<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>                                                                                                                Parkstraat 83 Den Haag
                                                                                                                Correspondentie:
                                                                                                                Postbus 30137
                                                                                                                2500 GC Den Haag
                                                                                                                Telefoon (070) 361 93 00
                                                                                                                Fax algemeen (070) 361 93 10
                                                                                                                Fax rechtspraak (070) 361 93 15
Aan de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie
De heer mr. F. Teeven
Postbus 20301
2500 EH Den Haag
Betreft            :  aanbieding advies
Contactpersoon     :  mr. D. van der Hoeven / drs. A.J. van Bommel
Doorkiesnummer     :  070-3619354
E-mail             :  d.van.der.hoeven@minvenj.nl
Datum              :  30 november 2012
Uw kenmerk         :  217412
Ons kenmerk        :  RSJ/101/1252/2012/DvdH/TvV
Onderwerp          :  conceptbeleidskader repatriëring vreemdelingen in de tbs
                      Geachte heer Teeven,
                      Bij brief van 7 september 2012 heeft u de Raad voor Strafrechtstoepassing
                      en Jeugdbescherming gevraagd te adviseren over het conceptbeleidskader
                      repatriëring vreemdelingen in de tbs.
                      Het beleidskader beoogt de repatriëring van ter beschikking gestelde
                      vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf in Nederland te regelen. Het is
                      opgesteld mede naar aanleiding van de aanbevelingen van de toenmalige
                      Inspectie voor de Sanctietoepassing. De ISt heeft in 2010 aanbevolen om
                      het beleid met betrekking tot uitzetting en de werkprocessen waarmee de
                      repatriëring van individuele tbs-gestelden wordt geregeld, te beschrijven.1
                      Het beleidskader strekt daarnaast ter uitvoering van de bevoegdheid
                      van de Minister van Veiligheid en Justitie of de rechter om de tbs met
                      dwangverpleging met het oog op repatriëring tussentijds te beëindigen, zoals
                      geregeld in artikel 38 la en 38 lb van het Wetboek van Strafrecht.
                      Context: specifieke problematiek van vreemdelingen in de tbs
                      De tbs-maatregel wordt opgelegd aan personen die een ernstig delict hebben
                      gepleegd en waarbij de stoornis, gerelateerd aan het delict(gevaar), de grond
                      vormt voor de oplegging. De verblijfsstatus van de veroordeelde is hierbij
                      geen factor van betekenis. Gelet op de beperkte mogelijkheid tot resocialisatie
                      van personen zonder verblijfsstatus, wordt via de vorderingsrichtlijn van
                      het Openbaar Ministerie evenwel beoogd het opleggen van tbs aan deze
                      personen te vermijden. Niettemin komt het voor dat een vreemdeling een tbs-
                      maatregel opgelegd krijgt. Als de vreemdeling niet (langer) beschikt over een
                      verblijfstitel ontslaat dit de overheid niet van de opdracht tot het doen van een
                      behandelaanbod. Een in dit verband betekenisvolle uitspraak van het EHRM is
                      Rangelov v. Germany, waarop later in dit advies wordt ingegaan.
                      Het vreemdelingenbeleid en de Verlofregeling tbs stellen beperkingen aan
                      de behandeling. Ingevolge de Verlofregeling wordt er geen verlofmachtiging
                      1    Inspectie voor de Sanctietoepassing, Inspectierapport FPC Veldzicht Repatriëring tbs-gestelde 2008, mei 2010.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>verleend ten aanzien van vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf in Nederland.2 Volgens het
vreemdelingenrecht kunnen deze personen immers niet rechtmatig terugkeren in de Nederlandse
maatschappij. Dit betekent dat zij niet in aanmerking komen voor resocialisatie. De tbs-behandeling
zal enerzijds gericht moeten zijn op vermindering (of stabilisatie) van het gevaarsrisico en
anderzijds op terugkeer naar het land van herkomst (repatriëring). In de praktijk blijkt een groot
deel van de tbs-gestelde vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf in Nederland met succes te
kunnen worden gerepatrieerd.3 Vreemdelingen zonder terugkeerperspectief (bij wie uitzetting
om enige reden niet mogelijk is) bevinden zich in een moeilijkere en in wezen uitzichtloze
positie. Wegens het ontbreken van verlofmogelijkheden kan niet worden aangetoond dat hun
delictgevaarlijkheid is verminderd. Voor wie niet kan worden uitgezet, zal de tbs een permanent
karakter krijgen en ligt plaatsing op een longstayafdeling in het verschiet.
Reactie Raad op beleidskader
Bovengeschetste problematiek toont het spanningsveld tussen het vreemdelingenbeleid en de
strafrechtstoepassing, waarbij met name de behandeldoelstelling van de tbs-maatregel in het
geding is. De Raad zal, aangezien zijn taakstelling zich richt op de tenuitvoerlegging van straffen en
maatregelen, alleen iets zeggen over het laatstgenoemde aspect.
De Raad waardeert het streven om de uitgangspunten met betrekking tot repatriëring te bundelen
in een beleidskader. De Raad plaatst bij de opzet en uitwerking hiervan de volgende kanttekeningen.
Procesbeschrijving
Het beleidskader geeft geen volledige beschrijving van het werkproces waarlangs besluitvorming
plaatsvindt en de repatriëring wordt voorbereid, zoals was aanbevolen door de toenmalige ISt en
vervolgens aangekondigd in uw brief aan de Tweede Kamer van 23 maart 2012.4 Van de Dienst
Justitiële Inrichtingen heeft de Raad begrepen dat het werkproces momenteel (apart) wordt
uitgewerkt. De Raad meent dat het beleidskader nu juist de aangewezen plek is om de routing van
de repatriëring van a tot z te beschrijven. Het verdient daarom aanbeveling beide samen te voegen
of tenminste gelijktijdig uit te brengen.
Uitgangspunten beleidskader
Het beleidskader geeft verschillende uitgangspunten weer met betrekking tot repatriëring. De
Raad gaat hieronder in op twee van deze uitgangspunten: de onmogelijkheid van verlof voor
vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf en de plaatsing op een longstayafdeling indien repatriëring
niet te realiseren is.
1. Verlof niet mogelijk
Het beleidskader beschrijft het uitgangspunt dat verlof niet mogelijk is indien een vreemdeling niet
(meer) over een verblijfstitel beschikt. Dit uitgangspunt is overgenomen uit de Verlofregeling tbs.
Het ontbreken van verlofmogelijkheden heeft volgens de Raad twee consequenties:
• het bemoeilijkt in sommige gevallen de repatriëring. In de praktijk blijkt dat begeleid verlof kan
    bijdragen aan het slagen van de uitzetting. Het komt voor dat een vervolgvoorziening in het land
    van herkomst eerder bereid is de patiënt over te nemen indien aangetoond kan worden dat met
    succes geoefend is met begeleid verlof.
• zonder verlof kan niet worden aangetoond dat het recidiverisico is verminderd. Dit heeft tot
    gevolg dat een vreemdeling, bij wie repatriëring niet mogelijk is, op een longstayafdeling wordt
    geplaatst terwijl deze voorziening hiervoor niet bedoeld is.
Om de repatriëring te vergemakkelijken, een zoveel mogelijk gelijkwaardige behandeling te bieden
en longstayplaatsing waar mogelijk te voorkomen, adviseert de Raad dan ook om niet rigide met
verlofmogelijkheden om te gaan en per individueel geval te bekijken of begeleid verlof kan bijdragen
aan de repatriëring. De Raad realiseert zich dat dit vraagt om een aanpassing van de Verlofregeling
tbs.5
Voorts wordt in het beleidskader vermeld dat in beginsel geen verlofmachtiging wordt verstrekt
2    Verlofregeling tbs, art. 2 lid 6 sub a.; voor het begrip resocialisatie zie ook onder ‘Overige opmerkingen’ in dit advies.
3    Tussen 2001 en 2012 zijn er circa 45 ter beschikking gestelden gerepatrieerd. In 2012 geldt voor 6 vreemdelingen dat zij op een longstay-afde-
     ling verblijven danwel dat een longstay-indicatie is aangevraagd. Daaruit concludeert de Raad dat repatriëring een reële mogelijkheid blijkt.
4    Kamerstukken II, vergaderjaar 2011-2012, 29452, nr. 146.
5    De Raad wijst in dit verband op artikel 35.2 onder b van de aanbeveling van de Raad van Europa inzake buitenlandse gedetineerden – Recom-
     mendation CM/Rec (2012)12 of the Comittee of Ministers to member States concerning foreign prisoners.
                                                                                                                                               2
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>ingeval er bij de IND een verblijfsbeëindigingsprocedure loopt of de IND een dergelijke procedure
wil opstarten. De Raad constateert dat het beleidskader de verlofmogelijkheden verder beperkt dan
in de Verlofregeling tbs is bepaald en daarmee in zoverre dus niet strookt. De Raad adviseert de
Verlofregeling onverkort toe te passen.
2. Longstayplaatsing indien repatriëring niet mogelijk is
Ingeval repatriëring niet valt te realiseren, is plaatsing op een longstayafdeling aan de orde, aldus
het beleidskader. De Raad is van oordeel dat dit uitgangspunt geen grond vindt in het Beleidskader
Longstay Forensische zorg. Longstayplaatsing is in het leven geroepen voor personen bij wie geen
behandeling met perspectief op resocialisatie (meer) bestaat. Het Longstaybeleidskader voorziet
niet in een plaatsing op een longstayafdeling van een vreemdeling zonder rechtmatig verblijf wiens
behandeling perspectief biedt op resocialisatie, maar die niet kan worden uitgezet. De Raad heeft
van de Landelijke Adviescommissie Plaatsing longstay forensische zorg (LAP) vernomen dat deze
zich eveneens op dit standpunt stelt. Dit brengt met zich mee dat de LAP in deze gevallen negatief
zal blijven adviseren. De Raad acht het een ongewenste situatie als de Minister in weerwil van
structureel negatieve adviezen tot longstayplaatsing blijft overgaan.
De Raad wijst er voorts op dat het anders toepassen van het longstaybeleid voor vreemdelingen
zonder rechtmatig verblijf dan voor eigen onderdanen, strijd kan opleveren met het recht op gelijke
behandeling. In de zaak Rangelov v. Duitsland heeft het Europese Hof het anders behandelen van
een vreemdeling dan een eigen onderdaan (omwille van zijn vreemdelingenrechtelijke status) in
strijd geoordeeld met artikel 14 (discriminatieverbod) in samenhang met art. 5 EVRM.6
Toetsing aanvraag repatriëring
Het opgestelde format voor een aanvraag van repatriëring is naar inzicht van de Raad helder.
Het risicomanagement wordt hierin centraal gesteld. In het beleidskader is er voor gekozen de
Dienst Justitiële Inrichtingen de aanvraag tot repatriëring te laten toetsen, waarbij zoveel mogelijk
aansluiting wordt gezocht bij de procedure voor toetsing van verlofaanvragen. De Raad handhaaft
zijn aanbeveling uit 2005 om de toetsing van aanvragen tot repatriëring op te dragen aan een
daartoe ingestelde commissie.7 Bestaande organisaties met relevante kennis op dit terrein en
organisaties met kennis van risicomanagement en behandeling zouden hierin zitting kunnen nemen.
Beëindiging rechtmatig verblijf
Vreemdelingen die bij het opleggen van de tbs (nog) over een verblijfstitel beschikken, kunnen deze
op enig moment gedurende de tenuitvoerlegging verliezen. Met betrekking tot de beëindiging van
het rechtmatig verblijf wordt de zogenoemde ‘glijdende schaal’ toegepast. Deze glijdende schaal legt
een verband tussen de lengte van het (rechtmatig) verblijf in Nederland en de duur van de straf en/
of maatregel. De duur van de maatregel van terbeschikkingstelling staat echter niet op voorhand
vast. Het kan dus voorkomen dat de vreemdeling bij de oplegging daarvan over een verblijfstitel
beschikt en deze pas na een verlenging van de maatregel verliest. Hiermee komt de aanvankelijk
bestaande doelstelling van de tbs alsnog in het geding. De Raad meent dat ingeval de beëindiging
van het rechtmatig verblijf de mogelijkheden tot verdere behandeling – en in het verlengde daarvan
tot repatriëring – zou frustreren, uitstel van deze beslissing overwogen dient te worden.
De Raad wijst er ten slotte op dat het in het kader van de behandeling van belang is dat de
kliniek zo vroeg mogelijk weet wanneer het rechtmatig verblijf zal worden beëindigd. Binnen
het behandeltraject kan (en moet) hier reeds in een vroeg stadium op geanticipeerd worden.
Dit kan vervolgens als ‘behandelitem’ in het behandelplan zijn beslag krijgen. Een (bij start van
de tbs-behandeling) goede samenwerking en communicatie tussen de ketenpartners (DJI, fpc’s,
vreemdelingenpolitie, IND en Dienst Terugkeer en Vertrek) is hiervoor een vereiste.
Overige & tekstuele opmerkingen
• De Raad adviseert de aanleiding en met name het doel van het beleidskader nader toe te lichten
     in de inleiding.
• Het beleidskader beschrijft ingewikkelde materie, afkomstig van verschillende beleidsvelden.
     Het helder uiteenzetten hiervan is niet alleen voor behandelaars en instanties maar ook
     voor betrokken ter beschikking gestelden van groot belang. Dit stelt eisen aan opbouw en
6     EHRM, 22 juni 2012, no. 5123/07. Klager had de Bulgaarse nationaliteit en verbleef in Duitsland in preventieve detentie (‘Sicherungsverwah-
      rung’). Hij stelde dat de tenuitvoerlegging van de maatregel een schending opleverde van artikel 14 EVRM omdat hem bepaalde therapie werd
      onthouden vanwege zijn nationaliteit en mogelijke uitzetting. Het Europese Hof oordeelde in deze zaak dat sprake was van een schending van
      artikel 14 EVRM in samenhang met artikel 5 EVRM.
7     Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming, Vreemdelingen in de tbs, advies d.d. 18 januari 2005.
                                                                                                                                              3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>    formulering, waaraan het voorgelegde concept nog onvoldoende voldoet. De Raad doet de
    suggestie alle definities en uitleg van de terminologie in een aparte bijlage op te nemen.
•   In de inleiding wordt vermeld dat vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf conform het
    VRIS-protocol in FPC Veldzicht worden geplaatst. De Raad heeft vanuit het veld begrepen
    dat de centrale plaatsing inmiddels is losgelaten en deze vreemdelingen in verschillende tbs-
    inrichtingen verblijven.
•   In de paragraaf Verlof wordt gesteld dat resocialisatie van vreemdelingen met tbs die geen
    rechtmatig verblijf hebben in Nederland niet is toegestaan. De Raad veronderstelt dat hier
    wordt bedoeld dat resocialisatie in de Nederlandse samenleving niet is toegestaan. Het
    resocialisatiebeginsel is op basis van artikel 10 lid 3 Bupo (waarop Nederland geen uitzondering
    heeft gemaakt) en op basis van jurisprudentie van de Hoge Raad8 niet beperkt tot Nederlands
    grondgebied en is daarmee onverkort van toepassing op te repatriëren vreemdelingen.
•   Onder ‘Toetsing aan de voorwaarden’ wordt vermeld dat de toetsing van een concreet plan tot
    repatriëring plaatsvindt ‘aan de hierboven vermelde voorwaarden’. Boven deze alinea worden
    echter geen voorwaarden maar ‘procedurele eisen’ genoemd.
•   De Raad stelt voor in het kader expliciet(er) op te nemen dat er bijzondere feiten of
    omstandigheden kunnen zijn die opheffing van de ongewenstverklaring legitimeren, namelijk als
    bedoeld in artikel 3 EVRM (verbod van foltering) en 8 EVRM (recht op familie- en gezinsleven).
Ik hoop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd
Hoogachtend,
namens de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming,
mr. L.A.J.M. de Wit, algemeen voorzitter
8    HR 16 januari 1987, NJ 1987.
                                                                                                4
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>