<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>Staatsblad
van het Koninkrijk der Nederlanden
Jaargang 2010
                                                                                               0
                 680
                 Besluit van 3 september 2010, houdende
                 wijziging van het Besluit aanwijzing Halt-feiten
                    Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
                 Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
                    Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 21 juli 2010,
                 nr. 5661331/10/6.
                    Gelet op artikel 77e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht,
                    De Raad van State gehoord (advies van 11 augustus 2010,
                 nr. W03.10.0362/II);
                    Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van
                 25 augustus 2010, nr. 5665386/10/6
                    Hebben goedgevonden en verstaan:
                 ARTIKEL I
                    Het Besluit aanwijzing Halt-feiten wordt als volgt gewijzigd:
                    Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:
                    1. Onderdeel b. komt te luiden:
                    b. artikel 142, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht;
                    2. Onder verlettering van de onderdelen g. tot en met j. tot h. tot en met
                 k. wordt een nieuw onderdeel g ingevoegd, luidende:
                    g. artikel 453 van het Wetboek van Strafrecht;
                    3. Onderdeel j. (nieuw) komt te luiden:
                    j. de artikelen 1.2.2, 1.2.4 en 2.3.6 van het Vuurwerkbesluit;
                    4. Onderdeel k. (nieuw) komt te luiden:
                    k. gemeentelijke verordeningen, voor zover betrekking hebbend op het
                 in de open lucht aanleggen of stoken van vuur, baldadig of overlast-
                 gevend gedrag, gebruik van alcohol of verdovende middelen en, waarbij
                 indien als gevolg daarvan schade ontstaat, de schade per dader niet meer
                 bedraagt dan € 900 en de totale schade de € 4 500 niet te boven gaat;
                    5. Na onderdeel k (nieuw), wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:
                 Staatsblad 2010      680                                                    1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>                                                sprake is van meerdere dagdelen verzuim of meer dan negen keer te laat
                                                komen en voor zover er geen sprake is van meer dan een week onafge-
                                                broken verzuim of in totaal meer dan tien dagen verzuim per half
                                                schooljaar.
                                                ARTIKEL II
Het advies van de Raad van State is openbaar
gemaakt door terinzagelegging bij het Minis-       Dit besluit treedt in werking op 1 oktober 2010.
terie van Justitie.
Tevens zal het advies met de daarbij ter inzage
gelegde stukken worden opgenomen in de             Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van
Staatscourant.                                  toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
                                                ’s-Gravenhage, 3 september 2010
                                                                                                                     Beatrix
                                                De Minister van Justitie,
                                                E. M. H. Hirsch Ballin
                                                                                       Uitgegeven de tiende september 2010
                                                                                                    De Minister van Justitie,
                                                                                                       E. M. H. Hirsch Ballin
STB13469
ISSN 0920 - 2064
’s-Gravenhage 2010                              Staatsblad 2010     680                                                     2
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>Algemeen
   Op grond van artikel 77e Sr kan de jeugdige die een delict van geringe
ernst heeft gepleegd deelnemen aan een project ter voorkoming van
strafvervolging. Dit wordt aangeduid als Halt-afdoening. Met de deelname
aan het project voorkomt de jeugdige dat het door de politie opgemaakte
proces-verbaal aan de officier van justitie wordt toegezonden. De jeugdige
blijft zo buiten het justitiële circuit zonder dat een reactie op normover-
schrijdend gedrag uitblijft. De strafbare feiten die voor een Halt-afdoening
in aanmerking komen, zijn opgesomd in artikel 1 van het Besluit. Het
betreft telkens zaken van eenvoudige aard, waarbij sprake is van overlast-
veroorzakend gedrag van geringe ernst. In 2006 heeft de Advies- en
onderzoeksgroep Beke onderzoek gedaan naar de effectiviteit van Halt.
Naar aanleiding van het onderzoek heeft Halt Nederland opdracht
gekregen tot het verder ontwikkelen van de Halt-afdoening. In dit verband
is bezien hoe de afdoening zodanig kan worden aangepast dat deze beter
bij de jongere en het gepleegde delict past. De Halt-doelgroep bestaat uit
jongeren die daar op grond van de in het Besluit aanwijzing Halt-feiten
genoemde voorwaarden voor in aanmerking komen. Daarbij geldt dat
indien er sprake is van achterliggende problematiek, er doorverwijzing
naar de zorg plaatsvindt.
   Naast de doorontwikkeling van de Halt-afdoening, is een bijstelling
aangekondigd van wat tot Halt-waardige feiten kan worden gerekend
(Kamerstukken II 2005/06, 28 741, nr. 15). Hierin wordt met het onder-
havige wijzigingsbesluit voorzien.
   Naast de opgesomde feiten in artikel 1 van het Besluit, voorziet artikel 2
in de mogelijkheid ook andere feiten, na uitdrukkelijk verkregen toestem-
ming van de officier van justitie, met een Halt-interventie af te doen. Deze
systematiek blijft met dit wijzigingsbesluit ongewijzigd.
   Over het besluit werd advies gevraagd van het College van Procureurs-
Generaal, de Raad van Hoofdcommissarissen en de Raad voor Straf-
rechtstoepassing en Jeugdbescherming (hierna: de Raad). Waar deze
adviezen tot een aanpassing hebben geleid, is dit in het artikelsgewijs
onderdeel van de toelichting aangegeven. De Raad heeft aangegeven de
wijzigingen vooral te bezien vanuit de herstelfunctie van de Halt-afdoe-
ning en daarbij verwezen naar zijn eerdere advies «Jeugdige delin-
quenten: minder opsluiten, gerichter begeleiden» van 16 oktober 2008. De
Raad stelt daarin de herstelfunctie van Halt centraal. Anders dan de Raad
lijkt te veronderstellen, vloeien de wijzigingen die met dit Besluit worden
doorgevoerd niet uitsluitend voort uit de verdere ontwikkeling van de
Halt-afdoening. Zo wordt ook in artikel 1 van het Besluit, als voorheen,
niet als vereiste gesteld dat er sprake is van schade. Deze wijzigingen
worden hieronder afzonderlijk toegelicht. Het advies van de Raad geeft
mij aanleiding op deze plaats nader op de verdere ontwikkeling van de
Halt-afdoening in te gaan. Deze doorontwikkeling kent een theoretisch en
een methodisch deel. In het theoretisch deel wordt een overzicht gegeven
van theorieën die als uitgangspunt hebben gediend voor de doorontwik-
keling. Aan de hand van theorieën over het ontstaan van crimineel gedrag
wordt uiteengezet dat het experimenteren met grenzen een normaal
verschijnsel is in de adolescentie dat past in het ontwikkelingspsycholo-
gische uitgangspunt dat experimenteren met grenzen nodig is om deze
grenzen te kunnen vaststellen. Halt sluit op dit proces aan door de jongere
te confronteren met zijn gedrag, hem bewust te maken van de gevolgen
van zijn gedrag en hem de kans te geven om zijn fout te herstellen. De
primaire doelstelling van Halt is dan ook het bieden van een pedago-
gische reactie waarmee indirect recidivebestrijding wordt nagestreefd.
Staatsblad 2010     680                                                      3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>tot stand komen van lichte strafbare feiten, is bepaald op welke risicofac-
toren de Halt-afdoening moet ingrijpen om de kans op herhaling te laten
afnemen. Uit het genoemde theoretisch kader zijn vier uitgangspunten
afgeleid die centraal staan bij de opzet van de nieuwe Halt-afdoening: de
persoonsgerichte aanpak, het confronteren van jongeren met hun gedrag,
het betrekken van ouders bij de afdoening en het verhogen van de
kwaliteit van de afdoeningen. In de nieuwe Halt-afdoening zijn deze
uitgangspunten onder andere terug te zien in meer contactmomenten
tussen de jongere en de Halt-medewerker, in modules die gericht zijn op
het leren van concrete vaardigheden die bijdragen aan het voorkomen
van crimineel gedrag (excuus aanbieden en leeropdrachten), het
nadrukkelijker positioneren van ouders binnen de afdoening en het
omschrijven van de taak en rol van de ouders. Het treffen van een
schaderegeling en eventueel een korte werkopdracht, complementeren de
vernieuwde Halt-afdoening.
Artikelsgewijs
Artikel I
   Met de aanpassing van artikel 1, onderdeel b, wordt het misbruik van
alarmnummers, als bedoeld in artikel 142, tweede lid, Sr, onder de
werkingssfeer van het Besluit gebracht. Het gaat hierbij om die gevallen
waarin er sprake is van beperkt misbruik, waarbij het bellen naar alarm-
nummers de kern van het strafbare gedrag van de jeugdige vormt en ten
aanzien waarvan mag worden verondersteld dat een pedagogische
benadering dit gedrag kan beëindigen.
   Met de aanpassing van onderdeel b, komt brandstichting (artikel 157 Sr)
als afzonderlijk aangeduid Halt-feit te vervallen. De achtergrond hiervan is
dat brandstichting in zijn algemeenheid als een te zwaar misdrijf wordt
aangemerkt om voor een Halt-afdoening in aanmerking te komen. In dit
verband kan worden gewezen op de omstandigheid dat brandstichting in
artikel 157 Sr, behoudens bijzondere strafverzwarende omstandigheden,
wordt bedreigd met een maximumstraf van twaalf jaren. Het openbaar
ministerie heeft er in dit verband dan ook terecht op gewezen dat het bij
een gerezen verdenking terzake van brandstichting op grond van artikel 74
Sr niet mogelijk is een transactievoorstel aan de verdachte te doen. Het
voorgaande is reden de verwijzing naar dit misdrijf in artikel 1 te doen
vervallen. Dit laat onverlet dat het zogenoemde «fikkie stoken», in het
vervolg op grond van het voorgestelde artikel 1, onderdeel k (nieuw) van
het Besluit kan worden afgedaan. Het gaat hierbij dan om lichte vormen
van brandstichting, waarbij er geen gemeen gevaar voor goederen
bestaat, indien en voor zover strafbaar gesteld in een Algemene Plaatse-
lijke Verordening (APV). Naar aanleiding van het advies van het College
van Procureurs-Generaal, is bij de redactie van artikel 1, onderdeel k
(nieuw) aansluiting gezocht bij de redactie van de model APV van de VNG
waarin wordt gesproken over «het verbod om in de open lucht afval-
stoffen te verbranden of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te
hebben».
   In het Besluit wordt een nieuw onderdeel g. ingevoegd. Hiermee kan
ook «openbare dronkenschap», een overtreding op grond van artikel 453
van het Wetboek van Strafrecht, met een Halt-afdoening worden
afgedaan. Daarmee kan in voorkomende gevallen worden opgetreden
tegen overlast die met het gebruik van alcohol samenhangt. Het onder
invloed verkeren in de openbare ruimte levert op zichzelf geen schade op,
zoals de Raad in zijn advies heeft geconstateerd. Dit vereiste wordt in
artikel 1 van het Besluit ook niet gesteld. De nadruk ligt in dit verband dan
Staatsblad 2010     680                                                      4
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>schade. Het opnemen van artikel 453 Sr in dit onderdeel maakt het
mogelijk om de jeugdige met de schadelijke gevolgen van (overmatig)
gebruik van alcohol bekend te maken. In dit verband is in 2009 een
leerproject Halt en alcohol ontwikkeld en beschikbaar gekomen ter
verdere ondersteuning van het kabinetsbeleid gericht op de voorkoming
van schadelijk alcoholgebruik zoals uiteengezet in de Hoofdlijnenbrief
Alcoholbeleid (Kamerstukken II 2007/08, 27 565, nr. 35).
   Ook de wijziging van onderdeel k. (nieuw) kan tegen deze achtergrond
worden gezien. In dit onderdeel wordt, in lijn met het bestaande Besluit, in
ruime zin verwezen naar gemeentelijke verordeningen die betrekking
hebben op baldadig gedrag, waarmee schade wordt veroorzaakt. Nieuw is
dat ook overlastgevend gedrag, dat in verband kan worden gebracht met
het gebruik van alcohol of drugs, in het vervolg met een Halt-afdoening
kan worden afgedaan.
   Tenslotte komen met de aanpassing van dit onderdeel de vuurwerkover-
tredingen in de gemeentelijke verordeningen als onderdeel van artikel 1 te
vervallen. Deze feiten worden slechts sporadisch voor een Halt-afdoening
aangebracht en kunnen in voorkomende gevallen ook op grond van
artikel 2 van het Besluit met een Halt-adoening worden afgedaan. De
overtredingen van het Vuurwerkbesluit blijven voor een Halt-afdoening in
aanmerking komen (artikel 1, onderdeel j. (nieuw)). Het betreft hier het
afsteken van illegaal vuurwerk, het afsteken van legaal vuurwerk buiten de
toegestane tijden en het voorhanden hebben van vuurwerk buiten de
verkoopperiode.
   Ten aanzien van de verwijzingen naar Halt naar aanleiding van de
overtreding van gemeentelijke verordeningen geldt overigens, dat zij bij
voorkeur zoveel mogelijk zijn ingebed in een projectmatige aanpak waarin
met de partners van justitie wordt gewerkt aan terugdringing van lokale
overlast. Hierbij bestaat bij voorkeur ook aandacht voor preventieve
maatregelen en kan gericht worden opgetreden tegen vormen van
overlastgevend gedrag. In dit verband kan worden gewezen op lokale
projecten die ten doel hebben overlast van hanggroepjongeren in
bijvoorbeeld winkelcentra tegen te gaan. In deze projecten wordt samen-
gewerkt tussen gemeenten, politie, OM en Halt. Jongeren worden dan
aangesproken op hun overlastgevende gedrag en kunnen, indien zij
APV-feiten overtreden, naar Halt worden verwezen.
   De wijziging in onderdeel j. (nieuw) is redactioneel van aard.
   Tenslotte wordt een nieuw onderdeel l. ingevoegd. Dit onderdeel ziet op
de afdoening van overtredingen van de Leerplichtwet. Met het nieuwe
onderdeel wordt spijbelen onder de werking van het eerste lid gebracht.
De Raad heeft zich in zijn advies op het standpunt gesteld dat lichte
spijbelvormen binnen de sfeer van het onderwijs zouden kunnen worden
opgevangen. Voorts merkt de Raad op dat herhaald spijbelen veelal een
signaal vormt van onderliggende zwaardere psychosociale problematiek.
In geen van beide gevallen heeft een verwijzing naar Halt naar het oordeel
van de Raad toegevoegde waarde. Zoals ook de Raad heeft geconstateerd
werd spijbelen voorheen langs de weg van artikel 2 afgedaan. De helft van
alle zaken die langs de weg van artikel 2 bij Halt werden aangebracht,
betrof dergelijke spijbelzaken. Om deze reden wordt van de gelegenheid
gebruik gemaakt om deze feiten expliciet in artikel 1 als Haltwaardig feit te
benoemen. Hierdoor is het niet langer noodzakelijk om telkens afzon-
derlijk toestemming van de officier van justitie te verkrijgen om de
jeugdige voor een Halt-afdoening in aanmerking te laten komen. Het
opnemen van deze feiten vormt aldus een codificatie van een reeds
bestaande praktijk. In lijn met de opmerkingen van de Raad, zal overigens
slechts naar Halt worden verwezen, wanneer de maatregelen die de
school zelf heeft genomen, niet ertoe hebben geleid dat het spijbelen
Staatsblad 2010    680                                                      5
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>en een bovengrens in onderdeel l. Als ondergrens wordt gehanteerd dat
er sprake moet zijn van meerdere dagdelen verzuim of meer dan 9 keer te
laat komen. De bovengrens voor een Halt-afdoening is gelegen in een
week onafgebroken verzuim of in totaal meer dan 10 dagen verzuim per
half schooljaar.
De Minister van Justitie,
E. M. H. Hirsch Ballin
Staatsblad 2010   680                                                  6
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>