<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>Tweede Kamer der Staten-Generaal
                                                                                              2
Vergaderjaar 2013–2014
24 587                 Justitiële Inrichtingen
Nr. 568                BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN VEILIGHEID EN
                       JUSTITIE
                       Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
                       Den Haag, 12 november 2013
                       Naar aanleiding van het verzoek van de vaste commissie voor Veiligheid
                       en Justitie van 13 september jl. informeer ik uw Kamer met deze brief
                       over de implementatie van het Masterplan DJI 2013- 2018. Tevens doe ik
                       mijn toezegging gestand, gedaan tijdens het debat van 27 juni 2013
                       (Handelingen II 2012/13, nr. 101, item 14) over het aangepaste Masterplan
                       DJI, om uw Kamer nader te informeren over de selectiecriteria voor
                       meerpersoonscelgebruik.
                       In paragraaf 2 van deze brief reageer ik op verzoek van de vaste
                       commissie op het advies van de Raad voor Strafrechtstoepassing en
                       Jeugdbescherming (RSJ) over de voorgenomen «Wijziging Regeling
                       SPOG1 in verband met promoveren en degraderen binnen het gevange-
                       niswezen». Ik sluit af met mijn reactie op de motie van het lid Schouw
                       (D66)2 over de doelstellingen van het kabinet op het gebied van de
                       beperking van de recidive.
                       1. De implementatie van het Masterplan DJI
                       De besluitvorming over het Masterplan DJI heeft op 2 juli jl. (Handelingen
                       II 2012/13, nr. 102, item 24) bij de stemmingen over de moties naar
                       aanleiding van het debat met uw Kamer op 27 juni jl. plaatsgevonden.
                       Direct na de stemmingen is gestart met de voorbereiding van de
                       implementatie. Het betreft een grote en complexe operatie, die met de
                       grootst mogelijke zorgvuldigheid ter hand wordt genomen. Het gaat
                       immers om forse ingrepen met grote gevolgen voor de medewerkers van
                       de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI). Eerst ga ik in op de zorg die wordt
                       besteed aan het waarborgen van de veiligheid gedurende de implemen-
                       tatie van het Masterplan en de wijze waarop de implementatie van het
                       Masterplan DJI wordt vorm gegeven. Vervolgens licht ik de voorberei-
                       1
                         RSPOG: Regeling Selectie, Plaatsing en Overplaatsing Gedetineerden
                       2
                         Kamerstuk 24 587, nr. 546
kst-24587-568
ISSN 0921 - 7371
’s-Gravenhage 2013     Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 24 587, nr. 568                        1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>pingen van inrichtingen en het hierbij geldende sociaal flankerende
beleid.
Veiligheid
Bij de implementatie van het Masterplan DJI staat de borging van de
veiligheid voorop. Dat geldt zowel voor de veiligheid van de maatschappij
als voor de veiligheid binnen de inrichting voor het daar werkzame
personeel en de ingeslotenen. Orde en veiligheid vormen een belangrijk
fundament van de detentie. Dat betreft niet alleen de «harde» aspecten
van veiligheid, zoals de inrichting van de gebouwen, de bewaking, het
handhaven van regels en afspraken, maar ook het bewerkstelligen van
een open klimaat in de inrichting, waarin personeel en gedetineerden
voldoende interactie met elkaar hebben en zich respectvol tot elkaar
verhouden. Het vakmanschap van het executieve personeel speelt bij het
tot stand brengen van die normale menselijke verhoudingen een
belangrijke rol.
Een voorbeeld van een werkwijze waarvoor goed vakmanschap vereist is,
is het adequaat toepassen van de selectiecriteria voor het plaatsen van
gedetineerden op een meerpersoonscel. Bij binnenkomst wordt bepaald
of een gedetineerde geschikt of niet geschikt is voor plaatsing op een
meerpersoonscel. Dat gebeurt aan de hand van de in de RSPOG
opgenomen wegingsfactoren voor plaatsing in een meerpersoonscel,
zoals de mate van psychische geschiktheid, verslavingsproblematiek, de
gezondheidstoestand of gedragsproblematiek. Alleen als deze proble-
matiek voldoende ernstig is, vormt zij een contra-indicatie voor plaatsing
in een meerpersoonscel. Indien de gedetineerde goed reageert op
medicijnen, dit medicijngebruik onder controle plaatsvindt en hij als
gevolg van het medicijngebruik stabiel functioneert, is plaatsing in een
meerpersoonscel mogelijk. Uiteraard laat de directeur zich bij zijn besluit
adviseren door deskundigen. Ook bij verslavingsproblematiek hangt de
geschiktheid voor plaatsing in een meerpersoonscel af van de gevolgen
van de verslaving voor het gedrag van de gedetineerde. Naast de
hierboven genoemde factoren kunnen ook de achtergrond van het delict
(bijvoorbeeld zeden of ernstig geweld) en eventueel opgelegde beper-
kingen een contra-indicatie zijn.
Door de toenmalige Inspectie voor de Sanctietoepassing (ISt), die is
opgegaan in de Inspectie voor Veiligheid en Justitie, is in april 2011 een
onderzoek uitgevoerd naar de toepassing van meerpersoonscelgebruik3.
Uit dit onderzoek blijkt dat de ISt van mening was dat de criteria voor
meerpersoonscelgebruik in de RSPOG afdoende beschreven zijn en door
DJI voldoende consistent worden gehanteerd.
De inrichting van het implementatieproces
Er is bij de implementatie van het Masterplan DJI gekozen voor een
aanpak waarbij de verantwoordelijkheid voor het opstellen en uitvoeren
van de implementatieplannen zo laag mogelijk in de organisatie is belegd.
Op centraal niveau zijn de uitgangspunten geformuleerd die voor de
gehele DJI-organisatie gelden, zoals de afspraken die zijn en worden
gemaakt ten aanzien van Van Werk Naar Werk (VWNW) en de uitgangs-
punten die zijn geformuleerd in het kader van een Toekomstvast DJI, zoals
de persoonsgerichte aanpak, beveiliging en zorg op maat, etc.
Deze algemene DJI-uitgangspunten vormen het richtsnoer voor de
verdere uitwerking in implementatieplannen die voor een gehele sector
gelden. Dat geldt bijvoorbeeld voor de wijze waarop de voorgenomen
invoering van elektronische detentie (ED) zal worden vorm gegeven.
3
  Kamerstuk 24 587 nr. 421
Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 24 587, nr. 568                       2
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>lende regimes in het gevangeniswezen (arrestanten, preventieven,
afgestraften), de invulling van de afspraken uit het convenant forensische
zorg en de vorming van één Rijks-JJI. Deze sectorale implementatie-
plannen geven richting én ruimte om in de inrichtingen zorg en veiligheid
op maat te realiseren. Wat in alle inrichtingen hetzelfde moet zijn geregeld
wordt in de sectorplannen precies omschreven, maar waar ruimte
mogelijk is zal die worden gegeven. Daarnaast worden er implementatie-
plannen opgesteld voor de landelijke diensten van DJI, het hoofdkantoor
van DJI en voor sectoroverstijgende thema’s als huisvesting en ICT.
Alle inrichtingen, directies en (landelijke) diensten dienen implementatie-
plannen in voor hun eigen onderdeel, waarin wordt toegelicht hoe de
besluiten uit het Masterplan DJI concreet vorm krijgen op de werkvloer.
Indien actuele ontwikkelingen daarom vragen, worden de plannen
tussentijds bijgewerkt. De plannen worden centraal op onderlinge
samenhang getoetst en de voortgang wordt eveneens centraal bewaakt.
Medezeggenschap
DJI kent een gelaagde medezeggenschapsstructuur met een Centrale
Ondernemingsraad, Groepsondernemingsraden van de verschillende
sectoren en lokale ondernemingsraden per DJI-onderdeel. Daarnaast
voert DJI «Georganiseerd Overleg» met de vakorganisaties.
De hierboven genoemde implementatieplannen zullen ter informatie
worden aangeboden aan het medezeggenschapsorgaan van het betrok-
ken DJI-onderdeel. Op de onderdelen van de implementatieplannen
waaraan personele gevolgen zijn verbonden heeft het betrokken
medezeggenschapsorgaan adviesrecht. Op deze wijze wordt geborgd dat
de medewerkers betrokken worden bij die delen van het Masterplan die
hen ook direct in hun functie en functioneren raken.
Tevens wordt binnen een groot aantal DJI-onderdelen gewerkt aan
zogeheten contourenplannen. Deze plannen zijn, ingevolge het
VWNW-akkoord, noodzakelijk voor de aanwijzing van de VWNW-
doelgroepen. Het contourenplan bevat een beschrijving op hoofdlijnen
van de richting waarin een organisatie zich ontwikkelt en vooral wat de
gevolgen daarvan zijn voor het personeel. De contourenplannen zijn met
name bedoeld om de werkgelegenheidseffecten in beeld te brengen. Het
contourenplan moet ter advisering worden aangeboden aan de desbetref-
fende ondernemingsraad. Het contourenplan dient eveneens voor een
zogeheten «zwaarwegend advies» te worden voorgelegd aan het
Georganiseerd Overleg.
Aanpak Van Werk Naar Werk (VWNW)
Om de medewerkers zo goed mogelijk te kunnen begeleiden zijn
verspreid over Nederland lokale mobiliteitsbureaus ingericht.
Medewerkers die worden geconfronteerd met de gevolgen van het
Masterplan DJI, krijgen passende faciliteiten (opleiding, ICT, coaching)
aangeboden die zo goed mogelijk aansluiten bij de individuele behoefte
en omstandigheden. Dit moet resulteren in maatwerkafspraken per
medewerker. Verder worden de medewerkers begeleid bij het zoeken naar
andere functies binnen en buiten DJI. Vanuit de mobiliteitsbureaus wordt
ook geholpen bij het zoeken naar stageplekken en tijdelijke werkzaam-
heden, waarmee DJI-medewerkers zich de kennis en vaardigheden
kunnen eigen maken die van belang zijn bij het vinden van een nieuwe
werkkring.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 24 587, nr. 568                       3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>15 oktober jl.4 heb ik uw Kamer geïnformeerd over de huidige stand van
zaken bij de begeleiding van DJI-medewerkers van werk naar werk.
Daarin heb ik aangegeven dat medewerkers van DJI die werkzaam zijn bij
onder meer de PI Hoogeveen, de locatie Havenstraat van de PI Amster-
dam, de PI Limburg Zuid en de PI Veenhuizen zijn aangewezen als
vrijwillige VWNW-kandidaat. Verder heb ik in de antwoorden op
voornoemde Kamervragen met genoegen kunnen melden dat door DJI
eerder dit jaar een convenant is afgesloten met de Douane. Als gevolg
hiervan zijn inmiddels ongeveer 60 medewerkers van DJI werkzaam bij de
Douane. Zij volgen daar opleidingstrajecten die, na een succesvolle
afronding, zullen leiden tot een definitieve overgang.
Daarnaast heb ik goede hoop op een positieve afronding van de
gesprekken die gevoerd worden met de op te zetten Rijks Beveiligings
Organisatie (RBO) over de mogelijke overgang van circa 550 DJI-
medewerkers. Tot slot worden er op dit moment verkennende gesprekken
gevoerd over plaatsingsmogelijkheden van DJI-medewerkers bij de
politie.
Voorbereiding sluiting penitentiaire inrichtingen gevangeniswezen
Bij het gevangeniswezen ligt de voorbereiding van de sluiting van de
penitentiaire inrichtingen (PI’s) die per 1 januari 2014 dichtgaan op
schema. Het betreft de PI Hoogeveen, de PI Amsterdam, locatie Haven-
straat, de PI Limburg Zuid, locatie Overmaze, en een deel van de PI Breda
(144 plaatsen). Daarnaast wordt de PI Veenhuizen, locatie Bankenbosch,
gesloten. Tot de sluiting van de locatie Bankenbosch was reeds besloten
in het kader van het Masterplan gevangeniswezen 2009- 2013. De te
sluiten inrichtingen hebben hun contourenplannen ingediend en zoals ik
hierboven heb vermeld kunnen de betrokken medewerkers zich
aanmelden als vrijwillige VWNW-kandidaat. In de beantwoording van de
eerder genoemde vragen van het lid Kooiman, heb ik aangegeven dat de
in het Masterplan DJI vermelde inrichtingen, of locaties daarvan, niet
eerder zullen sluiten dan op 1 januari van het in het Masterplan DJI
aangegeven jaar. Wel wordt de leegstand, als gevolg van het geringere
aanbod van gedetineerden, op een aantal plaatsen geconcentreerd. Dat
geldt met het oog op sluiting in 2014 op dit moment voor de PI
Hoogeveen, de PI Amsterdam, locatie Havenstraat, de PI Overmaze, de PI
Veenhuizen, locatie Bankenbosch en een gedeelte van de PI Breda. De in
genoemde leegstaande PI’s aangestelde DJI-medewerkers zijn elders
tewerkgesteld.
Justitiële Jeugdinrichtingen (JJI)
Wat betreft de voorbereiding van de samenvoeging van de drie rijks-JJI’s
tot één rijksinrichting kan ik uw Kamer melden dat gewerkt wordt aan het
opstellen van een contourenplan. Het streven is deze reorganisatie
uiterlijk 1 juli 2015 af te ronden. De als gevolg van eerdere besluitvorming
reeds leegstaande gebouwen van JJI De Doggershoek in Den Helder en
JJI De Heuvelrug, locatie Overberg worden per 1 januari 2014 overge-
dragen aan de RGD.
Forensische zorg
Het Ministerie van Veiligheid en Justitie, GGZ Nederland en de Vereniging
Gehandicaptenzorg Nederland hebben overeenstemming bereikt over de
wijze waarop de afspraken worden ingevuld uit de in mijn eerder
vermelde brief van 19 juni jl. toegelichte «Meerjarenovereenkomst
4
  Aanhangsel Handelingen II 2013/14, nr. 236
Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 24 587, nr. 568                       4
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>en maatregelen gaat ontwikkelen om de gemiddelde behandelduur in de
tbs te verkorten. De effecten zullen worden gemonitord via prestatie-
indicatoren over de doorlooptijd van de tbs-behandeling.
Door de verkorting van de tbs-behandelduur en een teruglopend aantal
tbs-opleggingen, zal de komende jaren fors minder tbs-capaciteit nodig
zijn. In het kader van het begrotingsakkoord 2014 is afgesproken FPC
Veldzicht open te houden. De wijze waarop aan dit besluit invulling wordt
gegeven, heb ik op uw verzoek toegelicht in mijn brief van 5 november jl.
aan uw Kamer 5. De voorbereiding van de sluiting van FPC Oldenkotte (te
sluiten per 1 januari 2015) en FPC 2Landen (te sluiten per 1 januari 2016) is
in gang gezet. De belangrijkste thema’s zijn het overplaatsingsproces van
de patiënten, de implicaties voor het personeel en het risicomanagement
tijdens afbouw van het FPC.
Over het overplaatsingsproces is overeenstemming bereikt met de
tbs-sector en het Adviescollege Verloftoetsing tbs. In 2013 is de reserveca-
paciteit volledig afgebouwd. Verder is in 2013 het aantal Penitentiair
Psychiatrische Centra (PPC’s) teruggebracht van vijf naar vier. Hiermee is
de in het Masterplan DJI beoogde reductie van de PPC-capaciteit reeds
gerealiseerd. De klinische capaciteit in de forensische zorg wordt in 2014
gereduceerd met 35 plaatsen.
Naast de maatregelen die effect hebben op de capaciteit, zijn in het
Masterplan DJI ook tariefingrepen opgenomen voor de tbs met dwangver-
pleging en de overige forensische zorg. In 2013 is een efficiencykorting
van maximaal 2,3% voor de tbs en de overige forensische zorg doorge-
voerd. Voor 2014 zal een efficiencykorting van maximaal 4,5% worden
doorgevoerd.
Vreemdelingenbewaring
Als gevolg van het Masterplan vervalt capaciteit bij het detentiecentrum
Alphen aan den Rijn. Deze zal in 2014 worden ingezet ten behoeve van het
gevangeniswezen. De voorbereidingen voor deze transitie zijn in gang
gezet.
Hergebruik vrijgekomen gebouwen van DJI
In de aangenomen motie van het lid Van der Steur c.s. 6 wordt de regering
opgeroepen erop toe te zien dat de RGD zich maximaal flexibel opstelt
met het oog op hergebruik van de vrijgekomen gebouwen van DJI in het
belang van de werkgelegenheid, lokale economie en minimalisering van
eventuele frictiekosten. De Minister voor Wonen en Rijksdienst infor-
meerde uw Kamer per brief van 28 augustus 2013 reeds over de voorbe-
reiding van de vervreemding van de vrijgekomen gebouwen7. De leden
Van der Steur en Van der Linde (beiden VVD) hebben naar aanleiding van
deze brief nadere schriftelijke vragen gesteld die bij brief van 8 november
jl. door de Minister van Wonen en Rijksdienst zijn beantwoord. Uw Kamer
heeft een afschrift van deze brief ontvangen8.
Ik kan uw Kamer voorts melden dat het RVOB/RVB i.o. in overleg met
andere overheden, waaronder DJI, de afstoot van gebouwen gaat
voorbereiden. Daarbij zal het RVOB/RVB i.o. zich maximaal inspannen om
de gebouwen te verkopen dan wel een andere bestemming te geven. Met
de opbrengsten hiervan kan een bijdrage worden geleverd aan de
terugdringing van de frictiekosten. In het kader van deze motie is binnen
deze kabinetsperiode in 2016 een evaluatiemoment afgesproken. Op dat
5
  Kamerstuk 24 587, nr. 567
6
  Kamerstuk 24 587, nr. 542
7
  Kamerstuk 24 587, nr. 564
8
  Kamerstuk 31 490/24 587, nr. 135
Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 24 587, nr. 568                       5
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>de herontwikkeling van de overtollige justitiële inrichtingen, de verdeling
tussen het RVOB/RVB i.o. en DJI met betrekking tot de kosten en
opbrengsten herbezien.
2. Reactie op het RSJ-advies «Wijziging Regeling SPOG»9
De RSJ heeft op mijn verzoek een advies uitgebracht over de voorge-
nomen wijziging van de Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing
gedetineerden. De voorgestelde wijziging van de RSPOG is nodig om het
systeem van promoveren en degraderen in te kunnen voeren bij het
gevangeniswezen. De Vaste Commissie voor Veiligheid en Justitie
verzocht mij hierop te reageren.
Kort samengevat komt de kritiek van de RSJ op het volgende neer:
• De Raad opteert voor een volwaardig standaardregime dat voldoende
      mogelijkheden bevat voor resocialisatie, voorbereiding op re-integratie
      en individuele invulling van de detentie. Het voorgestelde basispro-
      gramma is naar de mening van de RSJ dermate sober dat hierin geen
      invulling meer kan worden gegeven aan de resocialisatiedoelstelling
      uit de Penitentiaire beginselenwet (Pbw).
• Slechts een minderheid van de gedetineerden zal in aanmerking
      komen voor een plusprogramma, aldus de RSJ. Dit plusprogramma
      bevat de resocialisatiemogelijkheden die naar de mening van de RSJ
      in principe beschikbaar zouden moeten zijn voor alle gedetineerden.
• De afschaffing van het regime van algehele gemeenschap in de
      gevangenis betekent dat gedetineerden dagelijks veel meer tijd op hun
      cel moeten doorbrengen, wat de toch al gereduceerde mogelijkheden
      tot resocialisatie verder vermindert. De Raad acht deze wijziging
      strijdig met de Pbw.
Naar aanleiding van het advies is overleg gevoerd met de RSJ. Daarbij is
vastgesteld dat de RSJ en ik niet van mening verschillen wat betreft het
belang dat wij beiden hechten aan het nastreven van de resocialisatie-
doelstelling in de Pbw. Zoals hierboven reeds vermeld is de voorgestelde
wijziging van de RSPOG nodig om het systeem van promoveren en
degraderen in te kunnen voeren bij het gevangeniswezen. Over de
invoering van dit systeem en de daaraan ten grondslag liggende visie heb
ik uw Kamer bij brief van 8 november 2011 geïnformeerd10. In genoemde
brief heb ik toegelicht dat aan het systeem van promoveren en degra-
deren de overtuiging ten grondslag ligt dat de gedetineerde zelf de sleutel
in handen heeft voor een succesvolle terugkeer in de vrije maatschappij.
Met zijn gedrag en inspanningen tijdens de detentieperiode moet de
gedetineerde laten zien dat hij bereid is te investeren in zichzelf. In dat
geval komt hij in aanmerking voor deelname aan het plusprogramma,
waarin ruimere mogelijkheden gericht op resocialisatie worden geboden
dan in het basisprogramma. Uiteraard houdt DJI hierbij rekening met de
(on)mogelijkheden van een gedetineerde. Dat betekent dat, waar nodig,
extra begeleiding en ondersteuning van de gedetineerde wordt geboden.
Tijdens het Algemeen Overleg over het gevangeniswezen op 28 juni 2012
is uw Kamer akkoord gegaan met de opzet van dit systeem van promo-
veren en degraderen11.
De kritiek van de RSJ richt zich op de in voornoemde regeling neerge-
legde vormgeving van het systeem van promoveren en degraderen. Met
name de inhoud van het basisprogramma zou te sober zijn.
9
   http://www.rsj.nl/advies/adviezen/2013/
10
    Kamerstuk 29 270, nr. 61
11
    Kamerstuk 24 587, nr. 473
Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 24 587, nr. 568                       6
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>een activiteitenprogramma op grond waarvan een gedetineerde per week
43 uur aan activiteiten kan deelnemen. Dit komt overeen met de omvang
van het huidige activiteitenprogramma dat ruim uitgaat boven de
minimumnorm van 18 uur per week die hiervoor is gesteld in artikel 3 van
de Penitentiaire maatregel. Voor iedere gedetineerde wordt een detentie-
en re-integratieplan opgesteld en in nazorg voorzien. Het basisprogramma
staat in het teken van arbeid en door middel van motiverende bejegening
en korte interventies wordt getracht gedetineerden te motiveren tot
verandering. Ook in het kader van het basisprogramma wordt dus wel
degelijk geïnvesteerd in re-integratie.
Dit is in lijn met de beleidsmaatregelen die de afgelopen jaren zijn
getroffen om de recidive te beperken. Met name in de huizen van
bewaring zijn de afgelopen jaren meer mogelijkheden dan voorheen
gecreëerd om te resocialiseren. Het systeem van promoveren en
degraderen past heel goed in deze ontwikkeling.
Uit de reactie van de RSJ is mij gebleken dat de regeling en de toelichting
daarop onvoldoende duidelijk maakt welk basisprogramma aan gedeti-
neerden zal worden aangeboden. De toelichting op de regeling zal
daarom worden aangepast.
Voorts wijst de RSJ erop dat slechts een minderheid van de gedeti-
neerden in aanmerking komt voor een plusprogramma, omdat meer dan
de helft te kort gedetineerd is om voor promotie in aanmerking te komen.
Gedetineerden moeten hiervoor minimaal zes weken goed gedrag hebben
vertoond.
Het is juist dat niet iedere gedetineerde in aanmerking komt voor het
plusprogramma. Het grootste deel van de gedetineerden komt namelijk
niet in een gevangenis, maar stroomt al uit via een huis van bewaring.
Deze groep komt niet voor het plusprogramma in aanmerking. Iedereen
die wel wordt overgeplaatst naar een gevangenis is beoordeeld op zijn
gedrag en komt op grond daarvan in aanmerking voor het basispro-
gramma of het plusprogramma. Ook gedetineerden die op het moment
dat zij in een gevangenis worden geplaatst nog maar een kort strafrestant
hebben, kunnen in aanmerking komen voor het plusprogramma.
Aangezien de groep kortgestraften snel terugkeert in de samenleving is
een spoedige overdracht van informatie aan andere instanties cruciaal om
te voorkómen dat iemand in herhaling valt. Op het terrein van de nazorg
en de samenwerking met de ketenpartners is de afgelopen jaren juist veel
geïnvesteerd. Voor diegenen die wel aan een plusprogramma deelnemen
is natuurlijk het volledige pakket van terugkeeractiviteiten en
re-integratieactiviteiten beschikbaar.
Ten slotte stelt de RSJ de afschaffing van het zogeheten regime van
algehele gemeenschap in de gevangenis aan de orde. Volgens de RSJ
wordt met de wijzigingsregeling het regime van algehele gemeenschap
afgeschaft, hetgeen in strijd is met de Penitentiaire beginselenwet. Dit
berust echter op een misverstand. Met de wijziging wordt het regime van
algehele gemeenschap niet afgeschaft, maar wordt ervoor gekozen om
reguliere gevangenissen aan te wijzen als een inrichting met een regime
van beperkte gemeenschap. De wet biedt hiertoe de ruimte in artikel 19,
eerste lid, van de Penitentiaire beginselenwet: «De tenuitvoerlegging van
een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel in een inrichting vindt
plaats in algehele dan wel beperkte gemeenschap, tenzij plaatsing in een
individueel regime noodzakelijk is». Er is daarmee sprake van een
nevenschikkende keuze tussen algehele en beperkte gemeenschap.
Daarnaast behelst het derde lid dat de Minister de criteria bepaalt
waaraan gedetineerden moeten voldoen om voor plaatsing in de
verschillende regimes in aanmerking te komen.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 24 587, nr. 568                      7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>te beperken is een logisch gevolg van de invoering van een persoonsge-
richte aanpak, waarbij binnen afdelingen een per gedetineerde gedifferen-
tieerd programma moet kunnen worden aangeboden. Dat verhoudt zich
niet met een regime van algehele gemeenschap waarin gedetineerden
afdelingsgewijs een gelijk aanbod ontvangen. Het is nadrukkelijk niet de
bedoeling van de voorgestelde wijziging om gedetineerden minder
activiteiten aan te bieden. Zoals eerder in deze brief vermeld bestaat het
basisprogramma uit 43 uur activiteiten per week. Dat komt overeen met
het huidige activiteitenprogramma.
De gedetineerden die in aanmerking komen voor het plusprogramma
krijgen vijf uur meer aan activiteiten.
In de toelichting op de regeling zal nadrukkelijker worden aangegeven dat
er geen sprake is van afschaffing van de algehele gemeenschap. Ook
blijven de (Zeer) Beperkt Beveiligde Inrichtingen (ZBBI’s), tot het moment
van sluiting, aangewezen als inrichtingen waar een regime van algehele
gemeenschap geldt.
In het wetsvoorstel «Wijziging van de Penitentiaire beginselenwet en het
Wetboek van Strafrecht in verband met de herijking van de wijze van de
tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende sancties en de invoering van
elektronische detentie», dat onlangs bij uw Kamer is ingediend12, is
overigens voorzien in één gemeenschapsregime, waarbij het onderscheid
tussen algehele en beperkte gemeenschap komt te vervallen.
3. De gevolgen van het Masterplan DJI voor de doelstellingen op
het gebied van recidivebeperking
In eerdergenoemde motie van het lid Schouw (D66) wordt de regering
verzocht «te onderbouwen hoe de recidivevermindering van 10% zoals
genoemd in het masterplan DJI 2013–2018 zal worden behaald». In deze
paragraaf geef ik gaarne gevolg aan dit verzoek.
Veel van de overlast op straten en in wijken wordt veroorzaakt door
recidivisten. In het Regeerakkoord van het Kabinet Rutte II is daarom
vastgelegd dat de recidive wordt teruggedrongen door passende straffen
en tijdige resocialisatie. Reeds meerdere jaren rust het beleid gericht op
het terugdringen van de recidive op meerdere pijlers. Aan de basis ligt de
persoonsgerichte aanpak waarbij de dader, het delict en het risico dat de
dader vormt voor de samenleving belangrijke indicatoren zijn voor de op
te leggen sanctie en de wijze van tenuitvoerlegging. Bij het opleggen van
de sanctie kan de rechter kiezen uit een groot palet aan sancties, dat kan
worden toegesneden op het profiel en het risico van de verdachte. De
inzet van voorwaardelijke sancties is de afgelopen jaren toegenomen
waarmee gericht kan worden gewerkt aan de aanpak van criminogene
factoren. Juist de combinatie van verschillende voorwaarden – zoals
gedragstrainingen, ambulante behandelingen, maar ook een straatverbod
of een alcoholverbod – maakt het mogelijk dat de strafrechtelijke reactie
de kern van de individuele problematiek aanpakt. Daarnaast is het toezicht
door de reclassering op de naleving van de bijzondere voorwaarden
geïntensiveerd. Ook aan de intramurale tenuitvoerlegging van vrijheids-
straffen ligt de persoonsgerichte aanpak ten grondslag. Ik kom hier in het
vervolg van deze paragraaf nader op terug. Ten slotte wijs ik erop dat de
afgelopen periode fors is geïnvesteerd in de verbetering van de foren-
sische zorg en in het verbeteren van de nazorg door aan te sluiten op
individuele trajecten in de vrije samenleving (onderwijs, werk en inkomen,
huisvesting, zorg, etc.).
12
   Kamerstuk 33 745, nr. 2
Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 24 587, nr. 568                      8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>jaar 2010 ten opzichte van het ijkjaar 2002. Hieronder wordt de recidive
verstaan die optreedt binnen een termijn van 7 jaar. De ontwikkelingen op
het gebied van de recidive worden gemonitord door het Wetenschappelijk
Onderzoek en Documentatiecentrum (WODC).
Vooruitlopend op het bekend worden van deze cijfers die pas in 2019
beschikbaar zijn, heeft het WODC berekend dat de 2-jarige recidive moet
dalen met 7,7%-punt om de doelstelling van een daling met 10-procent-
punt voor de 7-jaarsrecidive te halen. Uit het Recidivebericht 2012 van het
WODC blijkt dat tussen 2002 en 2009 een recidivereductie van 8,3%-punt
is behaald. Het lijkt dan ook gerechtvaardigd te veronderstellen dat de
doelstelling van een daling met 10%-punt in het jaar 2010 ten opzichte van
het ijkjaar 2002 zal worden gerealiseerd.
Het beleid gericht op het terugdringen van de recidive wordt met kracht
voortgezet. Daarin brengt het Masterplan DJI geen verandering, in
tegendeel. In mijn brief van 19 juni jl. bij het Masterplan DJI 13 heb ik
nogmaals de visie van het kabinet uiteengezet op de tenuitvoerlegging
van vrijheidsstraffen en strafrechtelijke maatregelen. Vergelding, de
levensloopbenadering, de persoonsgerichte aanpak en het aanspreken
van de gedetineerde op diens eigen verantwoordelijkheid voor een
succesvolle re-integratie, zo lichtte ik toe in deze brief, vormen de
belangrijkste pijlers onder het sanctiebeleid van het kabinet.
De persoonsgerichte aanpak tijdens detentie wordt vastgelegd in het
detentie- en re-integratieplan dat voor iedere gedetineerde wordt
opgesteld. Iedere gedetineerde wordt bij binnenkomst gescreend, waarbij
zo veel mogelijk gebruik wordt gemaakt van reeds bekende informatie
over de gedetineerden bij de ketenpartners. Aan de hand van deze
screening kan worden bepaald aan welke punten de gedetineerde tijdens
zijn detentie moet werken om hem een zo goed mogelijke kans te geven
op een succesvolle terugkeer in de samenleving. De gedetineerde krijgt
een mentor toegewezen die in overleg met de gedetineerde de invulling
van het detentie- en re-integratieplan bekijkt. In het plan wordt onder
andere opgenomen welke zorg de gedetineerde nodig heeft, welke
(re-integratie) doelen hij tracht te behalen (afhankelijk ook van de
verwachte verblijfsduur) en welke invulling zijn activiteitenprogramma zal
krijgen. Ook is er aandacht voor de nazorg. Overigens houdt de persoons-
gerichte aanpak ook in dat er rekening wordt gehouden met de (on)moge-
lijkheden van een gedetineerde en dat, waar nodig, extra begeleiding en
ondersteuning van de gedetineerde wordt aangeboden. Dit is onderdeel
van de motiverende bejegening waarin het personeel van het gevangenis-
wezen de afgelopen jaren is geschoold.
Het kabinet is van mening dat de gedetineerde sterker op de eigen
verantwoordelijkheid voor een succesvolle terugkeer in de maatschappij
moet worden aangesproken. In dit licht moet het eerder genoemde
wetsvoorstel wijziging Penitentiaire beginselenwet en het Wetboek van
Strafrecht worden gezien dat inmiddels bij uw Kamer is ingediend. In dit
wetsvoorstel stelt het kabinet onder meer voor om de algemeen geldende
detentiefasering af te schaffen. De huidige detentiefasering kent naar de
mening van het kabinet onvoldoende samenhang en wordt gekenmerkt
door een vrijblijvendheid die niet past bij een gecontroleerde terugkeer in
de samenleving. De huidige vormen van verlof zijn te veel een vanzelf-
sprekendheid geworden, waaraan geen concreet re-integratiedoel is
verbonden en waarin het eigen gedrag en de eigen verantwoordelijkheid
van gedetineerden een veel te beperkte rol spelen. Zoals eerder aange-
geven in deze brief heeft DJI inmiddels een systeem van promoveren en
13
   Kamerstuk 24 587, nr. 535
Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 24 587, nr. 568                      9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>gedrag kan worden beloond en verkeerd gedrag kan worden gecorri-
geerd. Interne vrijheden in de vorm van meer bewegingsruimte binnen de
muren moeten in dit systeem worden verdiend.
Ook externe vrijheden dienen te worden verdiend. Dat geldt dus ook voor
elektronische detentie (ED) dat met voornoemd wetsvoorstel wordt
ingevoerd. De door het kabinet voorgestane invulling van ED biedt alle
ruimte voor het werken aan gedragsverandering en zal zo veel mogelijk
worden gecombineerd met zinvolle activiteiten van de betrokkene in de
vorm van arbeid, training, deelname aan gedragsinterventies of een
andere vorm van zinvolle dagbesteding. Voor een nadere toelichting op
de vormgeving van ED verwijs ik graag naar de memorie van toelichting
bij voornoemd wetsvoorstel.
Zoals ik hierboven heb toegelicht wordt de aanpak van de recidive door
het kabinet niet alleen voortgezet maar nog versterkt door het aan-
scherpen van de eigen verantwoordelijkheid van de gedetineerde voor
diens succesvolle terugkeer in de maatschappij. Ik heb er dan ook alle
vertrouwen in dat de positieve ontwikkelingen op het gebied van de
recidive zich zullen voortzetten. Om goed te kunnen volgen wat de
mogelijke effecten zijn van de aangescherpte persoonsgerichte aanpak,
zullen in de jaarlijkse rapportage van het WODC de recidivegegevens van
ex-gedetineerden worden uitgesplitst naar wijze van uitstroom. Op deze
wijze kan onderscheid worden gemaakt bij het volgen van de recidive
tussen ex-gedetineerden met en zonder een plusprogramma en tussen
ex-gedetineerden met en zonder ED. De rapportage zal als te doen
gebruikelijk met een beleidsreactie aan uw Kamer worden toegestuurd.
De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,
F. Teeven
Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 24 587, nr. 568                  10
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>