<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>                                                                         Parkstraat 83 Den Haag
Raad voor Strafrechtstoepassing                                           Correspondentie:
   en Jeugdbescherming ~                                                   2500 Gc   Den Haag
                                ~                                           Telefoon (070) 361 93 00
                                                                             Fax algemeen (070) 361 9310
                                                                             Fax rechtspraak (070) 361 9315
                  Aan de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie
                    De heer mr. F. Teeven
                   Postbus 20301
                   2500 EH Den Haag
  Doorkiesnummer   : 070-3619 322
  Contactpersoon   : drs. M. Kruissink
  Emailadres       : rn.kruissink@minjus.nl
  Datum           :24 mei 2011
  Ons kenmerk     : CR 35I1075317I2011IMKITvV
  Onderwerp       : Minimumstraffen voor recidive bij zware misdrijven
                  Geachte heer Teeven,
                  Enige weken geleden is het conceptwetsvoorstel
                  “Minimumstraffen voor recidive bij zware misdrijven” in
                  consultatie gegaan. De Raad voor Strafrechtstoepassing en
                  Jeugdbescherming is hierover niet om advies gevraagd. Dat ligt
                  op zichzelf in de rede aangezien de kern van dit
                  conceptwetsvoorstel ziet op de straftoemeting en dat
                  onderwerp niet tot het domein van de Raad behoort.
                  Desondanks zal het voorstel wel consequenties hebben voor
                  het terrein waarop de Raad zich beweegt. Om die reden wil de
                  Raad de volgende punten onder uw aandacht brengen. De
                  principiële kwestie aangaande de opportuniteit van het
                  invoeren van minimumstraffen voor bepaalde gevallen, zoals
                  omschreven in het voorstel, laat de Raad daarbij buiten
                  beschouwing. Andere adviesorganen zullen zich daar
                  ongetwijfeld over uitspreken.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre> Resocialisatie raakt buiten beeld
 De Raad constateert dat het principe om gedetineerden te
 resocialiseren, juist als instrument om met een persoonsgebonden
 aanpak recidive te voorkomen, in dit conceptwetsvoorstel niet is terug
 te vinden. Voor de beoogde (‘zware’) doelgroep van recidivisten wordt
 door het wetsvoorstel eerst en vooral voorzien in langere opsluiting. De
 resocialisatiedoelstelling lijkt niet van belang geacht te worden, althans
 daar wordt in de MvT betrekkelijk weinig aandacht aan besteed.
 In de eerste plaats is het ontbreken van aandacht voor de
 resocialisatiedoelstelling opmerkelijk aangezien het Justitiebeleid op
 andere fronten juist sterk op resocialisatie is gericht, denk aan o.a. het
 programma Modernisering Gevangeniswezen en het programma
 Terugdringen Recidive.
 In de tweede plaats betwijfelt de Raad of de betrekkelijk lange(re)
 detentie die het wetsvoorstel behelst, een bijdrage levert aan het
voorkomen van recidive die verder reikt dan uitsluitend de opsluiting.
 Naar de overtuiging van de Raad gaat het er nu juist om de recidive op
langere termijn te voorkomen. De Raad merkt op wellicht ten
                                                      -
 overvloede dat het stimuleren van gedragsverandering juist bij de hier
              -
beoogde doelgroep van recidivisten, van het grootste belang is. Uit de
recidive blijkt immers dat sprake is van problematisch gedrag dat een
gerichte aanpak vereist. Dan ligt het minder voor de hand de aanpak
van het wetsvoorstel te kiezen waarin recidive eerst en vooral tot
langere detentie leidt.
 Verband metJustitiële voorwaarden
Het conceptwetsvoorstel is niet in lijn met het beleidsprogramma
Justitiële voorwaarden en het daaraan gerelateerde wetsvoorstel
‘Voorwaardelijke sancties’ dat momenteel bij het parlement in
behandeling is.
Het programma Justitiële voorwaarden beoogt aan voorwaardelijke
sancties een veel prominentere plaats in het sanctiestelsel toe te kennen
dan tot dusver. Voorwaardelijke sancties in combinatie met bijzondere
voorwaarden zouden volgens het programma zoveel mogelijk in de
plaats moeten komen van (korte) vrjheidsstraffen. Het achterliggende
idee is dat de toepassing van bijzondere voorwaarden, met dreigende
tenuitvoerlegging van de sanctie als ‘stok achter de deur’, effectievere
mogelijkheden biedt dan vrijheidsbeneming om het gedrag van
betrokkenen te veranderen en onder controle te houden. Die gedachte
lijkt met dit wetsvoorstel te worden verlaten.
De Raad beveelt aan om in de memorie van toelichting de bredere visie
toe te lichten waarin zowel het wetsvoorstel Minimumstraffen als het
wetsvoorstel Voorwaardelijke sancties een plek hebben.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre> Psychisch ernstig gestoorden
 Het voorgestelde stelsel van minimumstraffen geldt blijkens de
                                                       -
 memorie van toelichting in beginsel ook “als bij de dader tijdens het
                           -
 begaan van het feit een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis
 van de geestesvermogens bestond”.
 In gevallen van een gedeeltelijke toerekeningsvatbaarheid waar de
                                                            -
 rechter onder de huidige wetgeving een gevangenisstraf achterwege kan
 laten en uitsluitend een tbs-maatregel opleggen geldt onder de
                                                   -
 voorgestelde wetgeving in beginsel de minimum gevangenisstraf. Dit
 zou ertoe kunnen leiden dat de rechter bij tbs-waardige delicten minder
vaak combinatievonnissen zal uitspreken. Immers, vanwege de
 langdurige (minimum)gevangenisstraf zal de rechter wellicht minder
vaak daarnaast nog een tbs-maatregel willen opleggen.
Voorts laat de memorie van toelichting de mogelijkheid open om tbs op
te leggen aan daders die in sterkere mate verminderd toerekenbaar zijn,
waarbij de rechter met toepassing van art. 43c als voorgesteld, geen straf
 oplegt. In dat kader veronderstelt het wetsvoorstel een nader
 onderscheid tussen meer of mindere mate van ontoerekenbaarheid. Dat
sluit niet aan bij de ontwikkelingen in de forensische psychiatrie en in
 de rapportage Pro Justitia. Daarin wordt immers, gebaseerd op recente
inzichten, eerder gepleit voor een driedeling (niet toerekenbaar, wel
toerekenbaar en daartussen in). Het wordt minder verantwoord geacht
het tussengebied nader in te delen, terwijl dat in het wetsvoorstel nu
juist wel gebeurt.
Wordt wèl een gevangenisstraf in combinatie met een tbs-maatregel
opgelegd, dan kan het onder de voorgestelde wetgeving jaren duren
voordat met behandeling kan worden gestart. Afgezien van het feit dat
gestoorde delinquenten recht hebben op behandeling verliest het
behandelkarakter van de tbs hierdoor aan betekenis. Hoe eerder immers
met de behandeling van gestoorde delinquenten wordt begonnen, hoe
groter de kans op resultaat en resocialisatie. Onder de voorgestelde
wetgeving wordt de behandeling juist later ingezet, als daar al toe
overgegaan wordt. Kortheidshalve verwijst de Raad in dit verband naar
zijn recent uitgebrachte adviezen inzake ‘de duur van de tbs’ en de
‘afschaffing van de Fokkensregeling’. Waar tijdige en adequate
behandeling ten dienste staat van de maatschappelijke veiligheid, is die
maatschappelijke veiligheid niet gediend met uitstel hiervan.
Daarbij merkt de Raad op dat het gevangeniswezen onvoldoende is
ingericht op een structureel en lang(er) verblijf van of behandeling van
gestoorde personen. De inmiddels ingerichte PPC’s kunnen dat niet
veranderen. De dagelijkse gang van zaken in de penitentiaire
inrichtingen dreigt hiermee onder druk te komen, met de nodige
negatieve gevolgen voor personeel, gedetineerden en regime.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>Andere landen: ruimere VI regeling
Het conceptwetsvoorstel impliceert langere vrjheidsstraffen in gevallen
zoals omschreven in het voorstel. De wetgever verwijst in de toelichting
hij het conceptwetsvoorstel naar buitenlandse rechtsstelsels waarin
eveneens minimumstraffen zijn opgenomen. In de meeste van die
landen geldt echter wel een ruimere VI-regeling dan in ons land. In
sommige van de bedoelde landen kan VI bijvoorbeeld verleend worden
na ommekomst van de helft van de straf.
De Raad meent dat waar de wetgever zich door het buitenland heeft
laten inspireren om de strafmaat te verhogen, ook de daar geldende
ruimere toepassing van de VI tot voorbeeld had kunnen dienen. Op zijn
minst zou in de Memorie van Toelichting aandacht besteed kunnen
worden aan de mogelijkheid van een ruimere VI-regeling.
 Onderbouwing
De Raad concludeert dat voor het terrein van de Raad aan het
conceptwetsvoorstel nadelen kleven die niet opwegen tegen de
voordelen die de wetgever met de voorgestelde regeling beoogt te
bereiken.
Om inzichteljk te maken welke overwegingen aan het voorstel ten
grondslag hebben gelegen, zou in de memorie van toelichting aandacht
besteed moeten worden aan de onderbouwing van het voorstel en de
achterliggende visie.
Verder is in het voorliggende voorstel niet aangegeven op hoeveel
gevallen (bij benadering) de voorgestelde wetgeving van toepassing zal
zijn. Ook is in de toelichting niet duidelijk gemaakt hoe de berekening
van het beslag van de voorgestelde wetgeving op de beschikbare
celcapaciteit tot stand is gekomen. Hetzelfde geldt voor de termijn
waarop dat extra beslag zijn maximum zal bereiken. Tot slot wijst de
Raad erop dat uit wetenschappelijk onderzoek niet blijkt dat strenger
straffen leidt tot generale preventie.
De Raad geeft u in aanbeveling de bovenstaande opmerkingen te
betrekken bij de verdere gedachtevorming over het conceptwetsvoorstel
en de mogelijke indiening daarvan. Gaarne verneemt de Raad uw
reactie ter zake.
Hoogacht      d,
namens i e aad ~1  v’~ or Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming,
mr. drs. F. .M. Bakker, plv. algemeen voorzitter
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>