<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>Het gebruik van libidoremmende middelen in
de tbs
Bouwstenen voor een landelijk beleidskader
Advies d.d. 21 april 2010
   Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming | Advies Het gebruik van libidoremmende middelen in de tbs
                                                         1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming | Advies Het gebruik van libidoremmende middelen in de tbs
                                                      2
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>Inhoudsopgave
Samenvatting                                                                                                        5
Aanleiding en context voor dit advies                                                                               7
Conclusies en aanbevelingen                                                                                         9
  1. Libidoremmende middelen: aard, werking en toepassing                                                          13
     1.1 Soorten middelen en het gebruik ervan                                                                     13
     1.2 Onderzoek naar de werking                                                                                 13
     1.3 Toepassing: formularium en andere richtlijnen                                                             14
     1.4 Voorwaarden voor het gebruik van libidoremmende middelen                                                  14
  2. Rechtspositie en ethiek bij het gebruik van libidoremmende middelen                                           17
     2.1 Het gedwongen gebruik van libidoremmende middelen                                                         17
     2.2 Het gebruik van libidoremmende middelen onder drang                                                       18
     2.3 Rechtsgelijkheid                                                                                          19
     2.4 Rechtszekerheid; verlof                                                                                   19
Werkwijze en bronvermelding                                                                                        21
    Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming | Advies Het gebruik van libidoremmende middelen in de tbs
                                                          3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming | Advies Het gebruik van libidoremmende middelen in de tbs
                                                      4
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>Samenvatting
Het gebruik van libidoremmende middelen in de behandeling van ter beschikking gestelde
zedendelinquenten is al geruime tijd onderwerp van gedachtewisseling onder behandelaars, wetenschappers
en juristen. Daarbij gaat het vooral over de werking en bijwerkingen, het uitoefenen van dwang en drang
op de patiënt om deze middelen te gebruiken en het stellen van het gebruik ervan als voorwaarde bij
verlof. Het vraagstuk van dwang en drang rond de toepassing van libidoremmende middelen vormt een
verbijzondering van de discussie over dwangbehandeling in het algemeen. Deze is onder meer gevoerd in
het kader van de thans in voorbereiding zijnde behandelwet. Daarbij zijn de libidoremmende middelen
als zodanig niet aan de orde geweest. Verwarring dreigt in de discussie als het vraagstuk van gedwongen
behandeling wordt gekoppeld aan het door middel van libidoremmende middelen tegengaan van recidive
bij zedendelinquenten. Het is van belang deze discussie zuiver te houden door het –al dan niet met dwang
of drang – voorschrijven van libidoremmende middelen geheel binnen het kader van de tbs-behandeling
te houden. De maatregel van terbeschikkingstelling heeft weliswaar mede de maatschappijbeveiliging als
doel, maar de behandeling is gericht op de stoornis waaraan de patiënt lijdt. Het geven van inhoud aan de
behandeling is een zaak voor behandelaar en patiënt. Politici of beleidsmakers die een specifieke behandeling
aan een delictcategorie koppelen, gaan daarmee op de stoel van de behandelaar zitten. Mede door een
dergelijke onzuivere discussie is in het veld het misverstand ontstaan dat het gebruik van libidoremmende
middelen een voorwaarde vormt bij het verlenen van verlof aan zedendelinquenten. Met dit advies over
het gebruik van libidoremmende middelen binnen de tbs-behandeling wil de Raad deze discussielijnen
ontrafelen.
De Raad beveelt de minister van Justitie aan de toepassing van libidoremmende middelen als onderdeel van
de tbs-behandeling te reguleren door middel van een beleidskader.
De Raad stelt een beleid voor, dat
--   verschillen in rechtspositie tussen patiënten voorkomt, die voortvloeien uit verschil in opvattingen van
     behandelaars ten aanzien van het voorschrijven van libidoremmende middelen;
--   een situatie creëert waarin alle klinieken beschikken over kennis en expertise met betrekking tot indicatie,
     werking en bijwerkingen van libidoremmende middelen;
--   libidoremmende middelen doet voorschrijven vanuit therapeutische motieven in nauw overleg met
     betrokkene en nooit louter ter verkleining van gevaarsrisico;
--   libidoremmende middelen als dwangmedicatie uitsluit;
--   voorziet in een extra toets ingeval de behandelaar het gebruik van een libidoremmend middel als
     voorwaarde wil stellen bij verlof.
Voorts beveelt de Raad de minister aan
--   nader onderzoek te laten verrichten naar de effecten van libidoremmende middelen en de bijwerkingen
     ervan, in het bijzonder bij langdurig gebruik, en
--   actief het misverstand te bestrijden dat het gebruik van libidoremmende middelen een
     standaardvoorwaarde vormt bij het verlenen van verlof aan zedendelinquenten, door hierover met name
     aan het tbs-veld heldere informatie te verschaffen.
     Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming | Advies Het gebruik van libidoremmende middelen in de tbs
                                                           5
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming | Advies Het gebruik van libidoremmende middelen in de tbs
                                                      6
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>Aanleiding en context voor dit advies
Dilemma’s ten aanzien van het medisch ingrijpen in ‘de libido’ – zowel chirurgisch als medicamenteus –
houden al lange tijd de gemoederen bezig1. Het belang van dit vraagstuk vloeit voort uit de ingrijpendheid – in
sommige gevallen onomkeerbaarheid – van de interventie met libidoremmende middelen en de belangen
die er zowel voor de patiënt als voor de behandeling mee zijn gemoeid. De urgentie van de problematiek
wordt weerspiegeld in de terugkerende discussie over beleid en toepassingscriteria onder behandelaars en
wetenschappers, laatstelijk in de op 17 november 2009 door de commissie Ethiek in de forensische psychiatrie
en het Expertisecentrum Forensische Psychiatrie georganiseerde studiemiddag2.
Het gebruik van libidoremmende middelen staat ook in de politieke belangstelling. In de parlementaire
discussie over het rapport Tbs, vandaag over gisteren en morgen werd ook het toepassen van dwangmedicatie
betrokken. Het Kamerlid Weekers vroeg zich af of het voorschrijven van libidoremmende middelen
niet gewoon de standaard moest zijn bij zedendelinquenten. Zonder medicatie geen verlof, laat staan
(voorwaardelijke) invrijheidstelling. De discussie mondde uit in het voorstel deskundigen bijeen te brengen
over dit vraagstuk3.
De Raad acht het van groot belang dat discussies over maatschappijbeveiliging en het tegengaan van
recidive enerzijds en over de meest aangewezen vorm van behandeling voor bepaalde stoornissen
anderzijds strikt worden gescheiden. De vraag of een bepaalde patiënt een libidoremmend middel krijgt
voorgeschreven is geheel van behandelinhoudelijke aard. Verwarring dreigt daarom als het vraagstuk van
gedwongen behandeling wordt gekoppeld aan het door middel van libidoremmende middelen tegengaan
van recidive bij zedendelinquenten. Het is zaak deze discussie zuiver te houden door het voorschrijven van
libidoremmende middelen (ongeacht of dit met dwang of drang gepaard zou moeten gaan) geheel binnen het
kader van de (tbs-)behandeling te houden. De maatregel van terbeschikkingstelling heeft weliswaar mede de
maatschappijbeveiliging als doel, maar de behandeling is gericht op de stoornis waaraan de patiënt lijdt. Het
geven van inhoud aan de behandeling is een zaak voor behandelaar en patiënt. Politici of beleidsmakers die
een specifieke behandeling aan een delictcategorie koppelen, gaan daarmee op de stoel van de behandelaar
zitten. Mede door een dergelijke onzuivere discussie is in het veld het misverstand ontstaan dat het gebruik
van libidoremmende middelen een voorwaarde vormt bij het verlenen van verlof aan zedendelinquenten.
Met dit advies over het gebruik van libidoremmende middelen binnen de tbs-behandeling wil de Raad deze
discussielijnen ontrafelen.
In de vijfde voortgangsrapportage over het Plan van Aanpak tbs en forensische zorg in strafrechtelijk kader
laat de staatssecretaris van Justitie weten vooralsnog geen algemene regeling te willen treffen voor het
gebruik van libidoremmende middelen. De redenen hiervoor zijn het optreden van ernstige lichamelijke
bijwerkingen en het ontbreken van bewijs dat het gebruik van libidoremmende middelen het risico op
seksuele delicten vermindert. De staatssecretaris laat het gebruik van libidoremmende middelen over aan
de behandelinhoudelijke professie van de sector, zolang nog niet meer kennis beschikbaar is over de (neven)
effecten4.
Het vraagstuk van het gebruik van libidoremmende middelen laat zich vanuit verschillende invalshoeken
    1   Zie voor een historisch perspectief Van der Meer, 2009.
    2   Op 17 november 2009 organiseerden de commissie ‘Ethiek in de forensische psychiatrie’ en het Expertisecentrum Forensische Psychia-
        trie een expertmeeting over de ethische aspecten van het voorschrijven van libidoremmende middelen.
    3   Deze discussie werd vervolgens georganiseerd door het Expertisecentrum Forensische Psychiatrie (zie EFP 2008)
    4   Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 29 452, nr. 122.
      Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming | Advies Het gebruik van libidoremmende middelen in de tbs
                                                                     7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>benaderen: de juridische, de medisch/behandelinhoudelijke en de ethische. Terwijl de discussie over het
gebruik van libidoremmende middelen ‘delictgerelateerd’ is (het betreft immers alleen zedendelinquenten),
gelden ethische aspecten van dit vraagstuk (de ‘dwang en drang’) evengoed voor de toepassing van andere
medicatie, zoals anti-psychotica.
Het ligt in de taakstelling van de Raad besloten dat het rechtspositionele aspect in dit advies de meeste
aandacht krijgt. Het advies start echter met de medische kant, om eerst duidelijk te maken om wat voor soort
interventie het gaat en wat er over de effecten daarvan bekend is. Daarna worden vragen van ethische aard
aan de orde gesteld en ten slotte komen we over de rechtspositionele consequenties te spreken.
Met dit advies doet de Raad de minister van Justitie aanbevelingen voor het verder ontwikkelen van beleid.
     Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming | Advies Het gebruik van libidoremmende middelen in de tbs
                                                           8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>Conclusies en aanbevelingen
Er bestaan verschillen tussen de zienswijze van behandelaars in de tbs op het voorschrijven van
libidoremmende middelen en de daarop gebaseerde handelwijze.
Deze verschillen kunnen voortkomen uit de overtuiging van de individuele behandelaar, uit standpunten van
de gezamenlijke behandelaars in een inrichting of uit het beleid van de kliniek zelf.
Het bestaan van verschillen in behandelmethoden en rechtspositie tussen patiënten, ongeacht de reden
daarvoor, is strijdig met beginselen van wettelijke tenuitvoerlegging (rechtsgelijkheid) en resocialisatie, die
naar het oordeel van de Raad leidend zijn in de tenuitvoerlegging van de maatregel tbs.
Deze verschillen kunnen zichtbaar worden als
1.   verschillen in rechtspositie.
     Het niet gebruik maken van libidoremmende middelen heeft gevolgen voor de voortgang van de
     behandeling of het verlenen van verlof. De duur van de behandeling en van de maatregel kan hierdoor
     oplopen. Patiënten kunnen vragen om overplaatsing. Op het rechtspositionele aspect komt een te zware
     nadruk te liggen als patiënten menen met het gebruik van libidoremmende middelen recht op vrijheden
     te kunnen verdienen;
2.   verschillen in kwaliteit van behandeling.
     Behandelaars zijn in verschillende mate bekend met de state of the art in behandelmethoden. Zij zijn
     daarnaast niet altijd bekend met, of handelen niet altijd volgens zorgprogramma’s en formularia (zie
     paragraaf 1.3) op dit punt. Op deze manier wordt kwaliteit niet altijd benut, hetgeen kan leiden tot het
     niet op gang komen of stagneren van behandeling. Waar bijvoorbeeld een preoccupatie met seksualiteit
     behandeling in de weg staat, zou het gebruik van libidoremmende middelen deze belemmering kunnen
     verminderen.
Beleidskader
Het bestaan van uiteenlopende zienswijzen in de klinieken ten aanzien van het gebruik van libidoremmende
middelen bij seksuele delinquenten5 leidt tot rechtsongelijkheid tussen de betrokken patiënten. Instellingen
die ten principale afzien van het inzetten van libidoremmende middelen zouden daarmee hun patiënten
een mogelijkheid voor goede zorg onthouden. De Raad acht verschil in rechtspositie tussen tbs-patiënten
niet aanvaardbaar. De minister van Justitie kan rechtsongelijkheid tegengaan door het formuleren van een
beleidskader over het gebruik van libidoremmende middelen. Een dergelijk kader moet de behandelaars
ruimte bieden om, uitgaande van hun professionele autonomie, hierin een beleid te ontwikkelen en
garanderen dat dit beleid wordt uitgevoerd. Het beleidskader dat de Raad voor ogen staat legt de nadruk op
procesmatige aanbevelingen op het gebied van
--   verantwoording van de te hanteren behandelmodules in het behandelplan, inclusief het al dan niet
     gebruiken van libidoremmende middelen;
--   intercollegiale samenwerking en toetsing binnen klinieken;
--   uitwisseling van kennis tussen klinieken;
--   scholing, bij- en nascholing op dit terrein.
    5   In dit advies wordt herhaaldelijk gesproken over seksuele delinquenten, zonder dat dit begrip nader wordt ingevuld. Het is van belang
        te vermelden dat de Raad het gebruik van libidoremmende middelen niet in verband wil brengen met de behandeling van seksuele
        delinquenten in het algemeen. Het is nauw verbonden met de aard van de stoornis of dit soort interventies in aanmerking komt. Zie
        ook paragraaf 1.1.
      Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming | Advies Het gebruik van libidoremmende middelen in de tbs
                                                                       9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>Het beleidskader zou gericht moeten zijn op voorwaarden voor behandeling in het algemeen en die met
libidoremmende middelen in het bijzonder. De benadering is dus: bevorderen van optimale behandeling,
mede ten aanzien van het gebruik van libidoremmende middelen.
Aanbevolen wordt om in het beleidskader aansluiting te zoeken bij de beginselen en eisen die zijn
geformuleerd door Het Vlaams raadgevend Comité voor Bio-Ethiek en in Nederland door het Landelijk
Beraad van de Hoogst Inhoudelijk Verantwoordelijken in de tbs6. Rekening dient te worden gehouden met
het feit dat de World Federation of Societies for Biological Psychiatry naar verwachting nog in 2010 een
internationale richtlijn voor het gebruik van libidoremmende middelen uitbrengt; het ligt in de rede om deze
bij het beleidskader te betrekken.
Verlof
De Raad acht het gebruik van libidoremmende middelen een legitieme voorwaarde bij verlof, uiteraard
uitsluitend voor zover en voor zolang de individuele situatie hierom vraagt. Dus het libidoremmende middel
moet therapeutisch zijn geïndiceerd en niet louter dienen ter risicovermijding. Libidoremmende middelen
mogen nooit afzonderlijk worden gebruikt maar alleen in combinatie met andere vormen van therapie en
begeleiding.
In het veld leeft bij sommigen de misvatting dat het gebruik van libidoremmende middelen een
standaardvoorwaarde zou vormen bij verlof. Dit is bepaald onjuist en dient door de minister van Justitie te
worden weersproken.
Behandelprogramma
Op medisch-therapeutisch gebied is professionele autonomie een kernwaarde. Professionele autonomie
veronderstelt intercollegiale afstemming en toetsing. De Raad beveelt aan om het ontwikkelen van
behandelprogramma’s voor delinquenten met een seksuele stoornis aan de beroepsgroep te laten. Het
landelijk zorgprogramma voor plegers van seksueel grensoverschrijdend gedrag7 van het Expertisecentrum
Forensische Psychiatrie zet hierbij de standaard.
Deskundigheid
Klinieken dienen te beschikken over recente wetenschappelijke inzichten en evaluaties aangaande het
gebruik van libidoremmende middelen. Permanente educatie van behandelaars is hiervoor een voorwaarde.
Het gebruik van deze kennis en toepassing van het farmacologisch formularium libidoremmende middelen
(zie paragraaf 1.3) moeten zich ook in de praktijk nog verder bewijzen. Daarom beveelt de Raad aan om in
alle officiële rapportages en adviezen betreffende seksuele delinquenten expliciet door de psychiater te laten
vermelden welke elementen hij uit het zorgprogramma heeft toegepast bij de betreffende patiënt, wat daarvan
het resultaat was, en welke elementen uit de richtlijn hij niet van toepassing achtte bij de betreffende patiënt,
en waarom niet. Hierbij dient tot uitdrukking te komen dat de behandeling op dit punt plaatsvindt volgens the
state of the art.
Onderzoek
Ten slotte is het van groot belang dat meer onderzoek wordt verricht naar het effect en het optreden
van bijwerkingen van de verschillende libidoremmende middelen bij langdurig gebruik, zowel fysiek
    6    Zie paragraaf 1.4.
    7    Versie 1 van dit Zorgprogramma dateert van 2008; een nieuwe versie is thans in voorbereiding.
      Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming | Advies Het gebruik van libidoremmende middelen in de tbs
                                                                   10
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>als psychologisch en sociaal. De urgentie van dergelijk onderzoek is uit oogpunt van de algemene
gezondheidszorg niet groot, terwijl ook de farmaceutische industrie hier uit eigen beweging weinig animo
voor toont. Het gebruik van libidoremmende middelen is in justitieel kader evenwel van groot belang. Daarom
wordt aanbevolen dat de minister van Justitie in dit verband onderzoeksopdrachten verleent.
     Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming | Advies Het gebruik van libidoremmende middelen in de tbs
                                                           11
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming | Advies Het gebruik van libidoremmende middelen in de tbs
                                                      12
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>1. Libidoremmende middelen: aard, werking en toepassing
1.1 Soorten middelen en het gebruik ervan
Dit advies is niet primair gericht op de medische aspecten van het gebruik van libidoremmende middelen.
Niettemin is het voor een goed begrip van de problematiek van belang kort aan te duiden om welke middelen
het gaat en hoe ze werken. Voor meer informatie op dit punt wordt verwezen naar de literatuurstudie van A.
Jagt (zie in de bronvermelding).
Anti-androgenen
Anti-androgenen zijn middelen die ingrijpen in de hormoonhuishouding. Androgenen of geslachtshormonen
spelen een belangrijke rol bij het seksuele gedrag en in het verlengde daarvan mogelijk ook ten aanzien van
afwijkend seksueel gedrag. Middelen die de concentratie van androgenen verminderen of het effect van
androgenen op de geslachtsorganen verhinderen, zouden daarom geïndiceerd kunnen zijn bij de behandeling
van zedendelinquenten. Deze middelen kunnen als depotmedicatie, dus met een langdurige werking, worden
gegeven.
De gewenste effecten zijn reversibel, dat wil zeggen dat ze verdwijnen als het gebruik wordt beëindigd.
Ongewenste bijwerkingen als feminisatie (waaronder borstvorming), gewichtstoename, depressie,
vermoeidheid, een hoge bloeddruk, hartfalen en botontkalking kunnen echter van langdurige of zelfs
blijvende aard zijn.
Psychofarmaca (SSRI’s)
Serotonineheropnameremmers (SSRI’s) worden voornamelijk voorgeschreven bij depressies. Het effect
van deze psychofarmaca bij parafilieën bleek in eerste instantie door toevallige observaties dat SSRI’s
vermindering van de libido als bijwerking hebben bij de behandeling van depressies. Gebruik van SSRI’s bij
parafilieën lijkt vooral geïndiceerd bij obsessief-compulsief of impulsief deviant seksueel gedrag.
Libidoremmende middelen vormen geen zelfstandige therapie, maar kunnen worden gebruikt als aanvulling
op, of een voorwaarde voor, de geïndiceerde behandeling van de stoornis, te weten cognitieve gedrags- of
psychotherapie. Het voorschrijven van libidoremmende middelen is niet geïndiceerd voor patiënten die een
zedendelict hebben gepleegd vanuit een persoonlijkheids- of een psychotische stoornis.
1.2 Onderzoek naar de werking
Een recent verschenen, meeromvattende studie op dit gebied is de meta-analyse De effectiviteit van
behandeling bij pedoseksuelen8 van het Expertisecentrum Forensische Psychiatrie. De conclusies naar
aanleiding van dit onderzoek lenen zich goed als uitgangspunt voor beleid inzake het gebruik van
libidoremmende middelen.
Op basis van een analyse van acht na 1980 gepubliceerde onderzoeken blijken de effecten samengenomen
een positief behandelresultaat te laten zien, ook in termen van recidive. Het Expertisecentrum Forensische
Psychiatrie concludeert op basis daarvan dat er hoopgevende behandelprogramma’s bestaan voor
pedoseksuelen, waarin onder andere het gebruik van libidoremmende middelen een plaats heeft. De
onderzochte behandelprogramma’s bestonden uit verschillende combinaties van gedrags-, psycho-,
farmacologische en/of cognitieve therapie en terugvalpreventie, doorgaans in groepen.
Buiten de bij deze meta-analyse betrokken studies zijn er ten aanzien van de werking van afzonderlijke
    8   Expertisecentrum Forensische Psychiatrie 2009.
      Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming | Advies Het gebruik van libidoremmende middelen in de tbs
                                                            13
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>libidoremmende middelen tal van onderzoeken verricht. De belangrijkste hiervan worden beschreven in de
literatuurstudie van A. Jagt (zie in de bronvermelding). Om verschillende redenen is op onderzoeksgebied het
laatste woord hierover nog niet gezegd. Om te beginnen vertonen de studies het methodologische manco dat,
ook waar is gewerkt met een behandel- en een controlegroep, het at random toewijzen van patiënten aan een
van beide groepen op ethische bezwaren stuit. Daarnaast ontbreken gegevens over de effecten, en vooral de
neveneffecten, van het gebruik van libidoremmende middelen op lange termijn. Enkele van deze middelen
zijn in eerste instantie bedoeld voor patiënten met bijvoorbeeld prostaatkanker. Het gebruik beperkt zich in
deze gevallen tot de periode waarin de patiënt aan deze ziekte lijdt. Gebruik als libidoremmend middel bij
seksuele delinquenten kan een veel langere periode beslaan. De farmaceutische industrie is niet geneigd
onderzoek uit te voeren naar het gebruik bij deze omstreden en overigens ook relatief kleine patiëntengroep.
Niettemin zijn uiteenlopende negatieve bijwerkingen als botontkalking, borstvorming en gewichtstoename
geconstateerd. Om deze reden is het hoogst noodzakelijk meer gerichte studies uit te voeren naar de effecten
van libidoremmende middelen over een langere periode.
1.3 Toepassing: formularium en andere richtlijnen
Het Expertisecentrum Forensische Psychiatrie heeft een Formularium Forensische Psychiatrie9 uitgegeven,
waaraan alle tbs-klinieken hebben meegewerkt. In dit formularium staat aangegeven hoe deze middelen
moeten worden toegepast.
In het voorjaar van 2010 is een richtlijn voor het gebruik van libidoremmende middelen te verwachten van het
World Federation for Societies for Biological Psychiatry (WFSBP).
1.4 Voorwaarden voor het gebruik van libidoremmende middelen
Het Vlaams raadgevend Comité voor Bio-Ethiek heeft in 2006 geadviseerd over de hormonale behandeling
van seksueel delinquenten en de daaraan te stellen voorwaarden. Het Expertisecentrum Forensische
Psychiatrie heeft deze voorwaarden overgenomen in het hierboven al genoemde formularium. De
voorwaarden luiden als volgt10:
1.   De plegers van seksuele misdrijven moeten op psychiatrisch vlak een omschreven stoornis vertonen die
     het gebruik van deze medicatie verantwoordt.
     Dit veronderstelt dat er voorafgaand een grondige psychiatrische en psychologische indicatiestelling heeft
     plaatsgevonden.
2.   Een hormonale behandeling kan slechts een onderdeel zijn van een uitgebreider behandelplan en kan
     nooit als enige maatregel opgelegd worden.
3.   Wanneer hormonale castratie overwogen wordt is voorafgaand het advies van een endocrinoloog
     noodzakelijk.
4.   Hormonale behandeling is een medische behandeling waarvoor de behandelend psychiater de
     verantwoordelijkheid draagt met betrekking tot de indicatiestelling, het informeren van betrokkene en het
     verkrijgen van zijn toestemming evenals de opvolging op psychiatrisch en somatisch vlak (zo nodig met
     de hulp van een consulent-endocrinoloog).
5.   Er bestaan geen minder ingrijpende behandelingsmogelijkheden om tot hetzelfde resultaat te komen.
6.   De continuïteit van zorg moet verzekerd zijn.
    9   Zie: www.efp.nl  
    10  In de ‘vertaling’ van het EFP.
      Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming | Advies Het gebruik van libidoremmende middelen in de tbs
                                                            14
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>In Nederland vormt het Landelijk Beraad van de Hoogst Inhoudelijk Verantwoordelijken (LBHIV) een
belangrijk forum voor het formuleren van het behandelbeleid op tbs-gebied. Het standpunt van de LBHIV
luidt:
--  met libidoremmende middelen moet niet anders worden omgaan dan met andere medicijnen
    (antipsychotica, middelen bij verslaving);
--  vanuit behandelperspectief is het doel van de behandeling niet de libido remmen, maar voorkomen van
    recidive;
--  medicatie(beleid) op casuïstisch niveau wordt overgelaten aan de medisch deskundige(n) in de FPC’s;
--  effectiviteit van libidoremmende middelen is niet overtuigend aangetoond. Er zijn veel bijwerkingen, die
    ernstige gevolgen kunnen opleveren voor de gezondheid;
--  libidoremmende middelen moeten niet in het kader van dwangbehandeling worden toegepast.
De Raad constateert dat de twee sets van voorwaarden weliswaar niet gelijkluidend zijn, maar elkaar
aanvullen en niet weerspreken en acht deze stellingen goede uitgangspunten voor landelijk beleid op het punt
van libidoremmende middelen. De Raad meent dat het als tweede door de LBHIV genoemde uitgangspunt
nadere uitleg verdient. In paragraaf 2.2. wordt hierop teruggekomen. Daarnaast valt op dat de uitgangspunten
van de LBHIV kritischer zijn over de effecten van libidoremmende middelen. De Raad merkt hierbij op dat de
effecten waarschijnlijk in hoge mate afhankelijk zijn van de motivatie van de betrokken patiënt. Onderzoek
naar de effecten zal dit aspect nadrukkelijk moeten meenemen.
     Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming | Advies Het gebruik van libidoremmende middelen in de tbs
                                                           15
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming | Advies Het gebruik van libidoremmende middelen in de tbs
                                                      16
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>2. Rechtspositie en ethiek bij het gebruik van libidoremmende
middelen
2.1 Het gedwongen gebruik van libidoremmende middelen
De informanten met wie de Raad ter voorbereiding van dit advies heeft gesproken, zijn zonder uitzondering
van oordeel dat libidoremmende middelen niet als dwangmedicatie moeten worden toegepast. Dit stemt
overeen met het hierboven weergegeven standpunt van het LBHIV. Aangenomen mag worden dat de
praktijk in de klinieken dienovereenkomstig is. Dwangmedicatie is volgens de bestaande wetgeving11 slechts
toegestaan als medische ingreep ter afwending van acuut gevaar voor de patiënt zelf of voor anderen. Een
hoog libido of hyperseksualiteit zal niet snel tot een dergelijk gevaar leiden. Er laat zich nauwelijks een situatie
denken waarin het – door de gedachte aan seks beheerste – gedrag van een patiënt gevaar voor anderen
zou kunnen opleveren, dat niet met andere dan libidoremmende middelen is af te wenden. Er zijn de Raad
tenminste geen gevallen bekend waarin libidoremmende middelen ooit in dit kader zijn toegepast.
De Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden (Bvt) kent geen dwangbehandeling. De Bvt
zal op het punt van dwangbehandeling echter veranderen als hierin de bepaling van artikel 38c Bopz
wordt overgenomen, die enige jaren geleden is gewijzigd. Artikel 38c lid 1 sub a12 regelt onder meer dat
dwangbehandeling kan worden toegepast als weigering van een noodzakelijke behandeling tot een
onaanvaardbaar lange duur van de behandeling leidt. Het woord kan in deze bepaling geeft aan dat
hier sprake is van een afweging, en wel van het (onder dwang) toepassen van een bepaalde behandeling
tegenover het tot een onaanvaardbare lengte oplopen van de behandelduur. Deze vraag kan spelen rond
het voorschrijven van een libidoremmend middel. Ingeval de patiënt deze medicatie weigert, terwijl de
behandelaar het gebruik ervan noodzakelijk acht en de patiënt vervolgens niet voor verlof in aanmerking
brengt, kan de voortgang van de behandeling ernstig worden belemmerd en uiteindelijk zelfs op een
longstayplaatsing uitlopen. De behandelaar zou in een dergelijk geval van oordeel kunnen zijn dat de
‘redelijke termijn’ van artikel 38c Bopz wordt overschreden. De Raad meent evenwel dat deze situatie geheel
moet worden vermeden. Gelet op de vooralsnog onvoldoende bewezen effectiviteit van libidoremmende
middelen voor iedere individuele patiënt en de ernst van mogelijke bijwerkingen ervan zouden deze
middelen ook in deze situatie niet gedwongen mogen worden voorgeschreven. Hier komt bij dat artikel 38c
Bopz een gevaarscriterium bevat: dwangbehandeling kan worden toegepast als het gevaar dat uit de stoornis
voortvloeit niet binnen een redelijke termijn kan worden weggenomen. Welnu, in de visie van de Raad zou
een libidoremmend middel alleen op therapeutische gronden moeten worden gebruikt en niet louter ter
beteugeling van gevaar. Gevaar kan te allen tijde langs andere weg worden bestreden. Ook om deze reden
acht de Raad toepassing van een libidoremmend middel op grond van artikel 38c Bopz niet aangewezen. De
wet opent de mogelijkheid dat bepaalde middelen bij algemene maatregel van bestuur buiten de werking van
artikel 38c Bopz kunnen worden gehouden. De Raad beveelt aan ten aanzien van libidoremmende middelen
van deze mogelijkheid gebruik te maken.
    11 Artikel 26 lid 1 Bvt: Het hoofd van de inrichting kan een verpleegde verplichten te gedogen dat ten aanzien van hem een bepaalde
         geneeskundige handeling wordt verricht, indien die handeling naar het oordeel van een arts noodzakelijk is ter afwending van ernstig
         gevaar voor de gezondheid of de veiligheid van de verpleegde of van anderen. ...
    12 Artikel 38c Bopz
         lid 1.  Indien niet wordt voldaan aan de voorwaarden van, artikel 38b, onderdelen b en c kan niettemin behandeling plaatsvinden:
                 voor zover aannemelijk is dat zonder die behandeling het gevaar dat de stoornis van de geestvermogens betrokkene doet
                 veroorzaken niet binnen een redelijke termijn kan worden weggenomen, of voor zover dit volstrekt noodzakelijk is om het gevaar
                dat de stoornis van de geestvermogens betrokkene binnen de inrichting doet veroorzaken, af te wenden.
         lid 4. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen categorieën van behandelingsmiddelen of -maatregelen worden aangewezen die
                niet mogen worden toegepast bij een behandeling overeenkomstig het eerste lid. ...
     Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming | Advies Het gebruik van libidoremmende middelen in de tbs
                                                                         17
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>2.2 Het gebruik van libidoremmende middelen onder drang
De tenuitvoerlegging van de tbs kent naar haar aard situaties waarin sprake is van drang. Het veranderen
van gedrag vraagt soms nu eenmaal om meer stimulans dan waartoe de patiënt uit eigen beweging geneigd
is. In het algemeen zullen mensen onder enige druk van buitenaf, of die nu ervaren wordt als afkomstig van
omstandigheden of van persoonlijke beïnvloeding, bereid zijn iets te doen of te laten dat men zonder drang
niet wil. Therapie, en zeker een tbs-behandeling, is niet goed denkbaar als dat niet zo zou zijn. Het is een
kwestie van therapeutische overweging, wanneer drang nodig is en van ethische overweging, hoe ver deze
kan gaan. In de tbs gaat specifiek invloed of drang uit van het verlenen van verlof en andere vrijheden. De
patiënt zal daar veel voor willen doen. Vanzelfsprekend worden bij het verlenen van verlof voorwaarden
gesteld die het risico op maatschappelijk gevaar intomen en de patiënt heeft weinig andere keus dan met
die voorwaarden akkoord te gaan. De Raad heeft in de voorbereiding voor dit advies met juristen, ethici en
behandelaars gesproken over het stellen van het gebruik van een libidoremmend middel als voorwaarde
bij het verlenen van vrijheden. In grote lijnen wordt het standpunt gehuldigd dat het aanbieden, ook als
voorwaarde en dus met enige druk, van libidoremmende middelen verdedigbaar en zelfs aangewezen
is als daarmee de kwaliteit van leven van de patiënt wordt vergroot. Dit kan zowel zijn functioneren
binnen de kliniek betreffen als daarbuiten: het gebruik van libidoremmende middelen kan leiden tot een
gedragsaanpassing die het, ook uit oogpunt van maatschappijbeveiliging, verantwoord maakt dat de patiënt
de inrichting tijdelijk verlaat. Daarbij wordt een situatie met vrijheden, in het bijzonder verlof, gezien als meer
waard dan die van insluiting, ook ingeval het gebruik van het middel negatieve bijwerkingen heeft. Daarvan
uitgaande wordt het gebruik van libidoremmende middelen gezien als een legitieme en gerechtvaardigde
praktijk. De Raad sluit zich bij deze zienswijze aan.
Verlofsituaties verschillen sterk: het kan zowel gaan om het tijdelijk verlaten van de inrichting als om
voorwaardelijke beëindiging van de maatregel. De laatste situatie kan tot negen jaar in beslag nemen. Het
spreekt vanzelf dat de afweging zwaarder is naarmate het gebruik langer zal duren. Daarbij vraagt het feit
dat betrouwbare gegevens over bijwerkingen op de lange termijn ontbreken om grote voorzichtigheid. Ook
de omstandigheid dat eenmaal gestart gebruik van libidoremmende middelen normaal gesproken wordt
voortgezet, verzwaart de afweging.
Verlofverlening is een belangrijke en precaire aangelegenheid. Het opnemen van een passage over het gebruik
van libidoremmende middelen als voorwaarde in een beleidskader libidoremmende middelen ligt daarom
voor de hand.
De benadering in een beleidskader zou om te beginnen kunnen zijn, dat het gebruik van libidoremmende
middelen een legitieme en gerechtvaardigde voorwaarde bij verlof kan vormen,
--    maar niet als standaard: het blijft afhankelijk van de individuele situatie of het gebruik van het
      libidoremmende middel therapeutisch verantwoord en ethisch gerechtvaardigd is;
--    en evenmin als enige voorwaarde: het libidoremmend middel moet een noodzakelijke aanvulling vormen
      op andere voorwaarden voor risicobeheersing.
Het is van groot belang dat de behandelaar zich van het bovenstaande bewust is. Hij dient zich ervan
vergewissen hoe de patiënt zelf de situatie ervaart. De patiënt dient in staat te worden gesteld en gestimuleerd
om naar vermogen een keus te maken en eigen verantwoordelijkheid te dragen in een kader van adequate
begeleiding en overleg. Bij een verhoogde preoccupatie met seksualiteit kan hierbij meewegen dat deze
de keuze- en gedragsvrijheid van de patiënt op zichzelf al beperkt. Er mag van worden uitgegaan dat het
      Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming | Advies Het gebruik van libidoremmende middelen in de tbs
                                                            18
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>omgaan met dit soort vragen en het verwerven van informed consent van de patiënt tot de normale praktijk en
competentie van tbs-behandelaars behoort. In het verlofplan moet echter duidelijk tot uitdrukking komen dat
deze vragen aan de orde zijn geweest.
2.3 Rechtsgelijkheid
Uit oogpunt van rechtspositie vraagt het beginsel van legitieme tenuitvoerlegging in de eerste plaats om
rechtsgelijkheid tussen tbs-gestelden. Nu het beleid van aselecte plaatsing betekent dat de patiënt in iedere
willekeurige kliniek kan worden geplaatst, zal hem in alle klinieken dezelfde kwaliteit van behandeling, maar
ook dezelfde rechtspositie ten deel moeten vallen.13 Waar de patiënt ook geplaatst wordt, hij moet op een
gelijke behandeling kunnen rekenen. Het kan daarom niet zo zijn dat opvattingen ten aanzien van het gebruik
van libidoremmende middelen tussen klinieken leiden tot een wisselende praktijk, waarbij een bepaalde
categorie van patiënten in de ene kliniek deze middelen vrijwel vanzelfsprekend krijgt toegediend, terwijl een
of meer behandelaars in een andere kliniek er onvoldoende mee bekend zijn of zelfs principieel weigeren
deze middelen voor te schrijven. Sommige klinieken volgen thans het landelijk overeengekomen formularium
libidoremmende middelen, andere hebben eigen beleid ontwikkeld en in weer andere klinieken komt het
gebruik van libidoremmende middelen niet of nauwelijks ter sprake. Het beleidsuitgangspunt moet zijn dat
dergelijke verschillen niet moeten kunnen optreden.
Eventuele geschillen tussen patiënt en behandelaar kunnen uitmonden in twee tegenovergestelde
casusposities: de behandelaar kan het gebruik van een libidoremmend middel geïndiceerd achten terwijl
de patiënt daar niet voor voelt, of de patiënt kan om toediening verzoeken met het oog op te verwerven
vrijheden, terwijl de behandelaar het middel in de gegeven situatie niet wil voorschrijven.
2.4 Rechtszekerheid; verlof
Het beginsel van legitieme tenuitvoerlegging vraagt vervolgens om rechtszekerheid: dat de patiënt weet wat hij
kan verwachten, waar het gaat om de mate van drang waarmee libidoremmende middelen worden ingezet.
In verschillende gesprekken heeft de Raad de vrij breed bestaande misvatting gesignaleerd dat het gebruik
van libidoremmende middelen niet alleen een veel toegepaste maar zelfs standaardvoorwaarde zou zijn
bij het verlenen van verlof aan seksuele delinquenten. Ook wordt wel verondersteld dat het Adviescollege
Verloftoetsing Tbs verlofaanvragen zonder deze voorwaarde zou afwijzen14. Dit is niet het geval. Het is zaak dat
de minister van Justitie op dit punt helderheid verschaft en daarmee onjuiste veronderstellingen op dit punt
weerspreekt en voorkomt.
Zeker naarmate het verlof langer duurt, is het goed om tevoren vast te stellen hoe de patiënt in deze periode
wordt begeleid en gemotiveerd, en tevens hoe wordt gehandeld als de patiënt het – vanuit de behandeling
geïndiceerde – innemen van het middel weigert of na verloop van tijd staakt. Dit is ook uit rechtspositioneel
opzicht van belang, nu de patiënt niet onder alle omstandigheden beschikt over een rechtsmiddel tegen het
niet verlenen, noch tegen het intrekken van verlof15. Gelet op de verantwoordelijkheid van de kliniek voor het
voorkomen van gevaarsrisico moet dat ook zo blijven. Gesprekspartners van de Raad hebben wel geopperd
dat de patiënt zou moeten kunnen opkomen tegen de inhoud van bij verlof te stellen voorwaarden. Gelet
    13 Zie ook Van der Hoeven et al, 2009.
    14 Dit bleek tijdens het seminar behandelduur en verlof in de Tbs dat het Adviescollege Verloftoetsing op 5 november 2009 te Utrecht
        hield.
    15 Zie artt. 56 lid 2 onder a en b, en 69 lid 1 onder a en b Bvt voor de betreffende procedures. De patiënt kan wel in beklag en beroep
        tegen het intrekken van verlof, nadat dit ten minste een week heeft geduurd. De beklag- of beroepscommissie kan bij de behande-
        ling hiervan onder meer de redelijkheid en billijkheid van de gestelde voorwaarden toetsen. De beroepscommissie beperkt zich daarbij
        echter in beginsel tot de vraag of het verlof kan worden ingetrokken vanwege het niet voldoen aan de voorwaarden.
     Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming | Advies Het gebruik van libidoremmende middelen in de tbs
                                                                        19
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>op het ingrijpende karakter, speciaal van de voorwaarde van het gebruik van een libidoremmend middel,
begrijpt de Raad dit standpunt wel. De wetgever heeft echter als uitgangspunt, vooral uit het oogpunt van
maatschappijbeveiliging, expliciet gekozen voor de constructie dat de kliniek de voorwaarden eenzijdig
oplegt zonder dat de patiënt hier bezwaar tegen kan maken. De Raad is er geen voorstander van om hierop
uitzonderingen te maken.
Het gaat overigens niet alleen om de beslissing vooraf om tijdens verlof een libidoremmend middel te
gebruiken, maar ook om het voortzetten daarvan gedurende het verlof. De noodzaak om hiermee door te gaan
moet op gezette tijden worden getoetst en herbevestigd. De ervaring van de patiënt is daarbij belangrijk, zij
het niet doorslaggevend. Tijdens het verlof, dat weliswaar lang kan duren maar toch een keer zal eindigen,
moet worden geanticipeerd op het feit dat het de patiënt na de verlofperiode vrij staat om met het gebruik te
stoppen.
Second opinion?
In verschillende gesprekken is geopperd dat de patiënt inzake libidoremmende middelen over een second
opinion zou moeten kunnen beschikken. Hierbij is echter te overwegen dat in de tbs-behandeling in het
algemeen niet een recht op een second opinion bestaat. De patiënt beschikt ook niet over een rechtsmiddel
ten aanzien van de inhoud van de behandeling. Als de patiënt zich, ook na overleg met de behandelaar,
niet kan verenigen met de inhoud van de behandeling, staat hem geen andere weg open dan het vragen om
overplaatsing naar een andere kliniek (met de mogelijkheid van beroep tegen een negatieve beslissing).
Omdat dit een vergaande stap is, zeker in verhouding tot een deelaspect van de behandeling die het
gebruik van een libidoremmend middel is of zou moeten zijn, acht de Raad het wel een goede praktijk als
klinieken de patiënt op dit punt wel de mogelijkheid van second opinion bieden. Een dergelijke praktijk is te
bevorderen via het beleidskader. Hierbij is zowel te denken aan een verplichte second opinion als aan een
interne commissie in de kliniek die de beslissing toetst. Deze commissie toetst in ieder geval ook of de patiënt
volledig is geïnformeerd en sprake is van informed consent, en of de patiënt in vrijheid de keuze wordt gelaten
tussen het wel of niet aanvaarden van de voorwaarde. De klinieken zouden de al bestaande commissies die
dwangbehandeling toetsen hiervoor kunnen inzetten.
     Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming | Advies Het gebruik van libidoremmende middelen in de tbs
                                                           20
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>Werkwijze en bronvermelding
De Raad heeft zich voor dit advies een uitgebreid georiënteerd op behandelinhoudelijke, ethische en
juridische aspecten van het gebruik van libidoremmende middelen in de tbs. Hiertoe zijn gesprekken gevoerd
met een groot aantal deskundigen op deze terreinen.
De Raad heeft gesproken met
Dr. D. van Beek, psycholoog, seksuoloog en psychotherapeut bij de Dr. H. van der Hoevenkliniek, Utrecht
Prof. dr. P. Cosyns, em. hoogleraar psychiatrie Universitair Medisch Centrum te Antwerpen en lid Raadgevend
Comité voor Bio-Ethiek, België
Dr. H. Dupuis, ethica, lid Eerste Kamer, voormalig hoogleraar medische ethiek, Universiteit Leiden
Prof. dr. L. Gijs, hoogleraar seksuologie en seksuele pathologie, Instituut voor Familiale en Seksuologische
Wetenschappen, Faculteit Geneeskunde, Katholieke Universiteit Leuven
Dr. K. Goethals, psychiater Universitair Medisch Centrum Antwerpen, België; eerder psychiater bij de
Pompekliniek te Nijmegen
Prof. mr. A. Hendriks, hoogleraar gezondheidsrecht Universiteit Leiden
Prof. mr. dr. A.M. van Kalmthout, Universiteit van Tilburg, Nederlands afgevaardigde in de European
Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment (CPT)
Dr. J. Lucieer, psychiater FPC de Kijvelanden te Poortugaal, oud-inspecteur geestelijke gezondheidszorg
Drs. I. Jeandarme, forensisch psychiater GGz Eindhoven
Mr. J. Knap, advocaat te Amsterdam
Mr. J. Knoester, advocaat te Den Haag
Drs. A.L. Le Grand gezondheidszorgpsycholoog, Hoeve Boschoord, Vledder
Dhr. J. Marks, medewerker terugvalpreventie en nazorg Hoeve Boschoord, Vledder
Drs. C. Sijbrandij, psychiater Hoeve Boschoord, Vledder
Drs. J.A. Troelstra, forensisch psychiater Dr. H. Van der Hoevenkliniek, Utrecht
Mr. Ch. Veraart, advocaat te Alkmaar
Drs. R. Verellen, criminoloog Universitair Forensisch Centrum, Antwerpen, België
Dr. S. Verwaaijen, directeur behandelzaken de Rooyse Wissel, Oostrum, voorzitter LBHIV
Prof. dr. G. Widdershoven, hoogleraar medische ethiek, Vrije Universiteit medisch centrum, Amsterdam
Bronnen
Voor dit advies is een literatuurstudie verricht door A. Jagt, die zij heeft uitgebracht als afstudeerscriptie voor
haar studie rechtsgeleerdheid aan de Universiteit Utrecht. Deze scriptie is te downloaden van www.rsj.nl of op
te vragen bij het secretariaat van de Raad.
Geraadpleegde literatuur (voor dit advies en/of de literatuurstudie):
Bradford J.M.W., ‘The paraphilias, obsessive compulsive spectrum disorder, and the treatment of sexually
deviant behaviour’, Psychiatric Quarterly 1999, 70-3.
Cosyns P., S. Koeck, & R. Verellen, ‘De justitiabele met een psychische stoornis in Vlaanderen’, Tijdschrift voor
Psychiatrie 50 (2008).
Expertisecentrum Forensische Psychiatrie, Libidoremmende medicatie, verslag van een expertmeeting op 14
december 2007, Utrecht: EFP 2008.
      Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming | Advies Het gebruik van libidoremmende middelen in de tbs
                                                            21
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>Expertisecentrum Forensische Psychiatrie, Landelijk zorgprogramma. Seksueel grensoverschrijdend gedrag.
Utrecht: EFP 2008, versie 1.
Harrison K., ‘The high risk sex offender strategy in England and Wales: Is chemical castration an option?’, The
Howard Journal vol. 46 (2007) 1.
Hoeve Boschoord, Beleid voor farmacologische behandeling bij seksueel grensoverschrijdend gedrag
Hoeven, D. van der, K. Eppink, F. Koenraadt & M. Boone, Balanceren met recht. Onderzoek naar de
Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden in de klinische praktijk. Den Haag, Boom Juridische
Uitgevers, 2009, (Pompe Reeks, deel 59).
Jairam, J. & H.J.C. van Marle, ‘De behandeling van hyperseksualiteit bij een man met een obsessieve-
compulsieve stoornis als psychiatrische comorbiditeit’, Tijdschrift voor Psychiatrie 50 (2008) 2.
Jochems A.A.F., & F.W.M.G. Joosten, Coëlho-Zakwoordenboek der geneeskunde, Arnhem: Elsevier-Koninklijke
PBNA 2000.
Koenraadt F., ‘Dwang en behandeling in detentie’, Sancties 1997-3.
Kogel H.C. de, De hersenen in beeld, Den Haag: Boom juridische uitgevers/WODC 2008.
Meer, Th. van der, ‘Vrijwillige’ en ‘therapeutische’ castratie van TBR-verpleegden, 1938-1968. In: E.C. Coppens
et al (red.), Fabrica Iuris. Opstellen over de ‘werkplaats van het recht’ aangeboden aan Sjoerd Faber. Nijmegen,
Gerard Noodt Instituut, 2009, p. 301-327.
Meijer W.A., E.R. Plomp & M.J.G. Pantus, De effectiviteit van behandeling bij pedoseksuelen, Utrecht: EFP 2009,
reeks Actuele kennis nr. 13
Ruiter C. de & V. Veen (Trimbos-instituut), Terugdringen van recidive bij geweldsdelinquenten: werkzame
interventies bij relationeel geweld, seksueel geweld en algemeen geweld, Houten: Ladenius Communicatie b.v.
2005.
Tanghe A. & P. Vanhaeren, Anders Geestelijke gezondheidszorg- Deel 3: Specifieke behandelingen, Apeldoorn:
Garant Uitgevers NV 1998.
Tbs, vandaag over gisteren en morgen, Parlementair onderzoek tbs, Tweede Kamer, vergaderjaar 2005 - 2006,
30 250 Nr. 5.
Veen C. & C. de Ruiter, ‘De effectiviteit van behandelingen bij seksuele delinquenten- een overzicht van de
internationale literatuur’, Justitiële Verkenningen 2005, 31.1.
Vlachos S. & W. de Hoop, ‘Het behandelbeloop van seksuele delinquenten in een TBS-kliniek: zes magere
jaren?’, Tijdschrift voor Seksuologie 31 (2007).
Wijffels A.J.A.M., Het castratievraagstuk, Psychiatrisch Juridisch Gezelschap, Verslag van de vergadering, 8
januari 1955, Amsterdam: F. van Rossen 1955.
      Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming | Advies Het gebruik van libidoremmende middelen in de tbs
                                                            22
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>