<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>                                                                                                      Parkstraat 83 Den Haag
Raad voor Strafrechtstoepassing                                                                        Correspondentie:
                                                                                                       Postbus 30137
   enjeugdbescherming                                                                                   2500 GC Den Haag
                                                                                                         Telefoon (070)361 93 00
                                                                                                          Fax algemeen (070) 361 9310
                                                                                                          Fax rechtspraak (070) 361 9315
                            Aan de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie
                            De heer rnr. F. Teeven
                            Postbus 20301
                            2500 EH Den Haag
    Contactpersoon        : dhr. drs. M. Kruissink/rnw. mr. D. van der Hoeven
    Doorkiesnummer        : 070-36193322
    B-mail                : rn.kruissink@minvenj.nl
    Datum                : 31 oktober 2012
    Uw kenmerk           : 304514
    Ons kenmerk             RSJ/101/1193/2012/MK/TvV
    Onderwerp            : Reactie ontwerpbesluit wetsvoorstel onvrijwiflige behandeling
                         Geachte heer Teeven,
                         Op 20 september 2012 ontving de Raad uw verzoek om te reageren op
                         het Ontwerpbesluit wetsvoorstel onvrijwillige geneeskundige
                         behandeling.’ Daarbij is de afspraak gemaakt dat de Raad uiterlijk
                         1 november 2012 reageert. De reactie ontvangt u hierbij.
                        Het besluit strekt tot uitvoering van het wetsvoorstel onvrijwillige
                        geneeskundige behandeling.2 Met dit wetsvoorstel, dat inmiddels door
                        de Eerste Kamer is aanvaard, wordt beoogd de bepalingen in de begin
                        selenwetten over de geneeskundige behandeling in verband met de
                        geestelijke gezondheidstoestand in overeenstemming te brengen met
                        de voorschriften bij of krachtens de Wet bijzondere opnemingen in
                        psychiatrische ziekenhuizen (Wet bopz). Daarnaast vergroot het wets
                        voorstel de mogelijkheid tot het toepassen van een onvrijwillige
                        geneeskundige behandeling.
                        Met dit ontwerpbesluit wordt een hoofdstulc over de (onvrijwillige)
                        geneeskundige behandeling ingevoegd in het Reglement verpleging ter
           “Besluit van    tot wijziging van het Reglement verpleging ter beschikking gestelden, de Penitentiaire maatregel
           en het Reglement justitiële jeugdinrichtingen in verband met cle verruiming van de mogelijkheid onvrijwillige
           geneeskundige behandeling te verrichten”.
        2  “Wet van 13 september 2012 tot wijziging van de Beginselenwot verpleging ter beschilcking gestelden, de
          Penitentialre beginselenwet en de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen in verband met de verriihning van
          de mogelijkheid onvrijwiffige geneeskundige behandeling te verrichten”; Stb 2012, 410 1 Kamerstukicen II, nr.
          32337, vergaderjaar 2009-2010.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>                     beschikking gestelden (Rvij, de Penitentiairë nia~tregel (Prn) en het
                     Reglement justitiële jeugdinrichtingen (Rjj). In dit hoofdstuk zijn regels
                     en zorgvuldigheidseisen ten aanzien van de toepassing van de genees
                     kundige behandeling opgenomen, met het oog op de rechtsbescher
                     ming van de betrokken justitiabelen. Volgens de wet en het ontwerp      -
                     besluit zijn er drie vormen van behandeijng onder dwang te onder
                     scheiden: gedwongen geneeskundige handeling, a-dwangbéhandeing
                     en b-dwangbehandeing. De eerste onderscheiden vorm wordt toege
                    past in eén acute (nood)situatie. Het onvoörziene kaiakter van de
                    situatie brengt met zich mee dat de handeling niet in het behandelpian
                    is opgenomen. Deze vorm van ingrijpen is niet nieuw en is reeds in het
                    Rvt, de Pm en de Rjj opgenomen. Bij dwangbehandeling (a en b) gaat
                    het om geneeskundig ingrijpen bij ernstige psychische stoornissen. Dit
                    kan plaatsvinden wanneer
                    a: aannemëlijk is dat zonder die behandeling het gevaar dat dé stoornis
                    van de geestvermogens de verpleegde doet ~rero.orza1cën niet binnen
                    een redelijke termijn kan worden weggenomen, en
                   b: indien het hoofd van de inrichting daaito~ eèn besluit heeft
                   genomen én dit aar het oordeel van een arts volstrekt nöödzakelijk is
                   om het gevaar dat de stoornis van de geestvermogens de verpleegde
                   binnen de inrichting doet veroorzaken, af te wenden (Bvt art. 16b
                   onder a en b, Pbw, art. 46d onder a en b, BJJ art. 51d onder a en b).
                  Hierbij dient sprake te zijn van een causaal verband tussen het
                  bedoelde gevaar3 en de stoorms, bovendien wordt er gewerkt volgens
                  het behandelpian.
                  Complex besluit
                  De Raad is van mening dat het voorliggend ontwerpbesluit complex en
                  moeffijk te doorgronden is om de volgende redenen:
                  -     De begrippen ‘a-dwangbehandeling’ en ‘b-dwangb ehandeling’
                       wekken de indruk dat er twee soorten dwangbehandeling bestaan.
                       Dit is niet het geval. De a- en b-variant (zie o.a. Bvt art. 16b onder a
                       en b) verwijzen naar twee criteria c.q. gronden die dwangbehande
                       ling legitimeren. De aard van de dwangbehandeling hangt geheel af
                       vai-i de stoornis van de betrokken patiënt en niet van de gronden
                       die tot de dwangbehandeling leiden.
                       De in het ontwerpbesluft opgenomen termen ‘a- behandeling en ‘b
                       behandeling’ zijn niet als zodanig in de Wet onvrjwiffige genees
                       kundige behandeling terug te vinden en evenmin in de Wet bopz of
                       de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg. De criteria a en b
                       komen in de Wet bopz wel voor.4 Ze worden daar doorgaans
                       aangeduid met de begrippen extern criterium (corresponderend
                       met het a-criterium) en intern criterium (corresponderend met het
  zie voor een uitleg van het gevaarscriterium o.a. art. 1 lid 1 sub t Bvt.
‘Artikel 38c lid 1 sub a en b. Wet bopz
                                                                                               2
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>                      b-criterium). In de Wet bopz heeft het toepasselijke criterium geen
                      relevantie voor de geneeskundige interventie.
                      Tot slot wordt de complexiteit van het besluit versterkt doordat de
                      wetgever in wet en besluit voor de gedwongen geneeskundige
                      handeling, dwangbehandelirig onder criterium a en dwang-
                      behandeling onder criterium b verschifiende eisen en rechtswaar
                      borgen opneemt.
                Gelet op bovenstaande, meent de Raad dat het ontwerpbesluit kan
                leiden tot een onbegrjpeljke en onwerkbare situatie voor een ieder die
                met deze regels in de praktijk moet werken. De Raad adviseert dan ook
                het besluit op genoemde punten te verhelderen c.q. aan te passen.
                Kwalitatieve randvoorwaarden en rechtspositionele waarborgen
                De Raad is van mening dat dwangbehandeling, ongeacht de grond van
                de dwangbehandeling (a of b), met voldoende randvoorwaarden en
                rechtspositionele waarborgen moet worden omkleed. Dit geldt in het
                bijzonder voor justitiabelen; een rechterlijk oordeel zoals in de Wet
               bopz, waarbij het gevaar, de stoornis en het causaal verband tussen die
               twee voorafgaand aan de gedwongen opname worden vastgesteld,
               ontbreekt bij de veroordeling tot een gevangenisstraf of jeugddetentie.
               Naar het oordeel van de Raad bevatten de wet en het ontwerpbesluit
               veel rechtswaarborgen voor de toepassing van dwangbehandeling. Dit
               laat onverlet dat de Raad hier een aantal opmerkingen bij wil maken.
               Rechtspositionele verschillen tussen criterium a en b
               De raad signaleert een aantal verschifien in rechtswaarborgen tussen
               dwangbehandeling onder criterium a en dwangbehandeling onder
               criterium b. Tijdens de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel
               zijn deze verschillen beargumenteerd vanuit de acuutheid van de
               situatie: bij de b-variant zou het, in tegenstelling tot de a-variant, om
               een acute situatie gaan waarbij snel handelen is vereist.5 De Raad
               constateert dat de wetgever hier in zijn uitleg sterk afwijkt van de
              praktijk onder de bopz-wet- en regelgeving. De Raad vindt dit opmer
              kelijk aangezien de wetgever juist beoogt de bepalingen over de
              geneeskundige behandeling in een strafrechtelijk kader, in overeen
              stemming te brengen met de bepalingen van de Wet bopz. Uit de
              omvangrijke art. 41 Wet bopz-jurisprudentie blijkt dat het bij dwang-
              behandeling onder criterium b in de Wet bopz niet om een acute
              (nood)situatie gaat. Voor acute (nood)situaties kent de Wet bopz de
              toepassing van ‘Middelen of maatregelen’ (art. 39 Wet bopz). Het
              equivalent hiervan in het strafrechtelijk kader is de gedwongen genees
              kundige handeling (artikelen 26 Bvt, 32 Pbw en 37 Bjj). Deze kan
~ Kamerstukken II, vergaderjaar 2011-2012, 32337 C.
                                                                                          3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>                  toegepast worden in acute (nood)situaties. In niet-acute situaties staat
                 volgens de Raad de dwangbehandeling onder criterium a of criterium b
                  open.
                 Gelet hierop en de betrekkelijkheid van het onderscheid tussen de
                 gronden a en b in aanmerking nemend, adviseert de Raad de in het
                 besluit genoemde rechtswaarborgen voor zowel de gronden a als b te
                 doen gelden. In het bijzonder doelt de Raad daarbij op de volgende
                 punten.
                 •         Volgens het ontwerpbesluit stelt het hoofd van de inrichting
                            uiterlijk 24 uur van tevoren een aantal personen in kennis van
                           het voornemen tot een dwangbehandeling op grond van
                           criterium a (art. 34d lid 1 Rvt, art. 22e lid 1 Pm, art. 49e lid 1 Rjj).
                           Het betreft de voorzitter van de commissie van toezicht, de
                           raadsman en de curator, de mentor en bij minderjarigen de
                           ouders of voogd. Zij worden in de gelegenheid gesteld bezwaren
                           tegen de beslissing kenbaar te maken. Bij de dwangbehandeling
                           op grond van criterium b geldt deze eis niet. De Raad is van
                           mening dat een dergelijke eis ook hier zou moeten gelden.
                           In aansluiting hierop: in het besluit is gesteld dat de voorzitter
                           van de commissie van toezicht na in kennis te zijn gesteld van
                          het voornemen van de beslissing tot een dwangbehandeling
                          volgens criterium a, hiervan ‘onverwijld’ melding doet bij de
                          maandcommissaris en deze vervolgens ‘onverwijld’ de betrok
                          kene bezoekt (art. 34d lid 2 Rvt; art. 22e lid 2 Pm; art. 49e lid 2
                          Rjj). De Raad meent dat 24 uur niet voldoende is om dit te
                          realiseren.
                          Zoals eerder uiteengezet, hoeft het bij de dwangbehandeling
                          onder b niet om een acute situatie te gaan. De Raad adviseert
                          dan ook om ten aanzien van de behandeling onder zowel
                          criterium a als b een termijn in acht te nemen tussen de
                          feitelijke beslissing tot dwangbehandeling en de start van de
                          uitvoering. Zodoende krijgt de betrokkene de tijd om een rechts-
                         middel aan te wenden, zoals een schorsingsverzoek. Daarmee is
                          de rechtspositie van de betrokkene gediend. De Raad denkt
                         hierbij aan een redelijke termijn van 7 dagen en sluit hiermee
                         aan bij de praktijk onder de Wet bopz en de uitspraak van de
                         rechtbank Rotterdam van 2 juli 2012 (404207) met noot van
                         T.P. Widdershoven. 6 Immers, voor acute noodsituaties, zijn de
                         artikelen 26 Bvt, 32 Pbw en 37 Bjj van toepassing. In dergelijke
6 JVGGZ 2012/34 De rechtbank stelde in deze zaak vast dat het bchandcheam hij toepassing van dwangbehan
  deling (in casu de Bopz-equivalent van de ‘b-behandeling’) geen termijn in acht had genomen tussen de
  aanzegging tot dwangbehandeling en de daadwerkelijke start van de behandeling. De rechtbank stelt vast dat
  op dezelfde dag direct is gestart met de dwangbehandeling. Daarmee is volgens de rechtbank niet voldaan aan
                                                                                                              4
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>                          situaties is de behandelaar niet beperkt tot interventies die zijn
                          opgenomen in het behandeiplan. De Raad heeft daarom in zijn
                          advies van 4 februari 2008 geadviseerd de genoemde artikelen te
                          verhelderen.7
                          Bij aanvang van de dwangbehandeling volgens zowel het a- als
                         het b-criterium worden ‘Onze Minister en de commissie van
                          toezicht’ ingelicht, aldus het besluit (art. 34d lid 3 Rvt; art. 22e
                         lid 3 Pm; art. 49e lid 3 Rjj). In het besluit is opgenomen dat de
                         volgende personen in kennis worden gesteld over de feitelijke
                         start van een dwangbehandeling onder criterium a: de voorzitter
                         van de commissie van toezicht, de raadsman, de curator, de
                         mentor en de ouders of voogd, als het om minderjarigen gaat
                         (art. 34d lid 4 Rvt; art. 22e lid 4 Pm; art. 49e lid 4 Rjj). Bij de
                         behandeling op grond van criterium b voorziet de regelgeving
                         hier niet in. De Raad doorgrondt de ratio hiervan niet en is van
                         mening dat in beide situaties gronden a en b in dit opzicht
                                                                  -                     -
                         dezelfde eisen gesteld moeten worden.
      Informeren raadsman
      De Raad betwijfelt of het in het besluit gestelde omtrent het informeren van
      de raadsman praktisch haalbaar is (art. 34d lid 1 Rvt; art. 22e lid 1 Pm; art. 49e
      lid 1 Rjj). Een justitiabele die eenmaal is ingesloten, zal niet altijd direct de
      beschikking hebben over een raadsman die tevens deskundig is op het gebied
      van rechtspositie en psychische problematiek. De Raad adviseert hier een
      (piket)regeling voor in het leven te roepen, zoals die ook bestaat voor art. 41
     Wet bopz-klachten.
     In staat tot beklag en/of beroep?
     Bij aanvang van de dwangbehandeling (onder zowel criterium a als b) zal de
     inspecteur voor de gezondheidszorg hierover een melding ontvangen; dit
     gebeurt ook bij de gedwongen geneeskundige handeling indien deze wordt
     verricht ‘ter afwending van gevaar dat voortvloeit uit een stoornis van de
     geestvermogens’. Indien een betrokkene zich verzet tegen de voorgenomen
     handeling, wordt vermeld of deze in staat kan worden geacht gebruik te
     kunnen maken van zijn beklag en/of beroepsrecht (art. 34d lid 5 sub d Rvt;
     art. 22e lid 5 sub d Pm; art. 49e lid 5 sub d Rjj). De Raad constateert dat in het
     besluit niet wordt aangegeven hoe te handelen wanneer de conclusie luidt dat
     de betrokkene hier vermoedelijk niet toe in staat is.
de in de wet, in jurisprudentie en in de richtlijn van de beroepsgroep neergelegde norm dat aan dwangbe
handeling een zorgvuldige voorbereiding vooraf moet gaan, inclusief de mogelijkheid van de betrokkene om
verzet te organiseren en zich te laten bijstaan.
Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming. Dwangbehandeling binnen de tenuitvoerlegging van
straffen en maatregelen, 4 februari 2008.
                                                                                                         5
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>      Info rm ei-en ouders van jeugdigen boven de zestien jaar
      Bij jeugdigen tot zestien jaar worden volgens het ontwerpbesluit (art. 49e lid 1)
      ouders, voogd, stiefouders of pleegouders op de hoogte gesteld van het
      voornemen tot toepassing van de a-dwangbehandeling. De Raad benadrukt
      dat het van belang kan zijn dat ouders van jeugdigen boven de zestien jaar
      eveneens op de hoogte worden gesteld (mits de jeugdige hiermee instemt).
      Tekstuele opmerkingen
     Tot besluit van deze brief, volgen nog enkele opmerkingen op detafiniveau.
     In artikel 23, lid 2, van het besluit, dat ziet op de Pm en dus het gevangenis
     wezen betreft, wordt gesproken van ‘het hoofd van de inrichting’ i.p.v. ‘de
     directeur’.
     In artikel 34 lid 2, dat betrekking heeft op de Rvt en dus de tbs betreft, is sprake
     van ‘de gedetineerde’; hier moet ‘de verpleegde’ staan.
     In het voorgestelde artikel 49 lid 1 sub b Rjj staat vermeld dat, in geval van een
     a-of b-behandeling, in het behandelpian wordt opgenomen op welke wijze
     rekening wordt gehouden met de voorkeuren van de jeugdige ofindien de
    jeugdige de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt de voorkeuren van
    zijn ouders, voogd, (...). Het woord “of’ dient te worden vervangen door “en”.
    Bij jeugdigen tussen de 12 en 16 jaar dient zowel met de voorkeur van de
    jeugdige als met de voorkeur van de ouders, voogd, stiefouders of pleegouders
    rekening te worden gehouden.
    In de eerste alinea van pagina 23 van de Nota van toelichting staat vermeld dat
    de ‘a-dwangbehandeling’ in artikel 16a onder a Bvt is geregeld. Dit is onjuist,
    bedoeld wordt artikel 16b onder a Bvt.
Hoogachtend,
namens de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming,
mr. L.A.J.M. de Wit, algemeen voorzitter
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>