern van het bedrijfsmodel (kredietverlening door middel van
      geldschepping). Wel is het de vraag of alle vormen van schuldfinanciering bij deze
      kern horen (denk aan kortlopende marktfinanciering) waarmee de vraag rijst of een
      meer gedifferentieerde renteaftrek op zijn plaats zou zijn.
7.1.2 oog voor beleidscoherentie en de sectorstructuur
      Beleid heeft zich dus vooral gericht op remmen en prikkels op schuldengroei. In
      mindere mate is er aandacht geweest voor de samenhang met andere beleidsterrei-
      nen en de rol van de structuur van de sector.
      Samenhang met andere beleidsterreinen
      De schuldenproblematiek heeft tot nu toe een plek gekregen binnen het macro-
      prudentiële beleidskader. Dit is een grotendeels zelfstandig beleidsterrein, met
      eigen instrumenten en verantwoordelijke organisaties (imf-fsb-bis 2016). De
      vraag is of deze afbakening recht doet aan de vele factoren die een rol spelen bij de
      boom-bust-dynamiek van kredietverlening. In het bijzonder is het van belang om
      te kijken naar de relatie tussen macroprudentieel beleid, bankentoezicht (micro-
      prudentieel beleid), monetair beleid en sociaal-economisch beleid.
      Zoals hierboven aangegeven maakt macroprudentieel beleid primair gebruik van
      hetzelfde type instrumenten als bankentoezicht, in het bijzonder kapitaaleisen.
      Tegelijkertijd is macroprudentieel beleid ingericht als een eigen beleidsterrein, met
      een eigen doelstelling en eigen kader. Volgens een van de grondleggers van het
      macroprudentiële beleidskader, Claudio Borio van de bis, is het echter misplaatst
      om te spreken over twee aparte beleidsterreinen. Het gaat niet zozeer om verschil-
      lende beleidsterreinen, maar om verschillende perspectieven op beleid; een per-
      spectief gericht op de stabiliteit van individuele banken (microperspectief ) en een
      perspectief gericht op systeemstabiliteit (macroperspectief ) (Borio 2010: 2-4). Dit
      impliceert dat de scheiding die gemaakt is tussen bankentoezicht en macropruden-
      tieel beleid op zijn minst ingewikkeld is. In het bijzonder op het gebied van risico-
      wegingen kan de logica van het bankentoezicht botsen met de macroprudentiële
      logica (zie box 7.3).4
</pre>

====================================================================== Einde pagina 206 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 207 ======================================================================

<pre>206       geld en schuld
Box 7.3           Procyclische effecten van risicowegingen
   Bancaire kapitaaleisen hebben doorgaans betrekking op de omvang van de risicogewogen bezit-
   tingen van de bank. Hoewel deze risicowegingen vanuit het oogpunt van de stabiliteit van een
   bank op een bepaald moment rationeel kunnen zijn (weinige risicovolle leningen als hypothe-
   ken vereisen minder eigen kapitaal), kunnen deze vanuit het macroperspectief en vanuit de
   lange termijn bezien juist onverstandig zijn.
   Het eerste internationale kapitaalraamwerk, het Bazel I-akkoord uit 1988, hanteerde een grove
   risicoweging. Volgens banken en toezichthouders was deze risicoweging veel te onnauwkeurig.
   Bazel ii, in 2004 gepresenteerd, veranderde veel op dit gebied; banken met door de toezichthou-
   der goedgekeurde risicomanagementsystemen kregen meer vrijheid om in te schatten hoe risico-
   vol hun bezittingen waren. Ook kregen kredietbeoordelingen uitgegeven door Credit Rating
   Agencies (cra’s) een prominentere plek. De hoop was dat dit zou leiden tot een betere afstem-
   ming tussen de regels en de daadwerkelijke risico’s. Ook zou het banken stimuleren hun risico-
   management op orde te hebben en zou het leiden tot minder regelontwijkend gedrag.
   Een van de nadelen van de aanpak van Bazel ii is echter dat het procyclische effecten kan verster-
   ken. De risicomodellen van banken hanteren vaak een korte tijdshorizon. In goede tijden met
   weinig faillissementen geven deze modellen dan ook aan dat risico’s laag zijn. Dit stimuleert
   banken om meer kredieten te verstrekken. Omgekeerd springen tijdens een crisis ineens alle sei-
   nen op rood, wat banken aanmoedigt om op de rem te trappen. Een vergelijkbare dynamiek
   speelt bij kredietbeoordelingen. Op geaggregeerd niveau kan dit dus de cyclus versterken.
   Sinds de crisis zijn op dit terrein beperkt veranderingen doorgevoerd. Beleidsmakers eisen van
   banken dat zij in hun risicomodellen een langere tijdshorizon hanteren en worstcasescenario’s
   meenemen. Bovendien zijn er ondergrenzen op het gebied van risicoweging. Ook mogen ban-
   ken niet meer blind vertrouwen op kredietbeoordelingen. Toch leunen het Bazel iii-akkoord
   (2010) en het recente Bazel iv-akkoord (2017) nog steeds op zowel risicomodellen als ratings.
          Ook monetair beleid verdient als aangrenzend beleidsterrein meer aandacht in het
          licht van de schuldenproblematiek. Monetair beleid is in zijn huidige vorm primair
          gericht op het stabiliseren van de waarde van het geld, in veel landen geoperationa-
          liseerd als beperkte inflatie van goederen- en dienstenprijzen. Sterke stijging van
          huizenprijzen en prijzen van financiële bezittingen vallen hiermee buiten het
          directe gezichtsveld. Volgens critici droeg deze smalle focus bij aan de financiële
          crisis. Centrale banken in Europa en de Verenigde Staten zouden te lang de beleids-
          rente laag hebben gehouden, wat bijdroeg aan de opbouw van omvangrijke kre-
          dietzeepbellen (Eichengreen et al. 2011). Daarnaast is na de crisis de kritiek geko-
          men dat het huidige beleid van lage rentes en kwantitatieve verruiming wederom
</pre>

====================================================================== Einde pagina 207 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 208 ======================================================================

<pre>                                               evenwicht in het huidige systeem     207
bijdraagt aan excessieve schuldengroei, waarmee financiële stabiliteit in het geding
kan komen. Dit roept de vraag op of monetair beleid naast een focus op prijsstabili-
teit ook financiële stabiliteit als expliciet doel moet meenemen.
Er zijn twee redenen om te pleiten voor een strakke afbakening van monetair
beleid van andere beleidsterreinen en een exclusieve focus op prijsstabiliteit. Aller-
eerst is het de vraag of het belangrijkste instrument van monetair beleid, het rente-
instrument, überhaupt geschikt zou zijn om kredietzeepbellen tegen te gaan. Het
kan leiden tot een dubbele teleurstelling: niet alleen zou de renteverhoging waar-
schijnlijk niet krachtig genoeg zijn om een kredietzeepbel helemaal tegen te hou-
den, maar het zou gelijktijdig kunnen leiden tot ernstige schade aan de rest van de
economie (zie bijv. Haldane 2010; Constancio 2015; Fahr en Fell 2017). Ten tweede
is het voordeel dat centrale banken een relatief eenduidige en heldere doelstelling
hebben, waardoor het makkelijker te verantwoorden is dat zij op afstand staan van
de politiek. Ook zijn zij hiermee beter door de politiek te controleren en ter ver-
antwoording te roepen. Financiële stabiliteit is een diffuser concept en dus moeilij-
ker om te meten en er verantwoording over af te leggen.
Aan de andere kant zijn er goede argumenten om monetair beleid toch meer te
richten op financiële stabiliteit. Het argument dat het rente-instrument ongeschikt
is om kredietzeepbellen door te prikken is valide, maar dat wil niet zeggen dat bij
rentebesluiten de centrale banken sterk stijgende kredietverlening moeten nege-
ren. Het rente-instrument is zo krachtig dat andere instrumenten waarschijnlijk
niet op eigen kracht in staat zullen zijn om zonder hulp van dit instrument exces-
sieve kredietgroei af te remmen (Caruana 2016). Wat betreft het belang van een hel-
der mandaat van centrale banken op het gebied van monetair beleid geldt dat de
ecb haar mandaat sinds de crisis toch al ruimer is gaan interpreteren. Bovendien
heeft de ecb met de Bankenunie een belangrijke rol gekregen op het gebied van
toezicht. De tijd lijkt daardoor rijp om breder na te denken over de samenhang tus-
sen het monetair beleid en het financiëlestabiliteitsbeleid en de daarbij behorende
instrumenten.
Ten slotte hebben sociaal-economische beleidsterreinen, zoals het woningmarkt-,
pensioen-, en belastingbeleid, grote invloed op de schuldenomvang in de samen-
leving. De Nederlandse hoge hypotheekschulden kunnen bijvoorbeeld niet los
worden gezien van het bredere woningmarktbeleid. Een vastzittende huurmarkt
en de hypotheekrenteaftrek maakt huizenbezit een relatief aantrekkelijke optie.
Het pensioensysteem zorgt voor een verplichte afdracht van een significant deel
van de besparingen, wat bijdraagt aan de ‘lange balansen’: hoge schulden in combi-
natie met hoge, maar veelal vastzittende, bezittingen. Het tegengaan van onze
afhankelijkheid van schulden vergt dus ook een bredere blik dan alleen macro-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 208 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 209 ======================================================================

<pre>208 geld en schuld
    prudentieel beleid. Het instellen van een rem (zoals een loan-to-value-ratio) zal
    meer effect sorteren wanneer het ook gepaard gaat met het wegnemen van schul-
    denprikkels die voorvloeien uit sociaal-economisch beleid (zie wrr 2016).
    Structuurmaatregelen
    Bij het nadenken over een rem op de groei van krediet, is sinds de crisis relatief
    weinig aandacht geweest voor het effect van de structuur van het bankenland-
    schap. De huidige structuur van het Nederlandse bankenlandschap (drie grote uni-
    forme banken) kan geldschepping en kredietgroei in de hand werken. Dit omdat de
    grote banken er relatief zeker van zijn dat de nieuw gecreëerde banktegoeden voor
    hen beschikbaar blijven als financiering. Een structuur waarin het nieuw
    gecreëerde geld niet automatisch binnen hetzelfde uniforme bankenlandschap
    blijft, kan een indirecte rem op geldschepping vormen, zoals dat bijvoorbeeld in de
    jaren zestig en zeventig het geval was (zie hoofdstuk 3). Meer diversiteit in het
    bankenlandschap zou helpen. Het publiekgeldsysteem kan hierbij als voorbeeld
    dienen; in dit voorstel wordt een andere structuur van de sector gekoppeld aan het
    beperken van excessieve schuldengroei. Ook zonder volledig over te gaan op dit
    systeem kan deze oplossingsrichting navolging krijgen. Twee recente voorstellen
    springen daarbij met name in het oog: (1) de invoering van digitaal centralebank-
    geld; en (2) de oprichting van een bank die zich primair toelegt op betalen en
    sparen.
    Sinds een aantal jaren wordt er gesproken over de vraag of de centrale bank burgers
    en bedrijven de mogelijkheid zou moeten bieden om bij de centrale bank een
    betaalrekening aan te houden (Bardearr en Kumhof 2016; bis 2018; Bordo en Levin
    2017; Broadbent 2016; Fung en Halaburda 2016; Mersch 2017; Ordoñez 2018;
    Skingsley 2016). In het debat wordt gesproken over Central Bank Digital Currency
    (cbdc): digitaal centralebankgeld. In het huidige systeem hebben alleen commer-
    ciële banken en een aantal andere financiële instellingen toegang tot een digitale
    rekening bij de centrale bank. Omdat deze tegoeden niet meetellen voor de maat-
    schappelijke geldhoeveelheid, wordt hierbij gesproken over centralebankreserves
    en niet over centralebankgeld. Burgers en bedrijven hebben toegang tot centrale-
    bankgeld in de vorm van contanten (munten en bankbiljetten). Voor digitaal geld
    zijn ze echter aangewezen op banken. De vraag is of er een digitaal, publiek betaal-
    middel moet worden ontwikkeld.
    Dit zou burgers, bedrijven en andere financiële instellingen de mogelijkheid bie-
    den om direct bij de centrale bank te sparen en betalingen te doen. Het zou een vei-
    lig en publiek alternatief kunnen vormen voor betaaltegoeden bij commerciële
    banken. Voor zover het georganiseerd kan worden als relatief eigenstandig betaal-
    systeem, zou het ook kunnen fungeren als achtervang voor het private betalings-
    verkeer in het geval van verstoringen (Sveriges Riksbank 2017). Het debat over
    digitaal centralebankgeld is relatief nieuw. Tegelijkertijd bestaat er al heel lang de
</pre>

====================================================================== Einde pagina 209 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 210 ======================================================================

<pre>                                               evenwicht in het huidige systeem      209
mogelijkheid om centralebankgeld aan te houden. Natuurlijk als contant geld,
maar voorheen waren er meer partijen dan alleen de banken die een rekening had-
den bij dnb.
De belangrijkste discussie spitst zich toe op financiële stabiliteit. In het huidige
systeem kunnen burgers hun girale banktegoeden ofwel omzetten in contanten,
ofwel overschrijven naar een andere bank. Met de invoering van digitaal centrale-
bankgeld zou dit geld ook overgemaakt kunnen worden naar de centrale bank. Dit
leidt tot de vrees dat het de instabiliteit zou versterken omdat burgers bij een lichte
paniek, massaal hun tegoeden over zouden kunnen schrijven naar de centrale
bank. Daarmee creëert het de mogelijkheid voor een bankrun op het gehele com-
merciële bankwezen, in plaats van op een individuele bank (Danmarks National-
bank 2017). Linksom of rechtsom zal dit dan betekenen dat de centrale bank de
commerciële banken te hulp moet schieten, waarmee de lender of last resort-
functie van centrale banken flink wordt uitgebreid (zie bijv. bis 2018).
Aan de andere kant zijn er ook geluiden te horen die deze zorgen nuanceren. Zo
bestaat er de optie om de inwisselbaarheid van banktegoeden in digitaal centrale-
bankgeld te limiteren en om het toegestane bedrag op de centralebankrekening te
maximeren (Kumhof en Noone 2018). Ook zou het depositogarantiestelsel, net als
nu, bankruns ontmoedigen. Daarnaast zorgt digitaal publiek geld voor meer diver-
siteit in het financiële systeem, wat juist de totstandkoming van systeemrisico's
kan remmen. Wanneer er naast contant geld een volwaardig alternatief voor ban-
caire tegoeden is, zou dit een sterkere rem op geldschepping kunnen vormen dan
ons huidige homogene stelsel. In hoofdstuk 4 stipten wij al aan dat de voorlopers
van de Postbank (de pcgd en de Rijkspostspaarbank) decennialang een dergelijke
functie hebben vervuld (zie ook Peekel en Veluwenkamp 1984). Kortom, het is
mogelijk dat de diversiteit die digitaal centralebankgeld introduceert ook een disci-
plinerende functie heeft op banken. Ten slotte zegt het feit dat een veilige haven
het huidige systeem kan destabiliseren minstens even veel over weeffouten in het
huidige systeem als over digitaal centralebankgeld. De voorlopers van de Postbank
zorgden immers ook niet voor instabiliteit. Weliswaar kostte het overboeken toen
meer tijd, maar dat is slechts een gradueel verschil.
Een minder ingrijpende, maar in de praktijk vergelijkbare variant zou zijn om ver-
gunningen te verlenen aan banken die als bezittingen enkel centralebankreserves
hebben. Op zo’n manier zouden burgers op een indirecte manier toegang hebben
tot ‘veilig’ geld. Juist omdat het sterk lijkt op digitaal centralebankgeld speelt ook
hier het vraagstuk van financiële stabiliteit een rol. Het biedt immers ook een vei-
lige haven voor banktegoeden en zou daarmee het risico op een systemische bank-
run kunnen vergroten. Net als voor digitaal centralebankgeld geldt echter evenzeer
dat de grotere diversiteit in de sector ook positieve effecten kan hebben op stabili-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 210 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 211 ======================================================================

<pre>210         geld en schuld
            teit. In Nederland heeft Stichting Full Reserve een concreet voorstel voor een
            depositobank ingediend, maar dit heeft vooralsnog niet geleid tot het oprichten
            van een dergelijke bank (zie box 7.4).
Box 7.4            Discussie over een depositobank
    In Nederland heeft de Stichting Full Reserve het initiatief genomen voor een depositobank. Het
    debat hierover stond echter niet zozeer in het teken van minder volatiele kredietverlening. Vol-
    gens de initiatiefnemers is het een manier om te zorgen dat “het nemen van risico een keuze
    wordt.” De stichting ziet dit als belangrijke opstap om het depositogarantiestelsel “af te kunnen
    bouwen en op termijn zelfs af te kunnen schaffen”, zodat we kunnen komen tot een situatie
    waarin “kredietverleners weer mogen omvallen zonder dat het betalingsverkeer stilvalt” (Stich-
    ting Full Reserve 2018). Vooralsnog is deze depositobank er niet gekomen.
    De Stichting Full Reserve heeft een bankvergunning aangevraagd voor een depositobank, dat
    wil zeggen een bank die alleen centralebankreserves aanhoudt als bezittingen. Het idee was dat
    burgers hiermee een veilige optie zouden hebben voor betalen en sparen. Volgens de minister
    van Financiën was het echter niet mogelijk om deze bank een vergunning te geven. De discussie
    spitste zich met name toe op de deelname aan het depositogarantiestelsel.
    De Stichting Full Reserve wilde dat de depositobank toegang zou hebben tot target2, het
    onderlinge betaalsysteem van banken en de centrale bank. Toegang tot target2 is immers
    nodig om het directe betalingsverkeer tussen rekeninghouders van de beoogde depositobank en
    andere banken te kunnen regelen. Volgens de minister was het echter niet mogelijk om toegang
    te krijgen tot target2 zonder deel te nemen aan het depositogarantiestelsel.5 De Stichting Full
    Reserve vond echter niet dat de depositobank zou moeten opdraaien voor de risicovollere activi-
    teiten van andere banken (het depositogarantiestelsel is immers een onderlinge verzekering). De
    depositobank zou dan in de problemen komen wanneer andere banken omvallen. De deposito-
    bank loopt echter geen financieel risico, alleen een operationeel risico. Andere oplossingen om
    dit risico te dekken, zoals het verzekeren van de tegoeden via een private verzekeraar, werden
    niet geaccepteerd.
    Om dit probleem te omzeilen stelde dnb voor om de depositobank als geldmarktfonds te orga-
    niseren, waardoor zij niet hoefde mee te doen aan het depositogarantiestelsel.6 Voor de initia-
    tiefnemers was dit echter ook geen optie, aangezien dit zou betekenen dat het zou zijn buiten-
    gesloten van het betalingsverkeer. Een geldmarktfonds heeft namelijk geen toegang tot het
    target2-systeem. Deze obstakels hebben uiteindelijk geleid tot het vastlopen van het plan.
            De structuur van de sector is dus een onderdeel van het in toom houden van de
            geld- en kredietgroei dat relatief weinig aandacht heeft gekregen. Er is wel aandacht
            geweest voor het belang van meer diversiteit (zie bijv. dnb 2015c; Ministerie van
</pre>

====================================================================== Einde pagina 211 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 212 ======================================================================

<pre>                                                   evenwicht in het huidige systeem         211
      Financiën 2016a), maar de resultaten zijn beperkt. De concentratie in het bankwe-
      zen is sinds de crisis enkel verder toegenomen. Het aandeel van de drie grote ban-
      ken nam toe van 71% in 2006 naar 75% in 2016 (gemeten naar balansomvang). Het
      aandeel van de vijf grootste banken nam toe van 84% naar 89% (Committee on the
      Global Financial System 2018). Nieuwe toezichteisen hebben eraan bijgedragen dat
      de Rabobank ervoor heeft gekozen om te centraliseren: de lokale banken hebben
      niet meer een eigen bankvergunning. Ook in dat opzicht is de diversiteit eerder
      afgenomen dan toegenomen (Sanders en Zhang 2018).
7.1.3 klaar voor de volgende financiële crisis
      Naast het belang van een evenwichtige groei van de dubbele spiraal van geld en
      schuld, is het ook belangrijk om een scherpe val naar beneden te voorkomen. De
      eerste stap is te voorkomen dat een schok direct een crisis wordt. Hiervoor is aan-
      scherping van het bankentoezicht van groot belang geweest. Als er dan toch een
      crisis is ontstaan, is het van belang om te zorgen dat geld en krediet niet verder in
      een neerwaartse spiraal raken. Daarom bespreken we hoe om te gaan met pro-
      bleembanken en wat de mogelijkheden zijn voor monetair beleid.
      Aanscherping bankentoezicht
      De afgelopen decennia is bankregulering en -toezicht de dominante methode om
      publieke belangen te borgen. Sinds de crisis zijn de eisen op dit gebied aange-
      scherpt. Met het Bazel iii-akkoord (2010) en de implementatie daarvan in Euro-
      pese wet- en regelgeving zijn kapitaaleisen strenger geworden. Ook zijn er liquidi-
      teitsregels geïntroduceerd.
      Kapitaaleisen zijn op verschillende manieren versterkt. Allereerst zijn de eisen
      voor de risicogewogen kapitaalratio verhoogd. Hierbij worden de bancaire bezit-
      tingen gewogen naar de risico’s die zij met zich meebrengen. Banken hadden op dit
      terrein relatief veel vrijheid. Omdat de crisis de tekortkomingen hiervan liet zien,
      hebben beleidsmakers recent verdere aanpassingen gedaan aan de kapitaaleisen.
      Banken krijgen op het gebied van risicoweging stapsgewijs minder bewegings-
      ruimte. Deze laatste set wijzigingen moeten overigens nog wel worden geïmple-
      menteerd in Europa. Een andere wijze waarop kapitaaleisen zijn versterkt, is de
      introductie van een ongewogen kapitaaleis (hefboomratio). Het kapitaal van ban-
      ken moet ten minste 3% van de totale omvang van de balans zijn. Dit als achter-
      vang voor de risicogewogen kapitaalratio, maar niet ter vervanging ervan. Ook
      deze eis moet nog in Europa worden geïmplementeerd. In Nederland is de huidige
      eis 4% voor systeembanken; in de kabinetsplannen wordt deze gelijkgetrokken
      met het af te spreken eu-niveau.
      Naast kapitaalregels zijn liquiditeitsregels ook een manier om de kans op bancaire
      problemen te verkleinen. Deze regels moeten eraan bijdragen dat banken vol-
      doende liquide bezittingen en stabiele financieringsbronnen hebben, om zo de
</pre>

====================================================================== Einde pagina 212 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 213 ======================================================================

<pre>212 geld en schuld
    kans op financieringsproblemen te minimaliseren. Tot aan de crisis van 2007-2009
    werd beleid op dit gebied op nationaal niveau ontwikkeld, maar het was in verge-
    lijking met kapitaalregulering van marginaal belang. De crisis toonde aan dat dit
    een blinde vlek was. Bazel iii introduceerde dan ook liquiditeitsregels. De Liquidity
    Coverage Ratio (lcr) bepaalt dat banken genoeg liquide bezittingen moeten heb-
    ben om met kortetermijnstress om te kunnen gaan. De Net Stable Funding Ratio
    (nsfr) bepaalt dat banken adequate financieringsbronnen moeten hebben voor
    langlopende verplichtingen.
    Hoewel dit stappen in de goede richting zijn, moeten we de aard van deze verande-
    ringen toch ook weer niet overschatten. Risicoweging speelt nog steeds een domi-
    nante rol in kapitaaleisen, maar risicomodellen geven juist in een hausse aan dat
    risico’s laag zijn (Carmassi en Micossi 2012; Danielsson et al. 2012). Dit zorgt voor
    het gevaar dat juist wanneer banken eigen vermogen nodig hebben om schokken
    op te vangen zij hier niet over beschikken. De hefboomratio is in dat opzicht een
    verbetering, maar volgens velen is een minimum van 3% te laag om klappen op te
    vangen (zie bijv. Admati et al. 2010; Admati en Hellwig 2013; Wolf 2017; Benink
    2018). Ook hebben liquiditeitseisen in de praktijk nog weinig betekenis. De lcr is
    sinds de presentatie in 2010 eerst door het Bazelse Comité zelf versoepeld in 2013
    en vervolgens in een nog iets soepelere vorm geïmplementeerd in de eu. Dit alles
    uit vrees dat het banken anders te hard zou raken (Stellinga en Mügge 2017). Dit-
    zelfde geldt voor de nsfr, die overigens ook nog steeds niet is ingevoerd in de eu,
    met name omdat beleidsmakers vreesden dat deze eis het economisch herstel zou
    belemmeren.
    Probleembanken
    Tijdens de crisis bleek dat de beleidskaders voor de omgang met probleembanken
    ontoereikend waren; er waren niet of nauwelijks noodplannen, het was onduide-
    lijk welke instanties waarvoor verantwoordelijk waren (zeker bij grensoverschrij-
    dende banken) en welke bevoegdheden zij hadden (zie Commissie De Wit ii 2012;
    De Larosière 2009). Ook werden nauwelijks andere mogelijkheden gezien dan
    banken te nationaliseren, hen grote leningen te verstrekken of een groot deel van
    de aandelen te kopen, waarbij feitelijk de belastingbetalers opdraaiden voor een
    groot deel van de kosten.
    Sindsdien is veel veranderd. Allereerst zijn banken verplicht om een herstelplan op
    te stellen. Het idee hierachter is dat een bank permanent een plan moet hebben
    klaarliggen hoe zij, in geval van problemen, deze kan aanpakken. De bank moet
    hierin verschillende herstelopties beschrijven die haar in staat stelt om de proble-
    men te lijf te gaan. Het gaat bijvoorbeeld om de mogelijkheid tot herkapitaliseren,
    toegang tot noodfinanciering, of de verkoop van bezittingen of specifieke onder-
    delen van het bedrijf.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 213 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 214 ======================================================================

<pre>                                               evenwicht in het huidige systeem     213
Dit herstelplan maakt onderdeel uit van een breder beleidskader om met pro-
bleembanken om te gaan. Sinds 2015 is het Europese Single Resolution Mechanism
(srm of gemeenschappelijk afwikkelmechanisme) van kracht, een onderdeel van
de Bankenunie. Dit kader bepaalt de verschillende opties die toezichthouders heb-
ben als een bank in solvabiliteitsproblemen komt. Het bestaat uit de nationale
resolutieautoriteiten (in Nederland: dnb) en een Europees orgaan, de Single
Resolution Board (srb), die een leidende rol heeft bij banken die bij de ecb onder
toezicht staan.
Deze autoriteiten maken voor iedere bank een resolutieplan. Resolutie betekent
“het op een gecontroleerde en zorgvuldige manier afwikkelen van een bank die
dreigt om te vallen” (dnb 2018b). Zij hebben hierbij verschillende opties: ze kun-
nen (1) verliezen neerleggen bij aandeelhouders en schuldeisers (bail-in); (2) onder-
delen van de bank verkopen, zonder goedkeuring van aandeelhouders; (3) de
essentiële onderdelen van een bank overdragen aan een publieke ‘brugbank’, waar-
bij de slechte delen failliet gaan; en (4) de slechte onderdelen overdragen aan een
apart vehikel (een bad bank) en die daarna stapsgewijs liquideren. De autoriteit kan
er echter ook voor kiezen om de bank als geheel failliet te laten gaan (dnb 2018b).
Dit gemeenschappelijk afwikkelmechanisme is een belangrijke stap voorwaarts.
Tegelijkertijd is het in de praktijk nog nauwelijks getest. Van de bail-in moeten we
geen overdreven verwachtingen hebben in het geval van een omvangrijke crisis.
Het kan voor een individuele bank of een aantal kleine banken werken, maar of het
ook werkt ten tijde van een systeemcrisis is zeer de vraag.
Naast tekortkomingen op het gebied van het opvangen van de klap is ook gebleken
dat problemen een zeer lange nasleep kunnen hebben. Na de crisis is in bepaalde
eu-landen zeer terughoudend omgegaan met het erkennen van probleemlenin-
gen. Feitelijk hadden veel banken kapitaalinjecties nodig om hun financiële posi-
ties te versterken. Er zijn goede redenen om terughoudend te zijn met het afschrij-
ven van leningen: het is goed mogelijk dat de economie weer zal opbloeien en de
probleemleningen daarmee worden teruggedrongen.7 Het afschrijven van pro-
bleemleningen leidt tot verliezen voor de bank en dus een verslechtering van de
eigenvermogenspositie. Wanneer er dus geen gelijktijdig plan is voor herkapitali-
satie kan het voortijdig afschrijven van leningen de crisis verergeren.
Uitstel kan ook het karakter krijgen van ‘doormodderen’, een al te afwachtende
houding bemoeilijkt juist het herstel. Wanneer probleemleningen op de bank-
balans blijven staan, blijven banken financieel ongezond, wat de neerwaartse spi-
raal kan versterken. Om dit te voorkomen is er een plan voor herkapitalisatie
nodig. Wanneer herkapitalisatie plaatsvindt door ingehouden winsten, duurt dit
altijd langer dan herkapitalisatie door nieuwe aandelen. Bestaande aandeelhouders
zullen zich daar echter tegen verzetten. In Amerika zijn beleidsmakers in dit
</pre>

====================================================================== Einde pagina 214 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 215 ======================================================================

<pre>214 geld en schuld
    opzicht voortvarend te werk gegaan, door tijdens de crisis van banken te eisen dat
    zij zich zouden herkapitaliseren, met de overheid als achtervang, mochten ze niet
    genoeg kapitaal ophalen. Amerikaanse banken verbeterden daarmee sneller hun
    financiële positie en gaven weer sneller krediet. In Europa zijn beleidsmakers veel
    terughoudender geweest, met volgens experts als gevolg dat herstel veel langer op
    zich heeft laten wachten (cf. The Economist 2017). De bail-in-regels zorgen ervoor
    dat banken in geval van problemen geherkapitaliseerd worden. Deze regels zijn
    echter gericht op problemen van individuele banken. Op dit moment voorzien
    Europese regels niet in de mogelijkheid om tijdens een crisis een groep banken –
    ook de banken die niet in acute problemen zijn – te dwingen tot herkapitalisatie.
    Monetair beleid in een volgende crisis
    De eerste stap van centrale banken na de financiële crisis was het ondersteunen van
    vitale markten en het verlagen van de rente. In de Verenigde Staten en het Verenigd
    Koninkrijk werd er vrij direct gegrepen naar het instrument van kwantitatieve ver-
    ruiming, waar Japan al langer ervaring mee had. Bij kwantitatieve verruiming
    koopt de centrale bank staats- en bedrijfsobligaties uit de markt. Na de eurocrisis
    heeft de Europese Centrale Bank vanaf 2015, toen het gevaar op deflatie als reëel
    werd ingeschat, ook voor dit instrument gekozen. In combinatie met de lage (zelfs
    negatieve) rente werd zo gepoogd om het aangaan van leningen te stimuleren, in
    de hoop dat dit de economie aanzwengelde en de inflatie op een gewenst niveau
    kwam. Het monetaire beleid is hiermee op zeer onbekend terrein gekomen, waar-
    bij de vraag is wat de weg vooruit is en welke mogelijkheden de centrale bank nog
    heeft om een volgende crisis te bestrijden.
    Daarnaast is een cruciale vraag welke instrumenten overheden bij de volgende cri-
    sis nog hebben om de economie uit het dal te trekken. Publieke schulden van veel
    overheden zijn ook zeer hoog. Juist bij een volgende crisis zouden nog hogere
    publieke schulden wantrouwen kunnen creëren bij investeerders, wat weer tot een
    nieuwe schuldencrisis kan leiden. Welke bewegingsruimte hebben overheden dan
    nog (Reid et al. 2017; bis 2015: 22)?
    Publieke geldschepping door monetaire financiering kan een antwoord zijn op
    deze kwestie (zie bijv. Turner 2015). Bij monetaire financiering creëert de centrale
    bank nieuw geld zonder dat hier een schuldcontract tegenover staat. Er zijn ver-
    schillende manieren om dit geld in de economie te brengen. Het kan via overheids-
    uitgaven of de centrale bank kan direct geld overmaken aan burgers (‘helikopter-
    geld’). Binnen het publiekgeldsysteem is monetaire financiering de standaard-
    manier waarop nieuw geld gecreëerd wordt. De vraag is of het in het huidige
    systeem in geval van nood een optie zou kunnen zijn.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 215 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 216 ======================================================================

<pre>                                                   evenwicht in het huidige systeem      215
      Het belangrijkste bezwaar hiertegen is dat het uit de hand kan lopen, met in het
      slechtste geval hyperinflatie tot gevolg (zie het vorige hoofdstuk). Bovendien kan
      de optie van monetaire financiering ertoe leiden dat overheden minder geneigd
      zullen zijn de overheidsuitgaven te beheersen. Daarnaast is het de vraag of we bij
      een volgende crisis daadwerkelijk al naar deze noodmaatregel moeten grijpen:
      sommige overheden, waaronder Nederland en Duitsland, staan er wat betreft bud-
      gettair beleid op dit moment goed voor. Deze landen hebben de mogelijkheid voor
      een ruimhartig anticyclisch budgettair beleid in een volgende crisis.
      Hoewel monetaire financiering van overheidsuitgaven vandaag de dag niet veel
      wordt toegepast, is het in het verleden vaak genoeg ingezet, ook door westerse lan-
      den. Daarbij is de historische ervaring niet zo eenduidig als tegenstanders willen
      doen geloven; hoewel het volstrekt uit de hand kan lopen, is het ook vaak goed
      gegaan (zie Saravelos et al. 2016; Ryan-Collins 2015). Bovendien heeft het beleid
      van kwantitatieve verruiming volgens sommigen al karakteristieken van mone-
      taire financiering, zeker wanneer de ecb nagenoeg direct nieuw uitgegeven staats-
      obligaties opkoopt en het niet duidelijk is of zij deze uiteindelijk zal verkopen.
      Monetaire financiering is momenteel verboden binnen Europa in het Verdrag
      betreffende de werking van de Europese Unie (art. 123 VwEU). Over het algemeen
      wordt dan ook aangenomen dat voor monetaire financiering een aanpassing van dit
      verdrag nodig is. Saravelos et al. (2016) beargumenteren echter dat monetaire
      financiering via overheidsuitgaven dan wel verboden is binnen de eu, maar dat het
      onduidelijk is of dit ook geldt wanneer de ecb ervoor zou kiezen om nieuw
      gecreëerd geld direct naar burgers over te maken (helikoptergeld).
7.1.4 tussenconclusie
      Het belangrijkste initiatief na de crisis om schuldengroei in betere banen te leiden
      is macroprudentieel beleid. Daarnaast zijn er kleine stappen gezet op het gebied
      van het wegnemen van fiscale prikkels. Toch is de totale omvang van private schul-
      den als percentage van het bbp niet lager dan voor de crisis (zie figuur 4.3).
      Er dus geen sprake geweest van een structurele verlaging van schulden, ondanks de
      genomen beleidsmaatregelen. Het is onzeker of het macroprudentieel instrumen-
      tarium op kan tegen de krachten die schuldengroei juist stimuleren. Het gaat hier
      zowel om de (fiscale) prikkels, de structuur van de sector als de stimulans voor
      schulden die uitgaat van het monetaire (en in mindere mate microprudentiële)
      beleid.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 216 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 217 ======================================================================

<pre>216 geld en schuld
7.2 balans tussen publieke en private belangen
    De tweede grote uitdaging is een herstel van de balans tussen publieke en private
    belangen. Zoals we in hoofdstuk 4 bespraken zijn er in de financiële sector belang-
    rijke publieke belangen in het geding. De betaalinfrastructuur heeft karakteristie-
    ken van een publiek goed en kredietverlening kent significante positieve en nega-
    tieve externe effecten. Wanneer deze zaken in gevaar komen, kan dit de samen-
    leving behoorlijk ontwrichten. Het feit dat het gaat om zaken van publiek belang,
    impliceert dat overheden zich deze zaken aantrekken. Dat wil uiteraard niet zeggen
    dat de overheid de uitvoering van deze diensten helemaal zelf ter hand moet
    nemen. Bij tal van diensten van publiek belang, zoals energie, voedselvoorziening
    en de gezondheidszorg spelen (formeel) private partijen een belangrijke rol in de
    behartiging van de publieke belangen (wrr 2000; wrr 2012; wrr 2013). In de
    financiële sector geldt in het bijzonder dat het een samenspel is van publiek en pri-
    vate spelers.
    In de afgelopen decennia is deze verhouding tussen publiek en privaat echter flink
    gewijzigd. Vijftig jaar geleden was de functie van betalen en sparen in Nederland
    vooral een ‘publieke’ aangelegenheid: mensen gebruikten nog voor zeer veel beta-
    lingen contant geld en voor digitale betalingen konden zij terecht bij (de voorlo-
    pers van) de Postbank, die publiek eigendom was. Financiering was daarentegen
    weer meer een private aangelegenheid, al had ook hier de overheid een belangrijke
    rol middels publieke investeringsbanken. Sindsdien zijn commerciële banken zich
    veel meer gaan richten op huishoudens en zijn de publieke banken geprivatiseerd.
    Door de giralisering van geld is de samenleving voor betalen en sparen tegenwoor-
    dig in belangrijke mate aangewezen op private banken.
    De financiële crisis deed ons realiseren hoezeer wij als samenleving afhankelijk
    zijn geworden van financiële instellingen, in het bijzonder de grote banken. Door-
    dat hun functioneren direct effect heeft op belangrijke publieke functies, bleken in
    deze banken publieke en private belangen stevig vervlochten te zijn. Banken kun-
    nen niet als puur private instellingen worden beschouwd. Deze publieke dimensie
    kwam laatst weer naar voren in de discussie omtrent de beoogde salarisverhoging
    van de ing-topman. Banken hebben volgens minister-president Rutte niet
    dezelfde vrijheid als andere bedrijven om de beloning van de topman vast te stel-
    len, omdat het een soort “semioverheidsinstellingen” zijn (nrc 9 maart 2018).
    Sinds de crisis is op een aantal manieren gewerkt aan een beter evenwicht tussen
    publieke en private belangen. Allereerst is geprobeerd om een betere grens te trek-
    ken tussen publiek en privaat. Ten tweede is gepoogd om publieke belangen een
    betere plek te geven binnen de sector.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 217 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 218 ======================================================================

<pre>                                                   evenwicht in het huidige systeem      217
7.2.1 een betere grens tussen publiek en privaat
      Allereerst is geprobeerd om een beter evenwicht te bereiken door een betere afba-
      kening tussen publiek en privaat. Sinds de crisis is nagedacht of de meer publieke
      activiteiten van banken konden worden afgescheiden van de meer private. Ook is
      op verschillende manieren geprobeerd om de publieke garantie voor de financiële
      sector te beperken.
      Omheining van publieke activiteiten
      Na de crisis is veel aandacht geweest voor de vraag of de publieke activiteiten van
      een bank niet beter afgescheiden zouden moeten worden van de meer private of
      risicovolle activiteiten. Een veelgehoord geluid was dat grote banken door het ont-
      plooien van bepaalde risicovolle activiteiten, zoals handel in complexe financiële
      instrumenten, de ‘publieke functies’ van banken in gevaar hadden gebracht.
      Bovendien waren instellingen zo groot en complex dat overheden zich genood-
      zaakt zagen om de hele bank te redden om zo de publieke functies veilig te stellen.
      Een duidelijke scheiding van verschillende activiteiten zou er dus voor kunnen
      zorgen dat publieke activiteiten beter beschermd zijn, en dat overheden niet een
      hele bank (inclusief activiteiten die verder afstaan van de publieke functies van het
      bankwezen) behoeven te redden in geval van een crisis.
      Uiteenlopende voorstellen, al dan niet geïmplementeerd, zijn gedaan om een der-
      gelijke scheiding in te voeren (zie bijvoorbeeld Commissie De Wit 2010, 2012;
      Vickers Report 2011; Liikanen Report 2012; Commissie Wijffels 2013). Hoe een der-
      gelijke scheiding er precies uit zou moeten zien, verschilde per voorstel. Grofweg
      waren er twee opties, die eventueel gecombineerd konden worden: (1) banken die
      ook nutsfuncties vervullen verbieden om bepaalde risicovolle activiteiten te
      ondernemen en (2) banken verplichten om bepaalde activiteiten binnen de bank te
      ‘omheinen’. Bij het omheinen wordt het een bank niet verboden om bepaalde acti-
      viteiten te ontplooien, maar moet deze ervoor zorgen dat specifieke bedrijfsonder-
      delen op een zelfstandige basis opereren en dus niet vermengd worden met andere
      onderdelen.
      De Verenigde Staten kozen voor de eerste optie: de Volcker Rule (in 2012 aangeno-
      men en stapsgewijs ingevoerd) bepaalt dat banken die betaal- en spaartegoeden
      aanbieden bepaalde activiteiten niet mogen ondernemen, zoals voor eigen reke-
      ning (en niet in opdracht van klanten) handelen in risicovolle financiële producten.
      In het Verenigd Koninkrijk moeten banken vanaf 2019 hun binnenlandse retail-
      activiteiten ‘omheinen’ zodat ze op eigenstandige basis kunnen opereren; andere
      activiteiten dienen daarbuiten te vallen (Vickers Rule). In de eu heeft de Europese
      Commissie een plan gepresenteerd om juist bepaalde handelsactiviteiten apart te
      zetten, op advies van de Commissie Liikanen (2012), in combinatie met een variatie
      op de Amerikaanse Volcker Rule. Dit plan is echter door de Europese Commissie
      (2017) teruggetrokken.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 218 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 219 ======================================================================

<pre>218 geld en schuld
    Ook in Nederland zijn geen scheidingsmaatregelen doorgevoerd. Er zijn wel maat-
    schappelijke en politieke debatten over gevoerd. De Commissie De Wit (2010:
    18-19) bepleitte het afschermen van de ‘nutsbankactiviteiten’ (betalen, sparen en
    lenen) van de meer speculatieve activiteiten, door middel van een omheining. Het
    kabinet vond een dergelijke scheiding echter niet alleen moeilijk te realiseren, maar
    stelde dat het ook negatieve gevolgen zou hebben voor de Nederlandse economie
    (Ministerie van Financiën 2010: §2.12). Omdat de maatschappelijke discussie hier-
    over bleef aanhouden, besloot het kabinet om een aparte commissie in te stellen
    om te onderzoeken of structuurmaatregelen nodig zijn. Die commissie (onder lei-
    ding van Herman Wijffels) stelde voor het Liikanen-voorstel te volgen wat betreft
    het ‘omheinen’ van handelsactiviteiten en indien nodig ook banken te verbieden
    om te handelen voor eigen rekening (Commissie-Structuur Nederlandse Banken
    2013: 24-25). Het kabinet besloot echter om Europese regelgeving af te wachten
    (Ministerie van Financiën 2014). Die Europese regelgeving kwam er zoals gezegd
    niet.
    Publieke garantie verkleinen
    Zoals beschreven in hoofdstuk 4 leidde het besef tijdens de crisis dat de overheid
    impliciet garant staat voor de grote banken tot veel verontwaardiging. De omvang
    van de publieke garantie was een schok voor veel mensen. Na de crisis is gepro-
    beerd iets te doen aan deze garanties. Zoals in paragraaf 7.1 al is aangegeven, hebben
    Europese beleidsmakers werk gemaakt van het optuigen van een beleidskader om
    een beter antwoord te hebben op falende banken. Met het herstel- en resolutie-
    raamwerk en een nieuw opgerichte Europese autoriteit hopen beleidsmakers effec-
    tiever te kunnen optreden als een bank in problemen komt. Daarnaast hebben
    beleidsmakers geprobeerd de publieke garantie te verkleinen door professionele
    investeerders van banken meer risico te laten lopen en door banken vooraf een bij-
    drage te laten leveren aan het depositogarantiestelsel.
    De belangrijkste manier om professionele investeerders meer te laten bijdragen in
    geval van crisis is via de bail-in. In het geval dat een bank in de problemen komt,
    moeten in eerste instantie de aandeelhouders, obligatiehouders en andere schuld-
    eisers (voor zover zij niet onder het depositogarantiestelsel vallen) voor de kosten
    opdraaien. De hoop is dat dit alles zowel de publieke kosten van het redden van
    probleembanken vermindert, als dat het leidt tot minder risicovol gedrag bij de
    banken.
    Hoewel deze maatregel goed te begrijpen is, moeten we er geen overdreven hoge
    verwachtingen van hebben. Vooral in het geval van een systeemcrisis, of wanneer
    een systeembank in de problemen komt, kan een bail-in namelijk paniek verster-
    ken. Dit kan averechts werken en de crisis verder verergeren (Turner 2015: 173).
    Vooral in zo’n geval zal het toch nodig blijken dat de overheid paraat staat om in te
    grijpen en garanties te bieden.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 219 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 220 ======================================================================

<pre>                                                   evenwicht in het huidige systeem       219
      Ook op het gebied van het depositogarantiestelsel zijn wijzigingen doorgevoerd.
      Hoewel het depositogarantiestelsel in eerste instantie een vangnet tussen banken
      onderling is, wordt het publiek afgedwongen en zal de overheid in geval van nood
      ook moeten bijspringen. Tijdens de crisis hebben Europese landen het gegaran-
      deerde bedrag verhoogd naar €100.000. Tegelijkertijd is de financiering veranderd.
      Voorheen moesten banken bijdragen op het moment dat er een bank omviel. In
      2015 is een fonds gekomen dat vooraf moet worden gevuld door de banken. In 2024
      moet dit fonds een grootte hebben van 0,8 procent van alle gegarandeerde tegoe-
      den (dnb 2015a). De verplichte bijdrage van de bank hangt voor een deel af van het
      risicoprofiel van deze bank. De omvang van dit fonds is niet voldoende om de
      gegarandeerde tegoeden direct terug te betalen bij het omvallen van een van de
      grote Nederlandse banken. In dat geval zal de Nederlandse overheid voorfinancie-
      ren. Tegelijkertijd is de vraag hoe relevant het depositogarantiestelsel überhaupt is
      voor de grote banken. Als een systeembank dreigt om te vallen wordt niet het
      depositogarantiestelsel in werking gesteld, maar wordt naar een oplossing voor de
      hele bank gezocht.
7.2.2 een betere vertegenwoordiging van publiek in privaat
      Scheiding tussen publiek en privaat is één manier om na te denken over een beter
      evenwicht tussen publieke en private belangen. Een andere manier is om te zorgen
      voor een betere vertegenwoordiging van de publieke dimensie in de sector.
      Versterken bewustzijn van publieke taak
      Na de crisis zijn ook stappen ondernomen om binnen banken zelf tot een betere
      balans tussen publieke en private belangen te komen. Middels een bankierseed, een
      maatschappelijk statuut voor banken en beloningsregels is geprobeerd binnen de
      sector het bewustzijn van het publieke karakter van banken te versterken.
      Financieel medewerkers in de sector dienen een eed of belofte af te leggen. Deze
      was eerst opgenomen in de Code Banken (nvb 2009), een code die banken op basis
      van het ‘pas-toe-of-leg-uitprincipe’ implementeerden na de crisis. Deze code is
      een aantal jaren later verankerd in de Wet Financieel Toezicht en is daarbij uitge-
      breid naar de gehele financiële sector (al wordt wel nog steeds gesproken over de
      ‘bankierseed’). De eed moet worden afgelegd door alle bestuurders, commissaris-
      sen, medewerkers met klantcontact en medewerkers die veel invloed kunnen uit-
      oefenen op het functioneren van de instelling. Met de eed belooft de betreffende
      persoon om integer te handelen, de belangen van verschillende belanghebbenden
      mee te wegen bij besluiten en daarbij het klantbelang centraal te stellen. Aan de eed
      zijn ook tuchtrechtelijke consequenties verbonden.
      De Code Banken maakt deel uit van een breder pakket van zaken waarmee de
      bankensector wil werken aan haar maatschappelijke rol. Zij hebben ook gedrags-
      regels verbonden aan de bankierseed en een maatschappelijk statuut opgesteld.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 220 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 221 ======================================================================

<pre>220        geld en schuld
           Met het statuut stelt de bankensector zichzelf ten doel om dienstbaar, stabiel en
           betrouwbaar te zijn en steeds een zorgvuldige afweging te maken tussen alle
           belanghebbenden van de bank. Ook op het niveau van individuele banken is er
           gewerkt aan een betere vertegenwoordiging van verschillende belangen (zie box
           7.5).
Box 7.5           Evenwicht tussen verschillende belanghebbenden
   De Volksbank (voormalige sns Bank) heeft bijvoorbeeld de interne afspraak dat bij besluiten
   niet alleen gekeken wordt naar het belang van de aandeelhouder, maar ook naar het belang van de
   klant, de maatschappij en de werknemer. In de balans tussen deze belangen wordt naar een
   oplossing gezocht. Dit heeft er bijvoorbeeld toe geleid dat de Volksbank minder snel dan voor-
   heen deurwaarders en incassobureaus inschakelt bij wanbetaling. In eerste instantie wordt de
   klant door De Volksbank zelf benaderd: pas wanneer deze wel kan, maar niet wil betalen wordt
   er een deurwaarder ingeschakeld (De Volksbank 2017).
           In aanvulling op deze stappen zijn ook beloningsregels geïntroduceerd, om zo
           excessieve vergoedingen en perverse prikkels tegen te gaan. Velen vonden het zeer
           onrechtvaardig dat de enorme bonussen die bankiers in goede tijden hadden opge-
           streken niet konden worden teruggevorderd toen het misging en overheden
           enorme kosten moesten maken om banken te redden. Daarnaast stelden critici dat
           de bonussen verkeerd gedrag beloonden, namelijk het verkiezen van kortetermijn-
           winsten boven langetermijnstabiliteit (bijv. Commissie De Wit 2010). De bonus-
           regels die in Europa zijn geïntroduceerd regelen dat een bankbestuurder of mede-
           werker met veel invloed niet meer dan 100% van diens jaarsalaris mag krijgen
           uitbetaald in bonussen. Ook kan geld worden teruggevorderd (claw back-regels)
           als blijkt dat de bonussen ten onrechte zijn uitgekeerd. Nederland hanteert stren-
           gere regels; de regeling geldt voor alle financieel medewerkers en de omvang van de
           bonus is vastgesteld op maximaal 20% van het jaarsalaris.
           Op dit gebied zijn dus duidelijk stappen gezet. Cultuurveranderingen vinden
           evenwel niet van de ene op de andere dag plaats, deze maatregelen zullen zich dus
           over langere tijd moeten bewijzen. Een belangrijke vraag daarbij is of deze maat-
           regelen genoeg tegenwicht kunnen bieden aan krachten binnen banken die juist
           leiden tot een puur commerciële gerichtheid (zie bijv. Luyendijk 2015 die ingaat op
           de situatie in het Verenigd Koninkrijk). De vraag is daarmee gerechtvaardigd of dit
           ook een andere organisatiestructuur bij banken vergt.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 221 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 222 ======================================================================

<pre>                                                      evenwicht in het huidige systeem        221
         Positie van de burger
         Een andere manier waarop geprobeerd is banken meer publiek te verankeren, is via
         het creëren van meer tegenwicht. De crisis liet ook zien dat banken al tijdenlang
         betrekkelijk weinig tegenspel ondervonden bij hun handelen. Wat betreft hun
         bedrijfsvoering werd als belangrijk probleem gezien dat banken een enorme infor-
         matie- en kennisvoorsprong hadden ten opzichte van klanten, aandeelhouders en
         financiers.
         Met name de positie van consumenten was zwak (Adviescommissie Toekomst
         Banken 2009): het pre-crisisbeleid had dan wel geregeld dat financiële instellingen
         genoeg en feitelijk juiste informatie moesten bieden, maar vaak verzandde dit in
         een informatieoverschot, waardoor de klant door de bomen het bos niet meer kon
         zien (’t Hart en Du Perron 2006). Ook bleek dat informatie alleen niet genoeg was;
         gedragswetenschappelijk onderzoek toonde aan dat klanten niet altijd handelen in
         overeenstemming met het veronderstelde rationele keuzemodel, waardoor zij
         soms te grote risico’s nemen (Tiemeijer et al. 2009; wrr 2014).
         Sindsdien zijn er beleidshervormingen geweest om de positie van de consument te
         versterken. Zo hebben banken sinds 2014 een wettelijke zorgplicht naar de klant
         toe.8 Ook is de afm bevoegd om erop toe te zien of het klantbelang voldoende
         wordt meegenomen bij de ontwikkeling van nieuwe financiële producten, om zo
         de consument beter te beschermen tegen risicovolle producten. Bovendien is de
         consumentenpositie versterkt door de totstandkoming van een klachtenloket.
         Naast deze ontwikkelingen heeft de overheid ook meer werk gemaakt van ver-
         plichte financiële voorlichting. Het in 2013 opgerichte ‘Platform wijzer in geld-
         zaken’ wil verantwoord financieel gedrag in Nederland stimuleren door middel
         van betere voorlichting. Voor ondernemers is recent een vergelijkbaar initiatief
         ondernomen met de ‘Nationale financieringswijzer’ (wrr 2016: 199-200).
         Toch zijn er ook nog zaken die de positie van de klant verzwakken. Zo zijn er geen
         standaardproducten ontwikkeld die klanten meer houvast zouden bieden bij het
         kiezen van welk product bij hen past. Ook is het voor rekeninghouders nog steeds
         ingewikkeld om van bank te wisselen, waarmee de exitoptie wordt belemmerd
         (zie box 7.6).
Box 7.6         Nummerportabiliteit voor rekeninghouders
  In heel Europa wordt gebruik gemaakt van een bepaalde rekeningnummersystematiek, het Inter-
  national Bank Account Number (iban), om zo internationale overboekingen te vereenvoudigen.
  Het nadeel van deze iban-systematiek is dat rekeningnummers daarmee direct gekoppeld zijn
</pre>

====================================================================== Einde pagina 222 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 223 ======================================================================

<pre>222        geld en schuld
   aan banken. Nummerportabiliteit is dus niet mogelijk. Wanneer rekeninghouders van bank wil-
   len wisselen krijgen zij ook een nieuw rekeningnummer, wat ondanks overstapregelingen een
   drempel vormt.
   Sinds jaar en dag wordt daarom gediscussieerd, ook binnen de Tweede Kamer, over manieren
   om binnen de iban-systematiek toch een vorm van nummerportabiliteit te organiseren. dnb
   heeft dit onderzocht, maar vooralsnog is de conclusie dat dit moeilijk is. De reden is dat het
   vraagt om zeer veel technische aanpassingen op nationaal en Europees niveau: “Het lijkt tech-
   nisch mogelijk om in de huidige infrastructuur overstappen met behoud van het nl iban te rea-
   liseren. Gelet op de verwachte complexiteit van de technische, operationele en procesmatige
   invoering en gevolgen voor banken en processors, ook buiten Nederland, is dit echter niet aan te
   raden” (dnb 2016c: 29). Toch heeft dit de discussie niet verstomd. In een Kamerdebat op 4 april
   2018, naar aanleiding van de verhoging van de beloning van de bestuursvoorzitter van ing, werd
   een motie aangenomen om nummerportabiliteit te verankeren in de Bankwet. Minister Hoek-
   stra deed de toezegging om verdere opties te onderzoeken (Handelingen ii, 2017/18, 69, item 10,
   p. 37).
   Een mogelijkheid zou kunnen zijn om zogenoemde aliassen in het betalingsverkeer te gebrui-
   ken. Het Maatschappelijk Overleg Betalingsverkeer (mob) heeft hier recent het volgende over
   gezegd: “Om het overstappen echt te kunnen bevorderen is een nieuw type alias nodig: een
   gestandaardiseerd, zelfcontrolerend nummer, dat bij voorkeur toebehoort aan consumenten en
   bedrijven en dat in heel het eurogebied [...] gebruikt kan worden. Gelet op de noodzaak om dit in
   Europees verband op te lossen, gaat het mob deze bevindingen delen met de Europese Commis-
   sie als input voor de kosten-batenanalyse van Europese nummerportabiliteit die deze in 2019
   gaat opzetten” (dnb 2018f).
           Een betere exitoptie kan de positie van de burger ten opzichte van de bank verster-
           ken, maar betekent nog niet dat er ook echt een dialoog plaatsvindt tussen klant en
           bank. Daarvoor zou de klant op andere manieren betrokken moeten worden. Een
           interessante parellel is de discussie over de positie van de burger in het zorgstelsel
           (zie box 7.7).
Box 7.7           Positie van de burger in het zorgstelsel
   Het zorgstelsel is net als het monetair-financieel stelsel een stelsel met een gemengd publiek-
   privaat karakter. In het huidige zorgstelsel is de positie van de burger op een aantal manieren
   gewaarborgd, zowel ten opzichte van zorginstellingen als ten opzichte van zorgverzekeraars.
   Voor een aantal zorginstellingen geldt dat zij verplicht zijn een cliëntenraad in te stellen. Zorg-
   verzekeraars zijn verplicht om in hun statuten waarborgen te bieden voor een redelijke mate van
   invloed van verzekerden op het beleid van de zorgverzekeraar (art. 28 lid 1 sub b Zvw).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 223 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 224 ======================================================================

<pre>                                                           evenwicht in het huidige systeem          223
  Deze invloed werd niet genoeg geacht. Er zijn in 2014 twee moties aangenomen in de Tweede
  Kamer die vragen om meer invloed van verzekerden op zorgverzekeraars (Kamerstukken ii,
  2013-2014, 33 362, nr. 35; Kamerstukken I, 2013/14, 33362, nr. N). De Raad voor de Volksgezond-
  heid en Zorg (2014) adviseerde in het rapport ‘De stem van verzekerden’ om de invloed van ver-
  zekerden op het beleid te vergroten, om de legitimiteit van zorgverzekeraars te versterken. In het
  regeerakkoord uit 2017 stond “De inspraak van verzekerden, patiënten en cliënten op het beleid
  van hun zorgverzekeraar respectievelijk zorgaanbieder wordt wettelijk vastgelegd.”
  Nu liggen er twee wetsvoorstellen voor die hier werk van maken. De nieuwe Wet medezeggen-
  schap cliënten zorginstellingen (Wmcz 2018) stelt het instellen van een cliëntenraad voor alle
  zorginstellingen met meer dan tien zorgverleners verplicht, waar deze verplichting eerder alleen
  gold voor collectief gefinancierde zorginstellingen. En waar de oude wet een verzwaard advies-
  recht had voor besluiten die van extra groot belang zijn voor cliënten, kent de nieuwe wet ten
  aanzien van deze besluiten een instemmingsrecht (Kamerstukken ii, 2017-2018, 34858, nr. 3).
  Ook voor zorgverzekeraars ligt een wetsvoorstel voor dat de positie van verzekerden bij deze
  instellingen moet versterken (Wet verzekerdeninvloed Zvw). De regering acht het van belang
  dat de meningen en wensen van verzekerden meer centraal komen te staan in het beleid van de
  zorgverzekeraar (Kamerstukken ii, 2017-2018, 34971, nr. 3). Daarvoor worden minimumeisen
  geformuleerd waaraan deze invloed moet voldoen. Dit enerzijds door de mogelijkheid van
  inspraak voor individuele verzekerden te verplichten. Anderzijds door het borgen van een per-
  manente, adviserende verzekerdenvertegenwoordiging. Deze vertegenwoordiging kan de vorm
  aannemen van een ledenraad, maar het kan ook op een andere manier door de verzekeraar
  ingevuld worden.
         Mensen hebben uiteraard niet alleen als klant maar ook als burger met de financiële
         sector te maken. De stem van de burger wordt in de eerste plaats vertolkt door het
         parlement. Sinds de crisis kan financiële regulering op veel meer aandacht rekenen.
         Volksvertegenwoordigers houden zich veel meer bezig met financiële wet- en
         regelgeving. Dat vergt uiteraard ook dat publieke organisaties zelf meer op de
         hoogte zijn van wat er speelt in de samenleving. In het Verenigd Koninkrijk is hier
         op een interessante manier invulling aan gegeven (zie box 7.8). Ten slotte is er meer
         aandacht gekomen voor het belang van ‘waakhonden’. Zo is sinds de crisis bijvoor-
         beeld Finance Watch opgezet, een ngo die opereert als ‘tegenlobby’.
Box 7.8        Burgers betrekken bij beleid
  Volgens Andrew Haldane, hoofdeconoom van de Bank of England (BoE), hebben centrale ban-
  ken een twin deficit problem: er is bij burgers een gebrek aan begrip van economie en er is een
  tekort aan publiek vertrouwen. In maart 2018 kondigde de BoE daarom aan om regionale citizen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 224 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 225 ======================================================================

<pre>224       geld en schuld
   panels te starten om dit aan te pakken. Het doel is volgens Haldane om een gestructureerde en
   systematische dialoog te starten tussen de BoE en een panel van burgers over de economie, het
   financiële stelsel en monetair beleid. Het doel daarvan is niet alleen om burgers beter te informe-
   ren, maar ook van hen te leren. Hij spreekt van een “two-way dialogue”, omdat wetenschappe-
   lijk bewijs ook aantoont dat er voordelen zijn aan het combineren van deskundige en niet-
   deskundige bronnen (Haldane 2018: 3). Deze stap om burgers actief te informeren en te raadple-
   gen is onderdeel van een bredere aanpak om burgers meer te betrekken bij het beleid van de Bank
   of England. Ook een gelaagde communicatiestrategie, met als doel om in niet-economisch jargon
   met alle doelgroepen te kunnen communiceren, een landelijk educatieprogramma en regionale
   tournees vallen hieronder.
7.2.3     tussenconclusie
          In Nederland is er uiteindelijk niet voor gekozen om een scheiding in de activitei-
          ten van banken door te voeren. Ook op Europees niveau is een dergelijke maatregel
          niet doorgevoerd, al heeft een aantal individuele landen (waaronder het Verenigd
          Koninkrijk) wel stappen gezet op dit gebied. Overheden hebben werk gemaakt van
          het voorbereid zijn op een crisissituatie van banken. Bail-in-maatregelen die
          beogen de kosten van redding bij bepaalde financiers van de bank te leggen vormen
          hier een belangrijk onderdeel van. Het is echter onduidelijk hoe deze maatregelen
          zullen werken tijdens een grote crisis.
          Het feit dat nutsfuncties binnen universele banken belegd zijn, impliceert dat zij
          daarmee feitelijk semipublieke instellingen zijn. Banken hebben zich dit sinds de
          crisis gerealiseerd, wat blijkt uit initiatieven als de Code Banken en de bankierseed.
          Het is onzeker of dergelijke initiatieven binnen het krachtenveld van de sector tot
          een daadwerkelijke verandering zullen leiden. Dat roept de vraag op of dit krach-
          tenveld en de organisatie van banken niet meer aandacht behoeven. In het denken
          over een betere balans tussen publieke en private belangen, moet ook het perspec-
          tief van meer diversiteit en concurrentie niet uit het oog worden verloren.
7.3       conclusie
          Om te komen tot een dienstbaarder, stabieler, rechtvaardiger en legitiemer mone-
          tair-financieel stelsel zijn er twee belangrijke uitdagingen: een evenwichtigere
          groei van geld en schuld en een betere balans tussen publieke en private belangen.
          In dit hoofdstuk hebben we gekeken in hoeverre er binnen het huidige systeem
          stappen op dit gebied zijn gezet en wat verdere mogelijkheden zijn, mede geïnspi-
          reerd door de plannen voor een publiekgeldsysteem.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 225 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 226 ======================================================================

<pre>                                           evenwicht in het huidige systeem       225
Op het gebied van een evenwichtige groei van geld en schuld geldt dat er wel maat-
regelen zijn genomen, maar dat deze tot nu toe niet sterk genoeg zijn geweest om
de schuldenberg te verkleinen. Dit betekent dat er ook oog nodig is voor de prik-
kels, samenhang met andere beleidsterreinen en de structuur van de sector.
Op het gebied van meer evenwicht tussen publieke en private belangen is allereerst
gekeken naar mogelijkheden om de publieke functie te scheiden van private func-
ties. De pogingen om te komen tot een heldere grens zijn om diverse redenen
gestrand. Omdat de nutsfuncties binnen grote universele banken zitten, betekent
dit feitelijk dat deze banken semipublieke instellingen zijn geworden. Het is
daarom extra van belang om te kijken naar hoe publieke belangen binnen deze
instellingen worden geborgd. Hiervoor kan ook worden gekeken naar de organisa-
tiestructuur van de bank.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 226 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 227 ======================================================================

<pre>226 geld en schuld
noten
1   In een zestal landen uit de Europese Economische Ruimte wordt momenteel een anticycli-
    sche kapitaalbuffer ingezet. Per 1 augustus 2018 geldt een anticyclische kapitaalbuffer in:
    Noorwegen (2%), Zweden (2%), IJsland (1,25%), Tsjechië (1%), Slowakije (0,5%), Verenigd
    Koninkrijk (0,5%) (esrb 2018).
2   De praktijk om consumptief krediet te gebruiken om als eigen vermogen in te brengen om zo
    te voldoen aan de ltv-ratio laat zien hoe lastig het is om met ratio's de schuldenberg te
    beteugelen (Bijlsma 2012).
3   In bijlage iii vergelijken wij de effecten van de invoering van een renteplafond met de invoe-
    ring van een aftrek voor eigen vermogen.
4   Overigens zorgt de huidige praktijk om een nulweging te geven aan staatsobligaties op bank-
    balansen voor andere risico’s. Dit leidt ertoe dat landen waar het risico hoger is zich goedko-
    per kunnen financieren dan marktconform het geval zou zijn.
5   Brief van de minister van Financiën tk 32 013 Nr. 142.
6   Brief van de minister van Financiën tk 32 013 Nr. 131.
7   Bovendien kan het in de boeken afschrijven van een probleemlening de positie van de bank
    verslechteren bij een faillissement van de schuldenaar.
8   Deze zorgplicht bestond overigens al langer in de jurisprudentie (De Vré 2014).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 227 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 228 ======================================================================

<pre>                                                                                       227
8 conclusies en aanbevelingen
  Met de voorstelling ‘Door de bank genomen’ trok het theatergezelschap De Verlei-
  ders volle zalen. Stichting Ons Geld startte een burgerinitiatief om de mogelijk-
  heid om geld te scheppen exclusief in handen van de overheid te leggen. Het initia-
  tief werd door meer dan 120.000 mensen ondertekend en werd in de Tweede
  Kamer besproken. Een breed gesteunde motie verzocht de regering om de wrr te
  vragen onderzoek te doen naar het geldstelsel en de voor- en nadelen van alterna-
  tieve systemen van geldschepping.
  Nederland is niet het enige land waar een dergelijke discussie speelt. Onder andere
  Martin Wolf (2014), columnist van de Financial Times, heeft voor een soortgelijke
  hervorming gepleit. Economen van het imf en de Britse centrale bank doen er
  onderzoek naar en het IJslandse parlement heeft er een voorstel voor geschreven.
  In Zwitserland is er in juni 2018 een referendum gehouden over een vergelijkbaar
  voorstel, waarbij 24 procent van de uitgebrachte stemmen zich voor de invoering
  van een ‘Vollgeld-systeem’ uitsprak. Het is ook niet voor het eerst dat een dergelijk
  plan op tafel ligt. De recente voorstellen zijn een variatie op het Chicagoplan dat in
  de jaren dertig van de vorige eeuw in de Verenigde Staten door vooraanstaande
  economen werd ontwikkeld en uitgedragen, waaronder Irving Fisher. Het is later
  ook bepleit door prominente economen als Milton Friedman en James Tobin. Het
  plan zou kunnen worden gezien als een variant op het verbieden van de uitgifte
  van eigen bankbiljetten door commerciële banken – zoals dat in de vs, het vk en
  Zwitserland in de negentiende eeuw gebeurde – maar nu dan in de vorm van het
  verbieden van girale geldcreatie.
  Het burgerinitiatief vestigt de aandacht op twee cruciale onderwerpen: geld en
  schuld. Door het woord ‘geldschepping’ zou de indruk kunnen ontstaan dat het de
  initiatiefnemers enkel gaat om het anders inrichten van het monetaire beleid en
  het betalingsverkeer. Dat is echter een te smalle interpretatie. Ten eerste is geld in
  het huidige systeem onlosmakelijk verbonden met schuld. Het creëren van giraal
  geld gaat hand in hand met schuldcreatie. Ten tweede is geld in het huidige sys-
  teem onlosmakelijk verbonden met banken. Het overgrote deel van ons geld
  bestaat uit door banken gecreëerd giraal geld, wat een schuld van een bank aan de
  rekeninghouder is. Dit betekent dat geld niet los kan worden gezien van schuld en
  van de rol van banken. Een andere organisatie van geldschepping zou dan ook
  neerkomen op een fundamentele herordening van het gehele monetair-financieel
  systeem, inclusief de kredietverstrekking. De pleitbezorgers zien het alternatief
  dan ook niet alleen als een oplossing om geld veilig te kunnen stallen, maar als ant-
  woord op een breed scala aan problemen: van financiële crises, hoge private en
  publieke schulden, huizenbubbels en inflatie tot een verlies van soevereiniteit en
  democratische tekorten.1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 228 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 229 ======================================================================

<pre>228 geld en schuld
    Het functioneren van het monetair-financieel stelsel heeft inderdaad een brede
    invloed op de economie en de samenleving. Begrip van het geldstelsel en de finan-
    ciële sector is dan ook essentieel en het burgerinitiatief heeft een belangrijke bij-
    drage geleverd aan de discussie daarover. Met het rapport ‘Samenleving en finan-
    ciële sector in evenwicht’ uit 2016 heeft de wrr aanbevelingen geformuleerd om te
    komen tot een meer harmonische en productieve wisselwerking tussen financiële
    sector en samenleving. Het vertrekpunt in dat rapport was de relatie tussen
    samenleving en financiële sector. In het voorliggende rapport hebben we de fines-
    ses van het geldstelsel besproken. We hebben dit gedaan vanuit de doelen voor een
    monetair-financieel stelsel, namelijk dienstbaarheid, stabiliteit, rechtvaardigheid
    en legitimiteit. Vanuit beide perspectieven vallen dezelfde twee kernproblemen
    op: de onevenwichtige groei van schuld en de onbalans tussen publieke en private
    belangen. Dit rapport komt met complementaire aanbevelingen en aanbevelingen
    die deels teruggrijpen op het eerdere rapport.
    In dit slothoofdstuk bespreken we de belangrijkste bevindingen uit ons rapport.
    We beschrijven eerst nog eens beknopt hoe het huidige systeem werkt en wat de
    problemen zijn. Vervolgens bespreken we hoe het alternatief van publiek geld zou
    werken en of een overstap daarnaartoe wenselijk is. Tot slot komt de vraag aan de
    orde welke stappen er gezet kunnen worden om de belangrijke problemen die het
    huidige systeem kent het hoofd te bieden.
8.1 hoe werkt geldschepping?
    Geld is het algemeen geaccepteerde middel om betalingen mee te doen en schul-
    den mee af te lossen. De verschijningsvorm van dit middel verschilt per land en
    door de tijd heen. Vandaag de dag zijn er twee algemeen erkende vormen: (1) mun-
    ten en biljetten (contanten) uitgegeven door publieke instanties en (2) girale tegoe-
    den (betaalrekeningen) bij banken. De girale tegoeden zijn feitelijk een schuld van
    de bank aan de rekeninghouder. De huidige geldhoeveelheid bestaat voor 93 pro-
    cent uit giraal geld.2
    Nieuw giraal geld wordt door commerciële banken gecreëerd bij het verstrekken
    van leningen. Wanneer iemand €1.000 leent van de bank, wordt er €1.000 op zijn
    of haar bankrekening bijgeschreven.3 Op dat moment is nieuw geld gecreëerd. Dat
    is dan een schuld van de bank aan deze persoon. Tegelijkertijd heeft hij of zij vanaf
    dit moment een schuld aan de bank van €1.000. Omgekeerd wordt er geld vernie-
    tigd wanneer de lening wordt afgelost.
    Banken zijn dus niet enkel intermediairs tussen spaargeld en leningen, maar
    belangrijke spelers in het proces van geld- en schuldcreatie. Dit betekent niet dat
    banken onbeperkt geld kunnen scheppen; verschillende factoren beïnvloeden dit
    proces. De belangrijkste drijvende kracht achter geldschepping is kredietverlening,
</pre>

====================================================================== Einde pagina 229 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 230 ======================================================================

<pre>                                                     conclusies en aanbevelingen       229
    dus ten eerste is de vraag naar leningen van groot belang. Ten tweede brengt het
    verstrekken van leningen balansrisico’s voor de bank met zich mee die een rem
    vormen op geldschepping. Die rem wordt potentieel verder versterkt door regule-
    ring, bijvoorbeeld door kapitaaleisen. Ten derde speelt monetair beleid een belang-
    rijke rol, met name de beleidsrentes van de centrale bank. Deze factoren beïnvloe-
    den geldschepping maar stellen er geen absolute grenzen aan.
    De huidige vormgeving van geldschepping kan dus niet los worden gezien van het
    toenemende belang van giraal geld, waardoor banken een zeer prominente rol heb-
    ben gekregen in het geldstelsel. Overigens is het goed om voor ogen te houden dat
    dit systeem niet als zodanig ontworpen is, maar in de loop der tijd is ontstaan door
    een samenspel van maatschappelijke, technologische, politieke en economische
    ontwikkelingen. Dit betekent zowel dat het huidige systeem niet als vaststaand
    gegeven moet worden genomen, als dat het onmogelijk is om een monetair-finan-
    cieel systeem op de tekentafel te ontwerpen en precies zo in de praktijk te brengen.
8.2 een dienstbaar, stabiel, rechtvaardig en legitiem
    monetair-financieel systeem
    Een monetair-financieel systeem dient dienstbaar, stabiel, rechtvaardig en legitiem
    te zijn. Pleitbezorgers van een alternatief systeem van geldschepping vragen
    terecht aandacht voor een aantal belangrijke tekortkomingen op deze gebieden, die
    met name door de crisis weer scherp op het netvlies staan. We zeggen daarmee
    niet dat deze problemen uiteindelijk volledig terug te voeren zijn op het huidige
    systeem van geldschepping. Maar zij raken wel aan de vormgeving van betalen,
    financieren en sparen en hangen samen met de rol die banken daarbij spelen.
    dienstbaarheid
    De financiële sector is belangrijk voor de economische ontwikkeling van een land.
    In een dienstbare sector zijn het betalingsverkeer en de financiering goed georgani-
    seerd. Het betalingsverkeer functioneert over het algemeen genomen soepel. De
    belangrijkste zorg is dat door de infrastructurele rol van banken het betalings-
    verkeer tijdens crises ernstig ontwricht kan raken, zoals dreigde te gebeuren bij de
    crisis in 2008. De beschikbaarheid van voldoende passende financiering maakt
    economische groei mogelijk. Kredietverlening is daarvoor een belangrijke voor-
    waarde, maar er kan ook te veel krediet zijn, waardoor een toename van de krediet-
    verlening de economische ontwikkeling juist schaadt. De hoogte van publieke en
    private schulden in veel Europese landen is historisch ongeëvenaard. Ook is het
    volatiele karakter van kredietverlening een probleem: hoge groei in goede perio-
    des, en scherpe contractie in de neergang. Dit procyclische karakter is schadelijk
    voor een evenwichtige economische ontwikkeling. Naast de kredietomvang zijn er
    ook problemen op het gebied van kredietallocatie. Vooral hypotheekleningen en
    leningen tussen financiële instellingen zijn sterk toegenomen, waardoor het de
</pre>

====================================================================== Einde pagina 230 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 231 ======================================================================

<pre>230 geld en schuld
    vraag is of de huidige aard en omvang van de kredietverlening optimaal bijdraagt
    aan de reële economie. Het afbouwen van de schuldenberg is wenselijk, maar niet
    eenvoudig en kan alleen in kleine stappen gebeuren om geen grote macro-econo-
    mische schokken teweeg te brengen.
    stabiliteit
    Ten tweede is de stabiliteit van het financiële stelsel van belang. Een grote crisis in
    de financiële sector heeft niet alleen brede economische gevolgen, maar ook gevol-
    gen voor de samenleving als geheel, bijvoorbeeld op het gebied van vertrouwen.
    Hoewel de stabiliteit van individuele instellingen niet over het hoofd moet worden
    gezien, gaat het uiteindelijk om de stabiliteit van het systeem als geheel. Na een
    naoorlogse periode van stabiliteit van het financiële systeem, mede afgedwongen
    door stevige regels, hebben we sinds de jaren tachtig wereldwijd te maken met een
    terugkeer van periodieke financiële crises. Belangrijke factoren hierbij zijn de hoge
    omvang van schulden en de deregulering. Sinds de financiële crisis is er in de
    wetenschappelijke literatuur veel meer aandacht gekomen voor de historische rela-
    tie tussen kredietgroei en crises. Niet alleen worden crises voorafgegaan door een
    hoge opbouw van met name private schulden, maar het duurt bij hoge schulden
    ook langer voordat de economie na de crisis is hersteld. Naast de overmatige
    kredietopbouw, spelen de uniformiteit, schaal, (internationale) verwevenheid en
    grotere kwetsbaarheid van financiële instellingen een belangrijke rol bij de instabi-
    liteit van het systeem als geheel.
    rechtvaardigheid
    Rechtvaardigheid is van belang voor acceptatie en steun voor het monetair-finan-
    cieel systeem. De onvrede na de crisis kwam mede door het gevoel dat de winsten
    voor de banken zijn, terwijl de kosten van de crisis publiek gedragen worden. Hoe-
    wel het niet zo zwart-wit is, ontvingen banken een disproportioneel aandeel van
    de baten van de hausse, terwijl de publieke en brede economische kosten van de
    crisis hoog waren. Ook buiten de crisis profiteren banken overigens van expliciete
    en impliciete steun van de overheid, zoals de impliciete garantie voor systeem-
    banken. Een grote financiële sector met dito schuldenberg sorteert grote verdelings-
    effecten, zowel tijdens de opbouw tot een crisis als in de nasleep daarvan.
    legitimiteit
    Het adequaat functioneren van het monetair-financieel systeem gaat de samen-
    leving als geheel aan. Voor de legitimiteit van een systeem is het belangrijk dat
    wordt voldaan aan gerechtvaardigde verwachtingen van de samenleving. Op dit
    gebied is er een aantal problemen. Ten eerste is door het over de loop van de tijd
    gegroeide gemengde publiek-private karakter van banken onduidelijk wat we pre-
    cies van banken kunnen en mogen verwachten. Enerzijds zijn zij private instel-
    lingen die streven naar winst. Anderzijds zijn zij instellingen met publieke func-
    ties die het maatschappelijk belang van hun functioneren voor ogen dienen te
</pre>

====================================================================== Einde pagina 231 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 232 ======================================================================

<pre>                                                                           conclusies en aanbevelingen                      231
          houden. Ten tweede zijn er zorgen over de beperkte mate waarin betekenisvolle
          democratische invloed kan worden uitgeoefend op het monetair-financieel sys-
          teem en in hoeverre er adequate verantwoordingsmechanismen zijn ingebouwd.
          Gerelateerd zijn er zorgen over de grote invloed van de bankensector op beleid. Ten
          slotte hebben burgers weinig mogelijkheden tot directe invloed op het functione-
          ren van een bank: zowel de voice- als de exitmogelijkheden zijn beperkt.4
8.3       het publiekgeldsysteem als oplossing?
          Gezien al deze tekortkomingen is het begrijpelijk dat er de afgelopen jaren in ver-
          schillende landen pleidooien te horen zijn voor een fundamenteel ander systeem.
          Het meest in het oog springend zijn de voorstellen voor een publiekgeldsysteem.
          Dit is een systeem waarin geld voortaan helemaal direct of indirect publiek is.
          Nieuw geld kan dan alleen door de centrale bank worden gecreëerd. Dit impliceert
          ook een strakke scheiding tussen het betalingsdeel en het financieringsdeel. Hoe-
          wel de voorstellen voor een publiekgeldsysteem deze uitgangspunten delen, ver-
          schillen zij in de uitwerking (zie tabel 8.1 voor een overzicht).
Tabel 8.1         De kern en variaties van het publiekgeldsysteem
                De kern van het publiekgeldsysteem         Variaties van het publiekgeldsysteem
 Geld           Al het geld is direct of indirect publiek. Het geld wordt direct op de rekening gezet bij de centrale
                                                           bank of bij een betaalbank gestald die daartegen honderd
                                                           procent centralebankreserves aanhoudt.
 Geld­          Geld kan niet gecreëerd worden door        Er zijn verschillende manieren waarop het nieuw gecreëerde
 schepping      commerciële banken, maar alleen door       geld ingezet kan worden: (1) door uitgaven van de overheid,
                de centrale bank.                          (2) door de afbetaling van de staatsschuld, (3) door het direct
                                                           over te maken aan burgers (helikoptergeld) en (4) door
                                                           kredietverlening, direct dan wel indirect via financierings­
                                                           instellingen.
 Krediet­       De instellingen die krediet verlenen       De voorstellen verschillen in hoeverre de looptijd van de
 verstrekking   (financieringsinstellingen) zijn duidelijk leningen en de looptijd van de financiering van de instelling
                gescheiden van de betaalbanken (of de      anders kan zijn (Mag de instelling geld dat van klanten kort
                centrale bank) waar het geld staat. Deze   is geleend, lang uitlenen?). Een tweede vraag is hoe de
                financieringsinstellingen kunnen geen      instelling zich financiert. Gaat de financiering door middel
                nieuw geld creëren voor het verstrekken    van tegoeden met een vaste waarde (een schuldcontract
                van leningen, zij dienen daarvoor eerst    tussen instelling en financier) of stijgt en daalt de waarde van
                geld op te halen.                          die tegoeden met het functioneren van de instelling (eigen
                                                           vermogen – zoals aandelen in een beleggingsfonds)?
          In het publiekgeldsysteem zijn geldschepping en kredietverlening niet meer
          onlosmakelijk met elkaar verbonden. Geld is honderd procent publiek en betaal-
          rekeningen kunnen direct bij de centrale bank worden geopend of indirect bij een
          betaalbank die alleen centralebankgeld aanhoudt (of dat volledig scheidt van haar
          overige activiteiten). Geld staat dus niet bloot aan de risico’s van andere financiële
          activiteiten. Het risicovolle financieringsdeel is afgescheiden van het betalingsdeel.
          De financieringsinstellingen die de spil vormen van het risicovolle deel van het
          stelsel moeten eerst geld ophalen voordat zij dit kunnen uitlenen. Als men geld ter
</pre>

====================================================================== Einde pagina 232 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 233 ======================================================================

<pre>232 geld en schuld
    beschikking stelt aan financieringsinstellingen loopt men risico, maar hier kan een
    rendement tegenover staan. Het verschilt per voorstel hoe dit financieringsdeel
    precies is georganiseerd en of er een rol voor de overheid is weggelegd bij krediet-
    verlening en de regulering daarvan.
    In hoeverre zou het publiekgeldsysteem een oplossing vormen voor de problemen
    op het gebied van de dienstbaarheid, stabiliteit, rechtvaardigheid en legitimiteit
    van het monetair-financieel systeem? Deze vraag kan alleen met de nodige voor-
    zichtigheid worden beantwoord. Hoewel we vergelijkingen kunnen maken met
    historische gebeurtenissen – zoals de Amsterdamse wisselbank – heeft het systeem
    nooit in de hierboven beschreven vorm in de praktijk gefunctioneerd. We moeten
    ons dus vooral baseren op het doorredeneren van veronderstelde economische
    verbanden en lessen uit het verleden. Een weging van de voor- en nadelen berust
    dan ook op vele aannames.
    Dat betekent dat er op voorhand geen sluitend antwoord kan worden gegeven op
    de vraag of het alternatief over het geheel genomen beter zou werken dan het hui-
    dige systeem. Wel kunnen we een aantal van de aannames expliciet maken die
    onderschreven moeten worden om tot de conclusie te komen dat het stelsel over
    het geheel genomen beter zal functioneren. Deze aannames zijn:
    • dat de centrale bank de kennis en informatie heeft om de groei van de geld-
        hoeveelheid in de juiste banen te leiden en dat de overheid zichzelf te allen
        tijde committeert aan een evenwichtige geldschepping;
    • dat de tegoeden bij financieringsinstellingen niet als geld gaan functioneren,
        waardoor zij geldscheppende instellingen worden en zij feitelijk weer sterk lij-
        ken op de huidige banken;
    • dat het redden van financieringsinstellingen door de overheid niet meer aan de
        orde is, omdat ze kunnen falen zonder de economie te ontwrichten, waardoor
        de problematiek van perverse prikkels en ‘private winsten, publieke kosten’ is
        uitgebannen;
    • dat er in het nieuwe systeem voldoende en passende financiering beschikbaar
        zal zijn via kredietverlening van de financieringsinstellingen of via marktfinan-
        ciering;
    • dat de instituties (centrale banken, betaalbanken, financieringsinstellingen)
        blijvend in staat zullen zijn om onder burgers, bedrijven en investeerders het
        vertrouwen te wekken dat nodig is om het systeem daadwerkelijk te laten func-
        tioneren;
    • dat het geheel werkzaam kan zijn in een internationale context waarin de
        wederzijdse financiële afhankelijkheden groot zijn zonder dat alle landen over-
        gaan op een publiekgeldsysteem.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 233 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 234 ======================================================================

<pre>                                                       conclusies en aanbevelingen      233
    Naast de vraag of het alternatief over het geheel genomen beter zou functioneren is
    er de vraag hoe een transitie uitpakt. Juist vanwege het belang van het monetair-
    financieel stelsel voor het functioneren van de samenleving kunnen we niet licht-
    zinnig doen over de mogelijke risico’s van een stelselwijziging. De kans dat de
    invoering gepaard gaat met onbedoelde negatieve effecten is reëel, en een crisis tij-
    dens de transitie is niet uit te sluiten. Ook is het onduidelijk hoe internationale
    verwevenheden de transitie beïnvloeden. Nederland maakt deel uit van de emu en
    alleen daarom al zou de stelselwijziging slechts op Europees niveau kunnen plaats-
    vinden, tenzij Nederland uit de euro stapt. De combinatie van de onzekerheid over
    de effecten en de risico’s van een transitie maken dat de overgang naar een publiek-
    geldsysteem zou neerkomen op een ongeëvenaard experiment met de ruggengraat
    van onze economie. Het is om deze reden dat de wrr niet voor een dergelijke
    overgang pleit.
    Toch dienen we de pleidooien voor een alternatief geldstelsel serieus te nemen.
    Ten eerste omdat het ons een scherpere blik geeft op het huidige monetair-
    financieel systeem en de voordelen en beperkingen daarvan. Pleitbezorgers van het
    alternatieve systeem wijzen terecht op een aantal fundamentele problemen. Ten
    tweede omdat de plannen als inspiratiebron kunnen dienen voor hervormingen
    om deze problemen aan te pakken.
8.4 twee grote uitdagingen voor het huidige systeem
    Indien er niet wordt overgaan naar een publiekgeldsysteem, blijven er urgente en
    belangrijke tekortkomingen bestaan die aangepakt moeten worden. Na de crisis is
    er wel een aantal stappen gezet, maar de daadwerkelijke veranderingen zijn
    bescheiden geweest. Tien jaar na de crisis heeft bij veel politici en beleidsmakers
    hervormingsbereidheid plaatsgemaakt voor hervormingsmoeheid. Achteroverleu-
    nen strookt echter niet met de realiteit dat veel problemen nog steeds bestaan. Om
    te komen tot een dienstbaar, stabiel, rechtvaardig en legitiem monetair-financieel
    systeem, staan we voor twee grote uitdagingen: het bewerkstellingen van een meer
    evenwichtige groei van krediet en geld en het verbeteren van de balans tussen pri-
    vate en publieke belangen.
    Deze uitdagingen dienen geadresseerd te worden in een onzekere context; we
    bevinden ons in veel opzichten op onbekend terrein. Het ‘experimentele’ beleid
    van de centrale banken duurt inmiddels al bijna tien jaar. Met ingrijpende maat-
    regelen hebben centrale banken de economie overeind gehouden, zonder precies
    de consequenties te kunnen overzien. De private schulden zijn nog altijd histo-
    risch hoog. Daarnaast hebben financiële innovatie en technologische ontwikkelin-
    gen vergaande consequenties voor het functioneren van geld, schuld en financiële
    instellingen. Fintech biedt kansen om de financiële dienstverlening te vernieuwen
    en te verbeteren, maar er zijn ook bekende en nieuwe risico’s (zoals systeemrisico’s
</pre>

====================================================================== Einde pagina 234 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 235 ======================================================================

<pre>234   geld en schuld
      die voortkomen uit cyberaanvallen) voor de borging van publieke belangen en de
      stabiliteit van het financiële stelsel. Juist in deze tijd van onzekerheden, snelle ont-
      wikkelingen en een gebrek aan pasklare antwoorden, kunnen de suggesties van
      pleitbezorgers voor een alternatief systeem als inspiratiebron dienen voor noodza-
      kelijke hervormingen.
8.4.1 evenwichtige groei van geld en schuld
      Een evenwichtige en beheerste groei van geld en schuld is belangrijk voor de
      dienstbaarheid en stabiliteit van het financiële systeem. Zowel te weinig als te veel
      flexibiliteit van krediet en geld heeft verstrekkende negatieve gevolgen. Zoals
      hoofdstuk 3 uiteenzette is er historisch gezien dan ook sprake van een permanente
      zoektocht naar een balans tussen flexibiliteit en inkadering. Door financiële inno-
      vatie en onzekerheden is dit een voortdurende balanceeract.
      In de afgelopen decennia is de balans sterk doorgeslagen naar flexibiliteit. Er
      bestaan weinig remmen op kredietverlening en private (girale) geldschepping.
      Bovendien zijn er veel andere factoren die de kredietverlening hebben gestimu-
      leerd, zoals fiscale prikkels en woningmarktbeleid. Door het toenemende belang
      van giraal geld, dat bovendien vooral op de balans van een beperkt aantal grote
      banken staat, worden deze banken ook nog eens veel minder geremd in krediet-
      verlening. Schulden zijn dan ook, ondanks de na de crisis genomen maatregelen,
      historisch hoog.
      Waarom is dit een probleem? Veel onderzoek gepubliceerd na de crisis heeft het
      verband tussen overmatige kredietgroei en instabiliteit aangetoond. Niet alleen
      worden veel financiële crises voorafgegaan door hoge schuldenopbouw, ook duurt
      het herstel na een crisis langer bij hoge schuldenniveaus. Daarnaast is inmiddels
      duidelijk dat kredietgroei en economische ontwikkeling weliswaar tot op zekere
      hoogte hand in hand gaan, maar boven een bepaald niveau heeft kredietgroei juist
      een negatieve invloed op de economie. Tot slot kunnen hoge schulden en volatiele
      kredietverlening leiden tot een onrechtvaardige verdeling van kosten en baten in
      de samenleving. In de opgang gaan relatief veel baten naar de sector, in de neergang
      slaan de kosten breed in de samenleving neer, bijvoorbeeld in de vorm van hoge
      werkloosheid.
      Sinds de crisis is tot op zekere hoogte ingezet op het versterken van de remmen op
      kredietverlening. Deze remmen, zoals de aanscherping van loan-to-value-ratio’s
      bij hypotheken, zijn echter veelal indirect en hebben blijkbaar maar beperkte
      kracht. Tegelijkertijd zijn de prikkels op schuldengroei in beperkte mate aangepakt
      en is de structuur van het bankwezen niet fundamenteel veranderd. Daarmee zijn
      veel aanjagers voor schuldengroei nog steeds intact en is het private schuldniveau
      niet lager dan voor de crisis.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 235 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 236 ======================================================================

<pre>                                                       conclusies en aanbevelingen       235
      In een crisis is het de uitdaging om de economie gaande te houden. Tijdens de afge-
      lopen crisis hebben centrale banken verregaande maatregelen genomen om dit te
      bewerkstelligen, zoals lage en zelfs negatieve rentes en het grootschalig opkopen
      van obligaties van bedrijven en overheden. Deze maatregelen zijn nog steeds van
      kracht. Dat roept de vraag op welke mogelijkheden er zijn om de volgende crisis
      op te vangen.
8.4.2 balans tussen publieke en private belangen
      Het monetair-financieel systeem vervult essentiële functies voor de samenleving.
      Het stelt ons in staat betalingen te doen, economische activiteiten te financieren, te
      sparen voor later en ons te verzekeren tegen verschillende risico’s. Het goed func-
      tioneren van de sector draagt positief bij aan economie en samenleving. Verstorin-
      gen kunnen de samenleving juist vergaand ontwrichten. Financiële dienst-
      verlening is een essentiële voorwaarde voor alle andere economische activiteiten.
      Vooral het betalingsverkeer is van infrastructureel belang.
      Historisch gezien hebben bij betalen en financieren zowel publieke als private spe-
      lers steeds een belangrijke rol gespeeld. In de afgelopen decennia zijn de verhou-
      dingen fundamenteel verschoven. Vijftig jaar geleden waren sparen en betalen
      voor het grootste deel van de Nederlandse bevolking nog vooral een publieke aan-
      gelegenheid en lag de kredietverlening aan consumenten veel lager. Financiering
      van het bedrijfsleven had duidelijk een meer privaat karakter. Sindsdien is giraal
      geld veel belangrijker geworden ten opzichte van contant geld, maken mensen
      steeds meer gebruik van financiële diensten, zijn voorheen publieke instellingen
      en hun (betaal)diensten geprivatiseerd (Postbank) en zijn er grote universele ban-
      ken ontstaan. Dat betekent dat de invulling van publieke functies steeds afhankelij-
      ker is geworden van het handelen van private partijen. De paradox is dus dat een
      steeds groter deel van het bankwezen in de afgelopen vijftig jaar is gaan opereren
      als puur commerciële instellingen, terwijl het bankwezen feitelijk een steeds gro-
      tere publieke rol is gaan vervullen. Ook in wetgeving en economische analyse is
      deze sluipende transitie in de rol van commerciële banken niet gezien. De voor-
      standers van een publiekgeldsysteem vragen terecht aandacht voor deze veran-
      derde situatie.
      Dit betekent dus dat de verwezenlijking van publieke belangen in belangrijke mate
      afhangt van het functioneren van private spelers, met name van de systeemrele-
      vante banken. Wat deze banken bijzonder maakt is dat hun individuele functione-
      ren direct van belang is voor de maatschappij als geheel. Dit betekent dat deze ban-
      ken niet als puur private ondernemingen beschouwd kunnen worden, maar dat zij
      zelf ook een bijzondere publieke taak hebben. Dat vereist een goede maatschappe-
      lijke verankering van de sector.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 236 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 237 ======================================================================

<pre>236        geld en schuld
8.5        aanbevelingen
           We staan dus voor twee grote uitdagingen: het komen tot een evenwichtige groei
           van geld en schuld en tot een goede balans tussen publieke en private belangen. De
           maatregelen die tot nu toe genomen zijn, hebben niet geleid tot een lager schulden-
           niveau en de maatschappelijke verankering van de financiële sector is nog altijd
           onvoldoende. Daarom doet de wrr de volgende vier hoofdaanbevelingen:
           • Zorg voor diversiteit in de financiële sector
           • Tem de overmatige schuldengroei
           • Wees beter voorbereid op de volgende crisis
           • Veranker de publieke dimensie van banken
8.5.1      zorg voor diversiteit in de financiële sector
           Een uniform bankenlandschap zorgt voor kuddegedrag en daarmee voor een uit-
           vergroting van de kredietcyclus. Bovendien maakt onze afhankelijkheid van de
           systeembanken het lastiger om tot een goed evenwicht tussen publieke en private
           belangen te komen. In Nederland is deze problematiek in uitvergrote mate aanwe-
           zig. Opvallend genoeg is ondanks het streven naar meer diversiteit de concentratie
           in het bankwezen sinds de crisis alleen maar toegenomen. Het aandeel gemeten
           naar balansomvang van de drie grote banken nam toe van 71% in 2006 naar 75% in
           2016 (zie hoofdstuk 7). Het is dus zaak om daadwerkelijk te komen tot meer diver-
           siteit in de sector. Dat kan allereerst via het bieden van echte alternatieven voor
           betalen en sparen. Ook kan het door het steunen van uitdagers van grote banken.
           Alternatieven voor betalen en sparen
           Er zijn op het gebied van geld weinig opties buiten het commerciële bankwezen.
           Contant geld is dan wel een alternatief voor giraal geld, maar in onze samenleving
           is het op grote schaal aanhouden daarvan geen reële optie. In het verleden waren er
           meer alternatieven. Contant geld speelde een veel belangrijkere rol en met de voor-
           lopers van de Postbank (de Postcheque- en Girodienst en de Rijkspostspaarbank)
           bestond er een publieke variant van giraal geld.
           Wanneer men de mogelijkheid zou krijgen om geld te stallen bij een bank die
           alleen centralebankreserves aanhoudt of slechts enkele relatief veilige activiteiten
           mag ontplooien, zou dit een belangrijke rem kunnen vormen op excessieve geld-
           en schuldcreatie. Daarnaast zou dit een manier zijn om de ‘publieke dimensie’ van
           het bankwezen beter te verankeren.
   Bied een publiek verankerd alternatief voor betalen en sparen naast de huidige mogelijkheden. Dat kan
   bijvoorbeeld door het faciliteren van een betaalbank die alleen centralebankreserves aanhoudt. Een der-
   gelijke bank kan ook door de overheid geïnitieerd worden. Tevens vereist de ontwikkeling van digitaal
   centralebankgeld serieuze overweging.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 237 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 238 ======================================================================

<pre>                                                  conclusies en aanbevelingen       237
Er zijn verschillende manieren om dit alternatief vorm te geven. Het kan bijvoor-
beeld door het mogelijk maken van een bank die zich alleen met betalingsverkeer
en sparen bezighoudt en als bezittingen alleen centralebankreserves aanhoudt. De
huidige context van een negatieve rente op centralebankreserves vormt mogelijk
een obstakel voor de levensvatbaarheid van een dergelijke bank, maar dit is (hope-
lijk) een hoogst uitzonderlijke situatie. Bestaande banken kunnen door hun andere
activiteiten betaalrekeningen tegen lage kosten aanbieden. Bij een betaalbank zal
een betaalrekening waarschijnlijk meer kosten. Een andere mogelijkheid is dat de
overheid zelf een dergelijke bank opricht.
De meest ambitieuze stap in dit opzicht is wanneer burgers de mogelijkheid krij-
gen om bij de centrale bank een betaalrekening te openen. Op dit moment hebben
alleen banken toegang tot een rekening bij de centrale bank. Contant geld is nu het
enige centralebankgeld dat burgers kunnen aanhouden. Centrale banken in ver-
schillende landen doen onderzoek naar de mogelijkheid om digitaal centralebank-
geld te introduceren. Dit betekent het creëren van een digitale evenknie van con-
tant geld.
Een veel geopperd bezwaar tegen het bieden van een alternatief, of dat nu gaat via
een private of publieke betaalbank of via rekeningen bij de centrale bank, is de
vrees dat met het aanbieden van zo’n alternatief het systeem als geheel instabieler
wordt. De gedachte is dat men in tijden van crisis massaal geld bij de commerciële
banken weghaalt en dit bij het alternatief onderbrengt. Dit is zeker een belangrijk
aandachtspunt. Niettemin is ook binnen het huidige systeem een omvangrijke
bankrun mogelijk. Grote institutionele partijen, bedrijven en burgers met aan-
zienlijke vermogens halen bij twijfel over het (nationale) bankwezen hun tegoe-
den razendsnel weg. Voor kleine rekeninghouders geldt zowel nu als in een situ-
atie met digitaal centralebankgeld dat een depositogarantiestelsel een bankrun kan
ontmoedigen.
Belangrijker nog is het feit dat het huidige financieel systeem instabiel kan worden
door het creëren van een veilige haven meer zegt over het huidige systeem dan
over het alternatief als zodanig. Het is eerder een indicatie van de weeffouten in het
huidige systeem. De Postbank en haar voorgangers hebben immers decennialang
bestaan zonder dergelijke stabiliteitsproblemen te veroorzaken. Hoewel een bank-
run in dit elektronische tijdperk sneller kan verlopen, is dat eerder een gradueel
dan een fundamenteel verschil. Wij draaien de redenering om: het creëren van een
veilig alternatief kan juist bijdragen aan een stabieler systeem. Het feit dat men een
daadwerkelijk alternatief heeft, zal een disciplinerend effect hebben op de
bestaande banken. Het zal banken dwingen zich verantwoorder te financieren, met
meer eigen vermogen (kapitaal) en vreemd vermogen met een lange looptijd. De
creatie van geld en schuld door commerciële banken wordt op die manier ook beter
begrensd.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 238 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 239 ======================================================================

<pre>238        geld en schuld
           Verklein de dominantie van systeembanken
           Het huidige systeem bevoordeelt impliciet de grote banken en maakt het lastig
           voor nieuwkomers. Dat heeft een aantal redenen. Een systeemrelevante bank heeft
           financieringsvoordelen ten opzichte van kleine instellingen door impliciete en
           expliciete garanties. De uitgebreide en ingewikkelde regelgeving is ook in het
           voordeel van grote bestaande banken omdat de kosten hiervan de toetreding en de
           winstgevendheid van (kleinere) nieuwkomers belemmeren. Tot slot kunnen grote
           banken door marktmacht hun activiteiten kruissubsidiëren, wat het lastiger maakt
           voor nieuwkomers om marktaandeel te verwerven.
           De sector was echter niet altijd zo geconcentreerd en uniform. Binnen het bank-
           wezen was tot aan de jaren tachtig van de vorige eeuw flink wat variëteit, met
           spaarbanken, girodiensten, hypotheekbanken, agrarische (coöperatieve) banken en
           algemene banken die allemaal eigen terreinen bedienden, aan gedifferentieerde
           regels onderhevig waren en verschilden qua organisatiemodel. Sindsdien zijn de
           instellingen groter geworden en steeds meer op elkaar gaan lijken. Een recente ont-
           wikkeling in dit opzicht is het onder druk staan van het coöperatieve karakter van
           de Rabobank.
           Het vergroten van de diversiteit in de financiële sector draagt bij aan evenwichti-
           gere kredietverlening en maakt de samenleving minder afhankelijk van onmisbare
           systeembanken. Daarom dient er meer werk gemaakt te worden van het steunen
           van uitdagers van deze banken. Ook vergt het een stevige aanpak van de markt-
           macht van de grote spelers.
   Zorg dat het bankenlandschap daadwerkelijk diverser wordt, door het steunen van uitdagers en het voor
   banken minder aantrekkelijk te maken om een systeembank te zijn. Dit kan bijvoorbeeld door gedifferen-
   tieerd toezicht of het zwaarder belasten van de systeemrisico’s die grote banken met zich meebrengen.
           Om daadwerkelijk tot een diverser bankenlandschap te komen, is het van belang
           uitdagers (zowel binnen als buiten het bankwezen) te steunen. Wet- en regel-
           geving is vaak afgestemd op de systeembanken en past minder bij de activiteiten
           en risico’s van uitdagers. Het is dus van belang om tot een gedifferentieerd beleids-
           kader te komen. We kunnen hierbij denken aan differentiatie op basis van de
           breedte van de bancaire activiteit, zoals een lichtere banklicentie voor spelers die
           zich beperken in hun activiteiten.5 Tevens kan gedacht worden aan een milder toe-
           zichtsregime voor banken die hoge (niet-risicogewogen) eigen-vermogenbuffers
           en stabiele financiering hebben. Daarnaast moet de verplichte deelname aan het
           depositogarantiestelsel, en de differentiatie daarin, nog beter worden afgestemd op
           de daadwerkelijke risico’s. Voorkomen moet worden dat een instelling met weinig
</pre>

====================================================================== Einde pagina 239 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 240 ======================================================================

<pre>                                                        conclusies en aanbevelingen      239
      risico wordt gedwongen mee te betalen aan de veel grotere risico’s die elders
      gelopen worden. Het aangepaste depositogarantiestelsel voorziet hier nog onvol-
      doende in.
      De grote banken ontlenen aan hun positie aanzienlijke marktmacht, wat een
      obstakel vormt voor uitdagers. Om dominantie te ontmoedigen is het zwaarder
      belasten van systeemrisico een goed drukmiddel. Dit kan bijvoorbeeld door signi-
      ficant hogere kapitaaleisen of door een hogere (directe) belasting op systeemrisico.
      Dit kan een prikkel vormen voor banken om zich anders te organiseren of delen af
      te stoten. Wanneer dit niet werkt zou de overheid meer ingrijpende maatregelen
      kunnen nemen. De Europese mededingingswetgeving zou, net als de Ameri-
      kaanse mededingingswetgeving, de mogelijkheid moeten bieden om banken bij
      een te sterke concentratie op te breken.
      In het kader van het streven naar een Europese Bankenunie worden grensover-
      schrijdende fusies en schaalvergroting door de ecb aangemoedigd (Nouy 2018).
      Vanuit het perspectief van too big to fail, systeemrisico, marktmacht en ook behap-
      bare complexiteit, is verdere schaalvergroting echter in veel gevallen onwenselijk.
      Voor zover men wil streven naar een meer Europese markt voor bankdiensten, zou
      er een rol kunnen zijn voor meer gespecialiseerde spelers. Grensoverschrijdende
      fusies tussen banken zouden dan gepaard moeten gaan met het afstoten van sub-
      stantiële onderdelen. Ook dit vergt een krachtigere rol van toezichthouders en
      mededingingsautoriteiten in de financiële sector.
8.5.2 tem de overmatige schuldengroei
      Zoals in dit rapport is beschreven, is overmatige schuldengroei zowel problema-
      tisch vanuit het perspectief van stabiliteit als met het oog op de dienstbaarheid van
      het financiële stelsel. Hoewel er sinds de crisis meer aandacht is voor de problema-
      tische aspecten van hoge schulden, is de totale private schuld als percentage van
      het bbp nu hoger dan voor de crisis. Om geld en schuld beter te verankeren dienen
      daarom prikkels te worden weggenomen en remmen te worden versterkt. Ten eer-
      ste is het nodig de fiscale bevoordeling van schuld aan te pakken. Ten tweede die-
      nen macroprudentiële overwegingen een explicietere en beter geïntegreerde plaats
      te krijgen in beleid.
      Wegnemen van prikkels voor schuldengroei
      Het belastingregime draagt ertoe bij dat het aangaan van schulden voor zowel bur-
      gers, bedrijven als banken aantrekkelijk is. Voor Nederlandse huishoudens wordt
      deze prikkel, de hypotheekrenteaftrek, stapsgewijs verlaagd en het huidige kabinet
      is van plan deze regeling verder te versoberen. Bij bedrijven en banken is op dit ter-
      rein minder voortgang. Bij banken is het verminderen van deze prikkel nog inge-
      wikkelder omdat een groot deel van hun schulden (betaal- en spaarrekeningen)
</pre>

====================================================================== Einde pagina 240 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 241 ======================================================================

<pre>240        geld en schuld
           verknoopt is met hun geldscheppende functie en hun rol in het betalingsverkeer.
           Toch is het voor de samenleving van groot belang dat ook excessieve schuldfinan-
           ciering van banken en bedrijven wordt tegengegaan.
   De fiscale bevoordeling van schuldfinanciering voor banken, bedrijven en burgers moet verder afgebouwd
   worden; er is nog steeds sprake van een kunstmatige bevoordeling van het aangaan van schulden. Neu-
   traliteit tussen financieringsvormen moet de inzet van beleid zijn.
           Om excessieve geldschepping tegen te gaan dienen belastingprikkels op het aan-
           gaan van schulden verder te worden afgebouwd. Dit gaat zowel over de hypotheek-
           renteaftrek bij burgers als over de renteaftrek bij de vennootschapsbelasting. Hier-
           voor is tot op zekere hoogte nationale beleidsruimte, maar om grotere stappen te
           zetten is Europese afstemming noodzakelijk. Om te komen tot een gelijkwaardige
           fiscale behandeling van schuld en eigen vermogen kan financiering met eigen ver-
           mogen aantrekkelijker worden gemaakt. Dit kan fiscaal neutraal geschieden door
           een aftrek op eigen vermogen te geven, terwijl het algehele belastingtarief licht
           stijgt. Hiervan bestaan een aantal internationale voorbeelden. Het in het regeer-
           akkoord voorgestelde renteplafond ontmoedigt evenzeer financiering met vreemd
           vermogen, maar houdt de ongelijke behandeling in stand (zie hoofdstuk 7).
           Versterken van remmen op schuldengroei
           Zelfs wanneer prikkels voor schuldengroei zijn verminderd, bestaat nog steeds het
           risico op overmatige schuldengroei. In de decennia na de Tweede Wereldoorlog
           speelde de overheid een belangrijke rol bij het in toom houden hiervan. Krediet- en
           geldgroei waren een prominent aandachtspunt binnen het monetair-financieel
           beleid. Vanaf de jaren tachtig verdwenen deze onderwerpen naar de achtergrond.
           Sinds de crisis is er onder de vlag van macroprudentieel beleid weer meer aandacht
           voor het in de hand houden van schulden. De instrumenten binnen dit kader zijn
           echter niet toereikend en de samenhang met andere beleidsterreinen is onduide-
           lijk.
   Macroprudentiële overwegingen dienen een stevigere plaats te krijgen in beleid. Dat betekent zowel het
   versterken van het bestaande macroprudentiële beleid als meer oog hebben voor de samenhang met
   bankentoezicht, monetair beleid en sociaal-economisch beleid.
           Na de crisis is meer aandacht gekomen voor het gevaar van kredietbubbels. Het
           macroprudentiële beleidskader is echter tot nu toe vrij smal ingevuld. Dit beleid
           heeft vooral handen en voeten gekregen binnen het kapitaalraamwerk. Nationale
           toezichthouders hebben de mogelijkheid om kapitaaleisen anticyclisch te verho-
           gen. Ook kunnen zij strengere eisen opleggen aan systeemrelevante instellingen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 241 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 242 ======================================================================

<pre>                                                 conclusies en aanbevelingen         241
Deze kapitaaleisen zijn echter primair bedoeld om klappen beter op te kunnen
vangen, niet om in het voortraject excessieve schuldengroei op macroniveau tegen
te gaan. Een anticyclische risicogewogen kapitaaleis van 2,5% zal (zowel door de
risicoweging als door de beperkte hoogte) niet in staat zijn om de opbouw van kre-
dietbubbels tegen te gaan. Het kapitaalraamwerk is weliswaar het belangrijkste,
maar niet het enige kader voor macroprudentieel beleid. De loan-to-value-ratio
heeft ook als doel de overmatige kredietverlening tegen te gaan, maar in een con-
text van stijgende huizenprijzen is het effect daarvan beperkt.
Om excessieve kredietgroei tegen te gaan heeft het macroprudentiële kader stevi-
gere instrumenten nodig. Een mogelijk instrument is een ongewogen anticycli-
sche kapitaaleis. Ook kan de liquiditeitseis die betrekking heeft op de financiering
van de bank (de Net Stable Funding Ratio) binnen het macroprudentiële raamwerk
worden geplaatst. Dit stelt de toezichthouder in staat om excessieve kredietgroei
op basis van kortetermijnschulden tegen te gaan. We kunnen eveneens denken aan
instrumenten die in de naoorlogse periode veelvuldig zijn ingezet, zoals krediet-
plafonds. Daarnaast is aandacht nodig voor de beperkte reikwijdte van macro-
prudentieel beleid. Instellingen die strikt genomen geen bank zijn maar daar wel
op lijken (zogenaamde schaduwbanken) dienen ook binnen dit beleidskader te
worden gebracht.
Daarnaast wordt macroprudentieel beleid nu veelal als een eiland gezien, waarbij
dit beleid strak is afgescheiden van bankentoezicht, monetair beleid en sociaal-
economisch beleid. Historisch gezien waren deze beleidsterreinen veel meer ver-
weven en werden verschillende doelen – financiële en monetaire stabiliteit – meer
in samenhang bezien. Excessieve schuldengroei kan niet worden tegengegaan zon-
der bankentoezicht en monetair beleid hierbij te betrekken.
Kapitaal- en liquiditeitseisen, de kern van het bankentoezicht, leunen sterk op
risicowegingen. Deze zijn vooral afgestemd op de risico’s voor individuele instel-
lingen. Hypotheken gelden bijvoorbeeld als relatief veilige leningen voor banken
en hebben daarom een lagere risicoweging dan bedrijfsleningen. Vanuit macro-
prudentieel perspectief zijn deze risico’s echter hoger. Zoals de crisis liet zien
brengt een vastgoedzeepbel stabiliteitsrisico’s met zich mee, zelfs als banken niet
direct grote verliezen lijden op deze portefeuille. Bij het bepalen van de risicowe-
ging voor verschillende portefeuilles dient daarom meer rekening gehouden te
worden met de macroprudentiële aspecten.
Het betekent ook een grotere rol voor niet-risicogewogen eisen. Met name de
ongewogen hefboomratio is in potentie een zeer krachtig instrument om exces-
sieve kredietverlening tegen te gaan. Deze eis wordt primair bezien vanuit micro-
perspectief, waarbij de vraag centraal staat of het individuele instellingen in staat
stelt om verliezen op te vangen. De huidige eis van 3 procent is ook vanuit micro-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 242 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 243 ======================================================================

<pre>242   geld en schuld
      perspectief laag, maar wellicht belangrijker nog is dat het macroperspectief ont-
      breekt. In goede tijden stelt zo’n lage eis banken in staat snel hun balans te verlen-
      gen door meer krediet te verstrekken, terwijl het in slechte tijden banken dwingt
      om de hand op de knip te houden. Met het oog hierop is het wenselijk om mini-
      mumeisen op het gebied van de hefboomratio aan te scherpen en anticyclisch te
      variëren.
      Ook binnen het monetaire beleid is aandacht nodig voor excessieve kredietverle-
      ning. Binnen dit beleid neemt het rente-instrument de belangrijkste plaats in. De
      rente is sinds de crisis bijzonder laag, wat samen met het beleid van kwantitatieve
      verruiming bijdraagt aan de private schuldengroei. Het is onduidelijk in hoeverre
      de financiële stabiliteitsrisico’s daarvan zijn meegenomen in de afweging. Het is
      wenselijk dat monetaire beleidsmakers zich meer rekenschap geven van de over-
      wegingen van macroprudentiële beleidsmakers op het terrein van financiële stabi-
      liteit. Kortom, het is van belang dat monetaire beleidsmakers hun smalle focus op
      inflatie van consumentenprijzen verbreden en meer aandacht besteden aan stabili-
      teitsrisico’s van inflatie van financiële bezittingen (zoals huizen en aandelen).
      Zoals de wrr eerder heeft bepleit is het van belang om bij het tegengaan van schul-
      den ook oog te hebben voor de samenhang met sociaal-economisch beleid (wrr
      2016). De hoge Nederlandse hypotheekschulden kunnen niet los gezien worden
      van het pensioenbeleid (kortweg de verplichte afdracht van een groot deel van de
      besparingen) en woningmarktbeleid (bijvoorbeeld een vastzittende huursector).
      Het kredietvraagstuk laat zich niet versmallen tot één beleidsterrein; het vergt
      gecoördineerde actie op verschillende beleidsterreinen.
8.5.3 wees beter voorbereid op de volgende crisis
      Geld en schuld kunnen in een dubbele spiraal samen omhoog, maar kunnen ook
      gezamenlijk hard onderuitgaan. Zelfs als de eerste klap van een crisis goed kan
      worden opgevangen door middel van publieke noodsteun en garanties, kan een
      crisis een zeer lange nasleep hebben. Dit geldt in het bijzonder wanneer banken,
      bedrijven en huishoudens de crisis ingaan met hoge schulden. Het is de vraag
      welke mogelijkheden er nog zijn om een volgende crisis op te vangen nu de rente
      al historisch laag staat, de ecb al veel schuldpapier heeft opgekocht en ook
      publieke schulden in veel landen zeer hoog zijn. Daarom is er politieke discussie
      nodig over de mogelijkheden om een volgende crisis op te vangen. Bij de voorbe-
      reiding op de volgende schok zijn twee zaken van bijzonder belang. Ten eerste is
      het van belang om snel verlies te nemen om zo ruimte te scheppen voor herstel.
      Daarnaast dient onderzocht te worden welke aanvullende maatregelen mogelijk
      nodig zijn bij een volgende crisis.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 243 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 244 ======================================================================

<pre>                                                               conclusies en aanbevelingen               243
      Neem snel verlies
      Financiële crises hebben grote gevolgen voor de posities van burgers, bedrijven en
      banken. Wanneer deze problematische posities niet op tijd worden aangepakt kan
      de nasleep van de crisis buitenproportioneel zijn en wordt de samenleving langdu-
      rig ontwricht. Hoe de risico’s van problematische schulden verdeeld worden, ver-
      schilt per land. In Nederland ligt bijna het gehele risico van leningen bij de schul-
      denaar. Zowel met het oog op rechtvaardigheid als met het oog op een snel herstel
      na een crisis, is het belangrijk om meer aandacht te besteden aan een evenwichtige
      risicoverdeling van schulden. Daarnaast moet ook nagedacht worden over ver-
      plichte herkapitalisatie van de belangrijkste banken na een crisis, zelfs wanneer een
      deel daarvan niet in acute financiële nood verkeert. Die biedt banken de mogelijk-
      heid om probleemleningen sneller te saneren om zo ruimte te maken voor herstel.
      De verdeling hiervan moet voorafgaand aan een crisis duidelijk zijn. Dit tempert
      ook het nemen van te veel risico.
Neem snel verlies om ruimte voor herstel te scheppen, door (1) een betere risicoverdeling bij het afwikkelen
van onhoudbare schulden en (2) het verplichten tot een algemene herkapitalisatie van banken tijdens een
volgende crisis.
      Om op individueel niveau te komen tot een rechtvaardiger verdeling van de kos-
      ten, baten en risico’s van een fluctuerende huizenmarkt, is het goed om banken te
      verplichten om de huizen die gedwongen verkocht worden voor minstens 95%
      van de marktprijs te verkopen (zoals sinds 2013 ook geldt bij de Nationale Hypo-
      theekgarantie). Het probleem van risicoverdeling reikt verder dan alleen hypothe-
      ken. Ook de risicoverdeling tussen de bank en het mkb moet tegen het licht
      worden gehouden. Uiteindelijk moet gestreefd worden naar een situatie waarbij
      risico’s op een meer evenwichtige manier zijn verdeeld. Deze maatregelen kunnen
      bijdragen aan sneller herstel na de crisis, waar uiteindelijk de samenleving als
      geheel bij is gebaat.
      Een crisis leidt ook vaak tot een grote achteruitgang van de financiële positie van
      banken. Via de route van ingehouden winsten kan het lang duren voordat het eigen
      vermogen is hersteld. Voor zover banken veel terughoudender worden met
      kredietverstrekking om deze positie te verbeteren kan dit bijdragen aan het voort-
      duren van de crisis. Een snellere en effectievere route is het uitgeven van nieuwe
      aandelen.6 Omdat bestaande aandeelhouders hier niet altijd een voorstander van
      zijn, is in de Verenigde Staten nog tijdens de crisis gekozen voor een verplichte her-
      kapitalisatie van alle grote banken. Deze maatregel droeg bij aan sneller herstel. Dit
      is daarom een instrument dat ook hier serieuze overweging verdient en wettelijk
      op Nederlands of Europees niveau verankerd dient te worden.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 244 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 245 ======================================================================

<pre>244        geld en schuld
           Verken opties voor het bestrijden van de volgende crisis
           Tijdens de laatste crisis is een breed scala aan maatregelen ingezet om de financiële
           sector en daarmee de economie overeind te houden. Hier ging hierbij zowel om
           meer ‘traditionele’ maatregelen als het optreden door de centrale bank als lender of
           last resort en het redden van banken door overheden, als om meer onorthodoxe
           maatregelen als een negatieve rente en het op grote schaal opkopen door de cen-
           trale bank van obligaties van overheden en bedrijven (kwantitatieve verruiming).
           De vraag is in hoeverre deze instrumenten kunnen worden ingezet bij een vol-
           gende crisis, nu de rentes dichtbij of onder nul zijn en centrale banken al veel obli-
           gaties hebben opgekocht. Het feit dat geld binnen het huidige systeem veelal alleen
           kan worden gecreëerd wanneer er tegelijkertijd een schuld wordt gecreëerd,
           beperkt de mogelijkheden voor het opvangen de crisis.
           Tijdens de volgende crisis zullen wederom vergaande en controversiële maatrege-
           len ter tafel komen, zonder dat voldoende tijd is om na te denken over de conse-
           quenties. Het is belangrijk om van tevoren – bijvoorbeeld via scenariostudies –
           nagedacht te hebben de volgende crisis en de voor- en nadelen van verschillende,
           mogelijk onconventionele, beleidsopties. Hierbij dient ook het maatschappelijk
           draagvlak meegenomen te worden.
   Verken nu de maatregelen die mogelijk nodig zullen zijn of ter tafel zullen komen tijdens de volgende
   crisis.
           Hoewel voor 2007 de impliciete overtuiging leefde dat financiële crises in de wes-
           terse wereld voorgoed tot het verleden behoorden, heeft de crisis ons wakker
           geschud. Er komt altijd een volgende crisis. Het is van belang hier goed op voorbe-
           reid te zijn en hier ook in het beleid rekening mee te houden. Tijdens een crisis zelf
           is er slechts een kort tijdsbestek waarbinnen beslissingen moeten en kunnen wor-
           den genomen. Tijdens de laatste crisis is bijvoorbeeld van de ene op de andere dag
           besloten om de depositiegarantie op te hogen van €38.000 naar €100.000.7 Het is
           dus van belang om van tevoren beleidsopties te verkennen, hier een discussie over
           te voeren en eventueel een kader te ontwerpen waarbinnen dit soort maatregelen
           genomen kunnen worden. Gegeven dat centrale banken al veel van hun instru-
           menten hebben ingezet, zou het kunnen dat bij een volgende crisis meer contro-
           versiële maatregelen als het opkopen van staatsobligaties van een specifiek land
           (het nog niet gebruikte omt-programma), monetaire financiering en helikopter-
           geld onvoorbereid ter tafel komen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 245 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 246 ======================================================================

<pre>                                                                conclusies en aanbevelingen            245
8.5.4     veranker de publieke dimensie van banken
          Door de geleidelijke overgang naar giraal geld, toegenomen kredietverlening en
          vergaande schaalvergroting van banken, zijn de publieke functies op het gebied van
          betalen, sparen en financieren steeds afhankelijker geworden van banken. Hoewel
          die formeel privaat zijn, hebben zij daarmee de facto ook een publieke dimensie.
          Deze vermenging van private activiteiten en publieke functies zorgt voor perma-
          nente spanningen. Dit kan tot op zekere hoogte worden verminderd door publiek
          en privaat meer uit elkaar te halen. De introductie van een publiek verankerd alter-
          natief voor betalen en sparen (hierboven genoemd) zou een belangrijke stap in
          deze richting zijn. Toch zal gezien het publieke belang van ook kredietverlening,
          een zekere verstrengeling van publiek en privaat onvermijdelijk zijn. De omgang
          met de spanningen die dit oplevert, vergt een structureel betere verankering van
          de publieke dimensie in het bankwezen. Daartoe doet de wrr twee suggesties:
          versterk de publieke dimensie in de organisatie van banken en creëer meer tegen-
          spel door burgers, ngo’s en de politiek.
          Aanpassingen in de organisatie van banken
          In de afgelopen decennia is de behartiging van publieke belangen binnen de finan-
          ciële sector steeds afhankelijker geworden van private banken. Binnen dit private
          domein is tegelijkertijd veel veranderd, waarbij de focus meer en meer is komen te
          liggen op kortetermijnwinsten en aandeelhouderswaarde (zie wrr 2016). De
          publieke dimensie komt hierbij te weinig tot uitdrukking. De erkenning dat ban-
          ken semipublieke instellingen zijn, vergt dan ook aanpassingen in de organisatie
          van banken.
   Versterk de publieke dimensie in de organisatie van banken. Dat vergt zowel aanpassing van het organi-
   satiemodel als van de governance van banken.
          Het semipublieke karakter van banken maakt het belangrijk dat er een gebalan-
          ceerde afweging wordt gemaakt tussen de belangen van klanten, werknemers,
          schuldverstrekkers, aandeelhouders en de brede samenleving. Vaak wordt gesteld
          dat een beursgenoteerde bank geen andere keuze heeft dan om zich eerst en vooral
          te richten op de aandeelhouder. De mogelijkheid moet daarom expliciet op tafel
          liggen om te kijken welke andere organisatiemodellen voorhanden zijn om banken
          in staat te stellen recht te doen aan de verschillende belanghebbenden. Het belang
          van coöperatieve banken verdient in dit kader heroverweging.
          Ook los van het organisatiemodel kan de publieke dimensie verder versterkt wor-
          den in de corporate governance van banken. Er zijn hiertoe verschillende mogelijk-
          heden. We kunnen bijvoorbeeld denken aan het instellen van een maatschappe-
          lijke adviesraad die reflecteert op het beleid en de strategie van de bank. Alternatie-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 246 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 247 ======================================================================

<pre>246       geld en schuld
          ven zijn het model waarbij het stemrecht van aandelen is belegd bij een stichting
          die de publieke missie van de bank waarborgt of het coöperatieve model, waarbij
          de ledenraad voor maatschappelijke inbedding zorgt. Ook kan gedacht worden aan
          een publieke commissaris in de Raad van Commissarissen. Uiteindelijk is het
          essentieel dat banken zichzelf gaan zien als semipublieke instellingen. Het verster-
          ken van dit zelfinzicht vergt ook aanpassingen in de organisatie van banken en ver-
          dient tevens wettelijke inbedding om de publieke taken te borgen.
          Faciliteren van tegenspel
          In de jaren voor de crisis hadden banken en de toezichthouders vooral met elkaar te
          maken. Zij waren hierdoor steeds meer in een eigen wereld gaan leven. Verbinding
          met andere maatschappelijke belanghebbenden, zoals burgers, ngo’s en politici
          werd in veel mindere mate gezocht. De gedachte was toch vooral dat de financiële
          sector een ‘normale sector’ is, waarbij de strategie van banken enkel een zaak was
          voor de bankiers, en beleid en toezicht vooral om technische vraagstukken draai-
          den. De crisis heeft dit perspectief fundamenteel onderuitgehaald. De versterking
          van de publieke dimensie van het bankwezen vergt dan ook dat de stem van de
          burger (ook via de politiek) veel beter wordt gehoord.
   Het versterken van de publieke dimensie van het bankwezen vereist ook dat de stem van de burger beter
   wordt gehoord.
          Het versterken van de positie van de burger kan allereerst door meer mogelijk-
          heden op het gebied van ‘exit’. Het bieden van een publiek verankerd alternatief
          voor betalen en sparen kan hieraan bijdragen. Zij krijgen dan immers een exitoptie
          die zij nu niet hebben. Daarnaast kan de positie van de burger versterkt worden
          indien hij of zij gemakkelijk van bank kan wisselen. Omdat het niet reëel is om de
          Europese systematiek van rekeningnummers (iban) op korte termijn te wijzigen,
          zou gedacht kunnen worden aan het gebruik van aliassen voor bankrekeningen.
          Zo’n alias maakt het mogelijk dat burgers van bank kunnen wisselen met behoud
          van nummer. Wanneer zo’n alias niet verwijst naar het land van de bank wordt
          daarmee zelfs internationaal overstappen gemakkelijker.
          Omdat de exitopties in het huidige systeem zeer beperkt zijn is het des te belang-
          rijker dat de voice-opties worden versterkt. De hierboven genoemde maatschappe-
          lijke adviesraad is daar een voorbeeld van. Uiteraard is het parlement een hele
          belangrijke plaats om de stem van de burger te vertolken. In een vorig rapport heb-
          ben wij aanbevelingen gedaan om het parlement meer te betrekken bij financieel
          beleid (wrr 2016). Daarnaast is het belangrijk dat de stem van burgers wordt ver-
          tolkt door de toezichthouder, die uiteraard dan ook zelf de nodige maatschappe-
          lijke voelsprieten moet ontwikkelen. Financieel toezichthouders dienen burgers
</pre>

====================================================================== Einde pagina 247 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 248 ======================================================================

<pre>                                                    conclusies en aanbevelingen       2 47
    veel meer te betrekken bij beleidsvorming door hen actiever te informeren en te
    raadplegen. Hierbij kan een voorbeeld worden genomen aan de Bank of England,
    die in regionale raden burgers stelselmatig betrekt in een dialoog over de economie
    en de financiële sector.
    Ten slotte kan de stem van de burger ook op indirecte wijze worden versterkt door
    het faciliteren van maatschappelijke partijen zoals ngo’s. De sector heeft immers
    waakhonden nodig; spelers die kunnen waarschuwen voor bepaalde ontwikkelin-
    gen en daarmee banken (en toezichthouders) bij de les kunnen houden.
8.6 tot slot
    De wijze waarop geld wordt gecreëerd, betalingen plaatsvinden en financiering
    wordt verstrekt is een belangrijk, maar voor velen moeilijk te doorgronden onder-
    deel van onze economie en samenleving. De vormgeving van het monetair-finan-
    cieel systeem raakt ons echter allemaal en brengt veel vragen en problemen met
    zich mee. Het is dan ook goed te begrijpen dat veel mensen zich zorgen maken en
    pleiten voor fundamentele veranderingen. De terugkerende maatschappelijke
    beroering over de bankensector laat zien hoe breed deze onvrede nog altijd gedeeld
    wordt.
    In dit rapport doen we daarom aanbevelingen die nodig zijn om te komen tot een
    evenwichtige groei van krediet en schuld en een betere balans tussen publieke en
    private belangen. Het gaat om het creëren van meer diversiteit in de financiële sec-
    tor, het voorkomen van overmatige schuldengroei, het goed voorbereid zijn op de
    volgende crisis en het verankeren van de publieke dimensie.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 248 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 249 ======================================================================

<pre>248 geld en schuld
noten
1   Website Ons Geld: https://onsgeld.nu/geldsysteem/problemen
2   Dit is op basis van M2 (contant geld, girale tegoeden en spaargeld met een looptijd tot twee
    jaar of opzegtermijn tot drie maanden).
3   Vervolgens gaat dit nieuwe geld circuleren. Het wordt overgemaakt naar andere bankrekenin-
    gen als met het geleende bedrag betalingen worden verricht.
4   Bij coöperatieve banken zijn de voice-mogelijkheden bijvoorbeeld beter belegd.
5   Naast de brede bankvergunning bestaan er nog een a-variant en een b-variant opt-in vergun-
    ning. Bij de a-variant mag de instelling geen opeisbare gelden aantrekken van het publiek
    (wel van professionele partijen). De instelling verstrekt krediet voor eigen rekening en heeft
    toegang tot centralebankreserves (target2). De b-variant is een vergunning voor beleggings-
    instellingen. Deze instellingen moeten geld aantrekken van het publiek. Zij verstrekken geen
    krediet, maar beleggen en hebben geen toegang tot centralebankreserves (target2).
6   Er zou gekeken moeten worden of dit ook een optie zou zijn voor coöperatieve banken. Zij
    hebben andere manieren om meer eigen vermogen op te bouwen. Naast ingehouden
    winsten, gaat het dan bijvoorbeeld om het aantrekken van meer leden of het uitgeven van
    vermogenstitels die aan leden of aan niet-leden verkocht worden.
7   Dit werd gedaan omdat Ierland hiertoe besloot en andere landen wel moesten volgen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 249 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 250 ======================================================================

<pre>                         249
bijlage i adviesaanvraag
</pre>

====================================================================== Einde pagina 250 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 251 ======================================================================

<pre>250 geld en schuld</pre>

====================================================================== Einde pagina 251 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 252 ======================================================================

<pre>                                                                                      251
bijlage ii         lijst met gesproken personen
     Functieaanduiding ten tijde van gesprek
     Steef Akerboom, senior beleidsmedewerker, De Nederlandsche Bank
     Barend van Amerongen, afdelingshoofd finance en advies, De Nederlandsche
     Bank
     Barbara Baarsma, directeur kennisontwikkeling, Rabobank
     Joost Baeten, beleidsadviseur, Algemene Financiële en Economische Politiek,
     Ministerie van Financiën
     Jan Bartman, statistisch analist, De Nederlandsche Bank
     Jan Marc Berk, divisiedirecteur economisch beleid en onderzoek, De Nederland-
     sche Bank
     Dirk Bezemer, hoogleraar economie van de internationale financiële ontwikke-
     ling, Rijksuniversiteit Groningen
     Michiel Bijlsma, hoofd sector marktordening, Centraal Planbureau
     Paul den Boer, statistisch onderzoeker, CBS
     Wim Boonstra, speciaal adviseur en bijzonder hoogleraar economische en mone-
     taire politiek, Rabobank en Vrije Universiteit Amsterdam
     Ed Broekhuizen, beleidsmedewerker, De Nederlandsche Bank
     Teunis Brosens, senior econoom, ING
     Mark Buitenhek, global head of transaction services, ING
     Rutger Claassen, universitair hoofddocent ethiek en politieke filosofie, Universi-
     teit Utrecht
     Hannie de Cloe-Vos, strategie- en beleidsadviseur, Autoriteit Financiële Markten
     Elbert Dijkgraaf, Tweede Kamerlid, woordvoerder financiën SGP, Tweede Kamer
     Jeroen Dijsselbloem, voormalig minister van Financiën en voorzitter van de
     Eurogroep
     Charlotte van Dixhoorn, engagement manager, McKinsey & Company
     Bas Dommerholt, toezichthouder, Autoriteit Financiële Markten
     Klaas van Egmond, hoogleraar geowetenschappen, Universiteit Utrecht en
     mede-initiator Sustainable Finance Lab
     Wouter Elsenburg, senior toezichthouder, Autoriteit Financiële Markten
     Oscar Gelderblom, hoogleraar financiële geschiedenis, Universiteit Utrecht
     David Gerber, hoofd van de afdeling financiële marktbeleid en plaatsvervangend
     hoofd van de afdeling markten, Staatssekretariat für Internationale Finanzfragen
     Rik Grashoff, Tweede Kamerlid, woordvoerder financiën GroenLinks, Tweede
     Kamer
     Mark Harbers, Tweede Kamerlid,woordvoerder financiën VVD, Tweede Kamer
     Bonne van Hattum, beleidsmedewerker, Autoriteit Financiële Markten
     Ruben van der Helm, beleidsmedewerker, De Nederlandsche Bank
     Nils Herger, onderzoeker, Study Center Gerzensee, Swiss National Bank
</pre>

====================================================================== Einde pagina 252 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 253 ======================================================================

<pre>252 geld en schuld
    Joost Jonker, onderzoeker / universitair docent, Universiteit Utrecht
    Rein Kieviet, beleidsmedewerker, De Nederlandsche Bank
    Henk Klein Teeselink, beleidsmedewerker, De Nederlandsche Bank
    Clemens Kool, hoogleraar monetaire en financiële economie, Universiteit
    Utrecht
    Wouter Koolmees, Tweede Kamerlid woordvoerder financiën D66, Tweede
    Kamer
    Jeroen Kremers, voorzitter van de raad van commissarissen, bunq en Robeco
    Arnold Merkies, Tweede Kamerlid, woordvoerder financiën SP, Tweede Kamer
    Paul Metzemakers, beleidsmedewerker, De Nederlandsche Bank
    Cyril Monnet, swiss doctoral program manager en Professor of economics, Study
    Center Gerzensee en Swiss National Bank
    Reinier Musters, founding partner, Orange Growth Capital
    Dirk Niepelt, Directeur, Study Center Gerzensee, Swiss National Bank
    Henk Nijboer, Tweede Kamerlid, woordvoerder financiën PvdA, Tweede Kamer
    Bart Nooteboom, emeritus hoogleraar , Universiteit van Tilburg
    Pieter Omtzigt, Tweede Kamerlid woordvoerder financiën CDA, Tweede Kamer
    Christiaan Pattipeilohy, afdelingshoofd, De Nederlandsche Bank
    Reinier Pollman, programmamanager innovatie & fintech, Autoriteit Financiële
    Markten
    Sebastiaan Pool, beleidsmedewerker, De Nederlandsche Bank
    Maarten Postma, beleidsadviseur, Buitenlandse Financiële Betrekkingen, Minis-
    terie van Financiën
    Dion Reijnders, beleidsmedewerker, De Nederlandsche Bank
    Vincent Rietvink, beleidsadviseur, Financiële Markten, Ministerie van Financiën
    Sergio Rossi, professor of economics, Université de Fribourg
    Mark Sanders, universitair hoofddocent internationale macro-economie, Univer-
    siteit Utrecht, Sustainable Finance Lab
    Carola Schouten, Tweede Kamerlid, woordvoerder financiën ChristenUnie,
    Tweede Kamer
    Ivo Specker, beleidsadviseur, Buitenlandse Financiële Betrekkingen, Ministerie
    van Financiën
    Job Swank, directeur monetaire zaken en financiële stabiliteit, De Nederlandsche
    Bank
    Rens van Tilburg, directeur, Sustainable Finance Lab
    Jasper Timmermans, beleidsadviseur, Financiële Markten, Ministerie van Finan-
    ciën
    Roland Uittenbogaard, beleidsadviseur en universitair docent, Ministerie van
    Financiën en Erasmus Universiteit Rotterdam
    Hans Visser, emeritus hoogleraar economie, Vrije Universiteit Amsterdam
    Peter Wierts, senior econoom, De Nederlandsche Bank
    Wilte Zijlstra, toezichthouder expertisecentrum consumentengedrag, Autoriteit
    Financiële Markten
</pre>

====================================================================== Einde pagina 253 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 254 ======================================================================

<pre>                                   lijst met gesproken personen 253
gesproken burgerinitiatieven
ons geld
Frans Doorman
Jacqueline Haarsma
George van Houts
Martijn Jeroen van der Linden
Gerrit van Malkenhorst
Luuk de Waal Malefijt
Edgar Wortmann
Ferdinand Zanda
stichting full reserve / depositobank
Richard van der Linde
vollgeld / monnaie pleine
Martin Alder
Christian Gomez
Jean-Marc Heim
virtueel goud
Kees van Hee
Jacob van Wijngaard
plan b
Ada van Dijk
Rene Visser
mathematically perfected economy
Mike Montagne
Jacob Schot
mises instituut
Ger van Gils
Jan Vis
de burgerbank
Ad Broere
Hans van Steenbergen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 254 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 255 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 255 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 256 ======================================================================

<pre>                                                                                          255
bijlage iii belastingregime, schuldenberg en
                   risicohouding
     Banken zijn voor het grootste deel gefinancierd met schulden, met een belangrijk
     aandeel voor banktegoeden. Het eigen vermogen maakt daarentegen maar een
     klein deel uit van een bankbalans. In het bedrijfsleven is de schuldfinanciering een
     belangrijke component, maar minder groot dan bij banken. Consumenten lenen
     ook vaak om met een hypotheek een eigen huis te financieren. Een hoge mate van
     schuldfinanciering verhoogt de kans op financiële crises en maakt de samenleving
     gevoeliger voor de gevolgen ervan. Een schuld impliceert immers een vaste ver-
     plichting tot afbetalen, wat moeilijk is als het economisch tij tegenzit, terwijl ver-
     mindering van eigen vermogen niet direct tot problemen hoeft te leiden. Een van
     de belangrijke drijfveren voor schuldfinanciering is de renteaftrek voor belasting,
     waardoor eigen vermogen fiscaal benadeeld wordt ten opzichte van vreemd ver-
     mogen. In deze notitie gaan we in op hoe dit fiscale motief werkt voor banken.
     Daarna bespreken we een aantal alternatieve belastingregimes die de aanzet tot
     schuldfinanciering kunnen matigen. We besluiten met een analyse hoe deze alter-
     natieven het risicogedrag van banken mogelijk kunnen beïnvloeden.
1.   het belastingschild
     In de vennootschapsbelasting (afgekort vpb) zijn de rentelasten die op leningen en
     obligaties moeten worden betaald aftrekbaar van de winst voordat hierover het
     vpb-tarief wordt geheven. Dit geeft het zogeheten ‘belastingschild’ (in het Engels:
     tax shield), dat de waarde van een bedrijf verhoogt. Hierdoor hebben aandeel-
     houders een motief om gebruik te maken van meer schuldfinanciering dan als deze
     aftrek niet zou bestaan.
     Het belastingschild is voor zowel bedrijven als banken een stimulans voor schuld-
     financiering, maar voor banken ligt het iets genuanceerder. Voor bedrijven geldt dat
     de waarde van de bezittingen aan de linkerkant van de balans de waarde van het
     bedrijf bepalen als er geen vpb wordt geheven. De financieringsvorm aan de
     verplichtingenkant van de balans speelt hierin dan geen rol (dit is de bekende stel-
     ling van Modigliani en Miller). Voor de bank ligt dat iets anders. Voor een bank
     bepaalt de kwaliteit van de banktegoeden aan de verplichtingenkant mede de
     waarde van de bank. De kwaliteit van deze tegoeden wordt bepaald door het servi-
     ceniveau dat de bank biedt in het betalingsverkeer, de rente die de bank vergoedt en
     de kans dat een banktegoed wordt opgenomen (wat bepalend is voor het aanhou-
     den van liquiditeiten door de bank). Er bestaat dus wel een gradueel verschil tussen
     een bankbalans en bedrijfsbalans, maar het principe van het belastingschild is voor
</pre>

====================================================================== Einde pagina 256 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 257 ======================================================================

<pre>256       geld en schuld
          zowel bedrijven als banken toepasbaar. Het grote verschil tussen een bankbalans en
          bedrijfsbalans zit in de hefboom, die veel hoger is bij banken. Als er dan vpb wordt
          geheven is het belastingschild voor banken veel groter.
          Het belastingschild speelt dus zowel aan de vraagkant bij niet-financiële bedrijven,
          als aan de aanbodkant bij banken. De schuldfinanciering bij bedrijven wordt gele-
          verd door banken, obligatie- en geldmarkten. Als dat via een banklening gebeurt,
          dan betekent dit dat de bank tegelijkertijd bij het verstrekken van deze bedrijfs-
          lening het tegoed van het bedrijf met hetzelfde bedrag verhoogt (zie hoofdstuk 2).
          Daardoor neemt de hoeveelheid schuld van de bank toe, ook relatief ten opzichte
          van de hoeveelheid eigen vermogen. Door een lening van de bank aan het bedrijf
          neemt de schuld dus van beiden toe, waardoor zowel het bedrijf als de bank de
          rentelasten hierop kunnen aftrekken. Dit verhoogt het belastingschild dus voor de
          bank en het bedrijf.
Figuur III.1    Simpele bankbalans
                                          Bankbalans
                       bezittingen                              verplichtingen
                                                       schulden            S
                       leningen        L
                                                       eigen vermogen      E
                                           +                                   +
                                        L                               S+E
          Hoe werkt de winstbelasting en de renteaftrek en waarom geeft dit een belasting-
          schild? Het effect van verschillende vormen van winstbelasting illustreren we aan
          de hand van de gestileerde bankbalans in de bovenstaande figuur. Laat R de rente-
          voet zijn die wordt ontvangen op de leningen L die de bank verstrekt. Op de bank-
          tegoeden en de andere leningen die de bank nodig heeft voor haar financiering S
          (schulden) betaalt zij een rentevoet van I. Voor een bank die levensvatbaar is zal
          doorgaans gelden dat R > I. Het verschil R – I noemt men de rentemarge. De totale
          verdiensten of het inkomen van de bank bedragen LR (lees L maal R). De totale kos-
          ten zijn de rentebetalingen op de schulden SI (S maal I). Omdat de vaste kosten
          voor personeel en behuizing relatief gering zijn ten opzichte van LR of SI, laten we
          deze voor de eenvoud buiten beschouwing (maar het is niet moeilijk om rekening
          te houden met een vaste kostenpost). De winst is het verschil in de opbrengsten en
          kosten LR – SI. Zonder belasting is dit wat er overblijft voor aandeelhouders.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 257 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 258 ======================================================================

<pre>                             belastingregime, schuldenberg en risicohouding        257
Als we geen rekening houden met de bovengenoemde liquiditeitsvoordelen ver-
kregen uit depositofinanciering ten opzichte van financiering met eigen vermogen,
maakt het voor de waarde van bank niet uit welk deel van de leningen is gefinan-
cierd met eigen vermogen en welk deel met banktegoeden en obligaties is gefinan-
cierd. De waarde van de bank is dan de waarde van het pakket aan leningen L (en
hoe goed daarop wordt afbetaald). Als ieder jaar R wordt ontvangen op de leningen
en we de toekomstige inkomstenstroom met deze rentevoet naar het heden verdis-
conteren, krijgen we
                                                        
          1        1        1               1         
1 − 1 +      +           +       +… RL =           − 1 RL = L
       1 + R (1 + R ) (1 + R )
                        2       3
                                           1 −   1    
                                              1+ R 
De waarde van de bank is dus L, de marktwaarde van het pakket van leningen die
de bank heeft uitstaan. Hier maken we gebruik van het feit dat de oneindige som
van de discontovoeten een meetkundige reeks vormt, die te schrijven is als
      1        1           1            1       1+ R
1+         +         +        +… =            =
    1 + R (1 + R )2 (1 + R )3       1−
                                          1       R
                                        1+ R
Het feit dat de bank L waard is, staat enigszins los van de financieringsvorm aan de
verplichtingenkant van de balans, maar niet geheel (zoals we hierboven aanstip-
ten). Voor de eenvoud houden we in de analyse verder geen rekening met dit effect.
Dan geldt het algemene principe dat zonder vennootschapsbelasting de waarde
van een bedrijf of bank volledig wordt bepaald door wat zij bezit en daarop in de
toekomst denkt te ontvangen (en dit weer naar het heden verdisconteerd). De
financieringsmix E van aandelen en schulden S, speelt geen rol voor de waarde-
bepaling van het bedrijf. Wel is het zo dat het rendement op aandelen (maar niet de
aandelenprijs) varieert met de omvang van de hefboom. De precieze relatie is als
volgt: laat Y het verwachte rendement per aandeel zijn, dan geldt
Y = R + (R – I) (S / E).
Zodra er vpb wordt geheven is de waarde van de onderneming niet langer neutraal
ten opzichte van de financieringsvorm. Onder het huidige regime van vpb kan de
betaalde rente op leningen worden afgetrokken van de opbrengsten. Hierdoor
varieert de waarde van de onderneming met de omvang van de hefboom. Hoe
hoger de hefboom, hoe hoger de waarde van de onderneming (als zij winst maakt).
We analyseren dit effect in enig detail.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 258 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 259 ======================================================================

<pre>258  geld en schuld
2.  belastingregimes
    huidig belastingregime: rente is aftrekbaar van de winst voor
    belasting
    Het huidige belastingstelsel kent een vennootschapsbelastingvoet t die wordt
    geheven op de winst na aftrek van de rentekosten. Voor de bank zijn dit de rente-
    lasten SI op de banktegoeden en obligatieleningen. De belastingdienst ontvangt:
    t (LR – SI).
    Voor de aandeelhouders blijft er dan
    (1 – t)(LR – SI)
    over. Waarom hebben aandeelhouders van de bank er belang bij om een flink deel
    van de kredieten die de bank verstrekt met schuld te financieren?
    Om dit te zien vergelijken we wat er overblijft voor aandeelhouders en deposito-
    houders in het hypothetische geval dat de bank alle leningen uit eigen vermogen
    financiert (en dus geen depositohouders heeft, alleen aandeelhouders), met het
    geval dat de bank zich ten minste voor een deel met schulden financiert. In het eer-
    ste geval betaalt de bank tLR aan vennootschapsbelasting. Er zijn ook nog andere
    relatief kleine kostenposten, zoals personeelskosten, die op het bedrag waarover de
    belasting wordt geheven in mindering worden gebracht, maar dit verandert niets
    aan het principe dat schuldfinanciering de waarde voor aandeelhouders verhoogt.
    Bij volledige financiering uit eigen vermogen blijft er dus na belasting (1-t)LR voor
    de aandeelhouders over.
    Als de bank zich gedeeltelijk met schulden financiert, dan is de belastingafdracht
    t(LR – SI). Dus in vergelijking met volledige financiering met aandelen, wordt er
    minder belasting betaald. De bank die met vreemd vermogen is gefinancierd,
    bespaart
    tLR – t(LR – SI) = tSI
    aan belastingafdracht. Als dit voordeel jaarlijks terugkeert, geeft dit een totaal
    voordeel van
                                                            
              1       1         1                  1            I
    1 − 1 +      +         +          +… tSI =         − 1 tSI = tSI
           1 + R (1 + R )2 (1 + R )3         1 −   1          R
                                                  1+ R 
     Dit voordeel wordt het belastingschild genoemd. Het belastingschild tS(I/R) valt
     toe aan de aandeelhouders. Dat wil zeggen dat de waarde van de bank met dit
     bedrag toeneemt. Dus hoe hoger de hefboom, hoe minder belasting er wordt afge-
     dragen en hoe meer er overblijft na belasting. De omvang van dit voordeel varieert
     met de hoogte van de rente I en de discontovoet R, maar is altijd positief zolang de
     bank winstgevend is. Een hoger vpb-tarief t heeft ook een opdrijvend effect op het
     belastingschild. Er is dus een sterke prikkel om de bank gedeeltelijk met vreemd
     vermogen te financieren. Overigens wordt het effect van het belastingschild
</pre>

====================================================================== Einde pagina 259 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 260 ======================================================================

<pre>                             belastingregime, schuldenberg en risicohouding         259
vanwege de vpb getemperd doordat er ook inkomstenbelasting op rente en aande-
len en dividenden wordt geheven. Hierdoor is het uiteindelijke effect voor indivi-
duele aandeelhouders kleiner.
Voor banken is het makkelijker om van de financieringshefboom gebruik te maken
dan voor andere bedrijven. Om van het girale en elektronische betalingsverkeer
gebruik te maken, moet men een bankrekening hebben. Wanneer banken een
lening verstrekken, creëren zij tegelijkertijd banktegoeden. Dit draagt eraan bij dat
de hefboom bij banken hoger is dan in het overige bedrijfsleven. Het deposito-
garantiestelsel en het feit dat omvangrijke (systeemrelevante) banken impliciet
kunnen rekenen op overheidssteun mocht de nood aan de man zijn, zijn tevens
verantwoordelijk voor de hoge hefboom in het bankwezen. Hogere kapitaalseisen
na de kredietcrisis proberen deze drang tot hoge hefboom tegen te gaan.
Het effect van de vennootschapsbelasting op de omvang van de hefboom is onder-
zocht door De Mooij en Keen (2016) en het imf (2016b). Het belastingschild
varieert tS(I/R) proportioneel met het vpb-tarief t, maar een tariefverandering
heeft op termijn ook effecten op de andere variabelen S, I en R. Dat betekent dat
empirisch onderzoek nodig is om het totale effect vast te stellen. De schattingen
van De Mooij en Keen (2016) en het imf (2016b) wijzen op een toename van 1,9 à
3,5 procent van de schuldratio (dus S/L) als de vpb-voet t van 25% naar 35% gaat.
Het geheel elimineren van de voorkeur voor schuldfinanciering bij een vpb-voet
van 25% zou de schuldratio volgens deze schatting verlagen met 4,5 à 9 procent van
het balanstotaal. Groenewegen en Wierts (2017) schatten het netto-effect voor
Nederlandse banken van het belastingschild vanwege de vpb (minus de Neder-
landse bankbelasting) in de orde van een procent van het bbp (ongeveer €7 mil-
jard), wat gezien kan worden als de huidige waarde van alle toekomstige belasting-
besparingen voor bankaandeelhouders.
De Mooij, Keen en Orihara (2014) laten zien dat indien er een onderscheid wordt
gemaakt tussen grootbanken en kleine banken, de effecten van een verandering in
de belastingvoet op de schuldratio voor grootbanken beduidend lager zijn dan bij
kleinere banken. Hiervoor zijn twee verklaringen te geven. De grootbanken zitten
veelal tegen het plafond van wat wettelijk is toegestaan aan hefboomfinanciering
en kunnen de hefboom dus nauwelijks vergroten. Naar beneden toe speelt het debt
overhang-effect, wat betekent dat als een bank eenmaal een hoge hefboom heeft,
de aandeelhouders deze niet willen verlagen (zie bijvoorbeeld Myers 1977). Een
recente studie spreekt in dit verband van een paleffect of rateleffect (Admati et al.
2018). Dat effect werkt zo. Als een bank al een heel hoge hefboom heeft, zal het ver-
lagen van deze hefboom door meer eigen vermogen aan te trekken vooral ten
goede komen aan de crediteuren (vreemdvermogenverschaffers). Extra kapitaal
verlaagt de kans op een bankroet waardoor schuldverstrekkers een grotere kans
hebben om geheel te worden afbetaald en – mocht er zich toch een bankroet aan-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 260 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 261 ======================================================================

<pre>260 geld en schuld
    dienen – zijn het de schuldverstrekkers die profiteren van het extra eigen vermo-
    gen. Bovendien zorgt meer eigen vermogen voor een verkleining van het belas-
    tingschild. Omdat alle voordelen van extra eigen vermogen naar de crediteuren
    (depositohouders en obligatiehouders) gaan, heeft de grootbank zich in feite vast-
    geklikt op het hoge hefboomniveau.
    De Mooij, Keen en Orihara (2014) hebben ook gekeken wat de impact van de hef-
    boom is op de kans dat zich een systeemcrisis in het bankwezen voordoet. Zij
    berekenen dat bij een hefboom van 25 (dat wil zeggen dat de financiering van de
    bank voor 96% bestaat uit banktegoeden en obligaties, zoals ongeveer het geval is
    in Nederland) een verhoging van de vpb-voet t van 25% naar 26%, de kans op een
    bankcrisis doet toenemen met schattingen die variëren tussen de 0,1% tot wel 5%.
    Bij een hefboom beneden de 10 is dit effect echter te verwaarlozen. Dit geeft dus
    aan hoe belangrijk het is om de omvang van de schuldfinanciering te beteugelen
    vanuit de optiek van de systeemstabiliteit.
    beperken renteaftrek (tcr-regime)
    In het regeerakkoord van 2017 is het voornemen opgenomen om de renteaftrek
    voor banken en verzekeraars te beperken tot 92% van het balanstotaal van een
    bank. In de Engelstalige literatuur staat dit bekend als de ‘Thin Capitalization
    Rule’, kortweg tcr. De verhouding vreemd vermogen ten opzichte van het
    balanstotaal ligt nu voor de meeste Nederlandse banken rond de 95 à 96%, waar-
    mee de voorgestelde maatregel voor banken dus effectief zou zijn.
    Laat algemener gesteld a de factor zijn die het plafond aangeeft tot waar de rente-
    aftrek is toegestaan. Dit vermindert de omvang van het belastingschild. Zonder
    plafond is het belastingschild tSI/R. Als er een plafond is ingesteld op aL, dan heeft
    dit een effect op het belastingschild als de omvang van de schuldfinanciering S dit
    plafond overstijgt. Laat dit het geval zijn, dan daalt het belastingschild van tSI/R tot
    taLI/R. De waarde van de bank daalt dan met t(S-aL)I/R. Over de tijd kan dit leiden
    tot een aanpassing in de omvang van de schuldfinanciering S, bijvoorbeeld tot de
    grens van het plafond aL. Dit heeft echter geen invloed op de waarde van de bank.
    In de plannen voor deze kabinetsperiode is eveneeens sprake van een verlaging van
    het vpb-tarief. Ook dit zal het belastingschild en daarmee het motief voor schuld-
    financiering doen dalen. Laat τ het nieuwe tarief zijn, waarvoor dus geldt τ < t. Dan
    daalt het belastingschild verder van tSI/R via taLI/R tot τaLI/R.
    Veel landen hebben een bepaalde variant van het tcr-regime, volgens het imf
    (2016b) gaat het om ongeveer 60 landen. Daarbij zijn er belangrijke variaties tussen
    landen, zowel wat betreft de doelstelling (het tegengaan van belastingontwijking
    of het beperken van schuldfinanciering), de bedrijven die worden geraakt (som-
    mige landen differentiëren tussen financiële en niet-financiële bedrijven), en om
</pre>

====================================================================== Einde pagina 261 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 262 ======================================================================

<pre>                               belastingregime, schuldenberg en risicohouding      261
welke schulden het gaat (alle schulden of alleen schulden binnen eenzelfde con-
cern). Het imf (2016b: 22-23) stelt dat de tcr-maatregel vooral schuldfinanciering
bij bedrijven tegengaat wanneer het wordt toegepast op alle schulden.
Men zou zich af kunnen vragen waarom de renteaftrek niet in een keer helemaal
wordt afgeschaft. Gegeven de huidige omvang van de schuldenberg zou dit veel
ondernemingen in de problemen brengen. Wanneer men dit pad bewandelt, moet
dat in kleine stapjes gaan, om grote macro-economische schokken te voorkomen.
Om dezelfde reden wordt de renteaftrek op hypotheken in kleine stapjes terug-
gebracht. Voor banken is het extra ingewikkeld, aangezien rentelasten die voort-
vloeien uit hun geldscheppingsrol een inherent onderdeel van hun bedrijfsmodel
zijn. Bovendien moet men voor het bedrijfsleven rekening houden met arbitrage
tussen de verschillende landen en tracht de overheid belastingarbitrage te voor-
komen. Aanpassingen van het belastingregime kunnen gepaard gaan met ontwijk-
gedrag via internationale belastingarbitrage.
aftrek op eigen vermogen (ace-regime)
Er is nog een ander regime dat het ongelijke speelveld tussen de twee vormen van
financiering in sterke mate gelijktrekt: het Allowance for Corporate Equity-regime,
kortweg ace genoemd. Dit alternatief voor het beperken van de renteaftrek werkt
juist de andere kant op door ook aftrek op het eigen vermogen (kapitaal) toe te
staan. Op deze wijze trekt dit het speelveld tussen de alternatieve financierings-
vormen ook gelijk. In dit regime is er een aftrek voor een ‘normaal’ rendement op
het eigen vermogen. Als het erom gaat de hefboom in de financiële sector te ver-
minderen, kan deze belastingaftrek ook exclusief voor de banken en verzekeraars
worden ingevoerd (imf 2016b).
Laat G de risicoloze rente op een staatsobligatie zijn die gebruikt mag worden om
het ‘normale’ rendement op het eigen vermogen te bepalen. De ace geeft dan een
belastingvrijstelling van GE, het rendement op het aandelenvermogen als dit geïn-
vesteerd zou zijn in staatsobligaties. In dit regime ontvangt de belastingdienst niet
t(LR–SI), maar
t(LR – SI – EG).
Voor de aandeelhouders blijft er dan
(1 – t)(LR – SI) + tEG = (1 – t)(LR – SI) + t(L – S)G
over. Door de bankleningen gedeeltelijk te financieren met banktegoeden en obli-
gaties S besparen de aandeelhouders jaarlijks
t(LR – LG) – t(LR – SI – EG) = t(SI + EG – LG).
Deze besparing kan nog anders worden geschreven met behulp van de balans-
identiteit
L = S + E.
Voor een vaste omvang van de leenportefeuille L geeft dat
t(SI + EG – LG) = t(SI +[ L – S]G – LG) = tS(I – G) < tSI.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 262 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 263 ======================================================================

<pre>262 geld en schuld
    Als I > G, dat wil zeggen dat de rente op de bancaire schulden boven de rente op
    staatsobligaties ligt, is er voor de bank nog altijd een voordeel om zich met bank-
    tegoeden te financieren. De prikkel om een hoge hefboom aan te brengen in de
    bankbalans is echter wel minder. Bij I = G is het om het even wat het aandeel van de
    banktegoeden in de financiering is. Wanneer I < G, is er zelfs een voorkeur voor het
    financieren met eigen vermogen.
    Invoering van de ace betekent aan de ene kant dat de belastinggrondslag slinkt
    door de aftrekpost EG, en daarmee ook de opbrengst. Anderzijds zal de omvang
    van de schulden afnemen en het geïnvesteerde eigen vermogen toenemen omdat
    de prikkel om te financieren met vreemd vermogen afneemt. Het netto-effect op
    de belastingopbrengst indien de belastingvoet ongewijzigd blijft, is waarschijnlijk
    licht negatief (imf 2016b: 30). Om deze reden kan de vpb-voet iets worden ver-
    hoogd, zodat de invoering van het ace-regime neutraal is voor de belasting-
    ontvangst. Hierbij geldt, net als bij andere aanpassingen in het fiscale regime, dat
    belastingarbitrage een aandachtspunt is. Complexere schema’s zijn ook denkbaar
    waarbij de renteaftrek gelimiteerd wordt in combinatie met een aftrek voor het
    rendement op het eigen vermogen (zie De Mooij en Devereux 2011).
    In praktische zin is het ace-systeem ook bruikbaar gebleken. Landen als België en
    Italië kennen vormen van de ace. Schepens (2016) schat dat door de invoering van
    het ace-regime, de kapitaalratio (E/L) in banken met 13,5% is toegenomen (merk
    op dat de verhouding E/L laag is; het gaat dus om een percentuele stijging van deze
    lage verhouding). België moest na invoering de wet wel aanpassen om het vrije
    verkeer van kapitaal in de eu te borgen. Vanwege de internationale belastingcon-
    currentie wordt er recentelijk weer nagedacht over terugkeer naar het oude vpb-
    systeem. Dit geeft aan hoe belangrijk het is afspraken hierover in eu-verband te
    maken.
3.  de risicohouding van banken en het belastingregime
    Over de tijd is de verhouding tussen eigen vermogen en vreemd vermogen in de
    balansen van banken sterk afgenomen. Het vigerende belastingregime waarbij de
    rentelasten voor winst kunnen worden afgetrokken is een van de factoren die hier-
    aan heeft bijgedragen. De empirie van De Mooij en Keen (2016) en het imf (2016b)
    ondersteunt deze hypothese. Gegeven de risico’s verbonden aan excessieve
    schuldfinanciering, is het wenselijk om een gelijk speelveld te bieden voor finan-
    ciering op basis van schulden en eigen vermogen. Zowel een tcr- als een ace-
    regime kan hieraan bijdragen. De relevante vraag is wat de mogelijke effecten zijn
    van een dergelijke stap op het type activiteiten dat de bank ontplooit. Meer speci-
    fiek: welke mogelijke invloed hebben aanpassingen in het belastingregime op het
    risicogedrag van banken?
</pre>

====================================================================== Einde pagina 263 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 264 ======================================================================

<pre>                             belastingregime, schuldenberg en risicohouding           263
Om dit te analyseren gebruiken we een bekend model uit de micro-economie van
banken dat de verleiding tot aangepast gedrag analyseert (zie Freixas en Rochet
2008: 33-35). Voor banken zijn banktegoeden een zeer belangrijk onderdeel van de
financiering. Depositohouders kunnen de rente die op hun banktegoeden wordt
geboden gemakkelijk vergelijken met de aanbiedingen van andere banken. Door
concurrentie zullen die weinig van elkaar verschillen. Maar hoe de banken de gel-
den investeren, is minder gemakkelijk na te gaan voor depositohouders. Er is
sprake van asymmetrische informatie. Depositohouders hebben beperkte
mogelijkheden om de financiële bezittingen van banken te controleren, dit geeft
banken enige speelruimte in de activiteiten die zij ondernemen.
We veronderstellen daarom dat de rente I die op banktegoeden wordt gegeven
vaststaat en losstaat van de samenstelling van de leenportefeuille. Voor het gemak
nemen we daarbij aan dat andere vormen van schuldfinanciering geen rol spelen.
We zullen laten zien dat indien de rente die aan de depositohouders wordt gebo-
den losstaat van de risicohouding van de bank, de bank bij hoge rentestanden I de
neiging heeft om meer risico te nemen. Vervolgens gaan we na wat het heffen van
een vpb doet met de risicohouding van een bank. Op zich remt de vennootschaps-
belasting het nemen van risico. Daarna analyseren we wat de effecten zijn onder
het tcr- en het ace-belastingregime.
Stel een bank bezit een portefeuille met matig risicovolle bedrijfsleningen ter
waarde van L. Maar de bank overweegt deze om te wisselen voor een risicovollere
portefeuille van dezelfde waarde, met een ander rendement. De portefeuille met
matige risico’s is succesvol met kans π M en kent dan een rendement van LM, waar-
bij M de rente op de bedrijfsleningen met matig risico is. De portefeuille met hoog
risico is succesvol met kans π H en heeft dan een rendement van LH, waarbij H de
rente op deze bedrijfsleningen is. De kans op succes van de minder risicovolle por-
tefeuille is groter dan die van de andere portefeuille, dat wil zeggen dat π M > π H > 0.
Veronderstel verder dat de opbrengst van de hoog risicovolle leningen boven die
van de minder risicovolle leningen ligt, dus H > M > 0; maar de risicogewogen
opbrengst of verwachte opbrengst is wel lager, dat wil zeggen dat π H H < π M M. In
het geval dat het tegenzit, levert een portefeuille niets op en gaat het aandelen-
kapitaal E van de bank verloren. De depositohouders, of het depositogarantiestel-
sel, dragen dan het overblijvende verlies.
De binaire uitkomsten – ofwel succes dan wel geen enkele opbrengst – zijn geko-
zen voor de eenvoud, maar ook bij een continuüm van mogelijke uitkomsten en
risico’s verkrijgt men dezelfde conclusies. Als het goed gaat ontvangen de deposito-
houders de rente I op hun banktegoeden. De aandeelhouders vereisen een rende-
ment van ten minste Q. Dit is het rendement dat in de markt op alternatieve pro-
jecten te halen valt. Tevens veronderstellen we dat de aandelenmarkt ook op achter-
stand staat qua informatie ten opzichte van de bank – de aandeelhouder zal geen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 264 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 265 ======================================================================

<pre>264       geld en schuld
          ander rendement eisen bij een verandering in risicokarakteristieken van de leen-
          portefeuille van de bank. Ook kijken we niet naar eventuele veranderingen in kapi-
          taaleisen die voortvloeien uit een veranderde risicohouding. Aan het slot van deze
          notitie gaan we kort in op de verschillende aannames onder dit model.
          Grafisch zijn de opbrengsten bij de twee mogelijke uitkomsten van de twee typen
          portefeuilles als volgt weer te geven (zie figuur III.2).
Figuur III.2       Twee type portefeuilles
                                                                   Hoog Risico       L[(1+ H) – S(1+I)]
  Matig Risico
                                          L[ (1+ M) – S(1+I)]
                      1–                0                            1–        0
                                                   >
                                                   >
          Zonder vennootschapsbelasting is de verwachte extra toekomstige opbrengst van
          de portefeuille met matig risico:1
          π M  L (1 + M ) − S (1 + I )  + (1 − π M ) 0 − (1 + Q ) E
          =π M  LM − SI + ( L − S )  − (1 + Q ) E
          =π M ( LM − SI + E ) − (1 + Q ) E
          Merk op dat het eerste deel in bovenstaande uitdrukking een herschreven vorm is
          van de verwachte opbrengst L(1+M) minus de terugbetaling van de schuld plus
          rente S(1+I) in het goede scenario, waarbij L=E+S is gesubstitueerd. De verwachte
          opbrengst is dan π M ( LM − SI + E ) , omdat de portefeuille met kans (1−π M ) niets
          oplevert. Deze opbrengst moet worden afgezet tegen wat er aan eigen kapitaal is
          ingestoken (E), en hoeveel het rendement is, QE, dat gemiddeld elders in de markt
          gerealiseerd kan worden. Zolang het verschil tussen de verwachte opbrengst
          π M ( LM − SI + E ) en de opportuniteitskosten (1 + Q ) E positief is, is het voor de bank
          zinvol om de portefeuille met matig risicovolle leningen te financieren.
          Een vergelijkbare uitdrukking geldt voor de portefeuille met hoog risico
          π H ( LH − SI + E ) − (1 + Q ) E
</pre>

====================================================================== Einde pagina 265 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 266 ======================================================================

<pre>                              belastingregime, schuldenberg en risicohouding           265
We kunnen nu analyseren bij welke depositorentes I de bank kiest voor de porte-
feuille met matig risico, en wanneer de portefeuille met hoog risico wordt gekozen.
De twee uitdrukkingen voor de portefeuillerendementen minus de opportuni-
teitskosten zijn grafisch weergegeven in figuur III.2. Er is een bepaalde deposito-
rente waarbij de bank overstapt van de portefeuille met laag risico naar de porte-
feuille met hoog risico, de kantelrente. We gebruiken voor dit specifieke renteni-
veau het symbool K om aan te geven bij welke rentestand I de keuze voor het type
leningen kantelt. Door beide uitdrukkingen aan elkaar gelijk te stellen en op te los-
sen naar I, vinden we dat
     π mM − π H H L E
K=               ⋅ +
       πm −πH     S S
Waarom geeft de bank bij een hoge depositorente I de voorkeur aan het nemen van
meer risico? Dat zit zo. De kosten van het betalen van de depositorente SI werken
sterker door voor het project met laag risico omdat de kans op succes daar groter is:
π M > π H. Dit maakt dat π M SI > π H SI. Bij lage rentestanden I domineert de project-
opbrengst π M LM > π H LH, maar bij hoge I werken de kosten sterker door. In
figuur III.2 worden de kosten weergegeven door de hellingen van de twee pro-
jecten, terwijl de opbrengsten de intercepten langs de verticale as bepalen. Bij het
stijgen van de depositorente I past de bank haar voorkeur voor het financieren van
het type leningen aan, terwijl de rente I die aan de depositohouder wordt betaald,
losstaat van deze keuze. Dit aangepaste gedrag noemt men in de Engelstalige litera-
tuur ‘moral hazard’.
Dit is precies wat gebeurde in de tweede fase van de crisis in de spaarbankensector
in de vs begin jaren tachtig. Om voldoende tegoeden aan te trekken moesten
spaarbanken hun rente verhogen, ondanks het feit dat de rente-inkomsten achter-
bleven. Dit leidde vaak tot een ‘alles-of-niets’-strategie waarbij de spaarbanken
gokten op herstel door veel risico te nemen met hun beleggingen (Congressional
Budget Office 1992).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 266 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 267 ======================================================================

<pre>266       geld en schuld
Figuur III.3       Projectkeuze bank zonder vpb
                 opbrengsten
           +     − 1+
                                         Project M
          +      − 1+
                                                      Project H
                                                SK                                 rentelasten SI
          Vervolgens onderzoeken we het effect van een vpb-tarief op het risicogedrag van
          de bank. Met een vennootschapsbelastingvoet (vpb-voet) van t bedraagt de ver-
          wachte belastingafdracht respectievelijk tπ M ( LM − SI ) en tπ H ( LH − SI ). De ver-
          wachte opbrengst na belasting luidt dan
          (1 − t ) π M ( LM − SI ) − (1 + Q − π M ) E
          en
          (1 − t ) π H ( LH − SI ) − (1 + Q − π H ) E
          Met behulp van deze twee uitdrukkingen kunnen we weer nagaan bij welke depo-
          sitorente I op banktegoeden de bank indifferent is tussen de twee projecten. Door
          beide laatste uitdrukkingen aan elkaar gelijk te stellen en op te lossen naar I, vinden
          we de kantelrente
               π mM − π H H L 1 E
          K=                      +
                   π m − π H S 1− t S
          Wat zegt deze formule? Indien de rente I die wordt vergoed op banktegoeden lager
          ligt dan K, dan kiest de bank voor de portefeuille met een matig risico. Stijgt de
          depositorente I boven K, bijvoorbeeld doordat concurrerende banken meer bieden,
          dan verkiest de bank de portefeuille met een hoog risico.
          Met behulp van bovenstaande uitdrukking voor de kantelrente kunnen we eendui-
          dig vaststellen wat het effect is van een belastingverhoging. Eerder lieten we al zien
          dat een hoger vpb-tarief t het belastingschild doet stijgen en een hogere hefboom
          geeft. Nu kunnen we ook nagaan wat een hoger tarief doet met het risicogedrag
</pre>

====================================================================== Einde pagina 267 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 268 ======================================================================

<pre>                                        belastingregime, schuldenberg en risicohouding          267
          van een bank. Dit volgt direct uit de tweede term van de uitdrukking voor de kan-
          telrente K waar 1−t in de noemer staat. Hoe hoger de belastingvoet t is, hoe hoger
          de rente K is waarbij de bank meer risico gaat nemen. In het geval dat de deposito-
          rente vlakbij de kantelrente ligt, zal een hoger tarief van de vennootschapsbelas-
          ting, het nemen van extra risico door de bank remmen. Grafisch is dit effect van
          een hogere vpb-voet weergegeven in figuur III.3. Door de positieve vpb-voet, t > 0,
          verschuiven de lijnen die de nettoprojectopbrengsten (opbrengsten minus de
          opportuniteitskosten) weergeven naar beneden en gaan deze ook vlakker verlopen.
          Hierdoor verschuift de kantelrente K naar rechts.
Figuur III.4     Projectkeuze bank met vpb t>0
             opbrengsten
                                   Project M
                                                                     Project H
                                                                             rentelasten SI
                                                       SK
          Maar naast dit directe ‘prijseffect’, is er op termijn ook een effect van de tariefs-
          wijziging op het belastingschild. Een hoger tarief t doet het belastingschild toene-
          men en impliceert, zoals we al eerder zagen, dat de bank de hefboom wil verhogen.
          Dat wil zeggen dat de kapitaal-schuldratio E/S gaat dalen. Dit effect werkt tegenge-
          steld aan het directe effect van de stijging van 1/(1−t) als t toeneemt. De twee effec-
          ten werken tegen elkaar in en het netto-effect is niet eenduidig vast te stellen. Hoe
          pakt dit uit onder de twee alternatieve belastingregimes ace en tcr?
          ace-regime
          Stel nu dat het ace-systeem wordt ingevoerd, wat doet dit met de risicohouding
          van de bank? Laat G de denkbeeldige rente zijn die gerekend mag worden voor de
          aftrek op het eigen kapitaal. Dit kan bijvoorbeeld de rente op tienjarige staats-
          obligaties zijn. Indien de portefeuille met matig risico succesvol is, wordt er belas-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 268 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 269 ======================================================================

<pre>268 geld en schuld
    ting geheven over ( LM − SI − EG ). En voor de portefeuille met veel risico zijn de
    belastbare inkomsten in het geval van succes ( LH − SI − EG ). De uitdrukkingen
    voor de verwachte opbrengst na belasting zijn dan als volgt:
    π M ( LM − SI ) − τπ M ( LM − SI − EG ) − (1 + Q − π M ) E
    en
    π H ( LH − SI ) − τπ H ( LH − SI − EG ) − (1 + Q − π H ) E
    Om de belastingvoet onder het ace-regime aan te duiden gebruiken we weer het
    symbool τ . De depositorente K waarbij de bank indifferent is tussen de twee porte-
    feuilles met leningen luidt in het geval van het ace-regime
          π mM − π H H L 1+ τ G E
    K=                     +
            π m − π H S 1−τ S
    Een hogere denkbeeldige rente G voor de aftrek op eigen vermogen doet de kantel-
    rente K stijgen, waarmee de neiging tot het nemen van meer risico wordt gema-
    tigd. Tevens heeft een hoger ace-tarief τ een opstuwend effect op K. Bovendien
    vinden we dat een stijging van de belastingvoet τ nu extra hard doorwerkt in de
    toename van K, omdat τ G positief in de teller voorkomt en 1 − τ in de noemer staat.
    Als bovendien de opbrengst van de vennootschapsbelasting bij overgang op het
    ace-systeem gelijk moet blijven, dan dient τ > t en neemt de neiging tot aangepast
    gedrag nog meer af.
    Zonder een tariefswijziging is het effect van het ace-regime getekend in figuur III.
    4. De aftrek op het eigen vermogen laat beide netto-opbrengstlijnen stijgen, even-
    wijdig aan de oude lijnen, maar meer voor de portefeuille met gemiddeld risico.
    De twee intercepten nemen toe met respectievelijk tπ M EG en tπ H EG. Maar
    tπ M EG > tπ H EG, zodat de kantelrente naar rechts verschuift. Het ace-regime is
    neutraal met betrekking tot de financieringsvorm en heeft bijgevolg geen effect op
    de hellingshoek van de twee lijnen. Op termijn zal de invoering van een ace-
    regime, onder de gemaakte aannames, niet alleen een prijseffect hebben, maar ook
    tot aanpassingen in de financieringsmix leiden.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 269 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 270 ======================================================================

<pre>                                              belastingregime, schuldenberg en risicohouding  269
Figuur III.5      Projectkeuze bank met vpb en ace
             opbrengsten
                                    Project M
                                                                    Project H
                                                                               rentelasten SI
                                                    SK
          tcr
          In dit regime wordt de hefboom begrensd door een plafond op de renteaftrek. Laat
          a weer het percentage van het balanstotaal zijn waarmee de aftrek wordt beperkt.
          Stel bovendien dat S ≥ aL, zodat de beperking voor beide typen portefeuilles effec-
          tief is. Tevens veronderstellen we dat het vpb-tarief simultaan met de invoering
          van het renteplafond wordt verlaagd van t tot τ , zoals is voorgesteld in het regeer-
          akkoord. De uitdrukkingen voor de verwachte opbrengst na belasting zijn dan als
          volgt:
          π M ( LM − SI ) − τπ M ( LM − aLI ) − (1 + Q − π M ) E
          en
          π H ( LH − SI ) − τπ H ( LH − aLI ) − (1 + Q − π H ) E
          Dan is de uitdrukking voor de kantelrente
          K=
                (π mM − π H H )(1 − τ ) L + E
                 (π m − π H ) ( S − τ aL )    S − τ aL
          We bespreken een tweetal effecten. Allereerst het prijseffect zonder dat de hoe-
          veelheden vreemd vermogen S en kapitaal E veranderen. Over de tijd zullen deze
          wel veranderen. Ten tweede bespreken we de gecombineerde effecten van de
          tariefwijziging en de hoeveelheidsaanpassingen. Ten slotte laten we zien hoe een
          combinatie met het ace-regime nog effectiever kan zijn in het temperen van het
          risicogedrag.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 270 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 271 ======================================================================

<pre>270 geld en schuld
    prijseffect
    Wat is het gecombineerde effect van een verlaging van t tot τ, τ < t, en de aftrek-
    beperkende factor a < 1? De tcr-regeling impliceert
    K=
          (π mM − π H H ) (1 − τ ) L +    E
              πm −πH      S − τ aL     S − τ aL
    Voorheen hadden we
         π mM − π H H L 1 E
    K=                    +
            π m − π H S 1− t S
    Vergelijk de twee delen van beide formules. We gaan ervan uit dat de aftrekbeper-
    king effectief is, dat wil zeggen dat S > aL. Onder deze voorwaarde geldt dat
        S         1
              <
    S − τ aL 1 − t
    en
    (1 − τ ) S < 1
     S − τ aL
    Dit betekent dat de gecombineerde verlaging van het vpb-tarief en de beperking
    van de renteaftrek de kantelrente K verlaagt. Door a te verlagen gecombineerd met
    de tariefverlaging tot τ, neemt K in eerste instantie juist af in plaats van toe. Bij
    gelijkblijvende hefboom zal dan een toekomstige stijging van de depositorente
    eerder aanleiding geven om over te stappen naar het financieren van meer risico-
    volle leningen. Dit is in eerste instantie tegengesteld aan wat het ace-systeem
    bereikt. Maar op termijn speelt er ook een hoeveelheidseffect.
    Zonder een tariefswijziging te betrekken bij de invoering van het tcr-regime,
    kunnen we het begrenzen van de renteaftrek eenvoudig grafisch weergeven, zie
    figuur III.5. Door het renteplafond en bij ongewijzigd tarief, roteren de netto-
    opbrengstlijnen naar beneden. Dit komt doordat de renteaftrek nu minder effectief
    is dan voorheen, wat de hellingshoek van de twee lijnen verscherpt. Hierdoor
    schuift de kantelrente naar links en zal de bank eerder voor de risicovollere porte-
    feuille kiezen als de depositorente I gaat stijgen. Als daarbij de belastingvoet nog
    wordt verlaagd, speelt het omgekeerde effect als in figuur III.3.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 271 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 272 ======================================================================

<pre>                                           belastingregime, schuldenberg en risicohouding     271
Figuur III.6      Projectkeuze bank met vpb en tcr
             opbrengsten
                                      Project M
                                                            Project H
                                                                            rentelasten SI
                                          SK
          hoeveelheidseffecten
          Als resultaat van de tariefsverlaging zal op termijn de hoeveelheid schuldfinancie-
          ring gaan dalen omdat het belastingschild afneemt, zoals blijkt uit de schattingen
          in De Mooij, Keen en Orihara (2014) en De Mooij en Keen (2016) met betrekking
          tot het effect van een vpb-verandering. Het imf (2016b) berekent dat een tcr-
          regime door het verlagen van a ook de hoeveelheid depositofinanciering vermin-
          dert. Stel bijvoorbeeld dat de hoeveelheid banktegoeden daalt tot de aftrekbare
          marge, dat wil zeggen tot S=aL. Dat impliceert dat de hoeveelheid eigen kapitaal
          toeneemt tot (1 − a)L. Dit geeft een kantelrente van
          K=
               (π m M − π H H ) 1 + 1 − a   1
                  (π m − π H )  a     a 1−τ
          ten opzichte van het uitgangspunt
               π mM − π H H L E 1
          K=                    +
                  π m − π H S S 1− t
          Het gevolg is dat de kantelrente K door de hoeveelheidseffecten wel toeneemt als
          we bijvoorbeeld de voor Nederland relevante parameterwaarden invullen. Deze
          zijn als volgt: in de huidige situatie is E/S ongeveer 0,04 zodat L/S bij benadering
          1,04 is. Het huidige vpb-tarief bedraagt t=0,25. In het regeerakkoord van 2017 wordt
          voorgesteld om a te beperken tot 0,92 en gaat het tarief in drie stappen naar τ=0,21.
          Dit alles betekent dat
           E 1       0,04                     0,08 / 0,92 1 − a 1
                   =        = 0,05 < 0,11 =              =
           S 1 − t 0,75                          0,79         a 1−τ
</pre>

====================================================================== Einde pagina 272 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 273 ======================================================================

<pre>272 geld en schuld
    Op termijn geeft het in het regeerakkoord voorgestelde tcr-regime gecombineerd
    met de tariefsverlaging dus een verbetering in de risicohouding als de veronder-
    stelde hoeveelheid schuldfinanciering van banken inderdaad daalt tot 92%. Kan het
    nog beter?
    combinatie tcr en ace
    De vraag is of, gegeven de negatieve prijseffecten inherent aan het tcr-regime, een
    combinatie van de regeringsplannen en het ace-principe nog effectiever kan wer-
    ken. Indien in de regeringsplannen naast de renteaftrek tevens een aftrek voor
    eigen kapitaal wordt toegestaan, dan gaat de kantelrente van
    K=
         (π m M − π H H ) 1 + 1 − a   1
           (π m − π H )   a     a 1−τ
    naar
    K=
         (π m M − π H H ) 1 + 1 − a 1 + τ G
           (π m − π H )   a     a    1−τ
    De factor τ G in de teller van de tweede term zorgt voor een extra opdrijvend effect
    op K. Maar omdat de extra aftrek de belastingbasis versmalt, zal de voet τ weer iets
    moeten worden verhoogd om dezelfde opbrengst te genereren, als de maatregel
    belastingneutraal wordt ingevoerd. Ook dit zal de kantelrente weer verhogen en
    daarmee de risicogeneigdheid afremmen. Eventueel kan dit een apart tarief alleen
    voor banken zijn. Dus langs twee kanten pakt de combinatie van tcr en ace posi-
    tief uit. Op termijn zal door deze combinatie de hoeveelheid schuldfinanciering
    waarschijnlijk extra dalen (beneden aL).
4.  tot slot
    Hoe belangrijk het belastingregime is voor het beteugelen van het risicogedrag en
    de hefboom van banken is niet nauwkeurig te zeggen op basis van het boven-
    staande simpele model. Uit de analyse blijkt dat een combinatie van een beperking
    van de renteaftrek (het door het kabinet voorgestelde renteplafond) in combinatie
    met een aftrek op eigen vermogen volgens het ace-regime kan helpen om tot een
    gelijker speelveld te komen tussen financiering op basis van schulden en financie-
    ring op basis van eigen vermogen.
    Bij deze conclusies moeten we wel vermelden dat de onderliggende aannames van
    het model de werkelijkheid sterk versimpelen. We nemen bijvoorbeeld aan dat de
    schuldfinanciering van de bank volledig van depositohouders komt en dat zij geen
    hogere rente eisen bij een veranderde risicohouding van de bank. Dat dit geldt voor
    depositohouders is goed te beargumenteren; het is voor hen moeilijk na te gaan
    wat de bank precies doet en welke risico’s dat oplevert. In de praktijk zijn er echter
    meer schuldverstrekkers, die zich beter informeren en een hogere vergoeding eisen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 273 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 274 ======================================================================

<pre>                             belastingregime, schuldenberg en risicohouding         273
van bedrijven die veel risico nemen ten opzichte van bedrijven die minder risico
nemen. Het model neemt ook aan dat de aandeelhouders niet reageren op een ver-
anderende risicohouding van de bank. De risicovollere bedrijven hebben daardoor
in de praktijk wel hogere financieringskosten. Een andere versimpeling is dat we in
de analyse geen rekening houden met kapitaaleisen die afhankelijk zijn van het
risico dat in de bankbalans zit. Hoewel het niet moeilijk is om daar rekening mee te
houden, compliceert dit de berekeningen onnodig. Ten slotte gaat het model uit
van het gedrag van een individuele bank. Of de bevindingen ook gelden wanneer
alle Nederlandse banken blootgesteld zijn aan veranderde maatregelen kan niet uit
het model worden afgeleid.
Wel blijkt uit empirisch werk dat deze aanpak kan helpen. Volgens het imf (2016b)
dragen het tcr-regime en het ace-regime bij aan minder prikkels voor schuld-
financiering. De Europese Commissie heeft al een aantal voorstellen gedaan voor
een gelijke fiscale behandeling van schuld en eigen vermogen (zie bijv. Europese
Commissie 2016c). Het nu voorgestelde tcr-regime, mogelijk gecombineerd met
een aftrek op eigen vermogen volgens het ace-regime, zou eraan kunnen bijdra-
gen om de excessieve schuldfinanciering binnen het bankwezen tegen te gaan.
Daarbij zijn de omstandigheden vanwege lage rentes relatief gunstig. Dit geldt
voor het tcr-regime, omdat een beperking van aftrekbaarheid van rentelasten
draaglijker is in geval van lage dan in geval van hoge rentes. Het geldt ook voor het
ace-regime; de rente op staatsobligaties staat nu zeer laag, waardoor een belas-
tingneutrale invoering van het ace-regime mogelijk is. De aftrek op het eigen ver-
mogen is relatief beperkt en kan gemakkelijk gecompenseerd worden met een
kleine tariefsverhoging. Als de rente op termijn weer stijgt, geeft dit een geleide-
lijke aanpassing in de aftrek op eigen vermogen en vreemd vermogen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 274 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 275 ======================================================================

<pre>2 74 geld en schuld
noot
1    In de eerste uitdrukking staan de netto verwachte opbrengsten van de portefeuille maal de
     kans op succes tussen vierkante haken. Deze netto opbrengsten zijn afgezet tegen het mini-
     maal geëiste rendement op het eigen vermogen E door aandeelhouders (1+Q)E. Het verschil
     is de extra verwachte opbrengst.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 275 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 276 ======================================================================

<pre>                                                                                         275
bijlage iv begrippenlijst
     Hieronder volgt een overzicht met uitleg van een aantal termen en begrippen die
     gebruikt worden in dit rapport. Dit is bedoeld als handreiking naar de lezer die min-
     der vertrouwd is met de materie. Voor sommige begrippen zijn er uiteraard meerdere
     definities mogelijk. Voor de leesbaarheid hebben we niet alle mogelijke nuances aan-
     gegeven.
     •   Bank
         Juridisch gezien is ‘bank’ op dit moment een beschermde naam die alleen
         gebruikt mag worden voor “een onderneming waarvan de werkzaamheden
         bestaan in het bij het publiek aantrekken van deposito’s of van andere terug-
         betaalbare gelden en het verlenen van kredieten voor eigen rekening.” (art. 4
         Verordening kapitaalvereisten). In deze definitie komt niet duidelijk naar voren
         dat banken bij het verstrekken van krediet nieuwe deposito’s creëren. In dit
         rapport wordt de term bank breder gebruikt, ook voor bepaalde financiële
         instellingen die maar één van de twee genoemde diensten aanbieden.
     •   Betaalbank
         Instelling die zich alleen met betalen en sparen bezighoudt.
     •   Centralebankreserves
         Tegoeden die banken aanhouden bij de centrale bank. Centralebankreserves
         dienen als betaalmiddel voor banken onderling en tussen banken en centrale
         banken. Banken kunnen hun reserves bij de centrale bank inwisselen voor
         contant geld. Ook kunnen banken extra reserves lenen bij de centrale bank.
         Burgers en niet-bancaire private instellingen hebben geen toegang tot deze
         reserves. Deze reserves worden daarom niet tot de maatschappelijke geld-
         hoeveelheid gerekend.
     •   Digitaal centralebankgeld
         Digitale tegoeden bij de centrale bank die voor het publiek toegankelijk zijn en
         waarmee betalingen kunnen worden verricht. Op dit moment bieden centrale
         banken geen betaalrekeningen aan particulieren, al is dit in sommige landen in
         het verleden wel in beperkte mate gebeurd. Vandaag de dag hebben alleen
         banken rekeningen bij de centrale bank. Omdat de tegoeden die daarop staan
         alleen voor banken toegankelijk zijn en niet als geld in de maatschappij func-
         tioneren, spreekt men in dit verband niet van digitaal centralebankgeld maar
         van centralebankreserves.
     •   Eigen vermogen
         Het bedrag dat overblijft wanneer je de waarde van alle bezittingen van een
         bedrijf vermindert met de schulden. Het is in feite het geld dat de eigenaars zelf
         hebben ingelegd, vermeerderd met ingehouden winsten en verminderd met
         gemaakte verliezen en uitgekeerd dividend.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 276 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 277 ======================================================================

<pre>276 geld en schuld
    •   Financiële sector
        Alle instellingen die diensten aanbieden die ervoor zorgen dat we kunnen beta-
        len, sparen, lenen en verzekeren. Hieronder vallen bijvoorbeeld banken, verze-
        keraars, pensioenfondsen en beleggingsinstellingen.
    •   Financieringsinstelling
        Instelling die zich bezighoudt met het verstrekken van krediet. In het publiek-
        geldsysteem kan deze instelling daartoe geen nieuw giraal geld creëren – nieuw
        geld kan in dat systeem alleen door de centrale bank worden gecreëerd.
    •   Geld
        Het algemeen geaccepteerde middel om betalingen mee te doen. Vandaag de
        dag zijn er twee algemeen erkende vormen: contant geld, te weten munten en
        bankbiljetten en giraal geld, de tegoeden bij commerciële banken.
    •   Geldhoeveelheid
        De maatschappelijke geldhoeveelheid beschrijft de hoeveelheid geld in het
        bezit van het publiek (burgers en bedrijven, met uitzondering van banken). Er
        zijn verschillende afbakeningen van de geldhoeveelheid, afhankelijk van wat
        als geld wordt meegeteld. Deze worden uitgedrukt met M (van money) gevolgd
        door een cijfer. Bij de smalle afbakening (M1) worden alleen contanten en
        betaaltegoeden meegeteld. Bij bredere afbakeningen (M2 en M3) wordt ook
        spaargeld meegerekend en financiële instrumenten die relatief snel, eenvoudig
        en met niet of nauwelijks verlies in waarde in betaaltegoeden kunnen worden
        omgezet (zie ook tabel 1.1). Naast de maatschappelijke geldhoeveelheid is er ook
        nog de basisgeldhoeveelheid. Hierbij gaat het om het totaal aan contant geld en
        centralebankreserves. Dit wordt aangeduid met M0. M1 en M0 overlappen
        deels (het contant geld dat in handen is van het publiek telt voor beide mee).
    •   Geldmarkt
        Verwijst naar de vraag naar en het aanbod van financiële middelen met een
        korte looptijd (korter dan een jaar). Een belangrijk onderdeel van de geldmarkt
        is de interbancaire markt, waar banken met een overschot aan centralebank-
        reserves deze voor een korte periode uitlenen aan banken met een tekort.
    •   Geldstelsel
        Het geheel van giraal en contant geld. In het geldstelsel spelen de centrale bank
        en commerciële banken (geldscheppende instellingen) een belangrijke rol.
    •   Giraal geld
        Tegoeden op een betaal- of spaarrekening.
    •   Hefboomratio
        Het percentage eigen vermogen ten opzichte van de totale bezittingen op een
        bankbalans. Het verschil tussen de hefboomratio en de kapitaalratio is dat bij
        de kapitaalratio ook het risicoprofiel van de bezittingen wordt meegenomen en
        naast eigen vermogen een beperkt aantal schuldinstrumenten meetelt als kapi-
        taal.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 277 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 278 ======================================================================

<pre>                                                               begrippenlijst    277
• Inflatie/deflatie
  Een stijging respectievelijk daling van het algemene prijspeil in een economie.
  Het is niet vanzelfsprekend wat moet worden meegenomen bij het bepalen van
  het algemene prijspeil. Over het algemeen wordt inflatie berekend met behulp
  van de consumentenprijsindex (cpi). De cpi geeft aan hoe de prijzen van
  bepaalde geselecteerde goederen en diensten in een jaar zijn ontwikkeld. In de
  eu wordt gebruik gemaakt van een geharmoniseerde prijsindex (de hicp).
• Kapitaalmarkt
  Verwijst naar de vraag naar en het aanbod van financiële middelen met een
  lange looptijd (langer dan een jaar). Het gaat hierbij bijvoorbeeld om de uitgifte
  van, en de handel in aandelen en langlopende obligaties.
• Kapitaalratio
  Het percentage kapitaal ten opzichte van de totale, naar risico gewogen bezit-
  tingen op een bankbalans. Kapitaal is het eigen vermogen van de bank plus een
  beperkt aantal schuldinstrumenten. Relatief risicovolle bezittingen vereisen
  meer kapitaal dan relatief veilige bezittingen.
• Kapitaalregulering
  Beleid dat erop gericht is dat banken genoeg kapitaal (eigen vermogen plus een
  beperkt aantal schuldinstrumenten) hebben om zo verliezen op te kunnen
  vangen zonder dat hun solvabiliteit in gevaar komt.
• Kwantitatieve verruiming
  Bij kwantitatieve verruiming, onderdeel van het monetair beleid dat centrale
  banken sinds de crisis voeren, koopt de centrale bank op grote schaal financiële
  bezittingen van banken of andere instellingen.
• Liquide bezittingen
  Bij liquide bezittingen van een bank gaat het om contant geld, centralebank-
  reserves en bezittingen die binnen een korte termijn (30 dagen) kunnen wor-
  den verkocht en daarmee omgezet in centralebankreserves.
• Liquiditeitsrisico
  Het risico dat het verschil in looptijd tussen de bezittingen en de schulden van
  bijvoorbeeld een bank oplevert. De bank moet de tegoeden van deposito-
  houders onmiddellijk kunnen betalen, terwijl veel van de schulden van ande-
  ren aan de bank (de bankkredieten) niet direct opeisbaar zijn.
• Looptijdtransformatie
  Het verschil in looptijd tussen de schulden en de bezittingen van bijvoorbeeld
  een bank. Banken bieden aan de ene kant rekeningen aan waarvan de tegoeden
  snel of direct opneembaar zijn. Aan de andere kant verstrekken zij leningen
  met een lange looptijd, bijvoorbeeld hypotheken. Deze looptijdtransformatie
  zorgt voor een inherent liquiditeitsrisico.
• Macroprudentieel beleid
  Beleidsmaatregelen die specifiek gericht zijn op het waarborgen van de stabili-
  teit van de financiële sector als geheel. Macroprudentieel beleid tracht het han-
  delen van financiële instellingen, burgers en bedrijven zodanig te beïnvloeden
</pre>

====================================================================== Einde pagina 278 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 279 ======================================================================

<pre>278 geld en schuld
        dat systeemrisico’s worden tegengegaan. Dit bijvoorbeeld door extra kapitaal-
        eisen te stellen aan systeembanken of het anticyclisch verhogen van kapitaal-
        eisen.
    •   Microprudentieel beleid
        Beleidsmaatregelen die specifiek gericht zijn op het waarborgen van de stabili-
        teit van individuele banken. Bijvoorbeeld door van banken te eisen dat zij
        voldoende eigen vermogen hebben om verliezen op te vangen en dat zij vol-
        doende stabiele financiering hebben.
    •   Monetair beleid
        Beleidsmaatregelen die primair gericht zijn op het waarborgen van de interne
        en/of externe stabiliteit van de munt. Afhankelijk van land en periode heeft
        monetair beleid ook nog andere doelen, zoals het bijdragen aan economische
        stabiliteit en werkgelegenheid. Monetair beleid wordt vandaag de dag primair
        vormgegeven door het variëren van de rentes die centrale banken rekenen aan
        commerciële banken. Sinds de crisis maken centrale banken ook gebruik van
        kwantitatieve verruiming, waarbij zij op grote schaal financiële bezittingen van
        banken en andere instellingen opkopen.
    •   Monetair-financieel systeem
        Geldscheppende instellingen, andere financiële instellingen, centrale banken
        en toezichthouders die tezamen effect hebben op het functioneren van geld-
        schepping, betalen, sparen, kredietverlening en verzekeren.
    •   Obligatie
        Een verhandelbaar schuldpapier uitgegeven door de overheid (staatsobligatie),
        een financiële instelling of een bedrijf. Door het aangaan van een obligatie-
        lening krijgt de instelling geld ter beschikking, maar daar staat een schuld
        tegenover die de instelling moet aflossen en waar de instelling rente over moet
        betalen.
    •   Publiekgeldsysteem
        Een systeem met een strikte scheiding tussen het betaaldeel en het financie-
        ringsdeel. Geld staat direct bij de centrale bank of bij betaalbanken waarbij
        tegoeden voor honderd procent zijn gedekt met centralebankreserves. Nieuw
        geld kan alleen door de centrale bank worden gecreëerd. In het financierings-
        deel dienen instellingen eerst geld op te halen voordat zij leningen kunnen ver-
        strekken.
    •   Repo
        De afkorting van repurchase agreement. Bij een repo verkoopt een partij een
        financiële bezitting (bijvoorbeeld een staatsobligatie) aan een andere partij,
        met de belofte om deze op een later tijdstip terug te kopen. De verkopende par-
        tij krijgt op die manier voor een bepaalde tijd beschikking over geld, de
        kopende partij krijgt beschikking over het financiële instrument. Repo’s ver-
        vullen verschillende functies. Voor institutionele beleggers is het bijvoorbeeld
        een manier om hun geld relatief veilig te kunnen ‘stallen’. Omdat het deposito-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 279 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 280 ======================================================================

<pre>                                                             begrippenlijst      279
  garantiestelsel niet alle tegoeden dekt, is een repo een manier om grote bedra-
  gen voor een bepaalde tijd tegen onderpand ‘weg te zetten’. De tegenpartij
  heeft op deze manier juist beschikking over liquiditeit.
• Risicotransformatie
  Het verschil in risico tussen de schulden en de bezittingen van bijvoorbeeld
  een bank. De eigendommen van een bank kunnen in waarde fluctueren, terwijl
  de schulden van een bank (zoals onze girale tegoeden) een vaste nominale
  waarde hebben.
• Schaduwbank
  Financiële instelling die formeel geen bank is maar die activiteiten ontplooit
  die sterk lijken op die van banken. Definities van wat een schaduwbank is lopen
  uiteen. Schaduwbanken zijn vaak nauw verweven met het bankwezen, maar
  kunnen in tegenstelling tot banken zelf geen giraal geld scheppen.
• Solvabiliteit
  De mate waarin een bedrijf voldoende eigen vermogen heeft om verliezen op
  te vangen.
• Staatsobligatie
  Verhandelbaar schuldpapier uitgegeven door de overheid.
• Systeemrisico
  Het risico dat zich ontwikkelingen voordoen die het financiële stelsel als geheel
  bedreigen, waardoor uiteindelijk de economie forse schade oploopt.
• Vreemd vermogen
  De schulden van een bank of bedrijf.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 280 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 281 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 281 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 282 ======================================================================

<pre>                                                                                            281
         literatuur
Abdelal, R. (2007) Capital Rules. The Construction of Global Finance, Cambridge, ma /
         Londen: Harvard University Press.
Adfonso, G., J.A.C. Santos en J. Traina (2014) ‘Do “Too-Big-To-Fail” Banks Take On More
         Risk?’, Federal Reserve Bank of New York Economic Policy Review 20, 2: 41-58.
Admati, A., F. Allen, R. Brealey et al. (2010) ‘Healthy banking system is the goal, not
         profitable banks’, Financial Times 9 november.
Admati, A.R. en M. Hellwig (2013) The Bankers’ New Clothes: what’s wrong with banking
         and what to do about it, Princeton: Princeton University Press.
Admati, A.R., P.M. Demarzo, M.F. Hellwig en P. Pfleiderer (2018) ‘The leverage ratchet
         effect’, The Journal of Finance 73, 1: 145-198.
Adrian, F.T. en H.S. Shin (2008) ‘Liquidity and financial contagion’, Financial Stability
         Review, Special Issue on Liquidity 11, 1-7.
Adviescommissie Toekomst Banken (2009) Naar herstel van vertrouwen, Amsterdam:
         Nederlandse Vereniging van Banken.
Aikman, D., M. Galesic, G. Gigerenzer, S. Kapadia, K.V. Katsikopoulos, A. Kothiyal,
         E. Murphy en T. Neumann (2014) ‘Taking Uncertainty Seriously: Simplicity versus
         Complexity in Financial Regulation’, Bank of England Financial Stability Paper 28,
         doi: 10.2139/ssrn.2432137.
Algemene Rekenkamer (2016) Brief aan de Tweede Kamer over Ontwikkelingen interventies
         kredietcrisis, Den Haag: Algemene Rekenkamer.
Anheier, H.K. (2013) ‘Institutional Voids and the Role of Civil Society: the Case of Global
         Finance’, Global Policy 5, 1: 23-35.
Arcand, J.L., E. Berkes en U. Panizza (2015) ‘Too much Finance?’, Journal of Economic
         Growth 20, 2: 105-148.
Ark, van B. en H. de Jong (1996) ‘Accounting for economic growth in the Netherlands since
         1913’, Economic and social history in the Netherlands 7: 199-242.
Autoriteit Consument en Markt (2014) Barrières voor toetreding tot de Nederlandse bancaire
         retailsector, Den Haag: acm.
Bachetta, P. (2017) ‘The Sovereign Money Initiative in Switzerland: An Assessment’, Swiss
         Finance Institute Research Paper 17-25, doi: 10.2139/ssrn.2994926.
Bakker, A. F. P. (1996) International financial institutions, Londen: Longman.
Bakker, A. F. P. en M. M. P. van Lent (1989) Pieter Lieftinck, 1902-1989. Een leven in
         vogelvlucht, Utrecht: Veen.
Baltensperger, E. en J. Dermine (1986) The Role of Public Policy in Insuring Financial
         Stability: a Cross-Country, Comparative Perspective, insead.
Bank of England (2013) Quarterly Bulletin 2013 Q3, beschikbaar op: bankofengland.co.uk.
Bank of England (2015) ‘Cyber Risk’, Financial Stability Report 37, 31-33.
Bardearr, J. en M. Kumhof (2016) The macroeconomics of central bank issued digital
         currencies, beschikbaar op: bankofengland.co.uk.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 282 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 283 ======================================================================

<pre>282       geld en schuld
Barendregt, J. en H. Visser (1997) ‘Towards a new maturity’, blz. 152-194 in M. ’t Hart,
          J. Jonker en J.L. van Zanden (red.) A financial history of the Netherlands,
          Cambridge, vk: Cambridge University Press.
Beck, T. (2011) The Role of Finance in Economic Development: Benefits, Risks, and Politics,
          CentER Discussion Paper 141.
Beck, T., B. Büyükkarabacak, F.K. Rioja en N.T. Valev (2012) ‘Who Gets the Credit? And
          Does It Matter? Household vs. Firm Lending Across Countries’, The B.E. Journal of
          Macroeconomics 12, 1: Art. 2.
Benes, J. en M. Kumhof (2013) The Chicago Plan Revisited, imf Working Paper 12: 202.
Benink, H. (2018) Banken hebben nog steeds onvoldoende buffers, esb Jaargang 103 (4766S) 11
          oktober.
Betlem, R. (2017) ‘Bitcoin? Is dat een nieuwe betaalkaart?’, Het Financieele Dagblad 14 juli,
          beschikbaar op: https://fd.nl/weekend/1209813/bitcoin-is-dat-een-nieuwe-
          betaalkaart.
Bettendorf, B. en S. Cnossen (2014) Bouwstenen voor een moderne btw, cpb Policy Brief 02,
          Den Haag: Centraal Planbureau.
Bezemer, D. (2012). Lessen uit de crisis: Waarom we opnieuw moeten nadenken over geld,
          TPEdigitaal 6 (3/4): 63-73.
Bezemer, D. (2017) Oratie Dirk Bezemer: Waarom schuldverschuiving Nederlandse
          hoogconjunctuur kwetsbaar maakt, 14 maart.
Bezemer, D. (2018) ‘Tien jaar later’, De Groene 21 maart, beschikbaar op: www.groene.nl/
          artikel/tien-jaar-later-2018-03-21
Bezemer, D. en J. Muysken (2015) Dutch Financial Fragilities, wrr Working Paper 13,
          Den Haag: wrr, The Netherlands Scientific Council for Government Policy.
Bie, R. van der (1997) Een doorlopende groote roes. De economische ontwikkeling van
          Nederland, 1913-1921, diss., Amsterdam: Vrije Universiteit.
Bijlsma, M.J. en R.J.M Mocking (2013) The private value of too-big-to-fail guarantees, cpb
          Discussion Paper 240, Den Haag: cpb.
Bijlsma, M. en S. van Veldhuizen (2016) ‘Verandert fintech de financiële sector’, esb, 101, 2
          september.
Bijlsma, M.J. en A. Dubovik (2014) Banks, Financial Markets and Growth in Developed
          Countries – A survey of the empirical literature, cpb Discussion Paper 266,
          Den Haag: cpb.
Birch, D. (2017) Before Babylon, beyond Bitcoin. From Money That We Understand To Money
          That Understands Us, Londen: London Publishing Partnership.
bis (2010) Basel iii: A global regulatory framework for more resilient banks and banking
          systems, Bazel: Bank for International Settlements.
bis (2013) Basel iii: The Liquidity Coverage Ratio and liquidity risk monitoring tools, Bazel:
          Bank for International Settlements.
bis (2014a) Basel iii: the net stable funding ratio, Bazel: Bank for International Settlements.
bis (2014b) Cyber resilience in financial market infrastructures, Bazel: Bank for International
          Settlements.
bis (2015) 85th Annual Report, Bazel: Bank for International Settlements.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 283 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 284 ======================================================================

<pre>                                                                              literatuur   283
bis (2016) Reducing variation in credit risk-weighted assets – constraints on the use of
         internal model approaches, Bazel: Bank for International Settlements.
bis (2018) Central bank digital currencies, Bazel: bis.
Bjerg, O. (2015) How is Bitcoin Money?, Theory, Culture & Society 33:1, 53 – 72.
Bjerg, O., D. McCann, L. Macfarlane, R.H. Nielsen en J. Ryan-Collins (2017) Seigniorage in
         the 21st Century: A Study of the Profits from Money Creation in the United Kingdom
         and Denmark, beschikbaar op: http://dx.doi.org/10.2139/ssrn.2921225
Blyth, M. (2002) Great Transformations. Economic Ideas and Institutional Change in the
         Twentieth Century, Cambridge: Cambridge University Press.
Boonstra, W.W. (2015) Hoe werkt geldschepping?, Utrecht: Rabobank.
Boonstra, W.W. (2018) Geld; wat is het, wat doet het, waar komt het vandaan?, Amsterdam:
         vu University Press.
Boot, A. (2018) ‘Bancaire strategie in tijden van fintech’, esb, 4766, pp. 39-43.
Boot, A. en L. Ratnovski (2016) ‘Banking and Trading’, Review of Finance 2219-2246.
Bordo, M.D. en A.T. Levin (2017) Central bank digital currency and the future of monetary
         policy, nber Working Papers.
Borio, C. (2010) Implementing a macroprudential framework: Blending boldness and realism,
         Bazel: Bank for International Settlements.
Borio, C. (2012) The financial cycle and macroeconomics: What have we learnt?, bis
         Working Paper 395, Bazel: Bank for International Settlements.
Borio, C. (2017) Through the looking glass, omfif City Lecture 22 september.
Borio, C. en M. Drehmann (2009) Towards an operational framework for financial stability:
         ‘fuzzy’ measurement and its consequences, bis Working Paper 284, Bazel: Bank for
         International Settlements.
Bremmer, D. (2018) Minder dan 4 op de 10 betalingen nog contant, dnb is bezorgd,
         ad 29 oktober beschikbaar op: www.ad.nl/economie/minder-dan-4-op-de-10-
         betalingen-nog-contant-dnb-is-bezorgd~a7a3fb34/
Broadbent, B. (2016) Central banks and digital currencies, speech London School of
         Economics 2 maart.
Brunnermeier, M.K., A. Crocket, C. Goodhart, A.D. Persaud en H.S. Shin (2009) The
         Fundamental Principles of Financial Regulation, Genève: International Center for
         Monetary and Banking Studies (icmb) and Centre for Economic Policy Research
         (cepr).
Burgess, S. en N. Janssen (2007) ‘Proposals to modify the measurement of broad money in
         the United Kingdom: a user consultation’, Bank of England Quarterly Bulletin Q3.
Buttiglione, L., P.R. Lane, L. Reichlin, V. Reinhart et al. (2014) Deleveraging? What
         Deleveraging? The 16th Geneva Report on the World Economy, Londen: cepr
         Press.
Cannas, G., J. Cariboni, L. Kazemi Veisari en A. Pagano (2014) Updated estimates of eu
         eligible and covered deposits, European Commission, Joint Research Centre,
         Institute for the Protection and Security of the Citizen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 284 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 285 ======================================================================

<pre>284      geld en schuld
Capie, F., C. Goodhart en N. Schnadt (1994) ‘The development of central banking’, blz.
         1-261 in S. Fischer, C. Goodhart en N. Schnadt (red.) The future of central banking:
         the tercentenary symposium of the Bank of England, Cambridge, vk: Cambridge
         University Press.
Carmassi, J. en S. Micossi (2012) Time to Set Banking Regulation Right, Brussel: Centre for
         Economic Policy Research .
Carney, M. (2014) Speech given at the 146th Annual Trades Union Congress, Liverpool,
         9 september, Bank of England.
Carruthers, B.G. (2010) ‘The sociology of Money and Credit’, p.355-378 in The Handbook of
         Economic Sociology, Princeton: Princeton University Press.
Caruana, J. (2016) Monetary policy for financial stability, Keynote speech by Jaime Caruana,
         General Manager, Bank for International Settlements, 52nd seacen Governors’
         Conference, Naypyidaw, Myanmar, 26 november.
Cavelaars, P., J. de Haan, P. Hilbers en B. Stellinga (2013) ‘Uitdagingen voor financieel
         toezicht na de crisis’, in P. Welp et al. (red.) De staat van toezicht. Sector- en
         themastudies, wrr-verkenningen nr. 27, Amsterdam: aup.
cbs (2001) Tweehonderd jaar statistiek in tijdreeksen 1800–1999, Den Haag: cbs.
cbs (2009) Werkloosheid jaren dertig hoogste ooit, beschikbaar op: www.cbs.nl/nl-nl/
         nieuws/2009/12/werkloosheid-jaren-dertig-hoogste-ooit.
cbs (2017) Vertrouwen in mensen en in organisaties, Den Haag: cbs.
Cecchetti, S.G. en E. Kharroubi (2012) Reassessing the impact of finance on growth, bis
         Working Paper 381, Bazel: Bank for International Settlements.
Cecchetti, S.G. en E. Kharroubi (2015) Why does financial sector growth crowd out real
         economic growth? bis Working Paper 490, Bazel: Bank for International
         Settlements.
Chamley, C., L.J. Kotlikoff en H. Polemarchakis (2012) ‘Limited-Purpose Banking – Moving
         from “Trust Me” to “Show Me” Banking’, American Economic Review 102, 3:
         113-19.
Chiarella, C., P. Flaschel, F. Hartmann en C. Proaño (2011) Stock market booms, endogenous
         credit creation and the implications of broad and narrow banking for
         macroeconomic stability, Working Paper 7, New School for Social Research.
Cohen-Setton, J. (2015) QE and central bank (continued), blogs review beschikbaar op:
         http://bruegel.org/2015/01/blogs-review-qe-and-central-bank-solvency-
         continued/
Coljé, H. (1988) Het toezicht op de banken in Nederland, Amsterdam: nibe.
Commissie De Wit (2010) Parlementair onderzoek financieel stelsel. Rapport,
         Kamerstukken ii, 2009-2010, 31980, nr. 4.
Commissie De Wit ii (2012) Parlementaire enquête financieel stelsel. Eindrapport,
         Kamerstukken ii, 2011-2012, 31980, nr. 61.
Commissie Wijffels (2013) Commissie-Structuur Nederlandse Banken: Naar een dienstbaar
         en stabiel bankwezen.
Committee on the Global Financial System (2018) Structural changes in banking after the
         crisis, cgfs Paper 60.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 285 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 286 ======================================================================

<pre>                                                                            literatuur      285
Congressional Budget Office (1992) The economic effects of the savings & loan crisis, cbo-
         study, Congress of the United States.
Constancio, V. (2015) Financial stability risks, monetary policy and the need for macro-
         prudential policy, Speech by Vítor Constâncio, Vice-President of the ecb,
         Warwick Economics Summit, 13 februari.
Cournède, B. en O. Denk (2015) Finance and economic growth in oeso and G20 countries,
         oeso Working Paper 1223.
cpb (2016) Risicorapportage Cyberveiligheid Economie, Den Haag: Centraal Planbureau.
Cruijsen, C. van der, J. de Haan en D. Jansen (2013) ‘Trust and Financial Crisis Experiences’,
         dnb Working Paper Series 389, Amsterdam: dnb.
Dalen, H. van, en A. Klamer (2015) Geld, Amsterdam: Amsterdam University Press.
Danielsson, J., H.S. Shin en J-P. Zigrand (2012) Endogenous and Systemic Risk, nber
         chapters, no. 12054.
Danmarks Nationalbank (2017) Central bank digital currency in Denmark? Analysis no 28.
De Mooij, R. en M. Keen (2016) ‘Debt, Taxes, and Banks’, Journal of Money, Credit and
         Banking 48, 1: 5-33.
De Mooij, R. en M.P. Devereux (2011) ‘An applied analysis of ace and cbit reforms in the
         eu’, International Tax and Public Finance 18, 1: 93-120.
De Mooij, R., M. Keen, en M. Orihara (2014) ‘Taxation, Bank Leverage, and Financial Crises’,
         blz. 229-252 in R. De Mooij en G. Nicodème (red) Taxation and Regulation of the
         Financial Sector, Cambridge, ma: the mit Press.
De Ruijter (2012) Scenario’s Woningmarkt – Risico’s voor de woningmarkt en inventarisatie
         van beleidsopgaven, Amstelveen: De Ruijter Strategie bv.
De Volksbank (2017) Jaarverslag Volksbank nv, Utrecht: de Volksbank.
Debelle, G. (2004) ‘Household debt and the macroeconomy’, bis Quarterly Review, Bazel:
         Bank for International Settlements.
Demertzis, M. en A. Lehmann (2017) ‘Tackling Europe’s crisis legacy: a comprehensive
         strategy for bad loans and debt restructuring’, Policy Contribution 11: 1-15, Brussel:
         Bruegel.
Denk, O. (2015) Financial sector pay and labour income inequality: Evidence from Europe,
         oeso Economics Department Working Papers No. 1225, Parijs: oeso Publishing.
Dijk, M. van en B. Voogt (2017) Actualisatie economische effecten van een verdere verlaging
         van de ltv-limiet, cpb Achtergronddocument bij de Risicorapportage Financiële
         Markten 2017, 6 juni.
Disyatat, P. (2008) Monetary policy implementation: Misconceptions and their
         consequences, bis working paper 269, Bazel: Bank for International Settlements.
Dixhoorn, C. van (2013a) Full Reserve Banking: An analysis of four monetary reform plans,
         Utrecht: Sustainable Finance Lab.
Dixhoorn, C. van (2013b) The ‘Nature’ of Money: Does our current money system hinder
         sustainable development? Masterscriptie Universiteit Utrecht.
dnb (2001) Kwartaalbericht december 2001. Amsterdam: De Nederlandsche Bank.
dnb (2002) Tariefstructuren en infrastructuur in het Nederlandse massale betalingsverkeer,
         Amsterdam: De Nederlandsche Bank.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 286 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 287 ======================================================================

<pre>286      geld en schuld
dnb (2010) Een eeuw financiële leverage van Nederlandse banken, dnb Kwartaalbericht, Juni
         2010.
dnb (2011) Overheidssteun aan financiele instellingen, beschikbaar op: www.dnb.nl/
         nieuws/nieuwsoverzicht-en-archief/dnbulletin-2011/index.jsp
dnb (2015a) Nederlands depositogarantiestelsel wordt meer risicogebaseerd, beschikbaar op:
         dnb.nl/nieuws/nieuwsoverzicht-en-archief/persberichten-2015/dnb334375.jsp.
dnb (2015b) Staat van het toezicht 2015, Amsterdam: De Nederlandsche Bank.
dnb (2015c) Visie op de structuur van de Nederlandse bankensector – Stabiliteit en efficiëntie
         door diversiteit en concurrentie, Amsterdam: De Nederlandsche Bank.
dnb (2016a) De financiële stabiliteitstaak van dnb, Amsterdam: De Nederlandsche Bank.
dnb (2016b) DNBulletin: Achterblijvend vertrouwen onderstreept noodzaak
         macroprudentieel beleid, beschikbaar op: www.dnb.nl/nieuws/nieuwsoverzicht-
         en-archief/dnbulletin-2016/dnb346228.jsp#
dnb (2016c) Technische mogelijkheden iban-portabiliteit in Nederland, Amsterdam:
         De Nederlandsche Bank.
dnb (2017) Overzicht Financiële Stabiliteit – Voorjaar 2017, Amsterdam: De Nederlandsche
         Bank.
dnb (2018a) Beleidsinstrumenten, beschikbaar op: www.dnb.nl.
dnb (2018b) dnb en resolutie, beschikbaar op: www.dnb.nl.
dnb (2018c) DNBulletin: Contant of pin? Wie betaalt, bepaalt, 7 november.
dnb (2018d) Jaarverslag 2017, Amsterdam: dnb.
dnb (2018e) Overzicht Financiële Stabiliteit – Najaar 2018, Amsterdam: De Nederlandsche
         Bank.
dnb (2018f) Resultaten van de mob-vergadering 16 mei, beschikbaar op: www.dnb.nl.
Dommerholt, B. en R. van Tilburg (2016) De voor- en nadelen van publieke geldschepping,
         esb januari 2017.
Dow, S., G. Johnson en A. Montagnoli (2015) A critique of full reserve banking, Sheffield
         Economic Research Paper Series, The University of Sheffield.
Drehmann, M., C. Borio en K. Tsatsaronis (2011) Anchoring countercyclical capital buffers:
         the role of credit aggregates, bis Working Paper 355, Bazel: Bank for International
         Settlements.
Dyson, B., G. Hodgson en F. van Lerven (2016) Sovereign Money. An introduction,
         beschikbaar op: positivemoney.org.
ecb (2004) The operational target of monetary policy and the rise and fall of reserve position
         doctrine, beschikbaar op: www.ecb.europa.eu.
ecb (2007) Monthly bulletin, februari, beschikbaar op: www.ecb.europa.eu.
ecb (2011a) The monetary policy of the ecb, beschikbaar op: www.ecb.europa.eu.
ecb (2011b) The implementation of monetary policy in the euro area, beschikbaar op:
         www.ecb.europa.eu.
ecb (2011c) Monthly bulletin, januari, beschikbaar op: www.ecb.europa.eu.
ecb (2015) ‘The fiscal impact of financial sector support during the crisis’, ecb Economic
         Bulletin 6, Frankfurt am Main: ecb.
ecb (2016) Wat zijn minimumreserveverplichtingen?, beschikbaar op: ecb.europa.eu.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 287 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 288 ======================================================================

<pre>                                                                              literatuur     287
ecb (2018) The definition of price stability, beschikbaar op: www.ecb.europa.eu
ecb Task Force on Systemic Liquidity Systemic liquidity concept, measurement and
         macroprudential instruments, Occasional Paper Series 214, oktober.
Eekelen, L.J.J. van (1987) ‘De ontwikkeling van het solvabiliteitstoezicht van De
         Nederlandsche Bank’, Maandschrift Economie 51: 134-149.
Eerden, L.A. van (2001) ‘Structural regulation of the banking industry in the Netherlands: a
         shift of power, 1980-95’, blz. 363-382 in M. Bovens, P. ’t Hart en B. Guy Peters (red.)
         Success and Failure in Public Governance. A Comparative Analysis, Cheltenham/
         Northampton, ma: Edward Elgar.
Egmond, N.D. van en B.J.M. de Vries (2016) Monetaire hervorming; de mogelijkheid van een
         gezond financieel-economisch bestel, beschikbaar op:
         www.sustainablefinancelab.nl.
Eichengreen, B. (1992) Golden Fetters. The Gold Standard and the Great Depression
         1919-1939, Oxford: Oxford University Press.
Eichengreen, B. (2011) Exorbitant privilege. The Rise and Fall of the Dollar and the Future of
         the International Monetary System, Oxford: Oxford University Press.
Eichengreen, B. en P. Temin (2000) ‘The Gold Standard and the Great Depression’,
         Contemporary European History 9, 2: 183-207.
Eichengreen, B., M. El-Erian, A. Fraga et al. (2011) Rethinking central banking, Ontario:
         Committee on International Economic Policy and Reform.
Eijffinger, S.C.W. (1983) Het monetaire beleid van de Nederlandsche Bank, Serie
         Researchmemoranda 19, Vrije Universiteit: Amsterdam.
Engelen, van W. (2009) Blauw bloed: opkomst en ondergang van de Postbank, Amsterdam:
         Pearson Education nl.
esrb (2014) Recommendation of the European systemic risk board of 18 June 2014 on
         guidance for setting countercyclical buffer rates, beschikbaar op:
         www.esrb.europa.eu.
esrb (2016) Confidential transmission of esrb Warning on medium-term vulnerabilities in
         the residential real estate sector of the Netherlands, beschikbaar op:
         www.esrb.europa.eu.
esrb (2018) eu Shadow Banking Monitor 3, september, Frankfurt am Main: ecb.
esrb asc (2014) Is Europe overbanked?, Reports of the Advisory Scientific Committee 4,
         European Systemic Risk Board.
Europees Hof van Justitie (2013) C-350/11 (Argenta Spaarbank nv tegen Belgische Staat),
         4 juli 2013.
Europees Parlement (2014) Consumer Protection Aspects of Financial Services, beschikbaar
         op: www.europarl.europa.eu.
Europese Commissie (2012) Belastingen: Europese Commissie vraagt België om aanpassing
         regels notionele interestaftrek, Brussel: Europese Commissie.
Europese Commissie (2013) Green Paper Long-term Financing of the European Economy.
Europese Commissie (2014) Economic Review of the Financial Regulation Agenda, Brussel:
         Europese Commissie.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 288 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 289 ======================================================================

<pre>288       geld en schuld
Europese Commissie (2016a) Proposal for a directive of the European Parliament and of the
          Council amending Directive 2013/36/eu as regards exempted entities, financial
          holding companies, mixed financial holding companies, remuneration, supervisory
          measures and powers and capital conservation measures, Brussel: ec.
Europese Commissie (2016b) Proposal for a regulation of the European Parliament and of
          the Council amending Regulation (eu) No 575/2013 as regards the leverage ratio, the
          net stable funding ratio, requirements for own funds and eligible liabilities,
          counterparty credit risk, market risk, exposures to central counterparties, exposures
          to collective investment undertakings, large exposures, reporting and disclosure
          requirements and amending Regulation (eu) No 648/2012, Brussel: ec.
Europese Commissie (2016c) Voorstel voor een Richtlijn van de Raad betreffende een
          gemeenschappelijke heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting, com(2016)
          685 final, Brussel: ec.
Europese Commissie (2017) Commission Work Programme 2018 An agenda for a more
          united, stronger and more democratic Europe, Brussel: Europese Commissie.
Fahr, S. en J. Fell (2017) ‘Macroprudential policy – closing the financial stability gap’, Journal
          of Financial Regulation and Compliance 25, 4: 334 – 359.
Federale Overheidsdienst Financiën (2018) Notionele interestaftrek: uniek en innoverend
          belastingvoordeel in België, beschikbaar op: https://financien.belgium.be/nl/
          ondernemingen/internationaal/buitenlandse_investeerders/Notionele_
          interestaftrek/#q1.
Feinstein, C., P. Temin en G. Toniolo (1997), The European Economy Between the Wars,
          Oxford: Oxford University Press.
Ferguson, N. (2008) The Ascent of Money: A Financial History of the World, Penguin
          Putnam.
Financieel Stabiliteitscomité (2015) Aanbeveling van het Financieel Stabiliteitscomité over de
          ltv-limiet na 2018, Amsterdam: Financieel Stabiliteitscomité.
Finansinspektionen (2018) Countercyclical buffer rate, beschikbaar op: www.fi.se.
Flaschel, P., F. Hartmann, C. Malikane en W. Semmler (2010) ‘Broad Banking, Financial
          markets and the return of the narrow banking idea’, Journal of Economic
          Asymmetries 7, 2: 105-137.
Fontana, G. and M. Sawyer (2016) Towards post-Keynesian ecological macroeconomics,
          Ecological Economics 121, C: 186-195.
Forsyth, D.J. en T. Notemans (1997) Regime Changes: Macroeconomic Policy and Financial
          Regulation in Europe from the 1930s to the 1990s, Oxford: Berghahn Books.
Frederik, J. (2012) De geschiedenis van het ‘banqueroet’, Follow the Money, beschikbaar op:
          www.ftm.nl/artikelen/de-geschiedenis-van-het-banqueroet?share=1
Freixas, X. en J.-C. Rochet (2008) The microeconomics of banking, 2nd edition, Cambridge,
          ma: The mit Press.
Friedman, M. (1948) ‘A Monetary and Fiscal Framework for Economic Stability’, The
          American Economic Review 38, 3: 245-264.
Friedman, M. (1961) ‘The lag in effect of monetary policy’, Journal of Political economy 69,
          5: 447-466.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 289 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 290 ======================================================================

<pre>                                                                             literatuur     289
fsa (2009) The Turner Review: A regulatory response to the global banking crisis, Londen:
          The Financial Services Authority.
Fung, B.S.C. en H. Halaburda (2016) Central Bank Digital Currencies: A Framework for
          Assessing Why and How, Bank of Canada staff discussion paper 22, beschibaar op:
          bankofcanada.ca
Giannini, C. (2011) The Age of Central Banks, Cheltenham/Northhamton, ma: Edward
          Elgar.
Goodhart, C.A.E. (2007) Liquidity Risk Management, Special Paper 175, lse Financial
          Markets Group Paper Series.
Goodhart, C.A.E. (2010) The changing role of central banks, bis Working Paper 326, Bazel:
          Bank for International Settlements.
Goodhart, C.A.E. (2011) Money, credit and bank behaviour: need for a new approach,
          National Institute Economic Review 214, 1:F73 - F82.
Goodhart, C.A.E. (2013) Goodhart’s Law, Le Libellio d’ aegis 9, 4.
Goodhart, C.A.E. en M. Jensen (2015) Currency School versus Banking School: an ongoing
          confrontation, Economic Thought 4, 2: 20-31.
Goodhart, C.A.E. (2016) Determining the quantity of bank deposits, The Basel Issue, Banking
          Perspectives.
Goor, H. H. M. van (2001) Banken en industriefinanciering in de 19e eeuw. De relatie tussen
          Mees en Stork. Van den Bergh gaat naar Engeland, diss. Amsterdam.
Graeber (2011) Debt: the first 5000 years, Brooklyn, ny: Melville House Publishing.
Gray, S. (2011) Central Bank Balances and Reserve Requirements, imf Working Paper.
Greef, I. de, P.L.C. Hilbers en L.H. Hoogduin (1997) Moderate Monetarism: A Brief Survey of
          Dutch Monetary Policy in the Post-war Period, dnb-staff reports, no. 28,
          beschibaar op: www.dnb.nl.
Groenewegen, J. en P. Wierts (2017) Two big distortions: bank incentives for debt financing,
          esrb Working Paper Series, no. 53, Frankfurt am Main: ecb.
Haldane, A.G. (2009) Rethinking the financial network, Speech by Mr Andrew G. Haldane,
          Executive Director, Financial Stability, Bank of England, at the Financial Student
          Association, Amsterdam, 28 april.
Haldane, A.G. (2010) Curbing the credit cycle, Speech presented by Andrew G. Haldane,
          Executive Director, Financial Stability, Bank of England, at the Columbia
          University Center on Capitalism and Society Annual Conference, New York,
          20 november.
Haldane, A.G. (2016) The Great Divide, Speech given by Andrew G. Haldane, Chief
          Economist, Bank of England, New City Agenda Annual dinner, 18 mei.
Haldane, A.G. (2018) Climbing the public engagement ladder, speech 6 maart, Royal Society
          for the encouragement of Arts, Manufactures and Commerce (rsa).
Haldane, A.G., S. Brennan en V. Madouros (2010) ‘What is the contribution of the financial
          sector: Miracle or mirage?’ in The future of Finance: The lse Report, Londen:
          London School of Economics and Political Science.
Handelingen ii, 2015-2016, 65, item 10.
Handelingen ii, 2017-2018, 69, item 10.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 290 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 291 ======================================================================

<pre>290       geld en schuld
Hart, F.M.A. ’t en C.E. du Perron (2006) De geïnformeerde consument, Deventer: Kluwer.
Hartmann, P., S. Straetmans en C.G. de Vries (2004) ‘Bank System Stability: A Cross-
          Atlantic Perspective’, in: M. Carey en R.M. Stultz The Risks of Financial
          Institutions, nber, Chicago en Londen: The University of Chicago Press, p. 133-192.
He, D., R. Leckow, V. Haksar et al. (2017) ‘Fintech and Financial Services: Initial
          Considerations’, imf Staff Discussion Note sdn/17/05.
Hebous, S. en M. Ruf (2017) ‘Evaluating the effects of ace systems on multinational debt
          financing and investment’, Journal of Public Economics 156(C): 131-149.
Hellwig, M. (2010) ‘Capital regulation after the crisis: Business as usual?’, Preprints of the
          Max Planck Institute for Research on Collective Goods 31.
Hilbers, P. (1998) Financial Sector Reform and Monetary Policy in the Netherlands, imf
          Working Papers no. 19.
Huber, J. (2017) Sovereign Money. Beyond Reserve Banking, Cham, Zwitserland: Palgrave
          Macmillan.
Humphrey, C. (1985) ‘Barter and economic disintegration’, Man, 48-72.
imf (2012) Growth Resuming, Dangers Remain, Chapter 3 Dealing with Household Debt,
          Washington, D.C.: International Monetary Fund.
imf (2015) From Banking to Sovereign Stress: Implications for Public Debt, imf Policy
          Papers, Washington, D.C.: International Monetary Fund.
imf (2016a) Debt, use it wisely, Fiscal monitor October 2015, International Monetary Fund.
imf (2016b) Tax Policy, Leverage and Macroeconomic Stability, imf policy paper,
          Washington, dc: imf.
imf (2017) Netherlands Financial System Stability Assessment, Country Report No. 17/79,
          Washington, D.C.: International Monetary Fund.
imf-fsb-bis (2016) Elements of Effective Macroprudential Policies, beschikbaar op:
          www.imf.org/external/np/g20/pdf/2016/083116.pdf
Ingham, G. (1996) ‘Money is a Social Relation’, Review of Social Economy 54, 4: 507-529.
Ingham, G. (2004) The Nature of Money, Cambridge: Polity Press.
Jak, N. (2014) Semipublieke instellingen; De juridische positie van instellingen op het snijvlak
          van overheid en samenleving, Proefschrift.
Jones, R. A. (1976) ‘The origin and development of media of exchange’, Journal of Political
          Economy 85, 4 (Part 1): 757-775.
Jong, A.M. de (1967) Geschiedenis van de Nederlandsche Bank, vol i-iii, Haarlem: Joh.
          Enschedé.
Jonker, J. (1997) ‘The Alternative Road to Modernity. Banking and Currency’, 1814-1914, in
          M. ’t Hart, J. Jonker en J.L. van Zanden (red.) A Financial History of The
          Netherlands, Cambridge, vk: Cambridge University Press.
Jonker, J.P.B. (1999) ‘De bakermat van het Nederlandse bankwezen, financiële markten in
          Nederland vanaf de Franse Tijd tot de opkomst van de handelsbanken, 1813-1870’,
          Wereldwijd bankieren, abn amro 1824-1999, Amsterdam: abn amro.
Jonker, N. (2013) Social costs of pos payments in the Netherlands 2002-2012: Efficiency gains
          from increased debit card usage, dnb Occasional Studies, vol. 11, no. 2, Amsterdam:
          dnb.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 291 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 292 ======================================================================

<pre>                                                                            literatuur    291
Jonker, N., L. Hernandez, R. de Vree en P. Zwaan (2018) From cash to cards. How debit card
          payments overtook cash in the Netherlands, dnb-Occasional Studies, vol. 16 no. 1,
          Amsterdam: dnb.
Jordá , O., M. Schularick en A.M. Taylor (2014) The Great Mortgaging: Housing Finance,
          Crises, and Business Cycles, Federal Reserve Bank of San Francisco Working Paper
          Series No. 23.
Kamerstukken i, 2013-2014, 33362, nr. N.
Kamerstukken ii, 2013-2014, 33362, nr. 35
Kamerstukken ii, 2015-2016, 34346, nr. 19.
Kamerstukken ii, 2017-2018, 34858, nr. 3.
Kamerstukken ii, 2017-2018, 34971, nr. 3
Kay, J. (2009) Narrow Banking: The Reform of Banking Regulation, Londen: Centre for the
          Study of Financial Innovation.
Keuning, W. (2017) ‘Rabo-directeur: “Ik heb ook meegewerkt aan overkreditering”’, Het
          Financieele Dagblad 6 oktober.
Kindleberger, C.P.M (1978) Manias, Panics, and Crashes: A History of Financial Crises.
King, M. (2016) The End of Alchemy: Money, Banking and the Future of the Global Economy,
          New York: W.W. Norton & Company.
Knafo, S. (2006) ‘The Gold Standard and the Origins of the Modern International Monetary
          System’, Review of International Political Economy 13, 1:78–102.
Konzelmann, S., F. Wilkinson, M. Fovargue-Davies en D. Sankey (2010) ‘Governance,
          Regulation and Financial Market Instability: The Implications for Policy and
          Reform’, Cambridge Journal of Economics, 34, 5: 929-54.
Kotlikoff, L.J. (2010) Jimmy Stewart Is Dead. Ending the World’s Ongoing Financial Plague
          with Limited Purpose Banking, Hoboken, New Jersey: John Wiley and Sons, Inc.
Kotlikoff, L.J. en J.C. Goodman (2009) Solving our nation’s financial crisis with limited
          purpose banking, Working Paper, Boston, ma: Boston University
kpmg (2016) Money Issuance: Alternative Money Systems, report commissioned by the
          Icelandic Prime Minister’s Office, beschikbaar op: www.kpmg.com.
Kroll, M. (2015) The Monetary System in Crisis: Monetary reform proposals, and a simple
          suggestion for a more effective monetary policy, World Future Council, Future
          Finance – Discussion Paper No. 1.
Kumhof, M. en C. Noone (2018) Central bank digital currencies — design principles and
          balance sheet implications, Bank of England Staff Working Paper 725.
Kymmell, J. (1992) Geschiedenis van de algemene banken in Nederland 1860-1914, Deel I,
          Amsterdam: Nederlands Instituut voor het Bank- en Effectenbedrijf.
Kymmell, J. (1996) Geschiedenis van de algemene banken 1860-1914, Deel ii-A+B,
          Amsterdam.
Lagarde, C. (2017) Fintech: Capturing the Benefits, Avoiding the Risks, beschikbaar op:
          blogs.imf.org/2017/06/20/fintech-capturing-the-benefits-avoiding-the-risks/
Laina, P. (2015) ‘Proposals for Full-Reserve Banking: A Historical Survey from David
          Ricardo to Martin Wolf’, Economic Thought 4, 2: 1–19.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 292 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 293 ======================================================================

<pre>292       geld en schuld
Lane, P. R. (2013) ‘Capital Flows in the Euro Area’, European Economy Economic Paper 497,
          april.
Langeveld, H. (2009) ‘Grotendeels buitenspel. Het Nederlandse parlement en de crisis van
          de jaren dertig van de twintigste eeuw’, blz. 37-46 in Baalen, C. van et al. (red)
          Jaarboek Parlementaire Geschiedenis.
Larosière, de, J. (2009) The high-level group on financial supervision in the eu-report,
          Brussel: Europese Commissie.
Lavoie, M (2003) ‘A fully coherent post Keynesian model of the euro zone’, 98-126 in
          Arestis, P., M. Baddeley en J. McCombie, J. (red), Globalisation, Regionalism and
          Economic Activity, Cheltenham: Edward Elgar.
Layard, R., S. Nickell en R. Jackman (1991) Unemployment – Macroeconomic Performance
          and the Labour Market, Oxford: Oxford University Press.
Lelieveldt (2017) Betalingsverkeer: hoe markt en regelgeving elkaar maken en breken, esb
          7 september.
Levine, R. (1997) ‘Financial Development and Economic Growth: Views and Agenda’,
          Journal of Economic Literature xxxv: 688–726.
Liikanen Report (2012) High-level Expert Group on reforming the structure of the eu
          banking sector, Brussel.
Van der Linden, M.J. (2015) Position Paper Rondetafel Geldstelsel. Utrecht: Ons Geld.
Liu, Y. en C.B. Rosenberg (2013) Dealing with Private Debt Distress in the Wake of the
          European Financial Crisis. A Review of the Economics and Legal Toolbox, imf
          Working Paper Series, wp/13/44, Washington, dc: imf.
Lo, S. en K. Rogoff (2015) Secular stagnation, debt overhang and other rationales for sluggish
          growth, six years on, bis Working Paper 482, Bazel: Bank for International
          Settlements.
London Economics, iff en PaySys (2013) Study on the impact of Directive 2007/64/ec on
          Payment Services in the Internal Market and on the Application of Regulation (ec)
          No 924/2009 on Cross-Border Payments in the Community, Final Report, Brussel:
          Europese Commissie.
Louisse, M.L. (2013) ‘Het wettelijk recht op een betaalrekening is een feit, maar wel een zeer
          beperkt feit’, Vennootschap & Onderneming 1: 11-15.
Lukkezen, J. en A. Elbourne (2015) De Nederlandse consumptie – Goede tijden, slechte tijden,
          cpb Policy Brief 2015/03, Den Haag: Centraal Planbureau.
Luyendijk, J. (2015) Dit kan niet waar zijn: Onder bankiers.
Maatschappelijk Overleg Betalingsverkeer (2017a) Rapportage 2016, Amsterdam: mob.
Maatschappelijk Overleg Betalingsverkeer (2017b) Pin-only beleid publieksbalies gemeenten
          – verzoek aan ipo, Amsterdam: dnb.
Macfarlane, L., J. Ryan-Collins, O. Bjerg, R. Nielsen en D. McCann (2017) Making money
          from making money. Seigniorage in the Modern Economy, Londen: New Economics
          Foundation.
Mackintosh, S.P.M. (2014) ‘Crises and Paradigm Shift’, The Political Quarterly 85, 4:
          406-412.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 293 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 294 ======================================================================

<pre>                                                                               literatuur     293
McKinsey & Company (2006) Payment Services in the Netherlands: an analysis of revenues
        and costs for banks. Final report, Amsterdam: McKinsey & Company.
McLeay, M., A. Radia en R. Thomas (2014) ‘Money creation in the modern economy’, Bank
        of England Quarterly Bulletin Q1: 14-27.
Menger, C. (2007 [1871]) Principles of Economics, reprinted by: Auburn, al: Ludwig von
        Mises Institute.
Menger, C. (1892) The Origins of Money, Auburn, al: Ludwig von Mises Institute.
Mersch, Y. (2017) Digital Base Money: an assessment from the ecb’s perspective, beschikbaar
        op: ecb.europa.eu/press/key/date/2017/html/sp170116.en.html
Mian, A. en A. Sufi (2010) ‘Household Leverage and the Recession of 2007–09’, imf
        Economic Review 58, 1: 74-117.
Mian, A. en A. Sufi (2014) House of Debt – How they (and you) caused the great recession,
        and how we can prevent it from happening again, Chicago: The University of
        Chicago Books Press.
Ministerie van Financiën (2010) Kabinetsreactie eindrapport Tijdelijke commissie onderzoek
        financieel stelsel (Commissie-De Wit), Kamerstukken ii, 2010-2011, 31980, nr. 16.
Ministerie van Financiën (2014) Update aanbevelingen Commissie-De Wit, Bijlage ii bij
        Beantwoording schriftelijke vragen Kabinetsvisie op de Nederlandse bankensector,
        Kamerstukken ii, 2013-2014, 32013, nr. 50.
Ministerie van Financiën (2016a) Kamerbrief over Hervormingen en resultaten in de
        Nederlandse financiële sector, Kamerstukken ii 2015-2016, 32013, nr. 132.
Ministerie van Financiën (2016b) Kamerbrief overzicht verschillende kapitaaleisen,
        Kamerstukken ii, 32013, nr. 119.
Ministerie van Financiën (2018a) Aankondiging afschaffing fiscale aftrek op vergoeding
        aanvullend tier 1-kapitaalinstrumenten, Kamerstukken ii, 2017-2018, 32013, nr. 195.
Ministerie van Financiën (2018b) Kamerbrief over update akkoord Bazelse Comité,
        Kamerstukken ii, 2017-2018, 32013, nr. 169.
Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (2018) Actieplan brede schuldenaanpak,
        23 mei.
Minsky, H.P. (1986) Stabilizing An Unstable Economy, New Haven, ct: Yale University
        Press.
Mitchell-Innes, A. (1913) ‘What is Money?’, The Banking Law Journal, mei 1913.
Moessner, R. en W.A. Allen (2010) Central Bank Co-Operation and International Liquidity
        in the Financial Crisis of 2008-2009, bis Working Paper 310, Bazel: Bank for
        International Settlements.
Moggridge, D. (1992) Maynard Keynes. An economist’s biography, Abingdon: Routledge.
Mujagic, E. (2015) Burgerinitiatief Ons Geld strijdt voor iets dat we feitelijk al sinds 1971
        hebben!, Jalta, beschikbaar op: https://jalta.nl/economie/burgerinitiatief-ons-
        geld-strijdt-voor-iets-dat-we-feitelijk-al-sinds-1971-hebben/.
Muns, S. en M. Bijlsma (2015), ‘Tail dependence: A cross-study comparison’, Journal of
        Portfolio Management 41, 3: 109-116.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 294 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 295 ======================================================================

<pre>294     geld en schuld
Murau, S. (2017) ‘Shadow Money and the Public Money Supply: The Impact of the 2007-9
        Financial Crisis on the Monetary System’, Review of International Political
        Economy, doi: 10.1080/09692290.2017.1325765.
Musgrave, R.S. (2014) The solution is full reserve / 100% reserve banking, mpra Paper
        No. 57955.
Myers, S.C. (1977) ‘Determinants of corporate borrowing’, Journal of Financial Economics 5,
        2: 147-175.
Nationale Bank van België (1957) ‘Bijdrage tot de studie van het statuut der buitenlandse
        munten’, Tijdschrift voor documentatie en voorlichting 32, 2, 4: 257-375.
Nationale Ombudsman (2017) Een onderzoek naar pinbetaling als enige mogelijkheid bij
        betalingen aan de balie van de gemeente, Den Haag.
Nederlandse Vereniging van Banken (2009) Code Banken, Amsterdam: nvb.
Nooteboom, B. (2017) Vertrouwen. Opening naar een veranderende wereld, Utrecht:
        Klement.
Nouy, D. (2018) The European banking sector – towards a single jurisdiction, Speech by
        Danièle Nouy, Chair of the Supervisory Board of the ecb, acpr Conference,
        ‘Financial supervision and the role of national authorities in Europe’, Parijs:
        18 September.
nrc (2018) ‘Rutte noemt banken “semioverheid” en bedankt bij voorbaat voor commissaris-
        post’, 9 maart, beschikbaar op www.nrc.nl/nieuws/2018/03/09/verkiezingen-
        rutte-noemt-banken-semioverheid-en-bedankt-bij-voorbaat-voor-
        commissarispost-a1595156.
nvb (2014) The Dutch Mortgage Market, Memorandum Nederlandse Vereniging van
        Banken.
nvb (2016) Vertrouwensmonitor Banken, beschikbaar op: www.nvb.nl.
Obstfeld, M. en A. M. Taylor (1998) The Great Depression as a Watershed: International
        Capital Mobility over the Long Run, nber working paper w5960.
oeso (1997) The oecd Report on Regulatory Reform, volume 1: Sectoral Studies, Parijs:
        Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling.
oeso (2000) The service economy, Parijs: Organisatie voor Economische Samenwerking en
        Ontwikkeling.
oeso (2011) oeso at 50 – Evolving Paradigms in Economic Policy Making, Parijs:
        Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling.
oeso (2012) Implicit Guarantees for Bank Debt: Where Do We Stand?, Parijs: Organisatie
        voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling.
oeso (2015) Finance and inclusive growth, Parijs: Organisatie voor Economische
        Samenwerking en Ontwikkeling.
Ons Geld (2015) Initiatieftekst Burgerinitiatief Ons Geld, beschikbaar op: onsgeld.nu/
        burgerinitiatief.pdf
Ons Geld (2016) Memorandum over het geldstelsel, beschikbaar op: onsgeld.nu/
        kamerdebat-memo-geldstelsel.pdf
Ordoñez, M.F. (2018) The future of banking. Secure money and deregulation of the financial
        system, Speech at the Areces Foundation, 6 februari.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 295 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 296 ======================================================================

<pre>                                                                              literatuur    295
Pagliari, E. (ed.) (2012) Making Good Financial Regulation – Towards a Policy Response to
          Regulatory Capture, International Centre for Financial Regulation, Guildford,
          Surrey: Grosvenor House Publishing.
Peekel, M. en J.W. Veluwenkamp (1984) Het girale betalingsverkeer in Nederland,
          Amsterdam: Nederlands Instituut voor het Bank- en Effectenbedrijf.
Pettifor, A. (2017) The Production of Money: How to Break the Power of the Banks, Londen:
          Verso.
Philipon, T. en A. Reshef (2012) ‘Wages and Human Capital in the U.S. Financial Industry:
          1909-2006’, The Quarterly Journal of Economics 127, 4: 1551-1609.
Phillips, R. J. (2015 [1995]), The Chicago plan and new deal banking reform, New York, ny:
          Routledge.
Pontuch, P. (2014) ‘Private sector deleveraging: where do we stand?’, Quarterly Report on
          the Euro Area 13, 3: 7-19, European Union Publications Office.
Posthuma, J.E. (1955) ‘Tien Jaar Herstelbank’, blz. 1-45 in Tien jaar economisch leven in
          Nederland, ’s Gravenhage.
Raad voor de Volksgezondheid en Zorg (2014) De stem van verzekerden. Advies over de
          legitimiteit en de governance van zorgverzekeraars, Den Haag: rvz.
Rajan, R.G. en L. Zingales (2004) ‘Making Capitalism Work for Everyone’, Journal of
          Applied Corporate Finance 16: 101-108.
Reid, J., G. Nicol, N. Burns en S. Chanda (2017) Long-Term Asset Return Study. The Next
          Financial Crisis, Deutsche Bank.
Reinhart, C. M., V. Reinhart en K. Rogoff (2015) ‘Dealing with debt’, Journal of
          International economics 96(Supplement 1): 43-55.
Renselaar, C. van en A.C.J. Stokman (2001) Afscheid van de Nederlandse munt: gulden lessen,
          onderzoeksrapport wo&e nr 667, Amsterdam: De Nederlandsche Bank.
Richter, W. (2017) Cryptocurrencies Collapsed, 11 juli, beschikbaar op: http://
          wolfstreet.com/2017/07/11/what-is-going-on-with-crypto-currencies-collapse/
Riel, A. van (2016) Het financieel stelsel in historisch perspectief, Den Haag: wrr.
Riel, A. van (2018) Trials of Convergence. Prices, Markets and Industrialization in the
          Netherlands, 1800-1913, proefschrift.
Romer, C.D. en D.H. Romer (2003) Choosing the federal reserve chair: lessons from history,
          nber working paper 10161.
Rousseau, P.L. en P. Wachtel (2011) ‘What is Happening to the Impact of Financial
          Deepening on Economic Growth?’ Economic Inquiry, 49, 1: 276-288.
Ryan-Collins, J. (2015) Is Monetary Financing Inflationary? A Case Study of the Canadian
          Economy, 1935–75, Levy Institute Working Paper, No. 84.
Sanders, M. en L. Zhang (2018) Diversiteit in de financiële sector is van groot belang, esb
          11 oktober.
Sangen, G.J.H. van der (2012) De evolutie van de coöperatie en haar financiering, in R.C.E.
          Galle, Handboek Cooperatie, Dordrecht: Convoy.
Saravelos, G., D. Brehon en R. Winkler (2016). Helicopters 101: your guide to monetary
          financing, Deutsche Bank Special Report, 15 april.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 296 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 297 ======================================================================

<pre>296       geld en schuld
Schelkle, W. (2012) ‘In the Spotlight of Crisis How Social Policies Create, Correct, and
          Compensate Financial Markets’, Politics & Society 40:3-8.
Schepens, G. (2016) ‘Taxes and bank capital structure’, Journal of Financial Economics 120,
          3: 585-600.
Schmiedel, H., G. Kostova en W. Ruttenberg (2012) The social and private costs of retail
          payment instruments. A European perspective, ecb-Occasional Paper Series,
          no. 137, Frankfurt am Main: dnb.
Schoenmaker, D. en P. Wierts (2015) Regulating the Financial Cycle: An Integrated
          Approach with a Leverage Ratio, Duisenberg school of finance – Tinbergen Institute
          Discussion Paper, Amsterdam.
Schularick, M. en A.M. Taylor (2012) ‘Credit Booms Gone Bust: Monetary Policy, Leverage
          Cycles, and Financial Crises, 1870-2008’, American Economic Review 102, 2:
          1029-61.
ser (2010) Overheid én markt: Het resultaat telt! Voorbereiding bepalend voor succes, Advies
          10/01, Den Haag: Sociaal-Economische Raad.
ser (2013) Nederlandse economie in stabieler vaarwater, Den Haag: Sociaal-Economische
          Raad.
Sigurjónsson, F. (2015) Monetary Reform. A better monetary system for Iceland, Iceland,
          Reykjavik.
Skingsley, C. (2016) Should the Riksbank issue ekrona?, speech, november.
Sluis, van der M. (2017) In law we trust : the role of eu constitutional law in European
          monetary integration, Florence: European University Institute.
Smits, J.P., E. Horlings en J.L. Van Zanden (2000) Dutch gnp and its Components, 1800-1913,
          Groningen: Groningen Growth and Development Centre, Monograph Series nr. 5.
Sobel, J. (2002) ‘Can we trust social capital?’, Journal of Economic Literature, 40, 1: 139-154.
Stellinga, B. (2015) Europese financiële regulering voor en na de crisis, Wetenschappelijke
          Raad voor het Regeringsbeleid Working Paper 15, Den Haag: Sdu Uitgevers.
Stellinga, B. en D. Mügge (2017) ‘The regulator’s conundrum. How market reflexivity limits
          fundamental financial reform’, Review of International Political Economy 24, 3:
          393-423.
Stichting Full Reserve (2018) Missie, beschikbaar op: www.fullreserve.nl/page/missie.
Stoffer, J. (1986) Het ontstaan van de nmb, Deventer: Kluwer.
Sustainable Finance Lab (2015) De Geldkwestie, Utrecht: Sustainable Finance Lab.
Sustainable Finance Lab (2016) Publieksonderzoek kennis en wensen geldschepping,
          beschikbaar op: www.sustainablefinancelab.nl/publieksonderzoek-kennis-en-
          wensen-over-geldscheppping.
Sveriges Riksbank (2017) The Riksbank’s ekrona project, report 1, september.
Swiss National Bank (2018) Arguments of the snb against the Swiss sovereign money
          initiative (Vollgeldinitiative).
Tarullo, D. (2008) Banking on Basel. The future of international financial regulation,
          Washington dc: Peterson Institute for International Economics.
Taylor, A.M. (2012) The great leveraging, nber Working Paper Series 18290, Cambridge,
          ma: National Bureau of Economic Research.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 297 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 298 ======================================================================

<pre>                                                                             literatuur   297
Temin, P. (1993) ‘Transmission of the Great Depression’, Journal of Economic Perspectives,
          7, 2: 87-102.
The Economist (2017) American banks have recovered well; many European ones much less
          so, Londen: The Economist.
Tiemeijer, W. (2016) Eigen schuld? Een gedragswetenschappelijk perspectief op
          problematische schulden, wrr Verkenning, Amsterdam: Amsterdam University
          Press.
Tiemeijer, W.L., C.A. Thomas en H.M. Prast (red.) (2009) De menselijke beslisser: over de
          psychologie van keuze en gedrag, wrr Verkenning, Amsterdam: Amsterdam
          University Press.
Tijdelijke Commissie Huizenprijzen (2013) Kosten koper – Een reconstructie van 20 jaar
          stijgende huizenprijzen, Den Haag: Sdu Uitgevers.
Tobin, J. (1963) Commercial Banks as Creators of ‘Money’, Cowles Foundation Discussion
          Papers 159, Yale University.
Tobin, J. (1985) ‘Neoclassical Theory in America: J. B. Clark and Fisher’, The American
          Economic Review 75, 6: 28-38.
Tokmetzis, D. (2013) ‘Niemand weet wie onze staatsschuld bezit’ de Correspondent,
          2 oktober.
Turner, A. (2014) Escaping the debt addiction: monetary and macro-prudential policy in the
          post crisis world, Frankfurt: Centre for Financial Studies.
Turner, A. (2015) Between Debt and the Devil – Money, Credit, and Fixing Global Finance,
          Princeton, New Jersey: Princeton University Press.
Uittenbogaard, R. (2014) Evolution of Central Banking. De Nederlandsche Bank 1814-1852,
          diss. Utrecht.
Uittenbogaard, R. (2017) ‘Een korte geschiedenis van regulering van retailbetalingsverkeer’,
          Economisch en Statistische Berichten 102(4753S): 55-61.
Veer, K. van der, E. Klaaijsen en R. Roerink (2015) Scherper licht op financiële
          stabiliteitsrisico’s van het schaduwbankwezen, dnb Occasional Studies, 13: 7,
          Amsterdam: dnb.
Veldhuizen, S., S. Groot en M. van Dijk (2015) De economische effecten van een verdere
          verlaging van de ltv-limiet, Den Haag: cpb.
Verhoeven, W.H.J., C. van Essen, M. Folkeringa, A. Ruis en C.K. Smit (2010) Het
          buffervermogen van het mkb. Omvang, achtergronden en een internationale
          vergelijking, Zoetermeer: Panteia.
Vickers report (2011) Independent Commission on Banking: Final Report Recommendations,
          september.
Visser (2015) ‘Praktische kant burgerinitiatief ons geld weinig aantrekkelijk’, Me Judice
          21 mei.
Visser, H. (2009). Islamitisch bankieren: financieren met hindernissen, beschikbaar op:
          www.verenigingrimo.nl/wp/wp-content/uploads/Recht-van-de-Islam-23_11-
          Visser.pdf.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 298 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 299 ======================================================================

<pre>298      geld en schuld
Vré, H. de (2014) ‘De bijzondere zorgplicht van financiële dienstverleners onder toezicht’,
         in Wetenschappelijke Bijdragen, Bundel ter gelegenheid van het 35-jarig bestaan van
         het wetenschappelijk bureau van de Hoge Raad der Nederlanden, Den Haag: Boom
         Juridische uitgevers.
Vries, C.G. de (2005) ‘Journal of Banking & Finance’ 29: 803-825.
Wallace, T. (2017) ‘Is the Bank of England running out of rhetorical firepower on interest
         rates?’ The Telegraph, 14 september.
Warwick Commission (2009) The Warwick Commission on International Financial Reform:
         In Praise of Unlevel Playing Fields, Warwick: University of Warwick.
Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (2000) Het borgen van publiek belang,
         wrr-rapport nr. 56, Den Haag: Sdu Uitgevers.
Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (2012) Publieke zaken in de markt-
         samenleving, wrr-rapport nr. 87, Amsterdam: Amsterdam University Press.
Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (2013) Toezien op publieke belangen.
         Naar een verruimd perspectief op rijkstoezicht, wrr-rapport nr. 89, Amsterdam:
         Amsterdam University Press.
Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (2014) Met kennis van gedrag beleid
         maken, wrr-rapport nr. 92, Amsterdam: Amsterdam University Press.
Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (2016) Samenleving en financiële sector
         in evenwicht, wrr-rapport nr. 96, Den Haag: Sdu Uitgevers.
Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (2017) Weten is nog geen doen. Een
         realistisch perspectief op redzaamheid, wrr-rapport nr. 97, Amsterdam:
         Amsterdam University Press.
White, W.R. (2008) Past financial crises, the current financial turmoil, and the need for a
         new macrofinancial stability framework, Speech by Mr William R White,
         Economic Adviser and Head of Monetary and Economic Department of the Bank
         for International Settlements, at the lse Financial Markets Group and Deutsche
         Bank Conference “The structure of regulation: lessons from the crisis of 2007”,
         Londen, 3 maart.
Williams, D. G. T. (1968) ‘The evolution of the sterling system’, in C. Whittlesey (red.)
         Essays in Money and Banking, Oxford: Clarendon.
Wolf, M. (2014) ‘Strip private banks of their power to create money’, Financial Times
         24 april.
Wolf, M. (2017) ‘Banking remains far too undercapitalised for comfort’, Financial Times
         21 september, beschikbaar op: www.ft.com/content/
         9dd43a1a-9d49-11e7-8cd4-932067fbf946.
Wortmann, E. (2017) Deleverage without a crunch, Working Paper, Stichting Ons Geld.
Wray, L.R. (2004) The Credit Money and State Money Approaches, cfeps Working Paper,
         nr. 32, Kansas City, mo: cfeps.
Wray, L.R. (2014) From the state theory of money to modern money theory: an alternative to
         economic orthodoxy, Working Paper, Levy Economics Institute, No. 792
</pre>

====================================================================== Einde pagina 299 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 300 ======================================================================

<pre>                                                                            literatuur       299
Yamaguchi, K. (2011). ‘Workings of A Public Money System of Open Macroeconomies’,
         in: Modeling the American Monetary Act Completed. Paper at the 29th International
         Conference of the System Dynamics Society, Washington dc.
Zanden, J. L. van en A. van Riel (2004) The Strictures of Inheritance: The Dutch Economy in
         the Nineteenth Century, Princeton: Princeton University Press.
Zanden, J.L, van (1997a) Een klein land in de twintigste eeuw. Economische geschiedenis van
         Nederland 1914-1995, Utrecht: Spectrum.
Zanden, J.L. van (1997b) ‘Old rules, new conditions, 1914-1940’, blz. 124-151 in M. ’t Hart,
         J. Jonker en J.L. van Zanden (red.), A Financial history of The Netherlands,
         Cambridge, vk: Cambridge University Press.
Zwet, J. R. van (2001) De ontwikkeling van de Bankwet 1814-1998. Van ’s Konings oudste
         dogter tot integrerend onderdeel van het escb, onderzoeksrapport wo&e 649.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 300 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 301 ======================================================================

<pre>GELD EN SCHULD
DE PUBLIEKE ROL VAN BANKEN
Geld en schuld zijn van fundamenteel belang voor onze samenleving,
maar lastig te doorgronden. In Geld en Schuld: De publieke rol van
banken bespreekt de WRR hoe geldschepping werkt, waarom geld
en schuld nauw met elkaar samenhangen, wat de belangrijkste
problemen zijn en welke oplossingen mogelijk zijn.
In ons geldstelsel creëren banken giraal geld wanneer zij leningen
verstrekken. Deze wijze van geldschepping is niet nieuw. Wel nieuw
is de context waarbinnen geldschepping plaatsvindt; deze is de
laatste decennia langzaam maar ingrijpend veranderd. De steeds
belangrijkere rol van giraal geld, het verdwijnen van een publieke
betaal- en spaaroptie en de concentratie en toegenomen uniformiteit
in het bankwezen hebben geleid tot een situatie waarin geld en
schuld gemakkelijker uit de hand kunnen lopen. Ook heeft het geleid
tot een onbalans tussen publieke en private belangen.
De WRR beveelt daarom aan om te zorgen voor meer diversiteit in het
stelsel, meer werk te maken van het temmen van de schuldengroei,
beter voorbereid te zijn op de volgende crisis en te zorgen voor een
stevigere verankering van de publieke dimensie van het bankwezen.
                                                              ISBN 978-90-80899-70-4
                                                             9 789080 899704
</pre>

====================================================================== Einde pagina 301 =================================================================

<br><br>