<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>                                                                                                    Parkstraat 83 Den Haag
  Raad voor Strafrechtstoepassing                                                                    Correspondentie:
                                                                                                      Postbus 30137
        en jeugdbescherming                                                                           2500 Gc Den Haag
                                     \~_~                                                              Telefoon (070) 361 93 00
                                                                                                       Fax algemeen (070) 361 9310
                                                                                                        Fax rechtspraak (070) 361 9315
                       Aan de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie
                        De heer mr. F. Teeven
                        Postbus 20301
                       2500 EH Den Haag
Betreft                : weigerende verdachten pro justitia onderzoek
Contactpersoon           mr. D. van der Hoeven! drs. M. Kruissink
Doorkiesnummer         : 070-3619354
E-mail                 : d.van.der.hoeven@minvenj.nl
Datum                    1 februari 2012
Ons kenmerk            : CR35!1076529!2011/DvdH/TvV
                       Geachte heer Teeven,
                       Met deze brief beoogt de Raad voor Strafrechtstoepassing en
                       Jeugdbescherming (hierna te noemen de Raad) een bijdrage te leveren
                       aan de actuele discussie over het toegenomen aantal verdachten dat
                       medewerking weigert aan pro justitia onderzoek. Daarbij reageert de
                       Raad op de wijziging van artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht,
                       zoals voorgesteld in de nota van wijziging van het voorstel Wet
                      forensische zorg.’ Met deze wijziging kan een hulpverlener door de
                      rechter worden verplicht zijn (medisch) beroepsgeheim te doorbreken
                       en gegevens over een verdachte te verstrekken indien deze
                      medewerking weigert aan een pro justitia onderzoek. De Raad wijst de
                     voorgestelde wijziging in deze brief van de hand vanwege de te
                     verwachten nadelige gevolgen hiervan en de goede mogelijkheden die
                      de Raad ziet om het beoogde doel op een andere manier te bereiken.
                       1. Achtergrond
                     Het aantal verdachten dat medewerking weigert aan pro justitia
                     onderzoek is het afgelopen decennium toegenomen, zowel bij
                     ambulant als bij klinisch onderzoek.2 In de beleidsbrief van 17 februari
                     2011~ wordt aangegeven dat jaarlijks circa 70 verdachten medewerking
                     weigeren aan gedragskundig onderzoek in het Pieter Baan Centrum. In
                     1   Kamerswkken II, 2011-2012, 32398, nr. 10.
                         Van Dijk, E.M.H. (m.m.v. M. Brouwers), Daling opleggingen tbs tnet dwangverpleging.
                         Ontwikkelingen en achtergronden, WODC, Memorandum 2011 1, p. 26: He~ aantal verdachten
                         waarvoor geen conclusie over de toerekeningsvalbaarlieid kan worden gegeven neemt naar
                         verhouding toe. Ook het aantal verdachten dat expliciet geregistreerd is als weigeraar nam tot
                         2008 naar verhouding toe. In 2009 was evenwel sprake van een lichte daling.
                     ‘   Kamerstukken II, 2010 2011, 29452, nr. 138.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre> ongeveer de helft van deze gevallen heeft de weigering geen invloed op
de pro justitia rapportage en belemmert de weigering niet het zicht op
een stoornis. Bij de andere helft, zo wordt in de beleidsbrief gesteld,
kan de rechter geen tbs opleggen omdat het bestaan van een stoornis
ten tijde van het plegen van het delict door de weigering niet kan
worden vastgesteld. Voor het kabinet heeft dit aanleiding gegeven om
bij nota van wijziging de vaststelling van een eventuele stoornis minder
affiankelijk te maken van de medewerking van de verdachte.
De Raad zal hieronder allereerst de huidige (wettelijke) mogelijkheden
m.b.t. weigerende verdachten uiteenzetten. Daarna zal de Raad zijn
standpunt weergeven door a) inhoudelijk te reageren op de wijziging
van artikel 37a Sr zoals neergelegd in de nota van wijziging en b) zijn
benadering van c.q. oplossing voor de weigerproblematiek te geven.
2. Huidige mogelijkheden
De Raad stelt voorop dat het een verdachte Vrij staat zich te onthouden
van medewerking aan strafrechtelijk onderzoek en daarmee ook aan
pro justitia onderzoek. Deze proceshouding vloeit voort uit het nemo
teneturbeginsel zoals wettelijk verankerd in artikel 29 Sv. Het weigeren
van medewerking hoeft echter niet te betekenen dat de betrokkene tbs
ontloopt. Immers, het huidige artikel 37a Sr voorziet in de mogelijkheid
om, ook bij een weigerende verdachte, tbs op te leggen.4
Onderzoek pro justitia
De pro justitia rapporteurs beschikken bij een weigerende verdachte
over diverse mogelijkheden om tot een zo volledig mogelijke rapportage
te komen. Zo zullen zij proberen met de verdachte te spreken over de
redenen van de weigering, de processuele consequenties en de
verdachte proberen te motiveren alsnog mee te werken. Zonder zijn
medewerking kan de verdachte geobserveerd worden. Verder kan
informatie uit milieuonderzoek (waaronder het raadplegen van
derden/referenten), collaterale informatie (eerdere pro justitia
rapportages of reclasseringsrapporten) toch leiden tot een rapportage
met een advies. Pro justitia rapporteurs kunnen bovendien gebruik
maken van informatie die uit de detentiesituatie (Huis van Bewaring of
politiebureau) bekend is over (het gedrag van) de verdachte.5 Indien
een weigering er toe leidt dat geen advies kan worden gegeven aan de
rechter over het opleggen van een tbs-maatregel, zullen de rapporteurs
een rapport opmaken van de reden van weigering en de rechter zo veel
mogelijk voorzien van relevante informatie.6
  Art. 37a lid 3 jo. art. 37 lid 3 Sr. Voor de oplegging van een tbs-rnaatregel bij een weigerende
  verdachte is een inultidisciplinair advies van gedragsdeskundigen geen vereiste.
  Volgens Beukers wordt deze mogelijkheid in de praktijk nog weinig benut (Beukers, M.,
  Weigeren en ontkeminen bij de rapportage pro justitia een probleem?, Sancties, all. 5, 2011,
  p.278-292). ‘Uitgesloten is uiteraard (althans zonder toestemming) de informatie van in de
  inrichting werkzame zorgverleners met een geheimhoudingsplicht.”
  DJI, Weigeren, ontkennen, & “verlies van het geheugen”, Aanbevelingen voor de PJ rapporteur, juni
  2011.
                                                                                                   2
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>  Vaststellen stoornis door de rechter
  Indien de pro justitia rapporteurs zich door de weigering geen oordeel
 kunnen vormen over de aan- of afwezigheid van een stoornis en de
 eventuele toerekeningsvatbaarheid van een verdachte, belemmert dit
 de rechter in principe niet om tbs op te leggen. Het is uiteindelijk
 immers aan de rechter om uitspraak te doen over de vraag of er sprake
 was van een psychische stoornis of gebrekkige ontwikkeling tijdens het
 begaan van het delict.7 Een waarschijnlijkheidsoordeel kan volgens de
 jurisprudentie mede aan de vaststelling ten grondslag liggen.8 De
 rechter laat zich zoveel mogelijk voorlichten over de achtergrond en
 persoonlijkheid van de verdachte. Ook andere deskundigenrapporten
 (zoals eerdere pro justitia rapportages of reclasseringsrapporten)
 kunnen hiervoor worden gebruikt. Hoewel rechters (terecht)
 terughoudend zijn in het opleggen van een tbs-maatregel indien een
 advies van gedragsdeskundigen ontbreekt, krijgen weigerende
 verdachten met enige regelmaat een tbs-maatregel opgelegd.9 De
 afwezigheid van een advies pro justitia vormt hierbij wel een hindernis,
 maar geen absoluut beletsel.
 3. Standpunt Raad t.a.v. weigerende verdachten
 De Raad wijst erop dat het aantal weigerende verdachten volgens
recente cijfers van het Pieter Baan Centrum licht is gedaald. Bovendien
is het aantal rapporten dat ondanks een weigering toch een advies over
het al dan niet opleggen van een tbs-maatregel bevat, gestegen.’° Dit
wordt onder andere veroorzaakt door de toenemende
onderzoeksinspanningen van de rapporteurs om bij weigerende
verdachten toch zoveel mogelijk informatie te verzamelen (denk aan
het milieuonderzoek). Desalniettemin blijft er sprake van een groep
‘weigeraars’ over wie de rapporteurs geen advies kunnen geven.
De Raad onderschrijft zonder meer dat delinquenten die onder invloed
van een psychische stoornis een ernstig delict hebben gepleegd en die
door hun weigering een gevangenisstraf opgelegd krijgen een risico
kunnen vormen. Dit is nadelig voor de betrokkenen zelf omdat zij niet
de benodigde zorg en behandeling krijgen, maar bovenal kan de
veiligheid van de samenleving in het geding komen. Dit laatste wordt
ondersteund door de gunstige recidivecijfers na een tbs-behandeling
ten opzichte van een gevangenisstraf.1’ De Raad is echter van mening
   HR 22 januari 2008, UN: BCI311: ‘De rechter heeft daarin een eigen verantwoordelijkheid en is
   niet gebonden aan de door deskundigen uitgebrachte adviezen”; Gerechtshof Arnhem, 18 mei
   2011, UN: BQ4981: “De rechter zal zich daarbij in zeer sterke mate moeten laten leiden door
   bevindingen en conclusies van gedragsdeskundigen, maar als de gedragsdeskundigen aan hun
   grenzen komen van wat zij vanuit hun wetenschap nog kunnen verantwoorden, zal de rechter
   zijn eigen verantwoordelijkheid moeten nemen.”
   T-IR 22januari 2008, UN BCI311. Conclusie mr. Machielse: “Aan de rechtspraak van het EHRM
   noch aan de Nederlandse wetgeving is de eis te ontlenen dat de geestelijke stoornis van een
   weigerachtige verdachte met volstrekte zekerheid moet zijn vastgesteld.”
   Zie bijvoorbeeld: Gerechtshof Arnhem 18 mei 2011, UN: 13Q4981; Rechtbank Groningen 15juli
   2010, UN: BN2541; Rechtbank Arnhem 25januari 2011, UN: 13P1888; Gerechtshof ‘s
   Hertogenbosch,1 8 januari 2011, UN: BP1O7I; HR 22 januari 2008, UN: 13C131 1.
   Cijfers verkregen van hei Pieter Baan Centrum (december 2011).
“  Zie bijvoorbeeld l3regrnan, I.M. en 13.S.J. Wartna, J?ecidive TBS 1974 -2006. Ontwikkelingen in de
   sraf)echteiijke ,ecidwe van ex-!erbeschikkinggesfelden (factsheet 2010-4), WODC, 2010.
                                                                                                      3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre> dat de oplossing niet moet worden gezocht in het doorbreken van het
  (medisch) beroepsgeheim, zoals voorgesteld in de nota van wijziging.
 a. Reactie op de nota van wijziging (wijziging art. 37a Sr}
 In het voorgestelde zesde lid wordt bepaald dat de rechter bij een
 weigerende verdachte op vordering van het openbaar ministerie kan
 gelasten om een ander rapport of advies of andere benodigde
 persoonsgegevens, waaronder gegevens betreffende de gezondheid van
 de verdachte zoals bedoeld in de Wet bescherming persoonsgegevens,
 ook zonder diens toestemming aan de pro justitia rapporteurs te
verstrekken. Volgens de toelichting wordt de behandelaar die deze
 gegevens onder zich heeft met deze wetswijziging verplicht deze te
verstrekken en daarmee dus zijn beroepsgeheim te doorbreken.’2
 De Raad plaatst hierbij de volgende kanttekeningen:
-      De Raad begrijpt dat met de voorgestelde wijziging het
      verschoningsrecht kan worden doorbroken en dat een hulpverlener
       daaraan onder alle omstandigheden gehoor moet geven nu de
      voorgestelde bepaling geen uitzondering kent. Degene die over de
       gegevens beschikt, is verplicht om aan de beslissing van de rechter
      te voldoen. Daarmee bevat het voorstel een betekenisvolle
       uitzondering. In andere situaties waarin de wetgever de
      mogelijkheid heeft gecreëerd om gevoelige gegevens te vorderen,
      wordt het verschoningsrecht gerespecteerd.’3 Het belang van het
      verschoningsrecht’4 weegt hierbij volgens de wetgever zwaarder dan
      het belang van (de waarheidsvinding in) het strafproces. Het
      verbaast de Raad dan ook dat de belangenafweging met deze
      wijziging anders uitvalt dan bij de bepalingen in het Wetboek van
      Strafvordering en dat het verschoningsrecht zo nadrukkelijk opzij
      wordt geschoven, dit met name gelet op het (algemeen) belang van
      de onbelemmerde toegang tot de hulpverlening (zie onder Afbreuk
      onbelemmerde toegang zorg).
-     In het voorgestelde lid wordt gesproken over een vordering van het
      openbaar ministerie, zonder nadere eisen te stellen aan de
      vordering. De Raad wijst er op dat in het Wetboek van
      Strafvordering (artikel 126nf lid 4 jo. artikel 126nd derde t/m vijfde
      en zevende lid) aan een vordering tot het verschaffen van gevoelige
      gegevens specifieke eisen worden gesteld, zoals een zo nauwkeurig
      mogelijk aanduiding van de gegevens. Hierbij rijst de vraag of met
      de voorgestelde bepaling geen aansluiting moet worden gezocht bij
      genoemde eisen, inclusief de mogelijkheid van beklag (art. 552a Sv)
      tegen het gebruik van de bevoegdheid.
 2 Hierbij kan worden gedacht aan gegevens van de huisarts, gegevens uit een (eerder) vrijwillig
   behandelcontact met een psycholoog of psychiater of opname- en behatidelgegevens van
   algemeen psychiatrische instellingen waar verdachte eerder (gedwongen) opgenomen is
   geweest buiten strafrechtelijk kader.
   Bijvoorbeeld hij verdenking van een ernstig misdrijf dat een ernslige inbreuk op de rechtsorde
   oplevert: artikel 1 26nf Sv niet in lid 2 een verwijzing naar artikel 96a, derde lid, Sv.
   Flet belang dat iedereen zich vrijelijk tot een (verschoningsgerechtigde) hulpverlener moet
   kunnen wenden zonder enige vrees dat hetgeen aan cle hulpverlener wordt toevertrouwd in (le
   openbaarheid komt. IIR 29 juni 2004, IJN: A05070.
                                                                                                  4
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre> -     In de nota van wijziging is verrrield da(. de wijziging in
       overeenstemming is met artikel 7:457 lid 1 BW, waarin wordt
       bepaald dat een hulpverlener geen informatie/gegevens over een
       patiënt verstrekt aan derden zonder toestemming van de patiënt,
       tenzij het bij of krachtens de wet bepaalde daartoe verplicht. De Raad
       betwijfelt of het de bedoeling van de wetgever destijds is geweest
       om deze uitzondering te creëren voor het verstrekken van
       privacygevoelige gegevens ter beoordeling van de
       gezondheidstoestand van een verdachte in het kader van een
       strafrechtelijke procedure. Uit de Memorie van Toelichting bij de
       WGBO blijkt immers dat daarbij met name gedacht is aan gevallen
       die zich toespitsen op het belang van de volksgezondheid in het
       algemeen.’5
 -     Rapporten of gegevens over de verdachte kunnen eveneens
       betrekking hebben op derden. De Raad vraagt zich af hoe de
       bescherming van persoonsgegevens van derden wordt gewaarborgd,
       nu in de nota wordt verwezen naar de uitzondering van art. 7:457
       lid 1 BW laatste zin.
 -     De Raad benadrukt tot slot dat met de voorgenomen wijziging een
       groot spanningsveld wordt gecreëerd tussen de professionele
       (beroepsethische) norm en de wet.
 Naast deze kanttekeningen, spreekt de Raad zijn grote zorgen uit over
 de te verwachten nadelige gevolgen van de wijziging. Deze worden
hieronder uiteengezet.
Afbreuk onbelemmerde toegang zorg
Het voorstel doet volgens de Raad ernstig afbreuk aan het algemeen
belang van de onbelemmerde toegang tot zorg. De Raad wijst erop dat
het (medisch) beroepsgeheim’6 de vertrouwelijkheid van gegevens
waarborgt en twee belangen dient: het algemeen belang en het
individueel belang van de cliënt.’7 Het algemeen belang bestaat uit het
waarborgen van vertrouwen in het (medisch) beroep en de
toegankelijkheid van de zorg, opdat iedere burger zich vrijelijk voor
hulp en bijstand tot een hulpverlener kan wenden zonder te vrezen dat
zijn (gevoelige) gegevens aan derden worden verstrekt. Het individueel
belang bestaat uit het waarborgen van de persoonlijke levenssfeer van
de individuele cliënt waarmee kan worden voorkomen dat een cliënt
relevante informatie achterhoudt (van groot belang voor een adequate
behandeling). Het recht op privacy is wettelijk neergelegd in 17 1VBPR,
    Kamerstukken II, 1989 -1990, 21561, nr. 3. In de MvT (p. 39) worden een aantal voorbeelden
    genoemd: verplichting verstrekking gegevens in kader van de (toenmalige) Ziekenfondswet en
    Wet bestrijding infectieziekten en opsporing ziekteoorzaken of de Quarantainewet.
16  Zoals wettelijk verankerd in art. 7:457 6W en Wet BIG art. 88. Flet beroepsgeheirn is nader
    uitgewerkt iii de diverse beroepscodes (NIP, KNMG). Doorbreking van het beroepsgeheim is
    strafbaar gesteld in arm. 272 Sr, het verschoningsrecht staat omschreven in art. 218 Sv.
‘~‘ Leemien, 11.1.1 & J.K.M. Gevers, friandboek Gezondheidsrecht, 2000.
                                                                                                5
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>   art. 8 EVRM’8 en 10 Gw; de toegankelijkheid van de zorg vloeit voort uit
  art. 22 Gw.
  De Raad onderschrijft dat er zwaarwegende belangen kunnen zijn om
  het beroepsgeheim te doorbreken maar acht dit in deze situatie niet
  proportioneel en niet doelmatig. De wens om op deze wijze het risico
  te beperken dat een groep verdachten tbs ‘ontloopt’ door niet mee te
  werken aan pro justitia onderzoek, roept een nieuw (en groter)
  maatschappelijk en sociaal risico op. Te vrezen valt dat mensen met
  gedragsproblemen die in potentie delictgevaar met zich meebrengen                               -
  minder bereid zijn zich vrijwillig in een vroeg stadium te melden bij de
  (geestelijke) gezondheidszorg.’9 Daarnaast kan het voorstel tot gevolg
  hebben dat cliënten zich minder vrij voelen om te praten en wellicht
  minder essentiële informatie geven; dit kan ten koste gaan van een
  goede behandeling. Dit kan des te nijpender zijn bij gedetineerden die
  nu nog vrijwillig een beroep doen op de hulpverlening in een
  detentiesetting2° maar ook bij ex-justitiabelen die met een hulpvraag
  willen aankloppen bij de forensische polikliniek. De Raad meent
  daarom dat het niet ondenkbaar is dat het voorstel leidt tot een
  ongewenste toename van recidive bij de groep die nu nog bereikt wordt
  met vrijwillige behandeling.
  Risico onjuiste aannarnes
  De Raad wijst voorts op het feit dat documenten van eerdere
 huipverleningscontacten niet zijn opgemaakt voor strafrechtelijke
  doeleinden. Door deze informatie nu wel daarvoor aan te wenden
  ontstaat het risico van onjuiste aannames. De Raad acht dit risico groot
 bij gebruik van informatie uit eerdere gedwongen civiele opnames waar
  eveneens een ‘gevaarscriterium’ wordt gehanteerd. Hierbij rijst de vraag
 in hoeverre die informatie zich ertoe leent om het gevaar en een
 eventueel causaal verband tussen het delict en de stoornis vast te
 stellen in de latere (strafrechtelijke) situatie. Bovendien zal informatie
 uit eerdere huipverleningscontacten in meer of mindere mate
 gedateerd zijn.
 Bovenstaande brengt de Raad er toe de voorgestelde wijziging ten
zeerste af te raden.
 ‘~ Volgens het Europese Hof voor de Rechten van de Mens dient het medisch beroepsgeheirn
    zowel een algemeen belang als individueel belang. Het EIIRM beschouwt het (medisch)
    beroepsgeheim en de bescherming van de vertrouwelijke behandeling van medische gegevens
    als een belangrijk rechtsbeginsel van de lidstaten (EHRM 25 februari 1997 Z./Finland, NJ 1999,
    516). Een inbreuk op het recht van privacy van overheidswege is volgens het EVRM enkel
    toegestaan voor zover bij wet voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in
    het belang van ouder meer de veiligheid of het voorkomen van strafbare feiten. Daarbij gelden
    volgens het EFIRM tevens de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit.
    De Raad verwijst in dit verband naar de conclusie van mr. Aben bij HR 5 juli 2011, UN: BP6144.
    ‘Indien het maatschappelijk belang van de vrije toegang tol de gezondheidszorg te vaak
    ondergeschikt wordt gemaakt aan het evenzeer algemene maatschappelijke belang van de
    waarheidsvinding, dan komt liet eerste belang in liet geheel niet tot zijn recht. Mocht
    doorbreking van hei verschoningsrecht in meer dan enkel zeer uitzonderlijke gevallen kunnen
    plaatsvinden, dan gaat het effect dat met liet verschoningsrecht wordt beoogd dus verhoren.”
20  Denk aan forensische artsen, psychologen werkzaam in detentiesetting, penitenhiair
    geneeskuncligen of politieartsen hij wie het beroepsgeheini (in de rol van behandelaar) in de
    volle omvang geldt.
                                                                                                    6
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>  Ii, Benadering van de Raad
  De Raad zou het probleem van de weigerende verdachten vanuit een
  breder perspectief willen benaderen en vindt het van groot belang dat
  de oplossing wordt gezocht in de achterliggende redenen van de
 weigeringen.
  De Raad heeft reeds eerder geconstateerd dat het draagvlak voor tbs
 binnen de strafrechtketen sterk is verminderd.21 De angst bij
 verdachten om een tbs-maatregel opgelegd te krijgen blijkt groot, gelet
  op de huidige (lange) duur van een tbs-behandeling en de angst om op
  de longstayvoorziening te eindigen; verdachten beschouwen dit als
  ‘verkapt levenslang’.22 Advocaten geven aan dat de maatregel in de
 huidige situatie in veel gevallen niet (meer) in verhouding staat tot het
 gepleegde delict. De tbs-maatregel wordt als een ernstige
 strafverzwaring gevoeld. Om deze reden adviseren advocaten in
 toenemende mate hun cliënten niet mee te werken aan pro justitia
 onderzoek.23 Verklaringen van het stijgend aantal weigerende
 verdachten worden naast de opgelopen gemiddelde behandelduur van
 de tbs (inmiddels 9,8 jaar) en de kans dat een cliënt op een
 longstayvoorziening wordt geplaatst, gevonden in de kwaliteit van de
 behandeling (en wachtlijsten hiervoor), de aanscherping van het
 verlofbeleid en het afschaffen van de Fokkensregeling.24 Deze
 omstandigheden tezamen met negatieve mediaberichten maken de tbs
 onaantrekkelijk.
 Medewerking moet lonen
 De Raad acht het van groot belang om bovengenoemde problemen aan
 te pakken, waardoor de motivatie tot medewerking aan een pro justitia
 onderzoek wordt vergroot: het systeem zou er op gericht moeten zijn
 dat medewerking loont. De Raad geeft in overweging de oplossing te
zoeken in het verbeteren van het imago van de tbs en daarmee
samenhangend het beperken van de opgelopen behandelduur.
Hierdoor zullen in de visie van de Raad zowel advocaten als verdachten
meer vertrouwen krijgen in een rechtvaardige tenuitvoerlegging van de
maatregel. Om dit te bewerkstelligen, verwijst de Raad naar de
aanbevelingen uit zijn vorig jaar uitgebrachte advies over de oplopende
duur van de tbs.25 Daarin stelde de Raad dat de behandelduur onder
meer kan worden teruggebracht door eerder aan te vangen met verlof
 (en de regels m.b.t. verlof niet aan te scherpen), spoedig na opname
aan te vangen met de behandeling, het Beleidskader longstay uit te
voeren en ervoor te zorgen dat het klimaat op de longstay gericht is op
21  Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbeschermirig, De oplopende duur van de tbs, advies d.d.
    17 februari 2011. Zie ook: Muis, K.P.M.A. en L. van der Geest, TBS uit de gratie, Nyfer, 2010.
22  Muis en Van der Geest 2010.
23  ldeni.
24  Muis en Van der Geest 2010; Knoester, J, Hoe objectief is het Pieter Baan Centrum, mr 1 oktober
    2010; Jak, H. Slecht imago zet tbs-systcem onder druk, Advocaten blad, 14 oktober 2011;
    Volkskrant.,?!, Advocaten: scherpere tbs-regels wassen neus, 17 februari 2011; Scheltema, T.,
    Behandeling in de greep van de angst. De tbs-paradox, Vrij Nederland, 15 januari 20]!.
    Raad voor Strafrechtsioepassing en Jcugdbescherrning, De oplopende duur van de tbs, advies d.d.
    17 fehniari 2011.
                                                                                                   7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>   (toekomstige) hervatting van de daadwerkelijke behandeling.26
   Daarnaast heeft de Raad aanbevolen om wetenschappelijk onderzoek
  naar verbetering van de kwaliteit van behandelmethodes te stimuleren
   en bovenal een publiciteitscampagne te starten om de maatschappij
  voor te lichten, met name over de gunstige recidivecijfers na een tbs
  behandeling. Hieraan wil de Raad toevoegen dat bij toekomstige
  wijzigingen in het systeem van de tbs steeds beoordeeld moet worden
  of er nadelige gevolgen zijn voor de behandelduur en daarmee voor het
  imago van de maatregel.
 Alternatieven
  Bovendien zijn er alternatieven denkbaar als er geen tbs-maatregel kan
  worden opgelegd. Zo bestaat de mogelijkheid om bij veroordeling tot
  een gevangenisstraf te voorzien in psychiatrische c.q. psychologische
  behandeling en is er onder voorwaarden de mogelijkheid tot plaatsing
  in een psychiatrisch ziekenhuis op grond van art. 13 Sr
  (detentieongeschiktheid). Voorts kan het ondergaan van behandeling
  als voorwaarde worden gesteld in het kader van de voorwaardelijke
 invrijheidstelling (of voorwaardelijke straf). Tot slot kan de Officier van
 Justitie na afloop van de vrijheidsbeneming, in een dwingend civiel
 kader een psychiatrische opname aanvragen, in die gevallen waar dit
 vanuit het oogpunt van maatschappelijke veiligheid wenselijk is. Met de
 komst van de Wet forensische zorg wordt dit gemakkelijker. Hierbij
 realiseert de Raad zich dat deze maatregelen geen volwaardig
 alternatief zijn voor de tbs.
  Concluderend
 De Raad acht een aantasting van het beroepsgeheim, zoals voorgesteld
 in de nota van wijziging, in deze situatie niet proportioneel en niet
 doelmatig. De Raad is van mening dat de samenleving erbij gediend is
 dat de toegankelijkheid van de zorg blijft gewaarborgd en dat
verdachten meewerken aan pro justitia onderzoek zodat tbs wordt
 opgelegd in die gevallen waarin dat nodig is. Om die redenen stelt de
 Raad een andere benadering van de weigerproblernatiek voor. De Raad
meent dat verbetering van het imago van de tbs en het beperken van
 de (opgelopen) behandelduur kunnen bijdragen aan het wegnemen van
de oorzaak van de weigerproblematiek, zeker wanneer dit gebeurt in
combinatie met de huidige mogelijkheden en de reeds door de pro
justitia rapporteurs van het NIFP in gang gezette extra inspanningen
ten aanzien van weigerende verdachten.
Hoogachten~,
namens de ~ad v7 r Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming,
mr.              .~. “t’. Bakker, plv algemeen voorzitter
    liet is de l~a~ bekend dat sinds liet uitbrengen van het advies d.d. 17 februari 2011 op deze
    terreinen ~j~keIe ontwikkelingen in gang zijn gezet.
                                                                                                  8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>