<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>r      .an.ct;•au
    RSI
            22 MEI 2014                                   Ministerie van Veiligheid en Justitie
Nummer
   > Retouradres Postbus 30132 2500 GC Den Haag
                                                                                          Dienst Justitiële
   De voorzitter van de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming               Inrichtingen
   Postbus 30137
   2500 GC DEN HAAG                                                                       Bezoekadres
                                                                                          Turfmarkt 147
                                                                                          2511 DP Den Haag
                                                                                          Postbus 30132
                                                                                          2500 CC Den Haag
                                                                                          www.dji.nI
                                                                                          Contactpersoon
                                                                                          AB. Vogelsberger
                                                                                          Juridisch adviseur
                                                                                          T 0880725682
   Datum          14 mei 2014                                                             Ons kenmerk
   Onderwerp reactie op uw advies inzake Regeling verlof en STP jeugdigen                 493344
                                                                                          Uw kenmerk
                                                                                          CR35/1074874/ 11/KHH/TVV
                                                                                          Bijlage
   Geachte heer De Wit,                                                                   2
                                                                                          Bij beantwoording de datum
                                                                                          en ons kenmerk vermelden.
                                                                                          Wilt u slechts één zaak in uw
   Onderstaand treft u aan mijn reactie op het advies van de Raad voor                    brief behandelen.
   Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ) op de Regeling verlof en STP
  jeugdigen. Deze regeling is op 1 april jl. in werking getreden.1
   Reactie op uw advies
   Bij brief van 28 oktober 2011, kenmerk CR 35/1074874/11/KHH/TvV, heeft u
   advies uitgebracht op het concept van deze regeling. Uw advies is nagenoeg
   geheel overgenomen. Dit geldt onder meer voor uw advies om een bepaling op te
   nemen over de geldigheid van een lopende machtiging. Dit heeft in de regeling
   een plaats gekregen in artikel 12. Ook uw redactionele kanttekeningen zijn
   overgenomen.
   De regeling bevat in tegenstelling tot hetgeen u hierover adviseerde geen
   bepaling over verlof in het buitenland omdat de reikwijdte van de Beginselenwet
  justitiële jeugdinrichtingen en daarmee de daarop gebaseerde ministeriële
   regelingen zijn beperkt tot Nederlands grondgebied.
   Naast het voorgaande maak ik u erop attent dat in de artikelen 9 en 17 ook het
   elektronisch toezicht in de regeling is verwerkt.
     Stcft. 2014, 9440.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>  Ik vertrouw erop ii hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.
                                                                Dienst Justitiële
  Hoogachtend,                                                  Inrichtingen
  De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,
                                                                Datum
  namens deze,                                                  14mei2014
  U/_                                                           Ons ken merk
                                                                493344
I/M .C.J .rzen
  WadDirecteur-GeneraaI Jeugd en
  Sanctietoepassing
                                                                 Pagina 2 van 2
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>   Regeling van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 1 april 2014, houdende regels
   aangaande het verlaten van de justitiële jeugdinrichting bij wijze van verlof of scholings- en
  trainingsprogramma (Regeling verlof en STP jeugdigen)
  De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,
  Gelet op de artikelen 8, achtste lid, 12, tweede lid, en 40 van het Reglement justitiële
   eugd in richting en
  Besluit:
  Hoofdstuk 1. Algemene en begripsbepalingen
 Artikel 1
 In deze regeling wordt verstaan onder:
 a. reglement: het Reglement justitiële jeugdinrichtingen;
 b. pij-maatregel: de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen als bedoeld in artikel
 77s van het Wetboek van Strafrecht;
 c. verlofstatus: een vorm van planmatig verlof als bedoeld in artikel 33, derde lid, van het
 reglement;
 d. risicomanagementplan: een plan van de inrichting waarin staat beschreven een inschatting van
 de risico’s en hoe de risico’s met betrekking tot het verlof of scholings- en trainingsprogramma tot
 een aanvaardbaar niveau worden teruggebracht.
 e. muludisciplinair overleg: overleg ter advisering omtrent de behandeling van de aanvragen
 bedoeld in bedoeld in de artikelen 3, 4 en 16, bestaande uit tenminste een vertegenwoordiger van
 de inrichting waar de jeugdige verblijft, één vertegenwoordiger van een andere jeugdinrichting,
 een vertegenwoordiger van de afdeling Individuele Jeugdzaken van de Dienst justitiële inrichtingen
 van het Ministerie van Veiligheid en Justitie en een onafhankelijke psychiater, die niet werkzaam is
 in de inrichting waarde jeugdige verblijft.
 f. scholings- en trainingspmgrammaplan: een schriftelijke omschrijving van het scholings- en
 trainingsprogramma als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het reglement.
 Artikel 2
 Verlofaanvragen en aanvragen voor de deelname aan een scholings- en trainingsprogramma
 worden door de directeur van de Inrichting schriftelijk Ingediend bij de minister.
 Hoofdstuk 2. Incidenteel en planmatig verlof
Artikel 3
 De aanvraag voor incidenteel verlof bevat in ieder geval:
a. een omschrijving van het doel dan wel de gebeurtenis waarvoor het incidenteel verlof wordt
aangevraagd;
b. de duur van het incidenteel verlof;
c de mate van begeleiding;
d. het risicomanagementplan;
e. een blijk van instemming bedoeld in artikel 34, tweede lid, van het reglement;
f. het advies van de Immigrabe- en Naturalisatiedienst, in het geval van artikel 34, vierde lid van
het reglement.
Artikel 4
De aanvraag voor planmatig verlof bevat in Ieder geval het perspectiefplan met
a. het verlofplan;
b. het risicomanagementplan;
c. de afspraken over het verlof, die tussen de inrichting en de jeugdige zijn gemaakt;
d. het advies van het openbaar ministerie in het geval een executie-indicator is geplaatst;
e. indien van toepassing de evaluatie van eerder verlof;
t’. indien van toepassing meldingen van bijzondere voorvallen, als bedoeld in de Regeling melding
bijzondere voorvallen jeugdigen.
Artikel 5
                                                                                       1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre> 1. In de aanvraag voor het begeleid verlof wordt aangegeven welke personeelsleden of
 medewerker(s) de jeugdige begeleiden.
 2. Het verlofplan vermeldt de verlofdoelen, de frequentie en de duur van het begeleid verlof.
 3. Het begeleid verlof duurt maximaal een dag zonder overnachting.
Artikel 6
 1. Eendaags onbegeleid verlof kan worden aangevraagd indien de jeugdige minimaal vijf keer met
 begeleid verlof is geweest, tenzij;
 a. sprake is van een strafrestant van maximaal vijf maanden of;
 b. de behandeling van de jeugdige het toelaat en het verlof verantwoord Is In het kader van het
 risicoma n agem entpla n.
2. Artikel 5, tweede en derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 7
 1. Bij meerdaags onbegeleid verlof verblijft de jeugdige één of meerdere dagen met overnachting
buiten de inrichting. Artikel 5, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
2. Bij een eerste aanvraag voor een machtiging voor meerdaags onbegeleid verlof kan de directeur
verzoeken om maximaal twee overnachtingen per twee weken.
3. Bij iedere volgende aanvraag voor een machtiging voor meerdaags onbegeleid verlof kan om
een hogere frequentie van zowel het dagverlof als van de overnachtingen worden verzocht.
Artikel S
 1. Voor Iedere nieuwe veriofstatus, de verlenging ervan of bij een structurele wijziging van het
verlofplan vraagt de directeur een nieuwe machtiging aan.
2. In afwijking van het eerste lid kan de directeur één machtiging planmatig verlof aanvragen voor
een jeugdige met een strafrestant van maximaal vijf maanden.
3. Elk planmatig verlof wordt afgesloten met een evaluatie. De evaluatie wordt besproken met de
jeugdige.
Artikel 9
 1. Wanneer bij planmatig verlof de toepassing van elektronisch toezicht wordt overwogen, vraagt
de directeur daarover advies van de reclassering of de jeugdreclasserlng.
2. De directeur vermeldt in het verlofplan het doel, de invulling van het toezicht door de
reclassering of de jeugdreclassering en de duur van het elektronisch toezicht.
3. In de machtiging planmatig verlof wordt het doel, de invulling van het toezicht door de
redassering of de jeugdreclassering en de duur van het elektronisch toezicht vastgelegd.
Artikel 10
1. De minister beslist onverwijid op aanvragen voor incidenteel verlof. Indien spoed vereist Is, stelt
de directeur van de inrichting de minister hiervan van tevoren op de hoogte.
2. Op een aanvraag voor planmatig verlof beslist de minister in beginsel binnen vier weken.
3. Een aanvraag kan voor advies worden voorgelegd aan het multidisciplinair overleg. In dat geval
beslist de minister binnen een redelijke termijn.
4. De minister neemt bij de beslissing een machtiging af te geven het advies van het
muitidiscipllnalr overleg In aanmerking.
Artikel 11
1. De geldigheid van een machtiging incidenteel verlof Is gelijk aan het doel dan wel de gebeurtenis
bedoeld in artikel 32, vijfde lid, van het reglement.
2. Een machtiging voor planmatig verlof is maximaal zes maanden geldig.
3. De directeur dient ten minste een maand voor afloop van een machtiging planmatig verlof een
nieuwe aanvraag in voor verlenging van de machtiging dan wel voor een opvolgende verlofstatus.
De aanvraag bevat een evaluatie van het voorgaande planmatig verlof.
4. Bij een overplaatsing naar een andere Inrichting blijft de machtiging zes weken geldig. De
directeur van de ontvangende inrichting kan beslissen het veriofpian over te nemen dan wel aan te
passen. In beide gevallen vraagt de directeur binnen twee weken een nieuwe machtiging aan.
Artikel 12
1. De minister kan voor de duur van maximaal vier weken een machtiging planmatig verlof
afgeven, indien een nieuwe machtiging niet aansluitend aan de bestaande machtiging kan worden
afgegeven, In afwachting van een advies van het muitidiscipilnair overleg bedoeld in artikel 10,
derde lid.
2. Deze machtiging wordt overeenkomstig de bestaande machtiging afgegeven.
                                                                                     ‘3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre> 3. De minister kan bij het verlenen van de in het vorige lid bedoelde machtiging aanvullende
 voorwaarden stellen.
 Artikel 13
 1. Een verlofmachtiging eindigt indien:
 a. de termijn waarvoor de machtiging is afgegeven, is verstreken of
 b. een nieuwe machtiging wordt verleend of
 c. de jeugddetentie of pij-maatregel eindigt.
 2. De minister kan een verlofmachtiging Intrekken Indien:
a. de jeugdige zich schuldig maakt aan of verdacht wordt van het plegen van een strafbaar feit;
 b. dit noodzakeluk is met het oog op de veiligheid van de jeugdige of voor de veiligheid van
anderen;
c. dit noodzakelijk is voor de algemene veiligheid van personen of goederen;
ci. de jeugdige een voorwaarde niet nakomt;
e. de jeugdige geen rechtmatig verblijf meer heeft in Nederland;
f, als het doel van het verlof is bereikt waarvoor de machtiging is verleend.
Artikel 14
Indien een verlofmachtiglng is afgegeven en de directeur gebruikt maakt van zijn bevoegdheden
op grond van de artikelen 36 of 39 van het reglement, wordt de duur van de machtiging door het
tijdelijk niet toestaan van het verlof, niet opgeschort. De directeur maakt melding van het tijdelijk
niet toestaan van het verlof in de verlofevaluatie.
Hoofdstuk 3. Scholings- en trainingsprogramma
Artikel 15
Deelname aan een scholings- en trainingsprogramma vindt plaats in aansluiting op planmatig
verlof.
Artikel 16
1. De aanvraag voor een scholings- en trainingsprogramma bevat:
a. een omschrijving van het gewenste scholings- en trainingsprogramma;
b. indien de begeleiding door de reclassering plaatsvindt, het reclasseringsadvies of indien de
begeleiding door de jeugdreclassering plaatsvindt, een intentieverklaring dat deze de begeleiding
uitvoert;
c. het advies van het openbaar ministerie in het geval een executie-indicator is geplaatst;
d. indien de jeugdige mindeijarig is, het advies van de Raad voor de Kinderbescherming;
e. het scholings- en tralningsprogrammaplan;
f. het risicomanagementplan;
g. de afspraken over het scholings- en trainingsprogramma, die tussen de inrichting en de jeugdige
zijn gemaakt;
h. een evaluatie van het voorafgaande verloftraject.
2. Artikel 10, derde en vierde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 17
1. Wanneer bu een scholings- en trainingsprogramma elektronisch toezicht wordt overwogen,
vraagt de directeur het advies van de reclassering of jeugdreclassering.
2. De directeur vermeldt in het scholings- en trainingsprogrammaplan het doel, de invulling van het
toezicht door de reclassering ofjeugdreclassering en de duur van het elektronisch toezicht.
3. In de machtiging scholings- en trainingsprogramma wordt het doel, de invulling van het toezicht
door de reclassering of jeugdreclassedng en de duur van het elektronisch toezicht vastgelegd.
Artikel 18
1. Een tijdelijke terugplaatsing bedoeld in artikel 12, derde lid, onderdeel c, van het reglement
duurt maximaal twee weken. Indien een terugpiaatsing van langere duur nodig is, overlegt de
directeur met de minister of de terugpiaatsing eenmalig met twee weken kan worden verlengd.
2. De directeur Informeert de ouders, voogd, stiefouders of pleegouders over de tijdelijke
terug plaatsing.
3. De directeur kan in overleg met de minister tijdens de tijdelijke terugplaatsing aan de jeugdige
toestaan de inrichting tijdelijk te verlaten, indien dit noodzakelijk Is voor de herstart van het
scholings- en trainingsprogramma.
4. De directeur stelt de minister in kennis van een herstaft van een scholings- en
trainingsprogramma.
                                                                                       3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>Artikel 19
 1. Een machtiging schohngs- en trainingsprogramma geldt:
a. in het geval van een jeugddetentie maximaal drie maanden;
b. in het geval van een pij-maatregel in beginsel zes maanden.
2. In het geval de pij-maatregel tijdens een schohngs- en trainingsprogramma wordt verlengd, kan
de minister de machtiging verlengen tot aan het einde van de pij-maatregel.
3. Artikel 11, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk 4. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 20
Deze regeling is van toepassing op alle verlofaanvragen en aanvragen voor schokngs- en
trainingsprogramma’s die vier weken na de inwerkingtreding van deze regeling worden ingediend.
Artikel 21
Deze regeling treedt in werking op 1 april 2014.
Artikel 22
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling verlof en STP jeugdigen.
Deze regeling zal met toelichting In de Staatscourant worden geplaatst.
De 5taatssecrtaris     anveilig    id en Justitie,
    <1-                  --
F. Teev’èJ
                                                                                4
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>   Toelichting
  Algemeen
   Deze regeling bevat nadere regels over de procedure voor het aanvragen en het verlenen van een
   machtiging voor verlof of deelname aan een scholings- en trainingsprogramma (hierna: STP).
   Daarmee biedt de regeling een uniform kader voor het verlaten van de justItiële jeugdinrichting
  (JiJ) in de verschillende fasen van de tenuitvoerlegging van een opgelegde vrijheidsstraf of
  vrijheidsbenemende maatregel.
   De regeling ligt in het verlengde van de bepalingen over verlof en STP in de Beginselenwet
  justitiële jeugdinrichtingen (Bij) en het Reglement justitiële jeugdinrichtingen (Rij).
  Binnen de kaders van de opgelegde sanctie wordt de tenuitvoerlegging zoveel mogelijk aangewend
  voor begeleiding, (her-)opvoeding en behandeling van de jeugdige teneinde een veilige terugkeer
  in en volwaardige deelname aan de maatschappij mogelijk te maken. Door middel van een
  planmatig en consistent verloftraject wordt gestreefd naar een verantwoorde, geleidelijke
  terugkeer in de maatschappij, daarbij rekening houdend met recidlverisico’s, slachtoffers en of hun
  nabestaanden en de algemene rechtsorde. Verlof is daarmee een wezenlijk onderdeel van de
  behandeling van een jeugdige. Het verloop van het verlof fungeert als toets op het functioneren
  van de jeugdige buiten het terrein van de Inrichting in de voorbereiding op zijn resocialisatie. De
  ouders, voogd, stiefouders of pleegouders evenals de overige actoren in de sociale omgeving van
  de jeugdige spelen hierbij een belangrijke rol. Tevens kan via verlof het systeem van de jeugdige
 constructief benut worden bij de behandeling en de opbouw van een sociaal netwerk In de
 omgeving waarde jeugdige zich na uitstroom zal vestigen.
  Naast planmatig verlof kan de directeur de jeugdige met machtiging van de minister incidenteel
 verlof verlenen indien verblijf buiten de Inrichting om onvoorziene redenen, zoals genoemd in
 artikel 32, tweede lid van het reglement, noodzakelijk is. Dit verlof is niet noodzakelijkerwijs
 gerelateerd aan behandeldoelen. Bovendien kan de directeur met een machtiging van de mInister
 een jeugdige laten deelnemen aan een STP. Bij de totstandkoming van een aanvraag voor een
 machtiging planmatig verlof of machtiging STP worden de ouders, voogd, stiefouders of
 pleegouders van de jeugdige zo veel mogelijk betrokken.
 In deze regeling wordt elektronisch toezicht tijdens verlof en tijdens een STP nader vorm gegeven.
 In de huidige praktijk blijkt dat elektronisch toezicht een toegevoegde waarde kan hebben met het
 oog op een stapsgewijze resocialisatie van de jeugdige. Elektronisch toezicht kan bijvoorbeeld
 worden toegepast in overgangssituaties, zoals de situatie van begeleid naar onbegeleid verlof of
 van onbegeleid verlof naar STP. De jeugdige wordt in deze overgangen stapsgewijs met meer
 vrijheden en toenemende verantwoordelijkheden geconfronteerd. In de aftikelsgewijze toelichting
 op de artikelen 9 en 10 wordt hierbij verder stilgestaan.
 Onder deze regeling valt niet het tijdelijk verlaten van de inrichting in verband met medische
 noodzaak af ziekenhuisbezoek. Dit is nader geregeld in de Regeling plaatsing en overplaatsing
jeugdigen. Ook het bijwonen van gerechtelijke procedures valt niet onder deze regeling.
 Artikelsgewijze toelichting
 Artikel 1
 Het risicomanagementplan bevat een plan van aanpak van de inrichting met daarin een inschatting
van de risico’s verbonden aan het verlof dan wel het scholings- en trainingsprogramma en dat
aangeeft hoe de risico’s tot een aanvaardbaar niveau worden teruggebracht. Het plan omvat alle
 risico’s die zich tijdens het verlof kunnen voordoen, waaronder het risico op recidive, onttrekking,
 middelengebruik of confrontatie met slachtoffers of nabestaanden. De inschatting van de risico’s
vindt plaats door middel van een gestandaardiseerd en wetenschappelijk getoetst instrument
(thans de Structured Assessment of Violence Risk In Youth, SAVRY). De directeur van de inrichting
kan daarnaast aanvullende instrumenten benutten.
Aan het multidisciplinaire overleg kunnen aanvragen voor verlof of STP worden voorgelegd ter
bespreking en met de vraag om advies uit te brengen over het afgeven van een machtiging. De
samenstelling van het multidisciphnair overleg kan per individuele casus verschillen, Het
multidisciphnair overleg bestaat in ieder geval uit een vertegenwoordiger van de inrichting waarde
jeugdige verblijft (bljv. gedragswetenschapper), één vertegenwoordiger van een andere
jeugdinrichting (bijv. gedragswetenschapper of hoofd behandeling), een of meerdere
vertegenwoordigers van de afdeling IJZ (meestal het (plv.) hoofd van de afdeling en een (senior)
                                                                                        5
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>  selectiefunctionaris) en een onafhankelijke psychiater, die niet werkzaam is in de inrichting waar de
  jeugdige verblijft. In bepaalde gevallen kan ook de officier van justitie en/of de (jeugd)reclassering
  en/of een senior beleidsmedewerker Jeugd van DII deelnemen aan het overleg.
  Artikel 2
  Verlofaanvragen worden bij de afdeling Individuele Jeugdzaken (IJZ) van de Dienst Justitiële
  inrichtingen (DII) schriftelijk ingediend. Het hoofd van de afdeling JJZ beslist namens de minister.
  De rijksinrichtingen en de particuliere justitiële jeugdinrichtingen maken hiervoor gebruik van een
  digitaal systeem. Indien een inrichting, niet zijnde een justitiële jeugdinrichting (thans Catamaran
  of Hoeve Boschoord) geen toegang heeft tot dit systeem kan de verlofaanvraag per post of per fax
  worden ingediend. De verlofaanvraag komt tot stand op basis van een professioneel Inhoudelijke
  toetsing. Dat wil zeggen dat de bij de jeugdige betrokken professionals (waaronder de
  gedragswetenschapper, mentor, eventueel ook externe partijen zoals de reclassering) In de vorm
 van intercollegiale toetsing en overleg tot de verlofaanvraag zijn gekomen. Ook het relevante
  netwerk van de jeugdige wordt indien mogelijk bij de aanvraag betrokken.
                                    -                  -
 Artikel 3
 In dit artikel wordt vastgelegd wat een aanvraag tot incidenteel verlof moet omvatten. Incidenteel
 verlof van jeugdigen zonder verlofstatus vindt In principe plaats onder begeleiding van twee
 personeelsleden of medewerkers. Voor jeugdigen die al een verlofstatus hebben, is de inzet van
 begeleiding afhankelijk van de individuele situatie (waaronder de verlofstatus en het
 risicomanagementplan). In de aanvraag moet daarom expliciet zijn omschreven hoe de begeleiding
 tijdens het incidenteel verlof zal worden vormgegeven of waarom in het individuele geval
 begeleiding van de jeugdige achterwege kan blijven. Voor jeugdigen in voorlopig hechtenis is
 instemming van het openbaar ministerie nodig, omdat het strafproces nog loopt.
 Voor geweldstoepassing tijdens door de begeleiders van het incidenteel verlof is de Regeling
 geweldsinstrudie jeugdigen van toepassing.
 Artikel 4
 Planmatig verlof kent een consistente en logische opbouw van vrijheden die voortvloeit uit de
 opgestelde behandeldoelen en het behandelverloop. De behandeldoelen zijn mede gebaseerd op
 screenlng en diagnostiek in combinatie met de gegeven (restant)termljn van de straf of maatregel.
 Elke vorm van planmatig verlof wordt afgesloten met een evaluatie door betrokkenen (waaronder
 de jeugdige en de gedragswetenschapper) over het verloop van het verlof en de behaalde
 resultaten op gestelde verlofdoelen. Vervolgens wordt in de bespreking van het perspectiefplan tot
 een gewogen besluit gekomen over de aanvraag van een nieuwe opvolgende verlofstatus of van
 een verlenging van de huidige verlofstatus.
 De aanvraag van een machtiging geschiedt door middel van een door de minister vastgesteld
 format. Uit de aanvraag moet duidelUk blijken of het een nieuwe aanvraag, een aanvraag voor een
 opvolgende verlofstatus of een aanvraag voor een verlenging van de lopende machtiging (dezelfde
verlofstatus) of een machtiging voor het hele verloftraject (artikel 9, tweede lid) betreft. Indien
 sprake Is van een structurele wijziging in de verlofactiviteiten, kan niet worden volstaan met een
verlenging en dient een nieuwe aanvraag te worden ingediend.
Verlofaanvragen voor jeugdigen voor wie een executie-indicator is afgegeven, dienen voor advies
te worden voorgelegd aan het openbaar ministerie. Indien geen executie-indicator afgegeven is,
kan de directeur niettemin (al dan niet op voordracht van de minister) het advies van het openbaar
ministerie inwinnen. Dit kan bijvoorbeeld Zaken betreffen waarde maatschappelijke orde in het
geding kan zijn. Strafzaken die al vôôr of nog tijdens het strafproces maatschappelijke aandacht
krijgen, zullen In de praktijk vaak een executie-Indicator meekrijgen bij veroordeling, maar de
maatschappelijke aandacht kan bijvoorbeeld door een incident ook pas na de veroordeling
ontstaan. Voor het verkrijgen van de instemming dan wel het advies neemt de directeur zo spoedig
mogelijk contact op met de betrokken officier van Justitie. Indien de officier van justitie niet tijdig
reageert en ook na een herinnering geen advies dan wel instemming of weigering geeft, vermeldt
de directeur dit in de aanvraag.
Voor verloNeriening aan jeugdige vreemdelingen die in de inrichting verblijven op grond van een
pij-maatregel of jeugddetentie geldt dezelfde aanvraagprocedure als voor de overige
strafrechtelijke jeugdigen, met inachtneming van het volgende.
Vreemdelingen van wie nog niet vaststaat dat zij na het einde van de pij-maatregel of
jeugddetentie Nederland dienen te verlaten vallen op gelijke wijze onder deze regeling als andere
pij-jongeren of jeugdigen in jeugddetentie. Wel zal de mogelijke onttrekking aan de dreigende
verwijdering uIt Nederland een specifieke factor vormen bij de Inschatting van de risico’s. De
                                                                                         6
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>  inrichting is bij elke verlofaanvraag verantwoordelijk voor het vermelden van de
  vreemdelingenstatus, voor zover bij hen bekend. De inrichting vermeldt dit expliciet in de
  verlofaanvraag. Bij twijfel over de verblijfsstatus vehfieert de afdeling I]Z de exacte verblijfsstatus
  van de jeugdige bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Aan vreemdelingen, die niet
  rechtmatig in Nederland verblijven, wordt geen planmatig verlof verleend. Wanneer een jeugdige
  gedurende het verloop van de maatregel zijn rechtmatig verblijf in Nederland verliest, wordt de
  machtiging ingetrokken. Indien de directeur of de afdeling IJZ twijfelt over de verblijfsstatus van
 een jeugdige informeert de directeur dan wel de afdeling IJZ hieromtrent hij de IND.
 Artikel 5
 Verloftrajecten beginnen altijd onder begeleiding. Begeleiding vindt plaats door één of meerdere
 personeelsleden of medewerkers als bedoeld in artikel 1, sub j, van de Bjj. Dat kunnen
  bijvoorbeeld pedagogisch medewerkers zijn of groepsleiders, al dan niet aangevuld met beveiligers
  (bijvoorbeeld van de Dienst Vervoer & Ondersteuning of medewerkers van het Interne
 Bijstandsteam). De begeleider(s) heeft (hebben) zowel een pedagogïsche functie, namelijk met
 betrekking tot het werken aan de verlofdoelen, als een beveiliglngsfunctie, namelijk een
 verantwoord en veilig verloop van het verlof. De duur van begeleid verlof varieert van een aantal
 uren tot een dag zonder overnachting. De maximale frequentie van het begeleid verlof Is
 afhankelijk van de verlof- en behandeldoelen van de jeugdige en wordt vastgelegd in het veriofplan
 dat onderdeel uitmaakt van het perspectiefpian. Op eventuele geweidstoepassing door begeleiders
 tijdens begeleid verlof, is de Regeling geweldsinstructie jeugdigen van toepassing.
 Artikel 6
 Eendaags onbegeleid verlof betreft verlof variërend van een aantal uren tot één dag buiten de
 inrichting zonder overnachting. De frequentie en duur worden in het verlofplan vastgelegd. In
 principe wordt eendaags onbegeleld verlof bij een eerste aanvraag voor maximaal twee keer per
 week verleend. Eendaags onbegeleid verlof kan voor het eerst worden aangevraagd wanneer de
jeugdige vijf keer met begeleid verlof is geweest. Op deze manier is er voldoende gelegenheid om
 onder begeleiding te oefenen aan verlofdoelen en het omgaan met de bewegingsvrijheden buiten
 de inrichting. Er geldt geen maximum op het aantal begeleide verloven. De overgang naar
 onbegeleid verlof is afhankelijk van het verloop van de begeleide fase, alsook het leervermogen
 van de jeugdige en het individuele risicoprofiel. Bij de aanvraag voor eendaags onbegeleld verlof
 moet duidelijk zijn dat vijf keer of vaker begeleid verlof heeft plaatsgevonden. Indien sprake is van
 een kort verloftraject als bedoeld in artikel 8, tweede lid, kan het aantal begeleide verloven minder
 zijn dan vijf keer. Hetzelfde geldt indien de behandeling het toestaat dat al eerder met onbegeleid
verlof gestart kan worden. In dat geval wordt bij de inschatting van de risico’s expliciet de
 afweging gemaakt dat eendaags onbegeleid verlof al mogelijk is.
 De frequentie van eendaags onbegeleid verlof kan op den duur worden uitgebreid naar meer dan
twee keer per week, bijvoorbeeld om buiten de Inrichting onderwijs of therapie te volgen. Dat kan
bijvoorbeeld het geval zijn als een jeugdige in het kader van zijn opleiding stage bij een bedrijf
 moet lopen, een opleiding volgt of deelneemt aan een specifieke therapie die binnen de inrichting
niet verzorgd kan worden. Ook kan het in uitzonderlijke gevallen wenselijk zijn dat een
dagprogramma (tijdelijk) wordt vormgegeven met werken buiten de inrichting.
Artikel 7
Volgend op de fase van eendaags onbegeleid verlof kan meerdaags onbegeleld verlof plaatsvinden.
Het volgen van extern onderwijs of therapie kan hierin worden vervolgd, al dan niet gecombineerd
met activiteiten voor andere verlofdoeien. Bij de aanvraag en beoordeling van meerdaags
onbegeleid verlof dient er rekening mee gehouden te worden dat de risico’s groter zijn, omdat de
jeugdige naar verwachting in meer dsicovolle sItuaties zal komen dan in voorafgaande fasen. Bij
verlening van de eerste machtiging meerdaags onbegeleid verlof kunnen maximaal twee
overnachtingen per twee weken worden toegestaan. Bij een volgende aanvraag (wijziging of
verlenging) van de machtiging meerdaags onbegeleid verlof kan om een hogere frequentie van
zowel het dagverlof als van het aantal overnachtingen verzocht worden. In aanloop naar een STP
kan een hogere frequentie van het aantal overnachtingen bijvoorbeeld wenselijk zijn. Zodra de
behandelvoortgang het toelaat en mits dit past binnen de wettelijke termijnen, kan in deze fase
overwogen worden of de jeugdige toe Is aan een STP.
Artikel 8
Uit de verlofaanvraag moet blijken of het gaat om
-  een nieuwe of opvolgende verlofstatus of
-  de verlenging van een bestaande verlofstatus of
-  een structurele wijziging van het verlof.
                                                                                       7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>   Met dit laatste wordt bedoeld dat een nieuwe machtiging moet worden aangevraagd wanneer de
  inhoud van de verlofactiviteit of de frequentie van het verlof substantieel wijzigt. Dit wil zeggen dat
  de verlofacUvitelt nog niet eerder in het verlofpian is omschreven en dat de risico’s betreffende
  deze verlofadiviteit nog niet eerder zijn ingeschat en omschreven in het verlofpian. Ook kunnen
  aan een wijziging van de frequentie van het verlof andere risico’s verbonden zijn. Ook dan is een
  nieuwe verlofaanvraag nodig.
  Vanwege de vaak relatief korte duur van jeugddetentie of het strafrestant daarvan, Is het
  aanvragen van een gefaseerd verloftraject praktisch gezien niet altijd mogelijk. In de praktijk blijkt
  het mogelijk om bij een onherroepelijke veroordeling met een strafrestant in een gefaseerd
 verloftraject te voorzien. In dat geval kan de directeur één machtiging voor het gehele verloftraject
  aanvragen. Dat is bijvoorbeeld ook het geval als de jeugdige tijdens voorlopige hechtenis, in het
  kader van nachtdetentie, een programma buiten de inrichting volgde. In dat geval kan dit met één
 verlofmachtiging gecontinueerd worden. De machtiging omvat alle vormen van planmatig verlof en
 geldt voor het gehele planmatig verloftraject dat in totaal maximaal vijf maanden duurt. Voor
 deelname aan een STP moet altijd een afzonderlijke machtiging worden aangevraagd.
 Het derde lid regelt dat ieder verlof waarvoor een machtiging is afgegeven, moet worden
 afgesloten met een evaluatie van voorgaande verloven. In de verslaglegging van de evaluatie
 wordt door de gedragswetenschapper van de inrichting in ieder geval het volgende beschreven:
 -  de Inhoud en het verloop van de verlofactiviteiten;
 -  doelstellingen van het verlof en de mate waarin deze behaald zijn;
 -  de uitkomst van de nabespreking van het verlof met de jeugdige, de begeleider(s) en betrokken
 bij het verlof (bijvoorbeeld gezinsleden woonachtig op het verlofadres);
 -  het gedrag en de houding van de jeugdige tijdens het verlof;
 - in hoeverre het risicomanagement adequaat bleek te zijn;
 - eventuele Incidenten die zich hebben voorgedaan tijdens verlof en de wijze van afhandeling
 daarvan.
 Ook wordt een advies opgenomen voor het aanhouden of het bijstellen van de verlofdoelen of de
 activiteiten die in het verlof worden ondernomen.
 Uit de verslaglegging moet blijken dat de evaluatie met de jeugdige is besproken. Een negatieve
 evaluatie ten aanzien van verlofdoelen kan aanleiding zijn om behandel- of verlofdoelen bij te
 stellen. Bijvoorbeeld risicovol gedrag of een verhoogd recidiverisico kan aanleiding zijn het
 risicomanagementplan te herzien. In sommige gevallen kan de verlofevaluatie aanleiding zijn om
 het verloftraject tijdelijk stil te zetten of de machtiging in te (laten) trekken.
Artikel 9
 Eén van de voorwaarden die aan het verlof kan worden verbonden is elektronisch toezicht.
 Elektronisch toezicht kan worden ingezet ten behoeve van de controle van afspraken over het
verblijf buiten de inrichting. Te denken valt hier aan afspraken over locaties en gebieden die wel of
 niet betreden mogen worden, al dan niet ter bescherming van een slachtoffer of ter voorkoming
van maatschappelijke onrust. Het toepassen van elektronisch toezicht kan ook vanuit
 behandeldoelen wenselijk zijn. Hierbij kan gedacht worden aan ondersteuning In het leren
 nakomen van afspraken of in overgangssituaties te leren omgaan met toegenomen vrijheden en
verantwoordelijkheden: in het geval dat een jeugdige voor het eerst met onbegeleid verlof gaat of
voor het eerst met meerdaags onbegeleld verlof. Zoals bij alle voorwaarden tijdens verlof moet de
jeugdige willen meewerken. Per individueel geval zal worden beoordeeld voor welk verlofdoel
elektronisch toezicht zal worden ingezet en of elektronisch toezicht wenselijk is voor de uitvoering
van het verlof.
Artikel 10
Het eerste lid bepaalt dat de minister op een aanvraag incidenteel verlof onverwijld en in ieder
geval binnen twee weken beslist. Het spoedeisende karakter dat een gebeurtenis kan hebben,
bijvoorbeeld het plotseling in levensgevaar verkeren van een relatie, maakt een beslissing op zeer
korte termijn mogelijk. De directeur kan bij veel spoed al voor het indienen van de aanvraag de
afdeling UZ op de hoogte stellen van de komende aanvraag. Hiermee wordt een spoedige
afhandeling bevorderd.
In het tweede lid van dit artikel wordt voor een aanvraag planmatig verlof in beginsel een
afhandelingstermijn van vier weken gehanteerd. Deze termijn gaat In op de datum dat de
verlofaanvraag met alle stukken genoemd in artikel 4 van deze regeling is ingediend bij de afdeling
Uz.
                                                                                       8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre> In bepaalde gevallen kan het hoofd van de afdeling IJZ bepalen dat een verlofaanvraag besproken
 wordt in het multidisciplinair overleg. Reden hiervoor kan bijvoorbeeld gelegen zijn In de aard van
 het delict waarvoor de jeugdige Is veroordeeld of de omstandigheid dat het delict of het gedrag van
 een jeugdige veel maatschappelijke onrust heeft veroorzaakt. Ook kunnen aspecten zoals
 confrontatie met het slachtoffer, de specifieke problematiek van de jeugdige of de complexiteit van
 de aanvraag redenen zijn de veriofaanvraag In het multidisciplinair overleg te bespreken en advies
 uit te brengen over het al dan niet verlenen van een machtiging. De afdeling IJZ streeft ernaar een
 verlofaanvraag binnen acht weken af te handelen.
 Door de vertegenwoordiging van verschillende disciplines in het multidisciplinaire overleg komt dit
 overleg tot goed afgewogen integrale adviezen vanuit een bredere deskundigheid. Op deze manier
 vindt er een uitgebreidere beoordeling plaats van verlofaanvragen.
 Het advies van het multidisciplinair overleg wordt bij het al dan niet verlenen van een machtiging
 zwaar meegewogen. In beginsel zal de minister bij een negatief advies geen veriofmachtiging
 afgeven.
 Artikel 11
 De geldigheid van een machtiging voor Incidenteel verlof is gerelateerd aan het specifieke doel of
 de gebeurtenis waarvoor de machtiging wordt afgegeven. Meestal gaat het om een afgebakende
 gebeurtenis zoals het bijwonen van een begrafenis of een intakegesprek op een school. Er zijn
 echter ook situaties denkbaar waarvoor een jeugdige meer dan eenmaal de inrichting verlaat voor
 hetzelfde, afgebakende doel. Het gaat hier bijvoorbeeld om het aanvragen en ophalen van een
 identiteitsbewijs of het meermaals bezoeken van een ernstig ziek familielid. Voor dergelijke
 gevallen kan volstaan worden met de aanvraag van één machtiging, mits uit de aanvraag blijkt dat
de jeugdige meermaals de inrichting verlaat.
 Een machtiging voor planmatig verlof is geldig voor de duur van ten hoogste zes maanden. De
 machtiging kan eerder eindigen indien een einde komt aan de jeugddetenUe of pij-maatregel. Een
aanvraag voor verlening van een nieuwe machtiging moet ten minste vier weken voor afloop van
de bestaande machtiging worden ingediend. Een machtiging wordt verleend aan de directeur van
de inrichting waarde jeugdige verblijft. Bij een overplaatsing blijft de machtiging zes weken geldig,
 met inachtneming van de geldigheidsduur van de machtiging. In deze periode krijgt de directeur
van de ontvangende Inrichting de gelegenheid om het veriofplan over te nemen of aan te passen.
In beide gevallen dient een nieuwe machtiging te worden aangevraagd. In het geval van overname
van het veriofplan kan worden verwezen naar dat eerdere plan. Er vindt afstemming plaats tussen
de zendende en ontvangende inrichting.
Artikel 12
Het kan voorkomen dat bijvoorbeeld door het voorleggen van de verlofaanvraag aan een
multidisciplinair overleg de nieuwe machtiging niet op tijd kan worden afgegeven in afwachting van
het advies van dit overleg, waardoor de nieuwe machtiging pas na verloop van de bestaande
machtiging kan worden afgegeven. De jeugdige mag hiervan niet de dupe worden. Het is tegen
deze achtergrond dat de minister in een tijdelijke machtiging kan voorzien.
Artikel 15 en 16
Na het doorlopen van de opeenvolgende verloNormen kan een jeugdige in aanmerking komen voor
deelname aan een STP. Ten behoeve van het STP wordt een scholings- en trainingsprogrammaplan
(hierna: STP-plan) opgesteld, dat, net als het verlofplan, onderdeel is van het perspectiefplan. Het
STP-plan bevat dezelfde onderdelen als het verlofplan, waarbij daarnaast wordt ingegaan op de
invulling van het volledige verblijf buiten de inrichting, de daaraan verbonden voorwaarden, het
verblijfadres en de contactgegevens van relevante contactpersonen en de begeleidende instanties.
De ouders, voogd, stiefouders of pleegouders van de jeugdige worden bij de totstandkoming van
het STP-pian zo veel mogelijk betrokken. Dagbesteding In de vorm van werken bij familie wordt
niet wenselijk geacht. Dit zou kunnen leiden tot een loyaiiteltsconfllct, wanneer het familielid
enerzijds In de rol van werkgever en anderzijds in de hoedanigheid van familielid optreedt.
Instemming zal uitsluitend worden verleend indien er geen redelijk alternatief voor dagbesteding Is
en de familie als werkgever zich conformeeft aan de afspraken met en toezicht door de
volwassenen- of jeugdreclassering. De inrichting legt, na overleg met de volwassenen- of
jeugdreclassering, in het plan vast op welke wijze het toezicht plaatsvindt en met welke frequentie
over de voortgang wordt gerapporteerd. Tijdens een STP blijft de directeur verantwoordelijk voor
de jeugdige.
Artikel 17
                                                                                      9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre> Elektronisch toezicht tijdens een STP kan om dezelfde redenen worden opgelegd als hij planmatig
verlof. Omdat de vrijheden in deze fase groot zijn (de jeugdige verbluft tijdens een STP buiten de
inrichting) en de jeugdige vaker en langduriger in risicovolle situaties terecht kan komen, kan
elektronisch toezicht tijdens (een deel van) het STP toegevoegde waarde hebben. De directeur
moet hieromtrent tijdig afstemming zoeken met en advies inwinnen bij de (jeugd)reclassering, die
het toezicht gaat houden. De directeur geeft in het STP-plan aan voor welk doel elektronisch
toezicht wordt opgelegd, op welke wijze het toezicht zal plaatsvinden en de duur van het
elektronisch toezicht.
Artikel 18
Indien de gestelde voorwaarden aan het STP niet worden nageleefd, kan de directeur op grond van
artikei 12, derde lid, onder c van het reglement beslissen een jeugdige tijdelijk terug te plaatsen In
de inrichting. De directeur Informeert de ouders, voogd, stiefouders of pleegouders over deze
tijdelijke onderbreking van het STP. Ook zal de school of de werkgever geïnformeerd moeten
worden. In principe volstaat een terugplaatsing van maximaal twee weken, Indien de onderbreking
de termijn van twee zou overschrijden, kan in overleg met de afdeling IJZ de termijn eenmalig met
maximaal twee weken worden verlengd.
De directeur kan in overleg met de afdeling 1fl de jeugdige toestaan de inrichting tijdelijk te
verlaten. Bijvoorbeeld kan een jeugdige tijdelijk teruggeplaatst worden omdat hij geen
dagbesteding meer heeft. De jeugdige kan in dat geval de inrichting verlaten om een nieuwe
dagbesteding te vinden. Het verlaten van de inrichting vindt plaats binnen het kader en de doelen
van de machtiging STP.
Een tijdelijk onderbroken STP kan door de directeur weer herstart worden. De directeur stelt de
afdeling 1fl hiervan in kennis.
Artikel 19
Indien tUdens de looptijd van de machtiging de pij-maatregel verlengd wordt en het einde van de
pij-maatregel later is dan de geldigheid van de machtïging, wordt de machtiging in principe
verlengd voor de termijn dat de pij-maatregel is verlengd. In de praktijk blijkt dat deze
verlengingen meestal vrij kort zijn, dat wil zeggen korter dan zes maanden. Reden voor de
verlenging van de pij-maatregel is vaak gelegen in het feit dat men het STP langer door wil laten
lopen om de jeugdige daarmee beter voor te bereiden op zijn terugkeer in de maatschappU.
In het geval een pij-maatregel met meer dan zes maanden wordt verlengd, kan de minister
besluiten een machtiging af te geven, die hierbij aansluit.
De’faatssecretaris van Veiligheid en Justitie,
F. Teeven
                                                                                      10
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>