<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>Kinderen, ouders en overheidsingrijpen
Advies over het Ontwerp-voorstel van Wet tot wijziging van Boek 1 van het
Burgerlijk Wetboek, het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de Wet op de
jeugdzorg in verband met de herziening van de maatregelen van
kinderbescherming
Advies 15 februari 2008
          Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming | Advies Kinderen, Ouders en overheidsingrijpen
                                                          1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming | Advies Kinderen, Ouders en overheidsingrijpen
                                                2
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>Inhoudsopgave
Samenvatting								                                                              5
Aanleiding en context voor dit advies					                                        6
Enkele principiële punten in het ontwerp-voorstel van Wet			                      6
Artikelsgewijs commentaar						                                                   8
          Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming | Advies Kinderen, Ouders en overheidsingrijpen
                                                          3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming | Advies Kinderen, Ouders en overheidsingrijpen
                                                4
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>Samenvatting
Dit ontwerp-voorstel van Wet heeft als doel geconstateerde knelpunten in de praktijk van de
kinderbescherming weg te nemen en dus de doelmatigheid van de kinderbescherming te verbeteren. Zij
wil ertoe bijdragen dat kinderen beter worden beschermd tegen ouders die er onvoldoende in slagen om
het recht op een gezonde en evenwichtige ontwikkeling en groei naar zelfstandigheid van hun kind te
realiseren. Daartoe wordt ondermeer de mogelijkheid om een ondertoezichtstelling op te leggen verruimd.
Een aantal voorstellen tot herziening van de huidige wet is naar het oordeel van de Raad een verbetering.
Het betreft bijvoorbeeld de expliciete vermelding in de memorie van toelichting dat bij iedere (overheids)
beslissing het belang van het kind een primaire overweging dient te vormen, conform artikel 3 van het
Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind, het blokkaderecht voor pleegouders in het kader van
een ondertoezichtstelling en de mogelijkheid om gelijktijdig zusjes en/of broertjes onder toezicht te stellen,
indien nodig.
De Raad betwijfelt echter of dit ontwerp-voorstel van Wet in algemene zin bijdraagt aan verbetering
van de praktijk van de kinderbescherming. Het accent op het “gemakkelijker” kunnen opleggen van
kinderbeschermingsmaatregelen levert naar het oordeel van de Raad zelfs bepaalde risico’s op: bij een
ongewijzigde praktijk brengt dit het gevaar mee dat te snel en rigoureus wordt gegrepen naar het middel van
de ondertoezichtstelling1. De oplossing voor een slecht functionerende jeugdzorg moet naar het oordeel van
de Raad niet worden gezocht in het sneller en gemakkelijker onder toezicht stellen van kinderen. De aandacht
dient meer te worden gericht op een stelsel van (preventieve) jeugdzorgvoorzieningen en op verbetering van
de huidige uitvoering van de jeugdzorg.
Kinderbeschermingsmaatregelen zouden in dit stelsel als een sluitstuk moeten worden gezien. De Raad
betreurt het dat de memorie van toelichting niet ingaat op het belang van het vroegtijdig signaleren van
problematiek en op de gewenste praktijk. De overheid ontwikkelt wel plannen in deze richting, zoals het
oprichten van Centra voor Jeugd en Gezin. De Raad meent dat er daarnaast meer aandacht moet komen voor
het begrip “belang van het kind” en wat daar precies onder moet worden verstaan. In dit advies gaat de Raad
op een en ander nader in.
De Raad onderschrijft het vaststellen van de doelen van de ondertoezichtstelling door de kinderrechter.
Wel meent de Raad dat het voorstel om de kinderrechter tussentijds de gewijzigde doelen opnieuw te laten
vaststellen, tot onwerkbare situaties leidt. De Raad stelt daarom voor deze bepaling te laten vervallen. De
Raad is positief over het voorstel om ook andere kinderen dan de minderjarige (broertjes en/of zusjes)
tegelijkertijd onder toezicht te stellen als daarvoor de gronden aanwezig zijn. De Raad wijst ten aanzien van
een aantal bepalingen in het ontwerp-voorstel van Wet nadrukkelijk op het gevaar van onnodige juridisering
en op de bureaucratiserende werking ervan in de praktijk. De huidige praktijk heeft al erg te kampen heeft
met (te) veel regelgeving en een toename van regelgeving moet daarom zoveel mogelijk worden vermeden.
De Raad beveelt aan het gehele ontwerp-voorstel van Wet op dit soort bepalingen te bezien en deze zo nodig
te laten vervallen. Het betreft ondermeer het op verzoek wijzigen van de doelen door de kinderrechter en de
mogelijkheid om geschillen die de uitvoering van de ondertoezichtstelling betreffen aan de kinderrechter voor
te leggen.
      1 Ook het huidige wetsartikel maakt een gedifferentieerde toepassing in de praktijk mogelijk. Die gedifferentieerde toepassing vindt in
        praktijk vrijwel nooit plaats (zie ook pagina 6 laatste alinea van dit advies)
            Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming | Advies Kinderen, Ouders en overheidsingrijpen
                                                                          5
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>Aanleiding en context voor dit advies
De Raad gaat met dit advies in op het verzoek van de minister van Justitie te adviseren over het ontwerp-
voorstel van Wet tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), het Wetboek van
Burgerlijke Rechtsvordering en de Wet op de jeugdzorg in verband met de herziening van de maatregelen
van kinderbescherming. De Raad acht het een uitstekende zaak dat de memorie van toelichting bij deze
herziening expliciet vastlegt dat het belang van het kind een primaire overweging bij iedere (overheids)
beslissing dient te zijn, conform artikel 3 van het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind
(IVRK). Daarbij dient het recht van het kind op een gezonde en evenwichtige ontwikkeling en groei naar
zelfstandigheid centraal te staan.
De Raad beantwoordt in dit advies de vraag of deze herziening van de wet de geconstateerde knelpunten
daadwerkelijk wegneemt. Draagt de herziening ertoe bij dat kinderen beter worden beschermd in de
situatie waarin ouders er onvoldoende in slagen om het recht van hun kind op een gezonde en evenwichtige
ontwikkeling en groei naar zelfstandigheid te realiseren?
Enkele principiële punten in het ontwerp-voorstel van Wet
Verbetering van de praktijk is harder nodig dan herziening van kinderbeschermingsmaatregelen
Een belangrijk doel van het ontwerp-voorstel van Wet is het creëren van de mogelijkheid om een
kinderbeschermingsmaatregel op te leggen in lichtere gevallen dan nu mogelijk is. Daartoe wordt
het criterium ‘ernstige bedreiging’ uit artikel 255, lid 1 BW verruimd tot ‘onbedreigd opgroeien’. De
behoefte aan ruimere criteria voor het opleggen van een maatregel wordt ingegeven door het feit dat de
ondertoezichtstelling, zoals die thans wordt gehanteerd, in veel praktijksituaties als te zwaar wordt ervaren.
De Raad meent echter dat het probleem meer ligt in de uitvoering van de maatregelen (lees: het functioneren
van de jeugdzorg) dan in de maatregelen als zodanig. Een groot deel van de veel geuite kritiek op de
jeugdzorgen op de jeugdbeschermingsorganisaties in het bijzonder lijkt voort te komen uit onvrede met de
werkwijze van (de medewerkers van) deze instellingen en met de bureaucratie waarmee de jeugdzorg en haar
afnemers te maken hebben. Wijziging van de kinderbeschermingsmaatregelen draagt naar het oordeel van de
Raad slechts in geringe mate bij aan een verbetering van die werkwijze. Daarvoor is juist verandering van de
praktijk nodig.
Alhoewel het ruimere criterium ‘onbedreigd opgroeien’ de praktijk wellicht meer zal dwingen na te denken
over wat hieronder moet worden verstaan, brengt deze verruiming ook het gevaar mee dat te snel en
rigoureus naar het middel van de ondertoezichtstelling zal worden gegrepen. Dat laatste is beslist ongewenst.
Kinderbeschermingsmaatregelen zouden immers moeten werken als het sluitstuk van een breed aanbod
aan (preventieve) jeugdzorgvoorzieningen. Er zijn wel tekenen dat de praktijk zich wat dit betreft gunstig
ontwikkelt: gewezen kan worden op de projectgroep afstemming werkwijze in de jeugdbeschermingsketen
van het ministerie van Justitie, vergrote aandacht voor kwaliteit van de jeugdzorg en jeugdbescherming
en mogelijk de oprichting van Centra voor Jeugd en Gezin, indien aan een aantal basisvoorwaarden wordt
voldaan, zoals een goede samenwerking tussen instellingen. Het daadwerkelijk verbeteren van de praktijk zal
naar het oordeel van de Raad echter nog een kwestie van lange adem zijn.
Voorts is het de vraag of er wel behoefte is aan een ruimer criterium voor de ondertoezichtstelling. Ook binnen
de huidige wetgeving kan met een andere toepassing van de ondertoezichtstelling worden geëxperimenteerd.
Te denken is aan de voorwaardelijke ondertoezichtstelling, de kortdurende ondertoezichtstelling (bijv. zes
           Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming | Advies Kinderen, Ouders en overheidsingrijpen
                                                           6
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>maanden), het schorsen van de ondertoezichtstelling zodra de omstandigheden dat toelaten en het zo nodig
opnieuw activeren van de ondertoezichtstelling. In de praktijk worden dergelijke mogelijkheden niet of
nauwelijks gebruikt.
De overheid dient zich meer te richten op het vroegtijdig signaleren van opvoedingsproblemen
De overheid draagt verantwoordelijkheid voor het (vroegtijdig) signaleren van opvoedingsproblemen en
het aanbieden van opvoedingsondersteuning aan ouders waar dat nodig wordt geacht. De Raad heeft hier
in het advies Beter Beschermd2 al op gewezen. Met het vroegtijdig signaleren van problemen kan worden
voorkomen dat in een later stadium moet worden ingegrepen met een kinderbeschermingsmaatregel.
Eenduidigheid ten aanzien van het begrip ‘belang van het kind’ is gewenst
De Preambule bij het Internationale Verdrag inzake de Rechten van het Kind luidt dat “het kind, voor
de volledige en harmonische ontplooiing van zijn of haar persoonlijkheid, dient op te groeien in een
gezinsomgeving, in een sfeer van geluk, liefde en begrip”. Dit ‘belang van het kind’ zou naar het oordeel
van de Raad nader moeten worden uitgewerkt ten aanzien van het minimumniveau aan zorg dat een kind
nodig heeft. Uitgangspunt moet daarbij zijn dat kinderen recht hebben op een gezonde en evenwichtige
ontwikkeling en groei naar zelfstandigheid. Waar het gaat om ontwikkeling en zorg ziet de Raad hier
nadrukkelijk een maatschappelijk element in. Het belang van het kind is dan te omschrijven als ‘het bestaan
van voldoende en effectieve voorzieningen om tegemoet te komen aan de specifieke noden en behoeften van
minderjarigen, wanneer hun opvoedingssituatie van zodanige aard is dat ze ernstig worden belemmerd in
hun ontwikkeling’.
Beter toerusten van instellingen die betrokken zijn bij de ontwikkeling van kinderen
Bij bedreigende omstandigheden en falende middelen moet niet met ingrijpen worden gewacht tot er zich
bij het kind aantoonbare problemen of ontwikkelingsachterstanden manifesteren. Instellingen moeten
vanaf de geboorte bij de ontwikkeling van kinderen zijn betrokken, zij moeten meer outreachend werken,
gerichter voorlichting geven en beter op de situatie toegesneden ondersteunende opvoedingstrajecten aan
ouders geven. Om dit alles te kunnen realiseren zullen zij beter toegerust en onder betere condities moeten
werken dan nu mogelijk is. Duidelijk moet zijn wie de verantwoordelijkheid draagt voor de begeleiding van
een kind. Iemand moet kunnen constateren of risico’s en bedreigingen verminderd of opgeheven zijn en of
de normale ontwikkeling zijn loop heeft hervat. Dat moet een continu proces zijn waarbij kinderen in het
oog worden gehouden vanaf het prille stadium dat er ‘zorgen’ worden gesignaleerd tot en met de periode
waarin, - in voorkomende gevallen - een kinderbeschermingsmaatregel is opgelegd, en de tijd daarna. Daarbij
zijn vrijwillige jeugdzorg en jeugdbescherming nauw met elkaar verweven en wordt de zorg, indien nodig,
gemakkelijk overgedragen aan andere zorgvoorzieningen zoals de (geestelijke)gezondheidszorg. Daarbij is er
sprake van een gestructureerd contact tussen ketenpartners.
De Raad betreurt het dat de Memorie van Toelichting niet ingaat op het belang van dit vroegtijdig signaleren
van problematiek en op de gewenste praktijk zoals hiervoor geschetst, terwijl het opleggen van een
kinderbeschermingsmaatregel wel eerder mogelijk wordt gemaakt. Zoals reeds gezegd: bij een ongewijzigde
praktijk brengt dit het gevaar mee dat te snel en rigoureus wordt gegrepen naar het middel
van de ondertoezichtstelling.
De Raad vindt het verder van fundamenteel belang dat uitvoeringsinstanties zoals de Raad voor de
2   Advies d.d. 30 maart 2004 naar aanleiding van de beleidsnota Beter Beschermd van het ministerie van Justitie.
            Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming | Advies Kinderen, Ouders en overheidsingrijpen
                                                                     7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>Kinderbescherming, Bureaus Jeugdzorg en de jeugdzorgaanbieders voldoende zijn toegerust om hun
taken naar behoren te kunnen uitvoeren. Het niet of onvoldoende (kunnen) uitvoeren van taken mag niet
zijn legitimatie vinden in een gebrek aan middelen. Dit neemt niet weg dat van de jeugdzorginstellingen
verlangd mag worden dat zij ook daadwerkelijk ‘waar voor hun (subsidie)geld bieden’. Het mag
bijvoorbeeld niet voorkomen − hetgeen nu geregeld wordt geconstateerd − dat een onder toezicht gestelde
minderjarige en diens gezin slechts enkele contacten per jaar met het Bureau Jeugdzorg hebben. En een
behandelingsinrichting moet ook daadwerkelijk behandeling bieden.
Artikelsgewijs commentaar3
Artikel 255, lid 1 BW: Wijzigingen in de ondertoezichtstelling
Het voorstel om de grond voor de ondertoezichtstelling te wijzigen van ‘ernstig worden bedreigd’ in
‘onbedreigd opgroeien’ maakt het mogelijk om ook in lichtere gevallen een ondertoezichtstelling op te leggen.
De Raad is voorstander van het handhaven van het huidige criterium ‘ernstige bedreiging’, omdat hiermee
naar zijn oordeel het beoogde doel, verbetering van de positie van een kind dat wordt bedreigd, voldoende
kan worden bereikt. Bovendien krijgt het criterium ‘ernstige bedreiging’ vanzelf een groter gewicht als de
jeugdzorg zich meer richt op preventie en situaties die als ernstig bedreigend zijn te kenschetsen minder
vaak voorkomen. Preventief handelen houdt immers in dat verslechtering van de situatie wordt voorkomen
door vroegtijdig in een vrijwillig kader (jeugd)zorg te bieden. Alleen als ouders en/of minderjarige niet
of onvoldoende bereid zijn deze hulp te aanvaarden, is een verstrekkende maatregel noodzakelijk, als
daar ernstige redenen voor zijn. Bovendien meent de Raad dat met introductie van het ruimere criterium
‘onbedreigd opgroeien’ in de wet het gevaar van net-widening niet denkbeeldig is. Zoals al gezegd is de Raad
over de effecten die met deze wijziging kunnen worden bereikt op de praktijk van de jeugdbescherming niet
erg optimistisch gestemd.
Artikel 255, lid 2 BW: Verzoek tot ondertoezichtstelling
Dit artikel bepaalt ondermeer het volgende. Ingeval de Raad voor de Kinderbescherming niet voornemens is
de kinderrechter tot een ondertoezichtstelling te adviseren, kan het Bureau Jeugdzorg de Raad verzoeken
het oordeel van de kinderrechter omtrent de noodzaak van een ondertoezichtstelling te vragen.
De Raad voorziet dat een dergelijke constructie negatief kan werken op de relatie tussen het Bureau Jeugdzorg
en de Raad voor de Kinderbescherming. Ook de positie van de Raad voor de Kinderbescherming als
adviesorgaan strookt niet met deze constructie. De Raad stelt vanuit het oogpunt van zuivere verhoudingen
voor dat het Bureau Jeugdzorg zijn verzoek niet tot de Raad voor de Kinderbescherming maar tot het
Openbaar Ministerie richt. Een randvoorwaarde daarbij is dat het Openbaar Ministerie op het terrein van de
kinderbescherming zowel juridisch als wat betreft menskracht goed geëquipeerd is, hetgeen thans niet altijd
het geval is.
De Raad stelt voor de zinsnede “in dat geval kan de kinderrechter de ondertoezichtstelling ambtshalve
uitspreken” als overbodig te laten vervallen. De kinderrechter heeft immers reeds te allen tijde de
bevoegdheid een ondertoezichtstelling uit te spreken.
3   in de inhoud van die artikelen waarover niets wordt vermeld, kan de Raad zich vinden
             Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming | Advies Kinderen, Ouders en overheidsingrijpen
                                                                       8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>Artikel 255, lid 3 BW: Het vaststellen van de doelen en de termijn van de ondertoezichtstelling
De Raad onderschrijft de inhoud van deze bepaling en plaatst daarbij de kanttekening dat de doelen van de
ondertoezichtstelling op advies van de Raad voor de Kinderbescherming worden vastgesteld. Op deze wijze
geeft de Raad voor de Kinderbescherming aan langs welke weg de bedreiging voor het kind moet worden
weggenomen. Om dit te kunnen doen moet de Raad voor de Kinderbescherming overigens wel beschikken
over kwalitatief en kwantitatief voldoende gedragsdeskundige medewerkers. Datzelfde geldt voor de Bureaus
Jeugdzorg. Bovendien moeten ouders en/of de minderjarige de mogelijkheid hebben om in beroep te gaan
bij de kinderrechter als zij het niet eens zijn met het door de gezinsvoogd gewijzigde hulpverleningsplan (dat
gestalte kan krijgen in de vorm van een schriftelijke aanwijzing).
Overigens is de Raad het niet eens met het voorstel om de kinderrechter de vastgestelde doelen te laten
wijzigen of aanvullende doelen te laten stellen (zie artikel 263 BW hierna).Gewijzigde dan wel nieuwe doelen
moeten door de gezinsvoogd na bespreking met ouders in het hulpverleningsplan worden opgenomen.
De Raad ziet in dit voorstel een voorbeeld van onnodige juridisering en is van oordeel dat dit in de praktijk
zal leiden tot een onwerkbare situatie. Dit betekent immers dat de kinderrechter in dat soort situaties een
nieuwe beschikking moet geven waarin de betreffende wijzigingen of aanvullingen in de doelen worden
geformuleerd. Nieuwe of gewijzigde doelen kunnen echter heel goed door de gezinsvoogd na bespreking met
ouders in het hulpverleningsplan opgenomen worden. De gezinsvoogd kan de wijziging ook vastleggen in een
schriftelijke aanwijzing. De Raad verwijst tevens naar het onder artikel 263 BW vermelde. Uiteraard moeten
ouders en/of de minderjarige wel tegen het door de gezinsvoogd gewijzigde hulpverleningsplan in beroep
kunnen gaan bij de kinderrechter als de door de gezinsvoogd c.q. Bureau jeugdzorg voorgestane wijziging van
het hulpverleningsplan niet door de ouder(s) en/of het kind wordt/worden geaccepteerd.
Artikel 255, lid 4 BW: Het gelijktijdig onder toezicht stellen van andere kinderen uit het gezin
De Raad steunt het openen van de mogelijkheid om tegelijk met de minderjarige om wie het in eerste
instantie gaat, ook broertjes en zusjes onder toezicht te stellen, als de in lid 1 genoemde grond daarvoor
aanwezig is. De Raad stelt voor om deze bepaling positief te formuleren, bijvoorbeeld als: “de kinderrechter
kan ook andere minderjarigen... ambtshalve onder toezicht stellen, indien aan de grond van het eerste lid is
voldaan”.
Artikel 259 BW: Het benoemen van een andere stichting tot toezichthouder
Deze bepaling regelt het door de kinderrechter vervangen van een toezichthoudende stichting in de ene
provincie, door een stichting in een andere provincie. Dit kan geschieden op verzoek van de stichting die
het toezicht heeft, een met het gezag belaste ouder of de minderjarige zelf, als deze twaalf jaar of ouder is.
De Raad acht een aanvulling op zijn plaats in die zin dat ook een landelijk werkzame instelling als (gezins)
voogdijinstelling kan worden aangewezen. In dit kader beveelt de Raad aan om de mandaatregeling inzake de
landelijke instellingen voor (gezins)voogdij te laten vervallen én deze instellingen een landelijke bevoegdheid
te geven en daartoe de wet- en regelgeving aan te passen.
Artikel 260 en artikel 261 BW: Verlengen en opheffen van de ondertoezichtstelling
De Raad stelt voor in beide artikelen dezelfde personen en instanties bevoegd te verklaren tot het doen van
een verzoek. De tekst na “Raad voor de Kinderbescherming” zou dan kunnen luiden: “de minderjarige van
12 jaar of ouder, een met het gezag belaste ouder, degene die de minderjarige als behorende tot zijn gezin
verzorgt en opvoedt en het Openbaar Ministerie bevoegd tot het doen van een verzoek”.
           Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming | Advies Kinderen, Ouders en overheidsingrijpen
                                                            9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>Artikel 263 BW: Het vaststellen van gewijzigde of aanvullende doelen door de kinderrechter
Zoals de Raad al bij artikel 255, lid 3 BW heeft aangegeven, vindt hij het laten vaststellen van gewijzigde of
aanvullende doelen door de kinderrechter te omslachtig en stelt hij voor dit te laten vervallen: de uitwerking
hiervan zal in de praktijk hoogstwaarschijnlijk tot onnodige juridisering leiden.
Artikel 264 BW: Geschillen over de uitvoering van de ondertoezichtstelling
Deze bepaling regelt dat geschillen die de uitvoering van de ondertoezichtstelling betreffen, gedragingen
als bedoeld in artikel 67 eerste lid, onder b van de Wet op de Jeugdzorg uitgezonderd, aan de kinderrechter
kunnen worden voorgelegd. De Raad acht deze regeling onnodig juridiserend en stelt voor deze te laten
vervallen. Ook de toelichting geeft geen concrete voorbeelden waarom hieraan behoefte is, naast de
klachtenregeling ex artikel 67 van de Wet op de jeugdzorg.
Artikel 265c BW: Uithuisplaatsing voor dag en nacht
Naar het oordeel van de Raad moet het mogelijk blijven een minderjarige ook zonder machtiging van de
kinderrechter bij bijvoorbeeld familie of in een studie- internaat te plaatsen in situaties waarin alle partijen
het daarmee eens zijn. De Raad stelt daarom voor deze bepaling als volgt te wijzigen: “plaatsing van de
minderjarige gedurende dag en nacht bij een zorgaanbieder, gefinancierd in het kader van de Wet op de
jeugdzorg, geschiedt uitsluitend met toepassing van artikel 265d BW of bij een aanbieder van zorg als bedoeld
in artikel 1, sub h, van de Wet op de jeugdzorg”.
Artikel 265d, lid 4 BW: Informeren van de kinderrechter over opheffen uithuisplaatsing
De Raad kan zich in grote lijnen vinden in de inhoud van deze bepaling, die de machtiging van de
kinderrechter tot uithuisplaatsing van een minderjarige betreft. De Raad acht het echter niet juist dat een
machtiging tot uithuisplaatsing, gegeven door de kinderrechter, kan worden opgeheven zonder dat de
kinderrechter hierover wordt geïnformeerd. De Raad stelt daarom voor het laatste gedeelte van lid 4, de zin
achter de komma: “tenzij de raad met niet-tenuitvoerlegging instemt”, te laten vervallen.
Artikel 265e, lid 1 BW: De maximale duur van de uithuisplaatsing
De Raad stelt voor duidelijker naar voren te laten komen dat de uithuisplaatsing ten hoogste een jaar duurt.
Daartoe zou de laatste zin van dit lid moeten vervallen, zodat vermeld wordt dat de uithuisplaatsing,
behoudens verlenging als bedoeld in het tweede lid, ten hoogste een jaar duurt.
Artikel 265e, lid 2 BW: Personen bevoegd tot verzoek om verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing
De Raad stelt voor deze bepaling aan te vullen op dezelfde manier als voorgesteld onder artikel 260 en 261,
lid 2 BW, en wel als volgt, “kan verlenging plaatsvinden op verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming,
de minderjarige van twaalf jaar of ouder, een met het gezag belaste ouder, degene die de minderjarige als
behorend tot zijn gezin verzorgt en opvoedt en het Openbaar Ministerie”.
Artikel 265g, lid 1 BW: Overdracht ouderlijk gezag
Deze bepaling maakt het mogelijk dat de kinderrechter gelijktijdig met het verlengen van de machtiging tot
uithuisplaatsing en ook nadat de machtiging is verleend, bepaalt dat de uitoefening van het gezag gedeeltelijk
wordt overgedragen aan de stichting die het toezicht uitoefent, voor zover noodzakelijk in verband met de
verwezenlijking van de vastgestelde doelen. De Raad meent dat voorzichtigheid dient te worden betracht met
           Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming | Advies Kinderen, Ouders en overheidsingrijpen
                                                          10
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>deze mogelijkheid. Het risico bestaat dat het overdragen van het gedeeltelijke gezag te veel een automatisme
wordt. Uitgangspunt moet naar het inzicht van de Raad steeds blijven dat ouders zoveel mogelijk bij de
verwezenlijking van de doelen worden betrokken. Alleen in die gevallen waarin ouder(s) weigeren mee te
werken dan wel is te voorzien dat zij dat gaan doen, zou tot deze mogelijkheid overgegaan moeten kunnen
worden. Daarbij zou het overdragen van het gezag alleen dat onderwerp (genoemd onder a, b of c) moeten
betreffen dat op dat moment relevant is. De Raad stelt voor de bepaling in deze zin aan te passen.
Artikel 265g, lid 1b BW: Toestemming voor een medische behandeling
De regeling inzake de geneeskundige behandelingsovereenkomst, opgenomen in artikel 7:450, en volgend,
BW, blijft uiteraard van toepassing, zodat de machtiging aan de stichting tot het geven van toestemming voor
een medische behandeling van de minderjarige alleen de vereiste toestemming van (een der) ouders vervangt
en niet die van de minderjarige zelf.
Artikel 265k, BW: Het blokkaderecht
Het blokkaderecht houdt in dat een pleegkind, dat met toestemming van zijn met gezag belaste ouder(s) of
voogd in een pleeggezin is geplaatst en daar een jaar of langer woont, door die ouder(s) of voogd niet uit dat
pleeggezin mag worden weggehaald zonder toestemming van de pleegouders. De Raad stemt gaarne in met
het creëren van dit blokkaderecht. Dit blokkaderecht is niet meer beperkt tot vrijwillige plaatsingen, zoals
dit thans het geval is, maar geldt nu ook voor plaatsingen in het kader van een ondertoezichtstelling. Ook de
zorgaanbieder kan voor gedwongen plaatsingen gebruik maken van het blokkaderecht.
Naar het oordeel van de Raad zou ook de minderjarige van 12 jaar of ouder zelf dit blokkaderecht moeten
hebben. De Raad stelt voor deze bepaling dienovereenkomstig aan te vullen.
De Memorie van Toelichting op dit artikel vermeldt dat het Bureau Jeugdzorg de voorzieningenrechter in kort
geding kan vragen het blokkaderecht van de pleegouders te schorsen, als het Bureau het vermoeden heeft
dat overplaatsen noodzakelijk is waar niet ingrijpen in de feitelijke opvoedingssituatie ernstig nadeel oplevert
voor de ontwikkeling van de minderjarige. De Raad meent echter dat ook in deze spoedeisende zaken, waarin
een onmiddellijke voorziening bij voorraad is vereist, de kinderrechter de aangewezen instantie hiervoor is.
Deze zaken moeten dan als spoedeisende zaak aan de kinderrechter worden voorgelegd, zoals dit ook thans
gebeurt in ondertoezichtstellingen met een spoedeisend karakter. Kinderrechters zijn - via een piketregeling -
voor spoedzaken immers 24 uur per etmaal gedurende 7 dagen per week bereikbaar.
Artikel 265l, lid 1, 2 en 3 BW: Het opheffen en het niet verlengen van de ondertoezichtstelling, het niet verlengen
van de uithuisplaatsing
In deze bepaling is opgenomen dat het Bureau Jeugdzorg toestemming nodig heeft van de Raad voor
de Kinderbescherming voor het doen van een verzoek tot het opheffen of tot het niet-verlengen van de
ondertoezichtstelling, dan wel tot het niet verlengen van de uithuisplaatsing. De Raad vindt dit een onnodige
bureaucratische complicatie en hij is van mening dat het Bureau Jeugdzorg zich in deze situaties rechtstreeks
tot de kinderrechter moet kunnen wenden, zonder dat hij hiervoor toestemming nodig heeft van de Raad
voor de Kinderbescherming. De Raad verwijst ook naar hetgeen hij onder artikel 255 lid 2 heeft opgemerkt.
Uiteraard moet de Raad voor de Kinderbescherming wel van deze verzoeken op de hoogte worden gesteld en
moet de Raad voor de Kinderbescherming hiertegen bezwaar kunnen maken.
           Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming | Advies Kinderen, Ouders en overheidsingrijpen
                                                           11
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>Artikel 265m BW: Griffierechten bij het verzoek tot opheffing van de ondertoezichtstelling
Verzoeken op grond van deze afdeling betreffen inbreuken op het recht op gezinsleven en zijn om die reden
ingrijpend van karakter. De Raad stelt daarom voor deze bepaling aldus aan te vullen dat ouders en kinderen
recht hebben op door de overheid gefinancierde rechtsbijstand en vrijstelling van griffierechten.
Artikel 266 BW: Behandeling van zaken op tegenspraak
De Raad is van oordeel dat zaken op tegenspraak behandeling in de meervoudige kamer verdienen en hij
adviseert deze bepaling hierop aan te passen. Dit betekent overigens dat rechtbanken moeten zorgdragen
voor voldoende adequaat toegeruste kinderrechters.
Artikel 266, en verder BW: Beëindiging van het ouderlijk gezag
De Raad ziet geen redenen om vast te houden aan het onderscheid tussen onwaardige en onmachtige
ouders en onderschrijft dan ook het voorstel om de huidige maatregelen van ontheffing en ontzetting
uit de ouderlijke macht te vervangen door één kinderbeschermingsmaatregel, namelijk de maatregel tot
beëindiging van het gezag. Het opleggen van één maatregel tot beëindiging past ook beter in een stelsel
dat uitgaat van de rechten van het kind. Vanuit het belang van het kind zal de rechter steeds een objectieve
toets moeten uitvoeren4. De Raad is zeer te spreken over de mogelijkheid die het wetsvoorstel biedt om
de gezagsbeëindigende maatregel ook in die situaties te kunnen treffen waarin het al bij aanvang van het
kinderbeschermingstraject duidelijk is dat de ouder niet in staat zal zijn de opvoedingsverantwoordelijkheid
op zich te nemen.
Artikel 275, lid 3 BW: Gezamenlijke voogdij van pleegouders
De Raad stelt voor de huidige regeling in die zin aan te passen dat het ook mogelijk wordt beide pleegouders
de gezamenlijke voogdij te geven. Er moet dan wel een goede financiële regeling komen, die recht doet aan
het jeugdzorgaspect (artikel 280, lid 6 BW)5.
Systematiek van de wet
De Raad beveelt aan om zowel de wet op de Jeugdzorg als Boek 1 BW nog eens grondig te doorlopen
en daarbij goed de systematiek tussen beide wetten te beschouwen. In sommige gevallen, zoals bij de
gesloten jeugdzorg, lijkt die systematiek te ontbreken. Zo zouden bijvoorbeeld bepaalde onderdelen die
de ondertoezichtstelling betreffen (zoals de gesloten jeugdzorg) en die nu zijn opgenomen in de Wet op de
jeugdzorg, in (titel 14 van) Boek 1 BW opgenomen kunnen worden.
4   Vgl. Het advies ‘Jeugdbeschermingsrecht’ van de commissie Wiarda, Staatsuitgeverij, ’s-Gravenhage, 1971, p. 184 e.v.
5   Zie hiervoor ook de uitspraak van de Rechtbank Groningen van 13 juni 2007, LJN: BA 7500.
             Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming | Advies Kinderen, Ouders en overheidsingrijpen
                                                                   12
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming | Advies Kinderen, Ouders en overheidsingrijpen
                                               13
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>