<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>                                           Dwangbehandeling
                        binnen de tenuitvoerlegging van straffen en maatregelen
 Advies over het voorstel tot wijziging van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden, de
  Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen en de Penitentiaire beginselenwet ter invoering van de
               wettelijke mogelijkheid van dwangbehandeling in de justitiële inrichtingen.
                                       Advies d.d. 4 februari 2008
 De Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming draagt er door middel van rechtspraak en
advies toe bij dat overheid en relevante uitvoeringsorganen voldoende oog houden voor de beginselen
    van een goede bejegening, alsmede voor de rechtspositie van diegenen die in het kader van de
        tenuitvoerlegging van straffen en maatregelen en de bescherming van jeugdigen aan de
                         verantwoordelijkheid van de overheid zijn toevertrouwd.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>Inhoudsopgave
Conclusies en aanbevelingen .................................................................................................................................................... 3
1. De aanleiding voor het wetsvoorstel kritisch bekeken................................................................................................ 5
2. Het zorgniveau moet naar behoren zijn ......................................................................................................................... 6
3. De toepassing in met name de jeugdsector beperken ............................................................................................... 6
4. Het oordeel van een onafhankelijke rechter invoeren ............................................................................................... 7
5. De zorgvuldigheidseisen vastleggen .................................................................................................................................. 7
6. De nieuwe dwangbehandeling onderscheiden van de bestaande dwangingreep ............................................. 8
7. De praktijk van dwangbehandeling onderzoeken en evalueren ............................................................................. 9
                                    Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming                                                                                          2
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>Conclusies en aanbevelingen
De Raad onderschrijft de invoering van een regeling voor dwangbehandeling binnen de
tenuitvoerlegging van straffen en maatregelen, overeenkomstig de wet Bijzondere opnemingen
psychiatrische ziekenhuizen (Bopz).
Het equivalentie- of gelijkwaardigheidsbeginsel is hierbij leidend voor de Raad. Aan personen die aan
een psychiatrische stoornis of andere aandoening lijden terwijl ze een straf of maatregel in een justitiële
inrichting ondergaan, dient zorg te worden geboden die gelijkwaardig is aan de zorg buiten de
instelling. Onder bepaalde omstandigheden en voorwaarden kan dit betekenen dat ook
dwangbehandeling op een justitiabele wordt toegepast. Behalve voor de inhoud van de zorg heeft het
equivalentiebeginsel ook betekenis voor de rechtsbescherming en de zorgvuldigheid van optreden.
Aanleiding voor het wetsvoorstel
De Raad plaatst kritische kanttekeningen bij de aanleiding voor het wetsvoorstel
(§ 1). De memorie van toelichting geeft geen helder inzicht in de mate waarin indicaties voor
dwangbehandeling binnen de tenuitvoerlegging zich voordoen en gaat niet in op alternatieve
mogelijkheden binnen de bestaande wetgeving.
Zorgniveau
Hoewel de nieuwe regeling moet aansluiten op het Bopz-equivalent voor dwangbehandeling concludeert
de Raad dat deze op belangrijke punten daarvan afwijkt. Dit betreft onder meer de randvoorwaarden
voor dwangbehandeling in een justitiële inrichting zoals diagnostiek, het opstellen van behandelplannen,
voldoende deskundig personeel en professionele behandeling (§ 2). Deze worden niet gelijktijdig met
het wetsvoorstel geregeld. De Raad meent dat deze voorzieningen absolute voorwaarden zijn voor de
toepassing van dwangbehandeling en beveelt aan op dit onderdeel de Bopz-regeling te volgen. Dat
betekent dat de Raad (dwang)behandeling slechts realiseerbaar acht in (één of meer) inrichtingen die
aan de genoemde voorwaarden voldoen en daartoe specifiek worden aangewezen. Indien
dwangbehandeling aangevangen is in een daarvoor aangewezen en geëquipeerde inrichting en tevens
valt te voorzien dat deze een langdurig karakter gaat krijgen, dient zo spoedig mogelijk overplaatsing
plaats te vinden naar een daartoe geëigende ggz-instelling.
Jeugdsector
Uitgaande van bovengenoemd equivalentiebeginsel meent de Raad derhalve dat ook voor minderjarigen
dwangbehandeling onder de hiervoor genoemde voorwaarden mogelijk dient te zijn. De Raad spreekt
daarbij tegelijkertijd zijn zorg uit over de mogelijkheid dwangbehandeling vorm te geven in de huidige
justitiële jeugdinrichtingen. De Raad acht om die reden het aanwijzen van een jeugdinrichting tot
inrichting waar (dwang)behandeling kan plaatsvinden, niet realiseerbaar. De Raad wijst dan ook de
toepassing van dwangbehandeling in de justitiële jeugdinrichtingen op dit moment af. Uitgangspunt zou
moeten zijn dat indien dwangbehandeling van een jeugdige noodzakelijk is, hij of zij in een ggz-
instelling wordt geplaatst.
Rechterlijke toets
Het equivalentiebeginsel dient ook van betekenis te zijn voor de rechtsbescherming. Hieruit volgt voor
de Raad dat het vaststellen van een psychiatrische stoornis die gevaar veroorzaakt en een
dwangbehandeling rechtvaardigt - evenals onder de wet Bopz- gebaseerd behoort te zijn op een
rechterlijk oordeel (§ 4).
Zorgvuldigheidsvereisten
                            Dwangbehandeling binnen de tenuitvoerlegging van straffen en maatregelen      3
                                                   Advies 4 februari 2008
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>De Raad onderschrijft het belang van de beginselen van subsidiariteit, proportionaliteit en
doelmatigheid ten aanzien van dwangbehandeling en beveelt aan deze beginselen gelijktijdig in de wet
te concretiseren en aldus te verankeren (§ 5).
Onderscheid met de bestaande regeling
De Raad adviseert in de nieuwe regeling het onderscheid tussen de bestaande geneeskundige
dwangingreep1, die bedoeld is voor acute noodsituaties, en de nieuwe regeling voor dwangbehandeling
te verhelderen (§ 6).
Onderzoek en evaluatie
De Raad beveelt aan de resultaten van dwangbehandeling binnen de tenuitvoerlegging van straffen en
maatregelen te evalueren. Daarbij dient tevens te worden onderzocht in hoeverre dwangbehandeling
uiteindelijk leidt tot vrijwillige behandeling (§ 7).
Libidoremmers
De Raad is bekend met de discussie over de toepassing van libidoremmende medicatie. Deze thematiek
raakt aan het onderwerp van dit advies, omdat ook hier vragen naar voren komen rond de
toelaatbaarheid en doelmatigheid van het verplicht - dus met dwang- voorschrijven van deze medicatie
aan met name zedendelinquenten. De Raad zal in een afzonderlijk advies ingaan op de toepassing van
libidoremmers.
1
  De beginselenwetten voor het gevangeniswezen (Pbw), de tbs (Bvt) en de justitiële jeugdinrichtingen (Bjj) kennen thans eenzelfde maatregel.
Deze houdt in dat bij acuut gevaar (niet per se veroorzaakt door een psychiatrische stoornis) in de inrichting voor de gezondheid of veiligheid
van betrokkene of anderen, het hoofd van de inrichting op advies van de arts of psychiater kan besluiten dat de justitiabele een geneeskundige
ingreep moet gedogen. Deze ingreep is eenmalig van aard en niet bedoeld als dwangbehandeling over een langere periode.
                                             Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming                                              4
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>1. De aanleiding voor het wetsvoorstel kritisch bekeken
Enkele kritische kanttekeningen bij de aanleiding voor het wetsvoorstel
De Raad kan de invoering van een deugdelijke wettelijke regeling voor dwangbehandeling binnen de
tenuitvoerlegging van straffen en maatregelen onderschrijven. Dit op grond van het uitgangspunt dat in
alle justitiële inrichtingen de noodzakelijke zorg moet kunnen worden geboden, van een niveau dat niet
onder doet voor het zorgniveau in andere sectoren van de samenleving (equivalentiebeginsel). Bekend is
dat een (onbekend) aantal justitiabelen in de justitiële inrichtingen van adequate behandeling verstoken
blijft.
Zowel in de tbs-sector als in het gevangeniswezen groeit het aantal personen met een psychotische of
andere psychiatrische stoornis, voor wie behandeling noodzakelijk wordt geacht. Een aantal van hen
weigert deze behandeling.
Een goed inzicht in het aantal gevallen waarin dwangbehandeling binnen de tenuitvoerlegging
geïndiceerd is, is in het kader van evaluatie van de maatregel onontbeerlijk. De Raad mist in deze een
helder overzicht van de problemen in de bestaande praktijk. De memorie van toelichting noemt slechts
een geschat aantal van gedetineerden met psychotische problematiek.
De Raad overlegde in het kader van dit advies met directeuren en psychiaters uit de drie sectoren. In
dit overleg kwam naar voren dat de wens tot het invoeren van een wettelijke regeling voor
dwangbehandeling in het veld duidelijk leeft. In de FOBA wordt jaarlijks in ongeveer honderd gevallen
                                                                               2
(éénderde van het aantal opnamen) een geneeskundige dwangingreep volgens art. 32 Pbw toegepast.
Het betreft hier vrijwel uitsluitend psychotici. Voor een vergelijkbaar aantal gedetineerden acht men
tevens een vorm van dwangbehandeling aangewezen. Hier gaat het om gedetineerden die niet direct
gevaar veroorzaken, maar bij wie wel sprake is van een progressief ziekteproces, waarvoor zij evenwel
behandeling weigeren. Op langere termijn veroorzaakt dit ziekteproces een grote kans op cerebrale
schade, ernstige zelfverwaarlozing, maatschappelijke teloorgang en de kans op recidive van strafbare
feiten. In de sector tbs verwacht men dat zich jaarlijks per inrichting tussen de vijf en tien keer een
indicatie voor dwangbehandeling voordoet en in de jeugdsector gaat het jaarlijks naar schatting om vijf
tot tien gevallen in totaal.
In het overleg met directeuren en psychiaters uit het veld kwam eveneens naar voren dat plaatsing in
de ggz vanuit een justitiële jeugdinrichting of een penitentiaire inrichting minder vaak wordt toegepast
dan mogelijk is, terwijl deze weg, wanneer die wordt bewandeld, in de praktijk goed begaanbaar blijkt.
Het tijdig overplaatsen naar de ggz, op basis van een Bopz-titel of van een artikel uit een van de
beginselenwetten3, kan de noodzaak tot een dwangingreep in de justitiële inrichting voorkomen,
hetgeen dan ook dient te prevaleren. Thans blijft deze mogelijkheid onderbelicht. De Raad heeft het
onvoldoende benutten van plaatsing in de ggz in zijn advies over de zorg aan gedetineerden met een
psychiatrische stoornis reeds als aandachtspunt vermeld4. De Raad beveelt aan om, tegelijk met het
invoeren van de mogelijkheid tot dwangbehandeling (onder de gestelde voorwaarden) meer aandacht te
besteden aan het benutten van de bestaande mogelijkheden voor overplaatsing naar de ggz. Voor
justitiabelen van wie de beëindiging van het verblijf in de inrichting aanstaande is, blijft het benutten
van de mogelijkheid van overplaatsing naar de ggz van cruciaal belang. Voorafgaande aan overplaatsing
kan indien nodig met dwangbehandeling worden begonnen.
2
  Forensische Observatie en Behandel Afdeling van het gevangeniswezen, afdeling van Het Veer, p.i. Amsterdam)
3
  De beginselenwetten kennen de mogelijkheid van overplaatsing van een justitiabele met een ‘gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis
van de geestvermogens’ naar een psychiatrisch ziekenhuis: art. 15.5 Pbw, 14.1 Bvt en 16.6 Bjj.
4
  RSJ, De zorg aan gedetineerden met een ernstige psychische stoornis of verslaving, advies april 2007.
                                  Dwangbehandeling binnen de tenuitvoerlegging van straffen en maatregelen                                  5
                                                           Advies 4 februari 2008
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>Beoogd wordt de nieuwe regeling zoveel mogelijk af te stemmen op het Bopz-equivalent (de regeling
voor dwangbehandeling ex art. 38 Bopz huidig, en de artikelen 38a, 38b en 38c van het wetsvoorstel 30
492). Dit impliceert vooral dat rechtsongelijkheid tussen justitiabelen en Bopz-patiënten zoveel mogelijk
wordt vermeden. De Raad concludeert dat er op essentiële onderdelen nog sprake is van
rechtsongelijkheid. Het gaat hier om het vereiste zorgniveau, de rechtsbescherming en de
zorgvuldigheidsvereisten. De Raad beveelt aan het wetsvoorstel ook op deze onderdelen zoveel mogelijk
in overeenstemming te brengen met de Bopz-regeling voor dwangbehandeling. In de volgende
paragrafen gaat de Raad op deze onderdelen in.
2. Het zorgniveau moet naar behoren zijn
De Raad stelt voor om gelijktijdig te regelen dat dwangbehandeling alleen wordt toegepast in daartoe
aangewezen inrichtingen met een voldoende zorgniveau.
Het equivalentiebeginsel dient ook betekenis te hebben voor de randvoorwaarden waaronder
dwangbehandeling mag worden toegepast.
In de huidige praktijk worden dwangingrepen alleen toegepast in de inrichtingen die hierbij voldoende
zorg kunnen bieden. In ggz-instellingen spreekt men in dit verband over ‘intensive care’. Daartoe
behoort ten minste een 24-uurs verpleegkundige bezetting en een dagelijkse controle van de patiënt
door de psychiater. De Raad meent voorts dat de hiertoe aan te wijzen inrichtingen in staat moeten zijn
tot dwangpreventie zoals die ook in de ggz aanwezig is. Goede psychohygiënische omstandigheden, een
multidisciplinair team en ervaring zijn daarvoor onontbeerlijk.
De memorie van toelichting maakt duidelijk dat het de bedoeling is dat deze nieuwe vorm van dwang
alleen kan worden uitgevoerd in inrichtingen waar aan dergelijke randvoorwaarden is voldaan. De Raad
onderschrijft dit uitgangspunt, maar is van mening dat deze voorwaarden in deze of een lagere regeling
dienen te worden opgenomen. Voorts dient bij het van kracht worden van de wetswijziging de zorg in
de betreffende inrichtingen op het vereiste niveau te zijn. Hiermee wordt voorkomen dat in het veld
misverstanden ontstaan en dwangbehandeling wordt toegepast in inrichtingen die niet over deze
randvoorwaarden beschikken.
3. De toepassing in met name de jeugdsector beperken
Gelet op de huidige stand van zorg en de omvang van de populatie in de justitiële jeugdinrichtingen
beveelt de Raad aan dwangbehandeling aldaar niet toe te passen.
De justitiële jeugdinrichtingen zijn thans niet in staat de hierboven vermelde randvoorwaardelijke zorg
te bieden. Het voorzieningenniveau in deze inrichtingen is veelal onvoldoende en verdient los van dit
wetsvoorstel ingrijpende verbetering5. Bovendien zijn jongeren vanwege hun lichamelijke en geestelijke
ontwikkeling in geval van dwangtoepassing extra kwetsbaar. Om deze redenen vindt de Raad dat
minderjarigen in de justitiële inrichtingen, voor wie dwangbehandeling noodzakelijk wordt geacht,
overgeplaatst dienen te worden naar een ggz-instelling. Daarbij valt te denken aan de jeugdpsychiatrie,
waar de professionele know-how wel aanwezig is en waar tevens meer ervaring bestaat met
dwangpreventie. De Raad verwijst voor de behandeling van jongeren met een psychische stoornis ook
naar zijn aanbevelingen in het recent uitgebrachte advies over aanpassing van de Regeling toepassing
mechanische middelen, het zogenaamde veiligheidsbed 6.
5
  Zie de rapporten van de Algemene Rekenkamer: Detentie, behandeling en nazorg criminele jongeren, oktober 2007 en van de Inspecties
Onderwijs, Sanctietoepassing, Gezondheidszorg en Jeugdzorg, Veiligheid in justitiële jeugdinrichtingen, opdracht met risico’s, september 2007.
6
  RSJ, Het veiligheidsbed in de justitiële jeugdinrichting, advies van 21 september 2007.
                                                Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming                                          6
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>4. Het oordeel van een onafhankelijke rechter invoeren
De rechtsgelijkheid met de Bopz-patiënt vordert dat de rechter betrokken wordt bij de beslissing tot
dwangbehandeling.
Nu een zekere gelijkschakeling met de wet Bopz de basis voor dit wetsvoorstel vormt, zal dit ook ten
aanzien van de rechtsbescherming dienen te gelden.
Anders dan bij de Bopz-patiënt en de tbs-patiënt heeft de rechter bij de justitiabele met enkel een straf
niet op tegenspraak geoordeeld over de aanwezigheid van een psychiatrische stoornis, over het gevaar
en over het causale verband tussen de geconstateerde stoornis en gevaar en daarmee over de noodzaak
tot behandeling.
Onder de Bopz geldt dat vrijwillig opgenomen patiënten pas aan een dwangbehandeling kunnen
worden onderworpen nadat via de burgerlijke rechter een Bopz-opnametitel is verkregen. Zonder die
titel is dwangtoepassing niet mogelijk .         7
Op een vergelijkbare wijze zou een oordeel van de rechter moeten worden gevraagd als
dwangbehandeling wordt overwogen ten aanzien van een gedetineerde of een jeugdige. Nu dit
ontbreekt, oordelen alleen de psychiater en het hoofd van de inrichting over de aanwezigheid van het
gevaar, de stoornis en het causale verband daartussen. Daarmee heeft de justitiabele die met
dwangbehandeling wordt geconfronteerd minder rechtsbescherming dan de Bopz-patiënt. Teneinde de
regeling op dit punt meer in overeenstemming te brengen met de wet Bopz beveelt de Raad om
voorafgaand aan het toepassen van dwangbehandeling de tussenkomst van een rechter in te voeren. Het
oordeel van de rechter zou moeten worden gevraagd over de aanwezigheid van een psychiatrische
stoornis, het gevaar (volgens de Bopz-criteria) en het causale verband tussen beide. Met de invoering
van een dergelijk rechterlijk oordeel wordt ook in zekere zin geanticipeerd op de invoering van een
nieuwe zorg- en behandelwet die de huidige wet Bopz en andere regelingen voor (dwang-) behandeling
moet vervangen (zie de aanbevelingen van de Commissie 3e evaluatie wet Bopz en het groeiende
draagvlak daarvoor in het veld).
Volgens het wetsvoorstel kan betrokkene, als hij het niet met de dwangbehandeling eens is, beklag doen
bij de beklagcommissie. Kan hij zich niet vinden in het oordeel van de beklagcommissie, dan kan hij
tegen deze uitspraak in beroep bij de RSJ. Om ook in beroep de rechtspositie van de justitiabele gelijk
te trekken met die van de Bopz-patiënt meent de Raad dat dit een ‘vol’ beroep zal moeten zijn,
overeenkomstig de wijze waarop de Bopz-rechter beslissingen tot dwangbehandeling toetst .                                 8
5. De zorgvuldigheidseisen vastleggen
De beginselen van subsidiariteit, proportionaliteit, doelmatigheid en het vereiste van een behandelplan
moeten gelijktijdig geregeld worden.
De huidige wet stelt eisen aan de zorgvuldigheid van de uitvoering van de bestaande dwangingreep.
Deze eisen zijn neergelegd in de lagere regelingen (zoals bijvoorbeeld in de Penitentiaire maatregel) en
betreffen onder meer de procedure en de proportionaliteit, subsidiariteit en doelmatigheid.
De ingreep (dwangbehandeling) die nu wordt voorgesteld heeft minstens zulke grote gevolgen voor de
betrokken justitiabelen als de huidige ingreep en dient derhalve met minstens evenveel waarborgen
voor de zorgvuldigheid te worden omringd. In de memorie van toelichting worden deze vereisten dan
ook terecht genoemd, maar deze maken nog geen deel uit van het wetsvoorstel zelf. Wordt het
wetsvoorstel ingevoerd zonder deze vereisten gelijktijdig te regelen dan ontstaat het risico dat
7
  Voor jeugdigen met machtiging van de kinderrechter opgenomen in en gesloten jeugdinstelling geldt een ruimere regeling voor
dwangtoepassing. Art. 29p Wet op de jeugdzorg.
8
  Art. 41 wet Bopz
                                 Dwangbehandeling binnen de tenuitvoerlegging van straffen en maatregelen                     7
                                                          Advies 4 februari 2008
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>dwangbehandeling wordt ingezet zonder dat met deze vereisten rekening wordt gehouden. Dat kan tot
gevolg hebben dat de beslissing tot dwangbehandeling niet zorgvuldig tot stand komt en dat
dwangbehandeling met een ander doel, bijvoorbeeld als beheersinstrument, wordt toegepast.
In het wetsvoorstel wordt ervan uitgegaan dat dwangbehandeling binnen het kader van een
behandelplan plaatsvindt, ongeacht in welke justitiële inrichting de dwangbehandeling wordt toegepast.
De Raad onderschrijft dit uitgangspunt omdat dwangbehandeling volgens de ‘state of the art’ moet
worden ingezet, waarbij tevens zicht moet zijn op normalisering van behandeling. Dat wil zeggen:
voortzetting van die behandeling op vrijwillige basis. Indien nog geen behandelplan aanwezig is, kan als
de nood zich aandient gebruik worden gemaakt van de bestaande mogelijkheid voor een geneeskundige
dwangingreep, waarvoor geen behandelplan vereist is. Lopende deze noodmaatregel kan dan het
behandelplan alsnog gemaakt worden.
De Raad beveelt aan om de regeling voor het tot stand komen van het behandelplan en de maximale
perioden voor dwangbehandeling analoog aan de bepalingen uit de artikelen 38a, 38b en 38c
(wetsontwerp 30 492) in de Bvt en de Pbw op te nemen.
De Raad vraagt bijzondere aandacht voor gedetineerden die psychotisch decompenseren, wier toestand
na overplaatsing naar de FOBA verbetert zonder medicamenteuze ingreep. Een behandelplan gericht op
vrijwillige voortzetting van de behandeling in een setting die wel verdragen wordt, voorkomt dat
dwangbehandeling wordt aangewend vanuit beheersmotieven.
6. De nieuwe dwangbehandeling onderscheiden van de bestaande dwangingreep
De nieuwe regeling behoort een helder onderscheid te maken tussen de bestaande geneeskundige
dwangingreep en de nieuwe dwangbehandeling.
In het wetsvoorstel wordt voor zowel de bestaande als de nieuwe ingreep de term ‘handeling’ gebezigd.
Nu toch onmiskenbaar bedoeld is dwangbehandeling mogelijk te maken en de wet Bopz daarvoor de
term behandeling gebruikt, wekt de term ‘handeling’ verwarring. De geneeskundige dwangingreep, zoals
nu geregeld in de artikelen 26 Bvt en 32 Pbw, is een noodmaatregel en vergelijkbaar met art. 39 Bopz.
Dwangbehandeling, zoals we die kennen uit art. 38 Bopz (en in de artikelen 38a, 38b en 38c
wetsontwerp 30 492) is zowel naar inhoud als naar tijdsperiode een geheel andere ingreep. De Raad
beveelt aan om beide ingrepen, zoals in de wet Bopz, in aparte artikelen op te nemen. Dit versterkt het
onderscheid tussen beide maatregelen, vergemakkelijkt het gebruik van de regeling voor het veld
aanzienlijk en voorkomt daarmee mogelijk beklag en beroep. Voor de geneeskundige dwangingreep is
het begrip geneeskundige handeling geschikt. Voor de regeling van de dwangbehandeling adviseert de
Raad het begrip geneeskundige behandeling te gebruiken.
                                  Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming                   8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>7. De praktijk van dwangbehandeling onderzoeken en evalueren
De uitvoeringspraktijk dient te worden onderzocht en geëvalueerd, onder meer om zichtbaar te maken
of dwangbehandeling het overgaan naar vrijwillige behandeling bevordert.
Het doel van de invoering van dwangbehandeling is de noodzakelijke zorg te kunnen bieden aan die
justitiabelen die daarvan nu, door het ontbreken van een wettelijke basis, verstoken blijven. Een bredere
toepassing van dwangbehandeling zal moeten resulteren in een verbetering van de gezondheidstoestand
van deze justitiabelen. Daarin vindt de invoering van deze wet zijn werkelijke legitimatie. Het is daarom
van belang de toepassing van de regeling en zijn resultaten nauwgezet te volgen, in kaart te brengen en
te evalueren.
Onderzoek en evaluatie van de praktijk van dwangbehandeling dienen vanaf de start te zijn geregeld.
Het onderzoek dient zicht te geven op de groep patiënten met manifeste psychosen die behandeling
weigeren en voor dwangbehandeling geïndiceerd zijn. Het onderzoek moet zich tevens richten op de
vraag of dwangbehandeling daadwerkelijk leidt tot normalisering van de behandeling. Onder
professionals leeft de verwachting dat patiënten door dwangbehandeling meer bereid zullen zijn om
normale behandeling te accepteren. Daarentegen leeft met name bij patiëntenorganisaties de opvatting
dat dwangbehandeling eerder averechts werkt en dat patiënten door hun ervaring met
dwangbehandeling (voor lange tijd of voorgoed) een aversie opbouwen tegen psychiatrische
behandeling in het algemeen. Onderzoek en evaluatie zou ook hierover licht kunnen doen schijnen en
zo een bijdrage kunnen leveren aan het verwerven van inzicht in de effectiviteit van dwangbehandeling
op de langere termijn.
                          Dwangbehandeling binnen de tenuitvoerlegging van straffen en maatregelen       9
                                                 Advies 4 februari 2008
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>